Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
4 APRIL 2003. - Overeenkomst met het oog op de verwezenlijking van het programma van het Gewestelijk Expresnet van, naar, in en rond Brussel.
Titre
4 AVRIL 2003. - Convention visant à mettre en oeuvre le programme du Réseau Express Régional de vers, dans et autour de Bruxelles.
Dokumentinformationen
Numac: 2004A31276
Datum: 2003-04-04
Info du document
Numac: 2004A31276
Date: 2003-04-04
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Samenwerkingsorganen.
Afdeling 1. - Overlegstructuur en op te richten...
Afdeling 2. - Samenstelling van de overlegorganen.
Afdeling 3. - Opdracht van de overlegorganen.
Afdeling 4. - Werking en wijze van samenwerking
HOOFDSTUK III. - Analyse van de vraag en organi...
Afdeling 1. - Analyse van de vraag en actieplan.
Afdeling 2. - Organisatie van het aanbod.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Onderafdeling 2. - Het GEN-aanbod.
Afdeling 3. - Regels met betrekking lot de toew...
HOOFDSTUK IV. - Begeleidende maatregelen.
HOOFDSTUK V. - Gemeenschappelijke strategie inz...
HOOFDSTUK VI. - Financiële bepalingen.
HOOFDSTUK VII. - Programmering en prioritaire a...
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - Organes de coopération.
Section 1re. - Structure de concertation et org...
Section 2. - Composition des organes de concert...
Section 3. - Mission des organes de la concerta...
Section 4. - Méthode de travail et de coopération.
CHAPITRE III. - Analyse de la demande et organi...
Section 1re. - Analyse de la demande et plan d'...
Section 2. - Organisation de l'offre.
Sous-section 1. - Dispositions générales.
Sous-section 2. - L'offre RER.
Section 3. - Règles relatives à l'attribution d...
CHAPITRE IV. - Mesures d'accompagnement RER.
CHAPITRE V. - Stratégie commune relative au mar...
CHAPITRE VI. - Dispositions financières.
CHAPITRE VII. - Programmation et actions priori...
ANNEXES.
Tekst (54)
Texte (54)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze overeenkomst wordt gesloten zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheidsverdeling tussen de partijen zoals bepaald door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd door de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot hervorming der instellingen en de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot hervorming der instellingen.
Article 1. La présente convention est établie sans préjudice de la répartition des compétences entre les parties, déterminée par la loi spéciale du 8 août 1980 de réforme institutionnelle, modifiée par la loi spéciale du 8 août 1988 de réforme institutionnelle et la loi spéciale du 16 juillet 1993 de réforme institutionnelle.
Art. 2. In het raam van deze overeenkomst wordt verstaan onder.
1. " de partijen " : de federale regering, de Waalse regering, de Vlaamse regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
2. " GEN " (Gewestelijk Expresnet) : het basisnet dat het globaal aanbod van de 4 maatschappijen van openbaar vervoer structureert, zoais omschreven in artikel 16;
3. " GEN-zone " : het geografisch gebied zoals vastgelegd in artikel 5;
4. " ECMM " : het Executief Comité van de Ministers van Mobiliteit, opgericht bij artikel 3 van het Samenwerkingsakkoord van 11 oktober 2001 tussen de Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het meerjarig investeringsplan voor 2001-2012 van de NMBS;
5. " maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer " : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, de Vlaamse Vervoermaat schappij, de Société régionale Wallonne de Transport en haar vijf TEC's alsook de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel;
6. " begeleidende maatregel " : elke actie die tot doei heeft het gebruik van het gemeenschappelijk vervoer in de GEN-zone te bevorderen.
1. " de partijen " : de federale regering, de Waalse regering, de Vlaamse regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
2. " GEN " (Gewestelijk Expresnet) : het basisnet dat het globaal aanbod van de 4 maatschappijen van openbaar vervoer structureert, zoais omschreven in artikel 16;
3. " GEN-zone " : het geografisch gebied zoals vastgelegd in artikel 5;
4. " ECMM " : het Executief Comité van de Ministers van Mobiliteit, opgericht bij artikel 3 van het Samenwerkingsakkoord van 11 oktober 2001 tussen de Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het meerjarig investeringsplan voor 2001-2012 van de NMBS;
5. " maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer " : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, de Vlaamse Vervoermaat schappij, de Société régionale Wallonne de Transport en haar vijf TEC's alsook de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel;
6. " begeleidende maatregel " : elke actie die tot doei heeft het gebruik van het gemeenschappelijk vervoer in de GEN-zone te bevorderen.
Art. 2. Dans le cadre de la présente convention, on entend par :
1. " les parties " : le gouvernement fédéral, le gouvernement wallon, le gouvernement flamand et le gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
2. " RER " (Réseau express Régional) : le réseau de base structurant l'offre globale des 4 sociétés de transport en commun, tel que précisé à l'article 16;
3. " zone RER " : l'aire géographique désignée conformément à l'article 5;
4. " CEMM " : le Comité Exécutif des Ministres de la Mobilité créé à l'article 3 de l'Accord de Coopération du 11 octobre 2001 entre l'Etat, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif au plan d'investissement pluriannuel 2001-2012 de la SNCB;
5. " sociétés de transport en commun " : la Société Nationale des Chemins de fer Belges, la Vlaamse Vervoermaatschappij, la Société Régionale Wallonne de Transport et les cinq TEC ainsi que la Société des Transports Intercommunaux Bruxellois;
6. " mesure d'accompagnement " : toute action qui a pour objectif de favoriser l'utilisation des transports en commun dans la zone RER.
1. " les parties " : le gouvernement fédéral, le gouvernement wallon, le gouvernement flamand et le gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
2. " RER " (Réseau express Régional) : le réseau de base structurant l'offre globale des 4 sociétés de transport en commun, tel que précisé à l'article 16;
3. " zone RER " : l'aire géographique désignée conformément à l'article 5;
4. " CEMM " : le Comité Exécutif des Ministres de la Mobilité créé à l'article 3 de l'Accord de Coopération du 11 octobre 2001 entre l'Etat, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif au plan d'investissement pluriannuel 2001-2012 de la SNCB;
5. " sociétés de transport en commun " : la Société Nationale des Chemins de fer Belges, la Vlaamse Vervoermaatschappij, la Société Régionale Wallonne de Transport et les cinq TEC ainsi que la Société des Transports Intercommunaux Bruxellois;
6. " mesure d'accompagnement " : toute action qui a pour objectif de favoriser l'utilisation des transports en commun dans la zone RER.
Art. 3. Deze overeenkomst heeft de verwezenlijking van het GEN tot doel, teneinde de mobiliteit van, naar, in en rond Brussel te waarborgen.
Het GEN heeft als doel de modale verschuiving van de auto naar het gemeenschappelijk vervoer te begunstigen en het marktaandeel van het openbaar vervoer in de GEN-zone te verhogen.
Om dit duel te bereiken, richt het project zich hoofdzakelijk op
- de verbetering van het aanbod aan gemeenschappelijk vervoer;
- het aanbieden aan de gebruiker van een geïntegreerde dienstverlening;
- het verwezenlijken van begeleidende maatregelen.
Het GEN heeft als doel de modale verschuiving van de auto naar het gemeenschappelijk vervoer te begunstigen en het marktaandeel van het openbaar vervoer in de GEN-zone te verhogen.
Om dit duel te bereiken, richt het project zich hoofdzakelijk op
- de verbetering van het aanbod aan gemeenschappelijk vervoer;
- het aanbieden aan de gebruiker van een geïntegreerde dienstverlening;
- het verwezenlijken van begeleidende maatregelen.
Art. 3. La présente convention a pour objet la réalisation du RER, afin de garantir la mobilité de, vers, dans et autour de Bruxelles.
L'objectif du RER est de favoriser le transfert modal de la voiture vers les transports en commun et d'augmenter leur part de marché dans la zone RER.
Pour atteindre cet objectif, le projet consiste en particulier à
- améliorer l'offre de transport en commun;
- offrir à l'utilisateur un service intégré;
- réaliser des mesures d'accompagnement.
L'objectif du RER est de favoriser le transfert modal de la voiture vers les transports en commun et d'augmenter leur part de marché dans la zone RER.
Pour atteindre cet objectif, le projet consiste en particulier à
- améliorer l'offre de transport en commun;
- offrir à l'utilisateur un service intégré;
- réaliser des mesures d'accompagnement.
Art. 4. Daartoe engageren de partijen zich.
- hun aanbod aan gemeenschappelijk vervoer in de GEN-zone te verhogen conform de bepalingen van de artikelen 13 tot 24;
- de nodige middelen te ontplooien om gemeenschappelijk vervoer aan te bieden dat onderling en met de andere verplaatsingsmodi en -middelen gecoördineerd is, inzonderheid met de niet gemotoriseerde, die aantrekkelijk zijn t.o.v. het individueel autogebruik;
- de maatregelen te nemen en de nodige overeenkomsten af te sluiten voor de integratie van het aanbod aan openbaar vervoer vanuit het oogpunt van de gebruiker, met inbegrip van de harmonisering van de tarieven en de integratie van vervoerbewijzen;
- de nodige maatregelen te treffen om de automobilisten ertoe aan te zetten het gemeenschappelijk vervoer en het niet gemotoriseerd vervoer te gebruiken;
- alle nuttige informatie voor de opmaak, evaluatie of bijsturing van de te voeren acties in het kader van deze overeenkomst of van haar uitvoering kosteloos ter beschikking te stellen of toegankelijk te maken voor de andere partijen.
