Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
[2 Zij zet de richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's) om.]2
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 OKTOBER 2006. - Wet betreffende het toezicht op de instellingen voor [bedrijfspensioenvoorziening]. (KB2013-04-29/12, art.2 , 008; Inwerkingtreding : 31-12-2011) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-11-2006 en tekstbijwerking tot 28-04-2025)
Titre
27 OCTOBRE 2006. - Loi relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-11-2006 et mise à jour au 28-04-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 2006023149
Datum: 2006-10-27
Info du document
Numac: 2006023149
Date: 2006-10-27
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Doel en definities.
HOOFDSTUK I/1. [1 - Externalisatie van bovenwet...
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
HOOFDSTUK III. - Toezicht.
HOOFDSTUK IV. - Benaming van de instellingen vo...
TITEL II. - Instellingen voor bedrijfspensioenv...
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Het Organisme voor de Financier...
Afdeling I. - Rechtspersoonlijkheid.
Afdeling II. - De algemene vergadering.
Afdeling III. - Operationele organen.
Onderafdeling 1. - Bepalingen die voor alle ope...
Onderafdeling 2. - De raad van bestuur.
Onderafdeling 3. - Andere operationele organen.
Afdeling IV. - Sociale comités.
Afdeling V. [1 Nietigheid, ontbinding, vere...
Afdeling VI. - Openbaarmakingsformaliteiten.
HOOFDSTUK III. - [1 Vergunning]1 en uitbreiding...
HOOFDSTUK IV. - Grensoverschrijdende activiteit...
Afdeling I. [1 - Algemene bepalingen.]1
Afdeling II. - Grensoverschrijdende activiteit.
Afdeling II/1. [1 - Grensoverschrijdende overdr...
Afdeling II/2. [1 - Een Belgische IBP als ontva...
Afdeling III. - Activiteit in een Staat die gee...
HOOFDSTUK V. - Uitoefening van de activiteiten.
Afdeling I. [1 - Algemene bepalingen.]1
Afdeling II. - Beleidsstructuur en organisatie.
Onderafdeling I. [1 - Governancesysteem.]1
Onderafdeling II. [1 - Vereisten voor een desku...
Onderafdeling III. [1 - Beloningsbeleid.]1
Onderafdeling IV. [1 - Sleutelfuncties.]1
Onderafdeling V. [1 - Uitbesteding.]1
Onderafdeling VI. [1 - Diverse organisatorische...
Afdeling III. - Financieringsplan.
Afdeling IV. - Solvabiliteitsmarge.
Afdeling V. - Technische voorzieningen.
Afdeling VI. - [1 Activa]1.
Afdeling VII. [1 - Verklaring inzake de belegg...
Afdeling VIII. [1 - Eigen-risicobeoordeling.]1
HOOFDSTUK VI. [1 - Informatie.]1
Afdeling I. [1 - Algemene bepalingen inzake inf...
Afdeling II. [1 - Informatie aan de toekomstige...
Afdeling III. [1 - Informatie aan de aangeslote...
Afdeling IV. [1 - Bijkomende informatie aan de ...
Afdeling V. [1 - Tijdens de uitbetalingsfase aa...
Afdeling VI. [1 - Informatie aan de aangesloten...
HOOFDSTUK VII. - Uitoefening van het toezicht.
Afdeling I. - Uitoefening van het toezicht door...
Afdeling II. - De erkende commissarissen en de ...
Afdeling III.
HOOFDSTUK VIII. - Herstelmaatregelen.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Afdeling II. [1 - Maatregelen gericht op de sol...
Afdeling III.
Afdeling IV. - Beperking en verbod van de vrije...
Afdeling V. - Faillissement of ontbinding van d...
Afdeling VI. - Andere maatregelen.
HOOFDSTUK IX. - Intrekking van de [1 vergunning]1.
HOOFDSTUK X. - Overdracht.
HOOFDSTUK XI. - Openbare besturen en overheidsb...
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Afdeling II. - Openbare besturen.
Afdeling III. - Overheidsbedrijven.
TITEL III. - Instellingen voor bedrijfspensioen...
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. [1 - Grensoverschrijdende activit...
HOOFDSTUK II.
HOOFDSTUK III. [1 - Grensoverschrijdende overdr...
HOOFDSTUK IV. - Herstelmaatregelen.
TITEL IV. - Aanmaningen en sancties.
HOOFDSTUK I. - Aanmaningen en administratieve s...
HOOFDSTUK II. - Strafrechtelijke sancties.
TITEL V. - Overgangsbepalingen.
HOOFDSTUK I. - [1 Vergunning]1, inschrijving en...
HOOFDSTUK II. - Prudentiële vrijstellingen.
HOOFDSTUK III. - Andere overgangsbepalingen.
TITEL VI. - Diverse bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Opheffings- en wijzigingsbepalin...
Afdeling I. - Wijzigingen aan de wetgeving betr...
Afdeling II. - Wijzigingen in de wet van 2 augu...
Afdeling III. - Wijzigingen in de programmawet ...
Afdeling IV. - Wijzigingen in de wet van 28 apr...
HOOFDSTUK II. - Uitvoeringsmaatregelen.
HOOFDSTUK III. - Inwerkingtreding en slotbepaling.
Inhoud
TITRE Ier. - Dispositions générales.
CHAPITRE Ier. - Objet et définitions.
CHAPITRE Ier/1. [1 - Externalisation des avanta...
CHAPITRE II. - Champ d'application.
CHAPITRE III. - Contrôle.
CHAPITRE IV. - Dénomination des institutions de...
TITRE II. - Institutions de retraite profession...
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - L'Organisme de Financement de Pe...
Section Ire. - Personnalité juridique.
Section II. - L'assemblée générale.
Section III. - Organes opérationnels.
Sous-section 1re. - Dispositions communes à tou...
Sous-section 2. - Le conseil d'administration.
Sous-section 3. - Autres organes opérationnels.
Section IV. - Comités sociaux.
Section V. [1 Nullité, dissolution, liquida...
Section VI. - Formalités de publicité.
CHAPITRE III. - Agrément et extension de l'agré...
CHAPITRE IV. - Activité transfrontalière [1 , t...
Section Ire. [1 - Dispositions générales.]1
Section II. - Activité transfrontalière.
Section II/1. [1 - Transfert transfrontalier d'...
Section II/2. [1 - Une IRP belge comme IRP dest...
Section III. - Activité dans un Etat non membre...
CHAPITRE V. - Exercice de l'activité.
Section Ire. [1 - Dispositions générales.]1
Section II. - Structure de gestion et organisat...
Sous-section Ire. [1 - Système de gouvernance.]1
Sous-section II. [1 - Exigence en matière d'hon...
Sous-section III. [1 - Politique de rémunératio...
Sous-section IV. [1 - Fonctions clés.]1
Sous-section V. [1 - Sous-traitance.]1
Sous-section VI. [1 - Aspects organisationnels ...
Section III. - Plan de financement.
Section IV. - Marge de solvabilité.
Section V. - Provisions techniques.
Section VI. - [1 Actifs]1.
Section VII. [1 - Déclaration sur les principes...
Section VIII. [1 - Evaluation interne des risqu...
CHAPITRE VI. [1 - Informations.]1
Section Ire. [1 - Dispositions générales en mat...
Section II. [1 - Informations à fournir aux aff...
Section III. [1 - Informations à fournir aux af...
Section IV. [1 - Informations supplémentaires à...
Section V. [1 - Informations à fournir aux béné...
Section VI. [1 - Informations à fournir aux aff...
CHAPITRE VII. - Exercice du contrôle.
Section Ire. - Exercice du contrôle par [1 l'Au...
Section II. - Les commissaires agréés et les so...
Section III.
CHAPITRE VIII. - Mesures de redressement.
Section Ire. - Dispositions générales.
Section II. [1 - Mesures axées sur la solidité ...
Section III.
Section IV. - Limitation et interdiction de la ...
Section V. - Faillite ou dissolution de l'entre...
Section VI. - Autres mesures.
CHAPITRE IX. - Revocation de l'agrément.
CHAPITRE X. - Transfert.
CHAPITRE XI. - Administrations et organismes pu...
Section Ire. - Dispositions générales.
Section II. - Administrations publiques.
Section III. - Organismes publics.
TITRE III. - Institutions de retraite professio...
CHAPITRE Ier. - Dispositions genérales.
CHAPITRE II. [1 - Activité transfrontalière.]1
CHAPITRE II.
CHAPITRE III. [1 - Transfert transfrontalier d'...
CHAPITRE IV. - Mesures de redressement.
TITRE IV. - Injonctions et sanctions.
CHAPITRE Ier. - Injonctions et sanctions admini...
CHAPITRE II. - Sanctions pénales.
TITRE V. - Dispositions transitoires.
CHAPITRE Ier. - Agrément, inscription et activite.
CHAPITRE II. - Dispense en matière prudentielle.
CHAPITRE III. - Autres mesures transitoires.
TITRE VI. - Dispositions diverses.
CHAPITRE Ier. - Dispositions abrogatoires et mo...
Section Ire. - Modifications à la législation d...
Section II. - Modifications à la loi du 2 août ...
Section III. - Modifications à la loi-programme...
Section IV. - Modifications à la loi du 28 avri...
CHAPITRE II. - Mesures d'exécution.
CHAPITRE III. - Entrée en vigueur et dispositio...
Tekst (360)
Texte (360)
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITRE Ier. - Dispositions générales.
HOOFDSTUK I. - Doel en definities.
CHAPITRE Ier. - Objet et définitions.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
[2 Elle transpose la directive (UE) 2016/2341 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2016 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle (IRP).]2
[2 Elle transpose la directive (UE) 2016/2341 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2016 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle (IRP).]2
Art. 1/1. [1 Deze wet regelt het statuut van de IBP's naar Belgisch recht, alsook de uitoefeningsvoorwaarden voor en het prudentieel toezicht op de IBP's met het oog op het beschermen van de rechten van de aangeslotenen aan en de pensioengerechtigden van pensioenregelingen en op het verzekeren van de stabiliteit en de soliditeit van de IBP's".]1
Art. 1er /1. [1 La présente loi règle le statut des IRP de droit belge ainsi que les conditions d'exercice et le contrôle prudentiel des IRP, afin de protéger les droits des affiliés et bénéficiaires des régimes de retraite et d'assurer la stabilité et la solidité des IRP.]1
Art.2. Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder :
1° instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of instelling [6 of IBP]6 : een instelling, ongeacht de rechtsvorm, die opgericht is met als doel arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen te verstrekken;
2° pensioenuitkeringen : uitkeringen die worden uitbetaald bij het bereiken of naar verwachting bereiken van de pensioendatum, of, wanneer deze een aanvulling op die uitkeringen vormen en op bijkomende wijze worden verstrekt, in de vorm van betalingen bij overlijden, invaliditeit, arbeidsongeschiktheid of beëindiging van de werkzaamheid, dan wel in de vorm van ondersteunende betalingen of diensten in geval van ziekte, behoeftigheid of overlijden. [6 Deze uitkeringen kunnen de vorm aannemen van een lijfrente, een tijdelijke rente, een kapitaal of een combinatie ervan]6;
3° pensioenregeling : een contract, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;
4° bijdragende onderneming : een onderneming of andere instelling, die bestaat uit of samengesteld is uit een of meer natuurlijke of rechtspersonen die optreden als werkgever of als zelfstandige dan wel een combinatie daarvan, en die [6 een pensioenregeling aanbiedt of]6 aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bijdragen betaalt;
5° aangeslotene : persoon [6 andere dan een pensioengerechtigde of een toekomstige aangeslotene]6 die op grond van zijn [6 vroegere of huidige]6 beroepswerkzaamheden gerechtigd is of zal zijn pensioenuitkeringen te ontvangen overeenkomstig de bepalingen van een pensioenregeling;
[6 5/1° toekomstige aangeslotene: een persoon die in aanmerking komt om aan een pensioenregeling deel te nemen;]6
6° [5 pensioengerechtigde]5 : persoon die pensioenuitkeringen ontvangt;
7° Lidstaat : Staat die lid is van de Europese Economische Ruimte;
8° [6 lidstaat van herkomst: lidstaat waar de IBP een vergunning heeft verkregen dan wel is geregistreerd en waar zij haar hoofdbestuur heeft;]6
9° Lidstaat van ontvangst : lidstaat, andere dan de lidstaat van herkomst, waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de relatie tussen de bijdragende onderneming en de aangeslotenen [6 en/of de pensioengerechtigden]6;
10° [6 grensoverschrijdende activiteit: activiteit die er voor een IBP, die daartoe in een lidstaat een vergunning heeft verkregen, in bestaat bedrijfspensioenregelingen te beheren die voor wat betreft de relatie tussen de bijdragende onderneming en de aangeslotenen en/of pensioengerechtigden, onderworpen zijn aan de voor de pensioenregeling geldende bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van een andere lidstaat;]6
11° [6 activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte: activiteit die er voor een IBP, die in België een vergunning heeft verkregen, in bestaat pensioenregelingen te beheren, die voor wat betreft de relatie tussen de bijdragende onderneming en de aangeslotenen en/of pensioengerechtigden, niet onderworpen zijn aan de voor de pensioenregeling geldende bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van een lidstaat ;]6
[6 11/1° grensoverschrijdende overdracht: de gehele of gedeeltelijke overdracht van de passiva of technische voorzieningen van een pensioenregeling, andere verplichtingen en rechten, en de overeenkomstige activa van een pensioenregeling, of de geldwaarde daarvan tussen IBPs die in verschillende lidstaten geregistreerd zijn of een vergunning hebben verkregen;
11/2° overdragende instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of overdragende IBP: de IBP die de passiva, technische voorzieningen, andere verplichtingen en rechten, en de overeenkomstige activa van een pensioenregeling of de geldwaarde daarvan, geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een IBP die in een andere lidstaat geregistreerd is of een vergunning heeft verkregen;
11/3° ontvangende instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of ontvangende IBP: de IBP waaraan de passiva, technische voorzieningen, andere verplichtingen en rechten, en de overeenkomstige activa van een pensioenregeling of de geldwaarde daarvan, geheel of gedeeltelijk worden overgedragen door een IBP die in een andere lidstaat geregistreerd is of een vergunning heeft verkregen;]6
12° resultaatsverbintenis : verbintenis van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening om op basis van de gestorte bijdragen, een bepaald resultaat te waarborgen;
13° middelverbintenis : verbintenis van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening om de haar toevertrouwde gelden zo goed mogelijk te beheren met het oog op de uitvoering van een pensioenregeling, ongeacht de aard van de pensioenuitkeringen;
14° biometrische risico's : risico's in verband met overlijden, invaliditeit, arbeidsongeschiktheid en levensverwachting;
15° afzonderlijk vermogen : de verplichtingen en de activa of het onverdeelde deel van gezamenlijk beheerde activa die, op basis van een afzonderlijke boekhouding, betrekking hebben op één of meerdere pensioenregelingen met het oog op het toekennen van een voorrecht aan de aangeslotenen en [5 pensioengerechtigden]5 [6 van die pensioenregeling(en)]6.
16° de bevoegde autoriteiten : de autoriteiten die krachtens hun nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, toezicht uitoefenen op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
17° de [2 FSMA]2 : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
[3 19° " de EIOPA " : de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational Pensions Authority), zoals opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010;]3
[6 20° dekkingswaarden: de activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden;
21° duurzame drager: een hulpmiddel dat een aangeslotene of pensioengerechtigde in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;
22° sleutelfunctie: binnen een governancesysteem, een bekwaamheid om praktische taken uit te voeren; een governancesysteem omvat de risicobeheerfunctie, de interne auditfunctie, de actuariële functie en de compliancefunctie;
23° hoofdbestuur: de plaats waar de voornaamste strategische beslissingen van een IBP of van een bijdragende onderneming worden genomen;
24° groep van ondernemingen: een geheel van ondernemingen en/of instellingen die onderling verbonden of geassocieerd zijn in de zin van [7 artikel 1:20 of artikel 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en vereniginge]7.]6
[8 25° Verordening 2019/2088: de Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over de duurzaamheid in de financiëledienstensector, inclusief de gedelegeerde handelingen en de technische regulerings- of uitvoeringsnormen die de Commissie ter uitvoering van die Verordening heeft aangenomen;]8
[8 26° Verordening 2020/852: de Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088, inclusief de gedelegeerde handelingen en de technische regulerings- of uitvoeringsnormen die de Commissie ter uitvoering van die Verordening heeft aangenomen;]8
[9 27° Verordening 2022/2554: Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011, inclusief de door de Commissie ter uitvoering van die Verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen en technische regulerings- of uitvoeringsnormen.]9
Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, wordt de inrichter in de zin van [6 artikel 3, § 1, 5°, a)]6 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, beschouwd als een bijdragende onderneming.
1° instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of instelling [6 of IBP]6 : een instelling, ongeacht de rechtsvorm, die opgericht is met als doel arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen te verstrekken;
2° pensioenuitkeringen : uitkeringen die worden uitbetaald bij het bereiken of naar verwachting bereiken van de pensioendatum, of, wanneer deze een aanvulling op die uitkeringen vormen en op bijkomende wijze worden verstrekt, in de vorm van betalingen bij overlijden, invaliditeit, arbeidsongeschiktheid of beëindiging van de werkzaamheid, dan wel in de vorm van ondersteunende betalingen of diensten in geval van ziekte, behoeftigheid of overlijden. [6 Deze uitkeringen kunnen de vorm aannemen van een lijfrente, een tijdelijke rente, een kapitaal of een combinatie ervan]6;
3° pensioenregeling : een contract, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;
4° bijdragende onderneming : een onderneming of andere instelling, die bestaat uit of samengesteld is uit een of meer natuurlijke of rechtspersonen die optreden als werkgever of als zelfstandige dan wel een combinatie daarvan, en die [6 een pensioenregeling aanbiedt of]6 aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bijdragen betaalt;
5° aangeslotene : persoon [6 andere dan een pensioengerechtigde of een toekomstige aangeslotene]6 die op grond van zijn [6 vroegere of huidige]6 beroepswerkzaamheden gerechtigd is of zal zijn pensioenuitkeringen te ontvangen overeenkomstig de bepalingen van een pensioenregeling;
[6 5/1° toekomstige aangeslotene: een persoon die in aanmerking komt om aan een pensioenregeling deel te nemen;]6
6° [5 pensioengerechtigde]5 : persoon die pensioenuitkeringen ontvangt;
7° Lidstaat : Staat die lid is van de Europese Economische Ruimte;
8° [6 lidstaat van herkomst: lidstaat waar de IBP een vergunning heeft verkregen dan wel is geregistreerd en waar zij haar hoofdbestuur heeft;]6
9° Lidstaat van ontvangst : lidstaat, andere dan de lidstaat van herkomst, waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de relatie tussen de bijdragende onderneming en de aangeslotenen [6 en/of de pensioengerechtigden]6;
10° [6 grensoverschrijdende activiteit: activiteit die er voor een IBP, die daartoe in een lidstaat een vergunning heeft verkregen, in bestaat bedrijfspensioenregelingen te beheren die voor wat betreft de relatie tussen de bijdragende onderneming en de aangeslotenen en/of pensioengerechtigden, onderworpen zijn aan de voor de pensioenregeling geldende bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van een andere lidstaat;]6
11° [6 activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte: activiteit die er voor een IBP, die in België een vergunning heeft verkregen, in bestaat pensioenregelingen te beheren, die voor wat betreft de relatie tussen de bijdragende onderneming en de aangeslotenen en/of pensioengerechtigden, niet onderworpen zijn aan de voor de pensioenregeling geldende bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van een lidstaat ;]6
[6 11/1° grensoverschrijdende overdracht: de gehele of gedeeltelijke overdracht van de passiva of technische voorzieningen van een pensioenregeling, andere verplichtingen en rechten, en de overeenkomstige activa van een pensioenregeling, of de geldwaarde daarvan tussen IBPs die in verschillende lidstaten geregistreerd zijn of een vergunning hebben verkregen;
11/2° overdragende instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of overdragende IBP: de IBP die de passiva, technische voorzieningen, andere verplichtingen en rechten, en de overeenkomstige activa van een pensioenregeling of de geldwaarde daarvan, geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een IBP die in een andere lidstaat geregistreerd is of een vergunning heeft verkregen;
11/3° ontvangende instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of ontvangende IBP: de IBP waaraan de passiva, technische voorzieningen, andere verplichtingen en rechten, en de overeenkomstige activa van een pensioenregeling of de geldwaarde daarvan, geheel of gedeeltelijk worden overgedragen door een IBP die in een andere lidstaat geregistreerd is of een vergunning heeft verkregen;]6
12° resultaatsverbintenis : verbintenis van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening om op basis van de gestorte bijdragen, een bepaald resultaat te waarborgen;
13° middelverbintenis : verbintenis van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening om de haar toevertrouwde gelden zo goed mogelijk te beheren met het oog op de uitvoering van een pensioenregeling, ongeacht de aard van de pensioenuitkeringen;
14° biometrische risico's : risico's in verband met overlijden, invaliditeit, arbeidsongeschiktheid en levensverwachting;
15° afzonderlijk vermogen : de verplichtingen en de activa of het onverdeelde deel van gezamenlijk beheerde activa die, op basis van een afzonderlijke boekhouding, betrekking hebben op één of meerdere pensioenregelingen met het oog op het toekennen van een voorrecht aan de aangeslotenen en [5 pensioengerechtigden]5 [6 van die pensioenregeling(en)]6.
16° de bevoegde autoriteiten : de autoriteiten die krachtens hun nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, toezicht uitoefenen op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
17° de [2 FSMA]2 : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
[3 19° " de EIOPA " : de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational Pensions Authority), zoals opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010;]3
[6 20° dekkingswaarden: de activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden;
21° duurzame drager: een hulpmiddel dat een aangeslotene of pensioengerechtigde in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;
22° sleutelfunctie: binnen een governancesysteem, een bekwaamheid om praktische taken uit te voeren; een governancesysteem omvat de risicobeheerfunctie, de interne auditfunctie, de actuariële functie en de compliancefunctie;
23° hoofdbestuur: de plaats waar de voornaamste strategische beslissingen van een IBP of van een bijdragende onderneming worden genomen;
24° groep van ondernemingen: een geheel van ondernemingen en/of instellingen die onderling verbonden of geassocieerd zijn in de zin van [7 artikel 1:20 of artikel 1:21 van het Wetboek van vennootschappen en vereniginge]7.]6
[8 25° Verordening 2019/2088: de Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over de duurzaamheid in de financiëledienstensector, inclusief de gedelegeerde handelingen en de technische regulerings- of uitvoeringsnormen die de Commissie ter uitvoering van die Verordening heeft aangenomen;]8
[8 26° Verordening 2020/852: de Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088, inclusief de gedelegeerde handelingen en de technische regulerings- of uitvoeringsnormen die de Commissie ter uitvoering van die Verordening heeft aangenomen;]8
[9 27° Verordening 2022/2554: Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011, inclusief de door de Commissie ter uitvoering van die Verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen en technische regulerings- of uitvoeringsnormen.]9
Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, wordt de inrichter in de zin van [6 artikel 3, § 1, 5°, a)]6 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, beschouwd als een bijdragende onderneming.
Änderungen
Art.2. Pour l'application de la présente loi et de ses arrêtés et règlements d'exécution, on entend par :
1° institution de retraite professionnelle ou institution [4 ou IRP]4 : un établissement, quelle que soit sa forme juridique, ayant pour objet la fourniture de prestations de retraite liées à une activité professionnelle;
2° prestations de retraite : des prestations attribuées par référence à la retraite ou à la perspective d'atteindre la retraite ou, lorsqu'elles viennent en complément desdites prestations et sont fournies à titre accessoire, sous la forme de versements en cas de décès, d'invalidité, d'incapacité de travail ou de cessation d'activité ou sous la forme d'aides ou de services en cas de maladie, d'indigence ou de décès. [4 Ces prestations peuvent prendre la forme d'une rente viagère, d'une rente temporaire, d'un capital ou d'une combinaison de ces différentes possibilités]4;
3° régime de retraite : un contrat, un accord, un acte de fiducie ou des règles stipulant quelles prestations de retraite sont fournies et selon quelles modalités;
4° entreprise d'affiliation : toute entreprise ou tout autre organisme, qu'il comporte ou soit composé d'une ou de plusieurs personnes morales ou physiques, qui agit en qualité d'employeur ou en qualité de travailleur indépendant ou d'une combinaison de ces deux qualités et qui [4 propose un régime de retraite ou]4 verse des contributions à une institution de retraite professionnelle;
5° affilié : toute personne [4 autre que les bénéficiaires ou les affiliés potentiels]4 à laquelle son activité professionnelle [4 , et les mots "passée ou présente]4 donne ou donnera droit à des prestations de retraite conformément aux dispositions d'un régime de retraite;
[4 5/1° affilié potentiel: toute personne remplissant les conditions pour s'affilier à un régime de retraite;]4
6° bénéficiaire : toute personne recevant des prestations de retraite;
7° Etat membre : un Etat qui est membre de l'Espace économique européen;
8° [4 Etat membre d'origine: l'Etat membre dans lequel l'IRP a été agréée ou enregistrée et où se trouve son administration centrale;]4
9° Etat membre d'accueil : l'Etat membre, autre que l'Etat membre d'origine, dont la législation sociale et la législation du travail pertinentes en matière de régimes de retraite professionnelle sont applicables à la relation entre l'entreprise d'affiliation et les affiliés [4 et/ou les bénéficiaires]4;
10° [4 activité transfrontalière: l'activité qui consiste, pour une IRP agréée dans un Etat membre, à gérer des régimes de retraite professionnelle qui, en ce qui concerne les dispositions applicables à la relation entre l'entreprise d'affiliation et les affiliés et/ou bénéficiaires, sont régis par les dispositions de droit social et de droit du travail pertinentes en matière de régimes de retraite professionnelle d'un autre Etat membre;]4
11° [4 activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen: l'activité qui consiste, pour une IRP agréée en Belgique, à gérer des régimes de retraite professionnelle qui, en ce qui concerne les dispositions applicables à la relation entre l'entreprise d'affiliation et les affiliés et/ou bénéficiaires, ne sont pas régis par les dispositions de droit social et de droit du travail pertinentes en matière de régimes de retraite professionnelle d'un Etat membre;]4
[4 11/1° transfert transfrontalier: le transfert, en tout ou en partie, des engagements, des provisions techniques et d'autres obligations et droits d'un régime de retraite ainsi que des actifs correspondants ou leurs équivalents en trésorerie, entre des IRP qui sont enregistrées ou agréées dans des Etats membres différents;
11/2° institution de retraite professionnelle qui transfère ou IRP qui transfère: l'IRP qui transfère, en tout ou en partie, des engagements, des provisions techniques et d'autres obligations et droits d'un régime de retraite ainsi que les actifs correspondants ou leurs équivalents en trésorerie, à une IRP enregistrée ou agréée dans un autre Etat membre;
11/3° institution de retraite professionnelle destinataire ou IRP destinataire: l'IRP qui reçoit, en tout ou en partie, des engagements, des provisions techniques, d'autres obligations et droits d'un régime de retraite ainsi que des actifs correspondants ou leurs équivalents en trésorerie, d'une IRP enregistrée ou agréée dans un autre Etat membre;]4
12° obligation de résultat : le fait, pour une institution de retraite professionnelle, de garantir un résultat déterminé en fonction des contributions versées;
13° obligation de moyen : le fait, pour une institution de retraite professionnelle, de s'engager à gérer le mieux possible les fonds qui lui sont confiés en vue de l'exécution d'un régime de retraite, quelle que soit la nature des prestations de retraite;
14° risques biométriques : les risques liés au décès, à l'invalidité, à l'incapacité de travail et à la longévité;
15° patrimoine distinct : les engagements et les actifs ou la part indivise des actifs gérés en commun qui, sur la base d'une comptabilité distincte, se rapportent à un ou plusieurs régimes de retraite en vue de conférer un privilège aux affiliés et aux bénéficiaires de ce ou ces régimes de retraite;
16° autorités compétentes : les autorités habilitées, en vertu de leur loi ou de leur réglementation nationale, à contrôler les institutions de retraite professionnelle;
17° la [2 FSMA]2 : la Commission bancaire, financière et des Assurances, visée à l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
[3 19° " l'EIOPA " : l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles (European Insurance and Occupational Pensions Authority), telle qu'établie par le Règlement européen n° 1094/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010;]3
[4 20° valeurs représentatives: les actifs qui sont détenus en couverture des provisions techniques;
21° support durable: un instrument permettant à un affilié ou à un bénéficiaire de stocker des informations qui lui sont adressées personnellement d'une manière permettant de s'y reporter à l'avenir et pendant un laps de temps adapté aux fins auxquelles les informations sont destinées et qui permet la reproduction à l'identique des informations stockées;
22° fonction clé: dans un système de gouvernance, une capacité d'accomplir des tâches concrètes, y compris la fonction de gestion des risques, la fonction d'audit interne, la fonction actuarielle et la fonction de compliance;
23° administration centrale: le lieu où sont prises les décisions stratégiques principales d'une IRP ou d'une entreprise d'affiliation;
24° groupe d'entreprises: un ensemble d'entreprises et/ou d'organismes qui sont lié(e)s entre elles/eux ou associé(e)s au sens de [5 l'article 1:20 ou de l'article 1:21 du Code des sociétés et des associations]5.]4
[6 25° Règlement 2019/2088 : Règlement (UE) 2019/2088 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 sur la publication d'informations en matière de durabilité dans le secteur des services financiers, en ce compris les actes délégués et les normes techniques de réglementation ou d'exécution adoptés par la Commission en exécution de ce règlement;]6
[6 26° Règlement 2020/852: Règlement (UE) 2020/852 du Parlement européen et du Conseil du 18 juin 2020 sur l'établissement d'un cadre visant à favoriser les investissements durables et modifiant le règlement (UE) 2019/2088, en ce compris les actes délégués et les normes techniques de réglementation ou d'exécution adoptés par la Commission en exécution de ce règlement;]6
[7 27° règlement 2022/2554: le règlement (UE) 2022/2554 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2022 sur la résilience opérationnelle numérique du secteur financier et modifiant les règlements (CE) n° 1060/2009, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 909/2014 et (UE) 2016/1011, en ce compris les actes délégués et les normes techniques de règlementation ou d'exécution adoptés par la Commission en exécution de ce règlement.]7
Pour l'application de la présente loi et de ses arrêtés et règlements d'exécution, l'organisateur au sens de l'[4 article 3, § 1er, 5°, a)]4, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale est considéré comme une entreprise d'affiliation.
1° institution de retraite professionnelle ou institution [4 ou IRP]4 : un établissement, quelle que soit sa forme juridique, ayant pour objet la fourniture de prestations de retraite liées à une activité professionnelle;
2° prestations de retraite : des prestations attribuées par référence à la retraite ou à la perspective d'atteindre la retraite ou, lorsqu'elles viennent en complément desdites prestations et sont fournies à titre accessoire, sous la forme de versements en cas de décès, d'invalidité, d'incapacité de travail ou de cessation d'activité ou sous la forme d'aides ou de services en cas de maladie, d'indigence ou de décès. [4 Ces prestations peuvent prendre la forme d'une rente viagère, d'une rente temporaire, d'un capital ou d'une combinaison de ces différentes possibilités]4;
3° régime de retraite : un contrat, un accord, un acte de fiducie ou des règles stipulant quelles prestations de retraite sont fournies et selon quelles modalités;
4° entreprise d'affiliation : toute entreprise ou tout autre organisme, qu'il comporte ou soit composé d'une ou de plusieurs personnes morales ou physiques, qui agit en qualité d'employeur ou en qualité de travailleur indépendant ou d'une combinaison de ces deux qualités et qui [4 propose un régime de retraite ou]4 verse des contributions à une institution de retraite professionnelle;
5° affilié : toute personne [4 autre que les bénéficiaires ou les affiliés potentiels]4 à laquelle son activité professionnelle [4 , et les mots "passée ou présente]4 donne ou donnera droit à des prestations de retraite conformément aux dispositions d'un régime de retraite;
[4 5/1° affilié potentiel: toute personne remplissant les conditions pour s'affilier à un régime de retraite;]4
6° bénéficiaire : toute personne recevant des prestations de retraite;
7° Etat membre : un Etat qui est membre de l'Espace économique européen;
8° [4 Etat membre d'origine: l'Etat membre dans lequel l'IRP a été agréée ou enregistrée et où se trouve son administration centrale;]4
9° Etat membre d'accueil : l'Etat membre, autre que l'Etat membre d'origine, dont la législation sociale et la législation du travail pertinentes en matière de régimes de retraite professionnelle sont applicables à la relation entre l'entreprise d'affiliation et les affiliés [4 et/ou les bénéficiaires]4;
10° [4 activité transfrontalière: l'activité qui consiste, pour une IRP agréée dans un Etat membre, à gérer des régimes de retraite professionnelle qui, en ce qui concerne les dispositions applicables à la relation entre l'entreprise d'affiliation et les affiliés et/ou bénéficiaires, sont régis par les dispositions de droit social et de droit du travail pertinentes en matière de régimes de retraite professionnelle d'un autre Etat membre;]4
11° [4 activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen: l'activité qui consiste, pour une IRP agréée en Belgique, à gérer des régimes de retraite professionnelle qui, en ce qui concerne les dispositions applicables à la relation entre l'entreprise d'affiliation et les affiliés et/ou bénéficiaires, ne sont pas régis par les dispositions de droit social et de droit du travail pertinentes en matière de régimes de retraite professionnelle d'un Etat membre;]4
[4 11/1° transfert transfrontalier: le transfert, en tout ou en partie, des engagements, des provisions techniques et d'autres obligations et droits d'un régime de retraite ainsi que des actifs correspondants ou leurs équivalents en trésorerie, entre des IRP qui sont enregistrées ou agréées dans des Etats membres différents;
11/2° institution de retraite professionnelle qui transfère ou IRP qui transfère: l'IRP qui transfère, en tout ou en partie, des engagements, des provisions techniques et d'autres obligations et droits d'un régime de retraite ainsi que les actifs correspondants ou leurs équivalents en trésorerie, à une IRP enregistrée ou agréée dans un autre Etat membre;
11/3° institution de retraite professionnelle destinataire ou IRP destinataire: l'IRP qui reçoit, en tout ou en partie, des engagements, des provisions techniques, d'autres obligations et droits d'un régime de retraite ainsi que des actifs correspondants ou leurs équivalents en trésorerie, d'une IRP enregistrée ou agréée dans un autre Etat membre;]4
12° obligation de résultat : le fait, pour une institution de retraite professionnelle, de garantir un résultat déterminé en fonction des contributions versées;
13° obligation de moyen : le fait, pour une institution de retraite professionnelle, de s'engager à gérer le mieux possible les fonds qui lui sont confiés en vue de l'exécution d'un régime de retraite, quelle que soit la nature des prestations de retraite;
14° risques biométriques : les risques liés au décès, à l'invalidité, à l'incapacité de travail et à la longévité;
15° patrimoine distinct : les engagements et les actifs ou la part indivise des actifs gérés en commun qui, sur la base d'une comptabilité distincte, se rapportent à un ou plusieurs régimes de retraite en vue de conférer un privilège aux affiliés et aux bénéficiaires de ce ou ces régimes de retraite;
16° autorités compétentes : les autorités habilitées, en vertu de leur loi ou de leur réglementation nationale, à contrôler les institutions de retraite professionnelle;
17° la [2 FSMA]2 : la Commission bancaire, financière et des Assurances, visée à l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
[3 19° " l'EIOPA " : l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles (European Insurance and Occupational Pensions Authority), telle qu'établie par le Règlement européen n° 1094/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010;]3
[4 20° valeurs représentatives: les actifs qui sont détenus en couverture des provisions techniques;
21° support durable: un instrument permettant à un affilié ou à un bénéficiaire de stocker des informations qui lui sont adressées personnellement d'une manière permettant de s'y reporter à l'avenir et pendant un laps de temps adapté aux fins auxquelles les informations sont destinées et qui permet la reproduction à l'identique des informations stockées;
22° fonction clé: dans un système de gouvernance, une capacité d'accomplir des tâches concrètes, y compris la fonction de gestion des risques, la fonction d'audit interne, la fonction actuarielle et la fonction de compliance;
23° administration centrale: le lieu où sont prises les décisions stratégiques principales d'une IRP ou d'une entreprise d'affiliation;
24° groupe d'entreprises: un ensemble d'entreprises et/ou d'organismes qui sont lié(e)s entre elles/eux ou associé(e)s au sens de [5 l'article 1:20 ou de l'article 1:21 du Code des sociétés et des associations]5.]4
[6 25° Règlement 2019/2088 : Règlement (UE) 2019/2088 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 sur la publication d'informations en matière de durabilité dans le secteur des services financiers, en ce compris les actes délégués et les normes techniques de réglementation ou d'exécution adoptés par la Commission en exécution de ce règlement;]6
[6 26° Règlement 2020/852: Règlement (UE) 2020/852 du Parlement européen et du Conseil du 18 juin 2020 sur l'établissement d'un cadre visant à favoriser les investissements durables et modifiant le règlement (UE) 2019/2088, en ce compris les actes délégués et les normes techniques de réglementation ou d'exécution adoptés par la Commission en exécution de ce règlement;]6
[7 27° règlement 2022/2554: le règlement (UE) 2022/2554 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2022 sur la résilience opérationnelle numérique du secteur financier et modifiant les règlements (CE) n° 1060/2009, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 909/2014 et (UE) 2016/1011, en ce compris les actes délégués et les normes techniques de règlementation ou d'exécution adoptés par la Commission en exécution de ce règlement.]7
Pour l'application de la présente loi et de ses arrêtés et règlements d'exécution, l'organisateur au sens de l'[4 article 3, § 1er, 5°, a)]4, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale est considéré comme une entreprise d'affiliation.
Änderungen
HOOFDSTUK I/1. [1 - Externalisatie van bovenwettelijke voordelen.]1
CHAPITRE Ier/1. [1 - Externalisation des avantages extra-légaux.]1
Art. 2/1. [1 § 1. Het beheer van de volgende pensioenuitkeringen moet worden toevertrouwd aan een IBP, als bedoeld in titel II of III van deze wet, of aan een verzekeringsonderneming als bedoeld in de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen:
1° de bovenwettelijke voordelen die door een onderneming, een instelling, een overheidsbedrijf of een openbaar bestuur aan haar/zijn werknemers of bedrijfsleiders worden toegekend:
a) inzake pensioen en overlijden voor werknemers zoals bedoeld in de voornoemde wet van 28 april 2003;
b) inzake pensioen en overlijden voor zelfstandige bedrijfsleiders zoals bedoeld in de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen;
c) inzake arbeidsongeschiktheid, met uitzondering van de primaire arbeidsongeschiktheid die ten individuele of ten collectieve titel worden opgebouwd ten voordele van de werknemers en de zelfstandige bedrijfsleiders zoals bedoeld in a) en b);
2° de bovenwettelijke voordelen:
a) inzake pensioen en overlijden voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten of helpers zoals bedoeld in Titel II, Hoofdstuk 1, Afdeling 4 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
b) inzake pensioen en overlijden voor zelfstandigen zoals bedoeld in Titel II van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijke personen, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers;
c) inzake pensioen en overlijden, voor niet-zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 54 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
d) inzake pensioenen en overlijden voor werknemers zoals bedoeld in Titel II van de wet van 6 december 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen;
e) inzake arbeidsongeschiktheid, met uitzondering van de primaire arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen en niet-zelfstandigen zoals bedoeld in a) en c).
