Artikel 1. <KB 2008-08-12/53, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2006; met uitzondering van wat betreft de verwijzing in artikel 12, § 2, b), van dit besluit, zoals vervangen bij KB 2008-08-12/53, naar artikel 13bis, § 2, 1° en 2°, van het koninklijk besluit nr. 38, dat uitwerking heeft met ingang van 01-01-2008> § 1. Dit besluit voert, in het kader van de bepalingen tot bevordering van de verzoening tussen het beroepsleven en het privé-leven van zelfstandigen, een sociale uitkering genaamd " moederschapshulp ", in.
§ 2. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :
a) " koninklijk besluit nr. 38 ", het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
b) " vrouwelijke zelfstandige ", elke vrouwelijke zelfstandige, helpster of meewerkende echtgenote onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen krachtens voornoemd koninklijk besluit nr. 38 [1 ...]1;
c) " dienstencheque ", het betaalmiddel bedoeld bij artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
d) " sociaal verzekeringsfonds ", de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen bedoeld in artikel 20 van voornoemd koninklijk besluit nr. 38;
e) " uitgiftebedrijf ", het uitgiftebedrijf bedoeld bij artikel 2, § 1, 2°; van de voornoemde wet van 20 juli 2001;
f) " erkende onderneming ", de onderneming bedoeld bij artikel 2, § 1, 6°, van de voornoemde wet van 20 juli 2001;
g) " Rijksinstituut ", het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, opgericht bij artikel 21 van voornoemde koninklijk besluit nr. 38;
h) " RVA ", de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.er van de prestaties tot bevordering van de verzoening tussen het beroepsleven en het privé-leven van zelfstandigen bedoeld in artikel 18, § 5 van koninklijk besluit nr. 38, een sociale uitkering genaamd " moederschapshulp ", in.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
17 JANUARI 2006. - [Het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques] <KB2019-12-15/02, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-05-2019> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-01-2006 en tekstbijwerking tot 06-10-2023)
Titre
17 JANVIER 2006. - [Arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services] <AR2019-12-15/02, art. 11, 009; En vigueur : 01-05-2019> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-01-2006 et mise à jour au 06-10-2023)
Dokumentinformationen
Numac: 2006022093
Datum: 2006-01-17
Info du document
Numac: 2006022093
Date: 2006-01-17
Tekst (12)
Texte (12)
Article 1. <AR 2008-08-12/53, art. 1, 003; En vigueur : 01-01-2006; sauf pour ce qui concerne la référence dans l'article 12, § 2, b), du présent arrêté, comme remplacé par AR 2008-08-12/53, à l'article 13bis, § 2, 1° et 2°, de l'arrêté royal n° 38, qui produit ses effets le 01-01-2008> § 1er. Le présent arrêté instaure, dans le cadre des dispositions favorisant la conciliation entre la vie professionnelle et la vie privée des travailleurs indépendants, une prestation sociale nommée " aide à la maternité ".
§ 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
a) " arrêté royal n° 38 ", l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
b) " travailleuse indépendante ", toute travailleuse indépendante, aidante ou conjointe-aidante assujettie au statut social des travailleurs indépendants en vertu de l'arrêté royal n° 38 précité [1 ...]1;
c) " titre-service ", le titre de paiement visé à l'article 2, § 1er, 1°, de la loi visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité du 20 juillet 2001;
d) " caisse d'assurances sociales ", les caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visées à l'article 20 de l'arrêté royal n° 38 précité;
e) " société émettrice ", la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 susvisée;
f) " entreprise agréée ", l'entreprise visée à l'article 2, § 1er, 6°, de la loi du 20 juillet 2001 susvisée. ";
g) " Institut national ", l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, créé par l'article 21 de l'arrêté royal n° 38 précité;
h) " ONEm ", l'Office national de l'Emploi, visé à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
§ 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
a) " arrêté royal n° 38 ", l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
b) " travailleuse indépendante ", toute travailleuse indépendante, aidante ou conjointe-aidante assujettie au statut social des travailleurs indépendants en vertu de l'arrêté royal n° 38 précité [1 ...]1;
c) " titre-service ", le titre de paiement visé à l'article 2, § 1er, 1°, de la loi visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité du 20 juillet 2001;
d) " caisse d'assurances sociales ", les caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visées à l'article 20 de l'arrêté royal n° 38 précité;
e) " société émettrice ", la société émettrice visée à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 20 juillet 2001 susvisée;
f) " entreprise agréée ", l'entreprise visée à l'article 2, § 1er, 6°, de la loi du 20 juillet 2001 susvisée. ";
g) " Institut national ", l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, créé par l'article 21 de l'arrêté royal n° 38 précité;
h) " ONEm ", l'Office national de l'Emploi, visé à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Änderungen
