Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
16 NOVEMBER 2006. - Koninklijk besluit betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management[...]functies in sommige instellingen van openbaar nut. <KB2024-07-10/04, art. 34, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2024> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-11-2006 en tekstbijwerking tot 06-09-2024)
Titre
16 NOVEMBRE 2006. - Arrêté royal relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management [...] dans certains organismes d'intérêt public. <AR2024-07-10/04, art. 34, 013; En vigueur : 01-10-2024> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-11-2006 et mise à jour au 06-09-2024)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (70)
Texte (70)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. [1 Dit besluit is van toepassing op de hierna opgesomde instellingen van openbaar nut:
   1° het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers;
   2° het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;
   3° het Federaal Planbureau;
   4° de Regie der Gebouwen;
   5° het Agentschap voor de oproepen tot de hulpdiensten;
   6° het Nationaal Geografisch Instituut;
   7° de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Defensie;
   8° het War Heritage Institute;
   9° het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
   10° het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen.]1

  
Article 1. [1 Le présent arrêté est applicable aux organismes d'intérêt public énumérés ci-après :
   1° l'Agence fédérale d'accueil des Demandeurs d'Asile;
   2° l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé ;
   3° le Bureau fédéral du Plan ;
   4° la Régie des Bâtiments ;
   5° l'Agence des appels aux services de secours ;
   6° l'Institut géographique national ;
   7° l'Office central d'action sociale et culturelle du Ministère de la Défense ;
   8° le War Heritage Institute ;
   9° l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire ;
   10° l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes.]1

  
Art.2. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
  " instelling " : een van de in artikel 1 opgesomde instellingen van openbaar nut;
  " de minister " : de minister of de ministers onder wie de instelling ressorteert;
  [2 ...]2
  [1 Voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen worden onder de woorden `administrateur-generaal' de woorden `gedelegeerd bestuurder' verstaan, en worden onder de woorden `adjunct-administrateur- generaal' de woorden `adjunct-gedelegeerd bestuurder' verstaan.]1
  [2 Het gebruik van de mannelijke vorm in dit besluit is gemeenslachtig.]2
  
Art.2. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
  " organisme " : un des organismes d'intérêt public visé à l'article 1er;
  " le ministre " : le ou les ministres qui a (ont) l'organisme dans ses (leurs) attributions;
  [2 ...]2
  [1 Pour ce qui concerne l'Agence pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, on entend par `administrateur général', `administrateur délégué', et par `administrateur général adjoint', " administrateur délégué adjoint ".]1
  [2 L'usage du masculin dans le présent arrêté est épicène.]2
  
HOOFDSTUK II. - De management [1 ...]1 functies en hun juridische aard.
CHAPITRE II. - Des fonctions de management [1 ...]1 et de leur nature juridique.
Art.3. [1 § 1. Voor zover de weging van de managementfunctie van administrateur-generaal of van directeur-generaal minstens leidt tot klasse 3 in toepassing van artikel 17, paragrafen 2 en 3 van dit besluit, kunnen volgens de bewoordingen van de oprichtingswet van de instelling de volgende managementfuncties uitgeoefend worden in de beheersdiensten en in de functionele diensten:
   1° administrateur-generaal of directeur-generaal;
   2° adjunct-administrateur-generaal of adjunct-directeur-generaal;
   3° de managementfunctie -1;
   4° de managementfunctie -2.
   Ze zijn gerangschikt in vier groepen, in de onderstaande hiërarchische volgorde:
   1° administrateur-generaal of directeur-generaal;
   2° adjunct-administrateur-generaal of adjunct-directeur-generaal;
   3° de managementfunctie -1;
   4° de managementfunctie -2.
   § 2. Voor de volgende domeinen kunnen de managementfuncties gecreëerd worden in de functionele diensten:
   1° Personeel en Organisatie;
   2° Budget en Beheerscontrole;
   3° Informatie- en Communicatietechnologie.
   Er kunnen verschillende in het eerste lid bedoelde domeinen in één managementfunctie gecombineerd worden op voorstel van de betrokken minister.
   De managementfuncties -1 bedoeld in deze paragraaf rapporteren rechtstreeks aan de administrateur-generaal of de directeur-generaal of aan de adjunct-administrateur-generaal of de adjunct-directeur-generaal. De managementfuncties -2 rapporteren aan de managementfuncties -1 waaronder ze vallen en, in voorkomend geval, aan de administrateur-generaal of de directeur-generaal of aan de adjunct-administrateur-generaal of de adjunct-directeur-generaal.
   § 2 bis. Als er managementfuncties in de beheersdiensten worden gecreëerd kan het aantal managementfuncties in de functionele diensten niet groter zijn dan dit aantal in de beheersdiensten.
   § 3. De functie van adjunct-administrateur-generaal of van adjunct-directeur-generaal, alsook het aantal managementfuncties worden vastgesteld door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en met het akkoord van de Ministers van Ambtenarenzaken en van Begroting.
   § 4. De managementfuncties worden uitgeoefend in het kader van een mandaat, dit wil zeggen een tijdelijke aanduiding die hernieuwbaar is overeenkomstig artikel 10.]1

  
Art.3. [1 § 1er. Pour autant que la pondération de la fonction de management d'administrateur général ou de directeur général aboutisse au moins à la classe 3 en application de l'article 17, paragraphes 2 et 3 du présent arrêté, les fonctions de management qui s'exercent dans les services de gestion et dans les services fonctionnels sont, selon les termes de la loi de création de l'organisme, les suivantes :
   1° administrateur général ou directeur général ;
   2° administrateur général adjoint ou directeur général adjoint ;
   3° la fonction de management -1 ;
   4° la fonction de management -2.
   Ils sont classés dans quatre groupes, dans l'ordre hiérarchique ci-après :
   1° administrateur général ou directeur général ;
   2° administrateur général adjoint ou directeur général adjoint ;
   3° la fonction de management -1 ;
   4° la fonction de management -2.
   § 2. Les fonctions de management dans les services fonctionnels peuvent être créées pour les domaines suivants :
   1° Personnel et Organisation ;
   2° Budget et Contrôle de la Gestion ;
   3° Technologie de l'Information et de la Communication.
   Plusieurs domaines visés à l'alinéa 1er peuvent être combinés dans une même fonction de management sur proposition du ministre concerné.
   Les fonctions de management -1 visées au présent paragraphe rapportent directement à l'administrateur général ou au directeur général ou à l'administrateur général adjoint ou au directeur général adjoint. Les fonctions de management -2 rapportent aux fonctions de management -1 dont ils dépendent et, le cas échéant, à l'administrateur général ou au directeur général ou à l'administrateur général adjoint ou au directeur général adjoint.
   § 2 bis. Si des fonctions de management sont créées dans des services de gestion, le nombre de fonction de management dans les services fonctionnels ne peut dépasser de celui des services de gestion.
   § 3. La fonction d'administrateur général adjoint ou de directeur général adjoint, ainsi que le nombre des fonctions de management sont fixés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et moyennant l'accord des Ministres de la Fonction publique et du Budget.
   § 4. Les fonctions de management sont exercées dans le cadre d'un mandat, c'est-à-dire une désignation temporaire renouvelable conformément à l'article 10.]1

  
HOOFDSTUK III. - De selectie, de werving en de aanstelling van de houders van een management[1 ...]1functie.
CHAPITRE III. - De la sélection, du recrutement et de la désignation des titulaires des fonctions de management [1 ...]1.
Afdeling I. - Algemene bepaling.
Section Ire. - Disposition générale.
Art.4. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de regels die toepasselijk zijn op de selectie en de werving van het rijkspersoneel van toepassing op de selectie en de werving van de houders van een management [1 ...]1 functie.
  
Art.4. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, les règles applicables à la sélection et au recrutement des agents de l'Etat sont applicables à la sélection et au recrutement des titulaires d'une fonction de management [1 ...]1.
  
Afdeling II. - De selectie.
Section II. - De la sélection.
Art.5. § 1. Om deel te nemen aan de vergelijkende selecties voor de functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal of van directeur-generaal en van adjunct-directeur-generaal, voor een managementfunctie [1 ...]1 moeten de kandidaten titularis zijn van een functie van niveau A of kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie voor een functie van niveau A.
  § 2. [1 De kandidaten voor een functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal of van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal moeten een managementervaring van minstens acht jaar hebben of een beroepservaring van minstens acht jaar, waarvan minstens drie jaar managementervaring en minstens drie jaar specifieke ervaring. De kandidaten voor een managementfunctie -1 en -2 moeten een managementervaring van minstens zes jaar hebben of een beroepservaring van minstens zes jaar, waarvan minstens twee jaar managementervaring en minstens twee jaar specifieke ervaring.]1 Onder managementervaring wordt verstaan ervaring inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector. Onder nuttige professionele ervaring wordt verstaan de beroepservaring die gerelateerd wordt aan de functiebeschrijving, het competentieprofiel en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden.
  § 3. [1 De jaren gepresteerd in de klassen A3, A4 en A5 worden gelijkgesteld met de jaren managementervaring.
   "Een jaar dat wordt aangerekend als managementervaring kan niet worden meegeteld als een jaar specifieke ervaring, als het de uitoefening van dezelfde functie in dezelfde periode betreft.
   De specifieke ervaring heeft betrekking op een ervaring in de technische activiteitsdomeinen die verband houden met de vacante managementfunctie.]1

  [1 § 4. De deelname van de kandidaat aan een selectieprocedure voor een managementfunctie zoals bedoeld in §§ 1 en 2 is onverenigbaar met de aanstelling als lid van de selectiecommissie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 2° tot en met 5, indien de voormelde aanstelling plaatsvond binnen de twaalf voorafgaande maanden.]1
  
Art.5. § 1er. Pour participer aux sélections comparatives pour la fonction d'administrateur général et d'administrateur général adjoint ou de directeur-général et de directeur général adjoint, pour une fonction de management [1 ...]1 les candidats doivent être titulaires d'une fonction de niveau A ou pouvoir participer à une sélection comparative pour une fonction de niveau A.
  § 2. [1 Les candidats à une fonction d'administrateur général et d'administrateur général adjoint ou de directeur général et de directeur général adjoint doivent posséder une expérience de management d'au moins huit ans ou avoir une expérience professionnelle d'au moins huit ans dont au moins trois ans d'expérience de management et au moins trois ans d'expérience spécifique. Les candidats à une fonction de management -1 et -2 doivent posséder une expérience de management d'au moins six ans ou avoir une expérience professionnelle d'au moins six ans dont au moins deux ans d'expérience de management et au moins deux ans d'expérience spécifique.]1 Par expérience de management, il y a lieu d'entendre une expérience en gestion au sein d'un service public ou d'une organisation du secteur privé. Par expérience professionnelle utile, il y a lieu d'entendre l'expérience professionnelle en relation avec la description de fonction, le profil de compétences et les responsabilités y afférentes.
  § 3. [1 Les années prestées dans les classes A3, A4 et A5 sont assimilés à aux années d'expérience de management.
   Une année prise en compte au titre d'expérience de management ne peut être comptabilisée au titre d'une année d'expérience spécifique dès lors qu'elle vise l'exercice de la même fonction sur la même période.
   L'expérience spécifique vise une expérience dans les domaines techniques d'activités qui sont en lien avec la fonction de management à pourvoir.]1

  [1 § 4. La participation du candidat à une procédure de sélection à une fonction de management visé au § 1er et 2, est incompatible avec la désignation comme membre de la commission de sélection visé à l'article 8, § 1er, 2° à 5, dès lors que la désignation visée ci-dessus est intervenue dans les douze mois qui précédent.]1
  
Art.5bis. [1 § 1. Kandidaten voor een vergelijkende selectie bedoeld in artikel 5 die eerder de niet-eliminerende verplichte tests bedoeld in artikel 7, § 2, eerste lid hebben afgelegd, behouden de resultaten voor die tests gedurende zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken tests werden afgelegd volgens de volgende modaliteiten:
   - resultaten voor de persoonlijkheids- en integriteitstests voor alle managementfuncties;
   - resultaten voor de generieke competentietests voor een managementfunctie die tot eenzelfde niveau behoort.
   § 2. Aan de houder van een managementfunctie die na afloop van zijn mandaat de effectieve eindevaluatievermelding "goed" heeft gekregen wordt door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning een vrijstelling toegekend voor de in artikel 7, § 3, tweede lid bedoelde proef met de eliminerende computergestuurde tests voor een managementfunctie van een gelijkwaardig of een lager niveau.
   De vrijstelling is geldig voor een duur van drie jaar en wordt van kracht op de dag na het einde van het mandaat van de in het eerste lid bedoelde houder van de managementfunctie.
   De houder van een managementfunctie van wie het mandaat van rechtswege is beëindigd in toepassing van artikel 26, § 1, eerste lid, 5°, geniet onder dezelfde modaliteiten de in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling, mits hij bij de laatste effectieve evaluatie een evaluatievermelding "goed" heeft gekregen.
   Aan de houders van een managementfunctie van een gelijkwaardig of hoger niveau wordt eveneens een vrijstelling toegekend voor de in artikel 7, § 3, tweede lid bedoelde proef met de eliminerende computergestuurde tests voor een managementfunctie van een gelijkwaardig of lager niveau.]1

  
Art.5bis. [1 § 1er. Les candidats à une sélection comparative visée à l'article 5 qui ont précédemment effectué les tests obligatoires non éliminatoires visés à l'article 7, § 2, alinéa 1er, en conservent les résultats, pendant six mois à partir de la date de passation des tests concernés, selon les modalités suivantes :
   - résultats des tests de personnalité et d'intégrité pour toute fonction de management ;
   - résultats des tests de compétences génériques pour une fonction de management relevant d'un même niveau.
   § 2. Une dispense de l'épreuve des tests informatisés éliminatoires visée à l'article 7, § 3, alinéa 2 pour une fonction de management de niveau équivalent ou inférieur est accordée, par le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui, au titulaire d'une fonction de management qui a obtenu à l'issue du mandat la mention finale d'évaluation effective " bon ".
   La dispense est valable pour une durée de trois ans et prend effet le jour qui suit la fin du mandat du titulaire de la fonction de management visé à l'alinéa 1er.
   Le titulaire d'une fonction de management dont le mandat a pris fin de plein droit en application de l'article 26, § 1er, alinéa 1er, 5°, bénéficie, sous les mêmes modalités, de la dispense visée aux alinéas 1er et 2 dès lors qu'il a obtenu une mention d'évaluation " bon " lors de la dernière évaluation effective.
   Une dispense de l'épreuve des tests informatisés éliminatoires visée à l'article 7, § 3, alinéa 2, pour une fonction de management de niveau équivalent ou inférieur est également accordée aux titulaires d'une fonction de management de niveau équivalent ou supérieur.]1

  
Art.6. § 1. De kandidaten voor een management- of staffunctie moeten beschikken over de competenties, relationele vaardigheden, alsook de vaardigheden op het vlak van organisatie en beheer en voldoen aan de functiespecifieke ervarings- en kennisvoorwaarden bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven management[1 ...]1functie.
  § 2. De functiebeschrijving en het competentieprofiel van een (binnen een instelling te begeven management[1 ...]1functie), die geen beheersorgaan heeft, wordt bepaald : <KB 2007-04-26/52, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 03-06-2007>
  1° voor de functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal of van directeur-generaal en van adjunct-directeur-generaal, door de minister;
  2° voor de managementfunctie -1 of voor de staffunctie, door de minister, in voorkomend geval, op voorstel van de administrateur- generaal of van de directeur-generaal indien hij is aangewezen;
  [1 3° voor de managementfunctie -2, door de minister, in voorkomend geval, op voorstel van de administrateur-generaal of van de directeur-generaal indien hij is aangewezen en van de houder van de managementfunctie -1.]1
  § 3. De functiebeschrijving en het competentieprofiel van een binnen een instelling te begeven management[1 ...]1functie die wel een beheersorgaan heeft, wordt bepaald :
  1° voor de functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal of van directeur-generaal en van adjunct-directeur-generaal, door de Minister op voorstel van het beheersorgaan;
  2° voor de managementfunctie -1 of voor de staffunctie, door het beheersorgaan, op voorstel van de administrateur-generaal of van de directeur-generaal indien hij is aangewezen;
  [1 3° voor de managementfunctie -2, door het beheersorgaan, in voorkomend geval, op voorstel van de administrateur-generaal of van de directeur-generaal indien hij is aangewezen en van de houder van de managementfunctie -1.]1
  § 4. De functiebeschrijving en het competentieprofiel van een te begeven management[1 ...]1functie worden voor akkoord voorgelegd aan de Minister van Ambtenarenzaken.
  
Art.6. § 1er. Les candidats à une fonction de management [1 ...]1 doivent avoir les compétences, les aptitudes relationnelles, d'organisation et de gestion ainsi que les conditions d'expériences et de connaissances spécifiques à la fonction fixées dans la description de fonction et dans le profil de compétence afférents à la fonction de management ou d'encadrement à conférer.
  § 2. La description de la fonction et le profil de compétence d'une fonction de management [1 ...]1 à conférer au sein d'un organisme qui n'est pas doté d'un organe de gestion, sont déterminés :
  1° pour la fonction d'administrateur général et d'administrateur général adjoint ou de directeur général et de directeur général adjoint, par le ministre;
  2° pour la fonction de management -1 [1 ...]1, par le ministre, le cas échéant, sur proposition de l'administrateur général ou du directeur général s'il est désigné;
  [1 3° pour la fonction de management -2, par le ministre, le cas échéant, sur proposition de l'administrateur général ou directeur général s'il est désigné et du titulaire de la fonction management -1.]1
  § 3. La description de la fonction et le profil de compétence d'une fonction de management [1 ...]1 à conférer au sein d'un organisme qui est doté d'un organe de gestion, sont déterminés :
  1° pour la fonction d'administrateur général et d'administrateur général adjoint ou de directeur-général et de directeur général adjoint, par le ministre, sur proposition de l'organe de gestion;
  2° pour la fonction de management -1 [1 ...]1, par l'organe de gestion, sur proposition de l'administrateur général ou du directeur général s'il est désigné;
  [1 3° pour la fonction de management -2, par l'organe de gestion, le cas échéant, sur proposition de l'administrateur général ou directeur général s'il est désigné et du titulaire de la fonction management -1.]1
  § 4. La description de la fonction et le profil de compétence d'une fonction de management [1 ...]1 à conférer sont soumis à l'accord du Ministre de la Fonction publique.
  
