Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
30 APRIL 2004. - Decreet tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn. (aangehaald als : decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-08-2004 en tekstbijwerking tot 16-07-2025)
Titre
30 AVRIL 2004. - Décret portant uniformisation des dispositions de contrôle, de sanction et pénales reprises dans la réglementation des matières de législation sociale qui relèvent de la compétence de la Communauté flamande et de la Région flamande (cité comme : le décret relatif au contrôle des lois sociales) (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-08-2004 et mise à jour au 16-07-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
HOOFDSTUK II. - De sociaalrechtelijke inspectie.
HOOFDSTUK III. - Bepalingen aangaande het opleg...
Afdeling 1. - Administratieve geldboeten uit ho...
Afdeling 2. - Andere administratieve geldboeten.
Afdeling 3. [1 Bijzondere bepalingen over de gr...
Afdeling 4. [1 Bijzondere bepalingen inzake de ...
HOOFDSTUK IV. - Strafbepalingen.
Hoofdstuk IV/1. [1 Uitsluiting van het recht op...
HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepalingen.
HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions introductives.
CHAPITRE II. - L'inspection des lois sociales.
CHAPITRE III. - Dispositions relatives aux amen...
Section 1re. - Amendes administratives du chef ...
Section 2. - Autres amendes administratives.
Section 3. [1 Dispositions particulières relati...
Section 4. [1 Dispositions particulières relati...
CHAPITRE IV. - Dispositions pénales.
Chapitre IV/1. [1 Exclusion du droit à subventi...
CHAPITRE V. - Dispositions modificatives.
CHAPITRE VI. - Dispositions transitoires et fin...
Tekst (94)
Texte (94)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions introductives.
Artikel 1. Dit decreet regelt zowel een gewest- als een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
Art. 2. § 1. Dit decreet bepaalt de bevoegdheden van de sociaalrechtelijke inspecteurs die belast zijn met de controle en het toezicht op de hierna genoemde regelgeving [1 , met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten,]1 en bepaalt de administratieve geldboeten die toepasselijk zijn in geval van inbreuk op deze bepalingen en in geval van inbreuk op de reglementering die tot stand is gekomen krachtens de hierna volgende bepalingen
1° [14 ...]14
2° het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen;
3° het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van en programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector;
4° [2 ...]2
5° [22 het decreet van 14 januari 2022 over maatwerk bij individuele inschakeling;]22
6° [5 het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;]5;
7° [2 het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling;]2
8° [2 ...]2
9° het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt
[1 10° [7 de verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;]7
11° [7 de verordening (EU) Nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad;]7
12° [7 de verordening (EU) Nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006;]7
13° de Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van de Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling;]1
14° het decreet van 17 januari 2003 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 december 2001 tussen de federale staat, de gewesten en de Duitstalige gemeenschap betreffende de ontwikkeling van buurtdiensten en -banen;
15° het decreet van 19 december 2003 houdende de bepalingen tot begeleiding van de begroting, inzonderheid artikel 102;
16° [15 ...]15
(17° [4 het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;]4 )
[1 18 ° de programmawet van 30 december 1988, titel III Tewerkstelling en Arbeid, hoofdstuk II Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen, artikel 93 tot en met 101;
19° het decreet van 17 maart 1998 houdende diverse beleidsbepalingen, hoofdstuk IV Tewerkstelling, artikel 11 tot en met 13;
20° het decreet van 8 december 2000 houdende diverse bepalingen, hoofdstuk VIII Tewerkstelling, artikel 14 tot en met 18;
21° het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, hoofdstukken XXVII Opleidingscheques en XXXVII Beroepsopleiding;
22° het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid;
23° [15 ...]15
24° [15 ...]15
25° het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
26° het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;
27° [5 ...]5;
28° [25 het decreet van 22 maart 2024 over de ondersteuning van sociale economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen]25;
29° [3 ...]3;
30° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 1998 houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid;
31° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2001 houdende toekenning van een aanmoedigingspremie bij loopbaanonderbreking in het kader van de landingsbanen voor de personeelsleden van de gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand;
32° het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 houdende hervorming van het stelsel van de aanmoedigingspremies in de privésector;
33° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2002 tot instelling van de aanmoedigingspremies in de Vlaamse private sociale profitsector;
34° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie;
35° [21 het decreet van 17 februari 2023 over de sectorconvenants en de intersectorale convenants in het kader van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid]21;]1
[6 36° [24 hoofdstuk 4, 5 en 7 van het decreet van 8 juli 2022 over de werk- en zorgtrajecten;]24;]6
[7 37° het hoofdstuk IV,[10 afdeling 5,]10 afdeling 6, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen [10 , met uitzondering van de bepalingen van artikel [11 113,]11 115, 118 en 119]10;
38° de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst;
39° hoofdstukken V en VII van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers;
40° [12 het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017;]12
41° [23 het decreet van 23 december 2022 over de premie kwalificerend werkplekleren voor ondernemingen en de leerlingenpremie alternerende opleiding;]23
42° artikel [10 57quater, § 1, § 2 en § 4, 2° ]10, 60, § 7, en 61, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
43° de verordening (EU) Nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad;
44° de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen[10 , met uitzondering van afdeling 2 van hoofdstuk II]10];-7
[8 45° de toekenning van premies aan uitkeringsgerechtigde werklozen die een beroepsopleiding hebben gevolgd, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, i), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
46° de activering van de uitkeringen toegekend door de werkloosheidsverzekering in geval van werkhervatting, met het behoud van een uitkering die door de werkgever in mindering wordt gebracht van het loon, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, m), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
47° de toekenning van premies aan uitkeringsgerechtigde werklozen die het werk hervatten, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, p), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
48° [9 ...]9
49° de vrijstellingen van de betaling van de werkgeversbijdragen en de verminderingen van de werknemersbijdragen, voor wat betreft de sector van de koopvaardij, vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de kooplieden ter koopvaardij, die door de Vlaamse Regering wordt toegekend aan ondernemingen die behoren tot de koopvaardijsector, de zeesleepvaartsector en de baggersector;
50° de toelage verschuldigd bij tewerkstelling van leefloners, vermeld in artikel 5, § 4 tot en met § 4ter, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
51° de besteding van de middelen die vrijkomen uit de vrijstelling van werkgeversbijdragen, vermeld in artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid;
52° de startbaanovereenkomsten in het kader van globale projecten, met uitzondering van de globale projecten met tewerkstelling binnen federale instellingen, vermeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
53° de financiële tegemoetkoming voor invoeginterim, vermeld in artikel 194 en 195 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen;
54° de toelagen, vermeld in artikel 9, en 36 tot en met 39, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, en in artikel 5, § 4 tot en met § 4ter, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
55° de doelgroepverminderingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 1 tot en met 3, onderafdeling 5, 5bis, 7, en 10 tot en met 15, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
56° de jongerenbonus non-profit, bepaald in artikelen 79 tot en met 86 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.]8
[10 57° de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;]10
[10 58° [17 het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;]17]10
[13 59° de toekenning van transitiepremies voor ondernemers, vermeld in artikel 3 van het decreet van 22 december 2017 houdende een premie om de transitie van werkzoekenden naar ondernemerschap te stimuleren;]13
[16 60° de opleidingscheques voor werknemers, vermeld in artikel 2 van het decreet van 22 maart 2019 betreffende de opleidingscheques voor werknemers, de invoering van een registratieverplichting voor sportmakelaars en tot wijziging van diverse andere bepalingen inzake het beleidsdomein Werk en Sociale Economie.]16
[18 61° het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;]18
[18 62° het decreet van 25 maart 2022 tot regeling van bepaalde aspecten van duale opleidingen in het volwassenenonderwijs.]18
[19 63° de toekenning van de jobbonus, vermeld in artikel 3 van het decreet van 20 mei 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus;]19
[20 64° de toekenning van de jobbonus plus, vermeld in artikel 4 en 5 van het decreet van 15 juli 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus plus voor startende zelfstandigen.]20
De sociaalrechtelijke inspecteurs zijn tevens bevoegd voor de controle en het toezicht op de regelgeving waarvoor het Vlaamse Gewest gemachtigd is krachtens de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen waar in artikel 6, § 1, IX, 2°, de bevoegdheid aan de gewesten wordt gegeven met betrekking tot programma's voor wedertewerkstelling.
§ 2. Het decreet bepaalt evenzeer de administratieve geldboeten die van toepassing zijn op de inbreuken vermeld in artikel 24 van dit decreet.
§ 3. [10 § 3. De door de federale overheid aangewezen beëdigde ambtenaren beschikken over de bevoegdheden van sociaalrechtelijke inspecteurs wanneer zij optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de bepalingen van § 1, 57° en 58°. ]10
1° [14 ...]14
2° het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen;
3° het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van en programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector;
4° [2 ...]2
5° [22 het decreet van 14 januari 2022 over maatwerk bij individuele inschakeling;]22
6° [5 het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;]5;
7° [2 het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling;]2
8° [2 ...]2
9° het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt
[1 10° [7 de verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;]7
11° [7 de verordening (EU) Nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad;]7
12° [7 de verordening (EU) Nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006;]7
13° de Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van de Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling;]1
14° het decreet van 17 januari 2003 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 december 2001 tussen de federale staat, de gewesten en de Duitstalige gemeenschap betreffende de ontwikkeling van buurtdiensten en -banen;
15° het decreet van 19 december 2003 houdende de bepalingen tot begeleiding van de begroting, inzonderheid artikel 102;
16° [15 ...]15
(17° [4 het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;]4 )
[1 18 ° de programmawet van 30 december 1988, titel III Tewerkstelling en Arbeid, hoofdstuk II Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen, artikel 93 tot en met 101;
19° het decreet van 17 maart 1998 houdende diverse beleidsbepalingen, hoofdstuk IV Tewerkstelling, artikel 11 tot en met 13;
20° het decreet van 8 december 2000 houdende diverse bepalingen, hoofdstuk VIII Tewerkstelling, artikel 14 tot en met 18;
21° het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, hoofdstukken XXVII Opleidingscheques en XXXVII Beroepsopleiding;
22° het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid;
23° [15 ...]15
24° [15 ...]15
25° het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
26° het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;
27° [5 ...]5;
28° [25 het decreet van 22 maart 2024 over de ondersteuning van sociale economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen]25;
29° [3 ...]3;
30° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 1998 houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid;
31° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2001 houdende toekenning van een aanmoedigingspremie bij loopbaanonderbreking in het kader van de landingsbanen voor de personeelsleden van de gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand;
32° het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 houdende hervorming van het stelsel van de aanmoedigingspremies in de privésector;
33° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2002 tot instelling van de aanmoedigingspremies in de Vlaamse private sociale profitsector;
34° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie;
35° [21 het decreet van 17 februari 2023 over de sectorconvenants en de intersectorale convenants in het kader van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid]21;]1
[6 36° [24 hoofdstuk 4, 5 en 7 van het decreet van 8 juli 2022 over de werk- en zorgtrajecten;]24;]6
[7 37° het hoofdstuk IV,[10 afdeling 5,]10 afdeling 6, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen [10 , met uitzondering van de bepalingen van artikel [11 113,]11 115, 118 en 119]10;
38° de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst;
39° hoofdstukken V en VII van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers;
40° [12 het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017;]12
41° [23 het decreet van 23 december 2022 over de premie kwalificerend werkplekleren voor ondernemingen en de leerlingenpremie alternerende opleiding;]23
42° artikel [10 57quater, § 1, § 2 en § 4, 2° ]10, 60, § 7, en 61, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
43° de verordening (EU) Nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad;
44° de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen[10 , met uitzondering van afdeling 2 van hoofdstuk II]10];-7
[8 45° de toekenning van premies aan uitkeringsgerechtigde werklozen die een beroepsopleiding hebben gevolgd, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, i), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
46° de activering van de uitkeringen toegekend door de werkloosheidsverzekering in geval van werkhervatting, met het behoud van een uitkering die door de werkgever in mindering wordt gebracht van het loon, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, m), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
47° de toekenning van premies aan uitkeringsgerechtigde werklozen die het werk hervatten, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, p), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
48° [9 ...]9
49° de vrijstellingen van de betaling van de werkgeversbijdragen en de verminderingen van de werknemersbijdragen, voor wat betreft de sector van de koopvaardij, vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de kooplieden ter koopvaardij, die door de Vlaamse Regering wordt toegekend aan ondernemingen die behoren tot de koopvaardijsector, de zeesleepvaartsector en de baggersector;
50° de toelage verschuldigd bij tewerkstelling van leefloners, vermeld in artikel 5, § 4 tot en met § 4ter, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
51° de besteding van de middelen die vrijkomen uit de vrijstelling van werkgeversbijdragen, vermeld in artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid;
52° de startbaanovereenkomsten in het kader van globale projecten, met uitzondering van de globale projecten met tewerkstelling binnen federale instellingen, vermeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
53° de financiële tegemoetkoming voor invoeginterim, vermeld in artikel 194 en 195 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen;
54° de toelagen, vermeld in artikel 9, en 36 tot en met 39, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, en in artikel 5, § 4 tot en met § 4ter, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
55° de doelgroepverminderingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 1 tot en met 3, onderafdeling 5, 5bis, 7, en 10 tot en met 15, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
56° de jongerenbonus non-profit, bepaald in artikelen 79 tot en met 86 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.]8
[10 57° de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;]10
[10 58° [17 het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;]17]10
[13 59° de toekenning van transitiepremies voor ondernemers, vermeld in artikel 3 van het decreet van 22 december 2017 houdende een premie om de transitie van werkzoekenden naar ondernemerschap te stimuleren;]13
[16 60° de opleidingscheques voor werknemers, vermeld in artikel 2 van het decreet van 22 maart 2019 betreffende de opleidingscheques voor werknemers, de invoering van een registratieverplichting voor sportmakelaars en tot wijziging van diverse andere bepalingen inzake het beleidsdomein Werk en Sociale Economie.]16
[18 61° het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;]18
[18 62° het decreet van 25 maart 2022 tot regeling van bepaalde aspecten van duale opleidingen in het volwassenenonderwijs.]18
[19 63° de toekenning van de jobbonus, vermeld in artikel 3 van het decreet van 20 mei 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus;]19
[20 64° de toekenning van de jobbonus plus, vermeld in artikel 4 en 5 van het decreet van 15 juli 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus plus voor startende zelfstandigen.]20
De sociaalrechtelijke inspecteurs zijn tevens bevoegd voor de controle en het toezicht op de regelgeving waarvoor het Vlaamse Gewest gemachtigd is krachtens de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen waar in artikel 6, § 1, IX, 2°, de bevoegdheid aan de gewesten wordt gegeven met betrekking tot programma's voor wedertewerkstelling.
§ 2. Het decreet bepaalt evenzeer de administratieve geldboeten die van toepassing zijn op de inbreuken vermeld in artikel 24 van dit decreet.
§ 3. [10 § 3. De door de federale overheid aangewezen beëdigde ambtenaren beschikken over de bevoegdheden van sociaalrechtelijke inspecteurs wanneer zij optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de bepalingen van § 1, 57° en 58°. ]10
Art. 2. § 1er. Le présent décret définit les compétences des inspecteurs des lois sociales chargés du contrôle de la réglementation mentionnée ci-dessous [1 y compris les arrêtés d'exécution]1 et fixe les amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces dispositions et en cas d'infraction à la réglementation établie en vertu des dispositions suivantes :
1° [14 ...]14
2° Le décret du 19 juillet 1973 réglant l'emploi des langues en matière de relations sociales entre employeurs et travailleurs, ainsi qu'en matière d'actes et de documents d'entreprise prescrits par la loi et les règlements;
3° l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non marchand;
4° [2 ...]2;
5° [22 le décret du 14 janvier 2022 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration individuelle]22;
6° [5 le décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective;]5;
7° [2 le décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;]2
8° [2 ...]2;
9° le décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle sur le marché de l'emploi;
[1 10° [7 le Règlement (UE) n° 1303/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 portant dispositions communes relatives au Fonds européen de développement régional, au Fonds social européen, au Fonds de cohésion, au Fonds européen agricole pour le développement rural et au Fonds européen pour les affaires maritimes et la pêche, portant dispositions générales applicables au Fonds européen de développement régional, au Fonds social européen, au Fonds de cohésion et au Fonds européen pour les affaires maritimes et la pêche, et abrogeant le règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil;]7
11° [7 le Règlement (UE) n° 1304/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 relatif au Fonds social européen et abrogeant le règlement (CE) n° 1081/2006 du Conseil;]7
12° [7 le Règlement (UE) n° 1309/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 relatif au Fonds européen d'ajustement à la mondialisation pour la période 2014-2020 et abrogeant le Règlement (CE) n° 1927/2006;]7
13° le Règlement (CE) n° 1828/2006 de la Commission du 8 décembre 2006 établissant les modalités d'application du Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de cohésion, et du Règlement (CE) n° 1080/2006 du Parlement européen et du Conseil relatif au Fonds européen de développement régional;]1
14° le décret du 17 janvier 2003 portant approbation de l'accord de coopération du 7 décembre 2001 conclu entre l'Etat fédéral, les Régions et la Communauté germanophone concernant le développement des services et des emplois de proximité;
15° le décret du 19 décembre 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 102, notamment l'article 102;
16° [15 ...]15
(17° [4 le décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux;]4 )
[1 18° la loi-programme du 30 décembre 1988, Titre III Emploi et Travail, Chapitre II Création d'un régime de contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics, les articles 93 à 101 inclus;
19° le décret du 17 mars 1998 contenant diverses orientations politiques, chapitre IV, Emploi, les articles 11 à 13 inclus;
20° le décret du 8 décembre 2000 contenant diverses dispositions, chapitre VIII, Emploi, les articles 14 à 18 inclus;
21° le décret du 19 décembre 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2004, les chapitres XXVII Chèques-formation et XXXVII Formation professionnelle;
22° le décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle;
23° [15 ...]15
24° [15 ...]15
25° le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";
26° le décret du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux;
27° [5 ...]5;
28° [25 le décret du 22 mars 2024 relatif à l'appui à l'économie sociale et à la responsabilité sociale des entreprises ]25;
29° [3 ...]3
30° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 1998 instaurant une prime d'encouragement à l'interruption de carrière pour les personnels du secteur public flamand et de l'enseignement néerlandophone, dans le cadre des mesures visant à redistribuer le travail;
31° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 2001 octroyant une prime d'encouragement en cas d'interruption de carrière dans le cadre des emplois d'atterrissage pour les membres du personnel des institutions communautaires d'assistance spéciale à la jeunesse;
32° l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002 portant réforme du régime des primes d'encouragement au secteur privé;
33° l'arrête du Gouvernement flamand du 3 mai 2002 instituant les primes d'encouragement dans le secteur non marchand privé flamand;
34° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 septembre 2000 portant un programme d'impulsion et de soutien de l'économie plurielle;
35° [21 35° le décret du 17 février 2023 relatif aux convenants sectoriels et aux convenants intersectoriels dans le cadre de la politique flamande de l'emploi]21;]1
[6 36°[24 les chapitres 4, 5 et 7 du décret du 8 juillet 2022 relatif aux parcours de travail et de soins ;]24;]6
[7 37° le chapitre IV, [10 section 5]10 section 6, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales [10 , à l'exception des dispositions des articles [11 113,]11 115, 118 et 119]10;
38° la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés ;
39° les chapitres V et VII de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs ;
40° [12 le Décret sur le travail de proximité du 7 juillet 2017;]12
41° [23 le décret du 23 décembre 2022 relatif à la prime pour l'apprentissage qualifiant sur le lieu de travail destinée aux entreprises et à la prime pour les élèves en formation en alternance ;]23
42° les articles [10 57quater, § 1er, § 2 et § 4, 2°]10, 60, § 7, et 61, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale ;
43° le Règlement (UE) n° 516/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 portant création du Fonds " Asile, migration et intégration ", modifiant la décision 2008/381/CE du Conseil et abrogeant les décisions n° 573/2007/CE et n° 575/2007/CE du Parlement européen et du Conseil et la décision 2007/435/CE du Conseil ;
44° la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité[10 , à l'exception de la section 2 du chapitre II ]10];-7
[8 45° l'octroi de primes aux chômeurs indemnisés qui ont suivi une formation professionnelle, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, i), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ;
46° l'activation des allocations octroyées par l'assurance-chômage, en cas de reprise de travail, avec maintien d'une allocation qui est déduite du salaire par l'employeur, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, m), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ;
47° l'octroi de primes aux chômeurs indemnisés qui reprennent le travail, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, p), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ;
48° [9 ...]9
49° l'exonération du paiement des cotisations patronales de sécurité sociale et des réductions des cotisations des travailleurs pour le secteur de la marine marchande, visée à l'article 3, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, qui est accordée par le Gouvernement flamand aux entreprises appartenant aux secteurs de la marine marchande, du remorquage en mer et du dragage ;
50° la subvention due lors de la mise au travail des bénéficiaires de revenus d'intégration, visée à l'article 5, § 4 à 4ter de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale ;
51° l'affectation des moyens libérés à la suite de l'exonération des cotisations patronales de sécurité sociale, visée à loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi ;
52° les conventions de premier emploi dans le cadre des projets globaux, à l'exception des projets globaux avec occupation au sein des institutions fédérales, visés à l'article 43 de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi ;
53° l'invention financière pour l'intérim d'insertion, visée aux articles 194 et 195 de la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses ;
54° les subventions visées aux articles 9 et 36 à 39, de loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et à l'article 5, § 4 à § 4ter de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale ;
55° les réductions groupes-cibles, visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sections 1re à 3, sous-sections 5, 5bis, 7 et 10 à 15, de la Loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ;
56° le bonus jeunes non-marchand, déterminé dans les articles 79 à 86 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations;]8
[10 57° la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;]10
[10 58° [17 le décret du 15 octobre 2021 sur l'exécution d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers ;]17]10
[13 59° l'octroi de primes de transition pour entrepreneurs, visées à l'article 3 du décret du 22 décembre 2017 portant une prime pour stimuler la transition de demandeurs d'emploi à l'entrepreneuriat;]13
[16 60° les chèques-formation pour travailleurs, visés à l'article 2 du décret du 29 mars 2019 relatif aux chèques-formation pour travailleurs, à l'introduction d'une obligation d'enregistrement pour agents sportifs et modifiant diverses autres dispositions relatives au domaine politique de l'Emploi et l'Economie sociale.]16
[18 61° le décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance ;]18
[18 62° le décret du 25 mars 2022 réglant certains aspects des formations duales dans l'éducation des adultes.]18
[19 63° l'octroi du bonus emploi, visé à l'article 3 du décret du 20 mai 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi.]19
[20 64° l'octroi du bonus emploi plus, visé aux articles 4 et 5 du décret du 15 juillet 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi plus aux indépendants débutants.]20
Les inspecteurs des lois sociales sont en outre compétents en matière de contrôle et de surveillance du respect de la législation qui relève de la compétence de la Région flamande en vertu de loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles qui, dans l'article 6, § 1er, IX, 2°, confère aux régions la compétence en matière de programmes de remise au travail.
§ 2. Le décret fixe en outre les amendes administratives applicables aux infractions visées à l'article 24 du présent décret.
§ 3. [10 Les fonctionnaires assermentés désignés par l'autorité fédérale disposent des compétences des inspecteurs des lois sociales lorsqu'ils agissent dans le cadre de leur tâche de formation, médiation et surveillance conformément aux dispositions du § 1er, 57° et 58°.]10
1° [14 ...]14
2° Le décret du 19 juillet 1973 réglant l'emploi des langues en matière de relations sociales entre employeurs et travailleurs, ainsi qu'en matière d'actes et de documents d'entreprise prescrits par la loi et les règlements;
3° l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non marchand;
4° [2 ...]2;
5° [22 le décret du 14 janvier 2022 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration individuelle]22;
6° [5 le décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective;]5;
7° [2 le décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;]2
8° [2 ...]2;
9° le décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle sur le marché de l'emploi;
[1 10° [7 le Règlement (UE) n° 1303/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 portant dispositions communes relatives au Fonds européen de développement régional, au Fonds social européen, au Fonds de cohésion, au Fonds européen agricole pour le développement rural et au Fonds européen pour les affaires maritimes et la pêche, portant dispositions générales applicables au Fonds européen de développement régional, au Fonds social européen, au Fonds de cohésion et au Fonds européen pour les affaires maritimes et la pêche, et abrogeant le règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil;]7
11° [7 le Règlement (UE) n° 1304/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 relatif au Fonds social européen et abrogeant le règlement (CE) n° 1081/2006 du Conseil;]7
12° [7 le Règlement (UE) n° 1309/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 relatif au Fonds européen d'ajustement à la mondialisation pour la période 2014-2020 et abrogeant le Règlement (CE) n° 1927/2006;]7
13° le Règlement (CE) n° 1828/2006 de la Commission du 8 décembre 2006 établissant les modalités d'application du Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de cohésion, et du Règlement (CE) n° 1080/2006 du Parlement européen et du Conseil relatif au Fonds européen de développement régional;]1
14° le décret du 17 janvier 2003 portant approbation de l'accord de coopération du 7 décembre 2001 conclu entre l'Etat fédéral, les Régions et la Communauté germanophone concernant le développement des services et des emplois de proximité;
15° le décret du 19 décembre 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 102, notamment l'article 102;
16° [15 ...]15
(17° [4 le décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux;]4 )
[1 18° la loi-programme du 30 décembre 1988, Titre III Emploi et Travail, Chapitre II Création d'un régime de contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics, les articles 93 à 101 inclus;
19° le décret du 17 mars 1998 contenant diverses orientations politiques, chapitre IV, Emploi, les articles 11 à 13 inclus;
20° le décret du 8 décembre 2000 contenant diverses dispositions, chapitre VIII, Emploi, les articles 14 à 18 inclus;
21° le décret du 19 décembre 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2004, les chapitres XXVII Chèques-formation et XXXVII Formation professionnelle;
22° le décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle;
23° [15 ...]15
24° [15 ...]15
25° le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";
26° le décret du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux;
27° [5 ...]5;
28° [25 le décret du 22 mars 2024 relatif à l'appui à l'économie sociale et à la responsabilité sociale des entreprises ]25;
29° [3 ...]3
30° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 1998 instaurant une prime d'encouragement à l'interruption de carrière pour les personnels du secteur public flamand et de l'enseignement néerlandophone, dans le cadre des mesures visant à redistribuer le travail;
31° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 2001 octroyant une prime d'encouragement en cas d'interruption de carrière dans le cadre des emplois d'atterrissage pour les membres du personnel des institutions communautaires d'assistance spéciale à la jeunesse;
32° l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002 portant réforme du régime des primes d'encouragement au secteur privé;
33° l'arrête du Gouvernement flamand du 3 mai 2002 instituant les primes d'encouragement dans le secteur non marchand privé flamand;
34° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 septembre 2000 portant un programme d'impulsion et de soutien de l'économie plurielle;
35° [21 35° le décret du 17 février 2023 relatif aux convenants sectoriels et aux convenants intersectoriels dans le cadre de la politique flamande de l'emploi]21;]1
[6 36°[24 les chapitres 4, 5 et 7 du décret du 8 juillet 2022 relatif aux parcours de travail et de soins ;]24;]6
[7 37° le chapitre IV, [10 section 5]10 section 6, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales [10 , à l'exception des dispositions des articles [11 113,]11 115, 118 et 119]10;
38° la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés ;
39° les chapitres V et VII de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs ;
40° [12 le Décret sur le travail de proximité du 7 juillet 2017;]12
41° [23 le décret du 23 décembre 2022 relatif à la prime pour l'apprentissage qualifiant sur le lieu de travail destinée aux entreprises et à la prime pour les élèves en formation en alternance ;]23
42° les articles [10 57quater, § 1er, § 2 et § 4, 2°]10, 60, § 7, et 61, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale ;
43° le Règlement (UE) n° 516/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 portant création du Fonds " Asile, migration et intégration ", modifiant la décision 2008/381/CE du Conseil et abrogeant les décisions n° 573/2007/CE et n° 575/2007/CE du Parlement européen et du Conseil et la décision 2007/435/CE du Conseil ;
44° la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité[10 , à l'exception de la section 2 du chapitre II ]10];-7
[8 45° l'octroi de primes aux chômeurs indemnisés qui ont suivi une formation professionnelle, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, i), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ;
46° l'activation des allocations octroyées par l'assurance-chômage, en cas de reprise de travail, avec maintien d'une allocation qui est déduite du salaire par l'employeur, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, m), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ;
47° l'octroi de primes aux chômeurs indemnisés qui reprennent le travail, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, p), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ;
48° [9 ...]9
49° l'exonération du paiement des cotisations patronales de sécurité sociale et des réductions des cotisations des travailleurs pour le secteur de la marine marchande, visée à l'article 3, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, qui est accordée par le Gouvernement flamand aux entreprises appartenant aux secteurs de la marine marchande, du remorquage en mer et du dragage ;
50° la subvention due lors de la mise au travail des bénéficiaires de revenus d'intégration, visée à l'article 5, § 4 à 4ter de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale ;
51° l'affectation des moyens libérés à la suite de l'exonération des cotisations patronales de sécurité sociale, visée à loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi ;
52° les conventions de premier emploi dans le cadre des projets globaux, à l'exception des projets globaux avec occupation au sein des institutions fédérales, visés à l'article 43 de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi ;
53° l'invention financière pour l'intérim d'insertion, visée aux articles 194 et 195 de la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses ;
54° les subventions visées aux articles 9 et 36 à 39, de loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, et à l'article 5, § 4 à § 4ter de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale ;
55° les réductions groupes-cibles, visées au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-sections 1re à 3, sous-sections 5, 5bis, 7 et 10 à 15, de la Loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ;
56° le bonus jeunes non-marchand, déterminé dans les articles 79 à 86 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations;]8
[10 57° la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;]10
[10 58° [17 le décret du 15 octobre 2021 sur l'exécution d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers ;]17]10
[13 59° l'octroi de primes de transition pour entrepreneurs, visées à l'article 3 du décret du 22 décembre 2017 portant une prime pour stimuler la transition de demandeurs d'emploi à l'entrepreneuriat;]13
[16 60° les chèques-formation pour travailleurs, visés à l'article 2 du décret du 29 mars 2019 relatif aux chèques-formation pour travailleurs, à l'introduction d'une obligation d'enregistrement pour agents sportifs et modifiant diverses autres dispositions relatives au domaine politique de l'Emploi et l'Economie sociale.]16
[18 61° le décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance ;]18
[18 62° le décret du 25 mars 2022 réglant certains aspects des formations duales dans l'éducation des adultes.]18
[19 63° l'octroi du bonus emploi, visé à l'article 3 du décret du 20 mai 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi.]19
[20 64° l'octroi du bonus emploi plus, visé aux articles 4 et 5 du décret du 15 juillet 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi plus aux indépendants débutants.]20
Les inspecteurs des lois sociales sont en outre compétents en matière de contrôle et de surveillance du respect de la législation qui relève de la compétence de la Région flamande en vertu de loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles qui, dans l'article 6, § 1er, IX, 2°, confère aux régions la compétence en matière de programmes de remise au travail.
§ 2. Le décret fixe en outre les amendes administratives applicables aux infractions visées à l'article 24 du présent décret.
§ 3. [10 Les fonctionnaires assermentés désignés par l'autorité fédérale disposent des compétences des inspecteurs des lois sociales lorsqu'ils agissent dans le cadre de leur tâche de formation, médiation et surveillance conformément aux dispositions du § 1er, 57° et 58°.]10
Art. 2/1. [1 Met behoud van toepassing van artikel 2 zijn de sociaalrechtelijke inspecteurs belast met de controle en het toezicht op de federale wetten en uitvoeringsbesluiten aangaande normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen, conform de bepalingen van artikel 23 tot en met 39 van het Sociaal Strafwetboek.]1
Art. 2/1. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 2, les inspecteurs des lois sociales sont chargés du contrôle et de la surveillance des lois et arrêtés d'exécution fédéraux relatifs aux normes relatives au permis de travail délivré dans le cadre de la situation de séjour spécifique des personnes concernées, conformément aux dispositions des articles 23 à 39 inclus du Code pénal social. ]1
Art. 3. Voor de toepassing van dit decreet en van de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder :
1° werknemers : de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon en diegenen die daarmee gelijkgesteld worden :
a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon of die arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst;
b) de personen die geen arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon maar die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende de sociale zekerheid der werknemers;
c) [2 de personen, vermeld in artikel 3, 2°, van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling;]2
2° cursisten : de personen die een opleiding volgen in het kader van een om-, bij- of herscholing of in het kader van de maatregelen betreffende de bevordering van de werkgelegenheid door het Vlaamse Gewest;
3° werkgevers : de natuurlijke personen, de privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen of de feitelijke verenigingen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen en diegenen die daarmee gelijkgesteld worden :
a) zij die een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling exploiteren of in aanmerking komen voor een commissieloon overeenkomstig de regelgeving betreffende de exploitatie van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling;
b) zij die een uitzendbureau exploiteren;
c) zij die een outplacementbureau exploiteren;
d) zij die een wervings- en selectiebureau exploiteren;
e) zij die een bureau voor kosteloze arbeidsbemiddeling exploiteren overeenkomstig de van toepassing zijnde regelgeving;
[3 f) zij die door de Vlaamse Regering met het beheer van diensten van algemeen economisch belang zijn belast;]3
[5 g) zij die een onderneming exploiteren waarvan de activiteit of het doel ten minste gedeeltelijk bestaat in het leveren van buurtwerken of -diensten;]5
[6 h) de vreemdeling die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent.]6
4° opleidingscentra : de natuurlijke personen, de privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen die de onder 2° genoemde personen opleiden;
5° gebruikers : de natuurlijke personen, de rechtspersonen of de feitelijke verenigingen die een beroep doen op de diensten van de werkgevers en die niet onder 3° vallen;
6° gerechtigden : de personen, rechthebbenden of rechtverkrijgenden, die recht hebben op voordelen toegekend door de regelgeving waarop de sociaalrechtelijke inspecteurs toezicht en controle uitoefenen;
7° sociale gegevens : alle gegevens nodig voor de toepassing van de in artikel 2 bedoelde regelgeving;
8° openbare en meewerkende instellingen : de instellingen die belast zijn met en erkend zijn om mee te werken aan de toepassing van de regelgeving bedoeld in artikel 2;
9° werkplaatsen : alle plaatsen waar werkzaamheden verricht worden die aan het toezicht van de sociaalrechtelijke inspecteurs onderworpen zijn of waar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de bepalingen van de regelgeving waarop de sociaalrechtelijke inspecteurs toezicht uitoefenen. Zij omvatten onder meer de ondernemingen, gedeelten van ondernemingen, inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, gebouwen, lokalen, plaatsen gelegen binnen het gebied van de ondernemingen, werven en werken buiten de ondernemingen. Daaronder wordt eveneens verstaan de plaatsen waar documenten worden bijgehouden met betrekking tot de gereglementeerde activiteiten;
10° [1 sociaalrechtelijke inspecteurs : de beëdigde ambtenaren van de [7 afdeling Vlaamse Sociale Inspectie]7 van het Departement Werk en Sociale Economie;]1
11° Internationaal Verdrag nr. 81 : het Internationaal Verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, aangenomen te Genève op 11 juli 1947, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957;
[1 12° informatiedragers : eender welke informatiedragers in welke vorm ook, zoals boeken, registers, documenten, numerieke of digitale informatiedragers, schijven, banden, met inbegrip van die welke bereikt kunnen worden door een informaticasysteem of door een ander apparaat;]1
[7 13° subsidie: elk voordeel, elke vergoeding, toelage, steun of elke andere financiële tegemoetkoming die verleend of toegekend wordt door of op grond van de regelgeving waarop de sociaalrechtelijke inspecteurs toezicht en controle uitoefenen.]7
[8 14А e-pv: het proces-verbaal tot vaststelling van inbreuken dat door de sociaalrechtelijk inspecteurs wordt aangemaakt en opgeslagen overeenkomstig het in artikel 100/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde model via de daartoe ontworpen informaticatoepassing;
15А databank e-PV: de databank, vermeld in artikel 100/6 van het Sociaal Strafwetboek waarin de gegevens van de e-pv's en de gegevens van de bijlagen bij die e-pv's opgenomen en bewaard worden;
16А algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).]8
1° werknemers : de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon en diegenen die daarmee gelijkgesteld worden :
a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon of die arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst;
b) de personen die geen arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon maar die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende de sociale zekerheid der werknemers;
c) [2 de personen, vermeld in artikel 3, 2°, van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling;]2
2° cursisten : de personen die een opleiding volgen in het kader van een om-, bij- of herscholing of in het kader van de maatregelen betreffende de bevordering van de werkgelegenheid door het Vlaamse Gewest;
3° werkgevers : de natuurlijke personen, de privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen of de feitelijke verenigingen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen en diegenen die daarmee gelijkgesteld worden :
a) zij die een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling exploiteren of in aanmerking komen voor een commissieloon overeenkomstig de regelgeving betreffende de exploitatie van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling;
b) zij die een uitzendbureau exploiteren;
c) zij die een outplacementbureau exploiteren;
d) zij die een wervings- en selectiebureau exploiteren;
e) zij die een bureau voor kosteloze arbeidsbemiddeling exploiteren overeenkomstig de van toepassing zijnde regelgeving;
[3 f) zij die door de Vlaamse Regering met het beheer van diensten van algemeen economisch belang zijn belast;]3
[5 g) zij die een onderneming exploiteren waarvan de activiteit of het doel ten minste gedeeltelijk bestaat in het leveren van buurtwerken of -diensten;]5
[6 h) de vreemdeling die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent.]6
4° opleidingscentra : de natuurlijke personen, de privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen die de onder 2° genoemde personen opleiden;
5° gebruikers : de natuurlijke personen, de rechtspersonen of de feitelijke verenigingen die een beroep doen op de diensten van de werkgevers en die niet onder 3° vallen;
6° gerechtigden : de personen, rechthebbenden of rechtverkrijgenden, die recht hebben op voordelen toegekend door de regelgeving waarop de sociaalrechtelijke inspecteurs toezicht en controle uitoefenen;
7° sociale gegevens : alle gegevens nodig voor de toepassing van de in artikel 2 bedoelde regelgeving;
8° openbare en meewerkende instellingen : de instellingen die belast zijn met en erkend zijn om mee te werken aan de toepassing van de regelgeving bedoeld in artikel 2;
9° werkplaatsen : alle plaatsen waar werkzaamheden verricht worden die aan het toezicht van de sociaalrechtelijke inspecteurs onderworpen zijn of waar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de bepalingen van de regelgeving waarop de sociaalrechtelijke inspecteurs toezicht uitoefenen. Zij omvatten onder meer de ondernemingen, gedeelten van ondernemingen, inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, gebouwen, lokalen, plaatsen gelegen binnen het gebied van de ondernemingen, werven en werken buiten de ondernemingen. Daaronder wordt eveneens verstaan de plaatsen waar documenten worden bijgehouden met betrekking tot de gereglementeerde activiteiten;
10° [1 sociaalrechtelijke inspecteurs : de beëdigde ambtenaren van de [7 afdeling Vlaamse Sociale Inspectie]7 van het Departement Werk en Sociale Economie;]1
11° Internationaal Verdrag nr. 81 : het Internationaal Verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, aangenomen te Genève op 11 juli 1947, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957;
[1 12° informatiedragers : eender welke informatiedragers in welke vorm ook, zoals boeken, registers, documenten, numerieke of digitale informatiedragers, schijven, banden, met inbegrip van die welke bereikt kunnen worden door een informaticasysteem of door een ander apparaat;]1
[7 13° subsidie: elk voordeel, elke vergoeding, toelage, steun of elke andere financiële tegemoetkoming die verleend of toegekend wordt door of op grond van de regelgeving waarop de sociaalrechtelijke inspecteurs toezicht en controle uitoefenen.]7
[8 14А e-pv: het proces-verbaal tot vaststelling van inbreuken dat door de sociaalrechtelijk inspecteurs wordt aangemaakt en opgeslagen overeenkomstig het in artikel 100/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde model via de daartoe ontworpen informaticatoepassing;
15А databank e-PV: de databank, vermeld in artikel 100/6 van het Sociaal Strafwetboek waarin de gegevens van de e-pv's en de gegevens van de bijlagen bij die e-pv's opgenomen en bewaard worden;
16А algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).]8
Änderungen
Art. 3. Pour l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° travailleurs : les personnes qui exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne en vertu d'un contrat de travail, ainsi que les personnes y assimilées :
a) les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne, ou qui exécutent des prestations de travail dans des conditions similaires à celles d'un contrat de travail;
b) les personnes qui ne travaillent pas sous l'autorité d'une autre personne, mais qui sont assujetties en tout ou en partie à la législation relative à la sécurité sociale des travailleurs salariés.
c) [2 les personnes visées à l'article 3, 2°, du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;]2
2° apprenants : les personnes qui suivent une formation dans le cadre d'un recyclage, d'une reconversion ou de formation continue dans le cadre des mesures de promotion de l'emploi de la Région flamande;
3° employeurs : les personnes physiques, les personnes morales de droit privé et public ou les associations de fait qui occupent les personnes visées au 1° et assimilées :
a) ceux qui exploitent un bureau de placement payant ou entrent en considération pour une commission conformément à la réglementation relative à l'exploitation de bureaux de placement payant;
b) ceux qui exploitent une agence intérimaire;
c) ceux qui exploitent un bureau d'outplacement;
d) ceux qui exploitent un bureau de recrutement et de sélection;
e) ceux qui exploitent un bureau de placement gratuit conformément à la réglementation en vigueur;
[3 f) ceux qui sont chargés par le Gouvernement flamand de la gestion de services d'intérêt économique général;]3
[5 g) ceux qui exploitent une entreprise dont l'activité ou l'objectif comprend au moins partiellement la fourniture de travaux ou de services de proximité ;]5
[6 h) l'étranger exerçant une activité professionnelle indépendante.]6
4° centres de formation : les personnes physiques, les personnes morales de droit public ou privé qui assurent la formation des personnes visées au 2°;
5° usagers : les personnes physiques, personnes morales ou associations de fait qui font appel aux services des employeurs et qui ne tombent pas sous le 3°;
6° ayants droit : les personnes, ayants droit ou ayants cause, qui ont droit aux avantages octroyés par la réglementation faisant l'objet de la surveillance et du contrôle exercés par les inspecteurs des lois sociales;
7° données sociales : toutes les informations requises pour l'application de la réglementation visée à l'article 2;
8° établissements publics et coopérants : les établissements chargés de et agréés pour la coopération à l'application de la réglementation visée à l'article 2;
9° lieux de travail : tous les lieux où sont exercées des activités soumises au contrôle des inspecteurs des lois sociales ou dans lesquels sont occupées des personnes assujetties aux dispositions de la réglementation faisant l'objet du contrôle des inspecteurs des lois sociales. Ils comprennent notamment des entreprises, des parties d'entreprises, des établissements, des parties d'établissements, des immeubles, des locaux, des endroits situés dans le lieu d'implantation d'entreprises, des chantiers et des travaux en dehors des entreprises. On entend également par lieux de travail les endroits où les documents portant sur les activités réglementées sont conservés;
10° [1 10° inspecteurs des lois sociales : les fonctionnaires assermentés de la [7 division de l'Inspection sociale flamande]7 du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale;]1
11° Traité international n° 81 : la Convention internationale n° 81 Convention internationale relative a l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce, adoptée a Genève le 11 juillet 1947, approuvée par la loi du 29 mars 1957;
[1 12° supports d'information : tout support d'information dans quelle forme que ce soit, tels des livres, registres, documents, supports d'information numériques ou numérisés, disques, bandes, y compris ceux accessibles par le biais d'un système informatique ou d'un autre appareil;]1
[7 13° subvention : tout avantage, toute indemnité, allocation, aide ou toute autre intervention financière qui est accordé ou octroyé par ou en vertu de la réglementation faisant l'objet de la surveillance et du contrôle exercés par les inspecteurs des lois sociales.]7
[8 14° e-pv : le procès-verbal de constatation d'infractions, qui est créé et enregistré par les inspecteurs des lois sociales au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle visé à l'article 100/2 du Code pénal social ;
15° banque de données e-pv : la banque données visée à l'article 100/6 du Code pénal social dans laquelle les données figurant dans les e-pv et les données figurant dans les annexes à ces e-pv sont reprises et conservées ;
16° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).]8
1° travailleurs : les personnes qui exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne en vertu d'un contrat de travail, ainsi que les personnes y assimilées :
a) les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne, ou qui exécutent des prestations de travail dans des conditions similaires à celles d'un contrat de travail;
b) les personnes qui ne travaillent pas sous l'autorité d'une autre personne, mais qui sont assujetties en tout ou en partie à la législation relative à la sécurité sociale des travailleurs salariés.
c) [2 les personnes visées à l'article 3, 2°, du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;]2
2° apprenants : les personnes qui suivent une formation dans le cadre d'un recyclage, d'une reconversion ou de formation continue dans le cadre des mesures de promotion de l'emploi de la Région flamande;
3° employeurs : les personnes physiques, les personnes morales de droit privé et public ou les associations de fait qui occupent les personnes visées au 1° et assimilées :
a) ceux qui exploitent un bureau de placement payant ou entrent en considération pour une commission conformément à la réglementation relative à l'exploitation de bureaux de placement payant;
b) ceux qui exploitent une agence intérimaire;
c) ceux qui exploitent un bureau d'outplacement;
d) ceux qui exploitent un bureau de recrutement et de sélection;
e) ceux qui exploitent un bureau de placement gratuit conformément à la réglementation en vigueur;
[3 f) ceux qui sont chargés par le Gouvernement flamand de la gestion de services d'intérêt économique général;]3
[5 g) ceux qui exploitent une entreprise dont l'activité ou l'objectif comprend au moins partiellement la fourniture de travaux ou de services de proximité ;]5
[6 h) l'étranger exerçant une activité professionnelle indépendante.]6
4° centres de formation : les personnes physiques, les personnes morales de droit public ou privé qui assurent la formation des personnes visées au 2°;
5° usagers : les personnes physiques, personnes morales ou associations de fait qui font appel aux services des employeurs et qui ne tombent pas sous le 3°;
6° ayants droit : les personnes, ayants droit ou ayants cause, qui ont droit aux avantages octroyés par la réglementation faisant l'objet de la surveillance et du contrôle exercés par les inspecteurs des lois sociales;
7° données sociales : toutes les informations requises pour l'application de la réglementation visée à l'article 2;
8° établissements publics et coopérants : les établissements chargés de et agréés pour la coopération à l'application de la réglementation visée à l'article 2;
9° lieux de travail : tous les lieux où sont exercées des activités soumises au contrôle des inspecteurs des lois sociales ou dans lesquels sont occupées des personnes assujetties aux dispositions de la réglementation faisant l'objet du contrôle des inspecteurs des lois sociales. Ils comprennent notamment des entreprises, des parties d'entreprises, des établissements, des parties d'établissements, des immeubles, des locaux, des endroits situés dans le lieu d'implantation d'entreprises, des chantiers et des travaux en dehors des entreprises. On entend également par lieux de travail les endroits où les documents portant sur les activités réglementées sont conservés;
10° [1 10° inspecteurs des lois sociales : les fonctionnaires assermentés de la [7 division de l'Inspection sociale flamande]7 du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale;]1
11° Traité international n° 81 : la Convention internationale n° 81 Convention internationale relative a l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce, adoptée a Genève le 11 juillet 1947, approuvée par la loi du 29 mars 1957;
[1 12° supports d'information : tout support d'information dans quelle forme que ce soit, tels des livres, registres, documents, supports d'information numériques ou numérisés, disques, bandes, y compris ceux accessibles par le biais d'un système informatique ou d'un autre appareil;]1
[7 13° subvention : tout avantage, toute indemnité, allocation, aide ou toute autre intervention financière qui est accordé ou octroyé par ou en vertu de la réglementation faisant l'objet de la surveillance et du contrôle exercés par les inspecteurs des lois sociales.]7
[8 14° e-pv : le procès-verbal de constatation d'infractions, qui est créé et enregistré par les inspecteurs des lois sociales au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle visé à l'article 100/2 du Code pénal social ;
15° banque de données e-pv : la banque données visée à l'article 100/6 du Code pénal social dans laquelle les données figurant dans les e-pv et les données figurant dans les annexes à ces e-pv sont reprises et conservées ;
16° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).]8
HOOFDSTUK II. - De sociaalrechtelijke inspectie.
CHAPITRE II. - L'inspection des lois sociales.
Art. 4. Onverminderd het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijk vertegenwoordigde monarchie en het decreet van 3 mei 1972 tot regeling van het gebruik van de Nederlandse taal bij de eedaflegging, wordt de eed van de sociaalrechtelijke inspecteur afgelegd voor de Vlaamse minister bevoegd voor Werkgelegenheid [1 , of zijn gemachtigde]1.
Art. 4. Sans préjudice du décret du 20 juillet 1831 concernant le serment à la mise en vigueur de la monarchie représentative et du décret du 3 mai 1972 réglant l'emploi de la langue néerlandaise pour la prestation de serment, le serment de l'inspecteur des lois sociales est prêté entre les mains du Ministre flamand chargé de l'Emploi [1 ou de son délégué]1.
Art. 5. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, oefenen de sociaalrechtelijke inspecteurs toezicht en controle uit op de naleving van de bepalingen van de regelgeving, opgenomen in artikel 2 van dit decreet, en hun uitvoeringsbesluiten.
De sociaalrechtelijke inspecteurs maken zich tijdens de uitoefening van hun ambt kenbaar door middel van een legitimatiekaart waarvan de vorm en de inhoud wordt bepaald door de Vlaamse regering.
De sociaalrechtelijke inspecteurs kunnen in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale en federale politie vorderen.
De sociaalrechtelijke inspecteurs maken zich tijdens de uitoefening van hun ambt kenbaar door middel van een legitimatiekaart waarvan de vorm en de inhoud wordt bepaald door de Vlaamse regering.
De sociaalrechtelijke inspecteurs kunnen in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale en federale politie vorderen.
Art. 5. Sans préjudice des attributions des officiers de la police judiciaire, les inspecteurs des lois sociales surveillent et contrôlent le respect des dispositions reprises à l'article 2 du présent décret et des arrêtés d'exécution.
Lors de l'exercice de leurs fonctions, les inspecteurs des lois sociales se font connaître à l'aide d'une carte de légitimation dont le contenu et la forme sont arrêtés par le Gouvernement flamand.
Les inspecteurs des lois sociales peuvent requérir l'assistance de la police locale ou fédérale dans l'exercice de leurs fonctions.
Lors de l'exercice de leurs fonctions, les inspecteurs des lois sociales se font connaître à l'aide d'une carte de légitimation dont le contenu et la forme sont arrêtés par le Gouvernement flamand.
Les inspecteurs des lois sociales peuvent requérir l'assistance de la police locale ou fédérale dans l'exercice de leurs fonctions.