Art.2. De moederschapshulp bestaat uit de toekenning aan de vrouwelijke zelfstandige, met inachtneming van de voorwaarden vastgesteld bij dit besluit, van (105) dienstencheques waarvan de aankoopprijs ten laste wordt genomen door het sociaal verzekeringsfonds waarbij ze is aangesloten. <KB 2007-05-03/52, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-05-2007>
Art.2. L'aide à la maternité consiste en l'octroi à la travailleuse indépendante, dans le respect des conditions fixées par le présent arrêté, de (105) titres-services dont le prix d'acquisition est pris en charge par la caisse d'assurances sociales à laquelle elle est affiliée. <AR 2007-05-03/52, art. 1, 002; En vigueur : 01-05-2007>
Art.3. De moederschapschulp wordt toegekend aan de vrouwelijke zelfstandige ter gelegenheid van de geboorte van haar kind of kinderen, [2 wanneer genoemde vrouwelijke zelfstandige een beroepsactiviteit herneemt]2 en beantwoordt aan de volgende voorwaarden :
1° [3 Naar aanleiding van de geboorte van dat kind of die kinderen vervult zij de voorwaarden bepaald in de artikelen 14 tot 18 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten]3;
2° [2 De hernomen activiteit is een beroepsactiviteit als zelfstandige of een beroepsactiviteit die beantwoordt aan de voorwaarden vermeld in artikel 35, § 1, a), eerste lid of b), eerste lid, of § 3, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen]2;
3° [3 In geval van herneming van een zelfstandige activiteit, moet zij onderworpen blijven aan het koninklijk besluit nr. 38 tot de toekenning van de hulp bedoeld in artikel 4. In geval van herneming van een niet-zelfstandige activiteit, moet zij de niet-zelfstandige activiteit uitoefenen tot de toekenning van de hulp bedoeld in artikel 4.]3
4° [3 ...]3
Bovendien moet de pasgeborene geboren zijn vanaf 1 januari 2006 en het voorwerp uitmaken van een inschrijving in het Belgisch rijksregister der natuurlijke personen in het gezin van zijn moeder na zijn geboorte tot de toekenning van de moederschapshulp zoals voorzien in artikel 4.
Indien het kind overlijdt, volstaat het feit dat het ingeschreven was in het gezin van zijn moeder om aan deze voorwaarde te voldoen. [4 De voorwaarde inzake de hoofdverblijfplaats van het kind is niet van toepassing wanneer het kind levenloos wordt geboren of kort na de geboorte overlijdt.]4
[4 Wanneer de vrouwelijke zelfstandige bevalt van een levenloos kind, kan de moederschapshulp slechts worden toegekend, op voorwaarde dat de zwangerschap minimaal honderdtachtig dagen heeft geduurd te rekenen van de verwekking.]4
1° [3 Naar aanleiding van de geboorte van dat kind of die kinderen vervult zij de voorwaarden bepaald in de artikelen 14 tot 18 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten]3;
2° [2 De hernomen activiteit is een beroepsactiviteit als zelfstandige of een beroepsactiviteit die beantwoordt aan de voorwaarden vermeld in artikel 35, § 1, a), eerste lid of b), eerste lid, of § 3, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen]2;
3° [3 In geval van herneming van een zelfstandige activiteit, moet zij onderworpen blijven aan het koninklijk besluit nr. 38 tot de toekenning van de hulp bedoeld in artikel 4. In geval van herneming van een niet-zelfstandige activiteit, moet zij de niet-zelfstandige activiteit uitoefenen tot de toekenning van de hulp bedoeld in artikel 4.]3
4° [3 ...]3
Bovendien moet de pasgeborene geboren zijn vanaf 1 januari 2006 en het voorwerp uitmaken van een inschrijving in het Belgisch rijksregister der natuurlijke personen in het gezin van zijn moeder na zijn geboorte tot de toekenning van de moederschapshulp zoals voorzien in artikel 4.
Indien het kind overlijdt, volstaat het feit dat het ingeschreven was in het gezin van zijn moeder om aan deze voorwaarde te voldoen. [4 De voorwaarde inzake de hoofdverblijfplaats van het kind is niet van toepassing wanneer het kind levenloos wordt geboren of kort na de geboorte overlijdt.]4
[4 Wanneer de vrouwelijke zelfstandige bevalt van een levenloos kind, kan de moederschapshulp slechts worden toegekend, op voorwaarde dat de zwangerschap minimaal honderdtachtig dagen heeft geduurd te rekenen van de verwekking.]4
Art.3. L'aide à la maternité est octroyée à la travailleuse indépendante, à l'occasion de la naissance de son ou ses enfants, [2 lorsque ladite travailleuse indépendante reprend une activité professionnelle]2 et répond aux conditions suivantes :
1° [3 Suite à l'accouchement de cet ou ces enfants, elle remplit les conditions fixées aux articles 14 à 18 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants]3;
2° [2 L'activité reprise est une activité professionnelle comme travailleuse indépendante ou une activité professionnelle qui répond aux conditions mentionnées à l'article 35, § 1er, a), alinéa 1er ou b), alinéa 1er, ou § 3, de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants]2;
3° [3 En cas de reprise d'une activité indépendante, elle doit demeurer assujettie à l'arrêté royal n° 38 jusqu'à l'octroi de l'aide visée à l'article 4. En cas de reprise d'une activité professionnelle non indépendante, elle doit exercer cette activité non indépendante jusqu'à l'octroi de l'aide visée à l'article 4.]3
4° [3 ...]3
Par ailleurs, le nouveau-né doit être né à partir du 1er janvier 2006 et faire l'objet d'une inscription au registre national belge des personnes physiques dans le ménage de sa mère après sa naissance et jusqu'à l'octroi de l'aide à la maternité telle que prévue à l'article 4.