- hun aanbod aan gemeenschappelijk vervoer in de GEN-zone te verhogen conform de bepalingen van de artikelen 13 tot 24;
- de nodige middelen te ontplooien om gemeenschappelijk vervoer aan te bieden dat onderling en met de andere verplaatsingsmodi en -middelen gecoördineerd is, inzonderheid met de niet gemotoriseerde, die aantrekkelijk zijn t.o.v. het individueel autogebruik;
- de maatregelen te nemen en de nodige overeenkomsten af te sluiten voor de integratie van het aanbod aan openbaar vervoer vanuit het oogpunt van de gebruiker, met inbegrip van de harmonisering van de tarieven en de integratie van vervoerbewijzen;
- de nodige maatregelen te treffen om de automobilisten ertoe aan te zetten het gemeenschappelijk vervoer en het niet gemotoriseerd vervoer te gebruiken;
- alle nuttige informatie voor de opmaak, evaluatie of bijsturing van de te voeren acties in het kader van deze overeenkomst of van haar uitvoering kosteloos ter beschikking te stellen of toegankelijk te maken voor de andere partijen.
Art. 4. A cette fin, les parties s'engagent à :
- renforcer leur offre de transport en commun dans la zone RER, conformément aux dispositions des articles 13 à 24;
- mettre en oeuvre les moyens nécessaires pour assurer des transports en commun coordonnés entre eux et avec les autres modes et moyens de déplacement, principalement non motorisés, qui soient attractifs par rapport à l'usage individuel de la voiture;
- prendre les mesures et conclure les accords nécessaires à l'intégration de l'offre de transport en commun du point de vue de l'utilisateur en ce compris l'harmonisation des tarifs et l'intégration de la billetterie;
- prendre les mesures nécessaires pour inciter les automobilistes à utiliser les transports en commun et les transports non-motorisés;
- mettre à disposition ou rendre accessible gratuitement aux autres parties, toute information utile pour la mise en ouvre, l'évaluation ou l'adaptation d'actions dans le cadre de la présente convention.
- renforcer leur offre de transport en commun dans la zone RER, conformément aux dispositions des articles 13 à 24;
- mettre en oeuvre les moyens nécessaires pour assurer des transports en commun coordonnés entre eux et avec les autres modes et moyens de déplacement, principalement non motorisés, qui soient attractifs par rapport à l'usage individuel de la voiture;
- prendre les mesures et conclure les accords nécessaires à l'intégration de l'offre de transport en commun du point de vue de l'utilisateur en ce compris l'harmonisation des tarifs et l'intégration de la billetterie;
- prendre les mesures nécessaires pour inciter les automobilistes à utiliser les transports en commun et les transports non-motorisés;
- mettre à disposition ou rendre accessible gratuitement aux autres parties, toute information utile pour la mise en ouvre, l'évaluation ou l'adaptation d'actions dans le cadre de la présente convention.
Art. 5. Zonder afbreuk te doen aan andere geografische afbakeningen die door de partijen zijn vastgelegd voor de harmonisering van de tarieven en de integratie van de systemen van vervoerbewijzen en ontwaarding, strekt de GEN-zone zich uit in een straal van ongeveer 30 km rond Brussel. Deze zone is de geografische basis voor de strategie om het GEN-aanbod te ontwikkelen.
Binnen deze zone gelden de bepalingen van onderhavige overeenkomst. In bijlage I wordt de zone omschreven.
Het ECMM kan de afbakening van de zone aanpassen aan de zich wijzigende mobiliteit.
Binnen deze zone gelden de bepalingen van onderhavige overeenkomst. In bijlage I wordt de zone omschreven.
Het ECMM kan de afbakening van de zone aanpassen aan de zich wijzigende mobiliteit.
Art. 5. Sans préjudice d'autres délimitations géographiques établies par les parties pour l'harmonisation des tarifs et l'intégration de la billetterie, la zone RER s'établit dans un rayon d'environ 30 km autour de Bruxelles. Cette zone est l'aire géographique de base pour la stratégie de déploiement de l'offre RER.
Les stipulations de la présente convention sont d'application à l'intérieur de cette zone. La zone est décrite en annexe 1.
Le CEMM peut adapter la délimitation de la zone en fonction de l'évolution des conditions de mobilité.
Les stipulations de la présente convention sont d'application à l'intérieur de cette zone. La zone est décrite en annexe 1.
Le CEMM peut adapter la délimitation de la zone en fonction de l'évolution des conditions de mobilité.
HOOFDSTUK II. - Samenwerkingsorganen.
CHAPITRE II. - Organes de coopération.
Afdeling 1. - Overlegstructuur en op te richten organen.
Section 1re. - Structure de concertation et organes à mettre en place.
Art. 6. § 1. De samenwerking tussen de partijen wordt op drie niveaus georganiseerd :
1. de algemene coördinatie tussen de partijen heeft plaats in het ECMM;
2. de strategische en tactische coördinatie tussen de vertegenwoordigers van de federale en gewestelijke ministers en van de besturen die bevoegd zijn voor het openbaar vervoer en deze van de maatschap. pijen voor gemeenschappelijk vervoer heeft plaats in de Stuurgroep;
3. de operationele coördinatie wordt door de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer in een Operationele Groep verzekerd.
§ 2. De werking van de samenwerkingsstructuur zal jaarlijks door het ECMM worden geëvalueerd; de eerste evaluatie vindt uiterlijk 12 maanden na het in werking treden van onderhavige overeenkomst plaats.
1. de algemene coördinatie tussen de partijen heeft plaats in het ECMM;
2. de strategische en tactische coördinatie tussen de vertegenwoordigers van de federale en gewestelijke ministers en van de besturen die bevoegd zijn voor het openbaar vervoer en deze van de maatschap. pijen voor gemeenschappelijk vervoer heeft plaats in de Stuurgroep;
3. de operationele coördinatie wordt door de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer in een Operationele Groep verzekerd.
§ 2. De werking van de samenwerkingsstructuur zal jaarlijks door het ECMM worden geëvalueerd; de eerste evaluatie vindt uiterlijk 12 maanden na het in werking treden van onderhavige overeenkomst plaats.
Art. 6. § 1. La coopération entre les parties est organisée sur trois niveaux.
1. la coordination générale entre les parties a lieu au sein du CEMM;
2. la coordination stratégique et tactique entre les représentants des ministres fédéraux et régionaux et des administrations qui ont le transport public dans leurs attributions, ainsi que les représentants des sociétés de transport en commun, a lieu au sein du Comité de pilotage;
3. la coordination opérationnelle est prise en charge par les sociétés de transport en commun au sein du Groupe Opérationnel.
§ 2. Le fonctionnement de la structure de coopération sera évalué annuellement par le CEMM; la première évaluation aura lieu au plus tard 12 mois après l'entrée en vigueur de la présente convention.
1. la coordination générale entre les parties a lieu au sein du CEMM;
2. la coordination stratégique et tactique entre les représentants des ministres fédéraux et régionaux et des administrations qui ont le transport public dans leurs attributions, ainsi que les représentants des sociétés de transport en commun, a lieu au sein du Comité de pilotage;
3. la coordination opérationnelle est prise en charge par les sociétés de transport en commun au sein du Groupe Opérationnel.
§ 2. Le fonctionnement de la structure de coopération sera évalué annuellement par le CEMM; la première évaluation aura lieu au plus tard 12 mois après l'entrée en vigueur de la présente convention.
Afdeling 2. - Samenstelling van de overlegorganen.
Section 2. - Composition des organes de concertation.
Art. 7. Voor het overleg bedoeld in artikel 6, § 1, 2°, is de Stuurgroep samengesteld uit 12 leden.
- een vertegenwoordiger van elke minister die het openbaar vervoer en/of mobiliteit onder zijn bevoegdheid heeft;
- een vertegenwoordiger van elk bestuur dat het openbaar vervoer onder zijn bevoegdheid heeft;
- een vertegenwoordiger van elke maatschappij voor gemeenschappa lijk vervoer;
De Stuurgroep vergadert een eerste maal binnen twee maanden die volgen op de datum van inwerkingtreding van onderhavige overeenkomst.
- een vertegenwoordiger van elke minister die het openbaar vervoer en/of mobiliteit onder zijn bevoegdheid heeft;
- een vertegenwoordiger van elk bestuur dat het openbaar vervoer onder zijn bevoegdheid heeft;
- een vertegenwoordiger van elke maatschappij voor gemeenschappa lijk vervoer;
De Stuurgroep vergadert een eerste maal binnen twee maanden die volgen op de datum van inwerkingtreding van onderhavige overeenkomst.
Art. 7. Pour la concertation visée à l'article 6, § 1, 2° le Comité de pilotage est composé de 12 membres.
- un représentant de chaque ministre qui a le transport public et/ou la mobilité dans ses attributions;
- un représentant de chaque administration qui a le transport public dans ses attributions;
- un représentant de chaque société de transport en commun;
Le Comité de pilotage se réunit pour la première fois dans les deux mois suivant la date d'entrée en vigueur de la présente convention.
- un représentant de chaque ministre qui a le transport public et/ou la mobilité dans ses attributions;
- un représentant de chaque administration qui a le transport public dans ses attributions;
- un représentant de chaque société de transport en commun;
Le Comité de pilotage se réunit pour la première fois dans les deux mois suivant la date d'entrée en vigueur de la présente convention.