§ 2. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op:
1° onverminderd artikel 47 van de voormelde wet van 28 april 2003 en artikel 55 van de voormelde wet van 24 december 2002, de solidariteitsstelsels en -toezeggingen bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de voormelde wet van 28 april 2003 en in artikel 46 van voormelde wet van 24 december 2002;
2° de individuele pensioentoezeggingen aan personen bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen:
- ten belope van het verzekerd kapitaal van een vóór 1 juli 2012 ter financiering van die toezegging gesloten bedrijfsleidersverzekering;
- voor het overige ten belope van het bedrag van de interne voorziening bedoeld in artikel 66 van de programmawet van 22 juni 2012 tenzij die interne voorziening werd overgedragen aan een in paragraaf 1 bedoelde IBP of verzekeringsonderneming;
3° de individuele pensioentoezeggingen aan andere dan in 2° bedoelde zelfstandige bedrijfsleiders en de individuele pensioentoezeggingen zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 4°, van de voormelde wet van 28 april 2003 en die bestonden vóór 16 november 2003:
- ten belope van het verzekerd kapitaal van een vóór 1 juli 2012 ter financiering van die toezegging gesloten bedrijfsleidersverzekering;
- voor het overige ten belope van het bedrag van de interne voorziening bedoeld in artikel 66 van de programmawet van 22 juni 2012, tenzij die interne voorziening werd overgedragen aan een in paragraaf 1 bedoelde IBP of verzekeringsonderneming;
4° de voordelen bedoeld in paragraaf 1, 1°, a) en b), die vóór 1 mei 2018 werden toegekend door een openbaar bestuur en op die datum nog niet werden beheerd door een in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsonderneming of IBP. De pensioenregelingen die de voormelde voordelen toekennen en niet ten laatste op 31 december 2018 als zodanig zijn geregistreerd in de gegevensbank betreffende de aanvullende pensioenen, opgericht bij artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006, worden onweerlegbaar vermoed te zijn ingevoerd vanaf 1 mei 2018.]1
1° de bovenwettelijke voordelen die door een onderneming, een instelling, een overheidsbedrijf of een openbaar bestuur aan haar/zijn werknemers of bedrijfsleiders worden toegekend:
a) inzake pensioen en overlijden voor werknemers zoals bedoeld in de voornoemde wet van 28 april 2003;
b) inzake pensioen en overlijden voor zelfstandige bedrijfsleiders zoals bedoeld in de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen;
c) inzake arbeidsongeschiktheid, met uitzondering van de primaire arbeidsongeschiktheid die ten individuele of ten collectieve titel worden opgebouwd ten voordele van de werknemers en de zelfstandige bedrijfsleiders zoals bedoeld in a) en b);
2° de bovenwettelijke voordelen:
a) inzake pensioen en overlijden voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten of helpers zoals bedoeld in Titel II, Hoofdstuk 1, Afdeling 4 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
b) inzake pensioen en overlijden voor zelfstandigen zoals bedoeld in Titel II van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijke personen, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers;
c) inzake pensioen en overlijden, voor niet-zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 54 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
d) inzake pensioenen en overlijden voor werknemers zoals bedoeld in Titel II van de wet van 6 december 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen;
e) inzake arbeidsongeschiktheid, met uitzondering van de primaire arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen en niet-zelfstandigen zoals bedoeld in a) en c).
§ 2. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op:
1° onverminderd artikel 47 van de voormelde wet van 28 april 2003 en artikel 55 van de voormelde wet van 24 december 2002, de solidariteitsstelsels en -toezeggingen bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de voormelde wet van 28 april 2003 en in artikel 46 van voormelde wet van 24 december 2002;
2° de individuele pensioentoezeggingen aan personen bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen:
- ten belope van het verzekerd kapitaal van een vóór 1 juli 2012 ter financiering van die toezegging gesloten bedrijfsleidersverzekering;
- voor het overige ten belope van het bedrag van de interne voorziening bedoeld in artikel 66 van de programmawet van 22 juni 2012 tenzij die interne voorziening werd overgedragen aan een in paragraaf 1 bedoelde IBP of verzekeringsonderneming;
3° de individuele pensioentoezeggingen aan andere dan in 2° bedoelde zelfstandige bedrijfsleiders en de individuele pensioentoezeggingen zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 4°, van de voormelde wet van 28 april 2003 en die bestonden vóór 16 november 2003:
- ten belope van het verzekerd kapitaal van een vóór 1 juli 2012 ter financiering van die toezegging gesloten bedrijfsleidersverzekering;
- voor het overige ten belope van het bedrag van de interne voorziening bedoeld in artikel 66 van de programmawet van 22 juni 2012, tenzij die interne voorziening werd overgedragen aan een in paragraaf 1 bedoelde IBP of verzekeringsonderneming;
4° de voordelen bedoeld in paragraaf 1, 1°, a) en b), die vóór 1 mei 2018 werden toegekend door een openbaar bestuur en op die datum nog niet werden beheerd door een in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsonderneming of IBP. De pensioenregelingen die de voormelde voordelen toekennen en niet ten laatste op 31 december 2018 als zodanig zijn geregistreerd in de gegevensbank betreffende de aanvullende pensioenen, opgericht bij artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006, worden onweerlegbaar vermoed te zijn ingevoerd vanaf 1 mei 2018.]1
Art. 2/1. [1 § 1er. La gestion des prestations de retraite suivantes doit être confiée à une IRP, telle que visée au Titre II ou III de la présente loi, ou à une entreprise d'assurance telle que visée aux Livres II et III de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance:
1° les avantages extra-légaux qui sont octroyés par une entreprise, un organisme, un organisme public ou une administration publique à ses travailleurs ou à ses dirigeants d'entreprise:
a) en matière de retraite et de décès, pour les travailleurs tels que visés par la loi du 28 avril 2003 précitée;
b) en matière de retraite et de décès, pour les dirigeants d'entreprise indépendants tels que visés par la loi du 15 mai 2014 portant des dispositions diverses;
c) en matière d'incapacité de travail, à l'exception de l'incapacité de travail primaire, lorsque cet avantage est constitué à titre individuel ou collectif au profit des travailleurs et des dirigeants d'entreprise indépendants visés aux points a) et b);
2° les avantages extra-légaux constitués:
a) en matière de retraite et de décès pour des travailleurs indépendants, des conjoints aidants ou des aidants tels que visés au Titre II, Chapitre 1er, Section 4, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
b) en matière de retraite et de décès pour des travailleurs indépendants tels que visés au Titre II de la loi du 18 février 2018 portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires et instaurant une pension complémentaire pour les travailleurs indépendants personnes physiques, pour les conjoints aidants et pour les aidants indépendants;
c) en matière de retraite et de décès pour des travailleurs non indépendants tels que visés à l'article 54 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
d) en matière de retraite et de décès pour des salariés tels que visés au Titre II de la loi du 6 décembre 2018 instaurant une pension libre complémentaire pour les travailleurs salariés et portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires;
e) en matière d'incapacité de travail, à l'exception de l'incapacité de travail primaire, au profit des travailleurs indépendants et des travailleurs non indépendants visés aux points a) et c).
§ 2. Les dispositions du paragraphe 1er ne sont pas applicables:
1° sans préjudice de l'article 47 de la loi du 28 avril 2003 précitée et de l'article 55 de la loi du 24 décembre 2002 précitée, aux régimes et engagements de solidarité visés aux articles 10 et 11 de la loi du 28 avril 2003 précitée et à l'article 46 de la loi du 24 décembre 2002 précitée;
2° aux engagements individuels de pension octroyés à des personnes visées à l'article 3, § 1er, alinéa 4, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants:
- à concurrence du capital assuré d'une assurance dirigeant d'entreprise contractée avant le 1er juillet 2012 en vue du financement de cet engagement;
- pour le surplus, à concurrence du montant de la provision interne visée à l'article 66 de la loi-programme du 22 juin 2012, sauf si cette provision interne a été transférée à une IRP ou à une entreprise d'assurance visée au paragraphe 1er;
3° aux engagements individuels de pension octroyés à des dirigeants d'entreprise indépendants autres que ceux visés au 2° et aux engagements individuels de pension visés à l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 28 avril 2003 précitée, qui existaient avant le 16 novembre 2003:
- à concurrence du capital assuré d'une assurance dirigeant d'entreprise contractée avant le 1er juillet 2012 en vue du financement de cet engagement;
- pour le surplus, à concurrence du montant de la provision interne visée à l'article 66 de la loi-programme du 22 juin 2012, sauf si cette provision interne a été transférée à une IRP ou à une entreprise d'assurance visée au paragraphe 1er;
4° aux avantages visés au paragraphe 1er, 1°, a) et b), qui ont été octroyés avant le 1er mai 2018 par une administration publique et qui, à cette date, n'étaient pas encore gérés par une IRP ou une entreprise d'assurance visée au paragraphe 1er. Les régimes de retraite qui accordent les avantages précités et ne sont pas répertoriés en tant que tels, pour le 31 décembre 2018 au plus tard, auprès de la banque de données relative aux pensions complémentaires créée par l'article 306 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, sont présumés, de manière irréfragable, avoir été instaurés à partir du 1er mai 2018.]1
1° les avantages extra-légaux qui sont octroyés par une entreprise, un organisme, un organisme public ou une administration publique à ses travailleurs ou à ses dirigeants d'entreprise:
a) en matière de retraite et de décès, pour les travailleurs tels que visés par la loi du 28 avril 2003 précitée;
b) en matière de retraite et de décès, pour les dirigeants d'entreprise indépendants tels que visés par la loi du 15 mai 2014 portant des dispositions diverses;
c) en matière d'incapacité de travail, à l'exception de l'incapacité de travail primaire, lorsque cet avantage est constitué à titre individuel ou collectif au profit des travailleurs et des dirigeants d'entreprise indépendants visés aux points a) et b);
2° les avantages extra-légaux constitués:
a) en matière de retraite et de décès pour des travailleurs indépendants, des conjoints aidants ou des aidants tels que visés au Titre II, Chapitre 1er, Section 4, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
b) en matière de retraite et de décès pour des travailleurs indépendants tels que visés au Titre II de la loi du 18 février 2018 portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires et instaurant une pension complémentaire pour les travailleurs indépendants personnes physiques, pour les conjoints aidants et pour les aidants indépendants;
c) en matière de retraite et de décès pour des travailleurs non indépendants tels que visés à l'article 54 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
d) en matière de retraite et de décès pour des salariés tels que visés au Titre II de la loi du 6 décembre 2018 instaurant une pension libre complémentaire pour les travailleurs salariés et portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires;
e) en matière d'incapacité de travail, à l'exception de l'incapacité de travail primaire, au profit des travailleurs indépendants et des travailleurs non indépendants visés aux points a) et c).
§ 2. Les dispositions du paragraphe 1er ne sont pas applicables:
1° sans préjudice de l'article 47 de la loi du 28 avril 2003 précitée et de l'article 55 de la loi du 24 décembre 2002 précitée, aux régimes et engagements de solidarité visés aux articles 10 et 11 de la loi du 28 avril 2003 précitée et à l'article 46 de la loi du 24 décembre 2002 précitée;
2° aux engagements individuels de pension octroyés à des personnes visées à l'article 3, § 1er, alinéa 4, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants:
- à concurrence du capital assuré d'une assurance dirigeant d'entreprise contractée avant le 1er juillet 2012 en vue du financement de cet engagement;
- pour le surplus, à concurrence du montant de la provision interne visée à l'article 66 de la loi-programme du 22 juin 2012, sauf si cette provision interne a été transférée à une IRP ou à une entreprise d'assurance visée au paragraphe 1er;
3° aux engagements individuels de pension octroyés à des dirigeants d'entreprise indépendants autres que ceux visés au 2° et aux engagements individuels de pension visés à l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 28 avril 2003 précitée, qui existaient avant le 16 novembre 2003:
- à concurrence du capital assuré d'une assurance dirigeant d'entreprise contractée avant le 1er juillet 2012 en vue du financement de cet engagement;
- pour le surplus, à concurrence du montant de la provision interne visée à l'article 66 de la loi-programme du 22 juin 2012, sauf si cette provision interne a été transférée à une IRP ou à une entreprise d'assurance visée au paragraphe 1er;
4° aux avantages visés au paragraphe 1er, 1°, a) et b), qui ont été octroyés avant le 1er mai 2018 par une administration publique et qui, à cette date, n'étaient pas encore gérés par une IRP ou une entreprise d'assurance visée au paragraphe 1er. Les régimes de retraite qui accordent les avantages précités et ne sont pas répertoriés en tant que tels, pour le 31 décembre 2018 au plus tard, auprès de la banque de données relative aux pensions complémentaires créée par l'article 306 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, sont présumés, de manière irréfragable, avoir été instaurés à partir du 1er mai 2018.]1
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE II. - Champ d'application.
Art.3. § 1. [4 De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de IBP's naar Belgisch recht en op de IBP's die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat dan België en in België een grensoverschrijdende activiteit uitoefenen.]4
§ 2. Zijn niet onderworpen aan de bepalingen [4 van deze wet met uitzondering van Hoofdstuk I/1 van deze titel]4 :
1° de verzekeringsondernemingen bedoeld in [4 de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen]4;
2° de instellingen die, [4 ...]4 uitsluitend solidariteitsstelsels en -toezeggingen beheren bedoeld in artikel 46 van de programmawet (I) van 24 december 2002 of in de artikelen 10 en 11 van de voornoemde wet van 28 april 2003.
[4 ...]4
§ 2. Zijn niet onderworpen aan de bepalingen [4 van deze wet met uitzondering van Hoofdstuk I/1 van deze titel]4 :
1° de verzekeringsondernemingen bedoeld in [4 de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen]4;
2° de instellingen die, [4 ...]4 uitsluitend solidariteitsstelsels en -toezeggingen beheren bedoeld in artikel 46 van de programmawet (I) van 24 december 2002 of in de artikelen 10 en 11 van de voornoemde wet van 28 april 2003.
[4 ...]4
Änderungen
Art.3. § 1er. [4 Les dispositions de la présente loi s'appliquent aux IRP de droit belge et aux IRP qui ressortissent au droit d'un autre Etat membre que la Belgique et exercent une activité transfrontalière en Belgique.]4
§ 2. Ne sont pas soumises aux dispositions [4 de la présente loi, à l'exception du chapitre Ier/1 du présent titre]4 :
1° les entreprises d'assurances visées [4 aux Livres II et III de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance]4;
2° les institutions qui [4 ...]4 gèrent uniquement des régimes et engagements de solidarité visés à l'article 46 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ou aux articles 10 et 11 de la loi du 28 avril 2003 précitée.
[4 ...]4
§ 2. Ne sont pas soumises aux dispositions [4 de la présente loi, à l'exception du chapitre Ier/1 du présent titre]4 :
1° les entreprises d'assurances visées [4 aux Livres II et III de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance]4;
2° les institutions qui [4 ...]4 gèrent uniquement des régimes et engagements de solidarité visés à l'article 46 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ou aux articles 10 et 11 de la loi du 28 avril 2003 précitée.
[4 ...]4
Änderungen
HOOFDSTUK III. - Toezicht.
CHAPITRE III. - Contrôle.
Art.4. De [2 FSMA]2 houdt toezicht op de naleving van deze wet.
[3 In dat kader houdt de FSMA rekening met de volgende beginselen:
1° het toezicht berust op een vooruitziende en risicogebaseerde benadering;
2° het toezicht berust op een passende combinatie van werkzaamheden op afstand en inspecties ter plaatse;
3° het toezicht wordt tijdig uitgeoefend op een wijze die in verhouding staat tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de IBP;
4° het toezicht houdt rekening met de potentiële gevolgen van het optreden van de FSMA voor de stabiliteit van de financiële stelsels in de Europese Unie, met name in noodsituaties.]3
De [2 FSMA]2 kan samenwerkingsprotocollen met andere bevoegde Belgische of buitenlandse autoriteiten sluiten, voor wat betreft de uitvoering van de regels van toepassing op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, met inbegrip van de relevante bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving.
[3 In dat kader houdt de FSMA rekening met de volgende beginselen:
1° het toezicht berust op een vooruitziende en risicogebaseerde benadering;
2° het toezicht berust op een passende combinatie van werkzaamheden op afstand en inspecties ter plaatse;
3° het toezicht wordt tijdig uitgeoefend op een wijze die in verhouding staat tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de IBP;
4° het toezicht houdt rekening met de potentiële gevolgen van het optreden van de FSMA voor de stabiliteit van de financiële stelsels in de Europese Unie, met name in noodsituaties.]3
De [2 FSMA]2 kan samenwerkingsprotocollen met andere bevoegde Belgische of buitenlandse autoriteiten sluiten, voor wat betreft de uitvoering van de regels van toepassing op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, met inbegrip van de relevante bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving.
Änderungen
Art.4. La [2 FSMA]2 contrôle le respect des dispositions de la présente loi.
[3 Dans ce cadre, la FSMA prend en considération les principes suivants:
1° le contrôle repose sur une approche prospective et fondée sur les risques;
2° le contrôle repose sur une combinaison appropriée d'examens à distance et d'inspections sur place;
3° le contrôle est exercé en temps utile et d'une manière proportionnée à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité des activités de l'IRP;
4° le contrôle tient compte de l'incidence potentielle des actions de la FSMA sur la stabilité des systèmes financiers dans l'Union européenne, en particulier dans les situations d'urgence.]3
La [2 FSMA]2 peut conclure des protocoles de collaboration avec d'autres autorités compétentes, belges ou étrangères, en ce qui concerne la mise en oeuvre des règles applicables aux institutions de retraite professionnelle, en ce compris les dispositions pertinentes de droit social et de droit du travail.
[3 Dans ce cadre, la FSMA prend en considération les principes suivants:
1° le contrôle repose sur une approche prospective et fondée sur les risques;
2° le contrôle repose sur une combinaison appropriée d'examens à distance et d'inspections sur place;
3° le contrôle est exercé en temps utile et d'une manière proportionnée à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité des activités de l'IRP;
4° le contrôle tient compte de l'incidence potentielle des actions de la FSMA sur la stabilité des systèmes financiers dans l'Union européenne, en particulier dans les situations d'urgence.]3
La [2 FSMA]2 peut conclure des protocoles de collaboration avec d'autres autorités compétentes, belges ou étrangères, en ce qui concerne la mise en oeuvre des règles applicables aux institutions de retraite professionnelle, en ce compris les dispositions pertinentes de droit social et de droit du travail.
Änderungen
Art.5. [3 Overeenkomstig artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, dragen de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die aan het toezicht van de FSMA onderworpen zijn, de kosten van het toezicht dat door de FSMA ten aanzien van hen wordt uitgeoefend.]3
Deze kosten hebben inzonderheid betrekking op de werkingskosten :
1° van de [2 FSMA]2, met inbegrip van de kosten die het secretariaat van de Commissies en de Raden bedoeld in de punten 2° tot 5°, met zich meebrengt;
2° [6 ...]6
3° van de [6 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]6 ingesteld door artikel 61 van de voornoemde wet van 24 december 2002;
4° [6 ...]6
5° van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen ingesteld door artikel 53 van de voornoemde wet van 28 april 2003;
6° [4 van de Commissie voor Verzekeringen ingesteld door [5 artikel 321 van de wet van 4 april 2014]5 betreffende de verzekeringen.]4
Deze kosten hebben inzonderheid betrekking op de werkingskosten :
1° van de [2 FSMA]2, met inbegrip van de kosten die het secretariaat van de Commissies en de Raden bedoeld in de punten 2° tot 5°, met zich meebrengt;
2° [6 ...]6
3° van de [6 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]6 ingesteld door artikel 61 van de voornoemde wet van 24 december 2002;
4° [6 ...]6
5° van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen ingesteld door artikel 53 van de voornoemde wet van 28 april 2003;
6° [4 van de Commissie voor Verzekeringen ingesteld door [5 artikel 321 van de wet van 4 april 2014]5 betreffende de verzekeringen.]4
Änderungen
Art.5. [3 Conformément à l'article 56 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, les institutions de retraite professionnelle soumises au contrôle de la FSMA supportent les frais résultant du contrôle exercé à leur égard par la FSMA.]3
Ces frais concernent notamment les frais de fonctionnement :
1° de la [2 FSMA]2, en ce compris les frais occasionnés par le secrétariat des Commissions et des Conseils visés aux 2° à 5°;
2° [6 ...]6
3° de la [6 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]6 instituée par l'article 61 de la loi du 24 décembre 2002 précitée;
4° [6 ...]6
5° de la Commission des Pensions complémentaires instituée par l'article 53 de la loi du 28 avril 2003 précitée;
6° [4 de la Commission des Assurances instituée par l'[5 article 321 de la loi du 4 avril 2014]5 relative aux assurances.]4
Ces frais concernent notamment les frais de fonctionnement :
1° de la [2 FSMA]2, en ce compris les frais occasionnés par le secrétariat des Commissions et des Conseils visés aux 2° à 5°;
2° [6 ...]6
3° de la [6 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]6 instituée par l'article 61 de la loi du 24 décembre 2002 précitée;
4° [6 ...]6
5° de la Commission des Pensions complémentaires instituée par l'article 53 de la loi du 28 avril 2003 précitée;
6° [4 de la Commission des Assurances instituée par l'[5 article 321 de la loi du 4 avril 2014]5 relative aux assurances.]4
Änderungen
HOOFDSTUK IV. - Benaming van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
CHAPITRE IV. - Dénomination des institutions de retraite professionnelle.
Art.6. In België mogen alleen de volgende instellingen publiekelijk gebruik maken van de term instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, in het kort IBP, inzonderheid in hun maatschappelijke benaming, in hun maatschappelijk doel en in hun stukken :
1° de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die in België zijn [1 vergund]1 overeenkomstig Titel II;
2° de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die in België een grensoverschrijdende activiteit mogen uitoefenen overeenkomstig Titel III.
1° de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die in België zijn [1 vergund]1 overeenkomstig Titel II;
2° de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die in België een grensoverschrijdende activiteit mogen uitoefenen overeenkomstig Titel III.
Art.6. Peuvent seules faire usage public en Belgique du terme institution de retraite professionnelle, en abrégé IRP, notamment dans leur dénomination sociale, dans leur objet social ou dans leurs documents :
1° les institutions de retraite professionnelle agréées en Belgique conformément au Titre II;
2° les institutions de retraite professionnelle relevant du droit d'un autre Etat membre autorisées à exercer une activité transfrontalière en Belgique conformément au Titre III.
1° les institutions de retraite professionnelle agréées en Belgique conformément au Titre II;
2° les institutions de retraite professionnelle relevant du droit d'un autre Etat membre autorisées à exercer une activité transfrontalière en Belgique conformément au Titre III.
TITEL II. - Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening naar Belgisch recht.
TITRE II. - Institutions de retraite professionnelle de droit belge.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Art.7. Deze titel is van toepassing op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening naar Belgisch recht.
Art.7. Le présent titre s'applique aux institutions de retraite professionnelle de droit belge.
Art.8. Elke instelling voor bedrijfspensioenvoorziening wordt opgericht als een afzonderlijke, van de bijdragende onderneming te onderscheiden rechtspersoon.
Zij neemt de vorm aan van een Organisme voor de Financiering van Pensioenen, dat geregeld wordt door Hoofdstuk II.
Zij neemt de vorm aan van een Organisme voor de Financiering van Pensioenen, dat geregeld wordt door Hoofdstuk II.
Art.8. Toute institution de retraite professionnelle est constituée en personne morale distincte de l'entreprise d'affiliation.
Elle prend la forme d'un Organisme de Financement de Pensions régi par le Chapitre II.
Elle prend la forme d'un Organisme de Financement de Pensions régi par le Chapitre II.
HOOFDSTUK II. - Het Organisme voor de Financiering van Pensioenen.
CHAPITRE II. - L'Organisme de Financement de Pensions.
Afdeling I. - Rechtspersoonlijkheid.
Section Ire. - Personnalité juridique.
Art.9. Het organisme voor de financiering van pensioenen geniet rechtspersoonlijkheid, onder de voorwaarden omschreven in dit Hoofdstuk.
Zijn zetel en zijn hoofdbestuur zijn in België gevestigd.
[1 ...]1
Zijn zetel en zijn hoofdbestuur zijn in België gevestigd.
[1 ...]1
Art.9. L'organisme de financement de pensions jouit de la personnalité juridique aux conditions définies dans le présent Chapitre.
Son siège social et son administration centrale sont établis en Belgique.
[1 ...]1
Son siège social et son administration centrale sont établis en Belgique.
[1 ...]1
Änderungen
Art.10. Het organisme voor de financiering van pensioenen beperkt zijn maatschappelijk doel tot de activiteiten bedoeld in artikel 2, 2°, en tot de activiteiten die er uit voortvloeien.
[1 Het organisme voor de financiering van pensioenen beperkt zijn activiteiten met betrekking tot Belgische pensioenregelingen tot het beheer van de pensioenuitkeringen bedoeld in artikel 2/1, § 1, de solidariteitsstelsels en -toezeggingen bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de voornoemde wet van 28 april 2003 of in artikel 46 van de voornoemde programmawet (I) van 24 december 2002 en tot de pensioenuitkeringen bedoeld in artikel 135, eerste lid.
Het organisme voor de financiering van pensioenen mag geen pensioenregelingen beheren die enkel of in hoofdzaak voorzien in voordelen bij overlijden, invaliditeit of arbeidsongeschiktheid, noch enkel of in hoofdzaak solidariteitsstelsels en -toezeggingen zoals bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de voornoemde wet van 28 april 2003 of in artikel 46 van de programmawet (I) van 24 december 2002, beheren.]1
Het mag geen ander stoffelijk voordeel verschaffen dan hetgeen verbonden is aan de verwezenlijking van het doel waarvoor het werd opgericht.
[1 Het organisme voor de financiering van pensioenen beperkt zijn activiteiten met betrekking tot Belgische pensioenregelingen tot het beheer van de pensioenuitkeringen bedoeld in artikel 2/1, § 1, de solidariteitsstelsels en -toezeggingen bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de voornoemde wet van 28 april 2003 of in artikel 46 van de voornoemde programmawet (I) van 24 december 2002 en tot de pensioenuitkeringen bedoeld in artikel 135, eerste lid.
Het organisme voor de financiering van pensioenen mag geen pensioenregelingen beheren die enkel of in hoofdzaak voorzien in voordelen bij overlijden, invaliditeit of arbeidsongeschiktheid, noch enkel of in hoofdzaak solidariteitsstelsels en -toezeggingen zoals bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de voornoemde wet van 28 april 2003 of in artikel 46 van de programmawet (I) van 24 december 2002, beheren.]1
Het mag geen ander stoffelijk voordeel verschaffen dan hetgeen verbonden is aan de verwezenlijking van het doel waarvoor het werd opgericht.
Art.10. L'organisme de financement de pensions limite son objet social aux activités visées à l'article 2, 2°, et à celles qui en découlent.
[1 Concernant les régimes de retraite belges, l'organisme de financement de pension limite ses activités à la gestion des prestations de retraite visées à l'article 2/1, § 1er, aux régimes et engagements de solidarité visés aux articles 10 et 11 de la loi du 28 avril 2003 précitée ou à l'article 46 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 précitée et aux prestations de retraite visées à l'article 135, alinéa 1er.
L'organisme de financement de pension ne peut gérer des régimes de retraite qui prévoient uniquement ou à titre principal des avantages décès, invalidité ou incapacité de travail, ou uniquement ou à titre principal des régimes et engagements de solidarité tels que visés aux articles 10 et 11 de la loi du 28 avril 2003 précitée ou à l'article 46 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]1
Il ne peut procurer d'autre gain matériel que celui lié à la réalisation du but pour lequel il a été créé.
[1 Concernant les régimes de retraite belges, l'organisme de financement de pension limite ses activités à la gestion des prestations de retraite visées à l'article 2/1, § 1er, aux régimes et engagements de solidarité visés aux articles 10 et 11 de la loi du 28 avril 2003 précitée ou à l'article 46 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 précitée et aux prestations de retraite visées à l'article 135, alinéa 1er.
L'organisme de financement de pension ne peut gérer des régimes de retraite qui prévoient uniquement ou à titre principal des avantages décès, invalidité ou incapacité de travail, ou uniquement ou à titre principal des régimes et engagements de solidarité tels que visés aux articles 10 et 11 de la loi du 28 avril 2003 précitée ou à l'article 46 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]1
Il ne peut procurer d'autre gain matériel que celui lié à la réalisation du but pour lequel il a été créé.
Änderungen
Art.11. Het organisme voor de financiering van pensioenen bezit rechtspersoonlijkheid vanaf de dag dat zijn statuten, de akten betreffende de benoeming van de leden van zijn raad van bestuur en in voorkomend geval van de personen gemachtigd om het organisme overeenkomstig artikel 28, derde lid, te vertegenwoordigen, worden neergelegd overeenkomstig artikel 49.
Onverminderd artikel 52, kunnen in naam van het organisme voor de financiering van pensioenen verbintenissen worden aangegaan vooraleer het rechtspersoonlijkheid bezit. Tenzij anders is overeengekomen, zijn de personen die, in welke hoedanigheid ook, dergelijke verbintenissen aangaan, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk indien het organisme voor de financiering van pensioenen binnen twee jaar na het ontstaan van de verbintenis, geen rechtspersoonlijkheid heeft verkregen en het bovendien de verbintenissen niet heeft overgenomen binnen zes maanden na het verkrijgen van de rechtspersoonlijkheid. Verbintenissen overgenomen door het organisme voor de financiering van pensioenen worden geacht door haar te zijn aangegaan vanaf het ontstaan van die verbintenissen.
Onverminderd artikel 52, kunnen in naam van het organisme voor de financiering van pensioenen verbintenissen worden aangegaan vooraleer het rechtspersoonlijkheid bezit. Tenzij anders is overeengekomen, zijn de personen die, in welke hoedanigheid ook, dergelijke verbintenissen aangaan, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk indien het organisme voor de financiering van pensioenen binnen twee jaar na het ontstaan van de verbintenis, geen rechtspersoonlijkheid heeft verkregen en het bovendien de verbintenissen niet heeft overgenomen binnen zes maanden na het verkrijgen van de rechtspersoonlijkheid. Verbintenissen overgenomen door het organisme voor de financiering van pensioenen worden geacht door haar te zijn aangegaan vanaf het ontstaan van die verbintenissen.
Art.11. La personnalité juridique est acquise à l'organisme de financement de pensions à compter du jour où ses statuts, les actes relatifs à la nomination des membres de son conseil d'administration et, le cas échéant, des personnes habilitées à représenter l'organisme conformément à l'article 28, alinéa 3, sont déposés conformément à l'article 49.
Sans préjudice de l'article 52, il pourra être pris des engagements au nom de l'organisme de financement de pensions avant l'acquisition par celui-ci de la personnalité juridique. Sauf convention contraire, ceux qui prennent de tels engagements, à quelque titre que ce soit, en sont personnellement et solidairement responsables, sauf si l'organisme de financement de pensions a acquis la personnalité juridique dans les deux ans de la naissance de l'engagement et a en outre repris cet engagement dans les six mois de l'acquisition de la personnalité juridique. Les engagements repris par l'organisme de financement de pensions sont réputés avoir été contractés par celui-ci dès leur origine.
Sans préjudice de l'article 52, il pourra être pris des engagements au nom de l'organisme de financement de pensions avant l'acquisition par celui-ci de la personnalité juridique. Sauf convention contraire, ceux qui prennent de tels engagements, à quelque titre que ce soit, en sont personnellement et solidairement responsables, sauf si l'organisme de financement de pensions a acquis la personnalité juridique dans les deux ans de la naissance de l'engagement et a en outre repris cet engagement dans les six mois de l'acquisition de la personnalité juridique. Les engagements repris par l'organisme de financement de pensions sont réputés avoir été contractés par celui-ci dès leur origine.
Art.12. Alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen en andere stukken die uitgaan van een organisme voor de financiering van pensioenen, vermelden zijn naam, onmiddellijk voorafgegaan of gevolgd door de woorden " organisme voor de financiering van pensioenen ", of door de afkorting " OFP ", [1 zijn ondernemingsnummer]1 en het adres van zijn zetel.
Eenieder die in naam van een organisme voor de financiering van pensioenen meewerkt aan een in het eerste lid vermeld stuk waarop één van de in dit artikel bedoelde vermeldingen niet is aangebracht, kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor alle of voor een gedeelte van de verbintenissen die het organisme voor de financiering van pensioenen krachtens dit stuk heeft aangegaan.
Eenieder die in naam van een organisme voor de financiering van pensioenen meewerkt aan een in het eerste lid vermeld stuk waarop één van de in dit artikel bedoelde vermeldingen niet is aangebracht, kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor alle of voor een gedeelte van de verbintenissen die het organisme voor de financiering van pensioenen krachtens dit stuk heeft aangegaan.
Art.12. Tous les actes, factures, annonces, publications et autres documents émanant d'un organisme de financement de pensions mentionnent sa dénomination, précédée ou suivie immédiatement des mots " organisme de financement de pensions " ou du sigle " OFP " [1 , son numéro d'entreprise]1 ainsi que l'adresse de son siège social.
Toute personne qui intervient pour un organisme de financement de pensions dans un document visé à l'alinéa 1er où l'une des mentions visées au présent article ne figure pas, peut être déclarée personnellement responsable de tout ou partie des engagements qui y sont pris par l'organisme de financement de pensions.
Toute personne qui intervient pour un organisme de financement de pensions dans un document visé à l'alinéa 1er où l'une des mentions visées au présent article ne figure pas, peut être déclarée personnellement responsable de tout ou partie des engagements qui y sont pris par l'organisme de financement de pensions.
Änderungen
Afdeling II. - De algemene vergadering.
Section II. - L'assemblée générale.
Art.13. De algemene vergadering heeft de meest uitgebreide bevoegdheid om de handelingen die het organisme voor de financiering van pensioenen aangaat, te verrichten of te bekrachtigen.
Art.13. L'assemblée générale a les pouvoirs les plus étendus pour faire ou ratifier les actes qui intéressent l'organisme de financement de pensions.
Art.14. [1 § 1. Met uitzondering van de bijdragende ondernemingen die uitsluitend betrokken zijn bij de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, dient elke bijdragende onderneming lid te zijn van het organisme voor de financiering van pensioenen zolang dat belast is met het beheer van haar pensioenregeling(en).
§ 2. Kunnen lid zijn van het organisme voor de financiering van pensioenen :
1° de bijdragende onderneming(en);
2° de aangeslotenen of de [2 pensioengerechtigden]2, of hun vertegenwoordigers;
3° [3 andere ondernemingen of instellingen uit dezelfde groep van ondernemingen.]3
De in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde leden moeten samen minstens twee derde van de stemrechten in de algemene vergadering bezitten.
§ 3. De algemene vergadering is samengesteld uit alle leden van het organisme voor de financiering van pensioenen.
De statuten kunnen de leden onderverdelen in gewone leden en buitengewone leden.
Elk gewoon lid heeft minstens één stem.
De buitengewone leden hebben geen stem tenzij de statuten daar anders over beslissen.
§ 4. Het organisme voor de financiering van pensioenen telt minstens één gewoon lid.
De statuten voorzien in een procedure opdat het organisme voor de financiering van pensioenen niet langer dan zes maanden zonder gewoon lid zou kunnen werken.
Onverminderd de bepalingen van afdeling V kunnen de buitengewone leden of, bij ontstentenis daarvan, de raad van bestuur beslissen tot de ontbinding van het organisme voor de financiering van pensioenen, indien dat, na afloop van de in het tweede lid bedoelde termijn, geen enkel gewoon lid telt. Als geen akkoord wordt bereikt tussen de buitengewone leden of binnen de raad van bestuur, kan elk buitengewoon lid en elk lid van de raad van bestuur de ontbinding van het organisme eisen.]1
§ 2. Kunnen lid zijn van het organisme voor de financiering van pensioenen :
1° de bijdragende onderneming(en);
2° de aangeslotenen of de [2 pensioengerechtigden]2, of hun vertegenwoordigers;
3° [3 andere ondernemingen of instellingen uit dezelfde groep van ondernemingen.]3
De in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde leden moeten samen minstens twee derde van de stemrechten in de algemene vergadering bezitten.
§ 3. De algemene vergadering is samengesteld uit alle leden van het organisme voor de financiering van pensioenen.
De statuten kunnen de leden onderverdelen in gewone leden en buitengewone leden.
Elk gewoon lid heeft minstens één stem.
De buitengewone leden hebben geen stem tenzij de statuten daar anders over beslissen.
§ 4. Het organisme voor de financiering van pensioenen telt minstens één gewoon lid.
De statuten voorzien in een procedure opdat het organisme voor de financiering van pensioenen niet langer dan zes maanden zonder gewoon lid zou kunnen werken.
Onverminderd de bepalingen van afdeling V kunnen de buitengewone leden of, bij ontstentenis daarvan, de raad van bestuur beslissen tot de ontbinding van het organisme voor de financiering van pensioenen, indien dat, na afloop van de in het tweede lid bedoelde termijn, geen enkel gewoon lid telt. Als geen akkoord wordt bereikt tussen de buitengewone leden of binnen de raad van bestuur, kan elk buitengewoon lid en elk lid van de raad van bestuur de ontbinding van het organisme eisen.]1
Art.14. [1 § 1er. A l'exception des entreprises d'affiliation concernées uniquement par les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2°, chaque entreprise d'affiliation doit être membre de l'organisme de financement de pensions aussi longtemps que celui-ci est chargé de la gestion de son ou de ses régimes de retraite.
§ 2. Peuvent être membres de l'organisme de financement de pensions :
1° la ou les entreprises d'affiliation;
2° les affiliés ou les bénéficiaires, ou leurs représentants;
3° [2 d'autres entreprises ou organismes faisant partie du même groupe d'entreprises.]2
Les membres visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, doivent posséder ensemble au moins les deux tiers des droits de vote à l'assemblée générale.
§ 3. L'assemblée générale se compose de tous les membres de l'organisme de financement de pensions.
Les statuts peuvent répartir les membres en membres ordinaires et membres extraordinaires.
Chaque membre ordinaire dispose d'au moins une voix.
Les membres extraordinaires n'ont pas de voix à moins que les statuts en décident autrement.
§ 4. L'organisme de financement de pensions compte au moins un membre ordinaire.
Les statuts prévoient une procédure afin que l'organisme de financement de pensions ne puisse fonctionner sans membre ordinaire pendant plus de six mois.
Sans préjudice des dispositions de la section V, si, au terme du délai visé à l'alinéa 2, l'organisme de financement de pensions ne comporte pas de membre ordinaire, les membres extraordinaires ou, à défaut, le conseil d'administration, peuvent décider la dissolution de l'organisme de financement de pensions. A défaut d'accord entre les membres extraordinaires ou au sein du conseil d'administration, chaque membre extraordinaire et chaque membre du conseil d'administration peut requérir la dissolution de l'organisme.]1
§ 2. Peuvent être membres de l'organisme de financement de pensions :
1° la ou les entreprises d'affiliation;
2° les affiliés ou les bénéficiaires, ou leurs représentants;
3° [2 d'autres entreprises ou organismes faisant partie du même groupe d'entreprises.]2
Les membres visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, doivent posséder ensemble au moins les deux tiers des droits de vote à l'assemblée générale.
§ 3. L'assemblée générale se compose de tous les membres de l'organisme de financement de pensions.
Les statuts peuvent répartir les membres en membres ordinaires et membres extraordinaires.
Chaque membre ordinaire dispose d'au moins une voix.
Les membres extraordinaires n'ont pas de voix à moins que les statuts en décident autrement.
§ 4. L'organisme de financement de pensions compte au moins un membre ordinaire.
Les statuts prévoient une procédure afin que l'organisme de financement de pensions ne puisse fonctionner sans membre ordinaire pendant plus de six mois.
Sans préjudice des dispositions de la section V, si, au terme du délai visé à l'alinéa 2, l'organisme de financement de pensions ne comporte pas de membre ordinaire, les membres extraordinaires ou, à défaut, le conseil d'administration, peuvent décider la dissolution de l'organisme de financement de pensions. A défaut d'accord entre les membres extraordinaires ou au sein du conseil d'administration, chaque membre extraordinaire et chaque membre du conseil d'administration peut requérir la dissolution de l'organisme.]1
Art.15. Wanneer een rechtspersoon aangewezen wordt tot lid van een organisme voor de financiering van pensioenen, duidt deze onder zijn vennoten, zaakvoerders, bestuurders, leden van het directiecomité of werknemers [2 of onder diezelfde personen van de onderneming, de instelling of de entiteit die een controlebevoegdheid over deze rechtspersoon uitoefent,]2 [1 minstens één vaste vertegenwoordiger]1 aan die belast wordt met de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon.
[1 Elke]1 [2 vaste vertegenwoordiger]2 moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en is burgerrechtelijk aansprakelijk en strafrechtelijk verantwoordelijk alsof hij zelf de betrokken opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou volbracht hebben, onverminderd de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt. Deze laatste mag [1 een [2 vaste vertegenwoordiger]2]1 niet ontslaan zonder tegelijk een opvolger te benoemen.
[1 Elke]1 [2 vaste vertegenwoordiger]2 moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en is burgerrechtelijk aansprakelijk en strafrechtelijk verantwoordelijk alsof hij zelf de betrokken opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou volbracht hebben, onverminderd de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt. Deze laatste mag [1 een [2 vaste vertegenwoordiger]2]1 niet ontslaan zonder tegelijk een opvolger te benoemen.
Art.15. Lorsqu'une personne morale est nommée membre d'un organisme de financement de pensions, elle est tenue de désigner parmi ses associés, gérants, administrateurs, membres du comité de direction ou travailleurs [2 ou parmi ces mêmes personnes au sein de l'entreprise, l'organisme ou l'entité qui détient un pouvoir de contrôle sur cette personne morale,]2 [1 au moins un représentant permanent]1 chargé de l'exécution de cette mission au nom et pour compte de la personne morale.
