Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
4 MAART 2004. - Wet houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-03-2004 en tekstbijwerking tot 22-05-2023)
Titre
4 MARS 2004. - Loi accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-03-2004 et mise à jour au 22-05-2023)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (22)
Texte (22)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid zoals bepaald in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK I. - Stelsel van aanvullende voordelen.
CHAPITRE Ier. - Régime des avantages complémentaires.
Art. 2. Dit hoofdstuk is van toepassing :
1°) op de personen die werden aangesteld om een managementfunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 10, § 1 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten;
2°) op de personen die werden aangesteld om een staffunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 2002 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de staffuncties in de federale overheidsdiensten;
[2 2° /1. op de personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 16 november 2006 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut en voor zover de betrokken instelling van openbaar nut niet is aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden;]2
3°) op de personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° of in 2° in een instelling van openbaar nut die aangesloten is bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden en die onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers;
4°) op de personen die, ten gevolge van hun aanstelling om een management- of staffunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° of in 2° in een wettenschappelijke instelling van de Staat of in een gefedereerde entiteit, onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers.
5° [1 op de personen die ten gevolge van hun aanstelling om een managementfunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° bij de Pensioendienst voor de overheidssector vóór haar ontbinding, onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers.]1
1°) op de personen die werden aangesteld om een managementfunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 10, § 1 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten;
2°) op de personen die werden aangesteld om een staffunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 2002 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de staffuncties in de federale overheidsdiensten;
[2 2° /1. op de personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 16 november 2006 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut en voor zover de betrokken instelling van openbaar nut niet is aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden;]2
3°) op de personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° of in 2° in een instelling van openbaar nut die aangesloten is bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden en die onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers;
4°) op de personen die, ten gevolge van hun aanstelling om een management- of staffunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° of in 2° in een wettenschappelijke instelling van de Staat of in een gefedereerde entiteit, onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers.
5° [1 op de personen die ten gevolge van hun aanstelling om een managementfunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° bij de Pensioendienst voor de overheidssector vóór haar ontbinding, onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers.]1
Art. 2. Le présent chapitre est applicable :
1°) aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management en application de l'article 10, § 1er de l'arrêté royal du 29 octobre 2001 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux;
2°) aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction d'encadrement en application de l'article 9, § 1er de l'arrêté royal du 2 octobre 2002 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions d'encadrement dans les services publics fédéraux;
[2 2° /1. aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement en application de l'article 10, § 1er, de l'arrêté royal du 16 novembre 2006 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management et d'encadrement dans certains organismes d'intérêt public pour autant que l'organisme d'intérêt public concerné ne soit pas affilié au régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leur ayants droit;]2
3°) aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement analogue à celle visée au 1° ou au 2° dans un organisme d'intérêt public affilié au régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit et qui sont assujetties au régime de pension des travailleurs salariés;
4°) aux personnes qui, suite à leur désignation pour exercer une fonction de management ou d'encadrement analogue à celle visée au 1° ou au 2° dans un établissement scientifique de l'Etat ou dans une entité fédérée, sont assujetties au régime de pension des travailleurs salariés.
5° [1 aux personnes qui suite à leur désignation pour exercer une fonction de management analogue à celle visée au 1° au Service des Pensions du Secteur public avant sa dissolution ont été assujetties au régime de pension des travailleurs salariés.]1
1°) aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management en application de l'article 10, § 1er de l'arrêté royal du 29 octobre 2001 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux;
2°) aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction d'encadrement en application de l'article 9, § 1er de l'arrêté royal du 2 octobre 2002 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions d'encadrement dans les services publics fédéraux;
[2 2° /1. aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement en application de l'article 10, § 1er, de l'arrêté royal du 16 novembre 2006 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management et d'encadrement dans certains organismes d'intérêt public pour autant que l'organisme d'intérêt public concerné ne soit pas affilié au régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leur ayants droit;]2
3°) aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement analogue à celle visée au 1° ou au 2° dans un organisme d'intérêt public affilié au régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit et qui sont assujetties au régime de pension des travailleurs salariés;
4°) aux personnes qui, suite à leur désignation pour exercer une fonction de management ou d'encadrement analogue à celle visée au 1° ou au 2° dans un établissement scientifique de l'Etat ou dans une entité fédérée, sont assujetties au régime de pension des travailleurs salariés.
5° [1 aux personnes qui suite à leur désignation pour exercer une fonction de management analogue à celle visée au 1° au Service des Pensions du Secteur public avant sa dissolution ont été assujetties au régime de pension des travailleurs salariés.]1
Art. 3. § 1. De in artikel 2 bedoelde persoon heeft, voor elke maand diensttijd in een management- of staffunctie, recht op aanvullende voordelen inzake rustpensioen die beantwoorden aan het verschil tussen enerzijds 1/720 van de in § 2 bepaalde referentiewedde en anderzijds het rustpensioen ten laste van de pensioenregeling van de werknemers waarop hij aanspraak kan maken voor de uitoefening van deze functie.
De perioden die geen volledige kalendermaand vormen, worden in aanmerking genomen ten belope van hun duur uitgedrukt in maanden met twee decimalen.
§ 2. De in § 1 bedoelde referentiewedde is de jaarwedde van de klas waaraan de functie is gekoppeld tengevolge van haar weging en die werkelijk werd toegekend tijdens de uitoefening van de functie.
De referentiewedde en het rustpensioen van werknemer worden vastgesteld aan het spil-indexcijfer 138,01.
§ 3. In geval van toepassing van artikel 6, § 1 wordt de fictieve rente die beantwoordt aan het uitgekeerde kapitaal, afgetrokken van de in § 1 bedoelde aanvullende voordelen.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omzetting van het kapitaal in een rente uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels bepaald in het koninklijk besluit van 24 maart 1994 houdende diverse wijzigingen in de regeling inzake de pensioenen van de openbare sector.
§ 4. De in § 1 bedoelde aanvullende voordelen gaan in op de eerste dag van de maand van de inbetalingstelling van het wettelijk pensioen waarop de in artikel 2 bedoelde persoon aanspraak kan maken ten laste van de pensioenregeling van de werknemers.
In afwijking van het eerste lid kan de in artikel 2 bedoelde persoon die, uit hoofde van een andere functie dan zijn management- of staffunctie, aanspraak kan maken op een rustpensioen met toepassing van artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, vragen dat de in § 1 bedoelde aanvullende voordelen ingaan op de ingangsdatum van dat rustpensioen.