En cas de décès de l'enfant, le fait d'avoir été inscrit dans le ménage de sa mère suffit pour remplir cette condition. [4 La condition relative à la résidence principale n'est pas applicable lorsque l'enfant est mort-né ou décède peu après la naissance. ]4
[4 Lorsque la travailleuse indépendante accouche d'un enfant sans vie, l'aide à la maternité ne peut être octroyée que pour autant que la grossesse ait duré un minimum de cent-quatre-vingts jours à dater de la conception.]4
1° [3 Suite à l'accouchement de cet ou ces enfants, elle remplit les conditions fixées aux articles 14 à 18 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants]3;
2° [2 L'activité reprise est une activité professionnelle comme travailleuse indépendante ou une activité professionnelle qui répond aux conditions mentionnées à l'article 35, § 1er, a), alinéa 1er ou b), alinéa 1er, ou § 3, de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants]2;
3° [3 En cas de reprise d'une activité indépendante, elle doit demeurer assujettie à l'arrêté royal n° 38 jusqu'à l'octroi de l'aide visée à l'article 4. En cas de reprise d'une activité professionnelle non indépendante, elle doit exercer cette activité non indépendante jusqu'à l'octroi de l'aide visée à l'article 4.]3
4° [3 ...]3
Par ailleurs, le nouveau-né doit être né à partir du 1er janvier 2006 et faire l'objet d'une inscription au registre national belge des personnes physiques dans le ménage de sa mère après sa naissance et jusqu'à l'octroi de l'aide à la maternité telle que prévue à l'article 4.
En cas de décès de l'enfant, le fait d'avoir été inscrit dans le ménage de sa mère suffit pour remplir cette condition. [4 La condition relative à la résidence principale n'est pas applicable lorsque l'enfant est mort-né ou décède peu après la naissance. ]4
[4 Lorsque la travailleuse indépendante accouche d'un enfant sans vie, l'aide à la maternité ne peut être octroyée que pour autant que la grossesse ait duré un minimum de cent-quatre-vingts jours à dater de la conception.]4
Art.4. § 1. [3 ...]3
§ 2. [3 Van zodra het beschikt over de informatie van de inschrijving van het kind of de kinderen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in het Rijksregister der natuurlijke personen, verifieert het sociaal verzekeringsfonds de voorwaarde bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, en, indien deze voorwaarde vervuld is, nodigt het de vrouwelijke zelfstandige op eigen initiatief uit om :
1° schriftelijk te bevestigen dat zij de moederschapshulp wenst te genieten;
2° in bevestigend geval en enkel wanneer het sociaal verzekeringsfonds zelf niet over de vereiste informatie beschikt, haar gebruikersnummer bij het uitgiftebedrijf mee te delen, indien zij over dergelijk nummer beschikt, of bij gebrek hieraan, het daartoe ontworpen inschrijvingsformulier in te vullen en het behoorlijk ingevuld en ondertekend terug te zenden.]3
§ 3. [3 In het geval dat de voorwaarde beschreven in artikel 3, eerste lid, 1°, vervuld is, en het sociaal verzekeringsfonds over de informatie bedoeld in de vorige paragraaf beschikt, bezorgt het sociaal verzekeringsfonds het uitgiftebedrijf een attest genaamd "attest van begunstigde van de moederschapshulp" waarop wordt vermeld dat de vrouwelijke zelfstandige het recht opent op de moederschapshulp, weliswaar onder voorbehoud van het vervullen van de voorwaarden bedoeld in dit besluit.]3
Het attest moet het gebruikersnummer bij het uitgiftebedrijf vermelden of moet, in voorkomend geval, vergezeld zijn van de aanvraag tot inschrijving.
[1 Derde lid opgeheven]1.
Het sociaal verzekeringsfonds bezorgt een afschrift van dit " attest van begunstigde van moederschapshulp " aan de [3 vrouwelijke zelfstandige]3.
[1 Het in het eerste lid bedoelde attest moet worden bezorgd zodra de in artikel 4, § 2, bedoelde documenten ontvangen zijn, en ten laatste binnen een termijn van 15 dagen vanaf deze ontvangst. Het attest mag evenwel niet worden bezorgd voor de inschrijving van het kind in het Belgisch rijksregister der natuurlijke personen in het gezin van de vrouwelijke zelfstandige.]1
§ 4. Bij ontvangst van het attest van begunstigde van moederschapshulp gaat het uitgiftebedrijf desgevallend over tot de inschrijving van de vrouwelijke zelfstandige.
Het uitgiftebedrijf bevestigt aan het fonds dat het dossier volledig is en vraagt het fonds om over te gaan tot de betaling van het verschuldigde bedrag voor de aankoop van de dienstencheques die na betaling ervan aan de aangeslotene zullen worden bezorgd.
