Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 JUNI 2006. - Wet tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-07-2006 en tekstbijwerking tot 12-01-2018)
Titre
13 JUIN 2006. - Loi modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 19-07-2006 et mise à jour au 12-01-2018)
Dokumentinformationen
Numac: 2006009573
Datum: 2006-06-13
Info du document
Numac: 2006009573
Date: 2006-06-13
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
HOOFDSTUK II. - Bepalingen tot wijziging van de...
HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van h...
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen tot wijziging van he...
HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 15 juni...
HOOFDSTUK VI. - Bepalingen tot wijziging van de...
HOOFDSTUK VII. - Bepalingen tot wijziging van d...
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepaling.
HOOFDSTUK IX. - Inwerkingtreding.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
CHAPITRE II. - Dispositions modifiant la loi du...
CHAPITRE III. - Dispositions modifiant le Code ...
CHAPITRE IV. - Dispositions modifiant le Code j...
CHAPITRE V. - Modification de la loi du 15 juin...
CHAPITRE VI. - Dispositions modifiant la loi du...
CHAPITRE VII. - Dispositions modifiant la loi d...
CHAPITRE VIII. - Disposition finale.
CHAPITRE IX. - Entrée en vigueur.
Tekst (80)
Texte (80)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.
CHAPITRE II. - Dispositions modifiant la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse.
Art.2. Het opschrift van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming wordt vervangen als volgt :
" Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. "
" Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. "
Art.2. L'intitulé de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse est remplacé par l'intitulé suivant :
" Loi relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. "
" Loi relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. "
Art.3. In dezelfde wet wordt een voorafgaande titel ingevoegd, luidende :
" Voorafgaande titel : Beginselen van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen
De volgende beginselen zijn erkend en van toepassing op de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen :
1° de voorkoming van delinquentie is van wezenlijk belang om de maatschappij op lange termijn te beschermen. Zulks vereist dat de bevoegde autoriteiten de onderliggende oorzaken van de jeugddelinquentie aanpakken en een multidisciplinair actieplan uitwerken;
2° elke rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen gebeurt, voor- zover zulks mogelijk is, door actoren, ambtenaren en magistraten met een specifieke en permanente opleiding inzake jeugdrecht;
3° de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen streeft doelstellingen na inzake opvoeding, verantwoordelijkheidszin, resocialisatie en bescherming van de maatschappij;
4° de minderjarigen mogen geenszins worden gelijkgesteld met meerderjarigen wat de mate van verantwoordelijkheid en de gevolgen van hun daden betreft. De minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, moeten evenwel bewust worden gemaakt van de gevolgen van hun daden;
5° de minderjarigen genieten in het kader van deze wet van persoonlijke rechten en vrijheden, waaronder die omschreven in de Grondwet en in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, inzonderheid het recht om te worden gehoord tijdens het proces dat leidt tot beslissingen die hen aangaan en het recht daaraan deel te nemen. Deze rechten en vrijheden moeten gepaard gaan met bijzondere waarborgen :
a) telkens als de wet afbreuk kan doen aan bepaalde rechten en vrijheden van de jongeren, hebben die jongeren het recht te worden geïnformeerd over de inhoud van deze rechten en vrijheden;
b) de vader en moeder nemen het onderhoud en de opvoeding van en het toezicht op hun kinderen op zich. Bijgevolg kunnen de jongeren enkel volledig of gedeeltelijk aan het ouderlijk gezag worden onttrokken in de gevallen waarin maatregelen houdende handhaving van dit gezag als een contra-indicatie kunnen worden beschouwd;
c) de situatie van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, vereist toezicht, opvoeding, tucht en begeleiding. Hun toestand van afhankelijkheid, hun ontwikkelings- en maturiteitsgraad scheppen echter bijzondere noden die luisterbereidheid, raad en bijstand vereisen;
d) elk optreden dat een opvoedende maatregel inhoudt, heeft tot doel de jongere aan te moedigen zich de maatschappelijke normen eigen te maken;
e) bij de tenlasteneming van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, wordt, wanneer zulks mogelijk is, een beroep gedaan op de in de wet bepaalde vervangingsmaatregelen voor de gerechtelijke procedures, waarbij evenwel rekening wordt gehouden met de bescherming van de maatschappij;
f) in het kader van de wet mogen aan het recht op vrijheid van de jongeren slechts minimale belemmeringen worden opgelegd die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de maatschappij, rekening houdend met de noden van de jongeren, de belangen van hun familie en het recht van de slachtoffers. "
" Voorafgaande titel : Beginselen van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen
De volgende beginselen zijn erkend en van toepassing op de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen :
1° de voorkoming van delinquentie is van wezenlijk belang om de maatschappij op lange termijn te beschermen. Zulks vereist dat de bevoegde autoriteiten de onderliggende oorzaken van de jeugddelinquentie aanpakken en een multidisciplinair actieplan uitwerken;
2° elke rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen gebeurt, voor- zover zulks mogelijk is, door actoren, ambtenaren en magistraten met een specifieke en permanente opleiding inzake jeugdrecht;
3° de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen streeft doelstellingen na inzake opvoeding, verantwoordelijkheidszin, resocialisatie en bescherming van de maatschappij;
4° de minderjarigen mogen geenszins worden gelijkgesteld met meerderjarigen wat de mate van verantwoordelijkheid en de gevolgen van hun daden betreft. De minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, moeten evenwel bewust worden gemaakt van de gevolgen van hun daden;
5° de minderjarigen genieten in het kader van deze wet van persoonlijke rechten en vrijheden, waaronder die omschreven in de Grondwet en in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, inzonderheid het recht om te worden gehoord tijdens het proces dat leidt tot beslissingen die hen aangaan en het recht daaraan deel te nemen. Deze rechten en vrijheden moeten gepaard gaan met bijzondere waarborgen :
a) telkens als de wet afbreuk kan doen aan bepaalde rechten en vrijheden van de jongeren, hebben die jongeren het recht te worden geïnformeerd over de inhoud van deze rechten en vrijheden;
b) de vader en moeder nemen het onderhoud en de opvoeding van en het toezicht op hun kinderen op zich. Bijgevolg kunnen de jongeren enkel volledig of gedeeltelijk aan het ouderlijk gezag worden onttrokken in de gevallen waarin maatregelen houdende handhaving van dit gezag als een contra-indicatie kunnen worden beschouwd;
c) de situatie van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, vereist toezicht, opvoeding, tucht en begeleiding. Hun toestand van afhankelijkheid, hun ontwikkelings- en maturiteitsgraad scheppen echter bijzondere noden die luisterbereidheid, raad en bijstand vereisen;
d) elk optreden dat een opvoedende maatregel inhoudt, heeft tot doel de jongere aan te moedigen zich de maatschappelijke normen eigen te maken;
e) bij de tenlasteneming van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, wordt, wanneer zulks mogelijk is, een beroep gedaan op de in de wet bepaalde vervangingsmaatregelen voor de gerechtelijke procedures, waarbij evenwel rekening wordt gehouden met de bescherming van de maatschappij;
f) in het kader van de wet mogen aan het recht op vrijheid van de jongeren slechts minimale belemmeringen worden opgelegd die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de maatschappij, rekening houdend met de noden van de jongeren, de belangen van hun familie en het recht van de slachtoffers. "
Art.3. Dans la même loi, un titre préliminaire est inséré, rédigé comme suit :
" Titre préliminaire : Principes de l'administration de la justice des mineurs
Les principes suivants sont reconnus et applicables à l'administration de la justice des mineurs :
1° la prévention de la délinquance est essentielle pour protéger la société à long terme et exige que les autorités compétentes s'attaquent aux causes sous-jacentes de la délinquance des mineurs et qu'elles élaborent un cadre d'action multidisciplinaire;
2° tout acte d'administration de la justice des mineurs est, dans la mesure du possible, assuré par des intervenants, fonctionnaires et magistrats qui ont reçu une formation spécifique et continue en matière de droit de la jeunesse;
3° l'administration de la justice des mineurs poursuit les objectifs d'éducation, de responsabilisation et de réinsertion sociale ainsi que de protection de la société;
4° les mineurs ne peuvent, en aucun cas, être assimilés aux majeurs quant à leur degré de responsabilité et aux conséquences de leurs actes. Toutefois, les mineurs ayant commis un fait qualifié infraction doivent être amenés à prendre conscience des conséquences de leurs actes;
5° les mineurs jouissent dans le cadre de la présente loi, à titre propre, de droits et libertés, au nombre desquels figurent ceux qui sont énoncés dans la Constitution et la Convention internationale relative aux droits de l'enfant, et notamment le droit de se faire entendre au cours du processus conduisant à des décisions qui les touchent et de prendre part à ce processus, ces droits et libertés devant être assortis de garanties spéciales :
a) les jeunes ont le droit, chaque fois que la loi est susceptible de porter atteinte à certains de leurs droits et libertés, d'être informés du contenu de ces droits et libertés;
b) les père et mère assument l'entretien, l'éducation et la surveillance de leurs enfants. Par conséquent, les jeunes ne peuvent être entièrement ou partiellement soustraits à l'autorité parentale que dans les cas où des mesures tendant au maintien de cette autorité sont contre-indiquées;
c) la situation des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction requiert surveillance, éducation, discipline et encadrement. Toutefois, l'état de dépendance où ils se trouvent, leur degré de développement et de maturité créent dans leur chef des besoins spéciaux qui exigent écoute, conseils et assistance;
d) toute intervention comportant une mesure éducative vise à encourager le jeune à intégrer les normes de la vie sociale;
e) dans le cadre de la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, il est fait recours, lorsque cela est possible, aux mesures, prévues par la loi, de substitution aux procédures judiciaires, et ce, en restant cependant attentif à l'impératif de protection sociale;
f) dans le cadre de la loi, le droit des jeunes à la liberté ne peut souffrir que d'un minimum d'entraves commandées par la protection de la société, compte tenu des besoins des jeunes, des intérêts de leur famille et du droit des victimes. "
" Titre préliminaire : Principes de l'administration de la justice des mineurs
Les principes suivants sont reconnus et applicables à l'administration de la justice des mineurs :
1° la prévention de la délinquance est essentielle pour protéger la société à long terme et exige que les autorités compétentes s'attaquent aux causes sous-jacentes de la délinquance des mineurs et qu'elles élaborent un cadre d'action multidisciplinaire;
2° tout acte d'administration de la justice des mineurs est, dans la mesure du possible, assuré par des intervenants, fonctionnaires et magistrats qui ont reçu une formation spécifique et continue en matière de droit de la jeunesse;
3° l'administration de la justice des mineurs poursuit les objectifs d'éducation, de responsabilisation et de réinsertion sociale ainsi que de protection de la société;
4° les mineurs ne peuvent, en aucun cas, être assimilés aux majeurs quant à leur degré de responsabilité et aux conséquences de leurs actes. Toutefois, les mineurs ayant commis un fait qualifié infraction doivent être amenés à prendre conscience des conséquences de leurs actes;
5° les mineurs jouissent dans le cadre de la présente loi, à titre propre, de droits et libertés, au nombre desquels figurent ceux qui sont énoncés dans la Constitution et la Convention internationale relative aux droits de l'enfant, et notamment le droit de se faire entendre au cours du processus conduisant à des décisions qui les touchent et de prendre part à ce processus, ces droits et libertés devant être assortis de garanties spéciales :
a) les jeunes ont le droit, chaque fois que la loi est susceptible de porter atteinte à certains de leurs droits et libertés, d'être informés du contenu de ces droits et libertés;
b) les père et mère assument l'entretien, l'éducation et la surveillance de leurs enfants. Par conséquent, les jeunes ne peuvent être entièrement ou partiellement soustraits à l'autorité parentale que dans les cas où des mesures tendant au maintien de cette autorité sont contre-indiquées;
c) la situation des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction requiert surveillance, éducation, discipline et encadrement. Toutefois, l'état de dépendance où ils se trouvent, leur degré de développement et de maturité créent dans leur chef des besoins spéciaux qui exigent écoute, conseils et assistance;
d) toute intervention comportant une mesure éducative vise à encourager le jeune à intégrer les normes de la vie sociale;
e) dans le cadre de la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, il est fait recours, lorsque cela est possible, aux mesures, prévues par la loi, de substitution aux procédures judiciaires, et ce, en restant cependant attentif à l'impératif de protection sociale;
f) dans le cadre de la loi, le droit des jeunes à la liberté ne peut souffrir que d'un minimum d'entraves commandées par la protection de la société, compte tenu des besoins des jeunes, des intérêts de leur famille et du droit des victimes. "
Art.4. Artikel 10 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 10 oktober 1967, wordt hersteld in de volgende lezing :
" Art. 10. - Elke beslissing, ongeacht of het gaat om een voorlopige maatregel of om een maatregel ten gronde, die door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep genomen is, wordt op de dag van de beslissing zelf, door toedoen van de griffier, bij gewone kopie overgezonden aan de advocaat van de minderjarige. "
" Art. 10. - Elke beslissing, ongeacht of het gaat om een voorlopige maatregel of om een maatregel ten gronde, die door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep genomen is, wordt op de dag van de beslissing zelf, door toedoen van de griffier, bij gewone kopie overgezonden aan de advocaat van de minderjarige. "
Art.4. L'article 10 de la même loi, abrogé par la loi du 10 octobre 1967, est rétabli comme suit :
" Art. 10. - Toute décision, qu'il s'agisse d'une mesure provisoire ou d'une mesure sur le fond, prise par le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse, en première instance ou en degré d'appel, est, par les soins du greffier, transmise le jour même de la décision par simple copie à l'avocat du mineur. "
" Art. 10. - Toute décision, qu'il s'agisse d'une mesure provisoire ou d'une mesure sur le fond, prise par le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse, en première instance ou en degré d'appel, est, par les soins du greffier, transmise le jour même de la décision par simple copie à l'avocat du mineur. "
Art.5. In dezelfde wet wordt een artikel 29bis ingevoegd, luidende :
" Art. 29bis. (Ingeval de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de m inderjarige die voor een als misdrijf omschreven feit veroordeeld wordt, duideli jk onverschillig zijn voor diens criminaliteit en de onverschilligheid van de ge noemde personen bijdraagt tot de problemen van de minderjarige, kan de rechtbank , op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve, het volgen van een oud erstage bevelen). Dit kan enkel als aanvullende maatregel bij een maatregel die ten overstaan van de minderjarige opgelegd wordt door de jeugdrechter wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen. " <W 2006-12-27/33, art. 87, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
" Art. 29bis. (Ingeval de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de m inderjarige die voor een als misdrijf omschreven feit veroordeeld wordt, duideli jk onverschillig zijn voor diens criminaliteit en de onverschilligheid van de ge noemde personen bijdraagt tot de problemen van de minderjarige, kan de rechtbank , op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve, het volgen van een oud erstage bevelen). Dit kan enkel als aanvullende maatregel bij een maatregel die ten overstaan van de minderjarige opgelegd wordt door de jeugdrechter wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen. " <W 2006-12-27/33, art. 87, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.5. Un article 29bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 29bis. (Lorsque le tribunal de la jeunesse a déclaré établi un fait qualifié infraction pour lequel un mineur était poursuivi, il peut, sur réquisition du ministère public ou d'office, ordonner aux personnes qui exercent l'autorité parentale sur ce mineur d'accomplir un stage parental, s'ils manifestent un désintérêt caractérisé à l'égard du comportement délinquant de ce dernier, et que ce désintérêt contribue aux problèmes du mineur.) Ce stage parental peut uniquement être ordonné en tant que mesure complémentaire à une mesure imposée au mineur par le juge de la jeunesse s'il peut être bénéfique pour le mineur délinquant lui-même. " <L 2006-12-27/33, art. 87, 003; En vigueur : 01-01-2007>
" Art. 29bis. (Lorsque le tribunal de la jeunesse a déclaré établi un fait qualifié infraction pour lequel un mineur était poursuivi, il peut, sur réquisition du ministère public ou d'office, ordonner aux personnes qui exercent l'autorité parentale sur ce mineur d'accomplir un stage parental, s'ils manifestent un désintérêt caractérisé à l'égard du comportement délinquant de ce dernier, et que ce désintérêt contribue aux problèmes du mineur.) Ce stage parental peut uniquement être ordonné en tant que mesure complémentaire à une mesure imposée au mineur par le juge de la jeunesse s'il peut être bénéfique pour le mineur délinquant lui-même. " <L 2006-12-27/33, art. 87, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Art.6. In artikel 36, 5°, van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 29 juni 1983 en hersteld bij de wet van 7 mei 2004 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
" 1° het woord " bereik " wordt vervangen door het woord " bereikt ";
2° de woorden " artikel 119 " worden vervangen door de woorden " artikel 119bis ".
" 1° het woord " bereik " wordt vervangen door het woord " bereikt ";
2° de woorden " artikel 119 " worden vervangen door de woorden " artikel 119bis ".
Art.6. A l'article 36, 5°, de la même loi, abrogé par la loi du 29 juin 1983 et rétabli par la loi du 7 mai 2004, sont apportées les modifications suivantes :
" 1° dans le texte néerlandais, le mot " bereik " est remplacé par le mot " bereikt ";
2° dans le texte néerlandais, les mots " artikel 119 " sont remplacés par les mots " artikel 119bis ".
" 1° dans le texte néerlandais, le mot " bereik " est remplacé par le mot " bereikt ";
2° dans le texte néerlandais, les mots " artikel 119 " sont remplacés par les mots " artikel 119bis ".
Art.7. In artikel 37 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 februari 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende leden :
" Om de beslissing bedoeld in het eerste lid te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren :
1° de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de betrokkene;
2° zijn leefomgeving;
3° de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;
4° de vroegere maatregelen die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en diens gedrag gedurende de uitvoering ervan;
5° de veiligheid van de betrokkene;
6° de openbare veiligheid.
Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. "
2° Paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Zij kan, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze :
1° de betrokkenen berispen en, met uitzondering van degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, hen laten bij of teruggeven aan de personen bij wie zij gehuisvest zijn, en dezen, in voorkomend geval, ertoe aanmanen in het vervolg beter toezicht op hen te houden en hen beter op te voeden;
2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde sociale dienst;
3° hen onder een intensieve educatieve begeleiding en onder de geïndividualiseerde omkadering plaatsen van een referentieopvoeder die afhangt van de door de gemeenschappen aangewezen dienst, of van een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
4° hen opleggen een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut te leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, die georganiseerd wordt via een door de gemeenschappen aangewezen dienst of door een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
5° hen opleggen een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; de jeugdrechter kan erin toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater, een psycholoog of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid of door diens wettelijke vertegenwoordigers;
6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit;
7° hen toevertrouwen aan een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen betrouwbaar persoon of plaatsen in een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling, opvoeding, onderricht of beroepsopleiding;
8° hen toevertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater. Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, en onverminderd het bepaalde in artikel 60 wordt in de beslissing vastgesteld wat de duur van de maatregel is, alsmede of het om opname in een gesloten opvoedingsafdeling gaat, zoals georganiseerd door de overheden die daartoe bevoegd zijn op grond van de artikelen 128 en 135 van de Grondwet, en van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988. De rechter of de bevoegde sociale dienst bezoekt de persoon die is toevertrouwd aan een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming indien de plaatsing vijftien dagen overschrijdt;
9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst;
10° overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan worden beschermd;
11° overgaan tot residentiële plaatsing van de betrokkene in hetzij een open afdeling, hetzij een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit een door een jeugdpsychiater, volgens de door de Koning bepaalde minimumnormen opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand oud is, blijkt dat hij lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast. Plaatsing in een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, overeenkomstig artikel 43.
Alleen de in het eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder dan twaalf jaar (verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit). Bij gebrek aan passende maatregelen, verwijst de rechtbank de zaak door naar het parket die haar op zijn beurt kan doorverwijzen naar de bevoegde diensten van de gemeenschappen. <W 2006-12-27/33, art. 88, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Alvorens een in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregel wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de betrokkene voorgesteld project, omschreven in § 2ter, te worden overwogen. De in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregelen verdienen de voorkeur boven een plaatsingsmaatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open afdeling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afdeling;
Indien de rechtbank een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een open of gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de maximumduur ervan, die enkel kan worden verlengd om uitzonderlijke redenen die verband houden met het aanhoudend wangedrag van de betrokkene en met zijn voor hemzelf of voor anderen gevaarlijke gedrag.
De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene zich verbindt tot het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur.
Indien de rechtbank echter met toepassing van § 2quater, eerste lid, 4°, of tweede lid, 5°, een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de duur ervan die maximum zes maanden bedraagt en niet kan worden verlengd.
Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt, bepaalt zij de maximale duur ervan, met uitzondering van de maatregelen genoemd in het eerste lid, 1°. "
3° Een § 2bis wordt ingevoegd, luidende :
" § 2bis. Ten aanzien van personen ouder dan 12 jaar kan de rechtbank het behoud van de voor haar gebrachte personen in hun leefomgeving afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden waarvan zij de controle op de naleving kan toevertrouwen aan de bevoegde sociale dienst :
1° geregeld een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs bezoeken;
2° een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, onder toezicht van een door de gemeenschappen aangewezen dienst, of een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
3° betaalde arbeid verrichten, gedurende ten hoogste 150 uur, met het oog op de vergoeding van het slachtoffer indien de betrokkene tenminste zestien jaar oud is;
4° de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke gezondheidszorg in acht nemen;
5° deelnemen aan een of meer opleidingsmodules of modules ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook van de invloed daarvan op de eventuele slachtoffers;
6° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele activiteiten;
7° niet omgaan met bepaalde personen of niet komen op bepaalde plaatsen die een band hebben met het als misdrijf omschreven feit dat werd begaan;
8° een of meer bepaalde bezigheden niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden;
9° het naleven van een huisarrest;
10° andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen.
De rechter of de rechtbank kan de controle op de uitvoering van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid onder 7° en 9°, toevertrouwen aan een politiedienst. Wanneer hij daartoe overgaat, informeert de rechter de bevoegde sociale dienst regelmatig over de resultaten van die controle. "
4° Een § 2ter wordt ingevoegd, luidende :
" § 2ter. De personen bedoeld in artikel 36, 4°, kunnen aan de rechtbank een geschreven project voorleggen, inzonderheid betreffende een of meer van de volgende verbintenissen :
1° schriftelijke of mondelinge verontschuldigingen aanbieden;
2° de veroorzaakte schade zelf herstellen in natura, indien deze beperkt is;
3° deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
4° deelnemen aan een programma gericht op herintegratie in het schoolleven;
5° deelnemen aan welbepaalde activiteiten in het kader van een leer- en opleidingsproject, van ten hoogste 45 uur;
6° een ambulante behandeling volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst deskundig op het gebied van alcohol- of drugsverslaving;
7° zich aanmelden bij de diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde gemeenschapsdiensten.
Dit project wordt ingediend uiterlijk op de dag van de terechtzitting. De rechtbank beoordeelt de opportuniteit van het haar voorgelegde project en belast, indien zij het goedkeurt, de bevoegde sociale dienst met het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan.
Binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring van het project richt de bevoegde sociale dienst een bondig verslag over de inachtneming van de verbintenissen van de jongere tot de rechtbank. Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere maatregel opleggen. "
5° Een § 2quater wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quater. - De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die twaalf jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een open opvoedingsafdeling van een in § 2, eerste lid, 8°, bedoelde openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en ze een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
4° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening zoals bedoeld in artikel 60 en ze geplaatst zijn in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming op het ogenblik van deze herziening.
De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die veertien jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als aanranding van de eerbaarheid met geweld, criminele organisatie met het oogmerk misdaden te plegen, of bedreiging van personen in de zin van artikel 327 van het Strafwetboek omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en die een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat hetzij omschreven wordt als slagen en verwondingen, hetzij, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
4° ze met voorbedachten rade een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft, of, in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, vernielingen hebben aangericht aan bouwwerken of stoommachines, of, met wapens en met geweld, weerspannigheid hebben gepleegd;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel, overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank.
Onverminderd de in het tweede lid opgesomde voorwaarden, kan de rechtbank een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. "
6° Een § 2quinquies wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quinquies. - Wanneer de rechtbank een van de in §§ 2, 2bis en 2ter bedoelde maatregelen beveelt, motiveert zij haar beslissing op grond van de in § 1 bedoelde criteria en de specifieke omstandigheden.
Indien de rechtbank een van de in § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen, een combinatie van meerdere van de in § 2 bedoelde maatregelen, een combinatie van één of meer van deze maatregelen met één of meer van de in § 2bis bedoelde voorwaarden of een plaatsingsmaatregel beveelt in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet zij haar keuze bijzonder motiveren en daarbij rekening houden met de in § 2, derde lid, bedoelde prioriteiten. "
7° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het eerste lid worden de woorden " 2° tot 4° van § 2 " vervangen door de woorden " § 2, 2° tot 11°, ";
b) in het tweede lid worden de woorden " onverminderd het bepaalde in artikel 60 " vervangen door de woorden " onverminderd het bepaalde in § 2, vierde lid, en in artikel 60 ";
c) in het tweede lid, 1°, worden de woorden " dan wel indien " vervangen door de woorden " dan wel, indien ";
d) in het tweede lid, 2°, worden de woorden " twintig jaar " vervangen door de woorden " drieëntwintig jaar " en worden de woorden " zeventien jaar " vervangen door de woorden " zestien jaar ";
e) in het tweede lid, 2°, worden de woorden " als misdrijf gekwalificeerd feit " vervangen door de woorden " als misdrijf omschreven feit ".
f) het volgende lid wordt ingevoegd tussen het tweede lid, 2°, en het derde lid :
" Wanneer de betrokkene tussen de leeftijd van twaalf en zeventien jaar een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, zou worden gestraft met opsluiting van meer dan tien jaar, en een plaatsingsmaatregel in een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming is opgelegd, kan de rechtbank bij vonnis de verlenging van de hem opgelegde toezichtsmaatregel, bedoeld in artikel 42, bevelen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt. De zaak wordt bij de rechtbank aanhangig gemaakt op verzoek van de betrokkene dan wel, indien hij blijk geeft van aanhoudend wangedrag of zich gevaarlijk gedraagt, op vordering van het openbaar ministerie. ";
g) het volgende lid wordt tussen het derde en het vierde lid ingevoegd :
" Ten aanzien van de in § 2, eerste lid, 11°, bedoelde personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het einde van de behandeling, zolang dat in het licht van die behandeling vereist is. ".
1° Paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende leden :
" Om de beslissing bedoeld in het eerste lid te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren :
1° de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de betrokkene;
2° zijn leefomgeving;
3° de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;
4° de vroegere maatregelen die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en diens gedrag gedurende de uitvoering ervan;
5° de veiligheid van de betrokkene;
6° de openbare veiligheid.
Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. "
2° Paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Zij kan, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze :
1° de betrokkenen berispen en, met uitzondering van degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, hen laten bij of teruggeven aan de personen bij wie zij gehuisvest zijn, en dezen, in voorkomend geval, ertoe aanmanen in het vervolg beter toezicht op hen te houden en hen beter op te voeden;
2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde sociale dienst;
3° hen onder een intensieve educatieve begeleiding en onder de geïndividualiseerde omkadering plaatsen van een referentieopvoeder die afhangt van de door de gemeenschappen aangewezen dienst, of van een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
4° hen opleggen een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut te leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, die georganiseerd wordt via een door de gemeenschappen aangewezen dienst of door een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
5° hen opleggen een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; de jeugdrechter kan erin toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater, een psycholoog of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid of door diens wettelijke vertegenwoordigers;
6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit;
7° hen toevertrouwen aan een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen betrouwbaar persoon of plaatsen in een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling, opvoeding, onderricht of beroepsopleiding;
8° hen toevertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater. Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, en onverminderd het bepaalde in artikel 60 wordt in de beslissing vastgesteld wat de duur van de maatregel is, alsmede of het om opname in een gesloten opvoedingsafdeling gaat, zoals georganiseerd door de overheden die daartoe bevoegd zijn op grond van de artikelen 128 en 135 van de Grondwet, en van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988. De rechter of de bevoegde sociale dienst bezoekt de persoon die is toevertrouwd aan een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming indien de plaatsing vijftien dagen overschrijdt;
9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst;
10° overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan worden beschermd;
11° overgaan tot residentiële plaatsing van de betrokkene in hetzij een open afdeling, hetzij een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit een door een jeugdpsychiater, volgens de door de Koning bepaalde minimumnormen opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand oud is, blijkt dat hij lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast. Plaatsing in een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, overeenkomstig artikel 43.
Alleen de in het eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder dan twaalf jaar (verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit). Bij gebrek aan passende maatregelen, verwijst de rechtbank de zaak door naar het parket die haar op zijn beurt kan doorverwijzen naar de bevoegde diensten van de gemeenschappen. <W 2006-12-27/33, art. 88, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Alvorens een in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregel wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de betrokkene voorgesteld project, omschreven in § 2ter, te worden overwogen. De in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregelen verdienen de voorkeur boven een plaatsingsmaatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open afdeling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afdeling;
Indien de rechtbank een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een open of gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de maximumduur ervan, die enkel kan worden verlengd om uitzonderlijke redenen die verband houden met het aanhoudend wangedrag van de betrokkene en met zijn voor hemzelf of voor anderen gevaarlijke gedrag.
De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene zich verbindt tot het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur.
Indien de rechtbank echter met toepassing van § 2quater, eerste lid, 4°, of tweede lid, 5°, een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de duur ervan die maximum zes maanden bedraagt en niet kan worden verlengd.
Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt, bepaalt zij de maximale duur ervan, met uitzondering van de maatregelen genoemd in het eerste lid, 1°. "
3° Een § 2bis wordt ingevoegd, luidende :
" § 2bis. Ten aanzien van personen ouder dan 12 jaar kan de rechtbank het behoud van de voor haar gebrachte personen in hun leefomgeving afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden waarvan zij de controle op de naleving kan toevertrouwen aan de bevoegde sociale dienst :
1° geregeld een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs bezoeken;
2° een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, onder toezicht van een door de gemeenschappen aangewezen dienst, of een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
3° betaalde arbeid verrichten, gedurende ten hoogste 150 uur, met het oog op de vergoeding van het slachtoffer indien de betrokkene tenminste zestien jaar oud is;
4° de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke gezondheidszorg in acht nemen;
5° deelnemen aan een of meer opleidingsmodules of modules ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook van de invloed daarvan op de eventuele slachtoffers;
6° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele activiteiten;
7° niet omgaan met bepaalde personen of niet komen op bepaalde plaatsen die een band hebben met het als misdrijf omschreven feit dat werd begaan;
8° een of meer bepaalde bezigheden niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden;
9° het naleven van een huisarrest;
10° andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen.
De rechter of de rechtbank kan de controle op de uitvoering van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid onder 7° en 9°, toevertrouwen aan een politiedienst. Wanneer hij daartoe overgaat, informeert de rechter de bevoegde sociale dienst regelmatig over de resultaten van die controle. "
4° Een § 2ter wordt ingevoegd, luidende :
" § 2ter. De personen bedoeld in artikel 36, 4°, kunnen aan de rechtbank een geschreven project voorleggen, inzonderheid betreffende een of meer van de volgende verbintenissen :
1° schriftelijke of mondelinge verontschuldigingen aanbieden;
2° de veroorzaakte schade zelf herstellen in natura, indien deze beperkt is;
3° deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
4° deelnemen aan een programma gericht op herintegratie in het schoolleven;
5° deelnemen aan welbepaalde activiteiten in het kader van een leer- en opleidingsproject, van ten hoogste 45 uur;
6° een ambulante behandeling volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst deskundig op het gebied van alcohol- of drugsverslaving;
7° zich aanmelden bij de diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde gemeenschapsdiensten.
Dit project wordt ingediend uiterlijk op de dag van de terechtzitting. De rechtbank beoordeelt de opportuniteit van het haar voorgelegde project en belast, indien zij het goedkeurt, de bevoegde sociale dienst met het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan.
Binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring van het project richt de bevoegde sociale dienst een bondig verslag over de inachtneming van de verbintenissen van de jongere tot de rechtbank. Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere maatregel opleggen. "
5° Een § 2quater wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quater. - De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die twaalf jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een open opvoedingsafdeling van een in § 2, eerste lid, 8°, bedoelde openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en ze een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
4° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening zoals bedoeld in artikel 60 en ze geplaatst zijn in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming op het ogenblik van deze herziening.
De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die veertien jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als aanranding van de eerbaarheid met geweld, criminele organisatie met het oogmerk misdaden te plegen, of bedreiging van personen in de zin van artikel 327 van het Strafwetboek omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en die een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat hetzij omschreven wordt als slagen en verwondingen, hetzij, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
4° ze met voorbedachten rade een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft, of, in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, vernielingen hebben aangericht aan bouwwerken of stoommachines, of, met wapens en met geweld, weerspannigheid hebben gepleegd;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel, overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank.
Onverminderd de in het tweede lid opgesomde voorwaarden, kan de rechtbank een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. "
6° Een § 2quinquies wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quinquies. - Wanneer de rechtbank een van de in §§ 2, 2bis en 2ter bedoelde maatregelen beveelt, motiveert zij haar beslissing op grond van de in § 1 bedoelde criteria en de specifieke omstandigheden.
Indien de rechtbank een van de in § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen, een combinatie van meerdere van de in § 2 bedoelde maatregelen, een combinatie van één of meer van deze maatregelen met één of meer van de in § 2bis bedoelde voorwaarden of een plaatsingsmaatregel beveelt in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet zij haar keuze bijzonder motiveren en daarbij rekening houden met de in § 2, derde lid, bedoelde prioriteiten. "
7° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het eerste lid worden de woorden " 2° tot 4° van § 2 " vervangen door de woorden " § 2, 2° tot 11°, ";
b) in het tweede lid worden de woorden " onverminderd het bepaalde in artikel 60 " vervangen door de woorden " onverminderd het bepaalde in § 2, vierde lid, en in artikel 60 ";
c) in het tweede lid, 1°, worden de woorden " dan wel indien " vervangen door de woorden " dan wel, indien ";
d) in het tweede lid, 2°, worden de woorden " twintig jaar " vervangen door de woorden " drieëntwintig jaar " en worden de woorden " zeventien jaar " vervangen door de woorden " zestien jaar ";
e) in het tweede lid, 2°, worden de woorden " als misdrijf gekwalificeerd feit " vervangen door de woorden " als misdrijf omschreven feit ".
f) het volgende lid wordt ingevoegd tussen het tweede lid, 2°, en het derde lid :
" Wanneer de betrokkene tussen de leeftijd van twaalf en zeventien jaar een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, zou worden gestraft met opsluiting van meer dan tien jaar, en een plaatsingsmaatregel in een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming is opgelegd, kan de rechtbank bij vonnis de verlenging van de hem opgelegde toezichtsmaatregel, bedoeld in artikel 42, bevelen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt. De zaak wordt bij de rechtbank aanhangig gemaakt op verzoek van de betrokkene dan wel, indien hij blijk geeft van aanhoudend wangedrag of zich gevaarlijk gedraagt, op vordering van het openbaar ministerie. ";
g) het volgende lid wordt tussen het derde en het vierde lid ingevoegd :
" Ten aanzien van de in § 2, eerste lid, 11°, bedoelde personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het einde van de behandeling, zolang dat in het licht van die behandeling vereist is. ".
Art.7. A l'article 37 de la même loi, remplacé par la loi du 2 février 1994 et modifié par la loi du 10 août 2005 sont apportées les modifications suivantes :
1° Le § 1er est complété par les alinéas suivants :
" Pour rendre la décision prévue à l'alinéa 1er, le tribunal de la jeunesse prend en compte les facteurs suivants :
1° la personnalité et le degré de maturité de l'intéressé;
2° son cadre de vie;
3° la gravité des faits, les circonstances dans lesquelles ils ont été commis, les dommages et les conséquences pour la victime;
4° les mesures antérieures prises à l'égard de l'intéressé et son comportement durant l'exécution de celles- ci;
5° la sécurité de l'intéressé;
6° la sécurité publique.
La disponibilité des moyens de traitement, des programmes d'éducation ou de toutes autres ressources envisagées et le bénéfice qu'en retirerait l'intéressé sont également pris en compte. "
2° Le § 2 est remplacé par le paragraphe suivant :
" § 2. Il peut, le cas échéant, de façon cumulative :
1° réprimander les intéressés et, sauf en ce qui concerne ceux qui ont atteint l'âge de dix-huit ans, les laisser ou les rendre aux personnes qui en assurent l'hébergement, en enjoignant à ces dernières, le cas échéant, de mieux les surveiller ou les éduquer à l'avenir;
2° les soumettre à la surveillance du service social compétent;
3° les soumettre à un accompagnement éducatif intensif et à un encadrement individualisé d'un éducateur référent dépendant du service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
4° leur imposer d'effectuer une prestation éducative et d'intérêt général en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, organisée par l'intermédiaire d'un service désigné par les communautés ou par une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
5° leur imposer de suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie; le juge de la jeunesse peut accepter que le traitement soit entamé ou continué chez un médecin psychiatre, un psychologue ou un thérapeute qui lui sera proposé par la personne qui lui est déférée, ou par ses représentants légaux;
6° les confier à une personne morale proposant l'encadrement de la réalisation d'une prestation positive consistant soit en une formation soit en la participation d'une activité organisée;
7° les confier à une personne digne de confiance selon les modalités fixées par les communautés ou les placer dans un établissement approprié selon les modalités fixées par les communautés, en vue de leur hébergement, de leur traitement, de leur éducation, de leur instruction ou de leur formation professionnelle;
8° les confier à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse, dans le respect des critères de placement visés au § 2quater. En ce qui concerne les personnes visées à l'article 36, 4°, et sans préjudice des dispositions de l'article 60, la décision précise la durée de la mesure et si elle prescrit un régime éducatif fermé organisé par les autorités compétentes en vertu des articles 128 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, modifiée par la loi du 8 août 1988. Le juge ou le service social compétent rend visite à la personne confiée à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime fermé, si le placement excède quinze jours;
9° les placer dans un service hospitalier;
10° décider le placement résidentiel dans un service compétent en matière d'alcoolisme, de toxicomanie ou de toute autre dépendance, si un rapport médical circonstancié, datant de moins d'un mois, atteste que l'intégrité physique ou psychique de l'intéressé ne peut être protégée d'une autre manière;
11° décider le placement résidentiel de l'intéressé soit dans une section ouverte, soit dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique, s'il est établi dans un rapport indépendant pédopsychiatrique, datant de moins d'un mois et établi selon les standards minimums déterminés par le Roi, qu'il souffre d'un trouble mental qui affecte gravement sa faculté de jugement ou sa capacité à contrôler ses actes. Le placement dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique n'est possible qu'en application de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux, conformément à l'article 43.
Seules les mesures visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, peuvent être ordonnées à l'égard des personnes de moins de douze ans (déférées du chef d'un fait qualifié infraction). En l'absence de mesures appropriées, le tribunal renvoie l'affaire au parquet qui peut à son tour la renvoyer aux services compétents des communautés. <L 2006-12-27/33, art. 88, 003; En vigueur : 01-01-2007>
La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. Avant qu'une mesure visée à l'alinéa 1er, 1° à 5° soit imposée, la faisabilité d'un projet proposé par la personne concernée, visé au § 2ter doit être considérée. Les mesures visées à l'alinéa 1er, 1° à 5° sont privilégiées par rapport à une mesure de placement. Enfin, le placement en régime ouvert est privilégié par rapport au placement en régime fermé;
S'il prononce une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime ouvert ou fermé, le tribunal en précise la durée maximale, qui ne pourra être prorogée que pour des raisons exceptionnelles liées à la mauvaise conduite persistante de l'intéressé et à son comportement dangereux pour lui même ou pour autrui.
Le tribunal peut assortir la mesure de placement d'un sursis pour une durée de 6 mois à compter de la date du jugement, pour autant que l'intéressé s'engage à effectuer une prestation éducative et d'intérêt général à raison de 150 heures au plus.
Si le tribunal prononce, en application du § 2quater, alinéa 1er, 4°, ou alinéa 2, 5°, une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse, il en précise la durée, qui est de six mois au plus et ne peut être prolongée.
