Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
7 MAART 2006. - Koninklijk besluit met betrekking tot de effectenleningen door bepaalde instellingen voor collectieve belegging (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-03-2006 en tekstbijwerking tot 05-11-2018)
Titre
7 MARS 2006. - Arrêté royal relatif aux prêts de titres par certains organismes de placement collectif (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-03-2006 et mise à jour au 05-11-2018)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (32)
Texte (32)
HOOFDSTUK I. - Algemene Bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit besluit bepaalt de grenzen waarbinnen en de voorwaarden waaronder het de Belgische openbare instellingen voor collectieve belegging met veranderlijk aantal rechten van deelneming die zijn ingeschreven op de lijst als bedoeld in artikel 31 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles en die hebben geopteerd voor de categorieën van toegelaten beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1° of 2°, van deze wet is toegelaten effecten uit te lenen.
Article 1. Le présent arrêté détermine les limites dans lesquelles et les conditions auxquelles les organismes de placement collectif publics belges à nombre variable de parts qui sont inscrits sur la liste visée à l'article 31 de la loi du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement et qui ont opté pour les catégories de placements autorisés visées à l'article 7, alinéa 1er, 1° ou 2°, de cette loi sont autorisés à prêter des titres.
Art.2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " de wet van 20 juli 2004 " : de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;
  2° " het koninklijk besluit van 4 maart 2005 " : het koninklijk besluit van 4 maart 2005 met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging;
  3° " effectenlening " : verrichting waarmee een partij de eigendom van een bepaald aantal effecten overdraagt aan een tegenpartij, op voorwaarde voor de tegenpartij om hem, onder de contractueel voorziene voorwaarden, het zelfde aantal gelijkwaardige effecten terug te bezorgen, met uitsluiting van cessieretrocessieovereenkomsten (" repo's ");
  4° " effectenleningsysteem " : gestandaardiseerd en georganiseerd systeem dat wordt beheerd door een principaal of een agent, zelfs als bijkomstige activiteit, en waarvan het doel bestaat uit het afsluiten van effectenleningen;
  5° " principaal " : de beheerder van een effectenleningsysteem aan wie de eigendom van de in het kader van het effectenleningsysteem uitgeleende effecten wordt overgedragen door de uitlener;
  6° " agent " : de beheerder van een effectenleningsysteem, tussenkomend in het afsluiten van effectenleningen, aan wie de eigendom van de in het kader van het effectenleningsysteem uitgeleende effecten niet wordt overgedragen door de uitlener;
  7° " verrichting buiten systeem " of " buiten systeem " : effectenlening die anderszins dan in het kader van een effectenleningsysteem wordt afgesloten;
  8° " tegenpartij " : de persoon aan wie, in het kader van een effectenlening, de eigendom van de uitgeleende effecten wordt overgedragen door de uitlener;
  9° " effecten " : de effecten en de geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 2, 2° en 3° van het koninklijk besluit van 4 maart 2005;
  10° " gelijkwaardige effecten " : effecten met dezelfde kenmerken en ter waarde van hetzelfde bedrag of effecten die, bij overeenkomst, als dusdanig worden aanvaard;
  11° " kredietinstelling " : een instelling in de zin van artikel 1, tweede lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen die onder het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte valt, of die in België gevestigd is, of die onder het recht van een lidstaat van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling valt en onderworpen is aan een statuut en toezicht die door de [2 FSMA]2 gelijkwaardig is bevonden;
  12° " verrekenings- of vereffeningsinstelling " : een verrekenings- of vereffeningsinstelling als bedoeld in de artikelen 22, 3° en 23 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  13° " beleggingsonderneming " : een onderneming waarvan het gewone bedrijf bestaat in het beroepsmatig verrichten voor derden van beleggingsdiensten in de zin van artikel 46, 1°, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs en die onder het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte valt, of die in België gevestigd is, of die onder het recht van een lidstaat van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling valt en onderworpen is aan een statuut en toezicht die door de [2 FSMA]2 gelijkwaardig is bevonden;
  14° " bewaarder " : een bewaarder van een instelling voor collectieve belegging als bedoeld in artikel 48 van de wet van 20 juli 2004;
  15° " de wet van 15 december 2004 " : de wet van 15 december 2004 betreffende de financiële zekerheden;
  16° " financiële zekerheid " : een zekerheid voortvloeiend uit een zakelijke-zekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 15 december 2004, met uitsluiting van cessieretrocessieovereenkomsten (" repo's ");
  17° " wanprestatie " : een wanprestatie in de zin van artikel 3, 7° van de wet van 15 december 2004;
  18° " contanten " : de rechten die voortvloeien uit op een rekening gecrediteerde gelden in ongeacht welke valuta alsook chartaal geld;
  19° " verbonden persoon " : een persoon die verbonden is met een persoon in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen;
  20° " insolventieprocedure " : het faillissement, [1 de gerechtelijke reorganisatie]1, de collectieve schuldenregeling of elke andere Belgische of buitenlandse rechterlijke, administratieve of vrijwillige collectieve procedure als bedoeld in artikel 3, 5° van de wet van 15 december 2004;
  21° " gereglementeerde markt " : een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3° van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  22° " monetaire instelling voor collectieve belegging " : een instelling voor collectieve belegging waarvan het in het prospectus opgenomen beleggingsbeleid de vaste verbintenis inhoudt een rendement na te streven dicht bij het rendement bekomen op de geldmarkt en het grootste deel van haar middelen te beleggen in geldmarktinstrumenten waarvan de resterende duurtijd lager is dan een jaar;
  23° " [2 FSMA]2 " : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
  
Art.2. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
  1° " la loi du 20 juillet 2004 " : la loi du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement;
  2° " l'arrêté royal du 4 mars 2005 " : l'arrêté royal du 4 mars 2005 relatif à certains organismes de placement collectif publics;