§ 5. [1 Het sociaal verzekeringsfonds gaat over tot de uitbetaling van de aankoopprijs van de 105 dienstencheques ten vroegste de dag na de bevalling, mits de voorwaarden en formaliteiten van artikel 3 en dit artikel worden nageleefd.]1
In de termijn bedoeld in artikel 4, eerste lid van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, bezorgt het uitgiftebedrijf de (105) dienstencheques aan de vrouwelijke zelfstandige. <KB 2007-05-03/52, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-05-2007>
§ 6. [3 ...]3
§ 2. [3 Van zodra het beschikt over de informatie van de inschrijving van het kind of de kinderen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in het Rijksregister der natuurlijke personen, verifieert het sociaal verzekeringsfonds de voorwaarde bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, en, indien deze voorwaarde vervuld is, nodigt het de vrouwelijke zelfstandige op eigen initiatief uit om :
1° schriftelijk te bevestigen dat zij de moederschapshulp wenst te genieten;
2° in bevestigend geval en enkel wanneer het sociaal verzekeringsfonds zelf niet over de vereiste informatie beschikt, haar gebruikersnummer bij het uitgiftebedrijf mee te delen, indien zij over dergelijk nummer beschikt, of bij gebrek hieraan, het daartoe ontworpen inschrijvingsformulier in te vullen en het behoorlijk ingevuld en ondertekend terug te zenden.]3
§ 3. [3 In het geval dat de voorwaarde beschreven in artikel 3, eerste lid, 1°, vervuld is, en het sociaal verzekeringsfonds over de informatie bedoeld in de vorige paragraaf beschikt, bezorgt het sociaal verzekeringsfonds het uitgiftebedrijf een attest genaamd "attest van begunstigde van de moederschapshulp" waarop wordt vermeld dat de vrouwelijke zelfstandige het recht opent op de moederschapshulp, weliswaar onder voorbehoud van het vervullen van de voorwaarden bedoeld in dit besluit.]3
Het attest moet het gebruikersnummer bij het uitgiftebedrijf vermelden of moet, in voorkomend geval, vergezeld zijn van de aanvraag tot inschrijving.
[1 Derde lid opgeheven]1.
Het sociaal verzekeringsfonds bezorgt een afschrift van dit " attest van begunstigde van moederschapshulp " aan de [3 vrouwelijke zelfstandige]3.
[1 Het in het eerste lid bedoelde attest moet worden bezorgd zodra de in artikel 4, § 2, bedoelde documenten ontvangen zijn, en ten laatste binnen een termijn van 15 dagen vanaf deze ontvangst. Het attest mag evenwel niet worden bezorgd voor de inschrijving van het kind in het Belgisch rijksregister der natuurlijke personen in het gezin van de vrouwelijke zelfstandige.]1
§ 4. Bij ontvangst van het attest van begunstigde van moederschapshulp gaat het uitgiftebedrijf desgevallend over tot de inschrijving van de vrouwelijke zelfstandige.
Het uitgiftebedrijf bevestigt aan het fonds dat het dossier volledig is en vraagt het fonds om over te gaan tot de betaling van het verschuldigde bedrag voor de aankoop van de dienstencheques die na betaling ervan aan de aangeslotene zullen worden bezorgd.
§ 5. [1 Het sociaal verzekeringsfonds gaat over tot de uitbetaling van de aankoopprijs van de 105 dienstencheques ten vroegste de dag na de bevalling, mits de voorwaarden en formaliteiten van artikel 3 en dit artikel worden nageleefd.]1
In de termijn bedoeld in artikel 4, eerste lid van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, bezorgt het uitgiftebedrijf de (105) dienstencheques aan de vrouwelijke zelfstandige. <KB 2007-05-03/52, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-05-2007>
§ 6. [3 ...]3
Art.4. § 1er. [3 ...]3
§ 2. [3 Dès qu'elle dispose de l'information de l'inscription de l'enfant ou des enfants, visés à l'article 3, alinéa 1er, au Registre national des personnes physiques, la caisse d'assurances sociales vérifie la condition visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, et, si cette condition est remplie, invite la travailleuse indépendante, de sa propre initiative, à :
1° confirmer par écrit qu'elle souhaite bénéficier de l'aide à la maternité;
2° dans l'affirmative et uniquement lorsque la caisse d'assurances sociales ne dispose pas elle-même de ces informations lui communiquer son numéro d'utilisatrice auprès de la société émettrice si elle dispose d'un tel numéro ou, à défaut, compléter le formulaire d'inscription prévu à cet effet et le lui retourner dûment complété et signé.]3
§ 3. [3 Dès que la condition décrite à l'article 3, alinéa 1er, 1°, est respectée, et que la caisse d'assurances sociales dispose des informations visées au paragraphe précédent, elle transmet à la société émettrice une attestation dénommée " attestation de bénéficiaire de l'aide à la maternité " indiquant que la travailleuse indépendante ouvre le droit à l'aide à la maternité, sous réserve toutefois du respect des conditions visées dans le présent arrêté.]3
L'attestation doit mentionner le numéro d'utilisatrice auprès de la société émettrice ou, le cas échéant, doit être accompagnée de la demande d'inscription.
[1 Alinéa 3 suprimé]1.
La caisse d'assurances sociales transmet une copie de cette " attestation de bénéficiaire de l'aide à la maternité " à la [3 travailleuse indépendante]3.
[1 L'attestation visée à l'alinéa 1er doit être transmise dès réception des documents visés à l'article 4, § 2, et au plus tard dans un délai de 15 jours de ladite réception, mais ne peut toutefois pas être transmise avant l'inscription de l'enfant au registre national belge des personnes physiques dans le ménage de la travailleuse indépendante.]1
§ 4. Dès réception de l'attestation de bénéficiaire de l'aide à la maternité, la société émettrice procède, le cas échéant, à l'inscription de la travailleuse indépendante.
