Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
11 MEI 2004. - Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-06-2004 en tekstbijwerking tot 12-10-2023)
Titre
11 MAI 2004. - Arrêté royal relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite des véhicules à moteur. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-06-2004 et mise à jour au 12-10-2023)
Dokumentinformationen
Numac: 2004014097
Datum: 2004-05-11
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2004014097
Date: 2004-05-11
Moniteur: Voir
Tekst (121)
Texte (121)
TITEL I. - De rijscholen.
TITRE Ier. - Les écoles de conduite.
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Artikel 1. <KB 2005-03-17/43, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2004> Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " Minister " : de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;
  2° [1 " categorieën AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E en G " : de categorieën die in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs gedefinieerd worden;]1
  3° " bestuur " : het directoraat-generaal dat binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer voor de erkenning van rijscholen bevoegd is;
  4° " erkenning van rijschool " : de algemene toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 om een rijschool te exploiteren;
  5° " exploitatievergunning van een vestigingseenheid " : de toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 aan een erkende rijschool om rijonderricht te geven in een vestigingseenheid;
  6° " goedkeuring van oefenterrein " : de toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 om een terrein voor praktisch onderricht in een erkende rijschool te gebruiken;
  7° " directie- of instructietoelating " : de toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 om een erkende rijschool te leiden of om rijonderricht te geven;
  8° " substantiële wijzigingen " : elke wijziging die een nazicht door het bestuur vereist [2 , meer bepaald elke wijziging die een nazicht ter plaatse door de in artikel 39, § 1 bedoelde ambtenaren of beambten noodzakelijk maakt;]2
  [2 9° "rijschoolactiviteiten" : de activiteiten bedoeld in de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en artikelen 4 en 9 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B;]2
  [2 10° "personeelslid" : elke persoon die voor de rijschool leiding- of onderwijsopdrachten vervult in dienstverband of als zelfstandige.]2
  
Article 1. <AR 2005-03-17/43, art. 1, 002; En vigueur : 01-12-2004> Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° "Ministre" : [2 le ministre ou son délégué]2 qui a la Sécurité routière dans ses attributions;
  2° [1 " catégories AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E et G " les catégories définies à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;]1
  3° "administration" : la direction générale qui a, au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports, l'agrément des écoles de conduite dans ses attributions;
  4° "agrément d'école de conduite" l'autorisation générale accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 d'exploiter une école de conduite;
  5° "autorisation d'exploiter une unité d'établissement" : l'autorisation de dispenser l'enseignement de la conduite dans une unité d'établissement, accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 à une école de conduite agréée;
  6° "approbation de terrain d'entraînement" l'autorisation accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 d'utiliser un terrain pour l'enseignement pratique dans le cadre d'une école de conduite agréée;
  7° "autorisation de diriger ou d'enseigner" l'autorisation accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 de diriger une école de conduite agréée ou de dispenser l'enseignement de la conduite;
  8° "modifications substantielles" : toute modification devant être vérifiée par l'administration [2 , à savoir toute modification demandant un contrôle sur place par des fonctionnaires ou agents visés à l'article 39, § 1er;]2
  [2 9° " activités d'école de conduite " : activités visées aux articles 14 et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et aux articles 4 et 9 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B;]2
  [2 10° " membre du personnel " : toute personne qui remplit des missions de direction ou d'enseignement pour l'école de conduite dans un lien de subordination ou d'indépendance;]2
  
Art. 1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    <KB 2005-03-17/43, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2004> Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " Minister " : de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid behoort;
  2° [1 " categorieën AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E en G " : de categorieën die in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs gedefinieerd worden;]1
  3° " bestuur " : het directoraat-generaal dat binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer voor de erkenning van rijscholen bevoegd is;
  4° " erkenning van rijschool " : de algemene toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 om een rijschool te exploiteren;
  5° " exploitatievergunning van een vestigingseenheid " : de toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 aan een erkende rijschool om rijonderricht te geven in een vestigingseenheid;
  6° " goedkeuring van oefenterrein " : de toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 om een terrein voor praktisch onderricht in een erkende rijschool te gebruiken;
  7° " directie- of instructietoelating " : de toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 om een erkende rijschool te leiden of om rijonderricht te geven;
  8° " substantiële wijzigingen " : elke wijziging die een nazicht door het bestuur vereist [2 , meer bepaald elke wijziging die een nazicht ter plaatse door de in artikel 39, § 1 bedoelde ambtenaren of beambten noodzakelijk maakt;]2
  [2 9° "rijschoolactiviteiten" : de activiteiten bedoeld in de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en artikelen 4 en 9 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B;]2
  [2 10° "personeelslid" : elke persoon die voor de rijschool leiding- of onderwijsopdrachten vervult in dienstverband of als zelfstandige.]2
  [3 ] 11° "Brussel Mobiliteit": het bestuur van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel dat belast is met de uitrusting, de infrastructuur en de verplaatsingen. -3
Art. 1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   <AR 2005-03-17/43, art. 1, 002; En vigueur : 01-12-2004> Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° "Ministre" : [2 le ministre ou son délégué]2 qui a la Sécurité routière dans ses attributions;
  2° [1 " catégories AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E et G " les catégories définies à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;]1
  3° "administration" : la direction générale qui a, au sein du Service public fédéral Mobilité et Transports, l'agrément des écoles de conduite dans ses attributions;
  4° "agrément d'école de conduite" l'autorisation générale accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 d'exploiter une école de conduite;
  5° "autorisation d'exploiter une unité d'établissement" : l'autorisation de dispenser l'enseignement de la conduite dans une unité d'établissement, accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 à une école de conduite agréée;
  6° "approbation de terrain d'entraînement" l'autorisation accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 d'utiliser un terrain pour l'enseignement pratique dans le cadre d'une école de conduite agréée;
  7° "autorisation de diriger ou d'enseigner" l'autorisation accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 de diriger une école de conduite agréée ou de dispenser l'enseignement de la conduite;
  8° "modifications substantielles" : toute modification devant être vérifiée par l'administration [2 , à savoir toute modification demandant un contrôle sur place par des fonctionnaires ou agents visés à l'article 39, § 1er;]2
  [2 9° " activités d'école de conduite " : activités visées aux articles 14 et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et aux articles 4 et 9 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B;]2
  [2 10° " membre du personnel " : toute personne qui remplit des missions de direction ou d'enseignement pour l'école de conduite dans un lien de subordination ou d'indépendance.]2
  [3 11° " Bruxelles Mobilité " : l'administration du Service public régional de Bruxelles chargée des équipements, des infrastructures et des déplacements]3
Art. 1_VLAAMS_GEWEST.    <KB 2005-03-17/43, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2004> Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " Minister " : [3 de Vlaamse minister, bevoegd voor het verkeersveiligheidsbeleid]3;
  2° [1 " categorieën AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E en G " : de categorieën die in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs gedefinieerd worden;]1
  3° " bestuur " : [3 het departement, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie]3;
  4° " erkenning van rijschool " : de algemene toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 om een rijschool te exploiteren;
  5° " exploitatievergunning van een vestigingseenheid " : de toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 aan een erkende rijschool om rijonderricht te geven in een vestigingseenheid;
  6° " goedkeuring van oefenterrein " : de toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 om een terrein voor praktisch onderricht in een erkende rijschool te gebruiken;
  7° " directie- of instructietoelating " : de toestemming van [2 de minister of zijn gemachtigde]2 om een erkende rijschool te leiden of om rijonderricht te geven;
  8° " substantiële wijzigingen " : elke wijziging die een nazicht door het bestuur vereist [2 , meer bepaald elke wijziging die een nazicht ter plaatse door de in artikel 39, § 1 bedoelde [3 inspecteurs]3 noodzakelijk maakt;]2
  [2 9° "rijschoolactiviteiten" : de activiteiten bedoeld in de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en artikelen 4 en 9 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B;]2
  [2 10° "personeelslid" : elke persoon die voor de rijschool leiding- of onderwijsopdrachten vervult in dienstverband of als zelfstandige]2;
  [4 11° koninklijk besluit van 10 juli 2006: koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B;]4
  [4 12° vormingsmoment: de opleiding aan de begeleider die een kandidaat-bestuurder die houder is van een voorlopig rijbewijs B met begeleider begeleidt;]4
  [4 13° werkdag: elke dag, uitgezonderd zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen als vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;]4
  [4 14° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).]4
Art. 1 _REGION_FLAMANDE.
   <AR 2005-03-17/43, art. 1, 002; En vigueur : 01-12-2004> Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° "Ministre" : [3 le Ministre flamand ayant la politique en matière de sécurité routière dans ses attributions]3;
  2° [1 " catégories AM, A1, A2, A, B, B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E et G " les catégories définies à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;]1
  3° "administration" : [3 le Département mentionné à l'article 28, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande]3;
  4° "agrément d'école de conduite" l'autorisation générale accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 d'exploiter une école de conduite;
  5° "autorisation d'exploiter une unité d'établissement" : l'autorisation de dispenser l'enseignement de la conduite dans une unité d'établissement, accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 à une école de conduite agréée;
  6° "approbation de terrain d'entraînement" l'autorisation accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 d'utiliser un terrain pour l'enseignement pratique dans le cadre d'une école de conduite agréée;
  7° "autorisation de diriger ou d'enseigner" l'autorisation accordée par [2 le ministre ou son délégué]2 de diriger une école de conduite agréée ou de dispenser l'enseignement de la conduite;
  8° "modifications substantielles" : toute modification devant être vérifiée par l'administration [2 , à savoir toute modification demandant un contrôle sur place par des [3 inspecteurs]3 visés à l'article 39, § 1er;]2
  [2 9° " activités d'école de conduite " : activités visées aux articles 14 et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et aux articles 4 et 9 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B;]2
  [2 10° " membre du personnel " : toute personne qui remplit des missions de direction ou d'enseignement pour l'école de conduite dans un lien de subordination ou d'indépendance;]2
  [4 11° arrêté royal du 10 juillet 2006 : arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B ;]4
  [4 12° moment de formation : la formation au guide qui accompagne le candidat conducteur titulaire d'un permis de conduire B provisoire avec guide;]4
  [4 13° jour ouvrable : chaque jour, excepté les samedis, dimanches et jours fériés légaux visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 18 avril 1974 déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés;]4
  [4 14° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).]4
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE II. - Champ d'application.
Art. 2. <KB 2005-03-17/43, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2004> § 1. [1 De in artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en in artikelen 4 en 9 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B bedoelde lesuren theoretisch en praktisch rijonderricht mogen enkel gegeven worden door rijscholen door de minister of zijn gemachtigde erkend overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.]1
  Een erkenning van rijschool is niet vereist voor het verstrekken van de opleidingen die in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° en 15° van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaald zijn.
  § 2. De erkenning van rijschool kan slechts verleend worden aan een natuurlijke persoon of aan een in artikel 2, § 2, van het Wetboek van vennootschapsrecht bedoelde handelsvennootschap, met uitsluiting van de in artikel 661 van het genoemde Wetboek bepaalde economische samenwerkingsverbanden en vennootschappen met sociaal oogmerk.
  § 3. In afwijking van § 2 kan de bestaande erkenning van onderwijsinstellingen waarvan de onderwijsbevoegdheid vakken insluit die gerelateerd zijn aan de auto(rij)techniek, door de Minister bestendigd worden, mits te voldoen aan dezelfde kwaliteitscriteria van dit besluit.
  § 4. In afwijking van § 2 kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk en de vennootschappen met sociaal oogmerk die aan dezelfde kwaliteitscriteria voldoen, een erkenning van rijschool voor theoretisch en praktisch onderricht in het besturen van voertuigen van de categorie B krijgen, enkel voor de volgende groepen van personen :
  a) degenen die leefloon ontvangen of evenwaardige sociale bijstand genieten;
  b) de personen die sedert meer dan 12 maanden ingeschreven zijn als werkzoekende;
  c) de personen met een handicap die de volgende voorwaarden vervullen :
  - met een permanente invaliditeit van minstens 80 %; of
  - wiens gezondheidstoestand een autonomievermindering van minstens 12 punten veroorzaakt, gemeten volgens de gids en de schaal die van toepassing zijn in het kader van de wetgeving betreffende de vergoedingen voor personen met een handicap; of
  - met een permanente invaliditeit die rechtstreeks voortvloeit uit de onderste ledematen en een invaliditeit van minstens 50 % veroorzaakt; of
  - met een gehele verlamming van de bovenste ledematen of amputatie van deze ledematen; of
  - aan de burgerlijke en militaire invaliden met een oorlogsinvaliditeit van minstens 50 %.
  § 5. In afwijking van § 2 kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk en de vennootschappen met sociaal oogmerk, mits te voldoen aan dezelfde kwaliteitscriteria, een erkenning krijgen van rijschool voor de theoretische lessen voor het besturen van voertuigen van categorie B, uitsluitend aan de gevangenen op het einde van hun straf, dus voornamelijk die welke in aanmerking komen voor een voorwaardelijke vrijlatingprocedure, mits gunstig advies van de directeur van de betrokken strafinrichting.
  § 6. Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan slechts houder zijn van één erkenning van rijschool.
  
Art. 2. <AR 2005-03-17/43, art. 2, 002; En vigueur : 01-12-2004> § 1er. [1 Les heures de cours théoriques et pratiques de conduite, visées aux articles 14 et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et aux articles 4 et 9 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B, peuvent seulement être données par des écoles de conduite agréées par le ministre ou son délégué, conformément aux dispositions du présent arrêté.]1
  Un agrément d'école de conduite n'est pas requis pour dispenser les formations prévues à l'article 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° et 15° de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  § 2. L'agrément d'ecole de conduite ne peut être octroyé qu'à une personne physique ou à une société commerciale visée à l'article 2, § 2, du Code des sociétés, à l'exclusion des groupements d'intérêts économiques et des sociétés à finalité sociale, visées à l'article 661 du Code précité.
  § 3. Par dérogation au § 2, l'agrément existant des établissements scolaires dans lesquels l'enseignement comprend des domaines relatifs à la technique automobile, peut être maintenu par le Ministre à condition de remplir les mêmes critères de qualité du présent arrêté.
  § 4. Par dérogation au § 2, les associations sans but lucratif et les sociétés à finalité sociale peuvent, tout en respectant les mêmes critères de qualité, obtenir un agrément d'école de conduite pour l'enseignement théorique et pratique de la conduite des véhicules de la catégorie B uniquement aux groupes de personnes suivantes :
  a) les bénéficiaires de revenus d'intégration ou de l'aide sociale équivalente;
  b) les personnes inscrites comme demandeur d'emploi inoccupé depuis plus de 12 mois;
  c) les personnes handicapées répondant aux conditions suivantes : soit :
  - atteintes d'une invalidité permanente de 80 % au moins; soit :
  - dont l'état de santé provoque une réduction d'autonomie d'au moins 12 points, mesurés conformément aux guide et à l'échelle applicables dans le cadre de la législation relative aux allocations pour personnes handicapées; soit :
  - atteintes d'une invalidité permanente découlant directement des membres inférieurs et occasionnant un taux d'invalidité de 50 % au moins; soit :
  - atteintes de paralysie entière des membres supérieurs ou ayant subi l'amputation de ces membres; soit :
  - aux invalides civils et militaires de guerre ayant au moins 50 % d'invalidité de guerre.
  § 5. Par dérogation au § 2, les associations sans but lucratif et les sociétés à finalité sociale peuvent, tout en respectant les mêmes critères de qualité, obtenir un agrément d'école de conduite pour l'enseignement théorique de la conduite des véhicules de la catégorie B uniquement aux détenus en fin de peine, c'est-a-dire principalement ceux qui entrent en ligne de compte pour une procédure de libération conditionnelle, moyennant l'avis favorable du directeur de l'établissement pénitentiaire concerné.
  § 6. Une personne physique ou morale ne peut être titulaire que d'un seul agrément d'école de conduite.
  
Art. 2_VLAAMS_GEWEST.    <KB 2005-03-17/43, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2004> § 1. [1 De in artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs [2 ...]2 bedoelde lesuren theoretisch en praktisch rijonderricht mogen enkel gegeven worden door rijscholen door de minister of zijn gemachtigde erkend overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.]1
  Een erkenning van rijschool is niet vereist voor het verstrekken van de opleidingen die in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° en 15° van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaald zijn.
  § 2. De erkenning van rijschool kan slechts verleend worden aan een natuurlijke persoon of aan een in artikel 2, § 2, van het Wetboek van vennootschapsrecht bedoelde handelsvennootschap, met uitsluiting van de in artikel 661 van het genoemde Wetboek bepaalde economische samenwerkingsverbanden en vennootschappen met sociaal oogmerk.
  § 3. In afwijking van § 2 kan de bestaande erkenning van onderwijsinstellingen waarvan de onderwijsbevoegdheid vakken insluit die gerelateerd zijn aan de auto(rij)techniek, door de Minister bestendigd worden, mits te voldoen aan dezelfde kwaliteitscriteria van dit besluit.
  § 4. In afwijking van § 2 kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk en de vennootschappen met sociaal oogmerk die aan dezelfde kwaliteitscriteria voldoen, een erkenning van rijschool voor theoretisch en praktisch onderricht in het besturen van voertuigen van de categorie B krijgen, enkel voor de volgende groepen van personen :
  a) degenen die leefloon ontvangen of evenwaardige sociale bijstand genieten;
  b) de personen die sedert meer dan 12 maanden ingeschreven zijn als werkzoekende;
  c) de personen met een handicap die de volgende voorwaarden vervullen :
  - met een permanente invaliditeit van minstens 80 %; of
  - wiens gezondheidstoestand een autonomievermindering van minstens 12 punten veroorzaakt, gemeten volgens de gids en de schaal die van toepassing zijn in het kader van de wetgeving betreffende de vergoedingen voor personen met een handicap; of
  - met een permanente invaliditeit die rechtstreeks voortvloeit uit de onderste ledematen en een invaliditeit van minstens 50 % veroorzaakt; of
  - met een gehele verlamming van de bovenste ledematen of amputatie van deze ledematen; of
  - aan de burgerlijke en militaire invaliden met een oorlogsinvaliditeit van minstens 50 %.
  § 5. In afwijking van § 2 kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk en de vennootschappen met sociaal oogmerk, mits te voldoen aan dezelfde kwaliteitscriteria, een erkenning krijgen van rijschool voor de theoretische lessen voor het besturen van voertuigen van categorie B, uitsluitend aan de gevangenen op het einde van hun straf, dus voornamelijk die welke in aanmerking komen voor een voorwaardelijke vrijlatingprocedure, mits gunstig advies van de directeur van de betrokken strafinrichting.
  § 6. Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan slechts houder zijn van één erkenning van rijschool.
Art. 2 _REGION_FLAMANDE.
   <AR 2005-03-17/43, art. 2, 002; En vigueur : 01-12-2004> § 1er. [1 Les heures de cours théoriques et pratiques de conduite, visées aux articles 14 et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et [2 ...]2, peuvent seulement être données par des écoles de conduite agréées par le ministre ou son délégué, conformément aux dispositions du présent arrêté.]1
  Un agrément d'école de conduite n'est pas requis pour dispenser les formations prévues à l'article 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° et 15° de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  § 2. L'agrément d'ecole de conduite ne peut être octroyé qu'à une personne physique ou à une société commerciale visée à l'article 2, § 2, du Code des sociétés, à l'exclusion des groupements d'intérêts économiques et des sociétés à finalité sociale, visées à l'article 661 du Code précité.
  § 3. Par dérogation au § 2, l'agrément existant des établissements scolaires dans lesquels l'enseignement comprend des domaines relatifs à la technique automobile, peut être maintenu par le Ministre à condition de remplir les mêmes critères de qualité du présent arrêté.
  § 4. Par dérogation au § 2, les associations sans but lucratif et les sociétés à finalité sociale peuvent, tout en respectant les mêmes critères de qualité, obtenir un agrément d'école de conduite pour l'enseignement théorique et pratique de la conduite des véhicules de la catégorie B uniquement aux groupes de personnes suivantes :
  a) les bénéficiaires de revenus d'intégration ou de l'aide sociale équivalente;
  b) les personnes inscrites comme demandeur d'emploi inoccupé depuis plus de 12 mois;
  c) les personnes handicapées répondant aux conditions suivantes : soit :
  - atteintes d'une invalidité permanente de 80 % au moins; soit :
  - dont l'état de santé provoque une réduction d'autonomie d'au moins 12 points, mesurés conformément aux guide et à l'échelle applicables dans le cadre de la législation relative aux allocations pour personnes handicapées; soit :
  - atteintes d'une invalidité permanente découlant directement des membres inférieurs et occasionnant un taux d'invalidité de 50 % au moins; soit :
  - atteintes de paralysie entière des membres supérieurs ou ayant subi l'amputation de ces membres; soit :
  - aux invalides civils et militaires de guerre ayant au moins 50 % d'invalidité de guerre.
  § 5. Par dérogation au § 2, les associations sans but lucratif et les sociétés à finalité sociale peuvent, tout en respectant les mêmes critères de qualité, obtenir un agrément d'école de conduite pour l'enseignement théorique de la conduite des véhicules de la catégorie B uniquement aux détenus en fin de peine, c'est-a-dire principalement ceux qui entrent en ligne de compte pour une procédure de libération conditionnelle, moyennant l'avis favorable du directeur de l'établissement pénitentiaire concerné.
  § 6. Une personne physique ou morale ne peut être titulaire que d'un seul agrément d'école de conduite.
Art. 3. De rijschool dient over minstens één vestigingseenheid in België te beschikken.
  Elke vestigingseenheid beschikt over de in artikel 15 bepaalde lokalen, over minstens één in artikel 16 bepaald oefenterrein en over de in de artikelen 17 en 18 bepaalde voertuigen. [1 Het oefenterrein is evenwel niet vereist voor het praktisch onderricht voor het besturen van voertuigen van categorie B.]1
  
Art. 3. L'école de conduite doit disposer au moins d'une unité d'établissement en Belgique.
  Chaque unité d'établissement dispose des locaux prévus à l'article 15, d'au moins un terrain d'entraînement prévu à l'article 16 et des véhicules prévus aux articles 17 et 18. [1 Le terrain d'entraînement n'est toutefois pas exigé pour l'enseignement pratique de la conduite des véhicules de la catégorie B.]1
  
Art. 3bis. [1 Rijschoolactiviteiten mogen enkel worden gestart vanuit een door de erkende rijschool geëxploiteerde vestigingseenheid, waarvoor een exploitatievergunning is verkregen, of vanop het goedgekeurde oefenterrein.]1
  
Art. 3bis. [1 Les activités d'école de conduite ne peuvent être exercées que depuis une unité d'établissement exploitée par l'école de conduite agréée, pour laquelle une autorisation d'exploiter a été délivrée ou à partir du terrain d'entraînement approuvé.]1
  
Art. 4. Alleen de erkende rijscholen, hun representatieve beroepsorganisaties en de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° 9° (, 15° en 16°) van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde instellingen is het toegestaan reclame te maken binnen hun met het rijonderricht verbonden opdracht. <KB 2006-09-01/36, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
Art. 4. Seules les écoles de conduite agréées, les organisations professionnelles représentatives de celles-ci et les organismes visés à l'article 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° 9° (, 15° et 16°) de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire sont autorisés à faire de la publicité dans le cadre de leur mission liée à l'enseignement de la conduite. <AR 2006-09-01/36, art. 2, 005; En vigueur : 15-09-2006>
HOOFDSTUK III. - Procedure tot verkrijgen en tot intrekken van de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van oefenterrein.
CHAPITRE III. - Procédure d'octroi et de retrait de l'agrément d'école de conduite, de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement et l'approbation du terrain d'entraînement.
Art. 5. § 1. Indien de in dit besluit bepaalde voorwaarden zijn vervuld, geeft [1 de minister of zijn gemachtigde]1 ten laatste binnen de drie maand vanaf de indiening van de volledige aanvraag een erkenning van rijschool af, alsook de in artikel 7 bepaalde exploitatievergunning van een vestigingseenheid en, behalve als er reeds één bestaat, de goedkeuring van het in artikel 8 bepaalde oefenterrein.
  [1 De kandidaat wordt ten laatste drie maanden na de ontvangst van zijn aanvraag via schrijven in kennis gesteld dat zijn aanvraag al dan niet volledig is. Bij gebrek aan een kennisgeving betreffende de volledigheid van de aanvraag binnen die termijn, wordt de aanvraag verondersteld volledig te zijn.]1
  [1 Bij gebrek aan een volledig dossier binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de ontvangstdatum van de brief die het onvolledig karakter van de aanvraag aangeeft, wordt de aanvraag van erkenning zonder gevolg geklasseerd.]1
  [1 De minister of zijn gemachtigde]1 kan de termijn waarin hij zijn beslissing moet nemen verlengen met één maand. Hij verwittigt de kandidaat daarvan.
  Als de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van oefenterrein voor een volledige aanvraag niet binnen de opgelegde termijn wordt gegeven, geldt het gebrek van beslissing als een beslissing van aanvaarding.
  § 2. Elke in artikel 2, § 2, § 3, § 4, en § 5 bedoelde natuurlijke of rechtspersoon die de erkenning van rijschool wenst te verkrijgen, richt aan de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag door een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt bepaald; deze aanvraag kan gebeuren op aangetekende elektronische wijze. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 1 en bijlage 1.)
  Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd, onder voorbehoud van het vierde lid :
  1° [1 de personeelsfiche voor de gegevens van de personeelsleden met afschrift van de toelatingen en stukken die bevestigen dat deze personen aan de door artikelen 11 en 12 bepaalde voorwaarden voldoen. Het model van de fiche wordt vastgelegd door de minister of zijn gemachtigde;]1
  2° voor de rechtspersonen die aan de publicatieverplichting onderworpen zijn, de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad waarin de oprichtingsakte van de onderneming volledig of als uittreksel en ook de wijzigingen bekendgemaakt worden;
  3° een [1 uittreksel uit het strafregister]1, dat hoogstens drie maanden oud is ter bevestiging dat de in artikel 12, § 1, 1° en 2° bepaalde voorwaarden worden nageleefd voor de personen die de rechtspersoon wettelijk vertegenwoordigen of voor de natuurlijke persoon, net als voor het leidinggevende en onderwijzende personeel;
  4° [1 ...]1
  Deze documenten kunnen tevens op elektronische wijze worden verzonden.
  De documenten hierboven vermeld in punt 2° [1 en 3°]1 zullen door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties; deze aanvraag kan gebeuren op elektronische wijze. Indien het bestuur deze documenten niet kan krijgen, moet de aanvrager zelf instaan voor deze documenten.
  Het bestuur mag op gepaste wijze ter plaatse de echtheid van de op de aanvraag vermelde gegevens nagaan.
  
Art. 5. § 1er. Lorsque les conditions prévues au présent arrêté sont remplies, [1 le ministre ou son délégué]1 délivre au plus tard trois mois à compter de l'introduction de la demande complète, un agrément d'école de conduite, ainsi que l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement visée à l'article 7 et, sauf s'il en existe déjà une, l'approbation de terrain d'entraînement visée à l'article 8.
  [1 Le candidat est informé par écrit, au plus tard trois mois à compter de la réception de sa demande, du caractère complet ou incomplet de sa demande. A défaut de notification du caractère complet de la demande dans ce délai, la demande est considérée comme complète.]1
  [1 A défaut d'un dossier complet dans un délai de trois mois à compter de la date de réception de la lettre ayant signifié le caractère incomplet de la demande, la demande d'agrément est classée sans suite.]1
  [1 Le ministre ou son délégué]1 peut prolonger le délai dans lequel il doit rendre sa décision d'un mois. Il en informe le candidat.
  Si l'agrément de l'école de conduite, l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement ou l'approbation d'un terrain pour une demande complète n'est pas délivrée dans les délais impartis, l'absence de décision vaut décision d'acceptation.
  § 2. Toute personne physique ou morale visée à l'article 2, § 2, § 3, § 4 et § 5, qui désire obtenir un agrément d'école de conduite adresse au Ministre ou à son délégué une demande par envoi recommandé à la poste, dont le modèle est fixé par le Ministre; cet envoi peut se faire par voie électronique recommandée. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 1 et annexe 1.)
  Les documents suivants sont joints à la demande, sous réserve de l'alinéa 4 :
  1° [1 une fiche du personnel reprenant les données des membres du personnel, avec copie des autorisations et des documents attestant que ces personnes satisfont aux conditions prévues aux articles 11 et 12. Le modèle de cette fiche est déterminé par le ministre ou son délégué;]1
  2° pour les personnes morales soumises à l'obligation de publication, des annexes au Moniteur belge publiant, en entier ou sous forme d'extrait, l'acte constitutif de la société ainsi que ses modifications;
  3° un [1 extrait du casier judiciaire]1, datant de moins de trois mois attestant le respect des conditions prévues à l'article 12, § 1er, 1° et 2° pour les personnes qui représentent légalement la personne morale ou pour la personne physique ainsi que pour le personnel dirigeant et enseignant;
  4° [1 ...]1
  Ces documents peuvent également être envoyés par voie électronique.
  Les documents visés aux points 2° [1 et 3°]1 sont demandés par l'administration auprès des instances concernées; cette demande peut avoir lieu par voie électronique. Si l'administration ne peut obtenir ces documents, le demandeur fournit lui-même ces documents.
  L'administration peut contrôler de manière appropriée sur place l'exactitude des données mentionnées dans la demande.
  
Art. 6. § 1. De erkenning van rijschool vermeldt :
  1° de naam en het adres van de maatschappelijke zetel van de rijschool;
  2° de commerciële benaming;
  3° het juridische statuut van de rijschool;
  4° het unieke ondernemingsnummer;
  5° het aan de rijschool toegekende erkenningsnummer;
  6° de naam van de rijschooldirecteur,
  7° zo nodig, de in artikel 2, §§ 4 en 5 bedoelde beperkingen;
  8° de erkenningsdatum;
  9°. de afleveringsdatum van het document van de erkenning van rijschool.
  § 2. Elke wijziging aan de gegevens van de erkenning van rijschool [1 ...]1 maakt het voorwerp uit van een wijzigingsaanvraag van de erkenning van rijschool.
  § 3. In geval van definitieve stopzetting van de activiteiten, of indien de rijschool geen vestigingseenheid meer heeft, trekt [1 de minister of zijn gemachtigde]1 de erkenning van rijschool in, na de directeur gehoord te hebben.
  Hij kan de erkenning van rijschool ook schorsen of intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald in artikel 41.
  
Art. 6. § 1er. L'agrément d'école de conduite mentionne :
  1° le nom et l'adresse du siège social de l'école de conduite;
  2° la dénomination commerciale;
  3° le statut juridique de l'école de conduite;
  4° le numéro unique d'entreprise;
  5° le numéro d'agrément attribué à l'école de conduite;
  6° le nom du directeur d'école de conduite;
  7° s'il y a lieu, les restrictions visées à l'article 2, §§ 4 et 5;
  8° la date de l'agrément;
  9° la date de délivrance du document de l'agrément d'école de conduite.
  § 2. Toute modification aux données de l'agrément d'école de conduite, [1 ...]1 fait l'objet d'une demande de modification de l'agrément d'école de conduite.
  § 3. [1 Le ministre ou son délégué]1 retire l'agrément d'école de conduite en cas de cessation définitive d'activité de celle-ci ou si l'école de conduite n'a plus d'unité d'établissement, le directeur étant entendu au préalable.
  Il peut également suspendre ou retirer l'agrément d'école de conduite dans les cas et selon les modalités définies à l'article 41.
  
Art. 7. § 1. Elke rijschool die een exploitatievergunning van een vestigingseenheid wenst te verkrijgen, dient bij de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag in door een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt bepaald; deze aanvraag kan gebeuren op aangetekende elektronische wijze. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 2 en bijlage 2.)
  [1 De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd :
   1) een verklaring op eer dat het lokaal voor de administratie van de vestigingseenheid bestemd is;
   2) een schema op schaal van het leslokaal en in voorkomend geval het oefenterrein met vermelding van de in artikelen 15 en 16 bedoelde uitrusting en van de gevraagde onderrichtcategorieën;
   3) de categorieën van voertuigen waarvoor het praktische onderricht verstrekt zal worden :
   a) onderrichtcategorie A : voertuigen van de categorieën [3 AM]3 [4 , A1, A2 en A]4;
   b) onderrichtcategorie B : voertuigen van de categorie B;
   c) onderrichtcategorie C-D : voertuigen van de categorieën [2 ...]2 C1, C, D1 en D;
   d) onderrichtcategorie E : voertuigen van de categorieën [2 ...]2 B+E, C1+E, C+E, D1+E en D+E;
   e) onderrichtcategorie G : voertuigen van de categorie G;
   4) behalve voor de onderrichtcategorie B, een aanvraag van goedkeuring van een oefenterrein bedoeld in artikel 8. Als het oefenterrein al goedgekeurd werd, moet de aanvrager alleen het stamnummer van dat terrein op zijn aanvraag vermelden;
   5) een attest van de burgemeester of van de bevoegde brandweerdiensten dat vaststelt dat het leslokaal en het administratief lokaal voldoen aan de geldende wettelijke normen;
   6) het schema van de theoretische en praktische lessen.]1

  Deze documenten kunnen tevens op elektronische wijze worden verzonden.
  Het bestuur kan op afdoende wijze ter plaatse de echtheid van de in de aanvraag vermelde gegevens nagaan.
  § 2. De exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermeldt :
  1° de identificatiegegevens van de rijschool;
  2° het adres van het leslokaal;
  3° het adres van het lokaal bestemd voor de administratie van de rijschool;
  4° het stamnummer van de vestigingseenheid;
  5° de exploitatievoorwaarden;
  6° [1 in voorkomend geval, de ligging en het stamnummer van het oefenterrein;]1
  7° de datum van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid;
  8° de afleveringsdatum van het document van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid;
  9° de vestigingseenheid;
  10° de toegestane onderrichtcategorieën waarvan sprake in artikel 16, § 1.
  Elke substantiële wijzing van de elementen van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid maakt het voorwerp uit van een wijzigingsaanvraag van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid voor die zetel, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 3 en bijlage 3.)
  § 3. Bij definitieve stopzetting van de activiteiten van een vestigingseenheid trekt [1 de minister of zijn gemachtigde]1 de exploitatievergunning van een vestigingseenheid van de betrokken zetel in, na de rijschooldirecteur gehoord te hebben.
  De exploitatievergunning van een vestigingseenheid wordt ingetrokken door de Minister, wanneer het onderricht niet gestart wordt binnen de zes maanden na de toekenning van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of wanneer het rijonderricht er langer dan één jaar wordt opgeschort. De rijschooldirecteur wordt vooraf gehoord.
  Hij kan de exploitatievergunning van een vestigingseenheid ook intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten die worden bepaald in artikel 41.
  § 4. De rijschooldirecteur deelt binnen de acht dagen aan de Minister of zijn gemachtigde de tijdelijke of definitieve sluiting van de rijschool of van een vestigingseenheid mee, door een per post aangetekende brief; deze mededeling kan ook op aangetekende elektronische wijze gebeuren.
  
Art. 7. § 1er. Toute école de conduite qui désire obtenir une autorisation d'exploiter une unité d'établissement adresse au Ministre ou à son délégué une demande par envoi recommandé à la poste, dont le modèle est fixé par le Ministre; cet envoi peut se faire par voie électronique recommandée. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 2 et annexe 2.)
  [1 Les documents suivants sont joints à la demande :
   1) une déclaration sur l'honneur attestant de l'usage du local destiné à l'administration de l'unité d'établissement;
   2) un schéma à l'échelle du local de cours et, le cas échéant, du terrain d'entraînement, avec mention des équipements visés aux articles 15 et 16 et des catégories d'enseignement sollicitées;
   3) les catégories de véhicules pour lesquelles l'enseignement pratique sera dispensé :
   a) catégorie d'enseignement A : véhicules des catégories [3 AM]3 [4 , A1, A2, et A]4;
   b) catégorie d'enseignement B : véhicules de la catégorie B;
   c) catégorie d'enseignement C-D : véhicules des catégories [2 ...]2 C1, C, D1 et D;
   d) catégorie d'enseignement E : véhicules des catégories [2 ...]2 B+E, C1+E, C+E, D1+E et D+E;
   e) catégorie d'enseignement G : véhicules de la catégorie G;
   4) sauf pour la catégorie d'enseignement B, une demande d'approbation de terrain d'entraînement, visée à l'article 8. Si le terrain d'entraînement a déjà fait l'objet d'une approbation, le demandeur devra uniquement mentionner le numéro de matricule de ce terrain dans sa demande;
   5) une attestation du bourgmestre ou des services d'incendie compétents établissant que le local de cours et le local administratif répondent aux normes légales en vigueur;
   6) le schéma des cours théoriques et pratiques.]1

  Ces documents peuvent également être envoyés par voie électronique.
  L'administration peut contrôler de manière appropriée sur place l'exactitude des données mentionnées dans la demande.
  § 2. L'autorisation d'exploiter une unité d'établissement mentionne :
  1° les données d'identification de l'école de conduite;
  2° l'adresse du local de cours;
  3° l'adresse du local destiné à l'administration de l'école de conduite;
  4° le numéro de matricule de l'unité d'établissement;
  5° les conditions d'exploitation;
  6° [1 le cas échéant, la localisation et le numéro de matricule du terrain d'entraînement;]1
  7° la date de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement;
  8° la date de délivrance du document de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement;
  9° l'unité d'établissement;
  10° les catégories d'enseignement autorisées mentionnées à l'article 16, § 1er.
  Toute modification substantielle aux éléments de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement fait l'objet d'une demande de modification de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement de ce siège, dont le modèle est fixé par le Ministre. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 3 et annexe 3.)
  § 3. [1 Le ministre ou son délégué]1 retire l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement en cas de cessation définitive d'activité de l'unité d'établissement concernée, le directeur d'école de conduite étant entendu au préalable.
  L'autorisation d'exploiter une unité d'établissement est également retirée par [1 le ministre ou son délégué]1 lorsque l'enseignement n'a pas commencé dans les six mois de l'octroi de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement ou si l'enseignement de la conduite n'y est plus dispensé depuis un an au moins. Le directeur d'école de conduite est préalablement entendu.
  Il peut également retirer l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement dans les cas et selon les modalités prévues à l'article 41.
  § 4. Le directeur d'école de conduite communique dans les huit jours au Ministre ou à son délégué la fermeture temporaire ou définitive de l'école de conduite ou d'une unité d'établissement, par envoi recommandé a la poste; cette communication peut également être effectuée par voie électronique recommandée.
  
Art. 7_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    § 1. Elke rijschool die een exploitatievergunning van een vestigingseenheid wenst te verkrijgen, dient bij de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag in door een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt bepaald; deze aanvraag kan gebeuren op aangetekende elektronische wijze. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 2 en bijlage 2.)
  [1 De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd :
   1) een verklaring op eer dat het lokaal voor de administratie van de vestigingseenheid bestemd is;
   2) een schema op schaal van het leslokaal en in voorkomend geval het oefenterrein met vermelding van de in artikelen 15 en 16 bedoelde uitrusting en van de gevraagde onderrichtcategorieën;
   3) de categorieën van voertuigen waarvoor het praktische onderricht verstrekt zal worden :
   a) onderrichtcategorie A : voertuigen van de categorieën [3 AM]3 [4 , A1, A2 en A]4;
   b) onderrichtcategorie B : voertuigen van de categorie B;
   c) onderrichtcategorie C-D : voertuigen van de categorieën [2 ...]2 C1, C, D1 en D;
   d) onderrichtcategorie E : voertuigen van de categorieën [2 ...]2 B+E, C1+E, C+E, D1+E en D+E;
   e) onderrichtcategorie G : voertuigen van de categorie G;
   4) behalve voor de onderrichtcategorie B, een aanvraag van goedkeuring van een oefenterrein bedoeld in artikel 8. Als het oefenterrein al goedgekeurd werd, moet de aanvrager alleen het stamnummer van dat terrein op zijn aanvraag vermelden;
   5) [5 ...]5
  [5 5)]5 het schema van de theoretische en praktische lessen.]1

  Deze documenten kunnen tevens op elektronische wijze worden verzonden.
  Het bestuur kan op afdoende wijze ter plaatse de echtheid van de in de aanvraag vermelde gegevens nagaan.
  § 2. De exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermeldt :
  1° de identificatiegegevens van de rijschool;
  2° het adres van het leslokaal;
  3° het adres van het lokaal bestemd voor de administratie van de rijschool;
  4° het stamnummer van de vestigingseenheid;
  5° de exploitatievoorwaarden;
  6° [1 in voorkomend geval, de ligging en het stamnummer van het oefenterrein;]1
  7° de datum van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid;
  8° de afleveringsdatum van het document van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid;
  9° de vestigingseenheid;
  10° de toegestane onderrichtcategorieën waarvan sprake in artikel 16, § 1.
  Elke substantiële wijzing van de elementen van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid maakt het voorwerp uit van een wijzigingsaanvraag van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid voor die zetel, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 3 en bijlage 3.)
  § 3. Bij definitieve stopzetting van de activiteiten van een vestigingseenheid trekt [1 de minister of zijn gemachtigde]1 de exploitatievergunning van een vestigingseenheid van de betrokken zetel in, na de rijschooldirecteur gehoord te hebben.
  De exploitatievergunning van een vestigingseenheid wordt ingetrokken door de Minister, wanneer het onderricht niet gestart wordt binnen de zes maanden na de toekenning van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of wanneer het rijonderricht er langer dan één jaar wordt opgeschort. De rijschooldirecteur wordt vooraf gehoord.
  Hij kan de exploitatievergunning van een vestigingseenheid ook intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten die worden bepaald in artikel 41.
  § 4. De rijschooldirecteur deelt binnen de acht dagen aan de Minister of zijn gemachtigde de tijdelijke of definitieve sluiting van de rijschool of van een vestigingseenheid mee, door een per post aangetekende brief; deze mededeling kan ook op aangetekende elektronische wijze gebeuren.
Art. 7 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   § 1er. Toute école de conduite qui désire obtenir une autorisation d'exploiter une unité d'établissement adresse au Ministre ou à son délégué une demande par envoi recommandé à la poste, dont le modèle est fixé par le Ministre; cet envoi peut se faire par voie électronique recommandée. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 2 et annexe 2.)
  [1 Les documents suivants sont joints à la demande :
   1) une déclaration sur l'honneur attestant de l'usage du local destiné à l'administration de l'unité d'établissement;
   2) un schéma à l'échelle du local de cours et, le cas échéant, du terrain d'entraînement, avec mention des équipements visés aux articles 15 et 16 et des catégories d'enseignement sollicitées;
   3) les catégories de véhicules pour lesquelles l'enseignement pratique sera dispensé :
   a) catégorie d'enseignement A : véhicules des catégories [3 AM]3 [4 , A1, A2, et A]4;
   b) catégorie d'enseignement B : véhicules de la catégorie B;
   c) catégorie d'enseignement C-D : véhicules des catégories [2 ...]2 C1, C, D1 et D;
   d) catégorie d'enseignement E : véhicules des catégories [2 ...]2 B+E, C1+E, C+E, D1+E et D+E;
   e) catégorie d'enseignement G : véhicules de la catégorie G;
   4) sauf pour la catégorie d'enseignement B, une demande d'approbation de terrain d'entraînement, visée à l'article 8. Si le terrain d'entraînement a déjà fait l'objet d'une approbation, le demandeur devra uniquement mentionner le numéro de matricule de ce terrain dans sa demande;
   5) [5 ...]5
  [5 (5)]5 le schéma des cours théoriques et pratiques.]1

  Ces documents peuvent également être envoyés par voie électronique.
  L'administration peut contrôler de manière appropriée sur place l'exactitude des données mentionnées dans la demande.
  § 2. L'autorisation d'exploiter une unité d'établissement mentionne :
  1° les données d'identification de l'école de conduite;
  2° l'adresse du local de cours;
  3° l'adresse du local destiné à l'administration de l'école de conduite;
  4° le numéro de matricule de l'unité d'établissement;
  5° les conditions d'exploitation;
  6° [1 le cas échéant, la localisation et le numéro de matricule du terrain d'entraînement;]1
  7° la date de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement;
  8° la date de délivrance du document de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement;
  9° l'unité d'établissement;
  10° les catégories d'enseignement autorisées mentionnées à l'article 16, § 1er.
  Toute modification substantielle aux éléments de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement fait l'objet d'une demande de modification de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement de ce siège, dont le modèle est fixé par le Ministre. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 3 et annexe 3.)
  § 3. [1 Le ministre ou son délégué]1 retire l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement en cas de cessation définitive d'activité de l'unité d'établissement concernée, le directeur d'école de conduite étant entendu au préalable.
  L'autorisation d'exploiter une unité d'établissement est également retirée par [1 le ministre ou son délégué]1 lorsque l'enseignement n'a pas commencé dans les six mois de l'octroi de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement ou si l'enseignement de la conduite n'y est plus dispensé depuis un an au moins. Le directeur d'école de conduite est préalablement entendu.
  Il peut également retirer l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement dans les cas et selon les modalités prévues à l'article 41.
  § 4. Le directeur d'école de conduite communique dans les huit jours au Ministre ou à son délégué la fermeture temporaire ou définitive de l'école de conduite ou d'une unité d'établissement, par envoi recommandé a la poste; cette communication peut également être effectuée par voie électronique recommandée.
Art. 8. § 1. Elke rijschool die een goedkeuring van een oefenterrein wenst te verkrijgen, dient bij de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag in een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld; deze aanvraag kan ook op aangetekende elektronische wijze gebeuren. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 4 en bijlage 4.)
  Een schema op schaal van het oefenterrein met vermelding van de uitrusting, bedoeld in artikel 16 wordt bij de aanvraag gevoegd; dit schema kan ook op elektronische wijze worden verzonden.
  Het bestuur mag op afdoende wijze ter plaatse de echtheid van de op de aanvraag vermelde gegevens nagaan.
  § 2. De goedkeuring van het oefenterrein vermeldt :
  1° de identificatiegegevens van de eigenaar van het oefenterrein;
  2° de ligging en de beschrijving van het oefenterrein en het aantal uitrustingen per onderrichtscategorie;
  3° de gelijktijdige opleidingen die per onderrichtscategorie voorzien in artikel 16, § 1, toegestaan worden;
  4° het stamnummer van het oefenterrein;
  5° de toegestane onderrichtscategorieën;
  6° de goedkeuringsdatum;
  7°. de afleveringsdatum van het document van de goedkeuring.
  Elke aanzienlijke wijziging aan het oefenterrein maakt het voorwerp uit van een nieuwe goedkeuringsaanvraag van het oefenterrein, volgens het door de Minister opgestelde model.
  § 3. Bij definitieve stopzetting van de activiteiten op het oefenterrein, trekt de Minister de goedkeuring van dit oefenterrein in, na de rijschooldirecteur gehoord te hebben.
  Hij kan de goedkeuring van het oefenterrein ook intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten die worden bepaald in artikel 41.
Art. 8. § 1er. Toute école de conduite qui désire obtenir une approbation de terrain d'entraînement adresse au Ministre ou à son délégué une demande par envoi recommandé à la poste, dont le modèle est fixé par le Ministre; cette demande peut également être introduite par voie électronique recommandée. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 4 et annexe 4.)
  Un schéma à l'échelle du terrain d'entraînement, avec mention des équipements visés à l'article 16 est joint à la demande; ce schéma peut également être envoyé par voie électronique.
  L'administration peut contrôler de manière appropriée sur place l'exactitude des données mentionnées dans la demande.
  § 2. L'approbation de terrain d'entraînement mentionne :
  1° les données d'identification du propriétaire du terrain d'entraînement;
  2° la localisation et description du terrain d'entraînement et le nombre d'équipements par catégorie d'enseignement;
  3° les formations simultanées autorisées par catégorie d'enseignement prévue à l'article 16, § 1er;
  4° le numéro de matricule du terrain d'entraînement;
  5° les catégories d'enseignement autorisées;
  6° la date de l'approbation;
  7° la date de délivrance du document de l'approbation.
  Toute modification substantielle au terrain d'entraînement fait l'objet d'une nouvelle demande d'approbation de terrain d'entraînement, selon le modèle établi par le Ministre.
  § 3. En cas de cessation définitive d'activités sur le terrain d'entraînement, le Ministre retire l'approbation du terrain d'entraînement, le directeur d'école de conduite ayant été entendu.
  Il peut également retirer l'approbation du terrain d'entraînement dans les cas et selon les modalités définies à l'article 41.
Art. 9. [1 De toekenning en de intrekking van de erkenning van rijschool en de exploitatievergunning van een vestigingseenheid worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en worden eveneens geregistreerd in de Kruispuntbank van Ondernemingen, die deze gegevens via zijn portaal kan ter beschikking stellen. De toekenning en de intrekking van de goedkeuring van het oefenterrein worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.]1
  Het bestuur houdt een register bij van de erkenningen van rijscholen, exploitatievergunningen van de vestigingseenheden en de goedkeuringen van oefenterreinen; dit register kan de vorm van een geïnformatiseerde gegevensbank aannemen.
  