§ 5. Het overeenkomstig de bepalingen van § 1 berekende bedrag van de aanvullende voordelen is gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 en evolueert op dezelfde manier als de pensioenen ten laste van de Staatskas.
De perioden die geen volledige kalendermaand vormen, worden in aanmerking genomen ten belope van hun duur uitgedrukt in maanden met twee decimalen.
§ 2. De in § 1 bedoelde referentiewedde is de jaarwedde van de klas waaraan de functie is gekoppeld tengevolge van haar weging en die werkelijk werd toegekend tijdens de uitoefening van de functie.
De referentiewedde en het rustpensioen van werknemer worden vastgesteld aan het spil-indexcijfer 138,01.
§ 3. In geval van toepassing van artikel 6, § 1 wordt de fictieve rente die beantwoordt aan het uitgekeerde kapitaal, afgetrokken van de in § 1 bedoelde aanvullende voordelen.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omzetting van het kapitaal in een rente uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels bepaald in het koninklijk besluit van 24 maart 1994 houdende diverse wijzigingen in de regeling inzake de pensioenen van de openbare sector.
§ 4. De in § 1 bedoelde aanvullende voordelen gaan in op de eerste dag van de maand van de inbetalingstelling van het wettelijk pensioen waarop de in artikel 2 bedoelde persoon aanspraak kan maken ten laste van de pensioenregeling van de werknemers.
In afwijking van het eerste lid kan de in artikel 2 bedoelde persoon die, uit hoofde van een andere functie dan zijn management- of staffunctie, aanspraak kan maken op een rustpensioen met toepassing van artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, vragen dat de in § 1 bedoelde aanvullende voordelen ingaan op de ingangsdatum van dat rustpensioen.
§ 5. Het overeenkomstig de bepalingen van § 1 berekende bedrag van de aanvullende voordelen is gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 en evolueert op dezelfde manier als de pensioenen ten laste van de Staatskas.
Art. 3. § 1er. La personne visée à l'article 2 a droit, pour chaque mois d'exercice d'une fonction de management ou d'encadrement, à des avantages complémentaires en matière de pension de retraite qui correspondent à la différence entre, d'une part, 1/720ème du traitement de référence défini au § 2 et, d'autre part, la pension de retraite à charge du régime de pension des travailleurs salariés à laquelle elle peut prétendre pour l'exercice de cette fonction.
Les périodes qui ne forment pas un mois civil complet sont prises en compte à raison de leur durée exprimée en mois avec deux décimales.
§ 2. Le traitement de référence visé au § 1er est le traitement annuel de la classe à laquelle la fonction est liée compte tenu de sa pondération et qui a été effectivement accordé durant l'exercice de la fonction.
Le traitement de référence et la pension de retraite de travailleur salarié sont établis à l'indice-pivot 138,01.
§ 3. En cas d'application de l'article 6, § 1er, la rente fictive correspondant au capital liquidé est déduite des avantages complémentaires visés au § 1er.
Pour l'application de l'alinéa 1er, la conversion du capital en rente est opérée selon les modalités prévues par l'arrêté royal du 24 mars 1994 apportant diverses modifications à la réglementation relative aux pensions du secteur public.
§ 4. Les avantages complémentaires visés au § 1er prennent cours le 1er jour du mois de la mise en paiement de la pension légale à laquelle la personne visée à l'article 2 peut prétendre à charge du régime de pension des travailleurs salariés.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la personne visée à l'article 2 qui, du chef d'une fonction autre que sa fonction de management ou d'encadrement, peut prétendre à une pension de retraite en application de l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, peut demander que les avantages complémentaires visés au § 1er prennent cours à la date de la prise de cours de cette pension de retraite.
§ 5. Le montant des avantages complémentaires calculé conformément aux dispositions du § 1er est rattaché à l'indice-pivot 138,01 et évolue de la même façon que les pensions à charge du Trésor public.
Les périodes qui ne forment pas un mois civil complet sont prises en compte à raison de leur durée exprimée en mois avec deux décimales.
§ 2. Le traitement de référence visé au § 1er est le traitement annuel de la classe à laquelle la fonction est liée compte tenu de sa pondération et qui a été effectivement accordé durant l'exercice de la fonction.
Le traitement de référence et la pension de retraite de travailleur salarié sont établis à l'indice-pivot 138,01.
§ 3. En cas d'application de l'article 6, § 1er, la rente fictive correspondant au capital liquidé est déduite des avantages complémentaires visés au § 1er.
Pour l'application de l'alinéa 1er, la conversion du capital en rente est opérée selon les modalités prévues par l'arrêté royal du 24 mars 1994 apportant diverses modifications à la réglementation relative aux pensions du secteur public.
§ 4. Les avantages complémentaires visés au § 1er prennent cours le 1er jour du mois de la mise en paiement de la pension légale à laquelle la personne visée à l'article 2 peut prétendre à charge du régime de pension des travailleurs salariés.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la personne visée à l'article 2 qui, du chef d'une fonction autre que sa fonction de management ou d'encadrement, peut prétendre à une pension de retraite en application de l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, peut demander que les avantages complémentaires visés au § 1er prennent cours à la date de la prise de cours de cette pension de retraite.
§ 5. Le montant des avantages complémentaires calculé conformément aux dispositions du § 1er est rattaché à l'indice-pivot 138,01 et évolue de la même façon que les pensions à charge du Trésor public.
Art. 4. <W 2006-01-12/45, art. 60, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006> De in artikel 3, § 1, bepaalde aanvullende voordelen die toegekend worden aan de in artikel 2, 1°, 2° en 4° bedoelde personen, worden uitbetaald door de [1 Federale Pensioendienst]1.
Art. 4. <L 2006-01-12/45, art. 60, 002 ; En vigueur : 01-01-2006> Les avantages complémentaires prévus à l'article 3, § 1er et qui sont accordés aux personnes visées à l'article 2, 1°, 2° et 4°, sont payées par le [1 Service fédéral des Pensions]1.
Art. 5. De in artikel 3, § 2, eerste lid bepaalde referentiewedde is onderworpen aan een verplichte persoonlijke bijdrage vastgesteld op 1,5 pct..
(De opbrengst van deze persoonlijke bijdrage wordt elke maand door de dienst die de wedde betaalt, gestort aan de [1 Federale Pensioendienst]1. Deze storting moet bij deze pensioendienst toekomen uiterlijk de vijfde werkdag die volgt op de dag van de betaling van de wedde.