Art. 8. De Operationele Groep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de vier maatschappijen van openbaar vervoer.
De maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer mogen op vraag van de partijen een andere vorm van rechtsstructuur oprichten die als opdracht heeft de co6rdinatie van de activiteiten bedoeld in artikel 10 te waarborgen.
Daartoe zal een werkgroep worden opgericht op initiatief van het ECMM.
De maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer mogen op vraag van de partijen een andere vorm van rechtsstructuur oprichten die als opdracht heeft de co6rdinatie van de activiteiten bedoeld in artikel 10 te waarborgen.
Daartoe zal een werkgroep worden opgericht op initiatief van het ECMM.
Art. 8. Le Groupe Opérationnel est composé de représentants des quatre sociétés de transport en commun.
Les sociétés de transport en commun peuvent, à la demande des parties, créer une autre forme de structure juridique, ayant pour mission d'assurer la coordination des activités dont il est question à l'article 10. A cette fin, un Groupe de Travail sera constitué à l'initiative du CEMM.
Les sociétés de transport en commun peuvent, à la demande des parties, créer une autre forme de structure juridique, ayant pour mission d'assurer la coordination des activités dont il est question à l'article 10. A cette fin, un Groupe de Travail sera constitué à l'initiative du CEMM.
Afdeling 3. - Opdracht van de overlegorganen.
Section 3. - Mission des organes de la concertation.
Art. 9. § 1. De Stuurgroep volgt de uitvoering van onderhavige overeenkomst op. Bovendien is zij belast met het verstrekken van adviezen over elke materie m.b.t. het GEN-aanbod, op eigen initiatief of op vraag van de partijen.
Uiterlijk op 31 maart van elk jaar overhandigt zij aan de partijen een omstandig jaarverslag over de toepassing van deze overeenkomst.
§ 2. De partijen kunnen de Stuurgroep belasten met het voorbereiden van hun gemeenschappelijke beslissingen m.b.t. het GEN.
Uiterlijk op 31 maart van elk jaar overhandigt zij aan de partijen een omstandig jaarverslag over de toepassing van deze overeenkomst.
§ 2. De partijen kunnen de Stuurgroep belasten met het voorbereiden van hun gemeenschappelijke beslissingen m.b.t. het GEN.
Art. 9. § 1er. Le Comité de pilotage assure le suivi de l'exécution de la présente convention. En outre, il est chargé de rendre des avis sur toute matière concernant le RER, d'initiative ou à la demande des parties.
Au plus tard le 31 mars de chaque année, il remet aux parties un rapport annuel circonstancié portant sur l'application de la présente convention.
§ 2. Les parties peuvent charger le Comité de pilotage de la préparation de leurs décisions communes relatives au RER.
Au plus tard le 31 mars de chaque année, il remet aux parties un rapport annuel circonstancié portant sur l'application de la présente convention.
§ 2. Les parties peuvent charger le Comité de pilotage de la préparation de leurs décisions communes relatives au RER.
Art. 10. In het raam van hun respectieve opdrachten verzekeren de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer in de Operationele Groep de co6rdinatie van hun activiteiten en meer bepaald inzake :
- de kennis van de behoeften van de klanten, evenals promotieacties, publiciteits- en informatiecampagnes;
- het formuleren van adviezen voor net optimaliseren van het aanbod;
- het onderzoek van een compatibel systeem van vervoerbewijzen en van de beginselen van een harmonisering van de tarieven in het kader van algemene initiatieven voor de harmonisering van de tarieven die door de maatschappijen voor openbaar vervoer op hun grondgebied worden ondernomen;
- verbetering van de aansluitingen en geïntegreerde informatie aan het publiek;
- de inrichting van de stations, van de stopplaatsen, van de plaatsen van aansluiting en van parkeergelegenheden.
De uitoefening van de opdrachten en taken van openbare dienst opgedragen aan de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer blijft de bevoegdheid van elke maatschappij conform de geldende federale en gewestelijke wetgevingen.
- de kennis van de behoeften van de klanten, evenals promotieacties, publiciteits- en informatiecampagnes;
- het formuleren van adviezen voor net optimaliseren van het aanbod;
- het onderzoek van een compatibel systeem van vervoerbewijzen en van de beginselen van een harmonisering van de tarieven in het kader van algemene initiatieven voor de harmonisering van de tarieven die door de maatschappijen voor openbaar vervoer op hun grondgebied worden ondernomen;
- verbetering van de aansluitingen en geïntegreerde informatie aan het publiek;
- de inrichting van de stations, van de stopplaatsen, van de plaatsen van aansluiting en van parkeergelegenheden.
De uitoefening van de opdrachten en taken van openbare dienst opgedragen aan de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer blijft de bevoegdheid van elke maatschappij conform de geldende federale en gewestelijke wetgevingen.
Art. 10. Dans le cadre de leurs missions respectives, les sociétés de transport en commun assurent, au sein du Groupe Opérationnel, une coordination de leurs activités et en particulier concernant :
- la connaissance des besoins de la clientèle ainsi que les actions de promotion, les campagnes de publicité et d'information;
- la formulation d'avis pour optimaliser l'offre;
- l'étude d'un système compatible de billetterie et des principes d'harmonisation tarifaire dans le cadre des initiatives générales d'harmonisation tarifaire entreprises par les sociétés de transport en commun sur le territoire de leur ressort;
- l'amélioration des correspondances horaires et de l'information intégrée au public;
- l'aménagement des gares, des arrêts, des lieux de correspondance et des parkings.
L'exercice des missions et des tâches de service public dévolues aux sociétés de transport en commun, demeure de la compétence de chacune des sociétés, conformément aux législations régionales et fédérale en vigueur.
- la connaissance des besoins de la clientèle ainsi que les actions de promotion, les campagnes de publicité et d'information;
- la formulation d'avis pour optimaliser l'offre;
- l'étude d'un système compatible de billetterie et des principes d'harmonisation tarifaire dans le cadre des initiatives générales d'harmonisation tarifaire entreprises par les sociétés de transport en commun sur le territoire de leur ressort;
- l'amélioration des correspondances horaires et de l'information intégrée au public;
- l'aménagement des gares, des arrêts, des lieux de correspondance et des parkings.
L'exercice des missions et des tâches de service public dévolues aux sociétés de transport en commun, demeure de la compétence de chacune des sociétés, conformément aux législations régionales et fédérale en vigueur.
Afdeling 4. - Werking en wijze van samenwerking
Section 4. - Méthode de travail et de coopération.
Art. 11. De vergaderingen van de Stuurgroep worden voorgezeten door de vertegenwoordiger van de federale minister die bevoegd is voor mobiliteit en vervoer.
De Stuurgroep kan worden samengeroepen op vraag van een lid. De Stuurgroep vergadert minstens om de twee maanden.
De Stuurgroep verstrekt advies bij consensus. Bij vastgestelde onmogelijkheid om eenparig een advies te verstrekken, stuurt de Stuurgroep de voorliggende adviezen naar het ECMM, voor beslissing.
De Stuurgroep stelt haar intern reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het ECMM.
De Stuurgroep wordt ondersteund door een permanent secretariaat, dat is samengesteld uit 4 leden die respectievelijk worden gedetacheerd door elk van de 4 partijen.
Het secretariaat wordt gehuisvest op een locatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die met het openbaar vervoer heel goed bereik baar is. De financiële middelen van het secretariaat worden door de partijen verzekerd.
De Operationele Groep stelt haar intern reglement op en legt het voor aan het ECMM via de Stuurgroep.
De Stuurgroep kan worden samengeroepen op vraag van een lid. De Stuurgroep vergadert minstens om de twee maanden.
De Stuurgroep verstrekt advies bij consensus. Bij vastgestelde onmogelijkheid om eenparig een advies te verstrekken, stuurt de Stuurgroep de voorliggende adviezen naar het ECMM, voor beslissing.
De Stuurgroep stelt haar intern reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het ECMM.
De Stuurgroep wordt ondersteund door een permanent secretariaat, dat is samengesteld uit 4 leden die respectievelijk worden gedetacheerd door elk van de 4 partijen.
Het secretariaat wordt gehuisvest op een locatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die met het openbaar vervoer heel goed bereik baar is. De financiële middelen van het secretariaat worden door de partijen verzekerd.
De Operationele Groep stelt haar intern reglement op en legt het voor aan het ECMM via de Stuurgroep.
Art. 11. Les réunions du Comité de pilotage sont présidées par le représentant du ministre fédéral qui a la mobilité et le transport dans ses attributions.
Le Comité de pilotage peut être convoqué à la demande d'un membre. Le Comité de Pilotage se réunit au mains tous les deux mois.
Le Comité de pilotage émet ses avis par consensus. En cas d'impossibilité constatée de définir un avis à l'unanimité, le Comité de pilotage transmet au CEMM pour décision les avis en présence,
Le Comité de pilotage établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet pour approbation au CEMM.
Le Comité de pilotage est soutenu par un secrétariat permanent composé de 4 membres détachés respectivement par chacune des parties.
Le siège du secrétariat est établi dans la Région de Bruxelles-Capitale, dans un lieu facilement accessible en transport en commun. Les moyens financiers du secrétariat sont assurés par les parties.
Le Groupe Opérationnel établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet au CEMM via le Comité de Pilotage.
Le Comité de pilotage peut être convoqué à la demande d'un membre. Le Comité de Pilotage se réunit au mains tous les deux mois.