Si le tribunal impose une autre mesure, il en précise la durée maximale, à l'exception des mesures visées à l'alinéa 1er, 1°. "
3° Il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. A l'égard des personnes de plus de douze ans le tribunal peut subordonner le maintien des personnes qui lui sont déférées dans leur milieu de vie à une ou plusieurs des conditions suivantes dont il peut confier le contrôle du respect au service social compétent :
1° fréquenter régulièrement un établissement scolaire d'enseignement ordinaire ou spécial;
2° accomplir une prestation éducative et d'intérêt général, en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, sous la surveillance d'un service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
3° accomplir, à raison de 150 heures au plus un travail rémunéré en vue de l'indemnisation de la victime, si l'intéressé est âgé de seize ans au moins;
4° suivre les directives pédagogiques ou médicales d'un centre d'orientation éducative ou de santé mentale;
5° participer à un ou plusieurs modules de formation ou de sensibilisation aux conséquences des actes accomplis et de leur impact sur les éventuelles victimes;
6° participer à une ou plusieurs activités sportives, sociales ou culturelles encadrées;
7° ne pas fréquenter certaines personnes ou certains lieux déterminés qui ont un rapport avec le fait qualifié infraction qui a été commis;
8° ne pas exercer une ou plusieurs activités déterminées au regard des circonstances de l'espèce;
9° le respect d'une interdiction de sortir;
10° respecter d'autres conditions ou interdictions ponctuelles que le tribunal détermine.
Le juge ou le tribunal peut confier le contrôle de l'exécution des conditions visées à l'alinéa 1er, 7° et 9° à un service de police. S'il y procède, le service social compétent sera régulièrement informé par le juge des résultats de ce contrôle. "
4° Il est inséré un § 2ter, rédigé comme suit :
" § 2ter. Les personnes visées à l'article 36, 4°, peuvent proposer au tribunal un projet écrit portant, notamment, sur l'un ou plusieurs des engagements suivants :
1° formuler des excuses écrites ou orales;
2° réparer elles-mêmes et en nature les dommages causés, si ceux-ci sont limités;
3° participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies;
4° participer à un programme de réinsertion scolaire;
5° participer à des activités précises dans le cadre d'un projet d'apprentissage et de formation, à raison de 45 heures de prestation au plus;
6° suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie;
7° se présenter auprès des services d'aide à la jeunesse organisés par les instances communautaires compétentes.
Ce projet est remis au plus tard le jour de l'audience. Le tribunal apprécie l'opportunité du projet qui lui est soumis et, s'il l'approuve, confie le contrôle de son exécution au service social compétent.
Dans un délai de trois mois à dater de l'approbation du projet, le service social compétent adresse au tribunal un rapport succinct portant sur le respect des engagements du jeune. Si le projet n'a pas été exécuté ou a été exécuté de manière insuffisante, le tribunal peut ordonner une autre mesure lors d'une audience ultérieure. "
5° Il est inséré un § 2quater, rédigé comme suit :
" § 2quater. - Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif ouvert, qu'à l'égard des personnes qui ont douze ans ou plus et qui :
1° soit, ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par une personne majeure, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié coups et blessures;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé et ont commis un nouveau fait qualifié infraction;
4° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal;
5° soit font l'objet d'une révision telle que visée à l'article 60 et sont placées en institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif fermé au moment de cette révision.
Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, qu'à l'égard des personnes qui ont quatorze ans ou plus et qui :
1° soit ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine de réclusion de cinq ans à dix ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié attentat à la pudeur avec violence, ou une association de malfaiteurs ayant pour but de commettre des crimes, ou menace contre les personnes telle que visée à l'article 327 du Code pénal;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé, et qui ont commis un nouveau fait qualifié infraction qui soit est qualifié coups et blessures, soit, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
4° soit ont commis avec préméditation un fait qualifié coups et blessures qui a entraîné une maladie ou une incapacité de travail soit une maladie paraissant incurable, soit la perte complète de l'utilisation d'un organe, soit une mutilation grave, soit ont causé des dégâts à des bâtiments ou des machines à vapeur, commis en association ou en bande et avec violence, par voies de fait ou menaces, soit ont commis une rébellion avec arme et avec violence;
5° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal.
Sans préjudice des conditions énumérées à l'alinéa 2, le tribunal peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, à l'égard d'une personne âgée de douze à quatorze ans, qui a gravement porté atteinte à la vie ou à la santé d'une personne et dont le comportement est particulièrement dangereux. "
6° Il est inséré un § 2quinquies, rédigé comme suit :
" § 2quinquies. - Lorsqu'il ordonne une des mesures visées aux §§ 2, 2bis et 2ter, le tribunal motive sa décision au regard des critères visés au § 1er et des circonstances de l'espèce.
S'il ordonne une des mesures visées au § 2, alinéa 1er, 6° à 11°, une combinaison de plusieurs des mesures visées au § 2, une combinaison d'une ou de plusieurs de ces mesures avec une ou plusieurs conditions visées au § 2bis ou une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime éducatif fermé, le tribunal doit spécialement motiver ce choix au regard des priorités visées au § 2, alinéa 3. "
7° Au § 3 sont apportées les modifications suivantes :
a) à l'alinéa 1er, les mots " § 2, 2° à 4° " sont remplacés par les mots " § 2, 2° à 11° ";
b) à l'alinéa 2, les mots " et sans préjudice de l'article 60 " sont remplacés par les mots " et sans préjudice du § 2, alinéa 4, et de l'article 60 ";
c) à l'alinéa 2, 1°, les mots ",ou sur réquisition du ministère public en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé " sont remplacés par les mots " ou, en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé, sur réquisition du ministère public ";
d) à l'alinéa 2, 2°, les mots " vingt ans " sont remplacés par les mots " vingt-trois ans " et les mots " dix-sept ans " sont remplacés par les mots " seize ans ";
e) à l'alinéa 2, 2°, dans le texte néerlandais, les mots " als misdrijf gekwalificeerd feit " sont remplacés par les mots " als misdrijf omschreven feit ";
f) l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 2, 2°, et l'alinéa 3 :
" Lorsque l'intéressé a commis entre l'âge de douze ans et de dix-sept ans, un fait qualifié infraction de nature à entraîner une peine de réclusion de plus de 10 ans s'il avait été commis par une personne majeure, et qu'une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse a été imposée, le tribunal peut ordonner, par jugement, la prolongation de la mesure de surveillance visée à l'article 42, pour une durée déterminée ne dépassant pas le jour où l'intéressé atteindra l'âge de vingt-trois ans. Le tribunal est saisi à la requête de l'intéressé ou, en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux, sur réquisition du ministère public. ";
g) l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4 :
" A l'égard des personnes visées au § 2, alinéa 1er, 11°, le placement résidentiel doit se poursuivre jusqu'à la fin du traitement, pour autant que ce traitement le nécessite. "
1° Le § 1er est complété par les alinéas suivants :
" Pour rendre la décision prévue à l'alinéa 1er, le tribunal de la jeunesse prend en compte les facteurs suivants :
1° la personnalité et le degré de maturité de l'intéressé;
2° son cadre de vie;
3° la gravité des faits, les circonstances dans lesquelles ils ont été commis, les dommages et les conséquences pour la victime;
4° les mesures antérieures prises à l'égard de l'intéressé et son comportement durant l'exécution de celles- ci;
5° la sécurité de l'intéressé;
6° la sécurité publique.
La disponibilité des moyens de traitement, des programmes d'éducation ou de toutes autres ressources envisagées et le bénéfice qu'en retirerait l'intéressé sont également pris en compte. "
2° Le § 2 est remplacé par le paragraphe suivant :
" § 2. Il peut, le cas échéant, de façon cumulative :
1° réprimander les intéressés et, sauf en ce qui concerne ceux qui ont atteint l'âge de dix-huit ans, les laisser ou les rendre aux personnes qui en assurent l'hébergement, en enjoignant à ces dernières, le cas échéant, de mieux les surveiller ou les éduquer à l'avenir;
2° les soumettre à la surveillance du service social compétent;
3° les soumettre à un accompagnement éducatif intensif et à un encadrement individualisé d'un éducateur référent dépendant du service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
4° leur imposer d'effectuer une prestation éducative et d'intérêt général en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, organisée par l'intermédiaire d'un service désigné par les communautés ou par une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
5° leur imposer de suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie; le juge de la jeunesse peut accepter que le traitement soit entamé ou continué chez un médecin psychiatre, un psychologue ou un thérapeute qui lui sera proposé par la personne qui lui est déférée, ou par ses représentants légaux;
6° les confier à une personne morale proposant l'encadrement de la réalisation d'une prestation positive consistant soit en une formation soit en la participation d'une activité organisée;
7° les confier à une personne digne de confiance selon les modalités fixées par les communautés ou les placer dans un établissement approprié selon les modalités fixées par les communautés, en vue de leur hébergement, de leur traitement, de leur éducation, de leur instruction ou de leur formation professionnelle;
8° les confier à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse, dans le respect des critères de placement visés au § 2quater. En ce qui concerne les personnes visées à l'article 36, 4°, et sans préjudice des dispositions de l'article 60, la décision précise la durée de la mesure et si elle prescrit un régime éducatif fermé organisé par les autorités compétentes en vertu des articles 128 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, modifiée par la loi du 8 août 1988. Le juge ou le service social compétent rend visite à la personne confiée à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime fermé, si le placement excède quinze jours;
9° les placer dans un service hospitalier;
10° décider le placement résidentiel dans un service compétent en matière d'alcoolisme, de toxicomanie ou de toute autre dépendance, si un rapport médical circonstancié, datant de moins d'un mois, atteste que l'intégrité physique ou psychique de l'intéressé ne peut être protégée d'une autre manière;
11° décider le placement résidentiel de l'intéressé soit dans une section ouverte, soit dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique, s'il est établi dans un rapport indépendant pédopsychiatrique, datant de moins d'un mois et établi selon les standards minimums déterminés par le Roi, qu'il souffre d'un trouble mental qui affecte gravement sa faculté de jugement ou sa capacité à contrôler ses actes. Le placement dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique n'est possible qu'en application de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux, conformément à l'article 43.
Seules les mesures visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, peuvent être ordonnées à l'égard des personnes de moins de douze ans (déférées du chef d'un fait qualifié infraction). En l'absence de mesures appropriées, le tribunal renvoie l'affaire au parquet qui peut à son tour la renvoyer aux services compétents des communautés. <L 2006-12-27/33, art. 88, 003; En vigueur : 01-01-2007>
La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. Avant qu'une mesure visée à l'alinéa 1er, 1° à 5° soit imposée, la faisabilité d'un projet proposé par la personne concernée, visé au § 2ter doit être considérée. Les mesures visées à l'alinéa 1er, 1° à 5° sont privilégiées par rapport à une mesure de placement. Enfin, le placement en régime ouvert est privilégié par rapport au placement en régime fermé;
S'il prononce une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime ouvert ou fermé, le tribunal en précise la durée maximale, qui ne pourra être prorogée que pour des raisons exceptionnelles liées à la mauvaise conduite persistante de l'intéressé et à son comportement dangereux pour lui même ou pour autrui.
Le tribunal peut assortir la mesure de placement d'un sursis pour une durée de 6 mois à compter de la date du jugement, pour autant que l'intéressé s'engage à effectuer une prestation éducative et d'intérêt général à raison de 150 heures au plus.
Si le tribunal prononce, en application du § 2quater, alinéa 1er, 4°, ou alinéa 2, 5°, une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse, il en précise la durée, qui est de six mois au plus et ne peut être prolongée.
Si le tribunal impose une autre mesure, il en précise la durée maximale, à l'exception des mesures visées à l'alinéa 1er, 1°. "
3° Il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. A l'égard des personnes de plus de douze ans le tribunal peut subordonner le maintien des personnes qui lui sont déférées dans leur milieu de vie à une ou plusieurs des conditions suivantes dont il peut confier le contrôle du respect au service social compétent :
1° fréquenter régulièrement un établissement scolaire d'enseignement ordinaire ou spécial;
2° accomplir une prestation éducative et d'intérêt général, en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, sous la surveillance d'un service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
3° accomplir, à raison de 150 heures au plus un travail rémunéré en vue de l'indemnisation de la victime, si l'intéressé est âgé de seize ans au moins;
4° suivre les directives pédagogiques ou médicales d'un centre d'orientation éducative ou de santé mentale;
5° participer à un ou plusieurs modules de formation ou de sensibilisation aux conséquences des actes accomplis et de leur impact sur les éventuelles victimes;
6° participer à une ou plusieurs activités sportives, sociales ou culturelles encadrées;
7° ne pas fréquenter certaines personnes ou certains lieux déterminés qui ont un rapport avec le fait qualifié infraction qui a été commis;
8° ne pas exercer une ou plusieurs activités déterminées au regard des circonstances de l'espèce;
9° le respect d'une interdiction de sortir;
10° respecter d'autres conditions ou interdictions ponctuelles que le tribunal détermine.
Le juge ou le tribunal peut confier le contrôle de l'exécution des conditions visées à l'alinéa 1er, 7° et 9° à un service de police. S'il y procède, le service social compétent sera régulièrement informé par le juge des résultats de ce contrôle. "
4° Il est inséré un § 2ter, rédigé comme suit :
" § 2ter. Les personnes visées à l'article 36, 4°, peuvent proposer au tribunal un projet écrit portant, notamment, sur l'un ou plusieurs des engagements suivants :
1° formuler des excuses écrites ou orales;
2° réparer elles-mêmes et en nature les dommages causés, si ceux-ci sont limités;
3° participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies;
4° participer à un programme de réinsertion scolaire;
5° participer à des activités précises dans le cadre d'un projet d'apprentissage et de formation, à raison de 45 heures de prestation au plus;
6° suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie;
7° se présenter auprès des services d'aide à la jeunesse organisés par les instances communautaires compétentes.
Ce projet est remis au plus tard le jour de l'audience. Le tribunal apprécie l'opportunité du projet qui lui est soumis et, s'il l'approuve, confie le contrôle de son exécution au service social compétent.
Dans un délai de trois mois à dater de l'approbation du projet, le service social compétent adresse au tribunal un rapport succinct portant sur le respect des engagements du jeune. Si le projet n'a pas été exécuté ou a été exécuté de manière insuffisante, le tribunal peut ordonner une autre mesure lors d'une audience ultérieure. "
5° Il est inséré un § 2quater, rédigé comme suit :
" § 2quater. - Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif ouvert, qu'à l'égard des personnes qui ont douze ans ou plus et qui :
1° soit, ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par une personne majeure, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié coups et blessures;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé et ont commis un nouveau fait qualifié infraction;
4° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal;
5° soit font l'objet d'une révision telle que visée à l'article 60 et sont placées en institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif fermé au moment de cette révision.
Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, qu'à l'égard des personnes qui ont quatorze ans ou plus et qui :
1° soit ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine de réclusion de cinq ans à dix ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié attentat à la pudeur avec violence, ou une association de malfaiteurs ayant pour but de commettre des crimes, ou menace contre les personnes telle que visée à l'article 327 du Code pénal;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé, et qui ont commis un nouveau fait qualifié infraction qui soit est qualifié coups et blessures, soit, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
4° soit ont commis avec préméditation un fait qualifié coups et blessures qui a entraîné une maladie ou une incapacité de travail soit une maladie paraissant incurable, soit la perte complète de l'utilisation d'un organe, soit une mutilation grave, soit ont causé des dégâts à des bâtiments ou des machines à vapeur, commis en association ou en bande et avec violence, par voies de fait ou menaces, soit ont commis une rébellion avec arme et avec violence;
5° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal.
Sans préjudice des conditions énumérées à l'alinéa 2, le tribunal peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, à l'égard d'une personne âgée de douze à quatorze ans, qui a gravement porté atteinte à la vie ou à la santé d'une personne et dont le comportement est particulièrement dangereux. "
6° Il est inséré un § 2quinquies, rédigé comme suit :
" § 2quinquies. - Lorsqu'il ordonne une des mesures visées aux §§ 2, 2bis et 2ter, le tribunal motive sa décision au regard des critères visés au § 1er et des circonstances de l'espèce.
S'il ordonne une des mesures visées au § 2, alinéa 1er, 6° à 11°, une combinaison de plusieurs des mesures visées au § 2, une combinaison d'une ou de plusieurs de ces mesures avec une ou plusieurs conditions visées au § 2bis ou une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime éducatif fermé, le tribunal doit spécialement motiver ce choix au regard des priorités visées au § 2, alinéa 3. "
7° Au § 3 sont apportées les modifications suivantes :
a) à l'alinéa 1er, les mots " § 2, 2° à 4° " sont remplacés par les mots " § 2, 2° à 11° ";
b) à l'alinéa 2, les mots " et sans préjudice de l'article 60 " sont remplacés par les mots " et sans préjudice du § 2, alinéa 4, et de l'article 60 ";
c) à l'alinéa 2, 1°, les mots ",ou sur réquisition du ministère public en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé " sont remplacés par les mots " ou, en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé, sur réquisition du ministère public ";
d) à l'alinéa 2, 2°, les mots " vingt ans " sont remplacés par les mots " vingt-trois ans " et les mots " dix-sept ans " sont remplacés par les mots " seize ans ";
e) à l'alinéa 2, 2°, dans le texte néerlandais, les mots " als misdrijf gekwalificeerd feit " sont remplacés par les mots " als misdrijf omschreven feit ";
f) l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 2, 2°, et l'alinéa 3 :
" Lorsque l'intéressé a commis entre l'âge de douze ans et de dix-sept ans, un fait qualifié infraction de nature à entraîner une peine de réclusion de plus de 10 ans s'il avait été commis par une personne majeure, et qu'une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse a été imposée, le tribunal peut ordonner, par jugement, la prolongation de la mesure de surveillance visée à l'article 42, pour une durée déterminée ne dépassant pas le jour où l'intéressé atteindra l'âge de vingt-trois ans. Le tribunal est saisi à la requête de l'intéressé ou, en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux, sur réquisition du ministère public. ";
g) l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4 :
" A l'égard des personnes visées au § 2, alinéa 1er, 11°, le placement résidentiel doit se poursuivre jusqu'à la fin du traitement, pour autant que ce traitement le nécessite. "
Art.7 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
In artikel 37 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 februari 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende leden :
" Om de beslissing bedoeld in het eerste lid te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren :
1° de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de betrokkene;
2° zijn leefomgeving;
3° de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;
4° de vroegere maatregelen die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en diens gedrag gedurende de uitvoering ervan;
5° de veiligheid van de betrokkene;
6° de openbare veiligheid.
Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. "
2° Paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Zij kan, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze :
1° de betrokkenen berispen en, met uitzondering van degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, hen laten bij of teruggeven aan de personen bij wie zij gehuisvest zijn, en dezen, in voorkomend geval, ertoe aanmanen in het vervolg beter toezicht op hen te houden en hen beter op te voeden;
2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde sociale dienst;
3° hen onder een intensieve educatieve begeleiding en onder de geïndividualiseerde omkadering plaatsen van een referentieopvoeder die afhangt van de door de gemeenschappen aangewezen dienst, of van een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
4° hen opleggen een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut te leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, die georganiseerd wordt via een door de gemeenschappen aangewezen dienst of door een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
5° hen opleggen een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; de jeugdrechter kan erin toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater, een psycholoog of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid of door diens wettelijke vertegenwoordigers;
6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit;
7° hen toevertrouwen aan een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen betrouwbaar persoon of plaatsen in een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling, opvoeding, onderricht of beroepsopleiding;
8° hen toevertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater. Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, en onverminderd het bepaalde in artikel 60 wordt in de beslissing vastgesteld wat de duur van de maatregel is, alsmede of het om opname in een gesloten opvoedingsafdeling gaat, zoals georganiseerd door de overheden die daartoe bevoegd zijn op grond van de artikelen 128 en 135 van de Grondwet, en van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988. De rechter of de bevoegde sociale dienst bezoekt de persoon die is toevertrouwd aan een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming indien de plaatsing vijftien dagen overschrijdt;
9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst;
10° overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan worden beschermd;
11° overgaan tot residentiële plaatsing van de betrokkene in hetzij een open afdeling, hetzij een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit een door een jeugdpsychiater, volgens de door de Koning bepaalde minimumnormen opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand oud is, blijkt dat hij lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast. Plaatsing in een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, overeenkomstig artikel 43.
Alleen de in het eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder dan twaalf jaar (verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit). Bij gebrek aan passende maatregelen, verwijst de rechtbank de zaak door naar het parket die haar op zijn beurt kan doorverwijzen naar de bevoegde diensten van de gemeenschappen. <W 2006-12-27/33, art. 88, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Alvorens een in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregel wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de betrokkene voorgesteld project, omschreven in § 2ter, te worden overwogen. De in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregelen verdienen de voorkeur boven een plaatsingsmaatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open afdeling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afdeling;
Indien de rechtbank een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een open of gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de maximumduur ervan, die enkel kan worden verlengd om uitzonderlijke redenen die verband houden met het aanhoudend wangedrag van de betrokkene en met zijn voor hemzelf of voor anderen gevaarlijke gedrag.
De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene zich verbindt tot het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur.
Indien de rechtbank echter met toepassing van § 2quater, eerste lid, 4°, of tweede lid, 5°, een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de duur ervan die maximum zes maanden bedraagt en niet kan worden verlengd.
Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt, bepaalt zij de maximale duur ervan, met uitzondering van de maatregelen genoemd in het eerste lid, 1°. " [2 (NOTA : artikel 7, 2°, opgeheven, dat § 2, eerste lid, 5°, 6°, 9°, 10° en 11°, van artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreft)]2
3° Een § 2bis wordt ingevoegd, luidende :
" § 2bis. Ten aanzien van personen ouder dan 12 jaar kan de rechtbank het behoud van de voor haar gebrachte personen in hun leefomgeving afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden waarvan zij de controle op de naleving kan toevertrouwen aan de bevoegde sociale dienst :
1° geregeld een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs bezoeken;
2° een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, onder toezicht van een door de gemeenschappen aangewezen dienst, of een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
3° betaalde arbeid verrichten, gedurende ten hoogste 150 uur, met het oog op de vergoeding van het slachtoffer indien de betrokkene tenminste zestien jaar oud is;
4° de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke gezondheidszorg in acht nemen;
5° deelnemen aan een of meer opleidingsmodules of modules ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook van de invloed daarvan op de eventuele slachtoffers;
6° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele activiteiten;
7° niet omgaan met bepaalde personen of niet komen op bepaalde plaatsen die een band hebben met het als misdrijf omschreven feit dat werd begaan;
8° een of meer bepaalde bezigheden niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden;
9° het naleven van een huisarrest;
10° andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen.
De rechter of de rechtbank kan de controle op de uitvoering van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid onder 7° en 9°, toevertrouwen aan een politiedienst. Wanneer hij daartoe overgaat, informeert de rechter de bevoegde sociale dienst regelmatig over de resultaten van die controle. "
4° Een § 2ter wordt ingevoegd, luidende :
" § 2ter. De personen bedoeld in artikel 36, 4°, kunnen aan de rechtbank een geschreven project voorleggen, inzonderheid betreffende een of meer van de volgende verbintenissen :
1° schriftelijke of mondelinge verontschuldigingen aanbieden;
2° de veroorzaakte schade zelf herstellen in natura, indien deze beperkt is;
3° deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
4° deelnemen aan een programma gericht op herintegratie in het schoolleven;
5° deelnemen aan welbepaalde activiteiten in het kader van een leer- en opleidingsproject, van ten hoogste 45 uur;
6° een ambulante behandeling volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst deskundig op het gebied van alcohol- of drugsverslaving;
7° zich aanmelden bij de diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde gemeenschapsdiensten.
Dit project wordt ingediend uiterlijk op de dag van de terechtzitting. De rechtbank beoordeelt de opportuniteit van het haar voorgelegde project en belast, indien zij het goedkeurt, de bevoegde sociale dienst met het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan.
Binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring van het project richt de bevoegde sociale dienst een bondig verslag over de inachtneming van de verbintenissen van de jongere tot de rechtbank. Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere maatregel opleggen. "
5° Een § 2quater wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quater. - De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die twaalf jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een open opvoedingsafdeling van een in § 2, eerste lid, 8°, bedoelde openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en ze een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
4° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening zoals bedoeld in artikel 60 en ze geplaatst zijn in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming op het ogenblik van deze herziening.
De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die veertien jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als aanranding van de eerbaarheid met geweld, criminele organisatie met het oogmerk misdaden te plegen, of bedreiging van personen in de zin van artikel 327 van het Strafwetboek omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en die een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat hetzij omschreven wordt als slagen en verwondingen, hetzij, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
4° ze met voorbedachten rade een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft, of, in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, vernielingen hebben aangericht aan bouwwerken of stoommachines, of, met wapens en met geweld, weerspannigheid hebben gepleegd;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel, overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank.
Onverminderd de in het tweede lid opgesomde voorwaarden, kan de rechtbank een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. "
6° Een § 2quinquies wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quinquies. - Wanneer de rechtbank een van de in §§ 2, 2bis en 2ter bedoelde maatregelen beveelt, motiveert zij haar beslissing op grond van de in § 1 bedoelde criteria en de specifieke omstandigheden.
Indien de rechtbank een van de in § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen, een combinatie van meerdere van de in § 2 bedoelde maatregelen, een combinatie van één of meer van deze maatregelen met één of meer van de in § 2bis bedoelde voorwaarden of een plaatsingsmaatregel beveelt in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet zij haar keuze bijzonder motiveren en daarbij rekening houden met de in § 2, derde lid, bedoelde prioriteiten. "
7° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het eerste lid worden de woorden " 2° tot 4° van § 2 " vervangen door de woorden " § 2, 2° tot 11°, ";
b) in het tweede lid worden de woorden " onverminderd het bepaalde in artikel 60 " vervangen door de woorden " onverminderd het bepaalde in § 2, vierde lid, en in artikel 60 ";
c) in het tweede lid, 1°, worden de woorden " dan wel indien " vervangen door de woorden " dan wel, indien ";
d) [2 ...]2
e) in het tweede lid, 2°, worden de woorden " als misdrijf gekwalificeerd feit " vervangen door de woorden " als misdrijf omschreven feit ".
f) [2 ...]2
g) het volgende lid wordt tussen het derde en het vierde lid ingevoegd :
" Ten aanzien van de in § 2, eerste lid, 11°, bedoelde personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het einde van de behandeling, zolang dat in het licht van die behandeling vereist is. ".
In artikel 37 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 februari 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende leden :
" Om de beslissing bedoeld in het eerste lid te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren :
1° de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de betrokkene;
2° zijn leefomgeving;
3° de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;
4° de vroegere maatregelen die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en diens gedrag gedurende de uitvoering ervan;
5° de veiligheid van de betrokkene;
6° de openbare veiligheid.
Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. "
2° Paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Zij kan, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze :
1° de betrokkenen berispen en, met uitzondering van degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, hen laten bij of teruggeven aan de personen bij wie zij gehuisvest zijn, en dezen, in voorkomend geval, ertoe aanmanen in het vervolg beter toezicht op hen te houden en hen beter op te voeden;
2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde sociale dienst;
3° hen onder een intensieve educatieve begeleiding en onder de geïndividualiseerde omkadering plaatsen van een referentieopvoeder die afhangt van de door de gemeenschappen aangewezen dienst, of van een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
4° hen opleggen een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut te leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, die georganiseerd wordt via een door de gemeenschappen aangewezen dienst of door een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
5° hen opleggen een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; de jeugdrechter kan erin toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater, een psycholoog of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid of door diens wettelijke vertegenwoordigers;
6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit;
7° hen toevertrouwen aan een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen betrouwbaar persoon of plaatsen in een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling, opvoeding, onderricht of beroepsopleiding;
8° hen toevertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater. Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, en onverminderd het bepaalde in artikel 60 wordt in de beslissing vastgesteld wat de duur van de maatregel is, alsmede of het om opname in een gesloten opvoedingsafdeling gaat, zoals georganiseerd door de overheden die daartoe bevoegd zijn op grond van de artikelen 128 en 135 van de Grondwet, en van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988. De rechter of de bevoegde sociale dienst bezoekt de persoon die is toevertrouwd aan een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming indien de plaatsing vijftien dagen overschrijdt;
9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst;
10° overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan worden beschermd;
11° overgaan tot residentiële plaatsing van de betrokkene in hetzij een open afdeling, hetzij een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit een door een jeugdpsychiater, volgens de door de Koning bepaalde minimumnormen opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand oud is, blijkt dat hij lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast. Plaatsing in een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, overeenkomstig artikel 43.
Alleen de in het eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder dan twaalf jaar (verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit). Bij gebrek aan passende maatregelen, verwijst de rechtbank de zaak door naar het parket die haar op zijn beurt kan doorverwijzen naar de bevoegde diensten van de gemeenschappen. <W 2006-12-27/33, art. 88, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Alvorens een in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregel wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de betrokkene voorgesteld project, omschreven in § 2ter, te worden overwogen. De in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregelen verdienen de voorkeur boven een plaatsingsmaatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open afdeling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afdeling;
Indien de rechtbank een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een open of gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de maximumduur ervan, die enkel kan worden verlengd om uitzonderlijke redenen die verband houden met het aanhoudend wangedrag van de betrokkene en met zijn voor hemzelf of voor anderen gevaarlijke gedrag.
De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene zich verbindt tot het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur.
Indien de rechtbank echter met toepassing van § 2quater, eerste lid, 4°, of tweede lid, 5°, een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de duur ervan die maximum zes maanden bedraagt en niet kan worden verlengd.
Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt, bepaalt zij de maximale duur ervan, met uitzondering van de maatregelen genoemd in het eerste lid, 1°. " [2 (NOTA : artikel 7, 2°, opgeheven, dat § 2, eerste lid, 5°, 6°, 9°, 10° en 11°, van artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreft)]2
3° Een § 2bis wordt ingevoegd, luidende :
" § 2bis. Ten aanzien van personen ouder dan 12 jaar kan de rechtbank het behoud van de voor haar gebrachte personen in hun leefomgeving afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden waarvan zij de controle op de naleving kan toevertrouwen aan de bevoegde sociale dienst :
1° geregeld een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs bezoeken;
2° een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, onder toezicht van een door de gemeenschappen aangewezen dienst, of een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
3° betaalde arbeid verrichten, gedurende ten hoogste 150 uur, met het oog op de vergoeding van het slachtoffer indien de betrokkene tenminste zestien jaar oud is;
4° de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke gezondheidszorg in acht nemen;
5° deelnemen aan een of meer opleidingsmodules of modules ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook van de invloed daarvan op de eventuele slachtoffers;
6° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele activiteiten;
7° niet omgaan met bepaalde personen of niet komen op bepaalde plaatsen die een band hebben met het als misdrijf omschreven feit dat werd begaan;
8° een of meer bepaalde bezigheden niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden;
9° het naleven van een huisarrest;
10° andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen.
De rechter of de rechtbank kan de controle op de uitvoering van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid onder 7° en 9°, toevertrouwen aan een politiedienst. Wanneer hij daartoe overgaat, informeert de rechter de bevoegde sociale dienst regelmatig over de resultaten van die controle. "
4° Een § 2ter wordt ingevoegd, luidende :
" § 2ter. De personen bedoeld in artikel 36, 4°, kunnen aan de rechtbank een geschreven project voorleggen, inzonderheid betreffende een of meer van de volgende verbintenissen :
1° schriftelijke of mondelinge verontschuldigingen aanbieden;
2° de veroorzaakte schade zelf herstellen in natura, indien deze beperkt is;
3° deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
4° deelnemen aan een programma gericht op herintegratie in het schoolleven;
5° deelnemen aan welbepaalde activiteiten in het kader van een leer- en opleidingsproject, van ten hoogste 45 uur;
6° een ambulante behandeling volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst deskundig op het gebied van alcohol- of drugsverslaving;
7° zich aanmelden bij de diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde gemeenschapsdiensten.
Dit project wordt ingediend uiterlijk op de dag van de terechtzitting. De rechtbank beoordeelt de opportuniteit van het haar voorgelegde project en belast, indien zij het goedkeurt, de bevoegde sociale dienst met het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan.
Binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring van het project richt de bevoegde sociale dienst een bondig verslag over de inachtneming van de verbintenissen van de jongere tot de rechtbank. Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere maatregel opleggen. "
5° Een § 2quater wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quater. - De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die twaalf jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een open opvoedingsafdeling van een in § 2, eerste lid, 8°, bedoelde openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en ze een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
4° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening zoals bedoeld in artikel 60 en ze geplaatst zijn in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming op het ogenblik van deze herziening.
De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die veertien jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als aanranding van de eerbaarheid met geweld, criminele organisatie met het oogmerk misdaden te plegen, of bedreiging van personen in de zin van artikel 327 van het Strafwetboek omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en die een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat hetzij omschreven wordt als slagen en verwondingen, hetzij, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
4° ze met voorbedachten rade een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft, of, in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, vernielingen hebben aangericht aan bouwwerken of stoommachines, of, met wapens en met geweld, weerspannigheid hebben gepleegd;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel, overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank.
Onverminderd de in het tweede lid opgesomde voorwaarden, kan de rechtbank een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. "
6° Een § 2quinquies wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quinquies. - Wanneer de rechtbank een van de in §§ 2, 2bis en 2ter bedoelde maatregelen beveelt, motiveert zij haar beslissing op grond van de in § 1 bedoelde criteria en de specifieke omstandigheden.
Indien de rechtbank een van de in § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen, een combinatie van meerdere van de in § 2 bedoelde maatregelen, een combinatie van één of meer van deze maatregelen met één of meer van de in § 2bis bedoelde voorwaarden of een plaatsingsmaatregel beveelt in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet zij haar keuze bijzonder motiveren en daarbij rekening houden met de in § 2, derde lid, bedoelde prioriteiten. "
7° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het eerste lid worden de woorden " 2° tot 4° van § 2 " vervangen door de woorden " § 2, 2° tot 11°, ";
b) in het tweede lid worden de woorden " onverminderd het bepaalde in artikel 60 " vervangen door de woorden " onverminderd het bepaalde in § 2, vierde lid, en in artikel 60 ";
c) in het tweede lid, 1°, worden de woorden " dan wel indien " vervangen door de woorden " dan wel, indien ";
d) [2 ...]2
e) in het tweede lid, 2°, worden de woorden " als misdrijf gekwalificeerd feit " vervangen door de woorden " als misdrijf omschreven feit ".
f) [2 ...]2
g) het volgende lid wordt tussen het derde en het vierde lid ingevoegd :
" Ten aanzien van de in § 2, eerste lid, 11°, bedoelde personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het einde van de behandeling, zolang dat in het licht van die behandeling vereist is. ".
Art. 7 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
A l'article 37 de la même loi, remplacé par la loi du 2 février 1994 et modifié par la loi du 10 août 2005 sont apportées les modifications suivantes :
1° Le § 1er est complété par les alinéas suivants :
" Pour rendre la décision prévue à l'alinéa 1er, le tribunal de la jeunesse prend en compte les facteurs suivants :
1° la personnalité et le degré de maturité de l'intéressé;
2° son cadre de vie;
3° la gravité des faits, les circonstances dans lesquelles ils ont été commis, les dommages et les conséquences pour la victime;
4° les mesures antérieures prises à l'égard de l'intéressé et son comportement durant l'exécution de celles- ci;
5° la sécurité de l'intéressé;
6° la sécurité publique.
La disponibilité des moyens de traitement, des programmes d'éducation ou de toutes autres ressources envisagées et le bénéfice qu'en retirerait l'intéressé sont également pris en compte. "
2° Le § 2 est remplacé par le paragraphe suivant :
" § 2. Il peut, le cas échéant, de façon cumulative :
1° réprimander les intéressés et, sauf en ce qui concerne ceux qui ont atteint l'âge de dix-huit ans, les laisser ou les rendre aux personnes qui en assurent l'hébergement, en enjoignant à ces dernières, le cas échéant, de mieux les surveiller ou les éduquer à l'avenir;
2° les soumettre à la surveillance du service social compétent;
3° les soumettre à un accompagnement éducatif intensif et à un encadrement individualisé d'un éducateur référent dépendant du service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
4° leur imposer d'effectuer une prestation éducative et d'intérêt général en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, organisée par l'intermédiaire d'un service désigné par les communautés ou par une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
5° leur imposer de suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie; le juge de la jeunesse peut accepter que le traitement soit entamé ou continué chez un médecin psychiatre, un psychologue ou un thérapeute qui lui sera proposé par la personne qui lui est déférée, ou par ses représentants légaux;
6° les confier à une personne morale proposant l'encadrement de la réalisation d'une prestation positive consistant soit en une formation soit en la participation d'une activité organisée;
7° les confier à une personne digne de confiance selon les modalités fixées par les communautés ou les placer dans un établissement approprié selon les modalités fixées par les communautés, en vue de leur hébergement, de leur traitement, de leur éducation, de leur instruction ou de leur formation professionnelle;
8° les confier à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse, dans le respect des critères de placement visés au § 2quater. En ce qui concerne les personnes visées à l'article 36, 4°, et sans préjudice des dispositions de l'article 60, la décision précise la durée de la mesure et si elle prescrit un régime éducatif fermé organisé par les autorités compétentes en vertu des articles 128 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, modifiée par la loi du 8 août 1988. Le juge ou le service social compétent rend visite à la personne confiée à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime fermé, si le placement excède quinze jours;
9° les placer dans un service hospitalier;
10° décider le placement résidentiel dans un service compétent en matière d'alcoolisme, de toxicomanie ou de toute autre dépendance, si un rapport médical circonstancié, datant de moins d'un mois, atteste que l'intégrité physique ou psychique de l'intéressé ne peut être protégée d'une autre manière;
11° décider le placement résidentiel de l'intéressé soit dans une section ouverte, soit dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique, s'il est établi dans un rapport indépendant pédopsychiatrique, datant de moins d'un mois et établi selon les standards minimums déterminés par le Roi, qu'il souffre d'un trouble mental qui affecte gravement sa faculté de jugement ou sa capacité à contrôler ses actes. Le placement dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique n'est possible qu'en application de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux, conformément à l'article 43.
Seules les mesures visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, peuvent être ordonnées à l'égard des personnes de moins de douze ans (déférées du chef d'un fait qualifié infraction). En l'absence de mesures appropriées, le tribunal renvoie l'affaire au parquet qui peut à son tour la renvoyer aux services compétents des communautés. <L 2006-12-27/33, art. 88, 003; En vigueur : 01-01-2007>
La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. Avant qu'une mesure visée à l'alinéa 1er, 1° à 5° soit imposée, la faisabilité d'un projet proposé par la personne concernée, visé au § 2ter doit être considérée. Les mesures visées à l'alinéa 1er, 1° à 5° sont privilégiées par rapport à une mesure de placement. Enfin, le placement en régime ouvert est privilégié par rapport au placement en régime fermé;
S'il prononce une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime ouvert ou fermé, le tribunal en précise la durée maximale, qui ne pourra être prorogée que pour des raisons exceptionnelles liées à la mauvaise conduite persistante de l'intéressé et à son comportement dangereux pour lui même ou pour autrui.
Le tribunal peut assortir la mesure de placement d'un sursis pour une durée de 6 mois à compter de la date du jugement, pour autant que l'intéressé s'engage à effectuer une prestation éducative et d'intérêt général à raison de 150 heures au plus.
Si le tribunal prononce, en application du § 2quater, alinéa 1er, 4°, ou alinéa 2, 5°, une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse, il en précise la durée, qui est de six mois au plus et ne peut être prolongée.