La société émettrice confirme à la caisse que le dossier est complet et l'invite à lui payer le montant dû pour l'achat des titres-services qui seront remis à son affiliée après paiement.
§ 5. [1 La caisse d'assurances sociales procède au paiement du prix d'achat des 105 titres-services, au plus tôt le lendemain de l'accouchement, sous réserve du respect des conditions et formalités de l'article 3 et du présent article.]1
Dans le délai visé à l'article 4, alinéa 1er de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, la société émettrice délivre les (105) titres-services à la travailleuse indépendante. <AR 2007-05-03/52, art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2007>
§ 6. [3 ...]3
§ 2. [3 Dès qu'elle dispose de l'information de l'inscription de l'enfant ou des enfants, visés à l'article 3, alinéa 1er, au Registre national des personnes physiques, la caisse d'assurances sociales vérifie la condition visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, et, si cette condition est remplie, invite la travailleuse indépendante, de sa propre initiative, à :
1° confirmer par écrit qu'elle souhaite bénéficier de l'aide à la maternité;
2° dans l'affirmative et uniquement lorsque la caisse d'assurances sociales ne dispose pas elle-même de ces informations lui communiquer son numéro d'utilisatrice auprès de la société émettrice si elle dispose d'un tel numéro ou, à défaut, compléter le formulaire d'inscription prévu à cet effet et le lui retourner dûment complété et signé.]3
§ 3. [3 Dès que la condition décrite à l'article 3, alinéa 1er, 1°, est respectée, et que la caisse d'assurances sociales dispose des informations visées au paragraphe précédent, elle transmet à la société émettrice une attestation dénommée " attestation de bénéficiaire de l'aide à la maternité " indiquant que la travailleuse indépendante ouvre le droit à l'aide à la maternité, sous réserve toutefois du respect des conditions visées dans le présent arrêté.]3
L'attestation doit mentionner le numéro d'utilisatrice auprès de la société émettrice ou, le cas échéant, doit être accompagnée de la demande d'inscription.
[1 Alinéa 3 suprimé]1.
La caisse d'assurances sociales transmet une copie de cette " attestation de bénéficiaire de l'aide à la maternité " à la [3 travailleuse indépendante]3.
[1 L'attestation visée à l'alinéa 1er doit être transmise dès réception des documents visés à l'article 4, § 2, et au plus tard dans un délai de 15 jours de ladite réception, mais ne peut toutefois pas être transmise avant l'inscription de l'enfant au registre national belge des personnes physiques dans le ménage de la travailleuse indépendante.]1
§ 4. Dès réception de l'attestation de bénéficiaire de l'aide à la maternité, la société émettrice procède, le cas échéant, à l'inscription de la travailleuse indépendante.
La société émettrice confirme à la caisse que le dossier est complet et l'invite à lui payer le montant dû pour l'achat des titres-services qui seront remis à son affiliée après paiement.
§ 5. [1 La caisse d'assurances sociales procède au paiement du prix d'achat des 105 titres-services, au plus tôt le lendemain de l'accouchement, sous réserve du respect des conditions et formalités de l'article 3 et du présent article.]1
Dans le délai visé à l'article 4, alinéa 1er de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, la société émettrice délivre les (105) titres-services à la travailleuse indépendante. <AR 2007-05-03/52, art. 2, 002; En vigueur : 01-05-2007>
§ 6. [3 ...]3
Art.5. § 1. Indien het sociaal verzekeringsfonds vaststelt dat zij het " attest van begunstigde van moederschapshulp " overeenkomstig artikel 4, § 3, eerste alinea van onderhavig besluit niet kan afleveren of niet had mogen, omdat de vrouwelijke zelfstandige niet beantwoordt aan de voorwaarden opgelegd door deze bepaling om te kunnen genieten van de moederschapshulp, laat het sociaal verzekeringsfonds haar via een ter post aangetekend schrijven de met redenen omklede beslissing tot weigering weten.
Deze kennisgeving moet vermelden dat een beroep tegen voornoemde beslissing kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank van de woonplaats van de (vrouwelijke zelfstandige). Dit beroep moet ingediend worden binnen een termijn van 3 maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering van de toekenning van de moederschapschulp. <KB 2008-08-12/53, art. 4, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Het sociaal verzekeringsfonds deelt het uitgiftebedrijf deze beslissing mee, indien laatstgenoemde het in artikel 4, § 3, bedoelde attest reeds heeft ontvangen.
§ 2. Indien de (vrouwelijke zelfstandige) de moederschapshulp niet mocht genieten, terwijl ze de dienstencheques in het kader van voornoemde hulp reeds heeft verkregen, moet de vrouwelijke zelfstandige aan het sociaal verzekeringsfonds de tussenkomst van het fonds voor de aankoopprijs van de aldus verkregen dienstencheques terugbetalen. <KB 2008-08-12/53, art. 4, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Indien de ten onrechte toegekende dienstencheques door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen werd bekomen moet de vrouwelijke zelfstandige aan het sociaalverzekeringsfonds 19,52 euro per aldus verkregen dienstencheque terugbetalen
De aldus teruggevorderde bedragen dienen te worden verrekend met de bedragen bedoeld in artikel 51, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 zoals aangevuld in artikel 8 van dit besluit.
De terugvordering verjaart door verloop van 5 jaar te rekenen vanaf de uitgifte van toegekende dienstencheques.