Le Comité de pilotage émet ses avis par consensus. En cas d'impossibilité constatée de définir un avis à l'unanimité, le Comité de pilotage transmet au CEMM pour décision les avis en présence,
Le Comité de pilotage établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet pour approbation au CEMM.
Le Comité de pilotage est soutenu par un secrétariat permanent composé de 4 membres détachés respectivement par chacune des parties.
Le siège du secrétariat est établi dans la Région de Bruxelles-Capitale, dans un lieu facilement accessible en transport en commun. Les moyens financiers du secrétariat sont assurés par les parties.
Le Groupe Opérationnel établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet au CEMM via le Comité de Pilotage.
Art. 12. De Stuurgroep stelt een indicatief meerjarenprogramma en een jaarlijks programma op.
Het indicatief meerjarenplan omvat de gestructureerde beschrijving van de geplande acties van de partijen die het openbaar vervoer in hun bevoegdheid hebben en van de betrokken maatschappijen van openbaar vervoer,inzonderheid op grand van de studie bepaald in artikel 13.
Het wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het ECMM.
Jaarlijks worden door de Stuurgroep jaarprogramma's opgesteld, op basis van het meerjarenprogramma. Ze worden eveneens ter goedkeuring voorgelegd aan het ECMM. Het meerjarenprogramma, gebaseerd op de goedgekeurde meerjareninvesteringsprogramma's, en de verfijning ervan in jaarprogramma's omvatten de volgorde van uitvoering, de betreffende budgetten (wat betreft de aspecten van exploitatie en investeringen) en de verdeling van de verantwoordelijkheden.
Het indicatief meerjarenplan omvat de gestructureerde beschrijving van de geplande acties van de partijen die het openbaar vervoer in hun bevoegdheid hebben en van de betrokken maatschappijen van openbaar vervoer,inzonderheid op grand van de studie bepaald in artikel 13.
Het wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het ECMM.
Jaarlijks worden door de Stuurgroep jaarprogramma's opgesteld, op basis van het meerjarenprogramma. Ze worden eveneens ter goedkeuring voorgelegd aan het ECMM. Het meerjarenprogramma, gebaseerd op de goedgekeurde meerjareninvesteringsprogramma's, en de verfijning ervan in jaarprogramma's omvatten de volgorde van uitvoering, de betreffende budgetten (wat betreft de aspecten van exploitatie en investeringen) en de verdeling van de verantwoordelijkheden.
Art. 12. Le Comité de pilotage établit un programme pluriannuel indicatif et un programme annuel.
Le plan pluriannuel indicatif comprend la description structurée des actions planifiées des parties qui ont le transport en commun dans leur attribution et des sociétés de transport en commun concernées, notamment sur base de l'étude définie à l'article 13.
Il sera présenté pour approbation au CEMM.
Des programmes annuels seront chaque année établis par le Comité :
" de Pilotage sur la base-du programme pluriannuel. Ils seront également 19 présentés pour approbation au CEMil9. Le programme pluriannuel, bas. sur les programmes pluriannuels d'investissements, et l'affinement approuvés, en programmes annuels comprennent les calendriers d'exécution, les budgets afférents (au regard des aspects d'exploitation et d'i vestissements) et la répartition des responsabilités.
Le plan pluriannuel indicatif comprend la description structurée des actions planifiées des parties qui ont le transport en commun dans leur attribution et des sociétés de transport en commun concernées, notamment sur base de l'étude définie à l'article 13.
Il sera présenté pour approbation au CEMM.
Des programmes annuels seront chaque année établis par le Comité :
" de Pilotage sur la base-du programme pluriannuel. Ils seront également 19 présentés pour approbation au CEMil9. Le programme pluriannuel, bas. sur les programmes pluriannuels d'investissements, et l'affinement approuvés, en programmes annuels comprennent les calendriers d'exécution, les budgets afférents (au regard des aspects d'exploitation et d'i vestissements) et la répartition des responsabilités.
HOOFDSTUK III. - Analyse van de vraag en organisatie van het aanbod.
CHAPITRE III. - Analyse de la demande et organisation de l'offre.
Afdeling 1. - Analyse van de vraag en actieplan.
Section 1re. - Analyse de la demande et plan d'action.
Art. 13. Op initiatief van de Stuurgroep wordt er uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van onderhavige overeenkomst een onderzoek aangevat dat binnen 18 maanden na deze datum wordt opgeleverd. Het wordt ten minste om de 5 jaar geactualiseerd. Het heeft betrekking op de verplaatsingsbehoeften die op grond van objectieve criteria worden geanalyseerd, en op de functionaliteiteisen inzake frequentie, amplitude en haltes. Het neemt o.a. de prijselasticiteit van de vraag in aanmerking.
De voorgaande termijnen kunnen gewijzigd worden om in overeenstemming te zijn met de periodiciteit van de NMBS-plannen.
Deze studie zal toelaten het referentie-spooraanbod dat in onderhavige overeenkomst wordt gedefinieerd (Bijlage II) aan te passen en te laten evolueren.
De studie zal, behalve de voorwaarden bedoeld in artikel 18, minstens de volgende doelstellingen in aanmerking nemen
- de verbetering van de bediening van de luchthaven van BrusselNationaal door rechtstreekse verbindingen tussen de luchthaven en de Noord-Zuidverbinding, en tussen de luchthaven en de Europese wijk;
- de bediening van andere aantrekkingspolen in de drie gewesten, waaronder het Weststation te Brussel;
- de bediening van de economische polen van de perifere zone door transversale verbindingen, waaronder Zottegem - Aalst en Dendermonde - Mechelen - Leuven - Ottignies - Nivelles;
- de complementariteit tussen het voorstadsaanbod op radiale spoorlijnen en het overige spoorwegaanbod, met name treinen op langere afstand. Het GEN-spoorwegaanbod zal geen afbreuk mogen doen aan het IC/IR-aanbod en aan het hogesnelheidsaanbod dat door de NMBS werd ingericht, noch aan de ontwikkeling ervan, onder andere wat betreft de bediening van de luchthaven Brussel-Nationaal vanuit de voornaamste steden van het land;
- de complementariteit van het spooraanbod en het aanbod van bus, tram en metro, optimaal rekening houdend met de halteplaatsen vermeld in het " Gewestelijk Ontwikkelingsplan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest u, het " Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen " van het Vlaams Gewest, en het " Schéma de Développement de l'Espace Régional " van het Waals Gewest,
- de maximale doorstroming voor verbindingen per bus en tram;
- het wegwerken van de bottle-necks voor het spoorverkeer.
Op basis van deze studie van de vraag zal er een business-plan, inclusief aanbod en financiële aspecten, waaronder de exploitatiekosten, worden opgesteld door de NMBS. De gewestelijke maatschappijen van gemeenschappelijk vervoer zullen aan deze laatste, met het oog op het uitwerken van het plan, de elementen bezorgen met betrekking tot hun bestaand en verwacht cliënteel dat ze naar de GEN-stations zullen aanbrengen. De Stuurgroep zal instaan voor een coördinatie, teneinde financiële middelen en aanbod te optimaliseren.
De voorgaande termijnen kunnen gewijzigd worden om in overeenstemming te zijn met de periodiciteit van de NMBS-plannen.
Deze studie zal toelaten het referentie-spooraanbod dat in onderhavige overeenkomst wordt gedefinieerd (Bijlage II) aan te passen en te laten evolueren.
De studie zal, behalve de voorwaarden bedoeld in artikel 18, minstens de volgende doelstellingen in aanmerking nemen
- de verbetering van de bediening van de luchthaven van BrusselNationaal door rechtstreekse verbindingen tussen de luchthaven en de Noord-Zuidverbinding, en tussen de luchthaven en de Europese wijk;
- de bediening van andere aantrekkingspolen in de drie gewesten, waaronder het Weststation te Brussel;
- de bediening van de economische polen van de perifere zone door transversale verbindingen, waaronder Zottegem - Aalst en Dendermonde - Mechelen - Leuven - Ottignies - Nivelles;
- de complementariteit tussen het voorstadsaanbod op radiale spoorlijnen en het overige spoorwegaanbod, met name treinen op langere afstand. Het GEN-spoorwegaanbod zal geen afbreuk mogen doen aan het IC/IR-aanbod en aan het hogesnelheidsaanbod dat door de NMBS werd ingericht, noch aan de ontwikkeling ervan, onder andere wat betreft de bediening van de luchthaven Brussel-Nationaal vanuit de voornaamste steden van het land;
- de complementariteit van het spooraanbod en het aanbod van bus, tram en metro, optimaal rekening houdend met de halteplaatsen vermeld in het " Gewestelijk Ontwikkelingsplan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest u, het " Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen " van het Vlaams Gewest, en het " Schéma de Développement de l'Espace Régional " van het Waals Gewest,
- de maximale doorstroming voor verbindingen per bus en tram;
- het wegwerken van de bottle-necks voor het spoorverkeer.
Op basis van deze studie van de vraag zal er een business-plan, inclusief aanbod en financiële aspecten, waaronder de exploitatiekosten, worden opgesteld door de NMBS. De gewestelijke maatschappijen van gemeenschappelijk vervoer zullen aan deze laatste, met het oog op het uitwerken van het plan, de elementen bezorgen met betrekking tot hun bestaand en verwacht cliënteel dat ze naar de GEN-stations zullen aanbrengen. De Stuurgroep zal instaan voor een coördinatie, teneinde financiële middelen en aanbod te optimaliseren.