Si le tribunal impose une autre mesure, il en précise la durée maximale, à l'exception des mesures visées à l'alinéa 1er, 1°. " [2 (NOTE : article 7, 2°, abrogé en ce qu'il concerne le § 2, alinéa 1er, 5°, 6°, 9°, 10° et 11°, de l'article 37 de la loi du 8 avril 1965)]2
3° Il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. A l'égard des personnes de plus de douze ans le tribunal peut subordonner le maintien des personnes qui lui sont déférées dans leur milieu de vie à une ou plusieurs des conditions suivantes dont il peut confier le contrôle du respect au service social compétent :
1° fréquenter régulièrement un établissement scolaire d'enseignement ordinaire ou spécial;
2° accomplir une prestation éducative et d'intérêt général, en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, sous la surveillance d'un service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
3° accomplir, à raison de 150 heures au plus un travail rémunéré en vue de l'indemnisation de la victime, si l'intéressé est âgé de seize ans au moins;
4° suivre les directives pédagogiques ou médicales d'un centre d'orientation éducative ou de santé mentale;
5° participer à un ou plusieurs modules de formation ou de sensibilisation aux conséquences des actes accomplis et de leur impact sur les éventuelles victimes;
6° participer à une ou plusieurs activités sportives, sociales ou culturelles encadrées;
7° ne pas fréquenter certaines personnes ou certains lieux déterminés qui ont un rapport avec le fait qualifié infraction qui a été commis;
8° ne pas exercer une ou plusieurs activités déterminées au regard des circonstances de l'espèce;
9° le respect d'une interdiction de sortir;
10° respecter d'autres conditions ou interdictions ponctuelles que le tribunal détermine.
Le juge ou le tribunal peut confier le contrôle de l'exécution des conditions visées à l'alinéa 1er, 7° et 9° à un service de police. S'il y procède, le service social compétent sera régulièrement informé par le juge des résultats de ce contrôle. "
4° Il est inséré un § 2ter, rédigé comme suit :
" § 2ter. Les personnes visées à l'article 36, 4°, peuvent proposer au tribunal un projet écrit portant, notamment, sur l'un ou plusieurs des engagements suivants :
1° formuler des excuses écrites ou orales;
2° réparer elles-mêmes et en nature les dommages causés, si ceux-ci sont limités;
3° participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies;
4° participer à un programme de réinsertion scolaire;
5° participer à des activités précises dans le cadre d'un projet d'apprentissage et de formation, à raison de 45 heures de prestation au plus;
6° suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie;
7° se présenter auprès des services d'aide à la jeunesse organisés par les instances communautaires compétentes.
Ce projet est remis au plus tard le jour de l'audience. Le tribunal apprécie l'opportunité du projet qui lui est soumis et, s'il l'approuve, confie le contrôle de son exécution au service social compétent.
Dans un délai de trois mois à dater de l'approbation du projet, le service social compétent adresse au tribunal un rapport succinct portant sur le respect des engagements du jeune. Si le projet n'a pas été exécuté ou a été exécuté de manière insuffisante, le tribunal peut ordonner une autre mesure lors d'une audience ultérieure. "
5° Il est inséré un § 2quater, rédigé comme suit :
" § 2quater. - Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif ouvert, qu'à l'égard des personnes qui ont douze ans ou plus et qui :
1° soit, ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par une personne majeure, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié coups et blessures;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé et ont commis un nouveau fait qualifié infraction;
4° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal;
5° soit font l'objet d'une révision telle que visée à l'article 60 et sont placées en institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif fermé au moment de cette révision.
Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, qu'à l'égard des personnes qui ont quatorze ans ou plus et qui :
1° soit ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine de réclusion de cinq ans à dix ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié attentat à la pudeur avec violence, ou une association de malfaiteurs ayant pour but de commettre des crimes, ou menace contre les personnes telle que visée à l'article 327 du Code pénal;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé, et qui ont commis un nouveau fait qualifié infraction qui soit est qualifié coups et blessures, soit, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
4° soit ont commis avec préméditation un fait qualifié coups et blessures qui a entraîné une maladie ou une incapacité de travail soit une maladie paraissant incurable, soit la perte complète de l'utilisation d'un organe, soit une mutilation grave, soit ont causé des dégâts à des bâtiments ou des machines à vapeur, commis en association ou en bande et avec violence, par voies de fait ou menaces, soit ont commis une rébellion avec arme et avec violence;
5° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal.
Sans préjudice des conditions énumérées à l'alinéa 2, le tribunal peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, à l'égard d'une personne âgée de douze à quatorze ans, qui a gravement porté atteinte à la vie ou à la santé d'une personne et dont le comportement est particulièrement dangereux. "
6° Il est inséré un § 2quinquies, rédigé comme suit :
" § 2quinquies. - Lorsqu'il ordonne une des mesures visées aux §§ 2, 2bis et 2ter, le tribunal motive sa décision au regard des critères visés au § 1er et des circonstances de l'espèce.
S'il ordonne une des mesures visées au § 2, alinéa 1er, 6° à 11°, une combinaison de plusieurs des mesures visées au § 2, une combinaison d'une ou de plusieurs de ces mesures avec une ou plusieurs conditions visées au § 2bis ou une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime éducatif fermé, le tribunal doit spécialement motiver ce choix au regard des priorités visées au § 2, alinéa 3. "
7° Au § 3 sont apportées les modifications suivantes :
a) à l'alinéa 1er, les mots " § 2, 2° à 4° " sont remplacés par les mots " § 2, 2° à 11° ";
b) à l'alinéa 2, les mots " et sans préjudice de l'article 60 " sont remplacés par les mots " et sans préjudice du § 2, alinéa 4, et de l'article 60 ";
c) à l'alinéa 2, 1°, les mots ",ou sur réquisition du ministère public en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé " sont remplacés par les mots " ou, en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé, sur réquisition du ministère public ";
d) [2 ...]2
e) à l'alinéa 2, 2°, dans le texte néerlandais, les mots " als misdrijf gekwalificeerd feit " sont remplacés par les mots " als misdrijf omschreven feit ";
f) [2 ...]2
g) l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4 :
" A l'égard des personnes visées au § 2, alinéa 1er, 11°, le placement résidentiel doit se poursuivre jusqu'à la fin du traitement, pour autant que ce traitement le nécessite. "
A l'article 37 de la même loi, remplacé par la loi du 2 février 1994 et modifié par la loi du 10 août 2005 sont apportées les modifications suivantes :
1° Le § 1er est complété par les alinéas suivants :
" Pour rendre la décision prévue à l'alinéa 1er, le tribunal de la jeunesse prend en compte les facteurs suivants :
1° la personnalité et le degré de maturité de l'intéressé;
2° son cadre de vie;
3° la gravité des faits, les circonstances dans lesquelles ils ont été commis, les dommages et les conséquences pour la victime;
4° les mesures antérieures prises à l'égard de l'intéressé et son comportement durant l'exécution de celles- ci;
5° la sécurité de l'intéressé;
6° la sécurité publique.
La disponibilité des moyens de traitement, des programmes d'éducation ou de toutes autres ressources envisagées et le bénéfice qu'en retirerait l'intéressé sont également pris en compte. "
2° Le § 2 est remplacé par le paragraphe suivant :
" § 2. Il peut, le cas échéant, de façon cumulative :
1° réprimander les intéressés et, sauf en ce qui concerne ceux qui ont atteint l'âge de dix-huit ans, les laisser ou les rendre aux personnes qui en assurent l'hébergement, en enjoignant à ces dernières, le cas échéant, de mieux les surveiller ou les éduquer à l'avenir;
2° les soumettre à la surveillance du service social compétent;
3° les soumettre à un accompagnement éducatif intensif et à un encadrement individualisé d'un éducateur référent dépendant du service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
4° leur imposer d'effectuer une prestation éducative et d'intérêt général en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, organisée par l'intermédiaire d'un service désigné par les communautés ou par une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
5° leur imposer de suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie; le juge de la jeunesse peut accepter que le traitement soit entamé ou continué chez un médecin psychiatre, un psychologue ou un thérapeute qui lui sera proposé par la personne qui lui est déférée, ou par ses représentants légaux;
6° les confier à une personne morale proposant l'encadrement de la réalisation d'une prestation positive consistant soit en une formation soit en la participation d'une activité organisée;
7° les confier à une personne digne de confiance selon les modalités fixées par les communautés ou les placer dans un établissement approprié selon les modalités fixées par les communautés, en vue de leur hébergement, de leur traitement, de leur éducation, de leur instruction ou de leur formation professionnelle;
8° les confier à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse, dans le respect des critères de placement visés au § 2quater. En ce qui concerne les personnes visées à l'article 36, 4°, et sans préjudice des dispositions de l'article 60, la décision précise la durée de la mesure et si elle prescrit un régime éducatif fermé organisé par les autorités compétentes en vertu des articles 128 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, modifiée par la loi du 8 août 1988. Le juge ou le service social compétent rend visite à la personne confiée à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime fermé, si le placement excède quinze jours;
9° les placer dans un service hospitalier;
10° décider le placement résidentiel dans un service compétent en matière d'alcoolisme, de toxicomanie ou de toute autre dépendance, si un rapport médical circonstancié, datant de moins d'un mois, atteste que l'intégrité physique ou psychique de l'intéressé ne peut être protégée d'une autre manière;
11° décider le placement résidentiel de l'intéressé soit dans une section ouverte, soit dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique, s'il est établi dans un rapport indépendant pédopsychiatrique, datant de moins d'un mois et établi selon les standards minimums déterminés par le Roi, qu'il souffre d'un trouble mental qui affecte gravement sa faculté de jugement ou sa capacité à contrôler ses actes. Le placement dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique n'est possible qu'en application de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux, conformément à l'article 43.
Seules les mesures visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, peuvent être ordonnées à l'égard des personnes de moins de douze ans (déférées du chef d'un fait qualifié infraction). En l'absence de mesures appropriées, le tribunal renvoie l'affaire au parquet qui peut à son tour la renvoyer aux services compétents des communautés. <L 2006-12-27/33, art. 88, 003; En vigueur : 01-01-2007>
La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. Avant qu'une mesure visée à l'alinéa 1er, 1° à 5° soit imposée, la faisabilité d'un projet proposé par la personne concernée, visé au § 2ter doit être considérée. Les mesures visées à l'alinéa 1er, 1° à 5° sont privilégiées par rapport à une mesure de placement. Enfin, le placement en régime ouvert est privilégié par rapport au placement en régime fermé;
S'il prononce une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime ouvert ou fermé, le tribunal en précise la durée maximale, qui ne pourra être prorogée que pour des raisons exceptionnelles liées à la mauvaise conduite persistante de l'intéressé et à son comportement dangereux pour lui même ou pour autrui.
Le tribunal peut assortir la mesure de placement d'un sursis pour une durée de 6 mois à compter de la date du jugement, pour autant que l'intéressé s'engage à effectuer une prestation éducative et d'intérêt général à raison de 150 heures au plus.
Si le tribunal prononce, en application du § 2quater, alinéa 1er, 4°, ou alinéa 2, 5°, une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse, il en précise la durée, qui est de six mois au plus et ne peut être prolongée.
Si le tribunal impose une autre mesure, il en précise la durée maximale, à l'exception des mesures visées à l'alinéa 1er, 1°. " [2 (NOTE : article 7, 2°, abrogé en ce qu'il concerne le § 2, alinéa 1er, 5°, 6°, 9°, 10° et 11°, de l'article 37 de la loi du 8 avril 1965)]2
3° Il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. A l'égard des personnes de plus de douze ans le tribunal peut subordonner le maintien des personnes qui lui sont déférées dans leur milieu de vie à une ou plusieurs des conditions suivantes dont il peut confier le contrôle du respect au service social compétent :
1° fréquenter régulièrement un établissement scolaire d'enseignement ordinaire ou spécial;
2° accomplir une prestation éducative et d'intérêt général, en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, sous la surveillance d'un service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
3° accomplir, à raison de 150 heures au plus un travail rémunéré en vue de l'indemnisation de la victime, si l'intéressé est âgé de seize ans au moins;
4° suivre les directives pédagogiques ou médicales d'un centre d'orientation éducative ou de santé mentale;
5° participer à un ou plusieurs modules de formation ou de sensibilisation aux conséquences des actes accomplis et de leur impact sur les éventuelles victimes;
6° participer à une ou plusieurs activités sportives, sociales ou culturelles encadrées;
7° ne pas fréquenter certaines personnes ou certains lieux déterminés qui ont un rapport avec le fait qualifié infraction qui a été commis;
8° ne pas exercer une ou plusieurs activités déterminées au regard des circonstances de l'espèce;
9° le respect d'une interdiction de sortir;
10° respecter d'autres conditions ou interdictions ponctuelles que le tribunal détermine.
Le juge ou le tribunal peut confier le contrôle de l'exécution des conditions visées à l'alinéa 1er, 7° et 9° à un service de police. S'il y procède, le service social compétent sera régulièrement informé par le juge des résultats de ce contrôle. "
4° Il est inséré un § 2ter, rédigé comme suit :
" § 2ter. Les personnes visées à l'article 36, 4°, peuvent proposer au tribunal un projet écrit portant, notamment, sur l'un ou plusieurs des engagements suivants :
1° formuler des excuses écrites ou orales;
2° réparer elles-mêmes et en nature les dommages causés, si ceux-ci sont limités;
3° participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies;
4° participer à un programme de réinsertion scolaire;
5° participer à des activités précises dans le cadre d'un projet d'apprentissage et de formation, à raison de 45 heures de prestation au plus;
6° suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie;
7° se présenter auprès des services d'aide à la jeunesse organisés par les instances communautaires compétentes.
Ce projet est remis au plus tard le jour de l'audience. Le tribunal apprécie l'opportunité du projet qui lui est soumis et, s'il l'approuve, confie le contrôle de son exécution au service social compétent.
Dans un délai de trois mois à dater de l'approbation du projet, le service social compétent adresse au tribunal un rapport succinct portant sur le respect des engagements du jeune. Si le projet n'a pas été exécuté ou a été exécuté de manière insuffisante, le tribunal peut ordonner une autre mesure lors d'une audience ultérieure. "
5° Il est inséré un § 2quater, rédigé comme suit :
" § 2quater. - Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif ouvert, qu'à l'égard des personnes qui ont douze ans ou plus et qui :
1° soit, ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par une personne majeure, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié coups et blessures;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé et ont commis un nouveau fait qualifié infraction;
4° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal;
5° soit font l'objet d'une révision telle que visée à l'article 60 et sont placées en institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif fermé au moment de cette révision.
Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, qu'à l'égard des personnes qui ont quatorze ans ou plus et qui :
1° soit ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine de réclusion de cinq ans à dix ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié attentat à la pudeur avec violence, ou une association de malfaiteurs ayant pour but de commettre des crimes, ou menace contre les personnes telle que visée à l'article 327 du Code pénal;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé, et qui ont commis un nouveau fait qualifié infraction qui soit est qualifié coups et blessures, soit, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
4° soit ont commis avec préméditation un fait qualifié coups et blessures qui a entraîné une maladie ou une incapacité de travail soit une maladie paraissant incurable, soit la perte complète de l'utilisation d'un organe, soit une mutilation grave, soit ont causé des dégâts à des bâtiments ou des machines à vapeur, commis en association ou en bande et avec violence, par voies de fait ou menaces, soit ont commis une rébellion avec arme et avec violence;
5° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal.
Sans préjudice des conditions énumérées à l'alinéa 2, le tribunal peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, à l'égard d'une personne âgée de douze à quatorze ans, qui a gravement porté atteinte à la vie ou à la santé d'une personne et dont le comportement est particulièrement dangereux. "
6° Il est inséré un § 2quinquies, rédigé comme suit :
" § 2quinquies. - Lorsqu'il ordonne une des mesures visées aux §§ 2, 2bis et 2ter, le tribunal motive sa décision au regard des critères visés au § 1er et des circonstances de l'espèce.
S'il ordonne une des mesures visées au § 2, alinéa 1er, 6° à 11°, une combinaison de plusieurs des mesures visées au § 2, une combinaison d'une ou de plusieurs de ces mesures avec une ou plusieurs conditions visées au § 2bis ou une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime éducatif fermé, le tribunal doit spécialement motiver ce choix au regard des priorités visées au § 2, alinéa 3. "
7° Au § 3 sont apportées les modifications suivantes :
a) à l'alinéa 1er, les mots " § 2, 2° à 4° " sont remplacés par les mots " § 2, 2° à 11° ";
b) à l'alinéa 2, les mots " et sans préjudice de l'article 60 " sont remplacés par les mots " et sans préjudice du § 2, alinéa 4, et de l'article 60 ";
c) à l'alinéa 2, 1°, les mots ",ou sur réquisition du ministère public en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé " sont remplacés par les mots " ou, en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé, sur réquisition du ministère public ";
d) [2 ...]2
e) à l'alinéa 2, 2°, dans le texte néerlandais, les mots " als misdrijf gekwalificeerd feit " sont remplacés par les mots " als misdrijf omschreven feit ";
f) [2 ...]2
g) l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4 :
" A l'égard des personnes visées au § 2, alinéa 1er, 11°, le placement résidentiel doit se poursuivre jusqu'à la fin du traitement, pour autant que ce traitement le nécessite. "
Art.7_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. In artikel 37 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 februari 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende leden :
" Om de beslissing bedoeld in het eerste lid te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren :
1° de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de betrokkene;
2° zijn leefomgeving;
3° de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;
4° de vroegere maatregelen die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en diens gedrag gedurende de uitvoering ervan;
5° de veiligheid van de betrokkene;
6° de openbare veiligheid.
Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. "
2° Paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Zij kan, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze :
1° de betrokkenen berispen en, met uitzondering van degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, hen laten bij of teruggeven aan de personen bij wie zij gehuisvest zijn, en dezen, in voorkomend geval, ertoe aanmanen in het vervolg beter toezicht op hen te houden en hen beter op te voeden;
2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde sociale dienst;
3° hen onder een intensieve educatieve begeleiding en onder de geïndividualiseerde omkadering plaatsen van een referentieopvoeder die afhangt van de door de gemeenschappen aangewezen dienst, of van een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
4° hen opleggen een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut te leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, die georganiseerd wordt via een door de gemeenschappen aangewezen dienst of door een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
5° hen opleggen een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; de jeugdrechter kan erin toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater, een psycholoog of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid of door diens wettelijke vertegenwoordigers;
6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit;
7° hen toevertrouwen aan een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen betrouwbaar persoon of plaatsen in een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling, opvoeding, onderricht of beroepsopleiding;
8° hen toevertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater. Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, en onverminderd het bepaalde in artikel 60 wordt in de beslissing vastgesteld wat de duur van de maatregel is, alsmede of het om opname in een gesloten opvoedingsafdeling gaat, zoals georganiseerd door de overheden die daartoe bevoegd zijn op grond van de artikelen 128 en 135 van de Grondwet, en van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988. De rechter of de bevoegde sociale dienst bezoekt de persoon die is toevertrouwd aan een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming indien de plaatsing vijftien dagen overschrijdt;
9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst;
10° overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan worden beschermd;
11° overgaan tot residentiële plaatsing van de betrokkene in hetzij een open afdeling, hetzij een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit een door een jeugdpsychiater, volgens de door de Koning bepaalde minimumnormen opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand oud is, blijkt dat hij lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast. Plaatsing in een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, overeenkomstig artikel 43.
Alleen de in het eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder dan twaalf jaar (verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit). Bij gebrek aan passende maatregelen, verwijst de rechtbank de zaak door naar het parket die haar op zijn beurt kan doorverwijzen naar de bevoegde diensten van de gemeenschappen. <W 2006-12-27/33, art. 88, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Alvorens een in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregel wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de betrokkene voorgesteld project, omschreven in § 2ter, te worden overwogen. De in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregelen verdienen de voorkeur boven een plaatsingsmaatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open afdeling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afdeling;
Indien de rechtbank een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een open of gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de maximumduur ervan, die enkel kan worden verlengd om uitzonderlijke redenen die verband houden met het aanhoudend wangedrag van de betrokkene en met zijn voor hemzelf of voor anderen gevaarlijke gedrag.
De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene zich verbindt tot het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur.
Indien de rechtbank echter met toepassing van § 2quater, eerste lid, 4°, of tweede lid, 5°, een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de duur ervan die maximum zes maanden bedraagt en niet kan worden verlengd.
Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt, bepaalt zij de maximale duur ervan, met uitzondering van de maatregelen genoemd in het eerste lid, 1°. " [2 NOTA : punt 2° opgeheven, voor zover het verwijst naar artikel 37 § 2, eerste lid, 5°, 6° en 9° tot 11°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade)]2
3° Een § 2bis wordt ingevoegd, luidende :
" § 2bis. Ten aanzien van personen ouder dan 12 jaar kan de rechtbank het behoud van de voor haar gebrachte personen in hun leefomgeving afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden waarvan zij de controle op de naleving kan toevertrouwen aan de bevoegde sociale dienst :
1° geregeld een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs bezoeken;
2° een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, onder toezicht van een door de gemeenschappen aangewezen dienst, of een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
3° betaalde arbeid verrichten, gedurende ten hoogste 150 uur, met het oog op de vergoeding van het slachtoffer indien de betrokkene tenminste zestien jaar oud is;
4° de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke gezondheidszorg in acht nemen;
5° deelnemen aan een of meer opleidingsmodules of modules ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook van de invloed daarvan op de eventuele slachtoffers;
6° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele activiteiten;
7° niet omgaan met bepaalde personen of niet komen op bepaalde plaatsen die een band hebben met het als misdrijf omschreven feit dat werd begaan;
8° een of meer bepaalde bezigheden niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden;
9° het naleven van een huisarrest;
10° andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen.
De rechter of de rechtbank kan de controle op de uitvoering van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid onder 7° en 9°, toevertrouwen aan een politiedienst. Wanneer hij daartoe overgaat, informeert de rechter de bevoegde sociale dienst regelmatig over de resultaten van die controle. "
4° Een § 2ter wordt ingevoegd, luidende :
" § 2ter. De personen bedoeld in artikel 36, 4°, kunnen aan de rechtbank een geschreven project voorleggen, inzonderheid betreffende een of meer van de volgende verbintenissen :
1° schriftelijke of mondelinge verontschuldigingen aanbieden;
2° de veroorzaakte schade zelf herstellen in natura, indien deze beperkt is;
3° deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
4° deelnemen aan een programma gericht op herintegratie in het schoolleven;
5° deelnemen aan welbepaalde activiteiten in het kader van een leer- en opleidingsproject, van ten hoogste 45 uur;
6° een ambulante behandeling volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst deskundig op het gebied van alcohol- of drugsverslaving;
7° zich aanmelden bij de diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde gemeenschapsdiensten.
Dit project wordt ingediend uiterlijk op de dag van de terechtzitting. De rechtbank beoordeelt de opportuniteit van het haar voorgelegde project en belast, indien zij het goedkeurt, de bevoegde sociale dienst met het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan.
Binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring van het project richt de bevoegde sociale dienst een bondig verslag over de inachtneming van de verbintenissen van de jongere tot de rechtbank. Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere maatregel opleggen. "
5° Een § 2quater wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quater. - De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die twaalf jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een open opvoedingsafdeling van een in § 2, eerste lid, 8°, bedoelde openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en ze een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
4° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening zoals bedoeld in artikel 60 en ze geplaatst zijn in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming op het ogenblik van deze herziening.
De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die veertien jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als aanranding van de eerbaarheid met geweld, criminele organisatie met het oogmerk misdaden te plegen, of bedreiging van personen in de zin van artikel 327 van het Strafwetboek omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en die een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat hetzij omschreven wordt als slagen en verwondingen, hetzij, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
4° ze met voorbedachten rade een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft, of, in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, vernielingen hebben aangericht aan bouwwerken of stoommachines, of, met wapens en met geweld, weerspannigheid hebben gepleegd;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel, overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank.
Onverminderd de in het tweede lid opgesomde voorwaarden, kan de rechtbank een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. "
6° Een § 2quinquies wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quinquies. - Wanneer de rechtbank een van de in §§ 2, 2bis en 2ter bedoelde maatregelen beveelt, motiveert zij haar beslissing op grond van de in § 1 bedoelde criteria en de specifieke omstandigheden.
Indien de rechtbank een van de in § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen, een combinatie van meerdere van de in § 2 bedoelde maatregelen, een combinatie van één of meer van deze maatregelen met één of meer van de in § 2bis bedoelde voorwaarden of een plaatsingsmaatregel beveelt in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet zij haar keuze bijzonder motiveren en daarbij rekening houden met de in § 2, derde lid, bedoelde prioriteiten. "
7° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het eerste lid worden de woorden " 2° tot 4° van § 2 " vervangen door de woorden " § 2, 2° tot 11°, ";
b) in het tweede lid worden de woorden " onverminderd het bepaalde in artikel 60 " vervangen door de woorden " onverminderd het bepaalde in § 2, vierde lid, en in artikel 60 ";
c) in het tweede lid, 1°, worden de woorden " dan wel indien " vervangen door de woorden " dan wel, indien ";
d) [2 ...]2
e) in het tweede lid, 2°, worden de woorden " als misdrijf gekwalificeerd feit " vervangen door de woorden " als misdrijf omschreven feit ".
f) [2 ...]2
g) het volgende lid wordt tussen het derde en het vierde lid ingevoegd :
" Ten aanzien van de in § 2, eerste lid, 11°, bedoelde personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het einde van de behandeling, zolang dat in het licht van die behandeling vereist is. ".
1° Paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende leden :
" Om de beslissing bedoeld in het eerste lid te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren :
1° de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de betrokkene;
2° zijn leefomgeving;
3° de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;
4° de vroegere maatregelen die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en diens gedrag gedurende de uitvoering ervan;
5° de veiligheid van de betrokkene;
6° de openbare veiligheid.
Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. "
2° Paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Zij kan, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze :
1° de betrokkenen berispen en, met uitzondering van degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, hen laten bij of teruggeven aan de personen bij wie zij gehuisvest zijn, en dezen, in voorkomend geval, ertoe aanmanen in het vervolg beter toezicht op hen te houden en hen beter op te voeden;
2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde sociale dienst;
3° hen onder een intensieve educatieve begeleiding en onder de geïndividualiseerde omkadering plaatsen van een referentieopvoeder die afhangt van de door de gemeenschappen aangewezen dienst, of van een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
4° hen opleggen een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut te leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, die georganiseerd wordt via een door de gemeenschappen aangewezen dienst of door een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
5° hen opleggen een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; de jeugdrechter kan erin toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater, een psycholoog of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid of door diens wettelijke vertegenwoordigers;
6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit;
7° hen toevertrouwen aan een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen betrouwbaar persoon of plaatsen in een volgens de nadere regels bepaald door de gemeenschappen geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling, opvoeding, onderricht of beroepsopleiding;
8° hen toevertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater. Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, en onverminderd het bepaalde in artikel 60 wordt in de beslissing vastgesteld wat de duur van de maatregel is, alsmede of het om opname in een gesloten opvoedingsafdeling gaat, zoals georganiseerd door de overheden die daartoe bevoegd zijn op grond van de artikelen 128 en 135 van de Grondwet, en van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988. De rechter of de bevoegde sociale dienst bezoekt de persoon die is toevertrouwd aan een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming indien de plaatsing vijftien dagen overschrijdt;
9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst;
10° overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan worden beschermd;
11° overgaan tot residentiële plaatsing van de betrokkene in hetzij een open afdeling, hetzij een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit een door een jeugdpsychiater, volgens de door de Koning bepaalde minimumnormen opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand oud is, blijkt dat hij lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast. Plaatsing in een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, overeenkomstig artikel 43.
Alleen de in het eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder dan twaalf jaar (verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit). Bij gebrek aan passende maatregelen, verwijst de rechtbank de zaak door naar het parket die haar op zijn beurt kan doorverwijzen naar de bevoegde diensten van de gemeenschappen. <W 2006-12-27/33, art. 88, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Alvorens een in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregel wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de betrokkene voorgesteld project, omschreven in § 2ter, te worden overwogen. De in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven maatregelen verdienen de voorkeur boven een plaatsingsmaatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open afdeling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afdeling;
Indien de rechtbank een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een open of gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de maximumduur ervan, die enkel kan worden verlengd om uitzonderlijke redenen die verband houden met het aanhoudend wangedrag van de betrokkene en met zijn voor hemzelf of voor anderen gevaarlijke gedrag.
De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene zich verbindt tot het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten hoogste 150 uur.
Indien de rechtbank echter met toepassing van § 2quater, eerste lid, 4°, of tweede lid, 5°, een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, bepaalt zij de duur ervan die maximum zes maanden bedraagt en niet kan worden verlengd.
Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt, bepaalt zij de maximale duur ervan, met uitzondering van de maatregelen genoemd in het eerste lid, 1°. " [2 NOTA : punt 2° opgeheven, voor zover het verwijst naar artikel 37 § 2, eerste lid, 5°, 6° en 9° tot 11°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade)]2
3° Een § 2bis wordt ingevoegd, luidende :
" § 2bis. Ten aanzien van personen ouder dan 12 jaar kan de rechtbank het behoud van de voor haar gebrachte personen in hun leefomgeving afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden waarvan zij de controle op de naleving kan toevertrouwen aan de bevoegde sociale dienst :
1° geregeld een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs bezoeken;
2° een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, onder toezicht van een door de gemeenschappen aangewezen dienst, of een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden;
3° betaalde arbeid verrichten, gedurende ten hoogste 150 uur, met het oog op de vergoeding van het slachtoffer indien de betrokkene tenminste zestien jaar oud is;
4° de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke gezondheidszorg in acht nemen;
5° deelnemen aan een of meer opleidingsmodules of modules ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook van de invloed daarvan op de eventuele slachtoffers;
6° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele activiteiten;
7° niet omgaan met bepaalde personen of niet komen op bepaalde plaatsen die een band hebben met het als misdrijf omschreven feit dat werd begaan;
8° een of meer bepaalde bezigheden niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden;
9° het naleven van een huisarrest;
10° andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen.
De rechter of de rechtbank kan de controle op de uitvoering van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid onder 7° en 9°, toevertrouwen aan een politiedienst. Wanneer hij daartoe overgaat, informeert de rechter de bevoegde sociale dienst regelmatig over de resultaten van die controle. "
4° Een § 2ter wordt ingevoegd, luidende :
" § 2ter. De personen bedoeld in artikel 36, 4°, kunnen aan de rechtbank een geschreven project voorleggen, inzonderheid betreffende een of meer van de volgende verbintenissen :
1° schriftelijke of mondelinge verontschuldigingen aanbieden;
2° de veroorzaakte schade zelf herstellen in natura, indien deze beperkt is;
3° deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
4° deelnemen aan een programma gericht op herintegratie in het schoolleven;
5° deelnemen aan welbepaalde activiteiten in het kader van een leer- en opleidingsproject, van ten hoogste 45 uur;
6° een ambulante behandeling volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst deskundig op het gebied van alcohol- of drugsverslaving;
7° zich aanmelden bij de diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde gemeenschapsdiensten.
Dit project wordt ingediend uiterlijk op de dag van de terechtzitting. De rechtbank beoordeelt de opportuniteit van het haar voorgelegde project en belast, indien zij het goedkeurt, de bevoegde sociale dienst met het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan.
Binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring van het project richt de bevoegde sociale dienst een bondig verslag over de inachtneming van de verbintenissen van de jongere tot de rechtbank. Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere maatregel opleggen. "
5° Een § 2quater wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quater. - De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die twaalf jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een open opvoedingsafdeling van een in § 2, eerste lid, 8°, bedoelde openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en ze een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
4° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening zoals bedoeld in artikel 60 en ze geplaatst zijn in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming op het ogenblik van deze herziening.
De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die veertien jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, indien :
1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
2° ze een als aanranding van de eerbaarheid met geweld, criminele organisatie met het oogmerk misdaden te plegen, of bedreiging van personen in de zin van artikel 327 van het Strafwetboek omschreven feit hebben gepleegd;
3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en die een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat hetzij omschreven wordt als slagen en verwondingen, hetzij, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben;
4° ze met voorbedachten rade een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft, of, in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, vernielingen hebben aangericht aan bouwwerken of stoommachines, of, met wapens en met geweld, weerspannigheid hebben gepleegd;
5° ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel, overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank.
Onverminderd de in het tweede lid opgesomde voorwaarden, kan de rechtbank een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, ten aanzien van een persoon tussen twaalf en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. "
6° Een § 2quinquies wordt ingevoegd, luidende :
" § 2quinquies. - Wanneer de rechtbank een van de in §§ 2, 2bis en 2ter bedoelde maatregelen beveelt, motiveert zij haar beslissing op grond van de in § 1 bedoelde criteria en de specifieke omstandigheden.
Indien de rechtbank een van de in § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen, een combinatie van meerdere van de in § 2 bedoelde maatregelen, een combinatie van één of meer van deze maatregelen met één of meer van de in § 2bis bedoelde voorwaarden of een plaatsingsmaatregel beveelt in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet zij haar keuze bijzonder motiveren en daarbij rekening houden met de in § 2, derde lid, bedoelde prioriteiten. "
7° In § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het eerste lid worden de woorden " 2° tot 4° van § 2 " vervangen door de woorden " § 2, 2° tot 11°, ";
b) in het tweede lid worden de woorden " onverminderd het bepaalde in artikel 60 " vervangen door de woorden " onverminderd het bepaalde in § 2, vierde lid, en in artikel 60 ";
c) in het tweede lid, 1°, worden de woorden " dan wel indien " vervangen door de woorden " dan wel, indien ";
d) [2 ...]2
e) in het tweede lid, 2°, worden de woorden " als misdrijf gekwalificeerd feit " vervangen door de woorden " als misdrijf omschreven feit ".
f) [2 ...]2
g) het volgende lid wordt tussen het derde en het vierde lid ingevoegd :
" Ten aanzien van de in § 2, eerste lid, 11°, bedoelde personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het einde van de behandeling, zolang dat in het licht van die behandeling vereist is. ".
Art. 7 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
A l'article 37 de la même loi, remplacé par la loi du 2 février 1994 et modifié par la loi du 10 août 2005 sont apportées les modifications suivantes :
1° Le § 1er est complété par les alinéas suivants :
" Pour rendre la décision prévue à l'alinéa 1er, le tribunal de la jeunesse prend en compte les facteurs suivants :
1° la personnalité et le degré de maturité de l'intéressé;
2° son cadre de vie;
3° la gravité des faits, les circonstances dans lesquelles ils ont été commis, les dommages et les conséquences pour la victime;
4° les mesures antérieures prises à l'égard de l'intéressé et son comportement durant l'exécution de celles- ci;
5° la sécurité de l'intéressé;
6° la sécurité publique.
La disponibilité des moyens de traitement, des programmes d'éducation ou de toutes autres ressources envisagées et le bénéfice qu'en retirerait l'intéressé sont également pris en compte. "
2° Le § 2 est remplacé par le paragraphe suivant :
" § 2. Il peut, le cas échéant, de façon cumulative :
1° réprimander les intéressés et, sauf en ce qui concerne ceux qui ont atteint l'âge de dix-huit ans, les laisser ou les rendre aux personnes qui en assurent l'hébergement, en enjoignant à ces dernières, le cas échéant, de mieux les surveiller ou les éduquer à l'avenir;
2° les soumettre à la surveillance du service social compétent;
3° les soumettre à un accompagnement éducatif intensif et à un encadrement individualisé d'un éducateur référent dépendant du service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
4° leur imposer d'effectuer une prestation éducative et d'intérêt général en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, organisée par l'intermédiaire d'un service désigné par les communautés ou par une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
5° leur imposer de suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie; le juge de la jeunesse peut accepter que le traitement soit entamé ou continué chez un médecin psychiatre, un psychologue ou un thérapeute qui lui sera proposé par la personne qui lui est déférée, ou par ses représentants légaux;
6° les confier à une personne morale proposant l'encadrement de la réalisation d'une prestation positive consistant soit en une formation soit en la participation d'une activité organisée;
7° les confier à une personne digne de confiance selon les modalités fixées par les communautés ou les placer dans un établissement approprié selon les modalités fixées par les communautés, en vue de leur hébergement, de leur traitement, de leur éducation, de leur instruction ou de leur formation professionnelle;
8° les confier à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse, dans le respect des critères de placement visés au § 2quater. En ce qui concerne les personnes visées à l'article 36, 4°, et sans préjudice des dispositions de l'article 60, la décision précise la durée de la mesure et si elle prescrit un régime éducatif fermé organisé par les autorités compétentes en vertu des articles 128 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, modifiée par la loi du 8 août 1988. Le juge ou le service social compétent rend visite à la personne confiée à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime fermé, si le placement excède quinze jours;
9° les placer dans un service hospitalier;
10° décider le placement résidentiel dans un service compétent en matière d'alcoolisme, de toxicomanie ou de toute autre dépendance, si un rapport médical circonstancié, datant de moins d'un mois, atteste que l'intégrité physique ou psychique de l'intéressé ne peut être protégée d'une autre manière;
11° décider le placement résidentiel de l'intéressé soit dans une section ouverte, soit dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique, s'il est établi dans un rapport indépendant pédopsychiatrique, datant de moins d'un mois et établi selon les standards minimums déterminés par le Roi, qu'il souffre d'un trouble mental qui affecte gravement sa faculté de jugement ou sa capacité à contrôler ses actes. Le placement dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique n'est possible qu'en application de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux, conformément à l'article 43.
Seules les mesures visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, peuvent être ordonnées à l'égard des personnes de moins de douze ans (déférées du chef d'un fait qualifié infraction). En l'absence de mesures appropriées, le tribunal renvoie l'affaire au parquet qui peut à son tour la renvoyer aux services compétents des communautés. <L 2006-12-27/33, art. 88, 003; En vigueur : 01-01-2007>
La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. Avant qu'une mesure visée à l'alinéa 1er, 1° à 5° soit imposée, la faisabilité d'un projet proposé par la personne concernée, visé au § 2ter doit être considérée. Les mesures visées à l'alinéa 1er, 1° à 5° sont privilégiées par rapport à une mesure de placement. Enfin, le placement en régime ouvert est privilégié par rapport au placement en régime fermé;
S'il prononce une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime ouvert ou fermé, le tribunal en précise la durée maximale, qui ne pourra être prorogée que pour des raisons exceptionnelles liées à la mauvaise conduite persistante de l'intéressé et à son comportement dangereux pour lui même ou pour autrui.
Le tribunal peut assortir la mesure de placement d'un sursis pour une durée de 6 mois à compter de la date du jugement, pour autant que l'intéressé s'engage à effectuer une prestation éducative et d'intérêt général à raison de 150 heures au plus.
Si le tribunal prononce, en application du § 2quater, alinéa 1er, 4°, ou alinéa 2, 5°, une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse, il en précise la durée, qui est de six mois au plus et ne peut être prolongée.
Si le tribunal impose une autre mesure, il en précise la durée maximale, à l'exception des mesures visées à l'alinéa 1er, 1°. " [2 (NOTE : abrogé, en ce qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 5°, 6° et 9° à 11°, de loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait;]2
3° Il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. A l'égard des personnes de plus de douze ans le tribunal peut subordonner le maintien des personnes qui lui sont déférées dans leur milieu de vie à une ou plusieurs des conditions suivantes dont il peut confier le contrôle du respect au service social compétent :
1° fréquenter régulièrement un établissement scolaire d'enseignement ordinaire ou spécial;
2° accomplir une prestation éducative et d'intérêt général, en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, sous la surveillance d'un service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
3° accomplir, à raison de 150 heures au plus un travail rémunéré en vue de l'indemnisation de la victime, si l'intéressé est âgé de seize ans au moins;
4° suivre les directives pédagogiques ou médicales d'un centre d'orientation éducative ou de santé mentale;
5° participer à un ou plusieurs modules de formation ou de sensibilisation aux conséquences des actes accomplis et de leur impact sur les éventuelles victimes;
6° participer à une ou plusieurs activités sportives, sociales ou culturelles encadrées;
7° ne pas fréquenter certaines personnes ou certains lieux déterminés qui ont un rapport avec le fait qualifié infraction qui a été commis;
8° ne pas exercer une ou plusieurs activités déterminées au regard des circonstances de l'espèce;
9° le respect d'une interdiction de sortir;
10° respecter d'autres conditions ou interdictions ponctuelles que le tribunal détermine.