Art. 9. [1 L'octroi et le retrait de l'agrément d'école de conduite et de l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement sont publiés au Moniteur belge et sont également enregistrés dans la Banque-Carrefour des Entreprises, qui peut communiquer ces données via son portail. L'octroi et le retrait de l'approbation du terrain d'entraînement sont publiés au Moniteur belge.]1
  Un registre des agréments d'école de conduite, des autorisations d'exploiter des unités d'établissement et des approbations de terrains d'entraînement est tenu au sein de l'administration; ce registre peut prendre la forme d'une banque de données informatisée.
  
Art. 10. § 1. De retributie voor de afgifte van een erkenning van rijschool, overeenkomstig artikel 5, bedraagt [1 260 euro]1; zij bedraagt [1 130 euro]1 in geval van substantiële wijziging van één der gegevens van de erkenning.
  Voor de afgifte van een exploitatievergunning van een vestigingseenheid of in geval van substantiële wijziging van de gegevens van de vergunning bedraagt de retributie 125 euro.
  § 2. [1 Elke rijschool is de hierna bepaalde jaarlijkse retributies verschuldigd om de kosten van administratie, controle en toezicht te dekken :
   - 130 euro per erkende rijschool;
   - 130 euro per vestigingseenheid.]1

  § 3. [1 Daarnaast is elke rijschool tevens de hierna bepaalde jaarlijkse retributies verschuldigd om de kosten van administratie, controle en toezicht te dekken :
   - 55 euro per personeelslid.]1

  [1 § 4. De in §§ 1, 2 en 3 bedoelde retributies worden door toedoen van het bestuur geïnd.
   De retributies, bedoeld in § 1, worden betaald bij de aanvraag van de erkenning van een rijschool, bij de aanvraag van een exploitatievergunning van een vestigingseenheid of bij de aanvraag van een substantiële wijziging van de gegevens van de erkenning of van de vergunning.
   De jaarlijkse retributies, bedoeld in § 2, worden jaarlijks betaald, uiterlijk op 31 maart van het betrokken jaar.
   De jaarlijkse retributies, bedoeld in § 3, worden de eerste keer betaald voordat het personeelslid waarop ze betrekking hebben, zijn werkzaamheden start. Ze worden nadien uiterlijk op 31 maart van het betrokken jaar betaald op grond van de personeelsfiche die werd meegedeeld voor 31 december van het voorgaande jaar.
   § 5. In geval van intrekking van de aanvraag, wanneer aan de aanvraag geen gevolg wordt gegeven of in geval van weigering van de erkenning, zijn de retributies niet terugbetaalbaar.]1

  
Art. 10. § 1er. La redevance en cas de délivrance d'un agrément d'école de conduite, conformément à l'article 5, est de [1 260 euros]1; elle est de 125 euros en cas de modification substantielle d'une des données de l'agrément d'école de conduite.
  Pour la délivrance d'une autorisation d'exploiter une unité d'établissement ou en cas de modification substantielle des données de l'autorisation, la redevance est de [1 130 euros]1.
  § 2. [1 Il est dû par toute école de conduite, pour couvrir les frais d'administration, de contrôle et de surveillance, les redevances annuelles déterminées ci-après :
   - 130 euros par école de conduite agréée;
   - 130 euros par unité d'établissement.]1

  § 3. [1 Il est en outre dû par toute école de conduite, pour couvrir les frais d'administration, de contrôle et de surveillance, les redevances annuelles déterminées ci-après :
   - 55 euros par membre du personnel.]1

  [1 § 4. Les redevances fixées aux §§ 1er, 2 et 3 sont perçues par les soins de l'administration.
   Les redevances visées au § 1er sont payées lors de la demande d'agrément d'une école de conduite, lors de la demande d'une autorisation d'exploiter une unité d'établissement ou lors de la demande d'une modification substantielle des données relatives à l'agrément ou à l'autorisation.
   Les redevances annuelles, visées au § 2, sont payées au plus tard le 31 mars de l'année concernée.
   Les redevances annuelles, visées au § 3, sont payées pour la première fois avant la mise en activité du membre du personnel auquel elles se rapportent. Elles sont ensuite payées au plus tard le 31 mars de l'année concernée, sur base de la fiche du personnel communiquée avant le 31 décembre de l'année précédente.
   § 5. Les redevances ne sont pas remboursables en cas de retrait de la demande, de classement sans suite de la demande ou de refus de l'octroi de l'agrément.]1

  
HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor de erkenning van de rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van oefenterrein.
CHAPITRE IV. - Conditions d'agrément d'école de conduite, d'autorisation d'exploiter une unité d'établissement et d'approbation d'un terrain d'entraînement.
Afdeling I. - Voorwaarden betreffende de personen.
Section 1re. - Conditions relatives aux personnes.
Art. 11. § 1. In elke rijschool wordt een rijschooldirecteur aangesteld, die voldoet aan de in artikelen 12 en 13 gestelde voorwaarden en die verantwoordelijk is voor het verstrekte onderricht en ook voor de interne kwaliteitscontrole.
  De rijschooldirecteur kan bij de uitoefening van zijn taken door één of meerdere adjunct-rijschooldirecteurs bijgestaan worden
  [1 Derde lid opgeheven.]1
  § 2. [1 De rijschooldirecteur of een adjunct-rijschooldirecteur waakt]1 erover dat de opleiding van de kandidaat-bestuurders en van de stagiairs beantwoordt aan de voorwaarden van dit besluit. Hij moet de onder zijn toezicht staande stagiairs met de opdrachten van een rijschool vertrouwd maken en hen deskundig maken. Hij is verantwoordelijk voor de terbeschikkingstelling van de leslokalen, de oefenterreinen, het didactische materiaal en de lesvoertuigen.
  [1 De rijschooldirecteur kan zijn functie slechts in één enkele rijschool uitoefenen.]1
  De rijschooldirecteur is de natuurlijke persoon houder van de erkenning of, indien de houder van de erkenning een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die haar vertegenwoordigt of één van de natuurlijke personen die, alleen of gezamenlijk, haar vertegenwoordigen [1 , overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen]1.
  § 3. [1 De rijschooldirecteur deelt onmiddellijk alle aangebrachte wijzigingen betreffende de personeelsleden, met name deze die een onverenigbaarheid zoals bedoeld in artikel 13 veroorzaken, mee aan de minister of aan zijn gemachtigde.
   Elke wijziging wordt meegedeeld door middel van de fiche bedoeld in artikel 5, § 2, lid 2, 1° aan de minister of zijn gemachtigde.]1

  § 4. Elke rijschool doet een beroep op instructeurs die aan de voorwaarden van artikelen 12 en 13 voldoen.
  
Art. 11. § 1er. Dans chaque école de conduite est désigné un directeur d'école de conduite répondant aux conditions des articles 12 et 13 et responsable de l'enseignement dispensé, ainsi que du contrôle de qualité interne.
  Le directeur d'école de conduite peut être assisté dans l'accomplissement de ses fonctions par un ou plusieurs directeurs adjoints d'école de conduite.
  [1 Alinéa 3 abrogé.]1
  § 2. [1 Le directeur d'école de conduite ou un directeur adjoint d'école de conduite veille]1 à ce que la formation des candidats conducteurs et des stagiaires réponde aux conditions du présent arrêté. Il doit familiariser les stagiaires qu'il a sous sa direction avec les tâches d'une école de conduite et les rendre compétents. Il est responsable de la mise à disposition des locaux de cours et des terrains d'entraînement, du matériel didactique et des véhicules de cours.
  [1 Le directeur d'école de conduite ne peut exercer sa fonction que dans une seule école de conduite.]1
  Le directeur d'école de conduite est la personne physique titulaire de l'agrément ou, si le titulaire de l'agrément est une personne morale, la personne physique qui la représente ou l'une des personnes physiques qui, seules ou conjointement, la représente [1 , conformément au Code des sociétés.]1.
  § 3. [1 Le directeur d'école de conduite communique immédiatement au ministre ou à son délégué toutes les modifications relatives aux membres du personnel, notamment celles créant une incompatibilité visée à l'article 13.
   Toute modification est communiquée au moyen de la fiche visée à l'article 5, § 2, alinéa 2, 1° au ministre ou son délégué.]1

  § 4. Chaque école de conduite fait appel à des instructeurs répondant aux conditions des articles 12 et 13.
  
Art. 11_VLAAMS_GEWEST.    § 1. In elke rijschool wordt een rijschooldirecteur aangesteld, die voldoet aan de in artikelen 12 en 13 gestelde voorwaarden en die verantwoordelijk is voor het verstrekte onderricht en ook voor de interne kwaliteitscontrole.
  De rijschooldirecteur kan bij de uitoefening van zijn taken door één of meerdere adjunct-rijschooldirecteurs bijgestaan worden
  [1 Derde lid opgeheven.]1
  § 2. [1 De rijschooldirecteur of een adjunct-rijschooldirecteur waakt]1 erover dat de opleiding van de kandidaat-bestuurders [3 , van de begeleiders]3 en van de stagiairs beantwoordt aan de voorwaarden van dit besluit. Hij moet de onder zijn toezicht staande stagiairs met de opdrachten van een rijschool vertrouwd maken en hen deskundig maken. Hij is verantwoordelijk voor de terbeschikkingstelling van de leslokalen, de oefenterreinen, het didactische materiaal en de lesvoertuigen.
  [1 De rijschooldirecteur kan zijn functie slechts in één enkele rijschool uitoefenen.]1
  De rijschooldirecteur is de natuurlijke persoon houder van de erkenning of, indien de houder van de erkenning een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die haar vertegenwoordigt of één van de natuurlijke personen die, alleen of gezamenlijk, haar vertegenwoordigen [1 , overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen]1.
  § 3. [1 De rijschooldirecteur deelt onmiddellijk alle aangebrachte wijzigingen betreffende de personeelsleden, met name deze die een onverenigbaarheid zoals bedoeld in artikel 13 veroorzaken, mee aan de minister of aan zijn gemachtigde.
   Elke wijziging wordt meegedeeld door middel van de fiche bedoeld in artikel 5, § 2, lid 2, 1° aan de minister of zijn gemachtigde.]1

  § 4. Elke rijschool doet een beroep op instructeurs die aan de voorwaarden van artikelen 12 en 13 voldoen.
Art. 11 _REGION_FLAMANDE.
   § 1er. Dans chaque école de conduite est désigné un directeur d'école de conduite répondant aux conditions des articles 12 et 13 et responsable de l'enseignement dispensé, ainsi que du contrôle de qualité interne.
  Le directeur d'école de conduite peut être assisté dans l'accomplissement de ses fonctions par un ou plusieurs directeurs adjoints d'école de conduite.
  [1 Alinéa 3 abrogé.]1
  § 2. [1 Le directeur d'école de conduite ou un directeur adjoint d'école de conduite veille]1 à ce que la formation des candidats conducteurs [3 , des guides]3 et des stagiaires réponde aux conditions du présent arrêté. Il doit familiariser les stagiaires qu'il a sous sa direction avec les tâches d'une école de conduite et les rendre compétents. Il est responsable de la mise à disposition des locaux de cours et des terrains d'entraînement, du matériel didactique et des véhicules de cours.
  [1 Le directeur d'école de conduite ne peut exercer sa fonction que dans une seule école de conduite.]1
  Le directeur d'école de conduite est la personne physique titulaire de l'agrément ou, si le titulaire de l'agrément est une personne morale, la personne physique qui la représente ou l'une des personnes physiques qui, seules ou conjointement, la représente [1 , conformément au Code des sociétés.]1.
  § 3. [1 Le directeur d'école de conduite communique immédiatement au ministre ou à son délégué toutes les modifications relatives aux membres du personnel, notamment celles créant une incompatibilité visée à l'article 13.
   Toute modification est communiquée au moyen de la fiche visée à l'article 5, § 2, alinéa 2, 1° au ministre ou son délégué.]1

  § 4. Chaque école de conduite fait appel à des instructeurs répondant aux conditions des articles 12 et 13.
Art. 12. § 1. [3 De personeelsleden moeten aan de volgende voorwaarden vol doen :]3
  1° niet bij een in kracht van gewijsde gegaan gerechtelijke beslissing veroordeeld zijn :
  a) wegens een in Boek II, Titel III, Titel VII, hoofdstuk V en VI, Titel VIII, hoofdstuk 1 en Titel IX, hoofdstuk I en II van het Strafwetboek bepaalde inbreuk;
  b) wegens een inbreuk op de artikelen 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 37bis, 47, 48 of 49 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie op het wegverkeer;
  c) wegens een inbreuk op de bepalingen van dit besluit;
  2° niet vervallen zijn of geweest zijn uit het recht om een motorvoertuig te besturen. Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten, op voorwaarde dat voldaan is aan de onderzoeken die de rechter zou kunnen opgelegd hebben in toepassing van artikel 38 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie over het wegverkeer;
  3° [1 houder zijn van het vereiste brevet voor de uitoefening van de in artikel 24 bedoelde functie en de in § 2 bedoelde toelating, behalve voor de stagiairs en de instructeurs of directeurs die in België diensten verrichten op basis van de artikelen 6 en 7 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.]1
  De houder van een in artikel 24 bedoeld brevet II, III of V kan evenwel, in geval van overmacht en mits toelating [3 door de minister of zijn gemachtigde]3, belast worden met de leiding van een rijschool gedurende een periode van hoogstens twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de toelating. Na afloop van deze termijn wordt de erkenning van rijschool door de Minister ingetrokken, als geen houder van een brevet I aangesteld werd;
  4° voor de personen belast met het praktische rijonderricht, het medische onderzoek ondergaan hebben, dat bepaald wordt door artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
  5° [3 gedurende ten minste drie jaar houder zijn van een rijbewijs dat is afgegeven door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, ten minste geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie B of van een evenwaardige categorie. De personen die het praktisch onderricht verstrekken [4 van de categorieën B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E]4 moeten bovendien houder zijn van een rijbewijs dat is afgegeven door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, ten minste geldig voor de categorie of subcategorie waarvoor zij het onderricht verstrekken. De personen die het praktisch onderricht verstrekken voor het besturen van voertuigen van de categorieën [5 AM]5 [6 , A1, A2 en A]6 moeten enkel houder zijn van een rijbewijs dat is afgegeven door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie A of een evenwaardige categorie.]3
  6° voor de houders van een brevet I of III, houder zijn van een diploma, getuigschrift of brevet dat toegang verleent tot de niveaus A, B of C van de Rijksbesturen, die bedoeld worden in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende statuut van het rijkspersoneel, [1 of van een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel dat toegang verleent tot de uitoefening van de functies van directeur van een rijschool of van theorie-instructeur op grond van artikel 15 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties]1 , of een beroepservaring van ten minste zes jaar als rijschoolinstructeur kunnen aantonen;
  7° de rijschooldirecteur bezorgt, een attest waaruit blijkt dat de rijschoolinstructeurs of leidinggevende personeelsleden aan de werden aangegeven en dat de nodige sociale zekerheidsbijdragen RSZ werden betaald. Voor de natuurlijke of rechtspersonen die opdrachten in zelfstandig verband hebben vervuld voor de rijschool, levert hij tevens het bewijs dat de opdrachten in zelfstandig verband werden uitgeoefend.
  De gegevens hierboven vermeld onder punt 3° en 5° worden verondersteld reeds gekend te zijn door de administratie; in geval van nood zal deze bijkomende inlichtingen vragen aan de aanvrager.
  De gegevens hierboven vermeld in punt [3 1° en 2°]3 zullen door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties; deze aanvraag kan op elektronische wijze gebeuren. Indien het bestuur deze documenten niet kan krijgen moet de aanvrager zelf instaan voor deze documenten.
  De personen die de rijschool wettig vertegenwoordigen moeten aan de in 1° gestelde voorwaarden voldoen.
  § 2. De indiensttreding van een leidinggevend of onderwijzend personeelslid vindt plaats, nadat een directie- of instructietoelating door de Minister of zijn gemachtigde werd verleend [1 behalve voor de personeelsleden die hun diensten verrichten in België op grond van de artikelen 6 en 7 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties]1 .
  Deze toelating wordt gegeven binnen de maand te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bewijs dat de aanvrager aan alle in § 1 bedoelde voorwaarden voldoet.
  De Minister of zijn gemachtigde kan de termijn waarin hij zijn beslissing moet nemen, verlengen met één maand. Hij verwittigt daarvan de kandidaat.
  Als de directie- of instructietoelating voor een volledige aanvraag niet binnen de termijn wordt gegeven, geldt het gebrek van beslissing als een beslissing van aanvaarding.
  De directie- of instructietoelating wordt gematerialiseerd door een nationale code op het rijbewijs van de houder. Een bijzondere directie- of instructietoelating, wordt afgeleverd aan de personen die geen Belgisch rijbewijs kunnen verkrijgen volgens de bepalingen van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. In geval van intrekking of schorsing van de directie- of instructietoelating, wordt het rijbewijs hernieuwd, overeenkomstig artikel 49 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  De op het rijbewijs te vermelden codes zijn als volgt bepaald :
  - code 101 naast de categorie B voor de houder van brevet I en III;
  - code 102 naast de categorie B voor de houder van brevet III, die geen brevet I heeft;
  - code 103 naast [6 de categorieën B en G]6 voor de houder van brevet II;
  - code 103 naast de [2 categorieën [6 AM,]6 A1, A2 en A]2 voor de houder van brevet IV;
  - [2 code 103 naast de categorieën B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E voor de houder van brevet V.]2
  
Art. 12. § 1er. [3 Les membres du personnel doivent remplir les conditions suivantes :]3
  1° ne pas avoir été condamné par une décision judiciaire passée en force de chose jugée :
  a) pour une infraction visée au Livre II, Titre III, Titre VII, chapitre V et VI, Titre VIII, chapitre 1er et Titre IX, chapitre Ier et II du Code pénal;
  b) pour une infraction aux articles 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 37bis, 47, 48 ou 49 de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968;
  c) pour une infraction aux dispositions du présent arrêté;
  2° ne pas être ou avoir été déchu du droit de conduire un véhicule à moteur. Toutefois, la présente interdiction ne s'applique pas en cas d'effacement de la condamnation ou de réhabilitation à la condition qu'il ait été satisfait aux examens éventuellement imposés par le juge en application de l'article 38 de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968;
  3° [1 sauf pour les stagiaires et les instructeurs ou directeurs qui prestent leurs services en Belgique sur base des articles 6 et 7, de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE, être titulaire du brevet requis pour l'exercice de la fonction, visé à l'article 24 et de l'autorisation visée au § 2.]1
  Toutefois, le titulaire d'un brevet II, III ou V, visé à l'article 24, peut, en cas de force majeure et moyennant l'autorisation [3 du ministre ou de son délégué]3, être chargé de la direction d'une école de conduite pendant un délai maximum de deux ans à compter de la notification de l'autorisation. A l'issue de ce délai, l'agrément d'école de conduite est retiré par [3 le ministre ou son délégué]3, si un titulaire d'un brevet I n'a pas été désigne;
  4° pour les personnes chargées de l'enseignement pratique, avoir satisfait à l'examen médical prévu à l'article 43 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
  5° [3 être titulaire depuis trois ans au moins d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen, valable pour la conduite des véhicules de la catégorie B au moins ou d'une catégorie équivalente. Les personnes qui dispensent l'enseignement pratique de la conduite des véhicules [4 des catégories B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E]4 doivent, en outre, être titulaires d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la conduite des véhicules de la catégorie ou sous-catégorie de véhicules dont elles enseignent la conduite. Les personnes qui dispensent l'enseignement pratique de la conduite des véhicules des catégories [5 AM]5 [6 , A1, A2 et A]6 doivent être uniquement titulaires d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la conduite des véhicules de la catégorie A ou d'une catégorie équivalente.]3
  6° pour les titulaires d'un brevet I ou III, être titulaire d'un diplôme, certificat ou brevet pris en considération pour l'admission au niveau A, B ou C dans les administrations de l'Etat visés à l'annexe 1re de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant statut des agents de l'Etat [1 ou d'une attestation de compétence, ou d'un titre de formation lui permettant d'exercer les fonctions de directeur d'école de conduite ou d'instructeur de théorie en vertu de l'article 15 de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE ]1 ou justifier d'une expérience professionnelle de six ans au moins comme instructeur d'école de conduite;
  7° le directeur de l'école de conduite fournit une attestation prouvant que les instructeurs ou le personnel dirigeant, ont été déclarés à l'ONSS, et qui démontre que les contributions de sécurité sociale nécessaires ont été payées. Pour les personnes physiques et morales qui ont rempli des missions dans un lien d'indépendance pour l'école de conduite, il apporte également la preuve que les missions ont été remplies dans un lien d'indépendance.
  Les informations visées aux points 3° et 5° sont considérées comme étant déjà connues par l'administration; en cas de besoin, celle-ci sollicitera des informations complémentaires auprès du demandeur.
  Les informations visées aux points [3 1° et 2°]3 sont demandées par l'administration auprès des instances concernées; cette demande peut être effectuée par voie électronique. Si l'administration ne peut obtenir ces documents, le demandeur fournit lui-même ces documents.
  Les personnes qui représentent légalement l'école de conduite doivent répondre aux conditions visées aux 1°.
  § 2. L'entrée en fonction d'un membre du personnel dirigeant ou enseignant n'a lieu qu'après la délivrance d'une autorisation de diriger ou d'enseigner par le Ministre ou son délégué [1 auf en ce qui concerne les membres du personnel qui prestent leurs services en Belgique sur base des articles 6 et 7, de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE]1 .
  Cette autorisation est délivrée dans un délai d'un mois à compter de la date de réception de la preuve que le demandeur répond à toutes les conditions requises visées au § 1er.
  Le Ministre ou son délégué peut prolonger le délai dans lequel il doit rendre sa décision d'un mois. Il en informe le candidat.
  Si l'autorisation de diriger ou d'enseigner pour une demande complète n'est pas délivrée dans les délais impartis, l'absence de décision vaut décision d'acceptation.
  L'autorisation de diriger ou d'enseigner est matérialisée par la mention d'un code national sur le permis de conduire du titulaire. Une autorisation de diriger ou d'enseigner particulière est délivrée aux personnes qui ne peuvent obtenir un permis de conduire belge, en application des dispositions de l'article 3, § 1er de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire. En cas de retrait ou de suspension de l'autorisation de diriger ou d'enseigner, le permis de conduire est renouvelé, conformément à l'article 49 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  Les codes à mentionner sur le permis de conduire sont déterminés comme suit :
  - code 101 à côté de la catégorie B pour le titulaire du brevet I et III;
  - code 102 à côté de la catégorie B pour le titulaire du brevet III non titulaire du brevet I;
  - code 103 à côté ,[6 des catégories B et G]6 pour le titulaire du brevet II;
  - code 103 à côté [2 des catégories [6 AM,]6 A1, A2 et A]2 pour le titulaire du brevet IV;
  - [2 code 103 à côté des catégories B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E pour le titulaire du brevet V.]2
  
Art. 12_VLAAMS_GEWEST.    § 1. [3 De personeelsleden moeten aan de volgende voorwaarden vol doen :]3
  1° niet bij een in kracht van gewijsde gegaan gerechtelijke beslissing veroordeeld zijn :
  a) wegens een in Boek II, Titel III, Titel VII, hoofdstuk V en VI, Titel VIII, hoofdstuk 1 en Titel IX, hoofdstuk I en II van het Strafwetboek bepaalde inbreuk;
  b) wegens een inbreuk op de artikelen 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 37bis, 47, 48 of 49 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie op het wegverkeer;
  c) wegens een inbreuk op de bepalingen van dit besluit;
  2° niet vervallen zijn of geweest zijn uit het recht om een motorvoertuig te besturen. Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten, op voorwaarde dat voldaan is aan de onderzoeken die de rechter zou kunnen opgelegd hebben in toepassing van artikel 38 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie over het wegverkeer;
  3° [1 houder zijn van het vereiste brevet voor de uitoefening van de in artikel 24 bedoelde functie en de in § 2 bedoelde toelating, behalve voor de stagiairs en de instructeurs of directeurs die in België diensten verrichten op basis van de artikelen 6 en 7 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.]1
  De houder van een in artikel 24 bedoeld brevet II, III of V kan evenwel, in geval van overmacht en mits toelating [3 door de minister of zijn gemachtigde]3, belast worden met de leiding van een rijschool gedurende een periode van hoogstens twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de toelating. Na afloop van deze termijn wordt de erkenning van rijschool door de Minister ingetrokken, als geen houder van een brevet I aangesteld werd;
  4° voor de personen belast met het praktische rijonderricht, het medische onderzoek ondergaan hebben, dat bepaald wordt door artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
  5° [3 gedurende ten minste drie jaar houder zijn van een rijbewijs dat is afgegeven door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, ten minste geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie B of van een evenwaardige categorie. De personen die het praktisch onderricht verstrekken [4 van de categorieën B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E]4 moeten bovendien houder zijn van een rijbewijs dat is afgegeven door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, ten minste geldig voor de categorie of subcategorie waarvoor zij het onderricht verstrekken. De personen die het praktisch onderricht verstrekken voor het besturen van voertuigen van de categorieën [5 AM]5 [6 , A1, A2 en A]6 moeten enkel houder zijn van een rijbewijs dat is afgegeven door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie A of een evenwaardige categorie.]3
  6° [7 voor de houders van een brevet I of III, houder zijn van een diploma, getuigschrift of brevet dat toegang verleent tot niveau A, B of C van het Vlaamse of federale overheidspersoneel, of van een bekwaamheidsattest dat of een opleidingstitel die toegang verleent tot de uitoefening van de functies van directeur van een rijschool of van theorie-instructeur op grond van artikel 15 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties, of een beroepservaring van ten minste zes jaar als rijschoolinstructeur kunnen aantonen;]7
  7° de rijschooldirecteur bezorgt, een attest waaruit blijkt dat de rijschoolinstructeurs of leidinggevende personeelsleden aan de werden aangegeven en dat de nodige sociale zekerheidsbijdragen RSZ werden betaald. Voor de natuurlijke of rechtspersonen die opdrachten in zelfstandig verband hebben vervuld voor de rijschool, levert hij tevens het bewijs dat de opdrachten in zelfstandig verband werden uitgeoefend.
  De gegevens hierboven vermeld onder punt 3° en 5° worden verondersteld reeds gekend te zijn door de administratie; in geval van nood zal deze bijkomende inlichtingen vragen aan de aanvrager.
  De gegevens hierboven vermeld in punt [3 1° en 2°]3 zullen door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties; deze aanvraag kan op elektronische wijze gebeuren. Indien het bestuur deze documenten niet kan krijgen moet de aanvrager zelf instaan voor deze documenten.
  De personen die de rijschool wettig vertegenwoordigen moeten aan de in 1° gestelde voorwaarden voldoen.
  § 2. De indiensttreding van een leidinggevend of onderwijzend personeelslid vindt plaats, nadat een directie- of instructietoelating door de Minister of zijn gemachtigde werd verleend [1 behalve voor de personeelsleden die hun diensten verrichten in België op grond van de artikelen 6 en 7 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties]1 .
  Deze toelating wordt gegeven binnen de maand te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bewijs dat de aanvrager aan alle in § 1 bedoelde voorwaarden voldoet.
  De Minister of zijn gemachtigde kan de termijn waarin hij zijn beslissing moet nemen, verlengen met één maand. Hij verwittigt daarvan de kandidaat.
  Als de directie- of instructietoelating voor een volledige aanvraag niet binnen de termijn wordt gegeven, geldt het gebrek van beslissing als een beslissing van aanvaarding.
  De directie- of instructietoelating wordt gematerialiseerd door een nationale code op het rijbewijs van de houder. Een bijzondere directie- of instructietoelating, wordt afgeleverd aan de personen die geen Belgisch rijbewijs kunnen verkrijgen volgens de bepalingen van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. In geval van intrekking of schorsing van de directie- of instructietoelating, wordt het rijbewijs hernieuwd, overeenkomstig artikel 49 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  De op het rijbewijs te vermelden codes zijn als volgt bepaald :
  - code 101 naast de categorie B voor de houder van brevet I en III;
  - code 102 naast de categorie B voor de houder van brevet III, die geen brevet I heeft;
  - code 103 naast [6 de categorieën B en G]6 voor de houder van brevet II;
  - code 103 naast de [2 categorieën [6 AM,]6 A1, A2 en A]2 voor de houder van brevet IV;
  - [2 code 103 naast de categorieën B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E voor de houder van brevet V.]2
Art. 12 _REGION_FLAMANDE.
   § 1er. [3 Les membres du personnel doivent remplir les conditions suivantes :]3
  1° ne pas avoir été condamné par une décision judiciaire passée en force de chose jugée :
  a) pour une infraction visée au Livre II, Titre III, Titre VII, chapitre V et VI, Titre VIII, chapitre 1er et Titre IX, chapitre Ier et II du Code pénal;
  b) pour une infraction aux articles 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 37bis, 47, 48 ou 49 de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968;
  c) pour une infraction aux dispositions du présent arrêté;
  2° ne pas être ou avoir été déchu du droit de conduire un véhicule à moteur. Toutefois, la présente interdiction ne s'applique pas en cas d'effacement de la condamnation ou de réhabilitation à la condition qu'il ait été satisfait aux examens éventuellement imposés par le juge en application de l'article 38 de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968;
  3° [1 sauf pour les stagiaires et les instructeurs ou directeurs qui prestent leurs services en Belgique sur base des articles 6 et 7, de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE, être titulaire du brevet requis pour l'exercice de la fonction, visé à l'article 24 et de l'autorisation visée au § 2.]1
  Toutefois, le titulaire d'un brevet II, III ou V, visé à l'article 24, peut, en cas de force majeure et moyennant l'autorisation [3 du ministre ou de son délégué]3, être chargé de la direction d'une école de conduite pendant un délai maximum de deux ans à compter de la notification de l'autorisation. A l'issue de ce délai, l'agrément d'école de conduite est retiré par [3 le ministre ou son délégué]3, si un titulaire d'un brevet I n'a pas été désigne;
  4° pour les personnes chargées de l'enseignement pratique, avoir satisfait à l'examen médical prévu à l'article 43 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
  5° [3 être titulaire depuis trois ans au moins d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen, valable pour la conduite des véhicules de la catégorie B au moins ou d'une catégorie équivalente. Les personnes qui dispensent l'enseignement pratique de la conduite des véhicules [4 des catégories B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E]4 doivent, en outre, être titulaires d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la conduite des véhicules de la catégorie ou sous-catégorie de véhicules dont elles enseignent la conduite. Les personnes qui dispensent l'enseignement pratique de la conduite des véhicules des catégories [5 AM]5 [6 , A1, A2 et A]6 doivent être uniquement titulaires d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la conduite des véhicules de la catégorie A ou d'une catégorie équivalente.]3
  6° [7 pour les titulaires d'un brevet I ou III, être titulaire d'un diplôme, certificat ou brevet pris en considération pour l'admission au niveau A, B ou C du personnel de la fonction publique flamande ou fédérale, ou d'une attestation de compétence, ou d'un titre de formation lui permettant d'exercer les fonctions de directeur d'école de conduite ou d'instructeur de théorie en vertu de l'article 15 de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE ou justifier d'une expérience professionnelle de six ans au moins comme instructeur d'école de conduite;]7
  7° le directeur de l'école de conduite fournit une attestation prouvant que les instructeurs ou le personnel dirigeant, ont été déclarés à l'ONSS, et qui démontre que les contributions de sécurité sociale nécessaires ont été payées. Pour les personnes physiques et morales qui ont rempli des missions dans un lien d'indépendance pour l'école de conduite, il apporte également la preuve que les missions ont été remplies dans un lien d'indépendance.
  Les informations visées aux points 3° et 5° sont considérées comme étant déjà connues par l'administration; en cas de besoin, celle-ci sollicitera des informations complémentaires auprès du demandeur.
  Les informations visées aux points [3 1° et 2°]3 sont demandées par l'administration auprès des instances concernées; cette demande peut être effectuée par voie électronique. Si l'administration ne peut obtenir ces documents, le demandeur fournit lui-même ces documents.
  Les personnes qui représentent légalement l'école de conduite doivent répondre aux conditions visées aux 1°.
  § 2. L'entrée en fonction d'un membre du personnel dirigeant ou enseignant n'a lieu qu'après la délivrance d'une autorisation de diriger ou d'enseigner par le Ministre ou son délégué [1 auf en ce qui concerne les membres du personnel qui prestent leurs services en Belgique sur base des articles 6 et 7, de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE]1 .
  Cette autorisation est délivrée dans un délai d'un mois à compter de la date de réception de la preuve que le demandeur répond à toutes les conditions requises visées au § 1er.
  Le Ministre ou son délégué peut prolonger le délai dans lequel il doit rendre sa décision d'un mois. Il en informe le candidat.
  Si l'autorisation de diriger ou d'enseigner pour une demande complète n'est pas délivrée dans les délais impartis, l'absence de décision vaut décision d'acceptation.
  L'autorisation de diriger ou d'enseigner est matérialisée par la mention d'un code national sur le permis de conduire du titulaire. Une autorisation de diriger ou d'enseigner particulière est délivrée aux personnes qui ne peuvent obtenir un permis de conduire belge, en application des dispositions de l'article 3, § 1er de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire. En cas de retrait ou de suspension de l'autorisation de diriger ou d'enseigner, le permis de conduire est renouvelé, conformément à l'article 49 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  Les codes à mentionner sur le permis de conduire sont déterminés comme suit :
  - code 101 à côté de la catégorie B pour le titulaire du brevet I et III;
  - code 102 à côté de la catégorie B pour le titulaire du brevet III non titulaire du brevet I;
  - code 103 à côté ,[6 des catégories B et G]6 pour le titulaire du brevet II;
  - code 103 à côté [2 des catégories [6 AM,]6 A1, A2 et A]2 pour le titulaire du brevet IV;
  - [2 code 103 à côté des catégories B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E pour le titulaire du brevet V.]2
Art. 13. Elke functie of betrekking in een erkend organisme voor technische controle van motorvoertuigen, die van tolk bij het theoretische examen inbegrepen, en de controlefuncties bedoeld in artikel 39 zijn onverenigbaar met elke functie of elke betrekking in een erkende rijschool.
Art. 13. Sont incompatibles avec toute fonction ou tout emploi dans une école de conduite agréée, les fonctions ou emplois, y compris celui d'interprète pour l'examen théorique, dans un organisme agréé pour le contrôle technique des véhicules automobiles, ainsi que les fonctions de contrôle visées à l'article 39.
Art. 14. § 1. [2 De rijschooldirecteurs, adjunct-rijschooldirecteurs en instructeurs, die houder zijn van een directie- of instructietoelating, dienen een opleiding te volgen over de in § 2 bedoelde vakken, zodat op het einde van een cyclus van vier jaren voor de houders van brevet I of van drie jaren voor de andere personen elk vak is gevolgd.]2 De inhoud van de opleiding wordt bij ministerieel besluit bepaald.
  [1 Deze opleiding duurt minstens twaalf uur.]1
  In het jaar waarin ze hun brevet behalen, zijn de rijschooldirecteurs, adjunct-rijschooldirecteurs en de instructeurs vrijgesteld van deze verplichting. [1 Zijn ook vrijgesteld de personeelsleden van een rijschool die hun diensten verrichten op grond van titel II van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.]1
  De rijschooldirecteur ziet erop toe dat elke adjunct-rijschooldirecteur en instructeur die onder zijn toezicht geplaatst is, de in deze paragraaf bedoelde opleiding volgt.
  § 2. De opleiding slaat onder meer op de volgende onderwerpen :
  1° wijzigingen van de reglementering betreffende de verkeersveiligheid in de brede zin [2 en verdieping van de in de bijlage 2 bepaalde examenleerstof]2;
  2° begrippen en methodologie van de organisatie van het theoretische en praktische onderricht;
  3° begrippen en maatregelen tot bevordering van de verkeersveiligheid en de mobiliteit in het kader van de duurzame ontwikkeling;
  4° [2 ...]2
  5° voor de houders van brevet I : economische en organisatorische aspecten van de exploitatie van een rijschool.
  De opleiding die voor het verkrijgen van een ander brevet gevolgd werd, wordt niet meegerekend.
  § 3. De organisatoren van de in § 1 bedoelde opleidingsactiviteiten leveren aan de rijschooldirecteurs, de adjunct-rijschooldirecteurs en de instructeurs die de opleiding hebben gevolgd, een getuigschrift af waarvan het model door de Minister bepaald wordt. Het gevolgde aantal uren en de onderwezen onderwerpen worden erop vermeld. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 5 en bijlage 5.)
  Het getuigschrift wordt gedurende drie jaar bijgehouden door de rijschool waar de rijschooldirecteur, de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur tijdens hun opleiding hun functies vervullen.
  § 4. De Minister of zijn gemachtigde weigert de getuigschriften, als de opleiding niet de in § 1 bepaalde uren duurde of niet over de in § 2 bepaalde onderwerpen ging. Voor de getuigschriften die in het lopende of voorafgaande jaar geweigerd werden, dient de rijschooldirecteur, adjunct-rijschooldirecteur of instructeur binnen twaalf maanden na de kennisgeving van de weigering een vervangingscursus te volgen.
  De Minister of zijn gemachtigde zal de rijschooldirecteur, adjunct-rijschooldirecteur of instructeur schriftelijk verwittigen van de weigering bedoeld in het vorige lid.
  
Art. 14. § 1er. [2 Les directeurs d'école de conduite, directeurs adjoints d'école de conduite et instructeurs, titulaires d'une autorisation de diriger ou d'enseigner sont tenus de suivre une formation portant sur les matières visées au § 2 de sorte qu'à la fin d'un cycle de quatre ans pour les titulaires d'un brevet I ou de trois ans pour les autres personnes, chacune des matières visées ait été suivie.]2 Le contenu de la formation est déterminé par arrêté ministériel.
  [1 Cette formation est d'au moins douze heures.]1
  Dans l'année de l'obtention de leur brevet, les directeurs d'école de conduite, les directeurs adjoints d'école de conduite et les instructeurs sont dispensés de cette obligation. [1 Sont également dispensés les membres du personnel d'une école de conduite qui prestent leurs services sur base du titre II, de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications profession-nelles CE.]1
  Le directeur d'école de conduite veille à ce que tout directeur adjoint d'école de conduite et tout instructeur mis sous son autorité suive la formation visée au présent paragraphe.
  § 2. La formation porte notamment sur les matières suivantes :
  1° modifications de la réglementation relative à la sécurité routière au sens large [2 et approfondissement des matières d'examen prévues à l'annexe 2]2;
  2° notions et méthodologie d'organisation de l'enseignement théorique et pratique;
  3° notions et mesures en vue de promouvoir la sécurité routière, la mobilité dans le cadre du développement durable;
  4° [2 ...]2
  5° pour les titulaires du brevet I : aspects économiques et organisationnels de l'exploitation d'une école de conduite.
  N'entre pas en ligne de compte, la formation suivie en vue d'acquérir un autre brevet.
  § 3. Les organisateurs de l'activité de formation visée au § 1er délivrent aux directeurs d'école de conduite, directeurs adjoints d'école de conduite et aux instructeurs qui ont suivi la formation un certificat dont le modèle est défini par le Ministre. Le nombre d'heures de cours suivies et la matière enseignée y sont mentionnés. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 5 et annexe 5.)
  Le certificat est conservé pendant trois ans par l'école de conduite dans laquelle le directeur d'école de conduite, le directeur adjoint d'école de conduite ou l'instructeur exerce ses fonctions lors du suivi de la formation.
  § 4. Le Ministre ou son délégué refuse les certificats lorsque la formation ne comporte pas le nombre d'heures prévues au § 1er ou ne porte pas sur les matières prévues au § 2. Pour les certificats refusés de l'année en cours ou de l'année antérieure, le directeur d'école de conduite, le directeur adjoint d'école de conduite ou l'instructeur suit un cours de remplacement dans les douze mois à compter de la notification du refus.
  Le Ministre ou son délégué informera par écrit du refus, visé à l'alinéa précédent, le directeur d'école de conduite, le directeur adjoint d'école de conduite ou l'instructeur.
  
Afdeling II. - Voorwaarden betreffende de lokalen.
Section II. - Conditions relatives aux locaux.
Art. 15. § 1. Iedere vestigingseenheid beschikt over door de Minister of zijn gemachtigde goedgekeurde lokalen, bestemd voor het theoretische onderricht en voor de administratie van de rijschool.
  De lokalen omvatten een leslokaal, een sanitaire inrichting, een onthaalruimte voor de leerlingen, een (deel van een) lokaal voor de administratie.
  Zij kunnen niet in een drankgelegenheid noch in een woonruimte worden ingericht. Zij moeten een attest van conformiteit gekregen hebben zoals voorzien in artikel 7.
  Ieder leslokaal moet voortdurend aan de volgende vereisten voldoen :
  1° plaats aan minstens tien leerlingen bieden;
  2° uitgerust zijn voor visuele voorstellingen;
  3° in overeenstemming zijn met de hygiënische bepalingen voor de voor het publiek toegankelijke lokalen;
  4° beschikken over borden en over didactische schema's voor de onderwezen leerstof;
  5° beschikken over maquettes van de belangrijkste onderdelen van een motorvoertuig, zoals het remsysteem, de schakeling, de lichten, het differentieel en over het belangrijkste voertuigtoebehoren;
  6° beschikken over de bijgewerkte reglementering betreffende de onderwezen leerstof.
  Elke vestigingseenheid dient voor elke groep van tien leerlingen over een computer te beschikken, die voor meerkeuzevragen geprogrammeerd is. Dit programma moet tijdens de openingsuren van de rijschool kunnen geraadpleegd worden.
  § 2. De leslokalen kunnen ook door andere vestigingseenheid of door andere rijscholen worden gebruikt.
  Het stamnummer van de vestigingseenheid of vestigingseenheden, de naam van de rijschooldirecteur of van zijn gemachtigde en ook een contactadres moeten goed leesbaar voor het publiek in het leslokaal en in het lokaal voor de administratie uitgehangen worden.
  De rijschooldirecteur deelt aan de Minister of zijn gemachtigde aanzienlijke wijzigingen van de lokalen mee, minstens veertien dagen voor hun uitvoering wordt gepland; deze mededeling kan via een aangetekend schrijven per post of op aangetekende elektronische wijze gebeuren.
Art. 15. § 1er. Chaque unité d'établissement dispose de locaux destinés à l'enseignement théorique et à l'administration de l'école de conduite, agréés par le Ministre ou son délégué.
  Les locaux comprennent un local de cours, un espace sanitaire, un local d'accueil des élèves, un local (ou partie de local) destiné à l'administration.
  Ils ne peuvent être établis dans un débit de boisson ni dans une habitation. Ils doivent faire l'objet d'une attestation de conformité telle qu'elle est prévue à l'article 7.
  Chaque local de cours doit répondre en permanence aux exigences suivantes :
  1° pouvoir accueillir au moins dix élèves;
  2° être équipé pour des présentations visuelles;
  3° être conforme aux prescriptions en matière de salubrité des locaux accessibles au public;
  4° disposer de tableaux et des schémas didactiques concernant les matières enseignées;
  5° disposer de maquettes des principales parties du véhicule, telles que le système de freinage, le changement de vitesses, les feux, le différentiel et des accessoires principaux des véhicules;
  6° disposer de la réglementation à jour relative à la matière enseignée.
  Chaque unité d'établissement doit disposer d'un ordinateur par groupe de dix élèves, programmé pour des questions à choix multiples. Ce programme doit être accessible pendant les heures d'ouverture de l'école de conduite.
  § 2. Les locaux de cours peuvent être utilisés par d'autres unités établissement ou par d'autres écoles de conduite.
  Le numéro de matricule de(s) unité(s) d'établissement, le nom du directeur d'école de conduite ou de son délégué ainsi qu'un point de contact sont affichés lisiblement pour le public dans le local de cours et dans le local destiné à l'administration.
  Le directeur d'école de conduite communique au Ministre ou à son délégué les modifications substantielles envisagées pour les locaux quinze jours au moins avant la date prévue pour effectuer celles-ci; cette communication peut s'effectuer par courrier recommandé à la poste ou électronique.
Art. 15_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    § 1. Iedere vestigingseenheid beschikt over door de Minister of zijn gemachtigde goedgekeurde lokalen, bestemd voor het theoretische onderricht en voor de administratie van de rijschool.
  De lokalen omvatten een leslokaal, een sanitaire inrichting, een onthaalruimte voor de leerlingen, een (deel van een) lokaal voor de administratie.
  Zij kunnen niet in een drankgelegenheid noch in een woonruimte worden ingericht.[1 ...]1.
  Ieder leslokaal moet voortdurend aan de volgende vereisten voldoen :
  1° plaats aan minstens tien leerlingen bieden;
  2° uitgerust zijn voor visuele voorstellingen;
  3° in overeenstemming zijn met de hygiënische bepalingen voor de voor het publiek toegankelijke lokalen;
  4° beschikken over borden en over didactische schema's voor de onderwezen leerstof;
  5° beschikken over maquettes van de belangrijkste onderdelen van een motorvoertuig, zoals het remsysteem, de schakeling, de lichten, het differentieel en over het belangrijkste voertuigtoebehoren;
  6° beschikken over de bijgewerkte reglementering betreffende de onderwezen leerstof.
  Elke vestigingseenheid dient voor elke groep van tien leerlingen over een computer te beschikken, die voor meerkeuzevragen geprogrammeerd is. Dit programma moet tijdens de openingsuren van de rijschool kunnen geraadpleegd worden.
  § 2. De leslokalen kunnen ook door andere vestigingseenheid of door andere rijscholen worden gebruikt.
  Het stamnummer van de vestigingseenheid of vestigingseenheden, de naam van de rijschooldirecteur of van zijn gemachtigde en ook een contactadres moeten goed leesbaar voor het publiek in het leslokaal en in het lokaal voor de administratie uitgehangen worden.
  De rijschooldirecteur deelt aan de Minister of zijn gemachtigde aanzienlijke wijzigingen van de lokalen mee, minstens veertien dagen voor hun uitvoering wordt gepland; deze mededeling kan via een aangetekend schrijven per post of op aangetekende elektronische wijze gebeuren.
  
Art. 15 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   § 1er. Chaque unité d'établissement dispose de locaux destinés à l'enseignement théorique et à l'administration de l'école de conduite, agréés par le Ministre ou son délégué.
  Les locaux comprennent un local de cours, un espace sanitaire, un local d'accueil des élèves, un local (ou partie de local) destiné à l'administration.
  Ils ne peuvent être établis dans un débit de boisson ni dans une habitation. [1 ...]1
  Chaque local de cours doit répondre en permanence aux exigences suivantes :
  1° pouvoir accueillir au moins dix élèves;
  2° être équipé pour des présentations visuelles;
  3° être conforme aux prescriptions en matière de salubrité des locaux accessibles au public;
  4° disposer de tableaux et des schémas didactiques concernant les matières enseignées;
  5° disposer de maquettes des principales parties du véhicule, telles que le système de freinage, le changement de vitesses, les feux, le différentiel et des accessoires principaux des véhicules;
  6° disposer de la réglementation à jour relative à la matière enseignée.
  Chaque unité d'établissement doit disposer d'un ordinateur par groupe de dix élèves, programmé pour des questions à choix multiples. Ce programme doit être accessible pendant les heures d'ouverture de l'école de conduite.
  § 2. Les locaux de cours peuvent être utilisés par d'autres unités établissement ou par d'autres écoles de conduite.
  Le numéro de matricule de(s) unité(s) d'établissement, le nom du directeur d'école de conduite ou de son délégué ainsi qu'un point de contact sont affichés lisiblement pour le public dans le local de cours et dans le local destiné à l'administration.
  Le directeur d'école de conduite communique au Ministre ou à son délégué les modifications substantielles envisagées pour les locaux quinze jours au moins avant la date prévue pour effectuer celles-ci; cette communication peut s'effectuer par courrier recommandé à la poste ou électronique.
  
Afdeling III. - Oefenterreinen.
Section III. - Terrains d'entraînement.
Art. 16. § 1. [2 Iedere vestigingseenheid, anders dan de vestigingseenheden die enkel voor de categorie B goedgekeurd zijn, beschikt over minstens één oefenterrein;]2
  Dit oefenterrein moet voor één of meer van de volgende onderrichtcategorieën goedgekeurd worden :
  - A : voertuigen van de categorieën [1 AM, A1, A2 en A ]1;
  - [2 ...]2
  - C-D : voertuigen van de categorieën [1 ...]1 C1, C, D1 en D;
  - E : voertuigen van de categorieën [1 ...]1 B+E, C1+E, C+E, D1+E en D+E;
  (G : voertuigen van de categorie G.) <KB 2006-09-01/36, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  De rijschooldirecteur stelt de Minister of zijn gemachtigde binnen acht dagen in kennis van de geplande wijzigingen aan de onderrichtcategorieën en de uitrusting van het oefenterrein, en ook van elke wijziging van de grootte van het terrein; deze mededeling kan via traditioneel aangetekend schrijven of op aangetekende elektronische wijze gebeuren.
  § 2. Het oefenterrein moet zo ingericht worden, dat alle aan het rijonderricht vreemde personen er geen toegang toe hebben gedurende de praktische lessen.
  Het beschikt over de in bijlage 1 bepaalde uitrustingen, die het mogelijk moeten maken om de in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde manoeuvres in alle veiligheid aan te leren.
  Een uitrusting voor een bepaalde onderrichtscategorie mag maar door hoogstens twee lesvoertuigen tegelijk gebruikt worden.
  Het oefenterrein mag door verschillende vestigingseenheden en door meerdere rijscholen gebruikt worden.
  De afstand tussen de vestigingseenheid en het oefenterrein kan niet meer bedragen dan 20 km in vogelvlucht, behoudens een door de Minister of zijn gemachtigde verleende afwijking.
  