Art. 5/1. [1 De sociaalrechtelijke inspecteurs oefenen de bevoegdheden vermeld in dit decreet uit met het oog op het toezicht op de naleving van de regelgeving waarvoor ze bevoegd zijn.]1
Art. 5/1. [1 Les inspecteurs des lois sociales exercent les compétences visées au présent décret en vue du contrôle du respect de la réglementation pour laquelle ils sont compétents.]1
Art. 5/2. [1 Bij de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in dit decreet, moeten de sociaalrechtelijke inspecteurs er zorg voor dragen dat de middelen die zij aanwenden, passend en noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de regelgeving waarvoor ze bevoegd zijn.]1
Art. 5/2. [1 Lors de l'exercice des compétences visées au présent décret, les inspecteurs des lois sociales doivent veiller à ce que les moyens adoptés soient adéquats et nécessaires dans le cadre du contrôle du respect de la réglementation pour laquelle ils sont compétents.]1
Art. 6. § 1. [1 Onverminderd het vorderingsrecht van het Openbaar Ministerie en van de onderzoeksrechter als vermeld in artikel 28ter, en 56, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, bezitten de sociaalrechtelijke inspecteurs de beoordelingsbevoegdheid om :]1
1° inlichtingen en adviezen te geven aan werkgevers en in voorkomend geval aan gebruikers, aan opleidingscentra, aan cursisten en aan werknemers, onder meer over de meest doeltreffende middelen om de door of krachtens de decreten vastgestelde bepalingen na te leven;
2° aan werkgevers en in voorkomend geval aan gebruikers en aan opleidingscentra waarschuwingen te geven;
3° een termijn vast te stellen voor de overtreder om zich in regel te stellen;
4° toezicht en controle uit te oefenen, op stukken of ter plaatse en op de verantwoording die gerechtigden moeten verstrekken aan de rechtspersonen van wie zij die toelagen ontvangen;
5° toezicht uit te oefenen op de voorwaarden, na te leven door de werkgevers, die in goedgekeurde aanvragen tot tewerkstelling van werknemers zijn bepaald;
[3 5° /l toezicht en controle uit te oefenen op werkgevers die door de Vlaamse Regering met het beheer van diensten van algemeen economisch belang zijn belast in het kader van het decreet, vermeld in artikel 2, eerste lid, punt 17° ;]3
[4 5° /2 aan natuurlijke personen, aan privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen of aan feitelijke verenigingen die ten onrechte een subsidie hebben verkregen, een minnelijk voorstel tot terugbetaling van die subsidie formuleren;]4
6° processen-verbaal op te stellen, waarin alle bevindingen en verhoren, alsook alle vastgestelde inbreuken uit hoofde van de in artikel 2 vermelde regelgeving worden opgetekend en die minstens de hiernavolgende gegevens bevatten :
a) gegevens van de inbreuk : plaats, gemeente, gerechtelijk arrondissement, provincie, periode van de inbreuk;
b) beknopte uiteenzetting van de feiten;
c) identiteit van de betrokken en eventueel verhoorde personen : naam en voornaam, woonplaats, geboorteplaats en geboortedatum, nationaliteit en hoedanigheid;
d) identiteit van de werkgever of opleidingscentrum : naam, maatschappelijke zetel, exploitatiezetel, activiteit, [1 ondernemingsnummer]1 en nummer RSZ;
e) identiteit verbaliserende ambtenaar : naam en adres verbaliserende dienst, naam en adres opsteller proces-verbaal, rang en functie van de opsteller;
f) gegevens over het proces-verbaal : datum van het onderzoek, datum en plaats van de opstelling van het proces-verbaal, eventueel verband met andere processen-verbaal, eventueel vermelding van de inventaris van de bijlagen;
g) vermelding van de regelgeving krachtens dewelke de sociaalrechtelijke inspecteur oordeelt te kunnen optreden;
h) taalkeuze van de verhoorde personen;
i) termijn van 14 dagen waarbinnen de krachtens dit decreet opgelegde kennisgeving van het afschrift van het proces-verbaal dient te geschieden;
j) vermelding van [1 ...]1 de vraag tot ondertekening van het proces-verbaal van verhoor;
[1 k) de vermelding van de bepalingen van artikel 6/1 en 6/2.]1
§ 2. Een afschrift van het proces-verbaal, waarbij de inbreuk wordt vastgesteld, wordt, op straffe van het verlies van de aan deze akte toekomende bijzondere bewijskracht, per aangetekende brief ter kennis gebracht van de overtreder en/of zijn werkgever binnen een termijn van veertien dagen, die een aanvang neemt de dag na die waarop het laatste constitutieve element van de inbreuk wordt vastgesteld. Wanneer de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt deze vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Indien de sociaalrechtelijke inspecteur de identiteit van de overtreder of de overtreders en zijn of hun werkgever in alle redelijkheid niet kent of niet kan kennen, is de termijn van kennisgeving aan deze onbekende opgeschort tot op het ogenblik dat de sociaalrechtelijke inspecteur kan overgaan tot identificatie. Het aldus opgestelde en betekende proces-verbaal heeft bewijskracht tot het tegendeel is bewezen.
Een exemplaar van het proces-verbaal waarbij een inbreuk is vastgesteld zoals bepaald in hoofdstuk III wordt binnen dezelfde termijn aan de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaar en, in voorkomend geval, aan het openbaar ministerie, toegezonden.
De door de sociaalrechtelijke inspecteurs gemaakte materiële vaststellingen kunnen, met hun bewijskracht, aangewend worden door de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de in artikel 2 van dit decreet bedoelde bepalingen en hun uitvoeringsbesluiten.
§ 3. Indien de sociaalrechtelijke inspecteur middels een waarschuwing de overtreder verzoekt om zich binnen een bepaalde termijn in regel te stellen en/of hiervan het bewijs te verschaffen, wordt geen proces-verbaal opgesteld dan nadat hetzij de termijn tot regularisatie, hetzij de bewijsvoering aangaande de regularisatie wordt genegeerd.
Indien er door de sociaalrechtelijke inspecteur meerdere inbreuken op de sociaalrechtelijke regelgeving worden vastgesteld, kunnen er verschillende termijnen voor regularisatie voor elk van de onderscheiden inbreuken worden opgelegd.
[2 ...]2
1° inlichtingen en adviezen te geven aan werkgevers en in voorkomend geval aan gebruikers, aan opleidingscentra, aan cursisten en aan werknemers, onder meer over de meest doeltreffende middelen om de door of krachtens de decreten vastgestelde bepalingen na te leven;
2° aan werkgevers en in voorkomend geval aan gebruikers en aan opleidingscentra waarschuwingen te geven;
3° een termijn vast te stellen voor de overtreder om zich in regel te stellen;
4° toezicht en controle uit te oefenen, op stukken of ter plaatse en op de verantwoording die gerechtigden moeten verstrekken aan de rechtspersonen van wie zij die toelagen ontvangen;
5° toezicht uit te oefenen op de voorwaarden, na te leven door de werkgevers, die in goedgekeurde aanvragen tot tewerkstelling van werknemers zijn bepaald;
[3 5° /l toezicht en controle uit te oefenen op werkgevers die door de Vlaamse Regering met het beheer van diensten van algemeen economisch belang zijn belast in het kader van het decreet, vermeld in artikel 2, eerste lid, punt 17° ;]3
[4 5° /2 aan natuurlijke personen, aan privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen of aan feitelijke verenigingen die ten onrechte een subsidie hebben verkregen, een minnelijk voorstel tot terugbetaling van die subsidie formuleren;]4
6° processen-verbaal op te stellen, waarin alle bevindingen en verhoren, alsook alle vastgestelde inbreuken uit hoofde van de in artikel 2 vermelde regelgeving worden opgetekend en die minstens de hiernavolgende gegevens bevatten :
a) gegevens van de inbreuk : plaats, gemeente, gerechtelijk arrondissement, provincie, periode van de inbreuk;
b) beknopte uiteenzetting van de feiten;
c) identiteit van de betrokken en eventueel verhoorde personen : naam en voornaam, woonplaats, geboorteplaats en geboortedatum, nationaliteit en hoedanigheid;
d) identiteit van de werkgever of opleidingscentrum : naam, maatschappelijke zetel, exploitatiezetel, activiteit, [1 ondernemingsnummer]1 en nummer RSZ;
e) identiteit verbaliserende ambtenaar : naam en adres verbaliserende dienst, naam en adres opsteller proces-verbaal, rang en functie van de opsteller;
f) gegevens over het proces-verbaal : datum van het onderzoek, datum en plaats van de opstelling van het proces-verbaal, eventueel verband met andere processen-verbaal, eventueel vermelding van de inventaris van de bijlagen;
g) vermelding van de regelgeving krachtens dewelke de sociaalrechtelijke inspecteur oordeelt te kunnen optreden;
h) taalkeuze van de verhoorde personen;
i) termijn van 14 dagen waarbinnen de krachtens dit decreet opgelegde kennisgeving van het afschrift van het proces-verbaal dient te geschieden;
j) vermelding van [1 ...]1 de vraag tot ondertekening van het proces-verbaal van verhoor;
[1 k) de vermelding van de bepalingen van artikel 6/1 en 6/2.]1
§ 2. Een afschrift van het proces-verbaal, waarbij de inbreuk wordt vastgesteld, wordt, op straffe van het verlies van de aan deze akte toekomende bijzondere bewijskracht, per aangetekende brief ter kennis gebracht van de overtreder en/of zijn werkgever binnen een termijn van veertien dagen, die een aanvang neemt de dag na die waarop het laatste constitutieve element van de inbreuk wordt vastgesteld. Wanneer de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt deze vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Indien de sociaalrechtelijke inspecteur de identiteit van de overtreder of de overtreders en zijn of hun werkgever in alle redelijkheid niet kent of niet kan kennen, is de termijn van kennisgeving aan deze onbekende opgeschort tot op het ogenblik dat de sociaalrechtelijke inspecteur kan overgaan tot identificatie. Het aldus opgestelde en betekende proces-verbaal heeft bewijskracht tot het tegendeel is bewezen.
Een exemplaar van het proces-verbaal waarbij een inbreuk is vastgesteld zoals bepaald in hoofdstuk III wordt binnen dezelfde termijn aan de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaar en, in voorkomend geval, aan het openbaar ministerie, toegezonden.
De door de sociaalrechtelijke inspecteurs gemaakte materiële vaststellingen kunnen, met hun bewijskracht, aangewend worden door de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de in artikel 2 van dit decreet bedoelde bepalingen en hun uitvoeringsbesluiten.
§ 3. Indien de sociaalrechtelijke inspecteur middels een waarschuwing de overtreder verzoekt om zich binnen een bepaalde termijn in regel te stellen en/of hiervan het bewijs te verschaffen, wordt geen proces-verbaal opgesteld dan nadat hetzij de termijn tot regularisatie, hetzij de bewijsvoering aangaande de regularisatie wordt genegeerd.
Indien er door de sociaalrechtelijke inspecteur meerdere inbreuken op de sociaalrechtelijke regelgeving worden vastgesteld, kunnen er verschillende termijnen voor regularisatie voor elk van de onderscheiden inbreuken worden opgelegd.
[2 ...]2
Änderungen
Art. 6. § 1er. [1 Sans préjudice du droit d'action du Ministère public et du juge d'instruction visé aux articles 28ter et 56, § 2 du Code d'instruction criminelle, les inspecteurs des lois sociales sont dotés d'un pouvoir d'appréciation pour :]1
1° fournir des renseignements et conseils aux employeurs et, le cas échéant, aux usagers, aux centres de formation, aux apprenants et aux travailleurs, notamment sur les moyens les plus efficaces pour respecter les dispositions fixées par ou en vertu des décrets;
2° donner des avertissements aux employeurs et, le cas échéant, aux usagers et aux centres de formation;
3° accorder au contrevenant un délai pour se mettre en règle;
4° contrôler sur pièces ou sur place et sur les justificatifs que les ayants droit sont tenus de fournir aux personnes morales dont ils reçoivent les allocations;
5° contrôler les conditions à respecter par les employeurs, qui sont fixées dans les demandes d'emploi approuvées de travailleurs;
[3 5° /1 surveillance et contrôle à exercer sur les employeurs qui sont chargés par le Gouvernement flamand de la gestion de services d'intérêt économique général dans le cadre du décret, visé à l'article 2, alinéa premier, point 17° ;]3
[4 5° /2 formuler aux personnes physiques, aux personnes morales de droit privé ou de droit public ou aux associations de fait qui ont obtenu une subvention à injuste titre, une proposition à l'amiable de remboursement de cette subvention ;]4
6° dresser des procès-verbaux dans lesquels sont consignés tous les constats et auditions, ainsi que toutes les infractions constatées du chef de la réglementation visée à l'article 2, et qui contiennent au moins les données suivantes :
a) renseignements sur l'infraction : lieu, commune, arrondissement judiciaire, province, période de l'infraction;
b) exposé succinct des faits;
c) identité des personnes intéressées et éventuellement interrogées; nom et prénom, domicile, lieu et date de naissance, nationalité et qualité;
d) identité de l'employeur ou du centre de formation : nom, siège social, siège d'exploitation, activité [1 numéro d'entreprise]1 et numéro ONSS;
e) l'identité du fonctionnaire verbalisant : nom et adresse du service verbalisant, nom et adresse du rédacteur du procès-verbal, rang et fonction du rédacteur;
f) informations relatives au procès-verbal : date de l'enquête, date et lieu de rédaction du procès-verbal, le lien éventuel avec d'autres procès-verbaux, éventuellement avec mention de l'inventaire des annexes;
g) mention de la réglementation en vertu de laquelle l'inspecteur des lois sociales estime pouvoir agir;
h) choix de la langue des personnes interrogées;
i) délai de 15 jours dans lequel doit s'effectuer la notification de la copie du procès-verbal imposée par le présent décret;
j) mention [1 ...]1 de la demande de signer le procès-verbal d'interrogation;
[1 k) mention des dispositions des articles 6/1er et 6/2.]1
§ 2. Sous peine de perte de la force probante de l'acte, copie du procès-verbal constatant l'infraction est communiquée sous pli recommandé au contrevenant et/ou à son employeur, dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation du dernier élément constitutif de l'infraction. Lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au plus prochain jour ouvrable. Si l'inspecteur des lois sociales ne connaît pas ou ne peut pas connaître l'identité du contrevenant ou des contrevenants et de son ou leur employeur, le délai de notification à cet inconnu est suspendu jusqu'au moment où l'inspecteur des lois sociales peut procéder à l'identification. Le procès-verbal ainsi dressé fait foi jusqu'à preuve du contraire.
Un exemplaire du procès-verbal constatant une infraction telle que visée au chapitre III est envoyé dans le même délai au fonctionnaire désigné par le Gouvernement flamand et, le cas échéant, au ministère public.
Les constatations matérielles faites par les inspecteurs des lois sociales peuvent être utilisées, avec leur force probante, par les fonctionnaires chargés du contrôle du respect des dispositions visées à l'article 2 du présent décret et de leurs arrêtés d'exécution.
§ 3. Si l'inspecteur des lois sociales demande au contrevenant, au moyen d'un avertissement, de se mettre en règle dans un délai fixé et/ou d'en fournir la preuve, le procès-verbal n'est dressé que lorsque soit le délai de régularisation, soit la preuve de régularisation ont été ignorés.
Si l'inspecteur des lois sociales constate plusieurs infractions à la législation sociale, des délais différents de régularisation peuvent être imposés pour chacune des infractions constatées.
[2 ...]2
1° fournir des renseignements et conseils aux employeurs et, le cas échéant, aux usagers, aux centres de formation, aux apprenants et aux travailleurs, notamment sur les moyens les plus efficaces pour respecter les dispositions fixées par ou en vertu des décrets;
2° donner des avertissements aux employeurs et, le cas échéant, aux usagers et aux centres de formation;
3° accorder au contrevenant un délai pour se mettre en règle;
4° contrôler sur pièces ou sur place et sur les justificatifs que les ayants droit sont tenus de fournir aux personnes morales dont ils reçoivent les allocations;
5° contrôler les conditions à respecter par les employeurs, qui sont fixées dans les demandes d'emploi approuvées de travailleurs;
[3 5° /1 surveillance et contrôle à exercer sur les employeurs qui sont chargés par le Gouvernement flamand de la gestion de services d'intérêt économique général dans le cadre du décret, visé à l'article 2, alinéa premier, point 17° ;]3
[4 5° /2 formuler aux personnes physiques, aux personnes morales de droit privé ou de droit public ou aux associations de fait qui ont obtenu une subvention à injuste titre, une proposition à l'amiable de remboursement de cette subvention ;]4
6° dresser des procès-verbaux dans lesquels sont consignés tous les constats et auditions, ainsi que toutes les infractions constatées du chef de la réglementation visée à l'article 2, et qui contiennent au moins les données suivantes :
a) renseignements sur l'infraction : lieu, commune, arrondissement judiciaire, province, période de l'infraction;
b) exposé succinct des faits;
c) identité des personnes intéressées et éventuellement interrogées; nom et prénom, domicile, lieu et date de naissance, nationalité et qualité;
d) identité de l'employeur ou du centre de formation : nom, siège social, siège d'exploitation, activité [1 numéro d'entreprise]1 et numéro ONSS;
e) l'identité du fonctionnaire verbalisant : nom et adresse du service verbalisant, nom et adresse du rédacteur du procès-verbal, rang et fonction du rédacteur;
f) informations relatives au procès-verbal : date de l'enquête, date et lieu de rédaction du procès-verbal, le lien éventuel avec d'autres procès-verbaux, éventuellement avec mention de l'inventaire des annexes;
g) mention de la réglementation en vertu de laquelle l'inspecteur des lois sociales estime pouvoir agir;
h) choix de la langue des personnes interrogées;
i) délai de 15 jours dans lequel doit s'effectuer la notification de la copie du procès-verbal imposée par le présent décret;
j) mention [1 ...]1 de la demande de signer le procès-verbal d'interrogation;
[1 k) mention des dispositions des articles 6/1er et 6/2.]1
§ 2. Sous peine de perte de la force probante de l'acte, copie du procès-verbal constatant l'infraction est communiquée sous pli recommandé au contrevenant et/ou à son employeur, dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation du dernier élément constitutif de l'infraction. Lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au plus prochain jour ouvrable. Si l'inspecteur des lois sociales ne connaît pas ou ne peut pas connaître l'identité du contrevenant ou des contrevenants et de son ou leur employeur, le délai de notification à cet inconnu est suspendu jusqu'au moment où l'inspecteur des lois sociales peut procéder à l'identification. Le procès-verbal ainsi dressé fait foi jusqu'à preuve du contraire.
Un exemplaire du procès-verbal constatant une infraction telle que visée au chapitre III est envoyé dans le même délai au fonctionnaire désigné par le Gouvernement flamand et, le cas échéant, au ministère public.
Les constatations matérielles faites par les inspecteurs des lois sociales peuvent être utilisées, avec leur force probante, par les fonctionnaires chargés du contrôle du respect des dispositions visées à l'article 2 du présent décret et de leurs arrêtés d'exécution.
§ 3. Si l'inspecteur des lois sociales demande au contrevenant, au moyen d'un avertissement, de se mettre en règle dans un délai fixé et/ou d'en fournir la preuve, le procès-verbal n'est dressé que lorsque soit le délai de régularisation, soit la preuve de régularisation ont été ignorés.
Si l'inspecteur des lois sociales constate plusieurs infractions à la législation sociale, des délais différents de régularisation peuvent être imposés pour chacune des infractions constatées.
[2 ...]2
Art. 6/1. [1 Bij het verhoren van personen worden ten minste de volgende regels in acht genomen :
1° ieder verhoor begint met de mededeling aan de ondervraagde persoon dat :
a) hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;
b) zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
2° eenieder die wordt ondervraagd, mag gebruikmaken van de documenten die hij in zijn bezit heeft, zonder dat daardoor het verhoor wordt uitgesteld. Hij mag tijdens de ondervraging of later eisen dat die documenten bij het proces-verbaal worden gevoegd;
3° het proces-verbaal vermeldt nauwkeurig het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, en waarop het eventueel wordt onderbroken en hervat, alsook wanneer het wordt beëindigd. Het vermeldt nauwkeurig de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek. Het vermeldt ook de bijzondere omstandigheden en alles wat op de verklaring of de omstandigheden waarin ze is afgelegd, een bijzonder licht kan werpen.
Aan het einde van het verhoor geeft de sociaalrechtelijke inspecteur aan de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of daaraan iets wil toevoegen. Aan het einde van zijn verhoor ondertekent de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor.
Als de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan de Nederlandse taal wil uitdrukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigde tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Als het verhoor plaatsvindt met bijstand van een tolk, worden zijn identiteit en hoedanigheid vermeld.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.]1
1° ieder verhoor begint met de mededeling aan de ondervraagde persoon dat :
a) hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;
b) zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
2° eenieder die wordt ondervraagd, mag gebruikmaken van de documenten die hij in zijn bezit heeft, zonder dat daardoor het verhoor wordt uitgesteld. Hij mag tijdens de ondervraging of later eisen dat die documenten bij het proces-verbaal worden gevoegd;
3° het proces-verbaal vermeldt nauwkeurig het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, en waarop het eventueel wordt onderbroken en hervat, alsook wanneer het wordt beëindigd. Het vermeldt nauwkeurig de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek. Het vermeldt ook de bijzondere omstandigheden en alles wat op de verklaring of de omstandigheden waarin ze is afgelegd, een bijzonder licht kan werpen.
Aan het einde van het verhoor geeft de sociaalrechtelijke inspecteur aan de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of daaraan iets wil toevoegen. Aan het einde van zijn verhoor ondertekent de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor.
Als de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan de Nederlandse taal wil uitdrukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigde tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Als het verhoor plaatsvindt met bijstand van een tolk, worden zijn identiteit en hoedanigheid vermeld.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.]1
Art. 6/1. [1 Lors de l'audition de personnes, les règles suivantes sont au moins observées :
1° toute audition commence par la communication à la personne interrogée :
a) qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et que toutes les réponses qu'elle donne sont notées dans la formulation utilisée;
b) que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuves en justice;
2° toute personne interrogée peut se servir des documents en sa possession sans que l'audition soit reportée pour cette raison. Elle peut exiger lors de l'interrogatoire ou ultérieurement que ces documents soient joints au procès-verbal;
3° le procès-verbal mentionne avec précision l'heure à laquelle l'audition prend cours, est éventuellement interrompue, reprend, et prend fin. Il mentionne avec précision l'identité des personnes qui interviennent à l'interrogatoire ou à une partie de celui-ci ainsi que le moment de leur arrivée et de leur départ. Il mentionne également les circonstances particulières et tout ce qui peut éclairer d'un jour particulier la déclaration ou les circonstances dans lesquelles elle a été faite.
A la fin de l'audition, l'inspecteur des lois sociales donne le procès-verbal en lecture à la personne interrogée, à moins que celle-ci ne demande que lecture lui en soit faite. Il lui est demandé si ses déclarations ne doivent pas être corrigées ou complétées. A la fin de son audition la personne interrogée signe le procès-verbal de son audition.
Si la personne interrogée souhaite s'exprimer dans une autre langue que le néerlandais, soit il est fait appel à un interprète assermenté, soit il est noté ses déclarations dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'audition a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualite sont mentionnées.
Le procès-verbal de l'audition reprend le texte du présent article.]1
1° toute audition commence par la communication à la personne interrogée :
a) qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et que toutes les réponses qu'elle donne sont notées dans la formulation utilisée;
b) que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuves en justice;
2° toute personne interrogée peut se servir des documents en sa possession sans que l'audition soit reportée pour cette raison. Elle peut exiger lors de l'interrogatoire ou ultérieurement que ces documents soient joints au procès-verbal;
3° le procès-verbal mentionne avec précision l'heure à laquelle l'audition prend cours, est éventuellement interrompue, reprend, et prend fin. Il mentionne avec précision l'identité des personnes qui interviennent à l'interrogatoire ou à une partie de celui-ci ainsi que le moment de leur arrivée et de leur départ. Il mentionne également les circonstances particulières et tout ce qui peut éclairer d'un jour particulier la déclaration ou les circonstances dans lesquelles elle a été faite.
A la fin de l'audition, l'inspecteur des lois sociales donne le procès-verbal en lecture à la personne interrogée, à moins que celle-ci ne demande que lecture lui en soit faite. Il lui est demandé si ses déclarations ne doivent pas être corrigées ou complétées. A la fin de son audition la personne interrogée signe le procès-verbal de son audition.
Si la personne interrogée souhaite s'exprimer dans une autre langue que le néerlandais, soit il est fait appel à un interprète assermenté, soit il est noté ses déclarations dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'audition a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualite sont mentionnées.
Le procès-verbal de l'audition reprend le texte du présent article.]1
Art. 6/2. [1 De sociaalrechtelijke inspecteurs delen de ondervraagde mee dat hij kosteloos een kopie van de tekst van verhoor kan verkrijgen.
Die kopie wordt hem onmiddellijk of binnen een maand overhandigd of toegezonden. [2 De ambtenaar die door de Vlaamse Regering aangewezen is, kan echter, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van de mededeling uitstellen voor een eenmalig hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Die beslissing wordt opgenomen in het dossier.]2
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.]1
Die kopie wordt hem onmiddellijk of binnen een maand overhandigd of toegezonden. [2 De ambtenaar die door de Vlaamse Regering aangewezen is, kan echter, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van de mededeling uitstellen voor een eenmalig hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Die beslissing wordt opgenomen in het dossier.]2
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.]1
Art. 6/2. [1 Les inspecteurs des lois sociales informent la personne interrogée qu'elle peut demander une copie du texte de son audition, qui lui est délivrée gratuitement.
Cette copie lui est remise ou adressée immédiatement ou dans le mois. [2 Le fonctionnaire désigné par le Gouvernement flamand, peut cependant, moyennant décision motivée, reporter le moment de la communication pour un délai qui peut être renouvelé une fois de trois mois au maximum. Cette décision est reprise au dossier. ]2
Le procès-verbal de l'audition reprend le texte du présent article.]1
Cette copie lui est remise ou adressée immédiatement ou dans le mois. [2 Le fonctionnaire désigné par le Gouvernement flamand, peut cependant, moyennant décision motivée, reporter le moment de la communication pour un délai qui peut être renouvelé une fois de trois mois au maximum. Cette décision est reprise au dossier. ]2
Le procès-verbal de l'audition reprend le texte du présent article.]1
Art. 6/3. [1 Met het oog op een betere elektronische informatie-uitwisseling tussen de verschillende actoren die betrokken zijn bij de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude worden de e-pv's aangemaakt en opgeslagen overeenkomstig het in artikel 100/2 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde model via de daartoe ontworpen informaticatoepassing.
De elektronische informatie-uitwisseling in het kader van het e-pv verloopt conform de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
Bij de verwerking van de persoonsgegevens met toepassing van dit hoofdstuk worden de identificatienummers, vermeld in artikel 8, Ї 1, van de voormelde wet, gebruikt.
De Vlaamse Sociale Inspectie treedt op als verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van de persoonsgegevens.]1
De elektronische informatie-uitwisseling in het kader van het e-pv verloopt conform de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
Bij de verwerking van de persoonsgegevens met toepassing van dit hoofdstuk worden de identificatienummers, vermeld in artikel 8, Ї 1, van de voormelde wet, gebruikt.
De Vlaamse Sociale Inspectie treedt op als verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van de persoonsgegevens.]1
Art. 6/3. [1 Afin d'améliorer l'échange électronique d'informations entre les différents acteurs impliqués dans la lutte contre le travail illégal et la fraude sociale, les e-pv sont créés et enregistrés au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle visé à l'article 100/2 du Code pénal social.
L'échange électronique d'informations dans le cadre de l'e-pv se déroule conformément à la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque Carrefour de la Sécurité sociale.
Lors du traitement des données à caractère personnel en application du présent chapitre, les numéros d'identification visés à l'article 8, § 1er, de la loi précitée sont utilisés.
L'Inspection sociale flamande agit en tant que responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel. ]1
L'échange électronique d'informations dans le cadre de l'e-pv se déroule conformément à la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque Carrefour de la Sécurité sociale.
Lors du traitement des données à caractère personnel en application du présent chapitre, les numéros d'identification visés à l'article 8, § 1er, de la loi précitée sont utilisés.
L'Inspection sociale flamande agit en tant que responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel. ]1
Art. 6/4. [1 Ї 1. Met het oog op de elektronische informatie-uitwisseling, vermeld in artikel 6/3, kunnen de sociaalrechtelijke inspecteurs hun processen-verbaal tot vaststelling van inbreuken elektronisch aanmaken via de informaticatoepassing die daarvoor is ontworpen.
Ї 2. De in paragraaf 1 bedoelde processen-verbaal worden aangemaakt aan de hand van de volgende persoonsgegevens van de volgende instanties:
1А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer, van het Rijksregister van de natuurlijke personen of het BIS-nummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2А de identificatie- en contactgegevens van de onderneming.
De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden uitgewisseld met tussenkomst van de bevoegde dienstenintegratoren als dat van toepassing is.
In het tweede lid wordt verstaan onder dienstenintegrator: een dienstenintegrator als vermeld in artikel 2, 3А, van het decreet van 13 juli 2012 houdende de oprichting en organisatie van een Vlaamse dienstenintegrator.]1
Ї 2. De in paragraaf 1 bedoelde processen-verbaal worden aangemaakt aan de hand van de volgende persoonsgegevens van de volgende instanties:
1А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer, van het Rijksregister van de natuurlijke personen of het BIS-nummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2А de identificatie- en contactgegevens van de onderneming.
De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden uitgewisseld met tussenkomst van de bevoegde dienstenintegratoren als dat van toepassing is.
In het tweede lid wordt verstaan onder dienstenintegrator: een dienstenintegrator als vermeld in artikel 2, 3А, van het decreet van 13 juli 2012 houdende de oprichting en organisatie van een Vlaamse dienstenintegrator.]1
Art. 6/4. [1 § 1er. En vue de l'échange électronique d'informations visé à l'article 6/3, les inspecteurs des lois sociales peuvent créer leurs procès-verbaux de constatation d'infractions de manière électronique au moyen de l'application informatique conçue à cette fin.
§ 2. Les procès-verbaux visés au paragraphe 1er sont créés à l'aide des données à caractère personnel suivantes des organismes suivants :
1° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS, du Registre national des personnes physiques ou le numéro BIS de la Banque Carrefour de la Sécurité sociale ;
2° les données d'identification et les coordonnées de l'entreprise.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont échangées avec l'intervention des intégrateurs de services compétents le cas échéant.
A l'alinéa 2, on entend par intégrateur de services : un intégrateur de services tel que visé à l'article 2, 3°, du décret du 13 juillet 2012 portant création et organisation d'un intégrateur de services flamand. ]1
§ 2. Les procès-verbaux visés au paragraphe 1er sont créés à l'aide des données à caractère personnel suivantes des organismes suivants :
1° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS, du Registre national des personnes physiques ou le numéro BIS de la Banque Carrefour de la Sécurité sociale ;
2° les données d'identification et les coordonnées de l'entreprise.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont échangées avec l'intervention des intégrateurs de services compétents le cas échéant.
A l'alinéa 2, on entend par intégrateur de services : un intégrateur de services tel que visé à l'article 2, 3°, du décret du 13 juillet 2012 portant création et organisation d'un intégrateur de services flamand. ]1
Art. 6/5. [1 Het e-pv wordt door de sociaalrechtelijke inspecteurs elektronisch ondertekend met de gekwalificeerde elektronische handtekening, vermeld in artikel 3, punt 12, van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, onverminderd artikel 8.18 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, het e-pv dat door de sociaalrechtelijke inspecteurs elektronisch is ondertekend conform het eerste lid, gelijkgesteld met een proces-verbaal op papieren drager dat is ondertekend met een handgeschreven handtekening.
De afgeleide, bedoeld in artikel 4, Ї 3, van het kaderdecreet van 14 juli 2023 over de handhaving van de Vlaamse regelgeving, van een door de sociaalrechtelijk inspecteur opgesteld e-pv, wordt voor de opname in de databank e-PV gelijkgesteld met het origineel.]1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, onverminderd artikel 8.18 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, het e-pv dat door de sociaalrechtelijke inspecteurs elektronisch is ondertekend conform het eerste lid, gelijkgesteld met een proces-verbaal op papieren drager dat is ondertekend met een handgeschreven handtekening.
De afgeleide, bedoeld in artikel 4, Ї 3, van het kaderdecreet van 14 juli 2023 over de handhaving van de Vlaamse regelgeving, van een door de sociaalrechtelijk inspecteur opgesteld e-pv, wordt voor de opname in de databank e-PV gelijkgesteld met het origineel.]1
Art. 6/5. [1 Les inspecteurs des lois sociales signent l'e-pv électroniquement au moyen de la signature électronique qualifiée, visée à l'article 3, point 12, du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.
Pour l'application du présent chapitre, l'e-pv signé électroniquement par les inspecteurs des lois sociales conformément à l'alinéa 1er est assimilé, sans préjudice des articles 8.18 et suivants du Code civil, à un procès-verbal sur support papier qui a été signé au moyen d'une signature manuscrite.
Le dérivé, visé à l'article 4, § 3, du décret-cadre du 14 juillet 2023 relatif au maintien de la réglementation flamande, d'un e-pv rédigé par un inspecteur des lois sociales est assimilé à l'original pour l'enregistrement dans la banque de données e-pv. ]1
Pour l'application du présent chapitre, l'e-pv signé électroniquement par les inspecteurs des lois sociales conformément à l'alinéa 1er est assimilé, sans préjudice des articles 8.18 et suivants du Code civil, à un procès-verbal sur support papier qui a été signé au moyen d'une signature manuscrite.
Le dérivé, visé à l'article 4, § 3, du décret-cadre du 14 juillet 2023 relatif au maintien de la réglementation flamande, d'un e-pv rédigé par un inspecteur des lois sociales est assimilé à l'original pour l'enregistrement dans la banque de données e-pv. ]1
Art. 7. De sociaalrechtelijke inspecteurs hebben bij de uitoefening van hun opdracht het recht om :
1° [1 zich bij dag en bij nacht, zonder voorafgaande waarschuwing, toegang te verschaffen tot alle werkplaatsen en opleidingscentra die aan hun toezicht onderworpen zijn of tot lokalen waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat er personen werken of er een opleiding volgen, die onderworpen zijn aan de bepalingen van de regelgeving waarop zij toezicht en controle uitoefenen.
Tot de bewoonde lokalen hebben zij alleen toegang in één van de volgende gevallen :
a) de rechter in de politierechtbank heeft daartoe vooraf machtiging tot visitatie verleend;
b) de persoon die het werkelijke genot heeft van de plaats heeft er voorafgaandelijk en uitdrukkelijk om verzocht of heeft er toestemming voor gegeven. Dat verzoek of die toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan het inspectiebezoek worden gegeven.
[4 c) tot vaststelling op heterdaad van een inbreuk.]4
De sociaalrechtelijke inspecteurs kunnen de toegang tot bewoonde lokalen na 21 uur en voor 5 uur verkrijgen als zij die vraag bijzonder motiveren voor de politierechter.
De machtiging tot visitatie die wordt verleend door de rechter in de politierechtbank kan worden betwist voor de bevoegde rechter die een uitspraak doet ten gronde.
Met uitzondering van de gegevens waaruit de identiteit van de auteur van een eventuele klacht of aangifte kan worden afgeleid, en met behoud van de toepassing van artikel 8, § 2, wordt het geheel van de motiveringsstukken tot het bekomen van de machtiging tot visitatie toegevoegd aan het dossier voor de bevoegde rechter die een uitspraak doet ten gronde;]1
2° over te gaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor van personen over relevante feiten, alsook alle inlichtingen in te winnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van de regelgeving waarop zij toezicht uitoefenen, werkelijk wordt nageleefd en inzonderheid :
a) hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, de leden van de syndicale afvaardigingen, van de comités voor preventie en bescherming op het werk en van de ondernemingsraden, het opleidingscentrum, de werknemers, de gerechtigden, de gebruiker, de sociaal verzekerden, de cursisten, alsmede gelijk welke persoon wiens verhoor zij nodig achten, te ondervragen;
b) zonder afbreuk te doen aan de regelgeving [2 over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer]2 zoals onder meer voorzien door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [2 en de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]2, de identiteit op te nemen van de personen die zich bevinden in de opleidingscentra, in de werkplaatsen of op de andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn en waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat zij cursisten, werkgevers, aangestelden of lasthebbers, werknemers, gerechtigden, gebruikers of sociaal verzekerden zijn, alsmede van gelijk welke personen wiens verklaring zij nodig achten; daartoe van deze personen de voorlegging te vorderen van officiële identiteitsdocumenten of de identiteit van deze personen met andere middelen, met inbegrip van het maken van foto's, film- en video-opnamen, alsook met andere geluids- en audiovisuele middelen, trachten te achterhalen;
c) [1 alle informatiedragers op te sporen en te onderzoeken die zich bevinden op de werkplaatsen, in de opleidingscentra, of op andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen en die hetzij sociale gegevens, als vermeld in artikel 3, 7°, bevatten, hetzij om het even welke andere gegevens die ingevolge de regelgeving moeten worden opgemaakt, bijgehouden, of bewaard, zelfs als de sociaalrechtelijke inspecteurs niet zijn belast met het toezicht op die regelgeving. Daartoe kunnen zij eveneens de voormelde informatiedragers opsporen en onderzoeken die vanuit die plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. De Vlaamse Regering kan ter informatie een lijst opstellen met voormelde gegevens die ingevolge de regelgeving moeten worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, en die zich op informatiedragers bevinden op de werkplaatsen, in de opleidingscentra, of op andere plaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaalrechtelijke inspecteurs. Als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum afwezig is op het ogenblik van de controle, levert de sociaalrechtelijke inspecteur de nodige inspanningen om contact op te nemen met de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum om de voormelde informatiedragers te doen overleggen. Als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum niet bereikbaar is, kan de sociaalrechtelijke inspecteur overgaan tot het opsporen en onderzoeken;]1
[1 c/1) zich, zonder verplaatsing, alle informatiedragers die om het even welke andere gegevens bevatten, ter inzage doen voorleggen wanneer zij dit nodig achten om hun opdracht te volbrengen en overgaan tot het onderzoek ervan. De sociaalrechtelijke inspecteurs beschikken eveneens over die bevoegdheid voor de gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via een ander elektronisch apparaat;]1
d) [3 andere roerende goederen dan de informatiedragers, vermeld in punt b), c) en c/1), met inbegrip van roerende goederen die onroerend zijn door incorporatie of door bestemming, en ook onroerende goederen die aan hun toezicht onderworpen zijn of aan de hand waarvan inbreuken op de regelgeving waarop ze toezicht uitoefenen, kunnen worden vastgesteld, ongeacht of de overtreder al dan niet de eigenaar is van die goederen, tegen ontvangstbewijs gedurende een redelijke termijn mee te nemen of die te verzegelen als dat noodzakelijk is om het bewijs van die inbreuken te leveren, of als het gevaar bestaat dat met die goederen de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd;]3
e) zonder afbreuk te doen aan de regelgeving [2 over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer]2 zoals onder meer voorzien door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [2 en de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]2, vaststellingen te doen door middel van het maken van foto's, film- en video-opnamen, audiocassettes of andere geluids- en audiovisuele middelen;
3° te bevelen dat de documenten die moeten worden aangeplakt en/of overhandigd ingevolge de regelgeving waarop zij toezicht uitoefenen, daadwerkelijk aangeplakt en/of overhandigd worden en blijven, terstond of binnen een termijn die zij bepalen;
4° als zij zulks in het belang van de cursisten, werknemers of de gerechtigden nodig achten, elk document op te maken of te laten overhandigen ter vervanging van de documenten bedoeld in de reglementeringen waarop zij toezicht en controle uitoefenen.
1° [1 zich bij dag en bij nacht, zonder voorafgaande waarschuwing, toegang te verschaffen tot alle werkplaatsen en opleidingscentra die aan hun toezicht onderworpen zijn of tot lokalen waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat er personen werken of er een opleiding volgen, die onderworpen zijn aan de bepalingen van de regelgeving waarop zij toezicht en controle uitoefenen.
Tot de bewoonde lokalen hebben zij alleen toegang in één van de volgende gevallen :
a) de rechter in de politierechtbank heeft daartoe vooraf machtiging tot visitatie verleend;
b) de persoon die het werkelijke genot heeft van de plaats heeft er voorafgaandelijk en uitdrukkelijk om verzocht of heeft er toestemming voor gegeven. Dat verzoek of die toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan het inspectiebezoek worden gegeven.
[4 c) tot vaststelling op heterdaad van een inbreuk.]4
De sociaalrechtelijke inspecteurs kunnen de toegang tot bewoonde lokalen na 21 uur en voor 5 uur verkrijgen als zij die vraag bijzonder motiveren voor de politierechter.
De machtiging tot visitatie die wordt verleend door de rechter in de politierechtbank kan worden betwist voor de bevoegde rechter die een uitspraak doet ten gronde.
Met uitzondering van de gegevens waaruit de identiteit van de auteur van een eventuele klacht of aangifte kan worden afgeleid, en met behoud van de toepassing van artikel 8, § 2, wordt het geheel van de motiveringsstukken tot het bekomen van de machtiging tot visitatie toegevoegd aan het dossier voor de bevoegde rechter die een uitspraak doet ten gronde;]1
2° over te gaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor van personen over relevante feiten, alsook alle inlichtingen in te winnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van de regelgeving waarop zij toezicht uitoefenen, werkelijk wordt nageleefd en inzonderheid :
a) hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, de leden van de syndicale afvaardigingen, van de comités voor preventie en bescherming op het werk en van de ondernemingsraden, het opleidingscentrum, de werknemers, de gerechtigden, de gebruiker, de sociaal verzekerden, de cursisten, alsmede gelijk welke persoon wiens verhoor zij nodig achten, te ondervragen;
b) zonder afbreuk te doen aan de regelgeving [2 over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer]2 zoals onder meer voorzien door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [2 en de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]2, de identiteit op te nemen van de personen die zich bevinden in de opleidingscentra, in de werkplaatsen of op de andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn en waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat zij cursisten, werkgevers, aangestelden of lasthebbers, werknemers, gerechtigden, gebruikers of sociaal verzekerden zijn, alsmede van gelijk welke personen wiens verklaring zij nodig achten; daartoe van deze personen de voorlegging te vorderen van officiële identiteitsdocumenten of de identiteit van deze personen met andere middelen, met inbegrip van het maken van foto's, film- en video-opnamen, alsook met andere geluids- en audiovisuele middelen, trachten te achterhalen;
c) [1 alle informatiedragers op te sporen en te onderzoeken die zich bevinden op de werkplaatsen, in de opleidingscentra, of op andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen en die hetzij sociale gegevens, als vermeld in artikel 3, 7°, bevatten, hetzij om het even welke andere gegevens die ingevolge de regelgeving moeten worden opgemaakt, bijgehouden, of bewaard, zelfs als de sociaalrechtelijke inspecteurs niet zijn belast met het toezicht op die regelgeving. Daartoe kunnen zij eveneens de voormelde informatiedragers opsporen en onderzoeken die vanuit die plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. De Vlaamse Regering kan ter informatie een lijst opstellen met voormelde gegevens die ingevolge de regelgeving moeten worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, en die zich op informatiedragers bevinden op de werkplaatsen, in de opleidingscentra, of op andere plaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaalrechtelijke inspecteurs. Als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum afwezig is op het ogenblik van de controle, levert de sociaalrechtelijke inspecteur de nodige inspanningen om contact op te nemen met de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum om de voormelde informatiedragers te doen overleggen. Als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum niet bereikbaar is, kan de sociaalrechtelijke inspecteur overgaan tot het opsporen en onderzoeken;]1
[1 c/1) zich, zonder verplaatsing, alle informatiedragers die om het even welke andere gegevens bevatten, ter inzage doen voorleggen wanneer zij dit nodig achten om hun opdracht te volbrengen en overgaan tot het onderzoek ervan. De sociaalrechtelijke inspecteurs beschikken eveneens over die bevoegdheid voor de gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via een ander elektronisch apparaat;]1
d) [3 andere roerende goederen dan de informatiedragers, vermeld in punt b), c) en c/1), met inbegrip van roerende goederen die onroerend zijn door incorporatie of door bestemming, en ook onroerende goederen die aan hun toezicht onderworpen zijn of aan de hand waarvan inbreuken op de regelgeving waarop ze toezicht uitoefenen, kunnen worden vastgesteld, ongeacht of de overtreder al dan niet de eigenaar is van die goederen, tegen ontvangstbewijs gedurende een redelijke termijn mee te nemen of die te verzegelen als dat noodzakelijk is om het bewijs van die inbreuken te leveren, of als het gevaar bestaat dat met die goederen de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd;]3
e) zonder afbreuk te doen aan de regelgeving [2 over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer]2 zoals onder meer voorzien door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [2 en de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]2, vaststellingen te doen door middel van het maken van foto's, film- en video-opnamen, audiocassettes of andere geluids- en audiovisuele middelen;
3° te bevelen dat de documenten die moeten worden aangeplakt en/of overhandigd ingevolge de regelgeving waarop zij toezicht uitoefenen, daadwerkelijk aangeplakt en/of overhandigd worden en blijven, terstond of binnen een termijn die zij bepalen;
4° als zij zulks in het belang van de cursisten, werknemers of de gerechtigden nodig achten, elk document op te maken of te laten overhandigen ter vervanging van de documenten bedoeld in de reglementeringen waarop zij toezicht en controle uitoefenen.
Art. 7. Les inspecteurs des lois sociales peuvent, dans l'exercice de leur mission :
1° [1 pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les lieux de travail ou centres de formation qui sont soumis à leur contrôle ou dans les locaux dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer que travaillent ou suivent une formation des personnes soumises aux dispositions des législations dont ils exercent la surveillance et le contrôle.
Ils n'ont accès aux locaux habités que dans les cas suivants :
a) le juge au tribunal de police a au préalable accordé une autorisation de visite;
b) la personne qui a la jouissance effective de l'endroit, l'a demandé au préalable ou y a consenti. Cette demande ou consentement doivent être faits par écrit et préalablement à la visite d'inspection.
[4 c) pour constater une infraction en flagrant délit.]4
Les inspecteurs des lois sociales peuvent obtenir l'accès à des locaux habités après 21 heures et avant 5 heures moyennant une motivation spéciale de la demande au juge au tribunal de police.
L'autorisation de visite accordée par le juge au tribunal de police peut être contestée devant le juge compétent qui rend un jugement sur le fond.
A l'exception des données desquelles l'identité de l'auteur d'une plainte ou déclaration éventuelles peut être déduite et sans préjudice de l'application de l'article 8, § 2, l'ensemble des pièces de motivation en vue de l'obtention de l'autorisation de visite est joint au dossier destiné au juge compétent qui rend un jugement sur le fond;]1
2° procéder à tout examen, contrôle et audition de personnes sur des faits pertinents et recueillir toutes informations qu'ils estiment nécessaires pour s'assurer que les dispositions des législations dont ils exercent la surveillance, sont effectivement observées, et notamment :
a) interroger, soit seuls, soit ensemble, soit en présence de témoins, l'employeur, ses préposés ou mandataires, les membres des délégations syndicales, des comités de prévention et de protection sur le lieu de travail et des conseils d'entreprise, le centre de formation, les travailleurs, les bénéficiaires, l'usager, les assurés sociaux, les apprenants ainsi que toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire;
b) sans préjudice de la législation [2 relative à la protection de la vie privée]2 telle que prévue notamment à l'article 8 du Traité européen des Droits de l'Homme et [2 du règlement relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]2, prendre l'identité des personnes qui se trouvent dans les centres de formation, sur les lieux de travail ou les autres lieux qui sont soumis à leur contrôle et dont ils peuvent raisonnablement présumer qu'elles sont des apprenants, employeurs, préposés ou mandataires, travailleurs, bénéficiaires, usagers ou des assurés sociaux, ainsi que toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire; à cet effet, exiger de ces personnes la présentation de documents officiels d'identification ou rechercher l'identité de ces personnes par d'autres moyens, y compris en faisant des photos et des prises de vues par film et vidéo, ainsi que par d'autres moyens auditifs et audiovisuels;
c) [1 rechercher et examiner tous les supports d'information contenant soit des données sociales, visées à l'article 3, 7°, soit toutes autres données qui en vertu de la législation doivent être établies, mises à jour ou sauvegardées, se trouvant dans les lieux de travail, dans les centres de formation ou dans d'autres endroits soumis à leur surveillance, même si les inspecteurs de lois sociales ne sont pas chargés de la surveillance de cette législation. A cette fin ils peuvent aussi rechercher et examiner les supports d'information précités accessibles à partir de ces endroits par le biais d'un système informatique ou tout autre appareil électronique. Le Gouvernement flamand peut à titre d'information dresser une liste comprenant les données précitées qui doivent être établies, mises à jour ou sauvegardées en vertu de la législation et qui se trouvent sur des supports d'information dans les lieux de travail, dans les centres de formation ou dans d'autres endroits soumis à la surveillance des inspecteurs des lois sociales. Lorsque l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation sont absents au moment du contrôle, l'inspecteur des lois sociales fait les démarches nécessaires pour prendre contact avec l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation pour faire remettre les supports d'information précités. Lorsque l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation ne peuvent pas être joints, l'inspecteur des lois sociales peut procéder à la recherche et à l'examen;]1
[1 c/1) se faire produire, sans déplacement, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information contenant toutes autres données qu'ils estiment nécessaires à l'accomplissement de leur mission et à l'examen de celles-ci. Les inspecteurs des lois sociales disposent aussi de cette compétence pour les données accessibles par le biais d'un système informatique ou d'un autre appareil électronique;]1
d) [3 saisir contre récépissé et pour une durée raisonnable ou mettre sous scellés d'autres biens mobiliers que les supports d'information visés aux points b), c) et c/1), y compris les biens mobiliers qui sont immeubles par incorporation ou par destination, et de biens immobiliers, que le contrevenant en soit propriétaire ou pas, qui sont soumis à leur contrôle ou par lesquels des infractions aux législations dont ils exercent la surveillance peuvent être constatées, lorsque cela est nécessaire à l'établissement de la preuve de ces infractions, ou si ces biens risquent de faire persister les infractions ou incitent à de nouvelles infractions ;]3
e) sans préjudice de la législation [2 relative à la protection de la vie privée]2 telle que prévue notamment à l'article 8 du Traité européen des Droits de l'Homme et [2 du règlement relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]2, effectuer des constatations en faisant des photos et des prises de vues par film et vidéo, des cassettes audio ainsi que par d'autres moyens auditifs et audiovisuels;
3° ordonner que les documents dont l'apposition ou la remise est prévue par les législations dont ils exercent la surveillance, soient et restent effectivement apposés ou remis, dans un délai qu'ils déterminent ou sans délai;
4° s'ils l'estiment nécessaire dans l'intérêt des apprenants, travailleurs, ou bénéficiaires, établir ou faire délivrer tout document remplaçant ceux visés par les législations dont ils exercent la surveillance et le contrôle.
1° [1 pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les lieux de travail ou centres de formation qui sont soumis à leur contrôle ou dans les locaux dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer que travaillent ou suivent une formation des personnes soumises aux dispositions des législations dont ils exercent la surveillance et le contrôle.
Ils n'ont accès aux locaux habités que dans les cas suivants :
a) le juge au tribunal de police a au préalable accordé une autorisation de visite;
b) la personne qui a la jouissance effective de l'endroit, l'a demandé au préalable ou y a consenti. Cette demande ou consentement doivent être faits par écrit et préalablement à la visite d'inspection.