In geval van terugbetaling door de vrouwelijke zelfstandige, deelt het sociaal verzekeringsfonds dit aan het uitgiftebedrijf mee.
§ 3. In geval van niet-terugvordering van de onverschuldigde bedragen bedoeld in § 2, wanneer de niet-terugvordering voortvloeit uit een nalatigheid of bedrog van het sociaal verzekeringsfonds, wordt dit fonds aansprakelijk gesteld bij beslissing van de [2 minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]2 en worden de niet-teruggevorderde bedragen ten laste gelegd van de opbrengst van de bijdragen bestemd voor het dekken van de administratiekosten van het fonds.
§ 4. De vordering tot betaling van de dienstencheques, bedoeld in artikel 4, § 5, van dit besluit, verjaart na vijf jaar.
De termijn van vijf jaar vangt aan [1 de eerste dag na de bevalling van de zelfstandige]1.
(1)<KB 2009-01-11/42, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009; zie ook art. 5>
(2)<KB 2019-06-23/15, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2019> <KB 2019-06-23/16, art. 30, 010; Inwerkingtreding : 01-04-2019>
Deze kennisgeving moet vermelden dat een beroep tegen voornoemde beslissing kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank van de woonplaats van de (vrouwelijke zelfstandige). Dit beroep moet ingediend worden binnen een termijn van 3 maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering van de toekenning van de moederschapschulp. <KB 2008-08-12/53, art. 4, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Het sociaal verzekeringsfonds deelt het uitgiftebedrijf deze beslissing mee, indien laatstgenoemde het in artikel 4, § 3, bedoelde attest reeds heeft ontvangen.
§ 2. Indien de (vrouwelijke zelfstandige) de moederschapshulp niet mocht genieten, terwijl ze de dienstencheques in het kader van voornoemde hulp reeds heeft verkregen, moet de vrouwelijke zelfstandige aan het sociaal verzekeringsfonds de tussenkomst van het fonds voor de aankoopprijs van de aldus verkregen dienstencheques terugbetalen. <KB 2008-08-12/53, art. 4, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Indien de ten onrechte toegekende dienstencheques door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen werd bekomen moet de vrouwelijke zelfstandige aan het sociaalverzekeringsfonds 19,52 euro per aldus verkregen dienstencheque terugbetalen
De aldus teruggevorderde bedragen dienen te worden verrekend met de bedragen bedoeld in artikel 51, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 zoals aangevuld in artikel 8 van dit besluit.
De terugvordering verjaart door verloop van 5 jaar te rekenen vanaf de uitgifte van toegekende dienstencheques.
In geval van terugbetaling door de vrouwelijke zelfstandige, deelt het sociaal verzekeringsfonds dit aan het uitgiftebedrijf mee.
§ 3. In geval van niet-terugvordering van de onverschuldigde bedragen bedoeld in § 2, wanneer de niet-terugvordering voortvloeit uit een nalatigheid of bedrog van het sociaal verzekeringsfonds, wordt dit fonds aansprakelijk gesteld bij beslissing van de [2 minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]2 en worden de niet-teruggevorderde bedragen ten laste gelegd van de opbrengst van de bijdragen bestemd voor het dekken van de administratiekosten van het fonds.
§ 4. De vordering tot betaling van de dienstencheques, bedoeld in artikel 4, § 5, van dit besluit, verjaart na vijf jaar.
De termijn van vijf jaar vangt aan [1 de eerste dag na de bevalling van de zelfstandige]1.
(1)<KB 2009-01-11/42, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009; zie ook art. 5>
(2)<KB 2019-06-23/15, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2019> <KB 2019-06-23/16, art. 30, 010; Inwerkingtreding : 01-04-2019>
Art.5. § 1er. Si la caisse d'assurances sociales constate qu'elle ne peut ou n'aurait pas dû délivrer une " attestation de bénéficiaire de l'aide à la maternité " conformément à l'article 4, § 3, alinéa 1er, du présent arrêté dans la mesure où la travailleuse indépendante ne remplit pas les conditions visées par cette disposition pour bénéficier de l'aide à la maternité, elle lui notifie sa décision motivée de refus par lettre recommandée.
Cette notification doit mentionner la possibilité d'un recours contre cette décision devant le tribunal du travail du domicile de (la travailleuse indépendante). Ce recours doit être introduit dans un délai de 3 mois à compter de la date de notification de la décision de refus d'octroi de l'aide à la maternité. <AR 2008-08-12/53, art. 4, 1° 003; En vigueur : 01-01-2006>
La caisse informe la société émettrice de cette décision dans le cas où celle-ci aurait déjà reçu l'attestation visée à l'article 4, § 3.
§ 2. Si (la travailleuse indépendante) ne pouvait bénéficier de l'aide à la maternité alors qu'elle a déjà obtenu des titres-services dans le cadre de cette aide, la travailleuse indépendante est tenue de rembourser à la caisse d'assurances sociales l'intervention de celle-ci dans le coût d'achat des titres-services qu'elle a ainsi obtenus. <AR 2008-08-12/53, art. 4, 2°, 003; En vigueur : 01-01-2006>
Si les titres-services octroyés indûment ont été obtenus à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, la travailleuse indépendante est tenue de rembourser 19,52 euros par titre-service ainsi obtenu.