Le juge ou le tribunal peut confier le contrôle de l'exécution des conditions visées à l'alinéa 1er, 7° et 9° à un service de police. S'il y procède, le service social compétent sera régulièrement informé par le juge des résultats de ce contrôle. "
4° Il est inséré un § 2ter, rédigé comme suit :
" § 2ter. Les personnes visées à l'article 36, 4°, peuvent proposer au tribunal un projet écrit portant, notamment, sur l'un ou plusieurs des engagements suivants :
1° formuler des excuses écrites ou orales;
2° réparer elles-mêmes et en nature les dommages causés, si ceux-ci sont limités;
3° participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies;
4° participer à un programme de réinsertion scolaire;
5° participer à des activités précises dans le cadre d'un projet d'apprentissage et de formation, à raison de 45 heures de prestation au plus;
6° suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie;
7° se présenter auprès des services d'aide à la jeunesse organisés par les instances communautaires compétentes.
Ce projet est remis au plus tard le jour de l'audience. Le tribunal apprécie l'opportunité du projet qui lui est soumis et, s'il l'approuve, confie le contrôle de son exécution au service social compétent.
Dans un délai de trois mois à dater de l'approbation du projet, le service social compétent adresse au tribunal un rapport succinct portant sur le respect des engagements du jeune. Si le projet n'a pas été exécuté ou a été exécuté de manière insuffisante, le tribunal peut ordonner une autre mesure lors d'une audience ultérieure. "
5° Il est inséré un § 2quater, rédigé comme suit :
" § 2quater. - Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif ouvert, qu'à l'égard des personnes qui ont douze ans ou plus et qui :
1° soit, ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par une personne majeure, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié coups et blessures;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé et ont commis un nouveau fait qualifié infraction;
4° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal;
5° soit font l'objet d'une révision telle que visée à l'article 60 et sont placées en institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif fermé au moment de cette révision.
Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, qu'à l'égard des personnes qui ont quatorze ans ou plus et qui :
1° soit ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine de réclusion de cinq ans à dix ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié attentat à la pudeur avec violence, ou une association de malfaiteurs ayant pour but de commettre des crimes, ou menace contre les personnes telle que visée à l'article 327 du Code pénal;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé, et qui ont commis un nouveau fait qualifié infraction qui soit est qualifié coups et blessures, soit, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
4° soit ont commis avec préméditation un fait qualifié coups et blessures qui a entraîné une maladie ou une incapacité de travail soit une maladie paraissant incurable, soit la perte complète de l'utilisation d'un organe, soit une mutilation grave, soit ont causé des dégâts à des bâtiments ou des machines à vapeur, commis en association ou en bande et avec violence, par voies de fait ou menaces, soit ont commis une rébellion avec arme et avec violence;
5° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal.
Sans préjudice des conditions énumérées à l'alinéa 2, le tribunal peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, à l'égard d'une personne âgée de douze à quatorze ans, qui a gravement porté atteinte à la vie ou à la santé d'une personne et dont le comportement est particulièrement dangereux. "
6° Il est inséré un § 2quinquies, rédigé comme suit :
" § 2quinquies. - Lorsqu'il ordonne une des mesures visées aux §§ 2, 2bis et 2ter, le tribunal motive sa décision au regard des critères visés au § 1er et des circonstances de l'espèce.
S'il ordonne une des mesures visées au § 2, alinéa 1er, 6° à 11°, une combinaison de plusieurs des mesures visées au § 2, une combinaison d'une ou de plusieurs de ces mesures avec une ou plusieurs conditions visées au § 2bis ou une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime éducatif fermé, le tribunal doit spécialement motiver ce choix au regard des priorités visées au § 2, alinéa 3. "
7° Au § 3 sont apportées les modifications suivantes :
a) à l'alinéa 1er, les mots " § 2, 2° à 4° " sont remplacés par les mots " § 2, 2° à 11° ";
b) à l'alinéa 2, les mots " et sans préjudice de l'article 60 " sont remplacés par les mots " et sans préjudice du § 2, alinéa 4, et de l'article 60 ";
c) à l'alinéa 2, 1°, les mots ",ou sur réquisition du ministère public en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé " sont remplacés par les mots " ou, en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé, sur réquisition du ministère public ";
d) [2 ...]2
e) à l'alinéa 2, 2°, dans le texte néerlandais, les mots " als misdrijf gekwalificeerd feit " sont remplacés par les mots " als misdrijf omschreven feit ";
f) [2 ...]2
g) l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4 :
" A l'égard des personnes visées au § 2, alinéa 1er, 11°, le placement résidentiel doit se poursuivre jusqu'à la fin du traitement, pour autant que ce traitement le nécessite. "
A l'article 37 de la même loi, remplacé par la loi du 2 février 1994 et modifié par la loi du 10 août 2005 sont apportées les modifications suivantes :
1° Le § 1er est complété par les alinéas suivants :
" Pour rendre la décision prévue à l'alinéa 1er, le tribunal de la jeunesse prend en compte les facteurs suivants :
1° la personnalité et le degré de maturité de l'intéressé;
2° son cadre de vie;
3° la gravité des faits, les circonstances dans lesquelles ils ont été commis, les dommages et les conséquences pour la victime;
4° les mesures antérieures prises à l'égard de l'intéressé et son comportement durant l'exécution de celles- ci;
5° la sécurité de l'intéressé;
6° la sécurité publique.
La disponibilité des moyens de traitement, des programmes d'éducation ou de toutes autres ressources envisagées et le bénéfice qu'en retirerait l'intéressé sont également pris en compte. "
2° Le § 2 est remplacé par le paragraphe suivant :
" § 2. Il peut, le cas échéant, de façon cumulative :
1° réprimander les intéressés et, sauf en ce qui concerne ceux qui ont atteint l'âge de dix-huit ans, les laisser ou les rendre aux personnes qui en assurent l'hébergement, en enjoignant à ces dernières, le cas échéant, de mieux les surveiller ou les éduquer à l'avenir;
2° les soumettre à la surveillance du service social compétent;
3° les soumettre à un accompagnement éducatif intensif et à un encadrement individualisé d'un éducateur référent dépendant du service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
4° leur imposer d'effectuer une prestation éducative et d'intérêt général en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, organisée par l'intermédiaire d'un service désigné par les communautés ou par une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
5° leur imposer de suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie; le juge de la jeunesse peut accepter que le traitement soit entamé ou continué chez un médecin psychiatre, un psychologue ou un thérapeute qui lui sera proposé par la personne qui lui est déférée, ou par ses représentants légaux;
6° les confier à une personne morale proposant l'encadrement de la réalisation d'une prestation positive consistant soit en une formation soit en la participation d'une activité organisée;
7° les confier à une personne digne de confiance selon les modalités fixées par les communautés ou les placer dans un établissement approprié selon les modalités fixées par les communautés, en vue de leur hébergement, de leur traitement, de leur éducation, de leur instruction ou de leur formation professionnelle;
8° les confier à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse, dans le respect des critères de placement visés au § 2quater. En ce qui concerne les personnes visées à l'article 36, 4°, et sans préjudice des dispositions de l'article 60, la décision précise la durée de la mesure et si elle prescrit un régime éducatif fermé organisé par les autorités compétentes en vertu des articles 128 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, modifiée par la loi du 8 août 1988. Le juge ou le service social compétent rend visite à la personne confiée à une institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime fermé, si le placement excède quinze jours;
9° les placer dans un service hospitalier;
10° décider le placement résidentiel dans un service compétent en matière d'alcoolisme, de toxicomanie ou de toute autre dépendance, si un rapport médical circonstancié, datant de moins d'un mois, atteste que l'intégrité physique ou psychique de l'intéressé ne peut être protégée d'une autre manière;
11° décider le placement résidentiel de l'intéressé soit dans une section ouverte, soit dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique, s'il est établi dans un rapport indépendant pédopsychiatrique, datant de moins d'un mois et établi selon les standards minimums déterminés par le Roi, qu'il souffre d'un trouble mental qui affecte gravement sa faculté de jugement ou sa capacité à contrôler ses actes. Le placement dans une section fermée d'un service pédopsychiatrique n'est possible qu'en application de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux, conformément à l'article 43.
Seules les mesures visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, peuvent être ordonnées à l'égard des personnes de moins de douze ans (déférées du chef d'un fait qualifié infraction). En l'absence de mesures appropriées, le tribunal renvoie l'affaire au parquet qui peut à son tour la renvoyer aux services compétents des communautés. <L 2006-12-27/33, art. 88, 003; En vigueur : 01-01-2007>
La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. Avant qu'une mesure visée à l'alinéa 1er, 1° à 5° soit imposée, la faisabilité d'un projet proposé par la personne concernée, visé au § 2ter doit être considérée. Les mesures visées à l'alinéa 1er, 1° à 5° sont privilégiées par rapport à une mesure de placement. Enfin, le placement en régime ouvert est privilégié par rapport au placement en régime fermé;
S'il prononce une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime ouvert ou fermé, le tribunal en précise la durée maximale, qui ne pourra être prorogée que pour des raisons exceptionnelles liées à la mauvaise conduite persistante de l'intéressé et à son comportement dangereux pour lui même ou pour autrui.
Le tribunal peut assortir la mesure de placement d'un sursis pour une durée de 6 mois à compter de la date du jugement, pour autant que l'intéressé s'engage à effectuer une prestation éducative et d'intérêt général à raison de 150 heures au plus.
Si le tribunal prononce, en application du § 2quater, alinéa 1er, 4°, ou alinéa 2, 5°, une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse, il en précise la durée, qui est de six mois au plus et ne peut être prolongée.
Si le tribunal impose une autre mesure, il en précise la durée maximale, à l'exception des mesures visées à l'alinéa 1er, 1°. " [2 (NOTE : abrogé, en ce qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 5°, 6° et 9° à 11°, de loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait;]2
3° Il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. A l'égard des personnes de plus de douze ans le tribunal peut subordonner le maintien des personnes qui lui sont déférées dans leur milieu de vie à une ou plusieurs des conditions suivantes dont il peut confier le contrôle du respect au service social compétent :
1° fréquenter régulièrement un établissement scolaire d'enseignement ordinaire ou spécial;
2° accomplir une prestation éducative et d'intérêt général, en rapport avec leur âge et leurs capacités, à raison de 150 heures au plus, sous la surveillance d'un service désigné par les communautés ou d'une personne physique répondant aux conditions fixées par les communautés;
3° accomplir, à raison de 150 heures au plus un travail rémunéré en vue de l'indemnisation de la victime, si l'intéressé est âgé de seize ans au moins;
4° suivre les directives pédagogiques ou médicales d'un centre d'orientation éducative ou de santé mentale;
5° participer à un ou plusieurs modules de formation ou de sensibilisation aux conséquences des actes accomplis et de leur impact sur les éventuelles victimes;
6° participer à une ou plusieurs activités sportives, sociales ou culturelles encadrées;
7° ne pas fréquenter certaines personnes ou certains lieux déterminés qui ont un rapport avec le fait qualifié infraction qui a été commis;
8° ne pas exercer une ou plusieurs activités déterminées au regard des circonstances de l'espèce;
9° le respect d'une interdiction de sortir;
10° respecter d'autres conditions ou interdictions ponctuelles que le tribunal détermine.
Le juge ou le tribunal peut confier le contrôle de l'exécution des conditions visées à l'alinéa 1er, 7° et 9° à un service de police. S'il y procède, le service social compétent sera régulièrement informé par le juge des résultats de ce contrôle. "
4° Il est inséré un § 2ter, rédigé comme suit :
" § 2ter. Les personnes visées à l'article 36, 4°, peuvent proposer au tribunal un projet écrit portant, notamment, sur l'un ou plusieurs des engagements suivants :
1° formuler des excuses écrites ou orales;
2° réparer elles-mêmes et en nature les dommages causés, si ceux-ci sont limités;
3° participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies;
4° participer à un programme de réinsertion scolaire;
5° participer à des activités précises dans le cadre d'un projet d'apprentissage et de formation, à raison de 45 heures de prestation au plus;
6° suivre un traitement ambulatoire auprès d'un service psychologique ou psychiatrique, d'éducation sexuelle ou d'un service compétent dans le domaine de l'alcoolisme ou de la toxicomanie;
7° se présenter auprès des services d'aide à la jeunesse organisés par les instances communautaires compétentes.
Ce projet est remis au plus tard le jour de l'audience. Le tribunal apprécie l'opportunité du projet qui lui est soumis et, s'il l'approuve, confie le contrôle de son exécution au service social compétent.
Dans un délai de trois mois à dater de l'approbation du projet, le service social compétent adresse au tribunal un rapport succinct portant sur le respect des engagements du jeune. Si le projet n'a pas été exécuté ou a été exécuté de manière insuffisante, le tribunal peut ordonner une autre mesure lors d'une audience ultérieure. "
5° Il est inséré un § 2quater, rédigé comme suit :
" § 2quater. - Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif ouvert, qu'à l'égard des personnes qui ont douze ans ou plus et qui :
1° soit, ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par une personne majeure, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié coups et blessures;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé et ont commis un nouveau fait qualifié infraction;
4° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal;
5° soit font l'objet d'une révision telle que visée à l'article 60 et sont placées en institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif fermé au moment de cette révision.
Le tribunal ne peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, qu'à l'égard des personnes qui ont quatorze ans ou plus et qui :
1° soit ont commis un fait qualifié infraction qui, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine de réclusion de cinq ans à dix ans ou une peine plus lourde;
2° soit ont commis un fait qualifié attentat à la pudeur avec violence, ou une association de malfaiteurs ayant pour but de commettre des crimes, ou menace contre les personnes telle que visée à l'article 327 du Code pénal;
3° soit ont précédemment fait l'objet d'un jugement définitif ordonnant une mesure de placement au sein d'une institution communautaire publique de protection de la jeunesse à régime éducatif ouvert ou fermé, et qui ont commis un nouveau fait qualifié infraction qui soit est qualifié coups et blessures, soit, s'il avait été commis par un majeur, aurait été de nature à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine d'emprisonnement correctionnel principal de trois ans ou une peine plus lourde;
4° soit ont commis avec préméditation un fait qualifié coups et blessures qui a entraîné une maladie ou une incapacité de travail soit une maladie paraissant incurable, soit la perte complète de l'utilisation d'un organe, soit une mutilation grave, soit ont causé des dégâts à des bâtiments ou des machines à vapeur, commis en association ou en bande et avec violence, par voies de fait ou menaces, soit ont commis une rébellion avec arme et avec violence;
5° soit ont fait l'objet d'une révision de la mesure, conformément à l'article 60, pour le motif que la ou les mesures imposées précédemment n'ont pas été respectées par elles, auquel cas le placement peut être imposé pour une période de six mois au plus qui ne peut être prolongée. Au terme de cette période, d'autres mesures peuvent uniquement être imposées après une révision par le tribunal.
Sans préjudice des conditions énumérées à l'alinéa 2, le tribunal peut ordonner la mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse visée au § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé, à l'égard d'une personne âgée de douze à quatorze ans, qui a gravement porté atteinte à la vie ou à la santé d'une personne et dont le comportement est particulièrement dangereux. "
6° Il est inséré un § 2quinquies, rédigé comme suit :
" § 2quinquies. - Lorsqu'il ordonne une des mesures visées aux §§ 2, 2bis et 2ter, le tribunal motive sa décision au regard des critères visés au § 1er et des circonstances de l'espèce.
S'il ordonne une des mesures visées au § 2, alinéa 1er, 6° à 11°, une combinaison de plusieurs des mesures visées au § 2, une combinaison d'une ou de plusieurs de ces mesures avec une ou plusieurs conditions visées au § 2bis ou une mesure de placement en institution communautaire publique de protection de la jeunesse en régime éducatif fermé, le tribunal doit spécialement motiver ce choix au regard des priorités visées au § 2, alinéa 3. "
7° Au § 3 sont apportées les modifications suivantes :
a) à l'alinéa 1er, les mots " § 2, 2° à 4° " sont remplacés par les mots " § 2, 2° à 11° ";
b) à l'alinéa 2, les mots " et sans préjudice de l'article 60 " sont remplacés par les mots " et sans préjudice du § 2, alinéa 4, et de l'article 60 ";
c) à l'alinéa 2, 1°, les mots ",ou sur réquisition du ministère public en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé " sont remplacés par les mots " ou, en cas de mauvaise conduite persistante ou de comportement dangereux de l'intéressé, sur réquisition du ministère public ";
d) [2 ...]2
e) à l'alinéa 2, 2°, dans le texte néerlandais, les mots " als misdrijf gekwalificeerd feit " sont remplacés par les mots " als misdrijf omschreven feit ";
f) [2 ...]2
g) l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4 :
" A l'égard des personnes visées au § 2, alinéa 1er, 11°, le placement résidentiel doit se poursuivre jusqu'à la fin du traitement, pour autant que ce traitement le nécessite. "
Art.8. In artikel 41 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 februari 1994, worden de woorden " 2° tot 4° " vervangen door de woorden " § 2, 2°, 7° en 8° en § 2bis "
Art.8. A l'article 41 de la même loi, modifié par la loi du 2 février 1994, les mots " 2° à 4° " sont remplacés par les mots " § 2, 2°, 7° et 8° et § 2bis "
Art.9. Artikel 43 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 juni 1990, wordt vervangen als volgt :
" Art. 43. - Ten aanzien van de in artikel 36, 4°, bedoelde personen past de rechter of de jeugdrechtbank de bepalingen van deze wet toe onverminderd de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
In geval van toepassing van de voornoemde wet van 26 juni 1990 op de personen die oorspronkelijk voor de jeugdrechtbank waren verwezen op grond van artikel 36, 4°, wordt de beslissing van de geneesheer-diensthoofd om de maatregel op te heffen, die overeenkomstig artikel 12, 3°, of 19 van de wet van 26 juni 1990 genomen is, slechts uitgevoerd na een termijn van vijf werkdagen te rekenen van de dag waarop de jeugdrechtbank hiervan is geïnformeerd. Binnen deze termijn, en zonder deze te kunnen verlengen, spreekt de rechtbank zich uit over elke andere maatregel bedoeld in artikel 37, die zij nuttig acht. "
" Art. 43. - Ten aanzien van de in artikel 36, 4°, bedoelde personen past de rechter of de jeugdrechtbank de bepalingen van deze wet toe onverminderd de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
In geval van toepassing van de voornoemde wet van 26 juni 1990 op de personen die oorspronkelijk voor de jeugdrechtbank waren verwezen op grond van artikel 36, 4°, wordt de beslissing van de geneesheer-diensthoofd om de maatregel op te heffen, die overeenkomstig artikel 12, 3°, of 19 van de wet van 26 juni 1990 genomen is, slechts uitgevoerd na een termijn van vijf werkdagen te rekenen van de dag waarop de jeugdrechtbank hiervan is geïnformeerd. Binnen deze termijn, en zonder deze te kunnen verlengen, spreekt de rechtbank zich uit over elke andere maatregel bedoeld in artikel 37, die zij nuttig acht. "
Art.9. L'article 43 de la même loi, remplacé par la loi du 26 juin 1990, est remplacé comme suit :
" Art. 43. - A l'égard des personnes visées à l'article 36, 4°, le juge ou le tribunal de la jeunesse applique les dispositions de la présente loi, sans préjudice de l'application de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux.
En cas d'application de la loi du 26 juin 1990 précitée aux personnes renvoyées initialement devant le tribunal de la jeunesse sur la base de l'article 36, 4°, la décision du médecin-chef de service de lever la mesure, prise conformément à l'article 12, 3°, ou 19, de la loi du 26 juin 1990 n'est exécutée qu'après un délai de cinq jours ouvrables à compter du jour où le tribunal de la jeunesse en est informé. Dans ce délai, et sans pouvoir le prolonger, le tribunal statue sur toute autre mesure visée à l'article 37, qu'il juge utile. "
" Art. 43. - A l'égard des personnes visées à l'article 36, 4°, le juge ou le tribunal de la jeunesse applique les dispositions de la présente loi, sans préjudice de l'application de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux.
En cas d'application de la loi du 26 juin 1990 précitée aux personnes renvoyées initialement devant le tribunal de la jeunesse sur la base de l'article 36, 4°, la décision du médecin-chef de service de lever la mesure, prise conformément à l'article 12, 3°, ou 19, de la loi du 26 juin 1990 n'est exécutée qu'après un délai de cinq jours ouvrables à compter du jour où le tribunal de la jeunesse en est informé. Dans ce délai, et sans pouvoir le prolonger, le tribunal statue sur toute autre mesure visée à l'article 37, qu'il juge utile. "
Art.10. In artikel 44, tweede en derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 februari 1994, worden de woorden " als misdrijf gekwalificeerd feit " vervangen door de woorden " als misdrijf omschreven feit ".
Art.10. Dans le texte néerlandais de l'article 44, alinéas 2 et 3, de la même loi, remplacés par la loi du 2 février 1994, les mots " als misdrijf gekwalificeerd feit " sont remplacés par les mots " als misdrijf omschreven feit ".
Art.11. In dezelfde wet wordt een artikel 45bis ingevoegd, luidende :
" Art. 45bis. (Ingeval de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige die verklaart niet te ontkennen een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het delinquent gedrag van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige, kan de procureur des Konings hen voorstellen een ouderstage te volgen.) Dit kan enkel wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen. " <W 2006-12-27/33, art. 89, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
" Art. 45bis. (Ingeval de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige die verklaart niet te ontkennen een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het delinquent gedrag van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige, kan de procureur des Konings hen voorstellen een ouderstage te volgen.) Dit kan enkel wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen. " <W 2006-12-27/33, art. 89, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.11. Un article 45bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 45bis. (Lorsque les personnes qui exercent l'autorité parentale sur le mineur qui déclare ne pas nier avoir commis un fait qualifié infraction manifestent un désintérêt caractérisé à l'égard du comportement délinquant de ce dernier, et que ce desintérêt, qui contribue aux problèmes du mineur, le procureur du Roi peut leur proposer d'accomplir un stage parental.) Ce stage parental peut uniquement être proposé s'il peut être bénéfique pour le mineur délinquant lui-même. " <L 2006-12-27/33, art. 89, 003; En vigueur : 01-01-2007>
" Art. 45bis. (Lorsque les personnes qui exercent l'autorité parentale sur le mineur qui déclare ne pas nier avoir commis un fait qualifié infraction manifestent un désintérêt caractérisé à l'égard du comportement délinquant de ce dernier, et que ce desintérêt, qui contribue aux problèmes du mineur, le procureur du Roi peut leur proposer d'accomplir un stage parental.) Ce stage parental peut uniquement être proposé s'il peut être bénéfique pour le mineur délinquant lui-même. " <L 2006-12-27/33, art. 89, 003; En vigueur : 01-01-2007>
Art.12. In dezelfde wet wordt een artikel 45ter ingevoegd, luidende :
" Art. 45ter. - Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, kan de procureur des Konings de vermoedelijke pleger van het als misdrijf omschreven feit een waarschuwingsbrief sturen waarin hij vermeldt dat hij kennis heeft genomen van de feiten, dat hij van oordeel is dat deze feiten ten laste van de minderjarige vaststaan en dat hij beslist heeft het dossier te seponeren.
Een kopie van de waarschuwingsbrief wordt bezorgd aan de vader en aan de moeder, aan de voogd van de minderjarige of aan de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben.
De procureur des Konings kan de vermoedelijke dader van het als misdrijf omschreven feit en zijn wettelijke vertegenwoordigers evenwel oproepen en hen wijzen op hun wettelijke verplichtingen en de risico's die zij lopen. "
" Art. 45ter. - Ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, kan de procureur des Konings de vermoedelijke pleger van het als misdrijf omschreven feit een waarschuwingsbrief sturen waarin hij vermeldt dat hij kennis heeft genomen van de feiten, dat hij van oordeel is dat deze feiten ten laste van de minderjarige vaststaan en dat hij beslist heeft het dossier te seponeren.
Een kopie van de waarschuwingsbrief wordt bezorgd aan de vader en aan de moeder, aan de voogd van de minderjarige of aan de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben.
De procureur des Konings kan de vermoedelijke dader van het als misdrijf omschreven feit en zijn wettelijke vertegenwoordigers evenwel oproepen en hen wijzen op hun wettelijke verplichtingen en de risico's die zij lopen. "
Art.12. Un article 45ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 45ter. - A l'égard des personnes visées à l'article 36, 4°, le procureur du Roi peut adresser à l'auteur présumé du fait qualifié infraction une lettre d'avertissement dans laquelle il indique qu'il a pris connaissance des faits, qu'il estime ces faits établis à charge du mineur et qu'il a décidé de classer le dossier sans suite.
Une copie de la lettre d'avertissement est transmise aux père et mère, au tuteur du mineur ou aux personnes qui en ont la garde en droit ou en fait.
Le procureur du Roi peut toutefois convoquer l'auteur présumé du fait qualifié infraction et ses représentants légaux et leur notifier un rappel à la loi et les risques qu'ils courent. "
" Art. 45ter. - A l'égard des personnes visées à l'article 36, 4°, le procureur du Roi peut adresser à l'auteur présumé du fait qualifié infraction une lettre d'avertissement dans laquelle il indique qu'il a pris connaissance des faits, qu'il estime ces faits établis à charge du mineur et qu'il a décidé de classer le dossier sans suite.
Une copie de la lettre d'avertissement est transmise aux père et mère, au tuteur du mineur ou aux personnes qui en ont la garde en droit ou en fait.
Le procureur du Roi peut toutefois convoquer l'auteur présumé du fait qualifié infraction et ses représentants légaux et leur notifier un rappel à la loi et les risques qu'ils courent. "
Art.13. In dezelfde wet wordt een artikel 45quater ingevoegd, luidende :
" Art. 45quater. § 1. De procureur des Konings informeert de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer schriftelijk dat zij kunnen deelnemen aan een bemiddeling en in dit kader de mogelijkheid hebben zich te wenden tot een bemiddelingsdienst die hij aanwijst, door de gemeenschappen georganiseerd of beantwoordend aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden.
De procureur des Konings kan dergelijk voorstel doen ingeval de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld;
2° de betrokkene verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen;
3° een slachtoffer is geïdentificeerd.
De beslissing van de procureur des Konings om een dossier al dan niet te oriënteren naar een bemiddelingsprocedure moet schriftelijk zijn en gemotiveerd worden, behalve indien hij de zaak wenst te seponeren.
Behalve in de in artikel 49, tweede lid, bedoelde gevallen, heeft de afwezigheid van dergelijke motivering tot gevolg dat de zaak niet regelmatig aanhangig gemaakt is bij de jeugdrechtbank.
Ingeval een voorstel tot bemiddeling wordt gedaan, stelt de procureur des Konings de betrokkenen ervan in kennis dat zij :
1° raad kunnen inwinnen bij een advocaat alvorens deel te nemen aan de bemiddeling;
2° zich kunnen laten bijstaan door een advocaat op het ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen bereiken wordt vastgelegd.
De procureur des Konings laat een afschrift van de schriftelijke voorstellen toekomen aan de aangewezen bemiddelingsdienst. Indien de betrokken personen binnen acht dagen te rekenen van de ontvangst van het schriftelijke voorstel van de procureur des Konings geen stappen ondernomen hebben bij de bemiddelingsdienst, neemt deze contact op met hen.
Een bemiddeling kan enkel plaatsvinden indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven doen zolang de bemiddeling loopt.
§ 2. Binnen twee maanden te rekenen van zijn aanwijzing door de procureur des Konings, stelt de bemiddelingsdienst een bondig verslag betreffende de voortgang van de bemiddeling op.
Het akkoord dat de bij de bemiddeling betrokken personen hebben bereikt wordt ondertekend door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, door de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook door het slachtoffer, en moet door de procureur des Konings worden goedgekeurd. Deze laatste kan de inhoud ervan niet wijzigen. Hij kan alleen weigeren een akkoord goed te keuren indien het strijdig is met de openbare orde.
§ 3. De bemiddelingsdienst stelt een verslag op over de tenuitvoerlegging van het akkoord en richt het aan de procureur des Konings. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd.
Als (in artikel 36, 4°, bedoelde persoon) het bemiddelingsakkoord volgens de erin bepaalde regels ten uitvoer heeft gebracht, maakt de procureur des Konings daarvan proces-verbaal op en houdt hij daarmee rekening bij zijn beslissing om de zaak al dan niet te seponeren. In dit geval doet een seponering de strafvordering vervallen. <W 2006-12-27/33, art. 91, 003; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
Een afschrift van het proces-verbaal wordt overhandigd aan de dader van het als misdrijf omschreven feit, aan de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, aan het slachtoffer evenals aan de dienst bemiddeling. Ingeval de overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt het afschrift van het proces-verbaal bij gerechtsbrief ter kennis gebracht.
§ 4. Indien de bemiddeling geen resultaat oplevert, kan noch de erkenning van de feiten door de jongere, noch het verloop of het resultaat van de bemiddeling door de gerechtelijke overheden of enige andere persoon worden gebruikt ten nadele van de jongere.
De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst zijn vertrouwelijk met uitzondering van datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. "
" Art. 45quater. § 1. De procureur des Konings informeert de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer schriftelijk dat zij kunnen deelnemen aan een bemiddeling en in dit kader de mogelijkheid hebben zich te wenden tot een bemiddelingsdienst die hij aanwijst, door de gemeenschappen georganiseerd of beantwoordend aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden.
De procureur des Konings kan dergelijk voorstel doen ingeval de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld;
2° de betrokkene verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen;
3° een slachtoffer is geïdentificeerd.
De beslissing van de procureur des Konings om een dossier al dan niet te oriënteren naar een bemiddelingsprocedure moet schriftelijk zijn en gemotiveerd worden, behalve indien hij de zaak wenst te seponeren.
Behalve in de in artikel 49, tweede lid, bedoelde gevallen, heeft de afwezigheid van dergelijke motivering tot gevolg dat de zaak niet regelmatig aanhangig gemaakt is bij de jeugdrechtbank.
Ingeval een voorstel tot bemiddeling wordt gedaan, stelt de procureur des Konings de betrokkenen ervan in kennis dat zij :
1° raad kunnen inwinnen bij een advocaat alvorens deel te nemen aan de bemiddeling;
2° zich kunnen laten bijstaan door een advocaat op het ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen bereiken wordt vastgelegd.
De procureur des Konings laat een afschrift van de schriftelijke voorstellen toekomen aan de aangewezen bemiddelingsdienst. Indien de betrokken personen binnen acht dagen te rekenen van de ontvangst van het schriftelijke voorstel van de procureur des Konings geen stappen ondernomen hebben bij de bemiddelingsdienst, neemt deze contact op met hen.
Een bemiddeling kan enkel plaatsvinden indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven doen zolang de bemiddeling loopt.
§ 2. Binnen twee maanden te rekenen van zijn aanwijzing door de procureur des Konings, stelt de bemiddelingsdienst een bondig verslag betreffende de voortgang van de bemiddeling op.
Het akkoord dat de bij de bemiddeling betrokken personen hebben bereikt wordt ondertekend door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, door de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook door het slachtoffer, en moet door de procureur des Konings worden goedgekeurd. Deze laatste kan de inhoud ervan niet wijzigen. Hij kan alleen weigeren een akkoord goed te keuren indien het strijdig is met de openbare orde.
§ 3. De bemiddelingsdienst stelt een verslag op over de tenuitvoerlegging van het akkoord en richt het aan de procureur des Konings. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd.
Als (in artikel 36, 4°, bedoelde persoon) het bemiddelingsakkoord volgens de erin bepaalde regels ten uitvoer heeft gebracht, maakt de procureur des Konings daarvan proces-verbaal op en houdt hij daarmee rekening bij zijn beslissing om de zaak al dan niet te seponeren. In dit geval doet een seponering de strafvordering vervallen. <W 2006-12-27/33, art. 91, 003; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
Een afschrift van het proces-verbaal wordt overhandigd aan de dader van het als misdrijf omschreven feit, aan de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, aan het slachtoffer evenals aan de dienst bemiddeling. Ingeval de overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt het afschrift van het proces-verbaal bij gerechtsbrief ter kennis gebracht.
§ 4. Indien de bemiddeling geen resultaat oplevert, kan noch de erkenning van de feiten door de jongere, noch het verloop of het resultaat van de bemiddeling door de gerechtelijke overheden of enige andere persoon worden gebruikt ten nadele van de jongere.
De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst zijn vertrouwelijk met uitzondering van datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. "
Art.13. Un article 45quater, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 45quater. - § 1er. Le procureur du Roi informe par écrit la personne soupçonnée d'avoir commis un fait qualifié infraction, les personnes qui exercent l'autorité parentale à son égard, les personnes qui en ont la garde en droit ou en fait et la victime, qu'elles peuvent participer à une médiation et qu'elles ont, dans ce cadre, la possibilité de s'adresser à un service de médiation, organisé par les communautés ou répondant aux conditions fixées par celles-ci, qu'il désigne.
Le procureur du Roi peut faire une telle proposition lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° il existe des indices sérieux de culpabilité;
2° l'intéressé déclare ne pas nier le fait qualifié infraction;
3° une victime est identifiée.
La décision du procureur du Roi d'orienter ou non un dossier vers la procédure de médiation doit être écrite et motivée sauf s'il souhaite classer l'affaire sans suite.
Hormis les cas visés à l'article 49, alinéa 2, l'absence d'une telle motivation entraîne l'irrégularité de la saisine du tribunal de la jeunesse.
Lorsqu'une proposition de médiation est faite, le procureur du Roi informe les personnes concernées qu'elles ont le droit de :
1° solliciter les conseils d'un avocat avant de participer à la médiation;
2° se faire assister par un avocat au moment où l'accord auquel aboutissent les personnes concernées est fixé.
Le procureur du Roi adresse une copie des propositions écrites au service de médiation désigné. Si, dans les huit jours de la réception de la proposition écrite du procureur du Roi, les personnes concernées n'ont fait aucune démarche envers le service de médiation, celui-ci prend contact avec elles.
Une médiation ne peut avoir lieu que si les personnes qui y participent y adhèrent de manière expresse et sans réserve, et ce, tout au long de la médiation.
§ 2. Dans les deux mois de sa désignation par le procureur du Roi, le service de médiation établit un rapport succinct relatif à l'état d'avancement de la médiation.
L'accord auquel auront abouti les personnes concernées par la médiation est signé par la personne qui est (soupçconnée d') avoir commis un fait qualifié infraction, par les personnes qui exercent l'autorité parentale à son égard, ainsi que par la victime, et doit être approuvé par le procureur du Roi. Celui-ci ne peut en modifier le contenu. Il ne peut refuser d'approuver un accord que s'il est contraire à l'ordre public. <L 2006-12-27/33, art. 90, 003; En vigueur : 07-01-2007>
§ 3. Le service de médiation établit un rapport sur l'exécution de l'accord et l'adresse au procureur du Roi. Ce rapport est joint au dossier de la procédure.
Lorsque (la personne visée à l'article 36, 4°,) a exécuté l'accord de médiation selon les modalités prévues, le procureur du Roi en dresse procès-verbal et en tient compte lorsqu'il décide de classer sans suite ou non l'affaire. Dans ce cas, un classement sans suite a pour effet l'extinction de l'action publique. <L 2006-12-27/33, art. 91, 003; En vigueur : 07-01-2007>
Une copie du procès-verbal est remise à l'auteur du fait qualifié infraction, aux personnes qui exercent l'autorité parentale à son égard, à la victime ainsi qu'au service de médiation. Au cas où cette remise n'a pu avoir lieu, la copie du procès-verbal est notifiée par pli judiciaire.
§ 4. Si la médiation ne donne aucun résultat, ni la reconnaissance de la matérialité des faits par le jeune, ni le déroulement ou le résultat de la médiation ne peuvent être utilisés, par les autorités judiciaires ou toute autre personne, au préjudice du jeune.
Les documents établis et les communications faites dans le cadre d'une intervention du service de médiation sont confidentiels, à l'exception de ce que les parties consentent à porter à la connaissance des autorités judiciaires. Ils ne peuvent être utilisés dans une procédure pénale, civile, administrative ou arbitrale ou dans toute autre procédure visant à résoudre des conflits et ne sont pas admissibles comme preuve, même comme aveu extrajudiciaire. "
" Art. 45quater. - § 1er. Le procureur du Roi informe par écrit la personne soupçonnée d'avoir commis un fait qualifié infraction, les personnes qui exercent l'autorité parentale à son égard, les personnes qui en ont la garde en droit ou en fait et la victime, qu'elles peuvent participer à une médiation et qu'elles ont, dans ce cadre, la possibilité de s'adresser à un service de médiation, organisé par les communautés ou répondant aux conditions fixées par celles-ci, qu'il désigne.
Le procureur du Roi peut faire une telle proposition lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° il existe des indices sérieux de culpabilité;
2° l'intéressé déclare ne pas nier le fait qualifié infraction;
3° une victime est identifiée.
La décision du procureur du Roi d'orienter ou non un dossier vers la procédure de médiation doit être écrite et motivée sauf s'il souhaite classer l'affaire sans suite.
Hormis les cas visés à l'article 49, alinéa 2, l'absence d'une telle motivation entraîne l'irrégularité de la saisine du tribunal de la jeunesse.
Lorsqu'une proposition de médiation est faite, le procureur du Roi informe les personnes concernées qu'elles ont le droit de :
1° solliciter les conseils d'un avocat avant de participer à la médiation;
2° se faire assister par un avocat au moment où l'accord auquel aboutissent les personnes concernées est fixé.
Le procureur du Roi adresse une copie des propositions écrites au service de médiation désigné. Si, dans les huit jours de la réception de la proposition écrite du procureur du Roi, les personnes concernées n'ont fait aucune démarche envers le service de médiation, celui-ci prend contact avec elles.
Une médiation ne peut avoir lieu que si les personnes qui y participent y adhèrent de manière expresse et sans réserve, et ce, tout au long de la médiation.
§ 2. Dans les deux mois de sa désignation par le procureur du Roi, le service de médiation établit un rapport succinct relatif à l'état d'avancement de la médiation.
L'accord auquel auront abouti les personnes concernées par la médiation est signé par la personne qui est (soupçconnée d') avoir commis un fait qualifié infraction, par les personnes qui exercent l'autorité parentale à son égard, ainsi que par la victime, et doit être approuvé par le procureur du Roi. Celui-ci ne peut en modifier le contenu. Il ne peut refuser d'approuver un accord que s'il est contraire à l'ordre public. <L 2006-12-27/33, art. 90, 003; En vigueur : 07-01-2007>
§ 3. Le service de médiation établit un rapport sur l'exécution de l'accord et l'adresse au procureur du Roi. Ce rapport est joint au dossier de la procédure.
Lorsque (la personne visée à l'article 36, 4°,) a exécuté l'accord de médiation selon les modalités prévues, le procureur du Roi en dresse procès-verbal et en tient compte lorsqu'il décide de classer sans suite ou non l'affaire. Dans ce cas, un classement sans suite a pour effet l'extinction de l'action publique. <L 2006-12-27/33, art. 91, 003; En vigueur : 07-01-2007>
Une copie du procès-verbal est remise à l'auteur du fait qualifié infraction, aux personnes qui exercent l'autorité parentale à son égard, à la victime ainsi qu'au service de médiation. Au cas où cette remise n'a pu avoir lieu, la copie du procès-verbal est notifiée par pli judiciaire.
§ 4. Si la médiation ne donne aucun résultat, ni la reconnaissance de la matérialité des faits par le jeune, ni le déroulement ou le résultat de la médiation ne peuvent être utilisés, par les autorités judiciaires ou toute autre personne, au préjudice du jeune.
Les documents établis et les communications faites dans le cadre d'une intervention du service de médiation sont confidentiels, à l'exception de ce que les parties consentent à porter à la connaissance des autorités judiciaires. Ils ne peuvent être utilisés dans une procédure pénale, civile, administrative ou arbitrale ou dans toute autre procédure visant à résoudre des conflits et ne sont pas admissibles comme preuve, même comme aveu extrajudiciaire. "
Art.14. In artikel 49, vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 februari 1994, worden de woorden " in artikel 38 " vervangen door de woorden " in artikel 57bis ".
Art.14. A l'alinéa 4 de l'article 49 de la même loi, tel qu'inséré par la loi du 2 février 1994, les mots " à l'article 38 " sont remplacés par les mots " à l'article 57bis ".