Indien de opbrengst van de in het vorige lid bedoelde bijdrage ontoereikend is om de in artikel 4 bedoelde aanvullende voordelen te betalen, zal de [1 Federale Pensioendienst]1 de in artikel 68ter, § 5, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen bedoelde ontvangsten aanwenden om deze voordelen te financieren.) <W 2006-01-12/45, art. 61, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
(De opbrengst van deze persoonlijke bijdrage wordt elke maand door de dienst die de wedde betaalt, gestort aan de [1 Federale Pensioendienst]1. Deze storting moet bij deze pensioendienst toekomen uiterlijk de vijfde werkdag die volgt op de dag van de betaling van de wedde.
Indien de opbrengst van de in het vorige lid bedoelde bijdrage ontoereikend is om de in artikel 4 bedoelde aanvullende voordelen te betalen, zal de [1 Federale Pensioendienst]1 de in artikel 68ter, § 5, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen bedoelde ontvangsten aanwenden om deze voordelen te financieren.) <W 2006-01-12/45, art. 61, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Art. 5. Le traitement de référence défini à l'article 3, § 2, alinéa 1er est soumis à une cotisation personnelle obligatoire fixée à 1,5 p.c..
(Le produit de cette cotisation personnelle est versé mensuellement par le service qui paie le traitement, au [1 Service fédéral des Pensions]1. Ce versement doit parvenir à ce service au plus tard le cinquième jour ouvrable qui suit le jour du paiement du traitement.
Si le produit de la retenue visée à l'alinéa précédent est insuffisant pour payer les avantages complémentaires prévus à l'article 4, le [1 Service fédéral des Pensions]1 utilisera les recettes prévues à l'article 68ter, § 5. de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales pour financer ces avantages.) <L 2006-01-12/45, art. 61, 002 ; En vigueur : 01-01-2006>
(Le produit de cette cotisation personnelle est versé mensuellement par le service qui paie le traitement, au [1 Service fédéral des Pensions]1. Ce versement doit parvenir à ce service au plus tard le cinquième jour ouvrable qui suit le jour du paiement du traitement.
Si le produit de la retenue visée à l'alinéa précédent est insuffisant pour payer les avantages complémentaires prévus à l'article 4, le [1 Service fédéral des Pensions]1 utilisera les recettes prévues à l'article 68ter, § 5. de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales pour financer ces avantages.) <L 2006-01-12/45, art. 61, 002 ; En vigueur : 01-01-2006>
Art. 6. § 1.- Indien de in artikel 2 bedoelde persoon dit vóór de ingangsdatum van de in artikel 3, § 1 bepaalde aanvullende voordelen vraagt, kan een deel van die voordelen hem worden uitgekeerd in de vorm van een kapitaal.
Het in het eerste lid bedoelde deel van de aanvullende voordelen is gelijk aan de opbrengst van de in artikel 5, eerste lid bedoelde persoonlijke bijdragen, verhoogd met interest die, per volledige kalendermaand, berekend wordt op basis van de rentevoet van 3,5 pct. per jaar. Deze interest heeft betrekking op de periode begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op de betaling van de wedde en de laatste dag van de maand die de ingangsdatum van de aanvullende voordelen voorafgaat.
De Koning kan de in het tweede lid bepaalde rentevoet wijzigen overeenkomstig de evolutie van de rentevoeten van de markt.
§ 2.- In geval van overlijden van een in artikel 2 bedoelde persoon vóór de ingangsdatum van de aanvullende voordelen, wordt het in § 1 bedoelde kapitaal gestort aan de langstlevende echtgenoot. Als er geen langstlevende echtgenoot is, wordt dit kapitaal gestort aan de kinderen van de overledene die op de datum van het overlijden kinderbijslag genieten. Als er geen langstlevende echtgenoot en geen hiervoor bepaalde kinderen zijn, wordt het gedeelte van dit kapitaal dat beantwoordt aan de tijdens het huwelijk met de uit de echt gescheiden echtgenoot gestorte bijdragen, gestort aan die echtgenoot, op voorwaarde dat deze laatste niet opnieuw in het huwelijk is getreden. In deze gevallen wordt de interest berekend tot de laatste dag van de maand van het overlijden.
Het eerste lid wordt toegepast op aanvraag van de betrokkenen.
§ 3.- De krachtens dit artikel toegekende kapitalen (worden uitbetaald door de [1 Federale Pensioendienst]1). <W 2006-01-12/45, art. 62, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Het in het eerste lid bedoelde deel van de aanvullende voordelen is gelijk aan de opbrengst van de in artikel 5, eerste lid bedoelde persoonlijke bijdragen, verhoogd met interest die, per volledige kalendermaand, berekend wordt op basis van de rentevoet van 3,5 pct. per jaar. Deze interest heeft betrekking op de periode begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op de betaling van de wedde en de laatste dag van de maand die de ingangsdatum van de aanvullende voordelen voorafgaat.
De Koning kan de in het tweede lid bepaalde rentevoet wijzigen overeenkomstig de evolutie van de rentevoeten van de markt.
§ 2.- In geval van overlijden van een in artikel 2 bedoelde persoon vóór de ingangsdatum van de aanvullende voordelen, wordt het in § 1 bedoelde kapitaal gestort aan de langstlevende echtgenoot. Als er geen langstlevende echtgenoot is, wordt dit kapitaal gestort aan de kinderen van de overledene die op de datum van het overlijden kinderbijslag genieten. Als er geen langstlevende echtgenoot en geen hiervoor bepaalde kinderen zijn, wordt het gedeelte van dit kapitaal dat beantwoordt aan de tijdens het huwelijk met de uit de echt gescheiden echtgenoot gestorte bijdragen, gestort aan die echtgenoot, op voorwaarde dat deze laatste niet opnieuw in het huwelijk is getreden. In deze gevallen wordt de interest berekend tot de laatste dag van de maand van het overlijden.
Het eerste lid wordt toegepast op aanvraag van de betrokkenen.
§ 3.- De krachtens dit artikel toegekende kapitalen (worden uitbetaald door de [1 Federale Pensioendienst]1). <W 2006-01-12/45, art. 62, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Art. 6. § 1er.- Si, avant la date de prise de cours des avantages complémentaires prévus à l'article 3, § 1er, la personne visée à l'article 2 le demande, une partie de ces avantages peut lui être liquidée sous la forme d'un capital.