[1 Chaque [2 représentant permanent]2]1 est soumis aux mêmes conditions et encourt les mêmes responsabilités civiles et pénales que s'il exerçait cette mission en nom et pour compte propres, sans préjudice de la responsabilité solidaire de la personne morale qu'il représente. Celle-ci ne peut révoquer [1 un [2 représentant permanent]2]1 qu'en désignant simultanément son successeur.
[1 Chaque [2 représentant permanent]2]1 est soumis aux mêmes conditions et encourt les mêmes responsabilités civiles et pénales que s'il exerçait cette mission en nom et pour compte propres, sans préjudice de la responsabilité solidaire de la personne morale qu'il représente. Celle-ci ne peut révoquer [1 un [2 représentant permanent]2]1 qu'en désignant simultanément son successeur.
Art.16. De raad van bestuur houdt op de zetel van het organisme voor de financiering van pensioenen een register van de leden van de algemene vergadering. Dit register vermeldt de naam, voornamen en woonplaats van de leden of, ingeval het een rechtspersoon betreft, de naam, de rechtsvorm [1 , het ondernemingsnummer]1 en het adres van de zetel. Bovendien moeten alle beslissingen betreffende de toetreding, uittreding of uitsluiting van leden door toedoen van de raad van bestuur in dat register worden ingeschreven binnen acht dagen nadat hij van de beslissing in kennis is gesteld.
Alle belanghebbenden hebben recht op inzage in dit register op de zetel van het organisme voor de financiering van pensioenen.
Alle belanghebbenden hebben recht op inzage in dit register op de zetel van het organisme voor de financiering van pensioenen.
Art.16. Le conseil d'administration tient au siège de l'organisme de financement de pensions un registre des membres de l'assemblée générale. Ce registre reprend les nom, prénoms et domicile des membres, ou lorsqu'il s'agit d'une personne morale, la dénomination sociale, la forme juridique [1 , le numéro d'entreprise]1 et l'adresse du siège social. En outre, toutes les décisions d'admission, de démission ou d'exclusion des membres sont inscrites dans ce registre par les soins du conseil d'administration endéans les huit jours de la connaissance que le conseil a eue de la décision.
Tous les tiers intéressés ont un droit de regard sur ce registre au siège de l'organisme de financement de pensions.
Tous les tiers intéressés ont un droit de regard sur ce registre au siège de l'organisme de financement de pensions.
Änderungen
Art.17. De algemene vergadering wordt door de raad van bestuur bijeengeroepen in de gevallen bepaald bij de wet of de statuten of wanneer ten minste één vijfde van de leden het vraagt en minstens eenmaal per jaar.
Alle leden worden voor de algemene vergadering opgeroepen.
Elk lid kan zich laten vertegenwoordigen door een gewoon lid of, indien de statuten het toelaten, door een buitengewoon lid. De statuten kunnen de volmachten die aan een lid worden toegekend, beperken.
Alle leden worden voor de algemene vergadering opgeroepen.
Elk lid kan zich laten vertegenwoordigen door een gewoon lid of, indien de statuten het toelaten, door een buitengewoon lid. De statuten kunnen de volmachten die aan een lid worden toegekend, beperken.
Art.17. L'assemblée générale est convoquée par le conseil d'administration dans les cas prévus par la loi ou les statuts ou lorsqu'un cinquième au moins des membres en fait la demande et au moins une fois l'an.
Tous les membres sont convoqués à l'assemblée générale.
Chaque membre peut se faire représenter par un membre ordinaire ou, si les statuts le permettent, par un membre extraordinaire. Les statuts peuvent limiter le nombre de procurations dont un membre peut être porteur.
Tous les membres sont convoqués à l'assemblée générale.
Chaque membre peut se faire représenter par un membre ordinaire ou, si les statuts le permettent, par un membre extraordinaire. Les statuts peuvent limiter le nombre de procurations dont un membre peut être porteur.
Art.18. De statuten bepalen de modaliteiten, termijnen en voorwaarden voor de oproeping, het verloop en de besluitneming van de algemene vergadering.
Bij gebreke aan enige andersluidende wettelijke of statutaire bepaling zijn volgende regels van toepassing :
1° alle leden worden ten minste acht dagen tevoren voor de algemene vergadering opgeroepen; de agenda wordt bij de oproepingsbrief gevoegd; elk voorstel, ondertekend door ten minste één twintigste van de leden, wordt op de agenda gebracht;
2° de algemene vergadering is geldig samengesteld indien minstens een gewoon lid aanwezig of vertegenwoordigd is;
3° ieder gewoon lid heeft een gelijk stemrecht;
4° de beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen van de aanwezige of vertegenwoordigde stemgerechtigde leden of wanneer er slechts een lid aanwezig of vertegenwoordigd is, eenzijdig door dat lid; onthoudingen en ongeldige stemmen worden niet meegeteld;
5° bij het nemen van besluiten mag niet van de agenda worden afgeweken;
6° bij staking van stemmen wordt de beslissing geacht te zijn verworpen.
Bij gebreke aan enige andersluidende wettelijke of statutaire bepaling zijn volgende regels van toepassing :
1° alle leden worden ten minste acht dagen tevoren voor de algemene vergadering opgeroepen; de agenda wordt bij de oproepingsbrief gevoegd; elk voorstel, ondertekend door ten minste één twintigste van de leden, wordt op de agenda gebracht;
2° de algemene vergadering is geldig samengesteld indien minstens een gewoon lid aanwezig of vertegenwoordigd is;
3° ieder gewoon lid heeft een gelijk stemrecht;
4° de beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen van de aanwezige of vertegenwoordigde stemgerechtigde leden of wanneer er slechts een lid aanwezig of vertegenwoordigd is, eenzijdig door dat lid; onthoudingen en ongeldige stemmen worden niet meegeteld;
5° bij het nemen van besluiten mag niet van de agenda worden afgeweken;
6° bij staking van stemmen wordt de beslissing geacht te zijn verworpen.
Art.18. Les statuts déterminent les modalités, délais et conditions pour la convocation, le déroulement et la prise de décision de l'assemblée générale.
A défaut d'une disposition légale ou statutaire contraire, les règles suivantes sont d'application :
1° tous les membres sont convoqués à l'assemblée générale au moins huit jours avant celle-ci; l'ordre du jour est joint à cette convocation; chaque proposition signée d'un nombre de membres au moins égal au vingtième est portée à l'ordre du jour;
2° l'assemblée générale est valablement constituée lorsqu'au moins un membre ordinaire est présent ou représenté;
3° chaque membre ordinaire a un droit de vote égal;
4° les résolutions sont prises à la majorité simple des voix valablement émises des membres ayant un droit de vote présents ou représentés ou lorsqu'un seul membre est présent ou représenté, unilatéralement par ce membre; les abstentions et les voix non valablement émises ne sont pas prises en compte;
5° des résolutions ne peuvent être prises en dehors de l'ordre du jour;
6° en cas de partage des voix, la résolution est réputée être rejetée.
A défaut d'une disposition légale ou statutaire contraire, les règles suivantes sont d'application :
1° tous les membres sont convoqués à l'assemblée générale au moins huit jours avant celle-ci; l'ordre du jour est joint à cette convocation; chaque proposition signée d'un nombre de membres au moins égal au vingtième est portée à l'ordre du jour;
2° l'assemblée générale est valablement constituée lorsqu'au moins un membre ordinaire est présent ou représenté;
3° chaque membre ordinaire a un droit de vote égal;
4° les résolutions sont prises à la majorité simple des voix valablement émises des membres ayant un droit de vote présents ou représentés ou lorsqu'un seul membre est présent ou représenté, unilatéralement par ce membre; les abstentions et les voix non valablement émises ne sont pas prises en compte;
5° des résolutions ne peuvent être prises en dehors de l'ordre du jour;
6° en cas de partage des voix, la résolution est réputée être rejetée.
Art.19. De beslissingen van de algemene vergadering worden vastgelegd in notulen die bewaard worden op de zetel van het organisme voor de financiering van pensioenen.
Elk lid heeft recht op inzage in de notulen en de beslissingen van de algemene vergadering alsook in alle documenten waarover de algemene vergadering beraadslaagt.
Het inzagerecht wordt kosteloos uitgeoefend tenzij de statuten er anders over beschikken.
Elk lid heeft recht op inzage in de notulen en de beslissingen van de algemene vergadering alsook in alle documenten waarover de algemene vergadering beraadslaagt.
Het inzagerecht wordt kosteloos uitgeoefend tenzij de statuten er anders over beschikken.
Art.19. Les résolutions de l'assemblée générale sont constatées dans des procès-verbaux qui sont conservés au siège de l'organisme de financement de pensions.
Chaque membre a un droit de regard sur les procès-verbaux et les résolutions de l'assemblée générale ainsi que sur tous les documents sur lesquels l'assemblée générale délibère.
Le droit de regard est exercé gratuitement à moins que les statuts n'en disposent autrement.
Chaque membre a un droit de regard sur les procès-verbaux et les résolutions de l'assemblée générale ainsi que sur tous les documents sur lesquels l'assemblée générale délibère.
Le droit de regard est exercé gratuitement à moins que les statuts n'en disposent autrement.
Art.20. Een besluit van de algemene vergadering is vereist voor :
1° de wijziging van de statuten;
2° de benoeming, de afzetting en ambtsbeëindiging van de bestuurders;
3° de aanduiding, de afzetting en de bezoldiging van de erkende commissarissen en de erkende revisoraats-vennootschappen;
4° de uitsluiting van leden;
5° de goedkeuring van de jaarrekeningen en het jaarverslag;
6° de kwijting aan de bestuurders alsook aan de erkende commissarissen en revisoraats-vennootschappen;
7° de bekrachtiging van het financieringsplan bedoeld in artikel 86 en van haar wijzigingen;
8° de bekrachtiging van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 95;
9 de bekrachtiging van de beheersovereenkomsten met de bijdragende ondernemingen;
10° de bekrachtiging van collectieve overdrachten;
11° de ontbinding en de vereffening van het organisme voor de financiering van pensioenen.
1° de wijziging van de statuten;
2° de benoeming, de afzetting en ambtsbeëindiging van de bestuurders;
3° de aanduiding, de afzetting en de bezoldiging van de erkende commissarissen en de erkende revisoraats-vennootschappen;
4° de uitsluiting van leden;
5° de goedkeuring van de jaarrekeningen en het jaarverslag;
6° de kwijting aan de bestuurders alsook aan de erkende commissarissen en revisoraats-vennootschappen;
7° de bekrachtiging van het financieringsplan bedoeld in artikel 86 en van haar wijzigingen;
8° de bekrachtiging van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 95;
9 de bekrachtiging van de beheersovereenkomsten met de bijdragende ondernemingen;
10° de bekrachtiging van collectieve overdrachten;
11° de ontbinding en de vereffening van het organisme voor de financiering van pensioenen.
Art.20. Une décision de l'assemblée générale est requise pour :
1° la modification des statuts;
2° la nomination, la révocation et la cessation de fonctions des administrateurs;
3° la désignation, la révocation et la rémunération des commissaires agréés et des sociétés de révision agréées;
4° l'exclusion de membres;
5° l'approbation des comptes annuels et du rapport annuel;
6° la décharge à octroyer aux administrateurs ainsi qu'aux commissaires agréés et sociétés de révision agréées;
7° la ratification du plan de financement visé à l'article 86 et de ses modifications;
8° la ratification de la déclaration sur les principes de la politique de placement visée à l'article 95;
9 la ratification des conventions de gestion avec les entreprises d'affiliation;
10° la ratification des transferts collectifs;
11° la dissolution et la liquidation de l'organisme de financement de pensions.
1° la modification des statuts;
2° la nomination, la révocation et la cessation de fonctions des administrateurs;
3° la désignation, la révocation et la rémunération des commissaires agréés et des sociétés de révision agréées;
4° l'exclusion de membres;
5° l'approbation des comptes annuels et du rapport annuel;
6° la décharge à octroyer aux administrateurs ainsi qu'aux commissaires agréés et sociétés de révision agréées;
7° la ratification du plan de financement visé à l'article 86 et de ses modifications;
8° la ratification de la déclaration sur les principes de la politique de placement visée à l'article 95;
9 la ratification des conventions de gestion avec les entreprises d'affiliation;
10° la ratification des transferts collectifs;
11° la dissolution et la liquidation de l'organisme de financement de pensions.
Art. 20/1. [1 Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk moet een organisme voor de financiering van pensioenen, die pensioenregelingen beheert voor ondernemingen of instellingen die niet behoren tot dezelfde groep van ondernemingen, de volgende regels in acht nemen:
1° in afwijking van artikel 14, § 3, vierde lid, beschikken de bijdragende ondernemingen steeds over stemrecht met betrekking tot:
a) de materies opgesomd in artikel 20 in de mate dat die materies de pensioenregeling(en) betreffen waarvan ze het beheer aan het organisme voor de financiering van pensioenen hebben toevertrouwd;
b) de benoeming van (een) onafhankelijke bestuurder(s);
c) de maatregelen die worden genomen met toepassing van artikel 34, vierde lid;
2° bij het bepalen van de modaliteiten, termijnen en voorwaarden voor de oproeping, het verloop en de besluitneming van de algemene vergadering, bedoeld in artikel 18, wordt rekening gehouden met een billijke vertegenwoordiging van alle bijdragende ondernemingen en met de omvang, aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van het organisme voor de financiering van pensioenen;
3° de bijdragende ondernemingen kunnen steeds de aanstelling van een onafhankelijke bestuurder aan de algemene vergadering voorleggen, ongeacht of de statuten in de aanstelling van een onafhankelijke bestuurder voorzien;
4° de bijdragende ondernemingen kunnen steeds een punt agenderen op een vergadering van de algemene vergadering of van de raad van bestuur.]1
1° in afwijking van artikel 14, § 3, vierde lid, beschikken de bijdragende ondernemingen steeds over stemrecht met betrekking tot:
a) de materies opgesomd in artikel 20 in de mate dat die materies de pensioenregeling(en) betreffen waarvan ze het beheer aan het organisme voor de financiering van pensioenen hebben toevertrouwd;
b) de benoeming van (een) onafhankelijke bestuurder(s);
c) de maatregelen die worden genomen met toepassing van artikel 34, vierde lid;
2° bij het bepalen van de modaliteiten, termijnen en voorwaarden voor de oproeping, het verloop en de besluitneming van de algemene vergadering, bedoeld in artikel 18, wordt rekening gehouden met een billijke vertegenwoordiging van alle bijdragende ondernemingen en met de omvang, aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van het organisme voor de financiering van pensioenen;
3° de bijdragende ondernemingen kunnen steeds de aanstelling van een onafhankelijke bestuurder aan de algemene vergadering voorleggen, ongeacht of de statuten in de aanstelling van een onafhankelijke bestuurder voorzien;
4° de bijdragende ondernemingen kunnen steeds een punt agenderen op een vergadering van de algemene vergadering of van de raad van bestuur.]1
Art. 20/1. [1 Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, un organisme de financement de pensions qui gère des régimes de retraite pour des entreprises ou organismes ne faisant pas partie du même groupe d'entreprises, est tenu de respecter les règles suivantes:
1° par dérogation à l'article 14, § 3, alinéa 4, les entreprises d'affiliation disposent toujours du droit de vote pour:
a) les matières énumérées à l'article 20, dans la mesure où ces matières concernent le ou les régimes de retraite dont elles ont confié la gestion à l'organisme de financement de pensions;
b) la nomination d'un ou de plusieurs administrateurs indépendants;
c) les mesures prises en application de l'article 34, alinéa 4;
2° la détermination des modalités, délais et conditions pour la convocation, le déroulement et la prise de décision de l'assemblée générale, tels que visés à l'article 18, est opérée en veillant à une représentation équitable de toutes les entreprises d'affiliation et en tenant compte de la taille, de la nature, de l'ampleur et de la complexité des activités de l'organisme de financement de pensions;
3° les entreprises d'affiliation peuvent toujours proposer à l'assemblée générale la désignation d'un administrateur indépendant, que les statuts prévoient ou non la désignation d'un tel administrateur;
4° les entreprises d'affiliation peuvent toujours porter un point à l'ordre du jour d'une réunion de l'assemblée générale ou du conseil d'administration.]1
1° par dérogation à l'article 14, § 3, alinéa 4, les entreprises d'affiliation disposent toujours du droit de vote pour:
a) les matières énumérées à l'article 20, dans la mesure où ces matières concernent le ou les régimes de retraite dont elles ont confié la gestion à l'organisme de financement de pensions;
b) la nomination d'un ou de plusieurs administrateurs indépendants;
c) les mesures prises en application de l'article 34, alinéa 4;
2° la détermination des modalités, délais et conditions pour la convocation, le déroulement et la prise de décision de l'assemblée générale, tels que visés à l'article 18, est opérée en veillant à une représentation équitable de toutes les entreprises d'affiliation et en tenant compte de la taille, de la nature, de l'ampleur et de la complexité des activités de l'organisme de financement de pensions;
3° les entreprises d'affiliation peuvent toujours proposer à l'assemblée générale la désignation d'un administrateur indépendant, que les statuts prévoient ou non la désignation d'un tel administrateur;
4° les entreprises d'affiliation peuvent toujours porter un point à l'ordre du jour d'une réunion de l'assemblée générale ou du conseil d'administration.]1
Afdeling III. - Operationele organen.
Section III. - Organes opérationnels.
Onderafdeling 1. - Bepalingen die voor alle operationele organen gelden.
Sous-section 1re. - Dispositions communes à tous les organes opérationnels.
Art.21. De operationele organen van het organisme voor de financiering van pensioenen zijn deze die met zijn bestuur belast zijn [1 ...]1. Ze bestaan uit de raad van bestuur en, in voorkomend geval, de andere operationele organen bedoeld in Onderafdeling 3.
Art.21. Les organes opérationnels de l'organisme de financement de pensions sont ceux qui sont chargés de son administration [1 ...]1. Ils comprennent le conseil d'administration et, le cas échéant, les autres organes opérationnels visés à la Sous-section 3.
Änderungen
Art.23. [1 Wanneer een rechtspersoon aangewezen wordt tot lid van een operationeel orgaan van een organisme voor de financiering van pensioenen, duidt deze onder zijn vennoten, zaakvoerders, bestuurders, leden van het directiecomité of werknemers een vaste vertegenwoordiger aan die belast wordt met de uitvoering van die opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon.
Deze vertegenwoordiger moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en is burgerrechtelijk aansprakelijk en strafrechtelijk verantwoordelijk alsof hij zelf de betrokken opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou volbracht hebben, onverminderd de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt. Deze laatste mag zijn vertegenwoordiger niet ontslaan zonder tegelijk een opvolger te benoemen.]1
[2 De bepalingen van artikel 77 zijn van toepassing op deze vertegenwoordigers.]2
Deze vertegenwoordiger moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en is burgerrechtelijk aansprakelijk en strafrechtelijk verantwoordelijk alsof hij zelf de betrokken opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou volbracht hebben, onverminderd de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt. Deze laatste mag zijn vertegenwoordiger niet ontslaan zonder tegelijk een opvolger te benoemen.]1
[2 De bepalingen van artikel 77 zijn van toepassing op deze vertegenwoordigers.]2
Art.23. [1 Lorsqu'une personne morale est nommée membre d'un organe opérationnel d'un organisme de financement de pensions, elle est tenue de désigner parmi ses associés, gérants, administrateurs, membres du comité de direction ou travailleurs un représentant permanent chargé de l'exécution de cette mission au nom et pour compte de la personne morale.
Ce représentant est soumis aux mêmes conditions et encourt les mêmes responsabilités civiles et pénales que s'il exerçait cette mission en nom et pour compte propres, sans préjudice de la responsabilité solidaire de la personne morale qu'il représente. Celle-ci ne peut révoquer son représentant qu'en désignant simultanément son successeur.]1
[2 Les dispositions de l'article 77 sont applicables à ces représentants.]2
Ce représentant est soumis aux mêmes conditions et encourt les mêmes responsabilités civiles et pénales que s'il exerçait cette mission en nom et pour compte propres, sans préjudice de la responsabilité solidaire de la personne morale qu'il représente. Celle-ci ne peut révoquer son représentant qu'en désignant simultanément son successeur.]1
[2 Les dispositions de l'article 77 sont applicables à ces représentants.]2
Art.26. De leden van de operationele organen [2 en de personen die een sleutelfunctie uitoefenen]2 gaan in die hoedanigheid geen enkele persoonlijke verplichting aan inzake de verbintenissen van het organisme voor de financiering van pensioenen. Zij zijn alleen verantwoordelijk voor de vervulling van hun opgedragen taak en voor de fouten in hun bestuur [2 of in de uitvoering van hun sleutelfunctie]2.
De leden [2 van de raad van bestuur]2 van een organisme voor de financiering van pensioenen zijn hoofdelijk aansprakelijk tegenover de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van pensioenregelingen voor elke schade die voortvloeit uit de niet-nakoming van de verplichtingen die zijn opgelegd door of krachtens de wetten betreffende de pensioenregelingen die het organisme voor de financiering van pensioenen beheert [2 en uit de miskenning van de statuten]2.
Ten aanzien van overtredingen waaraan zij geen deel hebben gehad, [2 worden de personen bedoeld in het eerste en tweede lid slechts ontheven van de in dezelfde leden bedoelde aansprakelijkheid]2 wanneer hen geen schuld te wijten is en men hen niet kan verwijten nagelaten te hebben alle hun ter beschikking staande middelen aan te wenden om de schade te voorkomen of te beperken.
De leden [2 van de raad van bestuur]2 van een organisme voor de financiering van pensioenen zijn hoofdelijk aansprakelijk tegenover de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van pensioenregelingen voor elke schade die voortvloeit uit de niet-nakoming van de verplichtingen die zijn opgelegd door of krachtens de wetten betreffende de pensioenregelingen die het organisme voor de financiering van pensioenen beheert [2 en uit de miskenning van de statuten]2.
Ten aanzien van overtredingen waaraan zij geen deel hebben gehad, [2 worden de personen bedoeld in het eerste en tweede lid slechts ontheven van de in dezelfde leden bedoelde aansprakelijkheid]2 wanneer hen geen schuld te wijten is en men hen niet kan verwijten nagelaten te hebben alle hun ter beschikking staande middelen aan te wenden om de schade te voorkomen of te beperken.
Art.26. Les membres des organes opérationnels [1 et les personnes qui exerçent une fonction clé]1 ne contractent en cette qualité aucune obligation personnelle relativement aux engagements de l'organisme de financement de pensions. Leur responsabilité se limite à l'exécution du mandat dont ils ont été chargés et aux fautes commises dans leur gestion [1 ou dans l'exécution de leur fonction clé]1.
Les membres [1 du conseil d'administration]1 d'un organisme de financement de pensions sont solidairement responsables envers les affiliés et les bénéficiaires de régimes de retraite, de tous dommages résultant de la violation des obligations imposées par ou en vertu des lois qui régissent les régimes de retraite que l'organisme de financement de pensions gère [1 ou du non-respect des statuts]1.
[1 Les personnes visées aux alinéas 1er et 2 ne sont déchargées des responsabilités visées aux mêmes alinéas]1, quant aux infractions auxquelles [1 elles n'ont pas pris part]1, que si aucune faute ne leur est imputable et si l'on ne peut leur reprocher de ne pas avoir mis en oeuvre tous les moyens à leur disposition pour empêcher ou limiter le dommage.
Les membres [1 du conseil d'administration]1 d'un organisme de financement de pensions sont solidairement responsables envers les affiliés et les bénéficiaires de régimes de retraite, de tous dommages résultant de la violation des obligations imposées par ou en vertu des lois qui régissent les régimes de retraite que l'organisme de financement de pensions gère [1 ou du non-respect des statuts]1.
[1 Les personnes visées aux alinéas 1er et 2 ne sont déchargées des responsabilités visées aux mêmes alinéas]1, quant aux infractions auxquelles [1 elles n'ont pas pris part]1, que si aucune faute ne leur est imputable et si l'on ne peut leur reprocher de ne pas avoir mis en oeuvre tous les moyens à leur disposition pour empêcher ou limiter le dommage.
Änderungen
Onderafdeling 2. - De raad van bestuur.
Sous-section 2. - Le conseil d'administration.
Art.27. De raad van bestuur bepaalt het algemeen beleid van het organisme voor de financiering van pensioenen en oefent het toezicht uit op de andere operationele organen.
[1 De raad van bestuur draagt de eindverantwoordelijkheid voor de naleving door het organisme voor de financiering van pensioenen van de bepalingen van deze wet of die krachtens deze wet zijn vastgesteld.]1
[1 De raad van bestuur draagt de eindverantwoordelijkheid voor de naleving door het organisme voor de financiering van pensioenen van de bepalingen van deze wet of die krachtens deze wet zijn vastgesteld.]1
Art.27. Le conseil d'administration détermine la politique générale de l'organisme de financement de pensions et exerce le contrôle sur les autres organes opérationnels.
[1 Le conseil d'administration assume la responsabilité finale du respect, par l'organisme de financement de pensions, des dispositions de la présente loi ou qui ont été prises en vertu de la présente loi.]1
[1 Le conseil d'administration assume la responsabilité finale du respect, par l'organisme de financement de pensions, des dispositions de la présente loi ou qui ont été prises en vertu de la présente loi.]1
Änderungen
Art.28. De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van het organisme voor de financiering van pensioenen, met uitzondering van deze die de wet of de statuten voorbehouden aan de algemene vergadering.
De raad van bestuur vertegenwoordigt het organisme voor de financiering van pensioenen in en buiten rechte.
In afwijking van het tweede lid, mag de vertegenwoordiging van het organisme voor de financiering van pensioenen in en buiten rechte, op de wijze bepaald in de statuten, opgedragen worden aan een of meer personen, al dan niet bestuurders, al dan niet leden van de algemene vergadering, die alleen, gezamenlijk of collegiaal optreden. Deze beslissing kan aan derden worden tegengeworpen onder de voorwaarden bepaald in artikel 51.
De statuten kunnen de bevoegdheden die aan de raad van bestuur worden toegekend, beperken. Deze beperkingen, alsook de taakverdeling die de bestuurders eventueel zijn overeengekomen, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen, zelfs niet indien zij zijn bekendgemaakt.
De raad van bestuur vertegenwoordigt het organisme voor de financiering van pensioenen in en buiten rechte.
In afwijking van het tweede lid, mag de vertegenwoordiging van het organisme voor de financiering van pensioenen in en buiten rechte, op de wijze bepaald in de statuten, opgedragen worden aan een of meer personen, al dan niet bestuurders, al dan niet leden van de algemene vergadering, die alleen, gezamenlijk of collegiaal optreden. Deze beslissing kan aan derden worden tegengeworpen onder de voorwaarden bepaald in artikel 51.
De statuten kunnen de bevoegdheden die aan de raad van bestuur worden toegekend, beperken. Deze beperkingen, alsook de taakverdeling die de bestuurders eventueel zijn overeengekomen, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen, zelfs niet indien zij zijn bekendgemaakt.
Art.28. Le conseil d'administration a le pouvoir d'accomplir tous les actes nécessaires ou utiles à la réalisation de l'objet social de l'organisme de financement de pensions, à l'exception de ceux que la loi ou les statuts réservent à l'assemblée générale.
Le conseil d'administration représente l'organisme de financement de pensions dans les actes judiciaires et extrajudiciaires.
Par dérogation à l'alinéa 2, la représentation de l'organisme de financement de pensions dans les actes judiciaires et extrajudiciaires peut, selon les modalités fixées par les statuts, être déléguée à une ou plusieurs personnes, administrateurs ou non, membres ou non de l'assemblée générale, agissant soit individuellement, soit conjointement, soit en collège. Cette décision est opposable aux tiers dans les conditions prévues à l'article 51.
Les statuts peuvent apporter des restrictions aux pouvoirs attribués au conseil d'administration. Ces restrictions, de même que la répartition des tâches dont les administrateurs auraient éventuellement convenu, ne sont pas opposables aux tiers, même si elles sont publiées.
Le conseil d'administration représente l'organisme de financement de pensions dans les actes judiciaires et extrajudiciaires.
Par dérogation à l'alinéa 2, la représentation de l'organisme de financement de pensions dans les actes judiciaires et extrajudiciaires peut, selon les modalités fixées par les statuts, être déléguée à une ou plusieurs personnes, administrateurs ou non, membres ou non de l'assemblée générale, agissant soit individuellement, soit conjointement, soit en collège. Cette décision est opposable aux tiers dans les conditions prévues à l'article 51.
Les statuts peuvent apporter des restrictions aux pouvoirs attribués au conseil d'administration. Ces restrictions, de même que la répartition des tâches dont les administrateurs auraient éventuellement convenu, ne sont pas opposables aux tiers, même si elles sont publiées.
Art.29. De raad van bestuur van een organisme voor de financiering van pensioenen is samengesteld uit ten minste twee natuurlijke of rechtspersonen, die een college vormen. De duur van hun mandaat mag zes jaren niet te boven gaan. Het mandaat is hernieuwbaar.
[1 De bijdragende ondernemingen en de aangeslotenen of hun vertegenwoordigers moeten de meerderheid uitmaken in de raad van bestuur van het organisme voor de financiering van pensioenen.]1
[1 De bijdragende ondernemingen en de aangeslotenen of hun vertegenwoordigers moeten de meerderheid uitmaken in de raad van bestuur van het organisme voor de financiering van pensioenen.]1
Art.29. Le conseil d'administration d'un organisme de financement de pensions est composé d'au moins deux personnes, physiques ou morales, qui forment un collège. Leur mandat ne peut excéder six ans. Il est renouvelable.
[1 Les entreprises d'affiliation et les affiliés ou leurs représentants doivent constituer la majorité du conseil d'administration de l'organisme de financement de pensions.]1
[1 Les entreprises d'affiliation et les affiliés ou leurs représentants doivent constituer la majorité du conseil d'administration de l'organisme de financement de pensions.]1
Änderungen
Art.30. In uitzonderlijke gevallen, wanneer de dringende noodzakelijkheid en het maatschappelijk belang zulks vereisen, kunnen de besluiten van de raad van bestuur, indien de statuten dat toestaan, worden genomen bij eenparig schriftelijk akkoord van de bestuurders.
Die procedure kan evenwel niet worden gevolgd voor de vaststelling van de jaarrekening, de aanwending van het maatschappelijk fonds of voor enig ander geval dat door de statuten is uitgesloten.
Die procedure kan evenwel niet worden gevolgd voor de vaststelling van de jaarrekening, de aanwending van het maatschappelijk fonds of voor enig ander geval dat door de statuten is uitgesloten.
Art.30. Dans les cas exceptionnels, dûment justifiés par l'urgence et l'intérêt social, les décisions du conseil d'administration peuvent être prises, si les statuts l'autorisent, par consentement unanime des administrateurs, exprimé par écrit, par télécopie ou par courrier électronique.
Il ne pourra cependant pas être recouru à cette procédure pour l'établissement des comptes annuels, l'utilisation du fonds social ou tout autre cas que les statuts entendraient excepter.
Il ne pourra cependant pas être recouru à cette procédure pour l'établissement des comptes annuels, l'utilisation du fonds social ou tout autre cas que les statuts entendraient excepter.
Onderafdeling 3. - Andere operationele organen.
Sous-section 3. - Autres organes opérationnels.
Art.31. De statuten kunnen de raad van bestuur toestaan om de uitvoering van het algemeen beleid van het organisme voor de financiering van pensioenen over te dragen aan andere operationele organen.
De voorwaarden voor de aanstelling van de leden van deze organen, hun ontslag, hun bezoldiging, de duur van hun opdracht en de werkwijze van de operationele organen worden bepaald door de statuten of, bij ontstentenis van een statutaire bepaling, door de raad van bestuur.
De overeenkomstig het eerste lid overdraagbare bestuursbevoegdheid kan door de statuten of door een beslissing van de raad van bestuur worden beperkt. Deze beperkingen en de eventuele taakverdeling die de leden van de andere operationele organen zijn overeengekomen, kunnen niet worden tegengeworpen aan derden, zelfs niet indien zij worden bekendgemaakt.
Het instellen van andere operationele organen mag de uitoefening van een passend toezicht van de [2 FSMA]2 op het organisme voor de financiering van pensioenen niet belemmeren.
De voorwaarden voor de aanstelling van de leden van deze organen, hun ontslag, hun bezoldiging, de duur van hun opdracht en de werkwijze van de operationele organen worden bepaald door de statuten of, bij ontstentenis van een statutaire bepaling, door de raad van bestuur.
De overeenkomstig het eerste lid overdraagbare bestuursbevoegdheid kan door de statuten of door een beslissing van de raad van bestuur worden beperkt. Deze beperkingen en de eventuele taakverdeling die de leden van de andere operationele organen zijn overeengekomen, kunnen niet worden tegengeworpen aan derden, zelfs niet indien zij worden bekendgemaakt.
Het instellen van andere operationele organen mag de uitoefening van een passend toezicht van de [2 FSMA]2 op het organisme voor de financiering van pensioenen niet belemmeren.
Art.31. Les statuts peuvent autoriser le conseil d'administration à déléguer la mise en oeuvre de la politique générale de l'organisme de financement de pensions à d'autres organes opérationnels.
Les conditions de désignation des membres de ces organes, leur révocation, leur rémunération, la durée de leur mission et le mode de fonctionnement des organes opérationnels sont déterminés par les statuts ou, à défaut de clause statutaire, par le conseil d'administration.
Les statuts ou une décision du conseil d'administration peuvent apporter des restrictions au pouvoir de gestion qui peut être délégué en application de l'alinéa 1er. Ces restrictions, de même que la répartition éventuelle des tâches dont les membres des autres organes opérationnels auraient convenu, ne sont pas opposables aux tiers, même si elles sont publiées.
La création d'autres organes opérationnels ne peut entraver l'exercice d'un contrôle adéquat de la [2 FSMA]2 sur l'organisme de financement de pensions.
Les conditions de désignation des membres de ces organes, leur révocation, leur rémunération, la durée de leur mission et le mode de fonctionnement des organes opérationnels sont déterminés par les statuts ou, à défaut de clause statutaire, par le conseil d'administration.
Les statuts ou une décision du conseil d'administration peuvent apporter des restrictions au pouvoir de gestion qui peut être délégué en application de l'alinéa 1er. Ces restrictions, de même que la répartition éventuelle des tâches dont les membres des autres organes opérationnels auraient convenu, ne sont pas opposables aux tiers, même si elles sont publiées.
La création d'autres organes opérationnels ne peut entraver l'exercice d'un contrôle adéquat de la [2 FSMA]2 sur l'organisme de financement de pensions.
Art.32. Ieder ander operationeel orgaan bestaat uit ten minste twee natuurlijke of rechtspersonen die een college vormen, met uitzondering van het orgaan dat belast is met het dagelijks bestuur van het organisme voor de financiering van pensioenen.
Art.32. Chacun des autres organes opérationnels se compose d'au moins deux personnes, physiques ou morales qui forment un collège, à l'exception de celui qui est chargé de la gestion journalière de l'organisme de financement de pensions.
Art.33. De leden van de andere operationele organen kunnen eveneens lid zijn van de raad van bestuur op voorwaarde dat zij samen in deze raad in de minderheid zijn of, in geval van pariteit, dat de voorzitter van de raad van bestuur van geen enkel ander operationeel orgaan lid is en dat hij in de raad van bestuur over een beslissende stem beschikt.
Art.33. Les membres des autres organes opérationnels peuvent également être membres du conseil d'administration à condition qu'ils soient, ensemble, minoritaires au sein de ce conseil ou, en cas de parité, que le président du conseil d'administration ne soit membre d'aucun autre organe opérationnel et qu'il dispose d'une voix prépondérante au sein du conseil d'administration.
Afdeling IV. - Sociale comités.
Section IV. - Comités sociaux.
Art.34. Voor de uitvoering van de toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die gelden voor de uitvoering van de pensioenregelingen die het organisme voor de financiering van pensioenen beheert kunnen één of meer sociale comités worden ingesteld bij het organisme voor de financiering van pensioenen. Deze comités zijn geen organen van het organisme voor de financiering van pensioenen.
De samenstelling, de bevoegdheden en de werking van die comités worden geregeld in de statuten, in een overeenkomst tussen het organisme voor de financiering van pensioenen en de bijdragende onderneming of in een ander document.
Voor het geval een sociaal comité een beslissingsbevoegdheid heeft in één of meerdere materies of situaties [3 waarvoor het comité bevoegd is]3, bepalen de statuten hoe die beslissingsbevoegdheid wordt georganiseerd en welke geschillenregeling moet worden gevolgd [3 in geval van conflict tussen het organisme voor de financiering van pensioenen en het sociaal comité]3.
[3 Ingeval de raad van bestuur niet akkoord gaat met de uitkomst van de geschillenregeling omdat hij van oordeel is dat die uitkomst een substantieel risico inhoudt dat het organisme voor de financiering van pensioenen niet langer aan de wettelijke vereisten zou voldoen of ernstige gevolgen voor de belangen van het geheel of een deel van de aangeslotenen en de pensioengerechtigden zou kunnen hebben, legt hij de uitkomst voor aan de algemene vergadering van het organisme voor de financiering van pensioenen, die de nodige maatregelen neemt binnen haar bevoegdheden en stelt hij de FSMA hiervan in kennis.]3
De oprichting en werking van die sociale comités mogen geen belemmering vormen voor de uitoefening van een passend toezicht door de [2 FSMA]2 op het organisme voor de financiering van pensioenen.
De samenstelling, de bevoegdheden en de werking van die comités worden geregeld in de statuten, in een overeenkomst tussen het organisme voor de financiering van pensioenen en de bijdragende onderneming of in een ander document.
Voor het geval een sociaal comité een beslissingsbevoegdheid heeft in één of meerdere materies of situaties [3 waarvoor het comité bevoegd is]3, bepalen de statuten hoe die beslissingsbevoegdheid wordt georganiseerd en welke geschillenregeling moet worden gevolgd [3 in geval van conflict tussen het organisme voor de financiering van pensioenen en het sociaal comité]3.
[3 Ingeval de raad van bestuur niet akkoord gaat met de uitkomst van de geschillenregeling omdat hij van oordeel is dat die uitkomst een substantieel risico inhoudt dat het organisme voor de financiering van pensioenen niet langer aan de wettelijke vereisten zou voldoen of ernstige gevolgen voor de belangen van het geheel of een deel van de aangeslotenen en de pensioengerechtigden zou kunnen hebben, legt hij de uitkomst voor aan de algemene vergadering van het organisme voor de financiering van pensioenen, die de nodige maatregelen neemt binnen haar bevoegdheden en stelt hij de FSMA hiervan in kennis.]3
De oprichting en werking van die sociale comités mogen geen belemmering vormen voor de uitoefening van een passend toezicht door de [2 FSMA]2 op het organisme voor de financiering van pensioenen.
Änderungen
Art.34. Pour l'exécution des dispositions applicables du droit social et du droit du travail qui valent pour l'exécution des régimes de retraite que gère l'organisme de financement de pensions, un ou plusieurs comités sociaux peuvent être instaurés auprès l'organisme de financement de pensions. Ces comités ne sont pas des organes de l'organisme de financement de pensions.
La composition, les compétences et le fonctionnement de ces comités sont réglés dans les statuts, dans une convention entre l'organisme de financement de pensions et l'entreprise d'affiliation ou dans un autre document.
Lorsqu'un comité social a un pouvoir de décision dans une ou plusieurs matières ou situations [3 pour lesquelles le comité est compétent]3, les statuts déterminent comment ce pouvoir de décision est organisé et quel règlement des litiges doit être suivi [3 en cas de conflit entre l'organisme de financement de pensions et le comité social]3.
[3 Dans le cas où le conseil d'administration ne peut marquer son accord sur l'issue du règlement des litiges parce qu'il estime que cette issue comporte un risque substantiel que l'organisme de financement de pensions ne satisfasse plus aux exigences légales ou qu'elle est susceptible d'avoir des incidences significatives sur les intérêts de l'ensemble ou d'une partie des affiliés et des bénéficiaires, il soumet l'issue en question à l'assemblée générale de l'organisme de financement de pensions, qui prend les mesures nécessaires dans le cadre de ses compétences, et il en informe la FSMA.]3
La constitution et le fonctionnement de ces comités sociaux ne peuvent constituer une entrave à l'exercice d'un contrôle adéquat de la [2 FSMA]2 sur l'organisme de financement de pensions.
La composition, les compétences et le fonctionnement de ces comités sont réglés dans les statuts, dans une convention entre l'organisme de financement de pensions et l'entreprise d'affiliation ou dans un autre document.
Lorsqu'un comité social a un pouvoir de décision dans une ou plusieurs matières ou situations [3 pour lesquelles le comité est compétent]3, les statuts déterminent comment ce pouvoir de décision est organisé et quel règlement des litiges doit être suivi [3 en cas de conflit entre l'organisme de financement de pensions et le comité social]3.