[4 c) pour constater une infraction en flagrant délit.]4
Les inspecteurs des lois sociales peuvent obtenir l'accès à des locaux habités après 21 heures et avant 5 heures moyennant une motivation spéciale de la demande au juge au tribunal de police.
L'autorisation de visite accordée par le juge au tribunal de police peut être contestée devant le juge compétent qui rend un jugement sur le fond.
A l'exception des données desquelles l'identité de l'auteur d'une plainte ou déclaration éventuelles peut être déduite et sans préjudice de l'application de l'article 8, § 2, l'ensemble des pièces de motivation en vue de l'obtention de l'autorisation de visite est joint au dossier destiné au juge compétent qui rend un jugement sur le fond;]1
2° procéder à tout examen, contrôle et audition de personnes sur des faits pertinents et recueillir toutes informations qu'ils estiment nécessaires pour s'assurer que les dispositions des législations dont ils exercent la surveillance, sont effectivement observées, et notamment :
a) interroger, soit seuls, soit ensemble, soit en présence de témoins, l'employeur, ses préposés ou mandataires, les membres des délégations syndicales, des comités de prévention et de protection sur le lieu de travail et des conseils d'entreprise, le centre de formation, les travailleurs, les bénéficiaires, l'usager, les assurés sociaux, les apprenants ainsi que toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire;
b) sans préjudice de la législation [2 relative à la protection de la vie privée]2 telle que prévue notamment à l'article 8 du Traité européen des Droits de l'Homme et [2 du règlement relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]2, prendre l'identité des personnes qui se trouvent dans les centres de formation, sur les lieux de travail ou les autres lieux qui sont soumis à leur contrôle et dont ils peuvent raisonnablement présumer qu'elles sont des apprenants, employeurs, préposés ou mandataires, travailleurs, bénéficiaires, usagers ou des assurés sociaux, ainsi que toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire; à cet effet, exiger de ces personnes la présentation de documents officiels d'identification ou rechercher l'identité de ces personnes par d'autres moyens, y compris en faisant des photos et des prises de vues par film et vidéo, ainsi que par d'autres moyens auditifs et audiovisuels;
c) [1 rechercher et examiner tous les supports d'information contenant soit des données sociales, visées à l'article 3, 7°, soit toutes autres données qui en vertu de la législation doivent être établies, mises à jour ou sauvegardées, se trouvant dans les lieux de travail, dans les centres de formation ou dans d'autres endroits soumis à leur surveillance, même si les inspecteurs de lois sociales ne sont pas chargés de la surveillance de cette législation. A cette fin ils peuvent aussi rechercher et examiner les supports d'information précités accessibles à partir de ces endroits par le biais d'un système informatique ou tout autre appareil électronique. Le Gouvernement flamand peut à titre d'information dresser une liste comprenant les données précitées qui doivent être établies, mises à jour ou sauvegardées en vertu de la législation et qui se trouvent sur des supports d'information dans les lieux de travail, dans les centres de formation ou dans d'autres endroits soumis à la surveillance des inspecteurs des lois sociales. Lorsque l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation sont absents au moment du contrôle, l'inspecteur des lois sociales fait les démarches nécessaires pour prendre contact avec l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation pour faire remettre les supports d'information précités. Lorsque l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation ne peuvent pas être joints, l'inspecteur des lois sociales peut procéder à la recherche et à l'examen;]1
[1 c/1) se faire produire, sans déplacement, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information contenant toutes autres données qu'ils estiment nécessaires à l'accomplissement de leur mission et à l'examen de celles-ci. Les inspecteurs des lois sociales disposent aussi de cette compétence pour les données accessibles par le biais d'un système informatique ou d'un autre appareil électronique;]1
d) [3 saisir contre récépissé et pour une durée raisonnable ou mettre sous scellés d'autres biens mobiliers que les supports d'information visés aux points b), c) et c/1), y compris les biens mobiliers qui sont immeubles par incorporation ou par destination, et de biens immobiliers, que le contrevenant en soit propriétaire ou pas, qui sont soumis à leur contrôle ou par lesquels des infractions aux législations dont ils exercent la surveillance peuvent être constatées, lorsque cela est nécessaire à l'établissement de la preuve de ces infractions, ou si ces biens risquent de faire persister les infractions ou incitent à de nouvelles infractions ;]3
e) sans préjudice de la législation [2 relative à la protection de la vie privée]2 telle que prévue notamment à l'article 8 du Traité européen des Droits de l'Homme et [2 du règlement relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]2, effectuer des constatations en faisant des photos et des prises de vues par film et vidéo, des cassettes audio ainsi que par d'autres moyens auditifs et audiovisuels;
3° ordonner que les documents dont l'apposition ou la remise est prévue par les législations dont ils exercent la surveillance, soient et restent effectivement apposés ou remis, dans un délai qu'ils déterminent ou sans délai;
4° s'ils l'estiment nécessaire dans l'intérêt des apprenants, travailleurs, ou bénéficiaires, établir ou faire délivrer tout document remplaçant ceux visés par les législations dont ils exercent la surveillance et le contrôle.
Art. 7/1. [1 De sociaalrechtelijke inspecteurs mogen kopieën nemen, in welke vorm ook, van de informatiedagers, vermeld in artikel 7, 2°, c) en c/1), of van de informatie die ze bevatten, of zich die kosteloos laten verstrekken door de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, de gebruiker of het opleidingscentrum.
Als het gaat om informatiedragers als vermeld in artikel 7, 2°, c), die toegankelijk zijn via een informaticasysteem, mogen de sociaalrechtelijke inspecteurs, door middel van het informaticasysteem of een ander elektronisch apparaat en met de bijstand van hetzij de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, de gebruiker of het opleidingscentrum, hetzij van om het even welke andere geschikte persoon die beschikt over de nodige of nuttige kennis over de werking van het informaticasysteem, kopieën maken in de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens.]1
Als het gaat om informatiedragers als vermeld in artikel 7, 2°, c), die toegankelijk zijn via een informaticasysteem, mogen de sociaalrechtelijke inspecteurs, door middel van het informaticasysteem of een ander elektronisch apparaat en met de bijstand van hetzij de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, de gebruiker of het opleidingscentrum, hetzij van om het even welke andere geschikte persoon die beschikt over de nodige of nuttige kennis over de werking van het informaticasysteem, kopieën maken in de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens.]1
Art. 7/1. [1 Les inspecteurs des lois sociales peuvent prendre des copies, dans quelle forme que ce soit, des supports d'information, visés à l'article 7, 2°, c) et c/1er) ou de l'information qu'ils contiennent ou se les faire procurer gratuitement par l'employeur, ses préposés ou mandataires, l'usager ou le centre de formation.
Lorsqu'il s'agit de supports d'information visés à l'article 7, 2°, c), qui sont accessibles par le biais d'un système informatique, les inspecteurs des lois sociales peuvent prendre des copies de l'ensemble ou d'une partie des données précitées sous la forme souhaitée au moyen du système informatique ou d'un autre appareil électronique et assistés de soit l'employeur, ses préposés ou mandataires, de l'usager ou du centre de formation, soit de toute autre personne adéquate disposant de la connaissance nécessaire ou utile relative au fonctionnement du système informatique.]1
Lorsqu'il s'agit de supports d'information visés à l'article 7, 2°, c), qui sont accessibles par le biais d'un système informatique, les inspecteurs des lois sociales peuvent prendre des copies de l'ensemble ou d'une partie des données précitées sous la forme souhaitée au moyen du système informatique ou d'un autre appareil électronique et assistés de soit l'employeur, ses préposés ou mandataires, de l'usager ou du centre de formation, soit de toute autre personne adéquate disposant de la connaissance nécessaire ou utile relative au fonctionnement du système informatique.]1
Art. 7/2. [1 De sociaalrechtelijke inspecteurs kunnen de informatiedragers, vermeld in artikel 7, 2°, c), in beslag nemen of verzegelen, ongeacht of de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, of het opleidingscentrum al dan niet eigenaar zijn van die informatiedragers.
De sociaalrechtelijke inspecteurs beschikken over de bevoegdheden vermeld in het eerste lid, als dat noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de overtredingen, of als het gevaar bestaat dat met die informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Als de inbeslagname vermeld in het eerste lid, materieel onmogelijk is, worden de gegevens, evenals de gegevens die noodzakelijk zijn om de gegevens te kunnen verstaan, gekopieerd naar dragers, die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen kan gebruikgemaakt worden van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.]1
De sociaalrechtelijke inspecteurs beschikken over de bevoegdheden vermeld in het eerste lid, als dat noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de overtredingen, of als het gevaar bestaat dat met die informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Als de inbeslagname vermeld in het eerste lid, materieel onmogelijk is, worden de gegevens, evenals de gegevens die noodzakelijk zijn om de gegevens te kunnen verstaan, gekopieerd naar dragers, die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen kan gebruikgemaakt worden van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.]1
Art. 7/2. [1 Les inspecteurs des lois sociales peuvent saisir ou mettre sous scellés les supports d'information visés à l'article 7, 2°, c), que l'employeur, ses préposés ou mandataires ou le centre de formation soient les propriétaires ou non de ces supports d'information.
Les inspecteurs des lois sociales disposent des compétences visées au premier alinéa, si celles-ci s'avèrent nécessaires pour la recherche, l'enquête ou la fourniture de la preuve des infractions ou si les supports d'information risquent de faire persister les infractions ou incitent à de nouvelles infractions.
Lorsque la saisie visée à l'alinéa premier, est impraticable du point de vue matériel, les données ainsi que les données nécessaires à interpréter les données, sont copiées vers des supports appartenant à l'autorité. Dans les cas d'urgence ou pour des raisons techniques, des supports mis à la disposition de personnes autorisées à utiliser le système informatique, peuvent être utilisés.]1
Les inspecteurs des lois sociales disposent des compétences visées au premier alinéa, si celles-ci s'avèrent nécessaires pour la recherche, l'enquête ou la fourniture de la preuve des infractions ou si les supports d'information risquent de faire persister les infractions ou incitent à de nouvelles infractions.
Lorsque la saisie visée à l'alinéa premier, est impraticable du point de vue matériel, les données ainsi que les données nécessaires à interpréter les données, sont copiées vers des supports appartenant à l'autorité. Dans les cas d'urgence ou pour des raisons techniques, des supports mis à la disposition de personnes autorisées à utiliser le système informatique, peuvent être utilisés.]1
Art. 7/3. [1 De hierna vermelde maatregelen moeten het voorwerp uitmaken van een geschreven document van vaststelling dat tegen afgifte van een ontvangstbewijs moet zijn overhandigd :
1° de opsporing en het onderzoek, vermeld in artikel 7, 2°, c), waarmee de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum niet vrijwillig hebben ingestemd;
2° de inbeslagnemingen of verzegelingen die verricht zijn op basis van artikel 7/2.
Het document van vaststelling moet minstens de volgende gegevens vermelden :
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de identiteit van de sociaalrechtelijke inspecteurs en in welke hoedanigheid ze optreden;
3° de genomen maatregelen;
4° de tekstweergave van artikel 24;
5° de rechtsmiddelen tegen de maatregelen en het bevoegde gerechtelijke arrondissement;
6° de overheid die in geval van hoger beroep moet worden gedagvaard.]1
1° de opsporing en het onderzoek, vermeld in artikel 7, 2°, c), waarmee de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum niet vrijwillig hebben ingestemd;
2° de inbeslagnemingen of verzegelingen die verricht zijn op basis van artikel 7/2.
Het document van vaststelling moet minstens de volgende gegevens vermelden :
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de identiteit van de sociaalrechtelijke inspecteurs en in welke hoedanigheid ze optreden;
3° de genomen maatregelen;
4° de tekstweergave van artikel 24;
5° de rechtsmiddelen tegen de maatregelen en het bevoegde gerechtelijke arrondissement;
6° de overheid die in geval van hoger beroep moet worden gedagvaard.]1
Art. 7/3. [1 Les mesures visées ci-après doivent faire l'objet d'un document écrit de constat, à remettre contre récépissé :
1° la recherche et l'examen visés à l'article 7, 2°, c), auxquels l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation n'ont pas consenti de plein gré;
2° les saisies ou mises sous scellés effectuées sur la base de l'article 7/2.
Le document de constat doit au moins contenir les données suivantes :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures ont été prises;
2° l'identité des inspecteurs des lois sociales et la qualité dans laquelle ils agissent;
3° les mesures prises;
4° la reprise du texte de l'article 24;
5° les moyens de droit contre les mesures et l'arrondissement judiciaire compétent;
6° l'autorité qui doit être assignée dans le cas d'appel.]1
1° la recherche et l'examen visés à l'article 7, 2°, c), auxquels l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation n'ont pas consenti de plein gré;
2° les saisies ou mises sous scellés effectuées sur la base de l'article 7/2.
Le document de constat doit au moins contenir les données suivantes :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures ont été prises;
2° l'identité des inspecteurs des lois sociales et la qualité dans laquelle ils agissent;
3° les mesures prises;
4° la reprise du texte de l'article 24;
5° les moyens de droit contre les mesures et l'arrondissement judiciaire compétent;
6° l'autorité qui doit être assignée dans le cas d'appel.]1
Art. 7/4. [1 Als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum niet aanwezig waren bij de opsporing en het onderzoek, vermeld in artikel 7, 2°, c), moet de sociaalrechtelijk inspecteur de werkgever, de gebruiker of het opleidingscentrum schriftelijk informeren over het feit dat een opsporing en onderzoek hebben plaatsgevonden en over het feit dat informatiedragers werden gekopieerd. Dat document bevat de bepalingen van artikel 7/3, tweede lid.
Als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum niet aanwezig waren bij de inbeslagnemingen of verzegelingen die verricht zijn krachtens artikel 7/2, moet de sociaalrechtelijke inspecteur de werkgever, de gebruiker of het opleidingscentrum schriftelijk informeren over het feit dat die inbeslagneming of verzegeling heeft plaatsgevonden en over de informatiedragers die in beslag werden genomen, verzegeld, of gekopieerd als de inbeslagname materieel onmogelijk is. Dat document bevat de gegevens, vermeld in artikel 7/3, tweede lid.]1
Als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, de gebruiker of het opleidingscentrum niet aanwezig waren bij de inbeslagnemingen of verzegelingen die verricht zijn krachtens artikel 7/2, moet de sociaalrechtelijke inspecteur de werkgever, de gebruiker of het opleidingscentrum schriftelijk informeren over het feit dat die inbeslagneming of verzegeling heeft plaatsgevonden en over de informatiedragers die in beslag werden genomen, verzegeld, of gekopieerd als de inbeslagname materieel onmogelijk is. Dat document bevat de gegevens, vermeld in artikel 7/3, tweede lid.]1
Art. 7/4. [1 Lorsque l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation n'étaient pas présents lors de la recherche et de l'examen, visés à l'article 7, 2°, c), l'inspecteur des lois sociales est tenu à informer l'employeur, l'usager ou le centre de formation par écrit du fait qu'une recherche et un examen ont eu lieu et du fait que des supports d'information ont été copiés. Ce document contient les dispositions de l'article 7/3, alinéa deux.
Lorsque l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation n'étaient pas présents lors des saisies ou mises sous scellés effectuées en vertu de l'article 7/2, l'inspecteur des lois sociales doit informer l'employeur, l'usager ou le centre de formation par écrit du fait que cette saisie ou mise sous scellés ont eu lieu et des supports d'information qui ont été saisis, mis sous scellés ou copiés lorsque la saisie est impraticable du point de vue matériel. Ce document contient les données visées à l'article 7/3, alinéa deux.]1
Lorsque l'employeur, son préposé ou mandataire, l'usager ou le centre de formation n'étaient pas présents lors des saisies ou mises sous scellés effectuées en vertu de l'article 7/2, l'inspecteur des lois sociales doit informer l'employeur, l'usager ou le centre de formation par écrit du fait que cette saisie ou mise sous scellés ont eu lieu et des supports d'information qui ont été saisis, mis sous scellés ou copiés lorsque la saisie est impraticable du point de vue matériel. Ce document contient les données visées à l'article 7/3, alinéa deux.]1
Art. 7/5. [1 Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten geschaad worden door de inbeslagnemingen die verricht zijn ter uitvoering van het artikel 7/2, kan een beroep instellen bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank.
Dat is eveneens het geval voor de maatregelen die genomen zijn ter uitvoering van artikel 7/3 in de gevallen, vermeld in artikel 7/3, waarin de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, of het opleidingscentrum, hetzij daarbij niet aanwezig waren, hetzij daarmee niet vrijwillig hebben ingestemd.
De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding, overeenkomstig artikel 1035 tot en met 1038, 1040 en 1041, van het Gerechtelijk Wetboek.
De voorzitter van de arbeidsrechtbank doet uitspraak over het beroep na het openbaar ministerie te hebben gehoord.
De voorzitter van de arbeidsrechtbank controleert de wettelijkheid van de inbeslagnemingen en de maatregelen, alsook de opportuniteit van de handhaving ervan. Hij kan de volledige of gedeeltelijke opheffing van de maatregelen bevelen, eventueel onder bepaalde voorwaarden.
Het vonnis dat uitgesproken is door de voorzitter van de arbeidsrechtbank is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande ieder verhaal en zonder borgstelling, als de rechter die niet heeft bevolen.]1
Dat is eveneens het geval voor de maatregelen die genomen zijn ter uitvoering van artikel 7/3 in de gevallen, vermeld in artikel 7/3, waarin de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, of het opleidingscentrum, hetzij daarbij niet aanwezig waren, hetzij daarmee niet vrijwillig hebben ingestemd.
De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding, overeenkomstig artikel 1035 tot en met 1038, 1040 en 1041, van het Gerechtelijk Wetboek.
De voorzitter van de arbeidsrechtbank doet uitspraak over het beroep na het openbaar ministerie te hebben gehoord.
De voorzitter van de arbeidsrechtbank controleert de wettelijkheid van de inbeslagnemingen en de maatregelen, alsook de opportuniteit van de handhaving ervan. Hij kan de volledige of gedeeltelijke opheffing van de maatregelen bevelen, eventueel onder bepaalde voorwaarden.
Het vonnis dat uitgesproken is door de voorzitter van de arbeidsrechtbank is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande ieder verhaal en zonder borgstelling, als de rechter die niet heeft bevolen.]1
Art. 7/5. [1 Toute personne qui estime que ses droits sont lésés par les saisies effectuées en exécution de l'article 7/2, peut introduire un recours auprès du président du tribunal du travail.
C'est aussi le cas pour les mesures prises en exécution de l'article 7/3 dans les cas visés à l'article 7/3, dans lesquels l'employeur, ses préposés ou mandataires ou le centre de formation étaient absents ou n'y ont pas consenti de leur plein gré.
Une demande peut être introduite et traitée comme en référé, conformément aux articles 1035 à 1038 inclus, 1040 et 1041 du Code judiciaire.
Le président du tribunal du travail statue sur le recours après l'audition du ministère public.
Le président du tribunal du travail contrôle la légitimité des saisies et des mesures, de même que l'opportunité de leur maintien. Il peut ordonner la suspension totale ou partielle des mesures, éventuellement aux conditions spécifiques.
Le jugement rendu par le président du tribunal du travail est exécutoire par provision, nonobstant tout recours et sans caution, à moins que le juge n'en ait décidé autrement.]1
C'est aussi le cas pour les mesures prises en exécution de l'article 7/3 dans les cas visés à l'article 7/3, dans lesquels l'employeur, ses préposés ou mandataires ou le centre de formation étaient absents ou n'y ont pas consenti de leur plein gré.
Une demande peut être introduite et traitée comme en référé, conformément aux articles 1035 à 1038 inclus, 1040 et 1041 du Code judiciaire.
Le président du tribunal du travail statue sur le recours après l'audition du ministère public.
Le président du tribunal du travail contrôle la légitimité des saisies et des mesures, de même que l'opportunité de leur maintien. Il peut ordonner la suspension totale ou partielle des mesures, éventuellement aux conditions spécifiques.
Le jugement rendu par le président du tribunal du travail est exécutoire par provision, nonobstant tout recours et sans caution, à moins que le juge n'en ait décidé autrement.]1
Art. 7/6. [1 Als dat nodig is voor het toezicht, kunnen de sociaalrechtelijke inspecteurs een vertaling in het Nederlands eisen van de gegevens, vermeld in artikel 7, 2°, c) en c/1).]1
Art. 7/6. [1 Si c'est nécessaires pour le contrôle, les inspecteurs des lois sociales peuvent exiger une traduction en néerlandais des données visées à l'article 7, 2°, c) et c/1).]1
Art. 8. § 1. Zonder afbreuk te doen aan de regelgeving [1 over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer]1 zoals onder meer voorzien door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [1 en de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]1 nemen de sociaalrechtelijke inspecteurs de nodige maatregelen om het vertrouwelijk karakter te respecteren van de gegevens waarvan ze kennis hebben gekregen in de uitoefening van hun opdracht. Zij kunnen deze gegevens uitsluitend aanwenden voor de uitoefening van hun toezichts- en controleopdrachten.
[1 [2 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de [3 algemene verordening gegevensbescherming]3 kunnen de sociaalrechtelijke inspecteurs[3 en de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit decreet,]3 beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van [3 een onderzoek of een procedure om een administratieve geldboete aan een welbepaalde natuurlijke persoon op te leggen]3, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het derde tot en met het elfde lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, geldt [3 alleen voor de verwerkingen die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van een onderzoek of procedure, als vermeld in het tweede lid, tot doel hebben. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt]3 alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, [3 een onderzoek, de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, of een procedure voor de eventuele oplegging van een administratieve geldboete in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de sociaalrechtelijke inspecteurs en de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit decreet, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek of de procedure voor de eventuele oplegging van een administratieve geldboete]3 noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van [3 het onderzoek dat, de controle die, of de procedure voor de eventuele oplegging van een administratieve geldboete die]3 de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het tweede lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het tweede lid, tijdens de periode, vermeld in het derde lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het tweede lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de sociaalrechtelijke inspecteurs [3 en de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid,]3 zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het negende lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.]2]1
[2 De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het tweede lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.]2
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke en schriftelijke machtiging van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende een inbreuk op de regelgeving waarop zij toezicht en controle uitoefenen, mogen de sociaalrechtelijke inspecteurs in geen enkel geval de identiteit van de klager bekend maken.
Het is hen eveneens ten strengste verboden om aan het opleidingscentrum, de gebruiker, de werkgever of aan zijn vertegenwoordiger, aangestelde of lasthebber te onthullen dat ingevolge een klacht of een aangifte een onderzoek werd ingesteld.
[1 [2 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de [3 algemene verordening gegevensbescherming]3 kunnen de sociaalrechtelijke inspecteurs[3 en de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit decreet,]3 beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van [3 een onderzoek of een procedure om een administratieve geldboete aan een welbepaalde natuurlijke persoon op te leggen]3, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het derde tot en met het elfde lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, geldt [3 alleen voor de verwerkingen die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van een onderzoek of procedure, als vermeld in het tweede lid, tot doel hebben. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt]3 alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, [3 een onderzoek, de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, of een procedure voor de eventuele oplegging van een administratieve geldboete in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de sociaalrechtelijke inspecteurs en de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit decreet, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek of de procedure voor de eventuele oplegging van een administratieve geldboete]3 noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van [3 het onderzoek dat, de controle die, of de procedure voor de eventuele oplegging van een administratieve geldboete die]3 de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het tweede lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het tweede lid, tijdens de periode, vermeld in het derde lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het tweede lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de sociaalrechtelijke inspecteurs [3 en de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid,]3 zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het negende lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.]2]1
[2 De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het tweede lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.]2
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke en schriftelijke machtiging van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende een inbreuk op de regelgeving waarop zij toezicht en controle uitoefenen, mogen de sociaalrechtelijke inspecteurs in geen enkel geval de identiteit van de klager bekend maken.
Het is hen eveneens ten strengste verboden om aan het opleidingscentrum, de gebruiker, de werkgever of aan zijn vertegenwoordiger, aangestelde of lasthebber te onthullen dat ingevolge een klacht of een aangifte een onderzoek werd ingesteld.
Art. 8. § 1er. Sans préjudice de la législation [1 ]1 telle que prévue notamment à l'article 8 du Traité européen des Droits de l'Homme et [1 et la réglementation en matière de protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]1, les inspecteurs des lois sociales doivent prendre les mesures nécessaires afin de respecter le caractère confidentiel des données dont ils ont obtenu connaissance dans l'exercice de leur mission. Ils utilisent ces données aux seules fins requises pour l'exercice de leur mission de surveillance et de contrôle.
[1 [2 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du [3 règlement général sur la protection des données ]3, les inspecteurs des lois sociales [3 et les fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, du présent décret ]3 peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et droits énoncés aux articles 12 à 22 dudit règlement au traitement des données à caractère personnel dans le cadre[3 d'une enquête ou d'une procédure visant à infliger une amende administrative à une personne physique déterminée ]3, si les conditions énoncées aux alinéas 3 à 11 sont remplies.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 2 ne s'applique [3 qu'aux traitements dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi d'une enquête ou d'une procédure telle que visée à l'alinéa 2. Cette possibilité de dérogation ne s'applique]3 que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, [3 d'une enquête, des travaux préparatoires y afférents, ou d'une procédure pour l'imposition éventuelle d'une amende administrative dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des inspecteurs des lois sociales et des fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, du présent décret, à condition qu'il soit nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête ou de la procédure pour l'imposition éventuelle d'une amende administrative ]3 que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 2 ne seront pas conservées plus longtemps que les finalités pour lesquelles elles sont traitées le requièrent.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 2 ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet [3 de l'enquête, du contrôle ou de la procédure pour l'imposition éventuelle d'une amende administrative ]3 justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa 2.
Si, dans le cas visé à l'alinéa 2, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée à l'alinéa 3, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa 2, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des inspecteurs des lois sociales[3 et des fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, ]3 l'application de l'alinéa 9. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.]2]1
[2 Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition de la commission de contrôle flamande précitée.
Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa 2 a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]2
§ 2. Sauf autorisation expresse de l'auteur d'une plainte ou d'une dénonciation relative à une infraction aux dispositions des législations dont ils exercent la surveillance et le contrôle, les inspecteurs des lois sociales ne peuvent révéler en aucun cas le nom de l'auteur de cette plainte ou de cette dénonciation.
Il leur est de même strictement interdit de révéler au centre de formation, à l'usager, à l'employeur ou à son représentant, préposé ou mandataire qu'il a été procédé à une enquête à la suite d'une plainte ou d'une dénonciation.
[1 [2 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du [3 règlement général sur la protection des données ]3, les inspecteurs des lois sociales [3 et les fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, du présent décret ]3 peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et droits énoncés aux articles 12 à 22 dudit règlement au traitement des données à caractère personnel dans le cadre[3 d'une enquête ou d'une procédure visant à infliger une amende administrative à une personne physique déterminée ]3, si les conditions énoncées aux alinéas 3 à 11 sont remplies.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 2 ne s'applique [3 qu'aux traitements dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi d'une enquête ou d'une procédure telle que visée à l'alinéa 2. Cette possibilité de dérogation ne s'applique]3 que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, [3 d'une enquête, des travaux préparatoires y afférents, ou d'une procédure pour l'imposition éventuelle d'une amende administrative dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des inspecteurs des lois sociales et des fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, du présent décret, à condition qu'il soit nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête ou de la procédure pour l'imposition éventuelle d'une amende administrative ]3 que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 2 ne seront pas conservées plus longtemps que les finalités pour lesquelles elles sont traitées le requièrent.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 2 ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet [3 de l'enquête, du contrôle ou de la procédure pour l'imposition éventuelle d'une amende administrative ]3 justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa 2.
Si, dans le cas visé à l'alinéa 2, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée à l'alinéa 3, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa 2, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des inspecteurs des lois sociales[3 et des fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, ]3 l'application de l'alinéa 9. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.]2]1
[2 Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition de la commission de contrôle flamande précitée.
Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa 2 a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]2
§ 2. Sauf autorisation expresse de l'auteur d'une plainte ou d'une dénonciation relative à une infraction aux dispositions des législations dont ils exercent la surveillance et le contrôle, les inspecteurs des lois sociales ne peuvent révéler en aucun cas le nom de l'auteur de cette plainte ou de cette dénonciation.
Il leur est de même strictement interdit de révéler au centre de formation, à l'usager, à l'employeur ou à son représentant, préposé ou mandataire qu'il a été procédé à une enquête à la suite d'une plainte ou d'une dénonciation.
Art. 8/1. [1 In dit artikel wordt verstaan onder datawarehouse: een datasysteem met een grote hoeveelheid digitale gegevens die zich lenen voor analyse.
Onverminderd de verwerking van persoonsgegevens met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, vermeld in artikel 89 van de algemene verordening gegevensbescherming, kunnen de Vlaamse Sociale Inspectie en de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit decreet, elk voor zich of samen, met het oog op de preventie, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de regelgeving waarvoor ze bevoegd zijn, in voorkomend geval na beraadslaging van de bevoegde gegevensbeschermingsautoriteit, alle gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de regelgeving waarvoor ze bevoegd zijn, verzamelen, verwerken en samenvoegen in een datawarehouse waarmee ze in staat worden gesteld om processen van datamining en datamatching, met inbegrip van profilering als vermeld in artikel 4, 4), van de algemene verordening gegevensbescherming, uit te voeren.
De Vlaamse Sociale Inspectie kan de processen van datamining en datamatching uitsluitend uitvoeren om profielen met een verhoogd risico op te sporen.
In het tweede lid wordt verstaan onder:
1А datamining: het gericht zoeken naar verbanden in gegevensverzamelingen met als doel profielen op te stellen voor meer diepgaand onderzoek;
2А datamatching: het vergelijken van twee sets verzamelde data met elkaar.
De verwerkingsverantwoordelijken voor de gegevensverwerking, vermeld in het tweede lid, zijn de Vlaamse Sociale Inspectie en de Cel Administratieve Geldboeten, waartoe de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid behoren, die, elk voor hun respectieve bevoegdheden, voor de verwerking in het datawarehouse in kwestie instaan.
Onverminderd artikel III.87 en volgende van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 en, in voorkomend geval, de Archiefwet van 24 juni 1955 en het Archiefdecreet van 9 juli 2010, worden de persoonsgegevens die ondergebracht worden en voortkomen uit de verwerkingen in het datawarehouse, niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met inbegrip van de vereisten voor de toepassing van herhaling en de herroeping van een toegekend uitstel met een maximale bewaartermijn die drie maanden na de verjaring van alle vorderingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke behoren, niet mag overschrijden.
De verwerkingsverantwoordelijke stelt een lijst op van de categorieыn van personen die de persoonsgegevens in het datawarehouse kunnen raadplegen, met een beschrijving van hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de beoogde gegevens. De voormelde lijst wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde gegevensbeschermingsautoriteit.
De verwerkingsverantwoordelijke waakt erover dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling, ertoe verplicht zijn het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht te nemen.]1
Onverminderd de verwerking van persoonsgegevens met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, vermeld in artikel 89 van de algemene verordening gegevensbescherming, kunnen de Vlaamse Sociale Inspectie en de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit decreet, elk voor zich of samen, met het oog op de preventie, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de regelgeving waarvoor ze bevoegd zijn, in voorkomend geval na beraadslaging van de bevoegde gegevensbeschermingsautoriteit, alle gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de regelgeving waarvoor ze bevoegd zijn, verzamelen, verwerken en samenvoegen in een datawarehouse waarmee ze in staat worden gesteld om processen van datamining en datamatching, met inbegrip van profilering als vermeld in artikel 4, 4), van de algemene verordening gegevensbescherming, uit te voeren.
De Vlaamse Sociale Inspectie kan de processen van datamining en datamatching uitsluitend uitvoeren om profielen met een verhoogd risico op te sporen.
In het tweede lid wordt verstaan onder:
1А datamining: het gericht zoeken naar verbanden in gegevensverzamelingen met als doel profielen op te stellen voor meer diepgaand onderzoek;
2А datamatching: het vergelijken van twee sets verzamelde data met elkaar.
De verwerkingsverantwoordelijken voor de gegevensverwerking, vermeld in het tweede lid, zijn de Vlaamse Sociale Inspectie en de Cel Administratieve Geldboeten, waartoe de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid behoren, die, elk voor hun respectieve bevoegdheden, voor de verwerking in het datawarehouse in kwestie instaan.
Onverminderd artikel III.87 en volgende van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 en, in voorkomend geval, de Archiefwet van 24 juni 1955 en het Archiefdecreet van 9 juli 2010, worden de persoonsgegevens die ondergebracht worden en voortkomen uit de verwerkingen in het datawarehouse, niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met inbegrip van de vereisten voor de toepassing van herhaling en de herroeping van een toegekend uitstel met een maximale bewaartermijn die drie maanden na de verjaring van alle vorderingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke behoren, niet mag overschrijden.
De verwerkingsverantwoordelijke stelt een lijst op van de categorieыn van personen die de persoonsgegevens in het datawarehouse kunnen raadplegen, met een beschrijving van hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de beoogde gegevens. De voormelde lijst wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde gegevensbeschermingsautoriteit.
De verwerkingsverantwoordelijke waakt erover dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling, ertoe verplicht zijn het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht te nemen.]1
Art. 8/1. [1 Dans le présent article, on entend par datawarehouse : un système de données contenant une grande quantité de données numériques qui se prêtent à l'analyse.
Sans préjudice du traitement de données à caractère personnel à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques, visé à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, l'Inspection sociale flamande et les fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, du présent décret peuvent, séparément ou conjointement, en vue de la prévention, de la constatation, de la poursuite et de la répression des infractions à la réglementation relevant de leur compétence, le cas échéant après délibération de l'autorité de protection des données compétente, collecter, traiter et agréger toutes les données nécessaires à l'application de la réglementation relevant de leur compétence dans un datawarehouse leur permettant de procéder à des opérations de datamining et de datamatching, en ce compris le profilage tel que visé à l'article 4, 4), du règlement général sur la protection des données.
L'Inspection sociale flamande ne peut procéder aux opérations de datamining et de datamatching que pour détecter des profils présentant un risque accru.
A l'alinéa 2, on entend par :
1° datamining : la recherche ciblée de liens dans des collectes de données dans le but d'établir des profils pour des recherches plus approfondies ;
2° datamatching : la comparaison l'un avec l'autre de deux ensembles de données collectées.
Les responsables du traitement de données visé l'alinéa 2 sont l'Inspection sociale flamande et la Cellule Amendes administratives à laquelle appartiennent les fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, qui se chargent, chacun pour leurs compétences respectives, du traitement dans le datawarehouse en question.
Sans préjudice des articles III.87 et suivants du décret de gouvernance du 7 décembre 2018 et, le cas échéant, de la loi relative aux archives du 24 juin 1955 et du décret sur les archives du 9 juillet 2010, les données à caractère personnel qui sont hébergées et qui résultent des traitements dans le datawarehouse ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, y compris les exigences en ce qui concerne l'application de la récidive et la révocation d'un sursis accordé, compte tenu d'une durée de conservation maximale qui ne peut pas excéder trois mois après la prescription de toutes les actions relevant de la compétence du responsable du traitement.
Le responsable du traitement dresse une liste des catégories de personnes qui peuvent consulter les données à caractère personnel dans le datawarehouse, avec une description de leur qualité par rapport au traitement des données visées. La liste précitée est tenue à la disposition de l'autorité de protection des données compétente.
Le responsable du traitement veille à ce que les personnes désignées soient tenues, par une obligation légale ou statutaire ou par une disposition contractuelle équivalente, de respecter le caractère confidentiel des données concernées.]1
Sans préjudice du traitement de données à caractère personnel à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques, visé à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, l'Inspection sociale flamande et les fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, du présent décret peuvent, séparément ou conjointement, en vue de la prévention, de la constatation, de la poursuite et de la répression des infractions à la réglementation relevant de leur compétence, le cas échéant après délibération de l'autorité de protection des données compétente, collecter, traiter et agréger toutes les données nécessaires à l'application de la réglementation relevant de leur compétence dans un datawarehouse leur permettant de procéder à des opérations de datamining et de datamatching, en ce compris le profilage tel que visé à l'article 4, 4), du règlement général sur la protection des données.
L'Inspection sociale flamande ne peut procéder aux opérations de datamining et de datamatching que pour détecter des profils présentant un risque accru.
A l'alinéa 2, on entend par :
1° datamining : la recherche ciblée de liens dans des collectes de données dans le but d'établir des profils pour des recherches plus approfondies ;
2° datamatching : la comparaison l'un avec l'autre de deux ensembles de données collectées.
Les responsables du traitement de données visé l'alinéa 2 sont l'Inspection sociale flamande et la Cellule Amendes administratives à laquelle appartiennent les fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, qui se chargent, chacun pour leurs compétences respectives, du traitement dans le datawarehouse en question.
Sans préjudice des articles III.87 et suivants du décret de gouvernance du 7 décembre 2018 et, le cas échéant, de la loi relative aux archives du 24 juin 1955 et du décret sur les archives du 9 juillet 2010, les données à caractère personnel qui sont hébergées et qui résultent des traitements dans le datawarehouse ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, y compris les exigences en ce qui concerne l'application de la récidive et la révocation d'un sursis accordé, compte tenu d'une durée de conservation maximale qui ne peut pas excéder trois mois après la prescription de toutes les actions relevant de la compétence du responsable du traitement.
Le responsable du traitement dresse une liste des catégories de personnes qui peuvent consulter les données à caractère personnel dans le datawarehouse, avec une description de leur qualité par rapport au traitement des données visées. La liste précitée est tenue à la disposition de l'autorité de protection des données compétente.
Le responsable du traitement veille à ce que les personnes désignées soient tenues, par une obligation légale ou statutaire ou par une disposition contractuelle équivalente, de respecter le caractère confidentiel des données concernées.]1
Art. 8/2. [1 Onverminderd de verwerking van persoonsgegevens met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, vermeld in artikel 89 van de algemene verordening gegevensbescherming, kunnen de Vlaamse Sociale Inspectie en de aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit decreet, met inachtneming van dit decreet, ieder voor de verwerkingen van persoonsgegevens waarvoor ze de verwerkingsverantwoordelijke zijn, alle gegevens die nodig zijn om de regelgeving toe te passen waarvoor ze bevoegd zijn, verder verwerken wanneer en voor zover de initiële verwerking en de verdere verwerking worden verricht met het oog op de preventie, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de regelgeving die tot hun respectieve bevoegdheden behoren.
Onverminderd artikel III.87 en volgende van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 en, in voorkomend geval, de Archiefwet van 24 juni 1955 en het Archiefdecreet van 9 juli 2010, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de verdere verwerkingen, vermeld in het eerste lid, niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met inbegrip van de vereisten voor de toepassing van herhaling en de herroeping van een toegekend uitstel, met een maximale bewaartermijn die drie maanden na de verjaring van alle vorderingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke behoren, niet mag overschrijden.]1
Onverminderd artikel III.87 en volgende van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 en, in voorkomend geval, de Archiefwet van 24 juni 1955 en het Archiefdecreet van 9 juli 2010, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de verdere verwerkingen, vermeld in het eerste lid, niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met inbegrip van de vereisten voor de toepassing van herhaling en de herroeping van een toegekend uitstel, met een maximale bewaartermijn die drie maanden na de verjaring van alle vorderingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke behoren, niet mag overschrijden.]1
Art. 8/2. [1 Sans préjudice du traitement de données à caractère personnel à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques, visé à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, l'Inspection sociale flamande et les fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, du présent décret peuvent, dans le respect du présent décret, chacun en ce qui concerne les traitements de données à caractère personnel dont il est le responsable du traitement, traiter ultérieurement toutes les données nécessaires à l'application de la réglementation relevant de leur compétence, lorsque et dans la mesure où le traitement initial et le traitement ultérieur sont effectués en vue de la prévention, de la constatation, de la poursuite et de la répression des infractions à la réglementation relevant de leurs compétences respectives.
Sans préjudice des articles III.87 et suivants du décret de gouvernance du 7 décembre 2018 et, le cas échéant, de la loi relative aux archives du 24 juin 1955 et du décret sur les archives du 9 juillet 2010, les données à caractère personnel qui résultent des traitements ultérieurs visés à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, y compris les exigences en ce qui concerne l'application de la récidive et la révocation d'un sursis accordé, compte tenu d'une durée de conservation maximale qui ne peut pas excéder trois mois après la prescription de toutes les actions relevant de la compétence du responsable du traitement.]1
Sans préjudice des articles III.87 et suivants du décret de gouvernance du 7 décembre 2018 et, le cas échéant, de la loi relative aux archives du 24 juin 1955 et du décret sur les archives du 9 juillet 2010, les données à caractère personnel qui résultent des traitements ultérieurs visés à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, y compris les exigences en ce qui concerne l'application de la récidive et la révocation d'un sursis accordé, compte tenu d'une durée de conservation maximale qui ne peut pas excéder trois mois après la prescription de toutes les actions relevant de la compétence du responsable du traitement.]1
Art. 8/3. [1 De volgende categorieën van persoonsgegevens worden in het kader van de toepassing van artikel 8/1 en 8/2 verwerkt:
1А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de leeftijd, de nationaliteit en de woonplaats van de werknemer;
2А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de leeftijd en de woonplaats van de gebruiker van dienstencheques;
3А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, van de bestuurders, zaakvoerders, personen die de onderneming vertegenwoordigen en andere contactpersonen van de onderneming;
4А de identificatiegegevens en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de nationaliteit en de woonplaats van de buitenlandse zelfstandige;
5А de gegevens met betrekking tot de verblijfstitel van de buitenlandse werknemer en zelfstandige;
6А de identificatie- en contactgegevens van de onderneming;
7А de tewerkstellingsgegevens van de werknemer;
8А de tewerkstellingsgegevens van de buitenlandse werknemer, en de activiteiten van de buitenlandse zelfstandige en van de buitenlandse onderneming in het kader van de Limosameldingsplicht;
9А de gegevens met betrekking tot de toelating tot arbeid of de arbeidskaart van de buitenlandse werknemer;
10А de gegevens met betrekking tot de beroepskaart van de buitenlandse zelfstandige;
11А de start- en einddatum van de beroepsbezigheid van de buitenlandse zelfstandige;
12А de gegevens met betrekking tot de sociale verzekering van de buitenlandse zelfstandige;
13А de gegevens met betrekking tot de uitgevoerde buurtwerken of -diensten, de aangekochte en terugbetaalde dienstencheques;
14А de financiële en contactgegevens van de gebruiker van dienstencheques;
15А de financiële en contactgegevens van de onderneming die dienstenchequeactiviteiten uitoefent;
16А de gegevens met betrekking tot uitgevoerde activiteiten van private arbeidsbemiddeling;
17А de gegevens met betrekking tot vastgestelde inbreuken.]1
1А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de leeftijd, de nationaliteit en de woonplaats van de werknemer;
2А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de leeftijd en de woonplaats van de gebruiker van dienstencheques;
3А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, van de bestuurders, zaakvoerders, personen die de onderneming vertegenwoordigen en andere contactpersonen van de onderneming;
4А de identificatiegegevens en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de nationaliteit en de woonplaats van de buitenlandse zelfstandige;
5А de gegevens met betrekking tot de verblijfstitel van de buitenlandse werknemer en zelfstandige;
6А de identificatie- en contactgegevens van de onderneming;
7А de tewerkstellingsgegevens van de werknemer;
8А de tewerkstellingsgegevens van de buitenlandse werknemer, en de activiteiten van de buitenlandse zelfstandige en van de buitenlandse onderneming in het kader van de Limosameldingsplicht;
9А de gegevens met betrekking tot de toelating tot arbeid of de arbeidskaart van de buitenlandse werknemer;
10А de gegevens met betrekking tot de beroepskaart van de buitenlandse zelfstandige;
11А de start- en einddatum van de beroepsbezigheid van de buitenlandse zelfstandige;
12А de gegevens met betrekking tot de sociale verzekering van de buitenlandse zelfstandige;
13А de gegevens met betrekking tot de uitgevoerde buurtwerken of -diensten, de aangekochte en terugbetaalde dienstencheques;
14А de financiële en contactgegevens van de gebruiker van dienstencheques;
15А de financiële en contactgegevens van de onderneming die dienstenchequeactiviteiten uitoefent;
16А de gegevens met betrekking tot uitgevoerde activiteiten van private arbeidsbemiddeling;
17А de gegevens met betrekking tot vastgestelde inbreuken.]1
Art. 8/3. [1 Les catégories suivantes de données à caractère personnel sont traitées dans le cadre de l'application des articles 8/1 et 8/2 :
1° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, l'âge, la nationalité et le domicile du travailleur ;
2° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, l'âge et le domicile de l'utilisateur de titres-services ;
3° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, des administrateurs, des gérants, des personnes qui représentent l'entreprise et d'autres personnes de contact de l'entreprise ;
4° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, la nationalité et le domicile de l'indépendant étranger ;
5° les données relatives au titre de séjour du salarié ou de l'indépendant étranger ;
6° les données d'identification et les coordonnées de l'entreprise ;
7° les données relatives à l'emploi du travailleur ;
8° les données relatives à l'emploi du salarié étranger, et les activités de l'indépendant étranger et de l'entreprise étrangère dans le cadre de l'obligation de déclaration Limosa ;
9° les données relatives à l'autorisation de travail ou à la carte de travail du salarié étranger ;
10° les données relatives à la carte professionnelle de l'indépendant étranger ;
11° la date de début et de fin de l'activité professionnelle de l'indépendant étranger ;
12° les données relatives à la sécurité sociale de l'indépendant étranger ;
13° les données relatives aux travaux ou services de proximité exécutés, aux titres-services achetés et remboursés, ;
14° les données financières et les coordonnées de l'utilisateur de titres-services ;
15° les données financières et les coordonnées de l'entreprise qui exerce des activités de titres-services ;
16° les données relatives aux activités de placement privé exercées ;
17° les données relatives aux infractions constatées.]1
1° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, l'âge, la nationalité et le domicile du travailleur ;
2° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, l'âge et le domicile de l'utilisateur de titres-services ;
3° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, des administrateurs, des gérants, des personnes qui représentent l'entreprise et d'autres personnes de contact de l'entreprise ;
4° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, la nationalité et le domicile de l'indépendant étranger ;
5° les données relatives au titre de séjour du salarié ou de l'indépendant étranger ;
6° les données d'identification et les coordonnées de l'entreprise ;
7° les données relatives à l'emploi du travailleur ;
8° les données relatives à l'emploi du salarié étranger, et les activités de l'indépendant étranger et de l'entreprise étrangère dans le cadre de l'obligation de déclaration Limosa ;
9° les données relatives à l'autorisation de travail ou à la carte de travail du salarié étranger ;
10° les données relatives à la carte professionnelle de l'indépendant étranger ;
11° la date de début et de fin de l'activité professionnelle de l'indépendant étranger ;
12° les données relatives à la sécurité sociale de l'indépendant étranger ;
13° les données relatives aux travaux ou services de proximité exécutés, aux titres-services achetés et remboursés, ;
14° les données financières et les coordonnées de l'utilisateur de titres-services ;
15° les données financières et les coordonnées de l'entreprise qui exerce des activités de titres-services ;
16° les données relatives aux activités de placement privé exercées ;
17° les données relatives aux infractions constatées.]1
Art. 8/4. [1 In het kader van de toepassing van artikel 8/1, 8/2 en 8/3 wisselt de Vlaamse Sociale Inspectie persoonsgegevens uit met de volgende instanties:
1А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de leeftijd, de nationaliteit en de woonplaats van de werknemer, met het Rijksregister van de natuurlijke personen, met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
2А de identificatie- en contactgegevens waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de leeftijd, en de woonplaats van de gebruiker van dienstencheques, met het Rijksregister van de natuurlijke personen, en met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, en met het uitgiftebedrijf, vermeld in artikel 2, Ї 1, 2А, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
3А de identificatie- en contactgegevens waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, van de bestuurders, zaakvoerders, personen die de onderneming vertegenwoordigen en andere contactpersonen van de onderneming,met het Rijksregister van de natuurlijke personen, met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en met de Kruispuntbank van Ondernemingen;
4А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de nationaliteit en de woonplaats van de buitenlandse zelfstandige met het Rijksregister van de natuurlijke personen, met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, met de Kruispuntbank van Ondernemingen en met het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
5А de identificatie- en contactgegevens van de onderneming met de Kruispuntbank van Ondernemingen en met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
6А de gegevens met betrekking tot de verblijfstitel van de buitenlandse werknemer en zelfstandige met het Rijksregister van de natuurlijke personen;
7А de tewerkstellingsgegevens van de werknemer met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
8А de tewerkstellingsgegevens van de buitenlandse werknemer, en de activiteiten van de buitenlandse zelfstandige en van de buitenlandse onderneming in het kader van de Limosameldingsplicht met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en met het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
9А de start- en einddatum van de beroepsbezigheid van de buitenlandse zelfstandige met de Kruispuntbank van Ondernemingen en met het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
10А de gegevens met betrekking tot sociale verzekering van de buitenlandse zelfstandige met het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
11А de gegevens met betrekking tot de uitgevoerde buurtwerken of -diensten en de aangekochte en terugbetaalde dienstencheques met het uitgiftebedrijf, vermeld in artikel 2, Ї 1, 2А, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
12А de financiële en contactgegevens van de gebruiker van dienstencheques met het uitgiftebedrijf, vermeld in artikel 2, Ї 1, 2А, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
13А de financiële en contactgegevens van de onderneming die dienstenchequeactiviteiten uitoefent met het uitgiftebedrijf, vermeld in artikel 2, Ї 1, 2А, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.
De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden uitgewisseld met tussenkomst van de bevoegde dienstenintegrator als dat van toepassing is.
In het tweede lid wordt verstaan onder dienstenintegrator: de Vlaamse dienstenintegrator, vermeld in artikel 2, 9А, van het decreet van 13 juli 2012 houdende de oprichting en organisatie van een Vlaamse dienstenintegrator.]1
1А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de leeftijd, de nationaliteit en de woonplaats van de werknemer, met het Rijksregister van de natuurlijke personen, met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
2А de identificatie- en contactgegevens waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de leeftijd, en de woonplaats van de gebruiker van dienstencheques, met het Rijksregister van de natuurlijke personen, en met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, en met het uitgiftebedrijf, vermeld in artikel 2, Ї 1, 2А, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
3А de identificatie- en contactgegevens waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, van de bestuurders, zaakvoerders, personen die de onderneming vertegenwoordigen en andere contactpersonen van de onderneming,met het Rijksregister van de natuurlijke personen, met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en met de Kruispuntbank van Ondernemingen;
4А de identificatie- en contactgegevens, waaronder het INSZ-nummer en het BIS-nummer, de nationaliteit en de woonplaats van de buitenlandse zelfstandige met het Rijksregister van de natuurlijke personen, met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, met de Kruispuntbank van Ondernemingen en met het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
5А de identificatie- en contactgegevens van de onderneming met de Kruispuntbank van Ondernemingen en met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
6А de gegevens met betrekking tot de verblijfstitel van de buitenlandse werknemer en zelfstandige met het Rijksregister van de natuurlijke personen;
7А de tewerkstellingsgegevens van de werknemer met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
8А de tewerkstellingsgegevens van de buitenlandse werknemer, en de activiteiten van de buitenlandse zelfstandige en van de buitenlandse onderneming in het kader van de Limosameldingsplicht met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en met het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
9А de start- en einddatum van de beroepsbezigheid van de buitenlandse zelfstandige met de Kruispuntbank van Ondernemingen en met het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
10А de gegevens met betrekking tot sociale verzekering van de buitenlandse zelfstandige met het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
11А de gegevens met betrekking tot de uitgevoerde buurtwerken of -diensten en de aangekochte en terugbetaalde dienstencheques met het uitgiftebedrijf, vermeld in artikel 2, Ї 1, 2А, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
12А de financiële en contactgegevens van de gebruiker van dienstencheques met het uitgiftebedrijf, vermeld in artikel 2, Ї 1, 2А, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
13А de financiële en contactgegevens van de onderneming die dienstenchequeactiviteiten uitoefent met het uitgiftebedrijf, vermeld in artikel 2, Ї 1, 2А, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.