La partie des avantages complémentaires visée à l'alinéa 1er est égale au produit des cotisations personnelles visées à l'article 5, alinéa 1er, majoré d'intérêts calculés, par mois civil entier, au taux de 3,5 p.c. l'an. Ces intérêts couvrent la période comprise entre le premier jour du mois qui suit le paiement du traitement et le dernier jour du mois qui précède la date de prise de cours des avantages complémentaires.
Le Roi peut, en fonction de l'évolution du taux des intérêts du marché, modifier le taux d'intérêt prévu à l'alinéa 2.
§ 2.- En cas de décès d'une personne visée à l'article 2 avant la date de prise de cours des avantages complémentaires, le capital visé au § 1er est versé au conjoint survivant. A défaut de conjoint survivant, ce capital est versé aux enfants du décédé bénéficiaires à la date du décès d'allocations familiales. A défaut de conjoint survivant et d'enfants définis ci-avant, la partie de ce capital correspondant aux cotisations versées durant le mariage avec le conjoint divorcé est versée à ce conjoint, à condition que ce dernier ne s'est pas remarié. Dans ces cas, les intérêts sont calculés jusqu'au dernier jour du mois du décès.
L'alinéa 1er est applicable à la demande des intéressés.
§ 3.- Les capitaux accordés en vertu du présent article sont (payés par le [1 Service fédéral des Pensions]1). <L 2006-01-12/45, art. 62, 002 ; En vigueur : 01-01-2006>
La partie des avantages complémentaires visée à l'alinéa 1er est égale au produit des cotisations personnelles visées à l'article 5, alinéa 1er, majoré d'intérêts calculés, par mois civil entier, au taux de 3,5 p.c. l'an. Ces intérêts couvrent la période comprise entre le premier jour du mois qui suit le paiement du traitement et le dernier jour du mois qui précède la date de prise de cours des avantages complémentaires.
Le Roi peut, en fonction de l'évolution du taux des intérêts du marché, modifier le taux d'intérêt prévu à l'alinéa 2.
§ 2.- En cas de décès d'une personne visée à l'article 2 avant la date de prise de cours des avantages complémentaires, le capital visé au § 1er est versé au conjoint survivant. A défaut de conjoint survivant, ce capital est versé aux enfants du décédé bénéficiaires à la date du décès d'allocations familiales. A défaut de conjoint survivant et d'enfants définis ci-avant, la partie de ce capital correspondant aux cotisations versées durant le mariage avec le conjoint divorcé est versée à ce conjoint, à condition que ce dernier ne s'est pas remarié. Dans ces cas, les intérêts sont calculés jusqu'au dernier jour du mois du décès.
L'alinéa 1er est applicable à la demande des intéressés.
§ 3.- Les capitaux accordés en vertu du présent article sont (payés par le [1 Service fédéral des Pensions]1). <L 2006-01-12/45, art. 62, 002 ; En vigueur : 01-01-2006>
Art. 7. <W 2007-04-25/52, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, van de wet van 10 januari 1974 tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas :
- wordt de pensioenverhoging die voortvloeit uit de inaanmerkingneming van de perioden tijdens welke betrokkene ambtshalve in verlof werd geplaatst om een in artikel 2 bedoelde functie uit te oefenen, niettegenstaande de toepassing van de artikelen 5, tweede lid, en 6, § 1, tweede lid en § 2, van de wet 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, vastgesteld rekening houdend met het in die artikelen bedoelde complement wegens leeftijd;
- wordt de rente die beantwoordt aan het in artikel 6, § 1, bedoelde kapitaal niet in aanmerking genomen. Deze bepaling is van toepassing ongeacht het feit of betrokkene al dan niet de uitkering van dat kapitaal heeft gevraagd.
- wordt de pensioenverhoging die voortvloeit uit de inaanmerkingneming van de perioden tijdens welke betrokkene ambtshalve in verlof werd geplaatst om een in artikel 2 bedoelde functie uit te oefenen, niettegenstaande de toepassing van de artikelen 5, tweede lid, en 6, § 1, tweede lid en § 2, van de wet 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, vastgesteld rekening houdend met het in die artikelen bedoelde complement wegens leeftijd;
- wordt de rente die beantwoordt aan het in artikel 6, § 1, bedoelde kapitaal niet in aanmerking genomen. Deze bepaling is van toepassing ongeacht het feit of betrokkene al dan niet de uitkering van dat kapitaal heeft gevraagd.
Art. 7. <L 2007-04-25/52, art. 31, 003; En vigueur : 01-01-2004> Pour l'application de l'article 4, alinéa 1er, de la loi du 10 janvier 1974 réglant l'admissibilité de certains services et de périodes assimilées à l'activité de service pour l'octroi et le calcul des pensions à charge du Trésor public :
- l'accroissement de la pension résultant de la prise en considération des periodes durant lesquelles l'intéressé a été placé en congé d'office pour exercer une fonction visée à l'article 2 est, nonobstant l'application des articles 5, alinéa 2, et 6, § 1er, alinéa 2 et § 2, de la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, établi compte tenu du complément pour âge visé à ces articles;
- la rente correspondant au capital visé à l'article 6, § 1er n'est pas prise en compte. Cette disposition est applicable indépendamment du fait que l'intéressé ait ou n'ait pas demandé la liquidation de ce capital.
- l'accroissement de la pension résultant de la prise en considération des periodes durant lesquelles l'intéressé a été placé en congé d'office pour exercer une fonction visée à l'article 2 est, nonobstant l'application des articles 5, alinéa 2, et 6, § 1er, alinéa 2 et § 2, de la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, établi compte tenu du complément pour âge visé à ces articles;
- la rente correspondant au capital visé à l'article 6, § 1er n'est pas prise en compte. Cette disposition est applicable indépendamment du fait que l'intéressé ait ou n'ait pas demandé la liquidation de ce capital.
Art. 8. De bepalingen van de wet van 30 april 1958 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 254 en 255 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk rijkspersoneel en van de leden van het leger en van de rijkswacht, en tot instelling van een begrafenisvergoeding ten gunste van de rechthebbenden van gepensioneerde rijksambtenaren alsook van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector zijn niet van toepassing op de in artikel 3, § 1 bedoelde aanvullende voordelen.