[3 Dans le cas où le conseil d'administration ne peut marquer son accord sur l'issue du règlement des litiges parce qu'il estime que cette issue comporte un risque substantiel que l'organisme de financement de pensions ne satisfasse plus aux exigences légales ou qu'elle est susceptible d'avoir des incidences significatives sur les intérêts de l'ensemble ou d'une partie des affiliés et des bénéficiaires, il soumet l'issue en question à l'assemblée générale de l'organisme de financement de pensions, qui prend les mesures nécessaires dans le cadre de ses compétences, et il en informe la FSMA.]3
La constitution et le fonctionnement de ces comités sociaux ne peuvent constituer une entrave à l'exercice d'un contrôle adéquat de la [2 FSMA]2 sur l'organisme de financement de pensions.
Änderungen
Afdeling V. [1 Nietigheid, ontbinding, vereffening en faillissement]1
Section V. [1 Nullité, dissolution, liquidation et faillite]1
Art.35. § 1. De nietigheid van een organisme voor de financiering van pensioenen kan alleen in de hiernavolgende gevallen worden uitgesproken :
1° wanneer de statuten de vermeldingen bedoeld in artikel 46, eerste lid, 1° en 2°, niet bevatten;
2° wanneer één van de doeleinden waarvoor het is opgericht, strijdig is met de wet of met de openbare orde.
Onverminderd artikelen 50 en 51, heeft de nietigheid gevolgen te rekenen van de dag waarop zij is uitgesproken.
De beslissing waarbij de nietigheid van een organisme voor de financiering van pensioenen wordt uitgesproken, brengt de vereffening van het organisme voor de financiering van pensioenen mee overeenkomstig artikel 38. Onverminderd de gevolgen van het feit dat het zich in vereffening bevindt, doet de nietigheid van het organisme voor de financiering van pensioenen geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van zijn verbintenissen of van diegene welke ten aanzien van hem zijn aangegaan.
§ 2. Niettegenstaande elk hiermee strijdig beding, zijn de leden jegens de belanghebbenden hoofdelijk gehouden tot vergoeding van de schade die het onmiddellijke en rechtstreekse gevolg is van de nietigheid van het organisme voor de financiering van pensioenen uitgesproken op grond van de vorige paragraaf.
1° wanneer de statuten de vermeldingen bedoeld in artikel 46, eerste lid, 1° en 2°, niet bevatten;
2° wanneer één van de doeleinden waarvoor het is opgericht, strijdig is met de wet of met de openbare orde.
Onverminderd artikelen 50 en 51, heeft de nietigheid gevolgen te rekenen van de dag waarop zij is uitgesproken.
De beslissing waarbij de nietigheid van een organisme voor de financiering van pensioenen wordt uitgesproken, brengt de vereffening van het organisme voor de financiering van pensioenen mee overeenkomstig artikel 38. Onverminderd de gevolgen van het feit dat het zich in vereffening bevindt, doet de nietigheid van het organisme voor de financiering van pensioenen geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van zijn verbintenissen of van diegene welke ten aanzien van hem zijn aangegaan.
§ 2. Niettegenstaande elk hiermee strijdig beding, zijn de leden jegens de belanghebbenden hoofdelijk gehouden tot vergoeding van de schade die het onmiddellijke en rechtstreekse gevolg is van de nietigheid van het organisme voor de financiering van pensioenen uitgesproken op grond van de vorige paragraaf.
Art.35. § 1er. La nullité d'un organisme de financement de pensions ne peut être prononcée que dans les cas suivants :
1° si les statuts ne contiennent pas les mentions visées à l'article 46, alinéa 1er, 1° et 2°;
2° si un des buts en vue duquel il est constitué, contrevient à la loi ou à l'ordre public.
Sans préjudice des articles 50 et 51, la nullité produit ses effets à dater de la décision qui la prononce.
La décision prononçant la nullité de l'organisme de financement de pensions entraîne la liquidation de celui-ci conformément à l'article 38. Sans préjudice des effets de l'état de liquidation, la nullité de l'organisme de financement de pensions n'affecte pas la validité de ses engagements ni celle des engagements pris envers lui.
§ 2. Nonobstant toute clause contraire, les membres sont tenus solidairement à l'égard de tous tiers intéressés à la réparation du préjudice qui est une suite immédiate et directe de la nullité de l'organisme de financement de pensions prononcée conformément au paragraphe précédent.
1° si les statuts ne contiennent pas les mentions visées à l'article 46, alinéa 1er, 1° et 2°;
2° si un des buts en vue duquel il est constitué, contrevient à la loi ou à l'ordre public.
Sans préjudice des articles 50 et 51, la nullité produit ses effets à dater de la décision qui la prononce.
La décision prononçant la nullité de l'organisme de financement de pensions entraîne la liquidation de celui-ci conformément à l'article 38. Sans préjudice des effets de l'état de liquidation, la nullité de l'organisme de financement de pensions n'affecte pas la validité de ses engagements ni celle des engagements pris envers lui.
§ 2. Nonobstant toute clause contraire, les membres sont tenus solidairement à l'égard de tous tiers intéressés à la réparation du préjudice qui est une suite immédiate et directe de la nullité de l'organisme de financement de pensions prononcée conformément au paragraphe précédent.
Art.36. De [3 ondernemingsrechtbank]3 van het arrondissement waar het organisme voor de financiering van pensioenen zijn statutaire zetel heeft kan op verzoek van een lid, een belanghebbende derde of van het openbaar ministerie de ontbinding uitspreken van het organisme voor de financiering van pensioenen dat :
1° geen enkele verbintenis meer heeft tegenover een aangeslotene of een [2 pensioengerechtigde]2;
2° niet in staat is zijn verbintenissen na te komen;
3° zijn vermogen of de inkomsten uit dat vermogen voor een ander doel aanwendt dan dat waarvoor het is opgericht;
4° in ernstige mate in strijd handelt met de statuten, of in strijd handelt met de wet of de openbare orde;
5° minder dan één gewoon lid telt na het verstrijken van de termijn bedoeld in [1 artikel 14, § 4, tweede lid]1.
De rechtbank kan de vernietiging van de betwiste handeling uitspreken ook indien zij de eis tot ontbinding afwijst.
[1 In het in het eerste lid, 5°, bedoelde geval kan het verzoek ook worden ingediend door een buitengewoon lid of een lid van de raad van bestuur van het organisme voor de financiering van pensioenen op de voorwaarden bepaald in artikel 14, § 4, derde lid.]1
1° geen enkele verbintenis meer heeft tegenover een aangeslotene of een [2 pensioengerechtigde]2;
2° niet in staat is zijn verbintenissen na te komen;
3° zijn vermogen of de inkomsten uit dat vermogen voor een ander doel aanwendt dan dat waarvoor het is opgericht;
4° in ernstige mate in strijd handelt met de statuten, of in strijd handelt met de wet of de openbare orde;
5° minder dan één gewoon lid telt na het verstrijken van de termijn bedoeld in [1 artikel 14, § 4, tweede lid]1.
De rechtbank kan de vernietiging van de betwiste handeling uitspreken ook indien zij de eis tot ontbinding afwijst.
[1 In het in het eerste lid, 5°, bedoelde geval kan het verzoek ook worden ingediend door een buitengewoon lid of een lid van de raad van bestuur van het organisme voor de financiering van pensioenen op de voorwaarden bepaald in artikel 14, § 4, derde lid.]1
Art.36. Le [2 tribunal de l'entreprise]2 de l'arrondissement où l'organisme de financement de pensions a son siège statutaire peut prononcer à la requête d'un membre, d'un tiers intéressé ou du ministère public, la dissolution de l'organisme de financement de pensions qui :
1° n'a plus d'engagement vis-à-vis d'aucun affilié ni d'aucun bénéficiaire;
2° est hors d'état de remplir les engagements qu'il a contractés;
3° affecte son patrimoine ou les revenus de celui-ci à un but autre que ceux en vue desquels il a été constitué;
4° contrevient gravement à ses statuts, ou contrevient à la loi ou à l'ordre public;
5° ne comprend pas au moins un membre ordinaire après l'expiration du délai visé à [1 l'article 14, § 4, alinéa 2]1.
Le tribunal peut prononcer l'annulation de l'acte incriminé, même s'il rejette la demande de dissolution.
[1 Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 5°, la requête peut également être introduite par un membre extraordinaire ou un membre du conseil d'administration de l'organisme de financement de pensions dans les conditions visées à l'article 14, § 4, alinéa 3.]1
1° n'a plus d'engagement vis-à-vis d'aucun affilié ni d'aucun bénéficiaire;
2° est hors d'état de remplir les engagements qu'il a contractés;
3° affecte son patrimoine ou les revenus de celui-ci à un but autre que ceux en vue desquels il a été constitué;
4° contrevient gravement à ses statuts, ou contrevient à la loi ou à l'ordre public;
5° ne comprend pas au moins un membre ordinaire après l'expiration du délai visé à [1 l'article 14, § 4, alinéa 2]1.
Le tribunal peut prononcer l'annulation de l'acte incriminé, même s'il rejette la demande de dissolution.
[1 Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 5°, la requête peut également être introduite par un membre extraordinaire ou un membre du conseil d'administration de l'organisme de financement de pensions dans les conditions visées à l'article 14, § 4, alinéa 3.]1
Art.37. Alvorens uitspraak te doen over een vordering tot nietigheid of gerechtelijke ontbinding [4 of de opening van een faillissementsprocedure of een voorlopige ontneming in de zin van artikel XX.32 van het Wetboek van Economisch Recht]4 van een organisme voor de financiering van pensioenen, richt de voorzitter van de rechtbank een verzoek om advies aan de [2 FSMA]2. De griffier geeft dit verzoek onverwijld door. Hij stelt de procureur des Konings ervan in kennis.
Het verzoek wordt schriftelijk aan de [2 FSMA]2 gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
De [2 FSMA]2 brengt haar advies uit binnen de vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies.
Ingeval een procedure betrekking heeft op een organisme voor de financiering van pensioenen waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten [3 of met de EIOPA]3 vereist is, beschikt de [2 FSMA]2 over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de [2 FSMA]2 van oordeel is gebruik te moeten maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt ze dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de [2 FSMA]2 beschikt om een advies uit te brengen, schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de [2 FSMA]2 geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de rechtbank uitspraak doen.
De [2 FSMA]2 verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van de rechtbank en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.
Het verzoek wordt schriftelijk aan de [2 FSMA]2 gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
De [2 FSMA]2 brengt haar advies uit binnen de vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies.
Ingeval een procedure betrekking heeft op een organisme voor de financiering van pensioenen waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten [3 of met de EIOPA]3 vereist is, beschikt de [2 FSMA]2 over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de [2 FSMA]2 van oordeel is gebruik te moeten maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt ze dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de [2 FSMA]2 beschikt om een advies uit te brengen, schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de [2 FSMA]2 geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de rechtbank uitspraak doen.
De [2 FSMA]2 verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van de rechtbank en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.
Änderungen
Art.37. Avant qu'il ne soit statué sur une demande de nullité ou de dissolution judiciaire [4 ou sur l'ouverture d'une procédure de faillite ou encore sur un dessaisissement provisoire au sens de l'article XX.32 du Code de droit économique]4 d'un organisme de financement de pensions, le président du tribunal saisit la [2 FSMA]2 d'une demande d'avis. Le greffier transmet cette demande sans délai. Il en informe le procureur du Roi.
La saisine de la [2 FSMA]2 est écrite. Elle est accompagnée des pièces nécessaires à son information.
La [2 FSMA]2 rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d'avis.
La [2 FSMA]2 peut, dans le cas d'une procédure relative à un organisme de financement de pensions qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères [3 ou avec l'EIOPA]3, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu'elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, la [2 FSMA]2 le notifie à l'autorité judiciaire appelée à statuer. Le délai dont dispose la [2 FSMA]2 pour rendre son avis suspend le délai dans lequel l'autorité judiciaire doit statuer. En l'absence de réponse de la [2 FSMA]2 dans le délai imparti, le tribunal peut statuer.
L'avis de la [2 FSMA]2 est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal et au procureur du Roi. L'avis est versé au dossier.
La saisine de la [2 FSMA]2 est écrite. Elle est accompagnée des pièces nécessaires à son information.
La [2 FSMA]2 rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d'avis.
La [2 FSMA]2 peut, dans le cas d'une procédure relative à un organisme de financement de pensions qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères [3 ou avec l'EIOPA]3, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu'elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, la [2 FSMA]2 le notifie à l'autorité judiciaire appelée à statuer. Le délai dont dispose la [2 FSMA]2 pour rendre son avis suspend le délai dans lequel l'autorité judiciaire doit statuer. En l'absence de réponse de la [2 FSMA]2 dans le délai imparti, le tribunal peut statuer.
L'avis de la [2 FSMA]2 est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal et au procureur du Roi. L'avis est versé au dossier.
Änderungen
Art.38. Eén of meer vereffenaars worden aangewezen overeenkomstig de statuten en mits goedkeuring van de [2 FSMA]2 of, in geval van een gerechtelijke ontbinding, door de [3 ondernemingsrechtbank]3.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de Koning de bevoegdheden en verplichtingen van de vereffenaar bepalen, in het bijzonder voor wat de vereffening betreft van de verbintenissen die voortvloeien uit de pensioenregelingen die door het organisme voor de financiering van pensioenen worden beheerd.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de Koning de bevoegdheden en verplichtingen van de vereffenaar bepalen, in het bijzonder voor wat de vereffening betreft van de verbintenissen die voortvloeien uit de pensioenregelingen die door het organisme voor de financiering van pensioenen worden beheerd.
Änderungen
Art.38. Le ou les liquidateurs sont désignés conformément aux statuts moyennant l'approbation de la [2 FSMA]2 ou, dans le cas d'une dissolution judiciaire, par le [3 tribunal de l'entreprise]3.
Sans préjudice d'autres dispositions légales applicables, le Roi peut déterminer les pouvoirs et les obligations du liquidateur, spécialement en ce qui concerne la liquidation des engagements découlant des régimes de retraite gérés par l'organisme de financement de pensions.
Sans préjudice d'autres dispositions légales applicables, le Roi peut déterminer les pouvoirs et les obligations du liquidateur, spécialement en ce qui concerne la liquidation des engagements découlant des régimes de retraite gérés par l'organisme de financement de pensions.
Änderungen
Art.39. Tegen een vonnis waarbij de nietigheid of de ontbinding van een organisme voor de financiering van pensioenen of de nietigverklaring van één van zijn handelingen wordt uitgesproken, kan hoger beroep worden ingesteld.
Hetzelfde geldt voor een vonnis dat uitspraak doet over het besluit van de vereffenaar of de vereffenaars.
Hetzelfde geldt voor een vonnis dat uitspraak doet over het besluit van de vereffenaar of de vereffenaars.
Art.39. Le jugement qui prononce soit la nullité ou la dissolution d'un organisme de financement de pensions, soit l'annulation d'un de ses actes, est susceptible d'appel.
Il en est de même du jugement qui statue sur la décision du ou des liquidateurs.
Il en est de même du jugement qui statue sur la décision du ou des liquidateurs.
Art.40. De vereffening geschiedt door één of meer vereffenaars die hun opdracht vervullen hetzij overeenkomstig de statuten, hetzij krachtens een besluit van de algemene vergadering, hetzij, bij ontstentenis daarvan, krachtens een rechterlijke beslissing die door enige belanghebbende of door het openbaar ministerie kan worden gevorderd.
Art.40. La liquidation s'opère par les soins d'un ou plusieurs liquidateurs qui exercent leurs fonctions, soit en application des statuts, soit en vertu d'une résolution de l'assemblée générale, soit, à défaut, en vertu d'une décision de justice, qui pourra être provoquée par tout tiers intéressé ou par le ministère public.
Art.41. Elk afzonderlijk vermogen van een organisme voor de financiering van pensioenen wordt afzonderlijk vereffend zonder dat dit de vereffening van een ander afzonderlijk vermogen met zich meebrengt. Enkel de vereffening van het laatste afzonderlijk vermogen, brengt de vereffening van het organisme voor de financiering van pensioenen met zich mee.
In geval van ontbinding, vereffening of herstructurering van afzonderlijke vermogens, zijn de bepalingen van deze Afdeling van toepassing op dat of deze afzonderlijke vermogens.
In geval van ontbinding, vereffening of herstructurering van afzonderlijke vermogens, zijn de bepalingen van deze Afdeling van toepassing op dat of deze afzonderlijke vermogens.
Art.41. Chaque patrimoine distinct d'un organisme de financement de pensions est liquidé séparément sans donner lieu à la liquidation d'un autre patrimoine distinct. Seule la liquidation du dernier patrimoine distinct entraîne la liquidation de l'organisme de financement de pensions.
En cas de dissolution, de liquidation ou de restructuration de patrimoines distincts, les dispositions de la présente Section s'appliquent à ce ou ces patrimoines distincts.
En cas de dissolution, de liquidation ou de restructuration de patrimoines distincts, les dispositions de la présente Section s'appliquent à ce ou ces patrimoines distincts.
Art.42. § 1. Niettegenstaande ieder andere wettelijke of statutaire bepaling, worden in geval van vrijwillige of gedwongen vereffening van een afzonderlijk vermogen, de rechten van de schuldeisers op de dekkingswaarden gevestigd in de volgende volgorde, met gelijkheid van schuldeisers van eenzelfde rang :
1° in afwijking van artikel 94, eerste lid, de vereffenaar of, in voorkomend geval, de curator tot beloop van zijn bezoldiging, van dat van zijn personeel en van de vereffeningskosten in zoverre ze het afzonderlijk vermogen waaraan de dekkingswaarden zijn toegewezen, ten goede komen;
2° in afwijking van artikel 94, eerste lid, de schuldeisers houders van rechten of voorrechten op de dekkingswaarden, die te goeder trouw verworven zijn en krachtens een formaliteit vervuld vóór de toewijzing van de betreffende activa als dekkingswaarde, tot beloop van deze rechten en voorrechten;
3° de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenregeling die valt onder het afzonderlijk vermogen waaraan de dekkingswaarden zijn toegewezen, tot beloop van de vorderingen die zij kunnen laten gelden op grond van deze pensioenregeling;
4° de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van pensioenregelingen die vallen onder elk ander afzonderlijk vermogen dat gelijktijdig vereffend wordt, tot beloop van het saldo na vereffening van het afzonderlijk vermogen bedoeld in deze paragraaf a rato van de tekorten van de overige afzonderlijke vermogens.
[2 Deze bepaling is niet van toepassing op de vereffening van afzonderlijke vermogens waarin pensioenregelingen worden beheerd als bedoeld in artikel 135, eerste lid]2;
5° de overige schuldeisers, tot beloop van hun vordering op het afzonderlijk vermogen dat in vereffening is gesteld.
§ 2. Ingeval de dekkingswaarden ontoereikend zijn om de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenregelingen van een afzonderlijk vermogen schadeloos te stellen overeenkomstig de vorige paragraaf, behouden deze aangeslotenen en [1 pensioengerechtigden]1 voor het overige een algemeen voorrecht op alle roerende en onroerende goederen van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. Dit voorrecht kan enkel worden uitgeoefend bij de volledige vereffening van het organisme voor de financiering van pensioenen. Het wordt voorafgegaan door alle andere algemene en bijzondere voorrechten.
1° in afwijking van artikel 94, eerste lid, de vereffenaar of, in voorkomend geval, de curator tot beloop van zijn bezoldiging, van dat van zijn personeel en van de vereffeningskosten in zoverre ze het afzonderlijk vermogen waaraan de dekkingswaarden zijn toegewezen, ten goede komen;
2° in afwijking van artikel 94, eerste lid, de schuldeisers houders van rechten of voorrechten op de dekkingswaarden, die te goeder trouw verworven zijn en krachtens een formaliteit vervuld vóór de toewijzing van de betreffende activa als dekkingswaarde, tot beloop van deze rechten en voorrechten;
3° de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenregeling die valt onder het afzonderlijk vermogen waaraan de dekkingswaarden zijn toegewezen, tot beloop van de vorderingen die zij kunnen laten gelden op grond van deze pensioenregeling;
4° de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van pensioenregelingen die vallen onder elk ander afzonderlijk vermogen dat gelijktijdig vereffend wordt, tot beloop van het saldo na vereffening van het afzonderlijk vermogen bedoeld in deze paragraaf a rato van de tekorten van de overige afzonderlijke vermogens.
[2 Deze bepaling is niet van toepassing op de vereffening van afzonderlijke vermogens waarin pensioenregelingen worden beheerd als bedoeld in artikel 135, eerste lid]2;
5° de overige schuldeisers, tot beloop van hun vordering op het afzonderlijk vermogen dat in vereffening is gesteld.
§ 2. Ingeval de dekkingswaarden ontoereikend zijn om de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenregelingen van een afzonderlijk vermogen schadeloos te stellen overeenkomstig de vorige paragraaf, behouden deze aangeslotenen en [1 pensioengerechtigden]1 voor het overige een algemeen voorrecht op alle roerende en onroerende goederen van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. Dit voorrecht kan enkel worden uitgeoefend bij de volledige vereffening van het organisme voor de financiering van pensioenen. Het wordt voorafgegaan door alle andere algemene en bijzondere voorrechten.
Art.42. § 1er. Nonobstant toute autre disposition légale ou statutaire, en cas de liquidation, volontaire ou forcée, d'un patrimoine distinct, les droits des créanciers sur les valeurs représentatives s'établissent dans l'ordre suivant, en respectant l'égalité des créanciers d'un même rang :
1° par dérogation à l'article 94, alinéa 1er, le liquidateur ou, le cas échéant, le curateur à concurrence de sa rémunération, de celle de son personnel et des frais de liquidation dans la mesure où ils ont profité au patrimoine distinct auquel les valeurs représentatives sont affectées;
2° par dérogation à l'article 94, alinéa 1er, les créanciers titulaires de droits ou de privilèges sur ces valeurs représentatives, acquis de bonne foi en vertu d'une formalité accomplie avant l'affectation des actifs concernés en tant que valeurs représentatives, à concurrence de ces droits et privilèges;
3° les affiliés et les bénéficiaires du régime de retraite relevant du patrimoine distinct auquel les valeurs représentatives sont affectées, à concurrence des créances qu'ils peuvent faire valoir en raison de ce régime de retraite;
4° les affiliés et les bénéficiaires des régimes de retraite relevant de tous les autres patrimoines distincts liquidés simultanément, à concurrence du solde après liquidation du patrimoine distinct visé au présent paragraphe et au prorata des déficits de ces autres patrimoines distincts.
[1 La présente disposition n'est pas applicable à la liquidation de patrimoines distincts dans le cadre desquels des régimes de retraite tels que visés à l'article 135, alinéa 1er sont gérés]1;
5° les autres créanciers, à concurrence de leur créance sur le patrimoine distinct mis en liquidation.
§ 2. En cas d'insuffisance des valeurs représentatives pour désintéresser totalement les affiliés et les bénéficiaires des régimes de retraite d'un patrimoine distinct, ceux-ci conservent pour le surplus, un privilège général sur tous les biens meubles et immeubles de l'institution de retraite professionnelle. Ce privilège ne peut être exécuté qu'au moment de la liquidation totale de l'organisme de financement de pensions. Il est général et est primé par tous les autres privilèges généraux et spéciaux.
1° par dérogation à l'article 94, alinéa 1er, le liquidateur ou, le cas échéant, le curateur à concurrence de sa rémunération, de celle de son personnel et des frais de liquidation dans la mesure où ils ont profité au patrimoine distinct auquel les valeurs représentatives sont affectées;
2° par dérogation à l'article 94, alinéa 1er, les créanciers titulaires de droits ou de privilèges sur ces valeurs représentatives, acquis de bonne foi en vertu d'une formalité accomplie avant l'affectation des actifs concernés en tant que valeurs représentatives, à concurrence de ces droits et privilèges;
3° les affiliés et les bénéficiaires du régime de retraite relevant du patrimoine distinct auquel les valeurs représentatives sont affectées, à concurrence des créances qu'ils peuvent faire valoir en raison de ce régime de retraite;
4° les affiliés et les bénéficiaires des régimes de retraite relevant de tous les autres patrimoines distincts liquidés simultanément, à concurrence du solde après liquidation du patrimoine distinct visé au présent paragraphe et au prorata des déficits de ces autres patrimoines distincts.
[1 La présente disposition n'est pas applicable à la liquidation de patrimoines distincts dans le cadre desquels des régimes de retraite tels que visés à l'article 135, alinéa 1er sont gérés]1;
5° les autres créanciers, à concurrence de leur créance sur le patrimoine distinct mis en liquidation.
§ 2. En cas d'insuffisance des valeurs représentatives pour désintéresser totalement les affiliés et les bénéficiaires des régimes de retraite d'un patrimoine distinct, ceux-ci conservent pour le surplus, un privilège général sur tous les biens meubles et immeubles de l'institution de retraite professionnelle. Ce privilège ne peut être exécuté qu'au moment de la liquidation totale de l'organisme de financement de pensions. Il est général et est primé par tous les autres privilèges généraux et spéciaux.
Änderungen
Art.43. Na aanzuivering van het passief, zullen de vereffenaars de bestemming van het actief vaststellen.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan deze bestemming geen andere zijn dan die bepaald in de statuten of, bij ontstentenis van enige statutaire bepaling daaromtrent, besloten door de algemene vergadering die de vereffenaars bijeenroepen. Bij ontstentenis van een bepaling in de statuten of van een besluit van de algemene vergadering geven de vereffenaars aan het actief een bestemming die zoveel mogelijk overeenkomt met het doel waarvoor het organisme voor de financiering van pensioenen is opgericht.
De leden, de schuldeisers en het openbaar ministerie kunnen bij de rechtbank beroep instellen tegen het besluit van de vereffenaars.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan deze bestemming geen andere zijn dan die bepaald in de statuten of, bij ontstentenis van enige statutaire bepaling daaromtrent, besloten door de algemene vergadering die de vereffenaars bijeenroepen. Bij ontstentenis van een bepaling in de statuten of van een besluit van de algemene vergadering geven de vereffenaars aan het actief een bestemming die zoveel mogelijk overeenkomt met het doel waarvoor het organisme voor de financiering van pensioenen is opgericht.
De leden, de schuldeisers en het openbaar ministerie kunnen bij de rechtbank beroep instellen tegen het besluit van de vereffenaars.
Art.43. Après l'acquittement du passif, les liquidateurs détermineront la destination de l'actif.
Sans préjudice d'autres dispositions légales, cette destination sera celle que prévoient les statuts ou, en l'absence de toute disposition statutaire à ce sujet, celle qu'indiquera l'assemblée générale convoquée par les liquidateurs. A défaut de disposition statutaire ou de décision de l'assemblée générale, les liquidateurs donneront à l'actif une affectation qui se rapprochera autant que possible du but en vue duquel l'organisme de financement de pensions a été constitué.
Les membres, les créanciers et le ministère public peuvent se pourvoir devant le tribunal contre la décision des liquidateurs.
Sans préjudice d'autres dispositions légales, cette destination sera celle que prévoient les statuts ou, en l'absence de toute disposition statutaire à ce sujet, celle qu'indiquera l'assemblée générale convoquée par les liquidateurs. A défaut de disposition statutaire ou de décision de l'assemblée générale, les liquidateurs donneront à l'actif une affectation qui se rapprochera autant que possible du but en vue duquel l'organisme de financement de pensions a été constitué.
Les membres, les créanciers et le ministère public peuvent se pourvoir devant le tribunal contre la décision des liquidateurs.
Art.44. De vordering van de schuldeisers verjaart na verloop van vijf jaar te rekenen van de bekendmaking van de beslissing betreffende de bestemming van het actief.
Art.44. L'action des créanciers est prescrite par cinq ans à partir de la publication de la décision relative à l'affectation de l'actif.
Art.45. Elke beslissing van de rechter, van de algemene vergadering of van de vereffenaars betreffende de ontbinding of de nietigheid van het organisme voor de financiering van pensioenen, de vereffeningsvoorwaarden, de benoeming en de ambtsbeëindiging van de vereffenaars, de afsluiting van de vereffening en de bestemming van het actief, wordt binnen een maand na de dagtekening ervan neergelegd overeenkomstig artikel 49.
De akten betreffende de benoeming en de ambtsbeëindiging van de vereffenaars vermelden hun naam, voornamen en woonplaats, of, ingeval het rechtspersonen betreft, hun naam, rechtsvorm [1 , ondernemingsnummer]1 en zetel.
Op alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen en andere stukken die uitgaan van een organisme voor de financiering van pensioenen in verband waarmee een beslissing tot ontbinding is genomen, worden de in artikel 12 bedoelde vermeldingen met de woorden " in vereffening " aangevuld.
Eenieder die in naam van een dergelijk organisme voor de financiering van pensioenen meewerkt aan een in het vorige lid vermeld stuk waarop deze bedoelde vermelding niet is aangebracht, kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor alle of voor een gedeelte van de verbintenissen die het organisme voor de financiering van pensioenen krachtens dit stuk heeft aangegaan.
De akten betreffende de benoeming en de ambtsbeëindiging van de vereffenaars vermelden hun naam, voornamen en woonplaats, of, ingeval het rechtspersonen betreft, hun naam, rechtsvorm [1 , ondernemingsnummer]1 en zetel.
Op alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen en andere stukken die uitgaan van een organisme voor de financiering van pensioenen in verband waarmee een beslissing tot ontbinding is genomen, worden de in artikel 12 bedoelde vermeldingen met de woorden " in vereffening " aangevuld.
Eenieder die in naam van een dergelijk organisme voor de financiering van pensioenen meewerkt aan een in het vorige lid vermeld stuk waarop deze bedoelde vermelding niet is aangebracht, kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor alle of voor een gedeelte van de verbintenissen die het organisme voor de financiering van pensioenen krachtens dit stuk heeft aangegaan.
Art.45. Toute décision judiciaire, de l'assemblée générale ou des liquidateurs relative à la dissolution ou à la nullité de l'organisme de financement de pensions, aux conditions de la liquidation, à la nomination et à la cessation de fonctions des liquidateurs, à la clôture de la liquidation ainsi qu'à l'affectation de l'actif est, dans le mois de sa date, déposée conformément à l'article 49.
Les actes relatifs à la nomination et à la cessation de fonctions des liquidateurs comportent leur nom, prénoms et domicile, ou, au cas où il s'agit de personnes morales, leur dénomination sociale, forme juridique [1 , numéro d'entreprise]1 et siège social.
Sur tous les actes, factures, annonces, publications et autres documents émanant d'un organisme de financement de pensions ayant fait l'objet d'une décision de dissolution, les mentions de l'article 12 sont complétées par les mots " en liquidation ".
Toute personne qui intervient pour un tel organisme de financement de pensions dans un document visé à l'alinéa précédent où la mention y visée ne figure pas, peut être déclarée personnellement responsable de tout ou partie des engagements qui y sont pris par l'organisme de financement de pensions.
Les actes relatifs à la nomination et à la cessation de fonctions des liquidateurs comportent leur nom, prénoms et domicile, ou, au cas où il s'agit de personnes morales, leur dénomination sociale, forme juridique [1 , numéro d'entreprise]1 et siège social.
Sur tous les actes, factures, annonces, publications et autres documents émanant d'un organisme de financement de pensions ayant fait l'objet d'une décision de dissolution, les mentions de l'article 12 sont complétées par les mots " en liquidation ".
Toute personne qui intervient pour un tel organisme de financement de pensions dans un document visé à l'alinéa précédent où la mention y visée ne figure pas, peut être déclarée personnellement responsable de tout ou partie des engagements qui y sont pris par l'organisme de financement de pensions.
Änderungen
Afdeling VI. - Openbaarmakingsformaliteiten.
Section VI. - Formalités de publicité.
Art.46. Onverminderd de andere bepalingen van dit hoofdstuk vermelden de statuten van het organisme voor de financiering van pensioenen ten minste :
1° de naam en het adres van de zetel van het organisme voor de financiering van pensioenen;
2° de precieze omschrijving van het maatschappelijk doel;
3° in voorkomend geval, de beschrijving van de afzonderlijke vermogens;
4° de voorwaarden en de formaliteiten betreffende toetreding en uittreding van de leden;
5° de bevoegdheden van de algemene vergadering en de wijze van bijeenroeping ervan, alsook de wijze waarop haar beslissingen aan de leden en aan derden ter kennis worden gebracht;
6° de wijze van benoeming, ambtsbeëindiging en afzetting van de bestuurders, de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij die uitoefenen;
7° in voorkomend geval, de wijze van aanwijzing van de personen die gemachtigd zijn om het organisme voor de financiering van pensioenen te vertegenwoordigen met toepassing van artikel 28, derde lid, de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij die uitoefenen, ofwel alleen, ofwel gezamenlijk, ofwel als college.
Deze statuten worden bij authentieke of bij onderhandse akte vastgesteld. In dat laatste geval moeten zij in afwijking van artikel [1 8.20]1 van het Burgerlijk Wetboek, slechts in twee originelen worden opgesteld.
1° de naam en het adres van de zetel van het organisme voor de financiering van pensioenen;
2° de precieze omschrijving van het maatschappelijk doel;
3° in voorkomend geval, de beschrijving van de afzonderlijke vermogens;
4° de voorwaarden en de formaliteiten betreffende toetreding en uittreding van de leden;
5° de bevoegdheden van de algemene vergadering en de wijze van bijeenroeping ervan, alsook de wijze waarop haar beslissingen aan de leden en aan derden ter kennis worden gebracht;
6° de wijze van benoeming, ambtsbeëindiging en afzetting van de bestuurders, de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij die uitoefenen;
7° in voorkomend geval, de wijze van aanwijzing van de personen die gemachtigd zijn om het organisme voor de financiering van pensioenen te vertegenwoordigen met toepassing van artikel 28, derde lid, de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij die uitoefenen, ofwel alleen, ofwel gezamenlijk, ofwel als college.
Deze statuten worden bij authentieke of bij onderhandse akte vastgesteld. In dat laatste geval moeten zij in afwijking van artikel [1 8.20]1 van het Burgerlijk Wetboek, slechts in twee originelen worden opgesteld.
Art.46. Sans préjudice des autres dispositions du présent chapitre, les statuts d'un organisme de financement de pensions mentionnent au minimum :
1° la dénomination et l'adresse du siège social de l'organisme de financement de pensions;
2° la désignation précise de l'objet social;
3° le cas échéant, la description des patrimoines distincts;
4° les conditions et formalités d'admission et de sortie des membres;
5° les attributions et le mode de convocation de l'assemblée générale ainsi que la manière dont ses résolutions sont portées à la connaissance des membres et des tiers;
6° le mode de nomination, de cessation de fonctions et de révocation des administrateurs, l'étendue de leurs pouvoirs et la manière de les exercer;
7° le cas échéant, le mode de désignation des personnes autorisées à représenter l'organisme de financement de pensions en application de l'article 28, alinéa 3, l'étendue de leurs pouvoirs et la manière de les exercer, en agissant soit individuellement, soit conjointement ou en collège.
Ces statuts sont constatés dans un acte authentique ou [1 sous signature privée]1. Dans ce dernier cas, nonobstant le prescrit de l'article [1 8.20]1 du Code civil, deux originaux suffisent.
1° la dénomination et l'adresse du siège social de l'organisme de financement de pensions;
2° la désignation précise de l'objet social;
3° le cas échéant, la description des patrimoines distincts;
4° les conditions et formalités d'admission et de sortie des membres;
5° les attributions et le mode de convocation de l'assemblée générale ainsi que la manière dont ses résolutions sont portées à la connaissance des membres et des tiers;
6° le mode de nomination, de cessation de fonctions et de révocation des administrateurs, l'étendue de leurs pouvoirs et la manière de les exercer;
7° le cas échéant, le mode de désignation des personnes autorisées à représenter l'organisme de financement de pensions en application de l'article 28, alinéa 3, l'étendue de leurs pouvoirs et la manière de les exercer, en agissant soit individuellement, soit conjointement ou en collège.
Ces statuts sont constatés dans un acte authentique ou [1 sous signature privée]1. Dans ce dernier cas, nonobstant le prescrit de l'article [1 8.20]1 du Code civil, deux originaux suffisent.
Änderungen
Art.47. De akten betreffende de benoeming of de ambtsbeëindiging van de leden [1 van de raad van bestuur]1, de commissarissen en van de personen gemachtigd om het organisme voor de financiering van pensioenen te vertegenwoordigen, vermelden hun naam, hun voornamen, hun woonplaats, of, ingeval het rechtspersonen betreft, hun naam, hun rechtsvorm, [1 hun ondernemingsnummer]1 en hun zetel alsook de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij die uitoefenen, ofwel alleen, ofwel gezamenlijk, ofwel als college.
Art.47. Les actes relatifs à la nomination ou à la cessation des fonctions des membres [1 du conseil d'administration]1, des commissaires et des personnes habilitées à représenter l'organisme de financement de pensions comportent leurs nom, prénoms, domicile, ou, s'il s'agit de personnes morales, leur dénomination sociale, leur forme juridique, [1 leur numéro d'entreprise]1 et leur siège social, ainsi que l'étendue de leurs pouvoirs et la manière de les exercer, en agissant soit individuellement, soit conjointement, soit en collège.
Änderungen
Art.48. De bestuurders leggen jaarlijks bij de Nationale Bank van België de volgende documenten neer :
1° de jaarrekening [2 en het jaarverslag]2;
2° een stuk met de naam en voornaam van de bestuurders en van de commissaris(sen) die in functie zijn;
3° het verslag van de commissaris(sen).
De Koning bepaalt het tijdstip waarop en de nadere regels volgens welke en de voorwaarden waaronder de in het eerste lid bedoelde stukken moeten worden neergelegd, alsmede het bedrag en de wijze van betaling van de kosten van de openbaarmaking. De neerlegging wordt alleen aanvaard indien de op grond van dit lid vastgestelde bepalingen worden nageleefd.
Binnen vijftien werkdagen na de aanvaarding van de neerlegging wordt daarvan melding gemaakt in een door de Nationale Bank van België aangelegd bestand op een drager en volgens de nadere regels die de Koning vaststelt. De tekst van de vermelding wordt door de Nationale Bank van België neergelegd ter griffie van de [3 ondernemingsrechtbank]3 die het dossier van het organisme voor de financiering van pensioenen als bedoeld in artikel 49 aanlegt en wordt bij dat dossier gevoegd.
De Nationale Bank van België reikt aan degenen die er, zelfs schriftelijk, om vragen, een afschrift in de door de Koning vastgestelde vorm uit, hetzij van alle stukken die haar op grond van het eerste lid worden overgezonden, hetzij van de stukken als bedoeld in het eerste lid die haar worden overgezonden en betrekking hebben op de met name genoemde organismen voor de financiering van pensioenen en op bepaalde jaren. De Koning stelt het bedrag vast dat aan de Nationale Bank van België moet worden betaald voor de verkrijging van de in dit lid bedoelde afschriften.
De griffies van de rechtbanken ontvangen van de Nationale Bank van België kosteloos en onverwijld een afschrift van alle stukken bedoeld in het eerste lid in de vorm die door de Koning is vastgesteld.
De Nationale Bank van België is bevoegd om, volgens de nadere regels die door de Koning zijn vastgesteld, algemene en anonieme statistieken op te maken en bekend te maken over het geheel of een gedeelte van de gegevens vervat in de stukken die haar met toepassing van het eerste lid worden overgezonden.
1° de jaarrekening [2 en het jaarverslag]2;
2° een stuk met de naam en voornaam van de bestuurders en van de commissaris(sen) die in functie zijn;
3° het verslag van de commissaris(sen).
De Koning bepaalt het tijdstip waarop en de nadere regels volgens welke en de voorwaarden waaronder de in het eerste lid bedoelde stukken moeten worden neergelegd, alsmede het bedrag en de wijze van betaling van de kosten van de openbaarmaking. De neerlegging wordt alleen aanvaard indien de op grond van dit lid vastgestelde bepalingen worden nageleefd.
Binnen vijftien werkdagen na de aanvaarding van de neerlegging wordt daarvan melding gemaakt in een door de Nationale Bank van België aangelegd bestand op een drager en volgens de nadere regels die de Koning vaststelt. De tekst van de vermelding wordt door de Nationale Bank van België neergelegd ter griffie van de [3 ondernemingsrechtbank]3 die het dossier van het organisme voor de financiering van pensioenen als bedoeld in artikel 49 aanlegt en wordt bij dat dossier gevoegd.
De Nationale Bank van België reikt aan degenen die er, zelfs schriftelijk, om vragen, een afschrift in de door de Koning vastgestelde vorm uit, hetzij van alle stukken die haar op grond van het eerste lid worden overgezonden, hetzij van de stukken als bedoeld in het eerste lid die haar worden overgezonden en betrekking hebben op de met name genoemde organismen voor de financiering van pensioenen en op bepaalde jaren. De Koning stelt het bedrag vast dat aan de Nationale Bank van België moet worden betaald voor de verkrijging van de in dit lid bedoelde afschriften.