Art. 16. § 1er. [2 Chaque unité d'établissement, autre que les unités d'établissement qui sont approuvées uniquement pour la catégorie B, dispose au moins d'un terrain d'entraînement;]2
  Ce terrain d'entraînement est approuvé pour une ou plusieurs des catégories d'enseignement suivantes :
  - A : véhicules des catégories [1 AM, A1, A2 et A]1;
  - [2 ...]2
  - C-D : véhicules des catégories [1 ...]1 C1, C, D1 et D;
  - E : véhicules des catégories [1 ...]1 B+E, C1+E, C+E, D1+E et D+E;
  (- G : véhicules de la catégorie G.) <AR 2006-09-01/36, art. 3, 005; En vigueur : 15-09-2006>
  Le directeur d'école de conduite communique au Ministre ou à son délégué dans les huit jours les modifications envisagées quant aux catégories d'enseignement et aux équipements du terrain d'entraînement, ainsi que toute modification à la taille du terrain; cette communication peut s'effectuer par courrier recommandé classique ou électronique.
  § 2. Le terrain d'entraînement est aménagé de manière à ce que toute personne étrangère à l'enseignement de la conduite n'y ait pas accès pendant les cours pratiques.
  Il dispose des équipements prévus à l'annexe 1re, permettant l'apprentissage en toute sécurité des manoeuvres visées à l'annexe 5 de l'arrête royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  Un équipement d'une catégorie d'enseignement ne peut être utilisé simultanément que par deux véhicules de cours au maximum.
  Le terrain d'entraînement peut être utilisé par plusieurs unités d'établissement et par plusieurs écoles de conduite.
  La distance entre l'unité d'établissement et le terrain d'entraînement ne peut dépasser 20 km à vol d'oiseau, sauf dérogation du Ministre ou de son délégué.
  
Afdeling IV. - Lesvoertuigen.
Section IV. - Véhicules de cours.
Art. 17. § 1. De rijscholen moeten voor elke op de exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermelde onderrichtcategorie over minstens één lesvoertuig [2 van elke voertuigcategorie]2 beschikken.
  Alle hiervoor bestemde voertuigen moeten ter beschikking van de instructeurs worden gesteld bij de uitoefening van hun functie.
  Alle voertuigen moeten voldoen aan de voorwaarden van het artikel 18 van dit besluit en van de artikelen 38 of 90 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  De rijschool houdt een register bij met de gegevens van de lesvoertuigen. Zij houdt afschriften van de inschrijvingsbewijzen en van de geldige keuringsbewijzen van de gebruikte voertuigen bij.
  § 2. [1 De rijscholen erkend voor de onderrichtscategorie A moeten beschikken over een voertuig van de categorie AM, motorfietsen A1, A2 en A die voldoen aan de voorwaarden van artikel 38, § 2, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.]1.
  Zij moeten bovendien over een door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie goedgekeurde radioverbinding beschikken, die dient voor het rijonderricht op de openbare weg.
  
Art. 17. § 1er. Les écoles de conduite doivent disposer, pour chaque catégorie d'enseignement mentionnée dans l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement, d'un véhicule de cours au moins [2 de chaque catégorie de véhicule]2.
  Tous les véhicules ainsi affectés doivent être mis à la disposition des instructeurs dans l'exercice de leur fonction.
  Tous les véhicules répondent aux conditions fixées par l'article 18 du présent arrêté et par les articles 38 ou 90 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  L'école de conduite tient un registre ou sont reprises les données relatives aux véhicules de cours. Elle garde copie du certificat d'immatriculation et du certificat de contrôle technique en cours de validité des véhicules utilisés.
  § 2. [1 Les écoles de conduite agréées pour la catégorie d'enseignement A doivent disposer d'un véhicule de la catégorie AM, de motocyclettes A1, A2 et A répondant aux conditions de l'article 38, § 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.]1
  Elles doivent en outre disposer d'un dispositif radio agréé par l'Institut belge des services postaux et télécommunications, destiné à l'enseignement de la conduite sur la voie publique.
  
Art. 17_WAALS_GEWEST. [1 § 1. De rijscholen beschikken voor elke op de exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermelde onderrichtcategorie over minstens één lesvoertuig van elke voertuigcategorie.
   § 2. De rijscholen kunnen beschikken over aangepaste voertuigen van de categorie B waarvoor het conformiteitscertificaat minstens één van de in bijlage 7 van het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde geharmoniseerde codes bevat.
   Zij gebruiken de voertuigen bedoeld in alinea 1 voor het rijonderricht aan kandidaten bedoeld in artikel 45, alinea 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
   In afwijking van alinea 2 mogen de rijscholen deze voertuigen gebruiken voor het onderricht aan alle andere kandidaten indien er geen aanvraag is van een dergelijke kandidaat en dat de aanpassing van het voertuig dit toelaat.
   § 3. Alle hiervoor bestemde voertuigen worden ter beschikking van de instructeurs gesteld bij de uitoefening van hun functie.
   Alle voertuigen voldoen aan de voorwaarden van artikel 18 en artikel 38 van het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
   De rijschool houdt een register bij met de gegevens van de lesvoertuigen. Zij houdt afschriften van de inschrijvingsbewijzen en van de geldige keuringsbewijzen van de gebruikte voertuigen bij.
   § 4. De rijscholen kunnen beschikken over aangepaste voertuigen van de categorie B waarvoor het conformiteitscertificaat minstens één van de in artikel 38, § 2 van het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde geharmoniseerde codes bevat.
   Zij beschikken over een door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie goedgekeurde radioverbinding, die dient voor het rijonderricht op de openbare weg]1
.
  
Art. 17 _REGION_WALLONNE.[1 § 1er. Les écoles de conduite disposent, pour chaque catégorie d'enseignement mentionnée dans l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement, d'un véhicule de cours au moins de chaque catégorie de véhicule.
   § 2. Les écoles de conduite peuvent disposer de véhicules de catégorie B adaptés qui comportent sur leur certificat de conformité au moins un des codes harmonisés visés à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
   Elles utilisent les véhicules visés à l'alinéa 1er pour l'apprentissage de la conduite aux candidats visés à l'article 45, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
   Par dérogation à l'alinéa 2, lorsqu'il n'y a pas de demande d'apprentissage d'un tel candidat et que l'adaptation du véhicule le permet, les écoles de conduite peuvent utiliser ces véhicules pour l'apprentissage de tous les autres candidats.
   § 3. Tous les véhicules affectés sont mis à la disposition des instructeurs dans l'exercice de leur fonction.
   Tous les véhicules répondent aux conditions fixées par l'article 18 et par l'article 38 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
   L'école de conduite tient un registre où sont reprises les données relatives aux véhicules de cours. Elle garde une copie du certificat d'immatriculation et du certificat de contrôle technique en cours de validité des véhicules utilisés.
   § 4. Les écoles de conduite agréées pour la catégorie d'enseignement A disposent d'un véhicule de catégorie AM, de motocyclettes A1, A2 et A répondant aux conditions de l'article 38, § 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
   Elles disposent d'un dispositif radio agréé par l'Institut belge des services postaux et télécommunications, destiné à l'enseignement de la conduite sur la voie publique ]1
.
  
Art. 18. § 1. De voertuigen van de categorieën [1 AM, A1, A2 en A]1 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° minder dan [2 zeven]2 jaar oud zijn;
  2° achteraan een bord hebben met de vermelding " rijschool ", gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool. Dit bord mag vervangen worden door een door de kandidaat gedragen rugvest met dezelfde vermelding.
  § 2. De voertuigen van de categorie B moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° het voertuig moet minder dan vijf jaar oud zijn;
  2° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting [3 ...]3 en van het gaspedaal alsook van de dimlichten, van de richtingaanwijzers en van het geluidstoestel moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen.
  De instructeur moet bovendien de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken.
  Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt gehinderd;
  3° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting (, van de koppeling of van het gaspedaal) bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; <KB 2006-09-01/36, art. 4, 1°, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  4° [3 het voertuig moet uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zodanig binnen het voertuig zijn geplaatst dat de leerling en de instructeur, vanuit hun respectievelijke zitplaats het verkeer achter en links kunnen gadeslaan, en onder meer een ander voertuig kunnen waarnemen dat begonnen is links in te halen;]3
  5° het voertuig moet aan de rechterzijde minstens twee deuren hebben;
  6° de achterbank moet uitgerust zijn met hoofdsteunen en veiligheidsgordels.
  § 3. De voertuigen van categorie C of D of van de subcategorie [1 C1, C, D1 of D]1 worden voorafgaandelijk goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde en beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting, en van het gaspedaal moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen.
  Bovendien moet de instructeur de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken.
  Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt;
  2° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting (, van de koppeling of van het gaspedaal) bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; <KB 2006-09-01/36, art. 4, 2°, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  3° [3 het voertuig moet uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zodanig buiten het voertuig zijn geplaatst dat de leerling en de instructeur, van hun respectievelijke zitplaats, het verkeer achter en links kunnen gadeslaan, en onder meer een ander voertuig kunnen waarnemen dat begonnen is links in te halen, en met een systeem dat de dode hoek zichtbaar maakt;]3
  4° uitgerust zijn met veiligheidsgordels voor de bestuurder, de instructeur en de examinator.
  § 4. Als het gaat over voertuigen van de categorie B+E, [1 C1+E, C+E, D1+E of D+E]1, moet het trekkende voertuig, naargelang het geval, aan de voorwaarden van § 2 en § 3 voldoen.
  § 5. De voertuigen van de categorieën B, B+E, [1 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E]1 moeten uitgerust zijn met één of meer borden met het opschrift " rijschool " gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool, die vooraan en achteraan duidelijk leesbaar moeten zijn van op een afstand van minstens 30 m, en verlicht of reflecterend, tussen zonsondergang en zonsopgang.
  [3 ...]3
  [3 Op het lesvoertuig mogen enkel, de naam of maatschappelijke benaming van de rechtspersoon, de naam, het logo, het adres, het elektronische adres, het telefoonnummer en het faxnummer van de rijschool, publiciteit voor de activiteiten van de rijschool en berichten in het kader van de verkeersveiligheid voorkomen. Bovendien, mag de naam of maatschappelijke benaming van de rechtspersoon, de naam, het logo, het adres, het elektronische adres, het telefoonnummer en het faxnummer van de vervoers- of transportmaatschappij die het voertuig specifiek ter beschikking stelt aan de rijscholen in het kader van een rijopleiding ook voorkomen op de voertuigen.]3
  (§ 6. De voertuigen van de categorie G moeten achteraan een bord hebben met de vermelding " rijschool ", gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool.) <KB 2006-09-01/36, art. 4, 3°, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  
Art. 18. § 1er. Les véhicules des catégories [1 AM, A1, A2 et A ]1 répondent aux conditions suivantes :
  1° avoir moins de [2 sept]2 ans d'âge;
  2° être munis à l'arrière d'un panonceau portant l'inscription " auto-école ", suivi du numéro d'agrément de l'école de conduite. Ce panonceau peut être remplacé par un dossard comportant la même inscription et porté par le candidat.
  § 2. Les véhicules de la catégorie B répondent aux conditions suivantes :
  1° le véhicule doit avoir moins de cinq ans d'âge;
  2° les commandes de l'embrayage, du dispositif de freinage de service [3 ...]3 et de l'accélérateur ainsi que la commande des feux de croisement, des feux indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore doivent être dédoublées de telle sorte que l'élève et l'instructeur puissent les actionner chacun séparément sans que les performances prescrites pour ces dispositifs en soient altérées.
  En outre, l'instructeur doit pouvoir éteindre les feux de route et allumer en remplacement les feux de croisement.
  Cette double commande n'est pas imposée en ce qui concerne les dispositifs de série qui sont automatiques ou qui sont aisément accessibles par l'instructeur sans risque de gêner l'élève;
  3° un dispositif d'alarme constitué d'un signal sonore doit indiquer que l'instructeur actionne ou évite l'actionnement des commandes des dispositifs de freinage de service, de l'embrayage ou de l'accélérateur. Le bon fonctionnement du dispositif d'alarme, lorsqu'il est enclenché, est indiqué par un témoin lumineux qui s'éteint quand le signal sonore d'alarme se met en marche;
  4° [3 le véhicule doit être équipé d'un système de rétroviseurs intérieurs placés de façon telle que l'élève et l'instructeur puissent, de leur siège respectif, surveiller la circulation vers l'arrière et sur la gauche et notamment, apercevoir un autre véhicule ayant commencé un dépassement par la gauche;]3
  5° le véhicule doit être équipé de deux portes du côté droit;
  6° la banquette arrière doit être munie d'appuis-tête et de ceintures de sécurité.
  § 3. Les véhicules de la catégorie [1 C1, C, D1 ou D]1 sont au préalable approuvés par le Ministre ou son délégué et répondent aux conditions suivantes :
  1° les commandes de l'embrayage, du dispositif de freinage de service, et de l'accélérateur doivent être dédoublées de telle sorte que l'élève et l'instructeur puissent les actionner chacun séparément sans que les performances prescrites pour ces dispositifs en soient altérées.
  En outre, l'instructeur doit pouvoir éteindre les feux de route et allumer en remplacement les feux de croisement.
  Cette double commande n'est pas imposée en ce qui concerne les dispositifs de série qui sont automatiques ou qui sont aisément accessibles par l'instructeur sans risque de gêner l'élève;
  2° un dispositif d'alarme constitué d'un signal sonore doit indiquer que l'instructeur actionne ou évite l'actionnement des commandes des dispositifs de freinage de service, de l'embrayage ou de l'accélérateur. Le bon fonctionnement du dispositif d'alarme, lorsqu'il est enclenché, est indiqué par un témoin lumineux qui s'éteint quand le signal sonore d'alarme se met en marche;
  3° [3 le véhicule doit être équipé d'un système de rétroviseurs extérieurs placés de façon telle que l'élève et l'instructeur puissent, de leur siège respectif, surveiller la circulation vers l'arrière et sur la gauche et notamment, apercevoir un autre véhicule ayant commencé un dépassement par la gauche, ainsi que d'un système permettant de visualiser l'angle mort;]3
  4° être équipés de ceintures de sécurité pour le conducteur, l'instructeur et l'examinateur.
  § 4. S'il s'agit d'un véhicule de la catégorie B+E, [1 C1+E, C+E, D1+E ou D+E]1, le véhicule tracteur doit répondre, selon le cas, aux conditions des § 2 et § 3.
  § 5. Les véhicules des catégories B, B+E, [1 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E]1, sont équipés d'un ou de plusieurs panonceaux, lisibles de l'avant et de l'arrière à une distance d'au moins 30 m, éclairés ou réfléchissants entre la tombée et le lever du jour, portant l'inscription " auto-école ", suivi du numéro d'agrément de l'école de conduite.
  [3 ...]3
  [3 Peuvent seuls figurer sur le véhicule de cours, le nom ou la raison sociale de la personne morale, la dénomination, le logo, l'adresse, l'adresse électronique, le numéro de téléphone et le numéro de fax de l'école de conduite ainsi que de la publicité pour les activités d'école de conduite et des messages dans le cadre de la sécurité routière. En outre, le nom ou la raison sociale de la personne morale, la dénomination, le logo, l'adresse, l'adresse électronique, le numéro de téléphone et le numéro de fax de l'entreprise de transports de personnes ou de marchandises qui met le véhicule à disposition de l'école de conduite dans le cadre de l'apprentissage à la conduite peut également figurer sur le véhicule.]3
  (§ 6. Les véhicules de la catégorie G doivent être munis à l'arrière d'un panonceau portant l'inscription " auto-école " suivi du numéro d'agrément de l'école de conduite.) <AR 2006-09-01/36, art. 4, 3°, 005; En vigueur : 15-09-2006>
  
Art. 18_WAALS_GEWEST.    § 1. De voertuigen van de categorieën [1 AM, A1, A2 en A]1 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° minder dan [2 zeven]2 jaar oud zijn;
  2° achteraan een bord hebben met de vermelding " rijschool ", gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool. Dit bord mag vervangen worden door een door de kandidaat gedragen rugvest met dezelfde vermelding.
  § 2. De voertuigen van de categorie B moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° het voertuig moet minder dan vijf jaar oud zijn;
  2° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting [3 ...]3 en van het gaspedaal alsook van de dimlichten, van de richtingaanwijzers en van het geluidstoestel moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen.
  De instructeur moet bovendien de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken.
  Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt gehinderd;
  3° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting (, van de koppeling of van het gaspedaal) bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; <KB 2006-09-01/36, art. 4, 1°, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  4° [3 het voertuig moet uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zodanig binnen het voertuig zijn geplaatst dat de leerling en de instructeur, vanuit hun respectievelijke zitplaats het verkeer achter en links kunnen gadeslaan, en onder meer een ander voertuig kunnen waarnemen dat begonnen is links in te halen;]3
  5° het voertuig moet aan de rechterzijde minstens twee deuren hebben;
  6° de achterbank moet uitgerust zijn met hoofdsteunen en veiligheidsgordels.
  [4 Bij uitzondering op alinea 1, 1°, moet het voertuig bedoeld in artikel 17, § 2 minder dan 7 jaar oud zijn.]4
  § 3. De voertuigen van categorie C of D of van de subcategorie [1 C1, C, D1 of D]1 worden voorafgaandelijk goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde en beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting, en van het gaspedaal moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen.
  Bovendien moet de instructeur de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken.
  Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt;
  2° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting (, van de koppeling of van het gaspedaal) bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; <KB 2006-09-01/36, art. 4, 2°, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  3° [3 het voertuig moet uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zodanig buiten het voertuig zijn geplaatst dat de leerling en de instructeur, van hun respectievelijke zitplaats, het verkeer achter en links kunnen gadeslaan, en onder meer een ander voertuig kunnen waarnemen dat begonnen is links in te halen, en met een systeem dat de dode hoek zichtbaar maakt;]3
  4° uitgerust zijn met veiligheidsgordels voor de bestuurder, de instructeur en de examinator.
  § 4. Als het gaat over voertuigen van de categorie B+E, [1 C1+E, C+E, D1+E of D+E]1, moet het trekkende voertuig, naargelang het geval, aan de voorwaarden van § 2 en § 3 voldoen.
  § 5. De voertuigen van de categorieën B, B+E, [1 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E]1 moeten uitgerust zijn met één of meer borden met het opschrift " rijschool " gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool, die vooraan en achteraan duidelijk leesbaar moeten zijn van op een afstand van minstens 30 m, en verlicht of reflecterend, tussen zonsondergang en zonsopgang.
  [3 ...]3
  [3 Op het lesvoertuig mogen enkel, de naam of maatschappelijke benaming van de rechtspersoon, de naam, het logo, het adres, het elektronische adres, het telefoonnummer en het faxnummer van de rijschool, publiciteit voor de activiteiten van de rijschool en berichten in het kader van de verkeersveiligheid voorkomen. Bovendien, mag de naam of maatschappelijke benaming van de rechtspersoon, de naam, het logo, het adres, het elektronische adres, het telefoonnummer en het faxnummer van de vervoers- of transportmaatschappij die het voertuig specifiek ter beschikking stelt aan de rijscholen in het kader van een rijopleiding ook voorkomen op de voertuigen.]3
  (§ 6. De voertuigen van de categorie G moeten achteraan een bord hebben met de vermelding " rijschool ", gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool.) <KB 2006-09-01/36, art. 4, 3°, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
Art. 18 _REGION_WALLONNE.
   § 1er. Les véhicules des catégories [1 AM, A1, A2 et A ]1 répondent aux conditions suivantes :
  1° avoir moins de [2 sept]2 ans d'âge;
  2° être munis à l'arrière d'un panonceau portant l'inscription " auto-école ", suivi du numéro d'agrément de l'école de conduite. Ce panonceau peut être remplacé par un dossard comportant la même inscription et porté par le candidat.
  § 2. Les véhicules de la catégorie B répondent aux conditions suivantes :
  1° le véhicule doit avoir moins de cinq ans d'âge;
  2° les commandes de l'embrayage, du dispositif de freinage de service [3 ...]3 et de l'accélérateur ainsi que la commande des feux de croisement, des feux indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore doivent être dédoublées de telle sorte que l'élève et l'instructeur puissent les actionner chacun séparément sans que les performances prescrites pour ces dispositifs en soient altérées.
  En outre, l'instructeur doit pouvoir éteindre les feux de route et allumer en remplacement les feux de croisement.
  Cette double commande n'est pas imposée en ce qui concerne les dispositifs de série qui sont automatiques ou qui sont aisément accessibles par l'instructeur sans risque de gêner l'élève;
  3° un dispositif d'alarme constitué d'un signal sonore doit indiquer que l'instructeur actionne ou évite l'actionnement des commandes des dispositifs de freinage de service, de l'embrayage ou de l'accélérateur. Le bon fonctionnement du dispositif d'alarme, lorsqu'il est enclenché, est indiqué par un témoin lumineux qui s'éteint quand le signal sonore d'alarme se met en marche;
  4° [3 le véhicule doit être équipé d'un système de rétroviseurs intérieurs placés de façon telle que l'élève et l'instructeur puissent, de leur siège respectif, surveiller la circulation vers l'arrière et sur la gauche et notamment, apercevoir un autre véhicule ayant commencé un dépassement par la gauche;]3
  5° le véhicule doit être équipé de deux portes du côté droit;
  6° la banquette arrière doit être munie d'appuis-tête et de ceintures de sécurité.
  [4 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, le véhicule visé à l'article 17, § 2, doit avoir moins de sept ans d'âge.]4
  § 3. Les véhicules de la catégorie [1 C1, C, D1 ou D]1 sont au préalable approuvés par le Ministre ou son délégué et répondent aux conditions suivantes :
  1° les commandes de l'embrayage, du dispositif de freinage de service, et de l'accélérateur doivent être dédoublées de telle sorte que l'élève et l'instructeur puissent les actionner chacun séparément sans que les performances prescrites pour ces dispositifs en soient altérées.
  En outre, l'instructeur doit pouvoir éteindre les feux de route et allumer en remplacement les feux de croisement.
  Cette double commande n'est pas imposée en ce qui concerne les dispositifs de série qui sont automatiques ou qui sont aisément accessibles par l'instructeur sans risque de gêner l'élève;
  2° un dispositif d'alarme constitué d'un signal sonore doit indiquer que l'instructeur actionne ou évite l'actionnement des commandes des dispositifs de freinage de service, de l'embrayage ou de l'accélérateur. Le bon fonctionnement du dispositif d'alarme, lorsqu'il est enclenché, est indiqué par un témoin lumineux qui s'éteint quand le signal sonore d'alarme se met en marche;
  3° [3 le véhicule doit être équipé d'un système de rétroviseurs extérieurs placés de façon telle que l'élève et l'instructeur puissent, de leur siège respectif, surveiller la circulation vers l'arrière et sur la gauche et notamment, apercevoir un autre véhicule ayant commencé un dépassement par la gauche, ainsi que d'un système permettant de visualiser l'angle mort;]3
  4° être équipés de ceintures de sécurité pour le conducteur, l'instructeur et l'examinateur.
  § 4. S'il s'agit d'un véhicule de la catégorie B+E, [1 C1+E, C+E, D1+E ou D+E]1, le véhicule tracteur doit répondre, selon le cas, aux conditions des § 2 et § 3.
  § 5. Les véhicules des catégories B, B+E, [1 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E]1, sont équipés d'un ou de plusieurs panonceaux, lisibles de l'avant et de l'arrière à une distance d'au moins 30 m, éclairés ou réfléchissants entre la tombée et le lever du jour, portant l'inscription " auto-école ", suivi du numéro d'agrément de l'école de conduite.
  [3 ...]3
  [3 Peuvent seuls figurer sur le véhicule de cours, le nom ou la raison sociale de la personne morale, la dénomination, le logo, l'adresse, l'adresse électronique, le numéro de téléphone et le numéro de fax de l'école de conduite ainsi que de la publicité pour les activités d'école de conduite et des messages dans le cadre de la sécurité routière. En outre, le nom ou la raison sociale de la personne morale, la dénomination, le logo, l'adresse, l'adresse électronique, le numéro de téléphone et le numéro de fax de l'entreprise de transports de personnes ou de marchandises qui met le véhicule à disposition de l'école de conduite dans le cadre de l'apprentissage à la conduite peut également figurer sur le véhicule.]3
  (§ 6. Les véhicules de la catégorie G doivent être munis à l'arrière d'un panonceau portant l'inscription " auto-école " suivi du numéro d'agrément de l'école de conduite.) <AR 2006-09-01/36, art. 4, 3°, 005; En vigueur : 15-09-2006>
Art. 18_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    § 1. De voertuigen van de categorieën [1 AM, A1, A2 en A]1 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° minder dan [2 zeven]2 jaar oud zijn;
  2° achteraan een bord hebben met de vermelding " rijschool ", gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool. Dit bord mag vervangen worden door een door de kandidaat gedragen rugvest met dezelfde vermelding.
  § 2. De voertuigen van de categorie B moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° het voertuig moet minder dan vijf jaar oud zijn;
  2° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting [3 ...]3 en van het gaspedaal alsook van de dimlichten, van de richtingaanwijzers en van het geluidstoestel moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen.
  De instructeur moet bovendien de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken.
  Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt gehinderd;
  3° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting (, van de koppeling of van het gaspedaal) bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; <KB 2006-09-01/36, art. 4, 1°, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  4° [3 het voertuig moet uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zodanig binnen het voertuig zijn geplaatst dat de leerling en de instructeur, vanuit hun respectievelijke zitplaats het verkeer achter en links kunnen gadeslaan, en onder meer een ander voertuig kunnen waarnemen dat begonnen is links in te halen;]3
  5° het voertuig moet aan de rechterzijde minstens twee deuren hebben;
  6° de achterbank moet uitgerust zijn met hoofdsteunen en veiligheidsgordels.
  § 3. De voertuigen van categorie C of D of van de subcategorie [1 C1, C, D1 of D]1 worden voorafgaandelijk goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde en beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting, en van het gaspedaal moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen.
  Bovendien moet de instructeur de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken.
  Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt;
  2° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting (, van de koppeling of van het gaspedaal) bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; <KB 2006-09-01/36, art. 4, 2°, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  3° [3 het voertuig moet uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zodanig buiten het voertuig zijn geplaatst dat de leerling en de instructeur, van hun respectievelijke zitplaats, het verkeer achter en links kunnen gadeslaan, en onder meer een ander voertuig kunnen waarnemen dat begonnen is links in te halen, en met een systeem dat de dode hoek zichtbaar maakt;]3
  4° uitgerust zijn met veiligheidsgordels voor de bestuurder, de instructeur en de examinator.
  § 4. Als het gaat over voertuigen van de categorie B+E, [1 C1+E, C+E, D1+E of D+E]1, moet het trekkende voertuig, naargelang het geval, aan de voorwaarden van § 2 en § 3 voldoen.
  § 5. De voertuigen van de categorieën B, B+E, [1 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E]1 moeten uitgerust zijn met één of meer borden met het opschrift " rijschool " gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool, die vooraan en achteraan duidelijk leesbaar moeten zijn van op een afstand van minstens 30 m, en verlicht of reflecterend, tussen zonsondergang en zonsopgang.
  [3 ...]3
  [3 Op het lesvoertuig mogen enkel, de naam of maatschappelijke benaming van de rechtspersoon, de naam, het logo, het adres, het elektronische adres, het telefoonnummer en het faxnummer van de rijschool, publiciteit voor de activiteiten van de rijschool en berichten in het kader van de verkeersveiligheid voorkomen. Bovendien, mag de naam of maatschappelijke benaming van de rechtspersoon, de naam, het logo, het adres, het elektronische adres, het telefoonnummer en het faxnummer van de vervoers- of transportmaatschappij die het voertuig specifiek ter beschikking stelt aan de rijscholen in het kader van een rijopleiding ook voorkomen op de voertuigen.]3
  (§ 6. De voertuigen van de categorie G moeten achteraan een bord hebben met de vermelding " rijschool ", gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool.) <KB 2006-09-01/36, art. 4, 3°, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  [4 § 7 Een afwijking van de leeftijdsvereiste voor voertuigen bedoeld in § 1, 1° en § 2, 1° van dit artikel kan worden gevraagd in geval van overmacht.
   De rijschool die deze afwijking wil genieten, dient haar aanvraag in te dienen bij Brussel Mobiliteit. Deze aanvraag moet elektronisch of per post worden ingediend op straffe van niet-ontvankelijkheid.
   De rijschool moet bij haar aanvraag alle bewijzen voegen waaruit blijkt dat het om overmacht gaat.
   Brussel Mobiliteit kan tijdens zijn onderzoek om extra informatie vragen met het oog op de verwerking van de aanvraag.
   Brussel Mobiliteit neemt een besluit binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de dag volgend op de datum van ontvangst van het afwijkingsverzoek.
   Brussel Mobiliteit deelt zijn beslissing elektronisch of per post mee aan de rijschool en de centra voor technische keuring van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   De afwijking is zes maanden geldig en kan een keer worden verlengd. Het afwijkingsmodel is bij bijlage 5 van dit besluit gevoegd.]4
Art. 18 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   § 1er. Les véhicules des catégories [1 AM, A1, A2 et A ]1 répondent aux conditions suivantes :
  1° avoir moins de [2 sept]2 ans d'âge;
  2° être munis à l'arrière d'un panonceau portant l'inscription " auto-école ", suivi du numéro d'agrément de l'école de conduite. Ce panonceau peut être remplacé par un dossard comportant la même inscription et porté par le candidat.
  § 2. Les véhicules de la catégorie B répondent aux conditions suivantes :
  1° le véhicule doit avoir moins de cinq ans d'âge;
  2° les commandes de l'embrayage, du dispositif de freinage de service [3 ...]3 et de l'accélérateur ainsi que la commande des feux de croisement, des feux indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore doivent être dédoublées de telle sorte que l'élève et l'instructeur puissent les actionner chacun séparément sans que les performances prescrites pour ces dispositifs en soient altérées.
  En outre, l'instructeur doit pouvoir éteindre les feux de route et allumer en remplacement les feux de croisement.
  Cette double commande n'est pas imposée en ce qui concerne les dispositifs de série qui sont automatiques ou qui sont aisément accessibles par l'instructeur sans risque de gêner l'élève;
  3° un dispositif d'alarme constitué d'un signal sonore doit indiquer que l'instructeur actionne ou évite l'actionnement des commandes des dispositifs de freinage de service, de l'embrayage ou de l'accélérateur. Le bon fonctionnement du dispositif d'alarme, lorsqu'il est enclenché, est indiqué par un témoin lumineux qui s'éteint quand le signal sonore d'alarme se met en marche;
  4° [3 le véhicule doit être équipé d'un système de rétroviseurs intérieurs placés de façon telle que l'élève et l'instructeur puissent, de leur siège respectif, surveiller la circulation vers l'arrière et sur la gauche et notamment, apercevoir un autre véhicule ayant commencé un dépassement par la gauche;]3
  5° le véhicule doit être équipé de deux portes du côté droit;
  6° la banquette arrière doit être munie d'appuis-tête et de ceintures de sécurité.
  § 3. Les véhicules de la catégorie [1 C1, C, D1 ou D]1 sont au préalable approuvés par le Ministre ou son délégué et répondent aux conditions suivantes :
  1° les commandes de l'embrayage, du dispositif de freinage de service, et de l'accélérateur doivent être dédoublées de telle sorte que l'élève et l'instructeur puissent les actionner chacun séparément sans que les performances prescrites pour ces dispositifs en soient altérées.
  En outre, l'instructeur doit pouvoir éteindre les feux de route et allumer en remplacement les feux de croisement.
  Cette double commande n'est pas imposée en ce qui concerne les dispositifs de série qui sont automatiques ou qui sont aisément accessibles par l'instructeur sans risque de gêner l'élève;
  2° un dispositif d'alarme constitué d'un signal sonore doit indiquer que l'instructeur actionne ou évite l'actionnement des commandes des dispositifs de freinage de service, de l'embrayage ou de l'accélérateur. Le bon fonctionnement du dispositif d'alarme, lorsqu'il est enclenché, est indiqué par un témoin lumineux qui s'éteint quand le signal sonore d'alarme se met en marche;
  3° [3 le véhicule doit être équipé d'un système de rétroviseurs extérieurs placés de façon telle que l'élève et l'instructeur puissent, de leur siège respectif, surveiller la circulation vers l'arrière et sur la gauche et notamment, apercevoir un autre véhicule ayant commencé un dépassement par la gauche, ainsi que d'un système permettant de visualiser l'angle mort;]3
  4° être équipés de ceintures de sécurité pour le conducteur, l'instructeur et l'examinateur.
  § 4. S'il s'agit d'un véhicule de la catégorie B+E, [1 C1+E, C+E, D1+E ou D+E]1, le véhicule tracteur doit répondre, selon le cas, aux conditions des § 2 et § 3.
  § 5. Les véhicules des catégories B, B+E, [1 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E]1, sont équipés d'un ou de plusieurs panonceaux, lisibles de l'avant et de l'arrière à une distance d'au moins 30 m, éclairés ou réfléchissants entre la tombée et le lever du jour, portant l'inscription " auto-école ", suivi du numéro d'agrément de l'école de conduite.
  [3 ...]3
  [3 Peuvent seuls figurer sur le véhicule de cours, le nom ou la raison sociale de la personne morale, la dénomination, le logo, l'adresse, l'adresse électronique, le numéro de téléphone et le numéro de fax de l'école de conduite ainsi que de la publicité pour les activités d'école de conduite et des messages dans le cadre de la sécurité routière. En outre, le nom ou la raison sociale de la personne morale, la dénomination, le logo, l'adresse, l'adresse électronique, le numéro de téléphone et le numéro de fax de l'entreprise de transports de personnes ou de marchandises qui met le véhicule à disposition de l'école de conduite dans le cadre de l'apprentissage à la conduite peut également figurer sur le véhicule.]3
  (§ 6. Les véhicules de la catégorie G doivent être munis à l'arrière d'un panonceau portant l'inscription " auto-école " suivi du numéro d'agrément de l'école de conduite.) <AR 2006-09-01/36, art. 4, 3°, 005; En vigueur : 15-09-2006>
  [4 § 7 Une dérogation à la condition d'âge des véhicules visée au paragraphe 1er, 1° et au paragraphe 2, 1° peut être demandée en cas de force majeure.
   L'école de conduite introduit sa demande de dérogation auprès de Bruxelles Mobilité. Cette demande doit être soumise par voie électronique ou postale sous peine d'irrecevabilité.
   L'école de conduite joint à sa demande toutes les preuves démontrant qu'il s'agit d'un cas de force majeure.
   Bruxelles Mobilité peut demander tout renseignement complémentaire au cours de son enquête en vue du traitement de la demande.
   Le Directeur de la Direction Véhicules et Transport de Marchandises de Bruxelles Mobilité prend sa décision dans un délai d'ordre de soixante jours à compter du jour suivant la date de réception de la demande.
   Bruxelles Mobilité notifie sa décision par voie électronique ou postale à l'école de conduite et aux centres de contrôle technique établis en Région de Bruxelles-Capitale.
   La dérogation est valable six mois, renouvelable une fois. Le modèle de dérogation figure à l'annexe 5.]4
Art. 19. [1 Elk lesvoertuig moet door een verzekeringspolis gedekt worden voor :
   1° de burgerlijke aansprakelijkheid van de leerling, als bestuurder en als passagier;
   2° de schade die onder alle omstandigheden aan de leerling of zijn bezittingen berokkend wordt. In het geval van de burgerlijke aansprakelijkheid van de leerling mag de dekking van de schade aan de bezittingen van de leerling beperkt worden tot 1.000 euro.
   Deze polis bepaalt dat de verzekeraar van elk verhaal tegen de leerling afziet, behalve in het geval van opzettelijk schadegeval of grove schuld overeenkomstig artikel 8 van de wet van 25 juni 1992 op de landsverzekeringsovereenkomst.]1

  
Art. 19. [1 Chaque véhicule de cours fait l'objet d'une police d'assurance couvrant :
   1° la responsabilité civile de l'élève, tant comme conducteur que comme passager;
   2° les dommages causés, en toute circonstance, à la personne et aux biens de l'élève. En cas de responsabilité civile de l'élève, la couverture pour les dommages aux biens de l'élève peut être limitée à 1.000 euros.
   Cette police stipule que l'assureur renonce à tout recours contre l'élève sauf en cas de sinistre intentionnel ou de faute lourde conformément à l'article 8 de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre.]1

  
Afdeling V. - Onderricht.
Section V. - Enseignement.
Art. 20. De instructeur moet de leerling nauwgezet opleiden. Hij moet hem de kennis, de vaardigheden en het gedrag bijbrengen, die in de bijlagen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaald zijn.
  De Minister [1 of zijn gemachtigde]1 kan de spreiding van de lessen in de tijd vastleggen.
  
Art. 20. L'instructeur doit former l'élève consciencieusement. Il doit lui inculquer les connaissances, les aptitudes et les comportements prévus aux annexes 4 et 5 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  Le Ministre [1 ou son délégué]1 peut déterminer la répartition des cours dans le temps.
  
Art. 20_VLAAMS_GEWEST.    De instructeur moet de leerling nauwgezet opleiden. Hij moet hem de kennis, de vaardigheden en het gedrag bijbrengen, die in de bijlagen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs [3 en, als het om een begeleider gaat, in bijlage 7 bij het koninklijk besluit van 10 juli 2006,]3 bepaald zijn.
  De Minister [1 of zijn gemachtigde]1 kan de spreiding van de lessen in de tijd vastleggen.
Art. 20 _REGION_FLAMANDE.
   L'instructeur doit former l'élève consciencieusement. Il doit lui inculquer les connaissances, les aptitudes et les comportements prévus aux annexes 4 et 5 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire [3 et s'il s'agit d'un guide, à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006]3.
  Le Ministre [1 ou son délégué]1 peut déterminer la répartition des cours dans le temps.
Art. 21. Het theoretische rijonderricht mag enkel worden gegeven door theorie-instructeurs die houder van een instructietoelating zijn, [1 , door stagiairs of door instructeurs die diensten verrichten op grond van de artikelen 6 en 7 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties]1 .
  Dit onderricht moet in de in de exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermelde lokalen plaatsvinden.
  De Minister kan een rijschool toestaan om aan groepen met verplaatsingsproblemen theoretisch rijonderricht te geven in lokalen, die haar voor die groepen ter beschikking gesteld worden.
  
Art. 21. L'enseignement théorique de la conduite ne peut être dispensé que par des instructeurs d'enseignement théorique, titulaires de l'autorisation d'enseigner [1 , par des stagiaires ou par des instructeurs effectuant des prestations sur base des articles 6 et 7, de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications profession-nelles CE]1 .
  Cet enseignement a lieu dans les locaux visés dans l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement.
  Le Ministre peut autoriser une école de conduite à dispenser l'enseignement théorique a des groupes ayant des problèmes de déplacement dans des locaux mis à sa disposition pour ces groupes.
  
Art. 22. § 1. Het praktische rijonderricht mag enkel worden gegeven door en onder toezicht van praktijkinstructeurs die houder van een instructietoelating zijn, [1 door stagiairs of door instructeurs die diensten verrichten op grond van de artikelen 6 en 7 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties]1 .
  [3 Het praktische onderricht van de manoeuvres vindt op een goedgekeurd oefenterrein plaats, behalve wanneer het gaat over het praktisch onderricht voor het besturen van voertuigen van categorie B. Voor de overige categorieën mag het plaatsvinden op de openbare weg aan het einde van de opleidingscyclus.]3
  § 2. Het praktische rijonderricht wordt verstrekt aan boord van een voertuig dat tot de categorie [2 ...]2 behoort waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en dat in de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en in de goedkeuring van het oefenterrein is vermeld.
  Het voertuig moet naargelang zijn categorie [2 ...]2 aan de voorwaarden van artikelen 17 en 18 voldoen.
  Aan gehandicapte personen die een dergelijk voertuig niet kunnen besturen, mag het praktische rijonderricht gegeven worden met een speciaal aan hun handicap aangepast voertuig, dat zijzelf of het in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde centrum leveren, en dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, § 1, 2° en § 5, en van artikel 19.
  (Het praktische rijonderricht van de voertuigen van de categorie G mag gegeven worden met een voertuig, geleverd door de kandidaat en dat beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 18, § 6, en artikel 19.) <KB 2006-09-01/36, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  § 3. De verplaatsingen op de openbare weg waarbij de leerling niet zelf achter het stuur plaatsneemt, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal in artikel 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde lesuren.
  [3 Voor het praktische rijonderricht voor de categorie A op de openbare weg moet de instructeur zelf op een voertuig van deze categorie plaatsnemen, of in een voertuig van de categorie B. Hij mag hoogstens twee kandidaten tegelijk onderrichten.]3
  [4 § 4. In afwijking van paragraaf 2 :
   1° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie A of A2 in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs A1;
   2° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie A in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs A2;
   3° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie C in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs C1;
   4° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie D in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs D1;
   5° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie C+E in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs C1+E;
   6° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie D+E in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs D1+E;
   7° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie B+E in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs B met code 96.]4

  
Art. 22. § 1er. L'enseignement pratique de la conduite ne peut être dispensé que par et sous la surveillance des instructeurs d'enseignement pratique, titulaires de l'autorisation d'enseigner [1 , par des stagiaires ou par des instructeurs effectuant des prestations sur base des articles 6 et 7, de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE]1 .
  [3 L'enseignement pratique des manoeuvres a lieu sur le terrain d'entraînement approuvé, sauf s'il s'agit de l'enseignement pratique de la conduite des véhicules de la catégorie B. Pour les autres catégories, il peut avoir lieu sur la voie publique à la fin du cycle de formation.]3
  § 2. L'enseignement pratique de la conduite est donné à bord d'un véhicule appartenant à la catégorie [2 ...]2 pour laquelle le permis de conduire est demandé et figurant dans l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement et dans l'approbation du terrain.
  Le véhicule répond, suivant la catégorie [2 ...]2 à laquelle il appartient, aux conditions des articles 17 et 18.
  Aux personnes handicapées qui ne peuvent conduire un tel véhicule, l'enseignement pratique de la conduite peut être donné à bord d'un véhicule spécialement adapté à leur handicap, fourni par elles-mêmes ou par le centre visé à l'article 45 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, et qui répond aux conditions de l'article 18, § 1er, 2° et § 5, et de l'article 19.
  (L'enseignement pratique de la conduite des véhicules de la catégorie G peut être donné à bord d'un véhicule, fourni par le candidat et qui répond aux conditions de l'article 18, § 6, et de l'article 19.) <AR 2006-09-01/36, art. 5, 005; En vigueur : 15-09-2006>
  § 3. Les déplacements sur la voie publique pendant lesquels l'élève ne conduit pas lui-même n'entrent pas en ligne de compte dans le calcul du nombre d'heures de cours visées à l'article 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  [3 Pour l'enseignement pratique de la conduite des véhicules de la catégorie A sur la voie publique, l'instructeur prend également place sur un véhicule de cette catégorie, ou dans un véhicule de la catégorie B. Il peut enseigner au maximum à deux candidats en même temps.]3
  [4 § 4. Par dérogation au paragraphe 2 :
   1° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie A ou A2 peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire A1;
   2° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie A peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire A2;
   3° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie C peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire C1;
   4° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie D peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire D1;
   5° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie C+E peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire C1+E;
   6° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie D+E peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire D1+E;
   7° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie B+E peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire B avec apposition du code 96]4

  
Art. 22_WAALS_GEWEST.    § 1. Het praktische rijonderricht mag enkel worden gegeven door en onder toezicht van praktijkinstructeurs die houder van een instructietoelating zijn, [1 door stagiairs of door instructeurs die diensten verrichten op grond van de artikelen 6 en 7 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties]1 .
  [3 Het praktische onderricht van de manoeuvres vindt op een goedgekeurd oefenterrein plaats, behalve wanneer het gaat over het praktisch onderricht voor het besturen van voertuigen van categorie B. Voor de overige categorieën mag het plaatsvinden op de openbare weg aan het einde van de opleidingscyclus.]3
  § 2. Het praktische rijonderricht wordt verstrekt aan boord van een voertuig dat tot de categorie [2 ...]2 behoort waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en dat in de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en in de goedkeuring van het oefenterrein is vermeld.
  Het voertuig moet naargelang zijn categorie [2 ...]2 aan de voorwaarden van artikelen 17 en 18 voldoen.
  Aan gehandicapte personen die een dergelijk voertuig niet kunnen besturen, mag het praktische rijonderricht gegeven worden met een speciaal aan hun handicap aangepast voertuig, [5 dat eigendom is van de rijschool conform artikel 17, § 2 of]5 dat zijzelf of het in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde centrum leveren, en dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, § 1, 2° en § 5, en van artikel 19.
  (Het praktische rijonderricht van de voertuigen van de categorie G mag gegeven worden met een voertuig, geleverd door de kandidaat en dat beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 18, § 6, en artikel 19.) <KB 2006-09-01/36, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  § 3. De verplaatsingen op de openbare weg waarbij de leerling niet zelf achter het stuur plaatsneemt, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal in artikel 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde lesuren.
  [3 Voor het praktische rijonderricht voor de categorie A op de openbare weg moet de instructeur zelf op een voertuig van deze categorie plaatsnemen, of in een voertuig van de categorie B. Hij mag hoogstens twee kandidaten tegelijk onderrichten.]3
  [4 § 4. In afwijking van paragraaf 2 :
   1° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie A of A2 in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs A1;
   2° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie A in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs A2;
   3° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie C in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs C1;
   4° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie D in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs D1;
   5° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie C+E in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs C1+E;
   6° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie D+E in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs D1+E;
   7° komt het praktisch onderricht gegeven met een voertuig van categorie B+E in aanmerking voor het behalen van een rijbewijs B met code 96.]4
Art. 22 _REGION_WALLONNE.
   § 1er. L'enseignement pratique de la conduite ne peut être dispensé que par et sous la surveillance des instructeurs d'enseignement pratique, titulaires de l'autorisation d'enseigner [1 , par des stagiaires ou par des instructeurs effectuant des prestations sur base des articles 6 et 7, de la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE]1 .
  [3 L'enseignement pratique des manoeuvres a lieu sur le terrain d'entraînement approuvé, sauf s'il s'agit de l'enseignement pratique de la conduite des véhicules de la catégorie B. Pour les autres catégories, il peut avoir lieu sur la voie publique à la fin du cycle de formation.]3
  § 2. L'enseignement pratique de la conduite est donné à bord d'un véhicule appartenant à la catégorie [2 ...]2 pour laquelle le permis de conduire est demandé et figurant dans l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement et dans l'approbation du terrain.
  Le véhicule répond, suivant la catégorie [2 ...]2 à laquelle il appartient, aux conditions des articles 17 et 18.
  Aux personnes handicapées qui ne peuvent conduire un tel véhicule, l'enseignement pratique de la conduite peut être donné à bord d'un véhicule spécialement adapté à leur handicap, [5 appartenant à l'école de conduite conformément à l'article 17, § 2 ou]5 fourni par elles-mêmes ou par le centre visé à l'article 45 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, et qui répond aux conditions de l'article 18, § 1er, 2° et § 5, et de l'article 19.
  (L'enseignement pratique de la conduite des véhicules de la catégorie G peut être donné à bord d'un véhicule, fourni par le candidat et qui répond aux conditions de l'article 18, § 6, et de l'article 19.) <AR 2006-09-01/36, art. 5, 005; En vigueur : 15-09-2006>
  § 3. Les déplacements sur la voie publique pendant lesquels l'élève ne conduit pas lui-même n'entrent pas en ligne de compte dans le calcul du nombre d'heures de cours visées à l'article 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  [3 Pour l'enseignement pratique de la conduite des véhicules de la catégorie A sur la voie publique, l'instructeur prend également place sur un véhicule de cette catégorie, ou dans un véhicule de la catégorie B. Il peut enseigner au maximum à deux candidats en même temps.]3
  [4 § 4. Par dérogation au paragraphe 2 :
   1° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie A ou A2 peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire A1;
   2° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie A peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire A2;
   3° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie C peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire C1;
   4° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie D peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire D1;
   5° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie C+E peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire C1+E;
   6° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie D+E peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire D1+E;
   7° l'enseignement pratique donné à bord d'un véhicule de catégorie B+E peut être pris en considération pour l'obtention d'un permis de conduire B avec apposition du code 96]4
Art. 22bis. <INGEVOEGD bij KB 2006-07-10/30, art. 44; Inwerkingtreding : 01-09-2006> De rijschool biedt binnen haar opleidingsaanbod minstens één opleidingspakket aan dat uit hoogstens 6 uren praktisch rijonderricht bestaat.
Art. 22bis. L'école de conduite propose au moins dans son offre de formation un type de formation qui se compose au maximum de 6 heures d'enseignement pratique à la conduite.
Art. 22ter. [1 De instructeur gebruikt het document en onderricht in de onderwerpen bedoeld in bijlage 5/1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, indien hij belast is met het onderricht van :
   1° een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie A1;
   2° een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie A2, die geen houder is van een rijbewijs geldig voor categorie A1;
   3° een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie A, die geen houder is van een rijbewijs geldig voor categorie A2.
   De instructeur belast met het onderricht van een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie AM gebruikt het document en onderricht in de onderwerpen bedoeld in bijlage 5/2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.]1