Art. 8. Les dispositions de la loi du 30 avril 1958 modifiant les arrêtés royaux nos 254 et 255 du 12 mars 1936 unifiant les régimes de pension des veuves et des orphelins du personnel civil de l'Etat et des membres de l'armée et de la gendarmerie et instituant une indemnité de funérailles en faveur des ayants droit des pensionnés de l'Etat ainsi que de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public, ne sont pas applicables aux avantages complémentaires visés à l'article 3, § 1er.
Art. 9. De aan de in artikel 2, 3° bedoelde personen toegekende aanvullende voordelen inzake rustpensioen, met uitzondering van het in artikel 6 bepaalde kapitaal of van de aan dit kapitaal beantwoordende rente waarvan de last gedragen wordt door (de [1 Federale Pensioendienst]1, zijn ten laste van het pensioenstelsel) ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden. <W 2006-01-12/45, art. 63, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
De bepalingen van artikel 12 van voormelde wet van 28 april 1958 zijn toepasselijk op de in het eerste lid bepaalde aanvullende voordelen. Voor de in artikel 2, 3° bedoelde personen wordt het percentage dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 12, § 2 van die wet, evenwel verminderd ten belope van de som van het in artikel 5, eerste lid bepaalde percentage en van dat bepaald in artikel 38, § 3, 1° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Om het uit de toepassing van artikel 12, § 2 van voormelde wet van 28 april 1958 voortvloeiende percentage te bepalen, worden de uitgaven inzake de in het eerste lid bedoelde aanvullende voordelen alsook de opbrengst van de in het tweede lid bedoelde bijdragen in aanmerking genomen.
De bepalingen van artikel 12 van voormelde wet van 28 april 1958 zijn toepasselijk op de in het eerste lid bepaalde aanvullende voordelen. Voor de in artikel 2, 3° bedoelde personen wordt het percentage dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 12, § 2 van die wet, evenwel verminderd ten belope van de som van het in artikel 5, eerste lid bepaalde percentage en van dat bepaald in artikel 38, § 3, 1° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Om het uit de toepassing van artikel 12, § 2 van voormelde wet van 28 april 1958 voortvloeiende percentage te bepalen, worden de uitgaven inzake de in het eerste lid bedoelde aanvullende voordelen alsook de opbrengst van de in het tweede lid bedoelde bijdragen in aanmerking genomen.
Art. 9. Les avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes visées à l'article 2, 3°, à l'exclusion du capital prévu à l'article 6 ou de la rente correspondante à ce capital dont la charge est supportée par le [1 Service fédéral des Pensions]1, sont à charge du régime de pension) institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit.
Les dispositions de l'article 12 de la loi du 28 avril 1958 précitée sont applicables aux avantages complémentaires définis à l'alinéa 1er. Toutefois, pour les personnes visées à l'article 2, 3° le pourcentage résultant de l'application de l'article 12, § 2 de cette loi est diminué à concurrence de la somme du pourcentage prévu à l'article 5, alinéa 1er et de celui prévu à l'article 38, § 3, 1° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Pour déterminer le pourcentage résultant de l'application de l'article 12, § 2 de la loi du 28 avril 1958 précitée, les dépenses en matière d'avantages complémentaires visés à l'alinéa 1er ainsi que le produit des contributions visées à l'alinéa 2 sont pris en compte.
Les dispositions de l'article 12 de la loi du 28 avril 1958 précitée sont applicables aux avantages complémentaires définis à l'alinéa 1er. Toutefois, pour les personnes visées à l'article 2, 3° le pourcentage résultant de l'application de l'article 12, § 2 de cette loi est diminué à concurrence de la somme du pourcentage prévu à l'article 5, alinéa 1er et de celui prévu à l'article 38, § 3, 1° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Pour déterminer le pourcentage résultant de l'application de l'article 12, § 2 de la loi du 28 avril 1958 précitée, les dépenses en matière d'avantages complémentaires visés à l'alinéa 1er ainsi que le produit des contributions visées à l'alinéa 2 sont pris en compte.
Art.9/1. [1 De aan de in artikel 2, 2° /1 bedoelde personen toegekende aanvullende voordelen inzake rustpensioen, met uitzondering van het in artikel 6 bepaalde kapitaal of van de aan dit kapitaal beantwoordende rente waarvan de last gedragen wordt door de Federale Pensioendienst, zijn ten laste van de instelling waar zij hun management- of staffunctie hebben uitgeoefend.]1
Art.9/1. [1 Les avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes visées à l'article 2, 2° /1, à l'exception du capital visé à l'article 6 ou de la rente correspondante à ce capital dont la charge est supportée par le Service fédéral des Pensions, sont à charge de l'organisme dans lequel elles ont exercé leur fonction de management ou d'encadrement.]1
HOOFDSTUK II. - Wijzigende bepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions modificatives.
Art. 10. Artikel 58, eerste lid, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt aangevuld als volgt :
" i) het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels. ".
" i) het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels. ".
Art. 10. L'article 58, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977 est complété par la disposition suivante :
" i) le Fonds pour l'équilibre des régimes de pension. ".
" i) le Fonds pour l'équilibre des régimes de pension. ".
Art. 11. In artikel 38, eerste lid van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, de wet van 10 februari 1981, het koninklijk besluit nr. 51 van 2 juli 1982 en de wet van 30 december 1982, wordt een 1°bis ingevoegd, luidend als volgt :
" 1°bis op de wettelijke voordelen en op de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst; ".
" 1°bis op de wettelijke voordelen en op de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst; ".
Art. 11. Dans l'article 38, alinéa 1er, de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, modifié par la loi du 8 août 1980, la loi du 10 février 1981, l'arrêté royal n° 51 du 2 juillet 1982 et la loi du 30 décembre 1982, il est inséré un 1°bis, libellé comme suit :
" 1°bis aux avantages légaux et aux avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public; ".
" 1°bis aux avantages légaux et aux avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public; ".
Art. 12. Artikel 41 van voormelde wet van 5 augustus 1978, vervangen door de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 30 van 30 maart 1982, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. Voor de toepassing van de in de artikelen 39 en 40 bepaalde plafonds worden de aanvullende voordelen die tot doel hebben een wettelijk pensioen als werknemer of als zelfstandige aan te vullen, in voorkomend geval afgezien van het kapitaal of de rente bedoeld in § 2, voorafgaandelijk verminderd ten belope van 20 pct. van het in artikel 39, tweede lid bepaalde bedrag.