Art.7. [1 § 1. De kandidaturen worden ingediend bij de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, die de toelaatbaarheid ervan onderzoekt.
   § 2. De kandidaten die toelaatbaar zijn verklaard leggen computergestuurde tests af waarmee de generieke vaardigheden en competenties voor de betrokken managementfunctie worden gemeten. Deze tests, die plaatsvinden voor de in het derde lid bedoelde mondelinge proef, worden aangepast aan het niveau van de vacante functie. Er worden drie niveaus gedefinieerd:
   1° het niveau dat de wegingsklassen 7 en 6 bevat;
   2° het niveau dat de wegingsklassen 5 en 4 bevat;
   3° 3° het niveau dat de andere wegingsklassen bevat.
   De selectiecommissie vraagt de aangeduide vertegenwoordiger van de rekruterende dienst, voorafgaand aan het horen van de toelaatbaar verklaarde kandidaten, naar de specifieke kenmerken van de vacante managementfunctie. Deze laatste mag niet persoonlijk betrokken zijn bij de betreffende selectieprocedure.
   De kandidaten die toelaatbaar zijn verklaard leggen voor de selectiecommissie een mondelinge proef af op basis van een praktijkgeval dat verband houdt met de vacante managementfunctie. De proef heeft als doel zowel de specifieke competenties als de managementvaardigheden die vereist zijn voor de uitoefening van deze functie te evalueren.
   De selectiecommissie wordt op de hoogte gehouden van de resultaten van de in het eerste lid bedoelde computergestuurde tests en houdt rekening met deze resultaten bij de beoordeling van de competenties die ze na de mondelinge proef verricht voor elke toelaatbaar verklaarde kandidaat.
   Na de in het derde lid bedoelde mondelinge proef en na vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten worden de kandidaten ingedeeld hetzij in de groep "geschikt", hetzij in de groep "niet geschikt". In de groep " geschikt " worden de kandidaten gerangschikt
   § 3. De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning bepaalt de methodologie van de computergestuurde tests en van de mondelinge proef en controleert de toepassing ervan.
   Als het aantal kandidaten die in toepassing van paragraaf 1 toelaatbaar werden verklaard meer dan twintig bedraagt, kan de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning beslissen om een eliminerende test te organiseren, na advies van het beheersorgaan als een instelling hierover beschikt en na advies van de bevoegde minister of na advies van de leidend ambtenaar voor de andere managementfuncties. Deze eliminerende test gaat vooraf aan de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde computergestuurde tests.]1

  
Art.7. [1 § 1er. Les candidatures sont introduites auprès du directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui qui en examine l'admissibilité.
   § 2. Les candidats déclarés admissibles présentent des tests informatisés qui mesurent les aptitudes et les compétences génériques à la fonction de management concernée. Ces tests, préalables à l'épreuve orale visée à l'alinéa 3, sont adaptés au niveau de la fonction à pourvoir. Trois niveaux sont définis :
   1. le niveau comprenant les classes 7 et 6 de pondération ;
   2. le niveau comprenant les classes 5 et 4 de pondération ;
   3. le niveau comprenant les autres classes de pondération.
   La commission de sélection entend, préalablement à l'audition des candidats déclarés admissibles, le représentant désigné du service recruteur sur les spécificités de la fonction de management à pourvoir. Ce dernier ne peut être impliqué personnellement dans la procédure de sélection concernée.
   Les candidats déclarés admissibles présentent, devant la commission de sélection, une épreuve orale au départ d'un cas pratique ayant trait à la fonction de management à pourvoir. Cette épreuve a pour but d'évaluer tant les compétences spécifiques que les aptitudes managériales requises pour l'exercice de cette fonction.
   La commission de sélection est tenue informée des résultats des tests informatisés visés à l'alinéa 1er et prend en compte ces résultats dans l'appréciation des compétences qu'elle effectue au terme de l'épreuve orale pour chaque candidat déclaré admissible.
   Au terme de l'épreuve orale visée à l'alinéa 3 et de la comparaison des titres et mérites des candidats, les candidats sont inscrits soit dans le groupe " apte ", soit dans le groupe " pas apte ". Dans le groupe " apte ", les candidats sont classés.
   § 3. Le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui définit la méthodologie des tests informatisés et de l'épreuve orale et en contrôle l'application.
   S'il advient que le nombre de candidats déclarés admissibles en application du paragraphe 1er dépasse vingt candidats, le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui peut décider d'organiser un test éliminatoire, après l'avis de l'organe de gestion si un organisme en possède un et après l'avis du ministre compétent ou après l'avis du fonctionnaire dirigeant pour les autres fonctions de management. Ce test éliminatoire est préalable aux tests informatisés visés au paragraphe 2, alinéa 1er.]1

  
Art.8. § 1. De selectiecommissie wordt samengesteld uit :
  1° [3 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde;]3
  2° één externe expert inzake management;
  3° één externe expert inzake human ressources management;
  4° twee externe experts met ervaring of een bijzondere kennis van de materie die eigen is aan de te begeven functie;
  5° twee ambtenaren uit een federale overheidsdienst, programmatorische federale overheidsdienst, uit een federaal ministerie, uit een openbare instelling van sociale zekerheid, uit een federale wetenschappelijke instelling, uit een andere federale instelling van openbaar nut dan die waarvoor de selectieprocedure wordt georganiseerd of uit diensten van de Gewest- of Gemeenschapsregeringen of uit de Colleges van de Gemeenschapscommissies, die functies uitoefenen die minstens gelijkwaardig zijn aan de te begeven management[3 ...]3functie [3 of die sinds minder dan drie jaar managementfuncties hebben uitgeoefend die minstens gelijkwaardig zijn aan de te begeven managementfunctie en die bij de eindevaluatie de vermelding "goed" hebben kregen]3;
  6° [3 van een plaatsvervanger voor elk van de leden bedoeld in 2° tot 5°. Deze plaatsvervangers worden tegelijk met de effectieve leden benoemd.]3
  [3 Bij de samenstelling van de selectiecommissie wordt, met uitzondering van de voorzitter, de verhoudingsgewijs gelijke genderverdeling gerespecteerd.]3
  § 2. [3 De taalpariteit wordt verzekerd binnen elk van de categorieën van effectieve en plaatsvervangende leden van de selectiecommissie bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°. Het effectief lid bedoeld in het eerste lid, 2° en zijn plaatsvervanger behoren tot een andere taalaanhorigheid dan die van het effectief lid bedoeld in het eerste lid, 3°, en zijn plaatsvervanger. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4° en hun plaatsvervangers, wordt bepaald door de taal van het getuigschrift of het diploma dat bewijst dat men geslaagd is voor de studies die in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de competentie die nodig is voor de expertiseopdracht. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in het eerste lid, 5°, en hun plaatsvervangers, wordt bepaald door de taalrol van de ambtenaar of door toepassing van de artikelen 35 tot 41 van de gewone wet van 9 augustus 1980 over de institutionele hervormingen.]3
  De profielen van de [1 ...]1 leden van de selectiecommissie bedoeld in § 1, 2°, 4° en 5°, [1 ...]1 [3 en die van hun plaatsvervangers]3 worden bepaald in samenspraak met :
  (a) voor de instellingen die geen beheersorgaan hebben
  1° de minister, voor de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal of voor de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal;
  2° de minister, in voorkomend geval, op voorstel van de betrokken administrateur-generaal of directeur-generaal indien hij is aangewezen, voor de overige management[3 ...]3functies.
  (b) voor de instellingen waar een beheersorgaan bestaat :
  1° het beheersorgaan, voor de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal of voor de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal;
  2° het beheersorgaan, in voorkomend geval, op voorstel van de betrokken administrateur-generaal of directeur-generaal indien hij is aangewezen, voor de overige management[3 ...]3functies.
  Wanneer een management[3 ...]3functie wordt vacant verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient de voorzitter van de selectiecommissie hetzij de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, hetzij te worden bijgestaan door een ambtenaar die deze kennis heeft bewezen.
  Indien een management[3 ...]3functie uitsluitend vacant wordt verklaard voor kandidaten van één enkele taalrol, of indien er enkel kandidaten van één enkele taalrol overblijven na het onderzoek van de ontvankelijkheid van de kandidaturen door [3 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3, of wanneer alle kandidaten van eenzelfde taalrol afwezig zijn op de [1 computergestuurde assessmentproef [3 bedoeld in artikel 7, § 2]3]1, wordt de selectiecommissie samengesteld door één enkele vertegenwoordiger per categorie van leden bedoeld in het eerste lid, 2°, 3°, 4° en 5°. Ze behoren tot dezelfde taalrol of taalaanhorigheid als deze van de kandidaat. De voorzitter van de selectiecommissie, als hij tot die taalrol of tot deze taalaanhorigheid behoort, dient niet te worden bijgestaan door een ambtenaar bedoeld in het vierde lid.
  § 3. [3 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 deelt de samenstelling van de selectiecommissie [1 ...]1 [3 , met inbegrip van de plaatsvervangers,]3 aan de Minister van Ambtenarenzaken. Deze brengt dadelijk de regeringsleden op de hoogte, die over een termijn van zeven werkdagen beschikken om hem hun bezwaren kenbaar te maken. In dit geval legt de Minister van Ambtenarenzaken, een volledig dossier ter beslissing voor aan de Ministerraad, nadat hiervan een kopie werd overgemaakt aan het betrokken regeringslid.
  Als de Ministerraad op basis van het dossier dat voorgelegd werd door de Minister van Ambtenarenzaken, een lid van de selectiecommissie wraakt, benoemt [3 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 een ander lid; in dat geval is het eerste lid van toepassing.
  § 4. De selectiecommissie kan slechts op geldige wijze overgaan tot het horen van de kandidaten en tot deliberatie voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is, minstens twee van de leden tot de taalrol van de kandidaat behoren en elke categorie van leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2° tot 5°, vertegenwoordigd is.
  Alleen de commissieleden die hebben deelgenomen aan het horen van al de kandidaten, kunnen deelnemen aan de deliberatie met het oog op de indeling van de kandidaten in de groep " geschikt " of de groep " niet geschikt " en op hun rangschikking in de groep " geschikt ". Geen enkel lid kan zich onthouden.
  Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
  § 5. De kandidaten worden ingelicht over hun indeling in groep " geschikt " of de groep " niet geschikt " en hun rangschikking in de groep " geschikt ".
  
Art.8. § 1er. La commission de sélection se compose :
  1° [3 du directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou de son délégué ;]3
  2° d'un expert externe en management;
  3° d'un expert externe en gestion des ressources humaines;
  4° de deux experts externes ayant une expérience ou une connaissance particulière des matières spécifiques à la fonction à pourvoir;
  5° de deux agents issus d'un service public fédéral ou d'un service public fédéral de programmation, d'un ministère fédéral, d'une institution publique de sécurité sociale, d'un établissement scientifique fédéral, d'un organisme d'intérêt public fédéral autre que celui pour lequel est organisée la procédure de sélection ou des services des Gouvernements de Région ou de Communauté ou des Collèges des Commissions communautaires, exerçant des fonctions au moins équivalentes à la fonction de management [3 ...]3 à pourvoir [3 ou ayant exercés des fonctions de management au moins équivalentes à la fonction de management à pourvoir depuis moins de trois ans et dont l'évaluation finale est la mention " bon "]3;
  6° [3 d'un suppléant pour chacun des membres visés aux 2° à 5°. Ceux-ci sont désignés en même temps que les membres effectifs.]3
  [3 La composition de la commission de sélection respecte, à l'exception du président, le ratio de répartition égale entre sexes.]3
  § 2. [3 La parité linguistique est assurée au sein de chacune des catégories de membres effectifs et suppléants de la commission de sélection visés à l'alinéa 1er, 4°, et 5°. Le membre effectif visé à l'alinéa 1er, 2° ainsi que son suppléant sont de l'autre appartenance linguistique que celle du membre effectif visé à l'alinéa 1er, 3° et de son suppléant. L'appartenance linguistique est déterminée, pour ce qui concerne les membres visés à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4° et leurs suppléants, par la langue du certificat ou du diplôme sanctionnant la réussite des études prises en compte pour l'appréciation de la compétence nécessaire à la mission d'expertise. Pour les membres visés à l'alinéa 1er, 5°, et leurs suppléants, l'appartenance linguistique est déterminée par le rôle linguistique de l'agent ou en application des articles 35 à 41 de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles.]3
  Les profils des membres [1 ...]1 de la commission de sélection visés au § 1er, 2°, 4° et 5° [1 ...]1 [3 ainsi que ceux de leurs suppléants]3, sont déterminés, en concertation avec :
  (a) pour les organismes qui n'ont pas de comité de gestion
  1° le ministre, pour l'administrateur général et l'administrateur général adjoint ou pour le directeur général et le directeur général adjoint;
  2° le ministre, le cas échéant, sur proposition de l'administrateur général ou du directeur général concerné s'il est désigné, pour les autres fonctions de management [3 ...]3.
  (b) pour les organismes dotés d'un organe de gestion :
  1° l'organe de gestion, pour l'administrateur général et l'administrateur général adjoint ou pour le directeur général et le directeur général adjoint;
  2° l'organe de gestion, le cas échéant, sur proposition de l'administrateur général ou du directeur général concerné s'il est désigné, pour les autres fonctions de management [3 ...]3.
  Lorsqu'une fonction de management [3 ...]3 est ouverte à des candidats des deux rôles linguistiques, le président de la commission de sélection doit soit avoir prouvé la connaissance de la seconde langue conformément à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 soit être assisté d'un agent qui a prouvé cette connaissance.
  Lorsqu'une fonction de management [3 ...]3 n'est ouverte qu'à des candidats d'un seul rôle linguistique ou lorsqu'il ne reste que des candidats d'un rôle linguistique à l'issue de l'examen de recevabilité des candidatures par [3 la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 ou lorsque tous les candidats d'un même rôle linguistique sont absents [1 à l'épreuve d'assessment informatisée, [3 visée à l'article 7, § 2,]3]1 la commission de sélection est composée d'un seul représentant par catégorie de membres visés à l'alinéa 1er, 2°, 3°, 4° et 5°. Ils sont du même rôle ou de la même appartenance linguistique que celui du candidat. Le président de la commission de sélection ne doit pas, s'il est de ce rôle ou de cette appartenance linguistique, se faire assister par un agent visé à l'alinéa 4.
  § 3. [3 Le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 communique la composition de la commission de sélection [1 ...]1 [3 , en ce compris les suppléants,]3 au Ministre de la Fonction publique. Celui-ci informe sans délai les membres du gouvernement, qui disposent d'un délai de sept jours ouvrables pour lui transmettre leurs objections. En ce cas, le Ministre de la Fonction publique soumet un dossier complet, pour décision, au Conseil des Ministres, après en avoir transmis une copie au membre du gouvernement concerné.
  Si le Conseil des Ministres, sur base du dossier soumis par le Ministre de la Fonction publique, récuse un membre de la commission de sélection, [3 la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 désigne un autre membre; en ce cas, l'alinéa 1er est d'application.
  § 4. La commission de sélection ne peut valablement procéder à l'audition des candidats et à la délibération que pour autant que la majorité des membres soit présente, que deux d'entre eux au moins soient du rôle linguistique du candidat et que chaque catégorie de membres visée au § 1er, alinéa 1er, 2° à 5°, soit représentée.
  Seuls les membres de la commission qui ont procédé à l'audition de tous les candidats, peuvent prendre part à la délibération en vue de l'inscription desdits candidats dans le groupe " apte " ou dans le groupe " pas apte " et en vue de leur classement dans le groupe " apte ". Aucun membre ne peut s'abstenir.
  S'il y a partage des voix, le président décide.
  § 5. Les candidats sont informés de leur inscription dans le groupe " apte " ou dans le groupe " pas apte " et de leur classement dans le groupe " apte ".
  