Art. 13. Une étude est entamée à l'initiative du Comité de pilotage au plus tard six mois après l'entrée en vigueur de la présente convention est remise dans les 18 mois après cette date. Elle est actualisée au moins tous les 5 ans. Elle porte sur les besoins de déplacement analysés sur base de critères objectifs et sur les demandes de fonctionnalité en matière de fréquence, amplitude et points d'arrêt. Elle prend en considération entre autres l'élasticité de la demande aux prix.
Les délais précédents peuvent être modifiés pour être en concordance avec la périodicité des plans SNCB.
Cette étude permettra entre autres d'adapter et de faire évoluer l'offre de référence ferroviaire, définie dans la présente convention (Annexe II).
Cette étude prendra en considération, outre les conditions exprimées à l'article 18, au moins les objectifs suivants :
- l'amélioration de la desserte de l'aéroport de Bruxelles-National par des liaisons directes entre l'aéroport et la jonction Nord-Midi, et entre l'aéroport et le quartier européen;
- la desserte d'autres pôles d'attraction dans les trois Régions, dont la gare de l'Ouest à Bruxelles;
- la desserte des pôles économiques de l'anneau périphérique par des relations transversales, dont Zottegem - Aalst et Dendermonde - Mechelen - Leuven -Ottignies - Nivelles;
- la complémentarité entre l'offre suburbaine sur les lignes ferroviaires radiales et les autres offres ferroviaires, notamment les trains à plus longue distance. L'offre RER ferroviaire ne pourra pas porter préjudice à l'offre IC11R et à l'offre " grande vitesse " mises en oeuvre par la SNCB, ni à leur développement, entre autres en ce qui concerne la desserte de l'aéroport de Bruxelles-National à partir des principales villes du pays;
- la complémentarité entre l'offre ferroviaire et l'offre bus, tram et métro, tenant compte d'une façon optimale des points d'arrêts repris dans le " Plan Régional de développement de la Région de Bruxelles-Capitale ", le " Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen " de la Région Flamande et le " Schéma de Développement de l'Espace Régional " de la Région Wallonne;
- la fluidité maximale pour les relations par bus et par tram;
- la suppression des goulets d'étranglement ferroviaires.
Sur base de l'étude de la demande, un plan d'affaire comportant offre et aspects financiers, dont coûts d'exploitation, est établi par la SNCB, les sociétés régionales de transport en commun fournissant à cette dernière, pour l'élaboration du plan, les éléments concernant l'apport de clientèle, actuelle et prévue, vers les gares RER. Le Comité de Pilotage assurera une coordination pour optimaliser les moyens financiers et l'offre.
Les délais précédents peuvent être modifiés pour être en concordance avec la périodicité des plans SNCB.
Cette étude permettra entre autres d'adapter et de faire évoluer l'offre de référence ferroviaire, définie dans la présente convention (Annexe II).
Cette étude prendra en considération, outre les conditions exprimées à l'article 18, au moins les objectifs suivants :
- l'amélioration de la desserte de l'aéroport de Bruxelles-National par des liaisons directes entre l'aéroport et la jonction Nord-Midi, et entre l'aéroport et le quartier européen;
- la desserte d'autres pôles d'attraction dans les trois Régions, dont la gare de l'Ouest à Bruxelles;
- la desserte des pôles économiques de l'anneau périphérique par des relations transversales, dont Zottegem - Aalst et Dendermonde - Mechelen - Leuven -Ottignies - Nivelles;
- la complémentarité entre l'offre suburbaine sur les lignes ferroviaires radiales et les autres offres ferroviaires, notamment les trains à plus longue distance. L'offre RER ferroviaire ne pourra pas porter préjudice à l'offre IC11R et à l'offre " grande vitesse " mises en oeuvre par la SNCB, ni à leur développement, entre autres en ce qui concerne la desserte de l'aéroport de Bruxelles-National à partir des principales villes du pays;
- la complémentarité entre l'offre ferroviaire et l'offre bus, tram et métro, tenant compte d'une façon optimale des points d'arrêts repris dans le " Plan Régional de développement de la Région de Bruxelles-Capitale ", le " Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen " de la Région Flamande et le " Schéma de Développement de l'Espace Régional " de la Région Wallonne;
- la fluidité maximale pour les relations par bus et par tram;
- la suppression des goulets d'étranglement ferroviaires.
Sur base de l'étude de la demande, un plan d'affaire comportant offre et aspects financiers, dont coûts d'exploitation, est établi par la SNCB, les sociétés régionales de transport en commun fournissant à cette dernière, pour l'élaboration du plan, les éléments concernant l'apport de clientèle, actuelle et prévue, vers les gares RER. Le Comité de Pilotage assurera une coordination pour optimaliser les moyens financiers et l'offre.
Afdeling 2. - Organisatie van het aanbod.
Section 2. - Organisation de l'offre.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Sous-section 1. - Dispositions générales.
Art. 14. § 1. Het globaal aanbod in de GEN-zone wordt gevormd door de prestaties van de vier maatschappijen voor openbaar vervoer in het kader van hun respectieve opdracht inzake spoor- en wegverbindingen.
Het net is samengesteld uit snelle radiale en transversale spoorweg- of wegverbindingen.
Het voorstedelijk spoorwegaanbod wordt gepreciseerd in het kader van deze onderhavig overeenkomst.
Bijlage 11 omvat een GEN-basisnetwerk van de spoorwegen, opgebouwd rekening houdend met de gekende elementen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze overeenkomst, waarvan de elementen in functie van de mobiliteitsbehoeften en nieuwe ontwikkelingen zullen kunnen evolueren.
Op advies van de Stuurgroep bepalen de partijen de verbeteringen en aanpassingen die aan dit basisnetwerk moeten worden aangebracht.
§ 2. Het aanbod aan gemeenschappelijk vervoer in de GEN-zone wordt door de maatschappijen voor openbaar vervoer op een voor de gebruiker geïntegreerde wijze aangeboden.
De integratie wordt bekomen door een gecoördineerde aanpak van de volgende aspecten : amplitude, bedieningsfrequentie, dienstregelingen, de conceptie en het gebruik van de infrastructuur, het produceren en het meedelen van informatie aan de gebruikers, de harmonisering van tarieven en commercialiseringacties.
Het net is samengesteld uit snelle radiale en transversale spoorweg- of wegverbindingen.
Het voorstedelijk spoorwegaanbod wordt gepreciseerd in het kader van deze onderhavig overeenkomst.
Bijlage 11 omvat een GEN-basisnetwerk van de spoorwegen, opgebouwd rekening houdend met de gekende elementen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze overeenkomst, waarvan de elementen in functie van de mobiliteitsbehoeften en nieuwe ontwikkelingen zullen kunnen evolueren.
Op advies van de Stuurgroep bepalen de partijen de verbeteringen en aanpassingen die aan dit basisnetwerk moeten worden aangebracht.
§ 2. Het aanbod aan gemeenschappelijk vervoer in de GEN-zone wordt door de maatschappijen voor openbaar vervoer op een voor de gebruiker geïntegreerde wijze aangeboden.
De integratie wordt bekomen door een gecoördineerde aanpak van de volgende aspecten : amplitude, bedieningsfrequentie, dienstregelingen, de conceptie en het gebruik van de infrastructuur, het produceren en het meedelen van informatie aan de gebruikers, de harmonisering van tarieven en commercialiseringacties.
Art. 14. § 1er. L'offre globale dans la zone RER se compose des prestations des quatre sociétés de transports en commun, dans le cadre de leur mission respective sur des relations ferrées et routières.
Le réseau RER est composé de liaisons rapides radiales et transversales, ferroviaires ou routières.
L'offre ferroviaire suburbaine est précisée dans le cadre de la présente convention.
En annexe 11 figure un réseau RER ferroviaire de base, établi en tenant compte des données connues au moment de l'entrée en vigueur de la présente convention, dont les éléments pourront évoluer en fonction des besoins de mobilité et de développements nouveaux.
Sur avis du Comité de pilotage, les parties déterminent les améliorations et modifications à apporter à ce réseau de base.
§ 2. L'offre de transport en commun dans la zone RER est fournie par les sociétés de transport en commun de manière intégrée pour l'utilisateur.
L'intégration est obtenue par une approche coordonnée des aspects suivants : amplitude, fréquence de desserte, horaires, conception et utilisation des infrastructures, production et communication des informations aux utilisateurs, harmonisation des tarifs et des actions commerciales.
Le réseau RER est composé de liaisons rapides radiales et transversales, ferroviaires ou routières.
L'offre ferroviaire suburbaine est précisée dans le cadre de la présente convention.
En annexe 11 figure un réseau RER ferroviaire de base, établi en tenant compte des données connues au moment de l'entrée en vigueur de la présente convention, dont les éléments pourront évoluer en fonction des besoins de mobilité et de développements nouveaux.
Sur avis du Comité de pilotage, les parties déterminent les améliorations et modifications à apporter à ce réseau de base.
§ 2. L'offre de transport en commun dans la zone RER est fournie par les sociétés de transport en commun de manière intégrée pour l'utilisateur.
L'intégration est obtenue par une approche coordonnée des aspects suivants : amplitude, fréquence de desserte, horaires, conception et utilisation des infrastructures, production et communication des informations aux utilisateurs, harmonisation des tarifs et des actions commerciales.