  
Art. 22ter. [1 L'instructeur utilise le document et enseigne les matières visés à l'annexe 5/1 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire quand il est chargé de l'enseignement :
   1° d'un candidat au permis de conduire valable pour la catégorie A1;
   2° d'un candidat au permis de conduire valable pour la catégorie A2 qui n'est pas titulaire d'un permis de conduire valable pour la catégorie A1;
   3° d'un candidat au permis de conduire valable pour la catégorie A qui n'est pas titulaire d'un permis de conduire valable pour la catégorie A2.
   L'instructeur chargé de l'enseignement d'un candidat au permis de conduire valable pour la catégorie AM utilise le document et enseigne les matières visés à l'annexe 5/2 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.]1

  
Art. 22quater_VLAAMS_GEWEST. [1 Het vormingsmoment, vermeld in hoofdstuk III/1 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006, mag alleen worden gegeven door instructeurs die in het bezit zijn van een geldige instructietoelating en die de volgende opleidingen hebben gevolgd:
   1А de opleiding voor instructeurs die het vormingsmoment geven, vermeld in artikel 38bis, 1А, van dit besluit;
   2А bijkomend de opleiding online lesgeven, vermeld in artikel 38bis, 2А, van dit besluit, als het vormingsmoment online wordt gegeven.]1

  
Art. 22quater _REGION_FLAMANDE.[1 Le moment de formation visé au chapitre III/1 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006, ne peut être dispensé que par des instructeurs qui sont titulaires d'une autorisation d'enseigner en cours de validité et qui ont suivi les formations suivantes :
   1° la formation des instructeurs qui dispensent le moment de formation visée à l'article 38bis, 1°, du présent arrêté ;
   2° en outre la formation enseignement en ligne visée à l'article 38bis, 2°, du présent arrêté si le moment de formation est dispensé en ligne.]1

  
Art.22quinquies_VLAAMS_GEWEST... [1 Bij het geven van het vormingsmoment moeten de bepalingen van hoofdstuk III/1, afdeling 1, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 worden nageleefd.]1
  
Art. 22quinquies _REGION_FLAMANDE. [1 Lorsque le moment de formation est dispensé, les dispositions du chapitre III/1, section 1re, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 doivent être remplies.]1
  
HOOFDSTUK V. - Administratieve verplichtingen.
CHAPITRE V. - Obligations administratives.
Art. 23. <KB 2005-03-17/43, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2004> § 1. Voor iedere leerling wordt een inschrijvingskaart opgesteld, waarop zijn identiteit en inschrijvingsnummer en -datum worden vermeld. Die kaart heeft een aantal vakken, dat met het aantal door de rijschool gegeven lessen overeenstemt. (NOTA : voor het model van de inschrijvingskaart, zie MB 2005-03-30/32, art. 9 en bijlage 9.)
  Bij het einde van elke theoretische of praktische les vermeldt de instructeur de lesdatum en -uren op de inschrijvingskaart van de leerling en ondertekent hij deze vermelding.
  De inschrijvingskaart moet op het einde van de lessencyclus door de leerling ondertekend worden. Een kopie ervan wordt aan de leerling bezorgd.
  § 2. In iedere vestigingseenheid wordt voor elke theorielessencyclus een aanwezigheidslijst bijgehouden. (NOTA : voor het model van de aanwezigheidslijst, zie MB 2005-03-30/32, art. 10 en bijlage 10.)
  Deze lijst wordt op afzonderlijke bladen bijgehouden, één per theoretische les of per theoretische lessenreeks.
  § 3. Elke instructeur houdt een dagelijkse fiche bij waarop hij het begin- en einduur van elke les vermeldt. Voor elke praktische les wordt het inschrijvingsnummer van het voertuig, de kilometerstand van het voertuig bij het begin en het einde van de les, en het inschrijvingsnummer van de leerling vermeld. (NOTA : voor het model van de dagelijkse fiche, zie MB 2005-03-30/32, art. 11 en bijlage 11.)
  De dagelijkse fiche wordt ondertekend door de instructeur en door de leerling die praktisch onderricht gevolgd heeft of bij het examen begeleid werd, en door de stagiair, als die de les bijwoonde of gaf.
  De bewaringstermijn van de documenten vermeld in § 1, § 2 en § 3 is twaalf maand.
  § 4. In iedere vestigingseenheid wordt een jaarregister bijgehouden, waarin per volgnummer worden vermeld : de identiteit van de ingeschreven leerlingen, de inschrijvingsdatum, de data van de gegeven lessen en, zonder enig wit vak of leemte, de aan- of afwezigheid van de leerlingen. (NOTA : voor het model van het jaarregister, zie MB 2005-03-30/32, art. 12 en bijlage 12.)
  In één kolom worden de data van de theoretische en praktische examens vermeld, die door de leerlingen zijn afgelegd, en eventueel de behaalde uitslag. Eén kolom is voor eventuele opmerkingen voorbehouden.
  De bewaringstermijn van dit register is zesendertig maand.
  [1 In geval van onvermogen van de rijschool, in het bijzonder wegens een faillissement, wordt het register ter beschikking gesteld van de ambtenaren en beambten bedoeld in artikel 39 voor het opmaken, door de Adviseur-generaal van de Directie Certificatie en Inspectie van de administratie, van de attesten die het aantal gevolgde lesuren vermeldt dat in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.]1
  § 5. De Minister bepaalt het model van de in § 1, § 2, § 3 en § 4 bepaalde documenten.
  Zij mogen worden vervangen door een voor computerverwerking bestemde informatiedrager. Deze informatiedragers dienen volledig en voortdurend toegankelijk te zijn en de hierin vervatte gegevens moeten in verstaanbare vorm op papier kunnen weergegeven worden, als de met de in artikel 39, § 1, tweede lid bepaalde controle belaste beambten dat vragen.
  § 6. De rijscholen moeten aan de leerlingen, (de in artikel 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs of de in artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B bepaalde aantal lesuren) gevolgd hebben, een getuigschrift van theoretisch of praktisch onderricht afleveren, waarvan het model door de Minister bepaald wordt. Een dergelijk getuigschrift, met vermelding van het aantal gevolgde uren, wordt eveneens afgegeven aan de leerling die van rijschool verandert. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 13 en bijlage 13-1 en 13-2.) <KB 2006-07-10/30, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  (In afwijking van het eerste lid wordt aan de leerling, die het in artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B bepaalde aantal lesuren gevolgd heeft en die bewezen heeft bekwaam te zijn alleen te sturen, met het oog op het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider een bekwaamheidsgetuigschrift afgegeven, waarvan het model door de Minister bepaald wordt.) <KB 2006-07-10/30, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  (Derde lid opgeheven) <KB 2006-07-10/30, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  § 7. De voorwaarden en regels van het rijonderricht maken het voorwerp uit van een schriftelijk contract tussen de leerling en de rijschool.
  Het contract omvat onder meer, in hetzelfde lettertype als de hoofdtekst, de volgende tekst : "Wat de praktische lessen betreft : als de leerling tijdens de verplaatsingen op de openbare weg niet achter het stuur plaatsneemt, zullen die verplaatsingen niet in aanmerking genomen worden voor de berekening van het aantal lesuren. Geen enkele andere prestatie dan die waarvoor in het contract een tarief is vermeld, mag worden aangerekend.".
  De in artikel 2, § 4, c) bepaalde leerlingen moeten bovendien voor de verwerking van de hen betreffende gezondheidsgegevens hun uitdrukkelijke instemming geven, overeenkomstig artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  Het tarief van de prestaties wordt in het lokaal voor de administratie en in het leslokaal uitgehangen.
  § 8. De in artikel 2, § 4 en § 5 bepaalde rijscholen bewaren voor ieder leerling, gedurende drie jaar, een exemplaar van het attest uitgegeven zoals volgt :
  - voor de personen voorzien in artikel 2, § 4, a) : door het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn;
  - voor de personen voorzien in artikel 2, § 4, b) : door de bevoegde bemiddelingsinstelling (VDAB, BGDA, Arbeitsamt, FOREm);
  - voor de personen voorzien in artikel 2 § 4, c) : door de FOD Sociale Zekerheid.
  De rijscholen die onderricht aan de in artikel 2, § 4, c) en § 5 bepaalde leerlingen verstrekken, moeten zich houden aan de bepalingen van artikelen 25, 26 en 27 van het koninklijk besluit van 13 februari 2001 ter uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  
Art. 23. <AR 2005-03-17/43, art. 3, 002; En vigueur : 01-12-2004> § 1er. Il est établi pour chaque élève une carte d'inscription mentionnant son identité ainsi que le numéro et la date d'inscription. Cette carte porte un nombre de cases correspondant aux leçons données par l'école de conduite. (NOTE : pour le modèle de la carte d'inscription, voir AM 2005-03-30/32, art. 9 et annexe 9.)
  A la fin de chaque leçon, tant théorique que pratique, l'instructeur mentionne la date et les heures de la leçon sur la carte d'inscription de l'élève et signe cette mention.
  La carte d'inscription est signée par l'élève à la fin du cycle de cours. Une copie en est délivrée à l'élève.
  § 2. Il est tenu dans chaque unité d'établissement une liste de présences pour chaque cycle de cours théoriques. (NOTE : pour le modèle de la liste de présences, voir AM 2005-03-30/32, art. 10 et annexe 10.)
  Cette liste est tenue sur feuilles séparées, une par leçon théorique ou par session de théorie.
  § 3. Chaque instructeur tient une fiche journalière sur laquelle il indique l'heure de début et de fin de chaque leçon ainsi que, pour chaque leçon pratique, le numéro d'immatriculation du véhicule, le kilométrage du véhicule au début et en fin de leçon, ainsi que le numéro d'inscription de l'éleve. (NOTE : pour le modèle de la fiche journalière, voir AM 2005-03-30/32, art. 11 et annexe 11.)
  La fiche journalière est signée par l'instructeur et par l'élève qui a suivi un enseignement pratique ou qui a été accompagné à l'examen, ainsi que, s'il y a lieu, par le stagiaire qui a assisté à la leçon ou qui a donné cours.
  Le délai de conservation des documents prévus au § 1er, § 2 et § 3 est de douze mois.
  § 4. Il est tenu dans chaque unité d'établissement un registre annuel dans lequel sont mentionnées par numéro d'ordre : l'identité des élèves inscrits, la date de l'inscription, les dates des leçons données avec mention de la présence ou de l'absence des élèves sans blanc ni lacune. (NOTE : pour le modèle du registre annuel, voir art. 12 et annexe 12.)
  Une colonne mentionne les dates des examens théoriques et pratiques que l'élève a présenté ainsi que, le cas échéant, les résultats obtenus. Une colonne est réservée aux observations éventuelles.
  Le délai de conservation de ce registre est de trente-six mois.
  [1 En cas de carence de la part de l'école de conduite, notamment pour cause de faillite, le registre est mis à disposition des fonctionnaires et agents visés à l'article 39 pour l'établissement, par le Conseiller général de la Direction Certification et Inspection de l'administration, d'attestations mentionnant le nombre des heures de cours suivies qui sont prises en compte pour l'application de l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.]1
  § 5. Le Ministre détermine le modèle des documents prévus aux § 1er, § 2, § 3 et § 4.
  Ils peuvent être remplacés par des supports destinés à un traitement informatisé. Ces supports doivent être accessibles intégralement et à tout moment et les données enregistrées doivent pouvoir être reproduites sous une forme intelligible sur support papier, à la demande des agents chargés du contrôle, visés à l'article 39, § 1er, alinéa 2.
  § 6. Les écoles de conduite délivrent aux élèves qui ont suivi (le nombre d'heures de cours prescrit aux articles 14 et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire ou à l'article 9 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B,) un certificat d'enseignement théorique ou pratique dont le modèle est déterminé par le Ministre. Un tel certificat est également délivre à l'élève qui change d'école de conduite, avec l'indication du nombre d'heures qu'il a suivies. (NOTE : pour le modèle du certificat, voir AM 2005-03-30/32, art. 13 et annexe 13-1 et 13-2.) <AR 2006-07-10/30, art. 44, 004; En vigueur : 01-09-2006>
  (Par dérogation à l'alinéa 1er, en vue de l'obtention d'un permis de conduire provisoire sans guide, il est délivré à l'élève qui a suivi le nombre d'heures de cours prescrit à l'article 4 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de la catégorie B et qui a prouvé sa capacité à circuler seul, un certificat d'aptitude dont le modèle est déterminé par le Ministre.) <AR 2006-07-10/30, art. 44, 004; En vigueur : 01-09-2006>
  (Alinéa 3 abrogé) <AR 2006-07-10/30, art. 44, 004; En vigueur : 01-09-2006>
  § 7. Les conditions et les modalités de l'enseignement de la conduite font l'objet d'un contrat écrit entre l'élève et l'école de conduite.
  Le contrat comporte notamment, dans les mêmes caractères que le texte principal, le texte suivant : " En ce qui concerne l'enseignement pratique, les déplacements sur la voie publique au cours desquels l'élève ne prend pas place au volant ne seront pas comptabilisés pour le calcul du nombre d'heures de cours. Aucune prestation autre que celles pour lesquelles le tarif est mentionné dans le contrat ne sera facturée. ".
  Les élèves visés à l'article 2, § 4, c) doivent, en outre, donner leur consentement explicite pour le traitement des données de santé les concernant, conformément à l'article 7 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
  Le tarif des prestations est affiché dans le local affecté à l'administration et dans le local de cours.
  § 8. Les écoles de conduite visées à l'article 2, § 4 et § 5, conservent, pour chaque élève, pendant un délai de trois ans un exemplaire de l'attestation délivrée comme suit :
  - pour les personnes visées à l'article 2, § 4, a) : par [1 le Centre public d'Action sociale]1;
  - pour les personnes visées à l'article 2, § 4, b) par l'organisme de placement compétent (FOREm, ORBEm, VDAB, Arbeitsamt);
  - pour les personnes visées à l'article 2, § 4, c) : par le SPF Sécurité sociale.
  Les écoles de conduite qui dispensent l'enseignement aux élèves visés à l'article 2, § 4, c) et § 5 doivent se conformer aux dispositions des articles 25, 26 et 27 de l'arrêté royal du 13 février 2001 portant exécution de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
  
Art. 23_WAALS_GEWEST.    <KB 2005-03-17/43, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2004> § 1. Voor iedere leerling wordt een inschrijvingskaart opgesteld, waarop zijn identiteit en inschrijvingsnummer en -datum worden vermeld. Die kaart heeft een aantal vakken, dat met het aantal door de rijschool gegeven lessen overeenstemt. (NOTA : voor het model van de inschrijvingskaart, zie MB 2005-03-30/32, art. 9 en bijlage 9.)
  Bij het einde van elke theoretische of praktische les vermeldt de instructeur de lesdatum en -uren op de inschrijvingskaart van de leerling en ondertekent hij deze vermelding.
  De inschrijvingskaart moet op het einde van de lessencyclus door de leerling ondertekend worden. Een kopie ervan wordt aan de leerling bezorgd.
  § 2. In iedere vestigingseenheid wordt voor elke theorielessencyclus een aanwezigheidslijst bijgehouden. (NOTA : voor het model van de aanwezigheidslijst, zie MB 2005-03-30/32, art. 10 en bijlage 10.)
  Deze lijst wordt op afzonderlijke bladen bijgehouden, één per theoretische les of per theoretische lessenreeks.
  § 3. Elke instructeur houdt een dagelijkse fiche bij waarop hij het begin- en einduur van elke les vermeldt. Voor elke praktische les wordt het inschrijvingsnummer van het voertuig, de kilometerstand van het voertuig bij het begin en het einde van de les, en het inschrijvingsnummer van de leerling vermeld. (NOTA : voor het model van de dagelijkse fiche, zie MB 2005-03-30/32, art. 11 en bijlage 11.)
  De dagelijkse fiche wordt ondertekend door de instructeur en door de leerling die praktisch onderricht gevolgd heeft of bij het examen begeleid werd, en door de stagiair, als die de les bijwoonde of gaf.
  De bewaringstermijn van de documenten vermeld in § 1, § 2 en § 3 is twaalf maand.
  § 4. In iedere vestigingseenheid wordt een jaarregister bijgehouden, waarin per volgnummer worden vermeld : de identiteit van de ingeschreven leerlingen, de inschrijvingsdatum, de data van de gegeven lessen en, zonder enig wit vak of leemte, de aan- of afwezigheid van de leerlingen. (NOTA : voor het model van het jaarregister, zie MB 2005-03-30/32, art. 12 en bijlage 12.)
  In één kolom worden de data van de theoretische en praktische examens vermeld, die door de leerlingen zijn afgelegd, en eventueel de behaalde uitslag. Eén kolom is voor eventuele opmerkingen voorbehouden.
  De bewaringstermijn van dit register is zesendertig maand.
  [1 In geval van onvermogen van de rijschool, in het bijzonder wegens een faillissement, wordt het register ter beschikking gesteld van de ambtenaren en beambten bedoeld in artikel 39 voor het opmaken, door de Adviseur-generaal van de Directie Certificatie en Inspectie van de administratie, van de attesten die het aantal gevolgde lesuren vermeldt dat in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.]1
  § 5. De Minister bepaalt het model van de in § 1, § 2, § 3 en § 4 bepaalde documenten.
  Zij mogen worden vervangen door een voor computerverwerking bestemde informatiedrager. Deze informatiedragers dienen volledig en voortdurend toegankelijk te zijn en de hierin vervatte gegevens moeten in verstaanbare vorm op papier kunnen weergegeven worden, als de met de in artikel 39, § 1, tweede lid bepaalde controle belaste beambten dat vragen.
  § 6.[2 De rijscholen moeten aan de leerlingen, die de in artikel 14, 14bis en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs of de in de artikelen 7/1 en 9 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B bepaalde aantal lesuren gevolgd hebben, een getuigschrift van theoretisch of praktisch onderricht afleveren, waarvan het model door de Waalse Minister bepaald wordt.. Een dergelijk getuigschrift, met vermelding van het aantal gevolgde uren, wordt eveneens afgegeven aan de leerling die van rijschool verandert.
   Met het oog op het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider wordt aan de kandidaten voor het rijbewijs B, die het in artikel 15, tweede lid, 6°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde aantal lesuren gevolgd hebben, een bekwaamheidsgetuigschrift afgegeven waarmee ze zich bij een examencentrum kunnen melden om te bewijzen dat ze bekwaam zijn om alleen te sturen, overeenkomstig artikel 23, § 6, van hetzelfde besluit]2
.
  § 7. De voorwaarden en regels van het rijonderricht maken het voorwerp uit van een schriftelijk contract tussen de leerling en de rijschool.
  Het contract omvat onder meer, in hetzelfde lettertype als de hoofdtekst, de volgende tekst : "Wat de praktische lessen betreft : als de leerling tijdens de verplaatsingen op de openbare weg niet achter het stuur plaatsneemt, zullen die verplaatsingen niet in aanmerking genomen worden voor de berekening van het aantal lesuren. Geen enkele andere prestatie dan die waarvoor in het contract een tarief is vermeld, mag worden aangerekend.".
  De in artikel 2, § 4, c) bepaalde leerlingen moeten bovendien voor de verwerking van de hen betreffende gezondheidsgegevens hun uitdrukkelijke instemming geven, overeenkomstig artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  Het tarief van de prestaties wordt in het lokaal voor de administratie en in het leslokaal uitgehangen.
  § 8. De in artikel 2, § 4 en § 5 bepaalde rijscholen bewaren voor ieder leerling, gedurende drie jaar, een exemplaar van het attest uitgegeven zoals volgt :
  - voor de personen voorzien in artikel 2, § 4, a) : door het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn;
  - voor de personen voorzien in artikel 2, § 4, b) : door de bevoegde bemiddelingsinstelling (VDAB, BGDA, Arbeitsamt, FOREm);
  - voor de personen voorzien in artikel 2 § 4, c) : door de FOD Sociale Zekerheid.
  De rijscholen die onderricht aan de in artikel 2, § 4, c) en § 5 bepaalde leerlingen verstrekken, moeten zich houden aan de bepalingen van artikelen 25, 26 en 27 van het koninklijk besluit van 13 februari 2001 ter uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Art. 23 _REGION_WALLONNE.
   <AR 2005-03-17/43, art. 3, 002; En vigueur : 01-12-2004> § 1er. Il est établi pour chaque élève une carte d'inscription mentionnant son identité ainsi que le numéro et la date d'inscription. Cette carte porte un nombre de cases correspondant aux leçons données par l'école de conduite. (NOTE : pour le modèle de la carte d'inscription, voir AM 2005-03-30/32, art. 9 et annexe 9.)
  A la fin de chaque leçon, tant théorique que pratique, l'instructeur mentionne la date et les heures de la leçon sur la carte d'inscription de l'élève et signe cette mention.
  La carte d'inscription est signée par l'élève à la fin du cycle de cours. Une copie en est délivrée à l'élève.
  § 2. Il est tenu dans chaque unité d'établissement une liste de présences pour chaque cycle de cours théoriques. (NOTE : pour le modèle de la liste de présences, voir AM 2005-03-30/32, art. 10 et annexe 10.)
  Cette liste est tenue sur feuilles séparées, une par leçon théorique ou par session de théorie.
  § 3. Chaque instructeur tient une fiche journalière sur laquelle il indique l'heure de début et de fin de chaque leçon ainsi que, pour chaque leçon pratique, le numéro d'immatriculation du véhicule, le kilométrage du véhicule au début et en fin de leçon, ainsi que le numéro d'inscription de l'éleve. (NOTE : pour le modèle de la fiche journalière, voir AM 2005-03-30/32, art. 11 et annexe 11.)
  La fiche journalière est signée par l'instructeur et par l'élève qui a suivi un enseignement pratique ou qui a été accompagné à l'examen, ainsi que, s'il y a lieu, par le stagiaire qui a assisté à la leçon ou qui a donné cours.
  Le délai de conservation des documents prévus au § 1er, § 2 et § 3 est de douze mois.
  § 4. Il est tenu dans chaque unité d'établissement un registre annuel dans lequel sont mentionnées par numéro d'ordre : l'identité des élèves inscrits, la date de l'inscription, les dates des leçons données avec mention de la présence ou de l'absence des élèves sans blanc ni lacune. (NOTE : pour le modèle du registre annuel, voir art. 12 et annexe 12.)
  Une colonne mentionne les dates des examens théoriques et pratiques que l'élève a présenté ainsi que, le cas échéant, les résultats obtenus. Une colonne est réservée aux observations éventuelles.
  Le délai de conservation de ce registre est de trente-six mois.
  [1 En cas de carence de la part de l'école de conduite, notamment pour cause de faillite, le registre est mis à disposition des fonctionnaires et agents visés à l'article 39 pour l'établissement, par le Conseiller général de la Direction Certification et Inspection de l'administration, d'attestations mentionnant le nombre des heures de cours suivies qui sont prises en compte pour l'application de l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.]1
  § 5. Le Ministre détermine le modèle des documents prévus aux § 1er, § 2, § 3 et § 4.
  Ils peuvent être remplacés par des supports destinés à un traitement informatisé. Ces supports doivent être accessibles intégralement et à tout moment et les données enregistrées doivent pouvoir être reproduites sous une forme intelligible sur support papier, à la demande des agents chargés du contrôle, visés à l'article 39, § 1er, alinéa 2.
  § 6. [2 Les écoles de conduite délivrent aux élèves qui ont suivi le nombre d'heures de cours prescrit aux articles 14, 14bis et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire ou aux articles 7/1 et 9 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B, un certificat d'enseignement théorique ou pratique dont le modèle est déterminé par le Ministre wallon. Un tel certificat est également délivré à l'élève qui change d'école de conduite, avec l'indication du nombre d'heures qu'il a suivies.
   En vue de l'obtention d'un permis de conduire provisoire sans guide, les candidats au permis B qui ont suivi le nombre d'heures de cours prescrit à l'article 15, alinéa 2, 6° de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire obtiennent un certificat d'enseignement avec lequel ils peuvent se présenter à un centre d'examen pour démontrer leur capacité à conduire seul, conformément à l'article 25, § 6, du même arrêté]2
.
  § 7. Les conditions et les modalités de l'enseignement de la conduite font l'objet d'un contrat écrit entre l'élève et l'école de conduite.
  Le contrat comporte notamment, dans les mêmes caractères que le texte principal, le texte suivant : " En ce qui concerne l'enseignement pratique, les déplacements sur la voie publique au cours desquels l'élève ne prend pas place au volant ne seront pas comptabilisés pour le calcul du nombre d'heures de cours. Aucune prestation autre que celles pour lesquelles le tarif est mentionné dans le contrat ne sera facturée. ".
  Les élèves visés à l'article 2, § 4, c) doivent, en outre, donner leur consentement explicite pour le traitement des données de santé les concernant, conformément à l'article 7 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
  Le tarif des prestations est affiché dans le local affecté à l'administration et dans le local de cours.
  § 8. Les écoles de conduite visées à l'article 2, § 4 et § 5, conservent, pour chaque élève, pendant un délai de trois ans un exemplaire de l'attestation délivrée comme suit :
  - pour les personnes visées à l'article 2, § 4, a) : par [1 le Centre public d'Action sociale]1;
  - pour les personnes visées à l'article 2, § 4, b) par l'organisme de placement compétent (FOREm, ORBEm, VDAB, Arbeitsamt);
  - pour les personnes visées à l'article 2, § 4, c) : par le SPF Sécurité sociale.
  Les écoles de conduite qui dispensent l'enseignement aux élèves visés à l'article 2, § 4, c) et § 5 doivent se conformer aux dispositions des articles 25, 26 et 27 de l'arrêté royal du 13 février 2001 portant exécution de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Art. 23_VLAAMS_GEWEST.    <KB 2005-03-17/43, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2004> § 1. Voor iedere leerling wordt een inschrijvingskaart opgesteld, waarop zijn identiteit en inschrijvingsnummer en -datum worden vermeld. Die kaart heeft een aantal vakken, dat met het aantal door de rijschool gegeven lessen overeenstemt. (NOTA : voor het model van de inschrijvingskaart, zie MB 2005-03-30/32, art. 9 en bijlage 9.)
  Bij het einde van elke theoretische of praktische les vermeldt de instructeur de lesdatum en -uren op de inschrijvingskaart van de leerling en ondertekent hij deze vermelding.
  De inschrijvingskaart moet op het einde van de lessencyclus door de leerling ondertekend worden. Een kopie ervan wordt aan de leerling bezorgd.
  § 2. In iedere vestigingseenheid wordt voor elke theorielessencyclus een aanwezigheidslijst bijgehouden. (NOTA : voor het model van de aanwezigheidslijst, zie MB 2005-03-30/32, art. 10 en bijlage 10.)
  Deze lijst wordt op afzonderlijke bladen bijgehouden, één per theoretische les of per theoretische lessenreeks.
  § 3. Elke instructeur houdt een dagelijkse fiche bij waarop hij het begin- en einduur van elke les vermeldt. Voor elke praktische les wordt het inschrijvingsnummer van het voertuig, de kilometerstand van het voertuig bij het begin en het einde van de les, en het inschrijvingsnummer van de leerling vermeld. (NOTA : voor het model van de dagelijkse fiche, zie MB 2005-03-30/32, art. 11 en bijlage 11.)
  De dagelijkse fiche wordt ondertekend door de instructeur en door de leerling die praktisch onderricht gevolgd heeft of bij het examen begeleid werd, en door de stagiair, als die de les bijwoonde of gaf.
  De bewaringstermijn van de documenten vermeld in § 1, § 2 en § 3 is twaalf maand.
  § 4. In iedere vestigingseenheid wordt een jaarregister bijgehouden, waarin per volgnummer worden vermeld : de identiteit van de ingeschreven leerlingen, de inschrijvingsdatum, de data van de gegeven lessen en, zonder enig wit vak of leemte, de aan- of afwezigheid van de leerlingen. (NOTA : voor het model van het jaarregister, zie MB 2005-03-30/32, art. 12 en bijlage 12.)
  In één kolom worden de data van de theoretische en praktische examens vermeld, die door de leerlingen zijn afgelegd, en eventueel de behaalde uitslag. Eén kolom is voor eventuele opmerkingen voorbehouden.
  De bewaringstermijn van dit register is zesendertig maand.
  [1 In geval van onvermogen van de rijschool, in het bijzonder wegens een faillissement, wordt het register ter beschikking gesteld van de [2 inspecteurs]2 bedoeld in artikel 39 voor het opmaken, door [2 het bestuur]2, van de attesten die het aantal gevolgde lesuren vermeldt dat in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.]1
  § 5. De Minister bepaalt het model van de in § 1, § 2, § 3 en § 4 bepaalde documenten.
  Zij mogen worden vervangen door een voor computerverwerking bestemde informatiedrager. Deze informatiedragers dienen volledig en voortdurend toegankelijk te zijn en de hierin vervatte gegevens moeten in verstaanbare vorm op papier kunnen weergegeven worden, als de met de in artikel 39, § 1, tweede lid bepaalde controle belaste [2 inspecteurs]2 dat vragen.
  § 6. De rijscholen moeten aan de leerlingen, (de in artikel 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs [5 ...]5 bepaalde aantal lesuren) gevolgd hebben, een getuigschrift van theoretisch of praktisch onderricht afleveren, waarvan het model door de Minister bepaald wordt. Een dergelijk getuigschrift, met vermelding van het aantal gevolgde uren, wordt eveneens afgegeven aan de leerling die van rijschool verandert. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 13 en bijlage 13-1 en 13-2.) <KB 2006-07-10/30, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  (In afwijking van het eerste lid wordt aan de leerling, die het in [5 artikel 15, tweede lid, 6°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs]5 bepaalde aantal lesuren gevolgd heeft en die bewezen heeft bekwaam te zijn alleen te sturen, met het oog op het verkrijgen van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider een bekwaamheidsgetuigschrift afgegeven, waarvan het model door de Minister bepaald wordt.) <KB 2006-07-10/30, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  (Derde lid opgeheven) <KB 2006-07-10/30, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  § 7. De voorwaarden en regels van het rijonderricht maken het voorwerp uit van een schriftelijk contract tussen de leerling en de rijschool.
  Het contract omvat onder meer, in hetzelfde lettertype als de hoofdtekst, de volgende tekst : "Wat de praktische lessen betreft : als de leerling tijdens de verplaatsingen op de openbare weg niet achter het stuur plaatsneemt, zullen die verplaatsingen niet in aanmerking genomen worden voor de berekening van het aantal lesuren. Geen enkele andere prestatie dan die waarvoor in het contract een tarief is vermeld, mag worden aangerekend.".
  De in artikel 2, § 4, c) bepaalde leerlingen moeten bovendien voor de verwerking van de hen betreffende gezondheidsgegevens hun uitdrukkelijke instemming geven, overeenkomstig artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  Het tarief van de prestaties wordt in het lokaal voor de administratie en in het leslokaal uitgehangen.
  § 8. De in artikel 2, § 4 en § 5 bepaalde rijscholen bewaren voor ieder leerling, gedurende drie jaar, een exemplaar van het attest uitgegeven zoals volgt :
  - voor de personen voorzien in artikel 2, § 4, a) : door het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn;
  - voor de personen voorzien in artikel 2, § 4, b) : door de bevoegde bemiddelingsinstelling (VDAB, BGDA, Arbeitsamt, FOREm);
  - voor de personen voorzien in artikel 2 § 4, c) : door de FOD Sociale Zekerheid.
  [4 ...]4
  [3 § 9. [6 De rijscholen geven aan de begeleiders die het vormingsmoment, vermeld in hoofdstuk III/1 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006, volledig hebben gevolgd, een begeleidersattest, waarvan de minister het model bepaalt.
   Het begeleidersattest, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende gegevens:
   1А de gegevens van de begeleider:
   a) de naam en de voornaam van de begeleider;
   b) het rijksregisternummer of het bisnummer van de begeleider;
   2А de gegevens van de verstrekker van het vormingsmoment:
   a) de naam en de voornaam van de instructeur;
   b) in voorkomend geval, het erkenningsnummer van de rijschool;
   c) het e-mailadres van de verstrekker van het vormingsmoment;
   3А de datum van het gevolgde vormingsmoment;
   4А de locatie waar het vormingsmoment werd gevolgd als het vormingsmoment niet online werd gegeven;
   5А de bevestiging dat de begeleider het vormingsmoment volledig heeft gevolgd;
   6А de handgeschreven of gekwalificeerde elektronische handtekening van de instructeur.
   Het begeleidersattest is tien jaar geldig vanaf de datum van het gevolgde vormingsmoment, vermeld in het tweede lid, 3А.]6
Art. 23 _REGION_FLAMANDE.
   <AR 2005-03-17/43, art. 3, 002; En vigueur : 01-12-2004> § 1er. Il est établi pour chaque élève une carte d'inscription mentionnant son identité ainsi que le numéro et la date d'inscription. Cette carte porte un nombre de cases correspondant aux leçons données par l'école de conduite. (NOTE : pour le modèle de la carte d'inscription, voir AM 2005-03-30/32, art. 9 et annexe 9.)
  A la fin de chaque leçon, tant théorique que pratique, l'instructeur mentionne la date et les heures de la leçon sur la carte d'inscription de l'élève et signe cette mention.
  La carte d'inscription est signée par l'élève à la fin du cycle de cours. Une copie en est délivrée à l'élève.
  § 2. Il est tenu dans chaque unité d'établissement une liste de présences pour chaque cycle de cours théoriques. (NOTE : pour le modèle de la liste de présences, voir AM 2005-03-30/32, art. 10 et annexe 10.)
  Cette liste est tenue sur feuilles séparées, une par leçon théorique ou par session de théorie.
  § 3. Chaque instructeur tient une fiche journalière sur laquelle il indique l'heure de début et de fin de chaque leçon ainsi que, pour chaque leçon pratique, le numéro d'immatriculation du véhicule, le kilométrage du véhicule au début et en fin de leçon, ainsi que le numéro d'inscription de l'éleve. (NOTE : pour le modèle de la fiche journalière, voir AM 2005-03-30/32, art. 11 et annexe 11.)
  La fiche journalière est signée par l'instructeur et par l'élève qui a suivi un enseignement pratique ou qui a été accompagné à l'examen, ainsi que, s'il y a lieu, par le stagiaire qui a assisté à la leçon ou qui a donné cours.
  Le délai de conservation des documents prévus au § 1er, § 2 et § 3 est de douze mois.
  § 4. Il est tenu dans chaque unité d'établissement un registre annuel dans lequel sont mentionnées par numéro d'ordre : l'identité des élèves inscrits, la date de l'inscription, les dates des leçons données avec mention de la présence ou de l'absence des élèves sans blanc ni lacune. (NOTE : pour le modèle du registre annuel, voir art. 12 et annexe 12.)
  Une colonne mentionne les dates des examens théoriques et pratiques que l'élève a présenté ainsi que, le cas échéant, les résultats obtenus. Une colonne est réservée aux observations éventuelles.
  Le délai de conservation de ce registre est de trente-six mois.
  [1 En cas de carence de la part de l'école de conduite, notamment pour cause de faillite, le registre est mis à disposition des [2 inspecteurs]2 visés à l'article 39 pour l'établissement, par [2 l'administration]2, d'attestations mentionnant le nombre des heures de cours suivies qui sont prises en compte pour l'application de l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.]1
  § 5. Le Ministre détermine le modèle des documents prévus aux § 1er, § 2, § 3 et § 4.
  Ils peuvent être remplacés par des supports destinés à un traitement informatisé. Ces supports doivent être accessibles intégralement et à tout moment et les données enregistrées doivent pouvoir être reproduites sous une forme intelligible sur support papier, à la demande des [2 inspecteurs]2 chargés du contrôle, visés à l'article 39, § 1er, alinéa 2.
  § 6. Les écoles de conduite délivrent aux élèves qui ont suivi (le nombre d'heures de cours prescrit aux articles 14 et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire [5 ...]5,) un certificat d'enseignement théorique ou pratique dont le modèle est déterminé par le Ministre. Un tel certificat est également délivre à l'élève qui change d'école de conduite, avec l'indication du nombre d'heures qu'il a suivies. (NOTE : pour le modèle du certificat, voir AM 2005-03-30/32, art. 13 et annexe 13-1 et 13-2.) <AR 2006-07-10/30, art. 44, 004; En vigueur : 01-09-2006>
  (Par dérogation à l'alinéa 1er, en vue de l'obtention d'un permis de conduire provisoire sans guide, il est délivré à l'élève qui a suivi le nombre d'heures de cours prescrit à [5 article 15, deuxième alinéa, 6°, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire]5 et qui a prouvé sa capacité à circuler seul, un certificat d'aptitude dont le modèle est déterminé par le Ministre.) <AR 2006-07-10/30, art. 44, 004; En vigueur : 01-09-2006>
  (Alinéa 3 abrogé) <AR 2006-07-10/30, art. 44, 004; En vigueur : 01-09-2006>
  § 7. Les conditions et les modalités de l'enseignement de la conduite font l'objet d'un contrat écrit entre l'élève et l'école de conduite.
  Le contrat comporte notamment, dans les mêmes caractères que le texte principal, le texte suivant : " En ce qui concerne l'enseignement pratique, les déplacements sur la voie publique au cours desquels l'élève ne prend pas place au volant ne seront pas comptabilisés pour le calcul du nombre d'heures de cours. Aucune prestation autre que celles pour lesquelles le tarif est mentionné dans le contrat ne sera facturée. ".
  Les élèves visés à l'article 2, § 4, c) doivent, en outre, donner leur consentement explicite pour le traitement des données de santé les concernant, conformément à l'article 7 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
  Le tarif des prestations est affiché dans le local affecté à l'administration et dans le local de cours.
  § 8. Les écoles de conduite visées à l'article 2, § 4 et § 5, conservent, pour chaque élève, pendant un délai de trois ans un exemplaire de l'attestation délivrée comme suit :
  - pour les personnes visées à l'article 2, § 4, a) : par [1 le Centre public d'Action sociale]1;
  - pour les personnes visées à l'article 2, § 4, b) par l'organisme de placement compétent (FOREm, ORBEm, VDAB, Arbeitsamt);
  - pour les personnes visées à l'article 2, § 4, c) : par le SPF Sécurité sociale.
  [4 ...]4
  [3 § 9. [6 Les écoles de conduite remettent aux guides qui ont suivi intégralement le moment de formation visé au chapitre III/1 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006, une attestation de guide, dont le modèle est fixé par le ministre.
   L'attestation de guide visée à l'alinéa 1er comprend toutes les données suivantes :
   1° les données du guide :
   a) les nom et prénom du guide ;
   b) le numéro de registre national ou numéro bis du guide ;
   2° les données de la personne assurant le moment de formation :
   a) les nom et prénom de l'instructeur ;
   b) le cas échéant, le numéro d'agrément de l'école de conduite ;
   c) l'adresse e-mail de la personne assurant le moment de formation :
   3° la date du moment de formation suivi ;
   4° l'endroit où le moment de formation a été suivi si le moment de formation n'a pas été dispensé en ligne ;
   5° la confirmation que le guide a suivi intégralement le moment de formation ;
   6° la signature manuscrite ou électronique qualifiée de l'instructeur.
   L'attestation de guide est valable pendant dix ans à compter de la date du moment de formation suivi visée à l'alinéa 2, 3°.]6
]3
TITEL II. - Brevetten van beroepsbekwaamheid.
TITRE II. - Brevets d'aptitude professionnelle.
HOOFDSTUK I. - Algemeenheden.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Art. 24. Er bestaan vijf brevetten van beroepsbekwaamheid van het leidende en onderwijzende personeel van de rijscholen.
  Het brevet I verleent toegang tot de functies van rijschooldirecteur en adjunct-rijschooldirecteur.
  Het brevet II verleent toegang tot de functie van instructeur, die met het praktische onderricht voor het besturen van voertuigen van de (categorie B en G) belast wordt. <KB 2006-09-01/36, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  Het brevet III verleent toegang tot de functie van instructeur, die met het theoretische onderricht belast wordt.
  Het brevet IV verleent toegang tot de functie van instructeur, die met het praktische onderricht voor het besturen van voertuigen van de categorie [1 AM, A1, A2 en A ]1 belast wordt.
  Het brevet V verleent toegang tot de functie van instructeur, die met het praktische onderricht voor het besturen van voertuigen van de categorie B+E, [1 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E]1 belast wordt.
  
Art. 24. Il existe cinq brevets d'aptitude professionnelle du personnel dirigeant et enseignant des écoles de conduite.
  Le brevet I donne accès aux fonctions de directeur d'école de conduite et de directeur adjoint d'école de conduite.
  Le brevet II donne accès à la fonction d'instructeur, chargé de l'enseignement pratique de la conduite des véhicules de la (catégorie B et G). <AR 2006-09-01/36, art. 6, 005; En vigueur : 15-09-2006>
  Le brevet III donne accès à la fonction d'instructeur, chargé de l'enseignement théorique.
  Le brevet IV donne accès à la fonction d'instructeur, chargé de l'enseignement pratique de la conduite des véhicules des catégories [1 AM, A1, A2 et A]1.
  Le brevet V donne accès à la fonction d'instructeur, chargé de l'enseignement pratique de la conduite des véhicules des catégories B+E, [1 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E]1.
  
Art. 25. De brevetten worden uitgereikt :
  1° hetzij na het slagen voor de in hoofdstuk II bepaalde examens en na het vervullen van de in hoofdstuk III bepaalde stage;
  2° [1 hetzij conform de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.]1
  [1 Indien de begunstigde van de erkenning van beroepskwalificaties niet kan bewijzen dat hij beschikt over de talenkennis zoals vereist op grond van artikel 25 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van de EG-beroepskwalificaties, dan legt hij een talentest af waaruit moet blijken dat hij beschikt over voldoende kennis van één van de drie landstalen om rijopleidingen te mogen geven.]1
  [1 Deze test bestaat uit een gesprek met de voorzitter of met één van de drie kamervoorzitters van de examencommissie bedoeld in artikel 34.
   De voorzitter van de Franstalige kamer beoordeelt de kennis van het Frans.
   De voorzitter van de Nederlandstalige kamer beoordeelt de kennis van het Nederlands.
   De voorzitter van de Duitstalige kamer beoordeelt de kennis van het Duits.
   De voorzitter van de examencommissie beoordeelt de kennis van zijn moedertaal.]1

  
Art. 25. Les brevets sont délivrés :
  1° soit après la réussite des examens visés au chapitre II et l'accomplissement du stage visé au chapitre III;
  2° [1 soit, conformément à la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE.]1
  [1 Si le bénéficiaire de la reconnaissance des qualifications professionnelles ne peut pas prouver qu'il dispose des connaissances linguistiques requises par l'article 25, de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE, il se soumet à un test de langue duquel il doit apparaître qu'il dispose d'une connaissance d'une des trois langues nationales suffisante pour l'enseignement de la conduite.]1
  [1 Ce test consiste en un entretien oral avec le président ou l'un des trois présidents de chambre du jury d'examen visé à l'article 34.
   Le président de la chambre francophone juge de la connaissance de la langue française.
   Le président de la chambre néerlandophone juge de la connaissance de la langue néerlandaise.
   Le président de la chambre germanophone juge de la connaissance de la langue allemande.
   Le président du jury juge de la connaissance de sa langue maternelle.]1

  
Art. 25_VLAAMS_GEWEST.    De brevetten worden uitgereikt :
  1° hetzij na het slagen voor de in hoofdstuk II bepaalde examens en na het vervullen van de in hoofdstuk III bepaalde stage;
  2° [1 hetzij conform de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.]1
  [1 Indien de begunstigde van de erkenning van beroepskwalificaties niet kan bewijzen dat hij beschikt over de talenkennis zoals vereist op grond van artikel 25 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van de EG-beroepskwalificaties, dan legt hij een talentest af waaruit moet blijken dat hij beschikt over voldoende kennis van [2 het Nederlands]2 om rijopleidingen te mogen geven.]1
  [1 Deze test bestaat uit een gesprek met de voorzitter of [2 de ondervoorzitter]2 van de examencommissie bedoeld in artikel 34.
   [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2 ]1
Art. 25 _REGION_FLAMANDE.
   Les brevets sont délivrés :
  1° soit après la réussite des examens visés au chapitre II et l'accomplissement du stage visé au chapitre III;
  2° [1 soit, conformément à la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE.]1
  [1 Si le bénéficiaire de la reconnaissance des qualifications professionnelles ne peut pas prouver qu'il dispose des connaissances linguistiques requises par l'article 25, de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE, il se soumet à un test de langue duquel il doit apparaître qu'il dispose d'une connaissance [2 suffisante du néerlandais]2 pour l'enseignement de la conduite.]1
  [1 Ce test consiste en un entretien oral avec le président ou [2 le vice-président]2 du jury d'examen visé à l'article 34.
   [2 ...]2
   [2 ...]2
   [2 ...]2
   [2 ...]2 ]1
HOOFDSTUK II. - Examens.
CHAPITRE II. - Examens.
Art. 26. § 1. Het examen moet het bewijs leveren dat de kandidaat geschikt is om een rijschool te leiden of om toekomstige bestuurders op te leiden, met deskundigheid, methode en overeenkomstig de leerdoelen van de rijopleiding. Tot die geschiktheid behoren de kennis van de leerstof die in het programma voor elk brevet bepaald is en de vaardigheid om deze kennis in de praktijk toe te passen en deze over te brengen.
  Het examen bestaat uit een schriftelijke en een mondelinge proef over de in bijlage 2.I. bepaalde leerstof en, behalve voor het brevet I, uit een modelles over de in bijlage 2.II. bepaalde leerstof.
  § 2. Vóór de deelname aan het examen mag een voorafgaande opleiding plaatsvinden, waarvoor de Minister de leerstof bepaalt, en die verstrekt wordt door een instelling opgericht of erkend door de overheden bevoegd voor de materie voorzien in artikel 4, 16°, van de speciale wet voor institutionele hervormingen van 8 augustus 1980.
Art. 26. § 1er. L'examen doit fournir la preuve que le candidat est apte à diriger une école de conduite ou à former de futurs conducteurs avec compétence, méthode et conformément aux objectifs pédagogiques de la formation à la conduite. Font partie de cette aptitude la connaissance des matières prévues au programme pour chaque brevet, ainsi que la capacité de mettre cette connaissance en pratique et de la transmettre.
  L'examen consiste en une épreuve écrite et orale portant sur les matières visées à l'annexe 2.I. et, excepté pour le brevet I, en une leçon modèle portant sur les matières prévues à l'annexe 2.II.
  § 2. La participation aux examens peut être précédée par une formation préalable dont le Ministre détermine les matières, et qui est organisée par un organisme créé ou agréé par les autorités compétentes pour les matières visées à l'article 4, 16°, de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980.
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 26. § 1. Het examen moet het bewijs leveren dat de kandidaat geschikt is om een rijschool te leiden of om toekomstige bestuurders op te leiden, met deskundigheid, methode en overeenkomstig de leerdoelen van de rijopleiding. Tot die geschiktheid behoren de kennis van de leerstof die in het programma voor elk brevet bepaald is en de vaardigheid om deze kennis in de praktijk toe te passen en deze over te brengen.
  Het examen bestaat uit een schriftelijke [1 ...]1 proef over de in bijlage 2.I. bepaalde leerstof en, behalve voor het brevet I, uit een modelles over de in bijlage 2.II. bepaalde leerstof.
  § 2. Vóór de deelname aan het examen mag een voorafgaande opleiding plaatsvinden, waarvoor de Minister de leerstof bepaalt, en die verstrekt wordt door een instelling opgericht of erkend door de overheden bevoegd voor de materie voorzien in artikel 4, 16°, van de speciale wet voor institutionele hervormingen van 8 augustus 1980.
Art. 26. § 1er. L'examen doit fournir la preuve que le candidat est apte à diriger une école de conduite ou à former de futurs conducteurs avec compétence, méthode et conformément aux objectifs pédagogiques de la formation à la conduite. Font partie de cette aptitude la connaissance des matières prévues au programme pour chaque brevet, ainsi que la capacité de mettre cette connaissance en pratique et de la transmettre.
  L'examen consiste en une épreuve écrite [1 ...]1 portant sur les matières visées à l'annexe 2.I. et, excepté pour le brevet I, en une leçon modèle portant sur les matières prévues à l'annexe 2.II.
  § 2. La participation aux examens peut être précédée par une formation préalable dont le Ministre détermine les matières, et qui est organisée par un organisme créé ou agréé par les autorités compétentes pour les matières visées à l'article 4, 16°, de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980.
Art. 27. De deelneming aan de schriftelijke en de mondelinge proef of aan de modelles moet met een inschrijvingsformulier worden aangevraagd, waarvan het model door de Minister bepaald wordt. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 6 en bijlage 6-1 en 6-2.)
  De kandidaat voegt bij zijn deelnemingsaanvraag voor de schriftelijke en mondelinge proef de volgende documenten :
  1° een kopie van zijn diploma, getuigschrift of in artikel 12, § 1, 6°, bepaald brevet of de documenten die getuigen van de vereiste beroepservaring;
  2° een kopie van zijn rijbewijs. Dit document zal door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties. Indien het bestuur dit document niet kan krijgen, moet de aanvrager zelf instaan voor dit document.
  De kandidaat voegt bij de deelnemingsaanvraag voor de modellen het in artikel 33, § 6, bepaalde geldige stageattest.
Art. 27. La demande de participation à l'épreuve écrite et orale et la demande de participation à la leçon modèle se font au moyen d'un formulaire d'inscription dont le modèle est fixé par le Ministre. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 6 et annexes 6-1 et 6-2.)
  Le candidat joint à la demande de participation à l'épreuve écrite et orale les documents suivants :
  1° une copie de son diplôme, certificat ou brevet visé à l'article 12, § 1er, 6°, ou les documents attestant de l'expérience professionnelle exigée;
  2° une copie de son permis de conduire. Ce document est demandé par l'administration auprès des instances concernées. Si l'administration ne peut obtenir ce document, le demandeur fournit lui-même ce document.
  Le candidat joint à la demande de participation à la leçon modèle l'attestation de stage en cours de validité visée à l'article 33, § 6.
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 27. De deelneming aan de schriftelijke [1 ...]1 proef of aan de modelles moet met een inschrijvingsformulier worden aangevraagd, waarvan het model door de Minister bepaald wordt. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 6 en bijlage 6-1 en 6-2.)
  De kandidaat voegt bij zijn deelnemingsaanvraag voor de schriftelijke [1 ...]1 proef de volgende documenten :
  1° een kopie van zijn diploma, getuigschrift of in artikel 12, § 1, 6°, bepaald brevet of de documenten die getuigen van de vereiste beroepservaring;
  2° een kopie van zijn rijbewijs. Dit document zal door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties. Indien het bestuur dit document niet kan krijgen, moet de aanvrager zelf instaan voor dit document.
  De kandidaat voegt bij de deelnemingsaanvraag voor de modellen het in artikel 33, § 6, bepaalde geldige stageattest.
Art. 27. La demande de participation à l'épreuve écrite [1 ...]1 et la demande de participation à la leçon modèle se font au moyen d'un formulaire d'inscription dont le modèle est fixé par le Ministre. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 6 et annexes 6-1 et 6-2.)
  Le candidat joint à la demande de participation à l'épreuve écrite [1 ...]1 les documents suivants :
  1° une copie de son diplôme, certificat ou brevet visé à l'article 12, § 1er, 6°, ou les documents attestant de l'expérience professionnelle exigée;
  2° une copie de son permis de conduire. Ce document est demandé par l'administration auprès des instances concernées. Si l'administration ne peut obtenir ce document, le demandeur fournit lui-même ce document.
  Le candidat joint à la demande de participation à la leçon modèle l'attestation de stage en cours de validité visée à l'article 33, § 6.
Art. 28. [1 Om deel te kunnen nemen aan de stage voor het brevet IV, bedoeld in hoofdstuk III, moet de kandidaat een bijzondere erkende motorfietsopleiding gevolgd hebben. Deze opleiding omvat de stof bedoeld in punt I. 4. van bijlage 2. Een getuigschrift van deze opleiding moet voorgelegd worden om de stagetoelating te verkrijgen.
   [2 Om deel te kunnen nemen aan de stage voor het brevet V, bedoeld in hoofdstuk III, moet de kandidaat een bijzondere, erkende vrachtwagenopleiding gevolgd hebben. Deze opleiding omvat de stof bedoeld in punt I. 5. van bijlage 2. Een getuigschrift van deze opleiding moet voorgelegd worden om de stagetoelating te verkrijgen.]2
   De minister of zijn gemachtigde erkent de bijzondere opleidingen bedoeld in lid 1 en 2.]1

  
Art. 28. [1 Pour pouvoir participer au stage visé au chapitre III, en vue de l'obtention du brevet IV, le candidat doit avoir suivi une formation spécifique moto agréée. Cette formation porte sur les matières visées au point I. 4 de l'annexe 2. Une attestation de suivi de cette formation doit être produite afin de recevoir l'autorisation de stage.
  [2 Pour pouvoir participer au stage visé au chapitre III, en vue de l'obtention du brevet V, le candidat doit avoir suivi une formation spécifique camion agréée. Cette formation porte sur les matières visées au point I. 5 de l'annexe 2. Une attestation de suivi de cette formation doit être produite afin de recevoir l'autorisation de stage. ]2
   Le ministre ou son délégué agrée les formations spécifiques visées aux alinéas 1er et 2.]1

  
Art. 29. De modelles voor het brevet II wordt gegeven aan boord van een voertuig van de categorie B, dat beantwoordt aan de in artikelen 17 en 18, § 2 en § 5, bepaalde voorwaarden, dat uitgerust is met een handschakeling en dat door de kandidaat geleverd wordt.
  De behendigheidsproef en de modelles voor het brevet IV gebeuren met een voertuig van de categorie A, dat beantwoordt aan de voorwaarden van [1 artikel 38, § 2, derde lid]1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs dat uitgerust is met een handschakeling, en dat door de kandidaat geleverd wordt.
  De modelles voor het brevet V wordt gegeven aan boord van een voertuig van de categorie C+E of D+E, dat beantwoordt aan de in artikelen 17 en 18, § 4, en § 5 bepaalde voorwaarden, dat uitgerust is met een handschakeling en dat door de kandidaat geleverd wordt.
  