Art.8bis. [1 Wanneer het aantal kandidaten die in de groep "geschikt" ingedeeld zijn, voor een in artikel 7, paragraaf 2, eerste lid, 1° bedoelde managementfunctie meer dan vijf bedraagt, wordt een extern assessment center georganiseerd voor deze kandidaten. De financiële kost van het assessment center is ten laste van de rekruterende instelling van openbaar nut.
   Het externe assessment center staat los van de rangschikking van de kandidaten in de voornoemde groepen. Het is niet uitsluitend.
   Het resultaat van het assessment center wordt meegedeeld aan de in artikel 9, eerste lid bedoelde bevoegde overheid.
   Onder de hierboven vermelde voorwaarden wordt een extern assessment center georganiseerd, op verzoek van het beheersorgaan als de instelling hierover beschikt en op verzoek van de minister of de staatssecretaris voor alle andere instellingen, voor elke andere managementfunctie.]1

  
Art.8bis. [1 Lorsque le nombre de candidats inscrits dans le groupe " apte " pour une fonction de management visée à l'article 7, paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, est supérieur à cinq, un assessment center externe est organisé pour ces candidats. Le coût financier de l'assessment center est à charge de l'organisme d'intérêt public recruteur.
   L'assessment center externe est indépendant du classement des candidats dans les groupes susmentionnés. Il n'est pas éliminatoire.
   Le résultat de l'assessment center est communiqué à l'autorité compétente visée à l'article 9, alinéa 1er.
   Dans les conditions susmentionnées, un assessment center externe est organisé, à la demande de l'organe de gestion si l'organisme en dispose d'un et à la demande du ministre ou du secrétaire d'Etat pour tous les autres organismes, pour toute autre fonction de management.]1

  
Afdeling III. - De werving.
Section III. - Du recrutement.
Art.9. [1 § 1. Het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning deelt het resultaat van de in artikel 7 bedoelde procedure mee:
   1° aan de minister, voor de functie van administrateur-generaal en van adjunct-administrateur-generaal of van directeur-generaal en van adjunct-directeur-generaal;
   2° aan de administrateur-generaal of de directeur-generaal, voor de andere managementfuncties.
   Binnen de instellingen waar er een beheersorgaan is, maakt de minister het in artikel 7 bedoelde resultaat met betrekking tot de functie van administrateur-generaal en van adjunct-administrateur-generaal of van directeur-generaal en van adjunct-directeur-generaal over aan het beheersorgaan en belast het een advies te leveren. Als dit advies niet binnen de twintig werkdagen wordt bezorgd, is het niet meer vereist.
   Met de kandidaten van de groep "geschikt" wordt een bijkomend gesprek georganiseerd met de bedoeling hen te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, hun relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de vacante managementfunctie. Dit gesprek wordt gevoerd:
   1° voor de aanwerving van de administrateur-generaal of de directeur-generaal, door de minister;
   2° voor de aanwerving van de adjunct-administrateur-generaal of de adjunct-directeur-generaal, door de minister, en, in voorkomend geval, door de administrateur-generaal of de directeur-generaal indien hij is aangeduid;
   3° voor de aanwerving van de houder van de managementfunctie -1, door de administrateur-generaal of de directeur-generaal of de adjunct-administrateur-generaal of de adjunct-directeur-generaal indien respectievelijk de administrateur-generaal of de directeur-generaal nog niet zijn aangeduid;
   4° voor de aanwerving van de houder van de managementfunctie -2, door de houder van de managementfunctie -1 en door de administrateur-generaal of de directeur-generaal of de adjunct-administrateur-generaal of de adjunct-directeur-generaal indien respectievelijk de administrateur-generaal of de directeur-generaal nog niet zijn aangeduid.
   Tijdens het bijkomende gesprek wordt in voorkomend geval rekening gehouden met het resultaat van het in artikel 8bis bedoelde assessment center.
   Er wordt van elk gesprek een verslag opgemaakt en dit wordt bij het aanduidingsdossier gevoegd.
   In geval van afwezigheid van de administrateur-generaal of de directeur-generaal wordt deze tijdens het bijkomende gesprek voor de aanwerving van de houder van een managementfunctie -2 vervangen door de functioneel directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie of door de houder van een managementfunctie -1 die daartoe is aangeduid door de minister of de staatssecretaris.]1

  
Art.9. [1 § 1er. La Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui communique le résultat de la procédure visée à l'article 7 :
   1° au ministre, pour la fonction d'administrateur général et d'administrateur général adjoint ou de directeur général et de directeur général adjoint ;
   2° à l'administrateur général ou le directeur général, pour les autres fonctions de management.
   Au sein des organismes dotés d'un organe de gestion, le ministre transmet le résultat visé à l'article 7 quant à la fonction d'administrateur général et d'administrateur général adjoint ou de directeur-général et de directeur général adjoint à l'organe de gestion et le charge de remettre un avis. Si cet avis n'est pas donné dans les vingt jours ouvrables, il n'est plus requis.
   Un entretien complémentaire est organisé avec les candidats du groupe " apte " afin de les comparer quant à leurs compétences spécifiques, leurs aptitudes relationnelles et leurs capacités à diriger par rapport à la description de fonction et au profil de compétence afférents à la fonction de management à pourvoir. Cet entretien est mené :
   1° pour le recrutement de l'administrateur général ou du directeur-général, par le ministre ;
   2° pour le recrutement de l'administrateur général adjoint ou du directeur général adjoint, par le ministre et, le cas échéant, par l'administrateur général ou le directeur général s'il est désigné ;
   3° pour le recrutement du titulaire de la fonction de management -1, par l'administrateur général ou le directeur général ou l'administrateur général adjoint ou le directeur général adjoint au cas où respectivement l'administrateur général ou le directeur général ne seraient pas encore désignés ;
   4° pour le recrutement du titulaire de la fonction de management -2, par le titulaire de la fonction de management -1 et par l'administrateur général ou le directeur général ou l'administrateur général adjoint ou le directeur général adjoint au cas où respectivement l'administrateur général ou le directeur général ne seraient pas encore désignés.
   L'entretien complémentaire prend, le cas échéant, en compte le résultat de l'assessment center visé à l'article 8bis.
   Un rapport de chaque entretien est rédigé et joint au dossier de désignation.
   En cas d'absence de l'administrateur général ou du directeur général, celui-ci est remplacé, lors de l'entretien complémentaire pour le recrutement du titulaire d'une fonction de management -2, par le directeur fonctionnel du service d'encadrement personnel et organisation ou par le titulaire d'une fonction de management -1 désigné à cet effet par le ministre ou par le secrétaire d'Etat.]1

  
Afdeling IV. - De aanstelling.
Section IV. - De la désignation.
Art.10. § 1. De kandidaten, gekozen overeenkomstig artikel 9, worden [1 voor een periode van zes jaar, die eenmaal hernieuwd kan worden]1 aangesteld :
  1° voor de functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal of van directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal, door de Koning, bij besluit waarover in de Ministerraad werd beraadslaagd, op voorstel van de minister;
  2° voor [1 de andere managementfuncties]1, door de Koning, op voorstel van de minister, in voorkomend geval, na voordracht door de administrateur-generaal of de directeur-generaal indien hij is aangewezen.
  [1 De kandidaten worden aangeduid binnen een maximumtermijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van het resultaat van de in artikel 7 bedoelde procedure.
   In afwijking van het tweede lid, indien:
   - het mandaat van de houder van de managementfunctie wordt beëindigd binnen de eerste drie jaar;
   - en als voor de betrokken managementfunctie meerdere kandidaten uit de groep "geschikt" zijn geslaagd in het aanvullende gesprek bedoeld in artikel 9;
   De bevoegde overheid beslist of ze een nieuw aanvullend gesprek organiseert voor de bovenvermelde kandidaten overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in artikel 9]1

  § 3. In afwijking van de artikelen 28 tot 33quinquies van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, moeten de houders van een management- of staffunctie geen stage doormaken.
  
Art.10. § 1er. Les candidats choisis conformément à l'article 9, sont désignés [1 pour une période de six ans renouvelable une fois]1 :
  1° pour la fonction d'administrateur général et d'administrateur général adjoint ou de directeur général et de directeur général adjoint, par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur proposition du ministre;
  2° pour les [1 pour les autres fonctions de management]1, par le Roi, sur proposition du ministre, le cas échéant, après proposition de l'administrateur général ou du directeur général s'il est désigné.
  [1 Les candidats sont désignés dans un délai maximum de trois ans à partir de la date du résultat de la procédure visée à l'article 7.
   Par dérogation à l'alinéa 2, s'il advient :
   - qu'il est mis fin dans les trois premières années au mandat du titulaire de la fonction de management ;
   - et que pour ladite fonction de management, plusieurs candidats du groupe " apte " ont réussi l'entretien complémentaire visé à l'article 9 ;
   L'autorité compétente décide si elle organise à nouveau un entretien complémentaire selon les modalités visées à l'article 9 avec les candidats susmentionnés.]1

  § 3. Par dérogation aux articles 28 à 33 quinquies de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, les titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement ne sont pas soumis à un stage.
  
HOOFDSTUK IV. - Nadere regels betreffende de uitoefening van de management [1 ...]1 functies.
CHAPITRE IV. - Modalités de l'exercice des fonctions de management [1 ...]1.
Afdeling I. - Het managementplan van de houder van een managementfunctie.
Section Ire. - Du plan de management du titulaire d'une fonction de management.
Art.11. § 1. Binnen een termijn van zes maanden na de aanstelling wordt door de houder van de managementfunctie in de instellingen die geen beheersorgaan hebben, een ontwerp van managementplan en operationeel plan bezorgd aan :
  1° de minister, voor de administrateur-generaal of de directeur-generaal;
  2° de administrateur-generaal of de directeur-generaal, voor de adjunct-administrateur-generaal of de adjunct-directeur-generaal;
  3° de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal of de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor de houders van een managementfunctie -1;
  [1 4° de houder van een managementfunctie -1 voor de houders van een managementfunctie -2.]1
  Wanneer meerdere ministers bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van de administrateur-generaal of van de directeur-generaal, worden het ontwerp van managementplan en operationeel plan aan alle ministers bezorgd.
  § 2. Binnen een termijn van zes maanden na de aanstelling wordt door de houder van de managementfunctie in een instelling die wel over een beheersorgaan beschikt, een ontwerp van managementplan en operationeel plan bezorgd aan :
  1° het beheersorgaan, voor de administrateur-generaal of directeur-generaal;
  2° het beheersorgaan en de administrateur-generaal of directeur-generaal, voor de adjunct-administrateur-generaal of de adjunct-directeur-generaal;
  3° de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal of de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor de houders van een managementfunctie -1;
  [1 4° de houder van een managementfunctie -1 voor de houders van een managementfunctie -2.]1
  § 3. [1 Het managementplan houdt rekening met de verwachtingen van het beheersorgaan (in voorkomend geval), met de politieke beleidskeuzes in alle domeinen waarin de organisatie actief is, en met de op elkaar afgestemde prioriteiten en verwachtingen inzake transversale doelstellingen zoals die op voorstel van de Minister van Ambtenarenzaken door de regering zijn vastgelegd.
   Voor de instellingen waarvoor een beheersovereenkomst geen wettelijke vereiste is, kan geopteerd worden voor een algemeen managementplan met het algemeen beleid en de strategische doelstellingen voor de hele organisatie, opgesteld door de leidend ambtenaar. Dit plan wordt opgesteld in overleg met de aanwezige mandaathouders en in voorkomend geval met andere leden van het directiecomité.
   In dit managementplan wordt ook vastgelegd welke mandaathouders verantwoordelijk of mee verantwoordelijk zijn voor de realisatie van de doelstellingen.
   Voor de organisaties met een wettelijk vereiste beheersovereenkomst wordt een algemeen managementplan opgesteld met minstens de toewijzing van de verantwoordelijkheden aan de mandaathouders en de wijze waarop de prioriteiten en verwachtingen inzake de transversale doelstellingen zoals die door de regering zijn vastgelegd zullen worden gerealiseerd.
   Het operationeel plan, dat over drie jaar loopt, omschrijft de resultaatsgebieden, de concrete realisaties, de doelstellingen, in voorkomend geval de verschillende stappen en bijhorende timing. Dit operationeel plan omvat zowel de lopende processen, de doelstellingen op het vlak van efficiëntie- en kwaliteitsverbetering en de concrete omzetting van de transversale doelstellingen, met inbegrip van het niveau van detail en de graad van operationalisering van deze transversale doelstellingen. Dit operationeel plan omvat eveneens een jaarbudget voor de uitvoering van het managementplan.
   De individuele operationele plannen kunnen vervangen worden door een geïntegreerd operationeel plan, voor zover de verantwoordelijkheden van de verschillende mandaathouders vastgelegd zijn. Bij de aanduiding van een nieuwe mandaathouder in een van de mandaatfuncties van de organisatie zal het operationeel plan in elk geval worden herzien.
   Zowel het managementplan als het operationeel plan zijn niet als statisch te beschouwen. Het operationeel plan wordt minstens jaarlijks aangevuld en geëvalueerd.]1

  § 4. [1 ...]1
  § 5. [1 ...]1
  § 6. Binnen twee maanden na behoorlijk vastgestelde ontvangst van de ontwerpen keuren de in §§ 1 en 2 bedoelde organen het managementplan en het operationeel plan goed na overleg met de betrokken houder van de managementfunctie.
  Wanneer meerdere ministers bevoegd zijn voor het activiteitsgebeid van een administrateur-generaal of een adjunct-administrateur-generaal of van een directeur-generaal en een adjunct-directeur-generaal binnen de instellingen die geen beheersorgaan hebben, vraagt de minister, bevoegd inzake het grootste gedeelte van het activiteitsgebied, het advies van zijn collega's over de ontwerpen van plan. Ze beschikken over een termijn van vijftien werkdagen om hun advies te formuleren. Wanneer deze termijn verstreken is, wordt het advies niet meer vereist. De minister bevoegd inzake het grootste gedeelte van het activiteitsgebied keurt dan het operationeel en het managementplan goed na overleg met de houder van de managementfunctie en rekening houdend met de eventuele opmerkingen van de andere bevoegde ministers.
  § 7. [1 ...]1
  § 8. Als de houder van een managementfunctie binnen de voorgeschreven termijn noch een ontwerp van managementplan, noch een ontwerp van operationeel plan heeft opgesteld en/of binnen de voorgeschreven termijn geen ontwerp tot aanpassing voor de bovenvermelde plannen heeft opgesteld, zal zijn evaluatie betrekking hebben op dit element en op elk ander element dat relevant zal blijken.
  § 9. Indien de in §§ 1 en 2 vermelde organen de hiervoor vermelde plannen of aanpassing niet binnen de voorziene termijn goedkeuren, worden die geacht te zijn goedgekeurd.
  
Art.11. § 1er. Dans les six mois qui suivent la désignation, un projet de plan de management et un projet de plan opérationnel sont transmis par le titulaire de la fonction de management au sein des organismes qui ne sont pas dotés d'un organe de gestion :
  1° au ministre, pour l'administrateur général ou le directeur général;
  2° à l'administrateur général ou le directeur général, pour l'administrateur général adjoint ou le directeur général adjoint;
  3° à l'administrateur général et l'administrateur général adjoint ou le directeur général et le directeur général adjoint, pour les titulaires d'une fonction de management -1;
  [1 4° au titulaire d'une fonction de management -1, pour les titulaires d'une fonction de management -2.]1
  Lorsque plusieurs ministres sont compétents pour le secteur d'activité d'un administrateur général ou d'un directeur général, le projet de plan de management et le projet de plan opérationnel sont transmis à tous les ministres.
  § 2. Dans les six mois qui suivent la désignation, un projet de plan de management et un projet de plan opérationnel sont transmis par le titulaire de la fonction de management au sein de l'organisme qui est doté d'un organe de gestion :
  1° à l'organe de gestion, pour l'administrateur général ou le directeur général;
  2° à l'organe de gestion et l'administrateur général ou le directeur général, pour l'administrateur général adjoint ou le directeur général adjoint;
  3° à l'administrateur général et l'administrateur général adjoint ou le directeur général et le directeur général adjoint, pour les titulaires d'une fonction de management -1;
  [1 4° au titulaire d'une fonction de management -1, pour les titulaires d'une fonction de management -2.]1
  § 3. [1 Le plan de management tient compte des attentes de l'organe de gestion (s'il échet), des choix politiques stratégiques dans l'ensemble des domaines dans lesquels l'organisation est active ainsi que des priorités et attentes harmonisées pour les objectifs transversaux tels que fixés par le gouvernement sur la proposition de la ministre de la Fonction publique.
   Les institutions pour lesquelles un contrat de gestion ne constitue pas une obligation légale peuvent opter pour un plan de management global reprenant la politique générale et les objectifs stratégiques pour toute l'organisation, rédigé par le fonctionnaire dirigeant. Ce plan est élaboré en concertation avec les titulaires de mandat présents et, le cas échéant, d'autres membres du comité de direction.
   Ce plan de management désigne en outre les titulaires de mandat responsables ou coresponsables de la réalisation des objectifs.
   Pour les organisations dotées d'un contrat de gestion légalement requis, un plan de management global sera rédigé. Il précisera au minimum l'attribution des responsabilités aux titulaires de mandat et la manière dont les priorités et les attentes relatives aux objectifs transversaux fixés par le gouvernement seront réalisées.
   Le plan opérationnel, qui s'étend sur trois ans, décrit les domaines de résultats, les réalisations concrètes, les objectifs, et le cas échéant, les différentes étapes et le calendrier de travail qui y est associé. Ce plan opérationnel recouvre à la fois les processus en cours, les objectifs d'amélioration de l'efficacité et de la qualité et la transposition concrète des objectifs transversaux, y compris le niveau de détail et le degré d'opérationnalisation de ces objectifs transversaux. Ce plan opérationnel comprend également un budget annuel pour la mise en oeuvre du plan de management.
   Les plans opérationnels individuels peuvent être remplacés par un plan opérationnel intégré, dans la mesure où les responsabilités des différents titulaires de mandat sont définies. Lors de la désignation d'un nouveau titulaire de mandat pour l'une des fonctions à mandat de l'organisation, le plan opérationnel sera en tout état de cause réévalué.
   Le plan de management et le plan opérationnel ne peuvent pas être considérés comme statiques. Le plan opérationnel est complété et réévalué au moins une fois par an.]1

  § 4. [1 ...]1
  § 5. [1 ...]1
  § 6. Dans les deux mois qui suivent la réception dûment établie des projets, les organes visés au §§ 1er et 2 approuvent le plan de management et le plan opérationnel après concertation du titulaire de la fonction de management concerné.
  Lorsque plusieurs ministres sont compétents pour le secteur d'activité d'un administrateur général ou d'un administrateur général adjoint ou d'un directeur général et d'un directeur général adjoint au sein des organismes qui ne sont pas dotés d'un organe de gestion, le ministre compétent pour la plus grande partie de ce secteur d'activité sollicite l'avis de ses collègues sur les projet de plan. Ceux-ci disposent d'un délai de quinze jours ouvrables pour formuler leur avis. Passé ce délai, l'avis n'est plus requis. Le ministre compétent pour la plus grande partie du secteur d'activité approuve alors les plans de management et opérationnel, après concertation avec le titulaire de la fonction de management et en intégrant les remarques éventuelles des autres ministres.
  § 7. [1 ...]1
  § 8. Si le titulaire d'une fonction de management n'a établi ni projet de plan de management ni projet de plan opérationnel dans le délai prescrit et/ou s'il n'a pas établi un projet d'adaptation des plans susmentionnés dans le délai prescrit, son évaluation porte sur cet élément et sur tout autre élément qui apparaîtra probant.
  § 9. Si les organes mentionnés au §§ 1er et 2 n'ont pas approuvé les plans ou les adaptations précités dans les délais prévus, ceux-ci sont réputés approuvés.
  
Afdeling II. - Het ondersteuningsplan van de houder van een staffunctie.
Section II. - Du plan d'appui du titulaire d'une fonction d'encadrement.
Afdeling III. - Nadere regelen betreffende de uitvoering van de management [1 ...]1 functies.
Section III. - Modalités relatives à l'exécution des fonctions de management [1 ...]1.
Art.13. Tijdens de duur van hun mandaat is, behoudens de afwijkende bepalingen in onderhavig besluit, het statuut van het rijkspersoneel van toepassing op de houders van een management[1 ...]1functie.
  Voor de toepassing van het statuut van het Rijkspersoneel maken de houders van een management[1 ...]1functie deel uit van niveau A. Ze staan hiërarchisch boven de klasse A5.
  