De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden uitgewisseld met tussenkomst van de bevoegde dienstenintegrator als dat van toepassing is.
In het tweede lid wordt verstaan onder dienstenintegrator: de Vlaamse dienstenintegrator, vermeld in artikel 2, 9А, van het decreet van 13 juli 2012 houdende de oprichting en organisatie van een Vlaamse dienstenintegrator.]1
Art. 8/4. [1 Dans le cadre de l'application des articles 8/1, 8/2 et 8/3, l'Inspection sociale flamande échange des données à caractère personnel avec les organismes suivants :
1° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, l'âge, la nationalité et le domicile du travailleur, avec le Registre national des personnes physiques, avec la Banque Carrefour de la Sécurité sociale et avec l'Office national de Sécurité sociale ;
2° les données d'identification et les coordonnées dont le numéro NISS et le numéro BIS, l'âge et le domicile de l'utilisateur de titres-services, avec le Registre national des personnes physiques, avec la Banque Carrefour de la Sécurité sociale, et avec la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
3° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, des administrateurs, des gérants, des personnes qui représentent l'entreprise et d'autres personnes de contact de l'entreprise avec le Registre national des personnes physiques, avec la Banque Carrefour de la Sécurité sociale et avec la Banque-Carrefour des Entreprises ;
4° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, la nationalité et le domicile de l'indépendant étranger avec le Registre national des personnes physiques, avec la Banque Carrefour de la Sécurité sociale, avec la Banque-Carrefour des Entreprises et avec l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ;
5° les données d'identification et les coordonnées de l'entreprise avec la Banque-Carrefour des Entreprises et avec l'Office national de Sécurité sociale ;
6° les données relatives au titre de séjour du salarié ou de l'indépendant étranger, avec le Registre national des personnes physiques ;
7° les données relatives à l'emploi du salarié, avec l'Office national de Sécurité sociale ;
8° les données relatives à l'emploi du salarié étranger, et les activités de l'indépendant étranger et de l'entreprise étrangère dans le cadre de l'obligation de déclaration Limosa, avec l'Office national de Sécurité sociale et avec l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ;
9° la date de début et de fin de l'activité professionnelle de l'indépendant étranger, avec la Banque-Carrefour des Entreprises et avec l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ;
10° les données relatives à l'assurance sociale de l'indépendant étranger, avec l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ;
11° les données relatives aux travaux ou services de proximité exécutés et aux titres-services achetés et remboursés, avec la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
12° les données financières et les coordonnées de l'utilisateur de titres-services, avec la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
13° les données financières et les coordonnées de l'entreprise qui exerce les activités de titres-services, avec la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont échangées avec l'intervention de l'intégrateur de services compétent le cas échéant.
A l'alinéa 2, on entend par intégrateur de services : l'intégrateur de services flamand visé à l'article 2, 9°, du décret du 13 juillet 2012 portant création et organisation d'un intégrateur de services flamand.]1
1° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, l'âge, la nationalité et le domicile du travailleur, avec le Registre national des personnes physiques, avec la Banque Carrefour de la Sécurité sociale et avec l'Office national de Sécurité sociale ;
2° les données d'identification et les coordonnées dont le numéro NISS et le numéro BIS, l'âge et le domicile de l'utilisateur de titres-services, avec le Registre national des personnes physiques, avec la Banque Carrefour de la Sécurité sociale, et avec la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
3° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, des administrateurs, des gérants, des personnes qui représentent l'entreprise et d'autres personnes de contact de l'entreprise avec le Registre national des personnes physiques, avec la Banque Carrefour de la Sécurité sociale et avec la Banque-Carrefour des Entreprises ;
4° les données d'identification et les coordonnées, dont le numéro NISS et le numéro BIS, la nationalité et le domicile de l'indépendant étranger avec le Registre national des personnes physiques, avec la Banque Carrefour de la Sécurité sociale, avec la Banque-Carrefour des Entreprises et avec l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ;
5° les données d'identification et les coordonnées de l'entreprise avec la Banque-Carrefour des Entreprises et avec l'Office national de Sécurité sociale ;
6° les données relatives au titre de séjour du salarié ou de l'indépendant étranger, avec le Registre national des personnes physiques ;
7° les données relatives à l'emploi du salarié, avec l'Office national de Sécurité sociale ;
8° les données relatives à l'emploi du salarié étranger, et les activités de l'indépendant étranger et de l'entreprise étrangère dans le cadre de l'obligation de déclaration Limosa, avec l'Office national de Sécurité sociale et avec l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ;
9° la date de début et de fin de l'activité professionnelle de l'indépendant étranger, avec la Banque-Carrefour des Entreprises et avec l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ;
10° les données relatives à l'assurance sociale de l'indépendant étranger, avec l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ;
11° les données relatives aux travaux ou services de proximité exécutés et aux titres-services achetés et remboursés, avec la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
12° les données financières et les coordonnées de l'utilisateur de titres-services, avec la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
13° les données financières et les coordonnées de l'entreprise qui exerce les activités de titres-services, avec la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont échangées avec l'intervention de l'intégrateur de services compétent le cas échéant.
A l'alinéa 2, on entend par intégrateur de services : l'intégrateur de services flamand visé à l'article 2, 9°, du décret du 13 juillet 2012 portant création et organisation d'un intégrateur de services flamand.]1
Art. 9. § 1. De sociaalrechtelijke inspecteurs verstrekken de verzamelde gegevens aan de personeelsleden van de openbare en meewerkende instellingen, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere regelgeving, in zoverre die inlichtingen dezen kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn.
De gegevens worden verstrekt wanneer de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en diensten erom verzoeken. De gegevens die worden verzameld binnen het raam van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek kunnen slechts met de toestemming van de bevoegde gerechtelijke overheden worden verstrekt.
§ 2. Alle federale diensten, met inbegrip van de parketten en de griffies van alle rechtscolleges, en diensten van de gemeenschappen, gewesten, provincies, federaties van gemeenten, gemeenten, verenigingen waarvan ze deel uitmaken, openbare instellingen die ervan afhangen, alsook sociale-zekerheidsinstellingen en alle openbare en meewerkende instellingen, zullen krachtens een samenwerkingsakkoord gesloten krachtens artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de sociaalrechtelijke inspecteurs alle gegevens verstrekken waarom deze verzoeken. Ze zullen hen krachtens dezelfde samenwerkingsovereenkomst eveneens alle boeken, registers, documenten, schijven of banden of gelijk welke andere informatiedragers ter inzage voorleggen en uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopies of fotokopies ervan verstrekken die de sociaalrechtelijke inspecteurs nuttig achten voor het toezicht en de controle op de naleving van de regelgeving waarmee zij belast zijn.
§ 3. De in § 1, eerste lid, vermelde personen mogen de informatie, verkregen op grond van de voorgaande paragrafen, gebruiken voor de uitoefening van de opdrachten van toezicht waarmee ze belast zijn.
§ 4. De sociaal rechtelijke inspecteurs kunnen met de inspecties van de andere gewesten en gemeenschappen, van de federale overheid en van de andere lid-Staten van de Internationale Arbeidsorganisatie, waar het Internationaal Verdrag nr. 81 gelding heeft, alle informatie uitwisselen die nuttig is voor de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn.
Van de informatie die van de arbeidsinspectie van de andere gewesten en gemeenschappen, van de federale overheid en van de andere lidstaten wordt verkregen, wordt op dezelfde wijze gebruik gemaakt als van de gelijkaardige inlichtingen die de sociaalrechtelijke inspecteurs rechtstreeks inzamelen. De informatie ten behoeve van de arbeidsinspecties van die lid-Staten wordt eveneens op dezelfde wijze ingezameld door de sociaalrechtelijke inspecteurs als de gelijkaardige informatie die zij inzamelen voor de uitoefening van de controle en het toezicht waarmee zij zelf belast zijn.
De [1 [2 afdeling Vlaamse Sociale Inspectie]2 van het Departement Werk en Sociale Economie]1 waaronder de sociaalrechtelijke inspecteurs ressorteren kan eveneens, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een ander gewest of andere gemeenschap of lid-Staat van de Internationale Arbeidsorganisatie wordt gesloten, op het grondgebied van, al naargelang het geval, het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap de aanwezigheid toestaan van ambtenaren van de arbeidsinspectie van dat gewest of die gemeenschap of die lidstaat om alle informatie te verzamelen die van nut kan zijn voor de uitoefening van de controle en het toezicht waarmee deze laatsten belast zijn.
De informatie die door een sociaalrechtelijke inspecteur binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van een andere gemeenschap of een ander gewest of in het buitenland werd ingezameld in het kader van een akkoord dat met een ander gewest, een andere gemeenschap, de federale overheid of met een lid-Staat van de Internationale Arbeidsorganisatie is gesloten, kan in dezelfde omstandigheden worden gebruikt als de informatie die op het territoriale bevoegdheidsgebied van, al naargelang het geval, het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, door de sociaalrechtelijke inspecteurs wordt ingezameld.
De gegevens worden verstrekt wanneer de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en diensten erom verzoeken. De gegevens die worden verzameld binnen het raam van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek kunnen slechts met de toestemming van de bevoegde gerechtelijke overheden worden verstrekt.
§ 2. Alle federale diensten, met inbegrip van de parketten en de griffies van alle rechtscolleges, en diensten van de gemeenschappen, gewesten, provincies, federaties van gemeenten, gemeenten, verenigingen waarvan ze deel uitmaken, openbare instellingen die ervan afhangen, alsook sociale-zekerheidsinstellingen en alle openbare en meewerkende instellingen, zullen krachtens een samenwerkingsakkoord gesloten krachtens artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de sociaalrechtelijke inspecteurs alle gegevens verstrekken waarom deze verzoeken. Ze zullen hen krachtens dezelfde samenwerkingsovereenkomst eveneens alle boeken, registers, documenten, schijven of banden of gelijk welke andere informatiedragers ter inzage voorleggen en uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopies of fotokopies ervan verstrekken die de sociaalrechtelijke inspecteurs nuttig achten voor het toezicht en de controle op de naleving van de regelgeving waarmee zij belast zijn.
§ 3. De in § 1, eerste lid, vermelde personen mogen de informatie, verkregen op grond van de voorgaande paragrafen, gebruiken voor de uitoefening van de opdrachten van toezicht waarmee ze belast zijn.
§ 4. De sociaal rechtelijke inspecteurs kunnen met de inspecties van de andere gewesten en gemeenschappen, van de federale overheid en van de andere lid-Staten van de Internationale Arbeidsorganisatie, waar het Internationaal Verdrag nr. 81 gelding heeft, alle informatie uitwisselen die nuttig is voor de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn.
Van de informatie die van de arbeidsinspectie van de andere gewesten en gemeenschappen, van de federale overheid en van de andere lidstaten wordt verkregen, wordt op dezelfde wijze gebruik gemaakt als van de gelijkaardige inlichtingen die de sociaalrechtelijke inspecteurs rechtstreeks inzamelen. De informatie ten behoeve van de arbeidsinspecties van die lid-Staten wordt eveneens op dezelfde wijze ingezameld door de sociaalrechtelijke inspecteurs als de gelijkaardige informatie die zij inzamelen voor de uitoefening van de controle en het toezicht waarmee zij zelf belast zijn.
De [1 [2 afdeling Vlaamse Sociale Inspectie]2 van het Departement Werk en Sociale Economie]1 waaronder de sociaalrechtelijke inspecteurs ressorteren kan eveneens, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een ander gewest of andere gemeenschap of lid-Staat van de Internationale Arbeidsorganisatie wordt gesloten, op het grondgebied van, al naargelang het geval, het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap de aanwezigheid toestaan van ambtenaren van de arbeidsinspectie van dat gewest of die gemeenschap of die lidstaat om alle informatie te verzamelen die van nut kan zijn voor de uitoefening van de controle en het toezicht waarmee deze laatsten belast zijn.
De informatie die door een sociaalrechtelijke inspecteur binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van een andere gemeenschap of een ander gewest of in het buitenland werd ingezameld in het kader van een akkoord dat met een ander gewest, een andere gemeenschap, de federale overheid of met een lid-Staat van de Internationale Arbeidsorganisatie is gesloten, kan in dezelfde omstandigheden worden gebruikt als de informatie die op het territoriale bevoegdheidsgebied van, al naargelang het geval, het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, door de sociaalrechtelijke inspecteurs wordt ingezameld.
Art. 9. § 1er. Les inspecteurs des lois sociales communiquent les renseignements recueillis aux membres du personnel des institutions publiques et aux institutions coopérantes, aux inspecteurs sociaux des autres services d'inspection, ainsi qu'à tous les autres fonctionnaires chargés de la surveillance d'autres législations, dans la mesure où ces renseignements peuvent intéresser ces derniers dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés.
Ces renseignements sont communiqués lorsque les fonctionnaires et services visés à l'alinéa premier les demandent. Les renseignements recueillis dans le cadre d'une enquête ou d'une enquête judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation des autorités judiciaires compétentes.
§ 2. Tous les services fédéraux, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, des services des Communautés, des Régions, des provinces, des fédérations de communes, des communes, des associations dont elles font partie, des institutions publiques qui en dépendent, ainsi que des institutions de sécurité sociale et de toutes les institutions publiques et institutions coopérantes sont tenus, en vertu d'un accord de coopération conclu en vertu de l'article 92bis, § 1er de la loi spéciale du 8 août 1980 de fournir aux inspecteurs des lois sociales tous renseignements qu'ils demandent. En vertu du même accord de coopération, ils leur produiront, pour en prendre connaissance, tous livres, registres, documents, disques, bandes ou n'importe quels autres supports d'information et de leur en fournir des extraits, des duplicata, des impressions, des listages, des copies ou des photocopies que les inspecteurs des lois sociales estiment utiles à la surveillance et au contrôle du respect des législations dont ils sont chargés.
§ 3. Les personnes mentionnées au § 1er peuvent utiliser les renseignements obtenus sur la base des paragraphes précédents pour l'exercice des missions de surveillance dont elles sont chargées.
§ 4. Les inspecteurs des lois sociales peuvent échanger avec les inspections des autres Régions et Communautés, des autorités fédérales et des autres Etats membres de l'Organisation internationale du Travail, où la convention n° 81 est en vigueur, tous renseignements qui peuvent être utiles pour l'exercice de la surveillance dont chacun d'entre eux est chargé.
Les renseignements reçus des inspections du travail des autres Régions et Communautés, des autorités fédérales et des autres Etats membres sont utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements similaires recueillis directement par les inspecteurs des lois sociales. Les renseignements destinés aux inspections du travail de ces Etats membres sont recueillis par les inspecteurs des lois sociales dans les mêmes conditions que les renseignements similaires destinés à l'exercice de la surveillance et du contrôle dont ils sont chargés eux-mêmes.
La [1 [2 division de l'Inspection sociale flamande]2 du Département de l'Emploi et de l'Economie Sociale]1 à laquelle appartiennent les inspecteurs des lois sociales peut également, en exécution d'un accord conclu avec les autorités compétentes d'une autre Région ou Communauté ou d'un Etat membre de l'Organisation internationale du Travail, autoriser sur le territoire de la Région flamande ou de la Communauté flamande, selon le cas, la présence de fonctionnaires de l'inspection du travail de cette Région ou Communauté ou de cet Etat membre en vue de recueillir tous renseignements qui peuvent être utiles à l'exercice de la surveillance et du contrôle dont ces derniers sont chargés.
Les renseignements recueillis par un inspecteur des lois sociales sur le territoire d'une autre Communauté ou Région ou à l'étranger dans le cadre d'un accord conclu avec une autre Région ou Communauté, avec les autorités fédérales ou avec un Etat membre de l'Organisation internationale du Travail, peuvent être utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements recueillis sur le territoire de la Communauté flamande ou de la Région flamande, selon le cas, par les inspecteurs des lois sociales.
Ces renseignements sont communiqués lorsque les fonctionnaires et services visés à l'alinéa premier les demandent. Les renseignements recueillis dans le cadre d'une enquête ou d'une enquête judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation des autorités judiciaires compétentes.
§ 2. Tous les services fédéraux, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, des services des Communautés, des Régions, des provinces, des fédérations de communes, des communes, des associations dont elles font partie, des institutions publiques qui en dépendent, ainsi que des institutions de sécurité sociale et de toutes les institutions publiques et institutions coopérantes sont tenus, en vertu d'un accord de coopération conclu en vertu de l'article 92bis, § 1er de la loi spéciale du 8 août 1980 de fournir aux inspecteurs des lois sociales tous renseignements qu'ils demandent. En vertu du même accord de coopération, ils leur produiront, pour en prendre connaissance, tous livres, registres, documents, disques, bandes ou n'importe quels autres supports d'information et de leur en fournir des extraits, des duplicata, des impressions, des listages, des copies ou des photocopies que les inspecteurs des lois sociales estiment utiles à la surveillance et au contrôle du respect des législations dont ils sont chargés.
§ 3. Les personnes mentionnées au § 1er peuvent utiliser les renseignements obtenus sur la base des paragraphes précédents pour l'exercice des missions de surveillance dont elles sont chargées.
§ 4. Les inspecteurs des lois sociales peuvent échanger avec les inspections des autres Régions et Communautés, des autorités fédérales et des autres Etats membres de l'Organisation internationale du Travail, où la convention n° 81 est en vigueur, tous renseignements qui peuvent être utiles pour l'exercice de la surveillance dont chacun d'entre eux est chargé.
Les renseignements reçus des inspections du travail des autres Régions et Communautés, des autorités fédérales et des autres Etats membres sont utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements similaires recueillis directement par les inspecteurs des lois sociales. Les renseignements destinés aux inspections du travail de ces Etats membres sont recueillis par les inspecteurs des lois sociales dans les mêmes conditions que les renseignements similaires destinés à l'exercice de la surveillance et du contrôle dont ils sont chargés eux-mêmes.
La [1 [2 division de l'Inspection sociale flamande]2 du Département de l'Emploi et de l'Economie Sociale]1 à laquelle appartiennent les inspecteurs des lois sociales peut également, en exécution d'un accord conclu avec les autorités compétentes d'une autre Région ou Communauté ou d'un Etat membre de l'Organisation internationale du Travail, autoriser sur le territoire de la Région flamande ou de la Communauté flamande, selon le cas, la présence de fonctionnaires de l'inspection du travail de cette Région ou Communauté ou de cet Etat membre en vue de recueillir tous renseignements qui peuvent être utiles à l'exercice de la surveillance et du contrôle dont ces derniers sont chargés.
Les renseignements recueillis par un inspecteur des lois sociales sur le territoire d'une autre Communauté ou Région ou à l'étranger dans le cadre d'un accord conclu avec une autre Région ou Communauté, avec les autorités fédérales ou avec un Etat membre de l'Organisation internationale du Travail, peuvent être utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements recueillis sur le territoire de la Communauté flamande ou de la Région flamande, selon le cas, par les inspecteurs des lois sociales.
Art. 10. De sociaalrechtelijke inspecteurs mogen geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen, instellingen of verenigingen waarop zij toezicht uitoefenen.
Art. 10. Les inspecteurs des lois sociales ne peuvent avoir un intérêt quelconque, direct ou indirect, dans les entreprises, institutions ou associations qu'ils sont chargés de contrôler.
Art. 11. Overeenkomstig artikel 5, b, van het Internationaal Verdrag nr. 81, neemt de Vlaamse regering door middel van een besluit genomen na verzoek tot advies aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, passende maatregelen om samenwerking tussen de ambtenaren van de sociaalrechtelijke inspectie en de werkgevers en de werknemers of hun organisaties te bevorderen.
Art. 11. Conformément à l'article 5, b du Traité international n° 81, le Gouvernement flamand prend, par un arrêté pris sur avis du Conseil socio-économique de la Flandre, les mesures aptes à promouvoir la coopération entre les fonctionnaires de l'inspection des lois sociales et les employeurs et les travailleurs ou leurs organisations.
Art. 12. Overeenkomstig artikel 19 van het Internationaal Verdrag nr. 81 stelt de Vlaamse regering door middel van een besluit de wijze en de periodiciteit vast van de rapportering door de plaatselijke inspectiebureaus. Onverminderd de regels van het geheim van het gerechtelijk onderzoek, publiceert de [1 [2 afdeling Vlaamse Sociale Inspectie]2 van het Departement Werk en Sociale Economie]1 voor 30 juni van elk jaar, een algemeen jaarverslag met betrekking tot haar werkzaamheden. Deze publicatie gebeurt hetzij op papier hetzij via elektronische wijze (internet). Het jaarverslag zal minstens over de volgende onderwerpen handelen :
a) wetten en reglementen die van toepassing zijn op en relevant zijn voor de werking van de sociaalrechtelijke inspectie;
b) de bezetting van de sociaalrechtelijk inspectie;
c) statistieken met betrekking tot de bezochte werkgevers en opleidingscentra, het aantal werknemers dat tewerkgesteld wordt door de onderzochte werkgevers, in voorkomend geval door de gebruikers en het aantal cursisten dat door de onderzochte opleidingscentra wordt opgeleid;
d) statistieken met betrekking tot de verrichte inspecties;
e) statistieken met betrekking tot de gegeven verwittigingen, opgelegde regularisaties en bewijsvoering;
f) statistieken met betrekking tot de aard en het aantal van de vastgestelde inbreuken;
[3 g) statistieken met betrekking tot de opgestelde e-pv's alsmede de doeltreffendheid van de verwerkingen;]3
[3 h)]3) statistieken met betrekking tot de opgelegde administratieve geldboeten.
Het aldus gepubliceerde jaarverslag wordt binnen de 3 maanden overgemaakt aan het directoraat-generaal van de Internationale Arbeidsorganisatie.
a) wetten en reglementen die van toepassing zijn op en relevant zijn voor de werking van de sociaalrechtelijke inspectie;
b) de bezetting van de sociaalrechtelijk inspectie;
c) statistieken met betrekking tot de bezochte werkgevers en opleidingscentra, het aantal werknemers dat tewerkgesteld wordt door de onderzochte werkgevers, in voorkomend geval door de gebruikers en het aantal cursisten dat door de onderzochte opleidingscentra wordt opgeleid;
d) statistieken met betrekking tot de verrichte inspecties;
e) statistieken met betrekking tot de gegeven verwittigingen, opgelegde regularisaties en bewijsvoering;
f) statistieken met betrekking tot de aard en het aantal van de vastgestelde inbreuken;
[3 g) statistieken met betrekking tot de opgestelde e-pv's alsmede de doeltreffendheid van de verwerkingen;]3
[3 h)]3) statistieken met betrekking tot de opgelegde administratieve geldboeten.
Het aldus gepubliceerde jaarverslag wordt binnen de 3 maanden overgemaakt aan het directoraat-generaal van de Internationale Arbeidsorganisatie.
Art. 12. Conformément à l'article 19 du Traité international n° 81, le Gouvernement flamand arrête le mode et la périodicité du rapportage par les bureaux d'inspection locaux. Sans préjudice des règles du secret de l'enquête judiciaire, la [1 [2 division de l'Inspection sociale flamande]2 du Département de l'Emploi et de l'Economie Sociale]1 publie, pour le 30 juin de chaque année, un rapport annuel général sur ses activités. Cette publication se fait soit sur papier soit de manière électronique (l'internet). Le rapport annuel traitera au moins les sujets suivants :
a) les lois et réglementations applicables et pertinents pour le fonctionnement de l'inspection des lois sociales;
b) l'occupation de l'inspection des lois sociales;
c) des statistiques relatives aux employeurs et centres de formation visités, le nombre de travailleurs occupés par les employeurs visités et, le cas échéant, par les usagers et le nombre d'apprenants formés par les centres de formation examinés;
d) des statistiques relatives aux inspections effectuées;
e) des statistiques relatives aux avertissements donnés, aux régularisations imposées et à l'administration de preuves;
f) des statistiques relatives à la nature et au nombre d'infractions constatées;
[3 g) des statistiques relatives aux e-pv infligés ainsi qu'à l'efficacité des traitements ; ]3
[3 h]3) des statistiques relatives aux amendes administratives imposées.
Le rapport annuel ainsi publié est transmis dans les 3 mois à la direction générale de l'Organisation internationale du Travail.
a) les lois et réglementations applicables et pertinents pour le fonctionnement de l'inspection des lois sociales;
b) l'occupation de l'inspection des lois sociales;
c) des statistiques relatives aux employeurs et centres de formation visités, le nombre de travailleurs occupés par les employeurs visités et, le cas échéant, par les usagers et le nombre d'apprenants formés par les centres de formation examinés;
d) des statistiques relatives aux inspections effectuées;
e) des statistiques relatives aux avertissements donnés, aux régularisations imposées et à l'administration de preuves;
f) des statistiques relatives à la nature et au nombre d'infractions constatées;
[3 g) des statistiques relatives aux e-pv infligés ainsi qu'à l'efficacité des traitements ; ]3
[3 h]3) des statistiques relatives aux amendes administratives imposées.
Le rapport annuel ainsi publié est transmis dans les 3 mois à la direction générale de l'Organisation internationale du Travail.
HOOFDSTUK III. - Bepalingen aangaande het opleggen van administratieve geldboeten.
CHAPITRE III. - Dispositions relatives aux amendes administratives.
Afdeling 1. - Administratieve geldboeten uit hoofde van bepaalde strafbepalingen.
Section 1re. - Amendes administratives du chef de certaines dispositions pénales.
Art. 13. [1 § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en voor zover de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van [3 25 tot 250 euro]3 aan :
1° iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden, die een bureau exploiteren via een rechtspersoon die niet regelmatig werd opgericht volgens de regels van de lidstaat van vestiging;
2° [3 het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die diensten verrichten die verboden zijn conform het verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen in Genève op 23 februari 2006;]3;
3° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die diensten verrichten die verband houden met een staking, uitsluiting of een schorsing van een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
4° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die weigeren inzage te verlenen aan de opdrachtgever en de werknemer betreffende de over hen opgeslagen gegevens, of hen na beëindiging van de opdracht weigeren een afschrift van hun dossier te bezorgen;
5° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die de opdrachtgever en de werknemer onjuiste, onvolledige of niet-tijdige informatie verstrekken over de bemiddelingsdiensten of over de aard van de tewerkstelling;
6° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die de gedragscode, vermeld in artikel 5, 15°, van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling overtreden;
7° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die als voorwaarde stellen dat de personen voor wie het bureau bemiddeld heeft, het bureau bij iedere nieuwe bemiddeling zal laten optreden;
8° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die een schadevergoeding vragen van werknemers die een bemiddelingsprocedure vroegtijdig stopzetten of niet ingaan op een vacature waarvoor zij zich kandidaat stelden;
9° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die op verzoek van een sollicitant, die onderworpen is aan de werklozencontrole én die aan een selectieprocedure deelneemt, geen attest overhandigen waarop de datum en het uur van het bezoek wordt vermeld;
10° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die in hun lokalen uitzendactiviteiten laten verrichten door uitzendbureaus of door lasthebbers of aangestelden van uitzendbureaus die niet over een erkenning beschikken of van wie de erkenning werd ingetrokken of geschrapt;
11° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die bij exclusiviteit personen ter beschikking te stellen van één gebruikende onderneming;
12° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die publiciteit voeren die potentiële uitzendkrachten kan misleiden;
13° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die in personeelsadvertenties niet duidelijk vermelden dat ze de aanwerving van uitzendkrachten beogen, of die geen correcte, volledige en objectieve informatie geven;
14° [3 het bureau dat middelen, mechanismen of lijsten gebruikt om vissers te verhinderen werk te vinden;]3;
15° [3 het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die publiciteit voeren die potentiële betaalde sportbeoefenaars kan misleiden;]3;
16° de werkgever die zich schuldig maakt aan een inbreuk op het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers alsmede op de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen.
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en voor zover de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van [3 50 tot 500 euro]3 aan :
1° iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden, die een bureau exploiteren als natuurlijke persoon zonder de burgerrechten en politieke rechten te genieten;
2° iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden die, buiten de in artikel 47 van de Faillissementwet van 8 augustus 1997 of een gelijkaardige wetgeving in de lidstaat van vestiging toegelaten gevallen, diensten van private arbeidsbemiddeling verrichten op het moment dat het bureau in staat van faillissement of in staat van kennelijk onvermogen verkeert, of dat het bureau het voorwerp uitmaakt van een procedure tot faillietverklaring;
3° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die diensten verrichten die leiden tot tewerkstelling als vermeld in artikel 5, 5°, van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling;
4° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die bij het verrichten van diensten inzake private arbeidsbemiddeling de persoonlijke levenssfeer van de werknemer en werkgever niet eerbiedigen en hun persoonsgegevens niet verwerken overeenkomstig de regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
5° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die medische gegevens inwinnen buiten de gevallen die noodzakelijk zijn om te bepalen of een werknemer in staat is een bepaalde functie uit te oefenen of te voldoen aan de eisen van gezondheid en veiligheid;
6° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die genetische testen verrichten of laten verrichten;
7° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die samenwerken met niet-erkende uitzendbureaus;
8° de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers, of andere personen die bevoegd zijn om het bureau te verbinden of te vertegenwoordigen, of de hoofdaandeelhouders van het bureau, in zoverre zij in de feiten de bevoegdheden van bestuurder uitoefenen, die diensten van private arbeidsbemiddeling verrichten en die :
a) tijdens een periode van vijf jaar, voor de aanvang van of gedurende de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling veroordeeld zijn wegens faillissement, bedrieglijk onvermogen, valsheid in geschrifte, misbruik van vertrouwen, oplichting, omkoping of bedrog;
b) tijdens een periode van vijf jaar, voor de aanvang van of tijdens de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling aansprakelijk gesteld zijn voor de verbintenissen of schulden van een gefailleerde vennootschap bij toepassing van artikelen 229, 5°, 265, 315, 456, 4°, en 530, van het Wetboek van Vennootschappen of een gelijkaardige wetgeving in de lidstaat van vestiging, of meermaals een functie van zaakvoerder of gemachtigde hebben uitgeoefend in een gefailleerde vennootschap;
c) tijdens de periode van vijf jaar, voor de aanvang van of tijdens de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling, herhaaldelijk in overtreding zijn geweest op het gebied van de fiscale verplichtingen, de sociale verplichtingen of de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de exploitatie van een bureau voor private arbeidsbemiddeling;
d) aan wie tijdens een periode van vijf jaar, voor de start of tijdens de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling een exploitatieverbod met bedrijfssluiting, of een beroepsverbod met bedrijfssluiting werd opgelegd;
e) tijdens de periode van vijf jaar, voor de aanvang van of gedurende de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling ontheven zijn van hun burgerrechten en politieke rechten;
9° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die activiteiten van private arbeidsbemiddeling uitvoeren in strijd met de sociale of fiscale wetgeving;
10° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die de reglementering inzake de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten die in België van toepassing is, overtreden;
11°[3 de gebruiker die een beroep doet op een uitzendbureau dat niet beschikt over een regelmatige erkenning;]3;
12°[3 de gebruiker, zijn lasthebbers of aangestelden die het bureau aanzetten of opdracht geven om bij de bemiddeling discriminerende criteria te gebruiken;]3;
13° [3 ...]3;
14° [3 ...]3;
15° [3 ...]3;
16° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die enige vergoeding, commissielonen, bijdragen, toelatings- of inschrijvingsgelden vragen of ontvangen, buiten de door het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling bepaalde voorwaarden;
17° het uitzendbureau dat achterstallige belastingen, boeten of interesten verschuldigd is, socialezekerheidsbijdragen, met sociale zekerheid gelijkgestelde bijdragen, boeten of intresten verschuldigd is aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of bijdragen, boeten of interesten verschuldigd is aan de fondsen voor bestaanszekerheid;
18° het uitzendbureau dat de wettelijke voorwaarden inzake de uitzendarbeid niet naleeft;
19° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die de werknemer niet behandelen op een objectieve, respectvolle en niet-discriminerende wijze;]1
[2 20° [3 ...]3;
21° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden, die voor de arbeidsbemiddeling met het oog op het afsluiten van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars samenwerken met een bureau dat niet voorafgaandelijk geregistreerd is;
22°[3 ...]3;
23° [3 ...]3.]2
[3 24А iedere persoon, vermeld in artikel 24, eerste lid, 1А en 2А, van dit decreet, die zich schuldig maakt aan een inbreuk als vermeld in artikel 24, eerste lid, 1А en 2А, van dit decreet;
25А het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die sportbeoefenaars jonger dan vijftien jaar direct of indirect benaderen om een overeenkomst te sluiten om diensten van private arbeidsbemiddeling voor sportbeoefenaars te verrichten;
26А het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die een vergoeding vragen om diensten van private arbeidsbemiddeling te verrichten voor een minderjarige sportbeoefenaar.]3
[3 Ї 3. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en op voorwaarde dat de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van 150 tot 1500 euro aan:
1А iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden die een uitzendbureau exploiteren zonder in het bezit te zijn van een voorafgaande regelmatige erkenning of die niet meer voldoen aan de erkenningsvoorwaarden;
2А het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die na de intrekking van de erkenning nog nieuwe overeenkomsten sluiten, die overeenkomsten wijzigen, vernieuwen of verlengen;
3А het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die na de intrekking of schrapping van de erkenning nog uitzendactiviteiten uitvoeren;
4А iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden die een bureau als sportmakelaar uitbaten dat niet voorafgaandelijk geregistreerd is;
5А het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die na de schorsing of intrekking van de registratie nog activiteiten als sportmakelaar uitoefenen;
6А het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die een erkenning verkrijgen op basis van valse, onvolledige of onjuiste verklaringen;
7А de gebruiker die wetens en willens een beroep doet op een uitzendbureau dat niet beschikt over een regelmatige erkenning;
8А de werkgever die voor de arbeidsbemiddeling met het oog op het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars wetens en willens een beroep doet op een bureau dat niet voorafgaandelijk geregistreerd is.]3
1° iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden, die een bureau exploiteren via een rechtspersoon die niet regelmatig werd opgericht volgens de regels van de lidstaat van vestiging;
2° [3 het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die diensten verrichten die verboden zijn conform het verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen in Genève op 23 februari 2006;]3;
3° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die diensten verrichten die verband houden met een staking, uitsluiting of een schorsing van een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
4° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die weigeren inzage te verlenen aan de opdrachtgever en de werknemer betreffende de over hen opgeslagen gegevens, of hen na beëindiging van de opdracht weigeren een afschrift van hun dossier te bezorgen;
5° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die de opdrachtgever en de werknemer onjuiste, onvolledige of niet-tijdige informatie verstrekken over de bemiddelingsdiensten of over de aard van de tewerkstelling;
6° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die de gedragscode, vermeld in artikel 5, 15°, van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling overtreden;
7° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die als voorwaarde stellen dat de personen voor wie het bureau bemiddeld heeft, het bureau bij iedere nieuwe bemiddeling zal laten optreden;
8° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die een schadevergoeding vragen van werknemers die een bemiddelingsprocedure vroegtijdig stopzetten of niet ingaan op een vacature waarvoor zij zich kandidaat stelden;
9° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die op verzoek van een sollicitant, die onderworpen is aan de werklozencontrole én die aan een selectieprocedure deelneemt, geen attest overhandigen waarop de datum en het uur van het bezoek wordt vermeld;
10° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die in hun lokalen uitzendactiviteiten laten verrichten door uitzendbureaus of door lasthebbers of aangestelden van uitzendbureaus die niet over een erkenning beschikken of van wie de erkenning werd ingetrokken of geschrapt;
11° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die bij exclusiviteit personen ter beschikking te stellen van één gebruikende onderneming;
12° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die publiciteit voeren die potentiële uitzendkrachten kan misleiden;
13° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die in personeelsadvertenties niet duidelijk vermelden dat ze de aanwerving van uitzendkrachten beogen, of die geen correcte, volledige en objectieve informatie geven;
14° [3 het bureau dat middelen, mechanismen of lijsten gebruikt om vissers te verhinderen werk te vinden;]3;
15° [3 het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die publiciteit voeren die potentiële betaalde sportbeoefenaars kan misleiden;]3;
16° de werkgever die zich schuldig maakt aan een inbreuk op het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers alsmede op de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen.
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en voor zover de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van [3 50 tot 500 euro]3 aan :
1° iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden, die een bureau exploiteren als natuurlijke persoon zonder de burgerrechten en politieke rechten te genieten;
2° iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden die, buiten de in artikel 47 van de Faillissementwet van 8 augustus 1997 of een gelijkaardige wetgeving in de lidstaat van vestiging toegelaten gevallen, diensten van private arbeidsbemiddeling verrichten op het moment dat het bureau in staat van faillissement of in staat van kennelijk onvermogen verkeert, of dat het bureau het voorwerp uitmaakt van een procedure tot faillietverklaring;
3° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die diensten verrichten die leiden tot tewerkstelling als vermeld in artikel 5, 5°, van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling;
4° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die bij het verrichten van diensten inzake private arbeidsbemiddeling de persoonlijke levenssfeer van de werknemer en werkgever niet eerbiedigen en hun persoonsgegevens niet verwerken overeenkomstig de regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
5° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die medische gegevens inwinnen buiten de gevallen die noodzakelijk zijn om te bepalen of een werknemer in staat is een bepaalde functie uit te oefenen of te voldoen aan de eisen van gezondheid en veiligheid;
6° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die genetische testen verrichten of laten verrichten;
7° het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die samenwerken met niet-erkende uitzendbureaus;
8° de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers, of andere personen die bevoegd zijn om het bureau te verbinden of te vertegenwoordigen, of de hoofdaandeelhouders van het bureau, in zoverre zij in de feiten de bevoegdheden van bestuurder uitoefenen, die diensten van private arbeidsbemiddeling verrichten en die :
a) tijdens een periode van vijf jaar, voor de aanvang van of gedurende de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling veroordeeld zijn wegens faillissement, bedrieglijk onvermogen, valsheid in geschrifte, misbruik van vertrouwen, oplichting, omkoping of bedrog;
b) tijdens een periode van vijf jaar, voor de aanvang van of tijdens de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling aansprakelijk gesteld zijn voor de verbintenissen of schulden van een gefailleerde vennootschap bij toepassing van artikelen 229, 5°, 265, 315, 456, 4°, en 530, van het Wetboek van Vennootschappen of een gelijkaardige wetgeving in de lidstaat van vestiging, of meermaals een functie van zaakvoerder of gemachtigde hebben uitgeoefend in een gefailleerde vennootschap;
c) tijdens de periode van vijf jaar, voor de aanvang van of tijdens de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling, herhaaldelijk in overtreding zijn geweest op het gebied van de fiscale verplichtingen, de sociale verplichtingen of de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de exploitatie van een bureau voor private arbeidsbemiddeling;
d) aan wie tijdens een periode van vijf jaar, voor de start of tijdens de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling een exploitatieverbod met bedrijfssluiting, of een beroepsverbod met bedrijfssluiting werd opgelegd;
e) tijdens de periode van vijf jaar, voor de aanvang van of gedurende de uitoefening van diensten inzake private arbeidsbemiddeling ontheven zijn van hun burgerrechten en politieke rechten;
9° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die activiteiten van private arbeidsbemiddeling uitvoeren in strijd met de sociale of fiscale wetgeving;
10° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die de reglementering inzake de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten die in België van toepassing is, overtreden;
11°[3 de gebruiker die een beroep doet op een uitzendbureau dat niet beschikt over een regelmatige erkenning;]3;
12°[3 de gebruiker, zijn lasthebbers of aangestelden die het bureau aanzetten of opdracht geven om bij de bemiddeling discriminerende criteria te gebruiken;]3;
13° [3 ...]3;
14° [3 ...]3;
15° [3 ...]3;
16° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die enige vergoeding, commissielonen, bijdragen, toelatings- of inschrijvingsgelden vragen of ontvangen, buiten de door het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling bepaalde voorwaarden;
17° het uitzendbureau dat achterstallige belastingen, boeten of interesten verschuldigd is, socialezekerheidsbijdragen, met sociale zekerheid gelijkgestelde bijdragen, boeten of intresten verschuldigd is aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of bijdragen, boeten of interesten verschuldigd is aan de fondsen voor bestaanszekerheid;
18° het uitzendbureau dat de wettelijke voorwaarden inzake de uitzendarbeid niet naleeft;
19° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die de werknemer niet behandelen op een objectieve, respectvolle en niet-discriminerende wijze;]1
[2 20° [3 ...]3;
21° het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden, die voor de arbeidsbemiddeling met het oog op het afsluiten van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars samenwerken met een bureau dat niet voorafgaandelijk geregistreerd is;
22°[3 ...]3;
23° [3 ...]3.]2
[3 24А iedere persoon, vermeld in artikel 24, eerste lid, 1А en 2А, van dit decreet, die zich schuldig maakt aan een inbreuk als vermeld in artikel 24, eerste lid, 1А en 2А, van dit decreet;
25А het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die sportbeoefenaars jonger dan vijftien jaar direct of indirect benaderen om een overeenkomst te sluiten om diensten van private arbeidsbemiddeling voor sportbeoefenaars te verrichten;
26А het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die een vergoeding vragen om diensten van private arbeidsbemiddeling te verrichten voor een minderjarige sportbeoefenaar.]3
[3 Ї 3. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en op voorwaarde dat de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van 150 tot 1500 euro aan:
1А iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden die een uitzendbureau exploiteren zonder in het bezit te zijn van een voorafgaande regelmatige erkenning of die niet meer voldoen aan de erkenningsvoorwaarden;
2А het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die na de intrekking van de erkenning nog nieuwe overeenkomsten sluiten, die overeenkomsten wijzigen, vernieuwen of verlengen;
3А het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die na de intrekking of schrapping van de erkenning nog uitzendactiviteiten uitvoeren;
4А iedere persoon, zijn lasthebbers of aangestelden die een bureau als sportmakelaar uitbaten dat niet voorafgaandelijk geregistreerd is;
5А het bureau, zijn lasthebbers of aangestelden die na de schorsing of intrekking van de registratie nog activiteiten als sportmakelaar uitoefenen;
6А het uitzendbureau, zijn lasthebbers of aangestelden die een erkenning verkrijgen op basis van valse, onvolledige of onjuiste verklaringen;
7А de gebruiker die wetens en willens een beroep doet op een uitzendbureau dat niet beschikt over een regelmatige erkenning;
8А de werkgever die voor de arbeidsbemiddeling met het oog op het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars wetens en willens een beroep doet op een bureau dat niet voorafgaandelijk geregistreerd is.]3
Art. 13. [1 § 1er. Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont passibles de peines pénales, une amende administrative de [3 25 à 250 euros ]3 peut être infligée :
1° à toute personne, ainsi que ses mandataires ou préposés, qui exploitent un bureau par le biais d'une personne morale n'ayant pas été créée conformément aux règles de droit de l'Etat membre d'établissement;
2° [3 2° à l'agence, ses mandataires ou préposés qui prestent des services interdits en vertu de la convention du travail maritime adoptée à Genève le 23 février 2006]3;
3° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés effectuant des services qui concernent une cessation, une exclusion ou une suspension d'un contrat de travail tel que visé aux articles 50 et 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
4° au bureau, ses mandataires ou préposés qui refusent de permettre au mandant et au travailleur de consulter les données stockées qui les concernent ou de leur faire parvenir une copie de leur dossier après la cessation de la mission;
5° au bureau, ses mandataires ou préposés qui fournissent au mandant et au travailleur des informations incorrectes, incomplètes ou tardives concernant les services de placement et la nature de l'emploi;
6° au bureau, ses mandataires ou préposés qui enfreignent le code déontologique visé à l'article 5, 15°, du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;
7° au bureau, ses mandataires ou préposés qui posent comme condition, que les personnes pour lesquelles le bureau a effectué des activités de placement, demandent l'intervention dudit bureau pour chaque nouveau placement;
8° au bureau, ses mandataires ou préposés qui demandent une indemnité de la part de travailleurs qui mettent anticipativement fin à une procédure de placement ou qui n'accèdent pas à une vacance d'emploi pour laquelle ils avaient postulé;
9° au bureau, ses mandataires ou préposés qui ne délivrent pas d'attestation mentionnant date et heure de la visite, demandée par un postulant soumis au contrôle de chômage qui participe à une procédure de sélection;
10° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui font effectuer dans leurs locaux des activités intérimaires par des agences de travail intérimaire ou des mandataires ou préposés d'agences de travail intérimaire ne disposant pas d'un agrément ou dont l'agrément a été retiré ou supprimé;
11° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés mettant des personnes exclusivement à la disposition d'une seule entreprise utilisatrice;
12° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui font de la publicité pouvant tromper des intérimaires potentiels;
13° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui ne précisent pas clairement dans les annonces qu'ils visent à recruter de la main-d'oeuvre, ou qui n'y donnent pas d'informations correctes, complètes et objectives;
14° [3 14° à l'agence qui recourt à des moyens, mécanismes ou listes visant à empêcher les pêcheurs d'obtenir un engagement ;
15° à l'agence, ses mandataires ou préposés qui font de la publicité susceptible de tromper des sportifs rémunérés potentiels ;]3;
16° à l'employeur qui commet une infraction au décret du 19 juillet 1973 réglant l'emploi des langues en matière de relations sociales entre employeurs et travailleurs, ainsi qu'en matière d'actes et de documents d'entreprise prescrits par la loi et les règlements.
§ 2. Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont passibles de peines pénales, une amende administrative de [3 50 à 500 euros]3 peut être infligée :
1° à toute personne, ses mandataires ou préposés qui exploitent un bureau en qualité de personne physique sans jouir des droits civils et politiques;
2° à toute personne, ses mandataires ou préposés qui, outre les cas autorisés par l'article 47 de la Loi sur les Faillites du 8 août 1997 ou par une législation similaire dans l'Etat membre d'établissement, effectuent des services de placement privé au moment où le bureau se trouve en état de faillite ou d'insolvabilité notoire, ou fait l'objet d'une procédure de déclaration de faillite;
3° au bureau, ses mandataires ou préposés qui effectuent des services conduisant à l'attribution d'un emploi tel que visé à l'article 5, 5°, du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;
4° au bureau, ses mandataires ou préposés qui, lors de la prestation de services de placement privé, ne respectent pas la vie privée du travailleur et de l'employeur et ne traitent pas leurs données relevant de la vie privée conformément à la législation relative à la protection de la vie privée;
5° au bureau, ses mandataires ou préposés, qui recueillent des informations médicales en dehors des cas indispensables pour déterminer si un travailleur est en mesure d'exercer une certaine fonction ou pour remplir les exigences de santé et de sécurité;
6° au bureau, ses mandataires ou préposés qui effectuent ou font effectuer des tests génétiques;
7° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui coopèrent avec des agences de travail intérimaire non agréées;
8° aux administrateurs, gérants, mandataires ou autres personnes habilitées à engager ou représenter le bureau, ou les actionnaires principaux du bureau, dans la mesure où ces derniers exercent dans les faits les compétences de l'administrateur, qui effectuent des services de placement privé et qui :
a) pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, sont condamnés en raison de faillite, d'insolvabilité frauduleuse, de faux en écriture, d'abus de confiance, d'escroquerie, de corruption ou de fraude;
b) pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, sont tenus responsables des engagements ou des dettes d'une société tombée en faillite, en application des articles 229, 5°, 265, 315, 456, 4°, et 530, du Code des sociétés ou d'une législation similaire dans l'Etat membre d'établissement, ou ont exercé à plusieurs reprises une fonction de gérant ou de mandataire dans une société tombée en faillite;
c) pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, ont manqué à plusieurs reprises à leurs obligations fiscales, à leurs obligations sociales ou aux dispositions légales et réglementaires relatives à l'exploitation d'un bureau de placement privé;
d) se sont vus infliger, pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, une interdiction d'exploitation avec fermeture de l'entreprise ou une interdiction d'exercer la profession avec fermeture de l'entreprise;
e) pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, sont privés de leurs droits civils et politiques;
9° au bureau, ses mandataires ou préposés, qui effectuent des activités de placement privé qui sont contraires à la législation sociale ou fiscale;
10° au bureau, ses mandataires ou préposés, qui enfreignent la réglementation relative à l'engagement de main d'oeuvre étrangère d'application en Belgique;
11° [3 à l'utilisateur qui fait appel à une entreprise de travail intérimaire qui ne dispose pas d'un agrément régulier ;
12° à l'utilisateur, ses mandataires ou préposés qui incitent l'agence à ou lui donnent l'ordre d'utiliser des critères discriminatoires lors du placement ; ]3;
13° [3 ...]3;
14°[3 ...]3
15°[3 ...]3;
16° au bureau, ses mandataires ou préposés qui demandent ou reçoivent des indemnités, commissions, cotisations, droits d'admission ou d'inscription, en dehors des conditions fixées par le décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;
17° à l'agence de travail intérimaire qui fait l'objet d'arriérés d'impôts, d'amendes ou d'intérêts, ou de cotisations de sécurité sociale, de cotisations assimilées à la sécurité sociale, d'amendes ou d'intérêts dus à l'Office national de Sécurité sociale, ou de cotisations, d'amendes ou d'intérêts dus aux fonds de sécurité d'existence;
18° à l'agence de travail intérimaire qui n'observe pas les conditions légales en matière de travail intérimaire;
19° au bureau, ses mandataires ou préposés qui ne traitent pas le travailleur de manière objective, respectueuse et non discriminatoire;]1
[2 20°[3 ...]3 ;
21° au bureau, ses mandataires ou préposés, qui collaborent avec un bureau qui n'est pas préalablement enregistré, dans le cadre du placement en vue de la conclusion d'un contrat de travail pour des sportifs rémunérés ;
22° [3 ...]3;
23°[3 ...]3.]2
[3 24° à toute personne visée à l'article 24, alinéa 1er, 1° et 2°, du présent décret, qui se rend coupable d'une infraction telle que visée à l'article 24, alinéa 1er, 1° et 2°, du présent décret ;
25° à l'agence, ses mandataires ou préposés qui approchent, directement ou indirectement, des sportifs de moins de quinze ans en vue de conclure un contrat pour la prestation de services de placement privé de sportifs ;
26° à l'agence, ses mandataires ou préposés qui demandent une rémunération pour la prestation de services de placement privé pour un sportif mineur.]3
[3 § 3. Dans les conditions énoncées dans le présent décret et pour autant que les faits soient également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de 150 euros à 1500 euros peut être infligée à :
1° toute personne, ses mandataires ou préposés qui exploitent une entreprise de travail intérimaire sans être en possession d'un agrément régulier préalable ou qui ne satisfont plus aux conditions d'agrément ;
2° l'entreprise de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui, après le retrait de l'agrément, concluent encore de nouveaux contrats, qui modifient, renouvellent ou prolongent des contrats ;
3° l'entreprise de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui, après le retrait ou la radiation de l'agrément, exercent encore des activités de travail intérimaire ;
4° toute personne, ses mandataires ou préposés qui exploitent une agence en tant qu'agent sportif qui n'a pas été enregistrée au préalable ;
5° l'agence, ses mandataires ou préposés qui, après la suspension ou le retrait de l'enregistrement, exercent encore des activités en tant qu'agent sportif ;
6° l'entreprise de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui obtiennent un agrément sur la base de déclarations fausses, incomplètes ou inexactes ;
7° l'utilisateur qui, sciemment et volontairement, fait appel à une entreprise de travail intérimaire qui ne dispose pas d'un agrément régulier ;
8° l'employeur qui, pour le placement, fait appel, sciemment et volontairement, à une agence qui n'a pas été enregistrée au préalable en vue de conclure un contrat de travail de sportif rémunéré.]3
1° à toute personne, ainsi que ses mandataires ou préposés, qui exploitent un bureau par le biais d'une personne morale n'ayant pas été créée conformément aux règles de droit de l'Etat membre d'établissement;
2° [3 2° à l'agence, ses mandataires ou préposés qui prestent des services interdits en vertu de la convention du travail maritime adoptée à Genève le 23 février 2006]3;
3° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés effectuant des services qui concernent une cessation, une exclusion ou une suspension d'un contrat de travail tel que visé aux articles 50 et 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
4° au bureau, ses mandataires ou préposés qui refusent de permettre au mandant et au travailleur de consulter les données stockées qui les concernent ou de leur faire parvenir une copie de leur dossier après la cessation de la mission;
5° au bureau, ses mandataires ou préposés qui fournissent au mandant et au travailleur des informations incorrectes, incomplètes ou tardives concernant les services de placement et la nature de l'emploi;
6° au bureau, ses mandataires ou préposés qui enfreignent le code déontologique visé à l'article 5, 15°, du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;
7° au bureau, ses mandataires ou préposés qui posent comme condition, que les personnes pour lesquelles le bureau a effectué des activités de placement, demandent l'intervention dudit bureau pour chaque nouveau placement;
8° au bureau, ses mandataires ou préposés qui demandent une indemnité de la part de travailleurs qui mettent anticipativement fin à une procédure de placement ou qui n'accèdent pas à une vacance d'emploi pour laquelle ils avaient postulé;
9° au bureau, ses mandataires ou préposés qui ne délivrent pas d'attestation mentionnant date et heure de la visite, demandée par un postulant soumis au contrôle de chômage qui participe à une procédure de sélection;
10° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui font effectuer dans leurs locaux des activités intérimaires par des agences de travail intérimaire ou des mandataires ou préposés d'agences de travail intérimaire ne disposant pas d'un agrément ou dont l'agrément a été retiré ou supprimé;
11° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés mettant des personnes exclusivement à la disposition d'une seule entreprise utilisatrice;
12° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui font de la publicité pouvant tromper des intérimaires potentiels;
13° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui ne précisent pas clairement dans les annonces qu'ils visent à recruter de la main-d'oeuvre, ou qui n'y donnent pas d'informations correctes, complètes et objectives;
14° [3 14° à l'agence qui recourt à des moyens, mécanismes ou listes visant à empêcher les pêcheurs d'obtenir un engagement ;
15° à l'agence, ses mandataires ou préposés qui font de la publicité susceptible de tromper des sportifs rémunérés potentiels ;]3;
16° à l'employeur qui commet une infraction au décret du 19 juillet 1973 réglant l'emploi des langues en matière de relations sociales entre employeurs et travailleurs, ainsi qu'en matière d'actes et de documents d'entreprise prescrits par la loi et les règlements.