  3° " prêt de titres " : l'opération par laquelle une partie transfère la propriété d'un certain nombre de titres à une contrepartie, à charge pour la contrepartie de lui restituer, aux conditions prévues contractuellement, le même nombre de titres équivalents, à l'exclusion des conventions de cession-rétrocession (" repos ");
  4° " système de prêt de titres " : un système standardisé et organisé géré par un principal ou par un agent, même à titre d'activité accessoire, et dont l'objet est la conclusion de prêts de titres;
  5° " principal " : le gestionnaire d'un système de prêt de titres à qui la propriété des titres prêtés dans le cadre du système de prêt de titres est cédée par le prêteur;
  6° " agent " : le gestionnaire d'un système de prêt de titres, intervenant dans la conclusion de prêts de titres, à qui la propriété des titres prêtés dans le cadre du système de prêt de titres n'est pas cédée par le prêteur;
  7° " opération hors système " ou " hors système " : un prêt de titres conclu autrement que dans le cadre d'un système de prêt de titres;
  8° " contrepartie " : la personne à qui, dans le cadre d'un prêt de titres, la propriété des titres prêtés est cédée par le prêteur;
  9° " titres " : les valeurs mobilières et les instruments du marché monétaire visés à l'article 2, 2° et 3°, de l'arrêté royal du 4 mars 2005;
  10° " titres équivalents " : des titres présentant les mêmes caractéristiques pour le même montant ou acceptés conventionnellement comme tels;
  11° " établissement de crédit " : un établissement au sens de l'article 1er, alinéa 2, de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, relevant du droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen, ou établi en Belgique, ou relevant du droit d'un Etat membre de l'Organisation de coopération et de développement économiques et soumis à un statut et à un contrôle jugés équivalents par la [2 FSMA]2;
  12° " organisme de compensation ou de liquidation " : un organisme de compensation ou de liquidation au sens des articles 22, 3°, et 23 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
  13° " entreprise d'investissement " : une entreprise dont l'activité habituelle consiste à fournir à des tiers à titre professionnel des services d'investissement au sens de l'article 46, 1°, de la loi du 6 avril 1995 relative au statut des entreprises d'investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements, relevant du droit d'un Etat membre de l'Espace économique européen, ou établie en Belgique, ou relevant du droit d'un Etat membre de l'Organisation de coopération et de développement économiques et soumise à un statut et à un contrôle jugés équivalents par la [2 FSMA]2;
  14° " dépositaire " : un dépositaire d'organisme de placement collectif tel que visé à l'article 48 de la loi du 20 juillet 2004;
  15° " la loi du 15 décembre 2004 " : la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés financières;
  16° " garantie financière " : une garantie découlant d'une convention constitutive de sûreté réelle, telle que visée à l'article 3, 3°, de la loi du 15 décembre 2004, à l'exclusion des conventions de cession-rétrocession (" repos ");
  17° " défaut d'exécution " : un défaut d'exécution au sens de l'article 3, 7°, de la loi du 15 décembre 2004;
  18° " espèces " : les droits découlant de fonds portés en compte, quelle qu'en soit la devise, ainsi que la monnaie fiduciaire;
  19° " personne liée " : une personne qui a avec une autre personne un lien de filiation au sens de l'article 11 du Code des sociétés;
  20° " procédure d'insolvabilité " : la faillite, [1 la réorganisation judiciaire]1, le règlement collectif de dettes ou toute autre procédure collective judiciaire, administrative ou volontaire, belge ou étrangère, telle que visée à l'article 3, 5°, de la loi du 15 décembre 2004;
  21° " marché réglementé " : un marché réglementé au sens de l'article 2, 3°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
  22° " organisme de placement collectif monétaire " : un organisme de placement collectif dont la politique d'investissement reprise dans le prospectus comporte l'engagement ferme de viser un rendement proche de celui obtenu sur le marché monétaire et d'investir la majeure partie de ses moyens dans des instruments du marché monétaire, à savoir des instruments dont la durée de vie résiduelle est inférieure à un an;
  23° " [2 FSMA]2 " : la Commission bancaire, financière et des assurances, visée à l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
  
HOOFDSTUK II. - Grenzen en voorwaarden.
CHAPITRE II. - Limites et conditions.
Afdeling I. - Toegelaten verrichtingen.
Section Ire. - Opérations autorisées.
Art.3. De effectenlening moet voldoen aan de in dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden en grenzen, en moet ofwel worden afgesloten in het kader van een effectenleningsysteem beheerd door een agent of een principaal, ofwel buiten systeem.
Art.3. Le prêt de titres doit répondre aux conditions et limites déterminées dans le présent chapitre, et être conclu soit dans le cadre d'un système de prêt de titres géré par un agent ou par un principal, soit hors système.
Afdeling II. - Vereisten met betrekking tot de tegenpartij en de agent.
Section II. - Exigences relatives à la contrepartie et à l'agent.
Art.4. Zowel de tegenpartij als de agent moeten behoren tot één van de volgende categorieën :
  a) een kredietinstelling; of
  b) een beleggingsonderneming; of
  c) een verrekenings- of vereffeningsinstelling; of
  d) een centrale bank van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de Europese Centrale Bank, de Europese Investeringsbank of een internationale publiekrechtelijke financiële instelling waarin een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen.
Art.4. Tant la contrepartie que l'agent doivent appartenir à l'une des catégories suivantes :
  a) un établissement de crédit; ou
  b) une entreprise d'investissement; ou
  c) un organisme de compensation ou de liquidation; ou
  d) une banque centrale d'un Etat membre de l'Espace économique européen, la Banque centrale européenne, la Banque européenne d'investissement ou un organisme financier international à caractère public dont font partie un ou plusieurs Etats membres de l'Espace économique européen.
Art.5. § 1. De tegenpartij mag niet behoren tot één of meer van de volgende categorieën :
  a) een persoon die voor de uitlenende instelling voor collectieve belegging beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9°, a) van de wet van 20 juli 2004 verzekert of een daarmee verbonden persoon; of
  b) een bestuurder van de uitlenende instelling voor collectieve belegging of van de persoon die voor de uitlenende instelling voor collectieve belegging beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9°, a) van de wet van 20 juli 2004 verzekert, of een daarmee verbonden persoon.