§ 2. Voor de toepassing van de in de artikelen 39 en 40 bepaalde plafonds wordt de rente of het kapitaal voortvloeiend uit de opbrengst van de persoonlijke extra-legale bijdragen inzake pensioen niet in aanmerking genomen, indien het percentage van die bijdragen lager is dan of gelijk aan 5 pct. van de wedde. Indien het percentage van die bijdragen hoger is dan 5 pct., wordt enkel de opbrengst van de persoonlijke bijdragen gelijk aan 5 pct. niet in aanmerking genomen.
Het eerste lid is eveneens toepasselijk op het kapitaal of de rente voortvloeiend uit de opbrengst van de persoonlijke bijdragen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst. ".
" § 1. Voor de toepassing van de in de artikelen 39 en 40 bepaalde plafonds worden de aanvullende voordelen die tot doel hebben een wettelijk pensioen als werknemer of als zelfstandige aan te vullen, in voorkomend geval afgezien van het kapitaal of de rente bedoeld in § 2, voorafgaandelijk verminderd ten belope van 20 pct. van het in artikel 39, tweede lid bepaalde bedrag.
§ 2. Voor de toepassing van de in de artikelen 39 en 40 bepaalde plafonds wordt de rente of het kapitaal voortvloeiend uit de opbrengst van de persoonlijke extra-legale bijdragen inzake pensioen niet in aanmerking genomen, indien het percentage van die bijdragen lager is dan of gelijk aan 5 pct. van de wedde. Indien het percentage van die bijdragen hoger is dan 5 pct., wordt enkel de opbrengst van de persoonlijke bijdragen gelijk aan 5 pct. niet in aanmerking genomen.
Het eerste lid is eveneens toepasselijk op het kapitaal of de rente voortvloeiend uit de opbrengst van de persoonlijke bijdragen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst. ".
Art. 12. L'article 41 de la loi du 5 août 1978 précitée, remplacé par la loi du 8 août 1980 et modifié par l'arrêté royal n° 30 du 30 mars 1982, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Pour l'application des plafonds prévus aux articles 39 et 40, les avantages complémentaires destinés à compléter une pension légale de travailleur salarié ou indépendant, abstraction faite le cas échéant du capital ou de la rente visé au § 2, sont préalablement diminués à concurrence de 20 p.c. du montant défini à l'article 39, alinéa 2.
§ 2. Pour l'application des plafonds prévus aux articles 39 et 40, le capital ou la rente résultant du produit des cotisations personnelles extra-légales en matière de pension n'est pas pris en compte si le pourcentage de ces cotisations est inférieur ou égal à 5 p.c. du traitement. Si le pourcentage de ces cotisations est supérieur à 5 p.c., seul le produit des cotisations personnelles égales à 5 p.c. n'est pas pris en compte.
L'alinéa 1er est également applicable au capital ou à la rente résultant du produit des cotisations personnelles visées à l'article 5, alinéa 1er de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public. ".
" § 1er. Pour l'application des plafonds prévus aux articles 39 et 40, les avantages complémentaires destinés à compléter une pension légale de travailleur salarié ou indépendant, abstraction faite le cas échéant du capital ou de la rente visé au § 2, sont préalablement diminués à concurrence de 20 p.c. du montant défini à l'article 39, alinéa 2.
§ 2. Pour l'application des plafonds prévus aux articles 39 et 40, le capital ou la rente résultant du produit des cotisations personnelles extra-légales en matière de pension n'est pas pris en compte si le pourcentage de ces cotisations est inférieur ou égal à 5 p.c. du traitement. Si le pourcentage de ces cotisations est supérieur à 5 p.c., seul le produit des cotisations personnelles égales à 5 p.c. n'est pas pris en compte.
L'alinéa 1er est également applicable au capital ou à la rente résultant du produit des cotisations personnelles visées à l'article 5, alinéa 1er de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public. ".
Art. 13. Artikel 2.3 van de wet van 30 december 1982 houdende de begroting der dotatiën voor het begrotingsjaar 1982 wordt aangevuld met het volgende lid :
" De lijfrente- of pensioenkassen bedoeld in cijfer 1 mogen beslissen dat de bepalingen van artikel 41 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, zoals zij luidden vóór hun wijziging door artikel 12 van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst, integraal van toepassing blijven op de pensioenen toegekend aan de gewezen leden van de Wetgevende Kamers of aan hun rechthebbenden, indien ze gunstiger zijn dan de bepalingen van voormeld artikel 41 zoals gewijzigd door voormeld artikel 12. "
" De lijfrente- of pensioenkassen bedoeld in cijfer 1 mogen beslissen dat de bepalingen van artikel 41 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, zoals zij luidden vóór hun wijziging door artikel 12 van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst, integraal van toepassing blijven op de pensioenen toegekend aan de gewezen leden van de Wetgevende Kamers of aan hun rechthebbenden, indien ze gunstiger zijn dan de bepalingen van voormeld artikel 41 zoals gewijzigd door voormeld artikel 12. "
Art. 13. L'article 2.3 de la loi du 30 décembre 1982 contenant le budget des dotations de l'année budgétaire 1982 est complété par l'alinéa suivant :
" Les caisses de retraite ou de pension visées au 1 peuvent décider que les dispositions de l'article 41 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, telles qu'elles étaient libellées avant leur modification par l'article 12 de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public, restent intégralement applicables aux pensions accordées aux anciens membres des Chambres législatives ou à leurs ayants droit, si elles produisent un effet plus favorable que les dispositions de l'article 41 précité tel qu'il est modifié par l'article 12 précité. "
" Les caisses de retraite ou de pension visées au 1 peuvent décider que les dispositions de l'article 41 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, telles qu'elles étaient libellées avant leur modification par l'article 12 de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public, restent intégralement applicables aux pensions accordées aux anciens membres des Chambres législatives ou à leurs ayants droit, si elles produisent un effet plus favorable que les dispositions de l'article 41 précité tel qu'il est modifié par l'article 12 précité. "
Art. 14. Een artikel 61bis, luidend als volgt, wordt ingevoegd in de wet van 7 november 1987 waarbij voorlopige kredieten worden geopend voor de begrotingsjaren 1987 en 1988 en houdende financiële en diverse bepalingen :
" Art. 61bis. De bepalingen van de artikelen 60 en 61 zijn toepasselijk op de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst; ".
" Art. 61bis. De bepalingen van de artikelen 60 en 61 zijn toepasselijk op de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst; ".