Art. 15. In het kader van de harmonisering van de tarieven, streven de partijen de invoering van een gemeenschappelijk tariefaanbod na.
In een eerste fase voeren de vier maatschappijen voor openbaar vervoer een systeem in voor de wederzijdse erkenning van de vervoerbewijzen voor één, vijf, tien ritten en één dag, geldig op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zij passen hun software aan en installeren bijkomende validatietoestellen in de stations en stopplaatsen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
In een tweede fase leveren de vier maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer compatibele vervoerbewijzen af die geldig zijn op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in de " randzone " die door de interministeriële conferentie van 30 november 1999 goedgekeurd werd. Zij passen hun software aan en installeren bijkomende validatietoestellen in de stations en stopplaatsen van de " randzone ".
In een derde fase voeren de vier maatschappijen voor de gehele GENzone een compatibel inningssysteem in, en dit in het vooruitzicht van een compatibel inningssysteem voor het hele grondgebied. Zij gebruiken daarbij de meest vooruitstrevende aangepaste technologie.
In een eerste fase voeren de vier maatschappijen voor openbaar vervoer een systeem in voor de wederzijdse erkenning van de vervoerbewijzen voor één, vijf, tien ritten en één dag, geldig op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zij passen hun software aan en installeren bijkomende validatietoestellen in de stations en stopplaatsen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
In een tweede fase leveren de vier maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer compatibele vervoerbewijzen af die geldig zijn op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in de " randzone " die door de interministeriële conferentie van 30 november 1999 goedgekeurd werd. Zij passen hun software aan en installeren bijkomende validatietoestellen in de stations en stopplaatsen van de " randzone ".
In een derde fase voeren de vier maatschappijen voor de gehele GENzone een compatibel inningssysteem in, en dit in het vooruitzicht van een compatibel inningssysteem voor het hele grondgebied. Zij gebruiken daarbij de meest vooruitstrevende aangepaste technologie.
Art. 15. Dans le cadre général de l'harmonisation des tarifs, les parties poursuivent la mise en place d'une offre tarifaire commune.
Dans une première phase, les quatre sociétés de transport en commun mettent en place le dispositif de reconnaissance mutuelle des titres pour un, cinq, dix voyages et un jour, valables sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale. lis adaptent leurs logiciels et installent des appareils valideurs supplémentaires dans les gares et points d'arrêt de la Région de Bruxelles-Capitale.
Dans une deuxième phase, les quatre sociétés de transport en commun émettent des titres compatibles, valables sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale et dans la u zone périurbaine " approuvée par la conférence interministérielle du 30 novembre 1999. lis adaptent leurs logiciels et installent des appareils valideurs supplémentaires dans les gares et points d'arrêt dé la " zone périurbaine ".
Dans une troisième phase, les quatre sociétés de transport en commun mettent en service un système compatible de perception dans l'ensemble de la zone RER, et ceci dans la perspective d'un système compatible de perception pour l'ensemble du territoire, tout en utilisant la technologie adéquate la plus avancée.
Dans une première phase, les quatre sociétés de transport en commun mettent en place le dispositif de reconnaissance mutuelle des titres pour un, cinq, dix voyages et un jour, valables sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale. lis adaptent leurs logiciels et installent des appareils valideurs supplémentaires dans les gares et points d'arrêt de la Région de Bruxelles-Capitale.
Dans une deuxième phase, les quatre sociétés de transport en commun émettent des titres compatibles, valables sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale et dans la u zone périurbaine " approuvée par la conférence interministérielle du 30 novembre 1999. lis adaptent leurs logiciels et installent des appareils valideurs supplémentaires dans les gares et points d'arrêt dé la " zone périurbaine ".
Dans une troisième phase, les quatre sociétés de transport en commun mettent en service un système compatible de perception dans l'ensemble de la zone RER, et ceci dans la perspective d'un système compatible de perception pour l'ensemble du territoire, tout en utilisant la technologie adéquate la plus avancée.
Onderafdeling 2. - Het GEN-aanbod.
Sous-section 2. - L'offre RER.
Art. 16. Het globaal vervoeraanbod in de GEN-zone bestaat uit :
- de snelle radiale en transversale spoorweg- of wegverbindingen (GEN);
- de verbindingen naar een GEN-station of -stopplaats;
- de andere verbindingen, noodzakelijk om het GEN-aanbod te structureren.
- de snelle radiale en transversale spoorweg- of wegverbindingen (GEN);
- de verbindingen naar een GEN-station of -stopplaats;
- de andere verbindingen, noodzakelijk om het GEN-aanbod te structureren.
Art. 16. L'offre de transport globale dans la zone RER est composée :
- des relations radiales et transversales, ferroviaires ou routières, rapides (RER);
- des relations de rabattement vers une gare ou un point d'arrêt RER;
- des autres relations nécessaires pour structurer l'offre RER.
- des relations radiales et transversales, ferroviaires ou routières, rapides (RER);
- des relations de rabattement vers une gare ou un point d'arrêt RER;
- des autres relations nécessaires pour structurer l'offre RER.
Art. 17. Het GEN-aanbod bestaat uit de prestaties van de maatschappijen voor openbaar vervoer in het raam van hun opdracht op de spoorweg- en weg verbindingen vastgelegd volgens artikel 16 en met kenmerken inzake amplitude, bedieningsfrequentie en commerciële snelheid, conform deze onderafdeling.
Art. 17. L'offre RER se compose des prestations des sociétés de transport en commun dans le cadre de leur mission, sur les relations ferrées et routières définies conformément à l'article 16 et selon les caractéristiques d'amplitude, de fréquence et de vitesse commerciale définies conformément à la présente sous-section.
Art. 18. Het aanbod inzake radiale en transversale verbindingen wordt opgevat om de drie volgende polen te bedienen : de Noord-Zuidverbinding, de wijk van de Europese instellingen in het oosten van Brussel en de luchthaven Brussel-Nationaal.
Elke radiale GEN-verbinding bedient op geprivilegieerde wijze ten minste één van deze drie polen. De twee andere polen zijn vanaf elke radiale GEN-verbinding bereikbaar met ten hoogste één overstap.
Elke radiale GEN-verbinding bedient op geprivilegieerde wijze ten minste één van deze drie polen. De twee andere polen zijn vanaf elke radiale GEN-verbinding bereikbaar met ten hoogste één overstap.
Art. 18. L'offre qui reprend les relations radiales et transversales est conçue pour assurer la desserte des trois pôles suivants : la jonction Nord-Midi, le quartier des institutions européennes à l'est de Bruxelles et l'aéroport de Bruxelles-National.
Toute relation radiale RER dessert de manière privilégiée au moins un de ces trois pôles. Les deux autres pôles sont accessibles à partir de toute relation radiale RER moyennant au maximum une correspondance.
Toute relation radiale RER dessert de manière privilégiée au moins un de ces trois pôles. Les deux autres pôles sont accessibles à partir de toute relation radiale RER moyennant au maximum une correspondance.
Art. 19. § 1. Het GEN-aanbod waarborgt de voorwaarden inzake amplitude, bedieningsfrequentie en commerciële snelheid die van aard zijn om de doelstelling opgenomen in artikel 3 te bereiken.
Daartoe worden de referentiekenmerken inzake amplitude en bedieningsfrequentie van het GEN-aanbod vastgelegd in bijlage III.
De studie bedoeld in artikel 13 zal de elementen aandragen die nuttig zijn voor het eventuele aanpassen door de NMBS van deze parameters.
§ 2. Voor elke verbinding mogen de kenmerken van het GEN-aanbod opgenomen in paragraaf 1 niet lager zijn dan die van het spooraanbod dat op het ogenblik van de inwerkingtreding van de onderhavige overeenkomst bestaat, behalve bij gemotiveerde tijdelijke afwijking, met name om redenen van werken.
Daartoe worden de referentiekenmerken inzake amplitude en bedieningsfrequentie van het GEN-aanbod vastgelegd in bijlage III.
De studie bedoeld in artikel 13 zal de elementen aandragen die nuttig zijn voor het eventuele aanpassen door de NMBS van deze parameters.
§ 2. Voor elke verbinding mogen de kenmerken van het GEN-aanbod opgenomen in paragraaf 1 niet lager zijn dan die van het spooraanbod dat op het ogenblik van de inwerkingtreding van de onderhavige overeenkomst bestaat, behalve bij gemotiveerde tijdelijke afwijking, met name om redenen van werken.
Art. 19. § 1er. L'offre RER garantit les conditions d'amplitude, de fréquence et de vitesse commerciale propres à rencontrer l'objectif énoncé à l'article 3.
A cette fin, les caractéristiques de référence de l'amplitude et de la fréquence de l'offre RER ferroviaire radiale sont présentées en annexe III.
L'étude dont question à l'article 13 apportera les éléments utiles pour l'aménagement par la SNCB, le cas échéant, des caractéristiques de référence.
§ 2. Pour toute relation, les caractéristiques de l'offre RER énoncées au paragraphe 1er ne peuvent être inférieures à celles de l'offre ferroviaire existante au moment de l'entrée en vigueur de la présente convention, sauf dérogation temporaire motivée, notamment pour raison de travaux.
A cette fin, les caractéristiques de référence de l'amplitude et de la fréquence de l'offre RER ferroviaire radiale sont présentées en annexe III.
L'étude dont question à l'article 13 apportera les éléments utiles pour l'aménagement par la SNCB, le cas échéant, des caractéristiques de référence.