  § 2. De verbodsbepaling van de eerste paragraaf, a) is niet van toepassing wanneer :
  a) de effectenlening wordt afgesloten in het kader van een effectenleningsysteem en middels een procedure van aleatoire (" at random ") toewijzing tussen de kandidaat-uitleners; en
  b) een substantieel deel van de in het kader van het effectenleningsysteem beschikbaar gestelde effecten is afkomstig van kandidaat-uitleners andere dan :
  i. de uitlenende instelling voor collectieve belegging; en
  ii. de instellingen voor collectieve belegging waarvan beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9°, a) van de wet van 20 juli 2004 worden verzekerd door de personen bedoeld in de eerste paragraaf, a).
  De verbodsbepaling van de eerste paragraaf, b) is niet van toepassing wanneer :
  a) de effectenlening wordt afgesloten in het kader van een effectenleningsysteem en middels een procedure van aleatoire (" at random ") toewijzing tussen de kandidaat-uitleners; en
  b) een substantieel deel van de in het kader van het effectenleningsysteem beschikbaar gestelde effecten is afkomstig van kandidaat-uitleners andere dan :
  i. de uitlenende instelling voor collectieve belegging; en
  ii. de instellingen voor collectieve belegging binnen wiens raad van bestuur de bestuurder bedoeld in de eerste paragraaf, b), of een daarmee verbonden persoon, een mandaat uitoefent.
  Een procedure van aleatoire (" at random ") toewijzing tussen de kandidaat-uitleners veronderstelt dat de selectie van de in het kader van het effectenleningsysteem beschikbaar gestelde effecten gebeurt, door de agent of de principaal, volgens een gestandaardiseerde procedure die is gebaseerd op objectieve criteria die een onpartijdige en billijke selectie van de kandidaat-uitleners verzekeren en die er eveneens toe leidt dat de kandidaat-ontlener niet kan identificeren wie de uitlener zal zijn van de effecten die hij wenst te ontlenen.
  § 3. De verbodsbepaling van de eerste paragraaf is evenmin van toepassing wanneer de effectenlening wordt afgesloten in het kader van een effectenleningsysteem en de vergoeding van de instelling voor collectieve belegging bestaat uit een vast bedrag voor de terbeschikkingstelling gedurende een bepaalde periode van de uitleenbare effecten dat niet in functie staat van de effectief gedurende deze periode afgesloten effectenleningen.
  § 4. De verbodsbepaling van de eerste paragraaf is evenmin van toepassing op een effectenleningsysteem dat waarborgen bevat die op gelijkwaardige wijze als het in paragraaf 2 bedoelde systeem van toewijzing of als het in paragraaf 3 bedoelde systeem van vergoeding een uitzondering verantwoorden op de verbodsbepaling van de eerste paragraaf door bij het aangaan van de effectenlening de rechtstreekse band te doorbreken tussen de tegenpartij die behoort tot een van de categorieën als bedoeld in de eerste paragraaf en de uitlenende instelling voor collectieve belegging of diens vergoeding.
  De technische voorwaarden van de waarborgen als bedoeld in het eerste lid worden nader bepaald bij een reglement van de [1 FSMA]1 genomen op basis van artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
  § 5. De instelling voor collectieve belegging waarvan de verrichting wordt geviseerd door paragraaf 3, vergewist zich er voorafgaandelijk van dat zij kan voldoen aan de rapporteringsverplichting van artikel 18, § 3.
  Het eerste lid is ook van toepassing wanneer, voor de toepassing van paragraaf 4, het de gelijkwaardigheid van het effectenleningsysteem met het in de paragraaf 3 bedoelde systeem van vergoeding is die een uitzondering verantwoordt op de verbodsbepaling van de eerste paragraaf.
  
Art.5. § 1er. La contrepartie ne peut pas appartenir à une ou plusieurs des catégories suivantes :
  a) une personne qui assure pour l'organisme de placement collectif prêteur des fonctions de gestion visées à l'article 3, 9°, a), de la loi du 20 juillet 2004 ou une personne liée à celle-ci; ou
  b) un administrateur de l'organisme de placement collectif prêteur ou de la personne qui assure pour l'organisme de placement collectif prêteur des fonctions de gestion visées à l'article 3, 9°, a), de la loi du 20 juillet 2004, ou une personne liée à ceux-ci.
  § 2. L'interdiction visée au § 1er, a), ne s'applique pas lorsque :
  a) le prêt de titres est conclu dans le cadre d'un système de prêt de titres et par une procédure d'allocation aléatoire (" at random ") entre les candidats prêteurs; et
  b) une partie substantielle des titres mis à disposition dans le cadre de ce système provient de candidats prêteurs autres que :
  i. l'organisme de placement collectif prêteur; et
  ii. les organismes de placement collectif dont des fonctions de gestion visées à l'article 3, 9°, a), de la loi du 20 juillet 2004 sont assurées par les personnes visées au § 1er, a).
  L'interdiction visée au § 1er, b), ne s'applique pas lorsque :
  a) le prêt de titres est conclu dans le cadre d'un système de prêt de titres et par une procédure d'allocation aléatoire (" at random ") entre les candidats prêteurs; et
  b) une partie substantielle des titres mis à disposition dans le cadre de ce système provient de candidats prêteurs autres que :
  i. l'organisme de placement collectif prêteur; et
  ii. les organismes de placement collectif au sein du conseil d'administration desquels l'administrateur visé au § 1er, b), ou une personne liée à celui-ci, exerce un mandat.
  Une procédure d'allocation aléatoire (" at random ") entre les candidats prêteurs suppose que la sélection des titres mis à disposition dans le cadre du système de prêt de titres soit réalisée, par l'agent ou le principal, selon une procédure standardisée qui est fondée sur des critères objectifs assurant une sélection impartiale et équitable des candidats prêteurs et de la laquelle il résulte que le candidat emprunteur ne peut identifier qui sera le prêteur des titres qu'il souhaite emprunter.