Art. 14. Un article 61bis, libellé comme suit, est inséré dans la loi du 7 novembre 1987 ouvrant des crédits provisoires pour les années budgétaires 1987 et 1988 et portant des dispositions financières et diverses :
" Art. 61bis.- Les dispositions des articles 60 et 61 sont applicables aux avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public; ".
" Art. 61bis.- Les dispositions des articles 60 et 61 sont applicables aux avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public; ".
Art. 15. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen worden, met betrekking tot punt 21-2 Rustpensioenen van het personeel van instellingen van openbaar nut (wet 28.04.58), de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de tweede kolom wordt een 7°) ingevoegd, luidend als volgt :
" 7°) De bijdrage gestort in toepassing van artikel 9, tweede lid van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst ";
b) in de derde kolom wordt een 4°) ingevoegd, luidend als volgt :
" 4°) De aanvullende voordelen inzake rustpensioen bedoeld in artikel 9, eerste lid van voormelde wet van .... ".
a) in de tweede kolom wordt een 7°) ingevoegd, luidend als volgt :
" 7°) De bijdrage gestort in toepassing van artikel 9, tweede lid van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst ";
b) in de derde kolom wordt een 4°) ingevoegd, luidend als volgt :
" 4°) De aanvullende voordelen inzake rustpensioen bedoeld in artikel 9, eerste lid van voormelde wet van .... ".
Art. 15. Au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, sont, pour ce qui concerne le point 21-2 Pensions de retraite du personnel des organismes d'intérêt public (loi 28.04.58), apportées les modifications suivantes :
a) à la deuxième colonne, il est inséré un 7°), rédigé comme suit :
" 7°) La contribution versée en application de l'article 9, alinéa 2 de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public ";
b) à la troisième colonne, il est inséré un 4°) rédigé comme suit :
" 4°) Les avantages complémentaires en matière de pension de retraite visés à l'article 9, alinéa 1er de la loi du ... précitée. ".
a) à la deuxième colonne, il est inséré un 7°), rédigé comme suit :
" 7°) La contribution versée en application de l'article 9, alinéa 2 de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public ";
b) à la troisième colonne, il est inséré un 4°) rédigé comme suit :
" 4°) Les avantages complémentaires en matière de pension de retraite visés à l'article 9, alinéa 1er de la loi du ... précitée. ".
Art. 16. In de tabel gevoegd bij voormelde organieke wet van 27 december 1990 worden, met betrekking tot punt 21-3 Fonds voor het Evenwicht van de Pensioenstelsels, de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de tweede kolom wordt een 2°) ingevoegd, luidend als volgt :
" 2°) de verplichte persoonlijke bijdrage uitgevoerd op de wedde van personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst in toepassing van artikel 5 van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst. ";
b) in de derde kolom wordt een 4°) ingevoegd, luidend als volgt :
" 4°) de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management - of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst in toepassing van voormelde wet van .... ".
a) in de tweede kolom wordt een 2°) ingevoegd, luidend als volgt :
" 2°) de verplichte persoonlijke bijdrage uitgevoerd op de wedde van personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst in toepassing van artikel 5 van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst. ";
b) in de derde kolom wordt een 4°) ingevoegd, luidend als volgt :
" 4°) de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management - of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst in toepassing van voormelde wet van .... ".
Art. 16. Au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 précitée, sont, pour ce qui concerne le point 21-3 Fonds pour l'équilibre des régimes de pension, apportées les modifications suivantes :
a) à la deuxième colonne, il est inséré un 2°), rédigé comme suit :
" 2°) la cotisation personnelle obligatoire opérée sur le traitement des personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public en application de l'article 5 de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public. ";
b) à la troisième colonne, il est inséré un 4°) rédigé comme suit :
4°) les avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public en application de la loi du ... précitée. ".
a) à la deuxième colonne, il est inséré un 2°), rédigé comme suit :
" 2°) la cotisation personnelle obligatoire opérée sur le traitement des personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public en application de l'article 5 de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public. ";
b) à la troisième colonne, il est inséré un 4°) rédigé comme suit :
4°) les avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public en application de la loi du ... précitée. ".
Art. 17. In artikel 1 van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen, wordt een 1°bis ingevoegd, luidend als volgt :
" 1°bis op de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst; ".
" 1°bis op de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst; ".
Art. 17. Dans l'article 1er de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec les revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement, il est inséré un 1°bis, libellé comme suit :
" 1°bis aux avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public; ".
" 1°bis aux avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public; ".
HOOFDSTUK III. - Inwerkingtreding en overgangsbepaling.
CHAPITRE III. - Entrée en vigueur et disposition transitoire.
Art. 18. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Voor de pensioenen en renten die ingegaan zijn vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet en die vanaf die datum zullen uitbetaald worden, blijven de bepalingen van artikel 41 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, zoals zij luidden vóór hun wijziging door artikel 12, integraal van toepassing. Voor deze pensioenen en renten mag de vrijstelling evenwel niet lager zijn dan 20 pct. van het in artikel 39, tweede lid van voormelde wet van 5 augustus 1978 bepaalde bedrag.
Voor de rustpensioenen en -renten die zullen ingaan tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en 31 december 2010, blijven de bepalingen van artikel 41 van voormelde wet van 5 augustus 1978, zoals zij luidden vóór hun wijziging door artikel 12, integraal van toepassing, indien ze gunstiger zijn dan die van deze wet.
Voor de in artikel 2 bedoelde personen die management- of staffuncties uitgeoefend hebben vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden de mandaatsperioden vóór deze datum slechts in aanmerking genomen, op voorwaarde dat betrokkene de in artikel 5 bedoelde persoonlijke bijdragen stort aan [1 Federale Pensioendienst]1 uiterlijk de laatste dag van de zesde maand die volgt op voormelde datum. In dat geval wordt de in artikel 6, § 1, tweede lid bepaalde eerste dag van de maand die volgt op de betaling van de wedde vervangen door de eerste dag van de maand die volgt op de storting. <W 2006-01-12/45, art. 64, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[2 ...]2
[3 Voor de in artikel 2, 2°/1, bedoelde personen die management- of staffuncties uitgeoefend hebben vóór 1 januari 2019, worden de mandaatperioden vóór deze datum slechts in aanmerking genomen, op voorwaarde dat betrokkene de in artikel 5 bedoelde persoon-lijke bijdragen stort aan de Federale Pensioendienst uiterlijk de laatste dag van de zesde maand die volgt op de inwerkingtreding van de wet van 7 april 2023 tot wijziging van de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst. In dat geval wordt de in artikel 6, § 1, tweede lid, bepaalde eerste dag van de maand die volgt op de betaling van de wedde vervangen door de eerste dag van de maand die volgt op de storting.]3
Voor de pensioenen en renten die ingegaan zijn vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet en die vanaf die datum zullen uitbetaald worden, blijven de bepalingen van artikel 41 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, zoals zij luidden vóór hun wijziging door artikel 12, integraal van toepassing. Voor deze pensioenen en renten mag de vrijstelling evenwel niet lager zijn dan 20 pct. van het in artikel 39, tweede lid van voormelde wet van 5 augustus 1978 bepaalde bedrag.