Art. 29. La leçon modèle en vue de l'obtention du brevet II est présentée à bord d'un véhicule de la catégorie B répondant aux conditions fixées aux articles 17 et 18, § 2 et § 5, et qui est équipé d'un changement de vitesses manuel, et fourni par le candidat.
  L'épreuve de maniabilité et la leçon modèle en vue de l'obtention du brevet IV sont présentées avec un véhicule de la catégorie A, répondant aux conditions de [1 l'article 38, § 2, alinéa 3]1, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et équipé d'un changement de vitesses manuel, fourni par le candidat.
  La leçon modèle en vue de l'obtention du brevet V est présentée à bord d'un véhicule de la catégorie C+E ou D+E répondant aux conditions fixées aux articles 17 et 18, § 4, et § 5 et qui est équipé d'un changement de vitesses manuel, fourni par le candidat.
  
Art. 30. De houder van een brevet III die kandidaat voor een ander brevet is, wordt vrijgesteld van de leerstof voor de theoretische kennis over de verkeersveiligheid.
  De kandidaat die voor zijn modelles mislukte, wordt gedurende de geldigheid van zijn stageattest vrijgesteld voor de leerstof voor de schriftelijke en mondelinge proef.
Art. 30. Le titulaire d'un brevet III candidat à un autre brevet est dispensé de la matière portant sur la connaissance théorique de la sécurité routière.
  Le candidat qui a échoué lors de la leçon modèle est dispensé de la matière de l'épreuve écrite et orale pendant la durée de validité de l'attestation de stage.
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 30. De houder van een brevet III die kandidaat voor een ander brevet is, wordt vrijgesteld van de leerstof voor de theoretische kennis over de verkeersveiligheid.
  De kandidaat die voor zijn modelles mislukte, wordt gedurende de geldigheid van zijn stageattest vrijgesteld voor de leerstof voor de schriftelijke [1 ...]1 proef.
Art. 30. Le titulaire d'un brevet III candidat à un autre brevet est dispensé de la matière portant sur la connaissance théorique de la sécurité routière.
  Le candidat qui a échoué lors de la leçon modèle est dispensé de la matière de l'épreuve écrite [1 ...]1 pendant la durée de validité de l'attestation de stage.
Art. 31. § 1. Het puntenaantal dat toegekend wordt aan elke in bijlage 2 opgesomd leerstof, wordt als volgt bepaald :
  1° theoretische kennis van de verkeersveiligheid : 60;
  2° dit besluit en de ministeriële omzendbrieven daarover, evenals [2 de artikelen 1 tot en met 73 van]2 het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en de ministeriële omzendbrieven daarover : 20;
  3° algemene kennis van het bedrijfsbeheer in verband met het beheer en de leiding van rijscholen: 20;
  4° mechanica, techniek en elektriciteit van auto's, motorfietsen of voertuigen van de categorieën C en D en hun aanhangwagens : 20;
  5° theoretische modelles en ondervraging over de bij die les toegepaste onderwijsmethode : 60;
  6° modelrijles en ondervraging over de bij die les toegepaste onderwijsmethode : 60;
  7° behendigheidsproef : 20.
  § 2. De schriftelijke en de mondelinge proef zijn schiftingsproeven. De kandidaat die geen 60 % van de punten behaalt voor elk van de beide examens over het vak theoretische kennis van de verkeersveiligheid en geen 50 % van de punten voor elk ander vak afzonderlijk, is niet geslaagd. De kandidaat moet 60 % van de punten behalen voor de modellessen.
  Het vereiste minimum aantal punten om het brevet te verkrijgen is vastgesteld op 60 % voor het geheel van de vakken. Indien door de in artikel 30 bepaalde vrijstellingen het examen tot één vak beperkt wordt, moet de kandidaat hiervoor 60 % van de punten behalen.
  Voor de modellessen wordt de beoordeling toegekend op basis van het examenprotocol, waarvan het model door de voorzitter van de examencommissie wordt vastgelegd.
Art. 31. § 1er. Le nombre de points attribués à chacune des matières des examens énumérées a l'annexe 2 est déterminé comme suit :
  1° connaissance théorique de la sécurité routière : 60;
  2° le présent arrêté et les circulaires ministérielles qui s'y rapportent, ainsi que [2 les articles 1er à 73 inclus de]2 l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et les circulaires ministérielles qui s'y rapportent : 20;
  3° connaissances générales de gestion des entreprises en rapport avec la gestion et la direction des écoles de conduite: 20;
  4° mécanique, technique et électricité automobile, moto ou des véhicules des catégories C et D et de leur remorque : 20;
  5° leçon modèle de théorie et interrogation sur la méthode d'enseignement appliquée au cours de cette leçon : 60;
  6° leçon modèle de conduite et interrogation sur la méthode d'enseignement appliquée au cours de cette leçon : 60;
  7° épreuve de maniabilité : 20.
  § 2. L'épreuve écrite et orale sont éliminatoires. Le candidat qui n'obtient pas 60 % à chacune de ces deux épreuves pour la matière connaissance théorique de la sécurité routière et 50 % des points pour chacune des autres matières, considérées séparément, échoue. Le candidat doit obtenir 60 % des points pour les leçons modèles.
  Le minimum des points requis pour l'obtention d'un brevet est fixé à 60 % pour l'ensemble des matières. Si, par le jeu des dispenses prévues à l'article 30, l'examen se reduit à une seule matière, le candidat doit y obtenir 60 % des points.
  Pour les leçons modèles, la cotation est attribuée sur base d'un protocole d'examen dont le modèle est fixé par le président du jury d'examen.
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 31. § 1. Het puntenaantal dat toegekend wordt aan elke in bijlage 2 opgesomd leerstof, wordt als volgt bepaald :
  1° theoretische kennis van de verkeersveiligheid : 60;
  2° dit besluit [1 ...]1, evenals [2 de artikelen 1 tot en met 73 van]2 het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en de ministeriële omzendbrieven daarover : 20;
  3° [1 ...]1
  4° mechanica, techniek en elektriciteit van auto's, motorfietsen of voertuigen van de categorieën C en D en hun aanhangwagens : 20;
  5° theoretische modelles en ondervraging over de bij die les toegepaste onderwijsmethode : 60;
  6° modelrijles en ondervraging over de bij die les toegepaste onderwijsmethode : 60;
  7° behendigheidsproef : 20.
  § 2. [1 De schriftelijke proef is een schiftingsproef. De kandidaat die geen 60 % van de punten behaalt voor het examen over het vak "theoretische kennis van de verkeersveiligheid" en geen 50 % van de punten behaalt voor elk ander vak afzonderlijk, is niet geslaagd. De kandidaat moet 60 % van de punten behalen voor de modellessen.]1
  Het vereiste minimum aantal punten om het brevet te verkrijgen is vastgesteld op 60 % voor het geheel van de vakken. Indien door de in artikel 30 bepaalde vrijstellingen het examen tot één vak beperkt wordt, moet de kandidaat hiervoor 60 % van de punten behalen.
  Voor de modellessen wordt de beoordeling toegekend op basis van het examenprotocol, waarvan het model door de voorzitter van de examencommissie wordt vastgelegd.
  
Art. 31. § 1er. Le nombre de points attribués à chacune des matières des examens énumérées a l'annexe 2 est déterminé comme suit :
  1° connaissance théorique de la sécurité routière : 60;
  2° le présent arrêté [1 ...]1, ainsi que [2 les articles 1er à 73 inclus de]2 l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et les circulaires ministérielles qui s'y rapportent : 20;
  3° [1 ...]1
  4° mécanique, technique et électricité automobile, moto ou des véhicules des catégories C et D et de leur remorque : 20;
  5° leçon modèle de théorie et interrogation sur la méthode d'enseignement appliquée au cours de cette leçon : 60;
  6° leçon modèle de conduite et interrogation sur la méthode d'enseignement appliquée au cours de cette leçon : 60;
  7° épreuve de maniabilité : 20.
  § 2. [1 L'épreuve écrite est éliminatoire. Le candidat qui n'obtient pas 60 % pour la matière " connaissance théorique de la sécurité routière " et 50 % des points pour chacune des autres matières, considérées séparément, échoue. Le candidat doit obtenir 60 % des points pour les leçons modèles.]1
  Le minimum des points requis pour l'obtention d'un brevet est fixé à 60 % pour l'ensemble des matières. Si, par le jeu des dispenses prévues à l'article 30, l'examen se reduit à une seule matière, le candidat doit y obtenir 60 % des points.
  Pour les leçons modèles, la cotation est attribuée sur base d'un protocole d'examen dont le modèle est fixé par le président du jury d'examen.
  
Art. 32. Het brevet wordt uitgereikt door de in artikel 34 bepaalde examencommissie, en is ondertekend door de voorzitter ervan of door een kamervoorzitter.
Art. 32. Le brevet est délivré par le jury d'examen visé à l'article 34 sous la signature de son président ou d'un president de chambre.
HOOFDSTUK III. - Stage.
CHAPITRE III. - Stage.
Art. 33. § 1. De kandidaten voor het brevet II, [1 ...]1 , IV of V moeten, na in de schriftelijke en de mondelinge proef geslaagd te zijn en voor ze de modelles geven, een stage in een erkende rijschool doen, in de hoedanigheid van instructeur in het vak dat met het gevraagde brevet overeenstemt. Voor elk brevet, moeten zij een minimumaantal uren les geven :
  - brevet II : 300 uur,
  - [1 ...]1
  - brevet IV : 180 uur,
  - brevet V : 300 uur.
  [1 De kandidaten voor het brevet III doorlopen, na het slagen voor de schriftelijke en mondelinge proeven en vóór het afleggen van de modelles, een stage als instructeur in de discipline overeenkomstig het brevet III, in één of meerdere erkende rijscholen of in het kader van lessen gegeven door één of meerdere erkende rijscholen buiten hun lokalen. Zij moeten minimaal 76 uren les geven.]1
  Voor de kandidaten die de in artikel 26, § 2 bedoeld opleiding hebben gevolgd, wordt dit minimum verlaagd tot een kwart van het hierboven bepaalde minimum.
  De kandidaat voor een brevet van rijschoolinstructeur, die reeds houder is van een ander brevet, moet een stage verrichten waarin hij les geeft gedurende het equivalent van 2/3 van het minimum van de uren voorzien in het eerste lid.
  De stage mag hoogstens vijfendertig uur per week duren.
  § 2. Na het slagen voor de schriftelijke en de mondelinge proef geeft de Minister of zijn gemachtigde een stagetoelating af. Deze toelating is twee jaar geldig. Indien de stage na deze periode niet vervuld is, moet de kandidaat de examens opnieuw afleggen.
  Het stageprogramma van de rijschoolinstructeurs omvat :
  1° basisprincipes van de werking van een rijschool;
  2° bijwonen van theoretische, praktische en evaluatielessen;
  3° onderricht, met inbegrip van de voorbereiding van de lessen en de evaluatie;
  4° inleiding in de organisatie van de examencentra en het bijwonen van praktische examens.
  § 3. De stage vindt plaats onder toezicht van een stagemeester. Enkel de rijschooldirecteur, de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur die ten minste twee jaar houder is van het overeenstemmende brevet en die slechts in één rijschool tewerkgesteld is, kan stagemeester zijn.
  [1 In het geval dat de kandidaat voor het brevet III zijn stage in meerdere rijscholen doorloopt, verloopt de stage onder het toezicht van een stagemeester in iedere rijschool.]1
  Het aantal stagiairs mag niet meer dan een derde van het aantal instructeurs bedragen, behalve voor de rijscholen met minder dan drie rijschoolinstructeurs waar het maximum aantal één stagiair is.
  Een stagemeester mag niet meer dan twee stagairs tegelijk onder zijn hoede hebben.
  § 4. De stagemeester moet de stagiair nauwlettend opleiden, overeenkomstig het in § 2 bepaalde stageprogramma.
  Voor de stages voor brevet II, III, IV en V moet de stagemeester of een instructeur met minstens twee jaar ervaring bij de theoretische en praktische lessen, die door de stagiair gegeven worden, aanwezig zijn, tot de stagemeester kan waarborgen dat de stagiair geschikt is om een doeltreffend en nuttig onderricht te verstrekken. Hij moet eveneens kunnen waarborgen dat de stagiair bij gevaar tijdens het praktische onderricht passend kan reageren.
  De helft van de stage-uren moet door een instructeur met minstens twee jaar ervaring gevolgd worden, en de helft van die uren door de stagemeester zelf.
  De stagemeester neemt deel aan de voorbereiding van de lessen.
  De Minister kan een instructeur, na zijn voorafgaande verhoor, verbieden om stagemeester te zijn, als hij niet voldoet aan de in § 3 gestelde voorwaarden of hem verbieden om verder stagemeester te blijven als hij de verplichtingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid niet naleeft.
  De Minister of zijn gemachtigde kan een rijschool aanduiden om stagiairs aan te nemen als een stagiair kan aantonen dat hij geen rijschool vindt waar hij zijn stage kan volbrengen.
  § 5. De stagiair houdt een formulier " stageverloop " bij, waarvan het model door de Minister bepaald wordt. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 7 en bijlage 7.)
  Het formulier moet in chronologische volgorde de gegevens over de praktische opleiding en de onder of zonder toezicht gegeven lessen vermelden. Het wordt door de stagiair en de stagemeester ondertekend. Het wordt aan het einde van de stage bij het stageattest gevoegd.
  [1 Wanneer de kandidaat voor het brevet III zijn stage in meerdere rijscholen doorloopt, houdt hij een formulier " stageverloop " bij voor iedere stagemeester die hem volgt. Iedere stagemeester ondertekent het formulier dat hem betreft.]1
  § 6. De rijschooldirecteur of de adjunct-directeur geeft de stagiair een stageattest af, waarvan het model door de Minister bepaald wordt en waarin bevestigd wordt dat de kandidaat voor het brevet de stageverplichtingen vervuld heeft. Een kopie van het door de rijschooldirecteur en de stagiair ondertekende stageattest moet ten laatste een maand na het einde van de stage naar het bestuur gezonden worden. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 8 en bijlage 8.)
  [1 Wanneer de kandidaat voor het brevet III zijn stage doorloopt in meerdere rijscholen, levert de directeur of de adjunct-directeur van elk van deze rijscholen aan de stagiair een stageattest af waarvan het model voorgeschreven wordt door de Minister.]1
  Het stageattest verliest zijn waarde na twee jaar, te rekenen vanaf het slagen voor de schriftelijke en de mondelinge proef of na drie mislukkingen voor de modelles.
  Voor zover de stagetoelating nog geldig is, kan de Minister of zijn gemachtigde, op het met redenen omklede verzoek van de stagiair of de stagemeester, de stagiair toestaan om zijn stage met een andere stagemeester verder te zetten.
Art. 33. § 1er. Les candidats au brevet II, [1 ...]1 , IV ou V effectuent, après la réussite des épreuves écrite et orale et avant de présenter la leçon modèle, un stage en qualité d'instructeur, dans la discipline correspondant au brevet demandé, dans une école de conduite agréée. Pour chaque brevet, ils dispensent l'enseignement pendant un minimum d'heures :
  - brevet II : 300 heures,
  - [1 ...]1
  - brevet IV : 180 heures,
  - brevet V : 300 heures.
  [1 Les candidats au brevet III effectuent, après la réussite des épreuves écrite et orale et avant de présenter la leçon modèle, un stage en qualité d'instructeur, dans la discipline correspondant au brevet III, dans une ou plusieurs écoles de conduite agréées ou dans le cadre de cours dispensés par une ou plusieurs écoles de conduite agréées en dehors de leurs locaux. Ils dispensent l'enseignement pendant une durée minimale de 76 heures.]1
  Pour les candidats qui ont suivi la formation préalable prévue à l'article 26, § 2, ce minimum d'heures est réduit à un quart du minimum d'heures défini ci-dessus.
  Le candidat à un brevet d'instructeur qui est déjà titulaire d'un autre brevet effectue un stage durant lequel il dispense l'enseignement pendant l'équivalent de 2/3 du minimum d'heures prévues à l'alinéa premier.
  La durée hebdomadaire du stage est de maximum trente-cinq heures.
  § 2. Après la réussite de l'épreuve écrite et orale, le Ministre ou son délégué délivre une autorisation de stage. Cette autorisation a une validité de deux ans. Si le stage n'est pas accompli à l'issue de ce délai, le candidat doit représenter les examens.
  Le programme de stage des instructeurs d'école de conduite comprend :
  1° les principes de base du fonctionnement d'une école de conduite;
  2° l'assistance aux cours théoriques et pratiques et évaluation;
  3° l'enseignement, en ce compris la préparation des cours et l'évaluation;
  4° l'initiation à l'organisation des centres d'examen et assistance aux examens pratiques.
  § 3. Le stage a lieu sous la surveillance d'un maître de stage. Ne peut être maitre de stage que le directeur d'école de conduite, le directeur adjoint ou l'instructeur titulaire depuis au moins deux ans du brevet correspondant; le maître de stage ne peut être employé que dans une seule école de conduite.
  [1 Dans le cas où le candidat au brevet III effectue son stage dans plusieurs écoles de conduite, le stage a lieu sous la surveillance d'un maître de stage dans chaque école de conduite.]1
  Le nombre de stagiaires ne peut dépasser le tiers du nombre des instructeurs de l'école de conduite, sauf pour les écoles de conduite ayant moins de trois instructeurs où le nombre maximum est d'un stagiaire.
  Un maître de stage ne peut se charger de plus de deux stagiaires en même temps.
  § 4. Le maître de stage doit former scrupuleusement le stagiaire, conformément aux dispositions du programme de stage visé au § 2.
  Pour les stages en vue de l'obtention des brevets II, III, IV et V, le maître de stage ou un instructeur ayant une expérience de deux ans au moins est présent lors des cours théoriques et pratiques dispensés par le stagiaire jusqu'à ce que le maître de stage puisse garantir que le stagiaire est apte à dispenser un enseignement efficace et utile. Il doit également pouvoir garantir que le stagiaire réagit de façon adaptée en cas de danger lors de l'enseignement pratique.
  La moitié du nombre d'heures de stage est suivie par un instructeur ayant au moins deux ans d'expérience, dont le maître de stage lui-même pour la moitié de ces heures.
  Le maître de stage participe à la préparation des leçons.
  Le Ministre peut interdire à un instructeur, après son audition préalable, d'être maître de stage s'il ne répond pas aux conditions prévues au § 3 ou lui interdire de continuer à être maitre de stage s'il ne respecte les obligations visées aux alinéas 1er, 2, 3 et 4.
  Le Ministre ou son délégué peut désigner une école de conduite à accepter des stagiaires si un stagiaire fournit la preuve qu'il ne sait pas trouver une école de conduite pour faire son stage.
  § 5. Le stagiaire tient un formulaire " déroulement du stage " dont le modèle est déterminé par le Ministre. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 7 et annexe 7.)
  Ce formulaire mentionne par ordre chronologique les données sur la formation pratique et l'enseignement dispensé avec ou sans surveillance. Il est signé par le stagiaire et le maître de stage. A la fin du stage, il est joint à l'attestation de stage.
  [1 Lorsque le candidat au brevet III a effectué son stage dans plusieurs écoles de conduite, il tient un formulaire " déroulement de stage " pour chaque maître de stage qui le suit. Chacun de ces maîtres de stage signe le formulaire qui le concerne.]1
  § 6. Le directeur d'école de conduite ou le directeur adjoint délivre au stagiaire une attestation de stage dont le modèle est fixé par le Ministre et par laquelle il est établi que le candidat au brevet a satisfait aux obligations du stage. Une copie de l'attestation de stage, signée par le directeur d'école de conduite et le stagiaire, est envoyée à l'administration au plus tard un mois après la fin du stage. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 8 et annexe 8.)
  [1 Lorsque le candidat au brevet III a effectué son stage dans plusieurs écoles de conduite, le directeur ou le directeur adjoint de chacune de ces écoles de conduite délivre au stagiaire une attestation de stage dont le modèle est établi par le Ministre.]1
  L'attestation de stage perd sa validité à l'issue d'un délai de deux ans à compter de la réussite de l'épreuve écrite et orale ou après trois échecs à la leçon modèle.
  Pour autant que l'autorisation de stage soit encore valable, le Ministre ou son délégué peut, sur demande motivée du stagiaire ou du maître de stage, autoriser le stagiaire à poursuivre son stage avec un autre maître de stage.
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 33. § 1. De kandidaten voor het brevet II, [1 ...]1 , IV of V moeten, na in de [2 schriftelijke proef]2 geslaagd te zijn en voor ze de modelles geven, een stage in een erkende rijschool doen, in de hoedanigheid van instructeur in het vak dat met het gevraagde brevet overeenstemt. Voor elk brevet, moeten zij een minimumaantal uren les geven :
  - brevet II : 300 uur,
  - [1 ...]1
  - brevet IV : [2 300 uur]2,
  - brevet V : 300 uur.
  [1 De kandidaten voor het brevet III doorlopen, na het slagen voor de [2 schriftelijke proef]2 en vóór het afleggen van de modelles, een stage als instructeur in de discipline overeenkomstig het brevet III, in één of meerdere erkende rijscholen of in het kader van lessen gegeven door één of meerdere erkende rijscholen buiten hun lokalen. Zij moeten minimaal 76 uren les geven.]1
  Voor de kandidaten die de in artikel 26, § 2 bedoeld opleiding hebben gevolgd, wordt dit minimum verlaagd [2 tot 3/4]2 van het hierboven bepaalde minimum.
  De kandidaat voor een brevet van rijschoolinstructeur, die reeds houder is van een ander brevet, moet een stage verrichten waarin hij les geeft gedurende het equivalent van 2/3 van het minimum van de uren voorzien in het eerste lid.
  De stage mag hoogstens vijfendertig uur per week duren.
  § 2. Na het slagen voor de [2 schriftelijke proef]2 geeft de Minister of zijn gemachtigde een stagetoelating af. Deze toelating is [2 drie jaar]2 geldig. Indien de stage na deze periode niet vervuld is, moet de kandidaat de examens opnieuw afleggen.
  [2 De stagetoelating verliest zijn geldigheid na drie mislukkingen voor de modelles.]2
  Het stageprogramma van de rijschoolinstructeurs omvat :
  1° basisprincipes van de werking van een rijschool;
  2° bijwonen van theoretische, praktische en evaluatielessen;
  3° onderricht, met inbegrip van de voorbereiding van de lessen en de evaluatie;
  4° inleiding in de organisatie van de examencentra en het bijwonen van praktische examens.
  § 3. De stage vindt plaats onder toezicht van een stagemeester. Enkel de rijschooldirecteur, de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur die ten minste twee jaar houder is van het overeenstemmende brevet en die slechts in één rijschool tewerkgesteld is, kan stagemeester zijn.
  [1 In het geval dat de kandidaat voor het brevet III zijn stage in meerdere rijscholen doorloopt, verloopt de stage onder het toezicht van een stagemeester in iedere rijschool.]1
  Het aantal stagiairs mag niet meer dan een derde van het aantal instructeurs bedragen, behalve voor de rijscholen met minder dan drie rijschoolinstructeurs waar het maximum aantal één stagiair is.
  Een stagemeester mag niet meer dan twee stagairs tegelijk onder zijn hoede hebben.
  § 4. De stagemeester moet de stagiair nauwlettend opleiden, overeenkomstig het in § 2 bepaalde stageprogramma.
  Voor de stages voor brevet II, III, IV en V moet de stagemeester of een instructeur met minstens twee jaar ervaring bij de theoretische en praktische lessen, die door de stagiair gegeven worden, aanwezig zijn, tot de stagemeester kan waarborgen dat de stagiair geschikt is om een doeltreffend en nuttig onderricht te verstrekken. Hij moet eveneens kunnen waarborgen dat de stagiair bij gevaar tijdens het praktische onderricht passend kan reageren.
  De helft van de stage-uren moet door een instructeur met minstens twee jaar ervaring gevolgd worden, en de helft van die uren door de stagemeester zelf.
  De stagemeester neemt deel aan de voorbereiding van de lessen.
  De Minister kan een instructeur, na zijn voorafgaande verhoor, verbieden om stagemeester te zijn, als hij niet voldoet aan de in § 3 gestelde voorwaarden of hem verbieden om verder stagemeester te blijven als hij de verplichtingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid niet naleeft.
  De Minister of zijn gemachtigde kan een rijschool aanduiden om stagiairs aan te nemen als een stagiair kan aantonen dat hij geen rijschool vindt waar hij zijn stage kan volbrengen.
  [2 De minister of zijn gemachtigde verklaart de door de stagiair afgelegde stage-uren als ongeldig indien niet aan de voorwaarden beschreven in de § 3 en § 4 is voldaan.
   Als de stagiair niet is geslaagd voor de modelles, begint hij opnieuw de stage bedoeld in § 1, eerste lid.]2

  § 5. De stagiair houdt een formulier " stageverloop " bij, waarvan het model door de Minister bepaald wordt. (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 7 en bijlage 7.)
  Het formulier moet in chronologische volgorde de gegevens over de praktische opleiding en de onder of zonder toezicht gegeven lessen vermelden. Het wordt door de stagiair en de stagemeester ondertekend. Het wordt aan het einde van de stage bij het stageattest gevoegd.
  [1 Wanneer de kandidaat voor het brevet III zijn stage in meerdere rijscholen doorloopt, houdt hij een formulier " stageverloop " bij voor iedere stagemeester die hem volgt. Iedere stagemeester ondertekent het formulier dat hem betreft.]1
  § 6. De rijschooldirecteur of de adjunct-directeur geeft de stagiair een stageattest af, waarvan het model door de Minister bepaald wordt en waarin bevestigd wordt dat de kandidaat voor het brevet de stageverplichtingen vervuld heeft. Een kopie van het door de rijschooldirecteur en de stagiair ondertekende stageattest moet ten laatste een maand na het einde van de stage naar het bestuur gezonden worden. [2 De kandidaat kan gedurende de periode tussen het opsturen van het stageattest en het verkrijgen van de instructietoelating onderricht blijven verstrekken en de daarbij behorende taken blijven uitvoeren als kandidaat-instructeur, uitsluitend bij de rijschool waar de kandidaat de stage heeft doorlopen.]2 (NOTA : voor het model, zie MB 2005-03-30/32, art. 8 en bijlage 8.)
  [1 Wanneer de kandidaat voor het brevet III zijn stage doorloopt in meerdere rijscholen, levert de directeur of de adjunct-directeur van elk van deze rijscholen aan de stagiair een stageattest af waarvan het model voorgeschreven wordt door de Minister.]1
  [2 Het stageattest verliest zijn geldigheid na twee jaar, te rekenen vanaf het slagen voor de schriftelijke [3 en mondelinge]3 proef.]2
  Voor zover de stagetoelating nog geldig is, kan de Minister of zijn gemachtigde, op het met redenen omklede verzoek van de stagiair of de stagemeester, de stagiair toestaan om zijn stage met een andere stagemeester verder te zetten.
  
§ 1er. Les candidats au brevet II, [1 ...]1 , IV ou V effectuent, après la réussite [2 de l'épreuve écrite]2 et avant de présenter la leçon modèle, un stage en qualité d'instructeur, dans la discipline correspondant au brevet demandé, dans une école de conduite agréée. Pour chaque brevet, ils dispensent l'enseignement pendant un minimum d'heures :
  - brevet II : 300 heures,
  - [1 ...]1
  - brevet IV : [2 300 heures]2,
  - brevet V : 300 heures.
  [1 Les candidats au brevet III effectuent, après la réussite [2 de l'épreuve écrite]2 et avant de présenter la leçon modèle, un stage en qualité d'instructeur, dans la discipline correspondant au brevet III, dans une ou plusieurs écoles de conduite agréées ou dans le cadre de cours dispensés par une ou plusieurs écoles de conduite agréées en dehors de leurs locaux. Ils dispensent l'enseignement pendant une durée minimale de 76 heures.]1
  Pour les candidats qui ont suivi la formation préalable prévue à l'article 26, § 2, ce minimum d'heures est réduit [2 à 3/4]2 du minimum d'heures défini ci-dessus.
  Le candidat à un brevet d'instructeur qui est déjà titulaire d'un autre brevet effectue un stage durant lequel il dispense l'enseignement pendant l'équivalent de 2/3 du minimum d'heures prévues à l'alinéa premier.
  La durée hebdomadaire du stage est de maximum trente-cinq heures.
  § 2. Après la réussite [2 de l'épreuve écrite]2, le Ministre ou son délégué délivre une autorisation de stage. Cette autorisation a une validité de [2 trois ans]2. Si le stage n'est pas accompli à l'issue de ce délai, le candidat doit représenter les examens.
  [2 L'autorisation de stage perd sa validité après trois échecs à la leçon modèle.]2
  Le programme de stage des instructeurs d'école de conduite comprend :
  1° les principes de base du fonctionnement d'une école de conduite;
  2° l'assistance aux cours théoriques et pratiques et évaluation;
  3° l'enseignement, en ce compris la préparation des cours et l'évaluation;
  4° l'initiation à l'organisation des centres d'examen et assistance aux examens pratiques.
  § 3. Le stage a lieu sous la surveillance d'un maître de stage. Ne peut être maitre de stage que le directeur d'école de conduite, le directeur adjoint ou l'instructeur titulaire depuis au moins deux ans du brevet correspondant; le maître de stage ne peut être employé que dans une seule école de conduite.
  [1 Dans le cas où le candidat au brevet III effectue son stage dans plusieurs écoles de conduite, le stage a lieu sous la surveillance d'un maître de stage dans chaque école de conduite.]1
  Le nombre de stagiaires ne peut dépasser le tiers du nombre des instructeurs de l'école de conduite, sauf pour les écoles de conduite ayant moins de trois instructeurs où le nombre maximum est d'un stagiaire.
  Un maître de stage ne peut se charger de plus de deux stagiaires en même temps.
  § 4. Le maître de stage doit former scrupuleusement le stagiaire, conformément aux dispositions du programme de stage visé au § 2.
  Pour les stages en vue de l'obtention des brevets II, III, IV et V, le maître de stage ou un instructeur ayant une expérience de deux ans au moins est présent lors des cours théoriques et pratiques dispensés par le stagiaire jusqu'à ce que le maître de stage puisse garantir que le stagiaire est apte à dispenser un enseignement efficace et utile. Il doit également pouvoir garantir que le stagiaire réagit de façon adaptée en cas de danger lors de l'enseignement pratique.
  La moitié du nombre d'heures de stage est suivie par un instructeur ayant au moins deux ans d'expérience, dont le maître de stage lui-même pour la moitié de ces heures.
  Le maître de stage participe à la préparation des leçons.
  Le Ministre peut interdire à un instructeur, après son audition préalable, d'être maître de stage s'il ne répond pas aux conditions prévues au § 3 ou lui interdire de continuer à être maitre de stage s'il ne respecte les obligations visées aux alinéas 1er, 2, 3 et 4.
  Le Ministre ou son délégué peut désigner une école de conduite à accepter des stagiaires si un stagiaire fournit la preuve qu'il ne sait pas trouver une école de conduite pour faire son stage.
  [2 Le ministre ou son délégué annule les heures de stage effectuées par le stagiaire, si les conditions fixées dans les § 3 et § 4 ne sont pas remplies.
   Si le stagiaire a échoué à la leçon-modèle, il recommence le stage prévu au § 1er, alinéa 1er.]2

  § 5. Le stagiaire tient un formulaire " déroulement du stage " dont le modèle est déterminé par le Ministre. (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 7 et annexe 7.)
  Ce formulaire mentionne par ordre chronologique les données sur la formation pratique et l'enseignement dispensé avec ou sans surveillance. Il est signé par le stagiaire et le maître de stage. A la fin du stage, il est joint à l'attestation de stage.
  [1 Lorsque le candidat au brevet III a effectué son stage dans plusieurs écoles de conduite, il tient un formulaire " déroulement de stage " pour chaque maître de stage qui le suit. Chacun de ces maîtres de stage signe le formulaire qui le concerne.]1
  § 6. Le directeur d'école de conduite ou le directeur adjoint délivre au stagiaire une attestation de stage dont le modèle est fixé par le Ministre et par laquelle il est établi que le candidat au brevet a satisfait aux obligations du stage. Une copie de l'attestation de stage, signée par le directeur d'école de conduite et le stagiaire, est envoyée à l'administration au plus tard un mois après la fin du stage. [2 Pendant la période comprise entre l'envoi de l'attestation de stage et l'obtention de l'autorisation d'enseigner, le candidat peut continuer à enseigner et à exécuter les tâches y relatives à titre de candidat-instructeur, uniquement au sein de l'école de conduite dans laquelle il a effectué son stage.]2 (NOTE : pour le modèle, voir AM 2005-03-30/32, art. 8 et annexe 8.)
  [1 Lorsque le candidat au brevet III a effectué son stage dans plusieurs écoles de conduite, le directeur ou le directeur adjoint de chacune de ces écoles de conduite délivre au stagiaire une attestation de stage dont le modèle est établi par le Ministre.]1
  [2 L'attestation de stage perd sa validité à l'issue d'un délai de deux ans à compter de la réussite de l'épreuve écrite [3 et orale]3.]2
  Pour autant que l'autorisation de stage soit encore valable, le Ministre ou son délégué peut, sur demande motivée du stagiaire ou du maître de stage, autoriser le stagiaire à poursuivre son stage avec un autre maître de stage.
  
HOOFDSTUK IV. - Examencommissie.
CHAPITRE IV. - Jury d'examen.
Art. 34. § 1. Er wordt een examencommissie voor de brevetten van beroepsbekwaamheid opgericht.
  De examencommissie bestaat uit drie kamers, voor de examens die respectievelijk in het Nederlands, in het Frans en in het Duits afgelegd worden.
  De examencommissie mag niet meer dan 25 % van haar leden tellen die houder zijn van een brevet I.
  § 2. [1 De Minister of zijn gemachtigde benoemt de leden van de examencommissie voor een termijn van een jaar. Na dit jaar wordt de benoeming van rechtswege voor één jaar hernieuwd, behalve bij een andersluidende beslissing. Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon, benoemd in de loop ervan, benoemd voor de overblijvende duur.]1
  [1 De criteria en de procedure van selectie van de leden van de examencommissie worden vastgelegd in bijlage 4.]1
  Zodra de leden van de examencommissie 70 jaar worden, wordt er van rechtswege een einde aan hun functies gesteld.
  § 3. De Minister [1 of zijn gemachtigde]1 wijst onder de leden van de examencommissie een voorzitter aan, alsook drie kamervoorzitters en ondervoorzitters, en een vertegenwoordiger van de Minister, titularis van een graad van niveau A.
  De Minister of zijn gemachtigde benoemt de secretarissen en de helpers van de examencommissie voor een termijn van vijf jaar. Na die vijf jaar wordt de benoeming van rechtswege voor vijf jaar hernieuwd, behalve bij een andersluidende beslissing. Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon die in de loop ervan benoemd wordt,benoemd voor de overblijvende duur.
  
Art. 34. § 1er. Il est institué un jury d'examen en matière de brevets d'aptitude professionnelle.
  Le jury d'examen comporte trois chambres, pour les examens présentés respectivement en langue française, en langue néerlandaise et en langue allemande.
  Le jury d'examen ne peut comporter plus de 25 % de membres titulaires du brevet I.
  § 2. [1 Les membres du jury d'examen sont nommés par le ministre ou son délégué pour une période d'un an. A l'issue de cette période d'un an, et sauf décision contraire, la nomination est renouvelée de plein droit pour une période d'un an. Lorsqu'un mandat devient vacant au sein du jury d'examen, la personne nommée au cours du mandat l'est pour la durée du mandat qui reste à courir.]1
  [1 Les critères et la procédure de sélection des membres du jury d'examen sont fixés à l'annexe 4.]1
  Il est mis fin de plein droit aux fonctions des membres du jury d'examen qui atteignent l'âge de 70 ans.
  § 3. Le Ministre [1 ou son délégué]1 désigne, parmi les membres du jury d'examen, un président, et trois présidents de chambre, ainsi que des vice-présidents, et un représentant du Ministre, titulaire d'un grade de niveau A.
  Le Ministre ou son délégué désigne les secrétaires et les auxiliaires du jury d'examen pour une période de cinq ans. A l'issue de cette période de cinq ans, et sauf décision contraire, la nomination est renouvelée de plein droit pour une période de cinq ans. Lorsqu'un mandat devient vacant au sein du jury d'examen, la personne nommée au cours du mandat l'est pour la durée du mandat qui reste à courir.
  