  § 3. L'interdiction visée au § 1er ne s'applique pas non plus lorsque le prêt de titres est conclu dans le cadre d'un système de prêt de titres et que la rémunération de l'organisme de placement collectif consiste en une somme fixe pour la mise à disposition pendant une période déterminée des titres prêtables et qui n'est pas fonction des prêts de titres effectivement conclus pendant cette période.
  § 4. L'interdiction visée au § 1er ne s'applique pas non plus à un système de prêt de titres qui offre des garanties qui, de la même manière que le système d'allocation visé au § 2 ou le système de rémunération visé au § 3, justifient une exception à l'interdiction visée au § 1er en coupant, lors de la conclusion du prêt de titres, le lien direct entre la contrepartie qui appartient à une des catégories visées au § 1er et l'organisme de placement collectif prêteur ou sa rémunération.
  Les conditions techniques des garanties visées à l'alinéa 1er sont précisées par un règlement de la [1 FSMA]1 pris conformément à l'article 64 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
  § 5. L'organisme de placement collectif dont l'opération est visée par le § 3, s'assure préalablement qu'il est à même de satisfaire à l'obligation de faire rapport visée à l'article 18, § 3.
  L'alinéa 1er s'applique également lorsque, pour l'application du § 4, c'est l'équivalence du système de prêt de titres avec le système de rémunération visé au § 3 qui justifie l'exception à l'interdiction visée au § 1er.
  
Afdeling III. - Vereisten met betrekking tot de effectenleningovereenkomst.
Section III. - Exigences relatives au convention de prêt de titres.
Art.6. § 1. De effectenleningen moeten worden afgesloten tegen de normale marktvoorwaarden, inzonderheid voor wat betreft de prijs.
  Wanneer de effectenlening wordt afgesloten in het kader van een effectenleningsysteem, moet de hoogte van de vergoeding van de principaal of de agent beantwoorden aan de normale marktvoorwaarden.
  § 2. De instelling voor collectieve belegging moet over de contractuele mogelijkheid beschikken om te allen tijde de effectenlening te beëindigen en de teruggave van equivalente effecten te verkrijgen binnen de, rekening houdend met de markt, kortst mogelijke termijn.
  De instelling voor collectieve belegging of de persoon die voor de uitlenende instelling voor collectieve belegging beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9°, a) van de wet van 20 juli 2004 verzekert dient er zich voorafgaandelijk van te vergewissen dat de redelijke uitoefening van het in het eerste lid bedoelde recht niet leidt tot een vergoedingsplicht in haar hoofde op het moment van de beëindiging van de lening.
  De niet teruggave van effecten gelijkwaardig aan de uitgeleende effecten binnen de, rekening houdend met de markt, kortst mogelijke termijn volgend op de uitoefening van dit contractuele recht wordt beschouwd als een wanprestatie.
  § 3. De effectenleningen moeten het voorwerp uitmaken van een overeenkomst die de voornaamste beschermingsregels voor de uitlener herneemt die gebruikelijk zijn in de internationale kaderovereenkomsten die voor dit soort verrichtingen in de markt algemeen aanvaard worden.
Art.6. § 1er. Les prêts de titres doivent être conclus aux conditions normales du marché, notamment concernant le prix.
  Lorsque le prêt de titres est conclu dans le cadre d'un système de prêt de titres, le niveau de la rémunération du principal ou de l'agent doit également répondre aux conditions normales du marché.
  § 2. L'organisme de placement collectif doit disposer de la possibilité contractuelle de mettre fin à tout moment au prêt de titres et d'obtenir la restitution de titres équivalents dans les meilleurs délais possibles, tenant compte des pratiques du marché.
  L'organisme de placement collectif ou la personne qui assure des fonctions de gestion visées à l'article 3, 9°, a), de la loi du 20 juillet 2004 pour l'organisme de placement collectif prêteur s'assure préalablement que l'exercice raisonnable du droit visé à l'alinéa 1er n'entraîne pas dans son chef le paiement d'une indemnité lorsqu'il est mis fin au prêt.
  La non-restitution dans les meilleurs délais possibles, tenant compte des pratiques du marché, de titres équivalents aux titres prêtés à la suite de l'exercice de ce droit contractuel est considérée comme un défaut d'exécution.
  § 3. Les prêts de titres doivent faire l'objet d'une convention reprenant les principales règles de protection du prêteur qui sont d'usage dans les conventions-cadres internationales généralement acceptées dans le marché pour ce genre d'opérations.
Afdeling IV. - Vereisten met betrekking tot de bedrijfsuitoefening.
Section IV. - Exigences relatives à l'exercice de l'activité.
Art.7. § 1. De effectenleningen mogen geen wijziging teweegbrengen in het risicoprofiel van de uitlenende instelling voor collectieve belegging.
  § 2. De effectenleningen mogen de bewaarder niet beletten de taken die hem zijn opgedragen in de zin van artikel 9 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005 te vervullen.
  § 3. De effectenleningen, en inzonderheid het volume aan uitgeleende effecten, mogen geen belemmering vormen voor het beheer van de activa van de uitlenende instelling voor collectieve belegging overeenkomstig haar beleggingsbeleid, noch om aan enige vraag tot terugbetaling of inkoop te voldoen.
Art.7. § 1er. Les prêts de titres ne peuvent pas entraîner une modification du profil de risque de l'organisme de placement collectif prêteur.
  § 2. Les prêts de titres ne peuvent empêcher le dépositaire d'accomplir les tâches qui lui sont dévolues conformément à l'article 9 de l'arrêté royal du 4 mars 2005.
  § 3. Les prêts de titres, et notamment le volume des titres prêtés, ne peuvent pas compromettre la gestion des actifs de l'organisme de placement collectif prêteur conformément à sa politique d'investissement ni l'exécution de toute demande de remboursement ou de rachat.