De griffies van de rechtbanken ontvangen van de Nationale Bank van België kosteloos en onverwijld een afschrift van alle stukken bedoeld in het eerste lid in de vorm die door de Koning is vastgesteld.
De Nationale Bank van België is bevoegd om, volgens de nadere regels die door de Koning zijn vastgesteld, algemene en anonieme statistieken op te maken en bekend te maken over het geheel of een gedeelte van de gegevens vervat in de stukken die haar met toepassing van het eerste lid worden overgezonden.
Änderungen
Art.48. Les administrateurs déposent annuellement auprès de la Banque Nationale de Belgique les documents suivants :
1° les comptes annuels [2 et le rapport annuel]2;
2° un document contenant les nom et prénoms des administrateurs et du ou des commissaires en fonction;
3° le rapport du ou des commissaires.
Le Roi détermine le moment ainsi que les modalités et les conditions du dépôt des documents visés à l'alinéa 1er de même que le montant et le mode de paiement des frais de publicité. Le dépôt n'est accepté que si les dispositions arrêtées en exécution du présent alinéa sont respectées.
Dans les quinze jours ouvrables qui suivent l'acceptation du dépôt, celui-ci fait l'objet d'une mention dans un recueil établi par la Banque Nationale de Belgique sur un support et selon les modalités que le Roi détermine. Le texte de cette mention est adressé par la Banque Nationale de Belgique au greffe du [3 tribunal de l'entreprise]3 où est tenu le dossier de l'organisme de financement de pensions prévu à l'article 49, pour y être versé.
La Banque Nationale de Belgique est chargée de délivrer copie, sous la forme déterminée par le Roi, à ceux qui en font la demande, même par écrit, soit de l'ensemble des documents qui lui ont été transmis en application de l'alinéa 1er, soit des documents visés à l'alinéa 1er relatifs à des organismes de financement de pensions nommément désignés et à des années déterminées qui lui ont été transmis. Le Roi détermine le montant des frais à acquitter à la Banque Nationale de Belgique pour l'obtention des copies visées au présent alinéa.
Les greffes des tribunaux obtiennent sans frais et sans retard de la Banque Nationale de Belgique, copie de l'ensemble des documents visés à l'alinéa 1er, sous la forme déterminée par le Roi.
La Banque Nationale de Belgique est habilitée à établir et à publier, selon les modalités déterminées par le Roi, des statistiques globales et anonymes relatives à tout ou partie des éléments contenus dans les documents qui lui ont été transmis en application de l'alinéa 1er.
1° les comptes annuels [2 et le rapport annuel]2;
2° un document contenant les nom et prénoms des administrateurs et du ou des commissaires en fonction;
3° le rapport du ou des commissaires.
Le Roi détermine le moment ainsi que les modalités et les conditions du dépôt des documents visés à l'alinéa 1er de même que le montant et le mode de paiement des frais de publicité. Le dépôt n'est accepté que si les dispositions arrêtées en exécution du présent alinéa sont respectées.
Dans les quinze jours ouvrables qui suivent l'acceptation du dépôt, celui-ci fait l'objet d'une mention dans un recueil établi par la Banque Nationale de Belgique sur un support et selon les modalités que le Roi détermine. Le texte de cette mention est adressé par la Banque Nationale de Belgique au greffe du [3 tribunal de l'entreprise]3 où est tenu le dossier de l'organisme de financement de pensions prévu à l'article 49, pour y être versé.
La Banque Nationale de Belgique est chargée de délivrer copie, sous la forme déterminée par le Roi, à ceux qui en font la demande, même par écrit, soit de l'ensemble des documents qui lui ont été transmis en application de l'alinéa 1er, soit des documents visés à l'alinéa 1er relatifs à des organismes de financement de pensions nommément désignés et à des années déterminées qui lui ont été transmis. Le Roi détermine le montant des frais à acquitter à la Banque Nationale de Belgique pour l'obtention des copies visées au présent alinéa.
Les greffes des tribunaux obtiennent sans frais et sans retard de la Banque Nationale de Belgique, copie de l'ensemble des documents visés à l'alinéa 1er, sous la forme déterminée par le Roi.
La Banque Nationale de Belgique est habilitée à établir et à publier, selon les modalités déterminées par le Roi, des statistiques globales et anonymes relatives à tout ou partie des éléments contenus dans les documents qui lui ont été transmis en application de l'alinéa 1er.
Art.49. Op de griffie van de [2 ondernemingsrechtbank]2 wordt een dossier gehouden voor ieder organisme voor de financiering van pensioenen die zijn zetel heeft in het arrondissement.
Dit dossier bevat :
1° de statuten van het organisme voor de financiering van pensioenen;
2° de akten betreffende de benoeming of de ambtsbeëindiging van [1 de bestuurders]1 en van de personen gemachtigd om het organisme voor de financiering van pensioenen te vertegenwoordigen en van de commissarissen;
3° een kopie van het register van de leden;
4° de beslissingen betreffende de nietigheid of de ontbinding van het organisme voor de financiering van pensioenen, de vereffening ervan en de benoeming en de ambtsbeëindiging van de vereffenaars, bedoeld in artikel 45, eerste lid; de rechterlijke beslissingen moeten slechts bij het dossier worden gevoegd als zij in kracht van gewijsde zijn gegaan of uitvoerbaar zijn bij voorraad;
5° de jaarrekening van het organisme voor de financiering van pensioenen, opgemaakt overeenkomstig artikel 81;
6° de wijzigingen in de in 1°, 2°, 4° en 5°, bedoelde akten, stukken en beslissingen;
7° de gecoördineerde tekst van de statuten na de wijzigingen ervan.
Wanneer wijzigingen optreden in de samenstelling van het organisme voor de financiering van pensioenen wordt een bijgewerkte ledenlijst neergelegd binnen één maand te rekenen van de verjaardag van de neerlegging van de statuten.
De Koning bepaalt de wijze waarop het dossier moet worden aangelegd en de vergoeding die daarvoor wordt aangerekend aan het organisme voor de financiering van pensioenen en die niet hoger mag zijn dan de reële kostprijs. Hij kan erin voorzien dat de stukken bedoeld in het tweede lid kunnen worden neergelegd en gereproduceerd in de door Hem bepaalde vorm. Onder de voorwaarden bepaald door de Koning, hebben kopieën dezelfde bewijskracht als originele stukken en kunnen deze in de plaats ervan worden gesteld. De Koning kan eveneens toestaan dat de gegevens van het dossier die Hij bepaalt, op geautomatiseerde wijze worden verwerkt. Hij kan toestaan dat de gegevensbestanden met elkaar in verbinding worden gebracht. Hij stelt in voorkomend geval daarvoor de nadere regels vast.
Eenieder kan met betrekking tot een bepaald organisme voor de financiering van pensioenen kosteloos kennis nemen van de neergelegde stukken. Tegen betaling van de griffierechten kan, op mondelinge of schriftelijke aanvraag, een volledig of gedeeltelijk afschrift ervan worden verkregen. Deze afschriften worden eensluidend verklaard met het origineel, tenzij de aanvrager van deze formaliteit afziet.
Dit dossier bevat :
1° de statuten van het organisme voor de financiering van pensioenen;
2° de akten betreffende de benoeming of de ambtsbeëindiging van [1 de bestuurders]1 en van de personen gemachtigd om het organisme voor de financiering van pensioenen te vertegenwoordigen en van de commissarissen;
3° een kopie van het register van de leden;
4° de beslissingen betreffende de nietigheid of de ontbinding van het organisme voor de financiering van pensioenen, de vereffening ervan en de benoeming en de ambtsbeëindiging van de vereffenaars, bedoeld in artikel 45, eerste lid; de rechterlijke beslissingen moeten slechts bij het dossier worden gevoegd als zij in kracht van gewijsde zijn gegaan of uitvoerbaar zijn bij voorraad;
5° de jaarrekening van het organisme voor de financiering van pensioenen, opgemaakt overeenkomstig artikel 81;
6° de wijzigingen in de in 1°, 2°, 4° en 5°, bedoelde akten, stukken en beslissingen;
7° de gecoördineerde tekst van de statuten na de wijzigingen ervan.
Wanneer wijzigingen optreden in de samenstelling van het organisme voor de financiering van pensioenen wordt een bijgewerkte ledenlijst neergelegd binnen één maand te rekenen van de verjaardag van de neerlegging van de statuten.
De Koning bepaalt de wijze waarop het dossier moet worden aangelegd en de vergoeding die daarvoor wordt aangerekend aan het organisme voor de financiering van pensioenen en die niet hoger mag zijn dan de reële kostprijs. Hij kan erin voorzien dat de stukken bedoeld in het tweede lid kunnen worden neergelegd en gereproduceerd in de door Hem bepaalde vorm. Onder de voorwaarden bepaald door de Koning, hebben kopieën dezelfde bewijskracht als originele stukken en kunnen deze in de plaats ervan worden gesteld. De Koning kan eveneens toestaan dat de gegevens van het dossier die Hij bepaalt, op geautomatiseerde wijze worden verwerkt. Hij kan toestaan dat de gegevensbestanden met elkaar in verbinding worden gebracht. Hij stelt in voorkomend geval daarvoor de nadere regels vast.
Eenieder kan met betrekking tot een bepaald organisme voor de financiering van pensioenen kosteloos kennis nemen van de neergelegde stukken. Tegen betaling van de griffierechten kan, op mondelinge of schriftelijke aanvraag, een volledig of gedeeltelijk afschrift ervan worden verkregen. Deze afschriften worden eensluidend verklaard met het origineel, tenzij de aanvrager van deze formaliteit afziet.
Art.49. Il est tenu au greffe du [2 tribunal de l'entreprise]2 un dossier pour chaque organisme de financement de pensions ayant son siège social dans l'arrondissement.
Ce dossier contient :
1° les statuts de l'organisme de financement de pensions;
2° les actes relatifs à la nomination ou à la cessation de fonctions [1 des administrateurs]1 et des personnes habilitées à représenter l'organisme de financement de pensions et des commissaires;
3° une copie du registre des membres;
4° les décisions relatives à la nullité ou à la dissolution de l'organisme de financement de pensions, à sa liquidation et à la nomination et à la cessation de fonctions des liquidateurs, visées à l'article 45, alinéa 1er; les décisions judiciaires ne doivent être déposées au dossier que si elles sont coulées en force de chose jugée ou exécutoires par provision;
5° les comptes annuels de l'organisme de financement de pensions, établis conformément à l'article 81;
6° les modifications aux actes, documents et décisions visés aux 1°, 2°, 4° et 5°;
7° le texte coordonné des statuts suite à leur modification.
En cas de modification dans la composition de l'organisme de financement de pensions, une liste des membres mise à jour est déposée dans le mois de la date anniversaire du dépôt des statuts.
Le Roi détermine les modalités de constitution du dossier et l'indemnité qui est imputée à cet effet à l'organisme de financement de pensions et qui ne peut dépasser le coût réel. Il peut prévoir que les documents visés à l'alinéa 2 peuvent être déposés et reproduits sous la forme qu'Il détermine. Aux conditions déterminées par le Roi, les copies font foi comme les documents originaux et peuvent leur être substituées. Le Roi peut également permettre le traitement automatisé des données du dossier qu'Il détermine. Il peut autoriser la mise en relation des fichiers de données. Il en fixe, le cas échéant, les modalités.
Toute personne peut, concernant un organisme de financement de pensions détermine, prendre connaissance gratuitement des documents déposés et en obtenir, sur demande écrite ou orale, copie intégrale ou partielle, sans autre paiement que celui des droits de greffe. Ces copies sont certifiées conformes à l'original, à moins que le demandeur ne renonce à cette formalité.
Ce dossier contient :
1° les statuts de l'organisme de financement de pensions;
2° les actes relatifs à la nomination ou à la cessation de fonctions [1 des administrateurs]1 et des personnes habilitées à représenter l'organisme de financement de pensions et des commissaires;
3° une copie du registre des membres;
4° les décisions relatives à la nullité ou à la dissolution de l'organisme de financement de pensions, à sa liquidation et à la nomination et à la cessation de fonctions des liquidateurs, visées à l'article 45, alinéa 1er; les décisions judiciaires ne doivent être déposées au dossier que si elles sont coulées en force de chose jugée ou exécutoires par provision;
5° les comptes annuels de l'organisme de financement de pensions, établis conformément à l'article 81;
6° les modifications aux actes, documents et décisions visés aux 1°, 2°, 4° et 5°;
7° le texte coordonné des statuts suite à leur modification.
En cas de modification dans la composition de l'organisme de financement de pensions, une liste des membres mise à jour est déposée dans le mois de la date anniversaire du dépôt des statuts.
Le Roi détermine les modalités de constitution du dossier et l'indemnité qui est imputée à cet effet à l'organisme de financement de pensions et qui ne peut dépasser le coût réel. Il peut prévoir que les documents visés à l'alinéa 2 peuvent être déposés et reproduits sous la forme qu'Il détermine. Aux conditions déterminées par le Roi, les copies font foi comme les documents originaux et peuvent leur être substituées. Le Roi peut également permettre le traitement automatisé des données du dossier qu'Il détermine. Il peut autoriser la mise en relation des fichiers de données. Il en fixe, le cas échéant, les modalités.
Toute personne peut, concernant un organisme de financement de pensions détermine, prendre connaissance gratuitement des documents déposés et en obtenir, sur demande écrite ou orale, copie intégrale ou partielle, sans autre paiement que celui des droits de greffe. Ces copies sont certifiées conformes à l'original, à moins que le demandeur ne renonce à cette formalité.
Art.50. De akten, stukken en beslissingen bedoeld in artikel 49, tweede lid, 1°, 2° en 4°, en de wijzigingen ervan, worden, op kosten van de betrokkenen, bij uittreksel bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.
Het uittreksel vermeldt :
1° voor de statuten of hun wijziging, de gegevens bedoeld in artikel 46, eerste lid;
2° voor de akten betreffende de benoeming en de ambtsbeëindiging van de bestuurders en de personen gemachtigd om het organisme voor de financiering van pensioenen te vertegenwoordigen en de commissarissen, de gegevens bedoeld in artikel 47;
3° voor de rechterlijke beslissingen en de beslissingen van de algemene vergadering of de vereffenaars betreffende de nietigheid of de ontbinding van het organisme voor de financiering van pensioenen of de vereffening, de auteur, de datum en het dispositief van de beslissing;
4° voor de akten en beslissingen betreffende de benoeming en de ambtsbeëindiging van de vereffenaars, de gegevens bedoeld in artikel 45, tweede lid.
De Koning wijst de ambtenaren aan die de akten, de stukken of beslissingen in ontvangst nemen en bepaalt de vorm waarin en de voorwaarden waaronder zij moeten worden neergelegd en bekendgemaakt. De bekendmaking moet binnen dertig dagen na de neerlegging plaatsvinden op straffe van schadevergoeding ten laste van de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten is.
Het uittreksel vermeldt :
1° voor de statuten of hun wijziging, de gegevens bedoeld in artikel 46, eerste lid;
2° voor de akten betreffende de benoeming en de ambtsbeëindiging van de bestuurders en de personen gemachtigd om het organisme voor de financiering van pensioenen te vertegenwoordigen en de commissarissen, de gegevens bedoeld in artikel 47;
3° voor de rechterlijke beslissingen en de beslissingen van de algemene vergadering of de vereffenaars betreffende de nietigheid of de ontbinding van het organisme voor de financiering van pensioenen of de vereffening, de auteur, de datum en het dispositief van de beslissing;
4° voor de akten en beslissingen betreffende de benoeming en de ambtsbeëindiging van de vereffenaars, de gegevens bedoeld in artikel 45, tweede lid.
De Koning wijst de ambtenaren aan die de akten, de stukken of beslissingen in ontvangst nemen en bepaalt de vorm waarin en de voorwaarden waaronder zij moeten worden neergelegd en bekendgemaakt. De bekendmaking moet binnen dertig dagen na de neerlegging plaatsvinden op straffe van schadevergoeding ten laste van de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten is.
Art.50. Les actes, documents et décisions visés à l'article 49, alinéa 2, 1°, 2° et 4° et leurs modifications, sont publiés par extrait, aux frais des intéressés, dans les annexes du Moniteur belge.
L'extrait contient :
1° en ce qui concerne les statuts ou leurs modifications, les indications visées à l'article 46, alinéa 1er;
2° en ce qui concerne les actes relatifs à la nomination ou la cessation de fonctions des administrateurs et des personnes habilitées à représenter l'organisme de financement de pensions et des commissaires, les indications visées à l'article 47;
3° en ce qui concerne les décisions judiciaires et les décisions de l'assemblée générale ou des liquidateurs relatives à la nullité ou la dissolution de l'organisme de financement de pensions et à sa liquidation, l'auteur, la date et le dispositif de la décision;
4° en ce qui concerne les actes et décisions relatives à la nomination et à la cessation de fonctions des liquidateurs, les indications visées à l'article 45, alinéa 2.
Le Roi indique les fonctionnaires qui recevront les actes, documents ou décisions et détermine la forme et les conditions du dépôt et de la publication. La publication doit être faite dans les trente jours du dépôt à peine de dommages-intérêts contre les fonctionnaires auxquels l'omission ou le retard serait imputable.
L'extrait contient :
1° en ce qui concerne les statuts ou leurs modifications, les indications visées à l'article 46, alinéa 1er;
2° en ce qui concerne les actes relatifs à la nomination ou la cessation de fonctions des administrateurs et des personnes habilitées à représenter l'organisme de financement de pensions et des commissaires, les indications visées à l'article 47;
3° en ce qui concerne les décisions judiciaires et les décisions de l'assemblée générale ou des liquidateurs relatives à la nullité ou la dissolution de l'organisme de financement de pensions et à sa liquidation, l'auteur, la date et le dispositif de la décision;
4° en ce qui concerne les actes et décisions relatives à la nomination et à la cessation de fonctions des liquidateurs, les indications visées à l'article 45, alinéa 2.
Le Roi indique les fonctionnaires qui recevront les actes, documents ou décisions et détermine la forme et les conditions du dépôt et de la publication. La publication doit être faite dans les trente jours du dépôt à peine de dommages-intérêts contre les fonctionnaires auxquels l'omission ou le retard serait imputable.
Art.51. [1 Onverminderd artikel 28, vierde lid kunnen]1 de akten, de stukken en de beslissingen die krachtens dit hoofdstuk moeten worden neergelegd, [1 ...]1 aan derden slechts worden tegengeworpen vanaf de dag van neerlegging ervan of, indien zij naar luid van dit hoofdstuk ook moeten worden bekendgemaakt, vanaf de dag van bekendmaking ervan in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, behalve indien het organisme voor de financiering van pensioenen aantoont dat die derden reeds kennis ervan hadden. Derden kunnen zich niettemin beroepen op akten, stukken en beslissingen die niet zijn neergelegd of bekendgemaakt. Die akten, stukken en beslissingen kunnen met betrekking tot handelingen verricht voor de eenendertigste dag volgend op de bekendmaking, niet worden tegengeworpen aan derden die aantonen dat zij onmogelijk kennis ervan hadden kunnen hebben.
In geval van tegenstrijdigheid tussen de neergelegde tekst en die bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, kan deze laatste niet aan derden worden tegengeworpen. Zij kunnen zich evenwel erop beroepen tenzij de instelling aantoont dat zij van de neergelegde tekst kennis hadden.
In geval van tegenstrijdigheid tussen de neergelegde tekst en die bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, kan deze laatste niet aan derden worden tegengeworpen. Zij kunnen zich evenwel erop beroepen tenzij de instelling aantoont dat zij van de neergelegde tekst kennis hadden.
Art.51. [1 Sans préjudice de l'article 28, alinéa 4]1 les actes, documents et décisions dont le dépôt est prescrit par le présent chapitre ne sont opposables aux tiers qu'à partir du jour de leur dépôt ou, lorsque la publication en est également prescrite par le présent chapitre, à partir du jour de leur publication aux annexes au Moniteur belge, sauf si l'organisme de financement de pensions prouve que ces tiers en avaient antérieurement connaissance. Les tiers peuvent néanmoins se prévaloir des actes, documents et décisions dont le dépôt ou la publication n'ont pas été effectués. Pour les opérations intervenues avant le trente et unième jour qui suit celui de la publication, ces actes, documents et décisions ne sont pas opposables aux tiers qui prouvent qu'ils ont été dans l'impossibilité d'en avoir connaissance.
En cas de discordance entre le texte déposé et celui qui est publié aux annexes du Moniteur belge, ce dernier n'est pas opposable aux tiers. Ceux-ci peuvent néanmoins s'en prévaloir, à moins que l'institution ne prouve qu'ils ont eu connaissance du texte déposé.
En cas de discordance entre le texte déposé et celui qui est publié aux annexes du Moniteur belge, ce dernier n'est pas opposable aux tiers. Ceux-ci peuvent néanmoins s'en prévaloir, à moins que l'institution ne prouve qu'ils ont eu connaissance du texte déposé.
Änderungen
HOOFDSTUK III. - [1 Vergunning]1 en uitbreiding van de [1 vergunning]1.
CHAPITRE III. - Agrément et extension de l'agrément.
Art.52. Een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening mag geen activiteit als bedoeld in artikel 2, 2°, uitoefenen zonder vooraf door de [2 FSMA]2 te zijn [3 vergund]3.
Änderungen
Art.52. Une institution de retraite professionnelle ne peut exercer une activité visée à l'article 2, 2°, que si elle a été préalablement agréée par la [2 FSMA]2.
Art.53. Bij de [3 vergunningsaanvraag]3 worden de volgende inlichtingen en documenten verstrekt :
1° de statuten en, in voorkomend geval, de oprichtingsakte van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, met in voorkomend geval vermelding van de datum van de bekendmaking ervan in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad;
2° de identificatiegegevens van de leden van de operationele organen en [4 van de verantwoordelijken voor de sleutelfuncties, bedoeld in artikel 77/2]4, te weten :
a) voor natuurlijke personen, de naam, voornamen, woonplaats, geboortedatum en plaats en rijksregisternummer of ander officieel nationaal referentienummer of paspoortnummer;
b) voor rechtspersonen, de naam, rechtsvorm, adres van zetel, [4 ondernemingsnummer of voor buitenlandse rechtspersonen het identificatienummer in handels-, rechtspersonen- of andere overheidsregisters]4, alsook de identificatiegegevens zoals bedoeld in a), van hun vaste vertegenwoordigers.
3° [4 de gegevens betreffende de passende deskundigheid en de professionele betrouwbaarheid zoals bedoeld in artikel 77, van de personen bedoeld in 2° ;]4
4° de omvang van de bevoegdheden van de leden van de operationele organen en de wijze waarop zij die uitoefenen;
5° [4 de beschrijving van het governancesysteem, zoals bedoeld in artikel 76/1;]4
[4 5/1° de beleidslijnen bedoeld in artikel 76/1, § 1, vierde lid, 5° en 6° ;
5/2° in voorkomend geval een opsomming van de activiteiten of sleutelfuncties die de IBP zal uitbesteden en, indien reeds gekend, de identiteit van de dienstverleners;]4
6° [4 de naam van de bijdragende ondernemingen waarvan de IBP de pensioenregelingen beheert, hun ondernemingsnummer of voor buitenlandse rechtspersonen het identificatienummer in handels-, rechtspersonen- of andere overheidsregisters;]4
7° de voornaamste kenmerken van de pensioenregelingen die uitgevoerd worden door de instelling;
[4 7/1° de beheersovereenkomst bedoeld in artikel 79 tenzij de beheers- en werkingsregels in de statuten zijn omschreven;]4
8° het financieringsplan bedoeld in artikel 86;
9° het bewijs dat de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening beschikt over de in de artikelen 87 en 88 bedoelde solvabiliteitsmarge, indien er een dergelijke marge moet worden samengesteld;
10° de verklaring inzake beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 95;
11° de andere inlichtingen en documenten die de [2 FSMA]2 vraagt met het oog op de beoordeling van de [3 vergunningsaanvraag]3.
[4 Het vergunningsdossier wordt geacht volledig te zijn wanneer het alle in het eerste lid bedoelde documenten en inlichtingen bevat.]4
De [2 FSMA]2 stelt de vorm van de [3 vergunningsaanvraag]3 en de voorwaarden waaraan deze moet beantwoorden, vast.
1° de statuten en, in voorkomend geval, de oprichtingsakte van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, met in voorkomend geval vermelding van de datum van de bekendmaking ervan in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad;
2° de identificatiegegevens van de leden van de operationele organen en [4 van de verantwoordelijken voor de sleutelfuncties, bedoeld in artikel 77/2]4, te weten :
a) voor natuurlijke personen, de naam, voornamen, woonplaats, geboortedatum en plaats en rijksregisternummer of ander officieel nationaal referentienummer of paspoortnummer;
b) voor rechtspersonen, de naam, rechtsvorm, adres van zetel, [4 ondernemingsnummer of voor buitenlandse rechtspersonen het identificatienummer in handels-, rechtspersonen- of andere overheidsregisters]4, alsook de identificatiegegevens zoals bedoeld in a), van hun vaste vertegenwoordigers.
3° [4 de gegevens betreffende de passende deskundigheid en de professionele betrouwbaarheid zoals bedoeld in artikel 77, van de personen bedoeld in 2° ;]4
4° de omvang van de bevoegdheden van de leden van de operationele organen en de wijze waarop zij die uitoefenen;
5° [4 de beschrijving van het governancesysteem, zoals bedoeld in artikel 76/1;]4
[4 5/1° de beleidslijnen bedoeld in artikel 76/1, § 1, vierde lid, 5° en 6° ;
5/2° in voorkomend geval een opsomming van de activiteiten of sleutelfuncties die de IBP zal uitbesteden en, indien reeds gekend, de identiteit van de dienstverleners;]4
6° [4 de naam van de bijdragende ondernemingen waarvan de IBP de pensioenregelingen beheert, hun ondernemingsnummer of voor buitenlandse rechtspersonen het identificatienummer in handels-, rechtspersonen- of andere overheidsregisters;]4
7° de voornaamste kenmerken van de pensioenregelingen die uitgevoerd worden door de instelling;
[4 7/1° de beheersovereenkomst bedoeld in artikel 79 tenzij de beheers- en werkingsregels in de statuten zijn omschreven;]4
8° het financieringsplan bedoeld in artikel 86;
9° het bewijs dat de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening beschikt over de in de artikelen 87 en 88 bedoelde solvabiliteitsmarge, indien er een dergelijke marge moet worden samengesteld;
10° de verklaring inzake beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 95;
11° de andere inlichtingen en documenten die de [2 FSMA]2 vraagt met het oog op de beoordeling van de [3 vergunningsaanvraag]3.
[4 Het vergunningsdossier wordt geacht volledig te zijn wanneer het alle in het eerste lid bedoelde documenten en inlichtingen bevat.]4
De [2 FSMA]2 stelt de vorm van de [3 vergunningsaanvraag]3 en de voorwaarden waaraan deze moet beantwoorden, vast.
Änderungen
Art.53. La requête d'agrément est accompagnée des renseignements et documents suivants :
1° les statuts et, le cas échéant, l'acte de constitution de l'institution de retraite professionnelle, en indiquant le cas échéant la date de leur publication aux annexes au Moniteur belge;
2° les données concernant l'identification des membres des organes opérationnels et des [3 responsables des fonctions clés visées à l'article 77/2]3, à savoir :
a) pour les personnes physiques, les nom, prénoms, domicile, date et lieu de naissance et numéro de registre national ou de tout autre registre officiel national ou numéro de passeport;
b) pour les personnes morales, la dénomination, la forme juridique, l'adresse du siège social, [3 le numéro d'entreprise ou, pour les personnes morales d'un autre Etat, le numéro d'identification dans les registres de commerce, des personnes morales ou d'autres registres officiels]3, ainsi que les données d'identification telles que visées en a), de leurs représentants permanents.
3° [3 les données relatives à l'expertise adéquate et à l'honorabilité professionnelle visées à l'article 77, des personnes visées au 2° ;]3
4° l'étendue des pouvoirs des membres des organes opérationnels et la manière de les exercer;
5° [3 la description du système de gouvernance tel que visé à l'article 76/1;]3
[3 5/1° les politiques visées à l'article 76/1, § 1er, alinéa 4, 5° et 6° ;
5/2° le cas échéant, une énumération des activités ou fonctions clés que l'IRP va sous-traiter et l'identité des prestataires de service si celle-ci est déjà connue;]3
6° [3 le nom des entreprises d'affiliation dont l'IRP gère les régimes de retraite, leur numéro d'entreprise ou, pour les personnes morales d'un autre Etat, le numéro d'identification dans les registres de commerce, des personnes morales ou d'autres registres officiels;]3
7° les principales caractéristiques des régimes de pensions gérés par l'institution;
[3 7/1° la convention de gestion visée à l'article 79 à moins que les règles de fonctionnement et de gestion ne soient décrites dans les statuts;]3
8° le plan de financement visé à l'article 86;
9° la preuve que l'institution de retraite professionnelle dispose de la marge de solvabilité visée aux articles 87 et 88 lorsqu'une telle marge doit être constituée;
10° la déclaration sur les principes de la politique de placement visée à l'article 95;
11° les autres renseignements et documents demandés par la [2 FSMA]2 en vue d'apprécier la requête d'agrément.
[3 Le dossier d'agrément est considéré comme complet lorsque qu'il comprend tous les documents et informations visés à l'alinéa 1er.]3
La [2 FSMA]2 fixe la forme de la requête d'agrément et les conditions auxquelles celle-ci doit répondre.
1° les statuts et, le cas échéant, l'acte de constitution de l'institution de retraite professionnelle, en indiquant le cas échéant la date de leur publication aux annexes au Moniteur belge;
2° les données concernant l'identification des membres des organes opérationnels et des [3 responsables des fonctions clés visées à l'article 77/2]3, à savoir :
a) pour les personnes physiques, les nom, prénoms, domicile, date et lieu de naissance et numéro de registre national ou de tout autre registre officiel national ou numéro de passeport;
b) pour les personnes morales, la dénomination, la forme juridique, l'adresse du siège social, [3 le numéro d'entreprise ou, pour les personnes morales d'un autre Etat, le numéro d'identification dans les registres de commerce, des personnes morales ou d'autres registres officiels]3, ainsi que les données d'identification telles que visées en a), de leurs représentants permanents.
3° [3 les données relatives à l'expertise adéquate et à l'honorabilité professionnelle visées à l'article 77, des personnes visées au 2° ;]3
4° l'étendue des pouvoirs des membres des organes opérationnels et la manière de les exercer;
5° [3 la description du système de gouvernance tel que visé à l'article 76/1;]3
[3 5/1° les politiques visées à l'article 76/1, § 1er, alinéa 4, 5° et 6° ;
5/2° le cas échéant, une énumération des activités ou fonctions clés que l'IRP va sous-traiter et l'identité des prestataires de service si celle-ci est déjà connue;]3
6° [3 le nom des entreprises d'affiliation dont l'IRP gère les régimes de retraite, leur numéro d'entreprise ou, pour les personnes morales d'un autre Etat, le numéro d'identification dans les registres de commerce, des personnes morales ou d'autres registres officiels;]3
7° les principales caractéristiques des régimes de pensions gérés par l'institution;
[3 7/1° la convention de gestion visée à l'article 79 à moins que les règles de fonctionnement et de gestion ne soient décrites dans les statuts;]3
8° le plan de financement visé à l'article 86;
9° la preuve que l'institution de retraite professionnelle dispose de la marge de solvabilité visée aux articles 87 et 88 lorsqu'une telle marge doit être constituée;
10° la déclaration sur les principes de la politique de placement visée à l'article 95;
11° les autres renseignements et documents demandés par la [2 FSMA]2 en vue d'apprécier la requête d'agrément.
[3 Le dossier d'agrément est considéré comme complet lorsque qu'il comprend tous les documents et informations visés à l'alinéa 1er.]3
La [2 FSMA]2 fixe la forme de la requête d'agrément et les conditions auxquelles celle-ci doit répondre.
Änderungen
Art.54. [1 De IBP deelt binnen de maand aan de FSMA elke wijziging mee van de gegevens en documenten bedoeld in artikel 53, eerste lid, 4°, 5°, 5/1°, 6°, 7°, 7/1°, 8° en 10°.
Wanneer de IBP zich voorneemt om een significante wijziging aan haar activiteiten of haar werking aan te brengen, deelt ze dit voorafgaandelijk mee aan de FSMA, samen met de in voorkomend geval aangepaste inlichtingen en documenten bedoeld in artikel 53, eerste lid.]1
Wanneer de IBP zich voorneemt om een significante wijziging aan haar activiteiten of haar werking aan te brengen, deelt ze dit voorafgaandelijk mee aan de FSMA, samen met de in voorkomend geval aangepaste inlichtingen en documenten bedoeld in artikel 53, eerste lid.]1
Art.54. [1 L'IRP communique dans le mois à la FSMA toute modification des renseignements et documents visés à l'article 53, alinéa 1er, 4°, 5°, 5/1°, 6°, 7°, 7/1°, 8° et 10°.
Lorsque l'IRP envisage d'apporter une modification significative à ses activités ou à son fonctionnement, elle en avise préalablement la FSMA, en joignant les renseignements et documents visés à l'article 53, alinéa 1er, le cas échéant adaptés.]1
Lorsque l'IRP envisage d'apporter une modification significative à ses activités ou à son fonctionnement, elle en avise préalablement la FSMA, en joignant les renseignements et documents visés à l'article 53, alinéa 1er, le cas échéant adaptés.]1
Änderungen
Art.55. De [3 vergunning]3 wordt afzonderlijk verleend voor :
1° de activiteiten bedoeld in [6 artikel 2/1, § 1, 1°]6, voor wat de in België [4 vergunde]4 pensioenuitkeringen betreft en voor de buitenlandse pensioenregelingen andere dan die bedoeld in 2°;
2° de activiteiten bedoeld in [6 artikel 2/1, § 1, 2°]6, voor wat de in België [4 vergunde]4 pensioenuitkeringen betreft en voor de hieraan gelijkaardige activiteiten die in het buitenland worden uitgeoefend;
[6 3° de activiteiten bedoeld in artikel 135, eerste lid.]6
De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die [5 vergund]5 is voor een van de activiteiten bedoeld in het eerste lid en die haar werkzaamheden wenst uit te breiden tot de ander activiteit, dient bij de [2 FSMA]2 een aanvraag tot uitbreiding van de [3 vergunning]3 in. Bij deze aanvraag wordt een dossier verstrekt, dat overeenkomstig [6 artikel 53]6 is samengesteld.
1° de activiteiten bedoeld in [6 artikel 2/1, § 1, 1°]6, voor wat de in België [4 vergunde]4 pensioenuitkeringen betreft en voor de buitenlandse pensioenregelingen andere dan die bedoeld in 2°;
2° de activiteiten bedoeld in [6 artikel 2/1, § 1, 2°]6, voor wat de in België [4 vergunde]4 pensioenuitkeringen betreft en voor de hieraan gelijkaardige activiteiten die in het buitenland worden uitgeoefend;
[6 3° de activiteiten bedoeld in artikel 135, eerste lid.]6
De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die [5 vergund]5 is voor een van de activiteiten bedoeld in het eerste lid en die haar werkzaamheden wenst uit te breiden tot de ander activiteit, dient bij de [2 FSMA]2 een aanvraag tot uitbreiding van de [3 vergunning]3 in. Bij deze aanvraag wordt een dossier verstrekt, dat overeenkomstig [6 artikel 53]6 is samengesteld.
Änderungen
Art.55. L'agrément est accordé séparément pour ce qui concerne :
1° les activités visée à l'[3 article 2/1, § 1er, 1°]3, pour ce qui est des prestations de retraite autorisées en Belgique et pour les régimes de retraite étrangers autres que ceux visés au 2°;
2° les activités visées à l'[3 article 2/1, § 1er, 2°]3, pour ce qui est des prestations de retraite autorisées en Belgique et pour les activités similaires exercées à l'étranger;
[3 3° les activités visées à l'article 135, alinéa 1er.]3
L'institution de retraite professionnelle agréée pour une seule des activités visées à l'alinéa 1er qui souhaite s'étendre à l'autre activité, introduit auprès de la [2 FSMA]2 une requête d'extension de l'agrément. Cette requête est accompagnée d'un dossier composé conformément [3 à l'article 53]3.
1° les activités visée à l'[3 article 2/1, § 1er, 1°]3, pour ce qui est des prestations de retraite autorisées en Belgique et pour les régimes de retraite étrangers autres que ceux visés au 2°;
2° les activités visées à l'[3 article 2/1, § 1er, 2°]3, pour ce qui est des prestations de retraite autorisées en Belgique et pour les activités similaires exercées à l'étranger;
[3 3° les activités visées à l'article 135, alinéa 1er.]3
L'institution de retraite professionnelle agréée pour une seule des activités visées à l'alinéa 1er qui souhaite s'étendre à l'autre activité, introduit auprès de la [2 FSMA]2 une requête d'extension de l'agrément. Cette requête est accompagnée d'un dossier composé conformément [3 à l'article 53]3.
Änderungen
Art.56. De [3 FSMA]3 meldt onverwijld de ontvangst van de aanvraag tot [4 vergunning]4 of uitbreiding.
De [3 FSMA]3 spreekt zich uit over de aanvraag binnen drie maanden na voorlegging van een volledig dossier en uiterlijk binnen negen maanden na ontvangst van de aanvraag.
De [3 FSMA]3 spreekt zich uit over de aanvraag binnen drie maanden na voorlegging van een volledig dossier en uiterlijk binnen negen maanden na ontvangst van de aanvraag.
Änderungen
Art.56. La [3 FSMA]3 accuse sans délai réception de la demande d'agrément ou d'extension.
Elle statue sur la demande dans les trois mois de l'introduction d'un dossier complet et, au plus tard, dans les neuf mois de la réception de la demande.
Elle statue sur la demande dans les trois mois de l'introduction d'un dossier complet et, au plus tard, dans les neuf mois de la réception de la demande.
Änderungen
Art.57. De [1 vergunning]1 of de uitbreiding kan slechts worden verleend aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die voldoet aan de door of krachtens de wet gestelde voorwaarden en regels.
Art.57. L'agrément ou l'extension ne peut être accordé à une institution de retraite professionnelle que si celle-ci satisfait aux conditions et règles fixées par ou en vertu de la loi.
Art.58. De beslissing tot verlening of weigering van de [2 vergunning]2 of de uitbreiding wordt ter kennis gebracht van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening met een ter post aangetekende brief.
Art.58. La décision d'octroi ou de refus de l'agrément ou de l'extension est notifiée à l'institution de retraite professionnelle par lettre recommandée à la poste.
Art.59. [1 De [3 FSMA]3 stelt de lijst op van de [5 vergunde]5 instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Zij vermeldt voor welk van [7 de]7 activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, de instelling is [6 vergund]6, evenals, in voorkomend geval, de andere lidstaten dan België waarin de instelling een grensoverschrijdende activiteit uitoefent. Deze lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt [4 en aan de EIOPA meegedeeld]4.] -1
Änderungen
Art.59. [1 La [3 FSMA]3 établit la liste des institutions de retraite professionnelle agréées. La liste indique pour laquelle des [5 ...]5 activités visées à l'article 55, alinéa 1er, l'institution est agréée ainsi que, le cas échéant, les Etats membres autres que la Belgique dans lesquels l'institution exerce une activité transfrontalière. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur le site internet de la [3 FSMA]3 [4 et communiquée à l'EIOPA]4.]1
Änderungen
Art.60. De [3 vergunde]3 instelling voor bedrijfspensioenvoorziening brengt in de documenten die ter kennis worden gebracht van de aangeslotenen en de [5 pensioengerechtigden]5 de volgende vermelding aan :
" Instelling voor bedrijfspensioenvoorziening [4 vergund]4 op... ".
Na die vermelding volgt het identificatienummer dat door de [2 FSMA]2 is toegekend.
" Instelling voor bedrijfspensioenvoorziening [4 vergund]4 op... ".
Na die vermelding volgt het identificatienummer dat door de [2 FSMA]2 is toegekend.
Änderungen
Art.60. L'institution de retraite professionnelle agréée fait figurer dans les documents portés à la connaissance des affiliés et des bénéficiaires la mention suivante :
" Institution de retraite professionnelle agréée le... ".
Cette mention est suivie du numéro d'identification attribué par la [2 FSMA]2.
" Institution de retraite professionnelle agréée le... ".
Cette mention est suivie du numéro d'identification attribué par la [2 FSMA]2.