§ 2. Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont passibles de peines pénales, une amende administrative de [3 50 à 500 euros]3 peut être infligée :
1° à toute personne, ses mandataires ou préposés qui exploitent un bureau en qualité de personne physique sans jouir des droits civils et politiques;
2° à toute personne, ses mandataires ou préposés qui, outre les cas autorisés par l'article 47 de la Loi sur les Faillites du 8 août 1997 ou par une législation similaire dans l'Etat membre d'établissement, effectuent des services de placement privé au moment où le bureau se trouve en état de faillite ou d'insolvabilité notoire, ou fait l'objet d'une procédure de déclaration de faillite;
3° au bureau, ses mandataires ou préposés qui effectuent des services conduisant à l'attribution d'un emploi tel que visé à l'article 5, 5°, du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;
4° au bureau, ses mandataires ou préposés qui, lors de la prestation de services de placement privé, ne respectent pas la vie privée du travailleur et de l'employeur et ne traitent pas leurs données relevant de la vie privée conformément à la législation relative à la protection de la vie privée;
5° au bureau, ses mandataires ou préposés, qui recueillent des informations médicales en dehors des cas indispensables pour déterminer si un travailleur est en mesure d'exercer une certaine fonction ou pour remplir les exigences de santé et de sécurité;
6° au bureau, ses mandataires ou préposés qui effectuent ou font effectuer des tests génétiques;
7° à l'agence de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui coopèrent avec des agences de travail intérimaire non agréées;
8° aux administrateurs, gérants, mandataires ou autres personnes habilitées à engager ou représenter le bureau, ou les actionnaires principaux du bureau, dans la mesure où ces derniers exercent dans les faits les compétences de l'administrateur, qui effectuent des services de placement privé et qui :
a) pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, sont condamnés en raison de faillite, d'insolvabilité frauduleuse, de faux en écriture, d'abus de confiance, d'escroquerie, de corruption ou de fraude;
b) pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, sont tenus responsables des engagements ou des dettes d'une société tombée en faillite, en application des articles 229, 5°, 265, 315, 456, 4°, et 530, du Code des sociétés ou d'une législation similaire dans l'Etat membre d'établissement, ou ont exercé à plusieurs reprises une fonction de gérant ou de mandataire dans une société tombée en faillite;
c) pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, ont manqué à plusieurs reprises à leurs obligations fiscales, à leurs obligations sociales ou aux dispositions légales et réglementaires relatives à l'exploitation d'un bureau de placement privé;
d) se sont vus infliger, pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, une interdiction d'exploitation avec fermeture de l'entreprise ou une interdiction d'exercer la profession avec fermeture de l'entreprise;
e) pendant une période de cinq ans préalablement au début des services de placement privé ou pendant l'exercice de ceux-ci, sont privés de leurs droits civils et politiques;
9° au bureau, ses mandataires ou préposés, qui effectuent des activités de placement privé qui sont contraires à la législation sociale ou fiscale;
10° au bureau, ses mandataires ou préposés, qui enfreignent la réglementation relative à l'engagement de main d'oeuvre étrangère d'application en Belgique;
11° [3 à l'utilisateur qui fait appel à une entreprise de travail intérimaire qui ne dispose pas d'un agrément régulier ;
12° à l'utilisateur, ses mandataires ou préposés qui incitent l'agence à ou lui donnent l'ordre d'utiliser des critères discriminatoires lors du placement ; ]3;
13° [3 ...]3;
14°[3 ...]3
15°[3 ...]3;
16° au bureau, ses mandataires ou préposés qui demandent ou reçoivent des indemnités, commissions, cotisations, droits d'admission ou d'inscription, en dehors des conditions fixées par le décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé;
17° à l'agence de travail intérimaire qui fait l'objet d'arriérés d'impôts, d'amendes ou d'intérêts, ou de cotisations de sécurité sociale, de cotisations assimilées à la sécurité sociale, d'amendes ou d'intérêts dus à l'Office national de Sécurité sociale, ou de cotisations, d'amendes ou d'intérêts dus aux fonds de sécurité d'existence;
18° à l'agence de travail intérimaire qui n'observe pas les conditions légales en matière de travail intérimaire;
19° au bureau, ses mandataires ou préposés qui ne traitent pas le travailleur de manière objective, respectueuse et non discriminatoire;]1
[2 20°[3 ...]3 ;
21° au bureau, ses mandataires ou préposés, qui collaborent avec un bureau qui n'est pas préalablement enregistré, dans le cadre du placement en vue de la conclusion d'un contrat de travail pour des sportifs rémunérés ;
22° [3 ...]3;
23°[3 ...]3.]2
[3 24° à toute personne visée à l'article 24, alinéa 1er, 1° et 2°, du présent décret, qui se rend coupable d'une infraction telle que visée à l'article 24, alinéa 1er, 1° et 2°, du présent décret ;
25° à l'agence, ses mandataires ou préposés qui approchent, directement ou indirectement, des sportifs de moins de quinze ans en vue de conclure un contrat pour la prestation de services de placement privé de sportifs ;
26° à l'agence, ses mandataires ou préposés qui demandent une rémunération pour la prestation de services de placement privé pour un sportif mineur.]3
[3 § 3. Dans les conditions énoncées dans le présent décret et pour autant que les faits soient également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de 150 euros à 1500 euros peut être infligée à :
1° toute personne, ses mandataires ou préposés qui exploitent une entreprise de travail intérimaire sans être en possession d'un agrément régulier préalable ou qui ne satisfont plus aux conditions d'agrément ;
2° l'entreprise de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui, après le retrait de l'agrément, concluent encore de nouveaux contrats, qui modifient, renouvellent ou prolongent des contrats ;
3° l'entreprise de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui, après le retrait ou la radiation de l'agrément, exercent encore des activités de travail intérimaire ;
4° toute personne, ses mandataires ou préposés qui exploitent une agence en tant qu'agent sportif qui n'a pas été enregistrée au préalable ;
5° l'agence, ses mandataires ou préposés qui, après la suspension ou le retrait de l'enregistrement, exercent encore des activités en tant qu'agent sportif ;
6° l'entreprise de travail intérimaire, ses mandataires ou préposés qui obtiennent un agrément sur la base de déclarations fausses, incomplètes ou inexactes ;
7° l'utilisateur qui, sciemment et volontairement, fait appel à une entreprise de travail intérimaire qui ne dispose pas d'un agrément régulier ;
8° l'employeur qui, pour le placement, fait appel, sciemment et volontairement, à une agence qui n'a pas été enregistrée au préalable en vue de conclure un contrat de travail de sportif rémunéré.]3
Art. 13/1. [1 § 1.[2 ...]2.
§ 2. [3 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder subsidie: de steun, vermeld in het decreet van 22 maart 2024 over de ondersteuning van sociale economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen, met uitzondering van de steun, vermeld in hoofdstuk 7 van het voormelde decreet.]3
§ 2. [3 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder subsidie: de steun, vermeld in het decreet van 22 maart 2024 over de ondersteuning van sociale economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen, met uitzondering van de steun, vermeld in hoofdstuk 7 van het voormelde decreet.]3
Art. 13/1. [1 § [2 ...]2.
§ 2. [3 Pour l'application du présent article, on entend par subvention : l'aide visée dans le décret du 22 mars 2024 relatif à l'appui à l'économie sociale et à la responsabilité sociale des entreprises, à l'exception de l'aide visée dans le chapitre 7 du décret précité.]3
§ 2. [3 Pour l'application du présent article, on entend par subvention : l'aide visée dans le décret du 22 mars 2024 relatif à l'appui à l'économie sociale et à la responsabilité sociale des entreprises, à l'exception de l'aide visée dans le chapitre 7 du décret précité.]3
Onder de voorwaarden vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het [3 voormelde decreet]3, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 150 euro tot 1500 euro]2 aan :
1° personen die wetens en willens een subsidie aanwenden voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor ze de subsidie hebben verkregen;
2° personen die [2 ...]2 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° personen die [2 ...]2 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze gehouden zijn te verstrekken, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
4° personen die [2 ...]2 een subsidie hebben verkregen of behouden waarop ze geen of slechts gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
5° personen die, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) valsheid in geschrifte hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) zich bediend hebben van een valse akte of een vals stuk;
6° personen die, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) bedrog hebben gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens verandert;
b) hebben gebruikgemaakt van die gegevens, terwijl ze weten dat de aldus verkregen gegevens vals zijn;
7° personen die, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, hebben gebruikgemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen, of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictief persoon, een fictieve onderneming, of een andere fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
1° personen die wetens en willens een subsidie aanwenden voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor ze de subsidie hebben verkregen;
2° personen die [2 ...]2 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° personen die [2 ...]2 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze gehouden zijn te verstrekken, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
4° personen die [2 ...]2 een subsidie hebben verkregen of behouden waarop ze geen of slechts gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
5° personen die, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) valsheid in geschrifte hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) zich bediend hebben van een valse akte of een vals stuk;
6° personen die, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) bedrog hebben gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens verandert;
b) hebben gebruikgemaakt van die gegevens, terwijl ze weten dat de aldus verkregen gegevens vals zijn;
7° personen die, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, hebben gebruikgemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen, of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictief persoon, een fictieve onderneming, of een andere fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [2 150 à 1500 euros]2 peut être infligée pour les infractions suivantes au [3 décret précité]3 :
1° des personnes qui[2 ...]2 utilisent une subvention à d'autres fins que pour lesquelles la subvention a été octroyée;
2° des personnes, qui[2 ...]2 ont fait des déclarations inexactes ou incomplètes afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre;
3° des personnes qui[2 ...]2 ont négligé ou ont refusé de faire des déclarations nécessaire ou de fournir des renseignements qu'ils sont tenus de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre;
4° des personnes qui[2 ...]2 ont obtenu ou maintenu une subvention à laquelle ils n'ont pas droit ou à laquelle ils n'ont droit qu'en partie, sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes, ou en négligeant de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements;
5° des personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre :
a) ont fait des faux en écriture, soit par de fausses signatures, soit par contrefaction ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dettes ou en les intégrant dans un acte, soit par l'ajout ou de falsification de clauses, déclarations ou faits qui doivent être repris ou constatés dans un acte;
b) se sont servis d'un faux acte ou d'un document faux;
6° des personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre :
a) ont fraudé en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible de données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change;
b) ont utilisé ces données, tout en sachant que les données ainsi obtenues sont fausses;
7° des personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont fait des actes frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, une entreprise fictive ou un autre événement fictif, ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière.]1
1° des personnes qui[2 ...]2 utilisent une subvention à d'autres fins que pour lesquelles la subvention a été octroyée;
2° des personnes, qui[2 ...]2 ont fait des déclarations inexactes ou incomplètes afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre;
3° des personnes qui[2 ...]2 ont négligé ou ont refusé de faire des déclarations nécessaire ou de fournir des renseignements qu'ils sont tenus de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre;
4° des personnes qui[2 ...]2 ont obtenu ou maintenu une subvention à laquelle ils n'ont pas droit ou à laquelle ils n'ont droit qu'en partie, sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes, ou en négligeant de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements;
5° des personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre :
a) ont fait des faux en écriture, soit par de fausses signatures, soit par contrefaction ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dettes ou en les intégrant dans un acte, soit par l'ajout ou de falsification de clauses, déclarations ou faits qui doivent être repris ou constatés dans un acte;
b) se sont servis d'un faux acte ou d'un document faux;
6° des personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre :
a) ont fraudé en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible de données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change;
b) ont utilisé ces données, tout en sachant que les données ainsi obtenues sont fausses;
7° des personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont fait des actes frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, une entreprise fictive ou un autre événement fictif, ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière.]1
Art. 13/2. [1 § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 25 euro tot 250 euro]4 aan :
1° het maatwerkbedrijf, zijn lasthebbers of aangestelden die nalaten om voor de doelgroepwerknemers een persoonlijk ontwikkelingsplan en competentieprofiel op te stellen en hen jaarlijks te evalueren;
2° [2 ...]2
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 50 euro tot 500 euro]4 :
1° [4 ...]4;
2° [4 ...]4;
3° het maatwerkbedrijf, zijn lasthebbers of aangestelden die niet voldoen aan de begeleidingsvoorwaarden, vermeld in artikel 15 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
4° [2 ...]2
5° het maatwerkbedrijf, zijn lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van artikel 32 tot en met 34 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling niet naleven.
[3 Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van 50 euro tot 500 euro aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde als hij in strijd met de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan de arbeidsovereenkomst van de buitenlandse onderdaan verbreekt of een betekenisvolle wijziging aan de arbeidsvoorwaarden doorvoert, en moedwillig nalaat de bevoegde overheid hiervan schriftelijk te verwittigen.]3
§ 3. Onder de voorwaarden vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 150 euro tot 1500 euro]4 :
1° personen die [4 ...]4 de subsidie aanwenden voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor ze de subsidie hebben verkregen;
2° personen die [4 ...]4 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° personen die [4 ...]4 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze gehouden zijn te verstrekken, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
4° personen die [4 ...]4 een subsidie hebben verkregen of behouden waarop ze geen of slechts gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
5° personen die, om de subsidie ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) valsheid in geschrifte hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) zich bediend hebben van een valse akte of een vals stuk;
6° personen die, om de subsidie ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) bedrog hebben gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) hebben gebruikgemaakt van die gegevens, terwijl ze weten dat de aldus verkregen gegevens vals zijn;
7° personen die, om de subsidie ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, hebben gebruikgemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen, of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming, of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
1° het maatwerkbedrijf, zijn lasthebbers of aangestelden die nalaten om voor de doelgroepwerknemers een persoonlijk ontwikkelingsplan en competentieprofiel op te stellen en hen jaarlijks te evalueren;
2° [2 ...]2
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 50 euro tot 500 euro]4 :
1° [4 ...]4;
2° [4 ...]4;
3° het maatwerkbedrijf, zijn lasthebbers of aangestelden die niet voldoen aan de begeleidingsvoorwaarden, vermeld in artikel 15 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
4° [2 ...]2
5° het maatwerkbedrijf, zijn lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van artikel 32 tot en met 34 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling niet naleven.
[3 Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van 50 euro tot 500 euro aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde als hij in strijd met de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan de arbeidsovereenkomst van de buitenlandse onderdaan verbreekt of een betekenisvolle wijziging aan de arbeidsvoorwaarden doorvoert, en moedwillig nalaat de bevoegde overheid hiervan schriftelijk te verwittigen.]3
§ 3. Onder de voorwaarden vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 150 euro tot 1500 euro]4 :
1° personen die [4 ...]4 de subsidie aanwenden voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor ze de subsidie hebben verkregen;
2° personen die [4 ...]4 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° personen die [4 ...]4 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze gehouden zijn te verstrekken, om ten onrechte een subsidie te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
4° personen die [4 ...]4 een subsidie hebben verkregen of behouden waarop ze geen of slechts gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
5° personen die, om de subsidie ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) valsheid in geschrifte hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) zich bediend hebben van een valse akte of een vals stuk;
6° personen die, om de subsidie ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) bedrog hebben gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) hebben gebruikgemaakt van die gegevens, terwijl ze weten dat de aldus verkregen gegevens vals zijn;
7° personen die, om de subsidie ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, hebben gebruikgemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen, of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming, of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
Änderungen
Art. 13/2. [1 § 1er. Sous les conditions visées dans le présent décret, et si les faits sont passibles de sanctions pénales, une amende de [4 25 à 250 euros]4 peut être imposée pour les infractions suivantes au décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective :
1° l'entreprise de travail adapté, ses mandataires ou préposés ayant négligé d'établir pour les travailleurs du groupe cible un plan de développement personnel ou profil de compétence et de les évaluer annuellement;
2° [2 ...]2
§ 2. Sous les conditions visées dans le présent décret, et si les faits sont passibles de sanctions pénales, une amende de [4 50 à 500 euros]4 peut être imposée pour les infractions suivantes au décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective :
1° [4 ...]4;
2° [4 ...]4;
3° l'entreprise de travail adapté, ses mandataires ou préposés qui ne répondent pas aux conditions d'accompagnement visées à l'article 15 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective;
4° [2 ...]2
5° l'entreprise de travail adapté, ses mandataires ou ses préposés qui ne respectent pas les dispositions des articles 32 à 34 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective.
[3 Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont passibles de poursuites pénales, une amende administrative de 50 à 500 euros peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé s'il rompt le contrat de travail du ressortissant étranger ou s'il apporte une modification significative aux conditions de travail en omettant à dessein d'en avertir les autorités par écrit, en violation des dispositions de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et de ses arrêtés d'exécution.]3
§ 3. Sous les conditions visées dans le présent décret, et si les faits sont passibles de sanctions pénales, une amende de[4 150 à 1500 euros]4 peut être imposée pour les infractions suivantes au décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective :
1° des personnes qui[4 ...]4 utilisent une subvention à d'autres fins que celles pour lesquelles la subvention a été octroyée;
2° des personnes qui[4 ...]4 déclarations inexactes ou incomplètes afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre;
3° des personnes qui[4 ...]4 ont négligé ou ont refusé de faire des déclarations nécessaire ou de fournir des renseignements qu'elles sont tenues de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre;
4° des personnes qui[4 ...]4 ont obtenu ou maintenu une subvention à laquelle elles n'ont pas droit ou à laquelle elles n'ont droit qu'en partie, sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes, ou en négligeant ou en refusant de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements;
5° des personnes, qui[4 ...]4 afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre :
a) ont fait des faux en écriture, soit par de signatures fausses, soit par contrefaction ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dette ou en les intégrant dans un acte, soit par l'ajout ou de falsification de clauses, déclarations ou faits qui doivent être repris ou constatés dans un acte;
b) se sont servi d'un acte faux ou d'une fausse pièce;
6° des personnes, qui, sciemment, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre :
a) ont fraudé en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible de données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change;
b) ont utilisé ces données, tout en sachant que les données ainsi obtenues sont fausses;
7° des personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont fait des actes frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, une entreprise fictive ou un autre événement fictif, ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière. ]1
1° l'entreprise de travail adapté, ses mandataires ou préposés ayant négligé d'établir pour les travailleurs du groupe cible un plan de développement personnel ou profil de compétence et de les évaluer annuellement;
2° [2 ...]2
§ 2. Sous les conditions visées dans le présent décret, et si les faits sont passibles de sanctions pénales, une amende de [4 50 à 500 euros]4 peut être imposée pour les infractions suivantes au décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective :
1° [4 ...]4;
2° [4 ...]4;
3° l'entreprise de travail adapté, ses mandataires ou préposés qui ne répondent pas aux conditions d'accompagnement visées à l'article 15 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective;
4° [2 ...]2
5° l'entreprise de travail adapté, ses mandataires ou ses préposés qui ne respectent pas les dispositions des articles 32 à 34 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective.
[3 Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont passibles de poursuites pénales, une amende administrative de 50 à 500 euros peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé s'il rompt le contrat de travail du ressortissant étranger ou s'il apporte une modification significative aux conditions de travail en omettant à dessein d'en avertir les autorités par écrit, en violation des dispositions de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et de ses arrêtés d'exécution.]3
§ 3. Sous les conditions visées dans le présent décret, et si les faits sont passibles de sanctions pénales, une amende de[4 150 à 1500 euros]4 peut être imposée pour les infractions suivantes au décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective :
1° des personnes qui[4 ...]4 utilisent une subvention à d'autres fins que celles pour lesquelles la subvention a été octroyée;
2° des personnes qui[4 ...]4 déclarations inexactes ou incomplètes afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre;
3° des personnes qui[4 ...]4 ont négligé ou ont refusé de faire des déclarations nécessaire ou de fournir des renseignements qu'elles sont tenues de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre;
4° des personnes qui[4 ...]4 ont obtenu ou maintenu une subvention à laquelle elles n'ont pas droit ou à laquelle elles n'ont droit qu'en partie, sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes, ou en négligeant ou en refusant de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements;
5° des personnes, qui[4 ...]4 afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre :
a) ont fait des faux en écriture, soit par de signatures fausses, soit par contrefaction ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dette ou en les intégrant dans un acte, soit par l'ajout ou de falsification de clauses, déclarations ou faits qui doivent être repris ou constatés dans un acte;
b) se sont servi d'un acte faux ou d'une fausse pièce;
6° des personnes, qui, sciemment, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre :
a) ont fraudé en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible de données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change;
b) ont utilisé ces données, tout en sachant que les données ainsi obtenues sont fausses;
7° des personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une subvention à injuste titre, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont fait des actes frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, une entreprise fictive ou un autre événement fictif, ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière. ]1
Änderungen
Art. 13/3. [1 § 1. [4 ...]4.
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, een administratieve geldboete opgelegd worden van [3 50 tot 500 euro]3 aan:
1° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die dienstencheques van de gebruiker aanvaarden als de buurtwerken of -diensten nog niet zijn uitgevoerd;
2° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die buurtwerken of diensten laten uitvoeren door een werknemer die niet werd aangeworven voor de uitvoering van die buurtwerken of -diensten;
3° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de registratie van de dienstenchequeactiviteiten niet op dergelijke wijze organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques;
4° [3 ...]3;
5° [3 ...]3;
6° [3 ...]3;
7° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die een ander dan het vanaf hun erkenning bijkomende arbeidsvolume van activiteiten van thuishulp van huishoudelijke aard met dienstencheques laten betalen;
8° de gebruiker of de werknemer die wetens en willens heeft deelgenomen aan de inbreuken, vermeld in punt 1° tot en met 7°, en in artikel 10sexies van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.
[2 9° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de werknemer of klant niet behandelen op een respectvolle en niet-discriminerende wijze als vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid, i en j, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.]2
[3 0А de werkgever, zijn lasthebbers of de aangestelden die de gebruiker vertegenwoordigen voor de toepassing van artikel 3, Ї 2, eerste lid, en artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, of de werknemer vertegenwoordigen om de dienstencheques te ondertekenen;
11А de personen die dienstencheques aanwenden voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor ze die hebben verkregen;
12А de personen die dienstencheques hebben verkregen, behouden of aanwenden op basis van onjuiste of onvolledige verklaringen, of door na te laten om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken.]3
[4 13° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de prestaties niet binnen dertig dagen na de prestatiedatum registreren in het beheersysteem van het uitgiftebedrijf.]4
[3 Ї 2/1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen een administratieve geldboete opgelegd worden van 150 tot 1500 euro aan:
1А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die buurtwerken of -diensten leveren zonder te beschikken over een voorafgaande regelmatige erkenning of die niet meer voldoen aan de erkenningsvoorwaarden;
2А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die een andere activiteit uitvoeren dan de activiteiten waarvoor een erkenning is verleend op grond van de voormelde wet, en die niet over een sui-generisafdeling beschikken die zich specifiek bezighoudt met de tewerkstelling in het kader van het stelsel van dienstencheques, vermeld in artikel 2, Ї 2, eerste lid, a, van de voormelde wet;
3А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques, in onderaanneming laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
4А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die in het kader van de buurtwerken of -diensten activiteiten uitvoeren die niet zijn toegelaten in de beslissing tot erkenning;
5А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die dienstencheques aannemen om activiteiten te betalen die geen buurtwerken of -diensten zijn;
6А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die meer dienstencheques voor betaling aanvaarden en overzenden aan het uitgiftebedrijf voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten in een bepaald kwartaal dan het aantal arbeidsuren dat bij de RSZ is aangegeven voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten dat voor datzelfde kwartaal is gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.]3
§ 3.[3 Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen een administratieve geldboete opgelegd worden van 300 tot 3000 euro aan:
1А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die in het kader van de buurtwerken of -diensten wetens en willens activiteiten uitvoeren die niet toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
2А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die wetens en willens dienstencheques aannemen om activiteiten te betalen die geen buurtwerken of -diensten zijn;
3А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die wetens en willens meer dienstencheques voor betaling aanvaarden en overzenden aan het uitgiftebedrijf voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten in een bepaald kwartaal dan het aantal arbeidsuren dat bij de RSZ is aangegeven voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten dat voor datzelfde kwartaal is gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques;
4А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die wetens en willens de inbreuk, vermeld in artikel 10quinquies, eerste lid, 10А, van de voormelde wet, hebben gepleegd;
5А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op een dergelijke wijze organiseren zodat het voor de inspectiediensten onmogelijk is om exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques.]3.
§ 4. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, een administratieve geldboete opgelegd worden van [3 300 tot 3000 euro]3 aan:
1° de personen die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden;
2° de personen die wetens en willens hebben nagelaten of geweigerd om nood-zakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze gehouden zijn te verstrekken, om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden;
3° de personen die wetens en willens dienstencheques ten onrechte hebben verkregen of behouden waarop ze geen of slechts gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
4° de personen die, om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden:
a) valsheid in geschrifte hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) zich bediend hebben van een valse akte of een vals stuk, terwijl ze weten dat de gebruikte akte of het gebruikte stuk vals is;
5° de personen die, om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden:
a) bedrog hebben gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) hebben gebruikgemaakt van die gegevens, terwijl ze weten dat de aldus verkregen gegevens vals zijn;
6° de personen die, om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden, hebben gebruikgemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
[3 7° de gebruiker of de werknemer die wetens en willens heeft deelgenomen aan de inbreuken, vermeld in punt 1А tot en met 6А, en artikel 10sexies van de voormelde wet.]3
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, een administratieve geldboete opgelegd worden van [3 50 tot 500 euro]3 aan:
1° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die dienstencheques van de gebruiker aanvaarden als de buurtwerken of -diensten nog niet zijn uitgevoerd;
2° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die buurtwerken of diensten laten uitvoeren door een werknemer die niet werd aangeworven voor de uitvoering van die buurtwerken of -diensten;
3° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de registratie van de dienstenchequeactiviteiten niet op dergelijke wijze organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques;
4° [3 ...]3;
5° [3 ...]3;
6° [3 ...]3;
7° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die een ander dan het vanaf hun erkenning bijkomende arbeidsvolume van activiteiten van thuishulp van huishoudelijke aard met dienstencheques laten betalen;
8° de gebruiker of de werknemer die wetens en willens heeft deelgenomen aan de inbreuken, vermeld in punt 1° tot en met 7°, en in artikel 10sexies van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.
[2 9° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de werknemer of klant niet behandelen op een respectvolle en niet-discriminerende wijze als vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid, i en j, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.]2
[3 0А de werkgever, zijn lasthebbers of de aangestelden die de gebruiker vertegenwoordigen voor de toepassing van artikel 3, Ї 2, eerste lid, en artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, of de werknemer vertegenwoordigen om de dienstencheques te ondertekenen;
11А de personen die dienstencheques aanwenden voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor ze die hebben verkregen;
12А de personen die dienstencheques hebben verkregen, behouden of aanwenden op basis van onjuiste of onvolledige verklaringen, of door na te laten om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken.]3
[4 13° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de prestaties niet binnen dertig dagen na de prestatiedatum registreren in het beheersysteem van het uitgiftebedrijf.]4
[3 Ї 2/1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen een administratieve geldboete opgelegd worden van 150 tot 1500 euro aan:
1А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die buurtwerken of -diensten leveren zonder te beschikken over een voorafgaande regelmatige erkenning of die niet meer voldoen aan de erkenningsvoorwaarden;
2А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die een andere activiteit uitvoeren dan de activiteiten waarvoor een erkenning is verleend op grond van de voormelde wet, en die niet over een sui-generisafdeling beschikken die zich specifiek bezighoudt met de tewerkstelling in het kader van het stelsel van dienstencheques, vermeld in artikel 2, Ї 2, eerste lid, a, van de voormelde wet;
3А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques, in onderaanneming laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
4А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die in het kader van de buurtwerken of -diensten activiteiten uitvoeren die niet zijn toegelaten in de beslissing tot erkenning;
5А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die dienstencheques aannemen om activiteiten te betalen die geen buurtwerken of -diensten zijn;
6А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die meer dienstencheques voor betaling aanvaarden en overzenden aan het uitgiftebedrijf voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten in een bepaald kwartaal dan het aantal arbeidsuren dat bij de RSZ is aangegeven voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten dat voor datzelfde kwartaal is gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.]3
§ 3.[3 Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen een administratieve geldboete opgelegd worden van 300 tot 3000 euro aan:
1А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die in het kader van de buurtwerken of -diensten wetens en willens activiteiten uitvoeren die niet toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
2А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die wetens en willens dienstencheques aannemen om activiteiten te betalen die geen buurtwerken of -diensten zijn;
3А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die wetens en willens meer dienstencheques voor betaling aanvaarden en overzenden aan het uitgiftebedrijf voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten in een bepaald kwartaal dan het aantal arbeidsuren dat bij de RSZ is aangegeven voor verrichte prestaties van buurtwerken of -diensten dat voor datzelfde kwartaal is gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques;
4А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die wetens en willens de inbreuk, vermeld in artikel 10quinquies, eerste lid, 10А, van de voormelde wet, hebben gepleegd;
5А de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op een dergelijke wijze organiseren zodat het voor de inspectiediensten onmogelijk is om exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques.]3.
§ 4. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, een administratieve geldboete opgelegd worden van [3 300 tot 3000 euro]3 aan:
1° de personen die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden;
2° de personen die wetens en willens hebben nagelaten of geweigerd om nood-zakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze gehouden zijn te verstrekken, om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden;
3° de personen die wetens en willens dienstencheques ten onrechte hebben verkregen of behouden waarop ze geen of slechts gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
4° de personen die, om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden:
a) valsheid in geschrifte hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) zich bediend hebben van een valse akte of een vals stuk, terwijl ze weten dat de gebruikte akte of het gebruikte stuk vals is;
5° de personen die, om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden:
a) bedrog hebben gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) hebben gebruikgemaakt van die gegevens, terwijl ze weten dat de aldus verkregen gegevens vals zijn;
6° de personen die, om dienstencheques ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen,[3 aan te wenden,]3 te behouden of te doen behouden, hebben gebruikgemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
[3 7° de gebruiker of de werknemer die wetens en willens heeft deelgenomen aan de inbreuken, vermeld in punt 1А tot en met 6А, en artikel 10sexies van de voormelde wet.]3
Art. 13/3. [1 § 1er. [4 ...]4.
§ 2. Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de 250 à 2500 euros peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, à :
1° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui acceptent des titres-services de l'utilisateur si les travaux ou services de proximité ne sont pas encore exécutés ;
2° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui font exécuter des travaux ou services de proximité par un travailleur qui n'a pas été recruté pour l'exécution de ces travaux ou services de proximité ;
3° [3 ...]3;
4° [3 ...]3;
5° [3 ...]3;
6° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui font exécuter des travaux ou services financés par des titres-services, en sous-traitance par une autre entreprise ou institution ;
7° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui font payer par des titres-services un autre volume de travail que le volume de travail supplémentaire d'activités d'aide à domicile de nature ménagère à partir de leur agrément ;
8° l'utilisateur ou le travailleur qui a sciemment participé aux infractions, visées aux points 1° à 7° inclus, et à l'article 10sexies de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité.
[2 9° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ne traitent pas le travailleur ou client de manière respectueuse et non-discriminatoire, telle que visée à l'article 2, § 2, alinéa premier, i et j, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité. ]2
[3 10° l'employeur, ses mandataires ou les préposés qui représentent l'utilisateur pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er, et de l'article 6 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, ou qui représentent le travailleur pour signer les titres-services ;
11° les personnes qui utilisent les titres-services à d'autres fins que celles pour lesquelles elles les ont obtenus ;
12° les personnes qui ont obtenu, conservent ou utilisent des titres-services sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes ou en omettant de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements.]3
[4 13° l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui n'enregistrent pas les prestations dans le système de gestion de la société émettrice dans les trente jours suivant la date de prestation.]4
[3 § 2/1. Dans les conditions énoncées dans le présent décret et si les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de 150 à 1500 euros peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité à :
1° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui fournissent des travaux ou services de proximité sans disposer d'un agrément régulier préalable ou qui ne satisfont plus aux conditions d'agrément ;
2° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui effectuent une activité autre que celles pour lesquelles un agrément a été accordé en vertu de la loi précitée et qui ne disposent pas d'une division sui generis s'occupant spécifiquement de l'emploi dans le cadre du régime des titres-services, telle que visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi précitée ;
3° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui sous-traitent des travaux ou services financés par des titres-services à une autre entreprise ou à un autre organisme ;
4° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui effectuent, dans le cadre des travaux ou services de proximité, des activités non autorisées dans la décision d'agrément ;
5° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui acceptent des titres-services pour payer des activités qui ne sont pas des travaux ou services de proximité ;
6° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui acceptent et transmettent à la société émettrice, en vue du remboursement, plus de titres-services pour des prestations de travaux ou services de proximité effectuées durant un trimestre donné que le nombre d'heures de travail, déclaré auprès de l'ONSS pour des prestations de travaux ou services de proximité effectuées, qui a été presté pendant ce même trimestre par des travailleurs sous contrat de travail titres-services. ]3
§ 3.[3 Dans les conditions énoncées dans le présent décret et si les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de 300 à 3000 euros peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité à :
1° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui effectuent, sciemment et volontairement, dans le cadre des travaux ou services de proximité, des activités non autorisées dans la décision d'agrément ;
2° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui acceptent, sciemment et volontairement, des titres-services pour payer des activités qui ne sont pas des travaux ou services de proximité ;
3° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui, sciemment et volontairement, acceptent et transmettent à la société émettrice, en vue du remboursement, plus de titres-services pour des prestations de travaux ou services de proximité effectuées durant un trimestre donné que le nombre d'heures de travail, déclaré auprès de l'ONSS pour des prestations de travaux ou services de proximité effectuées, qui a été presté pendant ce même trimestre par des travailleurs sous contrat de travail titres-services ;
4° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ont commis, sciemment et volontairement, l'infraction visée à l'article 10quinquies, alinéa 1er, 10°, de la loi précitée ;
5° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui organisent l'enregistrement des activités de titres-services de telle manière qu'il est impossible aux services d'inspection de vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants.]3.
§ 4. Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [3 300 à 3000 euros ]3 peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, aux :
1° personnes [3 qui, sciemment et volontairement, ont ]3 fait des déclarations inexactes ou incomplètes[3 afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services ]3 ;
2° personnes [3 qui, sciemment et volontairement, ont]3 négligé ou refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'elles sont tenues de fournir,[3 afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services]3;
3° personnes [3 qui, sciemment et volontairement, ont obtenu, conservent ou utilisent]3 des titres-services auxquels elles n'ont pas droit ou auxquels elles n'ont droit qu'en partie, sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes, ou en négligeant de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements ;
4° personnes,[3 qui, sciemment et volontairement, ont]3, [3 afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services ]3 :
a) ont fait des faux en écriture, soit par de signatures fausses, soit par contrefaction ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dette ou en les intégrant dans un acte, soit par l'ajout ou la falsification de clauses, déclarations ou faits qui doivent être repris ou constatés dans un acte ;
b) se sont servies d'un faux acte ou d'un document faux, tout en sachant que l'acte ou le document utilisé sont faux ;
5° personnes,[3 qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services]3:
a) ont fraudé en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible de données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change ;
b) ont utilisé ces données, tout en sachant que les données ainsi obtenues sont fausses ;
6° personnes,[3 qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services ]3, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont fait des actes frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, une entreprise fictive ou un autre événement fictif, ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière.]1
[3 7° à l'utilisateur ou au travailleur qui, sciemment et volontairement, a pris part aux infractions visées aux points 1° à 6°, et à l'article 10sexies de la loi précitée.]3
§ 2. Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de 250 à 2500 euros peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, à :
1° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui acceptent des titres-services de l'utilisateur si les travaux ou services de proximité ne sont pas encore exécutés ;
2° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui font exécuter des travaux ou services de proximité par un travailleur qui n'a pas été recruté pour l'exécution de ces travaux ou services de proximité ;
3° [3 ...]3;
4° [3 ...]3;
5° [3 ...]3;
6° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui font exécuter des travaux ou services financés par des titres-services, en sous-traitance par une autre entreprise ou institution ;
7° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui font payer par des titres-services un autre volume de travail que le volume de travail supplémentaire d'activités d'aide à domicile de nature ménagère à partir de leur agrément ;
8° l'utilisateur ou le travailleur qui a sciemment participé aux infractions, visées aux points 1° à 7° inclus, et à l'article 10sexies de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité.
[2 9° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ne traitent pas le travailleur ou client de manière respectueuse et non-discriminatoire, telle que visée à l'article 2, § 2, alinéa premier, i et j, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité. ]2
[3 10° l'employeur, ses mandataires ou les préposés qui représentent l'utilisateur pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er, et de l'article 6 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, ou qui représentent le travailleur pour signer les titres-services ;
11° les personnes qui utilisent les titres-services à d'autres fins que celles pour lesquelles elles les ont obtenus ;
12° les personnes qui ont obtenu, conservent ou utilisent des titres-services sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes ou en omettant de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements.]3
[4 13° l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui n'enregistrent pas les prestations dans le système de gestion de la société émettrice dans les trente jours suivant la date de prestation.]4
[3 § 2/1. Dans les conditions énoncées dans le présent décret et si les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de 150 à 1500 euros peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité à :
1° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui fournissent des travaux ou services de proximité sans disposer d'un agrément régulier préalable ou qui ne satisfont plus aux conditions d'agrément ;
2° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui effectuent une activité autre que celles pour lesquelles un agrément a été accordé en vertu de la loi précitée et qui ne disposent pas d'une division sui generis s'occupant spécifiquement de l'emploi dans le cadre du régime des titres-services, telle que visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi précitée ;
3° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui sous-traitent des travaux ou services financés par des titres-services à une autre entreprise ou à un autre organisme ;
4° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui effectuent, dans le cadre des travaux ou services de proximité, des activités non autorisées dans la décision d'agrément ;
5° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui acceptent des titres-services pour payer des activités qui ne sont pas des travaux ou services de proximité ;
6° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui acceptent et transmettent à la société émettrice, en vue du remboursement, plus de titres-services pour des prestations de travaux ou services de proximité effectuées durant un trimestre donné que le nombre d'heures de travail, déclaré auprès de l'ONSS pour des prestations de travaux ou services de proximité effectuées, qui a été presté pendant ce même trimestre par des travailleurs sous contrat de travail titres-services. ]3
§ 3.[3 Dans les conditions énoncées dans le présent décret et si les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de 300 à 3000 euros peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité à :
1° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui effectuent, sciemment et volontairement, dans le cadre des travaux ou services de proximité, des activités non autorisées dans la décision d'agrément ;
2° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui acceptent, sciemment et volontairement, des titres-services pour payer des activités qui ne sont pas des travaux ou services de proximité ;
3° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui, sciemment et volontairement, acceptent et transmettent à la société émettrice, en vue du remboursement, plus de titres-services pour des prestations de travaux ou services de proximité effectuées durant un trimestre donné que le nombre d'heures de travail, déclaré auprès de l'ONSS pour des prestations de travaux ou services de proximité effectuées, qui a été presté pendant ce même trimestre par des travailleurs sous contrat de travail titres-services ;
4° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ont commis, sciemment et volontairement, l'infraction visée à l'article 10quinquies, alinéa 1er, 10°, de la loi précitée ;
5° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui organisent l'enregistrement des activités de titres-services de telle manière qu'il est impossible aux services d'inspection de vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants.]3.
§ 4. Aux conditions fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [3 300 à 3000 euros ]3 peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, aux :
1° personnes [3 qui, sciemment et volontairement, ont ]3 fait des déclarations inexactes ou incomplètes[3 afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services ]3 ;
2° personnes [3 qui, sciemment et volontairement, ont]3 négligé ou refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'elles sont tenues de fournir,[3 afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services]3;
3° personnes [3 qui, sciemment et volontairement, ont obtenu, conservent ou utilisent]3 des titres-services auxquels elles n'ont pas droit ou auxquels elles n'ont droit qu'en partie, sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes, ou en négligeant de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements ;
4° personnes,[3 qui, sciemment et volontairement, ont]3, [3 afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services ]3 :
a) ont fait des faux en écriture, soit par de signatures fausses, soit par contrefaction ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dette ou en les intégrant dans un acte, soit par l'ajout ou la falsification de clauses, déclarations ou faits qui doivent être repris ou constatés dans un acte ;
b) se sont servies d'un faux acte ou d'un document faux, tout en sachant que l'acte ou le document utilisé sont faux ;
5° personnes,[3 qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services]3:
a) ont fraudé en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible de données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change ;
b) ont utilisé ces données, tout en sachant que les données ainsi obtenues sont fausses ;
6° personnes,[3 qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir, d'utiliser, de conserver ou de faire conserver indûment des titres-services ]3, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont fait des actes frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, une entreprise fictive ou un autre événement fictif, ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière.]1
[3 7° à l'utilisateur ou au travailleur qui, sciemment et volontairement, a pris part aux infractions visées aux points 1° à 6°, et à l'article 10sexies de la loi précitée.]3
Art. 13/4. [1 § 1. [2 Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan aan de buitenlandse onderdaan een administratieve geldboete van [3 150 tot 1500 euro]3 opgelegd worden:
1° hij oefent een zelfstandige beroepsactiviteit uit zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
2° hij oefent een zelfstandige beroepsactiviteit uit zonder de grenzen of de voorwaarden van de beroepskaart te respecteren;
3° hij oefent een zelfstandige beroepsactiviteit uit niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid is gelast of de sluiting van de geëxploiteerde zaak is bevolen.]2]1
1° hij oefent een zelfstandige beroepsactiviteit uit zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
2° hij oefent een zelfstandige beroepsactiviteit uit zonder de grenzen of de voorwaarden van de beroepskaart te respecteren;
3° hij oefent een zelfstandige beroepsactiviteit uit niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid is gelast of de sluiting van de geëxploiteerde zaak is bevolen.]2]1
Art. 13/4. [1 § 1er. [2 Aux conditions fixées au présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [3 150 à 1500 euros]3 peut être infligée à un ressortissant étranger pour les infractions suivantes au décret du 15 octobre 2021 sur l'exécution d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution :
1° il exerce une activité professionnelle indépendante sans être titulaire d'une carte professionnelle ;
2° il exerce une activité professionnelle indépendante sans respecter les limites ou les conditions de la carte professionnelle ;
3° il exerce une activité indépendante, bien qu'il ait été enjoint de cesser son activité, voire de fermer l'établissement exploité.]2]1
1° il exerce une activité professionnelle indépendante sans être titulaire d'une carte professionnelle ;
2° il exerce une activité professionnelle indépendante sans respecter les limites ou les conditions de la carte professionnelle ;
3° il exerce une activité indépendante, bien qu'il ait été enjoint de cesser son activité, voire de fermer l'établissement exploité.]2]1
Art. 13/5. [1 § 1. [2 Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kunnen voor de volgende inbreuken op het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan de volgende personen een administratieve geldboete van [3 300 tot 3000 euro]3 krijgen:
1° een buitenlandse onderdaan die in strijd met de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent zonder toegelaten of gemachtigd te zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België;
2° een buitenlandse onderdaan die een beroepskaart onrechtmatig verkrijgt of in zijn bezit heeft;
3° eenieder die onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd of onjuiste documenten heeft bezorgd, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
4° eenieder die heeft nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden.]2]1
1° een buitenlandse onderdaan die in strijd met de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent zonder toegelaten of gemachtigd te zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België;
2° een buitenlandse onderdaan die een beroepskaart onrechtmatig verkrijgt of in zijn bezit heeft;
3° eenieder die onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd of onjuiste documenten heeft bezorgd, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
4° eenieder die heeft nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden.]2]1
Art. 13/5. [1 § 1er. [2 Aux conditions visées au présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [3 300 à 3000 euros]3 peut être infligée pour les infractions suivantes au décret du 15 octobre 2021 sur l'exécution d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers :
1° un ressortissant étrangers qui, en contravention avec les dispositions du présent décret et avec ses arrêtés d'exécution, exerce une activité indépendante sans être admis ou autorisé à un séjour de plus de trois mois ou à un établissement en Belgique ;
2° un ressortissant étranger qui obtient ou possède frauduleusement une carte professionnelle ;
3° chacun qui a fait des déclarations inexactes ou incomplètes ou qui a fourni des documents inexacts, en vue d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver à tort une carte professionnelle ;
4° chacun qui a négligé ou a refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'il est tenu de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver à tort une carte professionnelle.]2]1
1° un ressortissant étrangers qui, en contravention avec les dispositions du présent décret et avec ses arrêtés d'exécution, exerce une activité indépendante sans être admis ou autorisé à un séjour de plus de trois mois ou à un établissement en Belgique ;
2° un ressortissant étranger qui obtient ou possède frauduleusement une carte professionnelle ;
3° chacun qui a fait des déclarations inexactes ou incomplètes ou qui a fourni des documents inexacts, en vue d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver à tort une carte professionnelle ;
4° chacun qui a négligé ou a refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'il est tenu de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver à tort une carte professionnelle.]2]1
Art. 13/6. [1 § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 150 tot 1500 euro]4 als hij :
1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder dat hij een arbeidsvergunning heeft verkregen, of als de buitenlandse onderdaan niet over een arbeidskaart beschikt;
2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen of de voorwaarden van de arbeidsvergunning of arbeidskaart te respecteren;
3° de arbeidskaart niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of tegen vergoeding in welke vorm ook.
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde als hij in strijd met de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
§ 3. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 als hij op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
1° niet vooraf nagegaan heeft of hij over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
2° niet, ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten.
§ 4. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan eenieder die :
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld, of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na zijn aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft [2 gevraagd]2 of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
4° [5 is opgetreden tussen de volgende personen en autoriteiten en daarbij daden heeft gesteld die die personen of autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen:
a) een buitenlandse onderdaan en een werkgever;
b) een buitenlandse onderdaan en de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan of met de controle en het toezicht op deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
c) een werkgever en de autoriteiten, vermeld in punt b)]5.
§ 5. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan :
1° een aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of een intermediaire aannemer, in het kader van een dergelijke keten, als hun rechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]3, pleegt;
2° een hoofdaannemer en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, als hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan]3, pleegt, als ze, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
3° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, als zijn aannemer een van de inbreuken, vermeld in [2 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]2, pleegt, als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
4° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, als de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een inbreuk als vermeld in [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]3, pleegt, als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.]1
1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder dat hij een arbeidsvergunning heeft verkregen, of als de buitenlandse onderdaan niet over een arbeidskaart beschikt;
2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen of de voorwaarden van de arbeidsvergunning of arbeidskaart te respecteren;
3° de arbeidskaart niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of tegen vergoeding in welke vorm ook.
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde als hij in strijd met de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
§ 3. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 als hij op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
1° niet vooraf nagegaan heeft of hij over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
2° niet, ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten.
§ 4. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan eenieder die :
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld, of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na zijn aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft [2 gevraagd]2 of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
4° [5 is opgetreden tussen de volgende personen en autoriteiten en daarbij daden heeft gesteld die die personen of autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen:
a) een buitenlandse onderdaan en een werkgever;
b) een buitenlandse onderdaan en de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan of met de controle en het toezicht op deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
c) een werkgever en de autoriteiten, vermeld in punt b)]5.