Art.8. De uitlenende instelling voor collectieve belegging of de beheervennootschap die zij heeft aangesteld overeenkomstig artikel 43, § 1 van de wet van 20 juli 2004 moet, conform met de artikelen 40, § 1, vijfde lid en 153, § 1, vijfde lid van de wet van 20 juli 2004, een methode van risicobeheer toepassen waarmee zij te allen tijde het risico van de afgesloten effectenleningen kan controleren en kan nagaan wat het aandeel daarvan is in het totale risicoprofiel van de portefeuille.
Art.8. L'organisme de placement collectif prêteur ou la société de gestion qu'il a désignée conformément à l'article 43, § 1er, de la loi du 20 juillet 2004, doit, conformément aux articles 40, § 1er, alinéa 5, et 153, § 1er, alinéa 5, de la loi du 20 juillet 2004, employer une méthode de gestion des risques qui lui permette de contrôler et de mesurer à tout moment le risque associé aux prêts de titres conclus et la contribution de ceux-ci au profil de risque général du portefeuille.
Art.9. [1 Alle inkomsten die voortkomen uit de effectenlening, verrekend met directe en indirecte operationele kosten, moeten aan de uitlenende instelling voor collectieve belegging worden overgedragen.]1
  
Art.9. [1 Tous les revenus résultant du prêt de titres, nets des coûts opérationnels directs et indirects doivent être restitués à l'organisme de placement collectif prêteur.]1
  
Art.10. De effecten die het voorwerp vormen van de effectenlening moeten worden beschouwd als deel uitmakende van de portefeuille van de uitlenende instelling voor collectieve belegging voor de berekening van de beleggingslimieten voorzien door de artikelen 32, § 2, 34, 37, 38, 39, 41, 45, § 2, 47, 50, 51, 52 en 55 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005.
Art.10. Les titres qui font l'objet du prêt de titres doivent être considérés comme faisant partie du portefeuille de l'organisme de placement collectif prêteur pour le calcul des limites d'investissement prévues par les articles 32, § 2, 34, 37, 38, 39, 41, 45, § 2, 47, 50, 51, 52 et 55 de l'arrêté royal du 4 mars 2005.
Afdeling V. - Financiële zekerheid.
Section V. - Garantie financière.
Art.11. Voor elke effectenlening moet de uitlenende instelling voor collectieve belegging de begunstigde zijn van een financiële zekerheid die geldig tot stand gebracht en tegenstelbaar is, en die beantwoordt aan de in deze afdeling bepaalde voorwaarden.
Art.11. Pour chaque prêt de titres, l'organisme de placement collectif prêteur doit être le bénéficiaire d'une garantie financière valablement constituée et opposable, répondant aux conditions prévues dans la présente section.
Art.12. De financiële zekerheid kan enkel worden gevormd door :
  a) contanten; of
  b) obligaties en andere schuldinstrumenten, uitgegeven of gewaarborgd door de centrale bank van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de Europese Centrale Bank, de Europese Unie of de Europese Investeringsbank, een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, dan wel door een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen, andere dan de tegenpartij of een daarmee verbonden persoon, en die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt; of
  c) rechten van deelneming in een monetaire instelling voor collectieve belegging die beantwoorden aan de Richtlijn 85/611/EEG of die beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 32, § 1, 6° van het koninklijk besluit van 4 maart 2005, en waarvan de netto-inventariswaarde dagelijks wordt berekend en bekendgemaakt.
  Wanneer de effectenlening wordt afgesloten in het kader van een effectenleningsysteem, kan de financiële zekerheid ook worden gevormd door obligaties die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt en waaraan door een externe en erkende credit-ratinginstelling een rating is toegekend die hoger is dan de " investment grade ". Deze obligaties mogen niet zijn uitgegeven door de tegenpartij of een daarmee verbonden persoon.
Art.12. La garantie financière ne peut consister que dans :
  a) des espèces; ou
  b) des obligations et autres titres de créance, émis ou garantis par une banque centrale d'un Etat membre de l'Espace économique européen, par la Banque centrale européenne, par l'Union européenne ou par la Banque européenne d'investissement, par un Etat membre de l'Espace économique européen ou de l'Organisation de coopération et de développement économiques, ou par un organisme international à caractère public dont font partie un ou plusieurs Etats membres de l'Espace économique européen, autre que la contrepartie ou une personne liée à celle-ci, et admis à la négociation sur un marché réglementé; ou
  c) des parts d'organisme de placement collectif monétaire répondant aux conditions prévues par la directive 85/611/CEE ou répondant aux conditions prévues par l'article 32, § 1er, 6°, de l'arrêté royal du 4 mars 2005, et dont la valeur nette d'inventaire est calculée et publiée quotidiennement.
  Si le prêt de titres est conclu dans le cadre d'un système de prêt de titres, la garantie financière peut également être constituée par des obligations admises à la négociation sur un marché réglementé et auxquelles un organisme d'évaluation externe et reconnu a attribué une notation d'un niveau supérieur à l' " investment grade ". L'émetteur de ces obligations ne peut pas être la contrepartie ou une personne liée à celle-ci.
Art.13. De financiële zekerheid moet aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
  a) de oorspronkelijke financiële zekerheid moet zijn tot stand gebracht ten gunste van de uitlenende instelling voor collectieve belegging voorafgaandelijk aan of gelijktijdig met de levering van de uitgeleende effecten;
  b) de financiële zekerheid moet ten minste dagelijks worden gewaardeerd aan haar reële waarde en moet de reële waarde van de uitgeleende effecten ten allen tijde overtreffen;
  c) de financiële zekerheid mag enkel aan verwaarloosbare risico's zijn blootgesteld en moet liquide zijn;
  d) in geval van vervanging van de financiële zekerheid moet de levering van de in de plaats gestelde financiële zekerheid voorafgaandelijk aan of gelijktijdig met de teruggave van de vervangen financiële zekerheid plaatsvinden;
  e) de teruggave van de effecten gelijkwaardig aan de uitgeleende effecten moet voorafgaandelijk aan of gelijktijdig met de teruggave van de financiële zekerheid plaatsvinden;
  f) de financiële zekerheid, met inbegrip van elke doorgevoerde marge-opvraging of vervanging, moet zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing realiseerbaar zijn in geval van wanprestatie van de tegenpartij, niettegenstaande de opening van een insolventieprocedure die de tegenpartij treft.