Art. 34_WAALS_GEWEST.    § 1. Er wordt een examencommissie voor de brevetten van beroepsbekwaamheid opgericht.
  De examencommissie bestaat uit drie kamers, voor de examens die respectievelijk in het Nederlands, in het Frans en in het Duits afgelegd worden.
  De examencommissie mag niet meer dan 25 % van haar leden tellen die houder zijn van een brevet I.
  § 2. [1 De Minister of zijn gemachtigde benoemt de leden van de examencommissie voor een termijn van een jaar. Na dit jaar wordt de benoeming van rechtswege voor één jaar hernieuwd, behalve bij een andersluidende beslissing. Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon, benoemd in de loop ervan, benoemd voor de overblijvende duur.]1
  [1 De criteria en de procedure van selectie van de leden van de examencommissie worden vastgelegd in bijlage 4.]1
  [2 ...]2
  § 3. De Minister [1 of zijn gemachtigde]1 wijst onder de leden van de examencommissie een voorzitter aan, alsook drie kamervoorzitters en ondervoorzitters, en een vertegenwoordiger van de Minister, titularis van een graad van niveau A.
  De Minister of zijn gemachtigde benoemt de secretarissen en de helpers van de examencommissie voor een termijn van vijf jaar. Na die vijf jaar wordt de benoeming van rechtswege voor vijf jaar hernieuwd, behalve bij een andersluidende beslissing. Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon die in de loop ervan benoemd wordt,benoemd voor de overblijvende duur.
Art. 34 _REGION_WALLONNE.
   § 1er. Il est institué un jury d'examen en matière de brevets d'aptitude professionnelle.
  Le jury d'examen comporte trois chambres, pour les examens présentés respectivement en langue française, en langue néerlandaise et en langue allemande.
  Le jury d'examen ne peut comporter plus de 25 % de membres titulaires du brevet I.
  § 2. [1 Les membres du jury d'examen sont nommés par le ministre ou son délégué pour une période d'un an. A l'issue de cette période d'un an, et sauf décision contraire, la nomination est renouvelée de plein droit pour une période d'un an. Lorsqu'un mandat devient vacant au sein du jury d'examen, la personne nommée au cours du mandat l'est pour la durée du mandat qui reste à courir.]1
  [1 Les critères et la procédure de sélection des membres du jury d'examen sont fixés à l'annexe 4.]1
  [2 ...]2
  § 3. Le Ministre [1 ou son délégué]1 désigne, parmi les membres du jury d'examen, un président, et trois présidents de chambre, ainsi que des vice-présidents, et un représentant du Ministre, titulaire d'un grade de niveau A.
  Le Ministre ou son délégué désigne les secrétaires et les auxiliaires du jury d'examen pour une période de cinq ans. A l'issue de cette période de cinq ans, et sauf décision contraire, la nomination est renouvelée de plein droit pour une période de cinq ans. Lorsqu'un mandat devient vacant au sein du jury d'examen, la personne nommée au cours du mandat l'est pour la durée du mandat qui reste à courir.
Art. 34_VLAAMS_GEWEST.    § 1. Er wordt een examencommissie voor de brevetten van beroepsbekwaamheid opgericht.
  [2 ...]2
  De examencommissie mag niet meer dan 25 % van haar leden tellen die houder zijn van een brevet I.
  § 2. [1 De Minister of zijn gemachtigde benoemt de leden van de examencommissie voor een termijn van een jaar. Na dit jaar wordt de benoeming van rechtswege voor één jaar hernieuwd, behalve bij een andersluidende beslissing. Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon, benoemd in de loop ervan, benoemd voor de overblijvende duur.]1
  [1 De criteria en de procedure van selectie van de leden van de examencommissie worden vastgelegd in bijlage 4.]1
  Zodra de leden van de examencommissie 70 jaar worden, wordt er van rechtswege een einde aan hun functies gesteld.
  § 3. De Minister [1 of zijn gemachtigde]1 wijst onder de leden van de examencommissie een voorzitter aan, alsook [2 een ondervoorzitter]2, en een vertegenwoordiger van de Minister, titularis van een graad van niveau A.
  De Minister of zijn gemachtigde benoemt de secretarissen en de helpers van de examencommissie voor een termijn van vijf jaar. Na die vijf jaar wordt de benoeming van rechtswege voor vijf jaar hernieuwd, behalve bij een andersluidende beslissing. Wanneer in de examencommissie een mandaat onbezet raakt, blijft de persoon die in de loop ervan benoemd wordt,benoemd voor de overblijvende duur.
Art. 34 _REGION_FLAMANDE.
   § 1er. Il est institué un jury d'examen en matière de brevets d'aptitude professionnelle.
  [2 ...]2
  Le jury d'examen ne peut comporter plus de 25 % de membres titulaires du brevet I.
  § 2. [1 Les membres du jury d'examen sont nommés par le ministre ou son délégué pour une période d'un an. A l'issue de cette période d'un an, et sauf décision contraire, la nomination est renouvelée de plein droit pour une période d'un an. Lorsqu'un mandat devient vacant au sein du jury d'examen, la personne nommée au cours du mandat l'est pour la durée du mandat qui reste à courir.]1
  [1 Les critères et la procédure de sélection des membres du jury d'examen sont fixés à l'annexe 4.]1
  Il est mis fin de plein droit aux fonctions des membres du jury d'examen qui atteignent l'âge de 70 ans.
  § 3. Le Ministre [1 ou son délégué]1 désigne, parmi les membres du jury d'examen, un président, et [2 un vice-président]2, et un représentant du Ministre, titulaire d'un grade de niveau A.
  Le Ministre ou son délégué désigne les secrétaires et les auxiliaires du jury d'examen pour une période de cinq ans. A l'issue de cette période de cinq ans, et sauf décision contraire, la nomination est renouvelée de plein droit pour une période de cinq ans. Lorsqu'un mandat devient vacant au sein du jury d'examen, la personne nommée au cours du mandat l'est pour la durée du mandat qui reste à courir.
Art. 35. § 1. De voorzitters, de leden, de secretarissen en de helpers van de examencommissie krijgen ten laste van de Schatkist een vergoeding, waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
  1° aan de voorzitter en de leden wordt een vergoeding van 17,5 euro (per gepresteerd half uur) toegekend; <KB 2006-02-14/41, art. 1, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  2° aan de secretarissen wordt een vergoeding van 8 euro (per gepresteerd half uur) toegekend; <KB 2006-02-14/41, art. 1, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  3° aan de helpers wordt een vergoeding van 7 euro (per gepresteerd half uur) toegekend. <KB 2006-02-14/41, art. 1, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  De leden, secretarissen en helpers die rijksambtenaar zijn, hebben slechts recht op vergoedingen voor de buiten de reglementaire werkuren verrichte prestaties.
  § 2. (Zij worden bovendien vergoed voor de verblijfs- en verplaatsingskosten die de uitvoering van hun opdracht meebrengt, overeenkomstig de voor het rijkspersoneel geldende bepalingen.) <KB 2006-02-14/41, art. 1, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  Voor de toepassing van deze bepalingen worden de voorzitters en de leden van de examencommissie gelijkgesteld met de titularissen van een functie van niveau A, en de secretarissen en de helpers met de titularissen van een functie van niveau B.
Art. 35. § 1er. Les présidents, membres, secrétaires et auxiliaires du jury d'examen sont rémunérés par des allocations à charge du Trésor, dont le montant est fixé comme suit :
  1° au président et aux membres, il est attribué une allocation (par demi-heure prestée) de 17, 5 euros; <AR 2006-02-14/41, art. 1, 1°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  2° aux secrétaires, il est attribué une allocation (par demi-heure prestée) de 8 euros; <AR 2006-02-14/41, art. 1, 1°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  3° aux auxiliaires, il est attribué une allocation (par demi-heure prestée) de 7 euros. <AR 2006-02-14/41, art. 1, 1°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  Les membres, secrétaires et auxiliaires qui sont agents de l'Etat n'ont droit aux allocations que pour les prestations accomplies en dehors des heures de service réglementaires.
  § 2. (Ils sont en outre indemnisés des frais de séjour et de déplacement que leur occasionne leur mission, conformément aux dispositions en vigueur pour les agents de l'Etat.) <AR 2006-02-14/41, art. 1, 2°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  Pour l'application de ces dispositions, les présidents et membres du jury d'examen sont assimilés aux titulaires d'une fonction de niveau A, les secrétaires et auxiliaires aux titulaires d'une fonction de niveau B.
Art. 35_VLAAMS_GEWEST.    § 1. [1 De voorzitter, de leden, de secretaris en de helpers van de examencommissie krijgen een vergoeding, waarvan het bedrag als volgt wordt samengesteld:
   1° aan de voorzitter en de leden wordt een vergoeding van 17,50 euro per gepresteerd halfuur toegekend;
   2° aan de secretaris wordt een vergoeding van 8 euro per gepresteerd halfuur toegekend;
   3° aan de helpers wordt een vergoeding van 7 euro per gepresteerd halfuur toegekend.
   De leden, de secretaris en de helpers die tot het Vlaamse overheidspersoneel behoren, hebben alleen recht op vergoedingen voor de prestaties die verricht zijn buiten de reglementaire werkuren.]1

  § 2. (Zij worden bovendien vergoed voor de verblijfs- en verplaatsingskosten die de uitvoering van hun opdracht meebrengt, overeenkomstig de voor het [1 Vlaamse overheidspersoneel]1 geldende bepalingen.) <KB 2006-02-14/41, art. 1, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  [1 Voor de toepassing van deze bepalingen worden de voorzitter en de leden van de examencommissie gelijkgesteld met de titularissen van een functie van niveau A, en de secretaris en de helpers met de titularissen van een functie B.]1
  
Art. 35 _REGION_FLAMANDE.
   § 1er. [1 Le président, les membres, le secrétaire et les auxiliaires du jury d'examen sont rémunérés par des allocations, dont le montant est fixé comme suit :
   1° au président et aux membres, il est attribué une allocation par demi-heure prestée de 17, 5 euros ;
   2° au secrétaire, il est attribué une allocation par demi-heure prestée de 8 euros ;
   3° aux auxiliaires, il est attribué une allocation par demi-heure prestée de 7 euros.
   Les membres, le secrétaire et les auxiliaires qui appartiennent au personnel de la fonction publique flamande n'ont droit aux allocations que pour les prestations accomplies en dehors des heures de service réglementaires.]1

  § 2. (Ils sont en outre indemnisés des frais de séjour et de déplacement que leur occasionne leur mission, conformément aux dispositions en vigueur pour [1 les membres du personnel de la fonction publique flamande]1.) <AR 2006-02-14/41, art. 1, 2°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  [1 Pour l'application de ces dispositions, le président et les membres du jury d'examen sont assimilés aux titulaires d'une fonction de niveau A, et le secrétaire et les auxiliaires aux titulaires d'une fonction de niveau B.]1
  
Art. 36. De kamers stellen in gemeenschappelijk overleg hun huishoudelijk reglement vast, dat door de Minister moet goedgekeurd worden.
Art. 36. Les chambres fixent en commun accord leur règlement d'ordre intérieur qui est approuvé par le Ministre.
Art. 36_VLAAMS_GEWEST.    [1 De examencommissie stelt zijn huishoudelijk reglement vast, dat door de Minister wordt goedgekeurd.]1
  
Art. 36 _REGION_FLAMANDE.
   [1 Le jury d'examen établit son règlement d'ordre intérieur qui est approuvé par le Ministre.]1
  
Art. 37. De Minister of zijn gemachtigde organiseert de examenzittingen, stelt de plaats en datum ervan vast, brengt ze ter kennis van het publiek en bepaalt de inschrijvingswijze voor de examens.
  Er worden minstens drie sessies per jaar georganiseerd.
Art. 37. Le Ministre ou son délégué organise les sessions d'examens, en fixe le lieu et la date, les porte à la connaissance du public et détermine les modalités d'inscription aux examens.
  Au moins trois sessions par an sont organisées.
Art. 38. Het inschrijvingsgeld voor het examen is vastgesteld op 25 euro. De Minister bepaalt de betalingswijze van het inschrijvingsgeld.
  [1 In gevallen van overmacht kan het inschrijvingsgeld worden terugbetaald door beslissing van de minister of van zijn gemachtigde.]1
  
Art. 38. Le droit d'inscription à l'examen est fixé à 25 euros. Le Ministre fixe les modalités de payement du droit d'inscription.
  [1 En cas de force majeure, le droit d'inscription peut être remboursé par décision du ministre ou de son délégué.]1
  
HOOFDSTUK V. [1 Opleidingen voor instructeurs om het vormingsmoment te geven]1
CHAPITRE V. [1 Formations des instructeurs chargés de dispenser le moment de formation]1
Art. 38bis_VLAAMS_GEWEST. [1 De instructeurs die over een geldig beroepsbekwaamheidsbrevet II of III als vermeld in artikel 24 van dit besluit, beschikken, worden toegelaten tot elk van de volgende opleidingen:
   1А de opleiding voor instructeurs die het vormingsmoment geven, vermeld in hoofdstuk III/1 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006;
   2А de opleiding online lesgeven.]1

  
Art. 38bis _REGION_FLAMANDE.[1 Les instructeurs titulaires du brevet de compétence professionnelle II ou III en cours de validité, tels que visés à l'article 24 du présent arrêté, sont admis à chacune des formations suivantes :
   1° la formation des instructeurs qui dispensent le moment de formation visée au chapitre III/1 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 ;
   2° la formation d'enseignement en ligne.]1

  
Art. 38ter_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. De opleidingen, vermeld in artikel 38bis, worden georganiseerd door organisaties van nationale en internationale experten en worden ter plaatse of online gegeven.
   De opleidingen, vermeld in artikel 38bis, duren elk minstens zeven uur.
   De organisaties van nationale en internationale experten geven minstens drie werkdagen voordat elk van de opleidingen, vermeld in artikel 38bis, wordt gegeven, de planning van elk van voormelde opleidingen door en bezorgen het bestuur op digitale wijze de volgende gegevens conform de regels die het bestuur bepaalt:
   1А de naam van de organisator van de opleiding;
   2А de naam en de voornaam van de lesgever van de opleiding;
   3А het rijksregisternummer of het bisnummer van de lesgever van de opleiding;
   4А de opleiding, vermeld in artikel 38bis, die wordt gegeven;
   5А de wijze waarop de opleiding wordt gegeven;
   6А de datum waarop de opleiding wordt gegeven;
   7А het begin- en het einduur van de opleiding;
   8А de locatie waar de opleiding wordt gegeven als de opleiding niet online wordt gegeven;
   9А de link naar het digitaal platform, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, waarmee de opleiding online wordt gegeven.
   § 2. Als de opleidingen, vermeld in artikel 38bis, online worden gegeven, worden de opleidingen live gegeven via een digitaal platform en voldoen ze aan de volgende voorwaarden:
   1А alle deelnemers zijn steeds visueel zichtbaar voor de lesgever van de opleiding en voor de andere deelnemers;
   2А alle deelnemers kunnen communiceren met de lesgever en met elkaar;
   3А er worden actieve werkvormen gebruikt.
   In deze paragraaf wordt verstaan onder actieve werkvormen: de wijze waarop de onderwijsleersituatie wordt vormgegeven, waarbij van de deelnemers een actie die anders is dan zuiver lezen, luisteren of kijken, wordt gevraagd.
   § 3. De opleidingen, vermeld in artikel 38bis, kunnen slechts gegeven worden aan maximaal twintig deelnemers per opleidingssessie.]1

  
Art. 38ter _REGION_FLAMANDE.[1 § 1er. Les formations visées à l'article 38bis sont organisées par des organisations d'experts nationaux et internationaux et sont dispensées sur place ou en ligne.
   Les formations visées à l'article 38bis durent chacune au moins sept heures.
   Les organisations d'experts nationaux et internationaux remettent trois jours ouvrables au moins avant que chacune des formations visées à l'article 38bis soit dispensée, le planning de chacune des formations précitées et remettent à l'administration, par voie numérique, les données suivantes conformément aux règles fixées par l'administration :
   1° le nom de l'organisateur de la formation ;
   2° les nom et prénom de l'enseignant de la formation ;
   3° le numéro de registre national ou numéro bis de l'enseignant de la formation ;
   4° la formation dispensée visée à l'article 38bis ;
   5° la façon dont la formation est dispensée ;
   6° la date à laquelle la formation est dispensée ;
   7° l'heure de début et de fin de la formation ;
   8° l'endroit où la formation est dispensée, si elle n'est pas dispensée en ligne ;
   9° le lien vers la plateforme numérique visée au paragraphe 2, alinéa 1er, via laquelle la formation est dispensée en ligne ;
   § 2. Si les formations visées à l'article 38bis sont dispensées en ligne, les formations sont dispensées en direct via une plateforme numérique et remplissent les conditions suivantes :
   1° tous les participants sont toujours visibles pour l'enseignant de la formation et pour les autres participants ;
   2° tous les participants peuvent communiquer avec l'enseignant et entre eux ;
   3° des formes de travail actives sont utilisées.
   Dans le présent paragraphe, on entend par formes de travail actives la manière dont la situation d'enseignement et d'apprentissage est conçue, exigeant des participants une action autre que la simple lecture, écoute ou observation.
   § 3. Les formations visées à l'article 38bis peuvent uniquement être dispensées à un maximum de vingt participants par session de formation.]1

  
Art. 38quater_VLAAMS_GEWEST. [1 De opleiding, vermeld in artikel 38bis, 1А, mag alleen worden aangeboden als het bestuur voorafgaandelijk goedkeuring heeft verleend aan het programma en het draaiboek van de opleiding.
   Het programma en het draaiboek, vermeld in het eerste lid, bevatten minstens de inhoud, opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.
   De goedkeuring, vermeld in het eerste lid, is geldig voor twee jaar.
   Met het oog op de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, bezorgen de organisatoren van de opleiding, vermeld in artikel 38bis, 1А, conform de regels die het bestuur bepaalt, elke twee jaar een uitgewerkt programma en draaiboek van de opleiding. Ze doen dat minimaal dertig dagen voor de start van de voormelde opleiding of, als een programma en draaiboek al eerder zijn goedgekeurd, minimaal dertig dagen voor de goedkeuring afloopt.]1

  
Art. 38quater _REGION_FLAMANDE.[1 La formation visée à l'article 38bis, 1° peut uniquement être offerte si le programme et le scénario de la formation ont été approuvés au préalable par l'administration.
   Le programme et le scénario visés à l'alinéa 1er comprennent au moins le contenu, repris à l'annexe 5, jointe au présent arrêté.
   L'approbation visée à l'alinéa 1er a une validité de deux ans.
   En vue de l'approbation visée à l'alinéa 1er les organisateurs de la formation visée à l'article 38bis, 1°, remettent tous les deux ans un programme et un scénario détaillés de la formation, conformément aux règles fixées par l'administration. Ils les remettent au minimum trente jours avant le début de la formation précitée, ou, si le programme et le scénario ont déjà été approuvés au préalable, au minimum trente jours avant l'expiration de l'approbation.]1

  
Art. 38quinquies_VLAAMS_GEWEST. [1 Na afloop van elk van de opleidingen, vermeld in artikel 38bis, reikt de organisator van die opleiding aan de instructeur die de opleiding volledig heeft gevolgd, een getuigschrift uit, waarvan de minister het model bepaalt.
   Het getuigschrift, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende gegevens:
   1А de naam van de organisator van de opleiding;
   2А de naam en de voornaam van de instructeur;
   3А het rijksregisternummer of het bisnummer van de instructeur;
   4А de opleiding, vermeld in artikel 38bis, die werd gevolgd en de duur van de opleiding;
   5А de datum van de gevolgde opleiding;
   6А de bevestiging dat de instructeur de opleiding volledig heeft gevolgd;
   7А de naam en de voornaam van de lesgever van de opleiding;
   8А de handgeschreven of gekwalificeerde elektronische handtekening van de lesgever van de opleiding.
   De schorsing of de intrekking van de instructietoelating heeft van rechtswege de schorsing respectievelijk de intrekking van de getuigschriften die conform het eerste lid na afloop van elk van de opleidingen, vermeld in artikel 38bis, werden uitgereikt, tot gevolg.]1

  
Art. 38quinquies _REGION_FLAMANDE.[1 Au terme de chacune des formations visées à l'article 38bis, l'organisateur de la formation octroie à l'instructeur qui a suivi intégralement la formation un certificat, dont le modèle est fixé par le ministre.
   Le certificat visé à l'alinéa 1er comprend toutes les données suivantes :
   1° le nom de l'organisateur de la formation ;
   2° les nom et prénom de l'instructeur ;
   3° le numéro de registre national ou numéro bis de l'instructeur ;
   4° la formation visée à l'article 38bis, qui a été suivie, et la durée de la formation ;
   5° la date de la formation suivie ;
   6° la confirmation que l'instructeur a intégralement suivi la formation ;
   7° les nom et prénom de l'enseignant de la formation ;
   8° la signature manuscrite ou électronique qualifiée de l'enseignant de la formation.
   La suspension ou le retrait de l'autorisation d'enseigner entraîne de plein droit la suspension ou le retrait des certificats délivrés conformément à l'alinéa 1er au terme de chacune des formations visées à l'article 38bis.]1

  
Art. 38sexies_VLAAMS_GEWEST. [1 Binnen de vijf werkdagen na afloop van elk van de opleidingen, vermeld in artikel 38bis, bezorgt de organisator van de voormelde opleidingen op digitale wijze de gegevens, vermeld in artikel 38quinquies, tweede lid, 1А tot en met 5А, aan het bestuur conform de regels die het bestuur bepaalt.]1
  
Art. 38sexies _REGION_FLAMANDE.[1 Dans les cinq jours ouvrables qui suivent l'issue de chacune des formations visées à l'article 38bis, l'organisateur des formations précitées remet par voie numérique les données visées à l'article 38quinquies, alinéa 2, 1° à 5°, à l'administration conformément aux règles fixées par l'administration.]1
  
Art. 38septies_VLAAMS_GEWEST. [1 De rijschool waar de instructeur zijn functies vervult, houdt een afschrift bij van de getuigschriften die conform artikel 38quinquies, eerste lid, na afloop van elk van de opleidingen werden uitgereikt.]1
  
Art. 38septies _REGION_FLAMANDE.[1 L'école de conduite où l'instructeur remplit ses fonctions conserve une copie des certificats délivrés conformément à l'article 38quinquies, alinéa 1er, au terme de chacune des formations.]1
  
Art. 38octies_VLAAMS_GEWEST. [1 In het jaar waarin de instructeurs een getuigschrift, vermeld in artikel 38quinquies, behalen, wordt de minimumduur van de opleiding, vermeld in artikel 14, Ї 1, tweede lid, voor elk van de opleidingen, vermeld in artikel 38bis, verminderd met zeven uur.]1
  
Art. 38octies _REGION_FLAMANDE. [1 Pour l'année dans laquelle les instructeurs obtiennent un certificat, visé à l'article 38quinquies, la durée minimale de la formation visée à l'article 14, § 1er, alinéa 2, est diminuée de sept heures, pour chacune des formations visées à l'article 38bis.]1
  
TITEL III. - Controle en sancties.
TITRE III. - Contrôle et sanctions.
HOOFDSTUK I. - Controle.
CHAPITRE Ier. - Contrôle.
Art. 39. § 1. De rijscholen volgen de instructies die hun door de Minister of zijn gemachtigde worden gegeven om een einde te maken aan de schending van de regelgeving.
  [1 De door de minister, of zijn gemachtigde, aangewezen ambtenaren of beambten mogen in elke omstandigheid de voor het onderricht en de administratie van de school bestemde lokalen, evenals het oefenterrein, betreden en de theoretische en praktische lessen bijwonen. Zij mogen de boeken en de documentatie van de school, de inschrijvingskaarten van de leerlingen, de dagelijkse fiches, de aanwezigheidslijsten, de inschrijvingsregisters en, in het algemeen, alle bescheiden betreffende de schoolactiviteiten raadplegen. Zij mogen zich, zo nodig, met het oog op het onderzoek een kopie laten overhandigen.]1
  De Minister of zijn gemachtigde controleert de goede werking van de erkende rijscholen.
  [1 De directeur van de rijschool geeft op verzoek van de minister of zijn gemachtigde alle inlichtingen betreffende de toepassing van dit besluit.]1
  § 2. De rijschoolinstructeur of de stagiair leggen op hun verzoek de instructietoelating of de stagetoelating voor aan de in artikel 3, 1° en 2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 betreffende het algemeen reglement over de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg bepaalde bevoegde personen, aan de in artikel 26 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde examinatoren, en aan de in § 1, tweede lid, bedoelde ambtenaren en beambten.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 § 3. Alle personen bedoeld in dit artikel zijn aan het beroepsgeheim gehouden.]1
  
Art. 39. § 1er. Les écoles de conduite se conforment aux instructions qui leur sont données par le Ministre ou son délégué en vue de mettre fin a une violation de la réglementation.
  [1 Les fonctionnaires et agents désignés par le ministre, ou son délégué, peuvent, en toutes circonstances, accéder aux locaux affectés à l'enseignement et à l'administration de l'école, ainsi qu'au terrain d'entraînement et assister aux leçons théoriques et pratiques. Ils peuvent prendre connaissance des livres et de la documentation de l'école, des cartes d'inscription des élèves, des fiches journalières, des listes de présences, des registres d'inscription et, en général, de tous les documents relatifs aux activités de l'école. Ils peuvent, le cas échéant, se faire remettre une copie aux fins d'enquête.]1
  Le Ministre ou son délégué contrôle le bon fonctionnement des écoles de conduite agréées.
  [1 Le directeur d'école de conduite fournit, à la demande du ministre ou de son délégué, tout renseignement concernant l'application du présent arrêté.]1
  § 2. L'instructeur d'école de conduite ou le stagiaire présente, sur leur demande, l'autorisation d'enseigner ou l'autorisation de stage aux agents qualifiés visés à l'article 3, 1° et 2° de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique, aux examinateurs visés à l'article 26 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et aux fonctionnaires et agents visés au § 1er, alinéa 2.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 § 3. Toutes les personnes visées au présent article sont tenues au secret professionnel.]1
  
Art. 39_VLAAMS_GEWEST. § 1. De rijscholen volgen de instructies die hun door de Minister of zijn gemachtigde worden gegeven om een einde te maken aan de schending van de regelgeving.
  [1 De door de minister, of zijn gemachtigde, aangewezen [2 inspecteurs]2 mogen in elke omstandigheid de voor het onderricht en de administratie van de school bestemde lokalen, evenals het oefenterrein, betreden en de theoretische en praktische lessen bijwonen. Zij mogen de boeken en de documentatie van de school, de inschrijvingskaarten van de leerlingen, de dagelijkse fiches, de aanwezigheidslijsten, de inschrijvingsregisters en, in het algemeen, alle bescheiden betreffende de schoolactiviteiten raadplegen. Zij mogen zich, zo nodig, met het oog op het onderzoek een kopie laten overhandigen.]1
  De Minister of zijn gemachtigde controleert de goede werking van de erkende rijscholen.
  [1 De directeur van de rijschool geeft op verzoek van de minister of zijn gemachtigde alle inlichtingen betreffende de toepassing van dit besluit.]1
  § 2. De rijschoolinstructeur of de stagiair leggen op hun verzoek de instructietoelating of de stagetoelating voor aan de in artikel 3, 1° [2 ...]2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 betreffende het algemeen reglement over de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg bepaalde bevoegde personen, aan de in artikel 26 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde examinatoren, en aan de in § 1, tweede lid, bedoelde [2 inspecteurs]2.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 § 3. Alle personen bedoeld in dit artikel zijn aan het beroepsgeheim gehouden.]1
Art. 39 _REGION_FLAMANDE.§ 1er. Les écoles de conduite se conforment aux instructions qui leur sont données par le Ministre ou son délégué en vue de mettre fin a une violation de la réglementation.
  [1 Les [2 inspecteurs]2 désignés par le ministre, ou son délégué, peuvent, en toutes circonstances, accéder aux locaux affectés à l'enseignement et à l'administration de l'école, ainsi qu'au terrain d'entraînement et assister aux leçons théoriques et pratiques. Ils peuvent prendre connaissance des livres et de la documentation de l'école, des cartes d'inscription des élèves, des fiches journalières, des listes de présences, des registres d'inscription et, en général, de tous les documents relatifs aux activités de l'école. Ils peuvent, le cas échéant, se faire remettre une copie aux fins d'enquête.]1
  Le Ministre ou son délégué contrôle le bon fonctionnement des écoles de conduite agréées.
  [1 Le directeur d'école de conduite fournit, à la demande du ministre ou de son délégué, tout renseignement concernant l'application du présent arrêté.]1
  § 2. L'instructeur d'école de conduite ou le stagiaire présente, sur leur demande, l'autorisation d'enseigner ou l'autorisation de stage aux agents qualifiés visés à l'article 3, 1° [2 ...]2 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique, aux examinateurs visés à l'article 26 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et aux [2 inspecteurs]2 visés au § 1er, alinéa 2.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 § 3. Toutes les personnes visées au présent article sont tenues au secret professionnel.]1
Art. 40. De Minister of zijn gemachtigde kan elke instructeur die houder is van een brevet II, IV of V en een instructietoelating verplichten om het in artikel 42 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde geneeskundige onderzoek te ondergaan, wanneer hij kennis heeft - door gelijk welk middel - van de staat van deze laatste.
  De instructietoelating wordt geschorst, zodra de geneesheer de ongeschiktheid van de betrokkene vaststelt.
  Wanneer de betrokkene opnieuw een in het vorig lid bepaald geneeskundig onderzoek met goed gevolg heeft ondergaan, wordt de schorsing opgeheven.
Art. 40. Le Ministre ou son délégué peut imposer à tout instructeur titulaire du brevet II, IV ou V et de l'autorisation d'enseigner de se soumettre à l'examen médical prévu à l'article 42 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, lorsqu'il a connaissance, de quelque manière que ce soit, de l'état de ce dernier.
  L'autorisation d'enseigner est suspendue lorsque le médecin conclut à l'inaptitude de l'intéressé.
  La suspension visée à l'alinéa précédent prend fin, dès que l'intéressé a satisfait à l'examen médical.
HOOFDSTUK II. - Sancties.
CHAPITRE II. - Sanctions.
Art. 41. De Minister kan, wanneer de in de hoofdstukken IV en V van titel I [1 en de in artikel 10]1 bepaalde voorwaarden niet worden nageleefd en na de rijschooldirecteur en in voorkomend geval de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur gehoord te hebben, de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van een oefenterrein voor een termijn van minstens acht dagen en hoogstens zes maanden schorsen.
  Indien de Minister ondanks een voorafgaandelijke schorsingsmaatregel van minstens twee maanden vaststelt dat in de hoofdstukken IV en V van titel I bepaalde voorwaarden nog altijd niet worden nageleefd, trekt hij de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van een oefenterrein in, na de rijschooldirecteur en in voorkomend geval de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur gehoord te hebben.
  Gedurende de schorsingsperiode of na de intrekkingsbeslissing mag geen enkele theoretische of praktische lessenreeks beginnen.
  Het schorsings- of intrekkingsbesluit wordt bij de ingang van de les- en administratielokalen uitgehangen.
  
Art. 41. Le Ministre peut, en cas de non-respect des conditions prévues aux chapitres IV et V du titre Ier [1 et dans l'article 10]1, et après avoir entendu le directeur d'école de conduite et, le cas échéant le directeur adjoint d'école de conduite ou l'instructeur, suspendre l'agrément d'école de conduite, l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement ou l'approbation de terrain d'entraînement pour une durée de huit jours au moins et six mois au plus.
  Si, malgré une mesure préalable de suspension d'au moins deux mois, le Ministre constate la persistance du non-respect des conditions prévues aux chapitres IV et V du titre Ier, il retire l'agrément d'école de conduite, l'autorisation d'exploiter une unité d'établissement ou l'approbation de terrain d'entraînement, après avoir entendu le directeur d'école de conduite et, le cas échéant, le directeur adjoint d'école de conduite ou l'instructeur.
  Pendant la période de suspension ou après la décision de retrait, aucun cycle de cours théorique ou pratique ne peut commencer.
  La décision de suspension ou de retrait est affichée à l'entrée des locaux destinés à l'administration et aux cours.
  
Art. 42. De Minister kan, na de belanghebbende of in voorkomend geval de rijschooldirecteur en de adjunct-rijschooldirecteur voorafgaandelijk te hebben gehoord, de instructie- of directietoelating van elk les- of leidinggevend personeelslid schorsen, wanneer de in de hoofdstukken IV en V van titel I bepaalde bepalingen niet worden nageleefd.
  De schorsing wordt uitgesproken voor een periode van minstens acht dagen en hoogstens twee jaar.
  Indien de Minister ondanks een voorafgaandelijke schorsingsmaatregel van minstens acht maanden vaststelt dat de in de hoofdstukken IV en V van titel I bepaalde voorwaarden nog altijd niet worden nageleefd, kan hij de instructie- of directietoelating intrekken na de belanghebbende en in voorkomend geval de rijschooldirecteur en de adjunct-rijschooldirecteur voorafgaandelijk te hebben gehoord.
  Gedurende de schorsingsperiode van de directietoelating, mag geen enkele theoretische of praktische lessenreeks beginnen. De Minister heft dit verbod op, zodra een rijschooldirecteur aangesteld is.
  Het schorsings- of intrekkingsbesluit wordt bij de ingang van de les- en administratielokalen uitgehangen.
Art. 42. Le Ministre peut suspendre, l'intéressé, et, le cas échéant, le directeur d'école de conduite et le directeur adjoint d'école de conduite étant entendus au préalable, l'autorisation d'enseigner ou de diriger de tout membre du personnel enseignant ou dirigeant, en cas de non-respect des dispositions prévues aux chapitres IV et V du titre Ier.
  La suspension est prononcée pour une période de huit jours au moins et de deux ans au plus.
  Si, malgré une mesure de suspension préalable d'au moins huit mois, le Ministre constate la persistance du non-respect des conditions prévues aux chapitres IV et V du titre Ier, il peut retirer l'autorisation d'enseigner ou de diriger, l'intéressé, et, le cas échéant, le directeur d'école de conduite et le directeur adjoint d'école de conduite étant entendus au préalable.
  Pendant la période de suspension de l'autorisation de diriger, aucun cycle de cours théorique ou pratique ne peut commencer dans l'école. Le Ministre met fin à cette interdiction lorsqu'un directeur d'école de conduite est désigné.
  La décision de suspension ou de retrait est affichée à l'entrée des locaux destinés à l'administration et aux cours.
Art. 43. De Minister of zijn gemachtigde kan met onmiddellijke ingang de directie- of instructietoelating schorsen van een personeelslid van een rijschool, dat het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek vormt of van een strafvordering wegens inbreuk op artikel 12, § 1, 1°, a) en b), en wiens aanwezigheid in de rijschool onverenigbaar met het onderricht is.
  Binnen de strikt nodige tijd en maximum binnen de tien werkdagen die op de maatregel van onmiddellijke schorsing volgen, wordt de in artikel 42 bepaalde intrekkings- of schorsingsprocedure aangevat. Bij gebrek daaraan houdt de schorsing van rechtswege op.
Art. 43. Le Ministre ou son délégué peut suspendre, avec effet immédiat, l'autorisation de diriger ou d'enseigner d'un membre du personnel d'une école de conduite qui fait l'objet d'une instruction judiciaire ou d'une procédure de poursuites pénales pour infraction à l'article 12, § 1er, 1°, a) et b), et dont la présence au sein de l'école est incompatible avec l'enseignement.
  Dans le temps strictement nécessaire et au maximum dans les dix jours ouvrables qui suivent la mesure de suspension immédiate, la procédure de retrait ou de suspension prévue à l'article 42 est engagée. A défaut, la suspension cesse de plein droit.
Art. 44. Onderricht dat door een instructeur die niet beschikt over een instructietoelating of wiens instructietoelating geschorst is, verstrekt werd, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van het door de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde aantal lesuren. De rijschool moet de leerlingen terug betalen voor de lesuren en de voor de inschrijving voor de examens of voor het verkrijgen van de documenten verschuldigde bijdragen.
Art. 44. L'enseignement dispensé par un instructeur ne disposant pas d'une autorisation d'enseigner ou dont l'autorisation d'enseigner est suspendue n'entre pas en ligne de compte pour le calcul du nombre d'heures prévues par les articles 14 et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire. L'école de conduite est tenue de rembourser aux élèves les heures de cours et les redevances payées par eux lors de l'inscription aux examens ou pour l'obtention des documents.
Art. 44_VLAAMS_GEWEST.. Onderricht dat door een instructeur die niet beschikt over een instructietoelating of wiens instructietoelating geschorst is, verstrekt werd, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van het door de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalde aantal lesuren. De rijschool moet de leerlingen terug betalen voor de lesuren en de voor de inschrijving voor de examens of voor het verkrijgen van de documenten verschuldigde bijdragen.
  [1 Het vormingsmoment dat verstrekt is door een instructeur tijdens de periode waarin de getuigschriften conform artikel 38quinquies, derde lid, geschorst zijn of nadat de getuigschriften conform artikel 38quinquies, derde lid, ingetrokken zijn, wordt niet in aanmerking genomen. De rijschool betaalt de begeleider de betaalde vergoeding terug.]1
Art. 44 _REGION_FLAMANDE.
   L'enseignement dispensé par un instructeur ne disposant pas d'une autorisation d'enseigner ou dont l'autorisation d'enseigner est suspendue n'entre pas en ligne de compte pour le calcul du nombre d'heures prévues par les articles 14 et 15 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire. L'école de conduite est tenue de rembourser aux élèves les heures de cours et les redevances payées par eux lors de l'inscription aux examens ou pour l'obtention des documents.
  [1 Il n'est pas tenu compte du moment de formation assuré par un instructeur pendant la période durant laquelle les certificats sont suspendus conformément à l'article 38quinquies, alinéa 3, ou après que les certificats sont retirés conformément à l'article 38quinquies, alinéa 3. L'école de conduite rembourse l'indemnité payée au guide.]1
TITEL III/1. VLAAMS_GEWEST. [1 - Verwerking van gegevens.]1
TITRE III/1. REGION_FLAMANDE. [1 - Traitement des données.]1
HOOFDSTUK I. VLAAMS_GEWEST. [1 - De verwerking van gegevens door de organisaties van nationale en internationale experten.]1
CHAPITRE Ier. REGION_FLAMANDE. [1 - Le traitement de données par les organisations d'experts nationaux et internationaux.]1
Art. 44bis_VLAAMS_GEWEST. [2 § 1. De organisaties van nationale en internationale experten verwerken de volgende gegevens:
   1А de gegevens, vermeld in artikel 38ter, § 1, derde lid, van dit besluit;
   2А de gegevens van het getuigschrift, vermeld in artikel 38quinquies, tweede lid, van dit besluit;
   3А een overzicht van de instructeurs aan wie een getuigschrift is uitgereikt als vermeld in artikel 20, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2023 tot wijziging van diverse besluiten over de rijopleiding en het rijexamen voor voertuigen van categorie B.
   § 2. De organisaties van nationale en internationale experten zijn de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
   § 3. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden verzameld en verwerkt voor de volgende doeleinden:
   1А het administratief beheer;
   2А de controle, vermeld in titel III, hoofdstuk I;
   3А de sanctionering, vermeld in titel III, hoofdstuk II;
   4А de opmaak van algemene en naamloze statistieken.
   De gegevens die verzameld en verwerkt worden voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 4А, worden geanonimiseerd.
   § 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 1А en 2А, worden drie jaar na afloop van elk van de opleidingen, vermeld in artikel 38bis, bijgehouden.
   De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 3А, worden bijgehouden tot op het moment dat voldaan is aan de verplichting, vermeld in artikel 20, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2023 tot wijziging van diverse besluiten over de rijopleiding en het rijexamen voor voertuigen van categorie B.]2

  
Art. 44bis _REGION_FLAMANDE. [1 § 1er.Les organisations d'experts nationaux et internationaux traitent les données suivantes :
   1° les données visées à l'article 38ter, § 1er, alinéa 3, du présent arrêté ;
   2° les données du certificat visé à l'article 38 quinquies, alinéa 2, du présent arrêté ;
   3° une liste des instructeurs auxquels un certificat est délivré tel que visé à l'article 20, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2023 modifiant divers arrêtés relatifs à la formation à la conduite et à l'examen de conduite pour les véhicules de catégorie B.
   § 2. Les organisations d'experts nationaux et internationaux sont le responsable du traitement visé à l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données.
   § 3. Les données visées au paragraphe 1er sont collectées et traitées aux fins suivantes :
   1° la gestion administrative ;
   2° le contrôle visé au titre III, chapitre 1er ;
   3° les sanctions visées au titre III, chapitre II ;
   4° l'établissement de statistiques générales et anonymes.
   Les données collectées et traitées à la fin visée à l'alinéa 1er, 4°, sont anonymisées.
   § 4. Les données visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, sont conservées pendant trois ans après le terme de chacune des formations visées à l'article 38bis.
   Les données visées au paragraphe 1er, 3°, sont conservées jusqu'au moment où il est satisfait à l'obligation visée à l'article 20, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand 14 juillet 2023 modifiant divers arrêtés relatifs à la formation à la conduite et à l'examen de conduite pour les véhicules de catégorie B.]1

  
HOOFDSTUK II. VLAAMS_GEWEST. [1 - De verwerking van gegevens door de rijschool.]1
CHAPITRE 2. REGION_FLAMANDE. [1 - Le traitement de données par l'école de conduite.]1
Art. 44ter_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. De rijschool verwerkt de volgende gegevens:
   1А de gegevens van het begeleidersattest, vermeld in artikel 23, Ї 9, tweede lid, van dit besluit;
   2А de afschriften van de getuigschriften die conform artikel 38quinquies, eerste lid, van dit besluit na afloop van elk van de opleidingen werden uitgereikt;
   3А de gegevens, vermeld in artikel 9/5, Ї 2, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006;
   4А de gegevens, vermeld in artikel 9/6 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006.
   § 2. De rijschool is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
   § 3. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden verzameld en verwerkt voor de volgende doeleinden:
   1А het administratief beheer;
   2А de controle, vermeld in titel III, hoofdstuk I;
   3А de sanctionering, vermeld in titel III, hoofdstuk II;
   4А de opmaak van algemene en naamloze statistieken.
   De gegevens die verzameld en verwerkt worden voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 4А, worden geanonimiseerd.
   § 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 1А, 3А en 4А, worden tien jaar bijgehouden.
   De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 2А, worden bijgehouden zolang de instructeur voor de rijschool werkt.]1

  
Art. 44ter _REGION_FLAMANDE. [1 § 1er. L'école de conduite traite les données suivantes :
   1° les données de l'attestation de guide visées à l'article 23, § 9, alinéa 2, du présent arrêté ;
   2° les copies des certificats délivrés conformément à l'article 38quinquies, alinéa 1er, du présent arrêté au terme de chacune des formations ;
   3° les données visées à l'article 9/5, § 2, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 ;
   4° les données visées à l'article 9/6 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006.
   § 2. L'école de conduite est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données.
   § 3. Les données visées au paragraphe 1er sont collectées et traitées aux fins suivantes :
   1° la gestion administrative ;
   2° le contrôle visé au titre III, chapitre 1er ;
   3° les sanctions visées au titre III, chapitre II ;
   4° l'établissement de statistiques générales et anonymes.
   Les données collectées et traitées à la fin visée à l'alinéa 1er, 4°, sont anonymisées.
   § 4. Les données visées au paragraphe 1er, 1°, 3° et 4° sont conservées pendant dix ans.
   Les données visées au paragraphe 1er, 2°, sont conservées aussi longtemps que l'instructeur travaille pour l'école de conduite.]1

  
HOOFDSTUK III. VLAAMS_GEWEST. [1 - De verwerking van gegevens door het bestuur.]1
CHAPITRE 3. REGION_FLAMANDE. [1 - Le traitement de données par l'administration]1
Art. 44quater_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. Het bestuur verwerkt de volgende gegevens:
   1А de gegevens, vermeld in artikel 38ter, Ї 1, derde lid, van dit besluit;
   2А de aanvraag tot goedkeuring van de opleiding voor instructeurs die het vormingsmoment geven, vermeld in artikel 38quater van dit besluit;
   3А het uitgewerkte programma en draaiboek van de opleiding voor instructeurs die het vormingsmoment geven, vermeld in artikel 38quater van dit besluit;
   4А de goedkeuring van de opleiding voor instructeurs die het vormingsmoment geven, vermeld in artikel 38quater van dit besluit;
   5А de gegevens, vermeld in artikel 38sexies van dit besluit;
   6А een overzicht van de instructeurs aan wie een getuigschrift is uitgereikt als vermeld in artikel 20, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2023 tot wijziging van diverse besluiten over de rijopleiding en het rijexamen voor voertuigen van categorie B.
   § 2. Het bestuur is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
   § 3. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden verzameld en verwerkt voor de volgende doeleinden:
   1А het administratief beheer;
   2А de controle, vermeld in titel III, hoofdstuk I, van dit besluit;
   3А de sanctionering, vermeld in titel III, hoofdstuk II, van dit besluit;
   4А de controle, vermeld in artikel 9/13, Ї 1, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006;
   5А de sanctionering, vermeld in artikel 9/13, Ї 3 tot en met Ї 6, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006;
   6А de opmaak van algemene en naamloze statistieken.
   De gegevens die verzameld en verwerkt worden voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 6А, worden geanonimiseerd.
   § 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 1А, worden drie jaar na afloop van elk van de opleidingen, vermeld in artikel 38bis, bijgehouden.
   De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 2А tot en met 4А, worden bijgehouden zolang de opleiding is goedgekeurd conform artikel 38quater.
   De gegevens, vermeld in paragraaf 1, 5А en 6А, worden vijf jaar bijgehouden na het verstrijken van de geldigheid van de instructietoelating.]1

  
Art. 44quater _REGION_FLAMANDE. [1 § 1er. L'administration traite les données suivantes :
   1° les données visées à l'article 38ter, § 1er, alinéa 3, du présent arrêté ;
   2° la demande d'approbation de la formation des instructeurs qui dispensent le moment de formation, visée à l'article 38quater du présent arrêté ;
   3° le programme et le scénario détaillés de la formation des instructeurs qui dispensent le moment de formation, visés à l'article 38quater du présent arrêté ;
   4° l'approbation de la formation des instructeurs qui dispensent le moment de formation visée à l'article 38quater du présent arrêté ;
   5° les données visées à l'article 38sexies du présent arrêté ;
   6° une liste des instructeurs auxquels un certificat est délivré telle que visée à l'article 20, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2023 modifiant divers arrêtés relatifs à la formation à la conduite et à l'examen de conduite pour les véhicules de catégorie B.
   § 2. L'administration est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données.
   § 3. Les données visées au paragraphe 1er sont collectées et traitées aux fins suivantes :
   1° la gestion administrative ;
   2° le contrôle visé au titre III, chapitre 1er, du présent arrêté ;
   3° les sanctions visées au titre III, chapitre II, du présent arrêté ;
   4° le contrôle visé à l'article 9/13, § 1er, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 ;
   5° les sanctions visées à l'article 9/13, § 3 à 6, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 ;
   6° l'établissement de statistiques générales et anonymes.
   Les données collectées et traitées à la fin visée à l'alinéa 1er, 6°, sont anonymisées.
   § 4. Les données visées au paragraphe 1er, 1°, sont conservées pendant trois ans après le terme de chacune des formations visées à l'article 38bis.
   Les données visées au paragraphe 1er, 2° à 4°, sont conservées aussi longtemps que la formation est approuvée conformément à l'article 38quater.
   Les données visées au paragraphe 1er, 5° et 6°, sont conservées pendant cinq ans après l'expiration de la validité de l'autorisation d'enseigner.]1

  
TITEL IV. - Intrekkings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen.
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et transitoires et fixant l'entrée en vigueur.
Art. 45. Het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen en het ministerieel besluit van 24 april 1968 betreffende de vergoedingen toegekend aan de leden, de secretarissen en helpers van de examencommissies, ingesteld bij het koninklijk besluit van 17 april 1968 tot vaststelling van de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen, worden opgeheven.
Art. 45. L'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite des vehicules à moteur et l'arrêté ministériel du 24 avril 1968 relatif aux rémunérations allouées aux membres, secrétaires et auxiliaires des jurys d'examens institués par l'arrêté royal du 17 avril 1968, déterminant les conditions d'agrément des écoles de conduite de véhicules automoteurs sont abroges.
Art. 46. In afwijking van artikel 5, § 1, beschikt de Minister, gedurende een periode die eindigt twee jaar na de invoegetreding van dit besluit, over een termijn van 6 maand voor het afgeven van erkenningen aan rijscholen, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuringen van oefenterrein.
  In afwijking van artikel 12, § 2, beschikt de Minister of zijn gemachtigde, gedurende de bovenvermelde periode, over een termijn van 3 maand voor het afgeven van een directie- of instructietoelating aan een leidinggevend of onderwijzend personeelslid.
Art. 46. Par dérogation à l'article 5, § 1er, le Ministre dispose, pendant une période qui prend fin deux ans après l'entrée en vigueur du présent arrêté, d'un délai de six mois pour délivrer les agréments d'écoles de conduite, les autorisations d'exploiter une unité d'établissement et les approbations de terrain d'entraînement.
  Par dérogation à l'article 12, § 2, le Ministre ou son délégué dispose, pendant la période précitée, d'un délai de 3 mois pour délivrer une autorisation de diriger ou d'enseigner à un membre du personnel dirigeant ou enseignant.
Art. 47. § 1. De houder van een voor de inwerkingtreding van dit besluit gegeven erkenning van rijschool moet de hernieuwing van zijn erkenning volgens de bepalingen van dit besluit aanvragen.
  Die hernieuwing wordt ten laatste drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Minister of zijn gemachtigde gevraagd volgens de in artikel 5 bedoelde procedure.
  Voor die hernieuwing zijn de in artikel 10, § 1, bepaalde bijdragen niet van toepassing.
  De bepalingen van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen blijven van toepassing, zolang niet over de hernieuwingsaanvraag werd beslist. (Artikel 22bis en 23, § 6 van het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen zijn evenwel onmiddellijk van toepassing.) <KB 2006-07-10/30, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  § 2. De bestaande erkenningen van rijschool, waarvan de hernieuwing niet binnen de in § 1, tweede lid, bepaalde termijn gevraagd werd, worden van rechtswege nietig.
  Elke aanvraag tot wijziging van de gegevens van een op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit bestaande erkenning van rijschool moet het voorwerp uitmaken van een nieuwe erkenning van rijschool, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
  Alle aanvragen voor de erkenning van rijschool of van een exploitatievergunning van vestigingseenheid waarover geen beslissing werd genomen voor de inwerkingtreding van dit besluit, moeten worden hernieuwd.
Art. 47. § 1er. Le titulaire d'un agrément d'école de conduite délivré avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, demande le renouvellement de son agrément conformément aux dispositions du présent arrêté.
  Ce renouvellement est demandé au Ministre ou à son délégué selon la procédure visée à l'article 5, au plus tard trois ans après l'entrée en vigueur du présent arrêté.
  Pour ce renouvellement, les redevances visées à l'article 10, § 1er, ne sont pas d'application.
  Les dispositions de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite des véhicules à moteur s'appliquent aux écoles de conduite tant qu'il n'a pas été statué sur la demande de renouvellement. (Les articles 22bis et 23, § 6 de l'arrêté royal du 11 mai 2004 relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite des véhicules à moteur sont toutefois immédiatement applicables.) <AR 2006-07-10/30, art. 44, 004; En vigueur : 01-09-2006>
  § 2. Les agréments d'école de conduite existants dont le renouvellement n'est pas demandé dans le délai fixé au § 1er, alinéa 2, deviennent caducs de plein droit.
  Toute demande de modification aux données d'un agrément d'école de conduite existant au moment de l'entrée en vigueur du présent arrête devra faire l'objet d'un renouvellement de l'agrément d'école de conduite, conformément aux dispositions du présent arrêté.
  Toutes les demandes d'agrément d'école de conduite ou d'une autorisation d'exploitation d'une unité d'établissement qui n'ont fait l'objet d'aucune décision avant l'entrée en vigueur du présent arrêté doivent être renouvelées.
Art. 48. § 1. De in artikel 11 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen bedoelde instructeurs, die bij de inwerkingtreding van dit besluit in dienst zijn, moeten het examen voor het brevet ten laatste negen maanden na hun indienstneming afleggen. Na deze termijn of bij mislukking mogen zij geen onderricht meer geven.
  Gedurende een termijn van één jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van het slagen, zijn zij vrijgesteld van de schriftelijke proef over de theoretische kennis van de verkeersveiligheid.
  De lesuren die de door in het eerste lid bepaalde instructeurs in een erkende rijschool gegeven werden, komen in aanmerking voor de duur van de stage en het aantal lesuren die in artikel 33, § 1, bepaald worden.
  De instructietoelating wordt toegekend zodra de voorwaarden van artikel 12, § 1, behalve 5° en 6°, vervuld zijn. De aanvrager moet houder zijn van een door een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, dat minstens geldig is voor het besturen van een voertuig van de categorie B of van een evenwaardige categorie, en de personen die praktisch onderricht geven, moeten houder zijn van een door een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, geldig voor de categorie [2 ...]2 van voertuigen waarvoor zij onderricht verstrekken.
  § 2. De houders van een brevet II, III of IV dat (vóór 1 januari 2006) niet gehomologeerd is, verkrijgen op schriftelijk verzoek gericht aan de Minister of zijn gemachtigde de instructietoelating, indien zij binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de aflevering van hun brevet aan de Minister of zijn gemachtigde een stageattest voorleggen. <KB 2006-02-14/41, art. 2, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  De instructietoelating wordt gegeven, zodra de vervulde stage minstens :
  - zestig uur bedraagt voor de kandidaten voor het brevet III of IV,
  - tweehonderd uur bedraagt voor de kandidaten voor het brevet II.
  De houders van een brevet I dat (vóór 1 januari 2006) niet gehomologeerd is, verkrijgen op schriftelijk verzoek gericht aan de Minister of zijn gemachtigde binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de aflevering van hun brevet de directietoelating zonder een stage te moeten vervullen <KB 2006-02-14/41, art. 2, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  De toelating wordt toegekend, zodra de voorwaarden van artikel 12, § 1, behalve 5° en 6°, vervuld zijn. De aanvrager moet houder zijn van een door een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, dat minstens geldig is voor het besturen van een voertuig van categorie B of van een evenwaardige categorie, en de personen die praktisch onderricht geven, moeten houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, geldig voor de categorie [2 ...]2 van voertuigen, waarvoor zij het onderricht verstrekken.
  § 3. De houders van het brevet II dat vóór de inwerkingtreding van dit besluit gehomologeerd werd, krijgen op schriftelijk verzoek gericht aan de Minister of zijn gemachtigde, het brevet V binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. Bij deze aanvraag moet een verklaring op erewoord gevoegd worden dat zij reeds voor één of meerdere door het brevet V beoogde categorieën les gegeven hebben.
  De instructietoelating wordt toegekend zodra de voorwaarden van artikel 12, § 1, behalve 5° en 6°, vervuld zijn. De aanvrager moet houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, geldig voor de categorie [2 ...]2 van voertuigen, waarvoor hij het onderricht verstrekt.
  § 4. De houders van een brevet dat op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit gehomologeerd werd, moeten hun instructie- of directietoelating overeenkomstig artikel 12, § 2, binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit op hun rijbewijs laten vermelden.
  Daartoe dienen ze bij de Minister of zijn gemachtigde een schriftelijke aanvraag in.
  De toelating wordt toegekend zodra de voorwaarden van artikel 12, § 1, behalve 5° en 6°, vervuld zijn. De aanvrager moet houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, dat minstens geldig is voor het besturen van een voertuig van categorie B of van een evenwaardige categorie, en de personen die praktisch onderricht geven, moeten houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, geldig voor de categorie [2 ...]2 van voertuigen, waarvoor zij het onderricht verstrekken.
  § 5. (De bepalingen van hoofdstuk IV van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen zijn, met uitzondering van de artikelen 27, 29 en 32, van toepassing op de brevetten van beroepsbekwaamheid van het leidinggevend en onderwijzend personeel van de rijschool tot 31 december 2005.
  Niettemin, moet de kandidaat, om deel te nemen aan het examen met het oog op het bekomen van een brevet I, houder zijn van de brevetten II en III die reeds minstens drie jaar gehomologeerd zijn.) <KB 2006-02-14/41, art. 2, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  § 6. De leden van examencommissie die voor de inwerkingtreding van dit besluit benoemd zijn, blijven in functie gedurende een periode die eindigt twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, tenzij ze voor die datum al 70 jaar werden.
  § 7. [1 De in dit besluit vermelde bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.
   De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die verkregen wordt door het indexcijfer van de maand november die voorafgaat aan de maand januari in de loop waarvan de aanpassing zal plaatsvinden, te delen door het indexcijfer van de maand november 2011.
   Het resultaat van deze aanpassing wordt afgerond naar boven indien het berekende bedrag hoger is of gelijk is aan 0,50 decimalen of naar beneden indien het berekende bedrag lager is dan 0,50 decimalen.]1