§ 2. Pour toute relation, les caractéristiques de l'offre RER énoncées au paragraphe 1er ne peuvent être inférieures à celles de l'offre ferroviaire existante au moment de l'entrée en vigueur de la présente convention, sauf dérogation temporaire motivée, notamment pour raison de travaux.
Art. 20. Zonder afbreuk te doen aan strengere normen streeft het GEN-aanbod ernaar de recentste kwaliteitsnormen inzake openbaar vervoer van personen na te leven, zoals zij door de bevoegde Belgische en internationale instanties zijn voorgeschreven.
Art. 20. Sans préjudice de normes plus contraignantes, l'offre RER tend à respecter les normes de qualité les plus récentes relatives au transport public de personnes, prescrites par les instances belges et internationales compétentes.
Afdeling 3. - Regels met betrekking lot de toewijzing van de exploitatie.
Section 3. - Règles relatives à l'attribution de l'exploitation.
Art. 21. In het raam van haar opdrachten exploiteert en draagt elke maatschappij voor gemeenschappelijk vervoer de lasten van het GEN-aanbod dat onder haar bevoegdheid valt.
De partijen zetten de inhoud van onderhavige overeenkomst om in het beheerscontract met hun respectieve maatschappij voor gemeenschappelijk vervoer.
De partijen zetten de inhoud van onderhavige overeenkomst om in het beheerscontract met hun respectieve maatschappij voor gemeenschappelijk vervoer.
Art. 21. Dans le cadre de ses missions, chaque société de transport en commun exploite et assume les charges relatives à l'offre, qui ressort de sa compétence.
Les parties traduisent le contenu de la présente convention dans le contrat de gestion conclu avec leur société de transport en commun respective.
Les parties traduisent le contenu de la présente convention dans le contrat de gestion conclu avec leur société de transport en commun respective.
HOOFDSTUK IV. - Begeleidende maatregelen.
CHAPITRE IV. - Mesures d'accompagnement RER.
Art. 22. Omwille van hun belang voor het welslagen van het GEN, maken de begeleidende maatregelen er integraal deel van uit. Ze worden progressief ingevoerd door de partijen om tezelfdertijd met de overeenstemmende bestanddelen van het GEN van kracht te worden.
De begeleidende maatregelen hebben betrekking op parkeren, intermodaliteit, verhogen van de commerciële snelheid van het openbaar vervoer en de wegencategorisering.
Deze en andere maatregelen, die bijdragen tot een beter gebruik van het openbaar vervoer, worden - op vraag van de partijen en de maatschappijen van openbaar vervoer - door de Stuurgroep bestudeerd. In het business-plan zal er rekening mee worden gehouden.
Bijlage V bevat een lijst met maatregelen die, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de onderscheiden publieke overheden, als uitgangspunt zullen dienen bij de genoemde studie.
In de indicatieve programma's, meerjarenprogramma's en jaarlijkse programma's bedoeld in artikel 12 worden de begeleidende maatregelen opgenomen.
De begeleidende maatregelen hebben betrekking op parkeren, intermodaliteit, verhogen van de commerciële snelheid van het openbaar vervoer en de wegencategorisering.
Deze en andere maatregelen, die bijdragen tot een beter gebruik van het openbaar vervoer, worden - op vraag van de partijen en de maatschappijen van openbaar vervoer - door de Stuurgroep bestudeerd. In het business-plan zal er rekening mee worden gehouden.
Bijlage V bevat een lijst met maatregelen die, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de onderscheiden publieke overheden, als uitgangspunt zullen dienen bij de genoemde studie.
In de indicatieve programma's, meerjarenprogramma's en jaarlijkse programma's bedoeld in artikel 12 worden de begeleidende maatregelen opgenomen.
Art. 22. Vu leur importance pour la réussite du RER, les mesures d'accompagnement en font partie intégrante. Elles sont implémentées progressivement par les parties pour entrer en vigueur simultanément avec les composants correspondants du RER.
Les mesures d'accompagnement concernent l'arrêt et le stationnement, l'intermodalité, l'augmentation de la vitesse commerciale du transport en commun et la hiérarchisation des routes.
Celles-ci et d'autres mesures, qui visent une meilleure utilisation des transports en commun, sont à la demande des parties et des sociétés de transport en commun étudiées par le Comité de Pilotage. Elles seront prises en considération dans le plan d'affaires.
L'annexe V contient une liste de mesures qui, sans préjudice des compétences des différentes autorités publiques, serviront de point de départ lors de l'étude susmentionnée.
Les mesures d'accompagnement sont reprises dans les programmes pluriannuels, indicatifs et annuels mentionnés sous l'article 12.
Les mesures d'accompagnement concernent l'arrêt et le stationnement, l'intermodalité, l'augmentation de la vitesse commerciale du transport en commun et la hiérarchisation des routes.
Celles-ci et d'autres mesures, qui visent une meilleure utilisation des transports en commun, sont à la demande des parties et des sociétés de transport en commun étudiées par le Comité de Pilotage. Elles seront prises en considération dans le plan d'affaires.
L'annexe V contient une liste de mesures qui, sans préjudice des compétences des différentes autorités publiques, serviront de point de départ lors de l'étude susmentionnée.
Les mesures d'accompagnement sont reprises dans les programmes pluriannuels, indicatifs et annuels mentionnés sous l'article 12.
HOOFDSTUK V. - Gemeenschappelijke strategie inzake marketing en informatie.
CHAPITRE V. - Stratégie commune relative au marketing et à l'information.
Art. 23. Er wordt een gemeenschappelijke strategie inzake marketing uitgewerkt door de maatschappijen voor openbaar vervoer, inzonderheid in de Operationele groep.
Deze strategie strekt ertoe het GEN-spoorwegaanbod te promoten in samenhang met het geheel van het aanbod aan openbaar vervoer in de GEN-zone.
De partijen verzekeren door geregelde en gecoördineerde acties de promotie, bijvoorbeeld door een logo.
Deze strategie strekt ertoe het GEN-spoorwegaanbod te promoten in samenhang met het geheel van het aanbod aan openbaar vervoer in de GEN-zone.
De partijen verzekeren door geregelde en gecoördineerde acties de promotie, bijvoorbeeld door een logo.
Art. 23. Une stratégie commune de commercialisation est mise en oeuvre par les sociétés de transport en commun notamment dans le Groupe Opérationnel.
Cette stratégie repose sur la mise en valeur de l'offre RER ferroviaire en liaison avec l'ensemble de l'offre de transport en commun dans la zone RER.
Les parties assurent la promotion par des actions régulières et coordonnées, par exemple par un logo.
Cette stratégie repose sur la mise en valeur de l'offre RER ferroviaire en liaison avec l'ensemble de l'offre de transport en commun dans la zone RER.
Les parties assurent la promotion par des actions régulières et coordonnées, par exemple par un logo.
Art. 24. Het informeren van de reiziger wordt op gecoördineerde wijze aangepakt. Het geïntegreerd informatiesysteem in de GEN-zone omvat een cartografisch element en alle gepaste informatiedragers teneinde zo goed mogelijk de inlichtingen m.b.t. de dienstregelingen, de tarieven en de gebruiksmodaliteiten te verspreiden.
Deze informatie wordt continu bijgewerkt volgens de wijzigingen van het aanbod.
Deze informatie wordt continu bijgewerkt volgens de wijzigingen van het aanbod.
Art. 24. L'information au voyageur est approchée d'une façon coordonnée. Le dispositif intégré d'information dans la zone RER comprend un élément cartographique et tous les supports adéquats afin de diffuser au mieux les renseignements relatifs aux horaires, aux tarifs et aux modalités d'usage.
Les informations sont mises à jour de manière continue, en fonction des changements de l'offre.
Les informations sont mises à jour de manière continue, en fonction des changements de l'offre.
HOOFDSTUK VI. - Financiële bepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions financières.
Art. 25. De Staat en de gewesten beheren elk wat hen betreft de kwesties m.b.t. de eigendom en de financiering van de infrastructuur conform de programma's opgesteld in toepassing van artikel 12.
Art. 25. L'Etat et les régions gèrent, chacun pour ce qui le concerne, les questions relatives à la propriété et au financement des infrastructures conformément aux programmes établis en application de l'article 12.
Art. 26. De Staat en de gewesten beheren elk wat hen betreft de kwesties m.b.t. de modaliteiten voor de aankoop en de financiering van het rollend materieel van het GEN conform de programma's opgesteld in toepassing van artikel 12.
Art. 26. L'Etat et les régions gèrent, chacun pour ce qui le concerne, les questions relatives aux modalités d'acquisition et au financement du matériel roulant RER conformément aux programmes établis en application de l'article 12.
Art. 27. De partijen of hun mandatarissen stellen specifieke overeenkomsten op tussen henzelf en/of met andere partners (gemeente, privé, ...) voor de financiering van de infrastructuur voor het onthaal van de gebruikers.
Art. 27. Les parties ou leurs mandataires établissent des conventions particulières entre elles et/ou avec d'autres partenaires (commune, privé, ...) pour le financement des infrastructures d'accueil des utilisateurs.
Art. 28. Voor elk gemeenschappelijk onderzoek of project voorgesteld door de Stuurgroep, komen alle betrokken partijen, m.b.t. de financiering, een verdeelsleutel overeen. Bij gebrek aan een akkoord wordt het gemeenschappelijke onderzoek of project voorgelegd aan het ECMM.