  De naleving van de voorwaarde vermeld in het eerste lid, f), moet worden gestaafd door geschreven en naar behoren gemotiveerde juridische adviezen.
Art.13. La garantie financière doit remplir les conditions suivantes :
  a) la garantie financière initiale doit être constituée au profit de l'organisme de placement collectif prêteur préalablement ou simultanément a la livraison des titres prêtés;
  b) la garantie financière doit être évaluée au moins quotidiennement à sa valeur réelle et doit depasser à tout moment la valeur réelle des titres prêtés;
  c) la garantie financière ne peut être exposée qu'à des risques minimes et doit être liquide;
  d) en cas de substitution de la garantie financière, la livraison de la garantie financière donnée en substitution doit être effectuée préalablement ou simultanément à la restitution de la garantie financière substituée;
  e) la restitution des titres équivalents aux titres prêtés doit être effectuée préalablement ou simultanément à la restitution de la garantie financière;
  f) la garantie financière, en ce compris tout appel de marge ou substitution effectué, doit être réalisable sans mise en demeure ni décision judiciaire préalable en cas de défaut d'exécution de la contrepartie, nonobstant l'ouverture d'une procédure d'insolvabilité affectant la contrepartie.
  Le respect de la condition mentionnée à l'alinéa 1er, f), doit être établi par des avis juridiques écrits et dûment motivés.
Art.14. De financiële zekerheid als bedoeld in artikel 12, eerste lid, a) kan enkel in de volgende activa worden herbelegd :
  a) in deposito's bij een kredietinstelling die niet de tegenpartij is of een daarmee verbonden persoon; of
  b) in geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 32, § 1, 1° tot 3° van het koninklijk besluit van 4 maart 2005 en die niet zijn uitgegeven door de tegenpartij of een daarmee verbonden persoon; of
  c) in rechten van deelneming in een monetaire instelling voor collectieve belegging die beantwoorden aan de Richtlijn 85/611/EEG of die beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 32, § 1, 6° van het koninklijk besluit van 4 maart 2005, en waarvan de netto-inventariswaarde dagelijks wordt berekend en bekendgemaakt; of
  d) in effecten in de zin van artikel 2, 2° van het koninklijk besluit van 4 maart 2005 uitgegeven of gewaarborgd door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de G10, die niet de tegenpartij of een daarmee verbonden persoon is.
  De financiële zekerheden als bedoeld in artikel 12, eerste lid, b) en c) in artikel 12, tweede lid kunnen niet worden verkocht, noch worden in pand gegeven, noch op enige andere manier worden herbelegd.
Art.14. La garantie financière visée à l'article 12, alinéa 1er, a), ne peut être réinvestie que dans les actifs suivants :
  a) en dépôts auprès d'un établissement de crédit autre que la contrepartie ou une personne liée à celle-ci; ou
  b) en instruments du marché monétaire visés à l'article 32, § 1er, 1° à 3°, de l'arrête royal du 4 mars 2005 et dont l'émetteur n'est pas la contrepartie ou une personne liée à celle-ci; ou
  c) en parts d'organisme de placement collectif monétaire répondant aux conditions prévues par la directive 85/611/CEE ou répondant aux conditions prévues par l'article 32, § 1er, 6°, de l'arrête royal du 4 mars 2005, et dont la valeur nette d'inventaire est calculée et publiée quotidiennement; ou
  d) en valeurs mobilières au sens de l'article 2, 2°, de l'arrêté royal du 4 mars 2005, émises ou garanties par un Etat membre de l'Espace économique européen ou du G10, autre que la contrepartie ou une personne liée à celle-ci.
  Les garanties financières visées à l'article 12, alinéa 1er, b) et c), et à l'article 12, alinéa 2, ne peuvent être ni vendues, ni mises en gage, ni réinvesties d'aucune autre manière.
Art.15. De financiële zekerheid mag slechts worden gehouden door een kredietinstelling of een beleggingsonderneming waarvan de vergunning het houden van de financiële zekerheid dekt, en die niet de tegenpartij is.
Art.15. La garantie financière ne peut être conservée que par un établissement de crédit ou une entreprise d'investissement dont l'agrément couvre la conservation de la garantie financière, et qui n'est pas la contrepartie.
Afdeling VI. - effectenleningenbeleid en informatieverplichtingen.
Section VI. - Politique de prêt de titres et obligations d'information.