Art.13. Pendant la durée de leur mandat, le statut des agents de l'Etat est applicable aux titulaires d'une fonction de management [1 ...]1, à l'exception des dispositions dérogatoires du présent arrêté.
  Pour l'application du statut des agents de l'Etat, les titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement font partie du niveau A. Ils se trouvent hiérarchiquement au-dessus de la classe A5.
  
Art.13bis. [1 De houder van een managementfunctie neemt minstens deel aan één selectieprocedure die georganiseerd wordt door het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning als jurylid van de in artikel 8 bedoelde selectiecommissie. Als de houder van een managementfunctie, met uitzondering van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Strategie en Ondersteuning, aan meer dan één selectieprocedure deelneemt, wordt een termijn van minstens negen maanden nageleefd tussen twee deelnames.]1
  
Art.13bis. [1 Le titulaire d'une fonction de management participe au minimum à une procédure de sélection organisée par la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui comme membre du jury de la commission de sélection visée à l'article 8. S'il advient que le titulaire d'une fonction de management, à l'exception du directeur général de la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui, participe à plus d'une procédure de sélection, un délai de neuf mois minimum est respecté entre deux participations.]1
  
Art.14. De houder van een management[1 ...]1functie die op het ogenblik van zijn indienstneming vast benoemd is in de overheidsdiensten, bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 22 juli 1993 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt, in afwijking van de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, in ambtshalve verlof voor opdracht van algemeen belang geplaatst voor de duur van het mandaat. Hun betrekking kan vacant verklaard worden na twee jaar en intussen kan er enkel in voorzien worden door middel van contractuele tewerkstelling of hogere functies.
  
Art.14. Par dérogation aux dispositions de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, le titulaire d'une fonction de management [1 ...]1 qui, au moment de sa désignation, est nommé à titre définitif au sein des services publics visés à l'article 1er, § 1er, de la loi du 22 juillet 1993 portant certains mesures en matière de fonction publique, est mis en congé d'office pour mission d'intérêt général pour la durée du mandat. Leur emploi peut être déclaré vacant après deux ans et il ne peut y être pourvu entre-temps que par un engagement contractuel ou au moyen de fonctions supérieures.
  
Art.15. De houder van een management[3 ...]3functie oefent zijn taak voltijds uit.
  Tijdens zijn mandaat kan hij :
  1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd deze die het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreffen;
  2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden of van de provincieraden of om een ambt uit te oefenen in een cel beleidsvoorbereiding of het kabinet van een minister of een staatssecretaris of in het kabinet van de voorzitter of van een lid van de regering van een Gemeenschap, van een Gewest, van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
  3° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;
  4° [2 ...]2;
  5° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwillige indienstnemer bij dit korps;
  6° geen verlof krijgen om mindervaliden en zieken te vergezellen en bij te staan;
  7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;
  8° [1 geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, met de vierdagenweek met en zonder premie en halftijds te werken vanaf 50 of 55 jaar;]1
  9° geen afwezigheid van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden verkrijgen;
  10° geen verloven krijgen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten.
  
Art.15. Le titulaire d'une fonction de management [3 ...]3 exerce sa tâche à temps plein.
  Pendant son mandat, il ne peut obtenir :
  1° un congé pour interruption de la carrière professionnelle sauf si celle-ci vise le congé parental, les soins palliatifs et les soins en cas de maladie grave;
  2° un congé pour poser sa candidature aux élections des chambres législatives fédérales, des conseils des régions et des communautés ou des conseils provinciaux ou pour exercer une fonction dans une cellule stratégique ou dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat ou dans le cabinet du président ou d'un membre du Gouvernement d'une Communauté, d'une Région, du Collège réuni de la Commission communautaire commune ou du Collège de la Commission communautaire française;
  3° un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi d'un service public;
  4° [2 ...]2;
  5° un congé pour remplir en temps de paix des prestations au corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce corps;
  6° un congé pour accompagner et assister des handicapés et des malades;
  7° un congé pour mission d'intérêt général;
  8° [1 l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle, dans le cadre de la semaine de quatre jours avec et sans prime et dans le cadre du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans;]1
  9° une absence de longue durée pour raisons personnelles;
  10° un congé tel que visé à l'arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à la disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique et à l'arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé à certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupes.
  
Art.16. § 1. De uitoefening van een management[1 ...]1functie is onverenigbaar met :
  1° elke activiteit, tewerkstelling of mandaat die, zelfs gratis, wordt uitgeoefend door de houder van een management[1 ...]1functie zelf, door een tussenpersoon of door een bemiddelaar, in elke instelling, onderneming, bedrijf of vereniging en die aanleiding kan geven tot een belangenconflict met de activiteiten van de Instelling of schade kan berokkenen aan de neutraliteit van de mandaathouder;
  2° elke activiteit die indruist tegen de waardigheid van de functie of die de vervulling van taken voor de functie zou kunnen schaden.
  § 2. De houder van een management[1 ...]1functie verklaart welke belangen hij, of leden van zijn familie die onder hetzelfde dak wonen, heeft (hebben) of welke activiteiten hij (zij) uitoefent (uitoefenen) in elke instelling, bedrijf of vereniging waarvan de activiteiten kunnen vallen onder de bevoegdheden van het instituut. De verenigbaarheid van belangen of activiteiten met de uitoefening van de management[1 ...]1functie binnen de instelling wordt door de minister onderzocht.
  
Art.16. § 1er. Est incompatible avec l'exercice d'une fonction de management [1 ...]1 :
  1° toute activité, occupation ou mandat, même gratuit, exercé par le titulaire d'une fonction de management [1 ...]1 lui-même, par personne interposée ou par intermédiaire, dans tout établissement, entreprise, société ou association quelconque et susceptible de donner lieu à un conflit d'intérêt avec les activités de l'organisme ou de porter atteinte a l'indépendance ou à la neutralité du mandataire;
  2° toute activité qui serait contraire à la dignité de la fonction ou qui pourrait nuire à l'accomplissement des devoirs de la fonction.
  § 2. Le titulaire d'une fonction de management [1 ...]1 déclare les intérêts qu'il ou les membres de sa famille habitant sous le même toit possède(nt) ou activités qu'il(s) exerce(nt) dans tout établissement, entreprise, société ou association dont les activités sont susceptibles de relever des compétences de l'organisme. La compatibilité des intérêts ou activités avec l'exercice de la fonction de management [1 ...]1 au sein de l'organisme est examinée par le ministre.
  
Art.17. § 1. Het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management[2 ...]2functies in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft criteria die aan de basis ervan liggen en de beloningsmethodiek van het instituut.
  § 2 De Ministerraad legt de weging vast van de functie van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal of directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal, op voordracht van de bevoegde Minister, na akkoord van de Ministers van Ambtenarenzaken en Begroting.
  De managementfunctie bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, wordt ingedeeld in de klasse die lager is dan deze waarin de managementfunctie, bedoeld in artikel 3, § 1, 1° van dezelfde instelling is ingedeeld.
  § 3. De administrateur-generaal of directeur-generaal legt de weging van de andere managementfuncties -1 [2 ...]2 vast na akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting.
  [2 De in artikel 3, § 1, 3° en 4° bedoelde managementfuncties worden opgenomen in de klassen die lager zijn dan die waarin de in artikel 3, § 1, 1° bedoelde managementfunctie van dezelfde instelling is opgenomen.]2
  § 4. Het resultaat van de wegingen wordt in de betrokken besluiten tot aanstelling opgenomen.
  § 5. Het bruto jaarlijks beloningspakket van de houders van een management[1 ...]1functie bevat :
  1° een maandelijkse brutowedde;
  2° deelname aan een aanvullende pensioenregeling, gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen.
  § 6. [2 Bovenop de in de paragrafen 1 en 2 vermelde bezoldigingen kan het beloningspakket in een forfaitaire terugbetaling voorzien voor gemaakte onkosten en omvat het beloningspakket naar keuze van de houder van een managementfunctie, een van de volgende opties:
   - het ter beschikking stellen van een dienstvoertuig dat voor privédoeleinden mag gebruikt worden;
   - een mobiliteitsbudget, met inachtneming van artikelen 4 tot 7 van de wet van 17 maart 2019 tot invoering van een mobiliteitsbudget en het koninklijk besluit van 21 maart 2019 tot uitvoering van de wet van 17 maart 2019 tot invoering van een mobiliteitsbudget.
   De in het eerste lid bedoelde opties zijn niet cumuleerbaar.]2

  
Art.17. § 1er. L'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management [2 ...]2 dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement, est d'une application analogue en ce qui concerne les critères qui sont à sa base et la méthodologie de la rémunération de l'organisme.
  § 2. Le Conseil des Ministres fixe la pondération de la fonction de l'administrateur général et de l'administrateur général adjoint ou directeur général et directeur général adjoint, sur proposition du Ministre compétent et après accord des Ministres de la Fonction publique et du Budget.
  La fonction de management visée à l'article 3, § 1er, 2°, est incorporée dans la classe inférieure a celle dans laquelle est incorporée la fonction de management visée à l'article 3, § 1er, 1°, du même organisme
  § 3. L'administrateur général ou le directeur général fixe la pondération des autres fonctions de management après accord des Ministres de la Fonction publique et du Budget.
  [2 Les fonctions de management visées à l'article 3, § 1er, 3° et 4°, sont incorporées dans les classes inférieures à celle dans laquelle est incorporée la fonction de management visée à l'article 3, § 1er, 1°, du même organisme.]2
  § 4. Le résultat de ces pondérations est repris dans les arrêtés de désignation concernés.
  § 5. La rémunération totale annuelle brute des titulaires d'une fonction de management [1 ...]1 comprend :
  1° un traitement brut mensuel;
  2° la participation à un régime de pension complémentaire, financé par des cotisations personnelles et patronales.
  § 6. [2 Outre les rémunérations prévues aux paragraphes précédents, la rémunération totale peut inclure le remboursement forfaitaire des frais et inclut, au choix du titulaire d'une fonction de management, une des options suivantes :
   - la mise à disposition d'un véhicule de fonction pouvant être utilisé à des fins privées ;
   - un budget mobilité, dans le respect des articles 4 à 7 de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité et de l'arrêté royal du 21 mars 2019 pris en exécution de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité.
   Les options visées à l'alinéa 1er ne sont pas cumulables.]2

  
Art.17bis. [1 Wanneer de continuïteit van de instelling het vereist, ontvangt de ambtenaar aan wie de bevoegdheden van een wegens ziekte afwezige houder van een managementfunctie zijn gedelegeerd, voor de periode van delegatie, een bedrag dat overeenstemt met de directiepremie bedoeld in artikel 26, § 4, tweede lid. Dit bedrag wordt uitbetaald volgens de modaliteiten bedoeld in artikel 26, § 4, derde en vierde lid.]1
  
Art.17bis. [1 Lorsque la continuité de l'organisme l'exige, l'agent auquel les compétences d'un titulaire d'une fonction de management absent pour maladie sont déléguées, bénéficie, pour la période de délégation, d'un montant correspondant à la prime de direction visée à l'article 26, § 4, alinéa 2. Ce montant est liquidé, selon les modalités visées à l'article 26, § 4, alinéas 3 et 4.]1
  
Art.17ter. [1 § 1. Wanneer de continuïteit van de instelling het vereist, kan de minister of de staatssecretaris voorzien in de tijdelijke vervanging van een houder van een managementfunctie die afwezig is wegens ziekte, door:
   1° ofwel een andere houder van een managementfunctie ermee te belasten het mandaat uit te oefenen;
   2° ofwel een rijksambtenaar van de klassen A4 of A5.
   In het geval van een tijdelijke vervanging van een managementfunctie -1 of -2 kan de minister of de staatssecretaris enkel op voordracht van de administrateur-generaal of de directeur-generaal over de vervanging beslissen.
   § 2. De ambtenaar die in uitvoering van paragraaf 1 in een tijdelijke vervanging wordt aangeduid, ontvangt gedurende de vervangingsperiode een weddecomplement dat overeenstemt met het verschil, dat is vastgesteld op de dag van de aanduiding, tussen de weddeschaal van de klasse waarin hij is benoemd en de loonklasse waaraan de managementfunctie waarin hij tijdelijk wordt aangeduid, is gekoppeld.
   In voorkomend geval moet de eerste grootheid van het in het eerste lid bedoelde verschil gelezen worden als de loonklasse die gekoppeld is aan de managementfunctie uitgeoefend door de mandaathouder op het moment dat hij eveneens is aangeduid voor de tijdelijke vervanging.
   § 3. Onverminderd paragrafen 1 en 2 kan de minister, wanneer de afwezigheid wegens ziekte langer dan zes maanden duurt, in voorkomend geval beslissen een vergelijkende selectie op te starten om een houder aan te stellen die zijn diensten effectief presteert in de managementfunctie.
   Voor een managementfunctie -1 of -2 maakt de minister gebruik van het eerste lid op voordracht van de administrateur-generaal of de directeur-generaal.
   Onverminderd artikel 15 gebeurt de aanduiding in de managementfunctie in uitvoering van het eerste lid hetzij:
   1° voor een beperkte duur die overeenkomt met de resterende duur van het lopende mandaat van de afwezige houder van de managementfunctie;
   2° voor een normale duur van zes jaar.
   De in het eerste lid bedoelde vergelijkende selectie is gebaseerd op de bestaande functiebeschrijving en het bestaande competentieprofiel van de managementfunctie.
   De oproep tot kandidatuurstelling vermeldt uitdrukkelijk het type en de duur van het mandaat.
   § 4. Wanneer het gaat om een aanduiding in een managementfunctie voor een beperkte duur in toepassing van paragraaf 3, derde lid, 1°, dan is de vergelijkende selectie, in afwijking van artikelen 4 en 5, toegankelijk voor de kandidaat die ofwel:
   1° houder is van een managementfunctie (-1 of -2);
   2° van wie de laatste evaluatie in het kader van een federaal mandaat met een gunstige evaluatievermelding werd afgesloten;
   3° laureaat, ingedeeld in de groep "geschikt", is van een vergelijkende selectie voor een managementfunctie van een gelijkwaardig of hoger niveau in de twaalf voorgaande maanden zonder dat hij daarin werd aangeduid;
   4° laureaat, ingedeeld in de groep "geschikt", is van een vergelijkende selectieprocedure voor dezelfde managementfunctie in de twee voorgaande jaren zonder dat hij daarin werd aangeduid;
   5° een rijksambtenaar van de klassen A4 of A5 is;
   en die verklaart klaar te zijn om de managementfunctie onmiddellijk uit te oefenen. De kandidaat voegt bij de kandidatuur alle documenten ter staving van de bovenvermelde voorwaarden.
   In afwijking van artikelen 7 en 8 worden de kandidaturen ingediend bij het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning. De kandidaten worden toelaatbaar verklaard na verificatie van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.
   Er vindt een gesprek plaats met de kandidaten die toelaatbaar zijn verklaard in toepassing van het tweede lid, met de bedoeling hen te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, hun relationele vaardigheden en hun vaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de vacante managementfunctie. Dit gesprek wordt georganiseerd volgens de modaliteiten bepaald in artikel 9, in paragrafen 1 en 2.
   De kandidaat die in toepassing van het eerste lid is gekozen, wordt aangeduid in een mandaat waarvan de duur overeenkomt met de resterende duur van het mandaat van de afwezige houder van de managementfunctie.
   § 5. De houder van de managementfunctie van administrateur-generaal of van directeur-generaal of van adjunct-administrateur-generaal of van adjunct-directeur-generaal aangeduid in toepassing van paragraaf 3, derde lid wordt ter beschikking gesteld van de minister na de terugkeer uit afwezigheid wegens ziekte van de houder van de betreffende managementfunctie die de uitoefening van de mandaatfunctie hervat.
   De houder van een managementfunctie -1 en - 2 die is aangeduid in toepassing van paragraaf 3, derde lid wordt ter beschikking gesteld van de administrateur-generaal of de directeur-generaal na de terugkeer uit afwezigheid wegens ziekte van de houder van de betreffende managementfunctie die de uitoefening van de mandaatfunctie hervat.
   Tijdens de in het eerste en tweede lid bedoelde terbeschikkingstelling wordt de mandaathouder belast met opdrachten van algemeen belang.
   In afwijking van het eerste en tweede lid, naargelang het gaat om de functie van administrateur-generaal of van directeur-generaal of om een andere managementfunctie, wordt de houder van de managementfunctie die de uitoefening van zijn functie hervat na een periode van afwezigheid wegens ziekte van meer dan zes maanden op zijn verzoek respectievelijk ter beschikking gesteld van de minister of de administrateur-generaal of de directeur-generaal. Hij wordt tot het einde van zijn mandaat belast met opdrachten van algemeen belang, die in onderling overleg moeten worden vastgelegd.
   De in het vierde lid bedoelde terbeschikkingstelling heeft als gevolg dat de houder van de managementfunctie die is aangeduid in uitvoering van paragraaf 3, derde lid het mandaat volledig uitoefent tot het afloopt.
   § 6. In toepassing van paragraaf 5 wordt de houder van de managementfunctie ambtshalve belast, bij ministerieel besluit, met de uitoefening van de opdracht van algemeen belang. Deze opdracht is geen nieuwe aanduiding in een mandaat, zoals bedoeld in artikel 10, en is geen verlof of afwezigheid bedoeld in artikel 15.
   Tijdens de duur van de opdracht is de in het eerste lid bedoelde opdrachthouder onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt. Hij wordt voor de toepassing van deze paragraaf gelijkgesteld met een ambtenaar van de klasse A5.
   Het voornoemde artikel 15 is van toepassing op de opdrachthouder, zoals bedoeld in deze paragraaf.
   De bepalingen met betrekking tot de herintegratievergoedingen en de beëindigingsvergoedingen, vastgelegd in artikelen 27 tot 29, blijven volledig van toepassing op de opdrachthouder.
   § 7. Artikel 30 met betrekking tot de mandaathernieuwing is niet van toepassing op de aanduiding in een mandaat bedoeld in paragraaf 3.]1