Les montants ainsi remboursés doivent être imputés sur les sommes visées à l'article 51, § 1er alinéa 1er, de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38, tel que complété à l'article 8 du présent arrêté.
L'action en répétition d'indu se prescrit par 5 ans à partir de la délivrance des titres-services octroyés.
En cas de remboursement par la travailleuse indépendante, la caisse d'assurances sociales en informe la société émettrice.
§ 3. En cas de non récupération des montants indus visés au paragraphe 2, si la non récupération résulte d'une négligence ou d'une fraude de la caisse d'assurances sociales, cette caisse est déclarée responsable par décision du [2 ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]2 et les sommes non récupérées sont mises à charge du produit des cotisations destinées à couvrir les frais d'administration de la caisse.
§ 4. L'action en paiement des titres services visés à l'article 4, § 5, du présent arrêté se prescrit par cinq ans.
Le délai de cinq ans prend cours [1 le lendemain de l'accouchement de la travailleuse indépendante]1.
(1)<AR 2009-01-11/42, art. 3, 004; En vigueur : 01-01-2009; voir également l'art. 5>
(2)<AR 2019-06-23/15, art. 30, 008; En vigueur : 01-04-2019> <AR 2019-06-23/16, art. 30, 010; En vigueur : 01-04-2019>
Cette notification doit mentionner la possibilité d'un recours contre cette décision devant le tribunal du travail du domicile de (la travailleuse indépendante). Ce recours doit être introduit dans un délai de 3 mois à compter de la date de notification de la décision de refus d'octroi de l'aide à la maternité. <AR 2008-08-12/53, art. 4, 1° 003; En vigueur : 01-01-2006>
La caisse informe la société émettrice de cette décision dans le cas où celle-ci aurait déjà reçu l'attestation visée à l'article 4, § 3.
§ 2. Si (la travailleuse indépendante) ne pouvait bénéficier de l'aide à la maternité alors qu'elle a déjà obtenu des titres-services dans le cadre de cette aide, la travailleuse indépendante est tenue de rembourser à la caisse d'assurances sociales l'intervention de celle-ci dans le coût d'achat des titres-services qu'elle a ainsi obtenus. <AR 2008-08-12/53, art. 4, 2°, 003; En vigueur : 01-01-2006>
Si les titres-services octroyés indûment ont été obtenus à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, la travailleuse indépendante est tenue de rembourser 19,52 euros par titre-service ainsi obtenu.
Les montants ainsi remboursés doivent être imputés sur les sommes visées à l'article 51, § 1er alinéa 1er, de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38, tel que complété à l'article 8 du présent arrêté.
L'action en répétition d'indu se prescrit par 5 ans à partir de la délivrance des titres-services octroyés.
En cas de remboursement par la travailleuse indépendante, la caisse d'assurances sociales en informe la société émettrice.
§ 3. En cas de non récupération des montants indus visés au paragraphe 2, si la non récupération résulte d'une négligence ou d'une fraude de la caisse d'assurances sociales, cette caisse est déclarée responsable par décision du [2 ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]2 et les sommes non récupérées sont mises à charge du produit des cotisations destinées à couvrir les frais d'administration de la caisse.
§ 4. L'action en paiement des titres services visés à l'article 4, § 5, du présent arrêté se prescrit par cinq ans.
Le délai de cinq ans prend cours [1 le lendemain de l'accouchement de la travailleuse indépendante]1.
(1)<AR 2009-01-11/42, art. 3, 004; En vigueur : 01-01-2009; voir également l'art. 5>
(2)<AR 2019-06-23/15, art. 30, 008; En vigueur : 01-04-2019> <AR 2019-06-23/16, art. 30, 010; En vigueur : 01-04-2019>
Art.6. In artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 maart 2004 en 10 november 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
" In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gebeurt de overschrijving of storting bedoeld in het eerste lid door het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, § 2, d), van het voornoemde besluit van 17 januari 2006. ";
2° § 3, eerste lid, wordt aangevuld als volgt :
" In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kunnen de gebruikers evenwel bij het uitgiftebedrijf geen terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt. ";
3° § 3, derde lid, wordt aangevuld als volgt :
" In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kan de gebruiker geen terugbetaling vragen van verloren dienstencheques (verlies of diefstal). "
1° § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
" In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gebeurt de overschrijving of storting bedoeld in het eerste lid door het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, § 2, d), van het voornoemde besluit van 17 januari 2006. ";
2° § 3, eerste lid, wordt aangevuld als volgt :
" In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kunnen de gebruikers evenwel bij het uitgiftebedrijf geen terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt. ";
3° § 3, derde lid, wordt aangevuld als volgt :
" In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kan de gebruiker geen terugbetaling vragen van verloren dienstencheques (verlies of diefstal). "
Art.6. A l'article 3 de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, modifié par les arrêtés royaux des 31 mars 2004 et 10 novembre 2004, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, le virement ou le versement visés à l'alinéa 1er se fait par la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé. ";
2° le § 3, alinéa 1er, est complété comme suit :
" Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, les utilisateurs ne peuvent toutefois pas demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés. ";
3° le § 3, alinéa 3, est complété comme suit :
" Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, l'utilisateur ne peut pas demander le remboursement des titres-services perdus (perte ou vol). "
1° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, le virement ou le versement visés à l'alinéa 1er se fait par la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé. ";
2° le § 3, alinéa 1er, est complété comme suit :
" Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, les utilisateurs ne peuvent toutefois pas demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés. ";
3° le § 3, alinéa 3, est complété comme suit :
" Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, l'utilisateur ne peut pas demander le remboursement des titres-services perdus (perte ou vol). "
Art.7. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende lid :
" In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 maakt het uitgiftebedrijf geen fiscaal attest over aan de gebruiker ".