§ 5. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan :
1° een aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of een intermediaire aannemer, in het kader van een dergelijke keten, als hun rechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]3, pleegt;
2° een hoofdaannemer en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, als hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan]3, pleegt, als ze, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
3° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, als zijn aannemer een van de inbreuken, vermeld in [2 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]2, pleegt, als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
4° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, als de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een inbreuk als vermeld in [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]3, pleegt, als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.]1
Änderungen
Art. 13/6. [1 § 1er. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 150 à 1500 euros]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêté d'exécution lorsqu'il :
1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu un permis de travail ou qui ne dispose pas d'une carte de travail ;
2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger sans respecter les limites ou les conditions du permis de travail ou de la carte de travail ;
3° n'a pas remis la carte de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
§ 2. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé qui, en contravention avec les dispositions de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et avec ses arrêté d'exécution, a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans être admis ou autorisé à un séjour de plus de trois mois ou à un établissement en Belgique.
§ 3. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêté d'exécution lorsqu'il, au moment de l'emploi d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° n'a pas vérifié auparavant si celui-ci dispose d'un permis de séjour valable ou d'une autre autorisation de séjour ;
2° n'a pas tenu à disposition, au moins pour la durée de l'occupation, une copie ou les données de son permis de séjour ou de son autre autorisation de séjour aux services d'inspection compétents.
§ 4. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à quiconque qui, pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêtés d'exécution :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un permis de travail valable et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut bénéficier d'une autorisation d'occupation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé ;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
3° a [2 demandé]2ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
4° [5 est intervenue entre les personnes et autorités suivantes et, ce faisant, a commis des actes susceptibles d'induire en erreur ces personnes ou autorités :
a) un ressortissant étranger et un employeur ;
b) un ressortissant étranger et les autorités chargées de l'application de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution, ou du contrôle et de la surveillance de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution ;
c) un employeur et les autorités visées au point b)]5.
§ 5. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêtés d'exécution, aux personnes suivantes :
1° un entrepreneur, en dehors du cadre de sous-traitants, ou un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une telle chaîne, lorsque leur sous-traitant direct commet une infraction telle que visée [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3 ;
2° un entrepreneur principal et un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une chaîne de sous-traitants, lorsque leur sous-traitant indirect commet une infraction, telles que visées [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, et lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction commise par eux, du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
3° le donneur d'ordre, en dehors du cadre d'une sous-traitance, lorsque son entrepreneur commet une des infractions,[3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
4° le donneur d'ordre, dans le cadre d'une sous-traitance, lorsque le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur commet une infraction, telle que visée [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, et lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement.]1
1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu un permis de travail ou qui ne dispose pas d'une carte de travail ;
2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger sans respecter les limites ou les conditions du permis de travail ou de la carte de travail ;
3° n'a pas remis la carte de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
§ 2. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé qui, en contravention avec les dispositions de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et avec ses arrêté d'exécution, a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans être admis ou autorisé à un séjour de plus de trois mois ou à un établissement en Belgique.
§ 3. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêté d'exécution lorsqu'il, au moment de l'emploi d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° n'a pas vérifié auparavant si celui-ci dispose d'un permis de séjour valable ou d'une autre autorisation de séjour ;
2° n'a pas tenu à disposition, au moins pour la durée de l'occupation, une copie ou les données de son permis de séjour ou de son autre autorisation de séjour aux services d'inspection compétents.
§ 4. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à quiconque qui, pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêtés d'exécution :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un permis de travail valable et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut bénéficier d'une autorisation d'occupation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé ;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
3° a [2 demandé]2ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
4° [5 est intervenue entre les personnes et autorités suivantes et, ce faisant, a commis des actes susceptibles d'induire en erreur ces personnes ou autorités :
a) un ressortissant étranger et un employeur ;
b) un ressortissant étranger et les autorités chargées de l'application de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution, ou du contrôle et de la surveillance de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution ;
c) un employeur et les autorités visées au point b)]5.
§ 5. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêtés d'exécution, aux personnes suivantes :
1° un entrepreneur, en dehors du cadre de sous-traitants, ou un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une telle chaîne, lorsque leur sous-traitant direct commet une infraction telle que visée [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3 ;
2° un entrepreneur principal et un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une chaîne de sous-traitants, lorsque leur sous-traitant indirect commet une infraction, telles que visées [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, et lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction commise par eux, du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
3° le donneur d'ordre, en dehors du cadre d'une sous-traitance, lorsque son entrepreneur commet une des infractions,[3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
4° le donneur d'ordre, dans le cadre d'une sous-traitance, lorsque le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur commet une infraction, telle que visée [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, et lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement.]1
Änderungen
Art.13/6 TOEKOMSTIG RECHT.
[1 § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 150 tot 1500 euro]4 als hij :
1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder dat hij een arbeidsvergunning heeft verkregen, of als de buitenlandse onderdaan niet over een arbeidskaart beschikt;
2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen of de voorwaarden van de arbeidsvergunning of arbeidskaart te respecteren;
3° de arbeidskaart niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of tegen vergoeding in welke vorm ook.
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde als hij in strijd met de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
§ 3. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 als hij op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
1° niet vooraf nagegaan heeft of hij over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
2° niet, ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten.
§ 4. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan eenieder die :
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld, of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na zijn aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft [2 gevraagd]2 of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
4° [5 is opgetreden tussen de volgende personen en autoriteiten en daarbij daden heeft gesteld die die personen of autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen:
a) een buitenlandse onderdaan en een werkgever;
b) een buitenlandse onderdaan en de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan of met de controle en het toezicht op deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
c) een werkgever en de autoriteiten, vermeld in punt b)]5.
§ 5. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan :
1° [6 een opdrachtgever of een aannemer,]6 buiten het kader van een keten van onderaannemers, of een intermediaire aannemer, in het kader van een dergelijke keten, als hun rechtstreekse [6 aannemer of]6 onderaannemer een inbreuk als vermeld in [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]3, pleegt;
2° [6 een opdrachtgever of een hoofdaannemer]6 en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, als hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan]3, pleegt, als ze, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
3° de [6 opdrachtgever-natuurlijke persoon die een beroep doet op een aannemer voor uitsluitend privédoeleinden]6, buiten het kader van een onderaanneming, als zijn aannemer een van de inbreuken, vermeld in [2 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]2, pleegt, als de [6 opdrachtgever-natuurlijke persoon die een beroep doet op een aannemer voor uitsluitend privédoeleinden]6, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
4° [6 ...]6.]1
[1 § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 150 tot 1500 euro]4 als hij :
1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder dat hij een arbeidsvergunning heeft verkregen, of als de buitenlandse onderdaan niet over een arbeidskaart beschikt;
2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen of de voorwaarden van de arbeidsvergunning of arbeidskaart te respecteren;
3° de arbeidskaart niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of tegen vergoeding in welke vorm ook.
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde als hij in strijd met de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
§ 3. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 als hij op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
1° niet vooraf nagegaan heeft of hij over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
2° niet, ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten.
§ 4. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan eenieder die :
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld, of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na zijn aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft [2 gevraagd]2 of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
4° [5 is opgetreden tussen de volgende personen en autoriteiten en daarbij daden heeft gesteld die die personen of autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen:
a) een buitenlandse onderdaan en een werkgever;
b) een buitenlandse onderdaan en de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan of met de controle en het toezicht op deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
c) een werkgever en de autoriteiten, vermeld in punt b)]5.
§ 5. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van [4 300 tot 3000 euro]4 aan :
1° [6 een opdrachtgever of een aannemer,]6 buiten het kader van een keten van onderaannemers, of een intermediaire aannemer, in het kader van een dergelijke keten, als hun rechtstreekse [6 aannemer of]6 onderaannemer een inbreuk als vermeld in [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]3, pleegt;
2° [6 een opdrachtgever of een hoofdaannemer]6 en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, als hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel [3 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan]3, pleegt, als ze, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
3° de [6 opdrachtgever-natuurlijke persoon die een beroep doet op een aannemer voor uitsluitend privédoeleinden]6, buiten het kader van een onderaanneming, als zijn aannemer een van de inbreuken, vermeld in [2 artikel 12/1, § 1, en 12/2 van de voormelde wet en artikel 22, 1°, van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]2, pleegt, als de [6 opdrachtgever-natuurlijke persoon die een beroep doet op een aannemer voor uitsluitend privédoeleinden]6, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
4° [6 ...]6.]1
Änderungen
Art.13/6 DROIT FUTUR.
[1 § 1er. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 150 à 1500 euros]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêté d'exécution lorsqu'il :
1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu un permis de travail ou qui ne dispose pas d'une carte de travail ;
2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger sans respecter les limites ou les conditions du permis de travail ou de la carte de travail ;
3° n'a pas remis la carte de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
§ 2. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé qui, en contravention avec les dispositions de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et avec ses arrêté d'exécution, a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans être admis ou autorisé à un séjour de plus de trois mois ou à un établissement en Belgique.
§ 3. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêté d'exécution lorsqu'il, au moment de l'emploi d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° n'a pas vérifié auparavant si celui-ci dispose d'un permis de séjour valable ou d'une autre autorisation de séjour ;
2° n'a pas tenu à disposition, au moins pour la durée de l'occupation, une copie ou les données de son permis de séjour ou de son autre autorisation de séjour aux services d'inspection compétents.
§ 4. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à quiconque qui, pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêtés d'exécution :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un permis de travail valable et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut bénéficier d'une autorisation d'occupation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé ;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
3° a [2 demandé]2ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
4° [5 est intervenue entre les personnes et autorités suivantes et, ce faisant, a commis des actes susceptibles d'induire en erreur ces personnes ou autorités :
a) un ressortissant étranger et un employeur ;
b) un ressortissant étranger et les autorités chargées de l'application de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution, ou du contrôle et de la surveillance de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution ;
c) un employeur et les autorités visées au point b)]5.
§ 5. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêtés d'exécution, aux personnes suivantes :
1° [6 un donneur d'ordre ou un entrepreneur,]6 en dehors du cadre de sous-traitants, ou un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une telle chaîne, lorsque leur [6 entrepreneur ou sous-traitant direct]6 commet une infraction telle que visée [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3 ;
2° [6 un donneur d'ordre ou un entrepreneur principal]6 et un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une chaîne de sous-traitants, lorsque leur sous-traitant indirect commet une infraction, telles que visées [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, et lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction commise par eux, du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
3° le [6 donneur d'ordre-personne physique qui fait appel à un entrepreneur à des fins exclusivement privées]6, en dehors du cadre d'une sous-traitance, lorsque son entrepreneur commet une des infractions,[3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, lorsque le [6 donneur d'ordre-personne physique qui fait appel à un entrepreneur à des fins exclusivement privées]6 est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
4° [6 ...]6.]1
[1 § 1er. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 150 à 1500 euros]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêté d'exécution lorsqu'il :
1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu un permis de travail ou qui ne dispose pas d'une carte de travail ;
2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger sans respecter les limites ou les conditions du permis de travail ou de la carte de travail ;
3° n'a pas remis la carte de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
§ 2. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé qui, en contravention avec les dispositions de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et avec ses arrêté d'exécution, a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans être admis ou autorisé à un séjour de plus de trois mois ou à un établissement en Belgique.
§ 3. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à l'employeur, son mandataire ou préposé pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêté d'exécution lorsqu'il, au moment de l'emploi d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° n'a pas vérifié auparavant si celui-ci dispose d'un permis de séjour valable ou d'une autre autorisation de séjour ;
2° n'a pas tenu à disposition, au moins pour la durée de l'occupation, une copie ou les données de son permis de séjour ou de son autre autorisation de séjour aux services d'inspection compétents.
§ 4. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée à quiconque qui, pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêtés d'exécution :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un permis de travail valable et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut bénéficier d'une autorisation d'occupation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé ;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
3° a [2 demandé]2ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
4° [5 est intervenue entre les personnes et autorités suivantes et, ce faisant, a commis des actes susceptibles d'induire en erreur ces personnes ou autorités :
a) un ressortissant étranger et un employeur ;
b) un ressortissant étranger et les autorités chargées de l'application de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution, ou du contrôle et de la surveillance de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution ;
c) un employeur et les autorités visées au point b)]5.
§ 5. Aux conditions, fixées par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [4 300 à 3000 euros ]4 peut être infligée pour les infractions suivantes à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et ses arrêtés d'exécution, aux personnes suivantes :
1° [6 un donneur d'ordre ou un entrepreneur,]6 en dehors du cadre de sous-traitants, ou un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une telle chaîne, lorsque leur [6 entrepreneur ou sous-traitant direct]6 commet une infraction telle que visée [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3 ;
2° [6 un donneur d'ordre ou un entrepreneur principal]6 et un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une chaîne de sous-traitants, lorsque leur sous-traitant indirect commet une infraction, telles que visées [3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, et lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction commise par eux, du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
3° le [6 donneur d'ordre-personne physique qui fait appel à un entrepreneur à des fins exclusivement privées]6, en dehors du cadre d'une sous-traitance, lorsque son entrepreneur commet une des infractions,[3 à l'article 12/1, § 1er, et à l'article 12/2 de la loi précitée et à l'article 22, 1°, du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers et ses arrêtés d'exécution]3, lorsque le [6 donneur d'ordre-personne physique qui fait appel à un entrepreneur à des fins exclusivement privées]6 est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
4° [6 ...]6.]1
Änderungen
Art. 13/7. [1 § 1. [2 ...]2.
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op hoofdstuk IV, afdeling 6, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 150 tot 1500 euro]2 aan :
1° de personen die [2 ...]2 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd met het oog op de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet;
2° de personen die [2 ...]2 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze gehouden zijn te verstrekken, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° de personen die [2 ...]2 de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte hebben verkregen of behouden waarop ze geen of maar gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
4° de personen die, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) valsheid in geschrifte hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) zich bediend hebben van een valse akte of een vals stuk, terwijl ze weten dat de gebruikte akte of het gebruikte stuk vals is;
5° de personen die, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) bedrog hebben gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) hebben gebruikgemaakt van die gegevens, terwijl ze weten dat de aldus verkregen gegevens vals zijn;
6° de personen die, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, hebben gebruikgemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
§ 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op hoofdstuk IV, afdeling 6, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 150 tot 1500 euro]2 aan :
1° de personen die [2 ...]2 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd met het oog op de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet;
2° de personen die [2 ...]2 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze gehouden zijn te verstrekken, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° de personen die [2 ...]2 de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte hebben verkregen of behouden waarop ze geen of maar gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
4° de personen die, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) valsheid in geschrifte hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) zich bediend hebben van een valse akte of een vals stuk, terwijl ze weten dat de gebruikte akte of het gebruikte stuk vals is;
5° de personen die, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
a) bedrog hebben gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) hebben gebruikgemaakt van die gegevens, terwijl ze weten dat de aldus verkregen gegevens vals zijn;
6° de personen die, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de voormelde wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, hebben gebruikgemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
Art. 13/7. [1 § [2 ...]2
§ 2. Aux conditions prévues par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [2 150 à 1500 euros ]2 peut être infligée pour les infractions suivantes au chapitre IV, section 6, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales :
1° aux personnes qui[2 ...]2 ont fait des déclarations inexactes ou incomplètes en vue de l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée ;
2° aux personnes qui,[2 ...]2t, ont omis ou refusé de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'elles sont tenues de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée ;
3° aux personnes qui,[2 ...]2 ont obtenu ou maintenu à tort l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée, auquel elles n'ont pas ou seulement partiellement droit, en faisant des déclarations incorrectes ou incomplètes, ou en omettant ou en refusant de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements ;
4° aux personnes qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée :
a) ont fait des faux en écriture, soit par des signatures fausses, soit par contrefaçon ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dette ou en les intégrant dans un acte, soit par l'ajout ou la falsification de clauses, déclarations ou faits qui doivent être repris ou constatés dans un acte ;
b) se sont servies d'un acte faux ou d'un document faux, tout en sachant que l'acte ou le document utilisé est faux ;
5° aux personnes qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée :
a) ont commis une fraude en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible des données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change ;
b) ont utilisé ces données, tout en sachant que les données ainsi obtenues sont fausses ;
6° aux personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont fait des actes frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, d'une entreprise fictive ou d'un autre événement fictif, ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière.]1
§ 2. Aux conditions prévues par le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de peines pénales, une amende administrative de [2 150 à 1500 euros ]2 peut être infligée pour les infractions suivantes au chapitre IV, section 6, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales :
1° aux personnes qui[2 ...]2 ont fait des déclarations inexactes ou incomplètes en vue de l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée ;
2° aux personnes qui,[2 ...]2t, ont omis ou refusé de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'elles sont tenues de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée ;
3° aux personnes qui,[2 ...]2 ont obtenu ou maintenu à tort l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée, auquel elles n'ont pas ou seulement partiellement droit, en faisant des déclarations incorrectes ou incomplètes, ou en omettant ou en refusant de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements ;
4° aux personnes qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée :
a) ont fait des faux en écriture, soit par des signatures fausses, soit par contrefaçon ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dette ou en les intégrant dans un acte, soit par l'ajout ou la falsification de clauses, déclarations ou faits qui doivent être repris ou constatés dans un acte ;
b) se sont servies d'un acte faux ou d'un document faux, tout en sachant que l'acte ou le document utilisé est faux ;
5° aux personnes qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée :
a) ont commis une fraude en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible des données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change ;
b) ont utilisé ces données, tout en sachant que les données ainsi obtenues sont fausses ;
6° aux personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir l'application des règles du congé de formation flamand visé au chapitre IV, section 6, de la loi précitée, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont fait des actes frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, d'une entreprise fictive ou d'un autre événement fictif, ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière.]1
Art. 13/8. [1 Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het decreet van 14 januari 2022 over maatwerk bij individuele inschakeling, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 25 tot 250 euro]2 aan:
1° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die nalaten om voor werknemers met een arbeidsbeperking een ondersteuningsplan te doen opstellen of te doen actualiseren conform artikel 23, eerste lid, van het voormelde decreet van 14 januari 2022;
2° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die voor de coaching van werknemers met een arbeidsbeperking werknemers inzetten die niet beantwoor den aan de voorwaarden, vastgesteld krachtens artikel 24, tweede lid, van het voormelde decreet van 14 januari 2022.
Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het voormelde decreet van 14 januari 2022 een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 50 tot 500 euro]2 aan:
1° [2 ...]2;
2° [2 ...]2;
3° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die in strijd met de behoefte aan werkondersteunende maatregelen, vastgesteld conform artikel 32, eerste lid, van het voormelde decreet van 14 januari 2022 niet voorzien in een begeleiding op de werkvloer;
4° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die niet voorzien in een begeleiding en coaching die overeenstemmen met de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3, van het voormelde decreet van 14 januari 2022;
5° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de correcte uitvoering van de begeleiding en coaching, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3, van het voormelde decreet van 14 januari 2022, verhinderen;
6° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die voor de begeleiding van werknemers met een arbeidsbeperking werknemers aanstellen als begeleider die niet gekwalificeerd zijn conform artikel 23, tweede lid, van het voormelde decreet van 14 januari 2022;
7° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die werknemers ontslaan met de uitsluitende bedoeling om hen te vervangen door een of meer werknemers met een arbeidsbeperking die recht geven op werkondersteunende maatregelen of voordeligere werkondersteunende maatregelen of om hen daarna opnieuw aan te werven met het oog op de toekenning van werkondersteunende maatregelen of voordeligere werkondersteunende maatregelen;
8° de externe dienstverlener die, al dan niet met medeweten van of op verzoek van de werkgever in kwestie, niet voorziet in begeleiding die volledig in overeenstemming is met de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3, van het voormelde decreet van 14 januari 2022, of die de begeleiding niet correct of onvolledig uitvoert.
Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het voormelde decreet van 14 januari 2022 een administratieve geldboete opgelegd worden van [3 150 euro tot 1 500 euro]3 aan:
1° personen die [2 ...]2 de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, aanwenden voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor ze de premies hebben verkregen;
2° personen die [2 ...]2 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° personen die [2 ...]2 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze moeten verstrekken, om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
4° personen die [2 ...]2 de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte hebben verkregen of behouden waarop ze geen of maar gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
5° personen die de volgende handelingen hebben gesteld om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden:
a) ze hebben valsheid in geschrifte gepleegd op een van de volgende wijzen:
1) door valse handtekeningen;
2) door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen;
3) door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen;
4) door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) ze hebben een valse akte of een vals stuk gebruikt, terwijl ze wisten dat de gebruikte akte of het gebruikte stuk vals was;
6° personen die de volgende handelingen hebben gesteld om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden:
a) ze hebben bedrog gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) ze hebben gegevens gebruikt waarvan ze wisten dat ze vals waren;
7° personen die, om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen hebben gebruikt, of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming, of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
1° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die nalaten om voor werknemers met een arbeidsbeperking een ondersteuningsplan te doen opstellen of te doen actualiseren conform artikel 23, eerste lid, van het voormelde decreet van 14 januari 2022;
2° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die voor de coaching van werknemers met een arbeidsbeperking werknemers inzetten die niet beantwoor den aan de voorwaarden, vastgesteld krachtens artikel 24, tweede lid, van het voormelde decreet van 14 januari 2022.
Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het voormelde decreet van 14 januari 2022 een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 50 tot 500 euro]2 aan:
1° [2 ...]2;
2° [2 ...]2;
3° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die in strijd met de behoefte aan werkondersteunende maatregelen, vastgesteld conform artikel 32, eerste lid, van het voormelde decreet van 14 januari 2022 niet voorzien in een begeleiding op de werkvloer;
4° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die niet voorzien in een begeleiding en coaching die overeenstemmen met de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3, van het voormelde decreet van 14 januari 2022;
5° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de correcte uitvoering van de begeleiding en coaching, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3, van het voormelde decreet van 14 januari 2022, verhinderen;
6° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die voor de begeleiding van werknemers met een arbeidsbeperking werknemers aanstellen als begeleider die niet gekwalificeerd zijn conform artikel 23, tweede lid, van het voormelde decreet van 14 januari 2022;
7° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die werknemers ontslaan met de uitsluitende bedoeling om hen te vervangen door een of meer werknemers met een arbeidsbeperking die recht geven op werkondersteunende maatregelen of voordeligere werkondersteunende maatregelen of om hen daarna opnieuw aan te werven met het oog op de toekenning van werkondersteunende maatregelen of voordeligere werkondersteunende maatregelen;
8° de externe dienstverlener die, al dan niet met medeweten van of op verzoek van de werkgever in kwestie, niet voorziet in begeleiding die volledig in overeenstemming is met de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3, van het voormelde decreet van 14 januari 2022, of die de begeleiding niet correct of onvolledig uitvoert.
Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op het voormelde decreet van 14 januari 2022 een administratieve geldboete opgelegd worden van [3 150 euro tot 1 500 euro]3 aan:
1° personen die [2 ...]2 de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, aanwenden voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor ze de premies hebben verkregen;
2° personen die [2 ...]2 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° personen die [2 ...]2 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze moeten verstrekken, om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
4° personen die [2 ...]2 de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte hebben verkregen of behouden waarop ze geen of maar gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
5° personen die de volgende handelingen hebben gesteld om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden:
a) ze hebben valsheid in geschrifte gepleegd op een van de volgende wijzen:
1) door valse handtekeningen;
2) door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen;
3) door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen;
4) door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) ze hebben een valse akte of een vals stuk gebruikt, terwijl ze wisten dat de gebruikte akte of het gebruikte stuk vals was;
6° personen die de volgende handelingen hebben gesteld om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden:
a) ze hebben bedrog gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) ze hebben gegevens gebruikt waarvan ze wisten dat ze vals waren;
7° personen die, om de premies, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2 en 3, en hoofdstuk 5 van het voormelde decreet van 14 januari 2022, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen hebben gebruikt, of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming, of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
Art. 13/8. [1 Aux conditions visées dans le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de [2 25 à 250 euros]2 peut être infligée pour les infractions suivantes au décret du 14 janvier 2022 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration individuelle :
1° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui négligent de faire établir ou de mettre à jour un plan de soutien pour les travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi, conformément à l'article 23, alinéa premier, du décret du 14 janvier 2022 précité ;
2° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui, pour le coaching des travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi, font appel à des travailleurs qui ne remplissent pas les conditions fixées en vertu de l'article 24, alinéa deux, du décret du 14 janvier 2022 précité.
Aux conditions visées dans le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de [2 50 à 500 euros]2 peut être infligée pour les infractions suivantes au décret du 14 janvier 2022 précité :
1° [2 ...]2;
2° [2 ...]2;
3° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui, en violation du besoin de mesures d'aide à l'emploi, fixées conformément à l'article 32, alinéa premier, du décret du 14 janvier 2022 précité, ne prévoient pas d'accompagnement sur le lieu de travail ;
4° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui ne prévoient pas d'accompagnement et de coaching conformément aux conditions visées au chapitre 4, section 3, du décret du 14 janvier 2022 précité ;
5° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui entravent la bonne mise en oeuvre de l'accompagnement et du coaching, visés au chapitre 4, section 3, du décret du 14 janvier 2022 précité ;
6° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui, pour l'accompagnement des travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi, désignent comme accompagnateur des travailleurs qui ne sont pas qualifiés conformément à l'article 23, alinéa deux, du décret du 14 janvier 2022 précité ;
7° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui licencient des travailleurs dans le seul but de les remplacer par un ou plusieurs travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi bénéficiant de mesures d'aide à l'emploi ou de mesures d'aide à l'emploi plus favorables, ou de les réembaucher ensuite en vue d'obtenir des mesures d'aide à l'emploi ou des mesures d'aide à l'emploi plus favorables ;
8° au prestataire de services externe qui, éventuellement à la connaissance ou à la demande de l'employeur concerné, ne prévoit pas un accompagnement qui répond intégralement aux conditions visées au chapitre 4, section 3, du décret du 14 janvier 2022 précité, ou qui ne fournit pas un accompagnement correct ou complet.
Aux conditions visées dans le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de [3 150 à 1 500 euros ]3 peut être infligée pour les infractions suivantes au décret du 14 janvier 2022 précité :
1° aux personnes qui utilisent [2 ...]2 les primes visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité, à des fins autres que celles pour lesquelles elles les ont obtenues ;
2° aux personnes qui ont délibérément fait des déclarations inexactes ou incomplètes afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité ;
3° aux personnes qui ont délibérément négligé ou refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir les renseignements qu'elles sont tenues de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité ;
4° aux personnes qui ont [2 ...]2 indûment obtenu ou maintiennent les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5, du décret du 14 janvier 2022 précité, auxquelles elles n'ont pas droit ou auxquelles elles n'ont droit qu'en partie, sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes, ou en négligeant ou en refusant de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements ;
5° aux personnes qui ont commis les actes suivants afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité :
a) elles ont fait des faux en écriture de l'une des manières suivantes :
1) par de fausses signatures ;
2) par la contrefaçon ou la falsification d'écritures ou de signatures ;
3) en établissant faussement des conventions, dispositions, engagements ou libérations de dette ou en les intégrant dans un acte ;
4) en ajoutant ou en falsifiant des clauses, des déclarations ou des faits à inclure ou à constater dans l'acte ;
b) elles ont utilisé de faux acte ou document, tout en sachant que l'acte ou la pièce utilisé est faux ;
6° aux personnes qui ont commis les actes suivants afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité :
a) elles ont fraudé en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible de données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change ;
b) elles ont utilisé des données tout en sachant qu'elles étaient fausses ;
7° aux personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5, du décret du 14 janvier 2022 précité, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont commis un autre acte frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, une entreprise fictive ou un autre événement fictif, ou en vue de commettre d'une autre manière un abus de confiance.]1
1° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui négligent de faire établir ou de mettre à jour un plan de soutien pour les travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi, conformément à l'article 23, alinéa premier, du décret du 14 janvier 2022 précité ;
2° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui, pour le coaching des travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi, font appel à des travailleurs qui ne remplissent pas les conditions fixées en vertu de l'article 24, alinéa deux, du décret du 14 janvier 2022 précité.
Aux conditions visées dans le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de [2 50 à 500 euros]2 peut être infligée pour les infractions suivantes au décret du 14 janvier 2022 précité :
1° [2 ...]2;
2° [2 ...]2;
3° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui, en violation du besoin de mesures d'aide à l'emploi, fixées conformément à l'article 32, alinéa premier, du décret du 14 janvier 2022 précité, ne prévoient pas d'accompagnement sur le lieu de travail ;
4° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui ne prévoient pas d'accompagnement et de coaching conformément aux conditions visées au chapitre 4, section 3, du décret du 14 janvier 2022 précité ;
5° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui entravent la bonne mise en oeuvre de l'accompagnement et du coaching, visés au chapitre 4, section 3, du décret du 14 janvier 2022 précité ;
6° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui, pour l'accompagnement des travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi, désignent comme accompagnateur des travailleurs qui ne sont pas qualifiés conformément à l'article 23, alinéa deux, du décret du 14 janvier 2022 précité ;
7° à l'employeur, ses mandataires ou ses préposés qui licencient des travailleurs dans le seul but de les remplacer par un ou plusieurs travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi bénéficiant de mesures d'aide à l'emploi ou de mesures d'aide à l'emploi plus favorables, ou de les réembaucher ensuite en vue d'obtenir des mesures d'aide à l'emploi ou des mesures d'aide à l'emploi plus favorables ;
8° au prestataire de services externe qui, éventuellement à la connaissance ou à la demande de l'employeur concerné, ne prévoit pas un accompagnement qui répond intégralement aux conditions visées au chapitre 4, section 3, du décret du 14 janvier 2022 précité, ou qui ne fournit pas un accompagnement correct ou complet.
Aux conditions visées dans le présent décret, et dans la mesure où les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de [3 150 à 1 500 euros ]3 peut être infligée pour les infractions suivantes au décret du 14 janvier 2022 précité :
1° aux personnes qui utilisent [2 ...]2 les primes visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité, à des fins autres que celles pour lesquelles elles les ont obtenues ;
2° aux personnes qui ont délibérément fait des déclarations inexactes ou incomplètes afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité ;
3° aux personnes qui ont délibérément négligé ou refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir les renseignements qu'elles sont tenues de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité ;
4° aux personnes qui ont [2 ...]2 indûment obtenu ou maintiennent les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5, du décret du 14 janvier 2022 précité, auxquelles elles n'ont pas droit ou auxquelles elles n'ont droit qu'en partie, sur la base de déclarations inexactes ou incomplètes, ou en négligeant ou en refusant de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements ;
5° aux personnes qui ont commis les actes suivants afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité :
a) elles ont fait des faux en écriture de l'une des manières suivantes :
1) par de fausses signatures ;
2) par la contrefaçon ou la falsification d'écritures ou de signatures ;
3) en établissant faussement des conventions, dispositions, engagements ou libérations de dette ou en les intégrant dans un acte ;
4) en ajoutant ou en falsifiant des clauses, des déclarations ou des faits à inclure ou à constater dans l'acte ;
b) elles ont utilisé de faux acte ou document, tout en sachant que l'acte ou la pièce utilisé est faux ;
6° aux personnes qui ont commis les actes suivants afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5 du décret du 14 janvier 2022 précité :
a) elles ont fraudé en introduisant des données dans un système informatique, qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, en modifiant ou en effaçant des données ou en changeant l'affectation possible de données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change ;
b) elles ont utilisé des données tout en sachant qu'elles étaient fausses ;
7° aux personnes, qui, afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir indûment les primes, visées au chapitre 4, sections 2 et 3, et au chapitre 5, du décret du 14 janvier 2022 précité, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou qui ont commis un autre acte frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, une entreprise fictive ou un autre événement fictif, ou en vue de commettre d'une autre manière un abus de confiance.]1
Art. 13/9. [1 [2 ...]2.
Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken [2 op het decreet van 23 december 2022 over de premie kwalificerend werkplekleren voor ondernemingen en de leerlingenpremie alternerende opleiding]2, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 150 tot 1500 euro]2 aan:
1° personen die [2 ...]2 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
2° personen die [2 ...]2 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze moeten verstrekken, om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° personen die [2 ...]2 de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte hebben verkregen of behouden waarop ze geen of maar gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
4° personen die, om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, een van de volgende handelingen hebben gesteld:
a) ze hebben valsheid in geschrifte gepleegd op een van de volgende wijzen:
1) door valse handtekeningen;
2) door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen;
3) door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen;
4) door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) ze hebben een valse akte of een vals stuk gebruikt, terwijl ze wisten dat de gebruikte akte of het gebruikte stuk vals was;
5° personen die, om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, een van de volgende handelingen hebben gesteld:
a) ze hebben bedrog gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) ze hebben gegevens gebruikt waarvan ze wisten dat ze vals waren;
6° personen die, om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen hebben gebruikt of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken [2 op het decreet van 23 december 2022 over de premie kwalificerend werkplekleren voor ondernemingen en de leerlingenpremie alternerende opleiding]2, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 150 tot 1500 euro]2 aan:
1° personen die [2 ...]2 onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
2° personen die [2 ...]2 hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze moeten verstrekken, om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
3° personen die [2 ...]2 de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte hebben verkregen of behouden waarop ze geen of maar gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
4° personen die, om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, een van de volgende handelingen hebben gesteld:
a) ze hebben valsheid in geschrifte gepleegd op een van de volgende wijzen:
1) door valse handtekeningen;
2) door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen;
3) door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen;
4) door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
b) ze hebben een valse akte of een vals stuk gebruikt, terwijl ze wisten dat de gebruikte akte of het gebruikte stuk vals was;
5° personen die, om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, een van de volgende handelingen hebben gesteld:
a) ze hebben bedrog gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
b) ze hebben gegevens gebruikt waarvan ze wisten dat ze vals waren;
6° personen die, om de premie, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, ten onrechte te verkrijgen of doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen hebben gebruikt of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.]1
Art. 13/9. [1 [2 ...]2.
Dans les conditions énoncées dans le présent décret et si les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de [2 150 à 1500 euros]2 peut être infligée, pour les infractions suivantes [2 au décret du 23 décembre 2022 relatif à la prime pour l'apprentissage qualifiant sur le lieu de travail destinée aux entreprises et à la prime pour les élèves en formation en alternance]2, aux :
1° personnes qui ont[2 ...]2 fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour obtenir ou faire obtenir, conserver ou faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité ;
2° personnes qui ont[2 ...]2 omis ou refusé de faire les déclarations nécessaires ou de fournir les renseignements qu'elles sont tenues de fournir pour obtenir ou faire obtenir, conserver ou faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité ;
3° personnes qui ont[2 ...]2 obtenu ou conservé indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité à laquelle elles n'ont pas ou que partiellement droit en faisant des déclarations inexactes ou incomplètes ou en omettant ou en refusant de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements ;
4° personnes qui, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité, ont commis l'un des actes suivants :
a) elles ont commis un faux en écritures de l'une des manières suivantes :
1) par fausses signatures ;
2) par contrefaçon ou altération d'écritures ou de signatures ;
3) par fabrication de conventions, dispositions, obligations ou décharges ou par leur insertion dans un acte ;
4) par addition ou altération de clauses, de déclarations ou de faits que l'acte avait pour objet de recevoir ou de constater ;
b) elles ont fait usage d'un acte faux ou d'une pièce fausse tout en sachant que l'acte utilisé ou la pièce utilisée étaient faux ;
5° personnes qui, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité, ont commis l'un des actes suivants :
a) elles ont commis une fraude en introduisant dans un système informatique, en modifiant ou effaçant des données, qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, ou en modifiant par tout moyen technologique l'utilisation possible de données dans un système informatique, et par-là ont modifié la portée juridique des données ;
b) elles ont fait usage de données dont elles savaient qu'elles étaient fausses ;
6° personnes qui, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou ont commis un autre acte frauduleux pour faire croire à l'existence d'une personne fictive, d'une entreprise fictive ou d'un événement fictif ou pour abuser d'une autre manière de la confiance.]1
Dans les conditions énoncées dans le présent décret et si les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de [2 150 à 1500 euros]2 peut être infligée, pour les infractions suivantes [2 au décret du 23 décembre 2022 relatif à la prime pour l'apprentissage qualifiant sur le lieu de travail destinée aux entreprises et à la prime pour les élèves en formation en alternance]2, aux :
1° personnes qui ont[2 ...]2 fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour obtenir ou faire obtenir, conserver ou faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité ;
2° personnes qui ont[2 ...]2 omis ou refusé de faire les déclarations nécessaires ou de fournir les renseignements qu'elles sont tenues de fournir pour obtenir ou faire obtenir, conserver ou faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité ;
3° personnes qui ont[2 ...]2 obtenu ou conservé indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité à laquelle elles n'ont pas ou que partiellement droit en faisant des déclarations inexactes ou incomplètes ou en omettant ou en refusant de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements ;
4° personnes qui, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité, ont commis l'un des actes suivants :
a) elles ont commis un faux en écritures de l'une des manières suivantes :
1) par fausses signatures ;
2) par contrefaçon ou altération d'écritures ou de signatures ;
3) par fabrication de conventions, dispositions, obligations ou décharges ou par leur insertion dans un acte ;
4) par addition ou altération de clauses, de déclarations ou de faits que l'acte avait pour objet de recevoir ou de constater ;
b) elles ont fait usage d'un acte faux ou d'une pièce fausse tout en sachant que l'acte utilisé ou la pièce utilisée étaient faux ;
5° personnes qui, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité, ont commis l'un des actes suivants :
a) elles ont commis une fraude en introduisant dans un système informatique, en modifiant ou effaçant des données, qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, ou en modifiant par tout moyen technologique l'utilisation possible de données dans un système informatique, et par-là ont modifié la portée juridique des données ;
b) elles ont fait usage de données dont elles savaient qu'elles étaient fausses ;
6° personnes qui, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir, de conserver ou de faire conserver indûment la prime visée à l'article 5 du décret précité, ont fait usage de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou ont commis un autre acte frauduleux pour faire croire à l'existence d'une personne fictive, d'une entreprise fictive ou d'un événement fictif ou pour abuser d'une autre manière de la confiance.]1
Art. 13/10. [1 Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van 300 tot 3000 euro aan al wie het toezicht verhindert dat krachtens hoofdstuk II van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan is geregeld.]1
Art. 13/10. [1 Dans les conditions énoncées dans le présent décret et si les faits sont également passibles de poursuites pénales, une amende administrative de 300 à 3000 euros peut être infligée à quiconque empêche le contrôle réglé en vertu du chapitre II du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.]1
Art. 14. Wanneer de inbreuk door zijn aangestelde of lasthebber is begaan, is de administratieve geldboete alleen op het opleidingscentrum, de werkgever of, in voorkomend geval, de gebruiker, van toepassing.
[1 De rechtspersoon is hoofdelijk gehouden tot het betalen van de administratieve geldboete die opgelegd is aan zijn werkende vennoten of mandatarissen op basis van artikel 13/4 en 13/5 van dit decreet, als de inbreuk een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of als de inbreuk voor zijn rekening is gepleegd.]1
[1 De rechtspersoon is hoofdelijk gehouden tot het betalen van de administratieve geldboete die opgelegd is aan zijn werkende vennoten of mandatarissen op basis van artikel 13/4 en 13/5 van dit decreet, als de inbreuk een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of als de inbreuk voor zijn rekening is gepleegd.]1
Art. 14. Si l'infraction est commise par le préposé ou mandataire, l'amende administrative n'est applicable qu'au centre de formation, à l'employeur ou, le cas échéant, à l'usager.
[1 La personne morale est solidairement responsable du paiement de l'amende administrative infligée à ses associés actifs ou mandataires en vertu des articles 13/4 et 13/5 du présent décret, si l'infraction est intrinsèquement liée à la réalisation de son objectif ou à la poursuite de ses intérêts, ou si l'infraction a été commise pour son compte.]1
[1 La personne morale est solidairement responsable du paiement de l'amende administrative infligée à ses associés actifs ou mandataires en vertu des articles 13/4 et 13/5 du présent décret, si l'infraction est intrinsèquement liée à la réalisation de son objectif ou à la poursuite de ses intérêts, ou si l'infraction a été commise pour son compte.]1
Art. 15. De inbreuk op de regelgeving als bedoeld in [2 , vermeld in artikel 13 tot en met 13/10,]2wordt strafrechtelijk vervolgd ofwel wordt een administratieve geldboete opgelegd onder de voorwaarden zoals bepaald in artikel 17.
De administratieve geldboete wordt opgelegd door de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaar of ambtenaren.
[1 De door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren oefenen hun bevoegdheid uit onder de voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen.
Die ambtenaren mogen geen beslissingen nemen in dossiers waarin zij al zijn opgetreden in een andere hoedanigheid, noch enig belang hebben in ondernemingen die betrokken zijn in de procedure.]1
De administratieve geldboete wordt opgelegd door de door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaar of ambtenaren.
[1 De door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren oefenen hun bevoegdheid uit onder de voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen.
Die ambtenaren mogen geen beslissingen nemen in dossiers waarin zij al zijn opgetreden in een andere hoedanigheid, noch enig belang hebben in ondernemingen die betrokken zijn in de procedure.]1
Art. 15. L'infraction [2 à la réglementation visée aux articles 13 à 13/10 ]2 fait l'objet d'une poursuite judiciaire ou d'une amende administrative aux conditions telles que définies à l'article 17.
L'amende administrative est infligée par le fonctionnaire ou les fonctionnaires désignés par le Gouvernement flamand.
[1 Les fonctionnaires désignés par le Gouvernement flamand exercent leur compétence aux conditions assurant leur indépendance et impartialité.
Ces fonctionnaires ne peuvent pas prendre de décisions dans des dossiers dans lesquels ils sont déjà intervenus dans une autre qualité ni avoir un quelconque intérêt dans des entreprises impliquées à la procédure.]1
L'amende administrative est infligée par le fonctionnaire ou les fonctionnaires désignés par le Gouvernement flamand.
[1 Les fonctionnaires désignés par le Gouvernement flamand exercent leur compétence aux conditions assurant leur indépendance et impartialité.
Ces fonctionnaires ne peuvent pas prendre de décisions dans des dossiers dans lesquels ils sont déjà intervenus dans une autre qualité ni avoir un quelconque intérêt dans des entreprises impliquées à la procédure.]1
Art. 16. Het openbaar ministerie beslist of het al dan niet strafrechtelijk vervolgt.
De instelling van de strafvordering sluit het opleggen van een administratieve geldboete uit.
Elke beslissing over de strafvordering of over het opleggen van een administratieve geldboete uit hoofde van een inbreuk, wordt op verzoek van de sociaalrechtelijke inspecteur die proces-verbaal heeft opgemaakt, aan deze inspecteur ter kennis gebracht. De Vlaamse administratie verzorgt de uitvoering van deze kennisgeving in functie van de documenten en stukken die zij heeft.
De instelling van de strafvordering sluit het opleggen van een administratieve geldboete uit.
Elke beslissing over de strafvordering of over het opleggen van een administratieve geldboete uit hoofde van een inbreuk, wordt op verzoek van de sociaalrechtelijke inspecteur die proces-verbaal heeft opgemaakt, aan deze inspecteur ter kennis gebracht. De Vlaamse administratie verzorgt de uitvoering van deze kennisgeving in functie van de documenten en stukken die zij heeft.
Art. 16. Le ministère public décide de procéder ou non aux poursuites judiciaires.
L'action publique exclut l'imposition d'une amende administrative.
Toute décision sur l'action publique ou relative à une amende administrative du chef d'une infraction sera portée, à leur demande, à la connaissance des inspecteurs des lois sociales qui ont dressé procès-verbal. La communication de cette décision est faite à la diligence de l'administration flamande en fonction des documents et pièces dont elle dispose.
L'action publique exclut l'imposition d'une amende administrative.
Toute décision sur l'action publique ou relative à une amende administrative du chef d'une infraction sera portée, à leur demande, à la connaissance des inspecteurs des lois sociales qui ont dressé procès-verbal. La communication de cette décision est faite à la diligence de l'administration flamande en fonction des documents et pièces dont elle dispose.
Art. 17. § 1. Het openbaar ministerie beschikt over een termijn van [4 zes]4 maanden te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal om van zijn beslissing omtrent het al dan niet instellen van een strafvervolging kennis te geven aan de krachtens artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar.
[1 Bij gemotiveerde beslissing kan het Openbaar Ministerie die termijn verlengen met maximaal [4 zes]4 maanden. Het Openbaar Ministerie brengt de aangewezen ambtenaar, vermeld in artikel 15, tweede lid, daarvan op de hoogte.]1
§ 2. [4 Als het openbaar ministerie van strafvervolging afziet of de krachtens artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar niet binnen de gestelde termijn op de hoogte brengt van zijn beslissing, beslist de aangewezen ambtenaar of naar aanleiding van de inbreuk een administratieve geldboete wordt opgelegd. De beslissing wordt genomen nadat aan de overtreder de mogelijkheid geboden is om zijn verweermiddelen naar voren te brengen.
De aangewezen ambtenaar brengt de overtreder met een aangetekende brief op de hoogte van de feiten die hem ten laste zijn gelegd. In die oproepingsbrief wordt het volgende meegedeeld:
1° het recht van de overtreder om zijn verweermiddelen schriftelijk of mondeling in te dienen binnen dertig dagen vanaf de dag van de kennisgeving van de oproepingsbrief;
2° de mogelijkheid tot bijstand van een raadsman;
3° de mogelijkheid van de overtreder of zijn raadsman om inzage te krijgen in het dossier of om een elektronisch afschrift ervan te verkrijgen binnen de termijn, vermeld in punt 1°.
Als de overtreder verzuimd heeft om de aangetekende brief bij de post af te halen binnen de vastgestelde termijn, kan de bevoegde administratie hem met een gewone brief, ter informatie, nog een tweede uitnodiging sturen om zijn verweermiddelen in te dienen. De termijn, vermeld in het tweede lid, 1°, kan in dat geval eenmalig met 30 dagen worden verlengd.
De aangewezen ambtenaar beschikt over [5 twaalf]5 maanden om een administratieve geldboete op te leggen. Die termijn begint te lopen vanaf de kennisneming van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, of, als die kennisgeving ontbreekt, vanaf het einde van de termijn, vermeld in paragraaf 1.]4
§ 3. Indien de aangewezen ambtenaar beslist een administratieve geldboete op te leggen, vermeldt zijn beslissing met in achtneming van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het bedrag, de tekst van § 5 en de termijn waarbinnen en de manier waarop de administratieve geldboete betaald wordt.
Wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn kan de aangewezen ambtenaar een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het toepasselijke minimumbedrag.
[3 § 3/1. Op vraag van de overtreder kan de aangewezen ambtenaar geheel of gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging van de administratieve geldboete verlenen, gedurende een proefperiode die niet minder dan één jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
Het uitstel wordt verleend in de beslissing tot oplegging van administratieve geldboete.
Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk omschreven in dit hoofdstuk wordt gepleegd, met een administratieve of gerechtelijke beslissing tot schuldigverklaring, een administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete of een gerechtelijke veroordeling tot gevolg.]3
§ 4. De in § 3 vermelde beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief aan [4 de overtreder]4 ter kennis gegeven. De kennisgeving vermeldt de wijze waarop tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld.
De verzending van de kennisgeving van de beslissing doet de strafvordering uit hoofde van de in artikel 2 van dit decreet genoemde regelgeving vervallen.
De betaling van de administratieve geldboete en de eventuele invorderingskosten maakt een einde aan de vordering van de Vlaamse overheid.
§ 5. [4 De overtreder]4 die de beslissing van de bevoegde ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van twee maanden na de verzending van de kennisgeving van de beslissing, door middel van de neerlegging van een verzoekschrift overeenstemmend met de bepalingen van artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek beroep aan bij de arbeidsrechtbank. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
§ 6. In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar kunnen de arbeidsgerechten, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete verminderen tot onder de toepasselijke minimumbedragen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het betreffende minimumbedrag.
§ 7. De Vlaamse regering bepaalt de termijn en de nadere regelen voor de betaling van de administratieve geldboeten.
§ 8. Onverminderd [6 het decreet van 19 april 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]6 zal de Vlaamse regering bij besluit de ambtenaren binnen haar administratie machtigen om de in dit decreet bedoelde onbetwiste en opeisbare administratieve geldboeten en eventuele invorderingskosten te verhalen.
De ambtenaar aangewezen krachtens artikel 15, tweede lid, van dit decreet deelt de beslissing van hemzelf of van het arbeidsgerecht die in kracht van gewijsde is gegaan mede aan de door deze paragraaf gemachtigde ambtenaren.
[1 Bij gemotiveerde beslissing kan het Openbaar Ministerie die termijn verlengen met maximaal [4 zes]4 maanden. Het Openbaar Ministerie brengt de aangewezen ambtenaar, vermeld in artikel 15, tweede lid, daarvan op de hoogte.]1
§ 2. [4 Als het openbaar ministerie van strafvervolging afziet of de krachtens artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar niet binnen de gestelde termijn op de hoogte brengt van zijn beslissing, beslist de aangewezen ambtenaar of naar aanleiding van de inbreuk een administratieve geldboete wordt opgelegd. De beslissing wordt genomen nadat aan de overtreder de mogelijkheid geboden is om zijn verweermiddelen naar voren te brengen.
De aangewezen ambtenaar brengt de overtreder met een aangetekende brief op de hoogte van de feiten die hem ten laste zijn gelegd. In die oproepingsbrief wordt het volgende meegedeeld:
1° het recht van de overtreder om zijn verweermiddelen schriftelijk of mondeling in te dienen binnen dertig dagen vanaf de dag van de kennisgeving van de oproepingsbrief;
2° de mogelijkheid tot bijstand van een raadsman;
3° de mogelijkheid van de overtreder of zijn raadsman om inzage te krijgen in het dossier of om een elektronisch afschrift ervan te verkrijgen binnen de termijn, vermeld in punt 1°.
Als de overtreder verzuimd heeft om de aangetekende brief bij de post af te halen binnen de vastgestelde termijn, kan de bevoegde administratie hem met een gewone brief, ter informatie, nog een tweede uitnodiging sturen om zijn verweermiddelen in te dienen. De termijn, vermeld in het tweede lid, 1°, kan in dat geval eenmalig met 30 dagen worden verlengd.
De aangewezen ambtenaar beschikt over [5 twaalf]5 maanden om een administratieve geldboete op te leggen. Die termijn begint te lopen vanaf de kennisneming van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, of, als die kennisgeving ontbreekt, vanaf het einde van de termijn, vermeld in paragraaf 1.]4
§ 3. Indien de aangewezen ambtenaar beslist een administratieve geldboete op te leggen, vermeldt zijn beslissing met in achtneming van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het bedrag, de tekst van § 5 en de termijn waarbinnen en de manier waarop de administratieve geldboete betaald wordt.
Wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn kan de aangewezen ambtenaar een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het toepasselijke minimumbedrag.
[3 § 3/1. Op vraag van de overtreder kan de aangewezen ambtenaar geheel of gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging van de administratieve geldboete verlenen, gedurende een proefperiode die niet minder dan één jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
Het uitstel wordt verleend in de beslissing tot oplegging van administratieve geldboete.
Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk omschreven in dit hoofdstuk wordt gepleegd, met een administratieve of gerechtelijke beslissing tot schuldigverklaring, een administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete of een gerechtelijke veroordeling tot gevolg.]3
§ 4. De in § 3 vermelde beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief aan [4 de overtreder]4 ter kennis gegeven. De kennisgeving vermeldt de wijze waarop tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld.
De verzending van de kennisgeving van de beslissing doet de strafvordering uit hoofde van de in artikel 2 van dit decreet genoemde regelgeving vervallen.