Art.15. Artikel 49, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 februari 1994 en gewijzigd bij de wetten van 4 mei 1999 en 6 januari 2003, wordt aangevuld als volgt :
" De betrokkene heeft, telkens hij voor de onderzoeksrechter verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis. De onderzoeksrechter kan evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben. "
" De betrokkene heeft, telkens hij voor de onderzoeksrechter verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis. De onderzoeksrechter kan evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben. "
Art.15. L'article 49, alinéa 2, de la même loi, tel qu'inséré par la loi du 2 février 1994 et modifié par les lois du 4 mai 1999 et 6 janvier 2003, est complété comme suit :
" L'intéressé a droit à l'assistance d'un avocat, lors de toute comparution devant le juge d'instruction. Cet avocat est désigné, le cas échéant, conformément à l'article 54bis. Le juge d'instruction peut néanmoins avoir un entretien particulier avec l'intéressé. "
" L'intéressé a droit à l'assistance d'un avocat, lors de toute comparution devant le juge d'instruction. Cet avocat est désigné, le cas échéant, conformément à l'article 54bis. Le juge d'instruction peut néanmoins avoir un entretien particulier avec l'intéressé. "
Art.16. In artikel 51 van dezelfde wet gewijzigd bij de wetten van 21 maart 1969, 2 februari 1994 en 24 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in artikel 51, waarvan de huidige tekst § 2 zal vormen, wordt een § 1 ingevoegd, luidende :
" § 1. Zodra een als misdrijf omschreven feit bij de rechtbank aanhangig is gemaakt, informeert de rechtbank de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de betrokkene en, desgevallend, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, alsmede alle mogelijke slachtoffers, teneinde hen de mogelijkheid te bieden aanwezig te zijn. ";
2° het nieuwe § 2, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" Indien, in de andere aangelegenheden, de betrokkene of de personen die ten aanzien van de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen, op de oproeping niet verschijnen en deze personen dit niet kunnen rechtvaardigen, kunnen zij door de jeugdrechtbank worden veroordeeld tot een geldboete van één euro tot honderd vijftig euro. ";
3° artikel 51, § 2, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De in het derde lid bedoelde personen die veroordeeld zijn tot een geldboete, en die, op een tweede uitnodiging om te verschijnen, ten overstaan van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wettige redenen tot verschoning voorleggen, kunnen, op advies van het openbaar ministerie, ontheffing van de geldboete verkrijgen. "
1° in artikel 51, waarvan de huidige tekst § 2 zal vormen, wordt een § 1 ingevoegd, luidende :
" § 1. Zodra een als misdrijf omschreven feit bij de rechtbank aanhangig is gemaakt, informeert de rechtbank de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de betrokkene en, desgevallend, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, alsmede alle mogelijke slachtoffers, teneinde hen de mogelijkheid te bieden aanwezig te zijn. ";
2° het nieuwe § 2, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" Indien, in de andere aangelegenheden, de betrokkene of de personen die ten aanzien van de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen, op de oproeping niet verschijnen en deze personen dit niet kunnen rechtvaardigen, kunnen zij door de jeugdrechtbank worden veroordeeld tot een geldboete van één euro tot honderd vijftig euro. ";
3° artikel 51, § 2, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De in het derde lid bedoelde personen die veroordeeld zijn tot een geldboete, en die, op een tweede uitnodiging om te verschijnen, ten overstaan van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wettige redenen tot verschoning voorleggen, kunnen, op advies van het openbaar ministerie, ontheffing van de geldboete verkrijgen. "
Art.16. A l'article 51 de la même loi, modifié par les lois du 21 mars 1969, 2 février 1994 et 24 avril 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'article 51, dont le texte actuel formera le § 2, il est inséré un § 1er, rédigé comme suit :
" § 1er. Dès qu'il est saisi d'un fait qualifié infraction, le tribunal informe les personnes qui exercent l'autorité parentale à l'égard de l'intéressé et, le cas échéant, les personnes qui en ont la garde en droit ou en fait, ainsi que toutes les victimes éventuelles, en vue de leur permettre d'être présents. ";
2° le § 2 nouveau, alinéa 3, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Dans les autres matières, si, sur l'invitation à comparaître, l'intéressé ou les personnes investies de l'autorité parentale à l'égard du mineur ne comparaissent pas et que ces personnes ne peuvent justifier leur non-comparution, elles peuvent être condamnées, par le tribunal de la jeunesse, à une amende d'un euro à cent cinquante euros. ";
3° l'article 51, § 2, est complété par l'alinéa suivant :
" Les personnes visées à l'alinéa 3 qui ont été condamnées à une amende et qui, sur une seconde invitation à comparaître, produisent devant le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse des excuses légitimes, peuvent, sur avis du ministère public, être déchargées de l'amende. "
1° dans l'article 51, dont le texte actuel formera le § 2, il est inséré un § 1er, rédigé comme suit :
" § 1er. Dès qu'il est saisi d'un fait qualifié infraction, le tribunal informe les personnes qui exercent l'autorité parentale à l'égard de l'intéressé et, le cas échéant, les personnes qui en ont la garde en droit ou en fait, ainsi que toutes les victimes éventuelles, en vue de leur permettre d'être présents. ";
2° le § 2 nouveau, alinéa 3, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Dans les autres matières, si, sur l'invitation à comparaître, l'intéressé ou les personnes investies de l'autorité parentale à l'égard du mineur ne comparaissent pas et que ces personnes ne peuvent justifier leur non-comparution, elles peuvent être condamnées, par le tribunal de la jeunesse, à une amende d'un euro à cent cinquante euros. ";
3° l'article 51, § 2, est complété par l'alinéa suivant :
" Les personnes visées à l'alinéa 3 qui ont été condamnées à une amende et qui, sur une seconde invitation à comparaître, produisent devant le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse des excuses légitimes, peuvent, sur avis du ministère public, être déchargées de l'amende. "
Art.17. In artikel 52 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 2 februari 1994, 30 juni 1994 en 6 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" Zij kan ofwel hem in zijn leefomgeving laten en hem in voorkomend geval onderwerpen aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde toezicht of aan een in artikel 37, § 2bis, uitgezonderd 2° en 3°, opgesomde voorwaarde ofwel voorlopig een van de maatregelen nemen bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11°, in voorkomend geval op cumulatieve wijze.
De maatregel bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 9°, wordt steeds genomen met het oog op een medisch-psychologische evaluatie.
Teneinde de in artikel 50 bedoelde onderzoeksmaatregelen te kunnen uitvoeren, kan de rechtbank de voorlopige maatregel van bewaring die erin bestaat de betrokkene in zijn leefomgeving te laten en te onderwerpen aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2° bedoelde toezicht, gepaard laten gaan met de voorwaarde een prestatie van algemeen nut te leveren in verhouding tot zijn leeftijd en zijn vaardigheden. De prestatie van algemeen nut, opgelegd overeenkomstig dit artikel, mag niet meer dan 30 uur bedragen.
Om de in het tweede lid bedoelde beslissing te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de in artikel 37, § 1, tweede lid bedoelde factoren. Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten.
Deze voorlopige maatregelen mogen enkel voor een zo kort mogelijke duur worden genomen, wanneer er voldoende ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, en slechts wanneer de finaliteit van de voorlopige maatregel op geen andere manier kan worden bereikt.
Geen enkele voorlopige maatregel kan worden genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing noch met het oog op de uitoefening van enige vorm van dwang.
2° in het derde lid worden de woorden " 37, § 2, 4° " vervangen door de woorden " 37, § 2, eerste lid, 8° " en de woorden " dertig dagen " vervangen door de woorden " drie kalenderdagen ".
3° in het derde lid, worden de woorden " als misdrijf gekwalificeerd feit " vervangen door de woorden " als misdrijf omschreven feit ".
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" Zij kan ofwel hem in zijn leefomgeving laten en hem in voorkomend geval onderwerpen aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde toezicht of aan een in artikel 37, § 2bis, uitgezonderd 2° en 3°, opgesomde voorwaarde ofwel voorlopig een van de maatregelen nemen bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11°, in voorkomend geval op cumulatieve wijze.
De maatregel bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 9°, wordt steeds genomen met het oog op een medisch-psychologische evaluatie.
Teneinde de in artikel 50 bedoelde onderzoeksmaatregelen te kunnen uitvoeren, kan de rechtbank de voorlopige maatregel van bewaring die erin bestaat de betrokkene in zijn leefomgeving te laten en te onderwerpen aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2° bedoelde toezicht, gepaard laten gaan met de voorwaarde een prestatie van algemeen nut te leveren in verhouding tot zijn leeftijd en zijn vaardigheden. De prestatie van algemeen nut, opgelegd overeenkomstig dit artikel, mag niet meer dan 30 uur bedragen.
Om de in het tweede lid bedoelde beslissing te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de in artikel 37, § 1, tweede lid bedoelde factoren. Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten.
Deze voorlopige maatregelen mogen enkel voor een zo kort mogelijke duur worden genomen, wanneer er voldoende ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, en slechts wanneer de finaliteit van de voorlopige maatregel op geen andere manier kan worden bereikt.
Geen enkele voorlopige maatregel kan worden genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing noch met het oog op de uitoefening van enige vorm van dwang.
2° in het derde lid worden de woorden " 37, § 2, 4° " vervangen door de woorden " 37, § 2, eerste lid, 8° " en de woorden " dertig dagen " vervangen door de woorden " drie kalenderdagen ".
3° in het derde lid, worden de woorden " als misdrijf gekwalificeerd feit " vervangen door de woorden " als misdrijf omschreven feit ".
Art.17. A l'article 52 de la même loi, modifié par les lois des 2 février 1994, 30 juin 1994 et 6 janvier 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 2 est remplacé par les alinéas suivants :
" Il peut soit le laisser dans son milieu de vie et le soumettre, le cas échéant, à la surveillance prévue à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 2°, ou à une condition énumérée à l'article 37, § 2bis, excepté 2° et 3°, soit prendre provisoirement une des mesures prévues à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 7° à 11°, le cas échéant de façon cumulative.
La mesure prévue à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 9°, est prise en vue d'établir un bilan médico-psychologique.
Afin de permettre la réalisation des mesures d'investigations visées à l'article 50, le tribunal peut assortir la mesure de garde provisoire consistant à laisser l'intéressé dans son milieu et à le soumettre à la surveillance prévue à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 2°, de la condition d'accomplir une prestation d'intérêt général en rapport avec son âge et ses capacités. La prestation d'intérêt général ordonnée en application du présent article ne peut dépasser 30 heures.
Afin de prendre la décision visée à l'alinéa 2, le tribunal de la jeunesse tient compte des facteurs visés à l'article 37, § 1er, alinéa 2. La disponibilité des moyens de traitement, des programmes d'éducation ou de toutes autres ressources envisagées et le bénéfice qu'en retirerait l'intéressé sont également pris en considération.
Ces mesures provisoires ne peuvent être prises que pour une durée aussi brève que possible, lorsqu'il existe suffisamment d'indices sérieux de culpabilité et que la finalité de la mesure provisoire ne peut être atteinte d'une autre manière.
Aucune mesure provisoire ne peut être prise en vue d'exercer une sanction immédiate ou toute autre forme de contrainte.
2° à l'alinéa 3, les mots " 37, § 2, 4° " sont remplacés par les mots " 37, § 2, alinéa premier, 8° " et les mots " trente jours " sont remplacés par les mots " trois jours civils ".
3° dans le texte néerlandais de l'alinéa 3, les mots " als misdrijf gekwalificeerd feit " sont remplacés par les mots " als misdrijf omschreven feit ".
1° l'alinéa 2 est remplacé par les alinéas suivants :
" Il peut soit le laisser dans son milieu de vie et le soumettre, le cas échéant, à la surveillance prévue à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 2°, ou à une condition énumérée à l'article 37, § 2bis, excepté 2° et 3°, soit prendre provisoirement une des mesures prévues à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 7° à 11°, le cas échéant de façon cumulative.
La mesure prévue à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 9°, est prise en vue d'établir un bilan médico-psychologique.
Afin de permettre la réalisation des mesures d'investigations visées à l'article 50, le tribunal peut assortir la mesure de garde provisoire consistant à laisser l'intéressé dans son milieu et à le soumettre à la surveillance prévue à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 2°, de la condition d'accomplir une prestation d'intérêt général en rapport avec son âge et ses capacités. La prestation d'intérêt général ordonnée en application du présent article ne peut dépasser 30 heures.
Afin de prendre la décision visée à l'alinéa 2, le tribunal de la jeunesse tient compte des facteurs visés à l'article 37, § 1er, alinéa 2. La disponibilité des moyens de traitement, des programmes d'éducation ou de toutes autres ressources envisagées et le bénéfice qu'en retirerait l'intéressé sont également pris en considération.
Ces mesures provisoires ne peuvent être prises que pour une durée aussi brève que possible, lorsqu'il existe suffisamment d'indices sérieux de culpabilité et que la finalité de la mesure provisoire ne peut être atteinte d'une autre manière.
Aucune mesure provisoire ne peut être prise en vue d'exercer une sanction immédiate ou toute autre forme de contrainte.
2° à l'alinéa 3, les mots " 37, § 2, 4° " sont remplacés par les mots " 37, § 2, alinéa premier, 8° " et les mots " trente jours " sont remplacés par les mots " trois jours civils ".
3° dans le texte néerlandais de l'alinéa 3, les mots " als misdrijf gekwalificeerd feit " sont remplacés par les mots " als misdrijf omschreven feit ".
Art.18. In artikel 52ter, vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet 2 februari 1994, worden de woorden " zijn advocaat en aan " ingevoegd tussen de woorden " evenals aan " en de woorden " zijn vader en moeder ".
Art.18. A l'article 52ter, alinéa 4, de la même loi, inséré par la loi du 2 février 1994, les mots " son avocat et à " sont insérés entre les mots " de même qu'à " et les mots " ses père et mère ".
Art.19. Artikel 52quater, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 februari 1994, wordt vervangen als volgt :
" Deze beslissing kan enkel worden genomen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld;
2° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is;
3° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden. "
" Deze beslissing kan enkel worden genomen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld;
2° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is;
3° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden. "
Art.19. A l'article 52quater, l'alinéa 2 de la même loi, inséré par la loi du 2 février 1994, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Cette décision ne peut être prise que si les conditions suivantes sont réunies :
1° il existe des indices sérieux de culpabilité;
2° l'intéressé a un comportement dangereux pour lui-même ou pour autrui;
3° il existe de sérieuses raisons de craindre que l'intéressé, s'il était remis en liberté, commette de nouveaux crimes ou délits, se soustraie à l'action de la justice, tente de faire disparaître des preuves ou entre en collusion avec des tiers. "
" Cette décision ne peut être prise que si les conditions suivantes sont réunies :
1° il existe des indices sérieux de culpabilité;
2° l'intéressé a un comportement dangereux pour lui-même ou pour autrui;
3° il existe de sérieuses raisons de craindre que l'intéressé, s'il était remis en liberté, commette de nouveaux crimes ou délits, se soustraie à l'action de la justice, tente de faire disparaître des preuves ou entre en collusion avec des tiers. "
Art.20. In dezelfde wet wordt een artikel 52quinquies ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 52quinquies. - Gedurende een rechtspleging strekkende tot de toepassing van een van de in titel II, hoofdstuk III, bedoelde maatregelen, kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een bemiddeling voorstellen overeenkomstig de bij de artikelen 37bis tot 37quinquies bepaalde regels. "
" Artikel 52quinquies. - Gedurende een rechtspleging strekkende tot de toepassing van een van de in titel II, hoofdstuk III, bedoelde maatregelen, kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een bemiddeling voorstellen overeenkomstig de bij de artikelen 37bis tot 37quinquies bepaalde regels. "
Art.20. Un article 52quinquies, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 52quinquies. - Durant une procédure visant l'application d'une des mesures visées au titre II, chapitre III, le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse peut proposer une médiation conformément aux modalités prévues aux articles 37bis à 37quinquies. "
" Art. 52quinquies. - Durant une procédure visant l'application d'une des mesures visées au titre II, chapitre III, le juge de la jeunesse ou le tribunal de la jeunesse peut proposer une médiation conformément aux modalités prévues aux articles 37bis à 37quinquies. "
Art.21. In dezelfde wet wordt een artikel 57bis ingevoegd, luidende :
" Art. 57bis. - § 1. Indien de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast, als daartoe grond bestaat,
ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is, als daartoe grond bestaat. De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
- de betrokkene is reeds eerder het voorwerp geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
- het betreft een feit zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek.
De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene.
Deze bepaling kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van dit hoofdstuk.
§ 2. Onverminderd artikel 36bis kan de jeugdrechtbank met toepassing van dit artikel de zaak slechts uit handen geven na de in artikel 50, tweede lid, bedoelde maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken te hebben doen verrichten.
Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en van de maturiteitsgraad van de betrokkene. De aard, frequentie en ernst van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid. De Koning bepaalt de nadere regels volgens welke het medisch-psychologisch onderzoek dient te worden verricht.
Evenwel,
1° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek te beschikken, wanneer zij constateert dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen;
2° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, indien bij vonnis een maatregel al genomen is ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die één of meer in de artikelen 323, 373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek bedoelde feiten heeft gepleegd, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd;
3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden uitspraak over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en eerst wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
§ 3. De jeugdrechtbank kan de zaak slechts uit handen geven met inachtneming van de volgende procedure.
Zodra het maatschappelijk onderzoek en het medisch-psychologisch onderzoek ter griffie zijn neergelegd, deelt de jeugdrechter binnen drie werkdagen het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 1°, geen medisch-psychologisch onderzoek is vereist, deelt de rechtbank binnen drie werkdagen na de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 2° en 3°, de rechtbank uitspraak kan doen zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, deelt zij het dossier onverwijld mee aan de procureur des Konings.
Deze laatste dagvaardt de in artikel 46 bedoelde personen binnen dertig werkdagen na ontvangst van het dossier met het oog op de eerste dienstige terechtzitting. In de dagvaarding moet worden vermeld dat een uithandengeving is vereist. De rechtbank doet binnen dertig werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
In geval van hoger beroep beschikt de procureur-generaal over een termijn van twintig werkdagen te rekenen van het einde van de termijn van hoger beroep om te dagvaarden voor de jeugdkamer van het hof van beroep. Deze kamer doet binnen vijftien werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
§ 4. Na de dagvaarding tot uithandengeving kan de betrokkene die is toevertrouwd aan een gesloten opvoedingsafdeling van een instelling bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, worden overgebracht naar de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die overbrenging kan enkel plaatsvinden bij een beslissing van de jeugdrechter, met bijzondere redenen omkleed betreffende de bijzondere omstandigheden.
Tegen de vonnissen waarin de in het eerste lid bedoelde plaatsing wordt bevolen, kan hoger beroep worden ingesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 52quater, zesde, zevende en achtste lid.
De jeugdrechtbank die niet beveelt de zaak uit handen te geven, maakt onmiddellijk een einde aan de plaatsing in het gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en neemt ten aanzien van de betrokkene alle andere maatregelen die zij nuttig acht.
§ 5. Iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is met toepassing van dit artikel wordt, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving.
§ 6. Na een beslissing van uithandengeving, bevolen met toepassing van deze bepaling, draagt de jeugdrechtbank of, in voorkomend geval, de jeugdkamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale dossier van de betrokken persoon over aan het openbaar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging, bij het strafdossier te voegen. "
" Art. 57bis. - § 1. Indien de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast, als daartoe grond bestaat,
ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is, als daartoe grond bestaat. De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
- de betrokkene is reeds eerder het voorwerp geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
- het betreft een feit zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek.
De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene.
Deze bepaling kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van dit hoofdstuk.
§ 2. Onverminderd artikel 36bis kan de jeugdrechtbank met toepassing van dit artikel de zaak slechts uit handen geven na de in artikel 50, tweede lid, bedoelde maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken te hebben doen verrichten.
Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en van de maturiteitsgraad van de betrokkene. De aard, frequentie en ernst van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid. De Koning bepaalt de nadere regels volgens welke het medisch-psychologisch onderzoek dient te worden verricht.
Evenwel,
1° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek te beschikken, wanneer zij constateert dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen;
2° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, indien bij vonnis een maatregel al genomen is ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die één of meer in de artikelen 323, 373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek bedoelde feiten heeft gepleegd, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd;
3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden uitspraak over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en eerst wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
§ 3. De jeugdrechtbank kan de zaak slechts uit handen geven met inachtneming van de volgende procedure.
Zodra het maatschappelijk onderzoek en het medisch-psychologisch onderzoek ter griffie zijn neergelegd, deelt de jeugdrechter binnen drie werkdagen het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 1°, geen medisch-psychologisch onderzoek is vereist, deelt de rechtbank binnen drie werkdagen na de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 2° en 3°, de rechtbank uitspraak kan doen zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, deelt zij het dossier onverwijld mee aan de procureur des Konings.
Deze laatste dagvaardt de in artikel 46 bedoelde personen binnen dertig werkdagen na ontvangst van het dossier met het oog op de eerste dienstige terechtzitting. In de dagvaarding moet worden vermeld dat een uithandengeving is vereist. De rechtbank doet binnen dertig werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
In geval van hoger beroep beschikt de procureur-generaal over een termijn van twintig werkdagen te rekenen van het einde van de termijn van hoger beroep om te dagvaarden voor de jeugdkamer van het hof van beroep. Deze kamer doet binnen vijftien werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
§ 4. Na de dagvaarding tot uithandengeving kan de betrokkene die is toevertrouwd aan een gesloten opvoedingsafdeling van een instelling bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, worden overgebracht naar de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die overbrenging kan enkel plaatsvinden bij een beslissing van de jeugdrechter, met bijzondere redenen omkleed betreffende de bijzondere omstandigheden.
Tegen de vonnissen waarin de in het eerste lid bedoelde plaatsing wordt bevolen, kan hoger beroep worden ingesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 52quater, zesde, zevende en achtste lid.
De jeugdrechtbank die niet beveelt de zaak uit handen te geven, maakt onmiddellijk een einde aan de plaatsing in het gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en neemt ten aanzien van de betrokkene alle andere maatregelen die zij nuttig acht.
§ 5. Iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is met toepassing van dit artikel wordt, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving.
§ 6. Na een beslissing van uithandengeving, bevolen met toepassing van deze bepaling, draagt de jeugdrechtbank of, in voorkomend geval, de jeugdkamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale dossier van de betrokken persoon over aan het openbaar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging, bij het strafdossier te voegen. "
Art.21. Un article 57bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 57bis. - § 1er. Si la personne déférée au tribunal de la jeunesse en raison d'un fait qualifié infraction était âgée de seize ans ou plus au moment de ce fait et que le tribunal de la jeunesse estime inadéquate une mesure de garde, de préservation ou d'éducation, il peut, par décision motivée, se dessaisir et renvoyer l'affaire au ministère public aux fins de poursuite devant, soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un délit ou crime correctionnalisable, une chambre spécifique au sein du tribunal de la jeunesse qui applique le droit pénal commun et la procédure pénale commune, s'il y a lieu,
soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un crime non correctionnalisable, la juridiction compétente en vertu du droit commun, s'il y a lieu. Le tribunal de la jeunesse ne peut toutefois se dessaisir que si en outre une des conditions suivantes est remplie :
- la personne concernée a déjà fait l'objet d'une ou de plusieurs mesures visées à l'article 37, § 2, § 2bis ou § 2ter ou d'une offre restauratrice telle que visée aux articles 37bis à 37quinquies;
- il s'agit d'un fait visé aux articles 373, 375, 393 à 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 à 475 du Code pénal ou de la tentative de commettre un fait visé aux articles 393 à 397 du Code pénal.
La motivation porte sur la personnalité de la personne concernée et de son entourage et sur le degré de maturité de la personne concernée.
La présente disposition peut être appliquée même lorsque l'intéressé a atteint l'âge de dix-huit ans au moment du jugement. Il est dans ce cas assimilé à un mineur pour l'application du présent chapitre.
§ 2. Sans préjudice de l'article 36bis, le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire en application du présent article qu'après avoir fait procéder à l'étude sociale et à l'examen médico-psychologique prévus à l'article 50, alinéa 2.
L'examen médico-psychologique a pour but d'évaluer la situation en fonction de la personnalité de la personne concernée et de son entourage, ainsi que du degré de maturité de la personne concernée. La nature, la fréquence et la gravité des faits qui lui sont reprochés, sont prises en considération dans la mesure où elles sont pertinentes pour l'évaluation de sa personnalité. Le Roi fixe les modalités selon lesquelles l'examen médico-psychologique doit avoir lieu.
Toutefois,
1° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans disposer du rapport de l'examen médico-psychologique, lorsqu'il constate que l'intéressé se soustrait à cet examen ou refuse de s'y soumettre;
2° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, lorsqu'une mesure a déjà été prise par jugement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans en raison d'un ou plusieurs faits visés aux articles 323, 373 à 378, 392 à 394, 401 et 468 à 476 du Code pénal, commis après l'âge de seize ans, et que cette personne est à nouveau poursuivie pour un ou plusieurs de ces faits commis postérieurement à la première condamnation. Les pièces de la procédure antérieure sont jointes à celles de la nouvelle procédure;
3° le tribunal de la jeunesse statue dans les mêmes conditions sur la demande de dessaisissement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans qui a commis un fait qualifié crime punissable d'une peine supérieure à la réclusion de vingt ans, commis après l'âge de seize ans et qui n'est poursuivi qu'après qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans.
§ 3. Le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire que dans le respect de la procédure suivante.
Dès le dépôt au greffe de l'étude sociale et de l'examen médico-psychologique, le juge de la jeunesse communique, dans les trois jours ouvrables, le dossier au procureur du Roi. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 1°, un examen médico-psychologique n'est pas requis, le tribunal communique le dossier au procureur du Roi dans les trois jours ouvrables du dépôt au greffe de l'étude sociale. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 2° et 3°, le tribunal peut statuer sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, il communique le dossier sans délai au procureur du Roi.
Celui-ci cite les personnes visées à l'article 46 dans les trente jours de la réception du dossier en vue de la plus prochaine audience utile. La citation doit mentionner qu'un dessaisissement est requis. Le tribunal statue sur le dessaisissement dans les trente jours ouvrables de l'audience publique.
En cas d'appel, le procureur général dispose d'un délai de vingt jours ouvrables à dater de la fin du délai d'appel pour citer devant la chambre de la jeunesse de la cour d'appel. Cette chambre statue sur le dessaisissement dans les quinze jours ouvrables de l'audience.
§ 4. A dater de la citation en dessaisissement, l'intéressé confié à une institution visée à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé peut être transféré à la section éducation d'un centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction. Ce transfert ne peut avoir lieu que sur décision du juge de la jeunesse, cette décision étant spécialement motivée quant aux circonstances particulières.
Les jugements qui ordonnent le placement visé à l'alinéa 1er sont susceptibles d'appel selon la procédure visée à l'article 52quater, alinéas 6, 7 et 8.
Le tribunal de la jeunesse qui n'ordonne pas le dessaisissement met immédiatement fin au placement dans le centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et prend à l'égard de l'intéressé toute autre mesure qu'il juge utile.
§ 5. Toute personne qui a fait l'objet d'une décision de dessaisissement prononcée en application du présent article devient, à compter du jour où cette décision est devenue définitive, justiciable de la juridiction ordinaire pour les poursuites relatives aux faits commis après le jour de la citation de dessaisissement.
§ 6. A la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée en application de la présente disposition, le tribunal de la jeunesse ou, le cas échéant, la chambre de la jeunesse de la cour d'appel, transmet sans délai au ministère public l'intégralité du dossier de la personne concernée en vue de le joindre, en cas de poursuite, au dossier répressif. "
" Art. 57bis. - § 1er. Si la personne déférée au tribunal de la jeunesse en raison d'un fait qualifié infraction était âgée de seize ans ou plus au moment de ce fait et que le tribunal de la jeunesse estime inadéquate une mesure de garde, de préservation ou d'éducation, il peut, par décision motivée, se dessaisir et renvoyer l'affaire au ministère public aux fins de poursuite devant, soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un délit ou crime correctionnalisable, une chambre spécifique au sein du tribunal de la jeunesse qui applique le droit pénal commun et la procédure pénale commune, s'il y a lieu,
soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un crime non correctionnalisable, la juridiction compétente en vertu du droit commun, s'il y a lieu. Le tribunal de la jeunesse ne peut toutefois se dessaisir que si en outre une des conditions suivantes est remplie :
- la personne concernée a déjà fait l'objet d'une ou de plusieurs mesures visées à l'article 37, § 2, § 2bis ou § 2ter ou d'une offre restauratrice telle que visée aux articles 37bis à 37quinquies;
- il s'agit d'un fait visé aux articles 373, 375, 393 à 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 à 475 du Code pénal ou de la tentative de commettre un fait visé aux articles 393 à 397 du Code pénal.
La motivation porte sur la personnalité de la personne concernée et de son entourage et sur le degré de maturité de la personne concernée.
La présente disposition peut être appliquée même lorsque l'intéressé a atteint l'âge de dix-huit ans au moment du jugement. Il est dans ce cas assimilé à un mineur pour l'application du présent chapitre.
§ 2. Sans préjudice de l'article 36bis, le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire en application du présent article qu'après avoir fait procéder à l'étude sociale et à l'examen médico-psychologique prévus à l'article 50, alinéa 2.
L'examen médico-psychologique a pour but d'évaluer la situation en fonction de la personnalité de la personne concernée et de son entourage, ainsi que du degré de maturité de la personne concernée. La nature, la fréquence et la gravité des faits qui lui sont reprochés, sont prises en considération dans la mesure où elles sont pertinentes pour l'évaluation de sa personnalité. Le Roi fixe les modalités selon lesquelles l'examen médico-psychologique doit avoir lieu.
Toutefois,
1° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans disposer du rapport de l'examen médico-psychologique, lorsqu'il constate que l'intéressé se soustrait à cet examen ou refuse de s'y soumettre;
2° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, lorsqu'une mesure a déjà été prise par jugement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans en raison d'un ou plusieurs faits visés aux articles 323, 373 à 378, 392 à 394, 401 et 468 à 476 du Code pénal, commis après l'âge de seize ans, et que cette personne est à nouveau poursuivie pour un ou plusieurs de ces faits commis postérieurement à la première condamnation. Les pièces de la procédure antérieure sont jointes à celles de la nouvelle procédure;
3° le tribunal de la jeunesse statue dans les mêmes conditions sur la demande de dessaisissement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans qui a commis un fait qualifié crime punissable d'une peine supérieure à la réclusion de vingt ans, commis après l'âge de seize ans et qui n'est poursuivi qu'après qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans.
§ 3. Le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire que dans le respect de la procédure suivante.
Dès le dépôt au greffe de l'étude sociale et de l'examen médico-psychologique, le juge de la jeunesse communique, dans les trois jours ouvrables, le dossier au procureur du Roi. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 1°, un examen médico-psychologique n'est pas requis, le tribunal communique le dossier au procureur du Roi dans les trois jours ouvrables du dépôt au greffe de l'étude sociale. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 2° et 3°, le tribunal peut statuer sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, il communique le dossier sans délai au procureur du Roi.
Celui-ci cite les personnes visées à l'article 46 dans les trente jours de la réception du dossier en vue de la plus prochaine audience utile. La citation doit mentionner qu'un dessaisissement est requis. Le tribunal statue sur le dessaisissement dans les trente jours ouvrables de l'audience publique.
En cas d'appel, le procureur général dispose d'un délai de vingt jours ouvrables à dater de la fin du délai d'appel pour citer devant la chambre de la jeunesse de la cour d'appel. Cette chambre statue sur le dessaisissement dans les quinze jours ouvrables de l'audience.
§ 4. A dater de la citation en dessaisissement, l'intéressé confié à une institution visée à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé peut être transféré à la section éducation d'un centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction. Ce transfert ne peut avoir lieu que sur décision du juge de la jeunesse, cette décision étant spécialement motivée quant aux circonstances particulières.
Les jugements qui ordonnent le placement visé à l'alinéa 1er sont susceptibles d'appel selon la procédure visée à l'article 52quater, alinéas 6, 7 et 8.
Le tribunal de la jeunesse qui n'ordonne pas le dessaisissement met immédiatement fin au placement dans le centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et prend à l'égard de l'intéressé toute autre mesure qu'il juge utile.
§ 5. Toute personne qui a fait l'objet d'une décision de dessaisissement prononcée en application du présent article devient, à compter du jour où cette décision est devenue définitive, justiciable de la juridiction ordinaire pour les poursuites relatives aux faits commis après le jour de la citation de dessaisissement.
§ 6. A la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée en application de la présente disposition, le tribunal de la jeunesse ou, le cas échéant, la chambre de la jeunesse de la cour d'appel, transmet sans délai au ministère public l'intégralité du dossier de la personne concernée en vue de le joindre, en cas de poursuite, au dossier répressif. "
Art.21 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
In dezelfde wet wordt een artikel 57bis ingevoegd, luidende :
" Art. 57bis. - § 1. Indien de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast, als daartoe grond bestaat,
ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is, als daartoe grond bestaat. De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
- de betrokkene is reeds eerder het voorwerp geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
- het betreft een feit zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek.
De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene.
Deze bepaling kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van dit hoofdstuk.
§ 2. Onverminderd artikel 36bis kan de jeugdrechtbank met toepassing van dit artikel de zaak slechts uit handen geven na de in artikel 50, tweede lid, bedoelde maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken te hebben doen verrichten.
Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en van de maturiteitsgraad van de betrokkene. De aard, frequentie en ernst van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid. De Koning bepaalt de nadere regels volgens welke het medisch-psychologisch onderzoek dient te worden verricht.
Evenwel,
1° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek te beschikken, wanneer zij constateert dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen;
2° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, indien bij vonnis een maatregel al genomen is ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die één of meer in de artikelen 323, 373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek bedoelde feiten heeft gepleegd, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd;
3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden uitspraak over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en eerst wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
§ 3. De jeugdrechtbank kan de zaak slechts uit handen geven met inachtneming van de volgende procedure.
Zodra het maatschappelijk onderzoek en het medisch-psychologisch onderzoek ter griffie zijn neergelegd, deelt de jeugdrechter binnen drie werkdagen het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 1°, geen medisch-psychologisch onderzoek is vereist, deelt de rechtbank binnen drie werkdagen na de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 2° en 3°, de rechtbank uitspraak kan doen zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, deelt zij het dossier onverwijld mee aan de procureur des Konings.
Deze laatste dagvaardt de in artikel 46 bedoelde personen binnen dertig werkdagen na ontvangst van het dossier met het oog op de eerste dienstige terechtzitting. In de dagvaarding moet worden vermeld dat een uithandengeving is vereist. De rechtbank doet binnen dertig werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
In geval van hoger beroep beschikt de procureur-generaal over een termijn van twintig werkdagen te rekenen van het einde van de termijn van hoger beroep om te dagvaarden voor de jeugdkamer van het hof van beroep. Deze kamer doet binnen vijftien werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
§ 4. Na de dagvaarding tot uithandengeving kan de betrokkene die is toevertrouwd aan een gesloten opvoedingsafdeling van een instelling bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, worden overgebracht naar de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die overbrenging kan enkel plaatsvinden bij een beslissing van de jeugdrechter, met bijzondere redenen omkleed betreffende de bijzondere omstandigheden.
Tegen de vonnissen waarin de in het eerste lid bedoelde plaatsing wordt bevolen, kan hoger beroep worden ingesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 52quater, zesde, zevende en achtste lid.
De jeugdrechtbank die niet beveelt de zaak uit handen te geven, maakt onmiddellijk een einde aan de plaatsing in het gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en neemt ten aanzien van de betrokkene alle andere maatregelen die zij nuttig acht. [1 (NOTA : artikel 21, opgeheven, dat artikel 57 bis, § 4, van de wet van 8 april 1965 betreft.)]1
§ 5. Iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is met toepassing van dit artikel wordt, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving.
§ 6. Na een beslissing van uithandengeving, bevolen met toepassing van deze bepaling, draagt de jeugdrechtbank of, in voorkomend geval, de jeugdkamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale dossier van de betrokken persoon over aan het openbaar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging, bij het strafdossier te voegen. "
In dezelfde wet wordt een artikel 57bis ingevoegd, luidende :
" Art. 57bis. - § 1. Indien de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast, als daartoe grond bestaat,
ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is, als daartoe grond bestaat. De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
- de betrokkene is reeds eerder het voorwerp geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
- het betreft een feit zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek.
De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene.
Deze bepaling kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van dit hoofdstuk.
§ 2. Onverminderd artikel 36bis kan de jeugdrechtbank met toepassing van dit artikel de zaak slechts uit handen geven na de in artikel 50, tweede lid, bedoelde maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken te hebben doen verrichten.
Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en van de maturiteitsgraad van de betrokkene. De aard, frequentie en ernst van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid. De Koning bepaalt de nadere regels volgens welke het medisch-psychologisch onderzoek dient te worden verricht.
Evenwel,
1° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek te beschikken, wanneer zij constateert dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen;
2° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, indien bij vonnis een maatregel al genomen is ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die één of meer in de artikelen 323, 373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek bedoelde feiten heeft gepleegd, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd;
3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden uitspraak over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en eerst wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
§ 3. De jeugdrechtbank kan de zaak slechts uit handen geven met inachtneming van de volgende procedure.
Zodra het maatschappelijk onderzoek en het medisch-psychologisch onderzoek ter griffie zijn neergelegd, deelt de jeugdrechter binnen drie werkdagen het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 1°, geen medisch-psychologisch onderzoek is vereist, deelt de rechtbank binnen drie werkdagen na de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 2° en 3°, de rechtbank uitspraak kan doen zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, deelt zij het dossier onverwijld mee aan de procureur des Konings.
Deze laatste dagvaardt de in artikel 46 bedoelde personen binnen dertig werkdagen na ontvangst van het dossier met het oog op de eerste dienstige terechtzitting. In de dagvaarding moet worden vermeld dat een uithandengeving is vereist. De rechtbank doet binnen dertig werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
In geval van hoger beroep beschikt de procureur-generaal over een termijn van twintig werkdagen te rekenen van het einde van de termijn van hoger beroep om te dagvaarden voor de jeugdkamer van het hof van beroep. Deze kamer doet binnen vijftien werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
§ 4. Na de dagvaarding tot uithandengeving kan de betrokkene die is toevertrouwd aan een gesloten opvoedingsafdeling van een instelling bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, worden overgebracht naar de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die overbrenging kan enkel plaatsvinden bij een beslissing van de jeugdrechter, met bijzondere redenen omkleed betreffende de bijzondere omstandigheden.
Tegen de vonnissen waarin de in het eerste lid bedoelde plaatsing wordt bevolen, kan hoger beroep worden ingesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 52quater, zesde, zevende en achtste lid.
De jeugdrechtbank die niet beveelt de zaak uit handen te geven, maakt onmiddellijk een einde aan de plaatsing in het gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en neemt ten aanzien van de betrokkene alle andere maatregelen die zij nuttig acht. [1 (NOTA : artikel 21, opgeheven, dat artikel 57 bis, § 4, van de wet van 8 april 1965 betreft.)]1
§ 5. Iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is met toepassing van dit artikel wordt, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving.
§ 6. Na een beslissing van uithandengeving, bevolen met toepassing van deze bepaling, draagt de jeugdrechtbank of, in voorkomend geval, de jeugdkamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale dossier van de betrokken persoon over aan het openbaar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging, bij het strafdossier te voegen. "
Art.21 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
Un article 57bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 57bis. - § 1er. Si la personne déférée au tribunal de la jeunesse en raison d'un fait qualifié infraction était âgée de seize ans ou plus au moment de ce fait et que le tribunal de la jeunesse estime inadéquate une mesure de garde, de préservation ou d'éducation, il peut, par décision motivée, se dessaisir et renvoyer l'affaire au ministère public aux fins de poursuite devant, soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un délit ou crime correctionnalisable, une chambre spécifique au sein du tribunal de la jeunesse qui applique le droit pénal commun et la procédure pénale commune, s'il y a lieu,
soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un crime non correctionnalisable, la juridiction compétente en vertu du droit commun, s'il y a lieu. Le tribunal de la jeunesse ne peut toutefois se dessaisir que si en outre une des conditions suivantes est remplie :
- la personne concernée a déjà fait l'objet d'une ou de plusieurs mesures visées à l'article 37, § 2, § 2bis ou § 2ter ou d'une offre restauratrice telle que visée aux articles 37bis à 37quinquies;
- il s'agit d'un fait visé aux articles 373, 375, 393 à 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 à 475 du Code pénal ou de la tentative de commettre un fait visé aux articles 393 à 397 du Code pénal.