  
Art.17ter. [1 § 1er. Lorsque la continuité de l'organisme l'exige, le ministre ou le secrétaire d'Etat peut pourvoir au remplacement temporaire d'un titulaire d'une fonction de management qui est absent pour maladie, en chargeant soit d'exercer le mandat :
   1° un autre titulaire d'une fonction de management ;
   2° un agent de l'Etat des classes A4 ou A5.
   Dans le cas d'un remplacement temporaire d'une fonction de management -1 ou- 2, le remplacement ne peut être décidé par le ministre ou le secrétaire d'Etat que sur proposition de l'administrateur général ou du directeur général.
   § 2. L'agent qui est désigné dans un remplacement temporaire en exécution du paragraphe 1er, bénéficie pendant la période de remplacement d'un complément de traitement qui est égal à la différence, constatée à la date de la désignation, entre l'échelle de traitement affectée à la classe où il est nommé et la classe salariale à laquelle la fonction de management dans laquelle il est temporairement désigné est liée.
   Le cas échéant, le premier terme de la différence visée à l'alinéa 1er doit être lu comme la classe salariale liée à la fonction de management exercée par le titulaire du mandat au moment où il est également désigné pour le remplacement temporaire.
   § 3. Sans préjudice des paragraphes 1er et 2, lorsque l'absence pour maladie se prolonge au-delà de six mois, le ministre, peut, le cas échéant, décider d'entamer une sélection comparative pour désigner un titulaire qui preste effectivement ses services dans la fonction de management.
   Pour une fonction de management -1 ou -2 ; le ministre recourt à l'alinéa 1er sur proposition de l'administrateur général ou du directeur général.
   Sans préjudice de l'article 15, la désignation dans la fonction de management en exécution de l'alinéa 1er s'opère soit :
   1° pour une durée limitée correspondante à la durée restante du mandat en cours du titulaire de la fonction de management absent ;
   2° pour une durée normale de six ans.
   La sélection comparative visée à l'alinéa 1er repose sur la description de fonction et le profil de compétences existants de la fonction de management.
   L'appel à candidature mentionne explicitement le type et la durée du mandat.
   § 4. Lorsqu'il s'agit de désigner dans une fonction de management pour une durée limitée en application du paragraphe 3, alinéa 3, 1°, la sélection comparative est, par dérogation aux articles 4 et 5, accessible au candidat qui soit :
   1° est titulaire d'une fonction de management (-1 ou -2) ;
   2° dont la dernière évaluation dans le cadre d'un mandat fédéral s'est clôturée avec une mention d'évaluation favorable ;
   3° est lauréat inscrit dans le groupe " apte ", d'une sélection comparative pour une fonction de management d'un niveau équivalent ou supérieur dans les douze mois qui précèdent sans y être désignée ;
   4° est lauréat inscrit dans le groupe " apte ", d'une procédure de sélection comparative pour la même fonction de management dans les deux ans qui précèdent sans y être désigné ;
   5° est un agent de l'Etat des classes A4 ou A5 ;
   et qui se déclare prêt à exercer immédiatement la fonction de management. Le candidat joint à la candidature l'ensemble des documents attestant des conditions susmentionnées.
   Par dérogation aux articles 7 et 8, les candidatures sont introduites auprès de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui. Les candidats sont déclarés admissibles après vérification des conditions visées à l'alinéa 1er.
   Un entretien a lieu avec les candidats déclarés admissibles en application de l'alinéa 2 afin de les comparer quant à leurs compétences spécifiques, leurs aptitudes relationnelles et leurs capacités par rapport à la description de fonction et au profil de compétence afférents à la fonction de management à pourvoir. Cet entretien est organisé selon les modalités prévues à l'article 9, aux paragraphes 1 et 2.
   Le candidat choisi en application de l'alinéa 1er est désigné dans un mandat dont la durée correspond à la durée du mandat restant du titulaire de fonction de management absent.
   § 5. Le titulaire de la fonction de management de l'administrateur général ou du directeur général ou de l'administrateur général adjoint ou du directeur général adjoint désigné en application du paragraphe 3, alinéa 3, est mis à disposition du ministre au retour d'absence pour maladie du titulaire la fonction de management concernée qui reprend l'exercice de la fonction à mandat.
   Le titulaire d'une fonction de management -1 et -2 désigné en application du paragraphe 3, alinéa 3, est mis à disposition de l'administrateur général ou du directeur général au retour d'absence pour maladie du titulaire de la fonction de management concernée qui reprend l'exercice de la fonction à mandat
   Pendant la mise à disposition visée aux alinéas 1er et 2, le mandataire est chargé de missions d'intérêt général.
   Par dérogation aux alinéas 1er et 2, selon qu'il s'agisse de la fonction d'administrateur général ou de directeur général ou d'une autre fonction de management, le titulaire de la fonction de management qui reprend l'exercice de sa fonction après une période d'absence pour maladie de plus de six mois est, à sa demande, respectivement mis à disposition du ministre ou de l'administrateur général ou de directeur général. Il est chargé de missions d'intérêt général, à déterminer de commun accord, jusqu'à la fin de son mandat.
   La mise à disposition visée à l'alinéa 4 a pour corollaire que le titulaire de la fonction de management désigné en exécution du paragraphe 3, alinéa 3, exerce pleinement le mandat jusqu'à son terme.
   § 6. Le titulaire de la fonction de management est chargé d'office, par arrêté ministériel, de l'exercice de la mission d'intérêt général en application du paragraphe 5. Cette mission ne constitue pas une nouvelle désignation dans un mandat, comme visé à l'article 10 et ne constitue pas un congé ou une absence visée à l'article 15.
   Pendant la durée de la mission, le chargé de mission visé à l'alinéa 1er est soumis aux dispositions de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation au sein de la fonction publique fédérale. Il est assimilé à un agent de classe A5 pour l'application de ce paragraphe.
   L'article 15 précité est applicable au chargé de mission, tel que visé au présent paragraphe.
   Les dispositions relatives aux indemnités de réintégration et aux indemnités de départ, définies aux articles 27 à 29 restent entièrement applicables au chargé de mission.
   § 7. L'article 30 relatif au renouvellement de mandat n'est pas applicable à la désignation dans un mandat visée au paragraphe 3.]1

  
HOOFDSTUK V. - De evaluatie van de houder van een management [1 ...]1 functie.
CHAPITRE V. - De l'évaluation du titulaire d'une fonction de management [1 ...]1.
Afdeling 1. - Duur van de evaluatiecyclus.
Section 1re. - De la durée du cycle d'évaluation.
Art.18. [1 Elke houder van een management[2 ...]2functie wordt tijdens zijn mandaat [3 tweejaarlijks]3 geëvalueerd. [3 De eerste twee evaluatiecycli worden met een tussentijdse evaluatie afgesloten. De laatste evaluatiecyclus wordt afgesloten zes maanden voor het einde van het mandaat en wordt met een eindevaluatie afgesloten.]3
  [3 ...]3
   Indien de houder van een management[2 ...]2functie meer dan de helft van de [3 evaluatiecyclus]3 afwezig is bekomt hij geen evaluatie en is artikel 23, § 9 van toepassing.]1

  
Art.18. [1 Chaque titulaire d'une fonction de management [2 ...]2 est évalué [3 tous les deux ans]3 pendant la durée de son mandat. [3 Les deux premiers cycles d'évaluation sont sanctionnés par une évaluation intermédiaire. Le dernier cycle d'évaluation se clôture six mois avant la fin du mandat et se conclut par une évaluation finale.]3
  [3 ...]3
   Si le titulaire d'une fonction de management [2 ...]2 est absent plus de la moitié [3 du cycle]3 d'évaluation, il n'obtient pas d'évaluation et l'article 23, § 9 s'applique.]1

  
Afdeling 2. - Onderwerp van de evaluatie.
Section 2. - De l'objet de l'évaluation.
Art.19. De tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie van de houder van een management[2 ...]2functie hebben betrekking op :
  1° de verwezenlijking van de doelstellingen die werden vastgelegd in het in artikel 11 bedoelde managementplan en operationeel plan [3 ...]3. [3 In voorkomend geval wordt rekening gehouden met de opvolging van de aanbevelingen in auditrapporten van de bevoegde controleactoren die hebben geleid tot een wijziging van het bovenvermelde operationele plan]3;
  2° de wijze waarop die doelstellingen al dan niet werden behaald;
  3° de persoonlijke bijdrage van de houder van de management[2 ...]2functie aan de verwezenlijking van die doelstellingen;
  4° de geleverde inspanningen om zijn competenties te ontwikkelen;
  [1 5° de tijdige realisatie en de kwaliteit van het geheel van evaluaties, doorgevoerd binnen de dienst waarover hij de verantwoordelijkheid heeft.]1
  [3 Tijdens de evaluatie wordt een enquête georganiseerd onder de verschillende stakeholders zoals de klanten, de medewerkers of de peers.]3
  
Art.19. Les évaluations intermédiaires et l'évaluation finale du titulaire d'une fonction de management [2 ...]2 portent sur :
  1° la réalisation des objectifs définis dans le plan de management et le plan opérationnel visés à l'article 11 [3 ...]3. [3 Le cas échéant, est pris en considération le suivi des recommandations des rapports d'audits des services de contrôle compétents qui ont conduit à une modification du plan opérationnel susmentionné]3;
  2° la manière dont ces objectifs ont ou non été atteints;
  3° la contribution personnelle du titulaire d'une fonction de management [2 ...]2 à la réalisation de ces objectifs;
  4° les efforts consentis en termes de développement de ses compétences;
  [1 5° la réalisation en temps opportun et la qualité de l'ensemble des évaluations réalisées dans le service dont il a la responsabilité.]1
  [3 Lors de l'évaluation, une enquête est organisée auprès des différentes parties prenantes telles que les clients, les collaborateurs ou les pairs.]3
  
Afdeling 3. - Actoren van de evaluatie.
Section 3. - Des acteurs de l'évaluation.
Art.20. § 1. De evaluatie van de houders van management[2 ...]2functies wordt uitgevoerd door :
  1° de minister, wat de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal of de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal betreft;
  2° de administrateur-generaal of de directeur-generaal, eerste evaluator genoemd en de minister, tweede evaluator genoemd, wat de houders van een managementfunctie -1 [2 ...]2 betreft;
  [3 3° de houder van de managementfunctie -1, eerste evaluator genoemd, en de administrateur-generaal of de directeur-generaal, tweede evaluator genoemd, wat de houders van een managementfunctie -2 betreft.]3
  § 2. Voor een externe ondersteuning inzake evaluatietechnieken kunnen de in § 1 bedoelde evaluatoren een beroep doen op de [1 Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1.
  § 3. Wanneer meerdere ministers bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een administrateur-generaal of adjunct-administrateur-generaal of van de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal, treedt de minister die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied, als eerste evaluator op.
  § 4. Wanneer meerdere ministers bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een houder van een managementfunctie -1 [2 ...]2, treedt de minister die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied, als tweede evaluator op.
  
Art.20. § 1er. L'évaluation des titulaires des fonctions de management [2 ...]2 est réalisée :
  1° par le ministre, pour ce qui concerne l'administrateur général ou l'administrateur général adjoint ou le directeur général ou le directeur général adjoint;
  2° par l'administrateur général ou le directeur général, dénomme premier évaluateur, et par le ministre, dénommé deuxième évaluateur, pour ce qui concerne les titulaires d'une fonction de management -1 [2 ...]2;
  [3 3° par le titulaire de la fonction de management -1, dénommé premier évaluateur, et par l'administrateur général ou le directeur général, dénommé deuxième évaluateur, pour ce qui concerne les titulaires d'une fonction de management -2.]3
  § 2. Les évaluateurs visés au § 1er peuvent solliciter le [1 Service public fédéral Stratégie et Appui]1 pour bénéficier d'un appui externe en matière de techniques d'évaluation.
  § 3. Lorsque plusieurs ministres sont compétents pour le secteur d'activité d'un administrateur général ou administrateur général adjoint ou du directeur général et du directeur général adjoint, le ministre compétent pour la plus grande partie de ce secteur d'activité, est le premier évaluateur.
  § 4. Lorsque plusieurs ministres sont compétents pour le secteur d'activité d'un titulaire de fonction de management -1 [2 ...]2, le ministre compétent pour la plus grande partie de ce secteur d'activité, est le deuxième évaluateur.
  
Afdeling 4. - Verloop van de evaluatiecyclus.
Section 4. - Du déroulement du cycle d'évaluation.
Onderafdeling 1. - De functioneringsgesprekken.
Sous-section Ire. - Des entretiens de fonctionnement.
Art.21. Tijdens elke evaluatiecyclus vinden er op initiatief van de houder van een management[1 ...]1functie of de eerste evaluator, telkens wanneer dat noodzakelijk blijkt, [2 en dit onverminderd elk informeel gesprek,]2 functioneringsgesprekken plaats.
  De functioneringsgesprekken hebben betrekking op alles wat met het functioneren van de houder van de management[1 ...]1functie te maken heeft, alsook op de doelstellingen die in het managementplan en het operationeel plan [2 ...]2 werden vastgesteld, de eventuele aanpassingen die eraan moeten worden aangebracht en hun verwezenlijking. [2 Er wordt eventueel een ontwikkelingstraject voor de houder van de managementfunctie, zoals bepaald in artikel 22bis, opgezet.]2
  Wanneer meerdere ministers bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een administrateur-generaal of adjunct-administrateur-generaal of van een directeur-generaal en een adjunct-directeur-generaal, kan elkeen de eerste evaluator vragen een functioneringsgesprek te organiseren over de materies die hen aanbelangen. Zij wonen dit onderhoud van rechtswege bij.
  
Art.21. Au cours de chaque cycle d'évaluation, [2 et, ce, sans préjudice de tout entretien informel,]2 des entretiens de fonctionnement ont lieu, à l'initiative du titulaire de la fonction de management [1 ...]1 ou du premier évaluateur, chaque fois que la nécessité s'en fait sentir.
  Les entretiens de fonctionnement portent sur toute question relative au fonctionnement du titulaire de la fonction de management [1 ...]1 ainsi que sur les objectifs définis dans le plan de management et le plan opérationnel [2 ...]2, les éventuelles adaptations à y apporter et leur réalisation. [2 Un trajet de développement du titulaire de la fonction de management tel que défini dans l'article 22bis est, le cas échéant, mis en place.]2
  Lorsque plusieurs ministres sont compétents pour le secteur d'activité d'un administrateur général ou administrateur général adjoint ou d'un directeur général et d'un directeur général adjoint, chacun peut saisir le premier évaluateur pour qu'il organise un entretien de fonctionnement sur les matières qui les concernent. Ils assistent de plein droit à cet entretien.
  
Onderafdeling 2. [1 - Het evaluatiecyclusgesprek]1
Sous-section 2. [1 - De l'entretien de cycle d'évaluation]1
Art.22. [1 § 1. Tijdens de evaluatiecyclus vindt er een evaluatiecyclusgesprek plaats.
   Het evaluatiecyclusgesprek omvat twee luiken:
   1. de planning;
   2. de balans.
   § 2. De planning tijdens het evaluatiecyclusgesprek beoogt de vertaling naar meetbare criteria van de aan de houder van de managementfunctie toevertrouwde strategische en operationele doelstellingen die in het strategisch plan en het operationeel plan, bedoeld in artikel 11, werden vastgelegd.
   § 3. De balans tijdens het evaluatiecyclusgesprek beoogt de evaluatie van de aan de houder van de managementfunctie toevertrouwde strategische en operationele doelstellingen die in het managementplan en het operationeel plan, bedoeld in artikel 11, werden vastgelegd en voor de betrokken evaluatiecyclus werden gepland.
   § 4. Onverminderd bovengenoemde paragrafen 2 en 3 wordt er eventueel een ontwikkelingstraject, zoals bepaald in artikel 22bis, opgezet.
   § 5. Aan het einde van elke evaluatiecyclus nodigt de eerste evaluator de houder van de managementfunctie uit voor het evaluatiecyclusgesprek.
   De tweede evaluator alsook een door de eerste evaluator aangewezen secretaris kunnen aan dat evaluatiecyclusgesprek deelnemen.
   In elk geval vindt er vóór het evaluatiecyclusgesprek overleg plaats tussen de eerste en de tweede evaluator.
   § 6. Ter voorbereiding van de balans die tijdens het evaluatiecyclusgesprek wordt opgemaakt, maakt de houder van de managementfunctie, een zelfevaluatie die rekening houdt met de gegevens uit de enquête onder de stakeholders. Deze wordt ten laatste twintig werkdagen vóór de vastgestelde datum van het evaluatiecyclusgesprek aan de eerste evaluator bezorgd.
   § 7. De eerste evaluator bereidt het evaluatiegesprek voor door de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie te toetsen op consistentie en onderbouwing. Hij vergelijkt ze met de elementen waarover hij beschikt, die resulteren uit feiten en geobserveerd gedrag tijdens de dagelijkse opvolging van het functioneren van de geëvalueerde. Bovendien verzamelt hij alle bijkomende informatie die kan bijdragen tot een billijke en objectieve evaluatie.
   § 8. Binnen de instelling die over een beheersorgaan beschikt, wint de eerste evaluator het advies in van het beheersorgaan met betrekking tot de zelfevaluatie. Als dit advies niet binnen de tien werkdagen wordt bezorgd, is het niet meer vereist.
   § 9. Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van de administrateur-generaal of van de directeur-generaal, maakt de eerste evaluator de zelfevaluatie over aan de betrokken ministers en/of staatssecretarissen en vraagt hij hun advies. Als dit advies niet binnen de tien werkdagen wordt bezorgd, is het niet meer vereist.
   Als de betrokken ministers en/of staatssecretarissen dat wensen, wonen zij het evaluatiecyclusgesprek bij.
   § 10. Een extern bureau verleent bijstand aan de in artikel 20 gedefinieerde evaluatieactoren. Het externe bureau verleent in dit verband rechtstreekse ondersteuning aan de eerste evaluator. Het ondersteunt hem bij de beoordeling van de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie. Daartoe verzamelt het bureau alle bijkomende of tegenstrijdige informatie inzake de evaluatie-elementen vermeld in artikel 19 en houdt het rekening met de gegevens van de enquête onder de stakeholders die betrokken zijn bij de uitvoering van de mandaatfunctie bedoeld in artikel 19, tweede lid. Het bereidt het evaluatiecyclusgesprek voor en structureert het en het staat in voor de opvolging ervan.
   Het externe bureau verleent bijstand voor elke evaluatiecyclus van de administrateur-generaal, de directeur-generaal, de adjunct-administrateur-generaal en de adjunct-directeur-generaal tijdens zijn mandaat. Voor de managementfuncties N-1 en N-2 is de bijstand van het externe bureau facultatief.]1