Art.16. De uitlenende instelling voor collectieve belegging of de persoon die voor de uitlenende instelling voor collectieve belegging beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9°, a) van de wet van 20 juli 2004 verzekert moet een beleid opstellen met betrekking tot de effectenleningen. De beschrijving van dit beleid moet minstens de volgende inlichtingen bevatten :
  a) de modaliteiten van de voorgenomen verrichtingen inzonderheid voor wat betreft de aard van de vergoeding;
  b) de beschrijving van de criteria die worden toegepast voor de selectie van de tegenpartijen alsook voor de bepaling van de effecten die beschikbaar zijn voor de effectenleningen en aanduiding van de effecten die van deze verrichtingen worden uitgesloten;
  c) de beschrijving van de activa en de grenzen, inzonderheid per emittent, sector van activiteiten of actief, die de uitlenende instelling voor collectieve belegging wil aanvaarden als in aanmerking komende financiële zekerheid, alsook van de politiek die wordt gevoerd inzake de eisen gesteld aan het minimale niveau waarmee de gevraagde financiële zekerheid de waarde van de uitgeleende effecten overschrijdt;
  d) de herbeleggingspolitiek;
  e) de beschrijving van de verhoudingen tussen enerzijds de uitlenende instelling voor collectieve belegging, de beheervennootschap aangesteld overeenkomstig artikel 43, § 1 van de wet van 20 juli 2004, de persoon die voor de uitlenende instelling voor collectieve belegging beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9°, a) van de wet van 20 juli 2004 verzekert en de bewaarder en anderzijds de mogelijke tegenpartij bij een verrichting buiten systeem, de beheerder van het effectenleningsysteem en de houder van de financiële zekerheid, alsook van de maatregelen genomen voor het beheer van eventuele belangenconflicten tussen voormelde personen;
  f) de opvolging van de dividenden en interesten uit de uitgeleende effecten, van de inschrijvings- en toekenningsrechten en van de andere, inzonderheid vennootschappelijke, rechten die eraan zijn verbonden;
  g) de door de uitlenende instelling voor collectieve belegging, in het licht van de juridische adviezen die overeenkomstig artikel 13, tweede lid, zijn geleverd, weerhouden opties voor wat betreft de toepasselijke wetgeving met betrekking tot de totstandkoming van de financiële zekerheid en de elementen van de aard als bedoeld door artikel 17, § 2 van de wet van 15 december 2004, alsook de wetgeving die de insolventieprocedures regelt;
  h) de beschrijving van de fiscale inhoudingen van toepassing op de inkomsten uit effectenleningen; en
  i) de overeenkomst als bedoeld in artikel 6, § 3.
  De inlichtingen als bedoeld in de punten a), b), c), d) en e) van het eerste lid worden aan de [1 FSMA]1 meegedeeld door de instelling voor collectieve belegging of door de persoon die voor de uitlenende instelling voor collectieve belegging beheertaken als bedoeld in artikel 3, 9°, a) van de wet van 20 juli 2004 verzekert.
  
Art.16. L'organisme de placement collectif prêteur ou la personne qui assure pour l'organisme de placement collectif prêteur des fonctions de gestion visées à l'article 3, 9°, a), de la loi du 20 juillet 2004, doit établir une politique relative aux prêts de titres. La description de cette politique contient au moins les renseignements suivants :
  a) les modalités des operations envisagées notamment en ce qui concerne la nature de la rémunération;
  b) la description des critères appliqués pour la sélection des contreparties ainsi que pour la détermination des titres disponibles pour les prêts de titres, ainsi que l'indication des titres exclus de ces opérations;
  c) la description des actifs et des limites, notamment par émetteur, secteur d'activites ou actif, que l'organisme de placement collectif prêteur entend accepter au titre de garantie financière éligible, ainsi que de la politique menée en ce qui concerne le niveau minimal exigé à concurrence duquel la garantie financière demandée excède la valeur des titres prêtés;
  d) la politique de réinvestissement;
  e) la description des relations entre, d'une part, l'organisme de placement collectif prêteur, la sociéte de gestion désignée conformément à l'article 43, § 1er, de la loi du 20 juillet 2004, la personne qui assure pour l'organisme de placement collectif prêteur des fonctions de gestion visées à l'article 3, 9°, a), de la loi du 20 juillet 2004 et le dépositaire, et, d'autre part, la contrepartie potentielle dans le cas d'une opération hors système, le gestionnaire du système de prêt de titres et le conservateur de la garantie financière, ainsi que la description des mesures prises pour la gestion d'éventuels conflits d'intérêts entre ces personnes;
  f) le suivi des dividendes et intérêts produits par les titres prêtés, des droits de souscription et d'attribution et des autres droits, notamment sociétaires, attachés à ceux-ci;
  g) les choix retenus par l'organisme de placement collectif prêteur, à la lumière des avis juridiques fournis conformément à l'article 13, alinéa 2, en ce qui concerne les législations applicables quant à la constitution de la garantie financière et les éléments de la nature de ceux visés à l'article 17, § 2, de la loi du 15 décembre 2004, ainsi que la législation régissant les procédures d'insolvabilité;
  h) la description des retenues fiscales applicables aux revenus des prêts de titres; et
  i) la convention visée à l'article 6, § 3.
  Les renseignements visés aux points a), b), c), d) et e) de l'alinéa 1er sont communiqués à la [1 FSMA]1 par l'organisme de placement collectif ou par la personne qui assure pour l'organisme de placement collectif prêteur des fonctions de gestion visées à l'article 3, 9°, a), de la loi du 20 juillet 2004.
  
Art.17. De mogelijkheid tot uitlening van effecten moet worden vermeld in het beheerreglement of de statuten en in het prospectus.
  Het prospectus beschrijft de modaliteiten van de voorgenomen verrichtingen, hun doelstelling alsook de op deze verrichtingen toepasselijke beperkingen en de risico's teweeggebracht door deze verrichtingen.
Art.17. La possibilité de prêt de titres doit être mentionnee dans le règlement de gestion ou les statuts et dans le prospectus.
  Le prospectus précise les modalités des opérations envisagées, leur objectif ainsi que les limites applicables à ces opérations et les risques engendrés par ces opérations.
Art.18. § 1. Het jaarverslag en het halfjaarlijks verslag beschrijven, voor de betrokken periode, het type afgesloten effectenleningen, het volume en de reële waarde van deze verrichtingen, de aard van de uitgeleende effecten [1 en]1 de aard van de bekomen financiële zekerheden en van hun eventuele herbelegging overeenkomstig artikel 14 [1 ...]1.
  § 2. Het jaarverslag en het halfjaarlijks verslag vermelden, in voorkomend geval, de effectenleningen waarbij de tegenpartij in wanprestatie is geweest, alsook de resultaten van de realisatie van de financiële zekerheid.