Art.61. Een [5 vergunde]5 instelling voor bedrijfspensioenvoorziening kan afstand doen van de [4 vergunning]4. De afstand wordt gericht aan de [3 FSMA]3 die de afstand vaststelt en de datum van uitwerking ervan bepaalt. [1 ...]1
De afstand van de [4 vergunning]4 houdt het verbod in om de activiteiten voort te zetten, met uitzondering van het beheer van pensioenregelingen voor de aangeslotenen of [6 pensioengerechtigden]6 van die regelingen op het ogenblik van de afstand.
De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die afstand heeft gedaan van de [4 vergunning]4 blijft aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsreglementen en aan het toezicht van de [3 FSMA]3 onderworpen totdat al haar verplichtingen zijn afgewikkeld.
De [3 FSMA]3 stelt de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten waar de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening een grensoverschrijdende activiteit uitoefent, in kennis van de afstand van haar [4 vergunning]4.
De afstand van de [4 vergunning]4 houdt het verbod in om de activiteiten voort te zetten, met uitzondering van het beheer van pensioenregelingen voor de aangeslotenen of [6 pensioengerechtigden]6 van die regelingen op het ogenblik van de afstand.
De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die afstand heeft gedaan van de [4 vergunning]4 blijft aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsreglementen en aan het toezicht van de [3 FSMA]3 onderworpen totdat al haar verplichtingen zijn afgewikkeld.
De [3 FSMA]3 stelt de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten waar de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening een grensoverschrijdende activiteit uitoefent, in kennis van de afstand van haar [4 vergunning]4.
Änderungen
Art.61. Une institution de retraite professionnelle agréée a la faculté de renoncer à l'agrément. La renonciation est adressée à la [3 FSMA]3, qui la constate et fixe la date de ses effets. [1 ...]1
La renonciation à l'agrément emporte interdiction de poursuivre les activités à l'exception de la gestion des régimes de retraite au profit des affiliés ou bénéficiaires de ces régimes au moment de la renonciation.
L'institution de retraite professionnelle qui a renoncé à l'agrément reste soumise aux dispositions de la présente loi et de ses règlements d'exécution et au contrôle de la [3 FSMA]3 jusqu'à ce que soient liquidés tous ses engagements.
La [3 FSMA]3 informe les autorités compétentes des Etats membres où l'institution de retraite professionnelle exerce une activité transfrontalière de la renonciation à son agrément.
La renonciation à l'agrément emporte interdiction de poursuivre les activités à l'exception de la gestion des régimes de retraite au profit des affiliés ou bénéficiaires de ces régimes au moment de la renonciation.
L'institution de retraite professionnelle qui a renoncé à l'agrément reste soumise aux dispositions de la présente loi et de ses règlements d'exécution et au contrôle de la [3 FSMA]3 jusqu'à ce que soient liquidés tous ses engagements.
La [3 FSMA]3 informe les autorités compétentes des Etats membres où l'institution de retraite professionnelle exerce une activité transfrontalière de la renonciation à son agrément.
Änderungen
HOOFDSTUK IV. - Grensoverschrijdende activiteit [1 , grensoverschrijdende overdracht]1 en activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte.
CHAPITRE IV. - Activité transfrontalière [1 , transfert transfrontalier]1 et activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen.
Afdeling I. [1 - Algemene bepalingen.]1
Section Ire. [1 - Dispositions générales.]1
Art.62. Een in België [1 vergunde]1 instelling voor bedrijfspensioenvoorziening mag een grensoverschrijdende activiteit of een activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, uitoefenen [2 of een grensoverschrijdende overdracht uitvoeren of ontvangen]2 onder de voorwaarden van dit hoofdstuk.
Art.62. Une institution de retraite professionnelle agréée en Belgique peut exercer une activité transfrontalière ou une activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen [1 , ou opérer ou accepter un transfert transfrontalier]1 aux conditions prevues par le présent chapitre.
Änderungen
Art.63. [1 Een IBP mag een grensoverschrijdende activiteit of een activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte slechts uitoefenen indien haar technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de beheerde pensioenregelingen, te allen tijde volledig gedekt zijn door dekkingswaarden.]1
[1 Ingeval een grensoverschrijdende activiteit of een activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte wordt opgestart ten gevolge van de gehele of gedeeltelijke overdracht van de passiva of technische voorzieningen van een pensioenregeling, van andere verplichtingen en rechten, en van de overeenkomstige activa van een pensioenregeling, of de geldwaarde daarvan, moeten bovendien op de startdatum van deze activiteit de technische voorzieningen met betrekking tot elke pensioenregeling die deel uitmaakt van de op te starten activiteit, volledig door dekkingswaarden zijn gedekt.]1
Voor de toepassing [1 van dit artikel]1 mag de instelling de voordelen van de overgangsmaatregelen van de [1 artikelen 163 tot 173]1, niet in rekening brengen.
[1 Ingeval een grensoverschrijdende activiteit of een activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte wordt opgestart ten gevolge van de gehele of gedeeltelijke overdracht van de passiva of technische voorzieningen van een pensioenregeling, van andere verplichtingen en rechten, en van de overeenkomstige activa van een pensioenregeling, of de geldwaarde daarvan, moeten bovendien op de startdatum van deze activiteit de technische voorzieningen met betrekking tot elke pensioenregeling die deel uitmaakt van de op te starten activiteit, volledig door dekkingswaarden zijn gedekt.]1
Voor de toepassing [1 van dit artikel]1 mag de instelling de voordelen van de overgangsmaatregelen van de [1 artikelen 163 tot 173]1, niet in rekening brengen.
Art.63. [1 Une IRP ne peut exercer une activité transfrontalière ou une activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen que si ses provisions techniques sont à tout moment intégralement couvertes par des valeurs représentatives pour la totalité des régimes de retraite gérés.]1
[1 Si l'exercice de l'activité transfrontalière ou de l'activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen fait suite au transfert, en tout ou en partie, des engagements, des provisions techniques et d'autres obligations et droits d'un régime de retraite ainsi que des actifs correspondants ou de leurs équivalents en trésorerie, les provisions techniques relatives à chaque régime de retraite faisant partie de l'activité à exercer doivent, en outre, être intégralement couvertes par des valeurs représentatives à la date de commencement de cette activité.]1
Pour l'application [1 de cette disposition]1, l'institution ne peut invoquer le bénéfice des dispositions transitoires des [1 articles 163 à 173]1.
[1 Si l'exercice de l'activité transfrontalière ou de l'activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen fait suite au transfert, en tout ou en partie, des engagements, des provisions techniques et d'autres obligations et droits d'un régime de retraite ainsi que des actifs correspondants ou de leurs équivalents en trésorerie, les provisions techniques relatives à chaque régime de retraite faisant partie de l'activité à exercer doivent, en outre, être intégralement couvertes par des valeurs représentatives à la date de commencement de cette activité.]1
Pour l'application [1 de cette disposition]1, l'institution ne peut invoquer le bénéfice des dispositions transitoires des [1 articles 163 à 173]1.
Änderungen
Art. 63/1. [1 Het aan de FSMA te verstrekken dossier op het ogenblik van de kennisgeving van een grensoverschrijdende activiteit of een activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte of van de aanvraag tot goedkeuring van een grensoverschrijdende overdracht zoals bepaald in de artikelen 64, 69/3 en 70, moet opgesteld zijn in de voor de IBP wettelijk verplichte taal.
De FSMA kan evenwel opleggen dat dit dossier vertaald wordt in de taal die is overeengekomen tussen de FSMA en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, de Staat waar de activiteit zal worden uitgeoefend of, in geval van grensoverschrijdende overdracht, de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP.
De bepalingen in afdelingen II, II/2 en III worden toegepast:
1° bij elke significante wijziging van gegevens van het in eerste lid bedoelde dossier in geval van een grensoverschrijdende activiteit, al dan niet voortvloeiend uit een grensoverschrijdende overdracht, of in geval van een activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte of;
2° indien de grensoverschrijdende activiteit of de grensoverschrijdende overdracht of de activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, geen uitvoering krijgt na het verstrijken van een termijn van twaalf maanden na de in artikel 68, eerste lid, artikel 69/8, eerste en tweede lid en artikel 72 bepaalde startdata.]1
De FSMA kan evenwel opleggen dat dit dossier vertaald wordt in de taal die is overeengekomen tussen de FSMA en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, de Staat waar de activiteit zal worden uitgeoefend of, in geval van grensoverschrijdende overdracht, de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP.
De bepalingen in afdelingen II, II/2 en III worden toegepast:
1° bij elke significante wijziging van gegevens van het in eerste lid bedoelde dossier in geval van een grensoverschrijdende activiteit, al dan niet voortvloeiend uit een grensoverschrijdende overdracht, of in geval van een activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte of;
2° indien de grensoverschrijdende activiteit of de grensoverschrijdende overdracht of de activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, geen uitvoering krijgt na het verstrijken van een termijn van twaalf maanden na de in artikel 68, eerste lid, artikel 69/8, eerste en tweede lid en artikel 72 bepaalde startdata.]1
Art. 63/1. [1 Le dossier à communiquer à la FSMA lors de la notification d'une activité transfrontalière ou d'une activité dans un Etat qui n'est pas membre de l'Espace économique européen ou de la demande d'autorisation d'un transfert transfrontalier, tels que visés aux articles 64, 69/3 et 70, doit être rédigé dans la langue légalement imposée pour l'IRP.
La FSMA peut néanmoins imposer que ce dossier soit traduit dans la langue convenue entre la FSMA et les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil, de l'Etat dans lequel s'exercera l'activité ou, en cas de transfert transfrontalier, de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère.
Les dispositions des sections II, II/2 et III sont appliquées:
1° en cas d'activité transfrontalière résultant ou non d'un transfert transfrontalier, ou en cas d'activité dans un Etat qui n'est pas membre de l'Espace économique européen, lors de chaque modification significative des données contenues dans le dossier visé à l'alinéa 1er ou;
2° si l'activité transfrontalière ou le transfert transfrontalier ou l'activité dans un Etat qui n'est pas membre de l'Espace économique européen, n'est pas mis(e) en oeuvre après un délai de douze mois après la date de commencement visée à l'article 68, alinéa 1er, à l'article 69/8, alinéas 1er et 2 et à l'article 72.]1
La FSMA peut néanmoins imposer que ce dossier soit traduit dans la langue convenue entre la FSMA et les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil, de l'Etat dans lequel s'exercera l'activité ou, en cas de transfert transfrontalier, de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère.
Les dispositions des sections II, II/2 et III sont appliquées:
1° en cas d'activité transfrontalière résultant ou non d'un transfert transfrontalier, ou en cas d'activité dans un Etat qui n'est pas membre de l'Espace économique européen, lors de chaque modification significative des données contenues dans le dossier visé à l'alinéa 1er ou;
2° si l'activité transfrontalière ou le transfert transfrontalier ou l'activité dans un Etat qui n'est pas membre de l'Espace économique européen, n'est pas mis(e) en oeuvre après un délai de douze mois après la date de commencement visée à l'article 68, alinéa 1er, à l'article 69/8, alinéas 1er et 2 et à l'article 72.]1
Afdeling II. - Grensoverschrijdende activiteit.
Section II. - Activité transfrontalière.
Art.64. De in België [4 vergunde]4 instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die voornemens is een grensoverschrijdende activiteit uit te oefenen, stelt de [2 FSMA]2 hiervan in kennis.
Bij deze kennisgeving wordt een dossier bezorgd met de volgende gegevens :
1° de naam van de lidstaat van ontvangst;
2° de naam [6 en de vestiging van het hoofdbestuur]6 van de bijdragende onderneming;
3° de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming zal worden beheerd;
4° [6 ...]6
[6 ...]6
De kennisgeving kan ingediend worden op hetzelfde ogenblik als het [5 vergunningsdossier]5 bedoeld in artikel 53. De [2 FSMA]2 kan evenwel geen enkele beslissing nemen over de kennisgeving vóór [6 ...]6 de verlening van de [3 vergunning]3 overeenkomstig [6 artikel 56, tweede lid]6.
Bij deze kennisgeving wordt een dossier bezorgd met de volgende gegevens :
1° de naam van de lidstaat van ontvangst;
2° de naam [6 en de vestiging van het hoofdbestuur]6 van de bijdragende onderneming;
3° de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming zal worden beheerd;
4° [6 ...]6
[6 ...]6
De kennisgeving kan ingediend worden op hetzelfde ogenblik als het [5 vergunningsdossier]5 bedoeld in artikel 53. De [2 FSMA]2 kan evenwel geen enkele beslissing nemen over de kennisgeving vóór [6 ...]6 de verlening van de [3 vergunning]3 overeenkomstig [6 artikel 56, tweede lid]6.
Änderungen
Art.64. L'institution de retraite professionnelle agréée en Belgique qui projette d'exercer une activité transfrontalière notifie son intention à la [2 FSMA]2.
Cette notification s'accompagne d'un dossier comportant les éléments suivants :
1° le nom de l'Etat membre d'accueil;
2° le nom [3 et le lieu d'établissement de l'administration centrale]3 de l'entreprise d'affiliation;
3° les principales caractéristiques du régime de retraite à gérer pour l'entreprise d'affiliation;
4° [3 ...]3
[3 ...]3
La notification peut être introduite en même temps que le dossier d'agrément visé à l'article 53. Toutefois, la [2 FSMA]2 ne peut prendre aucune décision à propos de la notification avant [3 ...]3 l'octroi de l'agrément conformément à l'[3 article 56, alinéa 2]3.
Cette notification s'accompagne d'un dossier comportant les éléments suivants :
1° le nom de l'Etat membre d'accueil;
2° le nom [3 et le lieu d'établissement de l'administration centrale]3 de l'entreprise d'affiliation;
3° les principales caractéristiques du régime de retraite à gérer pour l'entreprise d'affiliation;
4° [3 ...]3
[3 ...]3
La notification peut être introduite en même temps que le dossier d'agrément visé à l'article 53. Toutefois, la [2 FSMA]2 ne peut prendre aucune décision à propos de la notification avant [3 ...]3 l'octroi de l'agrément conformément à l'[3 article 56, alinéa 2]3.
Änderungen
Art.65. [1 De FSMA meldt de IBP meteen de ontvangst van het in artikel 64 bedoelde dossier. Indien de kennisgeving aan de FSMA niet alle in artikel 64 bepaalde gegevens bevat, verzoekt de FSMA om mededeling van de ontbrekende gegevens.
De FSMA beslist binnen drie maanden na ontvangst van alle in artikel 64 bepaalde gegevens of de administratieve structuur, de financiële positie van de IBP en de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van de personen die de IBP besturen, verenigbaar zijn met de voorgenomen grensoverschrijdende activiteit.
Voor het nemen van haar beslissing kan de FSMA alle bijkomende informatie vragen die zij daartoe noodzakelijk acht.]1
De FSMA beslist binnen drie maanden na ontvangst van alle in artikel 64 bepaalde gegevens of de administratieve structuur, de financiële positie van de IBP en de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van de personen die de IBP besturen, verenigbaar zijn met de voorgenomen grensoverschrijdende activiteit.
Voor het nemen van haar beslissing kan de FSMA alle bijkomende informatie vragen die zij daartoe noodzakelijk acht.]1
Art.65. [1 La FSMA informe immédiatement l'IRP de la réception du dossier visé à l'article 64. Si la notification à la FSMA ne comprend pas tous les éléments visés à l'article 64, la FSMA demande que les éléments manquants lui soient communiqués.
La FSMA décide, dans les trois mois qui suivent la réception de tous les éléments visés à l'article 64, si la structure administrative, la situation financière de l'IRP et l'honorabilité professionnelle et l'expertise des personnes qui dirigent l'IRP, sont compatibles avec l'activité transfrontalière envisagée.
La FSMA peut demander toute information complémentaire qu'elle estime nécessaire afin de prendre sa décision.]1
La FSMA décide, dans les trois mois qui suivent la réception de tous les éléments visés à l'article 64, si la structure administrative, la situation financière de l'IRP et l'honorabilité professionnelle et l'expertise des personnes qui dirigent l'IRP, sont compatibles avec l'activité transfrontalière envisagée.
La FSMA peut demander toute information complémentaire qu'elle estime nécessaire afin de prendre sa décision.]1
Änderungen
Art.66. [1 Wanneer de FSMA beslist dat de administratieve structuur, de financiële positie van de IBP en de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van de personen die de IBP besturen, verenigbaar zijn met de voorgenomen grensoverschrijdende activiteit, bezorgt zij de in artikel 64 bepaalde gegevens van het dossier binnen de drie maanden na ontvangst ervan, aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stelt zij de IBP daarvan meteen in kennis met een aangetekende zending.
Wanneer de FSMA beslist dat de administratieve structuur, de financiële positie van de IBP en de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van de personen die de IBP besturen, niet verenigbaar zijn met de voorgenomen grensoverschrijdende activiteit, worden de in artikel 64 bepaalde gegevens van het dossier niet meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stelt de FSMA de IBP meteen in kennis van de beslissing en de reden ervan met een aangetekende zending.]1
Wanneer de FSMA beslist dat de administratieve structuur, de financiële positie van de IBP en de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van de personen die de IBP besturen, niet verenigbaar zijn met de voorgenomen grensoverschrijdende activiteit, worden de in artikel 64 bepaalde gegevens van het dossier niet meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stelt de FSMA de IBP meteen in kennis van de beslissing en de reden ervan met een aangetekende zending.]1
Art.66. [1 Si la FSMA décide que la structure administrative, la situation financière de l'IRP et l'honorabilité professionnelle et l'expertise des personnes qui dirigent l'IRP, sont compatibles avec l'activité transfrontalière envisagée, elle communique les éléments du dossier visés à l'article 64 aux autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil dans les trois mois qui suivent la réception de la totalité de ces éléments et elle en informe immédiatement l'IRP par courrier recommandé.
Si la FSMA décide que la structure administrative, la situation financière de l'IRP et l'honorabilité professionnelle et l'expertise des personnes qui dirigent l'IRP, ne sont pas compatibles avec l'activité transfrontalière envisagée, les éléments du dossier visés à l'article 64 ne sont pas communiqués aux autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil et la FSMA informe immédiatement l'IRP de la décision et des raisons de celle-ci par courrier recommandé.]1
Si la FSMA décide que la structure administrative, la situation financière de l'IRP et l'honorabilité professionnelle et l'expertise des personnes qui dirigent l'IRP, ne sont pas compatibles avec l'activité transfrontalière envisagée, les éléments du dossier visés à l'article 64 ne sont pas communiqués aux autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil et la FSMA informe immédiatement l'IRP de la décision et des raisons de celle-ci par courrier recommandé.]1
Änderungen
Art.67. [1 Meteen bij de ontvangst ervan]1, verstrekt de [3 FSMA]3 aan de instelling de inlichtingen die de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst haar hebben overgemaakt [4 ...]4 :
[4 1° de sociale wetgeving en de arbeidswetgeving die geldt voor de uitvoering van de pensioenregeling;
2° de voorschriften inzake informatieverstrekking die van toepassing zijn op de grensoverschrijdende activiteit;
3° de verplichting om een bewaarder aan te stellen voor de bewaring van de activa en de vervulling van toezichtstaken.]4
[4 1° de sociale wetgeving en de arbeidswetgeving die geldt voor de uitvoering van de pensioenregeling;
2° de voorschriften inzake informatieverstrekking die van toepassing zijn op de grensoverschrijdende activiteit;
3° de verplichting om een bewaarder aan te stellen voor de bewaring van de activa en de vervulling van toezichtstaken.]4
Änderungen
Art.67. [1 Dès leur réception,]1 la [3 FSMA]3 communique à l'institution les informations que les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil lui ont transmises concernant [3 ...]3 :
[3 1° le droit social et le droit du travail applicables à l'exécution du régime de retraite;
2° les exigences en matière d'information applicables à l'activité transfrontalière;
3° l'obligation de désigner un dépositaire pour la conservation des actifs et l'accomplissement des tâches de supervision.]3
[3 1° le droit social et le droit du travail applicables à l'exécution du régime de retraite;
2° les exigences en matière d'information applicables à l'activité transfrontalière;
3° l'obligation de désigner un dépositaire pour la conservation des actifs et l'accomplissement des tâches de supervision.]3
Änderungen
Art.68. [1 Zodra de IBP de in artikel 67 bedoelde inlichtingen ontvangt of wanneer de IBP deze inlichtingen niet heeft ontvangen bij het verstrijken van een termijn van zes weken die aanvangt op de datum waarop de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de door de FSMA op grond van artikel 66, eerste lid verstrekte gegevens hebben ontvangen, kan de IBP in de lidstaat van ontvangst met haar activiteit beginnen, mits naleving van de bepalingen die vermeld zijn in artikel 67.
De IBP stelt de FSMA in kennis van de effectieve startdatum van de grensoverschrijdende activiteit.]1
De IBP stelt de FSMA in kennis van de effectieve startdatum van de grensoverschrijdende activiteit.]1
Art.68. [1 Dès réception, par l'IRP, des informations visées à l'article 67 ou, si l'IRP n'a pas reçu ces informations à l'échéance d'un délai de six semaines prenant cours au moment où les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil ont reçu les éléments communiqués par la FSMA sur la base de l'article 66, alinéa 1er, l'IRP peut commencer son activité dans l'Etat membre d'accueil, dans le respect des dispositions visées à l'article 67.
L'IRP informe la FSMA de la date effective de commencement de l'activité transfrontalière.]1
L'IRP informe la FSMA de la date effective de commencement de l'activité transfrontalière.]1
Änderungen
Afdeling II/1. [1 - Grensoverschrijdende overdracht van een Belgische IBP naar een ontvangende IBP van een andere lidstaat.]1
Section II/1. [1 - Transfert transfrontalier d'une IRP belge vers une IRP destinataire d'un autre Etat membre.]1
Art.69. [1 § 1. Een Belgische IBP mag geheel of gedeeltelijk de technische voorzieningen, andere verplichtingen en rechten van een pensioenregeling onderworpen aan het Belgisch recht of aan het recht van een andere lidstaat, en de overeenkomstige activa of de geldwaarde daarvan overdragen aan een IBP die in een andere lidstaat is geregistreerd of een vergunning heeft verkregen.
Die grensoverschrijdende overdracht is onderworpen aan de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP. Die bevoegde autoriteit vraagt de voorafgaande toestemming van de FSMA overeenkomstig artikel 146.
§ 2 De kosten van de grensoverschrijdende overdracht mogen niet ten laste komen van de aangeslotenen en pensioengerechtigden van de Belgische overdragende IBP.
§ 3. Bij onenigheid over de procedure of inhoud van door de FSMA of door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP genomen of niet genomen maatregelen, waaronder de beslissing om een grensoverschrijdende overdracht goed te keuren of te weigeren, kan de EIOPA op verzoek van een van beide bevoegde autoriteiten of op eigen initiatief vrijblijvend bemiddelen overeenkomstig artikel 31, tweede lid, c), van verordening (EU) nr. 1094/2010.]1
Die grensoverschrijdende overdracht is onderworpen aan de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP. Die bevoegde autoriteit vraagt de voorafgaande toestemming van de FSMA overeenkomstig artikel 146.
§ 2 De kosten van de grensoverschrijdende overdracht mogen niet ten laste komen van de aangeslotenen en pensioengerechtigden van de Belgische overdragende IBP.
§ 3. Bij onenigheid over de procedure of inhoud van door de FSMA of door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP genomen of niet genomen maatregelen, waaronder de beslissing om een grensoverschrijdende overdracht goed te keuren of te weigeren, kan de EIOPA op verzoek van een van beide bevoegde autoriteiten of op eigen initiatief vrijblijvend bemiddelen overeenkomstig artikel 31, tweede lid, c), van verordening (EU) nr. 1094/2010.]1
Art.69. [1 § 1er. Une IRP belge peut transférer tout ou partie des provisions techniques et d'autres obligations et droits d'un régime de retraite soumis au droit belge ou au droit d'un autre Etat membre, ainsi que les actifs correspondants ou leurs équivalents en trésorerie, vers une IRP enregistrée ou agréée dans un autre Etat membre.
Ce transfert transfrontalier est soumis à l'autorisation de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire. Cette autorité compétente demande l'accord préalable de la FSMA conformément à l'article 146.
§ 2. Les coûts du transfert transfrontalier ne sont en aucun cas supportés par les affiliés et les bénéficiaires restants de l'IRP belge qui transfère.
§ 3. En cas de désaccord sur la procédure, le contenu d'une mesure ou l'inaction de la FSMA ou de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire, y compris une décision d'autoriser ou de refuser un transfert transfrontalier, l'EIOPA peut mener des procédures de médiation non contraignante, conformément à l'article 31, alinéa 2, c), du règlement (UE) n° 1094/2010, à la demande de l'une des autorités compétentes ou de sa propre initiative.]1
Ce transfert transfrontalier est soumis à l'autorisation de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire. Cette autorité compétente demande l'accord préalable de la FSMA conformément à l'article 146.
§ 2. Les coûts du transfert transfrontalier ne sont en aucun cas supportés par les affiliés et les bénéficiaires restants de l'IRP belge qui transfère.
§ 3. En cas de désaccord sur la procédure, le contenu d'une mesure ou l'inaction de la FSMA ou de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire, y compris une décision d'autoriser ou de refuser un transfert transfrontalier, l'EIOPA peut mener des procédures de médiation non contraignante, conformément à l'article 31, alinéa 2, c), du règlement (UE) n° 1094/2010, à la demande de l'une des autorités compétentes ou de sa propre initiative.]1
Änderungen
Art. 69/1. [1 De grensoverschrijdende overdracht is onderworpen aan de voorafgaandelijke goedkeuring van:
1° een, volgens het op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke recht gedefinieerde, meerderheid van de betrokken aangeslotenen en een meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers. De Belgische IBP stelt de informatie over de voorwaarden van deze overdracht tijdig ter beschikking van de betrokken aangeslotenen en pensioengerechtigden en, in voorkomend geval, van hun vertegenwoordigers, en dit alvorens de aanvraag voor de goedkeuring van de grensoverschrijdende overdracht wordt ingediend;
2° in voorkomend geval, de bijdragende onderneming.]1
1° een, volgens het op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke recht gedefinieerde, meerderheid van de betrokken aangeslotenen en een meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers. De Belgische IBP stelt de informatie over de voorwaarden van deze overdracht tijdig ter beschikking van de betrokken aangeslotenen en pensioengerechtigden en, in voorkomend geval, van hun vertegenwoordigers, en dit alvorens de aanvraag voor de goedkeuring van de grensoverschrijdende overdracht wordt ingediend;
2° in voorkomend geval, de bijdragende onderneming.]1
Art. 69/1. [1 Le transfert transfrontalier est soumis à l'accord préalable:
1° d'une majorité des affiliés concernés et d'une majorité des bénéficiaires concernés ou, s'il y a lieu, d'une majorité de leurs représentants, la majorité étant définie selon le droit applicable au régime de retraite transféré. L'IRP belge met les informations sur les conditions du transfert transfrontalier à la disposition des affiliés et des bénéficiaires concernés et, s'il y a lieu, de leurs représentants, en temps utile, avant que la demande d'autorisation dudit transfert soit introduite;
2° de l'entreprise d'affiliation, le cas échéant.]1
1° d'une majorité des affiliés concernés et d'une majorité des bénéficiaires concernés ou, s'il y a lieu, d'une majorité de leurs représentants, la majorité étant définie selon le droit applicable au régime de retraite transféré. L'IRP belge met les informations sur les conditions du transfert transfrontalier à la disposition des affiliés et des bénéficiaires concernés et, s'il y a lieu, de leurs représentants, en temps utile, avant que la demande d'autorisation dudit transfert soit introduite;
2° de l'entreprise d'affiliation, le cas échéant.]1
Art. 69/2. [1 Indien de grensoverschrijdende overdracht resulteert in een grensoverschrijdende activiteit, deelt de FSMA binnen vier weken na ontvangst van de goedkeuring van de grensoverschrijdende overdracht door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP, de op de bedrijfspensioenregeling toepasselijke sociaal- en arbeidsrechtelijke bepalingen, de voorschriften inzake informatieverstrekking en bewaring van de activa mee aan deze autoriteit.
Wanneer deze bepalingen en voorschriften een Belgische pensioenregeling betreffen, stelt de FSMA de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP in kennis van elke significante wijziging van de in het eerste lid bepaalde gegevens.]1
Wanneer deze bepalingen en voorschriften een Belgische pensioenregeling betreffen, stelt de FSMA de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP in kennis van elke significante wijziging van de in het eerste lid bepaalde gegevens.]1
Art. 69/2. [1 Si le transfert transfrontalier donne lieu à une activité transfrontalière, la FSMA communique les dispositions du droit social et du droit du travail relatives aux régimes de retraite professionnelle, ainsi que les exigences en matière d'information et de conservation des actifs, à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire, dans un délai de quatre semaines à compter de la réception de l'autorisation du transfert transfrontalier par cette autorité.
Lorsque ces dispositions et exigences concernent un régime de retraite belge, la FSMA informe l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire de toute modification majeure des informations visées à l'alinéa 1er.]1
Lorsque ces dispositions et exigences concernent un régime de retraite belge, la FSMA informe l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire de toute modification majeure des informations visées à l'alinéa 1er.]1
Afdeling II/2. [1 - Een Belgische IBP als ontvangende IBP van een grensoverschrijdende overdracht.]1
Section II/2. [1 - Une IRP belge comme IRP destinataire d'un transfert transfrontalier.]1
Art. 69/3. [1 De Belgische IBP die voornemens is een grensoverschrijdende overdracht te ontvangen die al of niet resulteert in een grensoverschrijdende activiteit, dient bij de FSMA een aanvraag tot goedkeuring van de overdracht in.
Bij deze aanvraag tot goedkeuring moeten de volgende gegevens worden verstrekt:
1° de schriftelijke overeenkomst tussen de overdragende en de ontvangende IBP met de voorwaarden van de overdracht;
2° een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling;
3° een beschrijving van de over te dragen passiva of technische voorzieningen, en andere verplichtingen en rechten, en de overeenkomstige activa of de geldwaarde daarvan;
4° de namen en de vestigingen van de hoofdbesturen van de overdragende IBP en de ontvangende IBP en de lidstaten waar elke IBP geregistreerd is of een vergunning heeft verkregen;
5° de vestiging van het hoofdbestuur en de naam van de bijdragende onderneming;
6° het bewijs van de voorafgaande goedkeuring door een, volgens het op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke recht gedefinieerde, meerderheid van de betrokken aangeslotenen en een meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers, alsook, desgevallend, door de bijdragende onderneming van de over te dragen pensioenregeling;
7° in voorkomend geval, de namen van de lidstaten waarvan het voor bedrijfspensioenregelingen geldende sociale recht en het arbeidsrecht van toepassing is op de betrokken pensioenregeling.]1
Bij deze aanvraag tot goedkeuring moeten de volgende gegevens worden verstrekt:
1° de schriftelijke overeenkomst tussen de overdragende en de ontvangende IBP met de voorwaarden van de overdracht;
2° een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling;
3° een beschrijving van de over te dragen passiva of technische voorzieningen, en andere verplichtingen en rechten, en de overeenkomstige activa of de geldwaarde daarvan;
4° de namen en de vestigingen van de hoofdbesturen van de overdragende IBP en de ontvangende IBP en de lidstaten waar elke IBP geregistreerd is of een vergunning heeft verkregen;
5° de vestiging van het hoofdbestuur en de naam van de bijdragende onderneming;
6° het bewijs van de voorafgaande goedkeuring door een, volgens het op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke recht gedefinieerde, meerderheid van de betrokken aangeslotenen en een meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers, alsook, desgevallend, door de bijdragende onderneming van de over te dragen pensioenregeling;
7° in voorkomend geval, de namen van de lidstaten waarvan het voor bedrijfspensioenregelingen geldende sociale recht en het arbeidsrecht van toepassing is op de betrokken pensioenregeling.]1
Art. 69/3. [1 L'IRP belge qui envisage de recevoir un transfert transfrontalier donnant lieu ou non à une activité transfrontalière, doit introduire auprès de la FSMA une demande d'autorisation de ce transfert.
Cette demande d'autorisation contient les informations suivantes:
1° l'accord écrit entre l'IRP qui transfère et l'IRP destinataire, précisant les conditions du transfert;
2° une description des principales caractéristiques du régime de retraite;
3° une description des engagements ou des provisions techniques à transférer, et des autres obligations et droits, ainsi que des actifs correspondants, ou de leurs équivalents en trésorerie;
4° les noms et les lieux d'établissement des administrations centrales de l'IRP qui transfère et de l'IRP destinataire et les Etats membres dans lesquels chaque IRP est enregistrée ou agréée;
5° le lieu d'établissement de l'administration centrale et le nom de l'entreprise d'affiliation;
6° la preuve de l'accord préalable d'une majorité des affiliés concernés et d'une majorité des bénéficiaires concernés ou, s'il y a lieu, d'une majorité de leurs représentants, la majorité étant définie selon le droit applicable au régime de retraite transféré, ainsi que, le cas échéant, de l'accord préalable de l'entreprise d'affiliation du régime de retraite à transférer;
7° le cas échéant, les noms des Etats membres dont le droit social et le droit du travail pertinents en matière de régimes de retraite professionnelle sont applicables au régime de retraite concerné.]1
Cette demande d'autorisation contient les informations suivantes:
1° l'accord écrit entre l'IRP qui transfère et l'IRP destinataire, précisant les conditions du transfert;
2° une description des principales caractéristiques du régime de retraite;
3° une description des engagements ou des provisions techniques à transférer, et des autres obligations et droits, ainsi que des actifs correspondants, ou de leurs équivalents en trésorerie;
4° les noms et les lieux d'établissement des administrations centrales de l'IRP qui transfère et de l'IRP destinataire et les Etats membres dans lesquels chaque IRP est enregistrée ou agréée;
5° le lieu d'établissement de l'administration centrale et le nom de l'entreprise d'affiliation;
6° la preuve de l'accord préalable d'une majorité des affiliés concernés et d'une majorité des bénéficiaires concernés ou, s'il y a lieu, d'une majorité de leurs représentants, la majorité étant définie selon le droit applicable au régime de retraite transféré, ainsi que, le cas échéant, de l'accord préalable de l'entreprise d'affiliation du régime de retraite à transférer;
7° le cas échéant, les noms des Etats membres dont le droit social et le droit du travail pertinents en matière de régimes de retraite professionnelle sont applicables au régime de retraite concerné.]1
Art. 69/4. [1 De FSMA bezorgt de in artikel 69/3 bedoelde aanvraag tot goedkeuring onverwijld aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP.
Indien deze aanvraag tot goedkeuring niet alle in artikel 69/3 bepaalde gegevens bevat, verzoekt de FSMA de Belgische IBP om mededeling van de ontbrekende gegevens. Bij ontvangst van de ontbrekende gegevens bezorgt de FSMA deze onverwijld aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP.
De FSMA meldt aan de Belgische IBP de datum van ontvangst van alle in artikel 69/3 bepaalde gegevens.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP moet binnen acht weken na ontvangst van alle in artikel 69/3 bepaalde gegevens aan de FSMA haar beslissing meedelen over de toestemming voor de overdracht.
De FSMA beslist binnen drie maanden na ontvangst van alle in artikel 69/3 bepaalde gegevens om goedkeuring van de overdracht te verlenen of te weigeren.
Voor het nemen van haar beslissing kan de FSMA alle bijkomende informatie vragen die zij daartoe noodzakelijk acht.
De goedkeuring kan slechts worden verleend:
1° indien de overdracht vooraf werd goedgekeurd door een, volgens het op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke recht gedefinieerde, meerderheid van de betrokken aangeslotenen en een meerderheid van de pensioengerechtigden of in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers, alsook, desgevallend, door de bijdragende onderneming van de over te dragen pensioenregeling;
2° nadat voorafgaande toestemming is verkregen voor de overdracht door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP.]1
Indien deze aanvraag tot goedkeuring niet alle in artikel 69/3 bepaalde gegevens bevat, verzoekt de FSMA de Belgische IBP om mededeling van de ontbrekende gegevens. Bij ontvangst van de ontbrekende gegevens bezorgt de FSMA deze onverwijld aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP.
De FSMA meldt aan de Belgische IBP de datum van ontvangst van alle in artikel 69/3 bepaalde gegevens.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP moet binnen acht weken na ontvangst van alle in artikel 69/3 bepaalde gegevens aan de FSMA haar beslissing meedelen over de toestemming voor de overdracht.
De FSMA beslist binnen drie maanden na ontvangst van alle in artikel 69/3 bepaalde gegevens om goedkeuring van de overdracht te verlenen of te weigeren.
Voor het nemen van haar beslissing kan de FSMA alle bijkomende informatie vragen die zij daartoe noodzakelijk acht.
De goedkeuring kan slechts worden verleend:
1° indien de overdracht vooraf werd goedgekeurd door een, volgens het op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke recht gedefinieerde, meerderheid van de betrokken aangeslotenen en een meerderheid van de pensioengerechtigden of in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers, alsook, desgevallend, door de bijdragende onderneming van de over te dragen pensioenregeling;
2° nadat voorafgaande toestemming is verkregen voor de overdracht door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP.]1
Art. 69/4. [1 La FSMA transmet sans délai la demande d'autorisation visée à l'article 69/3 à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère.
Si cette demande d'autorisation ne contient pas toutes les informations visées à l'article 69/3, la FSMA demande à l'IRP belge de lui communiquer les informations manquantes. Dès réception, la FSMA transmet ces informations manquantes sans délai à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère.
La FSMA communique à l'IRP belge la date de réception de toutes les informations visées à l'article 69/3.
L'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère doit, dans les huit semaines qui suivent la réception de toutes les informations visées à l'article 69/3, transmettre sa décision à la FSMA quant à son accord pour le transfert.
La FSMA décide, dans les trois mois qui suivent la réception de toutes les informations visées à l'article 69/3, d'accorder ou de refuser l'autorisation du transfert.
La FSMA peut demander toute information complémentaire qu'elle estime nécessaire afin de prendre sa décision.
L'autorisation ne peut être accordée que:
1° si le transfert a reçu l'accord préalable d'une majorité des affiliés concernés et d'une majorité des bénéficiaires concernés ou, s'il y a lieu, d'une majorité de leurs représentants, la majorité étant définie selon le droit applicable au régime de retraite transféré, ainsi que, le cas échéant, l'accord préalable de l'entreprise d'affiliation du régime de retraite à transférer;
2° après l'obtention de l'accord préalable, quant au transfert, de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère.]1
Si cette demande d'autorisation ne contient pas toutes les informations visées à l'article 69/3, la FSMA demande à l'IRP belge de lui communiquer les informations manquantes. Dès réception, la FSMA transmet ces informations manquantes sans délai à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère.
La FSMA communique à l'IRP belge la date de réception de toutes les informations visées à l'article 69/3.
L'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère doit, dans les huit semaines qui suivent la réception de toutes les informations visées à l'article 69/3, transmettre sa décision à la FSMA quant à son accord pour le transfert.
La FSMA décide, dans les trois mois qui suivent la réception de toutes les informations visées à l'article 69/3, d'accorder ou de refuser l'autorisation du transfert.
La FSMA peut demander toute information complémentaire qu'elle estime nécessaire afin de prendre sa décision.