Voor de rustpensioenen en -renten die zullen ingaan tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en 31 december 2010, blijven de bepalingen van artikel 41 van voormelde wet van 5 augustus 1978, zoals zij luidden vóór hun wijziging door artikel 12, integraal van toepassing, indien ze gunstiger zijn dan die van deze wet.
Voor de in artikel 2 bedoelde personen die management- of staffuncties uitgeoefend hebben vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden de mandaatsperioden vóór deze datum slechts in aanmerking genomen, op voorwaarde dat betrokkene de in artikel 5 bedoelde persoonlijke bijdragen stort aan [1 Federale Pensioendienst]1 uiterlijk de laatste dag van de zesde maand die volgt op voormelde datum. In dat geval wordt de in artikel 6, § 1, tweede lid bepaalde eerste dag van de maand die volgt op de betaling van de wedde vervangen door de eerste dag van de maand die volgt op de storting. <W 2006-01-12/45, art. 64, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[2 ...]2
[3 Voor de in artikel 2, 2°/1, bedoelde personen die management- of staffuncties uitgeoefend hebben vóór 1 januari 2019, worden de mandaatperioden vóór deze datum slechts in aanmerking genomen, op voorwaarde dat betrokkene de in artikel 5 bedoelde persoon-lijke bijdragen stort aan de Federale Pensioendienst uiterlijk de laatste dag van de zesde maand die volgt op de inwerkingtreding van de wet van 7 april 2023 tot wijziging van de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst. In dat geval wordt de in artikel 6, § 1, tweede lid, bepaalde eerste dag van de maand die volgt op de betaling van de wedde vervangen door de eerste dag van de maand die volgt op de storting.]3
Änderungen
Art. 18. La présente loi entre en vigueur le 1er jour du deuxième mois qui suit celui au cours duquel elle aura été publiée au Moniteur belge.
Pour les pensions et rentes qui ont pris cours avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi et qui seront liquidées à partir de cette date, les dispositions de l'article 41 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, telles qu'elles étaient libellées avant leur modification par l'article 12, restent intégralement applicables. Toutefois, pour ces pensions et rentes, l'exonération ne peut être inférieure à 20 p.c. du montant défini à l'article 39, alinéa 2 de la loi du 5 août 1978 précitée.
Pour les pensions et rentes de retraite qui prendront cours entre la date d'entrée en vigueur de la présente loi et le 31 décembre 2010, les dispositions de l'article 41 de la loi du 5 août 1978 précitée, telles qu'elles étaient libellées avant leur modification par l'article 12, restent intégralement applicables, si elles produisent un effet plus favorable que celles de la présente loi.
Pour les personnes visées à l'article 2, qui ont exercé des fonctions de management ou d'encadrement avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi, les périodes de mandat antérieures à cette date ne sont prises en compte qu'à condition que l'intéressé verse les cotisations personnelles visées à l'article 5 au [1 Service fédéral des Pensions]1 au plus tard le dernier jour du sixième mois qui suit la date précitée. Dans ce cas, le premier jour du mois qui suit le paiement du traitement prévu à l'article 6, § 1er, alinéa 2 est remplacé par le premier jour du mois qui suit le versement.
[2 ...]2
[3 Pour les personnes visées à l'article 2, 2°/1, les périodes de mandat antérieures au 1er janvier 2019 ne sont prises en compte qu'à condition que l'intéressé verse les cotisations personnelles visées à l'article 5 au Service fédéral des Pensions au plus tard le dernier jour du sixième mois qui suit l'entrée en vigueur de la loi du 7 avril 2023 modifiant la loi du 4 mars 2004 accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public. Dans ce cas, le premier jour du mois qui suit le paiement du traitement prévu à l'article 6, § 1er, alinéa 2, est remplacé par le premier jour du mois qui suit le versement.]3
Pour les pensions et rentes qui ont pris cours avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi et qui seront liquidées à partir de cette date, les dispositions de l'article 41 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, telles qu'elles étaient libellées avant leur modification par l'article 12, restent intégralement applicables. Toutefois, pour ces pensions et rentes, l'exonération ne peut être inférieure à 20 p.c. du montant défini à l'article 39, alinéa 2 de la loi du 5 août 1978 précitée.
Pour les pensions et rentes de retraite qui prendront cours entre la date d'entrée en vigueur de la présente loi et le 31 décembre 2010, les dispositions de l'article 41 de la loi du 5 août 1978 précitée, telles qu'elles étaient libellées avant leur modification par l'article 12, restent intégralement applicables, si elles produisent un effet plus favorable que celles de la présente loi.
Pour les personnes visées à l'article 2, qui ont exercé des fonctions de management ou d'encadrement avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi, les périodes de mandat antérieures à cette date ne sont prises en compte qu'à condition que l'intéressé verse les cotisations personnelles visées à l'article 5 au [1 Service fédéral des Pensions]1 au plus tard le dernier jour du sixième mois qui suit la date précitée. Dans ce cas, le premier jour du mois qui suit le paiement du traitement prévu à l'article 6, § 1er, alinéa 2 est remplacé par le premier jour du mois qui suit le versement.
[2 ...]2
[3 Pour les personnes visées à l'article 2, 2°/1, les périodes de mandat antérieures au 1er janvier 2019 ne sont prises en compte qu'à condition que l'intéressé verse les cotisations personnelles visées à l'article 5 au Service fédéral des Pensions au plus tard le dernier jour du sixième mois qui suit l'entrée en vigueur de la loi du 7 avril 2023 modifiant la loi du 4 mars 2004 accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public. Dans ce cas, le premier jour du mois qui suit le paiement du traitement prévu à l'article 6, § 1er, alinéa 2, est remplacé par le premier jour du mois qui suit le versement.]3