De betaling van de administratieve geldboete en de eventuele invorderingskosten maakt een einde aan de vordering van de Vlaamse overheid.
§ 5. [4 De overtreder]4 die de beslissing van de bevoegde ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van twee maanden na de verzending van de kennisgeving van de beslissing, door middel van de neerlegging van een verzoekschrift overeenstemmend met de bepalingen van artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek beroep aan bij de arbeidsrechtbank. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
§ 6. In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar kunnen de arbeidsgerechten, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete verminderen tot onder de toepasselijke minimumbedragen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het betreffende minimumbedrag.
§ 7. De Vlaamse regering bepaalt de termijn en de nadere regelen voor de betaling van de administratieve geldboeten.
§ 8. Onverminderd [6 het decreet van 19 april 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]6 zal de Vlaamse regering bij besluit de ambtenaren binnen haar administratie machtigen om de in dit decreet bedoelde onbetwiste en opeisbare administratieve geldboeten en eventuele invorderingskosten te verhalen.
De ambtenaar aangewezen krachtens artikel 15, tweede lid, van dit decreet deelt de beslissing van hemzelf of van het arbeidsgerecht die in kracht van gewijsde is gegaan mede aan de door deze paragraaf gemachtigde ambtenaren.
Änderungen
Art. 17. § 1er. Le ministère public dispose d'un délai de [4 six]4 mois à compter du jour de la réception du procès-verbal pour informer le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, de sa décision d'entamer ou non des poursuites.
[1 Le ministère public peut prolonger ce délai d'au maximum [4 six]4 mois par décision motivée. Le ministère public en informe le fonctionnaire désigné, visé à l'article 15, alinéa, 2.]1
§ 2. [4 Si le ministère public renonce à la poursuite pénale ou n'informe pas le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, de sa décision dans le délai imposé, le fonctionnaire désigné décide si une amende administrative est imposée à l'occasion de l'infraction. La décision est prise après que le contrevenant a eu la faculté de présenter ses défenses.
Le fonctionnaire désigné informe le contrevenant par lettre recommandée des faits qui sont mis à sa charge. Cette convocation contient les informations suivantes :
1° le droit du contrevenant d'introduire ses défenses par écrit ou oralement dans les trente jours à partir du jour de la notification de la convocation ;
2° la possibilité de se faire assister par un conseil ;
3° la possibilité du contrevenant ou son conseil de consulter le dossier ou d'en obtenir une copie électronique dans le délai visé au point 1°.
Si le contrevenant a omis de récupérer la lettre recommandée à la poste dans le délai imposé, l'administration compétente peut lui envoyer une deuxième invitation à présenter ses défenses, par lettre ordinaire, à titre d'information. Dans ce cas, le délai visé à l'alinéa 2, 1°, peut être prolongé une seule fois de 30 jours.
Le fonctionnaire désigné dispose de [5 douze]5 mois pour imposer une amende administrative. Ce délai prend cours à partir de la notification de la décision, visée au paragraphe 1er, ou, à défaut de cette notification, à partir de la fin du délai visé au paragraphe 1er.]4
§ 3. Si le fonctionnaire désigné décide d'infliger une amende administrative, sa décision mentionne, en respectant les dispositions de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, le montant, le texte du § 5 et le délai et le mode de paiement de l'amende administrative.
En cas de circonstances atténuantes, le fonctionnaire désigné peut infliger une amende administrative inférieure aux montants minimum concernés, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 % du montant minimum applicable.
[3 § 3/1. Sur demande du contrevenant, le fonctionnaire désigné peut accorder un sursis de paiement de l'amende administrative, pendant une période d'essai qui ne peut être inférieure à un an ni supérieure à trois ans.
Le sursis est accordé dans la décision d'imposition de l'amende administrative.
Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu'une nouvelle infraction définie au présent chapitre est commise pendant la période d'essai et que cette nouvelle infraction donne lieu à une amende administrative ou une décision judiciaire déclarant la culpabilité, une décision administrative d'imposition d'une amende administrative ou une condamnation judiciaire.]3
§ 4. La décision visée au § 3 est notifiée par lettre recommandée [4 au contrevenant]4. La notification mentionne la façon de former recours contre la décision.
L'envoi de la notification de la décision annule l'action publique du chef de la législation visée à l'article 2 du présent décret.
Le paiement de l'amende administrative et des éventuels frais de poursuite met fin à l'action des autorités flamandes.
§ 5. [4 Le contrevenant]4 qui conteste la décision du fonctionnaire compétent forme, sous peine de nullité, un recours auprès du tribunal du travail dans les deux mois de l'envoi de la notification de la décision, par voie de requête déposée conformément aux dispositions de l'article 704 du Code judiciaire. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
§ 6. En cas de recours formé contre la décision du fonctionnaire compétent, les tribunaux du travail peuvent, s'il y a des circonstances atténuantes, réduire le montant de l'amende administrative imposée à un montant inférieur aux montants minimum applicables, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 % du montant minimum concerné.
§ 7. Le Gouvernement flamand arrête le délai et les modalités du paiement de l'amende administrative.
§ 8. Sans préjudice [6 du décret du 19 avril 2024 réglementant le recouvrement des créances non fiscales]6, le Gouvernement flamand autorisera par arrêté les fonctionnaires de son administration à recouvrer les amendes administratives incontestées et exigibles visées au présent décret, ainsi que les éventuels frais de poursuite.
Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, du présent décret communique sa décision ou la décision du tribunal du travail passée en force de chose jugée aux fonctionnaires autorisés.
[1 Le ministère public peut prolonger ce délai d'au maximum [4 six]4 mois par décision motivée. Le ministère public en informe le fonctionnaire désigné, visé à l'article 15, alinéa, 2.]1
§ 2. [4 Si le ministère public renonce à la poursuite pénale ou n'informe pas le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, de sa décision dans le délai imposé, le fonctionnaire désigné décide si une amende administrative est imposée à l'occasion de l'infraction. La décision est prise après que le contrevenant a eu la faculté de présenter ses défenses.
Le fonctionnaire désigné informe le contrevenant par lettre recommandée des faits qui sont mis à sa charge. Cette convocation contient les informations suivantes :
1° le droit du contrevenant d'introduire ses défenses par écrit ou oralement dans les trente jours à partir du jour de la notification de la convocation ;
2° la possibilité de se faire assister par un conseil ;
3° la possibilité du contrevenant ou son conseil de consulter le dossier ou d'en obtenir une copie électronique dans le délai visé au point 1°.
Si le contrevenant a omis de récupérer la lettre recommandée à la poste dans le délai imposé, l'administration compétente peut lui envoyer une deuxième invitation à présenter ses défenses, par lettre ordinaire, à titre d'information. Dans ce cas, le délai visé à l'alinéa 2, 1°, peut être prolongé une seule fois de 30 jours.
Le fonctionnaire désigné dispose de [5 douze]5 mois pour imposer une amende administrative. Ce délai prend cours à partir de la notification de la décision, visée au paragraphe 1er, ou, à défaut de cette notification, à partir de la fin du délai visé au paragraphe 1er.]4
§ 3. Si le fonctionnaire désigné décide d'infliger une amende administrative, sa décision mentionne, en respectant les dispositions de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, le montant, le texte du § 5 et le délai et le mode de paiement de l'amende administrative.
En cas de circonstances atténuantes, le fonctionnaire désigné peut infliger une amende administrative inférieure aux montants minimum concernés, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 % du montant minimum applicable.
[3 § 3/1. Sur demande du contrevenant, le fonctionnaire désigné peut accorder un sursis de paiement de l'amende administrative, pendant une période d'essai qui ne peut être inférieure à un an ni supérieure à trois ans.
Le sursis est accordé dans la décision d'imposition de l'amende administrative.
Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu'une nouvelle infraction définie au présent chapitre est commise pendant la période d'essai et que cette nouvelle infraction donne lieu à une amende administrative ou une décision judiciaire déclarant la culpabilité, une décision administrative d'imposition d'une amende administrative ou une condamnation judiciaire.]3
§ 4. La décision visée au § 3 est notifiée par lettre recommandée [4 au contrevenant]4. La notification mentionne la façon de former recours contre la décision.
L'envoi de la notification de la décision annule l'action publique du chef de la législation visée à l'article 2 du présent décret.
Le paiement de l'amende administrative et des éventuels frais de poursuite met fin à l'action des autorités flamandes.
§ 5. [4 Le contrevenant]4 qui conteste la décision du fonctionnaire compétent forme, sous peine de nullité, un recours auprès du tribunal du travail dans les deux mois de l'envoi de la notification de la décision, par voie de requête déposée conformément aux dispositions de l'article 704 du Code judiciaire. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
§ 6. En cas de recours formé contre la décision du fonctionnaire compétent, les tribunaux du travail peuvent, s'il y a des circonstances atténuantes, réduire le montant de l'amende administrative imposée à un montant inférieur aux montants minimum applicables, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 % du montant minimum concerné.
§ 7. Le Gouvernement flamand arrête le délai et les modalités du paiement de l'amende administrative.
§ 8. Sans préjudice [6 du décret du 19 avril 2024 réglementant le recouvrement des créances non fiscales]6, le Gouvernement flamand autorisera par arrêté les fonctionnaires de son administration à recouvrer les amendes administratives incontestées et exigibles visées au présent décret, ainsi que les éventuels frais de poursuite.
Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, du présent décret communique sa décision ou la décision du tribunal du travail passée en force de chose jugée aux fonctionnaires autorisés.
Änderungen
Art. 18. [2 In geval van samenloop van meerdere inbreuken worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd zonder dat ze evenwel het bedrag van 20.000 euro mogen overschrijden, of het dubbele van het maximum van de hoogste administratieve geldboete als dit bedrag hoger ligt.
Wanneer eenzelfde feit verscheidene inbreuken oplevert of wanneer verschillende inbreuken die gelijktijdig worden voorgelegd aan de bevoegde administratie de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet, wordt alleen de zwaarste administratieve geldboete uitgesproken.]2
Wanneer de krachtens artikel 15, tweede lid, van dit decreet aangewezen ambtenaar vaststelt dat inbreuken die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste inbreuken de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde bijzonder opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds opgelegde sancties. Indien deze hem voor een juiste sanctionering van al die inbreuken voldoende lijken, spreekt hij zich over de schuldvraag uit en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds opgelegde sancties.
Wanneer eenzelfde feit verscheidene inbreuken oplevert of wanneer verschillende inbreuken die gelijktijdig worden voorgelegd aan de bevoegde administratie de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet, wordt alleen de zwaarste administratieve geldboete uitgesproken.]2
Wanneer de krachtens artikel 15, tweede lid, van dit decreet aangewezen ambtenaar vaststelt dat inbreuken die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste inbreuken de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde bijzonder opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds opgelegde sancties. Indien deze hem voor een juiste sanctionering van al die inbreuken voldoende lijken, spreekt hij zich over de schuldvraag uit en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds opgelegde sancties.
Art. 18. [2 Lorsqu'un même fait constitue plusieurs infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés, sans toutefois dépasser le montant de 20.000 euros, ou le double du maximum de l'amende administrative la plus élevée si ce montant est plus élevé.
Lorsqu'un même fait constitue plusieurs infractions ou lorsque différentes infractions qui sont soumises simultanément à l'administration compétente constituent la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, l'infraction administrative la plus forte sera seule prononcée.]2
Lorsque le fonctionnaire désignés en vertu de l'article 15, alinéa 2, du présent décret constate que des infractions ayant antérieurement fait l'objet d'une décision définitive et d'autres faits dont il est saisi et qui, à les supposer établis, sont antérieurs à ladite décision et constituent avec les premières la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, il tient compte, pour la fixation de la peine, des peines déjà prononcées. Si celles-ci lui paraissent suffire à une juste répression de l'ensemble des infractions, il se prononce sur la culpabilité et renvoie dans sa décision aux peines déjà prononcées.
Lorsqu'un même fait constitue plusieurs infractions ou lorsque différentes infractions qui sont soumises simultanément à l'administration compétente constituent la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, l'infraction administrative la plus forte sera seule prononcée.]2
Lorsque le fonctionnaire désignés en vertu de l'article 15, alinéa 2, du présent décret constate que des infractions ayant antérieurement fait l'objet d'une décision définitive et d'autres faits dont il est saisi et qui, à les supposer établis, sont antérieurs à ladite décision et constituent avec les premières la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, il tient compte, pour la fixation de la peine, des peines déjà prononcées. Si celles-ci lui paraissent suffire à une juste répression de l'ensemble des infractions, il se prononce sur la culpabilité et renvoie dans sa décision aux peines déjà prononcées.
Art. 18/1. [1 Onder dezelfde voorwaarden als voorzien voor strafrechtelijke geldboeten, worden administratieve geldboeten vermenigvuldigd met [2 het aantal werknemers en gebruikers op wie de inbreuk betrekking heeft]2.
De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.]1
De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.]1
Art. 18/1. [1 Aux mêmes conditions que celles prévues pour les amendes pénales, les amendes administratives sont multipliées par[2 le nombre de travailleurs et d'utilisateurs concernés par l'infraction]2.
L'amende multipliée ne peut toutefois pas dépasser le centuple de l'amende maximale.]1
L'amende multipliée ne peut toutefois pas dépasser le centuple de l'amende maximale.]1
Art. 18/2. [1 De opdeciemen, vermeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn ook van toepassing op de administratieve geldboeten, vermeld in artikel 13 tot en met 13/10 van dit decreet.
De aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit decreet, vermelden in de beslissing, vermeld in artikel 17, Ї 2, eerste lid, de vermenigvuldiging krachtens artikel 1, eerste lid, van de voormelde wet, en vermelden het getal dat het gevolg is van die verhoging.]1
De aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 15, tweede lid, van dit decreet, vermelden in de beslissing, vermeld in artikel 17, Ї 2, eerste lid, de vermenigvuldiging krachtens artikel 1, eerste lid, van de voormelde wet, en vermelden het getal dat het gevolg is van die verhoging.]1
Art. 18/2. [1 Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales s'appliquent également aux amendes administratives visées aux articles 13 à 13/10 du présent décret.
Les fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, du présent décret indiquent, dans la décision visée à l'article 17, § 2, alinéa 1er, la multiplication en vertu de l'article 1er, alinéa 1er, de la loi précitée ainsi que le montant résultant de cette majoration.]1
Les fonctionnaires désignés visés à l'article 15, alinéa 2, du présent décret indiquent, dans la décision visée à l'article 17, § 2, alinéa 1er, la multiplication en vertu de l'article 1er, alinéa 1er, de la loi précitée ainsi que le montant résultant de cette majoration.]1
Art. 19. [1 Bij herhaling binnen vijf jaar na een strafrechtelijke veroordeling of na een administratieve beslissing om een administratieve geldboete op te leggen als vermeld in artikel 13 tot en met 13/10, kan het bedrag van de administratieve geldboete op het dubbele van het maximum worden gebracht.
Met toepassing van artikel 18 mag het bedrag niet hoger zijn dan 40.000 euro, of het viervoud van de hoogste administratieve geldboete als dat bedrag hoger is.
De termijn van vijf jaar, vermeld in het eerste lid, begint op de dag waarop de administratieve beslissing niet langer vatbaar is voor beroep, of op de dag dat de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.]1
Met toepassing van artikel 18 mag het bedrag niet hoger zijn dan 40.000 euro, of het viervoud van de hoogste administratieve geldboete als dat bedrag hoger is.
De termijn van vijf jaar, vermeld in het eerste lid, begint op de dag waarop de administratieve beslissing niet langer vatbaar is voor beroep, of op de dag dat de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.]1
Art. 19. [1 En cas de récidive dans les cinq ans qui suivent une condamnation pénale ou une décision administrative d'infliger une amende administrative telle que visée aux articles 13 à 13/10, le montant de l'amende administrative peut être porté au double du maximum.
En application de l'article 18, le montant ne peut pas excéder 40.000 euros ou le quadruple de l'amende administrative la plus élevée si ce montant est supérieur.
Le délai de cinq ans visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où la décision administrative n'est plus susceptible de recours ou le jour où la décision judiciaire est passée en force de chose jugée. ]1
En application de l'article 18, le montant ne peut pas excéder 40.000 euros ou le quadruple de l'amende administrative la plus élevée si ce montant est supérieur.
Le délai de cinq ans visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où la décision administrative n'est plus susceptible de recours ou le jour où la décision judiciaire est passée en force de chose jugée. ]1
Art. 20. § 1. Een administratieve geldboete kan niet worden opgelegd indien binnen [2 twee jaar]2 na de datum van het proces-verbaal het opleidingscentrum, de werkgever of, in voorkomend geval, de gebruiker niet in de mogelijkheid werd gesteld zijn verweermiddelen bij de aangewezen ambtenaar naar voor te brengen.
De vordering van de Vlaamse overheid uit hoofde van de administratieve geldboete verjaart [1 vijf jaar]1 na het laatste feit dat de bij dit decreet bedoelde inbreuk uitmaakt.
§ 2. De daden van onderzoek of vervolging, met inbegrip van de kennisgevingen van het openbaar ministerie omtrent het al dan niet instellen van strafvervolging en de in artikel 17, § 2, vermelde kennisgeving aan het opleidingscentrum, de werkgever en, in voorkomend geval de gebruiker, waarbij hem de mogelijkheid wordt geboden om zijn verweermiddelen naar voren te brengen, verricht binnen de in § 1, eerste lid, van dit artikel gestelde termijn, stuiten de loop van de in § 1, eerste lid, vermelde termijn. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die niet het voorwerp uitmaakten van de kennisgeving, noch bij de daden van onderzoek betrokken waren.
De vordering van de Vlaamse overheid uit hoofde van de administratieve geldboete verjaart [1 vijf jaar]1 na het laatste feit dat de bij dit decreet bedoelde inbreuk uitmaakt.
§ 2. De daden van onderzoek of vervolging, met inbegrip van de kennisgevingen van het openbaar ministerie omtrent het al dan niet instellen van strafvervolging en de in artikel 17, § 2, vermelde kennisgeving aan het opleidingscentrum, de werkgever en, in voorkomend geval de gebruiker, waarbij hem de mogelijkheid wordt geboden om zijn verweermiddelen naar voren te brengen, verricht binnen de in § 1, eerste lid, van dit artikel gestelde termijn, stuiten de loop van de in § 1, eerste lid, vermelde termijn. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die niet het voorwerp uitmaakten van de kennisgeving, noch bij de daden van onderzoek betrokken waren.
Art. 20. § 1er. Une amende administrative ne peut être imposée si dans [2 deux ans]2 de la date du procès-verbal, le centre de formation, l'employeur et, le cas échéant, l'usager n'ont pas eu la faculté de présenter leurs défenses au fonctionnaire désigné.
L'action des autorités flamandes du chef de l'amende administrative est prescrite [1 quatre ans]1 du dernier fait qui constitue l'infraction visée par le présent décret.
§ 2. Les actes d'instruction ou de poursuite, y compris les notifications du ministère public sur sa décision d'entamer ou non des poursuites pénales et la notification visée à l'article 17, § 2 au centre de formation, à l'employeur et, le cas échéant, à l'usager, leur donnant la faculté de présenter leurs défenses, effectués dans le délai fixé au § 1er, alinéa premier du présent article, interrompent le délai visé au § 1er, alinéa premier. Un nouveau délai de durée égale est entamé par ces actes, même à l'égard de personnes n'ayant pas fait l'objet de la notification ni associées aux actes d'instruction.
L'action des autorités flamandes du chef de l'amende administrative est prescrite [1 quatre ans]1 du dernier fait qui constitue l'infraction visée par le présent décret.
§ 2. Les actes d'instruction ou de poursuite, y compris les notifications du ministère public sur sa décision d'entamer ou non des poursuites pénales et la notification visée à l'article 17, § 2 au centre de formation, à l'employeur et, le cas échéant, à l'usager, leur donnant la faculté de présenter leurs défenses, effectués dans le délai fixé au § 1er, alinéa premier du présent article, interrompent le délai visé au § 1er, alinéa premier. Un nouveau délai de durée égale est entamé par ces actes, même à l'égard de personnes n'ayant pas fait l'objet de la notification ni associées aux actes d'instruction.
Afdeling 2. - Andere administratieve geldboeten.
Section 2. - Autres amendes administratives.
Art. 21. [1 [2 Onder de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, kan voor de volgende inbreuken op het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling, een administratieve geldboete worden opgelegd van [3 10 tot 100 euro]3 aan het bureau, vermeld in artikel 3, 3°, a) tot en met d), van dit decreet, dat]2 :
1° bemiddelingsdiensten, zoals bepaald in artikel 3, 1°, b) en c), van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling, verricht voor vacatures waar geen reëel jobaanbod tegenover staat;
2° productieve praktische proeven organiseert in het kader van een selectieprocedure, die langer duren dan noodzakelijk is om de bekwaamheid van de sollicitant te onderzoeken;
3° geen document waarin de rechten en verplichtingen van de werknemer en de werkgever overhandigt aan de gegadigden of in extenso aanplakt in de voor het publiek toegankelijke lokalen van het bureau;
4° bij externe communicatie, ongeacht onder welke vorm, geen melding maakt van het [3 erkenningsnummer of registratienummer]3;
5° de benaming niet vermeldt waaronder het is erkend;
6° niet voldoet aan de criteria inzake kwaliteit en deskundigheid, vermeld in artikel 5, 17°, van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling.]1
1° bemiddelingsdiensten, zoals bepaald in artikel 3, 1°, b) en c), van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling, verricht voor vacatures waar geen reëel jobaanbod tegenover staat;
2° productieve praktische proeven organiseert in het kader van een selectieprocedure, die langer duren dan noodzakelijk is om de bekwaamheid van de sollicitant te onderzoeken;
3° geen document waarin de rechten en verplichtingen van de werknemer en de werkgever overhandigt aan de gegadigden of in extenso aanplakt in de voor het publiek toegankelijke lokalen van het bureau;
4° bij externe communicatie, ongeacht onder welke vorm, geen melding maakt van het [3 erkenningsnummer of registratienummer]3;
5° de benaming niet vermeldt waaronder het is erkend;
6° niet voldoet aan de criteria inzake kwaliteit en deskundigheid, vermeld in artikel 5, 17°, van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling.]1
Art. 21. [1 [2 Aux conditions définies dans la présente section, une amende administrative de [3 10 à 100 euros ]3 peut être infligée pour les infractions suivantes au décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé, au bureau tel que visé à l'article 3, 3°, a) à d) inclus du présent décret, qui]2 :
1° effectue des services de placement tels que visés à l'article 3, 1°, b) et c), du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé, pour des vacances qui ne couvrent pas d'offre d'emploi réelle;
2° organise des épreuves pratiques productives dans le cadre d'une procédure de sélection, dont la durée dépasse le temps nécessaire pour examiner l'aptitude du postulant;
3° ne remet pas de document aux personnes intéressées reprenant les droits et obligations du travailleur et de l'employeur ou omet de l''afficher in extenso dans les locaux accessibles au public;
4° omet de faire mention dans sa communication externe du [3 du numéro d'agrément ou du numéro d'enregistrement ]3, sous quelque forme que ce soit;
5° ne mentionne pas la dénomination sous laquelle il est agréé;
6° ne répond pas aux critères de qualité et d'expertise tels que visés à l'article 5, 17°, du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé.]1
1° effectue des services de placement tels que visés à l'article 3, 1°, b) et c), du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé, pour des vacances qui ne couvrent pas d'offre d'emploi réelle;
2° organise des épreuves pratiques productives dans le cadre d'une procédure de sélection, dont la durée dépasse le temps nécessaire pour examiner l'aptitude du postulant;
3° ne remet pas de document aux personnes intéressées reprenant les droits et obligations du travailleur et de l'employeur ou omet de l''afficher in extenso dans les locaux accessibles au public;
4° omet de faire mention dans sa communication externe du [3 du numéro d'agrément ou du numéro d'enregistrement ]3, sous quelque forme que ce soit;
5° ne mentionne pas la dénomination sous laquelle il est agréé;
6° ne répond pas aux critères de qualité et d'expertise tels que visés à l'article 5, 17°, du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé.]1
Art. 21/1. [1 Onder de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, kan aan de werknemer die de opleiding niet nauwgezet volgt en die meer opleidingsverlof opneemt dan de uren waarop de werknemer recht heeft volgens artikel 111 en 116 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 10 tot 100 euro]2.]1
Art. 21/1. [1 Aux conditions prévues par la présente section, une amende administrative de [2 10 à 100 euros]2 peut être infligée au travailleur qui ne suit pas assidument la formation et qui prend plus d'heures de congé de formation que les heures auxquelles il a droit en vertu des articles 111 et 116 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales.]1
Art. 21/2. [1 Onder de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, kan aan eenieder die onjuiste inlichtingen verschaft met het oog op de toepassing van een transitiepremie voor ondernemers als vermeld in het decreet van 22 december 2017 houdende een premie om de transitie van werkzoekenden naar ondernemerschap te stimuleren en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 10 tot 100 euro]2.]1
Art. 21/2. [1 Aux conditions visées à la présente section, une amende administrative de [2 10 à 100 euros]2 peut être imposée à chacun qui fournit des renseignements incorrects en vue de l'application d'une prime de transition pour entrepreneurs telle que visée au décret du 22 décembre 2017 portant une prime pour stimuler la transition de demandeurs d'emploi à l'entrepreneuriat et ses arrêtes d'exécution.]1
Art. 21/3. [1 Onder de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, kan aan elke persoon die onjuiste of onvolledige inlichtingen verschaft of bepaalde inlichtingen achterhoudt met het oog op het verkrijgen van de premie, vermeld in artikel 3 van het decreet van 20 mei 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 10 tot 100 euro]2.]1
Art. 21/3. [1 Dans les conditions visées à la présente section, une amende administrative de [2 10 à 100 euros]2 peut être infligée à toute personne qui fournit des informations inexactes ou incomplètes ou qui retient certaines informations en vue d'obtenir la prime visée à l'article 3 du décret du 20 mai 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi et à ses arrêtés d'exécution. ]1
Art. 21/4. [1 Onder de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, kan aan elke persoon die onjuiste of onvolledige inlichtingen verschaft of bepaalde inlichtingen achterhoudt met het oog op het verkrijgen van de jobbonus plus, vermeld in het decreet van 15 juli 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus plus voor startende zelfstandigen en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van [2 10 tot 100 euro]2.]1
Art. 21/4. [1 Dans les conditions visées à la présente section, une amende administrative de [2 10 à 100 euros]2 peut être infligée à toute personne qui fournit des informations inexactes ou incomplètes ou qui retient certaines informations en vue d'obtenir le bonus emploi plus, visé au décret du 15 juillet 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi plus aux indépendants débutants et à ses arrêtés d'exécution.]1
Art.21/5. [1 Onder de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen een administratieve geldboete worden opgelegd van 10 tot 100 euro aan de erkende dienstenchequeonderneming, die:
1° geen schriftelijke overeenkomst heeft opgemaakt conform artikel 6, § 2, van de voormelde wet;
2° niet voldaan heeft aan de verplichting, vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid, l, van de voormelde wet.
De administratieve geldboete die wordt opgelegd met toepassing van het eerste lid, wordt vermenigvuldigd met het aantal gebruikers met wie geen schriftelijke overeenkomst als vermeld in het eerste lid, 1°, is opgemaakt en/of met het aantal gebruikers waarvoor niet voldaan is aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, 2°. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.]1
1° geen schriftelijke overeenkomst heeft opgemaakt conform artikel 6, § 2, van de voormelde wet;
2° niet voldaan heeft aan de verplichting, vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid, l, van de voormelde wet.
De administratieve geldboete die wordt opgelegd met toepassing van het eerste lid, wordt vermenigvuldigd met het aantal gebruikers met wie geen schriftelijke overeenkomst als vermeld in het eerste lid, 1°, is opgemaakt en/of met het aantal gebruikers waarvoor niet voldaan is aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, 2°. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.]1
Art.21/5. [1 Dans les conditions énoncées à la présente section, pour les infractions suivantes à la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, une amende administrative de 10 à 100 euros peut être infligée à l'entreprise agréée de titres-services qui :
1° n'a pas établi de convention écrite conformément à l'article 6, § 2, de la loi précitée ;
2° n'a pas rempli l'obligation visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, l, de la loi précitée.
L'amende administrative infligée en vertu de l'alinéa 1er est multipliée par le nombre d'utilisateurs avec lesquels aucune convention écrite, visée à l'alinéa 1er, 1°, n'a été établie et/ou par le nombre d'utilisateurs pour lesquels l'obligation visée à l'alinéa 1er, 2°, n'a pas été remplie. L'amende multipliée ne peut toutefois être supérieure au centuple de l'amende maximale.]1
1° n'a pas établi de convention écrite conformément à l'article 6, § 2, de la loi précitée ;
2° n'a pas rempli l'obligation visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, l, de la loi précitée.
L'amende administrative infligée en vertu de l'alinéa 1er est multipliée par le nombre d'utilisateurs avec lesquels aucune convention écrite, visée à l'alinéa 1er, 1°, n'a été établie et/ou par le nombre d'utilisateurs pour lesquels l'obligation visée à l'alinéa 1er, 2°, n'a pas été remplie. L'amende multipliée ne peut toutefois être supérieure au centuple de l'amende maximale.]1
Art. 22. Artikel 14 van dit decreet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot oplegging van de administratieve geldboete.
Art. 22. L'article 14 du présent décret s'applique par analogie à l'amende administrative.
Art. 23. § 1. De administratieve geldboete wordt opgelegd door de krachtens artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar.
§ 2. Met uitzondering van de tussenkomst van het Openbaar Ministerie en de gevolgen hiervan op de bevoegdheid van de aangewezen ambtenaar en de verzachtende omstandigheden die niet kunnen weerhouden worden is artikel 17 van dit decreet van overeenkomstige toepassing.
§ 3 [3 Artikel 18 en 18/2 zijn]3 van overeenkomstige toepassing op het bepalen van de hoogte van de administratieve geldboete.
§ 4.[3 Als dezelfde inbreuk wordt vastgesteld binnen vijf jaar nadat een administratieve geldboete is opgelegd conform artikel 21 tot en met 21/4, kan het bedrag van de administratieve geldboete op het dubbele van het maximum worden gebracht.
De termijn van vijf jaar, vermeld in het eerste lid, begint op de dag waarop de administratieve beslissing niet langer vatbaar is voor beroep.]3.
§ 5. De in § 2 bedoelde beslissing kan niet meer worden genomen na een jaar te rekenen vanaf het plegen van het feit dat een in artikel 21 bedoelde inbreuk uitmaakt.
§ 6. De daden van onderzoek of vervolging, met inbegrip van de door artikel 17, § 2, geregelde kennisgeving aan de werkgever of, in voorkomend geval, aan de gebruiker, om zijn verweermiddelen naar voren te brengen, verricht binnen de in § 5 gestelde termijn, stuiten de loop ervan. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die niet het voorwerp uitmaakten van de kennisgeving, noch bij de daden van onderzoek betrokken waren.
§ 2. Met uitzondering van de tussenkomst van het Openbaar Ministerie en de gevolgen hiervan op de bevoegdheid van de aangewezen ambtenaar en de verzachtende omstandigheden die niet kunnen weerhouden worden is artikel 17 van dit decreet van overeenkomstige toepassing.
§ 3 [3 Artikel 18 en 18/2 zijn]3 van overeenkomstige toepassing op het bepalen van de hoogte van de administratieve geldboete.
§ 4.[3 Als dezelfde inbreuk wordt vastgesteld binnen vijf jaar nadat een administratieve geldboete is opgelegd conform artikel 21 tot en met 21/4, kan het bedrag van de administratieve geldboete op het dubbele van het maximum worden gebracht.
De termijn van vijf jaar, vermeld in het eerste lid, begint op de dag waarop de administratieve beslissing niet langer vatbaar is voor beroep.]3.
§ 5. De in § 2 bedoelde beslissing kan niet meer worden genomen na een jaar te rekenen vanaf het plegen van het feit dat een in artikel 21 bedoelde inbreuk uitmaakt.
§ 6. De daden van onderzoek of vervolging, met inbegrip van de door artikel 17, § 2, geregelde kennisgeving aan de werkgever of, in voorkomend geval, aan de gebruiker, om zijn verweermiddelen naar voren te brengen, verricht binnen de in § 5 gestelde termijn, stuiten de loop ervan. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die niet het voorwerp uitmaakten van de kennisgeving, noch bij de daden van onderzoek betrokken waren.
Art. 23. § 1er. L'amende administrative est imposée par le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2.
§ 2. A l'exception de l'intervention du ministère public et des séquelles pour la compétence du fonctionnaire désigné, et des circonstances atténuantes qui ne peuvent être retenues, l'article 17 du présent décret s'applique par analogie.
§ 3. [3 Les articles 18 et 18/2 s'appliquent]3 par analogie à la fixation du montant de l'amende administrative.
§ 4.[3 Si la même infraction est constatée dans les cinq ans qui suivent l'imposition d'une amende administrative en vertu des articles 21 à 21/4, le montant de l'amende administrative peut être porté au double du maximum.
Le délai de cinq ans visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où la décision administrative n'est plus susceptible de recours.]3.
§ 5. La décision visée au § 2 ne peut plus être prise après un an à compter de la date où le fait qualifié d'infraction au sens de l'article 21 a été commis
§ 6. Les actes d'instruction ou de poursuite, y compris la notification visée à l'article 17, § 2, à l'employeur et, le cas échéant, à l'usager, leur donnant la faculté de présenter leurs défenses, effectués dans le délai fixé au § 5, interrompent ledit délai. Un nouveau délai de durée égale est entamé par ces actes, même à l'égard de personnes n'ayant pas fait l'objet de la notification ni associées aux actes d'instruction.
§ 2. A l'exception de l'intervention du ministère public et des séquelles pour la compétence du fonctionnaire désigné, et des circonstances atténuantes qui ne peuvent être retenues, l'article 17 du présent décret s'applique par analogie.
§ 3. [3 Les articles 18 et 18/2 s'appliquent]3 par analogie à la fixation du montant de l'amende administrative.
§ 4.[3 Si la même infraction est constatée dans les cinq ans qui suivent l'imposition d'une amende administrative en vertu des articles 21 à 21/4, le montant de l'amende administrative peut être porté au double du maximum.
Le délai de cinq ans visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où la décision administrative n'est plus susceptible de recours.]3.
§ 5. La décision visée au § 2 ne peut plus être prise après un an à compter de la date où le fait qualifié d'infraction au sens de l'article 21 a été commis
§ 6. Les actes d'instruction ou de poursuite, y compris la notification visée à l'article 17, § 2, à l'employeur et, le cas échéant, à l'usager, leur donnant la faculté de présenter leurs défenses, effectués dans le délai fixé au § 5, interrompent ledit délai. Un nouveau délai de durée égale est entamé par ces actes, même à l'égard de personnes n'ayant pas fait l'objet de la notification ni associées aux actes d'instruction.
Afdeling 3. [1 Bijzondere bepalingen over de grensoverschrijdende handhaving van administratieve geldboeten]1
Section 3. [1 Dispositions particulières relatives à l'exécution transfrontalière des amendes administratives]1
Art. 23/1. [1 Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van hoofdstuk VI van de richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt (`de IMI-verordening').]1
Art. 23/1. [1 La présente section transpose partiellement le chapitre VI de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 relative à l'exécution de la directive 96/71/CE concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et modifiant le règlement (UE) n° 1024/2012 concernant la coopération administrative par l'intermédiaire du système d'information du marché intérieur (" règlement IMI ").]1
Art. 23/2. [1 Ї 1. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar kan, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, bij de bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat een verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete indienen. Het moet hierbij gaan om een administratieve geldboete die:
1А door de aangewezen ambtenaar overeenkomstig de bepalingen van dit decreet is opgelegd of, in voorkomend geval, door de arbeidsgerechten is bevestigd;
2А door de aangewezen ambtenaar niet ter kennis kan worden gebracht aan de in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter overeenkomstig artikel 17, Ї 4, van dit decreet.
Ї 2. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar dient geen verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in, indien en zo lang als de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in Belgiы wordt betwist of aangevochten.
Ї 3. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar doet het verzoek tot kennisgeving via het IMI-systeem door middel van een uniform instrument en verstrekt daarin ten minste de volgende gegevens:
1А de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
2А een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
3А het instrument dat de handhaving in België toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve geldboete, met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard;
4А de naam, het adres en andere contactgegevens van de aangewezen ambtenaar;
5А het doel van de kennisgeving en de termijn waarbinnen de kennisgeving moet worden gedaan.]1
1А door de aangewezen ambtenaar overeenkomstig de bepalingen van dit decreet is opgelegd of, in voorkomend geval, door de arbeidsgerechten is bevestigd;
2А door de aangewezen ambtenaar niet ter kennis kan worden gebracht aan de in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter overeenkomstig artikel 17, Ї 4, van dit decreet.
Ї 2. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar dient geen verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in, indien en zo lang als de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in Belgiы wordt betwist of aangevochten.
Ї 3. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar doet het verzoek tot kennisgeving via het IMI-systeem door middel van een uniform instrument en verstrekt daarin ten minste de volgende gegevens:
1А de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
2А een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
3А het instrument dat de handhaving in België toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve geldboete, met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard;
4А de naam, het adres en andere contactgegevens van de aangewezen ambtenaar;
5А het doel van de kennisgeving en de termijn waarbinnen de kennisgeving moet worden gedaan.]1
Art. 23/2. [1 § 1er. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, peut, conformément aux dispositions du chapitre VI de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 précitée, introduire auprès de l'autorité compétente d'un autre Etat membre de l'UE une demande de notification d'une décision infligeant une amende administrative. Il doit s'agir en l'occurrence d'une amende administrative :
1° infligée par le fonctionnaire désigné conformément aux dispositions du présent décret ou, le cas échéant, confirmée par les juridictions du travail ;
2° que le fonctionnaire désigné ne peut pas porter à la connaissance du prestataire de services établi dans un autre Etat membre de l'UE conformément à l'article 17, § 4, du présent décret.
§ 2. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, n'introduit pas de demande de notification d'une décision infligeant une amende administrative si et tant que la décision infligeant une amende administrative est contestée ou attaquée en Belgique.
§ 3. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, soumet la demande de notification via le système IMI au moyen d'un instrument uniforme et y indique au moins les données suivantes :
1° le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci ;
2° une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable ;
3° l'instrument permettant l'exécution en Belgique et tout autre renseignement ou document pertinent, y compris de nature juridique, concernant la plainte correspondante et l'amende administrative ;
4° le nom, l'adresse et les coordonnées du fonctionnaire désigné ;
5° l'objet de la notification et le délai dans lequel celle-ci doit avoir lieu.]1
1° infligée par le fonctionnaire désigné conformément aux dispositions du présent décret ou, le cas échéant, confirmée par les juridictions du travail ;
2° que le fonctionnaire désigné ne peut pas porter à la connaissance du prestataire de services établi dans un autre Etat membre de l'UE conformément à l'article 17, § 4, du présent décret.
§ 2. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, n'introduit pas de demande de notification d'une décision infligeant une amende administrative si et tant que la décision infligeant une amende administrative est contestée ou attaquée en Belgique.
§ 3. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, soumet la demande de notification via le système IMI au moyen d'un instrument uniforme et y indique au moins les données suivantes :
1° le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci ;
2° une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable ;
3° l'instrument permettant l'exécution en Belgique et tout autre renseignement ou document pertinent, y compris de nature juridique, concernant la plainte correspondante et l'amende administrative ;
4° le nom, l'adresse et les coordonnées du fonctionnaire désigné ;
5° l'objet de la notification et le délai dans lequel celle-ci doit avoir lieu.]1
Art. 23/3. [1 Ї 1. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar kan, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, bij de bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat een verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete indienen. Het moet hierbij gaan om een administratieve geldboete die:
1А door de aangewezen ambtenaar overeenkomstig de bepalingen van dit decreet is opgelegd of, in voorkomend geval, door de arbeidsgerechten is bevestigd;
2А waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld;
3А door de in artikel 17, Ї 8, eerste lid, van dit decreet aangewezen ambtenaar niet kan worden ingevorderd van de in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter.
Ї 2. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar dient geen verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in, indien en zo lang de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete, evenals de onderliggende vordering of het instrument dat de handhaving in Belgiы toelaat, in Belgiы kan worden betwist of aangevochten.
Ї 3. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar doet het verzoek tot invordering via het IMI-systeem door middel van een uniform instrument en verstrekt daarin ten minste de volgende gegevens:
1А de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
2А een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
3А het instrument dat de handhaving in Belgiы toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve geldboete, met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard;
4А de naam, het adres en andere contactgegevens van de aangewezen ambtenaar;
5А de datum waarop het vonnis of arrest of de beslissing voor tenuitvoerleggingvatbaar of definitief is geworden;
6А een beschrijving van de aard en het bedrag van de administratieve geldboete;
7А alle gegevens die voor het handhavingsproces relevant zijn, met inbegrip van het feit of het vonnis of arrest of de beslissing aan de verweerder(s) betekendis en/of bij verstek is gewezen, alsmede een bevestiging van de aangewezen ambtenaar dat tegen de geldboete geen beroep meer kan worden aangetekend, evenals de onderliggende vordering op basis waarvan het verzoek wordt ingediend en de verschillende componenten ervan.]1
1А door de aangewezen ambtenaar overeenkomstig de bepalingen van dit decreet is opgelegd of, in voorkomend geval, door de arbeidsgerechten is bevestigd;
2А waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld;
3А door de in artikel 17, Ї 8, eerste lid, van dit decreet aangewezen ambtenaar niet kan worden ingevorderd van de in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverrichter.
Ї 2. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar dient geen verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete in, indien en zo lang de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete, evenals de onderliggende vordering of het instrument dat de handhaving in Belgiы toelaat, in Belgiы kan worden betwist of aangevochten.
Ї 3. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar doet het verzoek tot invordering via het IMI-systeem door middel van een uniform instrument en verstrekt daarin ten minste de volgende gegevens:
1А de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
2А een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
3А het instrument dat de handhaving in Belgiы toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve geldboete, met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard;
4А de naam, het adres en andere contactgegevens van de aangewezen ambtenaar;
5А de datum waarop het vonnis of arrest of de beslissing voor tenuitvoerleggingvatbaar of definitief is geworden;
6А een beschrijving van de aard en het bedrag van de administratieve geldboete;
7А alle gegevens die voor het handhavingsproces relevant zijn, met inbegrip van het feit of het vonnis of arrest of de beslissing aan de verweerder(s) betekendis en/of bij verstek is gewezen, alsmede een bevestiging van de aangewezen ambtenaar dat tegen de geldboete geen beroep meer kan worden aangetekend, evenals de onderliggende vordering op basis waarvan het verzoek wordt ingediend en de verschillende componenten ervan.]1
Art. 23/3. [1 § 1er. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, peut, conformément aux dispositions du chapitre VI de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 précitée, introduire auprès de l'autorité compétente d'un autre Etat membre de l'UE une demande d'exécution d'une décision infligeant une amende administrative. Il doit s'agir en l'occurrence d'une amende administrative :
1° infligée par le fonctionnaire désigné conformément aux dispositions du présent décret ou, le cas échéant, confirmée par les juridictions du travail ;
2° qui n'est plus susceptible de recours ;
3° que le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 17, § 8, alinéa 1er, du présent décret ne peut pas recouvrer auprès du prestataire de services établi dans un autre Etat membre de l'UE.
§ 2. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, n'introduit pas de demande d'exécution d'une décision infligeant une amende administrative si et tant que la décision infligeant une amende administrative ainsi que la plainte correspondante ou l'instrument permettant l'exécution en Belgique peuvent être contestés ou attaqués en Belgique.
§ 3. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, soumet la demande d'exécution via le système IMI au moyen d'un instrument uniforme et y indique au moins les données suivantes :
1° le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci ;
2° une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable ;
3° l'instrument permettant l'exécution en Belgique et tout autre renseignement ou document pertinent, y compris de nature juridique, concernant la plainte correspondante et l'amende administrative ;
4° le nom, l'adresse et les coordonnées du fonctionnaire désigné ;
5° la date à laquelle le jugement ou l'arrêt ou la décision sont devenus exécutoires ou définitifs ;
6° une description de la nature et le montant de l'amende administrative ;
7° toutes les données pertinentes pour le processus de maintien, y compris le fait que le jugement ou l'arrêt ou la décision ont été signifiés au(x) défendeur(s) et/ou ont été rendus par défaut, et la confirmation, par le fonctionnaire désigné, que l'amende n'est plus susceptible de recours, ainsi que la plainte correspondante au titre de laquelle la demande est introduite et les éléments qui la composent.]1
1° infligée par le fonctionnaire désigné conformément aux dispositions du présent décret ou, le cas échéant, confirmée par les juridictions du travail ;
2° qui n'est plus susceptible de recours ;
3° que le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 17, § 8, alinéa 1er, du présent décret ne peut pas recouvrer auprès du prestataire de services établi dans un autre Etat membre de l'UE.
§ 2. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, n'introduit pas de demande d'exécution d'une décision infligeant une amende administrative si et tant que la décision infligeant une amende administrative ainsi que la plainte correspondante ou l'instrument permettant l'exécution en Belgique peuvent être contestés ou attaqués en Belgique.
§ 3. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, soumet la demande d'exécution via le système IMI au moyen d'un instrument uniforme et y indique au moins les données suivantes :
1° le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci ;
2° une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable ;
3° l'instrument permettant l'exécution en Belgique et tout autre renseignement ou document pertinent, y compris de nature juridique, concernant la plainte correspondante et l'amende administrative ;
4° le nom, l'adresse et les coordonnées du fonctionnaire désigné ;
5° la date à laquelle le jugement ou l'arrêt ou la décision sont devenus exécutoires ou définitifs ;
6° une description de la nature et le montant de l'amende administrative ;
7° toutes les données pertinentes pour le processus de maintien, y compris le fait que le jugement ou l'arrêt ou la décision ont été signifiés au(x) défendeur(s) et/ou ont été rendus par défaut, et la confirmation, par le fonctionnaire désigné, que l'amende n'est plus susceptible de recours, ainsi que la plainte correspondante au titre de laquelle la demande est introduite et les éléments qui la composent.]1
Afdeling 4. [1 Bijzondere bepalingen inzake de grensoverschrijdende handhaving van administratieve financiële sancties of boetes opgelegd door een andere EU-lidstaat aan een in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter]1
Section 4. [1 Dispositions particulières relatives à l'exécution transfrontalière de sanctions ou d'amendes administratives pécuniaires infligées par un autre Etat membre de l'UE à un prestataire de services établi en Région flamande]1
Art. 23/4. [1 Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van hoofdstuk VI van de richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt (`de IMI-verordening').]1
Art. 23/4. [1 La présente section transpose partiellement le chapitre VI de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 relative à l'exécution de la directive 96/71/CE concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et modifiant le règlement (UE) n° 1024/2012 concernant la coopération administrative par l'intermédiaire du système d'information du marché intérieur (" règlement IMI ").]1
Art. 23/5. [1 Ї 1. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar neemt, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, kennis van ieder verzoek van een bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiыle sanctie en/of boete opgelegd aan een in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in de betreffende lidstaat geldende regels inzake detachering van werknemers. Het moet hierbij gaan om een administratieve financiыle sanctie of boete die:
1А overeenkomstig de wetten en procedures van de verzoekende lidstaat door een bevoegde instantie is opgelegd of door een administratieve of gerechtelijke instantie of, in voorkomend geval, door arbeidsgerechten is bevestigd;
2А door de verzoekende instantie van een andere EU-lidstaat niet ter kennis kan worden gebracht aan de in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter overeenkomstig de in die EU-lidstaat geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve gebruiken.
Ї 2. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar gaat na of:
1А het via het IMI-systeem ontvangen verzoek vergezeld is van de relevante documenten, desgevallend met inbegrip van het vonnis of arrest of de onherroepelijke beslissing of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
2А deze administratieve financiыle sanctie of boete onder de toepassing valt van voormelde richtlijn;
3А het verzoek volledig is, strookt met de onderliggende beslissing en de in artikel 16, leden 1 en 2, van voormelde richtlijn vermelde gegevens bevat en met name:
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in de verzoekende lidstaat toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve financiële sanctie of boete, met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de voor de beoordeling van de administratieve financiële sanctie of boete bevoegde instantie en van de bevoegde instantie waar nadere informatie kan worden verkregen over de administratieve financiële sanctie of boete of over de mogelijkheden om de betalingsverplichting of de beslissing tot betalingsverplichting te betwisten;
e) het doel van de kennisgeving en de termijn waarbinnen de kennisgeving moet worden gedaan.
Ї 3. Als aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, is voldaan, gaat de in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar binnen de maand na ontvangst van het verzoek over tot de kennisgeving van de beslissing, alsmede van de desbetreffende documenten, aan de in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter. Deze kennisgeving gebeurt per aangetekende brief.
De kennisgeving, vermeld in het eerste lid, heeft uitvoerbare kracht en wordt geacht hetzelfde effect te hebben als wanneer de kennisgeving door de verzoekende lidstaat was gedaan.
Ї 4. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar kan weigeren om gevolg te geven aan het verzoek tot kennisgeving, als:
1А het verzoek de gegevens, vermeld in Ї 2, 3А, a) tot en met e), niet bevat;
2А het verzoek onvolledig is;
3А het verzoek onmiskenbaar niet strookt met de onderliggende beslissing.
Ї 5. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar stelt de verzoekende instantie van de andere EU-lidstaat in kennis van:
1А de maatregelen die hij naar aanleiding van het verzoek tot kennisgeving heeft genomen en de datum waarop de geadresseerde in kennis werd gesteld;
2А de weigeringsgronden, als hij de kennisgeving weigert overeenkomstig paragraaf 4.]1
1А overeenkomstig de wetten en procedures van de verzoekende lidstaat door een bevoegde instantie is opgelegd of door een administratieve of gerechtelijke instantie of, in voorkomend geval, door arbeidsgerechten is bevestigd;
2А door de verzoekende instantie van een andere EU-lidstaat niet ter kennis kan worden gebracht aan de in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter overeenkomstig de in die EU-lidstaat geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve gebruiken.
Ї 2. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar gaat na of:
1А het via het IMI-systeem ontvangen verzoek vergezeld is van de relevante documenten, desgevallend met inbegrip van het vonnis of arrest of de onherroepelijke beslissing of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
2А deze administratieve financiыle sanctie of boete onder de toepassing valt van voormelde richtlijn;
3А het verzoek volledig is, strookt met de onderliggende beslissing en de in artikel 16, leden 1 en 2, van voormelde richtlijn vermelde gegevens bevat en met name:
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in de verzoekende lidstaat toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve financiële sanctie of boete, met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de voor de beoordeling van de administratieve financiële sanctie of boete bevoegde instantie en van de bevoegde instantie waar nadere informatie kan worden verkregen over de administratieve financiële sanctie of boete of over de mogelijkheden om de betalingsverplichting of de beslissing tot betalingsverplichting te betwisten;
e) het doel van de kennisgeving en de termijn waarbinnen de kennisgeving moet worden gedaan.