  De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij worden van kracht vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun aanpassing.
  (§ 8. De aanvragen voor wijziging van de erkenning van een rijschool die ingediend zijn vóór 1 december 2004 worden behandeld volgens de procedure voorzien in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.) <KB 2006-02-14/41, art. 2, 3°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  (§ 9. De rijscholen die erkend zijn vóór 1 december 2004 mogen de opleiding voor het besturen van voertuigen van de categorie G organiseren volgens de voorwaarden voorzien in dit besluit.
  Ze moeten alleen beschikken over een oefenterrein goedgekeurd voor de categorie G indien het praktische examen in de rijschool wordt georganiseerd.) <KB 2006-09-01/36, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  
Art. 48. § 1er. Les instructeurs vises à l'article 11 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite de véhicules à moteur, en fonction au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté, doivent présenter l'examen en vue de l'obtention du brevet au plus tard neuf mois après leur engagement. A l'issue de ce délai ou en cas d'échec, ils ne peuvent plus dispenser l'enseignement.
  Ils sont dispensés de l'épreuve écrite portant sur la connaissance théorique de la sécurité routière pendant un délai d'un an à compter de la notification de la réussite.
  Les heures de cours dispensées dans une école de conduite agréée par les instructeurs visés à l'alinéa 1er entrent en considération pour la durée du stage et le nombre d'heures visées à l'article 33, § 1er.
  L'autorisation d'enseigner leur est accordée lorsque les conditions de l'article 12, § 1er, sont remplies, à l'exception du 5° et du 6°. Le demandeur doit être titulaire d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la conduite des véhicules de la catégorie B au moins ou d'une catégorie équivalente, et pour les personnes qui dispensent l'enseignement pratique, être titulaire d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la catégorie [2 ...]2 de véhicules dont elles enseignent la conduite.
  § 2. Les titulaires d'un brevet II, III ou IV non homologué (avant le 1er janvier 2006) obtiennent, sur demande écrite au Ministre ou à son délégué, l'autorisation d'enseigner sur présentation, dans un délai de deux ans à dater de la délivrance de leur brevet, d'une attestation de stage au Ministre ou à son délégué. <AR 2006-02-14/41, art. 2, 1°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  L'autorisation d'enseigner est délivrée lorsque le stage accompli est d'au moins :
  - soixante heures pour les candidats au brevet III ou IV,
  - deux cent heures pour les candidats au brevet II.
  Les titulaires d'un brevet I non homologué (avant le 1er janvier 2006) obtiennent, sur demande écrite au Ministre ou à son délégué, dans un délai de deux ans à compter de la délivrance de leur brevet l'autorisation de diriger sans devoir accomplir un stage. <AR 2006-02-14/41, art. 2, 1°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  L'autorisation leur est accordée si les conditions de l'article 12, § 1er, sont remplies, à l'exception du 5° et du 6°. Le demandeur doit être titulaire d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la conduite des véhicules de la catégorie B au moins ou d'une catégorie équivalente, et pour les personnes qui dispensent l'enseignement pratique, être titulaire d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la catégorie [2 ...]2 de véhicules dont elles enseignent la conduite.
  § 3. Les titulaires du brevet II homologué avant l'entrée en vigueur du présent arrêté obtiennent, sur demande écrite au Ministre ou à son délégué, le brevet V dans un délai de deux ans à compter de l'entrée en vigueur du présent arrêté. A cette demande est jointe une déclaration sur l'honneur établissant qu'ils ont déjà dispensé l'enseignement pour une ou plusieurs des catégories d'enseignement visées par le brevet V.
  L'autorisation d'enseigner est accordée si les conditions de l'article 12, § 1er, sont remplies, à l'exception du 5° et du 6°. Le demandeur doit être titulaire d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la catégorie [2 ...]2 de véhicules dont il enseigne la conduite.
  § 4. Les titulaires d'un brevet homologué à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté font mentionner l'autorisation de diriger ou d'enseigner sur leur permis de conduire, conformément à l'article 12, § 2, dans un délai de cinq ans à compter de la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
  A cette fin, ils introduisent une demande écrite au Ministre ou à son délégué.
  L'autorisation est accordée si les conditions de l'article 12, § 1er, sont remplies, à l'exception du 5° et du 6°. Le demandeur doit être titulaire d'un permis de conduire délivré par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la conduite des véhicules de la catégorie B au moins ou d'une catégorie équivalente, et pour les personnes qui dispensent l'enseignement pratique, être titulaire d'un permis de conduire délivre par un Etat membre de l'Espace économique européen valable pour la catégorie [2 ...]2 de véhicules dont elles enseignent la conduite.
  § 5. (Les dispositions du chapitre IV de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite de véhicules à moteur, à l'exception des articles 27, 29 et 32, sont applicables, jusqu'au 31 décembre 2005, aux brevets d'aptitude professionnelle du personnel dirigeant et enseignant des écoles de conduite.
  Toutefois, pour participer à l'examen en vue de l'obtention du brevet I, le candidat doit être titulaire des brevets II et III homologués depuis trois ans au moins.) <AR 2006-02-14/41, art. 2, 2°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  § 6. Les membres du jury d'examen nommés avant l'entrée en vigueur du présent arrête restent en fonction pendant une période qui prend fin deux ans après l'entrée en vigueur du présent arrêté, à moins qu'ils n'aient atteint l'âge de 70 ans avant cette date.
  § 7. [1 Les montants repris au présent arrêté sont adaptés à l'indice des prix à la consommation le 1er janvier de chaque année.
   L'adaptation est réalisée à l'aide du coefficient qui est obtenu en divisant l'indice des prix du mois de novembre qui précède le mois de janvier au cours duquel l'adaptation aura lieu, par l'indice des prix du mois de novembre 2011.
   Le résultat de cette adaptation sera arrondi à l'euro supérieur si les décimales du montant calculé sont supérieures ou égales à 0,50 ou à l'euro inférieur si les décimales sont inférieures à 0,50.]1

  Les nouveaux montants sont publiés par avis au Moniteur belge. Ils entrent en vigueur le 1er janvier de l'année suivant celle de leur adaptation.
  (§ 8. Les demandes de modification d'un agrément d'une école de conduite qui ont été introduites avant le 1er décembre 2004 sont traitées selon la procédure prévue dans l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite de véhicules à moteur.) <AR 2006-02-14/41, art. 2, 3°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  (§ 9. Les écoles de conduite agréées avant le 1er décembre 2004 peuvent dispenser l'enseignement de la conduite des véhicules de la catégorie G aux conditions prévues au présent arrêté.
  Elles ne doivent disposer d'un terrain d'entraînement approuvé pour la catégorie G que si l'examen pratique est organisé dans l'école de conduite.) <AR 2006-09-01/36, art. 7, 005; En vigueur : 15-09-2006>
  
Art. 49. Dit besluit treedt in werking 6 maand na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 49. Le présent arrêté entre en vigueur 6 mois après la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
Art. 50. Onze Minister van Mobiliteit is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 50. Notre Ministre de la Mobilité est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. Uitrusting voor de manoeuvres op het oefenterrein.
  Het oefenterrein moet een stevige en stabiele bedekking hebben, die aangepast is aan de voertuigen waarvoor het erkend is. Het moet vrij zijn van steenslag, bladeren en elk ander materiaal dat ongevallen zou kunnen veroorzaken. Het moet uitgerust zijn met een brandblusser van minstens vijf kilogram, met een olie opslorpende stof en met een EHBO-tas. Worden aanvaard als oefenterreinen : openbare of privé-terreinen met inbegrip van parkings (station, supermarkten, ...), hetzij gratis of tegen betaling, of de school er nu eigenaar van is of niet.
  De voorwaarden voor de goedkeuring van het oefenterrein staan in artikel 8 van het bovenvermeld koninklijk besluit.
  Volgens de onderrichtcategorie waarvoor het erkend is, moet het de volgende uitrustingen hebben :
  Onderrichtcategorie A :
  - Radio-inrichting voor elk lesvoertuig
  - Kegels
  - Plank
  - Chronometer
  - Telefoontoestel of GSM
  - Afmetingen overeenkomstig de uitvoering in alle veiligheid van de bewegingen bedoeld in punt 6 van bijlage 2 van de Europese richtlijn 2000/56/EU
  [1 ...]1
  Onderrichtcategorie C - D :
  - Bakens
  - Boordstenen
  - Kaai
  Onderrichtcategorie E :
  - Boordstenen van 15 cm hoog en minstens 30 m lang
  - Bakens en verhogingen
  - Ononderbroken witte lijn van 50 m;
  (Onderricht categorie G
  - Kegels
  - Verplaatsbaar hek.) <KB 2006-09-01/36, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  Indien de lessen na zonsondergang worden verstrekt dient het terrein te zijn uitgerust met een goed werkende vaste lichtinstallatie die toelaat de manoeuvres in alle veiligheid uit te voeren.
  
Art. N1. Annexe 1. Equipements pour les manoeuvres sur le terrain d'entraînement.
  Le terrain d'entraînement est recouvert d'un revêtement solide et stable, adapté à la masse des véhicules pour lesquels il est agréé; il doit être exempt de gravillons, feuilles et tout autre matériau risquant de provoquer des accidents. Il est équipé d'un extincteur d'au moins cinq kilos, de produit absorbant pour les taches d'huile et d'une trousse de secours. Sont acceptés comme terrains d'entraînement les terrains publics comme privés en ce compris les parkings (gare, supermarchés, ...) que ce soit à titre gratuit ou payant, que l'école en soit propriétaire ou non.
  Les conditions d'approbation du terrain d'entraînement se trouvent à l'article 8 de l'arrêté royal mentionné ci-dessus.
  Selon la catégorie d'enseignement pour laquelle il est agréé, il dispose des équipements suivants :
  Catégorie d'enseignement A :
  - Dispositif radio pour chaque véhicule de cours
  - Cônes
  - Planche
  - Chronomètre
  - Appareil téléphonique ou GSM
  - Dimensions conformes à la réalisation en toute sécurité des manoeuvres visées au point 6 de l'annexe 2 de la Directive européenne 2000/56/CE
  [1 ...]1
  Catégorie d'enseignement C-D :
  - Balises
  - Bordures
  - Quai
  Catégorie d'enseignement E :
  - Bordure 15 cm de hauteur sur une longueur minimale de 30 m
  - Balises + rehaussement
  - Ligne blanche continue de 50 m.
  (Catégorie d'enseignement G
  - Cônes
  - Barrière amovible.) <AR 2006-09-01/36, art. 8, 005; En vigueur : 15-09-2006>
  Si des cours sont dispensés après le coucher du soleil, le terrain doit être équipé d'un dispositif d'éclairage efficient et permanent permettant l'exécution des manoeuvres en toute sécurité.
  
Art. N2. Bijlage 2. I. Inhoud van de schriftelijke en de mondelinge proef
  1. Inhoud van de schriftelijke en de mondelinge proef voor het brevet I :
  1.1. Dit besluit en de ministeriële omzendbrieven in verband daarmee;
  1.2. Het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en de ministeriële omzendbrieven in verband daarmee;
  1.3. Algemene kennis van het bedrijfsbeheer in verband met het beleid en het beheer van rijscholen.
  2. Inhoud van de schriftelijke en de mondelinge proef voor het brevet II :
  2.1. Theoretische kennis van de verkeersveiligheid :
  2.1.1. Wettelijke en reglementaire bepalingen voor het wegverkeer :
  - wet betreffende de politie op het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968
  - koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie op het wegverkeer en aan het gebruik van de openbare weg
  2.1.2. De bestuurder :
  - het belang van oplettendheid en van de houding ten opzichte van medeweggebruikers,
  - waarneming, beoordeling en reactie, met name reactietijd, en gedragsveranderingen bij de bestuurder tengevolge van alcohol, drugs en geneesmiddelen, gemoedsgesteldheid en vermoeidheid,
  - medische criteria die in bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaald zijn.
  2.1.3. De weg :
  - de belangrijkste richtlijnen voor het bewaren van afstand, remweg en wegligging van het voertuig in uiteenlopende weg- en weersomstandigheden,
  - verkeersrisico's in verband met de wegomstandigheden, in het bijzonder veranderingen tengevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of de nacht;
  - kenmerken van de verschillende soorten wegen en daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften.
  2.1.4. De medeweggebruikers :
  - specifieke risico's in verband met de onervarenheid van medeweggebruikers en de deelneming aan het verkeer van de meest kwetsbare categorieën, zoals kinderen, voetgangers, fietsers en personen die in hun mobiliteit beperkt zijn;
  - risico's in verband met de deelneming aan het verkeer en het besturen van diverse typen voertuigen en in verband met het verschillende gezichtsveld van de bestuurders van deze voertuigen.
  2.1.5. Algemene voorschriften en diversen :
  - voorschriften voor de administratieve bescheiden in verband met het gebruik van het voertuig;
  - algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij ongevallen (plaatsen van de gevarendriehoek, waarschuwen, enz.) en maatregelen die hij zo nodig kan nemen om hulp te verlenen aan verkeersslachtoffers;
  - veiligheidseisen voor de lading van het voertuig en de passagiers.
  2.1.6. Voorzorgsmaatregelen bij het verlaten van het voertuig.
  2.1.7. Veiligheidsinrichtingen van de voertuigen, met name het gebruik van veiligheidsgordels, hoofdsteunen en veiligheidsvoorzieningen voor kinderen.
  2.1.8. Regels voor het milieuvriendelijke gebruik van het voertuig (alleen claxonneren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen, enz.).
  2.2. Automechaniek, -techniek en -elektriciteit : de kandidaten moeten in staat zijn de meest voorkomende defecten te ontdekken, in het bijzonder aan de stuurinrichting, de wielophanging, de remmen, de banden, de verlichting en richtingaanwijzers, de reflectoren, de achteruitkijkspiegels, de voorruit en ruitenwissers, het uitlaatsysteem, de veiligheidsgordels en de claxon.
  3. Inhoud van de schriftelijke en mondelinge proef voor het brevet III :
  De in (punten 2.1, 4.2 en 5.2) bepaalde leerstof; <KB 2006-02-14/41, art. 3, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  4. Inhoud van de schriftelijke en mondelinge proef voor het brevet IV :
  4.1. De in punt 2.1. bepaalde leerstof;
  4.2. Algemene kennis van :
  4.2.1. het gebruik van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
  4.2.2. zichtbaarheid van motorrijders voor medeweggebruikers;
  4.2.3. specifieke risico's in verband met uiteenlopende wegomstandigheden, met bijzondere aandacht voor gladde delen als putdeksels, wegmarkeringen zoals strepen en pijlen, tramrails;
  4.3. mechanica, techniek en elektriciteit met betrekking tot de veiligheid van het motorrijden, met bijzondere aandacht voor de noodstopschakelaar, het oliepeil, de ketting, de cardanas en de drijfriemen.
  5. Inhoud van de schriftelijke en mondelinge proef voor het brevet V :
  5.1. De in punt 2.1. bepaalde leerstof;
  5.2. Algemene kennis van :
  5.2.1. de voorschriften inzake rij- en rusttijden zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad; het gebruik van controleapparatuur zoals beschreven in verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad;
  5.2.2. de voorschriften inzake het type vervoer : goederen of personen;
  5.2.3. de voertuig- en vervoersdocumenten die zijn vereist voor nationaal en internationaal vervoer van goederen en personen;
  5.2.4. de maatregelen bij ongevallen; kennis van de maatregelen die moeten worden genomen na een ongeval of een vergelijkbare gebeurtenis, met inbegrip van noodmaatregelen zoals de evacuatie van passagiers en de grondbeginselen van eerste hulp;
  5.2.5. de voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij de afname en het verwisselen van wielen;
  5.2.6. de voorschriften inzake gewichten en afmetingen; voorschriften inzake snelheidsbegrenzers;
  5.2.7. de beperking van het gezichtsveld voor de bestuurder en de overige weggebruikers die door de kenmerken van het voertuig wordt veroorzaakt;
  5.2.8. het lezen van een wegenkaart, de routeplanner, inclusief het gebruik van elektronische navigatiesystemen (optioneel);
  5.2.9. de veiligheidseisen bij het laden van het voertuig : het beheersen van de lading (laden en vastzetten), problemen met verschillende soorten lading (bijvoorbeeld vloeistoffen, hangende lading, enz.), het laden en lossen van goederen en het gebruik van laadapparatuur (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E);
  5.2.10.de verantwoordelijkheid van de bestuurder met betrekking tot het vervoer van passagiers; comfort en de veiligheid van passagiers; vervoer van kinderen; nodige controles vóór het wegrijden; in het theoretische examen moeten de verschillende soorten bussen aan bod komen;
  5.2.11.de verantwoordelijkheid van de bestuurder voor de ontvangst, het vervoer en de aflevering van goederen volgens afspraak (alleen categorieën C, C+E).
  5.3. Mechanica, techniek en elektriciteit voor de categorieën [1 ...]1 B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E :
  5.3.1. de principes van de constructie en de werking van de volgende onderdelen : verbrandingsmotoren, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), het brandstofsysteem, het elektrische systeem, de ontsteking, het transmissiesysteem (koppeling, versnellingsbak, enz.);
  5.3.2. smering en antivriesbescherming;
  5.3.3. de principes van de constructie, montage, correct gebruik en onderhoud van banden;
  5.3.4. de principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van reminrichtingen en snelheidsbegrenzers;
  5.3.5. de principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van het koppelmechanisme (alleen categorieën C+E, D+E);
  5.3.6. methoden voor het opsporen van oorzaken van defecten;
  5.3.7. preventief onderhoud van voertuigen en noodzakelijke lopende reparaties.
  II.
  1. Inhoud van de modelles voor het brevet II :
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de volgende leerstof aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen :
  1.1. Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid :
  1.1.1. zo nodig de zitplaats van de bestuurder bijstellen voor een juiste zithouding;
  1.1.2. zo nodig de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordels en hoofdsteunen bijstellen;
  1.1.3. controleren of de portieren goed gesloten zijn;
  1.1.4. steekproefsgewijze controle van banden, stuurinrichting, remmen, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon;
  1.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid moeten worden getest :
  1.2.1. in rechte lijn achteruitrijden of achteruitrijdend rechts of links een bocht omgaan en daarbij op de juiste rijstrook blijven;
  1.2.2. keren met voor- en achteruitschakeling;
  1.2.3. parkeren op en verlaten van een (evenwijdige, schuine of loodrechte) parkeerruimte, vooruit en achteruit, zowel op een vlakke weg als op een stijgende of dalende weg;
  1.2.4. remmen tot stilstand; een noodstop is optioneel.
  1.3. Rijgedrag :
  1.3.1. wegrijden : na parkeren, na een stop in het verkeer, na verlaten van een oprit;
  1.3.2. rijden op rechte wegen; tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
  1.3.3. rijden door bochten;
  1.3.4. kruispunten : naderen en oversteken van kruispunten en overwegen;
  1.3.5. veranderen van richting : naar links en rechts; veranderen van rijstrook;
  1.3.6. oprijden/verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig) : invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook;
  1.3.7. inhalen/passeren : inhalen van ander verkeer (indien mogelijk); obstakels zoals geparkeerde auto's voorbijrijden; ingehaald worden (in voorkomend geval);
  1.3.8. speciale verkeerselementen (indien aanwezig) : rotondes; gelijkvloerse spoorwegovergangen, tram-/ bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen; stijgende/dalende weg over een lange afstand;
  1.3.9. de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het uitstappen uit het voertuig.
  1.4. De oefening op het privé-terrein en op de openbare weg zal geschieden met een lesvoertuig, reglementair in orde en behorende tot de categorie B. De duur van de proef, de evaluatie inbegrepen, bedraagt maximaal (45 minuten). <KB 2006-02-14/41, art. 3, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  2. Inhoud van de modelles voor het brevet III :
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze (de leerstof onder punt I, 3), aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen. <KB 2006-02-14/41, art. 3, 3°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  3. Inhoud van de modelles voor het brevet IV :
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de volgende leerstof aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen :
  3.1 Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid.
  De kandidaten moeten aantonen dat zij goed voorbereid het voertuig veilig rijklaar kunnen maken door aan de volgende eisen te voldoen :
  3.1.1. correct dragen van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
  3.1.2. steekproefsgewijze controle van banden, remmen, stuurinrichting, noodstopschakelaar (indien aanwezig), ketting, oliepeil, verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon.
  3.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid
  3.2.1. motorfiets op de standaard plaatsen, er vanaf halen en zonder hulp van de motor het rijwiel verplaatsen door ernaast te lopen;
  3.2.2. motorfiets op de standaard plaatsen;
  3.2.3. de examenjury bepaalt de uit te voeren verrichtingen uit de volgende oefeningen :
  3.2.3.1. oefening bij een lage snelheid, waaronder een slalom ter beoordeling van de bediening van de koppeling in combinatie met de rem, balans, kijkrichting en de houding op het motorrijwiel, en de positie van de voeten op de voetsteunen;
  3.2.3.2. oefening bij een hogere snelheid, waaronder één verrichting in tweede of derde versnelling, minimaal 30 km per uur, en één verrichting voor het ontwijken van obstakels bij een snelheid van minimaal 50 km per uur, ter beoordeling van de houding op de motorfiets, kijkrichting, balans, stuurtechniek en schakeltechniek;
  3.2.3.3. remoefening, een noodstop bij een snelheid van minimaal 50 km per uur, ter beoordeling van de bediening van de voor- en achterrem, kijkrichting en de houding op de motorfiets.
  3.3. Rijgedrag
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze in normale verkeerssituaties veilig en met de vereiste voorzichtigheid de volgende handelingen kunnen uitvoeren :
  3.3.1. wegrijden : na parkeren, na een stop in het verkeer, na het verlaten van een oprit;
  3.3.2. rijden op rechte wegen; voertuigen kruisen, ook bij wegversmallingen;
  3.3.3. rijden door bochten;
  3.3.4. kruispunten : naderen en oversteken van kruispunten en overwegen;
  3.3.5. veranderen van richting : naar links en rechts; veranderen van rijstrook;
  3.3.6. oprijden /verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig) : invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook;
  3.3.7. inhalen /kruisen : inhalen van ander voertuigen (indien mogelijk); obstakels voorbijrijden, bijvoorbeeld geparkeerde auto's; ingehaald worden (indien mogelijk);
  3.3.8. speciale verkeerselementen (indien aanwezig) : rotondes; gelijkvloerse spoorwegovergangen, tram-/ bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen; stijgende/dalende weg over een lange afstand;
  3.3.9. de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het afstappen van het voertuig.
  (3.4. De oefening op de openbare weg moet geschieden met een leerling op de motorfiets gevolgd door de kandidaat-lesgever in een personenwagen in aanwezigheid van de jury. Via een radioverbinding geeft de lesgever passende rij-instructies aan de leerling op de motorfiets. De duur van de proef, evaluatie inbegrepen, bedraagt maximaal 45 minuten.) <KB 2006-02-14/41, art. 3, 4°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  4. Inhoud van de modelles voor het verkrijgen van het brevet V :
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de volgende leerstof aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen :
  4.1. Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat zij zich op veilig rijden kunnen voorbereiden door aan de onderstaande eisen te voldoen :
  4.1.1. de zitplaats van de bestuurder zo nodig bijstellen voor een juiste zithouding;
  4.1.2. zo nodig bijstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
  4.1.3. steekproefsgewijze controle van banden, remmen, stuurinrichting, verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon;
  4.1.4. controle van de rem- en stuurbekrachtiging; controle van de wielen, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof en ruitensproeiervloeistof); controle en gebruik van alle onderdelen op het instrumentenbord, inclusief de in Verordening (EEG) nr. 3821/85 bepaalde controleapparatuur;
  4.1.5. controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
  4.1.6. controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, laadmechanisme (indien aanwezig), cabineslot (indien aanwezig), manier van laden, vastzetten lading (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E);
  4.1.7. controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen (alleen categorieën C+E, C1+E, D+E, D1+E);
  4.1.8. in staat zijn bijzondere maatregelen te treffen voor de veiligheid van het voertuig; controle van carrosserie, bedrijfsdeuren, nooduitgangen, EHBO-benodigdheden, brandblussers en andere veiligheidsvoorzieningen (alleen categorieën D, D+E, D1, D1+E);
  4.1.9. lezen van een wegenkaart (optioneel).
  4.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid :
  4.2.1. koppelen en loskoppelen van een aanhangwagen of oplegger aan /van een trekkend motorvoertuig; aan het begin van deze verrichting moeten het voertuig en de aanhangwagen of oplegger naast elkaar staan (dus niet in elkaars verlengde) (alleen categorieën C+E, C1+E, D+E, D1+E);
  4.2.2. achteruitrijdend een bocht maken;
  4.2.3. veilig parkeren voor laden/lossen bij een laadvloer /laadhelling of soortgelijke inrichting (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E);
  4.2.4. parkeren om passagiers veilig in of uit de autobus te laten stappen (alleen categorieën D, D+E, D1, D1+E).
  4.3. (De proef vindt plaats op een privé-terrein.
  De duur van het examen bedraagt 45 minuten, evaluatie inbegrepen.) <KB 2006-02-14/41, art. 3, 5°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
Art. N2. Annexe 2. I. Contenu de l'épreuve écrite et orale
  1. Contenu de l'épreuve écrite et orale en vue de l'obtention du brevet I :
  1.1. Le présent arrêté et les circulaires ministérielles qui s'y rapportent;
  1.2. L'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire et les circulaires qui s'y rapportent;
  1.3. Les connaissances générales de gestion des entreprises en rapport avec la gestion et la direction des écoles de conduite.
  2. Contenu de l'épreuve écrite et orale en vue de l'obtention du brevet II :
  2.1. Connaissance théorique de la sécurité routière :
  2.1.1. Dispositions légales et réglementaires en matière de circulation routière :
  - loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968
  - arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique
  2.1.2. Le conducteur :
  - importance de la vigilance et des attitudes à l'égard des autres usagers,
  - fonctions de perception, d'évaluation et de décision, notamment temps de réaction, et modification des comportements du conducteur liés aux effets de l'alcool, des drogues et des médicaments, des états émotionnels et de la fatigue,
  - critères médicaux visés à l'annexe 6 à l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  2.1.3. La route :
  - principes les plus importants afférents au respect des distances de sécurité entre les véhicules, à la distance de freinage et à la tenue de route du véhicule dans diverses conditions météorologiques et d'état des chaussées,
  - risques de conduite liés aux différents états de la chaussée et notamment leurs variations avec les conditions atmosphériques, l'heure du jour ou de la nuit;
  - caractéristiques des différents types de routes et prescriptions légales qui en découlent.
  2.1.4. Les autres usagers de la route :
  - risques spécifiques liés à l'inexpérience d'autres usagers de la route, aux catégories d'usagers les plus vulnérables tels que les enfants, les piétons, les cyclistes et les personnes à mobilité réduite;
  - risques inhérents à la circulation et à la conduite de divers types de véhicules et aux différentes conditions de visibilité de leurs conducteurs.
  2.1.5. Réglementation générale et divers :
  - réglementation relative aux documents administratifs liés à l'utilisation du véhicule;
  - règles générales spécifiant le comportement que doit adopter le conducteur en cas d'accident (baliser, alerter, etc.) et mesures qu'il peut prendre, le cas échéant, pour venir en aide aux victimes d'accidents de la route;
  - facteurs de sécurité concernant le chargement du véhicule et les personnes transportées.
  2.1.6. Précautions nécessaires à prendre en quittant le véhicule.
  2.1.7. Equipements de sécurité des véhicules, notamment utilisation des ceintures de sécurité des appuie-têtes et des équipements de sécurité concernant les enfants.
  2.1.8. Règles d'utilisation du véhicule en relation avec le respect de l'environnement (utilisation pertinente des avertisseurs sonores, consommation de carburant modérée, limitation des émissions polluantes, etc.).
  2.2. Mécanique, technique et électricité automobile : pouvoir détecter les défectuosités les plus courantes pouvant affecter notamment le système de direction, de suspension, de freinage, les pneus, les feux et clignotants, les catadioptres, les rétroviseurs, les lave-glaces et essuie-glaces, le système d'échappement, les ceintures de sécurité et l'avertisseur sonore.
  3. Contenu de l'épreuve écrite et orale en vue de l'obtention du brevet III :
  Les matières prévues aux (points 2.1, 4.2 et 5.2); <AR 2006-02-14/41, art. 3, 1°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  4. Contenu de l'épreuve écrite et orale en vue de l'obtention du brevet IV :
  4.1. Les matières prévues au point 2.1.;
  4.2. Connaissances générales sur :
  4.2.1. l'utilisation des équipements de protection tels que gants, bottes, vêtements et casque;
  4.2.2. la visibilité des motocyclistes pour les autres usagers de la route;
  4.2.3. les risques liés aux différentes conditions de circulation, en prêtant une attention particulière aux parties glissantes de la chaussée tels que les plaques d'égouts, les marquages routiers telles que lignes et flèches, les rails de tramway;
  4.3. mecanique, technique et électricité liés à la sécurité de la conduite des motocyclettes, en prêtant une attention particulière au commutateur d'arrêt d'urgence, aux niveaux d'huile, à la chaîne, aux cardans et aux courroies.
  5. Contenu de l'épreuve écrite et orale en vue de l'obtention du brevet V :
  5.1. Les matières prévues au point 2.1.;
  5.2. Connaissances générales sur :
  5.2.1. les règles concernant les temps de conduite et les périodes de repos telles que définies dans le règlement (CEE) no 3820/85 du Conseil; utilisation du dispositif d'enregistrement prévu par le règlement (CEE) no 3821/85 du Conseil;
  5.2.2. les règles concernant le type de transport : marchandises ou voyageurs;
  5.2.3. les documents relatifs au véhicule et au transport requis pour le transport national et international de marchandises et de passagers;
  5.2.4. le comportement à adopter en cas d'accident; connaissances des mesures à prendre après un accident ou un événement analogue, notamment des interventions telles que l'évacuation de passagers, et les connaissances de base en matière de premiers secours;
  5.2.5. les précautions à prendre lors du retrait et du remplacement des roues;
  5.2.6. les règles concernant les masses et dimensions des véhicules; règles concernant les limiteurs de vitesse;
  5.2.7. la gêne de la visibilité causée, pour le conducteur et pour les autres usagers, par les caractéristiques de leur véhicule;
  5.2.8. la lecture d'une carte routière, la planification d'un itinéraire, y compris l'utilisation de systèmes de navigation électroniques (facultatif);
  5.2.9. les facteurs de sécurité concernant le chargement de leur véhicule : contrôle de la charge (arrimage et fixation), difficultés liées à certains types de charges (par exemple liquides, charges suspendues, etc.), chargement et déchargement de marchandises et utilisation de matériel de chargement (catégories C, C+E, C1 et C1+E uniquement);
  5.2.10.la responsabilité du conducteur en ce qui concerne le transport de passagers; confort et sécurité des passagers; transport d'enfants; contrôles nécessaires avant le départ; tous les types d'autobus devraient être abordés dans l'épreuve de contrôle des connaissances;
  5.2.11.la responsabilité du conducteur en ce qui concerne la réception, le transport et la livraison des marchandises, conformément aux conditions convenues (catégories C, C+E uniquement).
  5.3. Mécanique, technique et électricité pour les catégories [1 ...]1 B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E :
  5.3.1. les principes de la construction et du fonctionnement des éléments suivants : moteurs à combustion interne, fluides (par exemple huile moteur, liquide de refroidissement, lave-glace), circuit de carburant, circuit électrique, système d'allumage, système de transmission (embrayage, boîte de vitesses, etc.);
  5.3.2. lubrification et protection antigel;
  5.3.3. les principes de la construction, de l'installation, du bon usage et de l'entretien des pneumatiques;
  5.3.4. les principes des types, fonctionnement, principales pièces, connexion, utilisation et petit entretien des garnitures de freins et des régulateurs de vitesse;
  5.3.5. les principes des types, fonctionnement, pièces principales, connexion, utilisation et petit entretien des dispositifs d'attelage (catégories C+E, D+E uniquement);
  5.3.6. méthodes pour la localisation des causes de pannes;
  5.3.7. maintenance préventive des véhicules et réparations courantes nécessaires.
  II.
  1. Contenu de la leçon-modèle en vue de l'obtention du brevet II :
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à enseigner les matières suivantes aux candidats-conducteurs :
  1.1. Préparation et contrôle technique du véhicule en relation avec la sécurité routière :
  1.1.1. régler le siège du conducteur si nécessaire afin d'obtenir une position assise correcte;
  1.1.2. régler les rétroviseurs, les ceintures de sécurité, et les appuie-tête le cas échéant;
  1.1.3. s'assurer que les portes sont bien fermées;
  1.1.4. réaliser un contrôle aléatoire de l'état des pneumatiques, des freins, de la direction, des fluides (par exemple, huile moteur, liquide de refroidissement, liquide pour lave-glace), des feux, des dispositifs réfléchissants, des indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore;
  1.2. Manoeuvres particulières à tester en relation avec la sécurité routière :
  1.2.1. effectuer une marche arrière en maintenant une trajectoire rectiligne ou effectuer une marche arrière en tournant à droite ou à gauche à un angle de rue, sans quitter la voie de circulation correcte;
  1.2.2. faire demi-tour en utilisant les marches avant et arrière;
  1.2.3. garer le véhicule et quitter un espace de stationnement (parallèle, oblique ou perpendiculaire) en marche avant et en marche arrière, aussi bien sur le plat qu'en montée et qu'en descente;
  1.2.4. freiner pour s'arrêter avec précision; l'exécution d'un arrêt d'urgence est facultative.
  1.3. Comportement en circulation :
  1.3.1. quitter un emplacement de stationnement, repartir après un arrêt de la circulation, sortir d'une voie privée;
  1.3.2. emprunter des routes droites, croiser des véhicules, y compris dans des passages étroits;
  1.3.3. négocier des virages;
  1.3.4. carrefours : approche et franchissement d'intersections et de jonctions;
  1.3.5. changer de direction : tourner à droite et à gauche, changer de voie;
  1.3.6. approche/sortie d'autoroutes ou d'axes analogues (le cas échéant) : insertion depuis la voie d'accélération, sortir par la voie de décélération;
  1.3.7. dépasser/croiser : dépassement d'autres véhicules (si possible), dépassement d'obstacles tels que des voitures en stationnement, être dépassé par d'autres véhicules (le cas echéant);
  1.3.8. aménagements routiers particuliers (le cas échéant) : carrefours giratoires, passages à niveaux, arrêts de tramway/d'autobus, passages pour piétons, pentes prolongées en montée/en descente;
  1.3.9. prendre les précautions nécessaires avant de descendre du véhicule.
  1.4. L'exercice sur la voie publique ainsi que sur le terrain privé sera exécuté avec un véhicule de cours de la catégorie B, répondant réglementairement aux normes. La durée de l'examen, l'évaluation inclue, est de (45 minutes) au maximum. <AR 2006-02-14/41, art. 3, 2°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  2. Contenu de la leçon-modèle en vue de l'obtention du brevet III :
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à enseigner (les matières visées au point I, 3), aux candidats-conducteurs. <AR 2006-02-14/41, art. 3, 3°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  3. Contenu de la leçon-modèle en vue de l'obtention du brevet IV :
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à enseigner les matières suivantes aux candidats-conducteurs :
  3.1. Préparation et contrôle technique du véhicule en relation avec la sécurité routiere.
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à se préparer à conduire en sécurité en satisfaisant aux exigences suivantes :
  3.1.1. mettre en place les équipements de protection tels que gants, bottes, vêtements et casque;
  3.1.2. réaliser un contrôle aléatoire de l'état des pneumatiques, des freins, de la direction, du commutateur d'arrêt d'urgence (si disponible), de la chaîne, des niveaux d'huile, des feux, des dispositifs réfléchissants, des indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore.
  3.2. Manoeuvres particulières à tester en relation avec la sécurité routière
  3.2.1. mettre la motocyclette sur sa béquille, la débéquiller et la déplacer sans l'aide du moteur, en marchant à côté;
  3.2.2. garer la motocyclette en la mettant sur sa béquille;
  3.2.3 le jury détermine les manoeuvres des exercices suivants :
  3.2.3.1. exercice à exécuter à vitesse réduite, dont un slalom; cela devrait rendre possible la vérification de l'actionnement de l'embrayage en combinaison avec le frein, de l'équilibre, de la direction de la vision et de la position sur la motocyclette, ainsi que de la position des pieds sur les repose-pied;
  3.2.3.2. exercice à exécuter à vitesse plus élevée, dont une manoeuvre en 2e ou 3e vitesse, au moins 30 km/h, et une manoeuvre consistant en un évitement d'un obstacle à une vitesse d'au moins 50 km/h; cela devrait rendre possible la vérification de la position sur la motocyclette, de la direction de la vision, de l'équilibre, de la technique de conduite et de la technique de changement de vitesses;
  3.2.3.3. exercice de freinage : un freinage d'urgence à une vitesse d'au moins 50 km/h; cela devrait rendre possible la vérification de l'actionnement du frein avant et du frein arrière, de la direction de la vision et de la position sur la motocyclette.
  3.3. Comportements en circulation
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité d'effectuer les opérations suivantes dans des situations normales de circulation, en toute sécurité et avec les précautions requises :
  3.3.1. quitter un emplacement de stationnement, repartir après un arrêt de la circulation, sortir d'une voie privée;
  3.3.2. emprunter des routes droites, croiser des véhicules, y compris dans des passages étroits;
  3.3.3. négocier des virages;
  3.3.4. carrefours : approche et franchissement d'intersections et de jonctions;
  3.3.5. changer de direction : tourner à droite et à gauche, changer de voie;
  3.3.6. approche/sortie d'autoroutes ou d'axes analogues (le cas échéant) : insertion depuis la voie d'accélération, sortir par la voie de décélération;
  3.3.7. dépasser/croiser : dépassement d'autres véhicules (si possible), dépassement d'obstacles tels que des voitures en stationnement, être dépassé par d'autres véhicules (le cas échéant);
  3.3.8. aménagements routiers particuliers (le cas échéant) : carrefours giratoires, passages à niveaux, arrêts de tramway/d'autobus, passages pour piétons, pentes prolongées en montée/en descente;
  3.3.9. prendre les précautions nécessaires avant de descendre du véhicule.
  (3.4. L'exercice sur la voie publique est organisé avec un élève sur la motocyclette suivi par le candidat-enseignant dans une voiture accompagné par le jury. L'enseignant donne les instructions de conduite à l'élève sur la motocyclette, grâce à une liaison téléphonique. La durée de l'examen, l'évaluation incluse, est de 45 minutes au maximum.) <AR 2006-02-14/41, art. 3, 4°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  4. Contenu de la leçon-modèle en vue de l'obtention du brevet V :
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à enseigner les matières suivantes aux candidats-conducteurs :
  4.1. Préparation et contrôle technique du véhicule en relation avec la sécurité routière
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à se préparer à conduire en sécurité en satisfaisant aux exigences suivantes :
  4.1.1. régler le siège du conducteur si nécessaire afin d'obtenir une position assise correcte;
  4.1.2. régler les rétroviseurs, les ceintures de sécurité, et les appuie-tête le cas écheant;
  4.1.3. réaliser un contrôle aléatoire de l'état des pneumatiques, des freins, de la direction, des feux, des dispositifs réfléchissants, des indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore;
  4.1.4. contrôler les systèmes d'assistance au freinage et a la direction, contrôler l'état des pneumatiques, des écrous de roue, des garde-boue, du pare-brise, des fenêtres et des essuie-glaces, des fluides (notamment huile moteur, liquide de refroidissement, liquide pour lave-glace); contrôle et utilisation du tableau de bord, y compris l'enregistreur prévu dans le règlement (CEE) no 3821/85;
  4.1.5. contrôler la pression d'air, les réservoirs d'air et la suspension;
  4.1.6. contrôler les éléments de sécurité liés au chargement du vehicule : caisse, tôles, portes de chargement, mécanisme de chargement (le cas échéant), le verrouillage de la cabine, le mode de chargement, l'arrimage de la charge (catégories C, C+E, C1 et C1+E uniquement);
  4.1.7. contrôler le mécanisme d'attelage et les connexions du système de freinage et du circuit électrique (catégories C+E, C1+E, D+E et D1+E uniquement);
  4.1.8. être capable de prendre des mesures particulières pour la sécurité du véhicule, contrôler la caisse, les portes de service, les issues de secours, le matériel de premiers secours, les extincteurs et d'autres équipements de sécurité (catégories D, D+E, D1 et D1+E uniquement);
  4.1.9. lire une carte routière (facultatif).
  4.2. Manoeuvres spéciales à tester en relation avec la sécurité routière :
  4.2.1. procéder à l'attelage de la remorque ou de la semi-remorque à son véhicule tracteur et à son dételage de celui-ci (catégories C+E, C1+E, D+E, D1+E uniquement); cette manoeuvre doit commencer avec le véhicule et sa remorque stationnant côte à côte (c'est-à-dire pas dans une ligne droite) (catégories C+E, C1+E, D+E, D1+E uniquement);
  4.2.2. effectuer une marche arrière en décrivant une courbe;
  4.2.3. se garer de manière sûre pour charger/décharger sur une rampe/un quai de déchargement ou installation similaire (catégories C, C+E, C1 et C1+E uniquement);
  4.2.4. se garer pour laisser monter ou descendre en sécurité des passagers d'un autobus (catégories D, D+E, D1 et D1+E uniquement).
  4.3. (L'exercice est organisé sur un terrain privé.
  La durée de l'examen est de 45 minutes, l'évaluation incluse.) <AR 2006-02-14/41, art. 3, 5°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Bijlage 2. I. Inhoud van de schriftelijke [2 ...]2 proef
  1. Inhoud van de schriftelijke [2 ...]2 proef voor het brevet I :
  1.1. Dit besluit [2 ...]2;
  1.2. [2 Artikelen 1 tot en met 73 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.]2
  1.3. [2 ...]2
  2. Inhoud van de schriftelijke [2 ...]2 proef voor het brevet II :
  2.1. Theoretische kennis van de verkeersveiligheid :
  2.1.1. Wettelijke en reglementaire bepalingen voor het wegverkeer :
  - wet betreffende de politie op het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968
  - koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie op het wegverkeer en aan het gebruik van de openbare weg
  2.1.2. De bestuurder :
  - het belang van oplettendheid en van de houding ten opzichte van medeweggebruikers,
  - waarneming, beoordeling en reactie, met name reactietijd, en gedragsveranderingen bij de bestuurder tengevolge van alcohol, drugs en geneesmiddelen, gemoedsgesteldheid en vermoeidheid,
  - medische criteria die in bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaald zijn.
  2.1.3. De weg :
  - de belangrijkste richtlijnen voor het bewaren van afstand, remweg en wegligging van het voertuig in uiteenlopende weg- en weersomstandigheden,
  - verkeersrisico's in verband met de wegomstandigheden, in het bijzonder veranderingen tengevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of de nacht;
  - kenmerken van de verschillende soorten wegen en daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften.
  2.1.4. De medeweggebruikers :
  - specifieke risico's in verband met de onervarenheid van medeweggebruikers en de deelneming aan het verkeer van de meest kwetsbare categorieën, zoals kinderen, voetgangers, fietsers en personen die in hun mobiliteit beperkt zijn;
  - risico's in verband met de deelneming aan het verkeer en het besturen van diverse typen voertuigen en in verband met het verschillende gezichtsveld van de bestuurders van deze voertuigen.
  2.1.5. Algemene voorschriften en diversen :
  - voorschriften voor de administratieve bescheiden in verband met het gebruik van het voertuig;
  - algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij ongevallen (plaatsen van de gevarendriehoek, waarschuwen, enz.) en maatregelen die hij zo nodig kan nemen om hulp te verlenen aan verkeersslachtoffers;
  - veiligheidseisen voor de lading van het voertuig en de passagiers.
  2.1.6. Voorzorgsmaatregelen bij het verlaten van het voertuig.
  2.1.7. Veiligheidsinrichtingen van de voertuigen, met name het gebruik van veiligheidsgordels, hoofdsteunen en veiligheidsvoorzieningen voor kinderen.
  2.1.8. Regels voor het milieuvriendelijke gebruik van het voertuig (alleen claxonneren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen, enz.).
  2.2. Automechaniek, -techniek en -elektriciteit : de kandidaten moeten in staat zijn de meest voorkomende defecten te ontdekken, in het bijzonder aan de stuurinrichting, de wielophanging, de remmen, de banden, de verlichting en richtingaanwijzers, de reflectoren, de achteruitkijkspiegels, de voorruit en ruitenwissers, het uitlaatsysteem, de veiligheidsgordels en de claxon.
  3. Inhoud van de schriftelijke [2 ...]2 proef voor het brevet III :
  De in (punten 2.1, 4.2 en 5.2) bepaalde leerstof; <KB 2006-02-14/41, art. 3, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  4. Inhoud van de schriftelijke [2 ...]2 proef voor het brevet IV :
  4.1. De in punt 2.1. bepaalde leerstof;
  4.2. Algemene kennis van :
  4.2.1. het gebruik van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
  4.2.2. zichtbaarheid van motorrijders voor medeweggebruikers;
  4.2.3. specifieke risico's in verband met uiteenlopende wegomstandigheden, met bijzondere aandacht voor gladde delen als putdeksels, wegmarkeringen zoals strepen en pijlen, tramrails;
  4.3. mechanica, techniek en elektriciteit met betrekking tot de veiligheid van het motorrijden, met bijzondere aandacht voor de noodstopschakelaar, het oliepeil, de ketting, de cardanas en de drijfriemen.
  5. Inhoud van de schriftelijke [2 ...]2 proef voor het brevet V :
  5.1. [2 ...]2
  5.2. Algemene kennis van :
  5.2.1. de voorschriften inzake rij- en rusttijden zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad; het gebruik van controleapparatuur zoals beschreven in verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad;
  5.2.2. de voorschriften inzake het type vervoer : goederen of personen;
  5.2.3. de voertuig- en vervoersdocumenten die zijn vereist voor nationaal en internationaal vervoer van goederen en personen;
  5.2.4. de maatregelen bij ongevallen; kennis van de maatregelen die moeten worden genomen na een ongeval of een vergelijkbare gebeurtenis, met inbegrip van noodmaatregelen zoals de evacuatie van passagiers en de grondbeginselen van eerste hulp;
  5.2.5. de voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij de afname en het verwisselen van wielen;
  5.2.6. de voorschriften inzake gewichten en afmetingen; voorschriften inzake snelheidsbegrenzers;
  5.2.7. de beperking van het gezichtsveld voor de bestuurder en de overige weggebruikers die door de kenmerken van het voertuig wordt veroorzaakt;
  5.2.8. het lezen van een wegenkaart, de routeplanner, inclusief het gebruik van elektronische navigatiesystemen (optioneel);
  5.2.9. de veiligheidseisen bij het laden van het voertuig : het beheersen van de lading (laden en vastzetten), problemen met verschillende soorten lading (bijvoorbeeld vloeistoffen, hangende lading, enz.), het laden en lossen van goederen en het gebruik van laadapparatuur (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E);
  5.2.10.de verantwoordelijkheid van de bestuurder met betrekking tot het vervoer van passagiers; comfort en de veiligheid van passagiers; vervoer van kinderen; nodige controles vóór het wegrijden; in het theoretische examen moeten de verschillende soorten bussen aan bod komen;
  5.2.11.de verantwoordelijkheid van de bestuurder voor de ontvangst, het vervoer en de aflevering van goederen volgens afspraak (alleen categorieën C, C+E).
  5.3. Mechanica, techniek en elektriciteit voor de categorieën [1 ...]1 B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E :
  5.3.1. de principes van de constructie en de werking van de volgende onderdelen : verbrandingsmotoren, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), het brandstofsysteem, het elektrische systeem, de ontsteking, het transmissiesysteem (koppeling, versnellingsbak, enz.);
  5.3.2. smering en antivriesbescherming;
  5.3.3. de principes van de constructie, montage, correct gebruik en onderhoud van banden;
  5.3.4. de principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van reminrichtingen en snelheidsbegrenzers;
  5.3.5. de principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van het koppelmechanisme (alleen categorieën C+E, D+E);
  5.3.6. methoden voor het opsporen van oorzaken van defecten;
  5.3.7. preventief onderhoud van voertuigen en noodzakelijke lopende reparaties.
  II.
  1. Inhoud van de modelles voor het brevet II :
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de volgende leerstof aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen :
  1.1. Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid :
  1.1.1. zo nodig de zitplaats van de bestuurder bijstellen voor een juiste zithouding;
  1.1.2. zo nodig de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordels en hoofdsteunen bijstellen;
  1.1.3. controleren of de portieren goed gesloten zijn;
  1.1.4. steekproefsgewijze controle van banden, stuurinrichting, remmen, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon;
  1.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid moeten worden getest :
  1.2.1. in rechte lijn achteruitrijden of achteruitrijdend rechts of links een bocht omgaan en daarbij op de juiste rijstrook blijven;
  1.2.2. keren met voor- en achteruitschakeling;
  1.2.3. parkeren op en verlaten van een (evenwijdige, schuine of loodrechte) parkeerruimte, vooruit en achteruit, zowel op een vlakke weg als op een stijgende of dalende weg;
  1.2.4. remmen tot stilstand; een noodstop is optioneel.
  1.3. Rijgedrag :
  1.3.1. wegrijden : na parkeren, na een stop in het verkeer, na verlaten van een oprit;
  1.3.2. rijden op rechte wegen; tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
  1.3.3. rijden door bochten;
  1.3.4. kruispunten : naderen en oversteken van kruispunten en overwegen;
  1.3.5. veranderen van richting : naar links en rechts; veranderen van rijstrook;
  1.3.6. oprijden/verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig) : invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook;
  1.3.7. inhalen/passeren : inhalen van ander verkeer (indien mogelijk); obstakels zoals geparkeerde auto's voorbijrijden; ingehaald worden (in voorkomend geval);
  1.3.8. speciale verkeerselementen (indien aanwezig) : rotondes; gelijkvloerse spoorwegovergangen, tram-/ bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen; stijgende/dalende weg over een lange afstand;
  1.3.9. de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het uitstappen uit het voertuig.
  1.4. De oefening op het privé-terrein en op de openbare weg zal geschieden met een lesvoertuig, reglementair in orde en behorende tot de categorie B. De duur van de proef, de evaluatie inbegrepen, bedraagt maximaal (45 minuten). <KB 2006-02-14/41, art. 3, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  2. Inhoud van de modelles voor het brevet III :
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze (de leerstof onder punt I, 3), aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen. <KB 2006-02-14/41, art. 3, 3°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  3. Inhoud van de modelles voor het brevet IV :
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de volgende leerstof aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen :
  3.1 Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid.
  De kandidaten moeten aantonen dat zij goed voorbereid het voertuig veilig rijklaar kunnen maken door aan de volgende eisen te voldoen :
  3.1.1. correct dragen van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
  3.1.2. steekproefsgewijze controle van banden, remmen, stuurinrichting, noodstopschakelaar (indien aanwezig), ketting, oliepeil, verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon.
  3.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid
  3.2.1. motorfiets op de standaard plaatsen, er vanaf halen en zonder hulp van de motor het rijwiel verplaatsen door ernaast te lopen;
  3.2.2. motorfiets op de standaard plaatsen;
  3.2.3. de examenjury bepaalt de uit te voeren verrichtingen uit de volgende oefeningen :
  3.2.3.1. oefening bij een lage snelheid, waaronder een slalom ter beoordeling van de bediening van de koppeling in combinatie met de rem, balans, kijkrichting en de houding op het motorrijwiel, en de positie van de voeten op de voetsteunen;
  3.2.3.2. oefening bij een hogere snelheid, waaronder één verrichting in tweede of derde versnelling, minimaal 30 km per uur, en één verrichting voor het ontwijken van obstakels bij een snelheid van minimaal 50 km per uur, ter beoordeling van de houding op de motorfiets, kijkrichting, balans, stuurtechniek en schakeltechniek;
  3.2.3.3. remoefening, een noodstop bij een snelheid van minimaal 50 km per uur, ter beoordeling van de bediening van de voor- en achterrem, kijkrichting en de houding op de motorfiets.
  3.3. Rijgedrag
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze in normale verkeerssituaties veilig en met de vereiste voorzichtigheid de volgende handelingen kunnen uitvoeren :
  3.3.1. wegrijden : na parkeren, na een stop in het verkeer, na het verlaten van een oprit;
  3.3.2. rijden op rechte wegen; voertuigen kruisen, ook bij wegversmallingen;
  3.3.3. rijden door bochten;
  3.3.4. kruispunten : naderen en oversteken van kruispunten en overwegen;
  3.3.5. veranderen van richting : naar links en rechts; veranderen van rijstrook;
  3.3.6. oprijden /verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig) : invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook;
  3.3.7. inhalen /kruisen : inhalen van ander voertuigen (indien mogelijk); obstakels voorbijrijden, bijvoorbeeld geparkeerde auto's; ingehaald worden (indien mogelijk);
  3.3.8. speciale verkeerselementen (indien aanwezig) : rotondes; gelijkvloerse spoorwegovergangen, tram-/ bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen; stijgende/dalende weg over een lange afstand;
  3.3.9. de nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het afstappen van het voertuig.
  (3.4. De oefening op de openbare weg moet geschieden met een leerling op de motorfiets gevolgd door de kandidaat-lesgever in een personenwagen in aanwezigheid van de jury. Via een radioverbinding geeft de lesgever passende rij-instructies aan de leerling op de motorfiets. De duur van de proef, evaluatie inbegrepen, bedraagt maximaal 45 minuten.) <KB 2006-02-14/41, art. 3, 4°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  4. Inhoud van de modelles voor het verkrijgen van het brevet V :
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat ze de volgende leerstof aan de kandidaat-bestuurders kunnen onderwijzen :
  4.1. Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid
  De kandidaten moeten het bewijs leveren dat zij zich op veilig rijden kunnen voorbereiden door aan de onderstaande eisen te voldoen :
  4.1.1. de zitplaats van de bestuurder zo nodig bijstellen voor een juiste zithouding;
  4.1.2. zo nodig bijstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
  4.1.3. steekproefsgewijze controle van banden, remmen, stuurinrichting, verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon;
  4.1.4. controle van de rem- en stuurbekrachtiging; controle van de wielen, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof en ruitensproeiervloeistof); controle en gebruik van alle onderdelen op het instrumentenbord, inclusief de in Verordening (EEG) nr. 3821/85 bepaalde controleapparatuur;
  4.1.5. controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
  4.1.6. controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, laadmechanisme (indien aanwezig), cabineslot (indien aanwezig), manier van laden, vastzetten lading (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E);
  4.1.7. controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen (alleen categorieën C+E, C1+E, D+E, D1+E);
  4.1.8. in staat zijn bijzondere maatregelen te treffen voor de veiligheid van het voertuig; controle van carrosserie, bedrijfsdeuren, nooduitgangen, EHBO-benodigdheden, brandblussers en andere veiligheidsvoorzieningen (alleen categorieën D, D+E, D1, D1+E);
  4.1.9. lezen van een wegenkaart (optioneel).
  4.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid :
  4.2.1. koppelen en loskoppelen van een aanhangwagen of oplegger aan /van een trekkend motorvoertuig; aan het begin van deze verrichting moeten het voertuig en de aanhangwagen of oplegger naast elkaar staan (dus niet in elkaars verlengde) (alleen categorieën C+E, C1+E, D+E, D1+E);
  4.2.2. achteruitrijdend een bocht maken;
  4.2.3. veilig parkeren voor laden/lossen bij een laadvloer /laadhelling of soortgelijke inrichting (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E);
  4.2.4. parkeren om passagiers veilig in of uit de autobus te laten stappen (alleen categorieën D, D+E, D1, D1+E).
  4.3. (De proef vindt plaats op een privé-terrein.
  De duur van het examen bedraagt 45 minuten, evaluatie inbegrepen.) <KB 2006-02-14/41, art. 3, 5°, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  
Annexe 2. I. Contenu de l'épreuve écrite [2 ...]2
  1. Contenu de l'épreuve écrite [2 ...]2 en vue de l'obtention du brevet I :
  1.1. Le présent arrêté [2 ...]2;
  1.2. [2 Article 1er jusque et y compris l'article 73 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.]2
  1.3. [2 ...]2
  2. Contenu de l'épreuve écrite [2 ...]2 en vue de l'obtention du brevet II :
  2.1. Connaissance théorique de la sécurité routière :
  2.1.1. Dispositions légales et réglementaires en matière de circulation routière :
  - loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968
  - arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique
  2.1.2. Le conducteur :
  - importance de la vigilance et des attitudes à l'égard des autres usagers,
  - fonctions de perception, d'évaluation et de décision, notamment temps de réaction, et modification des comportements du conducteur liés aux effets de l'alcool, des drogues et des médicaments, des états émotionnels et de la fatigue,
  - critères médicaux visés à l'annexe 6 à l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
  2.1.3. La route :
  - principes les plus importants afférents au respect des distances de sécurité entre les véhicules, à la distance de freinage et à la tenue de route du véhicule dans diverses conditions météorologiques et d'état des chaussées,
  - risques de conduite liés aux différents états de la chaussée et notamment leurs variations avec les conditions atmosphériques, l'heure du jour ou de la nuit;
  - caractéristiques des différents types de routes et prescriptions légales qui en découlent.
  2.1.4. Les autres usagers de la route :
  - risques spécifiques liés à l'inexpérience d'autres usagers de la route, aux catégories d'usagers les plus vulnérables tels que les enfants, les piétons, les cyclistes et les personnes à mobilité réduite;
  - risques inhérents à la circulation et à la conduite de divers types de véhicules et aux différentes conditions de visibilité de leurs conducteurs.
  2.1.5. Réglementation générale et divers :
  - réglementation relative aux documents administratifs liés à l'utilisation du véhicule;
  - règles générales spécifiant le comportement que doit adopter le conducteur en cas d'accident (baliser, alerter, etc.) et mesures qu'il peut prendre, le cas échéant, pour venir en aide aux victimes d'accidents de la route;
  - facteurs de sécurité concernant le chargement du véhicule et les personnes transportées.
  2.1.6. Précautions nécessaires à prendre en quittant le véhicule.
  2.1.7. Equipements de sécurité des véhicules, notamment utilisation des ceintures de sécurité des appuie-têtes et des équipements de sécurité concernant les enfants.
  2.1.8. Règles d'utilisation du véhicule en relation avec le respect de l'environnement (utilisation pertinente des avertisseurs sonores, consommation de carburant modérée, limitation des émissions polluantes, etc.).
  2.2. Mécanique, technique et électricité automobile : pouvoir détecter les défectuosités les plus courantes pouvant affecter notamment le système de direction, de suspension, de freinage, les pneus, les feux et clignotants, les catadioptres, les rétroviseurs, les lave-glaces et essuie-glaces, le système d'échappement, les ceintures de sécurité et l'avertisseur sonore.
  3. Contenu de l'épreuve écrite [2 ...]2 en vue de l'obtention du brevet III :
  Les matières prévues aux (points 2.1, 4.2 et 5.2); <AR 2006-02-14/41, art. 3, 1°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  4. Contenu de l'épreuve écrite [2 ...]2 en vue de l'obtention du brevet IV :
  4.1. Les matières prévues au point 2.1.;
  4.2. Connaissances générales sur :
  4.2.1. l'utilisation des équipements de protection tels que gants, bottes, vêtements et casque;
  4.2.2. la visibilité des motocyclistes pour les autres usagers de la route;
  4.2.3. les risques liés aux différentes conditions de circulation, en prêtant une attention particulière aux parties glissantes de la chaussée tels que les plaques d'égouts, les marquages routiers telles que lignes et flèches, les rails de tramway;
  4.3. mecanique, technique et électricité liés à la sécurité de la conduite des motocyclettes, en prêtant une attention particulière au commutateur d'arrêt d'urgence, aux niveaux d'huile, à la chaîne, aux cardans et aux courroies.
  5. Contenu de l'épreuve écrite [2 ...]2 en vue de l'obtention du brevet V :
  5.1. [2 ...]2
  5.2. Connaissances générales sur :
  5.2.1. les règles concernant les temps de conduite et les périodes de repos telles que définies dans le règlement (CEE) no 3820/85 du Conseil; utilisation du dispositif d'enregistrement prévu par le règlement (CEE) no 3821/85 du Conseil;
  5.2.2. les règles concernant le type de transport : marchandises ou voyageurs;
  5.2.3. les documents relatifs au véhicule et au transport requis pour le transport national et international de marchandises et de passagers;
  5.2.4. le comportement à adopter en cas d'accident; connaissances des mesures à prendre après un accident ou un événement analogue, notamment des interventions telles que l'évacuation de passagers, et les connaissances de base en matière de premiers secours;
  5.2.5. les précautions à prendre lors du retrait et du remplacement des roues;
  5.2.6. les règles concernant les masses et dimensions des véhicules; règles concernant les limiteurs de vitesse;
  5.2.7. la gêne de la visibilité causée, pour le conducteur et pour les autres usagers, par les caractéristiques de leur véhicule;
  5.2.8. la lecture d'une carte routière, la planification d'un itinéraire, y compris l'utilisation de systèmes de navigation électroniques (facultatif);
  5.2.9. les facteurs de sécurité concernant le chargement de leur véhicule : contrôle de la charge (arrimage et fixation), difficultés liées à certains types de charges (par exemple liquides, charges suspendues, etc.), chargement et déchargement de marchandises et utilisation de matériel de chargement (catégories C, C+E, C1 et C1+E uniquement);
  5.2.10.la responsabilité du conducteur en ce qui concerne le transport de passagers; confort et sécurité des passagers; transport d'enfants; contrôles nécessaires avant le départ; tous les types d'autobus devraient être abordés dans l'épreuve de contrôle des connaissances;
  5.2.11.la responsabilité du conducteur en ce qui concerne la réception, le transport et la livraison des marchandises, conformément aux conditions convenues (catégories C, C+E uniquement).
  5.3. Mécanique, technique et électricité pour les catégories [1 ...]1 B+E, C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D et D+E :
  5.3.1. les principes de la construction et du fonctionnement des éléments suivants : moteurs à combustion interne, fluides (par exemple huile moteur, liquide de refroidissement, lave-glace), circuit de carburant, circuit électrique, système d'allumage, système de transmission (embrayage, boîte de vitesses, etc.);
  5.3.2. lubrification et protection antigel;
  5.3.3. les principes de la construction, de l'installation, du bon usage et de l'entretien des pneumatiques;
  5.3.4. les principes des types, fonctionnement, principales pièces, connexion, utilisation et petit entretien des garnitures de freins et des régulateurs de vitesse;
  5.3.5. les principes des types, fonctionnement, pièces principales, connexion, utilisation et petit entretien des dispositifs d'attelage (catégories C+E, D+E uniquement);
  5.3.6. méthodes pour la localisation des causes de pannes;
  5.3.7. maintenance préventive des véhicules et réparations courantes nécessaires.
  II.
  1. Contenu de la leçon-modèle en vue de l'obtention du brevet II :
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à enseigner les matières suivantes aux candidats-conducteurs :
  1.1. Préparation et contrôle technique du véhicule en relation avec la sécurité routière :
  1.1.1. régler le siège du conducteur si nécessaire afin d'obtenir une position assise correcte;
  1.1.2. régler les rétroviseurs, les ceintures de sécurité, et les appuie-tête le cas échéant;
  1.1.3. s'assurer que les portes sont bien fermées;
  1.1.4. réaliser un contrôle aléatoire de l'état des pneumatiques, des freins, de la direction, des fluides (par exemple, huile moteur, liquide de refroidissement, liquide pour lave-glace), des feux, des dispositifs réfléchissants, des indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore;
  1.2. Manoeuvres particulières à tester en relation avec la sécurité routière :
  1.2.1. effectuer une marche arrière en maintenant une trajectoire rectiligne ou effectuer une marche arrière en tournant à droite ou à gauche à un angle de rue, sans quitter la voie de circulation correcte;
  1.2.2. faire demi-tour en utilisant les marches avant et arrière;
  1.2.3. garer le véhicule et quitter un espace de stationnement (parallèle, oblique ou perpendiculaire) en marche avant et en marche arrière, aussi bien sur le plat qu'en montée et qu'en descente;
  1.2.4. freiner pour s'arrêter avec précision; l'exécution d'un arrêt d'urgence est facultative.
  1.3. Comportement en circulation :
  1.3.1. quitter un emplacement de stationnement, repartir après un arrêt de la circulation, sortir d'une voie privée;
  1.3.2. emprunter des routes droites, croiser des véhicules, y compris dans des passages étroits;
  1.3.3. négocier des virages;
  1.3.4. carrefours : approche et franchissement d'intersections et de jonctions;
  1.3.5. changer de direction : tourner à droite et à gauche, changer de voie;
  1.3.6. approche/sortie d'autoroutes ou d'axes analogues (le cas échéant) : insertion depuis la voie d'accélération, sortir par la voie de décélération;
  1.3.7. dépasser/croiser : dépassement d'autres véhicules (si possible), dépassement d'obstacles tels que des voitures en stationnement, être dépassé par d'autres véhicules (le cas echéant);
  1.3.8. aménagements routiers particuliers (le cas échéant) : carrefours giratoires, passages à niveaux, arrêts de tramway/d'autobus, passages pour piétons, pentes prolongées en montée/en descente;
  1.3.9. prendre les précautions nécessaires avant de descendre du véhicule.
  1.4. L'exercice sur la voie publique ainsi que sur le terrain privé sera exécuté avec un véhicule de cours de la catégorie B, répondant réglementairement aux normes. La durée de l'examen, l'évaluation inclue, est de (45 minutes) au maximum. <AR 2006-02-14/41, art. 3, 2°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  2. Contenu de la leçon-modèle en vue de l'obtention du brevet III :
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à enseigner (les matières visées au point I, 3), aux candidats-conducteurs. <AR 2006-02-14/41, art. 3, 3°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  3. Contenu de la leçon-modèle en vue de l'obtention du brevet IV :
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à enseigner les matières suivantes aux candidats-conducteurs :
  3.1. Préparation et contrôle technique du véhicule en relation avec la sécurité routiere.
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à se préparer à conduire en sécurité en satisfaisant aux exigences suivantes :
  3.1.1. mettre en place les équipements de protection tels que gants, bottes, vêtements et casque;
  3.1.2. réaliser un contrôle aléatoire de l'état des pneumatiques, des freins, de la direction, du commutateur d'arrêt d'urgence (si disponible), de la chaîne, des niveaux d'huile, des feux, des dispositifs réfléchissants, des indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore.
  3.2. Manoeuvres particulières à tester en relation avec la sécurité routière
  3.2.1. mettre la motocyclette sur sa béquille, la débéquiller et la déplacer sans l'aide du moteur, en marchant à côté;
  3.2.2. garer la motocyclette en la mettant sur sa béquille;
  3.2.3 le jury détermine les manoeuvres des exercices suivants :
  3.2.3.1. exercice à exécuter à vitesse réduite, dont un slalom; cela devrait rendre possible la vérification de l'actionnement de l'embrayage en combinaison avec le frein, de l'équilibre, de la direction de la vision et de la position sur la motocyclette, ainsi que de la position des pieds sur les repose-pied;
  3.2.3.2. exercice à exécuter à vitesse plus élevée, dont une manoeuvre en 2e ou 3e vitesse, au moins 30 km/h, et une manoeuvre consistant en un évitement d'un obstacle à une vitesse d'au moins 50 km/h; cela devrait rendre possible la vérification de la position sur la motocyclette, de la direction de la vision, de l'équilibre, de la technique de conduite et de la technique de changement de vitesses;
  3.2.3.3. exercice de freinage : un freinage d'urgence à une vitesse d'au moins 50 km/h; cela devrait rendre possible la vérification de l'actionnement du frein avant et du frein arrière, de la direction de la vision et de la position sur la motocyclette.
  3.3. Comportements en circulation
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité d'effectuer les opérations suivantes dans des situations normales de circulation, en toute sécurité et avec les précautions requises :
  3.3.1. quitter un emplacement de stationnement, repartir après un arrêt de la circulation, sortir d'une voie privée;
  3.3.2. emprunter des routes droites, croiser des véhicules, y compris dans des passages étroits;
  3.3.3. négocier des virages;
  3.3.4. carrefours : approche et franchissement d'intersections et de jonctions;
  3.3.5. changer de direction : tourner à droite et à gauche, changer de voie;
  3.3.6. approche/sortie d'autoroutes ou d'axes analogues (le cas échéant) : insertion depuis la voie d'accélération, sortir par la voie de décélération;
  3.3.7. dépasser/croiser : dépassement d'autres véhicules (si possible), dépassement d'obstacles tels que des voitures en stationnement, être dépassé par d'autres véhicules (le cas échéant);
  3.3.8. aménagements routiers particuliers (le cas échéant) : carrefours giratoires, passages à niveaux, arrêts de tramway/d'autobus, passages pour piétons, pentes prolongées en montée/en descente;
  3.3.9. prendre les précautions nécessaires avant de descendre du véhicule.
  (3.4. L'exercice sur la voie publique est organisé avec un élève sur la motocyclette suivi par le candidat-enseignant dans une voiture accompagné par le jury. L'enseignant donne les instructions de conduite à l'élève sur la motocyclette, grâce à une liaison téléphonique. La durée de l'examen, l'évaluation incluse, est de 45 minutes au maximum.) <AR 2006-02-14/41, art. 3, 4°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  4. Contenu de la leçon-modèle en vue de l'obtention du brevet V :
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à enseigner les matières suivantes aux candidats-conducteurs :
  4.1. Préparation et contrôle technique du véhicule en relation avec la sécurité routière
  Les candidats doivent faire la preuve de leur capacité à se préparer à conduire en sécurité en satisfaisant aux exigences suivantes :
  4.1.1. régler le siège du conducteur si nécessaire afin d'obtenir une position assise correcte;
  4.1.2. régler les rétroviseurs, les ceintures de sécurité, et les appuie-tête le cas écheant;
  4.1.3. réaliser un contrôle aléatoire de l'état des pneumatiques, des freins, de la direction, des feux, des dispositifs réfléchissants, des indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore;
  4.1.4. contrôler les systèmes d'assistance au freinage et a la direction, contrôler l'état des pneumatiques, des écrous de roue, des garde-boue, du pare-brise, des fenêtres et des essuie-glaces, des fluides (notamment huile moteur, liquide de refroidissement, liquide pour lave-glace); contrôle et utilisation du tableau de bord, y compris l'enregistreur prévu dans le règlement (CEE) no 3821/85;
  4.1.5. contrôler la pression d'air, les réservoirs d'air et la suspension;
  4.1.6. contrôler les éléments de sécurité liés au chargement du vehicule : caisse, tôles, portes de chargement, mécanisme de chargement (le cas échéant), le verrouillage de la cabine, le mode de chargement, l'arrimage de la charge (catégories C, C+E, C1 et C1+E uniquement);
  4.1.7. contrôler le mécanisme d'attelage et les connexions du système de freinage et du circuit électrique (catégories C+E, C1+E, D+E et D1+E uniquement);
  4.1.8. être capable de prendre des mesures particulières pour la sécurité du véhicule, contrôler la caisse, les portes de service, les issues de secours, le matériel de premiers secours, les extincteurs et d'autres équipements de sécurité (catégories D, D+E, D1 et D1+E uniquement);
  4.1.9. lire une carte routière (facultatif).
  4.2. Manoeuvres spéciales à tester en relation avec la sécurité routière :
  4.2.1. procéder à l'attelage de la remorque ou de la semi-remorque à son véhicule tracteur et à son dételage de celui-ci (catégories C+E, C1+E, D+E, D1+E uniquement); cette manoeuvre doit commencer avec le véhicule et sa remorque stationnant côte à côte (c'est-à-dire pas dans une ligne droite) (catégories C+E, C1+E, D+E, D1+E uniquement);
  4.2.2. effectuer une marche arrière en décrivant une courbe;
  4.2.3. se garer de manière sûre pour charger/décharger sur une rampe/un quai de déchargement ou installation similaire (catégories C, C+E, C1 et C1+E uniquement);
  4.2.4. se garer pour laisser monter ou descendre en sécurité des passagers d'un autobus (catégories D, D+E, D1 et D1+E uniquement).
  4.3. (L'exercice est organisé sur un terrain privé.
  La durée de l'examen est de 45 minutes, l'évaluation incluse.) <AR 2006-02-14/41, art. 3, 5°, 003; En vigueur : 01-12-2004>
  