La motivation porte sur la personnalité de la personne concernée et de son entourage et sur le degré de maturité de la personne concernée.
La présente disposition peut être appliquée même lorsque l'intéressé a atteint l'âge de dix-huit ans au moment du jugement. Il est dans ce cas assimilé à un mineur pour l'application du présent chapitre.
§ 2. Sans préjudice de l'article 36bis, le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire en application du présent article qu'après avoir fait procéder à l'étude sociale et à l'examen médico-psychologique prévus à l'article 50, alinéa 2.
L'examen médico-psychologique a pour but d'évaluer la situation en fonction de la personnalité de la personne concernée et de son entourage, ainsi que du degré de maturité de la personne concernée. La nature, la fréquence et la gravité des faits qui lui sont reprochés, sont prises en considération dans la mesure où elles sont pertinentes pour l'évaluation de sa personnalité. Le Roi fixe les modalités selon lesquelles l'examen médico-psychologique doit avoir lieu.
Toutefois,
1° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans disposer du rapport de l'examen médico-psychologique, lorsqu'il constate que l'intéressé se soustrait à cet examen ou refuse de s'y soumettre;
2° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, lorsqu'une mesure a déjà été prise par jugement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans en raison d'un ou plusieurs faits visés aux articles 323, 373 à 378, 392 à 394, 401 et 468 à 476 du Code pénal, commis après l'âge de seize ans, et que cette personne est à nouveau poursuivie pour un ou plusieurs de ces faits commis postérieurement à la première condamnation. Les pièces de la procédure antérieure sont jointes à celles de la nouvelle procédure;
3° le tribunal de la jeunesse statue dans les mêmes conditions sur la demande de dessaisissement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans qui a commis un fait qualifié crime punissable d'une peine supérieure à la réclusion de vingt ans, commis après l'âge de seize ans et qui n'est poursuivi qu'après qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans.
§ 3. Le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire que dans le respect de la procédure suivante.
Dès le dépôt au greffe de l'étude sociale et de l'examen médico-psychologique, le juge de la jeunesse communique, dans les trois jours ouvrables, le dossier au procureur du Roi. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 1°, un examen médico-psychologique n'est pas requis, le tribunal communique le dossier au procureur du Roi dans les trois jours ouvrables du dépôt au greffe de l'étude sociale. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 2° et 3°, le tribunal peut statuer sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, il communique le dossier sans délai au procureur du Roi.
Celui-ci cite les personnes visées à l'article 46 dans les trente jours de la réception du dossier en vue de la plus prochaine audience utile. La citation doit mentionner qu'un dessaisissement est requis. Le tribunal statue sur le dessaisissement dans les trente jours ouvrables de l'audience publique.
En cas d'appel, le procureur général dispose d'un délai de vingt jours ouvrables à dater de la fin du délai d'appel pour citer devant la chambre de la jeunesse de la cour d'appel. Cette chambre statue sur le dessaisissement dans les quinze jours ouvrables de l'audience.
§ 4. A dater de la citation en dessaisissement, l'intéressé confié à une institution visée à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé peut être transféré à la section éducation d'un centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction. Ce transfert ne peut avoir lieu que sur décision du juge de la jeunesse, cette décision étant spécialement motivée quant aux circonstances particulières.
Les jugements qui ordonnent le placement visé à l'alinéa 1er sont susceptibles d'appel selon la procédure visée à l'article 52quater, alinéas 6, 7 et 8.
Le tribunal de la jeunesse qui n'ordonne pas le dessaisissement met immédiatement fin au placement dans le centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et prend à l'égard de l'intéressé toute autre mesure qu'il juge utile. [1 (NOTE : article 21, abrogé en ce qu'il concerne l'article 57bis, § 4, de la loi du 8 avril 1965.)]1
§ 5. Toute personne qui a fait l'objet d'une décision de dessaisissement prononcée en application du présent article devient, à compter du jour où cette décision est devenue définitive, justiciable de la juridiction ordinaire pour les poursuites relatives aux faits commis après le jour de la citation de dessaisissement.
§ 6. A la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée en application de la présente disposition, le tribunal de la jeunesse ou, le cas échéant, la chambre de la jeunesse de la cour d'appel, transmet sans délai au ministère public l'intégralité du dossier de la personne concernée en vue de le joindre, en cas de poursuite, au dossier répressif. "
Un article 57bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 57bis. - § 1er. Si la personne déférée au tribunal de la jeunesse en raison d'un fait qualifié infraction était âgée de seize ans ou plus au moment de ce fait et que le tribunal de la jeunesse estime inadéquate une mesure de garde, de préservation ou d'éducation, il peut, par décision motivée, se dessaisir et renvoyer l'affaire au ministère public aux fins de poursuite devant, soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un délit ou crime correctionnalisable, une chambre spécifique au sein du tribunal de la jeunesse qui applique le droit pénal commun et la procédure pénale commune, s'il y a lieu,
soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un crime non correctionnalisable, la juridiction compétente en vertu du droit commun, s'il y a lieu. Le tribunal de la jeunesse ne peut toutefois se dessaisir que si en outre une des conditions suivantes est remplie :
- la personne concernée a déjà fait l'objet d'une ou de plusieurs mesures visées à l'article 37, § 2, § 2bis ou § 2ter ou d'une offre restauratrice telle que visée aux articles 37bis à 37quinquies;
- il s'agit d'un fait visé aux articles 373, 375, 393 à 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 à 475 du Code pénal ou de la tentative de commettre un fait visé aux articles 393 à 397 du Code pénal.
La motivation porte sur la personnalité de la personne concernée et de son entourage et sur le degré de maturité de la personne concernée.
La présente disposition peut être appliquée même lorsque l'intéressé a atteint l'âge de dix-huit ans au moment du jugement. Il est dans ce cas assimilé à un mineur pour l'application du présent chapitre.
§ 2. Sans préjudice de l'article 36bis, le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire en application du présent article qu'après avoir fait procéder à l'étude sociale et à l'examen médico-psychologique prévus à l'article 50, alinéa 2.
L'examen médico-psychologique a pour but d'évaluer la situation en fonction de la personnalité de la personne concernée et de son entourage, ainsi que du degré de maturité de la personne concernée. La nature, la fréquence et la gravité des faits qui lui sont reprochés, sont prises en considération dans la mesure où elles sont pertinentes pour l'évaluation de sa personnalité. Le Roi fixe les modalités selon lesquelles l'examen médico-psychologique doit avoir lieu.
Toutefois,
1° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans disposer du rapport de l'examen médico-psychologique, lorsqu'il constate que l'intéressé se soustrait à cet examen ou refuse de s'y soumettre;
2° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, lorsqu'une mesure a déjà été prise par jugement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans en raison d'un ou plusieurs faits visés aux articles 323, 373 à 378, 392 à 394, 401 et 468 à 476 du Code pénal, commis après l'âge de seize ans, et que cette personne est à nouveau poursuivie pour un ou plusieurs de ces faits commis postérieurement à la première condamnation. Les pièces de la procédure antérieure sont jointes à celles de la nouvelle procédure;
3° le tribunal de la jeunesse statue dans les mêmes conditions sur la demande de dessaisissement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans qui a commis un fait qualifié crime punissable d'une peine supérieure à la réclusion de vingt ans, commis après l'âge de seize ans et qui n'est poursuivi qu'après qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans.
§ 3. Le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire que dans le respect de la procédure suivante.
Dès le dépôt au greffe de l'étude sociale et de l'examen médico-psychologique, le juge de la jeunesse communique, dans les trois jours ouvrables, le dossier au procureur du Roi. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 1°, un examen médico-psychologique n'est pas requis, le tribunal communique le dossier au procureur du Roi dans les trois jours ouvrables du dépôt au greffe de l'étude sociale. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 2° et 3°, le tribunal peut statuer sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, il communique le dossier sans délai au procureur du Roi.
Celui-ci cite les personnes visées à l'article 46 dans les trente jours de la réception du dossier en vue de la plus prochaine audience utile. La citation doit mentionner qu'un dessaisissement est requis. Le tribunal statue sur le dessaisissement dans les trente jours ouvrables de l'audience publique.
En cas d'appel, le procureur général dispose d'un délai de vingt jours ouvrables à dater de la fin du délai d'appel pour citer devant la chambre de la jeunesse de la cour d'appel. Cette chambre statue sur le dessaisissement dans les quinze jours ouvrables de l'audience.
§ 4. A dater de la citation en dessaisissement, l'intéressé confié à une institution visée à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé peut être transféré à la section éducation d'un centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction. Ce transfert ne peut avoir lieu que sur décision du juge de la jeunesse, cette décision étant spécialement motivée quant aux circonstances particulières.
Les jugements qui ordonnent le placement visé à l'alinéa 1er sont susceptibles d'appel selon la procédure visée à l'article 52quater, alinéas 6, 7 et 8.
Le tribunal de la jeunesse qui n'ordonne pas le dessaisissement met immédiatement fin au placement dans le centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et prend à l'égard de l'intéressé toute autre mesure qu'il juge utile. [1 (NOTE : article 21, abrogé en ce qu'il concerne l'article 57bis, § 4, de la loi du 8 avril 1965.)]1
§ 5. Toute personne qui a fait l'objet d'une décision de dessaisissement prononcée en application du présent article devient, à compter du jour où cette décision est devenue définitive, justiciable de la juridiction ordinaire pour les poursuites relatives aux faits commis après le jour de la citation de dessaisissement.
§ 6. A la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée en application de la présente disposition, le tribunal de la jeunesse ou, le cas échéant, la chambre de la jeunesse de la cour d'appel, transmet sans délai au ministère public l'intégralité du dossier de la personne concernée en vue de le joindre, en cas de poursuite, au dossier répressif. "
Art.21_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. In dezelfde wet wordt een artikel 57bis ingevoegd, luidende :
" Art. 57bis. - § 1. Indien de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast, als daartoe grond bestaat,
ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is, als daartoe grond bestaat. De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
- de betrokkene is reeds eerder het voorwerp geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
- het betreft een feit zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek.
De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene.
Deze bepaling kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van dit hoofdstuk.
§ 2. Onverminderd artikel 36bis kan de jeugdrechtbank met toepassing van dit artikel de zaak slechts uit handen geven na de in artikel 50, tweede lid, bedoelde maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken te hebben doen verrichten.
Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en van de maturiteitsgraad van de betrokkene. De aard, frequentie en ernst van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid. De Koning bepaalt de nadere regels volgens welke het medisch-psychologisch onderzoek dient te worden verricht.
Evenwel,
1° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek te beschikken, wanneer zij constateert dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen;
2° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, indien bij vonnis een maatregel al genomen is ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die één of meer in de artikelen 323, 373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek bedoelde feiten heeft gepleegd, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd;
3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden uitspraak over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en eerst wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
§ 3. De jeugdrechtbank kan de zaak slechts uit handen geven met inachtneming van de volgende procedure.
Zodra het maatschappelijk onderzoek en het medisch-psychologisch onderzoek ter griffie zijn neergelegd, deelt de jeugdrechter binnen drie werkdagen het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 1°, geen medisch-psychologisch onderzoek is vereist, deelt de rechtbank binnen drie werkdagen na de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 2° en 3°, de rechtbank uitspraak kan doen zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, deelt zij het dossier onverwijld mee aan de procureur des Konings.
Deze laatste dagvaardt de in artikel 46 bedoelde personen binnen dertig werkdagen na ontvangst van het dossier met het oog op de eerste dienstige terechtzitting. In de dagvaarding moet worden vermeld dat een uithandengeving is vereist. De rechtbank doet binnen dertig werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
In geval van hoger beroep beschikt de procureur-generaal over een termijn van twintig werkdagen te rekenen van het einde van de termijn van hoger beroep om te dagvaarden voor de jeugdkamer van het hof van beroep. Deze kamer doet binnen vijftien werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
§ 4. Na de dagvaarding tot uithandengeving kan de betrokkene die is toevertrouwd aan een gesloten opvoedingsafdeling van een instelling bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, worden overgebracht naar de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die overbrenging kan enkel plaatsvinden bij een beslissing van de jeugdrechter, met bijzondere redenen omkleed betreffende de bijzondere omstandigheden.
Tegen de vonnissen waarin de in het eerste lid bedoelde plaatsing wordt bevolen, kan hoger beroep worden ingesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 52quater, zesde, zevende en achtste lid.
De jeugdrechtbank die niet beveelt de zaak uit handen te geven, maakt onmiddellijk een einde aan de plaatsing in het gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en neemt ten aanzien van de betrokkene alle andere maatregelen die zij nuttig acht. [1 NOTA : artikel 21 opgeheven, voor zover het verwijst naar artikel 57bis, § 4, van de hierboven vermelde wet van 8 april 1965.)]1
§ 5. Iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is met toepassing van dit artikel wordt, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving.
§ 6. Na een beslissing van uithandengeving, bevolen met toepassing van deze bepaling, draagt de jeugdrechtbank of, in voorkomend geval, de jeugdkamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale dossier van de betrokken persoon over aan het openbaar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging, bij het strafdossier te voegen. "
" Art. 57bis. - § 1. Indien de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast, als daartoe grond bestaat,
ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd is, als daartoe grond bestaat. De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
- de betrokkene is reeds eerder het voorwerp geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies;
- het betreft een feit zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek.
De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene.
Deze bepaling kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van dit hoofdstuk.
§ 2. Onverminderd artikel 36bis kan de jeugdrechtbank met toepassing van dit artikel de zaak slechts uit handen geven na de in artikel 50, tweede lid, bedoelde maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken te hebben doen verrichten.
Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving en van de maturiteitsgraad van de betrokkene. De aard, frequentie en ernst van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid. De Koning bepaalt de nadere regels volgens welke het medisch-psychologisch onderzoek dient te worden verricht.
Evenwel,
1° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek te beschikken, wanneer zij constateert dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen;
2° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, indien bij vonnis een maatregel al genomen is ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die één of meer in de artikelen 323, 373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek bedoelde feiten heeft gepleegd, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd;
3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden uitspraak over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en eerst wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
§ 3. De jeugdrechtbank kan de zaak slechts uit handen geven met inachtneming van de volgende procedure.
Zodra het maatschappelijk onderzoek en het medisch-psychologisch onderzoek ter griffie zijn neergelegd, deelt de jeugdrechter binnen drie werkdagen het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 1°, geen medisch-psychologisch onderzoek is vereist, deelt de rechtbank binnen drie werkdagen na de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 2° en 3°, de rechtbank uitspraak kan doen zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, deelt zij het dossier onverwijld mee aan de procureur des Konings.
Deze laatste dagvaardt de in artikel 46 bedoelde personen binnen dertig werkdagen na ontvangst van het dossier met het oog op de eerste dienstige terechtzitting. In de dagvaarding moet worden vermeld dat een uithandengeving is vereist. De rechtbank doet binnen dertig werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
In geval van hoger beroep beschikt de procureur-generaal over een termijn van twintig werkdagen te rekenen van het einde van de termijn van hoger beroep om te dagvaarden voor de jeugdkamer van het hof van beroep. Deze kamer doet binnen vijftien werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.
§ 4. Na de dagvaarding tot uithandengeving kan de betrokkene die is toevertrouwd aan een gesloten opvoedingsafdeling van een instelling bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, worden overgebracht naar de opvoedingsafdeling van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die overbrenging kan enkel plaatsvinden bij een beslissing van de jeugdrechter, met bijzondere redenen omkleed betreffende de bijzondere omstandigheden.
Tegen de vonnissen waarin de in het eerste lid bedoelde plaatsing wordt bevolen, kan hoger beroep worden ingesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 52quater, zesde, zevende en achtste lid.
De jeugdrechtbank die niet beveelt de zaak uit handen te geven, maakt onmiddellijk een einde aan de plaatsing in het gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en neemt ten aanzien van de betrokkene alle andere maatregelen die zij nuttig acht. [1 NOTA : artikel 21 opgeheven, voor zover het verwijst naar artikel 57bis, § 4, van de hierboven vermelde wet van 8 april 1965.)]1
§ 5. Iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is met toepassing van dit artikel wordt, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving.
§ 6. Na een beslissing van uithandengeving, bevolen met toepassing van deze bepaling, draagt de jeugdrechtbank of, in voorkomend geval, de jeugdkamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale dossier van de betrokken persoon over aan het openbaar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging, bij het strafdossier te voegen. "
Art.21 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Un article 57bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 57bis. - § 1er. Si la personne déférée au tribunal de la jeunesse en raison d'un fait qualifié infraction était âgée de seize ans ou plus au moment de ce fait et que le tribunal de la jeunesse estime inadéquate une mesure de garde, de préservation ou d'éducation, il peut, par décision motivée, se dessaisir et renvoyer l'affaire au ministère public aux fins de poursuite devant, soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un délit ou crime correctionnalisable, une chambre spécifique au sein du tribunal de la jeunesse qui applique le droit pénal commun et la procédure pénale commune, s'il y a lieu,
soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un crime non correctionnalisable, la juridiction compétente en vertu du droit commun, s'il y a lieu. Le tribunal de la jeunesse ne peut toutefois se dessaisir que si en outre une des conditions suivantes est remplie :
- la personne concernée a déjà fait l'objet d'une ou de plusieurs mesures visées à l'article 37, § 2, § 2bis ou § 2ter ou d'une offre restauratrice telle que visée aux articles 37bis à 37quinquies;
- il s'agit d'un fait visé aux articles 373, 375, 393 à 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 à 475 du Code pénal ou de la tentative de commettre un fait visé aux articles 393 à 397 du Code pénal.
La motivation porte sur la personnalité de la personne concernée et de son entourage et sur le degré de maturité de la personne concernée.
La présente disposition peut être appliquée même lorsque l'intéressé a atteint l'âge de dix-huit ans au moment du jugement. Il est dans ce cas assimilé à un mineur pour l'application du présent chapitre.
§ 2. Sans préjudice de l'article 36bis, le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire en application du présent article qu'après avoir fait procéder à l'étude sociale et à l'examen médico-psychologique prévus à l'article 50, alinéa 2.
L'examen médico-psychologique a pour but d'évaluer la situation en fonction de la personnalité de la personne concernée et de son entourage, ainsi que du degré de maturité de la personne concernée. La nature, la fréquence et la gravité des faits qui lui sont reprochés, sont prises en considération dans la mesure où elles sont pertinentes pour l'évaluation de sa personnalité. Le Roi fixe les modalités selon lesquelles l'examen médico-psychologique doit avoir lieu.
Toutefois,
1° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans disposer du rapport de l'examen médico-psychologique, lorsqu'il constate que l'intéressé se soustrait à cet examen ou refuse de s'y soumettre;
2° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, lorsqu'une mesure a déjà été prise par jugement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans en raison d'un ou plusieurs faits visés aux articles 323, 373 à 378, 392 à 394, 401 et 468 à 476 du Code pénal, commis après l'âge de seize ans, et que cette personne est à nouveau poursuivie pour un ou plusieurs de ces faits commis postérieurement à la première condamnation. Les pièces de la procédure antérieure sont jointes à celles de la nouvelle procédure;
3° le tribunal de la jeunesse statue dans les mêmes conditions sur la demande de dessaisissement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans qui a commis un fait qualifié crime punissable d'une peine supérieure à la réclusion de vingt ans, commis après l'âge de seize ans et qui n'est poursuivi qu'après qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans.
§ 3. Le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire que dans le respect de la procédure suivante.
Dès le dépôt au greffe de l'étude sociale et de l'examen médico-psychologique, le juge de la jeunesse communique, dans les trois jours ouvrables, le dossier au procureur du Roi. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 1°, un examen médico-psychologique n'est pas requis, le tribunal communique le dossier au procureur du Roi dans les trois jours ouvrables du dépôt au greffe de l'étude sociale. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 2° et 3°, le tribunal peut statuer sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, il communique le dossier sans délai au procureur du Roi.
Celui-ci cite les personnes visées à l'article 46 dans les trente jours de la réception du dossier en vue de la plus prochaine audience utile. La citation doit mentionner qu'un dessaisissement est requis. Le tribunal statue sur le dessaisissement dans les trente jours ouvrables de l'audience publique.
En cas d'appel, le procureur général dispose d'un délai de vingt jours ouvrables à dater de la fin du délai d'appel pour citer devant la chambre de la jeunesse de la cour d'appel. Cette chambre statue sur le dessaisissement dans les quinze jours ouvrables de l'audience.
§ 4. A dater de la citation en dessaisissement, l'intéressé confié à une institution visée à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé peut être transféré à la section éducation d'un centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction. Ce transfert ne peut avoir lieu que sur décision du juge de la jeunesse, cette décision étant spécialement motivée quant aux circonstances particulières.
Les jugements qui ordonnent le placement visé à l'alinéa 1er sont susceptibles d'appel selon la procédure visée à l'article 52quater, alinéas 6, 7 et 8.
Le tribunal de la jeunesse qui n'ordonne pas le dessaisissement met immédiatement fin au placement dans le centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et prend à l'égard de l'intéressé toute autre mesure qu'il juge utile. [1 NOTE : l'article 21 est abrogé, en ce qu'il fait référence à l'article 57bis, § 4, de la loi du 8 avril 1965]1
§ 5. Toute personne qui a fait l'objet d'une décision de dessaisissement prononcée en application du présent article devient, à compter du jour où cette décision est devenue définitive, justiciable de la juridiction ordinaire pour les poursuites relatives aux faits commis après le jour de la citation de dessaisissement.
§ 6. A la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée en application de la présente disposition, le tribunal de la jeunesse ou, le cas échéant, la chambre de la jeunesse de la cour d'appel, transmet sans délai au ministère public l'intégralité du dossier de la personne concernée en vue de le joindre, en cas de poursuite, au dossier répressif. "
Un article 57bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 57bis. - § 1er. Si la personne déférée au tribunal de la jeunesse en raison d'un fait qualifié infraction était âgée de seize ans ou plus au moment de ce fait et que le tribunal de la jeunesse estime inadéquate une mesure de garde, de préservation ou d'éducation, il peut, par décision motivée, se dessaisir et renvoyer l'affaire au ministère public aux fins de poursuite devant, soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un délit ou crime correctionnalisable, une chambre spécifique au sein du tribunal de la jeunesse qui applique le droit pénal commun et la procédure pénale commune, s'il y a lieu,
soit, si la personne concernée est soupçonnée d'avoir commis un crime non correctionnalisable, la juridiction compétente en vertu du droit commun, s'il y a lieu. Le tribunal de la jeunesse ne peut toutefois se dessaisir que si en outre une des conditions suivantes est remplie :
- la personne concernée a déjà fait l'objet d'une ou de plusieurs mesures visées à l'article 37, § 2, § 2bis ou § 2ter ou d'une offre restauratrice telle que visée aux articles 37bis à 37quinquies;
- il s'agit d'un fait visé aux articles 373, 375, 393 à 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 471 à 475 du Code pénal ou de la tentative de commettre un fait visé aux articles 393 à 397 du Code pénal.
La motivation porte sur la personnalité de la personne concernée et de son entourage et sur le degré de maturité de la personne concernée.
La présente disposition peut être appliquée même lorsque l'intéressé a atteint l'âge de dix-huit ans au moment du jugement. Il est dans ce cas assimilé à un mineur pour l'application du présent chapitre.
§ 2. Sans préjudice de l'article 36bis, le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire en application du présent article qu'après avoir fait procéder à l'étude sociale et à l'examen médico-psychologique prévus à l'article 50, alinéa 2.
L'examen médico-psychologique a pour but d'évaluer la situation en fonction de la personnalité de la personne concernée et de son entourage, ainsi que du degré de maturité de la personne concernée. La nature, la fréquence et la gravité des faits qui lui sont reprochés, sont prises en considération dans la mesure où elles sont pertinentes pour l'évaluation de sa personnalité. Le Roi fixe les modalités selon lesquelles l'examen médico-psychologique doit avoir lieu.
Toutefois,
1° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans disposer du rapport de l'examen médico-psychologique, lorsqu'il constate que l'intéressé se soustrait à cet examen ou refuse de s'y soumettre;
2° le tribunal de la jeunesse peut se dessaisir d'une affaire sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, lorsqu'une mesure a déjà été prise par jugement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans en raison d'un ou plusieurs faits visés aux articles 323, 373 à 378, 392 à 394, 401 et 468 à 476 du Code pénal, commis après l'âge de seize ans, et que cette personne est à nouveau poursuivie pour un ou plusieurs de ces faits commis postérieurement à la première condamnation. Les pièces de la procédure antérieure sont jointes à celles de la nouvelle procédure;
3° le tribunal de la jeunesse statue dans les mêmes conditions sur la demande de dessaisissement à l'égard d'une personne de moins de dix-huit ans qui a commis un fait qualifié crime punissable d'une peine supérieure à la réclusion de vingt ans, commis après l'âge de seize ans et qui n'est poursuivi qu'après qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans.
§ 3. Le tribunal de la jeunesse ne peut se dessaisir d'une affaire que dans le respect de la procédure suivante.
Dès le dépôt au greffe de l'étude sociale et de l'examen médico-psychologique, le juge de la jeunesse communique, dans les trois jours ouvrables, le dossier au procureur du Roi. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 1°, un examen médico-psychologique n'est pas requis, le tribunal communique le dossier au procureur du Roi dans les trois jours ouvrables du dépôt au greffe de l'étude sociale. Lorsqu'en application du § 2, alinéa 3, 2° et 3°, le tribunal peut statuer sans devoir faire procéder à une étude sociale et sans devoir demander un examen médico-psychologique, il communique le dossier sans délai au procureur du Roi.
Celui-ci cite les personnes visées à l'article 46 dans les trente jours de la réception du dossier en vue de la plus prochaine audience utile. La citation doit mentionner qu'un dessaisissement est requis. Le tribunal statue sur le dessaisissement dans les trente jours ouvrables de l'audience publique.
En cas d'appel, le procureur général dispose d'un délai de vingt jours ouvrables à dater de la fin du délai d'appel pour citer devant la chambre de la jeunesse de la cour d'appel. Cette chambre statue sur le dessaisissement dans les quinze jours ouvrables de l'audience.
§ 4. A dater de la citation en dessaisissement, l'intéressé confié à une institution visée à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, en régime éducatif fermé peut être transféré à la section éducation d'un centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction. Ce transfert ne peut avoir lieu que sur décision du juge de la jeunesse, cette décision étant spécialement motivée quant aux circonstances particulières.
Les jugements qui ordonnent le placement visé à l'alinéa 1er sont susceptibles d'appel selon la procédure visée à l'article 52quater, alinéas 6, 7 et 8.
Le tribunal de la jeunesse qui n'ordonne pas le dessaisissement met immédiatement fin au placement dans le centre fédéral fermé pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et prend à l'égard de l'intéressé toute autre mesure qu'il juge utile. [1 NOTE : l'article 21 est abrogé, en ce qu'il fait référence à l'article 57bis, § 4, de la loi du 8 avril 1965]1
§ 5. Toute personne qui a fait l'objet d'une décision de dessaisissement prononcée en application du présent article devient, à compter du jour où cette décision est devenue définitive, justiciable de la juridiction ordinaire pour les poursuites relatives aux faits commis après le jour de la citation de dessaisissement.
§ 6. A la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée en application de la présente disposition, le tribunal de la jeunesse ou, le cas échéant, la chambre de la jeunesse de la cour d'appel, transmet sans délai au ministère public l'intégralité du dossier de la personne concernée en vue de le joindre, en cas de poursuite, au dossier répressif. "
Art.22. In artikel 60 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 februari 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " in artikel 37, § 2, 4° " vervangen door de woorden " in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11° ";
2° het tweede lid wordt aangevuld als volgt :
" In de bij artikel 37quinquies, § 3, bepaalde gevallen geldt de eerstgenoemde wachttermijn van één jaar niet. ";
3° het volgende lid wordt ingevoegd tussen het tweede en het derde lid :
" De minderjarige en zijn vader, moeder, voogden of degenen die de minderjarige in rechte of in feite onder hun bewaring hebben kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening vragen van de voorlopige maatregel bepaald in artikel 52quater na een termijn van één maand vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. De rechter hoort de jongere en zijn wettelijke vertegenwoordigers. De verzoeker mag geen nieuw verzoekschrift indienen dat hetzelfde voorwerp heeft alvorens een termijn van één maand is verstreken vanaf de datum van de laatste beslissing houdende verwerping van zijn verzoek. ";
4° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden " in artikel 37, § 2, 3° of 4° " vervangen door de woorden " in artikel 37, § 2, eerste lid, uitgezonderd 1° en 8° ";
5° tussen het derde en het vierde lid, die het vierde en het zesde lid worden, wordt het volgende lid ingevoegd :
" Onverminderd artikel 37, § 2, vierde lid, moet de in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, bedoelde maatregel, die bij vonnis bevolen is, opnieuw worden onderzocht teneinde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd vóór het verstrijken van een termijn van zes maanden te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief is geworden. Deze procedure wordt ingeleid volgens de bij het vierde lid bepaalde vormvereisten. ";
6° in het vierde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden " in artikel 37, § 2, 4° " vervangen door de woorden " in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, 10° en 11° ".
1° in het eerste lid worden de woorden " in artikel 37, § 2, 4° " vervangen door de woorden " in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11° ";
2° het tweede lid wordt aangevuld als volgt :
" In de bij artikel 37quinquies, § 3, bepaalde gevallen geldt de eerstgenoemde wachttermijn van één jaar niet. ";
3° het volgende lid wordt ingevoegd tussen het tweede en het derde lid :
" De minderjarige en zijn vader, moeder, voogden of degenen die de minderjarige in rechte of in feite onder hun bewaring hebben kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening vragen van de voorlopige maatregel bepaald in artikel 52quater na een termijn van één maand vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. De rechter hoort de jongere en zijn wettelijke vertegenwoordigers. De verzoeker mag geen nieuw verzoekschrift indienen dat hetzelfde voorwerp heeft alvorens een termijn van één maand is verstreken vanaf de datum van de laatste beslissing houdende verwerping van zijn verzoek. ";
4° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden " in artikel 37, § 2, 3° of 4° " vervangen door de woorden " in artikel 37, § 2, eerste lid, uitgezonderd 1° en 8° ";
5° tussen het derde en het vierde lid, die het vierde en het zesde lid worden, wordt het volgende lid ingevoegd :
" Onverminderd artikel 37, § 2, vierde lid, moet de in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, bedoelde maatregel, die bij vonnis bevolen is, opnieuw worden onderzocht teneinde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd vóór het verstrijken van een termijn van zes maanden te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief is geworden. Deze procedure wordt ingeleid volgens de bij het vierde lid bepaalde vormvereisten. ";
6° in het vierde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden " in artikel 37, § 2, 4° " vervangen door de woorden " in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, 10° en 11° ".
Art.22. A l'article 60 de la même loi, modifié par la loi du 2 février 1994, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, les mots " à l'article 37, § 2, 4° " sont remplacés par les mots " à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 7° à 11° ".
2° l'alinéa 2 est complété comme suit :
" Dans les cas prévus à l'article 37quinquies, § 3, le premier délai d'attente d'un an ne s'applique pas. ";
3° l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 :
" Le mineur et ses père, mère, tuteurs ou personnes qui ont la garde en droit ou en fait du mineur peuvent demander, par requête motivée, la révision de la mesure provisoire visée à l'article 52quater après un délai d'un mois à dater du jour où la décision est devenue définitive. Le juge entend le jeune et ses représentants légaux. Le requérant ne peut introduire une nouvelle requête portant sur le même objet avant l'expiration d'un délai d'un mois à dater de la dernière décision de rejet de sa demande. ";
4° à l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les termes " à l'article 37, § 2, 3° ou 4° " sont remplacés par les termes " à l'article 37, § 2, alinéa 1er, à l'exception des 1° et 8° ";
5° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 3 et 4, qui deviennent les alinéas 4 et 6 :
" La mesure visée à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, prise par jugement, doit, sans préjudice de l'article 37, § 2, alinéa 4, être réexaminée en vue d'être confirmée, rapportée ou modifiée avant l'expiration du délai de six mois à compter du jour où la décision est devenue définitive. Cette procédure est introduite dans les formes prévues à l'alinéa 4. ";
6° à l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 6, les mots " à l'article 37, § 2, 4° " sont remplacés par les mots " à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, 10° et 11° ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " à l'article 37, § 2, 4° " sont remplacés par les mots " à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 7° à 11° ".
2° l'alinéa 2 est complété comme suit :
" Dans les cas prévus à l'article 37quinquies, § 3, le premier délai d'attente d'un an ne s'applique pas. ";
3° l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 :
" Le mineur et ses père, mère, tuteurs ou personnes qui ont la garde en droit ou en fait du mineur peuvent demander, par requête motivée, la révision de la mesure provisoire visée à l'article 52quater après un délai d'un mois à dater du jour où la décision est devenue définitive. Le juge entend le jeune et ses représentants légaux. Le requérant ne peut introduire une nouvelle requête portant sur le même objet avant l'expiration d'un délai d'un mois à dater de la dernière décision de rejet de sa demande. ";
4° à l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les termes " à l'article 37, § 2, 3° ou 4° " sont remplacés par les termes " à l'article 37, § 2, alinéa 1er, à l'exception des 1° et 8° ";
5° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 3 et 4, qui deviennent les alinéas 4 et 6 :
" La mesure visée à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, prise par jugement, doit, sans préjudice de l'article 37, § 2, alinéa 4, être réexaminée en vue d'être confirmée, rapportée ou modifiée avant l'expiration du délai de six mois à compter du jour où la décision est devenue définitive. Cette procédure est introduite dans les formes prévues à l'alinéa 4. ";
6° à l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 6, les mots " à l'article 37, § 2, 4° " sont remplacés par les mots " à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 8°, 10° et 11° ".
Art.23. In artikel 61 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) In het tweede lid worden de woorden " terzelfder tijd als over de publieke vordering " vervangen door de woorden " of houdt de behandeling daarvan aan tot een latere datum ";
B) Het artikel wordt aangevuld als volgt :
" Het slachtoffer kan afstand doen van elke vordering die uit het als misdrijf omschreven feit voortvloeit, in het bijzonder wanneer de dader of daders ten voordele van wie het slachtoffer deze afstand doet, meewerkt of meewerken aan een herstelrechtelijk aanbod.
Het slachtoffer vermeldt uitdrukkelijk in het akkoord dat door de herstelgerichte aanpak wordt bereikt, ten voordele van welke dader of daders die meewerkt of meewerken aan een herstelrechtelijk aanbod, de afstand van de in het vierde lid bedoelde vordering geldt.
Uit de afstand van een vordering zoals bedoeld in het vierde lid, volgt automatisch dat deze afstand eveneens geldt ten aanzien van alle personen die hetzij krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij krachtens een bijzondere wet aansprakelijk zijn voor de schade veroorzaakt door de dader of daders ten voordele van wie het slachtoffer de afstand doet. "
A) In het tweede lid worden de woorden " terzelfder tijd als over de publieke vordering " vervangen door de woorden " of houdt de behandeling daarvan aan tot een latere datum ";
B) Het artikel wordt aangevuld als volgt :
" Het slachtoffer kan afstand doen van elke vordering die uit het als misdrijf omschreven feit voortvloeit, in het bijzonder wanneer de dader of daders ten voordele van wie het slachtoffer deze afstand doet, meewerkt of meewerken aan een herstelrechtelijk aanbod.
Het slachtoffer vermeldt uitdrukkelijk in het akkoord dat door de herstelgerichte aanpak wordt bereikt, ten voordele van welke dader of daders die meewerkt of meewerken aan een herstelrechtelijk aanbod, de afstand van de in het vierde lid bedoelde vordering geldt.
Uit de afstand van een vordering zoals bedoeld in het vierde lid, volgt automatisch dat deze afstand eveneens geldt ten aanzien van alle personen die hetzij krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij krachtens een bijzondere wet aansprakelijk zijn voor de schade veroorzaakt door de dader of daders ten voordele van wie het slachtoffer de afstand doet. "
Art.23. A l'article 61 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
A ) A l'alinéa 2, les mots " en même temps que sur l'action publique " sont remplacés par les mots " ou en reporte l'examen à une date ultérieure ";
B ) L'article est complété comme suit :
" La victime peut se désister de toute action qui découle du fait qualifié infraction, notamment lorsque l'auteur ou les auteurs au profit duquel ou desquels la victime se désiste, collaborent ou collabore à une offre restauratrice.
La victime mentionne explicitement dans l'accord auquel aboutit l'approche restauratrice, le ou les auteurs qui a ou ont collaboré à une offre restauratrice, auxquels s'applique le désistement d'action visé au quatrième alinéa.
Le désistement d'action tel que visé à l'alinéa 4 implique automatiquement que ce désistement vaut également à l'égard de toutes les personnes qui soit en vertu de l'article 1384 du Code civil, soit en vertu d'une loi spéciale sont responsables du dommage causé par le ou les auteurs au profit duquel ou desquels la victime se désiste. "
A ) A l'alinéa 2, les mots " en même temps que sur l'action publique " sont remplacés par les mots " ou en reporte l'examen à une date ultérieure ";
B ) L'article est complété comme suit :
" La victime peut se désister de toute action qui découle du fait qualifié infraction, notamment lorsque l'auteur ou les auteurs au profit duquel ou desquels la victime se désiste, collaborent ou collabore à une offre restauratrice.
La victime mentionne explicitement dans l'accord auquel aboutit l'approche restauratrice, le ou les auteurs qui a ou ont collaboré à une offre restauratrice, auxquels s'applique le désistement d'action visé au quatrième alinéa.
Le désistement d'action tel que visé à l'alinéa 4 implique automatiquement que ce désistement vaut également à l'égard de toutes les personnes qui soit en vertu de l'article 1384 du Code civil, soit en vertu d'une loi spéciale sont responsables du dommage causé par le ou les auteurs au profit duquel ou desquels la victime se désiste. "
Art.24. In artikel 80, tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden " 37, 38, 39, 40 en 43 " vervangen door de woorden " 37, 37bis, 38, 39, 43, 45ter, 45quater en 57bis ".
Art.24. Dans l'article 80, alinéa 2, de la même loi, les mots " 37, 38, 39, 40 et 43 " sont remplacés par les mots " 37, 37bis, 38, 39, 43, 45ter, 45quater et 57bis ".