L'autorisation ne peut être accordée que:
1° si le transfert a reçu l'accord préalable d'une majorité des affiliés concernés et d'une majorité des bénéficiaires concernés ou, s'il y a lieu, d'une majorité de leurs représentants, la majorité étant définie selon le droit applicable au régime de retraite transféré, ainsi que, le cas échéant, l'accord préalable de l'entreprise d'affiliation du régime de retraite à transférer;
2° après l'obtention de l'accord préalable, quant au transfert, de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère.]1
Art. 69/5. [1 Met het oog op haar beslissing tot goedkeuring of weigering van de overdracht beoordeelt de FSMA alleen of:
1° alle in artikel 69/3 bedoelde gegevens werden verstrekt;
2° de administratieve structuur, de financiële positie van de Belgische IBP en de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van de personen die de Belgische IBP besturen, verenigbaar zijn met de voorgenomen overdracht;
3° de langetermijnbelangen van de aangeslotenen en pensioengerechtigden van de Belgische IBP en het overgedragen deel van de regeling tijdens en na de overdracht afdoende worden beschermd;
4° de technische voorzieningen van de Belgische IBP op het moment van de overdracht volledig door activa zijn gedekt indien de overdracht resulteert in een grensoverschrijdende activiteit;
5° de over te dragen activa toereikend en passend zijn om de over te dragen passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten te dekken overeenkomstig de bepalingen van deze wet.]1
1° alle in artikel 69/3 bedoelde gegevens werden verstrekt;
2° de administratieve structuur, de financiële positie van de Belgische IBP en de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van de personen die de Belgische IBP besturen, verenigbaar zijn met de voorgenomen overdracht;
3° de langetermijnbelangen van de aangeslotenen en pensioengerechtigden van de Belgische IBP en het overgedragen deel van de regeling tijdens en na de overdracht afdoende worden beschermd;
4° de technische voorzieningen van de Belgische IBP op het moment van de overdracht volledig door activa zijn gedekt indien de overdracht resulteert in een grensoverschrijdende activiteit;
5° de over te dragen activa toereikend en passend zijn om de over te dragen passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten te dekken overeenkomstig de bepalingen van deze wet.]1
Art. 69/5. [1 En vue de sa décision d'autorisation ou de refus du transfert, la FSMA vérifie uniquement si:
1° toutes les informations visées à l'article 69/3 ont été communiquées;
2° les structures administratives et la situation financière de l'IRP belge, ainsi que l'honorabilité professionnelle et l'expertise des personnes qui la dirigent, sont compatibles avec le transfert envisagé;
3° les intérêts à long terme des affiliés et des bénéficiaires de l'IRP belge et de la partie transférée du régime sont dûment protégés pendant et après le transfert;
4° les provisions techniques de l'IRP belge sont intégralement couvertes par des actifs à la date du transfert, lorsque celui-ci donne lieu à une activité transfrontalière;
5° les actifs à transférer sont suffisants et appropriés pour couvrir les engagements, les provisions techniques et les autres obligations et droits à transférer, conformément aux dispositions de la présente loi.]1
1° toutes les informations visées à l'article 69/3 ont été communiquées;
2° les structures administratives et la situation financière de l'IRP belge, ainsi que l'honorabilité professionnelle et l'expertise des personnes qui la dirigent, sont compatibles avec le transfert envisagé;
3° les intérêts à long terme des affiliés et des bénéficiaires de l'IRP belge et de la partie transférée du régime sont dûment protégés pendant et après le transfert;
4° les provisions techniques de l'IRP belge sont intégralement couvertes par des actifs à la date du transfert, lorsque celui-ci donne lieu à une activité transfrontalière;
5° les actifs à transférer sont suffisants et appropriés pour couvrir les engagements, les provisions techniques et les autres obligations et droits à transférer, conformément aux dispositions de la présente loi.]1
Art. 69/6. [1 De beslissing van de FSMA tot goedkeuring of weigering binnen de in artikel 69/4, vijfde lid bepaalde termijn, wordt meteen ter kennis gebracht van de Belgische IBP met een aangetekende zending en wordt binnen twee weken ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP en aan de overdragende IBP.
Indien de goedkeuring wordt geweigerd, deelt de FSMA de redenen voor deze weigering mee.]1
Indien de goedkeuring wordt geweigerd, deelt de FSMA de redenen voor deze weigering mee.]1
Art. 69/6. [1 La décision d'autorisation ou de refus prise par la FSMA dans le délai visé à l'article 69/4, alinéa 5, est notifiée immédiatement à l'IRP belge par courrier recommandé et est communiquée dans les deux semaines à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère, ainsi qu'à l'IRP qui transfère.
Si l'autorisation est refusée, la FSMA communique les raisons de ce refus.]1
Si l'autorisation est refusée, la FSMA communique les raisons de ce refus.]1
Art. 69/7. [1 Indien de overdracht resulteert in een grensoverschrijdende activiteit, verstrekt de FSMA aan de Belgische IBP binnen een week na ontvangst ervan, de inlichtingen die de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP haar heeft overgemaakt inzake:
1° de sociale wetgeving en arbeidswetgeving die geldt voor de uitvoering van de pensioenregeling;
2° de voorschriften inzake informatieverstrekking die van toepassing zijn op de grensoverschrijdende activiteit;
3° de verplichting om een bewaarder aan te stellen voor de bewaring van de activa en de vervulling van toezichtstaken.]1
1° de sociale wetgeving en arbeidswetgeving die geldt voor de uitvoering van de pensioenregeling;
2° de voorschriften inzake informatieverstrekking die van toepassing zijn op de grensoverschrijdende activiteit;
3° de verplichting om een bewaarder aan te stellen voor de bewaring van de activa en de vervulling van toezichtstaken.]1
Art. 69/7. [1 Si le transfert donne lieu à une activité transfrontalière, la FSMA transmet à l'IRP belge, dans un délai d'une semaine à compter de leur réception, les informations que l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère lui a communiquées concernant:
1° les dispositions du droit social et du droit du travail qui régissent la gestion du régime de retraite;
2° les exigences en matière d'information qui s'appliquent à l'activité transfrontalière;
3° l'obligation de désigner un dépositaire pour assurer la conservation des actifs et accomplir des tâches de supervision.]1
1° les dispositions du droit social et du droit du travail qui régissent la gestion du régime de retraite;
2° les exigences en matière d'information qui s'appliquent à l'activité transfrontalière;
3° l'obligation de désigner un dépositaire pour assurer la conservation des actifs et accomplir des tâches de supervision.]1
Art. 69/8. [1 Zodra de Belgische IBP de beslissing tot goedkeuring van de overdracht ontvangt, kan de grensoverschrijdende overdracht worden uitgevoerd.
Indien de grensoverschrijdende overdracht resulteert in een grensoverschrijdende activiteit, kan de overdracht slechts worden uitgevoerd en de activiteit worden opgestart zodra de Belgische IBP de in artikel 69/7 bedoelde inlichtingen ontvangt of, wanneer de IBP deze inlichtingen niet ontvangt, bij het verstrijken van een termijn van zeven weken die aanvangt op de datum van de in artikel 69/6 bedoelde mededeling van de goedkeuring aan de Belgische IBP.
De IBP stelt de FSMA in kennis van de datum waarop de grensoverschrijdende overdracht effectief plaatsvindt.
De kosten van de overdracht mogen niet ten laste komen van de aangeslotenen en pensioengerechtigden van de Belgische IBP.]1
Indien de grensoverschrijdende overdracht resulteert in een grensoverschrijdende activiteit, kan de overdracht slechts worden uitgevoerd en de activiteit worden opgestart zodra de Belgische IBP de in artikel 69/7 bedoelde inlichtingen ontvangt of, wanneer de IBP deze inlichtingen niet ontvangt, bij het verstrijken van een termijn van zeven weken die aanvangt op de datum van de in artikel 69/6 bedoelde mededeling van de goedkeuring aan de Belgische IBP.
De IBP stelt de FSMA in kennis van de datum waarop de grensoverschrijdende overdracht effectief plaatsvindt.
De kosten van de overdracht mogen niet ten laste komen van de aangeslotenen en pensioengerechtigden van de Belgische IBP.]1
Art. 69/8. [1 Dès que l'IRP belge reçoit la décision d'autorisation du transfert, le transfert transfrontalier peut être effectué.
Si le transfert transfrontalier donne lieu à une activité transfrontalière, le transfert ne peut être effectué et l'activité ne peut être commencée que dès que l'IRP belge reçoit les informations visées à l'article 69/7 ou, lorsque l'IRP ne reçoit pas ces informations, à l'expiration d'un délai de sept semaines prenant cours à la date de communication de l'autorisation à l'IRP belge, telle que visée à l'article 69/6.
L'IRP informe la FSMA de la date à laquelle le transfert transfrontalier a effectivement lieu.
Les coûts du transfert ne sont en aucun cas supportés par les affiliés et les bénéficiaires de l'IRP belge.]1
Si le transfert transfrontalier donne lieu à une activité transfrontalière, le transfert ne peut être effectué et l'activité ne peut être commencée que dès que l'IRP belge reçoit les informations visées à l'article 69/7 ou, lorsque l'IRP ne reçoit pas ces informations, à l'expiration d'un délai de sept semaines prenant cours à la date de communication de l'autorisation à l'IRP belge, telle que visée à l'article 69/6.
L'IRP informe la FSMA de la date à laquelle le transfert transfrontalier a effectivement lieu.
Les coûts du transfert ne sont en aucun cas supportés par les affiliés et les bénéficiaires de l'IRP belge.]1
Art. 69/9. [1 Bij onenigheid over de procedure of inhoud van door de FSMA of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende IBP genomen of niet genomen maatregelen, waaronder de beslissing om een grensoverschrijdende overdracht goed te keuren of te weigeren, kan de EIOPA op verzoek van een van beide bevoegde autoriteiten of op eigen initiatief vrijblijvend bemiddelen overeenkomstig artikel 31, tweede lid, c), van Verordening (EU) nr. 1094/2010.]1
Art. 69/9. [1 En cas de désaccord sur la procédure, le contenu d'une mesure ou l'inaction de la FSMA ou de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP qui transfère, y compris une décision d'autoriser ou de refuser un transfert transfrontalier, l'EIOPA peut mener des procédures de médiation non contraignante, conformément à l'article 31, alinéa 2, c), du Règlement (UE) n° 1094/2010, à la demande de l'une des autorités compétentes ou de sa propre initiative.]1
Afdeling III. - Activiteit in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte.
Section III. - Activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen.
Art.70. De in België [4 vergunde]4 instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die voornemens is een activiteit uit te oefenen in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, stelt de [2 FSMA]2 hiervan in kennis.
Bij deze kennisgeving wordt een dossier bezorgd met de volgende gegevens :
1° de naam van de Staat waar de activiteit zal worden uitgeoefend;
2° de naam van de bijdragende onderneming;
3° de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming zal worden beheerd;
4° alle gegevens die de [2 FSMA]2 vraagt met het oog op de beoordeling van de aanvraag.
[6 ...]6
De kennisgeving kan ingediend worden op hetzelfde ogenblik als het [5 vergunningsdossier]5 bedoeld in artikel 53. De [2 FSMA]2 kan evenwel geen enkele beslissing nemen over de kennisgeving vóór [6 ...]6 de verlening van de [3 vergunning]3 overeenkomstig [6 artikel 56, tweede lid]6.
Bij deze kennisgeving wordt een dossier bezorgd met de volgende gegevens :
1° de naam van de Staat waar de activiteit zal worden uitgeoefend;
2° de naam van de bijdragende onderneming;
3° de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming zal worden beheerd;
4° alle gegevens die de [2 FSMA]2 vraagt met het oog op de beoordeling van de aanvraag.
[6 ...]6
De kennisgeving kan ingediend worden op hetzelfde ogenblik als het [5 vergunningsdossier]5 bedoeld in artikel 53. De [2 FSMA]2 kan evenwel geen enkele beslissing nemen over de kennisgeving vóór [6 ...]6 de verlening van de [3 vergunning]3 overeenkomstig [6 artikel 56, tweede lid]6.
Änderungen
Art.70. L'institution de retraite professionnelle agréée en Belgique qui projette d'exercer une activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen notifie son intention à la [2 FSMA]2.
Cette notification s'accompagne d'un dossier comportant les éléments suivants :
1° le nom de l'Etat dans lequel s'exercera l'activité;
2° le nom de l'entreprise d'affiliation;
3° les principales caractéristiques du régime de retraite à gérer pour l'entreprise d'affiliation;
4° tout élément demandé par la [2 FSMA]2 en vue d'apprécier la demande.
[3 ...]3
La notification peut être introduite en même temps que le dossier d'agrément visé à l'article 53. Toutefois, la [2 FSMA]2 ne peut prendre aucune décision à propos de la notification avant [3 ...]3 l'octroi de l'agrément conformément à l'[3 article 56, alinéa 2]3.
Cette notification s'accompagne d'un dossier comportant les éléments suivants :
1° le nom de l'Etat dans lequel s'exercera l'activité;
2° le nom de l'entreprise d'affiliation;
3° les principales caractéristiques du régime de retraite à gérer pour l'entreprise d'affiliation;
4° tout élément demandé par la [2 FSMA]2 en vue d'apprécier la demande.
[3 ...]3
La notification peut être introduite en même temps que le dossier d'agrément visé à l'article 53. Toutefois, la [2 FSMA]2 ne peut prendre aucune décision à propos de la notification avant [3 ...]3 l'octroi de l'agrément conformément à l'[3 article 56, alinéa 2]3.
Änderungen
Art.71. De [2 FSMA]2 kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project van de instelling indien zij vaststelt dat de administratieve structuur of de financiële toestand van de instelling, of de beroepskwalificaties of -ervaring van de leden van haar operationele organen, onverenigbaar zijn met de voorgenomen activiteiten in de Staat waarin zij van plan is haar activiteit uit te oefenen.
De [2 FSMA]2 kan zich eveneens verzetten tegen de uitvoering van het project van de instelling indien de wetgeving of de toestand van de Staat waar de voorgenomen activiteit zou worden uitgeoefend, haar niet toelaten om een passend toezicht uit te oefenen op de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
Dat verzet wordt ter kennis gebracht van de instelling met een ter post aangetekende brief uiterlijk drie maanden na de ontvangst van het volledige dossier met alle in artikel 70, tweede lid, bedoelde gegevens.
De [2 FSMA]2 kan zich eveneens verzetten tegen de uitvoering van het project van de instelling indien de wetgeving of de toestand van de Staat waar de voorgenomen activiteit zou worden uitgeoefend, haar niet toelaten om een passend toezicht uit te oefenen op de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
Dat verzet wordt ter kennis gebracht van de instelling met een ter post aangetekende brief uiterlijk drie maanden na de ontvangst van het volledige dossier met alle in artikel 70, tweede lid, bedoelde gegevens.
Art.71. La [2 FSMA]2 peut s'opposer à la réalisation du projet de l'institution si elle constate que les structures administratives ou la situation financière de l'institution ou encore la compétence ou l'expérience professionnelle des membres de ses organes opérationnels ne sont pas compatibles avec les opérations proposées dans l'Etat où elle a l'intention d'exercer son l'activité.
La [2 FSMA]2 peut également s'opposer à la réalisation du projet de l'institution si la législation ou la situation de l'Etat dans lequel devrait s'exercer l'activité projetée ne lui permettent pas d'exercer un contrôle approprie sur l'institution de retraite professionnelle.
Cette opposition est notifiée à l'institution, par lettre recommandée à la poste, au plus tard trois mois après la réception du dossier complet comprenant tous les éléments visés à l'article 70, alinéa 2.
La [2 FSMA]2 peut également s'opposer à la réalisation du projet de l'institution si la législation ou la situation de l'Etat dans lequel devrait s'exercer l'activité projetée ne lui permettent pas d'exercer un contrôle approprie sur l'institution de retraite professionnelle.
Cette opposition est notifiée à l'institution, par lettre recommandée à la poste, au plus tard trois mois après la réception du dossier complet comprenant tous les éléments visés à l'article 70, alinéa 2.
Art.72. De instelling mag in de opgegeven Staat met haar activiteit beginnen zodra de [2 FSMA]2 haar op de hoogte heeft gebracht van het feit dat ze geen bezwaren heeft ten aanzien van het voorgenomen project en uiterlijk na afloop van de in artikel 71, derde lid, bedoelde termijn.
Art.72. L'institution peut commencer son activité dans l'Etat indiqué dès réception de la communication de la [2 FSMA]2 l'avertissant qu'elle n'a pas d'objection à l'encontre de son projet et, au plus tard, à l'expiration du délai visé à l'article 71, alinéa 3.
Art.73. Telkens wanneer de instelling de in artikel 70, tweede lid, bedoelde gegevens wijzigt zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing.
Art.73. Les dispositions de la présente section s'appliquent chaque fois que l'institution apporte des modifications aux données visées a l'article 70, alinéa 2.
HOOFDSTUK V. - Uitoefening van de activiteiten.
CHAPITRE V. - Exercice de l'activité.
Afdeling I. [1 - Algemene bepalingen.]1
Section Ire. [1 - Dispositions générales.]1
Art.74. [1 De IBP moet blijvend voldoen aan de door of krachtens deze wet vastgestelde voorwaarden.
Als algemeen beginsel houdt de IBP, waar nodig, rekening met de doelstelling om bij haar werkzaamheden voor een billijke spreiding van risico's en voordelen over de generaties te zorgen.]1
Als algemeen beginsel houdt de IBP, waar nodig, rekening met de doelstelling om bij haar werkzaamheden voor een billijke spreiding van risico's en voordelen over de generaties te zorgen.]1
Art.74. [1 L'IRP doit satisfaire en permanence aux conditions établies par ou en vertu de la présente loi.
Comme principe général, l'IRP tient compte, le cas échéant, de l'objectif d'assurer une répartition équitable des risques et des profits entre générations dans ses activités.]1
Comme principe général, l'IRP tient compte, le cas échéant, de l'objectif d'assurer une répartition équitable des risques et des profits entre générations dans ses activités.]1
Änderungen
Art.75. [1 De bepalingen van Titel II, Hoofdstuk V, Afdeling III tot VI, met uitzondering van de artikelen 91 en 92, van Hoofdstuk VII, Afdeling II, van Hoofdstuk VIII en van Hoofdstuk IX, zijn niet van toepassing op de solidariteitsstelsels en -toezeggingen bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de voornoemde wet van 28 april 2003 en in artikel 46 van de voornoemde wet van 24 december 2002.]1
Art.75. [1 Les dispositions du Titre II, Chapitre V, Sections III à VI, à l'exception des articles 91 et 92 du Chapitre VII, Section II, du Chapitre VIII et du Chapitre IX, ne sont pas applicables aux régimes et engagements de solidarité visés aux articles 10 et 11 de la loi du 28 avril 2003 précitée et à l'article 46 de la loi du 24 décembre 2002 précitée.]1
Änderungen
Afdeling II. - Beleidsstructuur en organisatie.
Section II. - Structure de gestion et organisation.
Onderafdeling I. [1 - Governancesysteem.]1
Sous-section Ire. [1 - Système de gouvernance.]1
Art. 76/1. [1 § 1. De IBP beschikt over een doeltreffend governancesysteem dat voor een gezonde en prudente bedrijfsvoering zorgt en in verhouding staat tot de omvang, aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de IBP.
Het systeem moet haar toelaten de voorgenomen verrichtingen uit te voeren en het mag geen belemmering vormen voor de uitoefening van een passend toezicht.
Het governancesysteem houdt ook in dat bij de beleggingsbeslissingen rekening wordt gehouden met milieu-, sociale en governancefactoren met betrekking tot de belegde activa.
Het governancesysteem omvat:
1° een adequate en transparante organisatiestructuur met een duidelijke verdeling en passende scheiding van verantwoordelijkheden en een doeltreffend systeem voor de overdracht van informatie;
2° een doeltreffend systeem van interne controle. Dit systeem omvat de administratieve en financiële verslaggevingsprocedures, een intern controlekader en passende rapportageregelingen op alle niveaus van de IBP;
3° redelijke maatregelen, waaronder de ontwikkeling van noodplannen, om voor continuïteit en regelmatigheid in de verrichting van de werkzaamheden van de IBP te zorgen. [2 Daartoe maakt de IBP gebruik van passende en proportionele systemen, middelen en procedures en, indien nodig, met name netwerk- en informatiesystemen gecreëerd en beheerd overeenkomstig Verordening (EU) 2022/2554.]2;
4° een doeltreffend risicobeheersysteem zoals bedoeld in paragraaf 2;
5° beleidslijnen die de IBP schriftelijk vaststelt en toepast voor:
a) het risicobeheer;
b) interne audit;
c) de actuariële activiteiten indien van toepassing;
d) uitbesteding, indien van toepassing.
6° een beloningsbeleid zoals bedoeld in Onderafdeling III;
7° passende onafhankelijke sleutelfuncties inzake interne audit, risicobeheer, compliance en actuariaat;
§ 2. De IBP zet een risicobeheersysteem op dat bestaat uit strategieën, processen en rapportageprocedures die noodzakelijk zijn om op individueel en geaggregeerd niveau de risico's waaraan de IBP en de door haar uitgevoerde pensioenregelingen zijn of kunnen worden blootgesteld, alsook de onderlinge afhankelijkheden en relaties daartussen, regelmatig te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en aan de raad van bestuur van de IBP te rapporteren.
Dit risicobeheersysteem is doeltreffend en goed geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocessen van de IBP.
In verhouding tot de omvang en interne organisatie van de IBP, alsook tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden bestrijkt het risicobeheersysteem de risico's die zich ten minste op de volgende terreinen, voor zover van toepassing, kunnen voordoen in de IBP of bij de dienstverleners waaraan taken of werkzaamheden van een IBP zijn uitbesteed:
1° aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen en reservevorming;
2° afgestemd beheer van activa en passiva (asset-liability management - ALM);
3° beleggingen, in het bijzonder in derivaten en instrumenten die verband houden met effectisering, en vergelijkbare verrichtingen;
4° beheer van het liquiditeits- en concentratierisico;
5° beheer van het operationele risico;
6° verzekering en andere risicobeperkingstechnieken;
7° milieu-, sociale en governancerisico's met betrekking tot de beleggingsportefeuille en het beheer daarvan.
Ingeval de aangeslotenen en pensioengerechtigden overeenkomstig de voorwaarden van de pensioenregeling risico's dragen, neemt het risicobeheersysteem ook deze risico's uit het oogpunt van de aangeslotenen en pensioengerechtigden in aanmerking.
§ 3 De raad van bestuur van de IBP evalueert het governancesysteem als geheel en de verschillende afzonderlijke deelaspecten ervan, opgesomd in paragraaf 1, vierde lid ten minste om de drie jaar.
De beleidslijnen bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, 5°, worden vooraf door de raad van bestuur van de IBP goedgekeurd en worden aangepast als er zich een duidelijke wijziging in het betrokken systeem of op het betrokken gebied voordoet.]1
Het systeem moet haar toelaten de voorgenomen verrichtingen uit te voeren en het mag geen belemmering vormen voor de uitoefening van een passend toezicht.
Het governancesysteem houdt ook in dat bij de beleggingsbeslissingen rekening wordt gehouden met milieu-, sociale en governancefactoren met betrekking tot de belegde activa.
Het governancesysteem omvat:
1° een adequate en transparante organisatiestructuur met een duidelijke verdeling en passende scheiding van verantwoordelijkheden en een doeltreffend systeem voor de overdracht van informatie;
2° een doeltreffend systeem van interne controle. Dit systeem omvat de administratieve en financiële verslaggevingsprocedures, een intern controlekader en passende rapportageregelingen op alle niveaus van de IBP;
3° redelijke maatregelen, waaronder de ontwikkeling van noodplannen, om voor continuïteit en regelmatigheid in de verrichting van de werkzaamheden van de IBP te zorgen. [2 Daartoe maakt de IBP gebruik van passende en proportionele systemen, middelen en procedures en, indien nodig, met name netwerk- en informatiesystemen gecreëerd en beheerd overeenkomstig Verordening (EU) 2022/2554.]2;
4° een doeltreffend risicobeheersysteem zoals bedoeld in paragraaf 2;
5° beleidslijnen die de IBP schriftelijk vaststelt en toepast voor:
a) het risicobeheer;
b) interne audit;
c) de actuariële activiteiten indien van toepassing;
d) uitbesteding, indien van toepassing.
6° een beloningsbeleid zoals bedoeld in Onderafdeling III;
7° passende onafhankelijke sleutelfuncties inzake interne audit, risicobeheer, compliance en actuariaat;
§ 2. De IBP zet een risicobeheersysteem op dat bestaat uit strategieën, processen en rapportageprocedures die noodzakelijk zijn om op individueel en geaggregeerd niveau de risico's waaraan de IBP en de door haar uitgevoerde pensioenregelingen zijn of kunnen worden blootgesteld, alsook de onderlinge afhankelijkheden en relaties daartussen, regelmatig te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en aan de raad van bestuur van de IBP te rapporteren.
Dit risicobeheersysteem is doeltreffend en goed geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocessen van de IBP.
In verhouding tot de omvang en interne organisatie van de IBP, alsook tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden bestrijkt het risicobeheersysteem de risico's die zich ten minste op de volgende terreinen, voor zover van toepassing, kunnen voordoen in de IBP of bij de dienstverleners waaraan taken of werkzaamheden van een IBP zijn uitbesteed:
1° aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen en reservevorming;
2° afgestemd beheer van activa en passiva (asset-liability management - ALM);
3° beleggingen, in het bijzonder in derivaten en instrumenten die verband houden met effectisering, en vergelijkbare verrichtingen;
4° beheer van het liquiditeits- en concentratierisico;
5° beheer van het operationele risico;
6° verzekering en andere risicobeperkingstechnieken;
7° milieu-, sociale en governancerisico's met betrekking tot de beleggingsportefeuille en het beheer daarvan.
Ingeval de aangeslotenen en pensioengerechtigden overeenkomstig de voorwaarden van de pensioenregeling risico's dragen, neemt het risicobeheersysteem ook deze risico's uit het oogpunt van de aangeslotenen en pensioengerechtigden in aanmerking.
§ 3 De raad van bestuur van de IBP evalueert het governancesysteem als geheel en de verschillende afzonderlijke deelaspecten ervan, opgesomd in paragraaf 1, vierde lid ten minste om de drie jaar.
De beleidslijnen bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, 5°, worden vooraf door de raad van bestuur van de IBP goedgekeurd en worden aangepast als er zich een duidelijke wijziging in het betrokken systeem of op het betrokken gebied voordoet.]1
Art. 76/1. [1 § 1er. L'IRP dispose d'un système de gouvernance efficace, qui garantit une gestion saine et prudente et qui est proportionné à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité des activités de l'IRP.
Ce système doit lui permettre de réaliser les opérations projetées et ne peut entraver l'exercice d'un contrôle adéquat.
Le système de gouvernance implique la prise en considération, lors des décisions de placement, des facteurs environnementaux, sociaux et de gouvernance liés aux actifs de placement.
Le système de gouvernance comprend:
1° une structure organisationnelle transparente et adéquate, avec une répartition claire et une séparation appropriée des responsabilités, ainsi qu'un dispositif efficace de transmission des informations;
2° un système de contrôle interne efficace. Ce système comprend des procédures administratives et comptables, un cadre de contrôle interne ainsi que des dispositions appropriées en matière d'information à tous les niveaux de l'IRP;
3° des mesures raisonnables afin de veiller à la continuité et à la régularité dans l'accomplissement des activités de l'IRP, y compris par l'élaboration de plans d'urgence. [2 A cette fin, les IRP utilisent des systèmes, des ressources et des procédures appropriés et proportionnés et, en particulier, mettent en place et gèrent des réseaux et des systèmes d'information conformément au règlement (UE) 2022/2554, le cas échéant]2;
4° un système de gestion des risques efficace tel que visé au paragraphe 2;
5° des politiques que l'IRP établit par écrit et applique pour:
a) la gestion des risques;
b) l'audit interne;
c) les activités actuarielles, le cas échéant;
d) la sous-traitance, le cas échéant;
6° une politique de rémunération, telle que visée dans la Sous-section III;
7° des fonctions clés indépendantes adéquates en matière d'audit interne, de gestion des risques, de compliance et d'actuariat.
§ 2. L'IRP met en place un système de gestion des risques, qui consiste en l'établissement de stratégies, processus et procédures d'information nécessaires pour déceler, mesurer, contrôler, gérer et déclarer au conseil d'administration de l'IRP les risques, aux niveaux individuel et agrégé, auxquels l'IRP et les régimes de retraite qu'elle gère sont ou pourraient être exposés, ainsi que les interdépendances entre ces risques.
Ce système de gestion des risques est efficace et bien intégré à la structure organisationnelle et aux procédures de prise de décision de l'IRP.
Le système de gestion des risques couvre, d'une manière qui soit proportionnée à la taille et à l'organisation interne de l'IRP, ainsi qu'à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité de ses activités, les risques susceptibles de survenir dans l'IRP ou auprès des prestataires de services auxquels des tâches ou des activités d'une IRP ont été sous-traitées au moins dans les domaines suivants, le cas échéant:
1° la souscription et le provisionnement;
2° la gestion actif-passif (asset-liability management - ALM);
3° les investissements, en particulier dans des instruments dérivés et des instruments liés à la titrisation et des opérations similaires;
4° la gestion du risque de liquidité et de concentration;
5° la gestion du risque opérationnel;
6° l'assurance et les autres techniques d'atténuation du risque;
7° les risques environnementaux, sociaux et de gouvernance liés au portefeuille de placements et à la gestion de celui-ci.
Lorsque les dispositions du régime de retraite prévoient que les affiliés et les bénéficiaires supportent les risques, le système de gestion des risques prend également en considération ces risques du point de vue des affiliés et des bénéficiaires.
§ 3. Le conseil d'administration de l'IRP évalue le système de gouvernance dans son ensemble, ainsi que ses différents aspects distincts, énumérés au paragraphe 1er, alinéa 4, au moins tous les trois ans.
Les politiques visées au paragraphe 1er, alinéa 4, 5°, sont préalablement approuvées par le conseil d'administration de l'IRP et sont adaptées si un changement manifeste se produit dans le système concerné ou dans le domaine concerné.]1
Ce système doit lui permettre de réaliser les opérations projetées et ne peut entraver l'exercice d'un contrôle adéquat.
Le système de gouvernance implique la prise en considération, lors des décisions de placement, des facteurs environnementaux, sociaux et de gouvernance liés aux actifs de placement.
Le système de gouvernance comprend:
1° une structure organisationnelle transparente et adéquate, avec une répartition claire et une séparation appropriée des responsabilités, ainsi qu'un dispositif efficace de transmission des informations;
2° un système de contrôle interne efficace. Ce système comprend des procédures administratives et comptables, un cadre de contrôle interne ainsi que des dispositions appropriées en matière d'information à tous les niveaux de l'IRP;
3° des mesures raisonnables afin de veiller à la continuité et à la régularité dans l'accomplissement des activités de l'IRP, y compris par l'élaboration de plans d'urgence. [2 A cette fin, les IRP utilisent des systèmes, des ressources et des procédures appropriés et proportionnés et, en particulier, mettent en place et gèrent des réseaux et des systèmes d'information conformément au règlement (UE) 2022/2554, le cas échéant]2;
4° un système de gestion des risques efficace tel que visé au paragraphe 2;
5° des politiques que l'IRP établit par écrit et applique pour:
a) la gestion des risques;
b) l'audit interne;
c) les activités actuarielles, le cas échéant;
d) la sous-traitance, le cas échéant;
6° une politique de rémunération, telle que visée dans la Sous-section III;
7° des fonctions clés indépendantes adéquates en matière d'audit interne, de gestion des risques, de compliance et d'actuariat.
§ 2. L'IRP met en place un système de gestion des risques, qui consiste en l'établissement de stratégies, processus et procédures d'information nécessaires pour déceler, mesurer, contrôler, gérer et déclarer au conseil d'administration de l'IRP les risques, aux niveaux individuel et agrégé, auxquels l'IRP et les régimes de retraite qu'elle gère sont ou pourraient être exposés, ainsi que les interdépendances entre ces risques.
Ce système de gestion des risques est efficace et bien intégré à la structure organisationnelle et aux procédures de prise de décision de l'IRP.
Le système de gestion des risques couvre, d'une manière qui soit proportionnée à la taille et à l'organisation interne de l'IRP, ainsi qu'à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité de ses activités, les risques susceptibles de survenir dans l'IRP ou auprès des prestataires de services auxquels des tâches ou des activités d'une IRP ont été sous-traitées au moins dans les domaines suivants, le cas échéant:
1° la souscription et le provisionnement;
2° la gestion actif-passif (asset-liability management - ALM);
3° les investissements, en particulier dans des instruments dérivés et des instruments liés à la titrisation et des opérations similaires;
4° la gestion du risque de liquidité et de concentration;
5° la gestion du risque opérationnel;
6° l'assurance et les autres techniques d'atténuation du risque;
7° les risques environnementaux, sociaux et de gouvernance liés au portefeuille de placements et à la gestion de celui-ci.
Lorsque les dispositions du régime de retraite prévoient que les affiliés et les bénéficiaires supportent les risques, le système de gestion des risques prend également en considération ces risques du point de vue des affiliés et des bénéficiaires.
§ 3. Le conseil d'administration de l'IRP évalue le système de gouvernance dans son ensemble, ainsi que ses différents aspects distincts, énumérés au paragraphe 1er, alinéa 4, au moins tous les trois ans.
Les politiques visées au paragraphe 1er, alinéa 4, 5°, sont préalablement approuvées par le conseil d'administration de l'IRP et sont adaptées si un changement manifeste se produit dans le système concerné ou dans le domaine concerné.]1
Onderafdeling II. [1 - Vereisten voor een deskundig en betrouwbaar bestuur.]1
Sous-section II. [1 - Exigence en matière d'honorabilité et de compétence de la gestion.]1
Art.77. [1 § 1. De IBP ziet erop toe dat de leden van de operationele organen van de IBP, de personen die sleutelfuncties vervullen en, in voorkomend geval, de personen of entiteiten waaraan overeenkomstig artikel 78 een sleutelfunctie is uitbesteed, bij de uitvoering van hun taken aan de volgende vereisten voldoen:
1° passende deskundigheidsvereiste:
a) de leden van de operationele organen beschikken over passende kwalificaties, kennis en ervaring om een gezond en prudent bestuur van de IBP mogelijk te maken.
Die deskundigheid wordt collectief beoordeeld rekening houdend met de uitgeoefende functies en de mate waarin een beroep wordt gedaan op adviseurs die over die deskundigheid beschikken;
b) de personen verantwoordelijk voor een sleutelfunctie beschikken over de passende beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring om hun sleutelfunctie naar behoren te vervullen.
Bij de beoordeling van die deskundigheid wordt rekening gehouden met de mate waarin die persoon een beroep doet op andere personen voor advies of het uitvoeren van bepaalde controleactiviteiten;
2° professionele betrouwbaarheidsvereiste: de bedoelde personen hebben een goede reputatie en zijn integer. Artikel 20 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en beursvennootschappen is van toepassing.
§ 2. De IBP legt de benoeming van de leden van de operationele organen en van de verantwoordelijken voor sleutelfuncties voorafgaandelijk voor aan de FSMA.
De IBP deelt daartoe aan de FSMA alle documenten en informatie mee die haar worden gevraagd om te beoordelen of de personen, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig paragraaf 1 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken.
De benoeming van de personen bedoeld in het eerste lid heeft pas uitwerking na de goedkeuring van het voorstel tot benoeming door de FSMA.
Het eerste en het tweede lid zijn eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen.
Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in het eerste lid wordt voorgedragen bij een IBP, raadpleegt de FSMA eerst de Nationale Bank van België.
De Nationale Bank van België deelt haar advies mee aan de FSMA binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
§ 3. De IBP en de leden van haar operationele organen brengen de FSMA onverwijld op de hoogte van elk feit of element dat een wijziging van de bij de benoeming verstrekte informatie inhoudt, en dat een significante invloed kan hebben op de voor de uitoefening van de betrokken functie vereiste betrouwbaarheid en deskundigheid.
De FSMA wordt onverwijld ook op de hoogte gebracht van de afzetting of het ontslag van de voornoemde personen.
De FSMA kan, wanneer zij in het kader van de uitvoering van haar toezichtsopdracht op de hoogte is van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het eerste lid is verkregen, de naleving van de in paragraaf 1 bedoelde vereisten opnieuw beoordelen.]1
1° passende deskundigheidsvereiste:
a) de leden van de operationele organen beschikken over passende kwalificaties, kennis en ervaring om een gezond en prudent bestuur van de IBP mogelijk te maken.
Die deskundigheid wordt collectief beoordeeld rekening houdend met de uitgeoefende functies en de mate waarin een beroep wordt gedaan op adviseurs die over die deskundigheid beschikken;
b) de personen verantwoordelijk voor een sleutelfunctie beschikken over de passende beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring om hun sleutelfunctie naar behoren te vervullen.
Bij de beoordeling van die deskundigheid wordt rekening gehouden met de mate waarin die persoon een beroep doet op andere personen voor advies of het uitvoeren van bepaalde controleactiviteiten;
2° professionele betrouwbaarheidsvereiste: de bedoelde personen hebben een goede reputatie en zijn integer. Artikel 20 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en beursvennootschappen is van toepassing.
§ 2. De IBP legt de benoeming van de leden van de operationele organen en van de verantwoordelijken voor sleutelfuncties voorafgaandelijk voor aan de FSMA.
De IBP deelt daartoe aan de FSMA alle documenten en informatie mee die haar worden gevraagd om te beoordelen of de personen, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig paragraaf 1 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken.
De benoeming van de personen bedoeld in het eerste lid heeft pas uitwerking na de goedkeuring van het voorstel tot benoeming door de FSMA.
Het eerste en het tweede lid zijn eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen.
Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in het eerste lid wordt voorgedragen bij een IBP, raadpleegt de FSMA eerst de Nationale Bank van België.
De Nationale Bank van België deelt haar advies mee aan de FSMA binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
§ 3. De IBP en de leden van haar operationele organen brengen de FSMA onverwijld op de hoogte van elk feit of element dat een wijziging van de bij de benoeming verstrekte informatie inhoudt, en dat een significante invloed kan hebben op de voor de uitoefening van de betrokken functie vereiste betrouwbaarheid en deskundigheid.
De FSMA wordt onverwijld ook op de hoogte gebracht van de afzetting of het ontslag van de voornoemde personen.
De FSMA kan, wanneer zij in het kader van de uitvoering van haar toezichtsopdracht op de hoogte is van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het eerste lid is verkregen, de naleving van de in paragraaf 1 bedoelde vereisten opnieuw beoordelen.]1
Art.77. [1 § 1er. L'IRP veille à ce que les membres de ses organes opérationnels, les personnes qui exercent des fonctions clés et, le cas échéant, les personnes ou les entités auxquelles une fonction clé a été sous-traitée conformément à l'article 78, satisfassent aux exigences suivantes dans l'exercice de leurs missions:
1° l'exigence d'expertise adéquate:
a) les membres des organes opérationnels disposent de qualifications, de connaissances et d'une expérience propres à leur permettre d'assurer une gestion saine et prudente de l'IRP.
Cette expertise est évaluée collectivement en tenant compte des fonctions exercées et de la mesure dans laquelle il est fait appel à des conseillers disposant de cette expertise;
b) les personnes responsables d'une fonction clé disposent de qualifications, de connaissances et d'une expérience professionnelles propres à leur permettre d'exercer correctement leur fonction clé.
Dans le cadre de l'évaluation de cette expertise, il est tenu compte de la mesure dans laquelle la personne visée fait appel à d'autres personnes pour des avis ou pour l'exercice d'activités de contrôle déterminées;
2° l'exigence d'honorabilité professionnelle: les personnes concernées ont une bonne réputation et sont intègres. L'article 20 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse est applicable.
§ 2. L'IRP soumet la nomination des membres des organes opérationnels et des responsables de fonctions clés préalablement à la FSMA.
A cet effet, l'IRP communique à la FSMA tous les documents et informations qui lui sont demandés afin de permettre à la FSMA d'évaluer si les personnes visées à l'alinéa 1er disposent, conformément au paragraphe 1er, de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction.
La nomination des personnes visées à l'alinéa 1er ne peut intervenir qu'après l'approbation de la proposition de nomination par la FSMA.
L'alinéa 1er et l'alinéa 2 sont également applicables à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes visées à l'alinéa 1er.
Lorsqu'il s'agit de la nomination d'une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée à l'alinéa 1er auprès d'une IRP, la FSMA consulte préalablement la Banque Nationale de Belgique.
La Banque Nationale de Belgique communique son avis à la FSMA dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis.
§ 3. L'IRP et les membres de ses organes opérationnels communiquent sans délai à la FSMA tout fait ou élément qui implique une modification des informations fournies lors de la nomination et qui pourrait avoir une influence significative sur l'honorabilité professionnelle nécessaire et l'expertise adéquate à l'exercice de la fonction concernée.
La FSMA est par ailleurs informée sans délai de la révocation, du licenciement ou de la démission des personnes précitées.
Lorsque la FSMA, dans le cadre de l'exercice de sa mission de contrôle, a connaissance d'un tel fait ou élément, obtenu ou non en application de l'alinéa 1er, elle peut effectuer une réévaluation du respect des exigences visées au paragraphe 1er.]1
1° l'exigence d'expertise adéquate:
a) les membres des organes opérationnels disposent de qualifications, de connaissances et d'une expérience propres à leur permettre d'assurer une gestion saine et prudente de l'IRP.
Cette expertise est évaluée collectivement en tenant compte des fonctions exercées et de la mesure dans laquelle il est fait appel à des conseillers disposant de cette expertise;
b) les personnes responsables d'une fonction clé disposent de qualifications, de connaissances et d'une expérience professionnelles propres à leur permettre d'exercer correctement leur fonction clé.
Dans le cadre de l'évaluation de cette expertise, il est tenu compte de la mesure dans laquelle la personne visée fait appel à d'autres personnes pour des avis ou pour l'exercice d'activités de contrôle déterminées;
2° l'exigence d'honorabilité professionnelle: les personnes concernées ont une bonne réputation et sont intègres. L'article 20 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse est applicable.
§ 2. L'IRP soumet la nomination des membres des organes opérationnels et des responsables de fonctions clés préalablement à la FSMA.