  
Art.22. [1 § 1er. Un entretien de cycle d'évaluation a lieu au cours d'un cycle d'évaluation.
   L'entretien de cycle d'évaluation comprend deux volets :
   1° la planification ;
   2° le bilan.
   § 2. Lors de l'entretien de cycle d'évaluation, la planification vise à traduire en critères mesurables les objectifs stratégiques et opérationnels définis dans le plan de management et le plan opérationnel visés à l'article 11 qui ont été confiés au titulaire de la fonction de management.
   § 3. Lors de l'entretien de cycle d'évaluation, le bilan vise à l'évaluation des objectifs stratégiques et opérationnels définis dans le plan de management et le plan opérationnel visés à l'article 11 confiés au titulaire de la fonction de management et planifiés pour le cycle d'évaluation concerné.
   § 4. Sans préjudice des paragraphes 2 et 3 susmentionnés, un trajet de développement tel que défini à l'article 22bis est, le cas échéant, mis en place.
   § 5. A la fin de chaque cycle d'évaluation, le premier évaluateur invite le titulaire de la fonction de management à l'entretien de cycle d'évaluation.
   Le deuxième évaluateur ainsi qu'un secrétaire désigné par le premier évaluateur peuvent assister à cet entretien de cycle d'évaluation.
   Dans tous les cas, le premier et le deuxième évaluateur se concertent préalablement à l'entretien de cycle d'évaluation.
   § 6. En préparation au bilan effectué lors de l'entretien de cycle d'évaluation, le titulaire de la fonction de management établit une auto-évaluation qui prend en compte des données issues de l'enquête auprès des parties prenantes. Celle-ci est transmise au premier évaluateur au plus tard vingt jours ouvrables avant la date programmée de l'entretien de cycle d'évaluation.
   § 7. Le premier évaluateur prépare l'entretien de cycle d'évaluation en analysant l'auto-évaluation du titulaire de la fonction de management en termes de consistance et de fondement. Il la confronte aux éléments en sa possession et découlant de faits et comportements observés dans le suivi quotidien du fonctionnement de l'évalué. Il collecte en outre toute information complémentaire pouvant contribuer à une évaluation équitable et objective.
   § 8. Au sein de l'organisme doté d'un organe de gestion, le premier évaluateur sollicite l'avis de l'organe de gestion pour ce qui concerne l'auto-évaluation. Si cet avis n'est pas donné dans les dix jours ouvrables, il n'est plus requis.
   § 9. Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité de l'administrateur général ou du directeur général, le premier évaluateur transmet aux ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés l'auto-évaluation et sollicite leur avis. Si cet avis n'est pas donné dans les dix jours ouvrables, il n'est plus requis.
   Si les ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés le souhaitent, ils assistent à l'entretien de cycle d'évaluation.
   § 10. Un bureau externe assiste les acteurs de l'évaluation définis à l'article 20. Dans ce cadre, le bureau externe apporte un soutien direct au premier évaluateur. Il l'appuie pour juger l'auto-évaluation du titulaire de la fonction de management. Il collecte, à cette fin, toute information complémentaire ou contradictoire concernant les éléments d'évaluation énoncés à l'article 19 et prend en compte les données de l'enquête auprès des parties prenantes à l'exécution de la fonction à mandat visées à l'article 19, alinéa 2. Il prépare, structure l'entretien de cycle d'évaluation et en assure le suivi.
   Le bureau externe assiste pour tout cycle d'évaluation de l'administrateur général, du directeur général, de l'administrateur général adjoint et du directeur général au cours de son mandat. Pour les fonctions de management N-1 et N-2, l'assistance du bureau externe est facultative.]1

  
Art.22bis. [1 § 1. Het ontwikkelingstraject is een begeleiding op maat van de houder van een managementfunctie die voldoet aan behoeften die door de eerste evaluator zijn vastgesteld bij het evaluatiecyclusgesprek en die voortvloeien uit:
   1° de balans van de verwezenlijkingen bedoeld in artikel 22, § 3; bij de balans wordt rekening gehouden met de bijdrage van de houder van de managementfunctie aan de verwezenlijking van de transversale doelstellingen die tijdens de planning zijn vastgesteld;
   2° de noodzaak om professionele competenties te ontwikkelen;
   3° de verwachtingen en bevindingen van de verschillende groepen stakeholders.
   § 2. Het ontwikkelingstraject stoelt op een schriftelijk akkoord tussen de eerste evaluator en de houder van de managementfunctie dat, op basis van de vastgestelde behoeften, op zijn minst het volgende vaststelt:
   1° te bereiken ontwikkelingsdoelstelling(en);
   2° de te prefereren voorstellen voor leeroplossingen om bij te dragen tot de verwachte competentieontwikkeling en de bijbehorende planning.
   Het ontwikkelingstraject houdt rekening met de evaluatiecyclus van de houder van de managementfunctie.
   Het ontwikkelingstraject duurt minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden.
   Onverminderd het derde lid kan de duur van het ontwikkelingstraject slechts een keer worden aangepast.
   Het ontwikkelingstraject kan in onderling akkoord op elk moment worden stopgezet.]1

  
Art.22bis. [1 § 1er. Le trajet de développement est un accompagnement sur mesure du titulaire d'une fonction de management qui répond à des besoins constatés, par le premier évaluateur, lors de l'entretien de cycle d'évaluation, et qui font suite :
   1° au bilan des réalisations visé à l'article 22, § 3 ; ce bilan prend en compte la contribution du titulaire de la fonction de management à la réalisation des objectifs transversaux définis lors de la planification ;
   2° à la nécessité de développement de compétences professionnelles ;
   3° aux attentes et aux résultats provenant des différents groupes de parties prenantes.
   § 2. Le trajet de développement repose sur un accord écrit entre le premier évaluateur et le titulaire de la fonction de management qui identifie, sur base des besoins constatés, au minimum :
   1° le ou les objectifs de développement à atteindre ;
   2° les propositions de solutions d'apprentissage à privilégier pour contribuer au développement attendu des compétences, ainsi que la planification qui y est liée.
   Le trajet de développement tient compte du cycle d'évaluation du titulaire de la fonction de management.
   Le trajet de développement a une durée minimum de six mois et de maximum douze mois.
   Sans préjudice de l'alinéa 3, la durée du trajet de développement n'est adaptable qu'une fois.
   Il peut être mis fin de commun accord à tout moment au trajet de développement.]1

  
Afdeling 5. - Het evaluatieverslag en de toegekende vermelding.
Section 5. - Du rapport d'évaluation et de la mention attribuée.
Art.23. § 1. Na afloop van het evaluatiegesprek stelt de eerste evaluator een ontwerp van beschrijvend evaluatieverslag op en doet [1 ...]1 met betrekking tot de vermelding. Hij overlegt met de tweede evaluator die zijn opmerkingen kan formuleren. Vervolgens stelt hij het beschrijvend evaluatieverslag op en kent de [1 ...]1 vermelding toe.
  § 2. Wanneer meerdere ministers bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een administrateur-generaal of adjunct-administrateur-generaal of van een directeur-generaal en een adjunct-directeur-generaal, wordt het ontwerp van evaluatieverslag en het voorstel van [1 vermelding]1 voor advies door de eerste evaluator binnen zeven werkdagen overgemaakt aan de andere ministers. Deze beschikken over een termijn van zeven werkdagen om er hun eventuele opmerkingen aan toe te voegen. Wanneer deze termijn verstreken is, wordt het advies niet meer vereist. Er wordt naar een consensus gezocht tussen de eerste evaluator en de andere betrokken ministers met betrekking tot de [1 vermelding]1 die moet worden toegekend aan de geëvalueerde. Wanneer ze het niet eens worden, wordt de beslissing genomen door de eerste evaluator.
  § 3. Het evaluatieverslag wordt door de tweede evaluator medeondertekend en wordt, met bewijs van ontvangst, medegedeeld aan de geëvalueerde binnen twintig werkdagen die volgen op het evaluatiegesprek.
  § 4. [1 Elke evaluatie wordt afgesloten met één van de volgende vermeldingen : [4 ...]4 [4 "goed"]4, "te ontwikkelen", of "onvoldoende".]1
  § 5. [4 De evaluatie geeft aanleiding tot de vermelding "onvoldoende" als eruit blijkt dat de doelstellingen vastgelegd in het managementplan en het operationeel plan bedoeld in artikel 11, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie, niet werden behaald.]4
  § 6. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding "te ontwikkelen" als eruit blijkt dat de doelstellingen bepaald in de in artikel 11 [4 ...]4 bedoelde plannen slechts gedeeltelijk zijn verwezenlijkt.]1
  [4 Onverminderd artikel 19 krijgt de houder van een managementfunctie een in artikel 22bis bedoeld ontwikkelingstraject als er tijdens het evaluatiecyclusgesprek ontwikkelingspunten worden vastgesteld.]4
  § 7. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding [4 "goed"]4 als eruit blijkt dat de meeste doelstellingen bepaald in de in artikel 11 [4 ...]4 bedoelde plannen werden verwezenlijkt.]1
  [1 § 7bis. [4 De evaluatie van de doelstellingen die zijn vastgelegd in het strategisch plan en het operationeel plan bedoeld in artikel 11 en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie is toevertrouwd aan de houder van de managementfunctie, omvat de planning die overeenkomstig artikel 22, § 1 en § 2 wordt uitgevoerd.]4]1
  [1 § 7ter. Er wordt geen rekening gehouden met de doelstellingen waarvan het niet bereiken geenszins afhing van de verantwoordelijkheid van de geëvalueerde.]1
  [1 § 7quater. In voorkomend geval, kan aan een houder van een management[3 ...]3functie, mits een specifieke motivering, een voor hem minder gunstige vermelding worden toegekend dan deze die zou worden toegekend met toepassing van de §§ 5 tot en met 7bis indien uit de evaluatie blijkt dat de houder van de management- of staffunctie slechts een kleine persoonlijke bijdrage heeft geleverd aan het bereiken van de doelstellingen bepaald in de in artikel 11 [4 ...]4 bedoelde plannen of dat de feitelijke elementen besproken tijdens het evaluatiegesprek een negatieve weerslag hebben op de uitoefening van de management[3 ...]3functie. Deze vaststellingen en elementen dienen aan bod gekomen te zijn op het evaluatiegesprek en de geëvalueerde dient de mogelijkheid te krijgen om hierop te reageren. Deze reactie dient opgenomen te worden in het evaluatieverslag.]1
  § 8. De eindevaluatie van de houder van de management[3 ...]3functie wordt gestaafd met de beschrijvende evaluatieverslagen betreffende de verstreken periodes voor de tussentijdse evaluaties en de totale periode van het mandaat voor de eindevaluatie.
  § 9. Indien de houder van de management- of staffunctie geen [1 evaluatie]1 heeft gekregen, wordt hem van rechtswege de vermelding [4 "goed"]4 toegekend.
  [1 § 10. [2 ...]2 ]1
  
Art.23. § 1er. A l'issue de l'entretien d'évaluation, le premier évaluateur rédige un projet de rapport d'évaluation descriptive et fait [1 ...]1 une proposition de mention. Il se concerte avec le deuxième évaluateur qui peut formuler ses remarques. Il établit ensuite le rapport d'évaluation descriptive et attribue la mention [1 ...]1.
  § 2. Lorsque plusieurs ministres sont compétents pour le secteur d'activité d'un administrateur général ou d'un administrateur général adjoint ou d'un directeur général et d'un directeur général adjoint, le projet de rapport d'évaluation et la proposition de [1 mention]1 sont transmis pour avis par le premier évaluateur dans les sept jours ouvrables aux autres ministres. Ceux-ci disposent de sept jours ouvrables pour y faire ajouter leurs éventuelles remarques. Passe ce délai, l'avis n'est plus requis. Un consensus est recherché entre le premier évaluateur et les autres ministres concernés sur la mention éventuelle à attribuer à l'évalué. En cas de désaccord persistant, c'est le premier évaluateur qui tranche.
  § 3. Le rapport d'évaluation, contresigné par le deuxième évaluateur, est transmis, contre récépissé, à l'évalué dans les vingt jours ouvrables qui suivent l'entretien d'évaluation.
  § 4. [1 Chaque évaluation se clôture par une des mentions suivantes : [4 ...]4 [4 " bon "]4, " à développer " ou " insuffisant ".]1
  § 5. [4 L'évaluation donne lieu à la mention " insuffisant " lorsqu'il en ressort que les objectifs fixés dans le plan de management et dans le plan opérationnel visés à l'article 11, et dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management n'ont pas été atteints.]4
  § 6. [1 L'évaluation donne lieu à la mention " à développer " lorsqu'il en ressort que les objectifs définis dans les plans visés à l'article 11 [4 ...]4 ne sont que partiellement atteints.]1
  [4 Sans préjudice de l'article 19, lorsque des points de développement sont identifiés lors de l'entretien de cycle d'évaluation, le titulaire d'une fonction de management bénéficie d'un trajet de développement visé à l'article 22bis.]4
  § 7. [1 L'évaluation donne lieu à la mention [4 " bon "]4 lorsqu'il en ressort que la plupart des objectifs définis dans les plans visés à l'article 11 [4 ...]4 ont été atteints.]1
  [1 § 7bis. [4 L'évaluation des objectifs fixés dans le plan stratégique et dans le plan opérationnel visés à l'article 11, et dont la responsabilité de réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management intègre la planification réalisée conformément à l'article 22, § 1er et § 2.]4]1
  [1 § 7ter. Il n'est pas tenu compte des objectifs dont la non réalisation n'a dépendu en rien de la responsabilité de l'évalué.]1
  [1 § 7quater. Le cas échéant, il peut être attribué au titulaire d'une fonction de management [3 ...]3, moyennant une motivation spécifique, une mention moins favorable que celle qui lui aurait été reconnue en application des §§ 5 à 7bis s'il ressort de l'évaluation, que le titulaire de la fonction de management [3 ...]3 a seulement fourni une faible contribution personnelle à l'atteinte des objectifs définis dans les plans visés à l'article 11 [4 ...]4 ou que les éléments de fait discutés durant l'entretien d'évaluation ont eu un impact négatif sur l'exercice de la fonction de management [3 ...]3. Ces constatations et éléments doivent être abordés durant l'entretien d'évaluation et la possibilité doit être offerte à l'évalué d'y réagir. Cette réaction doit être reprise dans le rapport d'évaluation.]1
  § 8. L'évaluation finale du titulaire de la fonction de management [3 ...]3 est étayée par les rapports d'évaluation descriptive relatifs aux périodes écoulées pour les évaluations intermédiaires et à la période totale du mandat pour l'évaluation finale.
  § 9. Si le titulaire d'une fonction de management [3 ...]3 n'a pas reçu d'[1 évaluation]1 , la mention [4 " bon "]4 lui est attribuée de plein droit.
  [1 § 10. [2 ...]2 ]1
  
Afdeling 6. - Het evaluatiedossier.
Section 6. - Du dossier d'evaluation.
Art.24. § 1. Het evaluatiedossier van de houder van de management[2 ...]2functie bestaat uit :
  1° een identificatiefiche met de persoonlijke gegevens en het aanstellingsbesluit;
  2° een gevalideerde functiebeschrijving;
  3° [3 de strategische of operationele doelstellingen die werden vastgelegd in het managementplan en het operationeel plan bedoeld in artikel 11, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie aan hem werd toevertrouwd]3;
  [3 3bis° de planning van de doelstellingen per evaluatiecyclus die in toepassing van punt 3° wordt uitgevoerd en, in voorkomend geval het in artikel 22bis bedoelde ontwikkelingstraject;]3
  4° in voorkomend geval, de verslagen over de functioneringsgesprekken en/of ieder ander document dat inzicht verschaft in de aanpassingen, de afspraken en de schikkingen die tussen de geëvalueerde houder van de management[2 ...]2functie en zijn eerste evaluator werden getroffen;
  5° de zelfevaluatie van de houder van de management[2 ...]2functie;
  6° de beschrijvende evaluatieverslagen;
  7° eventueel dossier van het ingestelde beroep.
  De geëvalueerde kan documenten laten opnemen in zijn evaluatiedossier.
  De evaluatiedossiers worden bewaard bij de verantwoordelijke belast met het personeelsbeheer binnen de betrokken instelling.
  § 2. Het evaluatiedossier is toegankelijk voor de geëvalueerde houder van de management[2 ...]2functie, de verantwoordelijke belast met het personeelsbeheer binnen de betrokken instelling alsook voor de eerste en tweede evaluator.
  De minister, alsook de administrateur-generaal of de directeur-generaal hebben eveneens toegang tot de evaluatiedossiers van de houders van een management[2 ...]2functie die onder hun bevoegdheid, binnen hun activiteitsgebied of onder hun gezag vallen.
  § 3. Na afloop van elk evaluatiegesprek wordt een kopie van het aangepaste evaluatiedossier overgemaakt aan de voorzitter van het directiecomité van de [1 Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1 die belast is met de kwaliteitscontrole van de evaluatieprocedure van de houders van een management[2 ...]2functie.
  
Art.24. § 1er. Le dossier d'évaluation du titulaire de la fonction de management [2 ...]2 se compose des éléments suivants :
  1° une fiche d'identification, avec les données personnelles et l'arrêté de désignation;
  2° une description de fonction validée;
  3° [3 les objectifs stratégiques ou opérationnels qui ont été fixés dans le plan de management et le plan opérationnel visés à l'article 11 et dont la responsabilité de la réalisation lui a été confiée]3;
  [3 3bis° la planification des objectifs par cycle d'évaluation qui est effectuée en application du point 3° et, le cas échéant le trajet de développement visé à l'article 22bis ;]3
  4° le cas échéant, les rapports des entretiens de fonctionnement et/ou tout autre document permettant d'appréhender les ajustements, les accords et les arrangements pris entre le titulaire de la fonction de management [2 ...]2 évalué et son premier évaluateur;
  5° l'auto-évaluation du titulaire de la fonction de management ou d'encadrement;
  6° les rapports d'évaluation descriptive;
  7° l'éventuel dossier du recours introduit.
  L'évalué peut faire ajouter des documents dans son dossier d'évaluation.
  Les dossiers d'évaluation sont conservés auprès du responsable chargée de la gestion du personnel au sein de l'organisme concerné.
  § 2. L'acces au dossier d'évaluation est autorisé au titulaire de la fonction de management [2 ...]2 évalué, au responsable chargée de la gestion du personnel au sein de l'organisme concerné ainsi qu'au premier et au deuxième évaluateur.
  Le ministre ainsi que l'administrateur général ou le directeur général ont également accès aux dossiers d'évaluation des titulaires d'une fonction de management [2 ...]2 qui relèvent de leur compétence, de leur secteur d'activité ou de leur autorité.
  § 3. Après chaque entretien d'évaluation, une copie du dossier d'évaluation adapté est transmise au président du comité de direction du [1 Service public fédéral Stratégie et Appui]1 qui est chargé du contrôle de la qualité du processus d'évaluation des titulaires de fonction de management [2 ...]2.
  