Art.25. Artikel 85 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 10 augustus 2005, wordt hersteld in de volgende lezing :
" De jeugdrechtbank kan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige, die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd,en die duidelijk onverschillig zijn voor diens criminaliteit en die weigeren de in artikel 29bis bedoelde ouderstage te volgen, of die aan diens uitvoering niet meewerken, veroordelen tot een gevangenisstraf van een tot zeven dagen en tot een geldboete van een euro tot vijfentwintig euro of tot een van die straffen alleen. "
" De jeugdrechtbank kan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige, die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd,en die duidelijk onverschillig zijn voor diens criminaliteit en die weigeren de in artikel 29bis bedoelde ouderstage te volgen, of die aan diens uitvoering niet meewerken, veroordelen tot een gevangenisstraf van een tot zeven dagen en tot een geldboete van een euro tot vijfentwintig euro of tot een van die straffen alleen. "
Art.25. L'article 85 de la même loi, abrogé par la loi du 10 août 2005, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Le tribunal de la jeunesse peut condamner à un emprisonnement d'un à sept jours et à une amende d'un euro à vingt-cinq euros ou à une de ces peines seulement, les personnes investies de l'autorité parentale à l'égard du mineur ayant commis un fait qualifié infraction qui manifestent un désintérêt caractérisé à l'égard de la délinquance de ce dernier et qui refusent d'accomplir le stage parental visé à l'article 29bis, ou qui ne collaborent pas à son exécution. "
" Le tribunal de la jeunesse peut condamner à un emprisonnement d'un à sept jours et à une amende d'un euro à vingt-cinq euros ou à une de ces peines seulement, les personnes investies de l'autorité parentale à l'égard du mineur ayant commis un fait qualifié infraction qui manifestent un désintérêt caractérisé à l'égard de la délinquance de ce dernier et qui refusent d'accomplir le stage parental visé à l'article 29bis, ou qui ne collaborent pas à son exécution. "
Art.26. Artikel 89 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2005, wordt vervangen als volgt :
" Al de bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op de misdrijven omschreven in de artikelen 71, 80, 81, 82, 85 en 86. "
" Al de bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op de misdrijven omschreven in de artikelen 71, 80, 81, 82, 85 en 86. "
Art.26. L'article 89 de la même loi, modifié par la loi du 10 août 2005, est remplacé par la disposition suivante :
" Toutes les dispositions du Livre premier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions prévues aux articles 71, 80, 81, 82, 85 et 86. "
" Toutes les dispositions du Livre premier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions prévues aux articles 71, 80, 81, 82, 85 et 86. "
Art.27. Artikel 100bis van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 10 augustus 2005, wordt hersteld in de volgende lezing :
" Art. 100bis. - Voor de zaken die hangend zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van (de wet van 13 juin 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) en van de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, worden de in die wetten vermelde termijnen berekend vanaf de dag die volgt op hun inwerkingtreding. "
" Art. 100bis. - Voor de zaken die hangend zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van (de wet van 13 juin 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) en van de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, worden de in die wetten vermelde termijnen berekend vanaf de dag die volgt op hun inwerkingtreding. "
Art.27. L'article 100bis de la même loi, abrogé par la loi du 10 août 2005, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 100bis. - Pour les affaires en cours au moment de l'entrée en vigueur de la (loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction) et la loi du 15 mai 2006 modifiant la loi du 8 avril 1965, relative à la protection de la jeunesse, le Code d'instruction criminelle, le Code pénal, le Code civil, la nouvelle loi communale et la loi du 24 avril 2003 réformant l'adoption, les délais prévus dans ces lois courent à partir du lendemain de leur entrée en vigueur. "
" Art. 100bis. - Pour les affaires en cours au moment de l'entrée en vigueur de la (loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction) et la loi du 15 mai 2006 modifiant la loi du 8 avril 1965, relative à la protection de la jeunesse, le Code d'instruction criminelle, le Code pénal, le Code civil, la nouvelle loi communale et la loi du 24 avril 2003 réformant l'adoption, les délais prévus dans ces lois courent à partir du lendemain de leur entrée en vigueur. "
HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering.
CHAPITRE III. - Dispositions modifiant le Code d'instruction criminelle.
Art.28. De wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, wordt aangevuld met een nieuw hoofdstuk, luidende :
" (Hoofdstuk VI). - Regels met betrekking tot de uitoefening van de strafvordering volgend op een beslissing van uithandengeving bevolen door een jeugdgerecht <W 2006-08-05/59, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 10-09-2006>
(Art. 31.) Wanneer de strafvordering wordt uitgeoefend met toepassing van deze wet, ten gevolge van een beslissing van uithandengeving bevolen in toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, mogen de stukken die verband houden met de persoonlijkheid en de leefomgeving van de vervolgde persoon uitsluitend worden meegedeeld aan de betrokkene of aan zijn advocaat, met uitsluiting van elke andere vervolgde persoon en van de burgerlijke partij. " <W 2006-08-05/59, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 10-09-2006>
" (Hoofdstuk VI). - Regels met betrekking tot de uitoefening van de strafvordering volgend op een beslissing van uithandengeving bevolen door een jeugdgerecht <W 2006-08-05/59, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 10-09-2006>
(Art. 31.) Wanneer de strafvordering wordt uitgeoefend met toepassing van deze wet, ten gevolge van een beslissing van uithandengeving bevolen in toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, mogen de stukken die verband houden met de persoonlijkheid en de leefomgeving van de vervolgde persoon uitsluitend worden meegedeeld aan de betrokkene of aan zijn advocaat, met uitsluiting van elke andere vervolgde persoon en van de burgerlijke partij. " <W 2006-08-05/59, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 10-09-2006>
Art.28. La loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale est complétée par un nouveau chapitre rédigé comme suit :
" (Chapitre VI). - Règles relatives à l'exercice de l'action publique à la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée par une juridiction de la jeunesse. <L 2006-08-05/59, art. 3, 004; En vigueur : 10-09-2006>
(Art. 31.) Lorsque l'action publique est exercée en application de la présente loi à la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée en application de l'article 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, les pièces relatives à la personnalité et au milieu de vie de la personne poursuivie ne peuvent être communiquées qu'à l'intéressé ou à son avocat, à l'exclusion de toute autre personne poursuivie et de la partie civile. " <L 2006-08-05/59, art. 3, 004; En vigueur : 10-09-2006>
" (Chapitre VI). - Règles relatives à l'exercice de l'action publique à la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée par une juridiction de la jeunesse. <L 2006-08-05/59, art. 3, 004; En vigueur : 10-09-2006>
(Art. 31.) Lorsque l'action publique est exercée en application de la présente loi à la suite d'une décision de dessaisissement ordonnée en application de l'article 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, les pièces relatives à la personnalité et au milieu de vie de la personne poursuivie ne peuvent être communiquées qu'à l'intéressé ou à son avocat, à l'exclusion de toute autre personne poursuivie et de la partie civile. " <L 2006-08-05/59, art. 3, 004; En vigueur : 10-09-2006>
Art.29. Artikel 216quater, § 1, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de wet van 13 april 2005, wordt aangevuld als volgt :
" Aan de oproeping bij proces-verbaal wordt voorrang gegeven in geval van vervolging van een persoon die uithanden gegeven is met toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. "
" Aan de oproeping bij proces-verbaal wordt voorrang gegeven in geval van vervolging van een persoon die uithanden gegeven is met toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. "
Art.29. L'article 216quater, § 1er, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle, remplacé par la loi du 13 avril 2005, est complété comme suit :
" La convocation par procès-verbal est privilégiée en cas de poursuite intentée à l'encontre d'une personne ayant fait l'objet d'un dessaisissement en application de l'article 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. "
" La convocation par procès-verbal est privilégiée en cas de poursuite intentée à l'encontre d'une personne ayant fait l'objet d'un dessaisissement en application de l'article 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. "
Art.30. Artikel 416, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 19 december 2002, wordt aangevuld als volgt :
", noch op verwijzingsarresten overeenkomstig artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. "
", noch op verwijzingsarresten overeenkomstig artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. "
Art.30. L'article 416, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 19 décembre 2002, est complété comme suit :
", ni aux arrêts de renvoi conformément à l'article 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. "
", ni aux arrêts de renvoi conformément à l'article 57bis de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. "
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek.
CHAPITRE IV. - Dispositions modifiant le Code judiciaire.
Art.31. Artikel 58bis, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 21 juni 2001, wordt vervangen als volgt :
" 4° bijzonder mandaat : de mandaten van onderzoeksrechter, rechter in de jeugdrechtbank, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, beslagrechter, jeugdrechter in hoger beroep, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat en substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken. ".
" 4° bijzonder mandaat : de mandaten van onderzoeksrechter, rechter in de jeugdrechtbank, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, beslagrechter, jeugdrechter in hoger beroep, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat en substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken. ".
Art.31. L'article 58bis, 4°, du Code judiciaire, insére par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du 21 juin 2001, est remplacé comme suit :
" 4° mandat spécifique : les mandats de juge d'instruction, juge au tribunal de la jeunesse, juge au tribunal de l'application des peines, juge des saisies, juge d'appel de la jeunesse, magistrat de liaison en matière de jeunesse, magistrat d'assistance, magistrat fédéral et substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines. "
" 4° mandat spécifique : les mandats de juge d'instruction, juge au tribunal de la jeunesse, juge au tribunal de l'application des peines, juge des saisies, juge d'appel de la jeunesse, magistrat de liaison en matière de jeunesse, magistrat d'assistance, magistrat fédéral et substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines. "
Art.32. Artikel 76 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 maart 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
" In de afdeling van de jeugdrechtbank worden één of meer kamers bevoegd voor de berechting van personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad. "
" In de afdeling van de jeugdrechtbank worden één of meer kamers bevoegd voor de berechting van personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad. "
Art.32. L'article 76 du même Code, tel que modifié par la loi du 28 mars 2000, est complété par l'alinéa suivant :
" Une ou plusieurs chambres de la section du tribunal de la jeunesse se voient attribuer la compétence de juger des personnes ayant fait l'objet d'une décision de dessaisissement en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, dans le cadre d'un délit ou crime correctionnalisable. "
" Une ou plusieurs chambres de la section du tribunal de la jeunesse se voient attribuer la compétence de juger des personnes ayant fait l'objet d'une décision de dessaisissement en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, dans le cadre d'un délit ou crime correctionnalisable. "
Art.33. Artikel 78 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
" In afwijking van de artikelen 80 en 259sexies en opdat de jeugdkamers die bevoegd zijn voor de in artikel 92,§ 1, 7°, bedoelde aangelegenheden, rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de in artikel 259sexies, § 1,1°, derde lid, bedoelde voortgezette vorming van de magistraten, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de jeugdrechtbank. Het derde lid is een rechter van de correctionele rechtbank. "
" In afwijking van de artikelen 80 en 259sexies en opdat de jeugdkamers die bevoegd zijn voor de in artikel 92,§ 1, 7°, bedoelde aangelegenheden, rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de in artikel 259sexies, § 1,1°, derde lid, bedoelde voortgezette vorming van de magistraten, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de jeugdrechtbank. Het derde lid is een rechter van de correctionele rechtbank. "
Art.33. L'article 78 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
" Par dérogation aux articles 80 et 259sexies, pour que les chambres de la jeunesse compétentes pour les matières visées à l'article 92, § 1er, 7°, soient valablement composées, deux de leurs membres doivent avoir suivi la formation organisée dans le cadre de la formation continue des magistrats visée à l'article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise pour l'exercice des fonctions de juge au tribunal de la jeunesse. Le troisième membre est un juge au tribunal correctionnel. "
" Par dérogation aux articles 80 et 259sexies, pour que les chambres de la jeunesse compétentes pour les matières visées à l'article 92, § 1er, 7°, soient valablement composées, deux de leurs membres doivent avoir suivi la formation organisée dans le cadre de la formation continue des magistrats visée à l'article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise pour l'exercice des fonctions de juge au tribunal de la jeunesse. Le troisième membre est un juge au tribunal correctionnel. "
Art.34. In artikel 80, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de woorden " of rechter bij de jeugdrechtbank " ingevoegd tussen het woord " onderzoeksrechter " en de woorden ", moet de werkende rechter ".
Art.34. Dans l'article 80, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du 22 décembre 2003, les mots " ou juge au tribunal de la jeunesse " sont insérés entre les mots " juge d'instruction " et les mots ", le juge effectif ".
Art.35. Artikel 92, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 3 augustus 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 november 2000 en 3 mei 2003, wordt aangevuld als volgt :
" 7° de vervolgingen van de personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad. "
" 7° de vervolgingen van de personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad. "
Art.35. L'article 92, § 1er, du même Code, remplace par la loi du 3 août 1992, modifié par les lois des 28 novembre 2000 et 3 mai 2003, est complété comme suit :
" 7° les poursuites contre les personnes ayant fait l'objet d'une décision de dessaisissement en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait dans le cadre d'un délit et/ou d'un crime correctionnalisable. "
" 7° les poursuites contre les personnes ayant fait l'objet d'une décision de dessaisissement en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait dans le cadre d'un délit et/ou d'un crime correctionnalisable. "
Art.36. In artikel 101 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 19 juli 1985 en 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
" Ten minste een van de jeugdkamers wordt bevoegd voor de vervolgingen ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad. ";
2° het artikel wordt aangevuld met een nieuw lid, luidend als volgt :
" Opdat de in het tweede lid bedoelde jeugdkamers rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten ten minste twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de voortgezette vorming van de magistraten, zoals bedoeld in artikel 259sexies, § 1,1°, derde lid, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de jeugdrechtbank. "
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
" Ten minste een van de jeugdkamers wordt bevoegd voor de vervolgingen ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad. ";
2° het artikel wordt aangevuld met een nieuw lid, luidend als volgt :
" Opdat de in het tweede lid bedoelde jeugdkamers rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten ten minste twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de voortgezette vorming van de magistraten, zoals bedoeld in artikel 259sexies, § 1,1°, derde lid, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de jeugdrechtbank. "
Art.36. A l'article 101 du même Code, modifié par les lois des 19 juillet 1985 et 22 décembre 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Parmi les chambres de la jeunesse, une chambre au moins se voit attribuer la compétence relative aux poursuites engagées contre des personnes à la suite d'une décision de dessaisissement prise en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, dans le cadre d'un délit et/ou d'un crime correctionnalisable. ";
2° l'article est complété par un nouvel alinéa rédigé comme suit :
" Pour que les chambres de la jeunesse visées à l'alinéa 2 soient constituées valablement, deux au moins de leurs membres doivent avoir suivi la formation organisée dans le cadre de la formation continue des magistrats visée à l'article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise pour l'exercice de la fonction de juge au tribunal de la jeunesse. "
1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Parmi les chambres de la jeunesse, une chambre au moins se voit attribuer la compétence relative aux poursuites engagées contre des personnes à la suite d'une décision de dessaisissement prise en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, dans le cadre d'un délit et/ou d'un crime correctionnalisable. ";
2° l'article est complété par un nouvel alinéa rédigé comme suit :
" Pour que les chambres de la jeunesse visées à l'alinéa 2 soient constituées valablement, deux au moins de leurs membres doivent avoir suivi la formation organisée dans le cadre de la formation continue des magistrats visée à l'article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise pour l'exercice de la fonction de juge au tribunal de la jeunesse. "
Art.37. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 144septies ingevoegd, luidende :
" Art. 144septies. - Er zijn twee verbindingsmagistraten in jeugdzaken. De eerste oefent zijn functie uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De tweede oefent zijn bevoegdheden uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Franse Gemeenschap, van de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zo nodig, wordt een derde verbindingsmagistraat in jeugdzaken aangewezen voor de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap.
De verbindingsmagistraat in jeugdzaken is belast met de volgende opdrachten :
1° in geval van gebrek aan beschikbare plaatsen in de openbare gemeenschapsinstellingen voor jeugdbescherming, de inwerkingstelling van de plaatsingsbeslissing optimaliseren voor de personen ten aanzien van wie een rechterlijke beslissing genomen is met toepassing van artikel 36, 4°, en 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;
2° de eventuele verwijzingen coördineren van veroordeelde personen die zich in een federaal gesloten centrum bevinden, naar een strafinrichting voor volwassenen.
De verbindingsmagistraat in jeugdzaken vervult zijn opdrachten onder het gezag van het college van procureurs-generaal en onder de leiding van de procureur-generaal die belast is met jeugdzaken.
Hij oefent zijn ambt uit ten zetel van het college van procureurs-generaal. "
" Art. 144septies. - Er zijn twee verbindingsmagistraten in jeugdzaken. De eerste oefent zijn functie uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De tweede oefent zijn bevoegdheden uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Franse Gemeenschap, van de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zo nodig, wordt een derde verbindingsmagistraat in jeugdzaken aangewezen voor de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap.
De verbindingsmagistraat in jeugdzaken is belast met de volgende opdrachten :
1° in geval van gebrek aan beschikbare plaatsen in de openbare gemeenschapsinstellingen voor jeugdbescherming, de inwerkingstelling van de plaatsingsbeslissing optimaliseren voor de personen ten aanzien van wie een rechterlijke beslissing genomen is met toepassing van artikel 36, 4°, en 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;
2° de eventuele verwijzingen coördineren van veroordeelde personen die zich in een federaal gesloten centrum bevinden, naar een strafinrichting voor volwassenen.
De verbindingsmagistraat in jeugdzaken vervult zijn opdrachten onder het gezag van het college van procureurs-generaal en onder de leiding van de procureur-generaal die belast is met jeugdzaken.
Hij oefent zijn ambt uit ten zetel van het college van procureurs-generaal. "
Art.37. Un article 144septies, rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
" Art. 144septies. - Il y a deux magistrats de liaison en matière de jeunesse. Le premier exerce ses compétences vis-à-vis des instances relevant de la Communauté flamande et des instances relevant de la Commission communautaire commune de la Région de Bruxelles-Capitale. Le second exerce ses compétences vis-à-vis des instances relevant de la Communauté française, des instances relevant de la Communauté germanophone et des instances relevant de la Commission communautaire commune de la Région de Bruxelles-Capitale. Si besoin est, un troisième magistrat de liaison en matière de jeunesse est désigné pour les instances relevant de la Communauté germanophone.
Le magistrat de liaison en matière de jeunesse est chargé des missions suivantes :
1° optimaliser, en cas de manque de places disponibles dans les institutions communautaires publiques de protection de la jeunesse, la mise en oeuvre de la décision de placement prise à l'égard des personnes faisant l'objet d'une décision judiciaire en application de l'article 36, 4°, et 37 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait;
2° coordonner les orientations éventuelles de personnes condamnées se trouvant dans un centre federal fermé vers un établissement pénitentiaire pour adultes.
Le magistrat de liaison en matière de jeunesse exerce ses missions sous l'autorité du collège des procureurs généraux et sous la direction du procureur général qui a en charge la protection de la jeunesse.
Il exerce sa fonction au siège du collège des procureurs généraux. "
" Art. 144septies. - Il y a deux magistrats de liaison en matière de jeunesse. Le premier exerce ses compétences vis-à-vis des instances relevant de la Communauté flamande et des instances relevant de la Commission communautaire commune de la Région de Bruxelles-Capitale. Le second exerce ses compétences vis-à-vis des instances relevant de la Communauté française, des instances relevant de la Communauté germanophone et des instances relevant de la Commission communautaire commune de la Région de Bruxelles-Capitale. Si besoin est, un troisième magistrat de liaison en matière de jeunesse est désigné pour les instances relevant de la Communauté germanophone.
Le magistrat de liaison en matière de jeunesse est chargé des missions suivantes :
1° optimaliser, en cas de manque de places disponibles dans les institutions communautaires publiques de protection de la jeunesse, la mise en oeuvre de la décision de placement prise à l'égard des personnes faisant l'objet d'une décision judiciaire en application de l'article 36, 4°, et 37 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait;
2° coordonner les orientations éventuelles de personnes condamnées se trouvant dans un centre federal fermé vers un établissement pénitentiaire pour adultes.
Le magistrat de liaison en matière de jeunesse exerce ses missions sous l'autorité du collège des procureurs généraux et sous la direction du procureur général qui a en charge la protection de la jeunesse.
Il exerce sa fonction au siège du collège des procureurs généraux. "
Art.38. In artikel 186bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2001, worden de woorden ", verbindingsmagistraat in jeugdzaken " ingevoegd tussen de woorden " tot federaal magistraat " en de woorden " en bijstandsmagistraat ".
Art.38. A l'article 186bis, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 20 juillet 2001, les mots ", comme magistrat de liaison en matière de jeunesse " sont insérés entre les mots " comme magistrat fédéral " et les mots " ou comme magistrat d'assistance ".
Art.39. In artikel 259bis-1, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 21 juni 2001 en 10 april 2003, worden de woorden ", de verbindingsmagistraten in jeugdzaken " ingevoegd tussen het woord " bijstandsmagistraten " en de woorden " en de federale magistraten ".
Art.39. Dans l'article 259bis-1, § 2, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998 et modifie par les lois des 21 juin 2001 et 10 avril 2003, les mots ", les magistrats de liaison en matière de jeunesse " sont insérés entre les mots " magistrats d'assistance " et les mots " et les magistrats fédéraux ".
Art.40. In artikel 259bis-3, § 3, 4°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, worden de woorden " of federaal " vervangen door de woorden ", verbindingsmagistraat in jeugdzaken of federale ".
Art.40. Dans l'article 259bis-3, § 3, 4°, du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998, les mots " magistrat auxiliaire " sont remplacés par les mots " magistrat d'assistance, magistrat de liaison en matière de jeunesse ".
Art.41. In artikel 259bis-10, § 1, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 17 juli 2000, worden de woorden ", verbindingsmagistraat in jeugdzaken " ingevoegd tussen het woord " bijstandsmagistraat " en de woorden " of federale magistraat ".
Art.41. Dans l'article 259bis-10, § 1er, 1°, du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du 17 juillet 2000, les mots " magistrat auxiliaire " sont remplacés par les mots " magistrat d'assistance, de magistrat de liaison en matière de jeunesse ".
Art.42. In artikel 259sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 21 juni 2001 en 3 mei 2003 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, eerste lid, 1°, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" Om het ambt van onderzoeksrechter of jeugdrechter te kunnen uitoefenen, moet men, onverminderd de voorgaande bepalingen, een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd die georganiseerd wordt in het kader van de in artikel 259bis-9, § 2, bedoelde vorming van magistraten. Bovendien, om het ambt van onderzoeksrechter te kunnen uitoefenen, moet men gedurende ten minste een jaar het ambt van rechter in de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend; ";
2° in § 1, eerste lid, 3°, eerste lid, worden de woorden " de bijstandsmagistraten " vervangen door de woorden " de verbindingsmagistraten in jeugdzaken, de bijstandsmagistraten ";
3° § 1, eerste lid, 3°, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende zin : " Voor de verbindingsmagistraten in jeugdzaken wordt het door artikel 259ter, § 1, 1°, voorgeschreven advies niet ingewonnen. ";
4° in § 2, derde lid, worden de woorden " De bijstandsmagistraten " vervangen door de woorden " De verbindingsmagistraten in jeugdzaken, de bijstandsmagistraten ";
5° in § 2, vierde lid, worden de woorden " federaal magistraat " vervangen door de woorden " verbindingsmagistraat in jeugdzaken of federaal magistraat ";
6° in § 3, tweede lid, wordt het woord " bijstandsmagistraat " vervangen door de woorden " verbindingsmagistraat in jeugdzaken, de bijstandsmagistraat ";
7° in § 3, vierde lid, worden de woorden " bijstandsmagistraat of federale magistraat " vervangen door de woorden " rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat of substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken ".
1° § 1, eerste lid, 1°, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" Om het ambt van onderzoeksrechter of jeugdrechter te kunnen uitoefenen, moet men, onverminderd de voorgaande bepalingen, een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd die georganiseerd wordt in het kader van de in artikel 259bis-9, § 2, bedoelde vorming van magistraten. Bovendien, om het ambt van onderzoeksrechter te kunnen uitoefenen, moet men gedurende ten minste een jaar het ambt van rechter in de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend; ";
2° in § 1, eerste lid, 3°, eerste lid, worden de woorden " de bijstandsmagistraten " vervangen door de woorden " de verbindingsmagistraten in jeugdzaken, de bijstandsmagistraten ";
3° § 1, eerste lid, 3°, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende zin : " Voor de verbindingsmagistraten in jeugdzaken wordt het door artikel 259ter, § 1, 1°, voorgeschreven advies niet ingewonnen. ";
4° in § 2, derde lid, worden de woorden " De bijstandsmagistraten " vervangen door de woorden " De verbindingsmagistraten in jeugdzaken, de bijstandsmagistraten ";
5° in § 2, vierde lid, worden de woorden " federaal magistraat " vervangen door de woorden " verbindingsmagistraat in jeugdzaken of federaal magistraat ";
6° in § 3, tweede lid, wordt het woord " bijstandsmagistraat " vervangen door de woorden " verbindingsmagistraat in jeugdzaken, de bijstandsmagistraat ";
7° in § 3, vierde lid, worden de woorden " bijstandsmagistraat of federale magistraat " vervangen door de woorden " rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat of substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken ".
Art.42. A l'article 259sexies du même Code, inseré par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par les lois du 21 juin 2001, et du 3 mai 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, alinéa 1er, 1°, alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
" Sans préjudice des dispositions précédentes, il faut, pour pouvoir exercer les fonctions de juge d'instruction ou de juge de la jeunesse, avoir suivi une formation spécialisée, organisée dans le cadre de la formation des magistrats, visée à l'article 259bis-9, § 2. En outre, pour pouvoir exercer la fonction de juge d'instruction, il faut avoir exercé pendant au moins une année la fonction de juge au tribunal de première instance; ";
2° au § 1er, alinéa 1er, 3°, alinéa 1er, les mots " les magistrats d'assistance " sont remplacés par les mots " les magistrats de liaison en matière de jeunesse, les magistrats d'assistance ";
3° le § 1, alinéa 1er, 3°, alinéa 2, est complété par la phrase suivante : " Pour les magistrats de liaison en matière de jeunesse, l'avis prescrit à l'article 259ter, § 1, 1°, n'est pas recueilli. ";
4° au § 2, alinéa 3, les mots " Les magistrats d'assistance " sont remplaces par les mots " Les magistrats de liaison en matière de jeunesse, les magistrats d'assistance ";
5° au § 2, alinéa 4, les mots " magistrat fédéral, " sont remplacés par les mots " magistrat de liaison en matière de jeunesse ou magistrat fédéral ";
6° au § 3, alinéa 2, les mots " le magistrat d'assistance " sont remplacés par les mots " le magistrat de liaison en matière de jeunesse, le magistrat d'assistance ";
7° au § 3, alinéa 4, les mots " de magistrat d'assistance ou de magistrat fédéral " sont remplacés par les mots " de juge au tribunal de l'application des peines, de magistrat de liaison en matière de jeunesse, de magistrat d'assistance, de magistrat fédéral ou de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines ".
1° le § 1er, alinéa 1er, 1°, alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
" Sans préjudice des dispositions précédentes, il faut, pour pouvoir exercer les fonctions de juge d'instruction ou de juge de la jeunesse, avoir suivi une formation spécialisée, organisée dans le cadre de la formation des magistrats, visée à l'article 259bis-9, § 2. En outre, pour pouvoir exercer la fonction de juge d'instruction, il faut avoir exercé pendant au moins une année la fonction de juge au tribunal de première instance; ";
2° au § 1er, alinéa 1er, 3°, alinéa 1er, les mots " les magistrats d'assistance " sont remplacés par les mots " les magistrats de liaison en matière de jeunesse, les magistrats d'assistance ";
3° le § 1, alinéa 1er, 3°, alinéa 2, est complété par la phrase suivante : " Pour les magistrats de liaison en matière de jeunesse, l'avis prescrit à l'article 259ter, § 1, 1°, n'est pas recueilli. ";
4° au § 2, alinéa 3, les mots " Les magistrats d'assistance " sont remplaces par les mots " Les magistrats de liaison en matière de jeunesse, les magistrats d'assistance ";
5° au § 2, alinéa 4, les mots " magistrat fédéral, " sont remplacés par les mots " magistrat de liaison en matière de jeunesse ou magistrat fédéral ";
6° au § 3, alinéa 2, les mots " le magistrat d'assistance " sont remplacés par les mots " le magistrat de liaison en matière de jeunesse, le magistrat d'assistance ";
7° au § 3, alinéa 4, les mots " de magistrat d'assistance ou de magistrat fédéral " sont remplacés par les mots " de juge au tribunal de l'application des peines, de magistrat de liaison en matière de jeunesse, de magistrat d'assistance, de magistrat fédéral ou de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines ".
Art.43. In artikel 259septies, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2000 worden de woorden " van bijstandsmagistraat en van federaal magistraat " vervangen door de woorden " van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, van verbindingsmagistraat in jeugdzaken, van bijstandsmagistraat, van federaal magistraat en van substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken ".
Art.43. A l'article 259septies, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2000, les mots " de magistrat d'assistance et de magistrat fédéral " sont remplacés par les mots " de juge au tribunal de l'application des peines, de magistrat de liaison en matière de jeunesse, de magistrat d'assistance, de magistrat fédéral et de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines ".
Art.44. In artikel 259undecies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 21 juni 2001 en de wet van 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 :
- de woorden " en de verbindingsmagistraat in jeugdzaken " worden ingevoegd tussen de woorden " bijstandsmagistraat " en het woord " die ";
- het woord " wordt " wordt vervangen door het woord " worden ";
2° in § 2, worden de woorden " of het college van procureurs-generaal " ingevoegd tussen de woorden " korpschef " en het woord " zendt ".
1° in § 1 :
- de woorden " en de verbindingsmagistraat in jeugdzaken " worden ingevoegd tussen de woorden " bijstandsmagistraat " en het woord " die ";
- het woord " wordt " wordt vervangen door het woord " worden ";
2° in § 2, worden de woorden " of het college van procureurs-generaal " ingevoegd tussen de woorden " korpschef " en het woord " zendt ".
Art.44. A l'article 259undecies du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du 21 juin 2001 et la loi du 3 mai 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er :
- les mots " et le magistrat de liaison en matière de jeunesse " sont insérés entre les mots " magistrat d'assistance " et le mot " qui ";
- le mot " est " est remplacé par le mot " sont ";
2° au § 2, les mots " ou le collège des procureurs généraux " sont insérés entre les mots " chef de corps " et le mot " transmet ".
1° au § 1er :
- les mots " et le magistrat de liaison en matière de jeunesse " sont insérés entre les mots " magistrat d'assistance " et le mot " qui ";
- le mot " est " est remplacé par le mot " sont ";
2° au § 2, les mots " ou le collège des procureurs généraux " sont insérés entre les mots " chef de corps " et le mot " transmet ".
Art.45. In artikel 287, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, worden de woorden " tot bijstandsmagistraat of tot federaal magistraat " vervangen door de woorden " tot rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, tot verbindingsmagistraat in jeugdzaken, tot bijstandsmagistraat, tot federaal magistraat of tot substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken ".
Art.45. A l'article 287, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du 3 mai 2003, les mots " de magistrat auxiliaire ou de magistrat fédéral " sont remplacés par les mots " de juge au tribunal de l'application des peines, de magistrat de liaison en matière de jeunesse, de magistrat d'assistance, de magistrat fédéral ou de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines ".
Art.46. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 315bis ingevoegd na artikel 315 en vóór boek II, titel II, hoofdstuk II, luidend als volgt :
" Art. 315bis. - De verbindingsmagistraten in jeugdzaken behouden hun plaats op de ranglijst in hun oorspronkelijk korps. "
" Art. 315bis. - De verbindingsmagistraten in jeugdzaken behouden hun plaats op de ranglijst in hun oorspronkelijk korps. "
Art.46. Un article 315bis, rédige comme suit, est inséré après l'article 315 et avant le livre II, titre II, chapitre II du même Code :
" Art. 315bis. - Les magistrats de liaison en matière de jeunesse conservent leur place sur la liste de rang dans leur corps d'origine. "
" Art. 315bis. - Les magistrats de liaison en matière de jeunesse conservent leur place sur la liste de rang dans leur corps d'origine. "
Art.47. In artikel 341, § 1, 2° van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, worden de woorden " tweede lid " vervangen door de woorden " derde lid ".
Art.47. Dans l'article 341, § 1er, 2°, du même Code, modifié par la loi du 22 décembre 1998, les mots " alinéa 2 " sont remplacés par les mots " alinéa 3 ".
Art.48. In artikel 355bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 maart 1997 en vervangen door de wet van 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, tweede lid, worden de woorden " en de bijstandsmagistraten " vervangen door de woorden ", de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken ";
2° in § 2, wordt het eerste lid vervangen als volgt : " Artikel 357, § 2, is van toepassing op de federale magistraten en op de verbindingsmagistraten in jeugdzaken. ".
1° in § 1, tweede lid, worden de woorden " en de bijstandsmagistraten " vervangen door de woorden ", de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken ";
2° in § 2, wordt het eerste lid vervangen als volgt : " Artikel 357, § 2, is van toepassing op de federale magistraten en op de verbindingsmagistraten in jeugdzaken. ".
Art.48. A l'article 355bis du même Code, inséré par la loi du 4 mars 1997 et remplacé par la loi du 21 juin 2001, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, alinéa 2, les mots " et des magistrats d'assistance " sont remplacés par les mots ", des magistrats d'assistance et des magistrats de liaison en matière de jeunesse ";
2° au § 2, l'alinéa 1er est remplacé comme suit : " L'article 357, § 2, s'applique aux magistrats fédéraux et aux magistrats de liaison en matière de jeunesse. "
1° au § 1er, alinéa 2, les mots " et des magistrats d'assistance " sont remplacés par les mots ", des magistrats d'assistance et des magistrats de liaison en matière de jeunesse ";
2° au § 2, l'alinéa 1er est remplacé comme suit : " L'article 357, § 2, s'applique aux magistrats fédéraux et aux magistrats de liaison en matière de jeunesse. "
Art.49. Artikel 410, § 1, 2°, zesde streepje, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt aangevuld met de woorden " en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken "
Art.49. A l'article 410, § 1er, 2°, sixième tiret, du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, les mots " et des magistrats de liaison en matière de jeunesse " sont insérés entre les mots " magistrats d'assistance " et les mots ", l'autorité disciplinaire ".
Art.50. Artikel 415, § 7, achtste streepje, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt aangevuld met de woorden " en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken " na de woorden " bijstandsmagistraten ".
Art.50. L'article 415, § 7, huitième tiret, du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est complété par les mots " et aux magistrats de liaison en matière de jeunesse " après les mots " magistrats d'assistance ".
HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
CHAPITRE V. - Modification de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire.
Art.51. Artikel 43bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967, gewijzigd door de wetten van 26 juni 1974, 23 september 1985, 23 juni 1989, 4 maart 1997, 22 december 1998, 17 juli 2000 en 21 juni 2001, wordt aangevuld met een § 5, luidend als volgt :
" § 5. Een verbindingsmagistraat in jeugdzaken moet aan de hand van zijn diploma aantonen dat hij de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in de Nederlandse taal heeft afgelegd.
Een verbindingsmagistraat in jeugdzaken moet aan de hand van zijn diploma aantonen dat hij de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in de Franse taal heeft afgelegd.
In geval van aanwijzing van een verbindingsmagistraat in jeugdzaken die specifiek bevoegd is voor de procedures die in de Duitse taal gevoerd worden moet deze kennis van het Duits aantonen en, aan de hand van zijn diploma, aantonen dat hij de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in de Franse taal heeft afgelegd of moet hij zijn kennis van de Franse taal bewijzen.
Voor de instanties die vallen onder de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bepaalt de taal waarin de procedure gevoerd wordt aan welke verbindingsmagistraat in jeugdzaken het dossier wordt toegewezen. ".
" § 5. Een verbindingsmagistraat in jeugdzaken moet aan de hand van zijn diploma aantonen dat hij de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in de Nederlandse taal heeft afgelegd.
Een verbindingsmagistraat in jeugdzaken moet aan de hand van zijn diploma aantonen dat hij de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in de Franse taal heeft afgelegd.
In geval van aanwijzing van een verbindingsmagistraat in jeugdzaken die specifiek bevoegd is voor de procedures die in de Duitse taal gevoerd worden moet deze kennis van het Duits aantonen en, aan de hand van zijn diploma, aantonen dat hij de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in de Franse taal heeft afgelegd of moet hij zijn kennis van de Franse taal bewijzen.
Voor de instanties die vallen onder de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bepaalt de taal waarin de procedure gevoerd wordt aan welke verbindingsmagistraat in jeugdzaken het dossier wordt toegewezen. ".
Art.51. L'article 43bis de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, inséré par la loi du 10 octobre 1967, modifié par les lois des 26 juin 1974, 23 septembre 1985, 23 juin 1989, 4 mars 1997, 22 décembre 1998, 17 juillet 2000 et 21 juin 2001, est complété par un § 5 rédigé comme suit :
" § 5. Un magistrat de liaison en matière de jeunesse doit justifier par son diplôme avoir subi les examens de docteur, de licencié ou de master en droit en langue néerlandaise.
Un magistrat de liaison en matière de jeunesse doit justifier par son diplôme avoir subi les examens de docteur, de licencié ou de master en droit en langue française.
En cas de désignation d'un magistrat de liaison en matière de jeunesse spécifiquement compétent pour les procédures menées en langue allemande, ce dernier doit justifier de la connaissance de la langue allemande et justifier par son diplôme avoir subi les examens de docteur, de licencié ou de master en droit en langue française ou justifier de la connaissance de la langue française.
Pour les instances relevant de la commission communautaire commune de la Région de Bruxelles capitale, la langue de la procédure determine à quel magistrat de liaison en matière de jeunesse le dossier est attribué. "
" § 5. Un magistrat de liaison en matière de jeunesse doit justifier par son diplôme avoir subi les examens de docteur, de licencié ou de master en droit en langue néerlandaise.
Un magistrat de liaison en matière de jeunesse doit justifier par son diplôme avoir subi les examens de docteur, de licencié ou de master en droit en langue française.
En cas de désignation d'un magistrat de liaison en matière de jeunesse spécifiquement compétent pour les procédures menées en langue allemande, ce dernier doit justifier de la connaissance de la langue allemande et justifier par son diplôme avoir subi les examens de docteur, de licencié ou de master en droit en langue française ou justifier de la connaissance de la langue française.
Pour les instances relevant de la commission communautaire commune de la Région de Bruxelles capitale, la langue de la procédure determine à quel magistrat de liaison en matière de jeunesse le dossier est attribué. "
HOOFDSTUK VI. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
CHAPITRE VI. - Dispositions modifiant la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux.
Art.52. Artikel 1 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke wordt gewijzigd als volgt :
1° de bestaande tekst, die § 1 zal vormen, wordt aangevuld met de woorden " en de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. ";
2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidend als volgt :
" § 2. De in deze wet bedoelde beschermingsmaatregelen worden opgelegd door de vrederechter.
Echter, voor minderjarigen, evenals voor meerderjarigen ten aanzien van wie een jeugdbeschermingsmaatregel is gehandhaafd met toepassing van artikel 37, § 3, tweede en derde lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, is enkel de jeugdrechtbank of de jeugdrechter bevoegd.
De territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank of de jeugdrechter wordt bepaald overeenkomstig artikel 44 van de voormelde wet van 8 april 1965.
Wanneer de bevoegdheid van de jeugdrechtbank bedoeld in het tweede lid een einde neemt en een door deze wet voorziene maatregel nog loopt, zendt de jeugdrechtbank het dossier over aan de vrederechter, die de zaak overneemt zoals ze dan staat. "
1° de bestaande tekst, die § 1 zal vormen, wordt aangevuld met de woorden " en de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. ";
2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidend als volgt :
" § 2. De in deze wet bedoelde beschermingsmaatregelen worden opgelegd door de vrederechter.
Echter, voor minderjarigen, evenals voor meerderjarigen ten aanzien van wie een jeugdbeschermingsmaatregel is gehandhaafd met toepassing van artikel 37, § 3, tweede en derde lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, is enkel de jeugdrechtbank of de jeugdrechter bevoegd.
De territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank of de jeugdrechter wordt bepaald overeenkomstig artikel 44 van de voormelde wet van 8 april 1965.
Wanneer de bevoegdheid van de jeugdrechtbank bedoeld in het tweede lid een einde neemt en een door deze wet voorziene maatregel nog loopt, zendt de jeugdrechtbank het dossier over aan de vrederechter, die de zaak overneemt zoals ze dan staat. "
Art.52. L'article premier de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux est modifie comme suit :
1° le texte actuel, qui formera le § 1er, est complété par les mots " et la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. ";
2° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les mesures protectionnelles visées dans la présente loi sont ordonnées par le juge de paix.
Toutefois, à l'égard des mineurs, ainsi qu'a l'égard des majeurs pour lesquels une mesure de protection de la jeunesse est maintenue en application de l'article 37, § 3, alinéas 2 et 3, de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, le tribunal de la jeunesse ou le juge de la jeunesse est seul compétent.
La compétence territoriale du tribunal de la jeunesse ou le juge de la jeunesse est déterminée conformément à l'article 44 de la loi précitée du 8 avril 1965.