Art. N4. [1 Bijlage 4. - Criteria en de procedure van selectie van de leden van de examencommissie
   1. Criteria van selectie
   1.1 Teneinde de kennis en kunde van de juryleden te verbeteren, een objectievere beoordeling van de kandidaten mogelijk te maken en om tot een grotere harmonisering van de examens te komen, worden er minimumnormen betreffende de toegang tot de functie van jurylid vastgesteld.
   1. 2 Vereiste vaardigheden voor een lid van de examencommissie.
   1.2.1 Een persoon die bevoegd is tot het afnemen van een examen van
   een kandidaat dient te beschikken over de kennis, vaardigheden en inzichten die verband houden met de aspecten vermeld hieronder.
   1.2.2 De vaardigheden van een jurylid dienen te zijn afgestemd op het examineren van een kandidaat voor een brevet van beroepsbekwaamheid van het leidinggevende en onderwijzende personeel van de rijscholen.
   1.2.3 Hij moet kennis en begrip hebben van het besturen en moet kunnen evalueren.
   Hij moet een algemene kennis hebben van het van toepassing zijnde verkeersreglement en de interpretatieregels ervan kennen. Hij moet kennis hebben van de theorie van het afnemen van examens en de evaluatietechnieken.
   1.2.4 Hij moet, in het kader van de evaluatievaardigheden, accuraat kunnen observeren en de algemene prestaties van de kandidaat kunnen beoordelen, met name zijn mogelijkheden om :
   - snel informatie te verwerken en de hoofdpunten op te nemen;
   - te anticiperen, mogelijke problemen op te merken en strategieën uit te werken om deze aan te pakken;
   - tijdig opbouwend commentaar te geven.
   1.2.5 Het lid van de examencommissie moet :
   - kunnen bepalen en meedelen wat de kandidaat kan verwachten tijdens het examen;
   - moet duidelijk kunnen communiceren en de inhoud, de vorm en de taal moeten zijn afgestemd op de kandidaat en de context. De kandidaat moet antwoord krijgen op zijn vragen;
   - moet de uitslag van het examen duidelijk kunnen toelichten;
   - moet alle kandidaten met respect en gelijk behandelen.
   2. Kwaliteitswaarborg
   De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer hanteert een systeem van kwaliteitswaarborg om ervoor te zorgen dat de normen voor de juryleden op peil blijven.
   3. Algemene criteria en diplomavereisten.
   3.1 De algemene criteria waaraan de leden van de examencommissie moeten voldoen zijn de volgende :
   3.1.1 De vertegenwoordiger van de Minister, is titularis van een graad van niveau A.
   3.1.2 De voorzitter is titularis van een graad van niveau A.
   3.1.3 De juryleden van de modellessen moeten houder zijn van een pedagogisch diploma.
   Worden aanvaard als pedagogisch diploma, het diploma licentiaat of master psychologie, licentiaat of master psychologische wetenschappen, licentiaat of master bedrijfs- en experimentele psychologie, licentiaat of master toegepaste psychologie, licentiaat of master beroepsoriëntering en selectie, licentiaat of master opvoedingswetenschappen of opvoedkundige wetenschappen, licentiaat of master pedagogische wetenschappen, licentiaat of master psychologische en pedagogische wetenschappen, licentiaat psycho-pedagogische wetenschappen, GLSO, GVSO-groep 1 of geaggregeerde voor het HSO en NUHO, HOKT, HOLT, LSBO, LSTO, GPB, of het diploma van onderwijzer.
   3.1.4 De juryleden van het vak automechaniek, -techniek en elektriciteit moeten minstens houder zijn van één van de volgende diploma's : HOKT (of bachelor) of HSTO auto-expert, HOKT (of bachelor) of HSTO of HSBL automechanica, HOKT (of bachelor) of HSTO autotechnieken, HOKT (of bachelor) mechanica, optie automechanica, HOKT (of bachelor) of HSTO motorvoertuigentechniek, HSTO auto-expert, HSTO garage, HSTO mechanica van dieselmotoren, HSTO toegepaste autotechnieken, technisch of industrieel ingenieur, gehomologeerd getuigschrift (HSO) (BSO), GLSO mechanica en GVSO-groep 1 of geaggregeerde voor het HSO en NUHO.
   3.1.5 De juryleden van het vak theoretische kennis van de verkeersveiligheid en de rijbewijs-, rijschool- en verkeersreglementering moeten voldoen aan één van de volgende voorwaarden :
   - houder zijn van één van de volgende diploma's : doctor, licentiaat of master, kandidaat of gegradueerde of bachelor in de rechten, HOKTSP-verkeerskunde;
   - vijf jaar ervaring voorleggen, als houder van een brevet 1, in een erkende rijschool;
   - drie jaar ervaring in de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer of in het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid of in een erkend organisme voor technische controle.
   3.1.6 De leden van de jury moeten minstens 23 jaar zijn en in het bezit zijn van een rijbewijs B gedurende minstens drie jaar.
   4. Procedure van selectie.
   4.1 Het aanwervingbericht wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en wordt tevens bekendgemaakt aan het publiek via de media.
   Het bericht vermeldt de uiterste inschrijvingsdatum en de gestelde voorwaarden.
   4.2 De kandidaten stellen zich kandidaat, binnen de dertig dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad via een eenvoudige brief, gericht aan de minister of zijn gemachtigde.
   Ze voegen het bewijs bij dat zij voldoen aan de vermelde voorwaarden.
   4.3 De Adviseur-generaal van de Directie Certificatie en Inspectie van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer nodigt de kandidaten uit voor een evaluatiegesprek.
   De kandidaturen en het resultaat van de evaluatie van elke kandidaat worden overgemaakt aan de Minister die beslist.
   4.4 Er kan, indien nodig, een wervingsreserve worden aangelegd.]1

  
Art. N4. [1 Annexe 4. - Critères et procédure de sélection des membres du jury d'examen
   1. Critères de sélection
   1.1 Des normes minimales relatives à l'accès à la fonction de membre du jury sont déterminées, afin d'améliorer les connaissances et les compétences des membres du jury, de permettre une évaluation plus objective des candidats et de parvenir à une plus grande harmonisation des examens.
   1.2 Compétences exigées d'un membre du jury d'examen.
   1.2.1 Une personne habilitée à faire passer un examen à un candidat doit avoir des connaissances, des compétences et des aptitudes relatives aux éléments énumérés ci-dessous.
   1.2.2 Les compétences d'un membre du jury doivent lui permettre d'évaluer un candidat à un brevet d'aptitude professionnelle du personnel dirigeant et enseignant des écoles de conduite.
   1.2.3 Il doit avoir la connaissance et la compréhension de la conduite et doit pouvoir évaluer.
   Il doit avoir une connaissance générale de la législation routière applicable et de ses orientations interprétatives.
   Il doit avoir connaissance de la théorie de l'interrogation et des techniques en matière d'évaluation.
   1.2.4 Il doit, en matière d'évaluation, être capable d'observer avec précision et d'évaluer les aptitudes générales du candidat, en particulier son aptitude à :
   - assimiler rapidement les informations et en extraire les éléments essentiels;
   - anticiper, identifier les problèmes potentiels et élaborer des stratégies pour les résoudre;
   - donner en temps utile des commentaires constructifs.
   1.2.5 Le membre du jury d'examen doit :
   - pouvoir déterminer et communiquer ce à quoi le candidat peut s'attendre pendant l'examen;
   - doit pouvoir communiquer clairement, en choisissant un contenu, un style et des termes adaptés au candidat et au contexte. Le candidat doit recevoir une réponse à ces questions;
   - doit pouvoir informer clairement les candidats des résultats de l'examen;
   - traiter les candidats avec respect et sans discrimination.
   2. Garantie de qualité
   Le Service public fédéral Mobilité et Transports met en place un système garantissant la qualité afin de maintenir le niveau des normes pour les membres du jury.
   3. Critères généraux et diplômes.
   3.1 Les critères généraux auxquels les membres du jury d'examen doivent satisfaire sont les suivants :
   3.1.1 Le représentant du Ministre est titulaire d'un grade de niveau A.
   3.1.2 Le président est titulaire d'un grade de niveau A.
   3.1.3 Les membres du jury chargés des leçons modèles doivent être titulaires d'un diplôme pédagogique.
   Sont reconnus comme diplôme pédagogique, le diplôme de licencié ou maître en psychologie, licencié ou maître en science psychologique, licencié ou maître en psychologie d'entreprise et expérimentale, licencié ou maître en psychologie appliquée, licencié ou maître en orientation de carrière et sélection, licencié ou maître en science de l'éducation ou science pédagogique, licencié ou maître science pédagogique, licencié ou maître en science psychologique et pédagogique, licencié ou maître en science psychopédagogique, AESI, AES-groupe 1 ou agrégé pour l'ESS et l'ESNU, ESTC, ESTL, ETSI, EPSI, L'CAP ou le diplôme d'instituteur.
   3.1.4 Les membres du jury chargés de la mécanique, technique et électricité automobile doivent être titulaires d'un des diplômes suivants : ESTC (ou bachelier) ou ETSS expert d'auto, ESTC (ou bachelier) ou ETSS ou ESCP mécanique d'auto, ESTC (ou bachelier) ou ETSS techniques d'auto, ESTC (ou bachelier) mécanique option mécanique d'auto, ESTC (ou bachelier) ou ETSS technique des véhicules à moteur, ETSS expert d'auto, ETSS garage, ETSS mécanique de moteurs diesel, ETSS techniques appliquées d'auto, ingénieur technicien ou industriel, certificat homologué (ESS) (ESP), AESI mécanique et AES-groupe 1 ou agrégé pour l'ESS et l'ESNU.
   3.1.5 Les membres du jury chargés de la connaissance théorique de la sécurité routière et de la réglementation routière, du permis de conduire et des écoles de conduite doivent répondre à une des conditions suivantes :
   - être titulaire d'un des diplômes suivants : docteur, licencié ou maître, candidat ou gradué ou bachelier en droit, ESTCPS-science de la circulation routière;
   - une expérience de cinq ans comme titulaire d'un brevet 1 dans une école de conduite agréée;
   - avoir trois ans d'expérience au sein du Service Fédéral Mobilité et Transports ou de l'Institut Belge de la Sécurité Routière ou dans un organisme agréé pour le contrôle technique.
   3.1.6 Les membres du jury doivent avoir atteint l'âge de 23 ans au moins et doivent être titulaires d'un permis de conduire de la catégorie B depuis trois ans au moins.
   4. Procédure de sélection
   4.1 L'appel aux candidats est publié au Moniteur belge et est également porté à la connaissance du public via les médias.
   L'avis mentionne la date limite des candidatures et les conditions requises.
   4.2 Les candidats envoient leur candidature par courrier ordinaire au ministre ou son délégué dans les trente jours calendrier de la date de publication au Moniteur belge.
   Ils joignent la preuve que les conditions requises sont remplies.
   4.3 Les candidats sont convoqués par le Conseiller général de la Direction Certification et Inspection du Service public fédéral Mobilité et Transports pour un entretien d'évaluation.
   Les candidatures et le résultat de l'évaluation des candidats sont transmis au Ministre.
   4.4 Une réserve de recrutement peut, le cas échéant, être constituée.]1

  
Art. N4_VLAAMS_GEWEST.   - Criteria en de procedure van selectie van de leden van de examencommissie
   1. Criteria van selectie
   1.1 Teneinde de kennis en kunde van de juryleden te verbeteren, een objectievere beoordeling van de kandidaten mogelijk te maken en om tot een grotere harmonisering van de examens te komen, worden er minimumnormen betreffende de toegang tot de functie van jurylid vastgesteld.
   1. 2 Vereiste vaardigheden voor een lid van de examencommissie.
   1.2.1 Een persoon die bevoegd is tot het afnemen van een examen van
   een kandidaat dient te beschikken over de kennis, vaardigheden en inzichten die verband houden met de aspecten vermeld hieronder.
   1.2.2 De vaardigheden van een jurylid dienen te zijn afgestemd op het examineren van een kandidaat voor een brevet van beroepsbekwaamheid van het leidinggevende en onderwijzende personeel van de rijscholen.
   1.2.3 Hij moet kennis en begrip hebben van het besturen en moet kunnen evalueren.
   Hij moet een algemene kennis hebben van het van toepassing zijnde verkeersreglement en de interpretatieregels ervan kennen. Hij moet kennis hebben van de theorie van het afnemen van examens en de evaluatietechnieken.
   1.2.4 Hij moet, in het kader van de evaluatievaardigheden, accuraat kunnen observeren en de algemene prestaties van de kandidaat kunnen beoordelen, met name zijn mogelijkheden om :
   - snel informatie te verwerken en de hoofdpunten op te nemen;
   - te anticiperen, mogelijke problemen op te merken en strategieën uit te werken om deze aan te pakken;
   - tijdig opbouwend commentaar te geven.
   1.2.5 Het lid van de examencommissie moet :
   - kunnen bepalen en meedelen wat de kandidaat kan verwachten tijdens het examen;
   - moet duidelijk kunnen communiceren en de inhoud, de vorm en de taal moeten zijn afgestemd op de kandidaat en de context. De kandidaat moet antwoord krijgen op zijn vragen;
   - moet de uitslag van het examen duidelijk kunnen toelichten;
   - moet alle kandidaten met respect en gelijk behandelen.
   2. Kwaliteitswaarborg
   [2 Het bestuur]2 hanteert een systeem van kwaliteitswaarborg om ervoor te zorgen dat de normen voor de juryleden op peil blijven.
   3. Algemene criteria en diplomavereisten.
   3.1 De algemene criteria waaraan de leden van de examencommissie moeten voldoen zijn de volgende :
   3.1.1 De vertegenwoordiger van de Minister, is titularis van een graad van niveau A.
   3.1.2 De voorzitter is titularis van een graad van niveau A.
   3.1.3 De juryleden van de modellessen moeten houder zijn van een pedagogisch diploma.
   Worden aanvaard als pedagogisch diploma, het diploma licentiaat of master psychologie, licentiaat of master psychologische wetenschappen, licentiaat of master bedrijfs- en experimentele psychologie, licentiaat of master toegepaste psychologie, licentiaat of master beroepsoriëntering en selectie, licentiaat of master opvoedingswetenschappen of opvoedkundige wetenschappen, licentiaat of master pedagogische wetenschappen, licentiaat of master psychologische en pedagogische wetenschappen, licentiaat psycho-pedagogische wetenschappen, GLSO, GVSO-groep 1 of geaggregeerde voor het HSO en NUHO, HOKT, HOLT, LSBO, LSTO, GPB, of het diploma van onderwijzer.
   3.1.4 De juryleden van het vak automechaniek, -techniek en elektriciteit moeten minstens houder zijn van één van de volgende diploma's : HOKT (of bachelor) of HSTO auto-expert, HOKT (of bachelor) of HSTO of HSBL automechanica, HOKT (of bachelor) of HSTO autotechnieken, HOKT (of bachelor) mechanica, optie automechanica, HOKT (of bachelor) of HSTO motorvoertuigentechniek, HSTO auto-expert, HSTO garage, HSTO mechanica van dieselmotoren, HSTO toegepaste autotechnieken, technisch of industrieel ingenieur, gehomologeerd getuigschrift (HSO) (BSO), GLSO mechanica en GVSO-groep 1 of geaggregeerde voor het HSO en NUHO.
   3.1.5 De juryleden van het vak theoretische kennis van de verkeersveiligheid en de rijbewijs-, rijschool- en verkeersreglementering moeten voldoen aan één van de volgende voorwaarden :
   - houder zijn van één van de volgende diploma's : doctor, licentiaat of master, kandidaat of gegradueerde of bachelor in de rechten, [3 gegradueerde of bachelor in de verkeerskunde en licentiaat of master in de verkeerskunde]3;
   - vijf jaar ervaring voorleggen, als houder van een brevet 1, in een erkende rijschool;
   - drie jaar [4 relevante professionele ervaring]4 of in het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid of in een erkend organisme voor technische controle.
   3.1.6 De leden van de jury moeten minstens 23 jaar zijn en in het bezit zijn van een rijbewijs B gedurende minstens drie jaar.
   4. Procedure van selectie.
   4.1 Het aanwervingbericht wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en wordt tevens bekendgemaakt aan het publiek via de media.
   Het bericht vermeldt de uiterste inschrijvingsdatum en de gestelde voorwaarden.
   4.2 De kandidaten stellen zich kandidaat, binnen de dertig dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad via een eenvoudige brief, gericht aan de minister of zijn gemachtigde.
   Ze voegen het bewijs bij dat zij voldoen aan de vermelde voorwaarden.
   4.3 [5 Het bestuur]5 nodigt de kandidaten uit voor een evaluatiegesprek.
   De kandidaturen en het resultaat van de evaluatie van elke kandidaat worden overgemaakt aan de Minister die beslist.
   4.4 Er kan, indien nodig, een wervingsreserve worden aangelegd.]1
  
Art. N4 _REGION_FLAMANDE.
- Critères et procédure de sélection des membres du jury d'examen
   1. Critères de sélection
   1.1 Des normes minimales relatives à l'accès à la fonction de membre du jury sont déterminées, afin d'améliorer les connaissances et les compétences des membres du jury, de permettre une évaluation plus objective des candidats et de parvenir à une plus grande harmonisation des examens.
   1.2 Compétences exigées d'un membre du jury d'examen.
   1.2.1 Une personne habilitée à faire passer un examen à un candidat doit avoir des connaissances, des compétences et des aptitudes relatives aux éléments énumérés ci-dessous.
   1.2.2 Les compétences d'un membre du jury doivent lui permettre d'évaluer un candidat à un brevet d'aptitude professionnelle du personnel dirigeant et enseignant des écoles de conduite.
   1.2.3 Il doit avoir la connaissance et la compréhension de la conduite et doit pouvoir évaluer.
   Il doit avoir une connaissance générale de la législation routière applicable et de ses orientations interprétatives.
   Il doit avoir connaissance de la théorie de l'interrogation et des techniques en matière d'évaluation.
   1.2.4 Il doit, en matière d'évaluation, être capable d'observer avec précision et d'évaluer les aptitudes générales du candidat, en particulier son aptitude à :
   - assimiler rapidement les informations et en extraire les éléments essentiels;
   - anticiper, identifier les problèmes potentiels et élaborer des stratégies pour les résoudre;
   - donner en temps utile des commentaires constructifs.
   1.2.5 Le membre du jury d'examen doit :
   - pouvoir déterminer et communiquer ce à quoi le candidat peut s'attendre pendant l'examen;
   - doit pouvoir communiquer clairement, en choisissant un contenu, un style et des termes adaptés au candidat et au contexte. Le candidat doit recevoir une réponse à ces questions;
   - doit pouvoir informer clairement les candidats des résultats de l'examen;
   - traiter les candidats avec respect et sans discrimination.
   2. Garantie de qualité
   [2 L'administration]2 met en place un système garantissant la qualité afin de maintenir le niveau des normes pour les membres du jury.
   3. Critères généraux et diplômes.
   3.1 Les critères généraux auxquels les membres du jury d'examen doivent satisfaire sont les suivants :
   3.1.1 Le représentant du Ministre est titulaire d'un grade de niveau A.
   3.1.2 Le président est titulaire d'un grade de niveau A.
   3.1.3 Les membres du jury chargés des leçons modèles doivent être titulaires d'un diplôme pédagogique.
   Sont reconnus comme diplôme pédagogique, le diplôme de licencié ou maître en psychologie, licencié ou maître en science psychologique, licencié ou maître en psychologie d'entreprise et expérimentale, licencié ou maître en psychologie appliquée, licencié ou maître en orientation de carrière et sélection, licencié ou maître en science de l'éducation ou science pédagogique, licencié ou maître science pédagogique, licencié ou maître en science psychologique et pédagogique, licencié ou maître en science psychopédagogique, AESI, AES-groupe 1 ou agrégé pour l'ESS et l'ESNU, ESTC, ESTL, ETSI, EPSI, L'CAP ou le diplôme d'instituteur.
   3.1.4 Les membres du jury chargés de la mécanique, technique et électricité automobile doivent être titulaires d'un des diplômes suivants : ESTC (ou bachelier) ou ETSS expert d'auto, ESTC (ou bachelier) ou ETSS ou ESCP mécanique d'auto, ESTC (ou bachelier) ou ETSS techniques d'auto, ESTC (ou bachelier) mécanique option mécanique d'auto, ESTC (ou bachelier) ou ETSS technique des véhicules à moteur, ETSS expert d'auto, ETSS garage, ETSS mécanique de moteurs diesel, ETSS techniques appliquées d'auto, ingénieur technicien ou industriel, certificat homologué (ESS) (ESP), AESI mécanique et AES-groupe 1 ou agrégé pour l'ESS et l'ESNU.
   3.1.5 Les membres du jury chargés de la connaissance théorique de la sécurité routière et de la réglementation routière, du permis de conduire et des écoles de conduite doivent répondre à une des conditions suivantes :
   - être titulaire d'un des diplômes suivants : docteur, licencié ou maître, candidat ou gradué ou bachelier en droit, [3 gradué ou bachelor en science de la circulation routière et licencié ou master en science de la circulation routière]3;
   - une expérience de cinq ans comme titulaire d'un brevet 1 dans une école de conduite agréée;
   - avoir trois ans [4 d'expérience professionnelle pertinente]4 ou de l'Institut Belge de la Sécurité Routière ou dans un organisme agréé pour le contrôle technique.
   3.1.6 Les membres du jury doivent avoir atteint l'âge de 23 ans au moins et doivent être titulaires d'un permis de conduire de la catégorie B depuis trois ans au moins.
   4. Procédure de sélection
   4.1 L'appel aux candidats est publié au Moniteur belge et est également porté à la connaissance du public via les médias.
   L'avis mentionne la date limite des candidatures et les conditions requises.
   4.2 Les candidats envoient leur candidature par courrier ordinaire au ministre ou son délégué dans les trente jours calendrier de la date de publication au Moniteur belge.
   Ils joignent la preuve que les conditions requises sont remplies.
   4.3 Les candidats sont convoqués par [5 l'administration]5 pour un entretien d'évaluation.
   Les candidatures et le résultat de l'évaluation des candidats sont transmis au Ministre.
   4.4 Une réserve de recrutement peut, le cas échéant, être constituée.]1
Art. N5_VLAAMS_GEWEST.   [1 Bijlage 5. - Model van begeleiderattest
  (Model niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-06-2017, p. 69168)]1
Art. N5 _REGION_FLAMANDE.
  [1 Annexe 5. - Modèle d'attestation de guide
  (Modèle non repris pour raisons techniques, voir M.B.? du 29-06-2017, p. 69179)]1
Art. N5. [1 (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-02-2023, p. 23959) ]1
  
Art. N5 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-02-2023, p. 23958) ]1
  
Art. N6_VLAAMS_GEWEST.   [1 Bijlage 6. - Leerstof voor de opleiding als instructeur, belast met de vorming van begeleiders rijbewijs B
  (Lijst niet opgenomen, zie B.St. van 29-06-2017, p. 69170]1
Art. N6 _REGION_FLAMANDE.
  [1 Annexe 6. - Matières à enseigner de la formation d'instructeur, chargé de la formation de guides du permis de conduire B
  (liste non reprise, voir M.B. du 29-06-2017, p. 69181)]1
Art. N7_VLAAMS_GEWEST.   [1 Bijlage 7. - Model van getuigschrift van de vorming voor begeleiders rijbewijs B
  (Model niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-06-2017, p. 69172)]1
Art. N7 _REGION_FLAMANDE.
  [1 Annexe 7. - modèle de certificat de la formation pour guides permis de conduire B
  (Modèle non repris pour raisons techniques, voir M.B. du 29-06-2017, P 69183)]1