Art. 28. Pour toute étude ou projet commun proposé par le Comité de Pilotage, toutes les parties concernées s'accordent, pour le financement, sur une clé de répartition. En cas d'absence d'accord, l'étude ou le projet commun est présenté au CEMM.
HOOFDSTUK VII. - Programmering en prioritaire acties.
CHAPITRE VII. - Programmation et actions prioritaires.
Art. 29. De doelstelling bestaat erin dat het GEN-aanbod uiterlijk eind 2012 in zijn totaliteit operationeel is.
Art. 29. L'objectif est que l'offre RER soit entièrement opérationnelle au plus tard pour fin 2012.
Art. 30. Uiterlijk op 31 december 2005 is het GEN-spooraanbod operationeel op ten minste twee radiale verbindingen, beschreven in bijlage IV.
Art. 30. L'offre ferroviaire RER est opérationnelle, au plus tard le 31 décembre 2005, au moins pour deux relations radiales, décrites en annexe IV.
Art. 31. Specifieke overgangsmaatregelen zullen bestudeerd worden teneinde, ten laatste tegen 31.12.2005, te kunnen leiden tot een opwaardering en optimale versterking van de huidige capaciteit en frequentie op de toekomstige radiale lijnen van R2, evenals tot een modernisering van het rollend materieel.
Uitvoering van de beslissing van het overlegcomité van 4 april 2003. Bijlage VI bevat de kalender voor de aankoop van het speciale GEN-materieel zoals die op 28 maart 2003 door de raad van bestuur van de NMBS werd goedgekeurd.
Gedaan te Brussel op 4 april 2003 in 12 originele exemplaren in het Frans en in het Nederlands.
Voor de Staat :
De Eerste Minister van de Federale Regering,
G. VERHOFSTADT
De Vice-Eerste Minister van de Federale Regering, belast met Mobiliteit en Vervoer,
I. DURANT
Voor het Vlaams Gewest :
De Minister-president van de Vlaamse Regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie,
G. BOSSUYT
De Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
Voor het Waals Gewest :
De Minister-President van de Regering van het Waals Gewest, belast met de Internationale Betrekkingen,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Vice-President van de Waalse Regering en Minister van het Waals Gewest, belast met Vervoer, Mobiliteit en Energie,
J. DRAPS
De Minister van het Waals Gewest, belast met Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu,
M. FORET
Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
De Minister-Voorzitter van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met de Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
F.-X. DE DONNEA
De Minister Vice-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Openbare Werken, Vervoer, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
J. CHABERT
De Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Mobiliteit, Ambtenarenzaken, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
R. DELATHOUWER
De Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Ruimtelijke Ordening, Stadsvernieuwing, Monumenten en Landschappen en Bezoldigd Vervoer van Personen,
W. DRAPS
Uitvoering van de beslissing van het overlegcomité van 4 april 2003. Bijlage VI bevat de kalender voor de aankoop van het speciale GEN-materieel zoals die op 28 maart 2003 door de raad van bestuur van de NMBS werd goedgekeurd.
Gedaan te Brussel op 4 april 2003 in 12 originele exemplaren in het Frans en in het Nederlands.
Voor de Staat :
De Eerste Minister van de Federale Regering,
G. VERHOFSTADT
De Vice-Eerste Minister van de Federale Regering, belast met Mobiliteit en Vervoer,
I. DURANT
Voor het Vlaams Gewest :
De Minister-president van de Vlaamse Regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie,
G. BOSSUYT
De Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
Voor het Waals Gewest :
De Minister-President van de Regering van het Waals Gewest, belast met de Internationale Betrekkingen,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Vice-President van de Waalse Regering en Minister van het Waals Gewest, belast met Vervoer, Mobiliteit en Energie,
J. DRAPS
De Minister van het Waals Gewest, belast met Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu,
M. FORET
Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
De Minister-Voorzitter van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met de Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
F.-X. DE DONNEA
De Minister Vice-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Openbare Werken, Vervoer, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
J. CHABERT
De Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Mobiliteit, Ambtenarenzaken, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
R. DELATHOUWER
De Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Ruimtelijke Ordening, Stadsvernieuwing, Monumenten en Landschappen en Bezoldigd Vervoer van Personen,
W. DRAPS
Art. 31. Des mesures transitoires spécifiques seront étudiées afin de permettre, au plus tard le 31 décembre 2005, la valorisation et le renforcement optimum des capacités et fréquences actuelles sur les futures lignes radiales de la R2, ainsi que la modernisation du matériel roulant.
Application de la décision du Comité de Concertation du 4 avril 2003.
En annexe VI figure le calendrier d'acquisition du matériel spécifique RER, tel qu'adapté par le Conseil d'administration de la SNCB, le 28 mars 2003.
Fait à Bruxelles, le 4 avril 2003 en 12 exemplaires originaux en français et en néerlandais
Pour l'Etat :
Le Premier Ministre du Gouvernement fedéral,
G. VERHOFSTADT
La Vice-Première Ministre du Gouvernement fédéral, chargée de la Mobilité et des Transports,
I. DURANT
Pour la Région flamande :
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
Le Ministre flamand, chargé de la Mobilité, des Travaux publics et de l'Energie,
G. BOSSUYT
Le Ministre flamand chargé des Finances et du Budget, de l'Innovation, de l'Economie, des Média et de l'Aménagement du Territoire,
D. VAN MECHELEN
Pour la Région wallonne :
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région wallonne, chargé des Relations Internationales,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
Le Vice-Président du Gouvernement wallon et Ministre de la Région wallonne, chargé des Transports, de la Mobilité et de l'Energie,
J. DRAPS
Le Ministre de la Région wallonne, chargé de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et de l'Environnement,
M. FORET
Pour la Région de Bruxelles-Capitale
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargé des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine et de la Recherche scientifique,
F.-X. DE DONNEA
Le Ministre Vice-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Travaux publics, des Transports, de la Lutte contre l'incendie et de l'Aide médicale urgente,
J. CHABERT
Le Secrétaire d'Etat de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de la Mobilité, de la Fonction publique, de la Lutte contre l'incendie et de l'Aide médicale urgente,
R. DELATHOUWER
Le Secrétaire d'Etat de l'Aménagement du Territoire, de la Rénovation urbaine, des Monuments et Sites et du Transport rémunéré de personnes,
W. DRAPS
Application de la décision du Comité de Concertation du 4 avril 2003.
En annexe VI figure le calendrier d'acquisition du matériel spécifique RER, tel qu'adapté par le Conseil d'administration de la SNCB, le 28 mars 2003.
Fait à Bruxelles, le 4 avril 2003 en 12 exemplaires originaux en français et en néerlandais
Pour l'Etat :
Le Premier Ministre du Gouvernement fedéral,
G. VERHOFSTADT
La Vice-Première Ministre du Gouvernement fédéral, chargée de la Mobilité et des Transports,
I. DURANT
Pour la Région flamande :
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
Le Ministre flamand, chargé de la Mobilité, des Travaux publics et de l'Energie,
G. BOSSUYT
Le Ministre flamand chargé des Finances et du Budget, de l'Innovation, de l'Economie, des Média et de l'Aménagement du Territoire,
D. VAN MECHELEN
Pour la Région wallonne :
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région wallonne, chargé des Relations Internationales,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
Le Vice-Président du Gouvernement wallon et Ministre de la Région wallonne, chargé des Transports, de la Mobilité et de l'Energie,
J. DRAPS
Le Ministre de la Région wallonne, chargé de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et de l'Environnement,
M. FORET
Pour la Région de Bruxelles-Capitale
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale chargé des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine et de la Recherche scientifique,
F.-X. DE DONNEA
Le Ministre Vice-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Travaux publics, des Transports, de la Lutte contre l'incendie et de l'Aide médicale urgente,
J. CHABERT
Le Secrétaire d'Etat de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de la Mobilité, de la Fonction publique, de la Lutte contre l'incendie et de l'Aide médicale urgente,
R. DELATHOUWER
Le Secrétaire d'Etat de l'Aménagement du Territoire, de la Rénovation urbaine, des Monuments et Sites et du Transport rémunéré de personnes,
W. DRAPS
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. - GEN-zone - Kaart en omschrijving.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50682-50684).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50682-50684).
Art. N1. Annexe I. - Zone RER - Carte et descriptif.
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50682-50684).
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50682-50684).
Art. N2. Bijlage II. - Radiale en transversale spoorverbindingen.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50685-50686).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50685-50686).
Art. N2. Annexe II. - Relations ferroviaires radiales et transversales.
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50685-50686).
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50685-50686).
Art. N3. Bijlage III. - Amplitudes en frequenties van het spoorwegaanbod.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50687).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50687).
Art. N3. Annexe III. - Amplitudes et fréquences de l'offre ferroviaire.
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50687).
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50687).
Art. N4. Bijlage IV. - Overgangsfase tegen 2005.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50688).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50688).
Art. N4. Annexe IV. - Phase intermédiaire à l'horizon 2005.
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50688).
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50688).
Art. N5. Bijlage V. - Begeleidende maatregelen.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50689).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50689).
Art. N5. Annexe V. - Mesures d'accompagnement.
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50689).
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50689).
Art. N6. Bijlage VI. - Voorgestelde procedure met het oog op de aankoop van de GEN-treinstellen.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50690).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 21-06-2004, p. 50690).
Art. N6. Annexe VI. - Procédure proposée en vue de l'acquisition des rames RER.
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50690).
(Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 21-06-2004, p. 50690).