Ї 3. Als aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, is voldaan, gaat de in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar binnen de maand na ontvangst van het verzoek over tot de kennisgeving van de beslissing, alsmede van de desbetreffende documenten, aan de in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter. Deze kennisgeving gebeurt per aangetekende brief.
De kennisgeving, vermeld in het eerste lid, heeft uitvoerbare kracht en wordt geacht hetzelfde effect te hebben als wanneer de kennisgeving door de verzoekende lidstaat was gedaan.
Ї 4. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar kan weigeren om gevolg te geven aan het verzoek tot kennisgeving, als:
1А het verzoek de gegevens, vermeld in Ї 2, 3А, a) tot en met e), niet bevat;
2А het verzoek onvolledig is;
3А het verzoek onmiskenbaar niet strookt met de onderliggende beslissing.
Ї 5. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar stelt de verzoekende instantie van de andere EU-lidstaat in kennis van:
1А de maatregelen die hij naar aanleiding van het verzoek tot kennisgeving heeft genomen en de datum waarop de geadresseerde in kennis werd gesteld;
2А de weigeringsgronden, als hij de kennisgeving weigert overeenkomstig paragraaf 4.]1
Art. 23/5. [1 § 1er. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, prend connaissance, conformément aux dispositions du chapitre VI de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 précitée, de toute demande émanant d'une autorité compétente d'un autre Etat membre de l'UE de notification d'une décision infligeant une sanction et/ou une amende administrative pécuniaire infligée à un prestataire de services établi en Région flamande du chef de non-respect des règles applicables en matière de détachement de travailleurs dans l'Etat membre concerné. Il doit s'agir en l'occurrence d'une sanction ou d'une amende administrative pécuniaire :
1° infligée conformément aux lois et procédures de l'Etat membre requérant par une autorité compétente ou confirmée par une instance administrative ou judiciaire ou, le cas échéant, par les juridictions du travail ;
2° que l'autorité requérante d'un autre Etat membre de l'UE ne peut pas porter à la connaissance du prestataire de services établi en Région flamande conformément à la législation, à la réglementation et aux pratiques administratives en vigueur dans cet Etat membre de l'UE.
§ 2. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2 vérifie si :
1° la demande reçue via le système IMI est accompagnée des documents pertinents, y compris, le cas échéant, le jugement ou l'arrêt ou la décision irrévocable, éventuellement sous forme d'une copie certifiée ;
2° cette sanction ou amende administrative pécuniaire relève du champ d'application de la directive précitée ;
3° la demande est complète, correspond à la décision sous-jacente et contient les informations visées à l'article 16, paragraphes 1er et 2, de la directive précitée, à savoir :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci ;
b) une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable ;
c) l'instrument permettant l'exécution dans l'Etat membre requérant et tout autre renseignement ou document pertinent, y compris de nature juridique, concernant la plainte correspondante et la sanction ou l'amende administrative pécuniaire ;
d) le nom, l'adresse et les coordonnées de l'autorité compétente chargée de l'évaluation de la sanction ou de l'amende administrative pécuniaire et de l'organisme compétent auprès duquel des informations complémentaires peuvent être obtenues concernant la sanction ou l'amende administrative pécuniaire ou les possibilités de contestation de l'obligation de paiement ou de la décision qui inflige celle-ci ;
e) l'objet de la notification et le délai dans lequel celle-ci doit avoir lieu.
§ 3. Si les conditions énoncées dans le paragraphe 2 sont remplies, le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, procède, dans le mois de la réception de la demande, à la notification de la décision ainsi que des documents concernés au prestataire de services établi en Région flamande. Cette notification se fait par lettre recommandée.
La notification visée à l'alinéa 1er a force exécutoire et est réputée produire les mêmes effets que si elle était le fait de l'Etat membre requérant.
§ 4. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, peut refuser de donner suite à la demande de notification si :
1° la demande ne contient pas les données visées au § 2, 3°, a) à e) ;
2° la demande est incomplète ;
3° la demande ne correspond manifestement pas à la décision sous-jacente.
§ 5. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, informe l'autorité requérante de l'autre Etat membre de l'UE :
1° de la suite donnée à sa demande de notification et de la date de la notification au destinataire ;
2° des motifs de refus s'il refuse de procéder à la notification conformément au paragraphe 4.]1
1° infligée conformément aux lois et procédures de l'Etat membre requérant par une autorité compétente ou confirmée par une instance administrative ou judiciaire ou, le cas échéant, par les juridictions du travail ;
2° que l'autorité requérante d'un autre Etat membre de l'UE ne peut pas porter à la connaissance du prestataire de services établi en Région flamande conformément à la législation, à la réglementation et aux pratiques administratives en vigueur dans cet Etat membre de l'UE.
§ 2. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2 vérifie si :
1° la demande reçue via le système IMI est accompagnée des documents pertinents, y compris, le cas échéant, le jugement ou l'arrêt ou la décision irrévocable, éventuellement sous forme d'une copie certifiée ;
2° cette sanction ou amende administrative pécuniaire relève du champ d'application de la directive précitée ;
3° la demande est complète, correspond à la décision sous-jacente et contient les informations visées à l'article 16, paragraphes 1er et 2, de la directive précitée, à savoir :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci ;
b) une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable ;
c) l'instrument permettant l'exécution dans l'Etat membre requérant et tout autre renseignement ou document pertinent, y compris de nature juridique, concernant la plainte correspondante et la sanction ou l'amende administrative pécuniaire ;
d) le nom, l'adresse et les coordonnées de l'autorité compétente chargée de l'évaluation de la sanction ou de l'amende administrative pécuniaire et de l'organisme compétent auprès duquel des informations complémentaires peuvent être obtenues concernant la sanction ou l'amende administrative pécuniaire ou les possibilités de contestation de l'obligation de paiement ou de la décision qui inflige celle-ci ;
e) l'objet de la notification et le délai dans lequel celle-ci doit avoir lieu.
§ 3. Si les conditions énoncées dans le paragraphe 2 sont remplies, le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, procède, dans le mois de la réception de la demande, à la notification de la décision ainsi que des documents concernés au prestataire de services établi en Région flamande. Cette notification se fait par lettre recommandée.
La notification visée à l'alinéa 1er a force exécutoire et est réputée produire les mêmes effets que si elle était le fait de l'Etat membre requérant.
§ 4. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, peut refuser de donner suite à la demande de notification si :
1° la demande ne contient pas les données visées au § 2, 3°, a) à e) ;
2° la demande est incomplète ;
3° la demande ne correspond manifestement pas à la décision sous-jacente.
§ 5. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, informe l'autorité requérante de l'autre Etat membre de l'UE :
1° de la suite donnée à sa demande de notification et de la date de la notification au destinataire ;
2° des motifs de refus s'il refuse de procéder à la notification conformément au paragraphe 4.]1
Art. 23/6. [1 Ї 1. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar neemt, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van voormelde richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, kennis van ieder verzoek van een bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat tot invordering van een administratieve financiële sanctie of boete opgelegd aan een in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter wegens het niet-naleven van de in de betreffende lidstaat geldende regels inzake detachering van werknemers. Het moet hierbij gaan om een administratieve financiële sanctie of boete die:
1А overeenkomstig de wetten en procedures van de verzoekende lidstaat door een bevoegde instantie is opgelegd of door een administratieve of gerechtelijke instantie of, in voorkomend geval, door arbeidsgerechten is bevestigd;
2А waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld;
3А door de verzoekende instantie van een andere EU-lidstaat niet kan worden ingevorderd van de in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter overeenkomstig de in die EU-lidstaat geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve gebruiken.
Ї 2. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar gaat na of:
1А het via het IMI-systeem ontvangen verzoek vergezeld is van de relevante documenten in verband met de invordering van die administratieve financiële sanctie of boete, desgevallend met inbegrip van het vonnis of arrest of de definitieve beslissing of een gewaarmerkt afschrift daarvan, die de wettelijke basis en titel vormt voor de tenuitvoerlegging van het invorderingsverzoek;
2А de in te vorderen financiële sanctie of boete onder de toepassing valt van voormelde richtlijn;
3А het verzoek volledig is, strookt met de onderliggende beslissing en de in artikel 16, leden 1 en 2, van voormelde richtlijn vermelde gegevens bevat en met name:
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in de verzoekende lidstaat toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve financiële sanctie of boete, met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de voor de beoordeling van de administratieve sanctie of boete bevoegde instantie en van de bevoegde instantie waar nadere informatie kan worden verkregen over de administratieve financiële sanctie of boete of over de mogelijkheden om de betalingsverplichting of de beslissing tot betalingsverplichting te betwisten;
e) de datum waarop het vonnis of arrest of de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar of definitief is geworden;
f) een beschrijving van de aard en het bedrag van de administratieve financiële sanctie of boete;
g) alle gegevens die voor het handhavingsproces relevant zijn, met inbegrip van het feit of het vonnis of arrest of de beslissing aan de verweerder(s) betekend is en/of bij verstek is gewezen, alsmede een bevestiging van de verzoekende instantie dat tegen de administratieve financiыle sanctie en/of boete geen beroep meer kan worden aangetekend, evenals de onderliggende vordering op basis waarvan het verzoek wordt ingediend en de verschillende componenten ervan;
4А de in te vorderen administratieve financiыle sanctie of boete minstens 350 euro bedraagt of het equivalent van dat bedrag.
Ї 3. Als aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, is voldaan, vordert de in artikel 17, Ї 8, eerste lid, aangewezen ambtenaar de administratieve financiыle sanctie of boete in.
Ї 4. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar doet de kennisgeving van het verzoek tot invordering van een administratieve financiыle sanctie of boete, alsmede van de desbetreffende documenten, aan de in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter binnen de maand na ontvangst van het verzoek daartoe van een bevoegde instantie van de andere EU-lidstaat.
Ї 5. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar kan weigeren om gevolg te geven aan het invorderingsverzoek als:
1А het verzoek de gegevens, vermeld in Ї 2, 3А, a) tot en met g), niet bevat;
2А het verzoek onvolledig is;
3А het verzoek onmiskenbaar niet strookt met de onderliggende beslissing;
4А de in te vorderen administratieve financiële sanctie of boete minder bedraagt dan 350 euro of het equivalent van dat bedrag;
5А uit onderzoek duidelijk blijkt dat de verwachte kosten of middelen van de invordering van de boete niet in verhouding staan tot het in te vorderen bedrag of grote moeilijkheden zouden opleveren;
6А de in de Belgische Grondwet opgenomen grondrechten en vrijheden van verweerders en de rechtsbeginselen die op hen van toepassing zijn, niet zijn nageleefd.
Ї 6. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar stelt de verzoekende instantie van de andere EU-lidstaat in kennis van:
1А de maatregelen die hij naar aanleiding van het verzoek tot invordering heeft genomen en de datum waarop de geadresseerde in kennis werd gesteld;
2А de weigeringsgronden, als hij de uitvoering van een verzoek tot invordering weigert overeenkomstig paragraaf 5.]1
1А overeenkomstig de wetten en procedures van de verzoekende lidstaat door een bevoegde instantie is opgelegd of door een administratieve of gerechtelijke instantie of, in voorkomend geval, door arbeidsgerechten is bevestigd;
2А waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld;
3А door de verzoekende instantie van een andere EU-lidstaat niet kan worden ingevorderd van de in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter overeenkomstig de in die EU-lidstaat geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve gebruiken.
Ї 2. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar gaat na of:
1А het via het IMI-systeem ontvangen verzoek vergezeld is van de relevante documenten in verband met de invordering van die administratieve financiële sanctie of boete, desgevallend met inbegrip van het vonnis of arrest of de definitieve beslissing of een gewaarmerkt afschrift daarvan, die de wettelijke basis en titel vormt voor de tenuitvoerlegging van het invorderingsverzoek;
2А de in te vorderen financiële sanctie of boete onder de toepassing valt van voormelde richtlijn;
3А het verzoek volledig is, strookt met de onderliggende beslissing en de in artikel 16, leden 1 en 2, van voormelde richtlijn vermelde gegevens bevat en met name:
a) de naam en het bekende adres van de geadresseerde en alle andere relevante gegevens of informatie voor de identificatie van de geadresseerde;
b) een samenvatting van de feiten en de omstandigheden van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de toepasselijke regelgeving;
c) het instrument dat de handhaving in de verzoekende lidstaat toelaat en alle andere relevante gegevens of documenten met betrekking tot de onderliggende vordering en de administratieve financiële sanctie of boete, met inbegrip van gegevens of documenten van juridische aard;
d) de naam, het adres en andere contactgegevens van de voor de beoordeling van de administratieve sanctie of boete bevoegde instantie en van de bevoegde instantie waar nadere informatie kan worden verkregen over de administratieve financiële sanctie of boete of over de mogelijkheden om de betalingsverplichting of de beslissing tot betalingsverplichting te betwisten;
e) de datum waarop het vonnis of arrest of de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar of definitief is geworden;
f) een beschrijving van de aard en het bedrag van de administratieve financiële sanctie of boete;
g) alle gegevens die voor het handhavingsproces relevant zijn, met inbegrip van het feit of het vonnis of arrest of de beslissing aan de verweerder(s) betekend is en/of bij verstek is gewezen, alsmede een bevestiging van de verzoekende instantie dat tegen de administratieve financiыle sanctie en/of boete geen beroep meer kan worden aangetekend, evenals de onderliggende vordering op basis waarvan het verzoek wordt ingediend en de verschillende componenten ervan;
4А de in te vorderen administratieve financiыle sanctie of boete minstens 350 euro bedraagt of het equivalent van dat bedrag.
Ї 3. Als aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, is voldaan, vordert de in artikel 17, Ї 8, eerste lid, aangewezen ambtenaar de administratieve financiыle sanctie of boete in.
Ї 4. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar doet de kennisgeving van het verzoek tot invordering van een administratieve financiыle sanctie of boete, alsmede van de desbetreffende documenten, aan de in het Vlaamse Gewest gevestigde dienstverrichter binnen de maand na ontvangst van het verzoek daartoe van een bevoegde instantie van de andere EU-lidstaat.
Ї 5. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar kan weigeren om gevolg te geven aan het invorderingsverzoek als:
1А het verzoek de gegevens, vermeld in Ї 2, 3А, a) tot en met g), niet bevat;
2А het verzoek onvolledig is;
3А het verzoek onmiskenbaar niet strookt met de onderliggende beslissing;
4А de in te vorderen administratieve financiële sanctie of boete minder bedraagt dan 350 euro of het equivalent van dat bedrag;
5А uit onderzoek duidelijk blijkt dat de verwachte kosten of middelen van de invordering van de boete niet in verhouding staan tot het in te vorderen bedrag of grote moeilijkheden zouden opleveren;
6А de in de Belgische Grondwet opgenomen grondrechten en vrijheden van verweerders en de rechtsbeginselen die op hen van toepassing zijn, niet zijn nageleefd.
Ї 6. De in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar stelt de verzoekende instantie van de andere EU-lidstaat in kennis van:
1А de maatregelen die hij naar aanleiding van het verzoek tot invordering heeft genomen en de datum waarop de geadresseerde in kennis werd gesteld;
2А de weigeringsgronden, als hij de uitvoering van een verzoek tot invordering weigert overeenkomstig paragraaf 5.]1
Art. 23/6. [1 § 1er. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, prend connaissance, conformément aux dispositions du chapitre VI de la directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 précitée, de toute demande émanant d'une autorité compétente d'un autre Etat membre de l'UE de recouvrement d'une sanction ou d'une amende administrative pécuniaire infligée à un prestataire de services établi en Région flamande du chef de non-respect des règles applicables en matière de détachement de travailleurs dans l'Etat membre concerné. Il doit s'agir en l'occurrence d'une sanction ou d'une amende administrative pécuniaire :
1° infligée conformément aux lois et procédures de l'Etat membre requérant par une autorité compétente ou confirmée par une instance administrative ou judiciaire ou, le cas échéant, par les juridictions du travail ;
2° qui n'est plus susceptible de recours ;
3° que l'autorité requérante d'un autre Etat membre de l'UE ne peut pas exécuter auprès du prestataire de services établi en Région flamande conformément à la législation, à la réglementation et aux pratiques administratives en vigueur dans cet Etat membre de l'UE.
§ 2. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2 vérifie si :
1° la demande reçue via le système IMI est accompagnée des documents pertinents concernant le recouvrement de cette sanction ou amende administrative pécuniaire, y compris, le cas échéant, le jugement ou l'arrêt ou la décision définitive, éventuellement sous forme d'une copie certifiée, constituant la base juridique et le titre exécutoire pour la demande de recouvrement ;
2° la sanction ou l'amende pécuniaire à recouvrer relève du champ d'application de la directive précitée ;
3° la demande est complète, correspond à la décision sous-jacente et contient les informations visées à l'article 16, paragraphes 1er et 2, de la directive précitée, à savoir :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci ;
b) une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable ;
c) l'instrument permettant l'exécution dans l'Etat membre requérant et tout autre renseignement ou document pertinent, y compris de nature juridique, concernant la plainte correspondante et la sanction ou l'amende administrative pécuniaire ;
d) le nom, l'adresse et les coordonnées de l'autorité compétente chargée de l'évaluation de la sanction ou de l'amende administrative et de l'organisme compétent auprès duquel des informations complémentaires peuvent être obtenues concernant la sanction ou l'amende administrative pécuniaire ou les possibilités de contestation de l'obligation de paiement ou de la décision qui inflige celle-ci ;
e) la date à laquelle le jugement ou l'arrêt ou la décision sont devenus exécutoires ou définitifs ;
f) une description de la nature et le montant de la sanction ou de l'amende administrative pécuniaire ;
g) toutes les données pertinentes pour le processus de maintien, y compris le fait que le jugement ou l'arrêt ou la décision ont été signifiés au(x) défendeur(s) et/ou ont été rendus par défaut, et la confirmation, par l'autorité requérante, que la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire n'est plus susceptible de recours, ainsi que la plainte correspondante au titre de laquelle la demande est introduite et les éléments qui la composent ;
4° la sanction ou l'amende administrative pécuniaire à recouvrer est d'au moins 350 euros ou l'équivalent de ce montant.
§ 3. Si les conditions énoncées dans le paragraphe 2 sont remplies, le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 17, § 8, alinéa 1er, procède au recouvrement de la sanction ou de l'amende administrative pécuniaire.
§ 4. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, notifie la demande de recouvrement d'une sanction ou d'une amende administrative pécuniaire ainsi que les documents concernés au prestataire de services établi en Région flamande dans le mois de la réception de la demande à cet effet émanant d'une autorité compétente de l'autre Etat membre de l'UE.
§ 5. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, peut refuser de donner suite à la demande de recouvrement si :
1° la demande ne contient pas les données visées au § 2, 3°, a) à g) ;
2° la demande est incomplète ;
3° la demande ne correspond manifestement pas à la décision sous-jacente ;
4° la sanction ou l'amende administrative pécuniaire à recouvrer est inférieure à 350 euros ou à l'équivalent de ce montant ;
5° à la suite d'une enquête, il est manifeste que les sommes ou les ressources à mobiliser en vue de recouvrer l'amende sont disproportionnées par rapport au montant à recouvrer ou qu'il faudrait faire face à des difficultés considérables ;
6° les droits et libertés fondamentaux de la défense inscrits dans la Constitution belge et les principes juridiques qui s'y appliquent n'ont pas été respectés.
§ 6. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, informe l'autorité requérante de l'autre Etat membre de l'UE :
1° de la suite donnée à sa demande de notification et de la date de la notification au destinataire ;
2° des motifs de refus s'il refuse d'exécuter une demande de recouvrement conformément au paragraphe 5.]1
1° infligée conformément aux lois et procédures de l'Etat membre requérant par une autorité compétente ou confirmée par une instance administrative ou judiciaire ou, le cas échéant, par les juridictions du travail ;
2° qui n'est plus susceptible de recours ;
3° que l'autorité requérante d'un autre Etat membre de l'UE ne peut pas exécuter auprès du prestataire de services établi en Région flamande conformément à la législation, à la réglementation et aux pratiques administratives en vigueur dans cet Etat membre de l'UE.
§ 2. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2 vérifie si :
1° la demande reçue via le système IMI est accompagnée des documents pertinents concernant le recouvrement de cette sanction ou amende administrative pécuniaire, y compris, le cas échéant, le jugement ou l'arrêt ou la décision définitive, éventuellement sous forme d'une copie certifiée, constituant la base juridique et le titre exécutoire pour la demande de recouvrement ;
2° la sanction ou l'amende pécuniaire à recouvrer relève du champ d'application de la directive précitée ;
3° la demande est complète, correspond à la décision sous-jacente et contient les informations visées à l'article 16, paragraphes 1er et 2, de la directive précitée, à savoir :
a) le nom et l'adresse du destinataire, et toute autre donnée ou information pertinente aux fins de l'identification de celui-ci ;
b) une synthèse des faits et circonstances de l'infraction, la nature de celle-ci et la réglementation applicable ;
c) l'instrument permettant l'exécution dans l'Etat membre requérant et tout autre renseignement ou document pertinent, y compris de nature juridique, concernant la plainte correspondante et la sanction ou l'amende administrative pécuniaire ;
d) le nom, l'adresse et les coordonnées de l'autorité compétente chargée de l'évaluation de la sanction ou de l'amende administrative et de l'organisme compétent auprès duquel des informations complémentaires peuvent être obtenues concernant la sanction ou l'amende administrative pécuniaire ou les possibilités de contestation de l'obligation de paiement ou de la décision qui inflige celle-ci ;
e) la date à laquelle le jugement ou l'arrêt ou la décision sont devenus exécutoires ou définitifs ;
f) une description de la nature et le montant de la sanction ou de l'amende administrative pécuniaire ;
g) toutes les données pertinentes pour le processus de maintien, y compris le fait que le jugement ou l'arrêt ou la décision ont été signifiés au(x) défendeur(s) et/ou ont été rendus par défaut, et la confirmation, par l'autorité requérante, que la sanction et/ou l'amende administrative pécuniaire n'est plus susceptible de recours, ainsi que la plainte correspondante au titre de laquelle la demande est introduite et les éléments qui la composent ;
4° la sanction ou l'amende administrative pécuniaire à recouvrer est d'au moins 350 euros ou l'équivalent de ce montant.
§ 3. Si les conditions énoncées dans le paragraphe 2 sont remplies, le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 17, § 8, alinéa 1er, procède au recouvrement de la sanction ou de l'amende administrative pécuniaire.
§ 4. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, notifie la demande de recouvrement d'une sanction ou d'une amende administrative pécuniaire ainsi que les documents concernés au prestataire de services établi en Région flamande dans le mois de la réception de la demande à cet effet émanant d'une autorité compétente de l'autre Etat membre de l'UE.
§ 5. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, peut refuser de donner suite à la demande de recouvrement si :
1° la demande ne contient pas les données visées au § 2, 3°, a) à g) ;
2° la demande est incomplète ;
3° la demande ne correspond manifestement pas à la décision sous-jacente ;
4° la sanction ou l'amende administrative pécuniaire à recouvrer est inférieure à 350 euros ou à l'équivalent de ce montant ;
5° à la suite d'une enquête, il est manifeste que les sommes ou les ressources à mobiliser en vue de recouvrer l'amende sont disproportionnées par rapport au montant à recouvrer ou qu'il faudrait faire face à des difficultés considérables ;
6° les droits et libertés fondamentaux de la défense inscrits dans la Constitution belge et les principes juridiques qui s'y appliquent n'ont pas été respectés.
§ 6. Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, informe l'autorité requérante de l'autre Etat membre de l'UE :
1° de la suite donnée à sa demande de notification et de la date de la notification au destinataire ;
2° des motifs de refus s'il refuse d'exécuter une demande de recouvrement conformément au paragraphe 5.]1
Art. 23/7. [1 Als de betrokken dienstverrichter of een belanghebbende partij in de loop van de procedures, vermeld in artikel 23/5 en 23/6, de administratieve sanctie of boete of de onderliggende vordering aanvecht of er beroep tegen instelt, worden deze procedures geschorst in afwachting van een beslissing van het bevoegde orgaan of de bevoegde instantie in de verzoekende lidstaat. Het aanvechten of het instellen van beroep dient te geschieden bij de bevoegde instantie of autoriteit in de verzoekende lidstaat.]1
Art. 23/7. [1 Si, au cours des procédures visées aux articles 23/5 et 23/6, le prestataire de services concerné ou une partie intéressée conteste ou introduit un recours à l'encontre de la sanction ou de l'amende administrative ou de la plainte correspondante, ces procédures sont suspendues dans l'attente de la décision de l'instance ou de l'autorité compétente de l'Etat membre requérant. Les contestations ou recours sont portés devant l'instance ou l'autorité compétente de l'Etat membre requérant.]1
Art. 23/8. [1 Ї 1. De bedragen die ingevorderd worden in het kader van de procedure, vermeld in artikel 23/6, komen toe aan het Vlaamse Gewest.
De verschuldigde bedragen worden door de in artikel 17, Ї 8, eerste lid, aangewezen ambtenaar ingevorderd in euro.
In voorkomend geval zet de in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar de administratieve financiële sanctie of boete om in euro volgens de wisselkoers die op de datum van het opleggen van de administratieve financiële sanctie of boete van toepassing was.
Ї 2. Ten aanzien van de EU-lidstaat die het verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie of boete of het verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie of boete ingediend heeft, wordt afgezien van de vergoeding van de kosten die voortvloeien uit de procedures, vermeld in artikel 23/5 en 23/6.]1
De verschuldigde bedragen worden door de in artikel 17, Ї 8, eerste lid, aangewezen ambtenaar ingevorderd in euro.
In voorkomend geval zet de in artikel 15, tweede lid, aangewezen ambtenaar de administratieve financiële sanctie of boete om in euro volgens de wisselkoers die op de datum van het opleggen van de administratieve financiële sanctie of boete van toepassing was.
Ї 2. Ten aanzien van de EU-lidstaat die het verzoek tot kennisgeving van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie of boete of het verzoek tot invordering van een beslissing tot oplegging van een administratieve financiële sanctie of boete ingediend heeft, wordt afgezien van de vergoeding van de kosten die voortvloeien uit de procedures, vermeld in artikel 23/5 en 23/6.]1
Art. 23/8. [1 § 1er. Les montants recouvrés dans le cadre de la procédure visée à l'article 23/6 reviennent à la Région flamande.
Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 17, § 8, alinéa 1er, recouvre les montants dus en euros.
Au besoin, le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, convertit la sanction ou l'amende administrative pécuniaire en euros au taux de change applicable à la date à laquelle la sanction ou l'amende administrative pécuniaire a été infligée.
§ 2. A l'égard de l'Etat membre de l'UE qui a introduit la demande de notification d'une décision infligeant une sanction ou une amende administrative pécuniaire ou la demande d'exécution d'une décision infligeant une sanction ou une amende administrative pécuniaire, il est renoncé au remboursement des coûts résultant des procédures visées aux articles 23/5 et 23/6.]1
Le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 17, § 8, alinéa 1er, recouvre les montants dus en euros.
Au besoin, le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 15, alinéa 2, convertit la sanction ou l'amende administrative pécuniaire en euros au taux de change applicable à la date à laquelle la sanction ou l'amende administrative pécuniaire a été infligée.
§ 2. A l'égard de l'Etat membre de l'UE qui a introduit la demande de notification d'une décision infligeant une sanction ou une amende administrative pécuniaire ou la demande d'exécution d'une décision infligeant une sanction ou une amende administrative pécuniaire, il est renoncé au remboursement des coûts résultant des procédures visées aux articles 23/5 et 23/6.]1
HOOFDSTUK IV. - Strafbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions pénales.
Art. 24. Onverminderd de strafbepalingen van de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek :
1° worden gestraft met een [2 ...]2 geldboete van 26 tot 500 euro[2 ...]2 het opleidingscentrum, de werkgever en in voorkomend geval de gebruiker, zijn aangestelden of lasthebbers, die binnen de door de sociaalrechtelijke inspecteurs bepaalde termijn, het door deze laatsten gegeven bevel tot aanplakking en/of overhandiging van documenten waarvan het bestaan krachtens de bestaande regelgeving zeker is, bedoeld bij artikel 7, 3°, van dit decreet, niet nakomen;
2° [2 worden gestraft met een geldboete van 100 tot 1000 euro het opleidingscentrum, de werkgever en, in voorkomend geval, de gebruiker, zijn aangestelden of lasthebbers, die binnen de termijn die de sociaalrechtelijke inspecteurs bepalen, het bevel van de sociaalrechtelijke inspecteurs tot het opmaken of overhandigen van elk document ter vervanging van de documenten, vermeld in de reglementeringen waarvoor de sociaalrechtelijke inspecteurs bevoegd zijn, vermeld in artikel 7, 4А, van dit decreet, niet nakomen;]2;
3° wordt gestraft met een gevangenisstraf van [2 zes maanden tot drie jaar]2en met een geldboete van [2 600 tot 6000 euro]2 of met één van die straffen alleen, al wie het krachtens hoofdstuk II van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan geregelde toezicht verhindert.
[2 4° worden gestraft met een geldboete van 100 tot 1000 euro, de personen die zich niet houden aan de beslissing van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, vermeld in artikel 7/5 van dit decreet.]2
[1 De strafbepalingen, vermeld in het eerste lid, punt 3°, zijn niet van toepassing op de inbreuken op artikel 7, 2°, c/1).]1
[2 Bij herhaling binnen vijf jaar kan de straf, vermeld in het eerste lid, 1А tot en met 4А, op het dubbele van het maximum worden gebracht.]2
1° worden gestraft met een [2 ...]2 geldboete van 26 tot 500 euro[2 ...]2 het opleidingscentrum, de werkgever en in voorkomend geval de gebruiker, zijn aangestelden of lasthebbers, die binnen de door de sociaalrechtelijke inspecteurs bepaalde termijn, het door deze laatsten gegeven bevel tot aanplakking en/of overhandiging van documenten waarvan het bestaan krachtens de bestaande regelgeving zeker is, bedoeld bij artikel 7, 3°, van dit decreet, niet nakomen;
2° [2 worden gestraft met een geldboete van 100 tot 1000 euro het opleidingscentrum, de werkgever en, in voorkomend geval, de gebruiker, zijn aangestelden of lasthebbers, die binnen de termijn die de sociaalrechtelijke inspecteurs bepalen, het bevel van de sociaalrechtelijke inspecteurs tot het opmaken of overhandigen van elk document ter vervanging van de documenten, vermeld in de reglementeringen waarvoor de sociaalrechtelijke inspecteurs bevoegd zijn, vermeld in artikel 7, 4А, van dit decreet, niet nakomen;]2;
3° wordt gestraft met een gevangenisstraf van [2 zes maanden tot drie jaar]2en met een geldboete van [2 600 tot 6000 euro]2 of met één van die straffen alleen, al wie het krachtens hoofdstuk II van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan geregelde toezicht verhindert.
[2 4° worden gestraft met een geldboete van 100 tot 1000 euro, de personen die zich niet houden aan de beslissing van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, vermeld in artikel 7/5 van dit decreet.]2
[1 De strafbepalingen, vermeld in het eerste lid, punt 3°, zijn niet van toepassing op de inbreuken op artikel 7, 2°, c/1).]1
[2 Bij herhaling binnen vijf jaar kan de straf, vermeld in het eerste lid, 1А tot en met 4А, op het dubbele van het maximum worden gebracht.]2
Art. 24. Sans préjudice des dispositions pénales des articles 269 à 274 du Code pénal :
1° sont punis [2 ou de l'une de ces deux peines seulement]2 d'une amende de [2 100 à 1000 euros]2 ou de l'une de ces peines seulement, le centre de formation, l'employeur et, le cas échéant, l'usager, ses préposés ou mandataires qui ne donnent aucune suite à l'ordre d'apposition et/ou de remise de documents dont l'existence est certaine en vertu de la législation existante, tel que visé à l'article 7, 3°, du présent décret, dans le délai fixé par les inspecteurs des lois sociales;
2° [2 sont punis d'une amende de 100 à 1000 euros, le centre de formation, l'employeur et, le cas échéant, l'utilisateur, ses préposés ou mandataires qui ne respectent pas, dans le délai fixé par les inspecteurs des lois sociales, l'ordre donné par ceux-ci d'établir ou de délivrer tout document remplaçant ceux visés dans les réglementations relevant de la compétence des inspecteurs des lois sociales, au sens de l'article 7, 4°, du présent décret ;]2;
3° sont punis d'un emprisonnement de [2 six mois à trois ans]2 et d'une amende de 1.000 à 5.000 euros ou de l'une de ces peines seulement, tous ceux qui empêchent le contrôle réglée par le chapitre II du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
[2 4° sont punies d'une amende de 100 à 1000 euros, les personnes qui ne s'en tiennent pas à la décision du président du tribunal du travail visée à l'article 7/5 du présent décret. ]2
[1 Les dispositions pénales, visées à l'alinéa premier, point 3°, ne s'appliquent pas aux infractions de l'article 7, 2°, c/1er).]1
[2 En cas récidive dans les cinq ans, la peine visée à l'alinéa 1er, 1° à 4°, peut être portée au double du maximum.]2
1° sont punis [2 ou de l'une de ces deux peines seulement]2 d'une amende de [2 100 à 1000 euros]2 ou de l'une de ces peines seulement, le centre de formation, l'employeur et, le cas échéant, l'usager, ses préposés ou mandataires qui ne donnent aucune suite à l'ordre d'apposition et/ou de remise de documents dont l'existence est certaine en vertu de la législation existante, tel que visé à l'article 7, 3°, du présent décret, dans le délai fixé par les inspecteurs des lois sociales;
2° [2 sont punis d'une amende de 100 à 1000 euros, le centre de formation, l'employeur et, le cas échéant, l'utilisateur, ses préposés ou mandataires qui ne respectent pas, dans le délai fixé par les inspecteurs des lois sociales, l'ordre donné par ceux-ci d'établir ou de délivrer tout document remplaçant ceux visés dans les réglementations relevant de la compétence des inspecteurs des lois sociales, au sens de l'article 7, 4°, du présent décret ;]2;
3° sont punis d'un emprisonnement de [2 six mois à trois ans]2 et d'une amende de 1.000 à 5.000 euros ou de l'une de ces peines seulement, tous ceux qui empêchent le contrôle réglée par le chapitre II du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
[2 4° sont punies d'une amende de 100 à 1000 euros, les personnes qui ne s'en tiennent pas à la décision du président du tribunal du travail visée à l'article 7/5 du présent décret. ]2
[1 Les dispositions pénales, visées à l'alinéa premier, point 3°, ne s'appliquent pas aux infractions de l'article 7, 2°, c/1er).]1
[2 En cas récidive dans les cinq ans, la peine visée à l'alinéa 1er, 1° à 4°, peut être portée au double du maximum.]2
Art. 25. De opleidingscentra, werkgevers of de gebruikers zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe hun aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.
Art. 25. Les centres de formation, les employeurs ou les usagers sont civilement responsables du paiement des amendes auxquelles leurs préposés ou mandataires ont été condamnés.
Art. 26. In geval van herhaling van een in artikel 24 bedoeld misdrijf, is artikel 85 van het Strafwetboek niet van toepassing.
Art. 26. En cas de récidive d'une infraction visée à l'article 24, l'article 85 du Code pénal n'est pas applicable.
Hoofdstuk IV/1. [1 Uitsluiting van het recht op subsidie]1
Chapitre IV/1. [1 Exclusion du droit à subvention]1
Art. 26/1. [1 De volgende personen kunnen door de Vlaamse Regering gedurende een periode van maximaal twaalf maanden worden uitgesloten van het recht op subsidie:
1А de persoon die een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen wegens een inbreuk die conform dit decreet of conform de in artikel 2, eerste lid, van dit decreet vermelde regelgeving wordt bestraft met een strafrechtelijke geldboete van 300 tot 3000 euro of met een strafrechtelijke boete van 600 tot 6000 euro;
2А de persoon die conform dit decreet een niet langer voor beroep vatbare administratieve beslissing heeft opgelopen wegens een inbreuk die conform dit decreet wordt bestraft met een administratieve geldboete van 150 tot 1500 euro of een administratieve geldboete van 300 tot 3000 euro;
3А de persoon die een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling of een niet langer voor beroep vatbare administratieve beslissing heeft opgelopen wegens een inbreuk op de sociale wetgeving die wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 als vermeld in artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek.]1
1А de persoon die een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen wegens een inbreuk die conform dit decreet of conform de in artikel 2, eerste lid, van dit decreet vermelde regelgeving wordt bestraft met een strafrechtelijke geldboete van 300 tot 3000 euro of met een strafrechtelijke boete van 600 tot 6000 euro;
2А de persoon die conform dit decreet een niet langer voor beroep vatbare administratieve beslissing heeft opgelopen wegens een inbreuk die conform dit decreet wordt bestraft met een administratieve geldboete van 150 tot 1500 euro of een administratieve geldboete van 300 tot 3000 euro;
3А de persoon die een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling of een niet langer voor beroep vatbare administratieve beslissing heeft opgelopen wegens een inbreuk op de sociale wetgeving die wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 als vermeld in artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek.]1
Art. 26/1. [1 Le Gouvernement flamand peut exclure du droit à subvention, pendant une période maximale de douze mois, les personnes suivantes :
1° la personne qui a encouru une condamnation pénale passée en force de chose jugée du chef d'une infraction passible, en vertu du présent décret ou de la réglementation visée à l'article 2, alinéa 1er, du présent décret, d'une amende pénale de 300 à 3000 euros ou d'une amende pénale de 600 à 6000 euros ;
2° la personne qui a fait l'objet, en vertu du présent décret, d'une décision administrative qui n'est plus susceptible de recours du chef d'une infraction passible, en vertu du présent décret, d'une amende administrative de 150 à 1500 euros ou d'une amende administrative de 300 à 3000 euros ;
3° la personne qui a encouru une condamnation pénale passée en force de chose jugée ou fait l'objet d'une décision administrative du chef d'une infraction à la législation sociale passible d'une sanction de niveau 4 telle que visée à l'article 101 du Code pénal social.]1
1° la personne qui a encouru une condamnation pénale passée en force de chose jugée du chef d'une infraction passible, en vertu du présent décret ou de la réglementation visée à l'article 2, alinéa 1er, du présent décret, d'une amende pénale de 300 à 3000 euros ou d'une amende pénale de 600 à 6000 euros ;
2° la personne qui a fait l'objet, en vertu du présent décret, d'une décision administrative qui n'est plus susceptible de recours du chef d'une infraction passible, en vertu du présent décret, d'une amende administrative de 150 à 1500 euros ou d'une amende administrative de 300 à 3000 euros ;
3° la personne qui a encouru une condamnation pénale passée en force de chose jugée ou fait l'objet d'une décision administrative du chef d'une infraction à la législation sociale passible d'une sanction de niveau 4 telle que visée à l'article 101 du Code pénal social.]1
HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions modificatives.
Art. 27. De wet van 1 juli 1963 houdende toekenning van een vergoeding voor sociale promotie, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989 en bij het decreet van 8 mei 2002, wordt aangevuld als volgt :
" Aanvullende regeling voor de Vlaamse Gemeenschap
" Artikel 7
Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
" Aanvullende regeling voor de Vlaamse Gemeenschap
" Artikel 7
Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
Art. 27. La loi du 1er juillet portant instauration de l'octroi d'une indemnité de promotion sociale, modifiée par la loi du 22 décembre 1989 et par le décret du 8 mai 2002, est complétée comme suit :
Règlement complémentaire pour la Communauté flamande
" Article 7
La surveillance et le contrôle de l'exécution de la présente loi et ses arrêtés d'exécution s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
Règlement complémentaire pour la Communauté flamande
" Article 7
La surveillance et le contrôle de l'exécution de la présente loi et ses arrêtés d'exécution s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
Art. 28. In het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, gewijzigd bij het decreet van 1 juni 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° artikel 6 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 6
Het toezicht en de controle op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijke toezicht. ";
2° artikelen 7 tot 9 van hetzelfde decreet worden opgeheven;
3° artikel 11 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 11
Het opleggen van de administratieve geldboete uit hoofde van inbreuken op dit decreet geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijke toezicht. "
1° artikel 6 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 6
Het toezicht en de controle op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijke toezicht. ";
2° artikelen 7 tot 9 van hetzelfde decreet worden opgeheven;
3° artikel 11 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 11
Het opleggen van de administratieve geldboete uit hoofde van inbreuken op dit decreet geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijke toezicht. "
Art. 28. Au décret du 19 juillet 1973 réglant l'emploi des langues en matière de relations sociales entre employeurs et travailleurs, ainsi qu'en matière d'actes et de documents d'entreprise prescrits par la loi et les règlements, modifié par le décret du 1er juin 1994, sont apportées les modifications suivantes :
1° L'article 6 est remplacé par ce qui suit :
" Article 6
La surveillance et le contrôle de l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. ";
2° Les articles 7 à 9 du même décret sont abrogés;
3° L'article 11 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Article 11
L'amende administrative infligée du chef d'infractions au présent décret est imposée conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
1° L'article 6 est remplacé par ce qui suit :
" Article 6
La surveillance et le contrôle de l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. ";
2° Les articles 7 à 9 du même décret sont abrogés;
3° L'article 11 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Article 11
L'amende administrative infligée du chef d'infractions au présent décret est imposée conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
Art. 29. Aan het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector wordt een aanvullende regeling toegevoegd, die luidt als volgt :
" Aanvullende regeling voor het Vlaamse Gewest
" Artikel 27
Het toezicht en de controle op de naleving door de werkgevers van de voorwaarden en de taken die in de goedgekeurde aanvraag zijn bepaald voor de tewerkstelling van de werknemers geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
" Aanvullende regeling voor het Vlaamse Gewest
" Artikel 27
Het toezicht en de controle op de naleving door de werkgevers van de voorwaarden en de taken die in de goedgekeurde aanvraag zijn bepaald voor de tewerkstelling van de werknemers geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
Art. 29. L'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non-marchand est complété d'un règlement complémentaire rédigé comme suit :
" Règlement complémentaire pour la Région flamande
" Article 27
La surveillance et le contrôle du respect, par les employeurs, des conditions et des tâches définies dans la demande approuvée pour la mise au travail des travailleurs s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
" Règlement complémentaire pour la Région flamande
" Article 27
La surveillance et le contrôle du respect, par les employeurs, des conditions et des tâches définies dans la demande approuvée pour la mise au travail des travailleurs s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
Art. 30. In het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° artikel 15 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 15
Het toezicht en de controle op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. ";
2° artikel 17 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 17
Indien een proces-verbaal wordt opgesteld wegens inbreuk op dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten wordt een afschrift van het proces-verbaal, onverminderd de kennisgeving voorzien door artikel 6, § 2, van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht, overgemaakt aan de Vlaamse minister die overeenkomstig artikel 18 van dit decreet de erkenning van de betrokken voorzieningen kan intrekken of schorsen. "
1° artikel 15 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 15
Het toezicht en de controle op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. ";
2° artikel 17 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 17
Indien een proces-verbaal wordt opgesteld wegens inbreuk op dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten wordt een afschrift van het proces-verbaal, onverminderd de kennisgeving voorzien door artikel 6, § 2, van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht, overgemaakt aan de Vlaamse minister die overeenkomstig artikel 18 van dit decreet de erkenning van de betrokken voorzieningen kan intrekken of schorsen. "
Art. 30. Au décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux sont apportées les modifications suivantes :
1° L'article 15 est remplacé par ce qui suit :
" Article 15
La surveillance et le contrôle de l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. ";
2° L'article 17 est remplacé par ce qui suit :
" Article 17
Lorsque procès-verbal est dressé en raison d'une infraction au présent décret ou ses arrêtés d'exécution, une copie du procès-verbal est transmis, sans préjudice de la notification prévue par l'article 6, § 2, du décret relatif au contrôle des lois sociales, au Ministre flamand, qui peut retirer ou suspendre l'agrément des structures concernées conformément à l'article 18 du présent décret. "
1° L'article 15 est remplacé par ce qui suit :
" Article 15
La surveillance et le contrôle de l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. ";
2° L'article 17 est remplacé par ce qui suit :
" Article 17
Lorsque procès-verbal est dressé en raison d'une infraction au présent décret ou ses arrêtés d'exécution, une copie du procès-verbal est transmis, sans préjudice de la notification prévue par l'article 6, § 2, du décret relatif au contrôle des lois sociales, au Ministre flamand, qui peut retirer ou suspendre l'agrément des structures concernées conformément à l'article 18 du présent décret. "
Art. 31. § 1. In het decreet van 13 april 1999 met betrekking tot de private arbeidsbemiddeling in het Vlaamse Gewest wordt artikel 18 vervangen door wat volgt :
" Artikel 18
Het toezicht en de controle op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
§ 2. In artikel 19 van het hetzelfde decreet wordt 4° geschrapt.
§ 3. In artikel 19 van het decreet worden een nieuw 4° en 5° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 4° ieder persoon die activiteiten uitoefent die leiden tot tewerkstelling zoals bepaald in artikel 5, 5°;"
" 5° ieder persoon die de gedragscode, zoals bepaald in artikel 5, 17° overtreedt;".
§ 4. Artikel 23 van het hetzelfde decreet wordt opgeheven.
§ 5. Artikel 24 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 24
Het opleggen van de administratieve geldboete uit hoofde van inbreuken op dit decreet geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijke toezicht. "
" Artikel 18
Het toezicht en de controle op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
§ 2. In artikel 19 van het hetzelfde decreet wordt 4° geschrapt.
§ 3. In artikel 19 van het decreet worden een nieuw 4° en 5° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 4° ieder persoon die activiteiten uitoefent die leiden tot tewerkstelling zoals bepaald in artikel 5, 5°;"
" 5° ieder persoon die de gedragscode, zoals bepaald in artikel 5, 17° overtreedt;".
§ 4. Artikel 23 van het hetzelfde decreet wordt opgeheven.
§ 5. Artikel 24 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 24
Het opleggen van de administratieve geldboete uit hoofde van inbreuken op dit decreet geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijke toezicht. "
Art. 31. § 1er. Dans le décret du 13 avril 1999 relatif au placement privé en Région flamande, l'article 18 est remplacé par ce qui suit :
" Article 18
La surveillance et le contrôle de l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
§ 2. A l'article 19 du même décret, le 4° est supprimé.
§ 3. A l'article 19 du même décret sont ajoutés un 4° et 5° nouveaux, rédigés comme suit :
" 4° toute personne exerçant des activités qui mènent à l'attribution d'emplois tels que visés à l'article 5, 5°; "
" 5° toute personne qui enfreint le code déontologique visé à l'article 5, 17°; ".
§ 4. L'article 23 du même décret est abrogé.
§ 5. L'article 24 est remplacé par ce qui suit :
" Article 24
L'amende administrative infligée du chef d'infractions au présent décret est imposée conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
" Article 18
La surveillance et le contrôle de l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
§ 2. A l'article 19 du même décret, le 4° est supprimé.
§ 3. A l'article 19 du même décret sont ajoutés un 4° et 5° nouveaux, rédigés comme suit :
" 4° toute personne exerçant des activités qui mènent à l'attribution d'emplois tels que visés à l'article 5, 5°; "
" 5° toute personne qui enfreint le code déontologique visé à l'article 5, 17°; ".
§ 4. L'article 23 du même décret est abrogé.
§ 5. L'article 24 est remplacé par ce qui suit :
" Article 24
L'amende administrative infligée du chef d'infractions au présent décret est imposée conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
Art. 32. Artikel 11 van het decreet van 18 mei 1999 houdende oprichting van een Herplaatsingsfonds, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 11
Het toezicht en de controle geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
" Artikel 11
Het toezicht en de controle geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
Art. 32. L'article 11 du décret du 18 mai 1999 portant création d'un Fonds de réinsertion est remplacé par la disposition suivante :
" Article 11
La surveillance et le contrôle s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
" Article 11
La surveillance et le contrôle s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
Art. 33. § 1. Artikel 10 van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 10
Het toezicht en de controle geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
§ 2. Artikel 17 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 17
Het opleggen van de administratieve geldboete uit hoofde van inbreuken op dit decreet geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijke toezicht. "
" Artikel 10
Het toezicht en de controle geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
§ 2. Artikel 17 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 17
Het opleggen van de administratieve geldboete uit hoofde van inbreuken op dit decreet geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijke toezicht. "
Art. 33. § 1er. L'article 10 du décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle sur le marché de l'emploi est remplacé par ce qui suit :
" Article 10
La surveillance et le contrôle s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
§ 2. L'article 17 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Article 17
L'amende administrative infligée du chef d'infractions au présent décret est imposée conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
" Article 10
La surveillance et le contrôle s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
§ 2. L'article 17 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Article 17
L'amende administrative infligée du chef d'infractions au présent décret est imposée conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
Art. 34. Artikel 37 van het besluit van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 37
Het toezicht en de controle op de bepalingen van hoofdstuk II van dit besluit geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
" Artikel 37
Het toezicht en de controle op de bepalingen van hoofdstuk II van dit besluit geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht. "
Art. 34. L'article 37 de l'arrêté du 21 décembre 1988 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle est remplacé par la disposition suivante :
" Article 37
La surveillance et le contrôle des dispositions du chapitre II du présent arrêté s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
" Article 37
La surveillance et le contrôle des dispositions du chapitre II du présent arrêté s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales. "
HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions transitoires et finales.
Art. 35. Uiterlijk op 30 maart volgend op het jaar waarop het betrekking heeft, brengt de Vlaamse regering verslag uit bij het Vlaams Parlement omtrent de toepassing van dit decreet.
Dit verslag zal eveneens ter bespreking aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen worden meegedeeld.
De Vlaamse regering bepaalt nader de vorm en de inhoud van dit verslag.
Dit verslag zal eveneens ter bespreking aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen worden meegedeeld.
De Vlaamse regering bepaalt nader de vorm en de inhoud van dit verslag.
Art. 35. Au plus tard le 30 mars suivant l'année auquel il se rapporte, le Gouvernement flamand fait rapport au Parlement flamand sur l'application du présent décret.
Ce rapport sera transmis en outre au Conseil socio-économique de la Flandre pour y être discuté.
Le Fonds détermine la forme et le contenu de ce rapport.
Ce rapport sera transmis en outre au Conseil socio-économique de la Flandre pour y être discuté.
Le Fonds détermine la forme et le contenu de ce rapport.
Art. 36. Artikel 1, 18°, en, voorzover het de Vlaamse gewestbevoegdheden betreft, artikel 1, 32°, van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboetes toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten worden, wat het Vlaamse Gewest respectievelijk de Vlaamse Gemeenschap betreft, opgeheven.
Art. 36. L'article 1er, 18° et, dans la mesure où il s'applique aux compétences régionales flamandes, l'article 1er, 32°, de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales est abrogé en ce qui concerne la Région flamande et la Communauté flamande.
Art. 37. Het besluit van de Vlaamse regering van 16 januari 1985 tot bepaling van het toezicht op de toekenning en de intrekking van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit wordt opgeheven.
Art. 37. L'arrêté du Gouvernement flamand du 16 janvier 1985 relatif au contrôle sur l'octroi et le retrait des autorisations d'occupation et des permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère est abrogé.
Art. 38. Dit decreet wordt aangehaald als "decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht".
Art. 38. Le présent décret peut être cité comme le " décret relatif au contrôle des lois sociales ".