" In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 maakt het uitgiftebedrijf geen fiscaal attest over aan de gebruiker ".
Art.7. L'article 9 du même arrêté est complété par l'alinéa suivant :
" Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, la société émettrice n'envoie pas une attestation fiscale à l'utilisateur ".
" Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, la société émettrice n'envoie pas une attestation fiscale à l'utilisateur ".
Art.8. In artikel 51, § 1 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 worden de woorden " de uitkeringen voor moederschapshulp " ingevoegd tussen de woorden " de uitkeringen van de sociale verzekering in geval van faillissement " en " wanneer deze betaling binnen vijf dagen dient te geschieden ".
Art.8. A l'article 51, § 1er de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement en exécution de l'arrêté royal n°38, les mots " des prestations d'aide à la maternité " sont insérés entre les mots " des prestations de l'assurance sociale en cas de faillite " et " lorsque ce paiement doit intervenir dans les cinq jours ".
Art.9. De RVA deelt in de loop van de maand die volgt op elk kwartaal en voor de eerste maal tijdens de maand april 2006, aan het Rijksinstituut mee hoeveel dienstencheques er in de loop van het voorgaande kwartaal aan een erkende onderneming betaald zijn in het kader van de moederschapshulp.
Op basis van het aantal dienstencheques dat wordt meegedeeld, stort het Rijksinstituut aan de RVA een bedrag van 4,29 euro per aan een erkende onderneming betaalde dienstencheque, zonder per jaar het bedrag voorzien bij artikel 66, § 3sexies, eerste lid, van de programmawet van 2 januari 2001 evenwel te mogen overschrijden.
In de loop van de maand januari 2006 stort het Rijksinstituut aan de RVA een eenmalig bedrag van 375 duizend euro. Dit bedrag maakt deel uit van het bedrag voorzien bij artikel 66, § 3sexies, eerste lid, van de programmawet van 2 januari 2001 voor het jaar 2006. Dit eenmalig bedrag dekt onder meer de kost van de aanpassingen van het informaticasysteem die het uitgiftebedrijf moet uitvoeren.
Op basis van het aantal dienstencheques dat wordt meegedeeld, stort het Rijksinstituut aan de RVA een bedrag van 4,29 euro per aan een erkende onderneming betaalde dienstencheque, zonder per jaar het bedrag voorzien bij artikel 66, § 3sexies, eerste lid, van de programmawet van 2 januari 2001 evenwel te mogen overschrijden.
In de loop van de maand januari 2006 stort het Rijksinstituut aan de RVA een eenmalig bedrag van 375 duizend euro. Dit bedrag maakt deel uit van het bedrag voorzien bij artikel 66, § 3sexies, eerste lid, van de programmawet van 2 januari 2001 voor het jaar 2006. Dit eenmalig bedrag dekt onder meer de kost van de aanpassingen van het informaticasysteem die het uitgiftebedrijf moet uitvoeren.
Art.9. L'ONEm communique à l'Institut national au cours du mois qui suit chaque trimestre et, pour la première fois, au cours du mois d'avril 2006, le nombre de titres-services qui ont été payés à une entreprise agréée dans le cadre de l'aide à la maternité au cours du trimestre qui précède.
Sur base du nombre de titres-services communiqué, l'Institut national verse à l'ONEm un montant de 4,29 euros par titre-service payé à une entreprise agréée, sans toutefois pouvoir dépasser par année le montant prévu par l'article 66, § 3sexies, alinéa 1er de la loi programme du 2 janvier 2001.
Dans le courant du mois de janvier 2006, l'Institut national verse à l'ONEm un montant unique de 375 milliers d'euros. Ce montant fait partie du montant prévu par l'article 66, § 3sexies, alinéa 1er, de la loi programme du 2 janvier 2001 pour l'année 2006. Ce montant unique couvre notamment le coût des adaptations du système informatique que la société émettrice doit effectuer.
Sur base du nombre de titres-services communiqué, l'Institut national verse à l'ONEm un montant de 4,29 euros par titre-service payé à une entreprise agréée, sans toutefois pouvoir dépasser par année le montant prévu par l'article 66, § 3sexies, alinéa 1er de la loi programme du 2 janvier 2001.
Dans le courant du mois de janvier 2006, l'Institut national verse à l'ONEm un montant unique de 375 milliers d'euros. Ce montant fait partie du montant prévu par l'article 66, § 3sexies, alinéa 1er, de la loi programme du 2 janvier 2001 pour l'année 2006. Ce montant unique couvre notamment le coût des adaptations du système informatique que la société émettrice doit effectuer.
Art.10. Onze Minister van Werk en Onze Minister van Middenstand zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.10. Notre Ministre de l'Emploi et Notre Ministre des Classes moyennes sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Art. 11. Dit besluit treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van artikel 21 van de programmawet van 27 december 2005.
Art. 11. Le présent arrêté entre en vigueur à la date d'entrée en vigueur de l'article 21 de la loi-programme du 27 décembre 2005.