Lorsque la compétence du tribunal de la jeunesse visée au deuxième alinéa prend fin et qu'une mesure prévue par la présente loi est toujours en cours, le tribunal de la jeunesse transmet le dossier au juge de paix, qui reprend l'affaire en l'état. "
1° le texte actuel, qui formera le § 1er, est complété par les mots " et la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. ";
2° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les mesures protectionnelles visées dans la présente loi sont ordonnées par le juge de paix.
Toutefois, à l'égard des mineurs, ainsi qu'a l'égard des majeurs pour lesquels une mesure de protection de la jeunesse est maintenue en application de l'article 37, § 3, alinéas 2 et 3, de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, le tribunal de la jeunesse ou le juge de la jeunesse est seul compétent.
La compétence territoriale du tribunal de la jeunesse ou le juge de la jeunesse est déterminée conformément à l'article 44 de la loi précitée du 8 avril 1965.
Lorsque la compétence du tribunal de la jeunesse visée au deuxième alinéa prend fin et qu'une mesure prévue par la présente loi est toujours en cours, le tribunal de la jeunesse transmet le dossier au juge de paix, qui reprend l'affaire en l'état. "
Art.53. In artikel 18 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 en in § 2, worden de woorden " de vrederechter " vervangen door de woorden " de rechter ";
2° in § 2 worden de woorden " het vredegerecht " vervangen door de woorden " het vredegerecht of de jeugdrechtbank ".
1° in § 1 en in § 2, worden de woorden " de vrederechter " vervangen door de woorden " de rechter ";
2° in § 2 worden de woorden " het vredegerecht " vervangen door de woorden " het vredegerecht of de jeugdrechtbank ".
Art.53. A l'article 18 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er et au § 2, les mots " le juge de paix " sont remplacés par les mots " le juge ";
2° au § 2, les mots " la justice de paix " sont remplacés par les mots " la justice de paix ou le tribunal de la jeunesse ".
1° au § 1er et au § 2, les mots " le juge de paix " sont remplacés par les mots " le juge ";
2° au § 2, les mots " la justice de paix " sont remplacés par les mots " la justice de paix ou le tribunal de la jeunesse ".
Art.54. In artikel 22 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " de vrederechter " worden vervangen door de woorden " de rechter ";
2° het artikel wordt aangevuld als volgt :
" Ten aanzien van de in artikel 1, § 2, bedoelde personen herziet de jeugdrechtbank de beslissing tot handhaving ten minste om de zes maanden, of ten minste om de drie maanden als de maatregel genomen is op grond van artikel 52 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade ".
1° de woorden " de vrederechter " worden vervangen door de woorden " de rechter ";
2° het artikel wordt aangevuld als volgt :
" Ten aanzien van de in artikel 1, § 2, bedoelde personen herziet de jeugdrechtbank de beslissing tot handhaving ten minste om de zes maanden, of ten minste om de drie maanden als de maatregel genomen is op grond van artikel 52 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade ".
Art.54. A l'article 22 de la même loi, modifié par la loi du 18 juillet 1991, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " le juge de paix " sont remplacés par les mots " le juge ";
2° l'article est complété comme suit :
" A l'égard des personnes visées à l'article 1er, § 2, le tribunal de la jeunesse procède à la révision de la décision de maintien tous les six mois au moins, ou tous les trois mois au moins si la mesure est prise sur la base de l'article 52 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait ".
1° les mots " le juge de paix " sont remplacés par les mots " le juge ";
2° l'article est complété comme suit :
" A l'égard des personnes visées à l'article 1er, § 2, le tribunal de la jeunesse procède à la révision de la décision de maintien tous les six mois au moins, ou tous les trois mois au moins si la mesure est prise sur la base de l'article 52 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait ".
Art.55. In artikel 30 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in §§ 1 en 2, worden de woorden " de vrederechter " vervangen door de woorden " de rechter ";
2° § 3, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" Het hoger beroep tegen de vonnissen van de rechter wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht tot de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die de datum van de zitting bepaalt. De zaak wordt toegewezen aan een kamer met drie rechters. Het hoger beroep tegen de vonnissen van de jeugdrechtbank wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht tot de voorzitter van het hof van beroep, die de datum van de zitting bepaalt. ";
3° in § 3, tweede lid, worden de woorden " De procureur des Konings " vervangen door de woorden " De procureur- generaal of de procureur des Konings ";
4° in § 3, vierde lid, worden de woorden " de rechtbank " vervangen door de woorden " de rechtbank of het hof ";
5° in § 3, vijfde lid, worden de woorden " de rechtbank " vervangen door de woorden " de rechtbank of het hof ";
6° in § 3, vijfde lid, worden de woorden " definitief vonnis " vervangen door de woorden " definitieve beslissing ";
7° in § 4, eerste en tweede lid, worden de woorden " het vonnis " vervangen door de woorden " het vonnis of het arrest " en de woorden " een vonnis " door de woorden " een vonnis of een arrest ";
8° in § 5, worden de woorden " het vonnis " vervangen door de woorden " het vonnis of het arrest " en de woorden " een vonnis " door de woorden " een vonnis of een arrest ";
9° in § 6, worden de woorden " het vonnis " vervangen door de woorden " het vonnis of het arrest ";
10° in § 6, worden de woorden " De procureur des Konings " vervangen door de woorden " De procureur-generaal of de procureur des Konings. ".
1° in §§ 1 en 2, worden de woorden " de vrederechter " vervangen door de woorden " de rechter ";
2° § 3, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" Het hoger beroep tegen de vonnissen van de rechter wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht tot de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die de datum van de zitting bepaalt. De zaak wordt toegewezen aan een kamer met drie rechters. Het hoger beroep tegen de vonnissen van de jeugdrechtbank wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht tot de voorzitter van het hof van beroep, die de datum van de zitting bepaalt. ";
3° in § 3, tweede lid, worden de woorden " De procureur des Konings " vervangen door de woorden " De procureur- generaal of de procureur des Konings ";
4° in § 3, vierde lid, worden de woorden " de rechtbank " vervangen door de woorden " de rechtbank of het hof ";
5° in § 3, vijfde lid, worden de woorden " de rechtbank " vervangen door de woorden " de rechtbank of het hof ";
6° in § 3, vijfde lid, worden de woorden " definitief vonnis " vervangen door de woorden " definitieve beslissing ";
7° in § 4, eerste en tweede lid, worden de woorden " het vonnis " vervangen door de woorden " het vonnis of het arrest " en de woorden " een vonnis " door de woorden " een vonnis of een arrest ";
8° in § 5, worden de woorden " het vonnis " vervangen door de woorden " het vonnis of het arrest " en de woorden " een vonnis " door de woorden " een vonnis of een arrest ";
9° in § 6, worden de woorden " het vonnis " vervangen door de woorden " het vonnis of het arrest ";
10° in § 6, worden de woorden " De procureur des Konings " vervangen door de woorden " De procureur-generaal of de procureur des Konings. ".
Art.55. A l'article 30 de la même loi, modifié par la loi du 7 mai 1999, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux §§ 1er et 2, les mots " juge de paix " sont remplacés par le mot " juge ";
2° le § 3, alinéa premier, est remplacé par la disposition suivante :
" L'appel contre les jugements du juge est formé par requête adressée au président du tribunal de première instance, qui fixe l'audience. L'affaire est renvoyée devant une chambre de trois juges. L'appel contre les jugements du tribunal de la jeunesse est formé par requête adressée au président de la cour d'appel, qui fixe l'audience. ";
3° au § 3, alinéa 2, les mots " Le procureur du Roi " sont remplacés par les mots " Le procureur général ou le procureur du Roi ";
4° au § 3, alinéa 4, les mots " le tribunal " sont remplacés par les mots " le tribunal ou la cour ";
5° au § 3, alinéa 5, les mots " le tribunal " sont remplaces par les mots " le tribunal ou la cour ";
6° au § 3, alinéa 5, les mots " un jugement définitif " sont remplacés par les mots " une décision définitive ";
7° au § 4, alinéas 1er et 2, les mots " le jugement " sont remplacés par les mots " le jugement ou l'arrêt " et les mots " de jugement " par les mots " de jugement ou d'arrêt ";
8° au § 5, les mots " le jugement " sont remplacés par les mots " le jugement ou l'arrêt " et les mots " de jugement " par les mots " de jugement ou d'arrêt ";
9° au § 6, les mots " le jugement " sont remplacés par les mots " le jugement ou l'arret ";
10° au § 6, les mots " Le procureur du Roi " sont remplacés par les mots " Le procureur général ou le procureur du Roi. ".
1° aux §§ 1er et 2, les mots " juge de paix " sont remplacés par le mot " juge ";
2° le § 3, alinéa premier, est remplacé par la disposition suivante :
" L'appel contre les jugements du juge est formé par requête adressée au président du tribunal de première instance, qui fixe l'audience. L'affaire est renvoyée devant une chambre de trois juges. L'appel contre les jugements du tribunal de la jeunesse est formé par requête adressée au président de la cour d'appel, qui fixe l'audience. ";
3° au § 3, alinéa 2, les mots " Le procureur du Roi " sont remplacés par les mots " Le procureur général ou le procureur du Roi ";
4° au § 3, alinéa 4, les mots " le tribunal " sont remplacés par les mots " le tribunal ou la cour ";
5° au § 3, alinéa 5, les mots " le tribunal " sont remplaces par les mots " le tribunal ou la cour ";
6° au § 3, alinéa 5, les mots " un jugement définitif " sont remplacés par les mots " une décision définitive ";
7° au § 4, alinéas 1er et 2, les mots " le jugement " sont remplacés par les mots " le jugement ou l'arrêt " et les mots " de jugement " par les mots " de jugement ou d'arrêt ";
8° au § 5, les mots " le jugement " sont remplacés par les mots " le jugement ou l'arrêt " et les mots " de jugement " par les mots " de jugement ou d'arrêt ";
9° au § 6, les mots " le jugement " sont remplacés par les mots " le jugement ou l'arret ";
10° au § 6, les mots " Le procureur du Roi " sont remplacés par les mots " Le procureur général ou le procureur du Roi. ".
Art.56. In artikel 31 van dezelfde wet wordt de woorden " het vonnis " vervangen door de woorden " het vonnis of het arrest ".
Art.56. A l'article 31 de la même loi, les mots " le jugement " sont remplacés par les mots " le jugement ou l'arrêt ".
Art.57. In artikel 33 van dezelfde wet worden de woorden " de rechtbank " vervangen door de woorden " de bevoegde rechter ".
Art.57. A l'article 33 de la même loi, les mots " le tribunal " sont remplacés par les mots " le juge compétent ".
Art.58. In artikel 34 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden " de zieke " vervangen door de woorden " de zieke of, indien het een minderjarige betreft, van zijn wettelijke vertegenwoordigers ";
2° in het derde lid, worden de woorden " De vrederechter en de rechtbank kunnen " vervangen door de woorden " De rechter, de rechtbank of het hof kan ".
1° in het tweede lid worden de woorden " de zieke " vervangen door de woorden " de zieke of, indien het een minderjarige betreft, van zijn wettelijke vertegenwoordigers ";
2° in het derde lid, worden de woorden " De vrederechter en de rechtbank kunnen " vervangen door de woorden " De rechter, de rechtbank of het hof kan ".
Art.58. A l'article 34 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° au deuxième alinéa, les mots " du malade " sont remplacés par les mots " du malade ou, s'il s'agit d'un mineur, de ses représentants légaux ";
2° au troisième alinéa, les mots " Le juge de paix et le tribunal ne peuvent " sont remplacés par les mots " Le juge, le tribunal ou la cour ne peut ".
1° au deuxième alinéa, les mots " du malade " sont remplacés par les mots " du malade ou, s'il s'agit d'un mineur, de ses représentants légaux ";
2° au troisième alinéa, les mots " Le juge de paix et le tribunal ne peuvent " sont remplacés par les mots " Le juge, le tribunal ou la cour ne peut ".
Art.59. In de artikelen 5, 6, 7, 8, 9, 12, 13, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 33, 34 en 35 van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, 6, 7, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, 8, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, 9, 12, 13, 16,19, 20, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991, 21, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991 en bij de wet van 2 februari 1994, 23, 24, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991, 25, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991, 27, 28, 29,33 en 35, gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, van dezelfde wet wordt het woord " vrederechter " telkens vervangen door het woord " rechter ".
Art.59. Aux articles 5, 6, 7, 8, 9, 12, 13, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 33, 34 et 35 de la même loi modifié par la loi du 6 août 1993, 6, 7, modifié par la loi du 7 mai 1999, 8, modifié par la loi du 7 mai 1999, 9, 12, 13, 16, 19, 20, modifié par la loi du 18 juillet 1991, 21, modifié par la loi du 18 juillet 1991 et par la loi du 2 février 1994, 23, 24, modifie par la loi du 18 juillet 1991, 25, modifié par la loi du 18 juillet 1991, 27, 28, 29, 33, et 35, modifié par la loi du 6 août 1993, de la même loi, les mots " le juge de paix " sont remplacés par les mots " le juge ".
HOOFDSTUK VII. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
CHAPITRE VII. - Dispositions modifiant la loi du 1er mars 2002 relative au placement provisoire de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.
Art.60. In artikel 2 van de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, worden na de woorden " de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming " de woorden ", het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade " ingevoegd.
Art.60. A l'article 2 de la loi du 1er mars 2002 relative au placement provisoire de mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, après les mots " la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse ", sont insérés les mots ", à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait ".
Art.61. In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1) het 2° wordt vervangen als volgt : " 2° het als misdrijf omschreven feit waarvoor hij vervolgd wordt, kan, indien hij meerderjarig zou zijn, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf tot gevolg hebben van opsluiting van vijf tot tien jaar of een zwaardere straf. "
2) in het 4° worden de woorden " § 2, 3° " vervangen door de woorden " § 2, eerste lid, 7° ".
3) in het 4° worden na de woorden " de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming " de woorden ", het ten laste nemen van minderjarigen die en als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade " ingevoegd.
4) in het 4° worden de woorden " § 2, 4° " vervangen door de woorden " § 2, eerste lid, 8° ".
1) het 2° wordt vervangen als volgt : " 2° het als misdrijf omschreven feit waarvoor hij vervolgd wordt, kan, indien hij meerderjarig zou zijn, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf tot gevolg hebben van opsluiting van vijf tot tien jaar of een zwaardere straf. "
2) in het 4° worden de woorden " § 2, 3° " vervangen door de woorden " § 2, eerste lid, 7° ".
3) in het 4° worden na de woorden " de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming " de woorden ", het ten laste nemen van minderjarigen die en als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade " ingevoegd.
4) in het 4° worden de woorden " § 2, 4° " vervangen door de woorden " § 2, eerste lid, 8° ".
Art.61. _ A l'article 3 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1) le 2° est remplacé par la disposition suivante : " 2° le fait qualifié infraction pour lequel elle est poursuivie est de nature, si elle était majeure, à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine de réclusion de cinq ans à dix ans ou une peine plus lourde. "
2) au 4° les mots " § 2, 3° " sont remplacés par les mots " § 2, alinéa 1er, 7° ".
3) au 4°, les mots ", à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait " sont insérés après les mots " la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse ".
4) au 4° les mots " § 2, 4° " sont remplacés par les mots " § 2, alinéa 1er, 8° ".
1) le 2° est remplacé par la disposition suivante : " 2° le fait qualifié infraction pour lequel elle est poursuivie est de nature, si elle était majeure, à entraîner, au sens du Code pénal ou des lois particulières, une peine de réclusion de cinq ans à dix ans ou une peine plus lourde. "
2) au 4° les mots " § 2, 3° " sont remplacés par les mots " § 2, alinéa 1er, 7° ".
3) au 4°, les mots ", à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait " sont insérés après les mots " la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse ".
4) au 4° les mots " § 2, 4° " sont remplacés par les mots " § 2, alinéa 1er, 8° ".
Art.62. In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, tweede lid, na de woorden " de wet van 8 april 1965 betreffende jeugdbescherming " worden de woorden ", het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade " ingevoegd;
2° in § 2, na de woorden " de wet van 8 april 1965 betreffende jeugdbescherming " worden de woorden ", het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade " ingevoegd.
1° in § 1, tweede lid, na de woorden " de wet van 8 april 1965 betreffende jeugdbescherming " worden de woorden ", het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade " ingevoegd;
2° in § 2, na de woorden " de wet van 8 april 1965 betreffende jeugdbescherming " worden de woorden ", het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade " ingevoegd.
Art.62. A l'article 5 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, alinéa 2, les mots ", à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait " sont inséres après les mots " la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse. ";
2° au § 2, les mots ", à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait " sont insérés après les mots " la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse ".
1° au § 1er, alinéa 2, les mots ", à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait " sont inséres après les mots " la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse. ";
2° au § 2, les mots ", à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait " sont insérés après les mots " la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse ".
Art.63. In artikel 8, eerste lid, van dezelfde wet worden na de woorden " de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming " worden de woorden ", het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade " ingevoegd.
Art.63. _ A l'article 8, alinéa 1er, de la même loi, les mots ", à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait " sont inséres après les mots " la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse ".
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepaling.
CHAPITRE VIII. - Disposition finale.
Art.64. De Koning kan, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de ordening, de nummering, de onderverdeling in titels, hoofdstukken en afdelingen, de redactie en de terminologie van de bepalingen van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, wijzigen met het oog op vereenvoudiging.
In dit geval past de Koning tevens de verwijzingen naar de genoemde wet of onderdelen of artikelen ervan die in andere bepalingen voorkomen, dienovereenkomstig naar de vorm aan.
In dit geval past de Koning tevens de verwijzingen naar de genoemde wet of onderdelen of artikelen ervan die in andere bepalingen voorkomen, dienovereenkomstig naar de vorm aan.
Art.64. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, peut, en vue de sa simplification, modifier l'ordre, le numérotage, la division en titres, chapitres et sections, la rédaction et la terminologie des dispositions de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait.
Dans ce cas, le Roi adapte de la même façon quant à la forme les références à ladite loi ou à ses parties ou articles, qui figurent dans d'autres dispositions.
Dans ce cas, le Roi adapte de la même façon quant à la forme les références à ladite loi ou à ses parties ou articles, qui figurent dans d'autres dispositions.
HOOFDSTUK IX. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE IX. - Entrée en vigueur.
Art.65. Met uitzondering van huidig artikel, bepaalt de Koning de datum waarop elk van de bepalingen van deze wet in werking treden. Deze treden uiterlijk [2 op 1 januari 2016]2 in werking [1 met uitzondering van artikel 7, 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, dat in werking treedt op 1 januari 2011]1.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° tot en met 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 en 51 vastgesteld op 16-08-2006 door KB 2006-05-01/67, art. 1)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 en 64 vastgesteld op 16-10-2006, door KB 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 7 vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 3, met uitzondering van :
- punt 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° en 11° van de wet, aan artikel 37, § 2, tweede lid, van de wet en aan de eerste zin van artikel 37, § 2, derde lid, van de wet, luidende : " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur ";
- punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van de wet, luidende : " deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de arikelen 37bis tot 37quinquies ; ";
- punt 7°, d) en f)).
(NOTA : inwerkingtreding van art. 22 - met uitzondering van 2° - vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 1, 13, 20, 22 punt 2°, 25, 5, 11 en 26 vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 4 en 5)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42 punt 1° en 47 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 21 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 7, voorzover het refereert aan artikel 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 28 - zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van de wet van 16 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de politierechtbanken, van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 2006-08-05/59></span></span> - vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 8)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 2° - zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen en voorzover het refereert aan artikel 37, § 2, tweede lid, en aan artikel 37, § 2, derde lid, eerste zin, luidende " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur " van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade - vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van dezelfde wet van 8 april 1965 <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>, vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 10)
Met het oog op de inwerkingtreding van artikel 7, 7°, van huidige wet, regelt een samenwerkingsakkoord tussen de Staat en de Gemeenschappen, zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, de modaliteiten inzake financiering en inwerkingstelling van de maatregelen bedoeld in de genoemde bepaling.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° tot en met 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 en 51 vastgesteld op 16-08-2006 door KB 2006-05-01/67, art. 1)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 en 64 vastgesteld op 16-10-2006, door KB 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 7 vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 3, met uitzondering van :
- punt 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° en 11° van de wet, aan artikel 37, § 2, tweede lid, van de wet en aan de eerste zin van artikel 37, § 2, derde lid, van de wet, luidende : " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur ";
- punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van de wet, luidende : " deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de arikelen 37bis tot 37quinquies ; ";
- punt 7°, d) en f)).
(NOTA : inwerkingtreding van art. 22 - met uitzondering van 2° - vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 1, 13, 20, 22 punt 2°, 25, 5, 11 en 26 vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 4 en 5)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42 punt 1° en 47 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 21 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 7, voorzover het refereert aan artikel 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 28 - zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van de wet van 16 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de politierechtbanken, van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 2006-08-05/59></span></span> - vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 8)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 2° - zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen en voorzover het refereert aan artikel 37, § 2, tweede lid, en aan artikel 37, § 2, derde lid, eerste zin, luidende " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur " van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade - vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van dezelfde wet van 8 april 1965 <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>, vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 10)
Met het oog op de inwerkingtreding van artikel 7, 7°, van huidige wet, regelt een samenwerkingsakkoord tussen de Staat en de Gemeenschappen, zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, de modaliteiten inzake financiering en inwerkingstelling van de maatregelen bedoeld in de genoemde bepaling.
Art.65. A l'exception du présent article, le Roi fixe la date de l'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi. Celles-ci entrent en vigueur au plus tard [2 le 1er janvier 2016]2 [1 à l'exception de l'article 7, 2°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi de 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, qui entre en vigueur le 1er janvier 2011]1.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° à 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 et 51 fixée le 16-08-2006 par AR 2006-08-05/34, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 et 64 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 3 à l'exception du :
- point 2°, en tant qu'il fait référence au § 2, alinéa 1er, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° et 11° de l'article 37 de la loi, à l'alinéa 2 du § 2, de l'article 37 de la loi et a la 1re phrase de l'alinéa 3 du § 2 de l'article 37 de la loi, rédigée comme suit : " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 4°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, alinéa 1er, 3°, de la loi, rédigé comme suit : " participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 7°, d) et f))
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 22, - à l'exception du 2° - fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 1, 13, 20, 22, point 2°, 25, 5, 11 et 26 fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 4 et 5)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42, point 1° et 47 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 21 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7, en tant qu'il fait référence à l'article 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 et 6, de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé pour ce fait <L 1965-04-08/03>)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 28 - tel que modifié par l'article 3 de la loi du 5 août 2006 modifiant la loi du 16 juillet 1970 déterminant le cadre du personnel des tribunaux de police, la loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et la loi du 17 mai 2006 instaurant des tribunaux d'application des peines <L 2006-08-05/59> - fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 2°, tel que modifié par la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses et en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 2, et à l'article 37, § 2, alinéa 3, première phrase, rédigée comme suit " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. " de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait- fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 4° - en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, 1er alinéa, 3°, de la même loi du 8 avril 1965 <L 1965-04-08/03> - fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 10)
En vue de l'entrée en vigueur de l'article 7, 7°, de la présente loi, un accord de coopération entre l'Etat et les Communautés, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 des réformes institutionnelles, règle les modalités de financement et de la mise en oeuvre des mesures visées à ladite disposition.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° à 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 et 51 fixée le 16-08-2006 par AR 2006-08-05/34, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 et 64 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 3 à l'exception du :
- point 2°, en tant qu'il fait référence au § 2, alinéa 1er, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° et 11° de l'article 37 de la loi, à l'alinéa 2 du § 2, de l'article 37 de la loi et a la 1re phrase de l'alinéa 3 du § 2 de l'article 37 de la loi, rédigée comme suit : " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 4°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, alinéa 1er, 3°, de la loi, rédigé comme suit : " participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 7°, d) et f))
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 22, - à l'exception du 2° - fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 1, 13, 20, 22, point 2°, 25, 5, 11 et 26 fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 4 et 5)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42, point 1° et 47 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 21 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7, en tant qu'il fait référence à l'article 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 et 6, de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé pour ce fait <L 1965-04-08/03>)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 28 - tel que modifié par l'article 3 de la loi du 5 août 2006 modifiant la loi du 16 juillet 1970 déterminant le cadre du personnel des tribunaux de police, la loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et la loi du 17 mai 2006 instaurant des tribunaux d'application des peines <L 2006-08-05/59> - fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 2°, tel que modifié par la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses et en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 2, et à l'article 37, § 2, alinéa 3, première phrase, rédigée comme suit " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. " de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait- fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 4° - en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, 1er alinéa, 3°, de la même loi du 8 avril 1965 <L 1965-04-08/03> - fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 10)
En vue de l'entrée en vigueur de l'article 7, 7°, de la présente loi, un accord de coopération entre l'Etat et les Communautés, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 des réformes institutionnelles, règle les modalités de financement et de la mise en oeuvre des mesures visées à ladite disposition.
Art.65 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
Met uitzondering van huidig artikel, bepaalt de Koning de datum waarop elk van de bepalingen van deze wet in werking treden. [3 De bepalingen waarvan de inwerkingtreding niet bij koninklijk besluit werd bepaald, treden op 1 januari 2018 in werking]3 [1 met uitzondering van artikel 7, 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, dat in werking treedt op 1 januari 2011]1.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° tot en met 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 en 51 vastgesteld op 16-08-2006 door KB 2006-05-01/67, art. 1)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 en 64 vastgesteld op 16-10-2006, door KB 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 7 vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 3, met uitzondering van :
- punt 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° en 11° van de wet, aan artikel 37, § 2, tweede lid, van de wet en aan de eerste zin van artikel 37, § 2, derde lid, van de wet, luidende : " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur ";
- punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van de wet, luidende : " deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de arikelen 37bis tot 37quinquies ; ";
- punt 7°, d) en f)).
(NOTA : inwerkingtreding van art. 22 - met uitzondering van 2° - vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 1, 13, 20, 22 punt 2°, 25, 5, 11 en 26 vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 4 en 5)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42 punt 1° en 47 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 21 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 7, voorzover het refereert aan artikel 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 28 - zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van de wet van 16 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de politierechtbanken, van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 2006-08-05/59></span></span> - vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 8)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 2° - zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen en voorzover het refereert aan artikel 37, § 2, tweede lid, en aan artikel 37, § 2, derde lid, eerste zin, luidende " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur " van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade - vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van dezelfde wet van 8 april 1965 <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>, vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 10)
Met het oog op de inwerkingtreding van artikel 7, 7°, van huidige wet, regelt een samenwerkingsakkoord tussen de Staat en de Gemeenschappen, zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, de modaliteiten inzake financiering en inwerkingstelling van de maatregelen bedoeld in de genoemde bepaling.
Met uitzondering van huidig artikel, bepaalt de Koning de datum waarop elk van de bepalingen van deze wet in werking treden. [3 De bepalingen waarvan de inwerkingtreding niet bij koninklijk besluit werd bepaald, treden op 1 januari 2018 in werking]3 [1 met uitzondering van artikel 7, 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, dat in werking treedt op 1 januari 2011]1.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° tot en met 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 en 51 vastgesteld op 16-08-2006 door KB 2006-05-01/67, art. 1)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 en 64 vastgesteld op 16-10-2006, door KB 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 7 vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 3, met uitzondering van :
- punt 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° en 11° van de wet, aan artikel 37, § 2, tweede lid, van de wet en aan de eerste zin van artikel 37, § 2, derde lid, van de wet, luidende : " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur ";
- punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van de wet, luidende : " deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de arikelen 37bis tot 37quinquies ; ";
- punt 7°, d) en f)).
(NOTA : inwerkingtreding van art. 22 - met uitzondering van 2° - vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 1, 13, 20, 22 punt 2°, 25, 5, 11 en 26 vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 4 en 5)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42 punt 1° en 47 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 21 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 7, voorzover het refereert aan artikel 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 28 - zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van de wet van 16 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de politierechtbanken, van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 2006-08-05/59></span></span> - vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 8)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 2° - zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen en voorzover het refereert aan artikel 37, § 2, tweede lid, en aan artikel 37, § 2, derde lid, eerste zin, luidende " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur " van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade - vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van dezelfde wet van 8 april 1965 <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>, vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 10)
Met het oog op de inwerkingtreding van artikel 7, 7°, van huidige wet, regelt een samenwerkingsakkoord tussen de Staat en de Gemeenschappen, zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, de modaliteiten inzake financiering en inwerkingstelling van de maatregelen bedoeld in de genoemde bepaling.
Art. 65 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
A l'exception du présent article, le Roi fixe la date de l'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi. [3 Les dispositions dont l'entrée en vigueur n'a pas été déterminée par arrêté royal entrent en vigueur le 1er janvier 2018]3 [1 à l'exception de l'article 7, 2°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi de 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, qui entre en vigueur le 1er janvier 2011]1.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° à 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 et 51 fixée le 16-08-2006 par AR 2006-08-05/34, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 et 64 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 3 à l'exception du :
- point 2°, en tant qu'il fait référence au § 2, alinéa 1er, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° et 11° de l'article 37 de la loi, à l'alinéa 2 du § 2, de l'article 37 de la loi et a la 1re phrase de l'alinéa 3 du § 2 de l'article 37 de la loi, rédigée comme suit : " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 4°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, alinéa 1er, 3°, de la loi, rédigé comme suit : " participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 7°, d) et f))
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 22, - à l'exception du 2° - fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 1, 13, 20, 22, point 2°, 25, 5, 11 et 26 fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 4 et 5)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42, point 1° et 47 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 21 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7, en tant qu'il fait référence à l'article 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 et 6, de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé pour ce fait <L 1965-04-08/03>)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 28 - tel que modifié par l'article 3 de la loi du 5 août 2006 modifiant la loi du 16 juillet 1970 déterminant le cadre du personnel des tribunaux de police, la loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et la loi du 17 mai 2006 instaurant des tribunaux d'application des peines <L 2006-08-05/59> - fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 2°, tel que modifié par la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses et en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 2, et à l'article 37, § 2, alinéa 3, première phrase, rédigée comme suit " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. " de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait- fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 4° - en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, 1er alinéa, 3°, de la même loi du 8 avril 1965 <L 1965-04-08/03> - fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 10)
En vue de l'entrée en vigueur de l'article 7, 7°, de la présente loi, un accord de coopération entre l'Etat et les Communautés, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 des réformes institutionnelles, règle les modalités de financement et de la mise en oeuvre des mesures visées à ladite disposition.
A l'exception du présent article, le Roi fixe la date de l'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi. [3 Les dispositions dont l'entrée en vigueur n'a pas été déterminée par arrêté royal entrent en vigueur le 1er janvier 2018]3 [1 à l'exception de l'article 7, 2°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi de 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, qui entre en vigueur le 1er janvier 2011]1.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° à 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 et 51 fixée le 16-08-2006 par AR 2006-08-05/34, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 et 64 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 3 à l'exception du :
- point 2°, en tant qu'il fait référence au § 2, alinéa 1er, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° et 11° de l'article 37 de la loi, à l'alinéa 2 du § 2, de l'article 37 de la loi et a la 1re phrase de l'alinéa 3 du § 2 de l'article 37 de la loi, rédigée comme suit : " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 4°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, alinéa 1er, 3°, de la loi, rédigé comme suit : " participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 7°, d) et f))
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 22, - à l'exception du 2° - fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 1, 13, 20, 22, point 2°, 25, 5, 11 et 26 fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 4 et 5)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42, point 1° et 47 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 21 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7, en tant qu'il fait référence à l'article 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 et 6, de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé pour ce fait <L 1965-04-08/03>)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 28 - tel que modifié par l'article 3 de la loi du 5 août 2006 modifiant la loi du 16 juillet 1970 déterminant le cadre du personnel des tribunaux de police, la loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et la loi du 17 mai 2006 instaurant des tribunaux d'application des peines <L 2006-08-05/59> - fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 2°, tel que modifié par la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses et en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 2, et à l'article 37, § 2, alinéa 3, première phrase, rédigée comme suit " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. " de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait- fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 4° - en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, 1er alinéa, 3°, de la même loi du 8 avril 1965 <L 1965-04-08/03> - fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 10)
En vue de l'entrée en vigueur de l'article 7, 7°, de la présente loi, un accord de coopération entre l'Etat et les Communautés, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 des réformes institutionnelles, règle les modalités de financement et de la mise en oeuvre des mesures visées à ladite disposition.
Art. 65_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Met uitzondering van huidig artikel, bepaalt de Koning de datum waarop elk van de bepalingen van deze wet in werking treden. [3 de bepalingen waarvan de inwerkingtreding niet bepaald werd bij koninklijk besluit treden in werking op 1 januari 2018 ]3 [1 met uitzondering van artikel 7, 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, dat in werking treedt op 1 januari 2011]1.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° tot en met 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 en 51 vastgesteld op 16-08-2006 door KB 2006-05-01/67, art. 1)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 en 64 vastgesteld op 16-10-2006, door KB 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 7 vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 3, met uitzondering van :
- punt 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° en 11° van de wet, aan artikel 37, § 2, tweede lid, van de wet en aan de eerste zin van artikel 37, § 2, derde lid, van de wet, luidende : " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur ";
- punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van de wet, luidende : " deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de arikelen 37bis tot 37quinquies ; ";
- punt 7°, d) en f)).
(NOTA : inwerkingtreding van art. 22 - met uitzondering van 2° - vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 1, 13, 20, 22 punt 2°, 25, 5, 11 en 26 vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 4 en 5)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42 punt 1° en 47 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 21 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 7, voorzover het refereert aan artikel 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 28 - zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van de wet van 16 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de politierechtbanken, van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 2006-08-05/59></span></span> - vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 8)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 2° - zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen en voorzover het refereert aan artikel 37, § 2, tweede lid, en aan artikel 37, § 2, derde lid, eerste zin, luidende " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur " van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade - vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van dezelfde wet van 8 april 1965 <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>, vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 10)
Met het oog op de inwerkingtreding van artikel 7, 7°, van huidige wet, regelt een samenwerkingsakkoord tussen de Staat en de Gemeenschappen, zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, de modaliteiten inzake financiering en inwerkingstelling van de maatregelen bedoeld in de genoemde bepaling.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° tot en met 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 en 51 vastgesteld op 16-08-2006 door KB 2006-05-01/67, art. 1)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 en 64 vastgesteld op 16-10-2006, door KB 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 7 vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 3, met uitzondering van :
- punt 2°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° en 11° van de wet, aan artikel 37, § 2, tweede lid, van de wet en aan de eerste zin van artikel 37, § 2, derde lid, van de wet, luidende : " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur ";
- punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van de wet, luidende : " deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de arikelen 37bis tot 37quinquies ; ";
- punt 7°, d) en f)).
(NOTA : inwerkingtreding van art. 22 - met uitzondering van 2° - vastgesteld op 16-10-2006 door KB 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 1, 13, 20, 22 punt 2°, 25, 5, 11 en 26 vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 4 en 5)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42 punt 1° en 47 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 21 vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 7, voorzover het refereert aan artikel 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 28 - zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van de wet van 16 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de politierechtbanken, van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 2006-08-05/59></span></span> - vastgesteld op 01-10-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 8)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 2° - zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen en voorzover het refereert aan artikel 37, § 2, tweede lid, en aan artikel 37, § 2, derde lid, eerste zin, luidende " In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur " van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade - vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 7, punt 4°, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°, van dezelfde wet van 8 april 1965 <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w"><W 1965-04-08/03></span></span>, vastgesteld op 02-04-2007 door KB 2007-02-25/38, art. 10)
Met het oog op de inwerkingtreding van artikel 7, 7°, van huidige wet, regelt een samenwerkingsakkoord tussen de Staat en de Gemeenschappen, zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, de modaliteiten inzake financiering en inwerkingstelling van de maatregelen bedoeld in de genoemde bepaling.
Art. 65 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
A l'exception du présent article, le Roi fixe la date de l'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi. [3 les dispositions dont l'entrée en vigueur n'a pas été déterminée par arrêté royal entrent en vigueur le 1er janvier 2018]3 [1 à l'exception de l'article 7, 2°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi de 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, qui entre en vigueur le 1er janvier 2011]1.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° à 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 et 51 fixée le 16-08-2006 par AR 2006-08-05/34, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 et 64 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 3 à l'exception du :
- point 2°, en tant qu'il fait référence au § 2, alinéa 1er, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° et 11° de l'article 37 de la loi, à l'alinéa 2 du § 2, de l'article 37 de la loi et a la 1re phrase de l'alinéa 3 du § 2 de l'article 37 de la loi, rédigée comme suit : " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 4°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, alinéa 1er, 3°, de la loi, rédigé comme suit : " participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 7°, d) et f))
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 22, - à l'exception du 2° - fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 1, 13, 20, 22, point 2°, 25, 5, 11 et 26 fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 4 et 5)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42, point 1° et 47 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 21 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7, en tant qu'il fait référence à l'article 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 et 6, de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé pour ce fait <L 1965-04-08/03>)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 28 - tel que modifié par l'article 3 de la loi du 5 août 2006 modifiant la loi du 16 juillet 1970 déterminant le cadre du personnel des tribunaux de police, la loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et la loi du 17 mai 2006 instaurant des tribunaux d'application des peines <L 2006-08-05/59> - fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 2°, tel que modifié par la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses et en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 2, et à l'article 37, § 2, alinéa 3, première phrase, rédigée comme suit " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. " de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait- fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 4° - en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, 1er alinéa, 3°, de la même loi du 8 avril 1965 <L 1965-04-08/03> - fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 10)
En vue de l'entrée en vigueur de l'article 7, 7°, de la présente loi, un accord de coopération entre l'Etat et les Communautés, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 des réformes institutionnelles, règle les modalités de financement et de la mise en oeuvre des mesures visées à ladite disposition.
A l'exception du présent article, le Roi fixe la date de l'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi. [3 les dispositions dont l'entrée en vigueur n'a pas été déterminée par arrêté royal entrent en vigueur le 1er janvier 2018]3 [1 à l'exception de l'article 7, 2°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi de 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, qui entre en vigueur le 1er janvier 2011]1.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 31, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 2° à 7°, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50 et 51 fixée le 16-08-2006 par AR 2006-08-05/34, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 27, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 et 64 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 2)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7 fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 3 à l'exception du :
- point 2°, en tant qu'il fait référence au § 2, alinéa 1er, 3°, 5°, 6°, 9°, 10° et 11° de l'article 37 de la loi, à l'alinéa 2 du § 2, de l'article 37 de la loi et a la 1re phrase de l'alinéa 3 du § 2 de l'article 37 de la loi, rédigée comme suit : " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 4°, en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, alinéa 1er, 3°, de la loi, rédigé comme suit : " participer à une offre restauratrice visée aux articles 37bis à 37quinquies. ";
- point 7°, d) et f))
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 22, - à l'exception du 2° - fixée le 16-10-2006 par AR 2006-09-28/31, art. 4)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 1, 13, 20, 22, point 2°, 25, 5, 11 et 26 fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 4 et 5)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42, point 1° et 47 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 6)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 21 fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7, en tant qu'il fait référence à l'article 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 et 6, de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé pour ce fait <L 1965-04-08/03>)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 28 - tel que modifié par l'article 3 de la loi du 5 août 2006 modifiant la loi du 16 juillet 1970 déterminant le cadre du personnel des tribunaux de police, la loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et la loi du 17 mai 2006 instaurant des tribunaux d'application des peines <L 2006-08-05/59> - fixée au 01-10-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 7)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 2°, tel que modifié par la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses et en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2, alinéa 2, et à l'article 37, § 2, alinéa 3, première phrase, rédigée comme suit " La préférence doit être donnée en premier lieu à une offre restauratrice, visée aux articles 37bis à 37quinquies. " de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait- fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 9)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 7, point 4° - en tant qu'il fait référence à l'article 37, § 2ter, 1er alinéa, 3°, de la même loi du 8 avril 1965 <L 1965-04-08/03> - fixée au 02-04-2007, par AR 2007-02-25/38, art. 10)
En vue de l'entrée en vigueur de l'article 7, 7°, de la présente loi, un accord de coopération entre l'Etat et les Communautés, visé à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 des réformes institutionnelles, règle les modalités de financement et de la mise en oeuvre des mesures visées à ladite disposition.