  § 3. Wanneer in het geval bedoeld in artikel 5, § 3 of artikel 5 § 5, tweede lid, de agent of de principaal behoort tot een van de categorieën als bedoeld in artikel 5, § 1, vermelden het jaarverslag en halfjaarlijks verslag :
  a) in het geval van een agent : welk gedeelte van het volume van door tussenkomst van de agent uitgeleende effecten is uitgeleend aan een tegenpartij die behoort tot een van de categorieën als bedoeld in artikel 5, § 1;
  b) in het geval van een principaal : welk gedeelte van het volume van uitgeleende effecten voor eigen rekening werd aangewend of aangehouden door de principaal of door de principaal op om het even welke wijze werd bezorgd aan een partij die behoort tot een van de categorieën als bedoeld in artikel 5, § 1.
  
Art.18. § 1er. Le rapport annuel et le rapport semestriel décrivent, pour la période sous revue, le type de prêts de titres conclus, le volume et la valeur réelle de ces opérations, la nature des titres prêtés [1 et]1 la nature des garanties financières obtenues et de leur réinvestissement éventuel conformément à l'article 14 [1 ...]1.
  § 2. Le rapport annuel et le rapport semestriel mentionnent, le cas échéant, les prêts de titres où la contrepartie a été en défaut d'execution, ainsi que les resultats de la réalisation de la garantie financière.
  § 3. Lorsque, dans le cas prévu à l'article 5, § 3, ou à l'article 5, § 5, alinéa 2, l'agent ou le principal appartient à une des catégories visées a l'article 5, § 1er, le rapport annuel et le rapport semestriel mentionnent :
  a) dans le cas d'un agent : la part du volume des titres prêtés à l'intervention de l'agent qui a été pretée à une contrepartie appartenant à une des catégories visées a l'article 5, § 1er;
  b) dans le cas d'un principal : la part du volume des titres prêtés qui a été utilisée ou détenue par le principal pour son compte propre ou qui a été, de quelque manière que ce soit, attribuée par le principal à une partie appartenant à une des categories visées à l'article 5, § 1er.
  
HOOFDSTUK III. - Wijzigings-, overgangs- en diverse bepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions modificatives, transitoires et diverses.
Art.19. In de artikelen 49, 2° en 67, 2° van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging wordt de eerste zin aangevuld met de woorden ", en met uitzondering van uitleningen in uitvoering van artikel 20 van het koninklijk besluit van ... met betrekking tot de effectenleningen door bepaalde instellingen voor collectieve belegging " en worden in de tweede zin de woorden " Deze laatste mogelijkheid moet " vervangen door " Deze mogelijkheden moeten ".
Art.19. Aux articles 49, 2°, et 67, 2°, de l'arrêté royal du 4 mars 1991 relatif à certains organismes de placement collectif, la première phrase est complétée par les mots ", et à l'exception de prêts conclus en application de l'article 20 de l'arrête royal du.. relatif au prêts de titres par certains organismes de placement collectif " et, dans la deuxième phrase, les mots " Cette dernière faculté doit être mentionnée " sont remplacés par les mots " Ces facultés doivent être mentionnées ".
Art.20. De Belgische openbare instellingen voor collectieve belegging met veranderlijk aantal rechten van deelneming die zijn ingeschreven op de lijst als bedoeld in artikel 120, § 1, tweede lid van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten en die hebben geopteerd voor de categorieën van toegelaten beleggingen als bedoeld in artikel 122, § 1, eerste lid, 1° of 2° van deze wet kunnen effecten uitlenen binnen de voorwaarden en de grenzen bepaald in Hoofdstuk II, met dien verstande dat :
  a) onverminderd de toepassing van artikel 8 op deze instellingen voor collectieve belegging, de verwijzing in artikel 8 naar de artikelen 40, § 1, vijfde lid en 153, § 1, vijfde lid van de wet van 20 juli 2004 niet op hen van toepassing is; en
  b) de verwijzing in artikel 10 naar de artikelen 32, § 2, 34, 37, 38, 39, 41, 45, § 2, 47, 50, 51, 52 en 55 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005 voor deze instellingen voor collectieve belegging moet worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 35, 39, 40, 41, 42, 54, 56, 57, 58, 59bis en 60 van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging.
Art.20. Les organismes de placement collectif publics belges à nombre variable de parts qui sont inscrits sur la liste visée à l'article 120, § 1er, alinéa 2, de la loi du 4 décembre 1990 relative aux opérations financières et aux marchés financiers, et qui ont opté pour les catégories de placement autorisés visées à l'article 122, § 1er, 1° ou 2°, de cette loi, peuvent prêter des titres dans les conditions et limites prévues au chapitre II, étant entendu que :
  a) sans prejudice de l'application de l'article 8 à ces organismes de placement collectif, la référence faite dans l'article 8 aux articles 40, § 1er, alinéa 5, et 153, § 1er, alinéa 5, de la loi du 20 juillet 2004 ne leur est pas applicable; et
  b) la référence faite dans l'article 10 aux articles 32, § 2, 34, 37, 38, 39, 41, 45, § 2, 47, 50, 51, 52 et 55 de l'arrêté royal du 4 mars 2005 doit être lue, pour ces organismes de placement collectif, comme une référence aux articles 35, 39, 40, 41, 42, 54, 56, 57, 58, 59bis et 60 de l'arrêté royal du 4 mars 1991 relatif à certains organismes de placement collectif.
Art.21. De instellingen voor collectieve belegging die zich overeenkomstig artikel 72, 2° van het koninklijk besluit van 4 maart 2005 in het prospectus alsook in het beheerreglement of de statuten de mogelijkheid hebben voorbehouden om effectenleningen aan te gaan, beschikken tot 30 juni 2006 om het prospectus aan te passen aan artikel 17, tweede lid.
Art.21. Les organismes de placement collectif qui, conformément à l'article 72, 2°, de l'arrêté royal du 4 mars 2005, ont prévu la possibilité de conclure des opérations de prêts de titres dans le prospectus ainsi que dans le règlement de gestion ou les statuts, ont jusqu'au 30 juin 2006 pour adapter le prospectus au prescrit de l'article 17, alinéa 2.
Art.22. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art.22. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 23. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 23. Notre Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances est chargé de l'exécution du présent arreté.