Afdeling 7. - Beroepsmogelijkheden.
Section 7. - Des voies de recours.
Art.25. § 1. De administrateur-generaal of de adjunct-administrateur-generaal of de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding " onvoldoende " of wiens eindevaluatie niet resulteert in de vermelding [3 "goed"]3 kan, per aangetekende brief, beroep aantekenen bij een beperkt ministerieel comité, dat is samengesteld uit drie leden van de regering, van wie twee van eenzelfde taalaanhorigheid als de geëvalueerde en die hiertoe werden aangewezen door de Ministerraad binnen de vijftien kalenderdagen na betekening van het evaluatieverslag.
  De minister die de taak van eerste evaluator van de houder van de managementfunctie op zich heeft genomen mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van het beperkt ministerieel comité. Hij kan echter wel worden gehoord.
  Het beroep wordt ingesteld bij het secretariaat van de Ministerraad en is opschortend. [1 In voorkomend geval wordt het mandaat verlengd tot het einde van de in dit artikel bedoelde beroepsprocedure.]1
  § 2. De houders van de managementfunctie -1 of [3 -2]3 wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding " onvoldoende " of wiens eindevaluatie niet resulteert in de vermelding [1 "uitstekend"]1 kunnen, per aangetekende brief, beroep instellen bij een comité, opgericht bij de Minister van Ambtenarenzaken en comité van beroep genaamd. Het beroep wordt ingesteld binnen de vijftien kalenderdagen na betekening van het evaluatieverslag.
  Het comité omvat een Nederlandse en een Franse afdeling. De taalrol van de houder van de management[2 ...]2functie bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
  Elke afdeling is samengesteld uit vier administrateurs-generaal of directeurs-generaal van de instellingen bedoeld in artikel 1, door Ons aangewezen op voordracht van de Minister van Ambtenarenzaken. Ze wordt voorgezeten door het oudste lid, dat een ondervoorzitter aanwijst die de voorzitter in geval van afwezigheid vervangt.
  De administrateur-generaal of de directeur-generaal die heeft deelgenomen aan de evaluatieprocedure van de houder van de managementfunctie -1 of [3 -2]3 mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van de afdeling : hij kan evenwel worden gehoord.
  Het beroep wordt ingesteld bij de Minister van Ambtenarenzaken en die, in elke zaak, een griffier-rapporteur aanwijst. Deze laatste is niet stemgerechtigd.
  Het comité maakt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Minister van Ambtenarenzaken.
  Het beroep is opschortend.
  § 3. De houder van de management- of staffunctie wordt opgeroepen, uiterlijk acht werkdagen voor de zitting, ten einde zijn verweermiddelen uiteen te zetten. Hij dient persoonlijk te verschijnen. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. De verdediger mag op geen enkel ogenblik en in welke hoedanigheid ook deelgenomen hebben aan de evaluatieprocedure van de houder van de management[2 ...]2functie.
  Indien de houder van de management[2 ...]2functie of zijn verdediger, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, doet het beroepsorgaan uitspraak op grond van de stukken van het dossier. Hetzelfde geldt van zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de houder van de management- of staffunctie of zijn verdediger een geldige reden kan aanvoeren.
  De afwezigheid van de verdediger is, behoudens overmacht, geen reden van uitstel.
  Het beroepsorgaan hoort iedereen en verzamelt alle nodige gegevens opdat het met volle kennis van zaken zich kan uitspreken.
  § 4. Het beroepsorgaan kan slechts op een rechtsgeldige manier de houder van de management[2 ...]2functie horen en beraadslagen voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is.
  [1 De stemming is geheim. Bij staking van stemmen bestaat het advies in het voorstel om de vermelding toe te kennen die onmiddellijk hoger is dan deze die toegekend was.]1
  § 5. [1 Het beroepsorgaan brengt zijn advies uit binnen de maand die volgt op de indiening van het beroep en bezorgt het onmiddellijk aan de eerste evaluator en de verzoeker.
   De eerste evaluator en de tweede evaluator, als er een tweede evaluator is, kennen de definitieve vermelding toe binnen een termijn van vijftien kalenderdagen en delen ze onmiddellijk mee aan de geëvalueerde.]1

  § 6. Het beroepsorgaan kan zich laten bijstaan door een specialist in de evaluatiemethoden van de federale overheid.
  
Art.25. § 1er. L'administrateur général ou l'administrateur général adjoint ou le directeur général et le directeur général adjoint dont une évaluation intermédiaire donne lieu à la mention " insuffisant " ou dont l'évaluation finale ne donne pas lieu à la mention [3 " bon "]3 peut introduire, par envoi recommandé, un recours auprès d'un comité ministériel restreint, composé de trois membres du gouvernement, dont deux de la même appartenance linguistique que l'évalue et désignés à cette fin par le Conseil des Ministres, dans les quinze jours civils qui suivent la notification du rapport d'évaluation.
  Le ministre qui a assumé le rôle de premier évaluateur du titulaire de la fonction de management ne peut ni assister ni participer à la délibération du comité ministériel restreint. Il peut toutefois être entendu.
  Le recours est introduit auprès du secrétariat du Conseil des Ministres et est suspensif. [1 Le cas échéant, le mandat est prolongé jusqu'au terme de la procédure de recours visée au présent article.]1
  § 2. Les titulaires de la fonction de management -1 ou [3 -2]3 dont une évaluation intermédiaire donne lieu à la mention " insuffisant " ou dont l'évaluation finale ne donne pas lieu a la mention [3 " bon "]3 peuvent introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès d'un comité crée auprès du Ministre de la Fonction publique et dénommé comité de recours. Le recours est introduit dans les quinze jours civils qui suivent la notification du rapport d'évaluation.
  Le comité comprend une section d'expression française et une section d'expression néerlandaise. Le rôle linguistique du titulaire de la fonction de management [2 ...]2 détermine la section devant laquelle il comparaît.
  Chaque section est composée de quatre administrateurs généraux ou directeurs généraux des organismes visés à l'article 1er, désignés par Nous sur proposition du Ministre de la Fonction publique. Elle est présidée par le membre le plus âgé qui désigne un vice-président qui remplace le président en cas d'absence.
  L'administrateur général ou le directeur général qui a pris part au processus d'évaluation du titulaire de la fonction de management -1 ou [3 -2]3 ne peut ni assister ni participer à la délibération de la section : il peut toutefois être entendu.
  Le recours introduit auprès du Ministre de la Fonction publique, et qui designe, dans chaque affaire, un greffier-rapporteur. Celui-ci n'a pas voix délibérative.
  Le comité établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du Ministre de la Fonction publique.
  Le recours est suspensif.
  § 3. Le titulaire de la fonction de management [2 ...]2 est convoqué, en vue d'être entendu en ses moyens de défense, au moins huit jours ouvrables avant la date de l'audience. Il doit comparaître en personne. Il peut se faire assister par une personne de son choix. Le défenseur ne peut avoir pris part, à aucun moment et à quelque titre que ce soit, au processus d'évaluation du titulaire de la fonction de management [2 ...]2.
  Si, bien que régulièrement convoqué, le titulaire de la fonction de management [2 ...]2 ou son défenseur s'abstient, sans excuse valable, de comparaître, l'organe de recours se prononce sur base des pièces du dossier. Il en va de même dès que le recours fait l'objet d'une deuxième audience, même si le titulaire de la fonction de management [2 ...]2 ou son défenseur peut se prévaloir d'une excuse valable.
  L'absence du défenseur ne constitue pas une cause de remise sauf en cas de force majeure.
  L'organe de recours entend toute personne et réunit tous les éléments utiles susceptibles de lui permettre de se prononcer en toute connaissance de cause.
  § 4. L'organe de recours ne peut valablement procéder à l'audition du titulaire de la fonction de management [2 ...]2 et à la délibération que pour autant que la majorité des membres soit présente.
  [1 Le vote a lieu au scrutin secret. En cas de partage des voix, l'avis consiste en la proposition d'attribuer la mention immédiatement supérieure à celle qui avait été attribuée.]1
  § 5. [1 L'organe de recours rend son avis dans le mois qui suit l'introduction du recours et le communique sans délai au premier évaluateur et au requérant.
   Le premier évaluateur et le deuxième évaluateur lorsqu'il y a un deuxième évaluateur attribuent la mention définitive dans un délai de quinze jours civils et la signifient immédiatement à l'évalué.]1

  § 6. L'organe de recours peut se faire assister par un spécialiste dans les méthodes d'évaluation de l'administration fédérale.
  
HOOFDSTUK VI. [1 - Einde van het mandaat, niet-hernieuwing ervan en tijdelijke vervanging.]1
CHAPITRE VI. [1 - De la fin du mandat, de son non renouvellement et du remplacement temporaire.]1
Afdeling I. - Einde van het mandaat.
Section Ire. - De la fin du mandat.
Onderafdeling I. - Einde van rechtswege [1 en tijdelijke vervanging]1.
Sous-section Ire. - De la fin de plein droit [1 et du remplacement temporaire .]1
Art.26. [1 § 1. Het mandaat eindigt van rechtswege en zonder dat het aan de houder van de management[2 ...]2functie moet worden betekend :
   1° op het einde van de periodes bedoeld in artikel 10;
   2° wanneer de houder van de management[2 ...]2functie [2 de wettelijke pensioenleeftijd]2 bereikt;
   3° als de houder van de management[2 ...]2functie in een andere management[2 ...]2functie wordt aangesteld, vanaf de eerste dag dat hij de nieuwe functie effectief uitoefent;
   4° als de houder effectief één van de in artikel 15 bedoelde verloven geniet;
  [2 5° wanneer de instelling of, in voorkomend geval, wanneer de dienst waarvoor de houder van de managementfunctie is aangeduid ophoudt te bestaan.]2
   § 2. Als de houder van de management[2 ...]2functie [2 de wettelijke pensioenleeftijd]2 bereikt tijdens het mandaat, kan hij vragen zijn mandaat te verlengen tot het einde ervan, per maximale periode van een jaar. De organen bedoeld in artikel 9, derde lid, nemen een met reden omklede beslissing. De verlengingsaanvraag wordt ingediend minstens 6 maanden voor de datum [2 van de wettelijke pensioenleeftijd]2 of van het einde van de verlenging.
   § 3. De minister of de staatssecretaris kan het mandaat van de houder van de management[2 ...]2functie verlengen als de procedure om hem te vervangen ingezet werd, op een regelmatige wijze vervolgd wordt maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. In het geval van een management [2 -1 en -2]2 kan alleen over de verlenging worden beslist door de Minister of de Staatssecretaris op voordracht van de administrateur-generaal of de directeur-generaal. De verlenging is beperkt tot zes maanden en is hernieuwbaar. De hernieuwing van de verlenging van een mandaat van administrateur-generaal of adjunct-administrateur-generaal of van directeur-generaal of adjunct-directeur-generaal, wordt ondergeschikt aan het eensluidend advies van de in raad vergaderde ministers.
   § 4. De minister of de staatssecretaris kan voorzien in de tijdelijke vervanging van een houder van een management[2 ...]2functie, bij een definitief vacant verklaarde betrekking, door een andere houder van een management[2 ...]2functie of een rijksambtenaar van de klassen A4 of A5, ermee te belasten dat mandaat uit te oefenen, als de vervangingsprocedure ingezet werd, op een regelmatige wijze vervolgd wordt maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. Deze persoon maakt bij voorkeur deel uit van dezelfde instelling van openbaar nut. In het geval van een management [2 -1 en -2]2, kan alleen over de verlenging worden beslist door de Minister of de Staatssecretaris op voordracht van de administrateur-generaal of directeur-generaal.
   De vervanger ontvangt gedurende deze vervanging een directiepremie van 735 euro voor de [2 ...]2 duur van één jaar.
  [2 Onverminderd het tweede lid, blijft de premie behouden totdat er een nieuwe mandaathouder is aangesteld.]2
   De directiepremie wordt maandelijks uitbetaald in dezelfde mate en tegen dezelfde voorwaarden als het loon.
   Het bedrag van de premie wordt gekoppeld aan spilindex 138,01.
   § 5. Indien geen voordracht van verlenging of vervanging gedaan wordt door de administrateur-generaal of de directeur-generaal, een maand voor het aflopen van het mandaat en de procedure nog niet heeft geleid tot een aanstelling, kan de minister of de staatssecretaris beslissen over de verlenging of de vervanging van de management[2 ...]2functie.]1

  
Art.26. [1 § 1er. Le mandat prend fin de plein droit et sans qu'il soit nécessaire de le notifier au titulaire de la fonction de management [2 ...]2 :
   1° au terme des périodes visées à l'article 10;
   2° lorsque le titulaire de la fonction de management [2 ...]2 atteint [2 l'âge légal de départ à la retraite]2;
   3° lorsque le titulaire de la fonction de management [2 ...]2 est désigné dans une autre fonction de management [2 ...]2, dès le premier jour où il exerce effectivement cette nouvelle fonction;
   4° lorsque le titulaire bénéficie de fait d'un des congés visés à l'article 15;
  [2 5° lorsque l'organisme, ou le cas-échéant, lorsque le service pour lequel le titulaire de la fonction de management est désigné cesse d'exister.]2
   § 2. Lorsque le titulaire de la fonction de management [2 ...]2 atteint [2 l'âge légal de départ à la retraite]2 en cours de mandat, il peut solliciter la prolongation de son mandat jusqu'au terme de celui-ci, par période maximale d'un an. Les organes visés à l'article 9, alinéa 3, prennent une décision motivée. La demande de prolongation est introduite au moins 6 mois avant la date [2 du départ légal à la retraite]2 ou de la fin de la prolongation.
   § 3. Le ministre ou le secrétaire d'Etat peut prolonger le mandat du titulaire de la fonction de management [2 ...]2 si la procédure pour pourvoir à son remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation. Dans le cas d'une fonction de management [2 -1 ou -2]2, la prolongation ne peut être décidée par le ministre ou le secrétaire d'Etat que sur proposition de l'administrateur général ou du directeur général. La prolongation est limitée à six mois et est renouvelable. Le renouvellement de la prolongation d'un mandat d'administrateur général ou d'administrateur général adjoint ou de directeur général ou de directeur général adjoint, est subordonné à l'avis conforme des ministres réunis en conseil.
   § 4. Le ministre ou le secrétaire d'Etat peut pourvoir au remplacement temporaire d'un titulaire d'une fonction de management [2 ...]2, quand le poste est déclaré définitivement vacant, en chargeant un autre titulaire d'une fonction de management [2 ...]2 ou un agent de l'Etat des classes A4 ou A5 d'exercer ce mandat, si la procédure pour pourvoir à ce remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation. Cette personne fait de préférence partie du même organisme d'intérêt public. Dans le cas d'une fonction de management [2 -1 ou -2]2, la prolongation ne peut être décidée par le ministre ou le secrétaire d'Etat que sur proposition de l'administrateur général ou du directeur général.
   Le remplaçant reçoit pendant ce remplacement une prime de direction de 735 euros pour la durée [2 ...]2 d'un an.
  [2 Sans préjudice de l'alinéa 2, la prime est prolongée jusqu'à la désignation effective d'un titulaire dans la fonction de management.]2
   La prime de direction est liquidée mensuellement dans la même mesure et aux mêmes conditions que le traitement.
   Le montant de la prime est lié à l'indice-pivot 138,01.
   § 5. Si aucune proposition de prolongation ou de remplacement n'est faite par l'administrateur général ou le directeur général un mois avant l'expiration du mandat et si la procédure n'a pas encore abouti à une désignation, le ministre ou le secrétaire d'Etat décident du prolongement ou du remplacement de la fonction de management [2 ...]2.]1

  
Art.26bis. [1 § 1. Aan het einde van het mandaat wordt een outplacement georganiseerd op verzoek van:
   1° ofwel de voormalige houder van de managementfunctie die de bestaande arbeidsrelatie of arbeidsovereenkomst in het federaal openbaar ambt beëindigt;
   2° ofwel de voormalige houder van een managementfunctie die geen arbeidsrelatie of arbeidsovereenkomst heeft in het federaal openbaar ambt.
   Om outplacement te genieten, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
   1° geen arbeidsovereenkomst hebben afgesloten;
   2° geen hoofdactiviteit als zelfstandige uitoefenen;
   3° niet in dienst zijn als ambtenaar bij een overheidsdienst.
   § 2. De houder van de managementfunctie bedoeld in 1 § , eerste lid, dient uiterlijk binnen een maand na afloop van zijn mandaat zijn aanvraag voor outplacement in bij het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
   Het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling begeleidt de federale diensten bij de invoering van het outplacement.
   Het outplacement eindigt zodra niet wordt voldaan aan één van de in § 1, tweede lid, bepaalde voorwaarden.
   De in § 1 bedoelde houder van de managementfunctie brengt de bevoegde overheid en het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning op de hoogte van elke wijziging in zijn beroepssituatie.
   § 3. Onder outplacement wordt verstaan een reeks diensten en adviezen aan de in het eerste lid bedoelde houder van het mandaat om de kansen te verbeteren om sneller een betrekking of een beroepsactiviteit te vinden.
   Het outplacement met een maximale duur van twaalf maanden maakt het voorwerp uit van een schriftelijk akkoord.
   § 4. De houder van een managementfunctie van wie het mandaat van rechtswege is beëindigd in toepassing van artikel 26, § 1, eerste lid, 5°, geniet onder dezelfde modaliteiten het in deze paragraaf bedoelde outplacement.]1

  
Art.26bis. [1 § 1er. Au terme du mandat, est organisé un outplacement, à la demande soit :
   1° de l'ancien titulaire de la fonction de management qui, met un terme à la relation de travail ou au contrat de travail existant dans la fonction publique fédérale ;
   2° de l'ancien titulaire d'une fonction de management qui n'a pas de relation de travail ni de contrat de travail dans la fonction publique fédérale.
   Les conditions suivantes sont requises pour bénéficier de l'outplacement :
   1° ne pas avoir conclu un contrat de travail ;
   2° ne pas exercer une activité principale en tant qu'indépendant ;
   3° ne pas être en service comme agent dans un service public.
   § 2. Le titulaire de la fonction de management visé au § 1er, alinéa 1er introduit sa demande d'outplacement au plus tard dans le mois qui suit la fin de son mandat auprès de la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui.
   La Direction générale Recrutement et Développement accompagne les services fédéraux dans la mise en place de l'outplacement.
   L'outplacement prend fin dès qu'une des conditions visées au § 1er, alinéa 2 n'est pas remplie.
   Le titulaire de la fonction de management visé au § 1er informe l'autorité compétente et la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui de tout changement dans sa situation professionnelle.
   § 3. L'outplacement s'entend comme un ensemble de services et de conseils au titulaire du mandat visé à l'alinéa 1er afin de renforcer les opportunités de retrouver plus rapidement un emploi ou une activité professionnelle.
   L'outplacement d'une durée maximum de douze mois fait l'objet d'un accord écrit.
   § 4. Le titulaire d'une fonction de management dont le mandat a pris fin de plein droit en application de l'article 26, § 1er, alinéa 1er, 5°, bénéficie, selon les mêmes modalités, de l'outplacement visé au présent paragraphe.]1

  
Onderafdeling II. - Vroegtijdige beëindiging.
Sous-section II. - De la fin anticipée.
Art.27. § 1. Wanneer de evaluatie, bedoeld in artikel 18, eerste lid, leidt tot een vermelding " onvoldoende ", eindigt het mandaat op de eerste dag van de maand na die waarin de vermelding werd toegekend.
  § 2. De houder van een management[2 ...]2functie van wie het mandaat werd beëindigd omwille van een vermelding " onvoldoende " en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding.
  § 3. De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de management[2 ...]2functie.
  Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
  [1 Al naargelang de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend [2 bij de eindevaluatie, bij de tweede tussentijdse evaluatie of bij de eerste tussentijdse evaluatie]2, verkrijgt de houder van de management[2 ...]2functie acht maal, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.]1
  [2 Indien artikel 16 lid 4 wordt toegepast en aan het einde van de jaarlijkse evaluatiecyclus volgend op de eerste evaluatiecyclus of, in voorkomend geval, aan het einde van de jaarlijkse evaluatiecyclus voorafgaand aan de laatste evaluatiecyclus een vermelding "onvoldoende" wordt toegekend, ontvangt de houder van een managementfunctie driemaal of zesmaal de beëindigingsvergoeding overeenkomstig het eerste en het tweede lid.]2
  De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen, of rustpensioen heeft genoten zoals bepaald in § 2. Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt afgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen.
  
Art.27. § 1er. Si l'évaluation visée à l'article 18 conduit à une mention " insuffisant ", le mandat prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution de la mention.
  § 2. Le titulaire d'une fonction de management [2 ...]2 dont le mandat a pris fin par suite d'une mention " insuffisant " et qui ne bénéficie et ne pourrait pas bénéficier d'aucun revenu professionnel ou d'aucune pension de retraite reçoit une indemnité de départ.
  § 3. L'indemnité de départ est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management [2 ...]2.
  Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
  [1 Selon que la mention " insuffisant " est attribuée [2 lors de l'évaluation finale, lors de la deuxième évaluation intermédiaire ou lors de la première évaluation intermédiaire]2, le titulaire de la fonction de management [2 ...]2 obtient huit fois, six fois ou trois fois l'indemnité de départ calculée conformément aux alinéas 1er et 2.]1
  [2 S'il est fait application de l'article 16, alinéa 4, et que la mention " insuffisant " est attribuée au terme du cycle d'évaluation annuel suivant le premier cycle d'évaluation ou, le cas échéant, lors de cycle d'évaluation annuel précédant le cycle d'évaluation finale, le titulaire de management obtient trois fois ou six fois l'indemnité de départ conformément aux alinéas 1er et 2.]2
  L'indemnité de départ est liquidée mensuellement moyennant l'introduction chaque mois par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a bénéficié ni de revenus professionnels, ni d'une pension au sens du § 2. Si l'intéressé a introduit une fausse déclaration sur l'honneur, il est redevable d'un montant qui correspond à l'indemnité de départ ou aux indemnités de départ indûment liquidée(s).
  
Art.28. Indien de houder van een management[1 ...]1functie vraagt om zijn mandaat te beëindigen, is, zo de organen bedoeld in artikel 10, § 1 akkoord gaan, een opzegging van zes maand vereist. Deze termijn kan in onderling akkoord verkort worden.
  
Art.28. Si le titulaire d'une fonction de management [1 ...]1 demande qu'il soit mis fin à son mandat un préavis de six mois est requis si les organes visés à l'article 10, § 1er sont d'accord. Ce délai peut être réduit de commun accord.
  
Afdeling II. - Niet-hernieuwing.
Section II. - Du non renouvellement.
Art.29. § 1. De houder van een management[3 ...]3functie van wie de eindevaluatie aanleiding heeft gegeven tot de vermelding [3 ...]3 [3 "goed"]3 en die, na deelname aan een nieuwe vergelijkende selectie geen nieuw mandaat krijgt of van wie de management- of staffunctie niet meer vacant wordt verklaard ontvangt een herintegratievergoeding.
  [2 Wanneer overeenkomstig artikel 23, § 9 aan de houder van de managementfunctie of staffunctie aan het einde van het mandaat de vermelding [3 "goed"]3 van rechtswege wordt toegekend, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover de laatste effectieve tussentijdse evaluatie minstens resulteerde in de vermelding "voldoet aan de verwachtingen".]2
  § 2. De herintegratievergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de management- of staffunctie.
  Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
  § 3. In afwijking van § 2 bestaat voor de in artikel 14 vermelde houder van een management- of staffunctie de herintegratievergoeding uit een forfaitaire som dewelke overeenstemt met één twaalfde van het verschil tussen enerzijds, de wedde zoals vastgesteld in kolom 3 van artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde en anderzijds, het beroepsinkomen dat de houder van de management- of staffunctie zal genieten in de maand volgend op het einde van zijn mandaat.
  De herintegratievergoeding wordt toegekend mits het afleggen door de betrokkene van een verklaring op eer met de vermelding van de maandwedde waarop hij recht heeft of recht zou hebben bij voltijdse prestaties.
  § 4. [3 ...]3
  Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding [3 "goed"]3, verkrijgt de houder van de management- of staffunctie bedoeld in § 1 de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3 volgens de volgende modaliteiten :
  1 1° indien hij één mandaat volbracht heeft, verkrijgt hij tien keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een éénmalige betaling;
  2 2° indien hij twee [3 ...]3 aansluitende mandaten voor dezelfde management- of staffunctie volbracht heeft, verkrijgt hij twaalf keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een éénmalige betaling.
  § 5. Indien de rechthebbende op de herintegratievergoeding binnen de 12 maanden na het einde van zijn mandaat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is § 4 van toepassing. Niettemin wordt in dat geval het bedrag van de herintegratievergoeding, berekend conform § 2 of § 3, vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen het einde van het mandaat en de aanvang van het pensioen.
  [3 § 6. De voormalige houder van een managementfunctie van wie het mandaat van rechtswege is beëindigd in toepassing van artikel 26, § 1, eerste lid, 5°, krijgt eveneens de in dit artikel bedoelde herintegratievergoeding, mits hij bij zijn evaluatie een evaluatievermelding "goed" heeft gekregen.
   § 7. Het bedrag van de herintegratievergoeding wordt in mindering gebracht met een bedrag dat overeenstemt met de kosten van het outplacement bedoeld in artikel 26bis, § 1.
   § 8. De herintegratievergoeding die berekend wordt volgens de modaliteiten van bovenvermelde § 3 wordt in voorkomend geval toegekend aan het niet onder artikel 13 vallende personeelslid dat na uitoefening van een mandaat in een managementfunctie herintegreert naar een betrekking bij het federaal openbaar ambt.]3

  
Art.29. § 1er Le titulaire d'une fonction de management [3 ...]3 dont l'évaluation finale a donné lieu [3 ...]3 à la mention [3 " bon "]3 et qui, après la participation à une nouvelle sélection comparative, ne reçoit pas un nouveau mandat ou dont la fonction de management ou d'encadrement n'est plus déclarée vacante reçoit une indemnité de réintégration.
  [2 Lorsque, conformément à l'article 23, § 9, la mention [3 " bon "]3 est attribuée de plein droit au titulaire de la fonction de management ou d'encadrement à la fin du mandat, l'alinéa premier ne s'applique que pour autant que la dernière évaluation intermédiaire effective ait au moins donné lieu à la mention " répond aux attentes ".]2
  § 2. L'indemnité de réintégration est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management ou d'encadrement.
  Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
  § 3. Par dérogation au § 2, pour le titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement visé à l'article 14, l'indemnité de réintégration est égale à une somme forfaitaire qui correspond à un douzième de la différence entre, d'une part, le traitement tel que fixé à la colonne 3 du tableau repris à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement, et, d'autre part, le revenu professionnel que le titulaire de la fonction de management ou d'encadrement percevra dans le mois qui suit la fin de son mandat.
  L'indemnité de réintégration est liquidée moyennant l'introduction par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur mentionnant le montant mensuel du traitement auquel l'intéresse a droit ou aurait droit pour des prestations complètes.
  § 4. [3 ...]3
  Lorsque l'evaluation finale a donné lieu à la mention [3 " bon "]3, le titulaire de la fonction de management ou d'encadrement visé au § 1er obtient l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 selon les modalités suivantes :
  1° s'il a accompli un seul mandat, il obtient dix fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement;
  2° s'il a accompli deux [3 ...]3 mandats successifs dans la même fonction de management ou d'encadrement, il obtient douze fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement.
  § 5. Si le bénéficiaire de l'indemnité de réintégration atteint l'âge de la retraite dans les douze mois qui suivent la fin de son mandat, le § 4 est d'application. Toutefois, en ce cas, le montant de l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 est multiplié par le nombre de mois entre la fin du mandat et la date de prise de cours de la pension de retraite.
  [3 § 6. L'ancien titulaire d'une fonction de management dont le mandat a pris fin de plein droit en application de l'article 26, § 1er, alinéa 1er, 5°, bénéficie également de l'indemnité de réintégration visée au présent article dès lors qu'il a obtenu une mention d'évaluation " bon " lors de son évaluation.
   § 7. Le montant de l'indemnité de réintégration est diminué d'un montant correspondant aux coûts de l'outplacement visé à l'article 26bis, § 1er.
   § 8. L'indemnité de réintégration calculée selon les modalités prévues au § 3 susmentionné est, le cas échéant, octroyée au membre du personnel non visé par l'article 13 qui réintègre, à la suite d'un mandat exercé dans une fonction de management, un emploi au sein de la fonction publique fédérale.]3

  
Art. 29bis. [1 De houder van een management[3 ...]3functie van wie de eindevaluatie werd besloten met de vermelding "te ontwikkelen" en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding.
   De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de management[3 ...]3functie.
   Onder jaarlijkse bezoldiging moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
   De houder van de management[3 ...]3functie verkrijgt tien maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het tweede en derde lid. De vergoeding wordt echter verminderd tot zes maal indien het mandaat minder dan zes jaar heeft geduurd.
   De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen of pensioen heeft genoten in de zin van het derde lid. [3 De betrokkene, die verklaart geen beroepsinkomen te hebben en arbeidsgeschikt is, heeft slechts recht op de beëindigingsvergoeding indien hij effectief de nodige inspanningen heeft geleverd om een nieuwe betrekking te vinden.]3 Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt voorgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen.]1

  [2 Dit artikel is onder dezelfde voorwaarden ook van toepassing op de houder van een managementfunctie van wie de eindevaluatie wordt van rechtswege afgesloten met de vermelding [3 "goed"]3, in toepassing van artikel 23, § 9, maar die de herintegratievergoeding, bepaald in artikel 29, niet kan krijgen.]2
  
Art. 29bis. [1 Le titulaire d'une fonction de management [3 ...]3 dont l'évaluation finale se conclut par la mention " à développer " et qui ne bénéficie ou ne pourrait bénéficier d'aucun revenu professionnel ou d'aucune pension de retraite reçoit une indemnité de départ.
   L'indemnité de départ est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management [3 ...]3.
   Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
   Le titulaire de la fonction de management [3 ...]3 obtient dix fois l'indemnité de départ calculée conformément aux alinéas 2 et 3. Toutefois, l'indemnité est réduite à six fois si le mandat n'a pas duré 6 ans.
   L'indemnité de départ est liquidée mensuellement moyennant l'introduction chaque mois par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a bénéficié ni de revenus professionnels, ni d'une pension au sens de l'alinéa 3. [3 L'intéressé qui déclare n'avoir aucun revenu professionnel et qui est apte au travail, n'a droit à l'indemnité de départ que s'il a effectivement consenti les efforts nécessaires pour trouver un nouvel emploi.]3 Si l'intéressé a introduit une fausse déclaration sur l'honneur, il est redevable d'un montant qui correspond à l'indemnité de départ ou aux indemnités de départ indûment liquidée(s).]1

  [2 Le présent article s'applique également dans les mêmes conditions au titulaire d'une fonction de management dont l'évaluation finale se conclut de plein droit par la mention [3 " bon "]3 en application de l'article 23, § 9, mais qui ne peut obtenir l'indemnité de réintégration visée dans l'article 29.]2
  
HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van het mandaat.
CHAPITRE VII. - Du renouvellement du mandat.
Art.30. Wanneer een management[3 ...]3functie door de betrokken minister vacant wordt verklaard en de houder ervan, van wie het mandaat verstrijkt, zijn kandidatuur stelt, geven de in artikel 10, § 1, bedoelde organen hem een nieuw mandaat voor zover hij [1 "[3 ...]3 de eindvermelding [3 "goed"]3 heeft gekregen na het eerste mandaat [3 ...]3]1.
  In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk III, Afdelingen II en III, wordt hij in dit geval geacht voldaan te hebben aan de vergelijkende selectie, bedoeld in artikel 7, zonder dat een nieuwe selectieprocedure moet worden georganiseerd.
  [1 Artikel 10 is van toepassing.
   Het eerste lid is alleen van toepassing als de functiebeschrijving noch grondig werd gewijzigd, noch in een andere klasse werd gewogen.]1

  [2 Wanneer overeenkomstig artikel 23, § 9 aan de houder van de management[3 ...]3functie aan het einde van het mandaat de vermelding [3 "goed"]3 van rechtswege wordt toegekend, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover de laatste effectieve tussentijdse evaluatie minstens resulteerde in de vermelding [3 "goed"]3 tijdens het eerste mandaat [3 ...]3.]2
  
Art.30. Si une fonction de management [3 ...]3 est déclarée vacante par le ministre concerné et si son titulaire dont le mandat a pris fin pose sa candidature, les organes visés à l'article 10, § 1er, lui donnent un nouveau mandat pour autant qu'il ait reçu [1 [3 ...]3 la mention finale [3 " bon "]3 après le premier mandat [3 ...]3]1.
  Par dérogation aux dispositions des sections II et III du Chapitre III, il est répute, en ce cas, avoir satisfait à la sélection comparative visée à l'article 7, sans qu'une nouvelle procédure de sélection ne doive être organisée.
  [1 L'article 10 est d'application.
   L'alinéa 1er ne s'applique que si la description de fonction n'a pas été profondément modifiée ni repondérée dans une autre classe.]1

  [2 Lorsque, conformément à l'article 23, § 9, la mention [3 " bon "]3 est attribuée de plein droit au titulaire de la fonction de management [3 ...]3 à la fin du mandat, l'alinéa 1er ne s'applique que pour autant que la dernière évaluation intermédiaire effective ait au moins donné lieu à la mention [3 " bon "]3 pendant le premier mandat [3 ...]3.]2
  
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires.
Art.31. Bij de eerste aanstelling van de administrateur-generaal, adjunct-administrateur-generaal, directeur-generaal, adjunct)directeur-generaal en de houders van een managementfunctie -1, blijven de huidige leidinggevende ambtenaren evenals hun adjuncten hun functie uitoefenen tot de dag dat de betrokken houder van de managementfunctie in dienst treedt.
  De voormalige leidinggevende ambtenaren die niet in een managementfunctie of staffunctie worden aangesteld en voor zover ze niet worden geïntegreerd in loopbaan A, worden door de bevoegde minister aangesteld als opdrachthouder. De opdracht wordt na overleg door de minister bepaald. Zij behouden het voordeel van hun weddenschaal die gekoppeld is aan hun afgeschafte graad.
Art.31. Lors de la première désignation de l'administrateur général, de l'administrateur général adjoint, du directeur général, du directeur général adjoint et des titulaires d'une fonction de management -1, les fonctionnaires dirigeants en fonction ainsi que leurs adjoints, continuent à exercer leur fonction jusqu'au jour où le titulaire de la fonction de management entre en fonction.
  Les précédents fonctionnaires dirigeants qui ne sont pas désignés pour une fonction de management et pour autant qu'ils ne sont pas intégrés dans la carrière A, sont désignés comme chargés de mission par le ministre compétent. La mission est déterminée par le ministre. Ils conservent le bénéfice de leur échelle de traitement, liée à leur grade supprimé.
(NOTA : Bij arrest nr. 214.191 van 27-06-2001, heeft de Raad van State , afdeling administratie, IXe Kamer, art. 31, vernietigd , in de mate dat dit artikel van toepassing is op het Nationaal Geografisch Instituut ; zie B.St. 29-07-2011, Ed. 2, p. 43772)
(NOTE : par son arrêt n° 214.191 du 27-06-2001, le Conseil d'Etat, Section administration, IXe Chambre, a annulé l'art. 31, dans la mesure où cet article est applicable à l'Institut géographique national ; voir M.B. 29-07-2011, Ed. 2, p. 43772)
HOOFDSTUK IX. - Slotbepaling.
CHAPITRE IX. - Disposition finale.
Art.32. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art.32. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 33. Onze Ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 33. Nos Ministres sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.