A cet effet, l'IRP communique à la FSMA tous les documents et informations qui lui sont demandés afin de permettre à la FSMA d'évaluer si les personnes visées à l'alinéa 1er disposent, conformément au paragraphe 1er, de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction.
La nomination des personnes visées à l'alinéa 1er ne peut intervenir qu'après l'approbation de la proposition de nomination par la FSMA.
L'alinéa 1er et l'alinéa 2 sont également applicables à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes visées à l'alinéa 1er.
Lorsqu'il s'agit de la nomination d'une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée à l'alinéa 1er auprès d'une IRP, la FSMA consulte préalablement la Banque Nationale de Belgique.
La Banque Nationale de Belgique communique son avis à la FSMA dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis.
§ 3. L'IRP et les membres de ses organes opérationnels communiquent sans délai à la FSMA tout fait ou élément qui implique une modification des informations fournies lors de la nomination et qui pourrait avoir une influence significative sur l'honorabilité professionnelle nécessaire et l'expertise adéquate à l'exercice de la fonction concernée.
La FSMA est par ailleurs informée sans délai de la révocation, du licenciement ou de la démission des personnes précitées.
Lorsque la FSMA, dans le cadre de l'exercice de sa mission de contrôle, a connaissance d'un tel fait ou élément, obtenu ou non en application de l'alinéa 1er, elle peut effectuer une réévaluation du respect des exigences visées au paragraphe 1er.]1
Änderungen
Onderafdeling III. [1 - Beloningsbeleid.]1
Sous-section III. [1 - Politique de rémunération.]1
Art. 77/1. [1 § 1. De IBP stelt voor alle leden van haar operationele organen, de personen die haar sleutelfuncties vervullen en andere personeelscategorieën waarvan de beroepswerkzaamheden wezenlijke gevolgen hebben voor het risicoprofiel van de IBP, een deugdelijk beloningsbeleid vast en past het toe.
Het beloningsbeleid staat in verhouding tot zowel de omvang en de interne organisatie van de IBP, als de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden.
§ 2. De IBP maakt periodiek relevante informatie over het beloningsbeleid openbaar, tenzij anders is bepaald in verordening (EU) 2016/679.
§ 3. Bij de vaststelling en toepassing van het in paragraaf 1 bedoelde beloningsbeleid neemt de IBP de volgende beginselen in acht:
1° het beloningsbeleid wordt vastgesteld, toegepast en gehandhaafd in overeenstemming met de werkzaamheden, het risicoprofiel, de doelstellingen, het langetermijnbelang, de financiële stabiliteit en de prestaties van de IBP als geheel, en het werkt een deugdelijk, prudent en doeltreffend bestuur van IBP in de hand;
2° het beloningsbeleid is in overeenstemming met de langetermijnbelangen van de aangeslotenen aan en de pensioengerechtigden van de door de IBP uitgevoerde pensioenregelingen;
3° het beloningsbeleid omvat maatregelen die erop gericht zijn belangenconflicten te vermijden;
4° het beloningsbeleid strookt met een deugdelijk en doeltreffend risicobeheer en moedigt niet aan tot het nemen van risico's die niet te verenigen zijn met het risicoprofiel en de statuten van de IBP;
5° het beloningsbeleid is van toepassing op de IBP en op de in artikel 78 bedoelde dienstverleners, tenzij die dienstverleners onder één van de volgende richtlijn en vallen:
- de richtlijn 2009/65/EG van het Europees parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten;
- de richtlijn 2009/138/EG van het Europees parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf;
- de richtlijn 2011/61/EU van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de richtlijn en 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010;
- de richtlijn 2013/36/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijn en 2006/48/EG en 2006/49/EG;
- de richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU;
6° er is sprake van een duidelijke, transparante en doeltreffende governance ten aanzien van de uitvoering van het beloningsbeleid en het toezicht daarop.]1
Het beloningsbeleid staat in verhouding tot zowel de omvang en de interne organisatie van de IBP, als de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden.
§ 2. De IBP maakt periodiek relevante informatie over het beloningsbeleid openbaar, tenzij anders is bepaald in verordening (EU) 2016/679.
§ 3. Bij de vaststelling en toepassing van het in paragraaf 1 bedoelde beloningsbeleid neemt de IBP de volgende beginselen in acht:
1° het beloningsbeleid wordt vastgesteld, toegepast en gehandhaafd in overeenstemming met de werkzaamheden, het risicoprofiel, de doelstellingen, het langetermijnbelang, de financiële stabiliteit en de prestaties van de IBP als geheel, en het werkt een deugdelijk, prudent en doeltreffend bestuur van IBP in de hand;
2° het beloningsbeleid is in overeenstemming met de langetermijnbelangen van de aangeslotenen aan en de pensioengerechtigden van de door de IBP uitgevoerde pensioenregelingen;
3° het beloningsbeleid omvat maatregelen die erop gericht zijn belangenconflicten te vermijden;
4° het beloningsbeleid strookt met een deugdelijk en doeltreffend risicobeheer en moedigt niet aan tot het nemen van risico's die niet te verenigen zijn met het risicoprofiel en de statuten van de IBP;
5° het beloningsbeleid is van toepassing op de IBP en op de in artikel 78 bedoelde dienstverleners, tenzij die dienstverleners onder één van de volgende richtlijn en vallen:
- de richtlijn 2009/65/EG van het Europees parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten;
- de richtlijn 2009/138/EG van het Europees parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf;
- de richtlijn 2011/61/EU van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de richtlijn en 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010;
- de richtlijn 2013/36/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijn en 2006/48/EG en 2006/49/EG;
- de richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU;
6° er is sprake van een duidelijke, transparante en doeltreffende governance ten aanzien van de uitvoering van het beloningsbeleid en het toezicht daarop.]1
Art. 77/1. [1 § 1er. L'IRP établit et applique une politique de rémunération saine pour tous les membres de ses organes opérationnels, pour les personnes qui exercent des fonctions clés et pour les autres catégories de personnel dont les activités professionnelles ont une incidence significative sur le profil de risque de l'IRP.
La politique de rémunération est proportionnée à la taille et à l'organisation interne de l'IRP, ainsi qu'à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité de ses activités.
§ 2. L'IRP publie régulièrement des informations utiles concernant sa politique de rémunération, sauf prescription contraire du Règlement (UE) 2016/679.
§ 3. Lorsqu'elle établit et applique la politique de rémunération visée au paragraphe 1er, l'IRP respecte les principes suivants:
1° la politique de rémunération est établie, mise en oeuvre et tenue à jour en tenant compte des activités, du profil de risque, des objectifs, des intérêts à long terme, de la stabilité financière et du fonctionnement de l'IRP dans son ensemble, et favorise une gestion saine, prudente et efficace de l'IRP;
2° la politique de rémunération est conforme aux intérêts à long terme des affiliés et des bénéficiaires des régimes de retraite gérés par l'IRP;
3° la politique de rémunération inclut des mesures visant à éviter les conflits d'intérêts;
4° la politique de rémunération est conforme à une gestion des risques saine et effective et n'encourage pas une prise de risque qui serait incompatible avec les profils de risque et les statuts de l'IRP;
5° la politique de rémunération s'applique à l'IRP et aux prestataires de services visés à l'article 78, à moins que ces prestataires de services ne relèvent d'une des directive s suivantes:
- la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières;
- la directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice;
- la directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d'investissement alternatifs et modifiant les directive s 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les Règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010;
- la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit et des entreprises d'investissement, modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directive s 2006/48/CE et 2006/49/CE;
- la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d'instruments financiers et modifiant la directive 2002/92/CE et la directive 2011/61/UE;
6° l'exécution de la politique de rémunération et sa surveillance sont soumises à une gouvernance claire, transparente et effective.]1
La politique de rémunération est proportionnée à la taille et à l'organisation interne de l'IRP, ainsi qu'à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité de ses activités.
§ 2. L'IRP publie régulièrement des informations utiles concernant sa politique de rémunération, sauf prescription contraire du Règlement (UE) 2016/679.
§ 3. Lorsqu'elle établit et applique la politique de rémunération visée au paragraphe 1er, l'IRP respecte les principes suivants:
1° la politique de rémunération est établie, mise en oeuvre et tenue à jour en tenant compte des activités, du profil de risque, des objectifs, des intérêts à long terme, de la stabilité financière et du fonctionnement de l'IRP dans son ensemble, et favorise une gestion saine, prudente et efficace de l'IRP;
2° la politique de rémunération est conforme aux intérêts à long terme des affiliés et des bénéficiaires des régimes de retraite gérés par l'IRP;
3° la politique de rémunération inclut des mesures visant à éviter les conflits d'intérêts;
4° la politique de rémunération est conforme à une gestion des risques saine et effective et n'encourage pas une prise de risque qui serait incompatible avec les profils de risque et les statuts de l'IRP;
5° la politique de rémunération s'applique à l'IRP et aux prestataires de services visés à l'article 78, à moins que ces prestataires de services ne relèvent d'une des directive s suivantes:
- la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières;
- la directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice;
- la directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d'investissement alternatifs et modifiant les directive s 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les Règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010;
- la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit et des entreprises d'investissement, modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directive s 2006/48/CE et 2006/49/CE;
- la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d'instruments financiers et modifiant la directive 2002/92/CE et la directive 2011/61/UE;
6° l'exécution de la politique de rémunération et sa surveillance sont soumises à une gouvernance claire, transparente et effective.]1
Onderafdeling IV. [1 - Sleutelfuncties.]1
Sous-section IV. [1 - Fonctions clés.]1
Art. 77/2. [1 § 1. De IBP beschikt permanent over de volgende sleutelfuncties:
1° een risicobeheerfunctie;
2° een actuariële functie in de in artikel 77/4, § 1, bedoelde gevallen;
3° een compliancefunctie;
4° een interneauditfunctie.
§ 2. De IBP wijst voor elke sleutelfunctie ten minste één onafhankelijke persoon van binnen of buiten de IBP aan die voor de functie verantwoordelijk is. Hij mag zich laten bijstaan door andere personen.
Ingeval een rechtspersoon wordt aangewezen als verantwoordelijke voor een sleutelfunctie, duidt deze onder zijn vennoten, zaakvoerders, bestuurders, leden van het directiecomité of werknemers een vaste vertegenwoordiger aan die belast wordt met de uitvoering van die opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon. Deze vertegenwoordiger moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en is burgerrechtelijk aansprakelijk en strafrechtelijk verantwoordelijk alsof hij zelf de betrokken opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou volbracht hebben, onverminderd de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt. Deze laatste mag zijn vertegenwoordiger niet ontslaan zonder tegelijk een opvolger te benoemen. De bepalingen van artikel 77 zijn van toepassing op deze vertegenwoordiger.
In het geval er meerdere personen worden aangesteld als verantwoordelijke voor eenzelfde sleutelfunctie vormen ze een college.
De IBP mag toestaan dat één persoon verantwoordelijk is voor meer dan één sleutelfunctie, met uitzondering van de interneauditfunctie, die onafhankelijk moet zijn van de overige sleutelfuncties.
De verantwoordelijke voor een sleutelfunctie en de personen die hem bijstaan, verschillen van de personen die in de bijdragende onderneming een soortgelijke sleutelfunctie vervullen. Rekening houdend met de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar activiteiten kan de IBP evenwel soortgelijke sleutelfuncties door dezelfde personen laten uitoefenen als in de bijdragende onderneming, mits de IBP uitlegt hoe zij eventuele belangenconflicten met de bijdragende onderneming voorkomt of beheerst.
De IBP stelt de verantwoordelijken voor een sleutelfunctie en de personen die hen bijstaan in staat hun taken daadwerkelijk op een objectieve, eerlijke en onafhankelijke manier te vervullen.
§ 3. De personen die verantwoordelijk zijn voor een sleutelfunctie rapporteren minstens eenmaal per jaar rechtstreeks aan de raad van bestuur over de uitvoering van hun taak en over eventuele materiële bevindingen en aanbevelingen op het gebied dat onder hun verantwoordelijkheid valt.
De raad van bestuur van de IBP besluit welke maatregelen moeten worden getroffen om tegemoet te komen aan de aanbevelingen bedoeld in het eerste lid.
Naast de rapportering bedoeld in het eerste lid waarschuwen de personen die verantwoordelijk zijn voor een sleutelfunctie uit eigen beweging de raad van bestuur wanneer ze specifieke risico-ontwikkelingen vaststellen die een negatieve invloed op de IBP hebben of zouden kunnen hebben of indien ze significante inbreuken op de regelgeving vaststellen.
§ 4. Onverminderd het recht om niet tegen zichzelf te getuigen, stellen de personen die verantwoordelijk zijn voor een sleutelfunctie de FSMA in de volgende gevallen in kennis als de raad van bestuur van de IBP niet tijdig passende corrigerende maatregelen treft:
1° wanneer ze een substantieel risico hebben ontdekt dat de IBP niet aan een wettelijk vereiste van significante betekenis zal voldoen en dit aan de raad van bestuur van de IBP hebben gerapporteerd, en wanneer dit risico ernstige gevolgen voor de belangen van de aangeslotenen en de pensioengerechtigden zou kunnen hebben; of
2° wanneer ze een materiële en significante inbreuk op de voor de IBP en haar activiteiten geldende wetgeving, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen hebben geconstateerd en dit aan de raad van bestuur van de IBP hebben gerapporteerd.]1
1° een risicobeheerfunctie;
2° een actuariële functie in de in artikel 77/4, § 1, bedoelde gevallen;
3° een compliancefunctie;
4° een interneauditfunctie.
§ 2. De IBP wijst voor elke sleutelfunctie ten minste één onafhankelijke persoon van binnen of buiten de IBP aan die voor de functie verantwoordelijk is. Hij mag zich laten bijstaan door andere personen.
Ingeval een rechtspersoon wordt aangewezen als verantwoordelijke voor een sleutelfunctie, duidt deze onder zijn vennoten, zaakvoerders, bestuurders, leden van het directiecomité of werknemers een vaste vertegenwoordiger aan die belast wordt met de uitvoering van die opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon. Deze vertegenwoordiger moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en is burgerrechtelijk aansprakelijk en strafrechtelijk verantwoordelijk alsof hij zelf de betrokken opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou volbracht hebben, onverminderd de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt. Deze laatste mag zijn vertegenwoordiger niet ontslaan zonder tegelijk een opvolger te benoemen. De bepalingen van artikel 77 zijn van toepassing op deze vertegenwoordiger.
In het geval er meerdere personen worden aangesteld als verantwoordelijke voor eenzelfde sleutelfunctie vormen ze een college.
De IBP mag toestaan dat één persoon verantwoordelijk is voor meer dan één sleutelfunctie, met uitzondering van de interneauditfunctie, die onafhankelijk moet zijn van de overige sleutelfuncties.
De verantwoordelijke voor een sleutelfunctie en de personen die hem bijstaan, verschillen van de personen die in de bijdragende onderneming een soortgelijke sleutelfunctie vervullen. Rekening houdend met de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar activiteiten kan de IBP evenwel soortgelijke sleutelfuncties door dezelfde personen laten uitoefenen als in de bijdragende onderneming, mits de IBP uitlegt hoe zij eventuele belangenconflicten met de bijdragende onderneming voorkomt of beheerst.
De IBP stelt de verantwoordelijken voor een sleutelfunctie en de personen die hen bijstaan in staat hun taken daadwerkelijk op een objectieve, eerlijke en onafhankelijke manier te vervullen.
§ 3. De personen die verantwoordelijk zijn voor een sleutelfunctie rapporteren minstens eenmaal per jaar rechtstreeks aan de raad van bestuur over de uitvoering van hun taak en over eventuele materiële bevindingen en aanbevelingen op het gebied dat onder hun verantwoordelijkheid valt.
De raad van bestuur van de IBP besluit welke maatregelen moeten worden getroffen om tegemoet te komen aan de aanbevelingen bedoeld in het eerste lid.
Naast de rapportering bedoeld in het eerste lid waarschuwen de personen die verantwoordelijk zijn voor een sleutelfunctie uit eigen beweging de raad van bestuur wanneer ze specifieke risico-ontwikkelingen vaststellen die een negatieve invloed op de IBP hebben of zouden kunnen hebben of indien ze significante inbreuken op de regelgeving vaststellen.
§ 4. Onverminderd het recht om niet tegen zichzelf te getuigen, stellen de personen die verantwoordelijk zijn voor een sleutelfunctie de FSMA in de volgende gevallen in kennis als de raad van bestuur van de IBP niet tijdig passende corrigerende maatregelen treft:
1° wanneer ze een substantieel risico hebben ontdekt dat de IBP niet aan een wettelijk vereiste van significante betekenis zal voldoen en dit aan de raad van bestuur van de IBP hebben gerapporteerd, en wanneer dit risico ernstige gevolgen voor de belangen van de aangeslotenen en de pensioengerechtigden zou kunnen hebben; of
2° wanneer ze een materiële en significante inbreuk op de voor de IBP en haar activiteiten geldende wetgeving, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen hebben geconstateerd en dit aan de raad van bestuur van de IBP hebben gerapporteerd.]1
Art. 77/2. [1 § 1er. L'IRP dispose, en permanence, des fonctions clés suivantes:
1° une fonction de gestion des risques;
2° une fonction actuarielle, dans les cas visés à l'article 77/4, § 1er;
3° une fonction de compliance;
4° une fonction d'audit interne.
§ 2. L'IRP désigne pour chaque fonction clé au moins une personne indépendante, interne ou externe à l'IRP, qui est responsable de cette fonction. La personne en question peut se faire assister par d'autres personnes.
Lorsqu'une personne morale est désignée comme responsable d'une fonction clé, celle-ci est tenue de désigner parmi ses associés, gérants, administrateurs, membres du comité de direction ou travailleurs un représentant permanent chargé de l'exécution de cette mission au nom et pour le compte de la personne morale. Ce représentant est soumis aux mêmes conditions et encourt les mêmes responsabilités civiles et pénales que s'il avait exercé cette mission en nom et pour compte propre, sans préjudice de la responsabilité solidaire de la personne morale qu'il représente. Celle-ci ne peut révoquer son représentant qu'en désignant simultanément son successeur. Les dispositions de l'article 77 sont applicables à ce représentant.
Si plusieurs personnes sont désignées comme responsables d'une même fonction clé, elles forment un collège.
L'IRP peut autoriser une même personne à être responsable de plusieurs fonctions clés, à l'exception de la fonction d'audit interne, qui doit être indépendante des autres fonctions clés.
Le responsable d'une fonction clé et les personnes qui l'assistent, sont différents des personnes exerçant une fonction clé similaire dans l'entreprise d'affiliation. Compte tenu de la taille, de la nature, de l'ampleur et de la complexité de ses activités, l'IRP peut toutefois exercer des fonctions clés par l'intermédiaire des mêmes personnes que dans l'entreprise d'affiliation, à condition que l'IRP explique comment elle entend prévenir ou gérer tout conflit d'intérêts potentiel avec l'entreprise d'affiliation.
L'IRP permet aux responsables d'une fonction clé et aux personnes qui les assistent, d'exercer leurs missions de manière objective, équitable et indépendante.
§ 3. Les personnes responsables d'une fonction clé font rapport directement au conseil d'administration, au moins une fois par an, sur l'exécution de leur mission et sur toute conclusion et recommandation importante dans le domaine relevant de leur responsabilité.
Le conseil d'administration de l'IRP détermine quelles mesures doivent être prises pour rencontrer les recommandations visées à l'alinéa 1er.
Outre la communication visée à l'alinéa 1er, les personnes responsables d'une fonction clé avertissent d'initiative le conseil d'administration lorsqu'elles constatent des développements spécifiques de risques qui ont ou peuvent avoir des répercussions négatives sur l'IRP ou lorsqu'elles constatent des infractions significatives à la réglementation.
§ 4. Sans préjudice du droit de ne pas s'incriminer soi-même, les personnes responsables d'une fonction clé informent la FSMA si le conseil d'administration de l'IRP ne prend pas en temps utile les mesures correctives appropriées dans les cas suivants:
1° lorsqu'elles ont constaté que l'IRP risque fortement de ne pas respecter une obligation légale importante et qu'elles ont fait part de leur constat au conseil d'administration de l'IRP et lorsque ce risque pourrait avoir des incidences significatives sur les intérêts des affiliés et des bénéficiaires; ou
2° lorsqu'elles ont constaté une infraction matérielle significative à la législation, à la réglementation ou aux dispositions administratives applicables à l'IRP et à ses activités et qu'elles ont fait part de leur constat au conseil d'administration de l'IRP.]1
1° une fonction de gestion des risques;
2° une fonction actuarielle, dans les cas visés à l'article 77/4, § 1er;
3° une fonction de compliance;
4° une fonction d'audit interne.
§ 2. L'IRP désigne pour chaque fonction clé au moins une personne indépendante, interne ou externe à l'IRP, qui est responsable de cette fonction. La personne en question peut se faire assister par d'autres personnes.
Lorsqu'une personne morale est désignée comme responsable d'une fonction clé, celle-ci est tenue de désigner parmi ses associés, gérants, administrateurs, membres du comité de direction ou travailleurs un représentant permanent chargé de l'exécution de cette mission au nom et pour le compte de la personne morale. Ce représentant est soumis aux mêmes conditions et encourt les mêmes responsabilités civiles et pénales que s'il avait exercé cette mission en nom et pour compte propre, sans préjudice de la responsabilité solidaire de la personne morale qu'il représente. Celle-ci ne peut révoquer son représentant qu'en désignant simultanément son successeur. Les dispositions de l'article 77 sont applicables à ce représentant.
Si plusieurs personnes sont désignées comme responsables d'une même fonction clé, elles forment un collège.
L'IRP peut autoriser une même personne à être responsable de plusieurs fonctions clés, à l'exception de la fonction d'audit interne, qui doit être indépendante des autres fonctions clés.
Le responsable d'une fonction clé et les personnes qui l'assistent, sont différents des personnes exerçant une fonction clé similaire dans l'entreprise d'affiliation. Compte tenu de la taille, de la nature, de l'ampleur et de la complexité de ses activités, l'IRP peut toutefois exercer des fonctions clés par l'intermédiaire des mêmes personnes que dans l'entreprise d'affiliation, à condition que l'IRP explique comment elle entend prévenir ou gérer tout conflit d'intérêts potentiel avec l'entreprise d'affiliation.
L'IRP permet aux responsables d'une fonction clé et aux personnes qui les assistent, d'exercer leurs missions de manière objective, équitable et indépendante.
§ 3. Les personnes responsables d'une fonction clé font rapport directement au conseil d'administration, au moins une fois par an, sur l'exécution de leur mission et sur toute conclusion et recommandation importante dans le domaine relevant de leur responsabilité.
Le conseil d'administration de l'IRP détermine quelles mesures doivent être prises pour rencontrer les recommandations visées à l'alinéa 1er.
Outre la communication visée à l'alinéa 1er, les personnes responsables d'une fonction clé avertissent d'initiative le conseil d'administration lorsqu'elles constatent des développements spécifiques de risques qui ont ou peuvent avoir des répercussions négatives sur l'IRP ou lorsqu'elles constatent des infractions significatives à la réglementation.
§ 4. Sans préjudice du droit de ne pas s'incriminer soi-même, les personnes responsables d'une fonction clé informent la FSMA si le conseil d'administration de l'IRP ne prend pas en temps utile les mesures correctives appropriées dans les cas suivants:
1° lorsqu'elles ont constaté que l'IRP risque fortement de ne pas respecter une obligation légale importante et qu'elles ont fait part de leur constat au conseil d'administration de l'IRP et lorsque ce risque pourrait avoir des incidences significatives sur les intérêts des affiliés et des bénéficiaires; ou
2° lorsqu'elles ont constaté une infraction matérielle significative à la législation, à la réglementation ou aux dispositions administratives applicables à l'IRP et à ses activités et qu'elles ont fait part de leur constat au conseil d'administration de l'IRP.]1
Art. 77/3. [1 De IBP beschikt over een doeltreffende risicobeheerfunctie die in verhouding staat tot haar omvang en interne organisatie, alsook tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden.
Die functie wordt zodanig opgezet dat zij bevorderlijk is voor het functioneren van het risicobeheersysteem van de IBP, bedoeld in artikel 76/1, § 2.
Meer in het bijzonder is de persoon die verantwoordelijk is voor de risicobeheerfunctie actief betrokken bij het uitstippelen van de risicostrategie en het opzetten van het risicobeheersysteem van de IBP en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico's. Verder waakt hij erover dat het risicobeheersysteem alle risico's waarmee de IBP in aanraking komt omvat en ziet hij toe op de goede toepassing van het risicobeheersysteem.]1
Die functie wordt zodanig opgezet dat zij bevorderlijk is voor het functioneren van het risicobeheersysteem van de IBP, bedoeld in artikel 76/1, § 2.
Meer in het bijzonder is de persoon die verantwoordelijk is voor de risicobeheerfunctie actief betrokken bij het uitstippelen van de risicostrategie en het opzetten van het risicobeheersysteem van de IBP en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico's. Verder waakt hij erover dat het risicobeheersysteem alle risico's waarmee de IBP in aanraking komt omvat en ziet hij toe op de goede toepassing van het risicobeheersysteem.]1
Art. 77/3. [1 L'IRP dispose d'une fonction de gestion des risques efficace, qui est proportionnée à sa taille et à son organisation interne, ainsi qu'à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité de ses activités.
Cette fonction est structurée de façon à faciliter le fonctionnement du système de gestion des risques de l'IRP, visé à l'article 76/1, § 2.
Plus particulièrement, la personne responsable de la fonction de gestion des risques participe activement à l'élaboration de la stratégie de risque et de la mise en place du système de gestion des risques de l'IRP, ainsi qu'à toutes les décisions de gestion ayant une incidence significative en matière de risque. Elle veille en outre à ce que le système de gestion des risques couvre tous les risques auxquels l'IRP pourrait être exposée et surveille la bonne application du système de gestion des risques.]1
Cette fonction est structurée de façon à faciliter le fonctionnement du système de gestion des risques de l'IRP, visé à l'article 76/1, § 2.
Plus particulièrement, la personne responsable de la fonction de gestion des risques participe activement à l'élaboration de la stratégie de risque et de la mise en place du système de gestion des risques de l'IRP, ainsi qu'à toutes les décisions de gestion ayant une incidence significative en matière de risque. Elle veille en outre à ce que le système de gestion des risques couvre tous les risques auxquels l'IRP pourrait être exposée et surveille la bonne application du système de gestion des risques.]1
Art. 77/4. [1 § 1. Elke IBP, die een pensioenregeling beheert die dekking biedt tegen biometrische risico's of in een beleggingsrendement of een bepaald uitkeringsniveau voorziet, beschikt over een doeltreffende actuariële functie.
§ 2. De actuariële functie wordt belast met de volgende taken:
1° het coördineren en toezien op de berekening van de technische voorzieningen;
2° het beoordelen of de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde methodieken, onderliggende modellen en hypotheses passend zijn;
3° het beoordelen of er pertinente gegevens worden gebruikt bij de berekening van technische voorzieningen en het beoordelen van de kwaliteit van die gegevens;
4° het toetsen van de bij de berekening van technische voorzieningen gehanteerde hypotheses aan de praktijk;
5° het verstrekken van informatie over de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van technische voorzieningen aan de raad van bestuur van de IBP;
6° het adviseren over de algehele onderschrijvingsgedragslijn ingeval de IBP een dergelijke gedragslijn heeft;
7° het adviseren over de adequaatheid van de verzekeringsregelingen ingeval de IBP dergelijke verzekeringsregelingen heeft;
8° het ertoe bijdragen dat het risicobeheersysteem doeltreffend wordt toegepast.]1
§ 2. De actuariële functie wordt belast met de volgende taken:
1° het coördineren en toezien op de berekening van de technische voorzieningen;
2° het beoordelen of de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde methodieken, onderliggende modellen en hypotheses passend zijn;
3° het beoordelen of er pertinente gegevens worden gebruikt bij de berekening van technische voorzieningen en het beoordelen van de kwaliteit van die gegevens;
4° het toetsen van de bij de berekening van technische voorzieningen gehanteerde hypotheses aan de praktijk;
5° het verstrekken van informatie over de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van technische voorzieningen aan de raad van bestuur van de IBP;
6° het adviseren over de algehele onderschrijvingsgedragslijn ingeval de IBP een dergelijke gedragslijn heeft;
7° het adviseren over de adequaatheid van de verzekeringsregelingen ingeval de IBP dergelijke verzekeringsregelingen heeft;
8° het ertoe bijdragen dat het risicobeheersysteem doeltreffend wordt toegepast.]1
Art. 77/4. [1 § 1er. Chaque IRP qui gère un régime de retraite couvrant les risques biométriques ou prévoyant soit le rendement des placements soit un niveau donné de prestations, dispose d'une fonction actuarielle efficace.
§ 2. La fonction actuarielle comprend les tâches suivantes:
1° coordonner et superviser le calcul des provisions techniques;
2° évaluer le caractère adéquat des méthodologies, des modèles sous-jacents et des hypothèses utilisés dans le calcul des provisions techniques;
3° apprécier le caractère pertinent et la qualité des données utilisées dans le calcul des provisions techniques;
4° comparer les hypothèses sous-tendant le calcul des provisions techniques aux observations empiriques;
5° informer le conseil d'administration de l'IRP de la fiabilité et du caractère adéquat du calcul des provisions techniques;
6° émettre un avis sur la politique globale de souscription, si l'IRP dispose d'une telle politique;
7° émettre un avis sur le caractère adéquat des dispositions en matière d'assurance, si l'IRP a pris de telles dispositions;
8° contribuer à la mise en oeuvre effective du système de gestion des risques.]1
§ 2. La fonction actuarielle comprend les tâches suivantes:
1° coordonner et superviser le calcul des provisions techniques;
2° évaluer le caractère adéquat des méthodologies, des modèles sous-jacents et des hypothèses utilisés dans le calcul des provisions techniques;
3° apprécier le caractère pertinent et la qualité des données utilisées dans le calcul des provisions techniques;
4° comparer les hypothèses sous-tendant le calcul des provisions techniques aux observations empiriques;
5° informer le conseil d'administration de l'IRP de la fiabilité et du caractère adéquat du calcul des provisions techniques;
6° émettre un avis sur la politique globale de souscription, si l'IRP dispose d'une telle politique;
7° émettre un avis sur le caractère adéquat des dispositions en matière d'assurance, si l'IRP a pris de telles dispositions;
8° contribuer à la mise en oeuvre effective du système de gestion des risques.]1
Art. 77/5. [1 § 1. De IBP beschikt over een doeltreffende compliancefunctie die in verhouding staat tot haar omvang en interne organisatie, alsook tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden.
§ 2. De compliancefunctie moet erover waken dat de IBP, de leden van haar operationele organen, haar werknemers en haar dienstverleners de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op haar activiteiten en op de pensioenregelingen die de IBP beheert en de interne beleidslijnen van de IBP, inzonderheid de regels inzake integriteit, naleven.
De compliancefunctie beoordeelt ook de mogelijke gevolgen van wijzigingen in het rechtskader voor de activiteiten van de IBP en identificeert en beoordeelt compliancerisico's.]1
§ 2. De compliancefunctie moet erover waken dat de IBP, de leden van haar operationele organen, haar werknemers en haar dienstverleners de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op haar activiteiten en op de pensioenregelingen die de IBP beheert en de interne beleidslijnen van de IBP, inzonderheid de regels inzake integriteit, naleven.
De compliancefunctie beoordeelt ook de mogelijke gevolgen van wijzigingen in het rechtskader voor de activiteiten van de IBP en identificeert en beoordeelt compliancerisico's.]1
Art. 77/5. [1 § 1er. L'IRP dispose d'une fonction de compliance efficace, qui est proportionnée à sa taille et à son organisation interne, ainsi qu'à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité de ses activités.
§ 2. La fonction de compliance est destinée à assurer le respect, par l'IRP, les membres de ses organes opérationnels, ses travailleurs et ses prestataires de services, des dispositions légales et réglementaires, en particulier des règles d'intégrité, qui s'appliquent aux activités de l'IRP, aux régimes de retraite qu'elle gère et aux politiques internes qu'elle a mises en place.
La fonction de compliance comprend également l'évaluation de l'impact possible de tout changement de l'environnement juridique sur les activités de l'IRP, ainsi que l'identification et l'évaluation du risque de non-conformité.]1
§ 2. La fonction de compliance est destinée à assurer le respect, par l'IRP, les membres de ses organes opérationnels, ses travailleurs et ses prestataires de services, des dispositions légales et réglementaires, en particulier des règles d'intégrité, qui s'appliquent aux activités de l'IRP, aux régimes de retraite qu'elle gère et aux politiques internes qu'elle a mises en place.
La fonction de compliance comprend également l'évaluation de l'impact possible de tout changement de l'environnement juridique sur les activités de l'IRP, ainsi que l'identification et l'évaluation du risque de non-conformité.]1
Art. 77/6. [1 De IBP beschikt over een doeltreffende interne auditfunctie die in verhouding staat tot haar omvang en interne organisatie, alsook tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden.
De interne auditfunctie evalueert onder meer of het interne controlesysteem en andere onderdelen van het vastgelegde governancesysteem, in voorkomend geval met inbegrip van de uitbestede werkzaamheden, adequaat en doeltreffend zijn en waakt over de wisselwerking tussen de verschillende sleutelfuncties met het oog op het volledig afdekken van de risico's waaraan de IBP blootstaat.]1
De interne auditfunctie evalueert onder meer of het interne controlesysteem en andere onderdelen van het vastgelegde governancesysteem, in voorkomend geval met inbegrip van de uitbestede werkzaamheden, adequaat en doeltreffend zijn en waakt over de wisselwerking tussen de verschillende sleutelfuncties met het oog op het volledig afdekken van de risico's waaraan de IBP blootstaat.]1
Art. 77/6. [1 L'IRP dispose d'une fonction d'audit interne efficace, qui est proportionnée à sa taille et à son organisation interne, ainsi qu'à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité de ses activités.
La fonction d'audit interne comporte notamment une évaluation de l'adéquation et de l'efficacité du système de contrôle interne et des autres éléments du système de gouvernance, y compris, le cas échéant, des activités sous-traitées, et veille à l'interaction entre les différentes fonctions clés en vue d'assurer une couverture complète des risques auxquels l'IRP est exposée.]1
La fonction d'audit interne comporte notamment une évaluation de l'adéquation et de l'efficacité du système de contrôle interne et des autres éléments du système de gouvernance, y compris, le cas échéant, des activités sous-traitées, et veille à l'interaction entre les différentes fonctions clés en vue d'assurer une couverture complète des risques auxquels l'IRP est exposée.]1
Art. 77/7. [1 De raad van bestuur controleert minstens jaarlijks of de IBP beantwoordt aan de vereisten van de artikelen 77/2 tot 77/6 en beoordeelt in het bijzonder de goede werking van de in artikel 77/2 bedoelde sleutelfuncties.]1
Art. 77/7. [1 Le conseil d'administration contrôle au moins une fois par an si l'IRP satisfait aux exigences prévues par les articles 77/2 à 77/6 et évalue en particulier le bon fonctionnement des fonctions clés visées à l'article 77/2.]1
Onderafdeling V. [1 - Uitbesteding.]1
Sous-section V. [1 - Sous-traitance.]1
Art.78. [1 § 1.]1 De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening mag het voor haar eigen rekening uitoefenen [1 van een functie, activiteit of operationele taak]1 op grond van een lastgevings- of een aannemingsovereenkomst [1 geheel of gedeeltelijk]1 aan een derde toevertrouwen.
De instelling is verantwoordelijk voor de keuze van en het toezicht op de werkzaamheden van de externe dienstverleners waarop het een beroep doet. Het ziet er in het bijzonder op toe dat deze externe dienstverleners over de gewenste beroepskwalificaties en ervaring beschikken [1 en dat de uitbestede functies, activiteiten of operationele taken naar behoren worden uitgevoerd]1.
Het beroep op externe dienstverleners vermindert op geen enkele wijze de verantwoordelijkheid van de instelling noch van [1 haar]1 organen.
[1 § 2. Uitbesteding, hetzij rechtstreeks hetzij door middel van onderuitbesteding, van functies, activiteiten of operationele taken mag er niet toe leiden dat:
1° er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het governancesysteem van de betrokken IBP;
2° het operationele risico onnodig toeneemt;
3° er afbreuk wordt gedaan aan het vermogen van de FSMA om hun controletaken uit te oefenen;
4° de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan aangeslotenen en pensioengerechtigden worden ondermijnd.
§ 3. De IBP die een functie, activiteit of operationele taak uitbesteedt, sluit een schriftelijke overeenkomst met de dienstverlener.
Een dergelijke overeenkomst bevat een duidelijke omschrijving van de rechten en plichten van de IBP en de dienstverlener.
§ 4. De IBP stelt de FSMA tijdig in kennis van de uitbesteding van een functie, activiteit of operationele taak die onder deze wet valt. Indien dergelijke uitbesteding betrekking heeft op sleutelfuncties of op het beheer van de IBP, stelt de IBP de FSMA daarvan in kennis voordat de overeenkomst betreffende die uitbesteding in werking treedt.
Een zelfde kennisgevingsplicht geldt ook voor latere belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de uitbestede functies, activiteiten of operationele taken.]1
De instelling is verantwoordelijk voor de keuze van en het toezicht op de werkzaamheden van de externe dienstverleners waarop het een beroep doet. Het ziet er in het bijzonder op toe dat deze externe dienstverleners over de gewenste beroepskwalificaties en ervaring beschikken [1 en dat de uitbestede functies, activiteiten of operationele taken naar behoren worden uitgevoerd]1.
Het beroep op externe dienstverleners vermindert op geen enkele wijze de verantwoordelijkheid van de instelling noch van [1 haar]1 organen.
[1 § 2. Uitbesteding, hetzij rechtstreeks hetzij door middel van onderuitbesteding, van functies, activiteiten of operationele taken mag er niet toe leiden dat:
1° er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het governancesysteem van de betrokken IBP;
2° het operationele risico onnodig toeneemt;
3° er afbreuk wordt gedaan aan het vermogen van de FSMA om hun controletaken uit te oefenen;
4° de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan aangeslotenen en pensioengerechtigden worden ondermijnd.
§ 3. De IBP die een functie, activiteit of operationele taak uitbesteedt, sluit een schriftelijke overeenkomst met de dienstverlener.
Een dergelijke overeenkomst bevat een duidelijke omschrijving van de rechten en plichten van de IBP en de dienstverlener.
§ 4. De IBP stelt de FSMA tijdig in kennis van de uitbesteding van een functie, activiteit of operationele taak die onder deze wet valt. Indien dergelijke uitbesteding betrekking heeft op sleutelfuncties of op het beheer van de IBP, stelt de IBP de FSMA daarvan in kennis voordat de overeenkomst betreffende die uitbesteding in werking treedt.
Een zelfde kennisgevingsplicht geldt ook voor latere belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de uitbestede functies, activiteiten of operationele taken.]1
Art.78. [1 § 1er.]1 L'institution de retraite professionnelle peut confier à un tiers, [1 en totalité ou en partie,]1 par contrat de mandat ou contrat d'entreprise, l'exercice, pour son propre compte, [1 d'une fonction, activité ou tâche opérationnelle]1.
L'institution est responsable du choix et du contrôle de l'activité des prestataires de service externes auxquels elle fait appel. En particulier, elle s'assure du fait que ceux-ci possèdent les qualifications et l'expérience professionnelle voulues [1 et veille au bon fonctionnement des fonctions, activités ou tâches opérationnelles externalisées]1.
Le recours à des prestataires de service externes ne diminue en aucune façon la responsabilité de l'institution ni de ses organes.
[1 § 2. La sous-traitance, soit directe, soit en cascade, de fonctions, activités ou tâches opérationnelles ne peut avoir pour effet de:
1° compromettre la qualité du système de gouvernance de l'IRP concernée;
2° accroître indûment le risque opérationnel;
3° compromettre la capacité de la FSMA d'exercer ses tâches de contrôle;
4° nuire à la prestation continue d'un service satisfaisant à l'égard des affiliés et des bénéficiaires.
§ 3. L'IRP qui sous-traite une fonction, activité ou tâche opérationnelle visée par la présente loi, conclut une convention écrite avec le prestataire de services.
Cette convention définit clairement les droits et obligations de l'IRP et du prestataire de services.
§ 4. L'IRP informe la FSMA en temps utile de toute sous-traitance d'une fonction, activité ou tâche opérationnelle visée à la présente loi. Lorsqu'il s'agit de sous-traiter des fonctions clés ou la gestion de l'IRP, l'IRP informe la FSMA avant que la convention relative à cette sous-traitance entre en vigueur.
La même obligation d'information vaut également pour toute évolution ultérieure importante concernant les activités, fonctions ou tâches opérationnelles sous-traitées.]1
L'institution est responsable du choix et du contrôle de l'activité des prestataires de service externes auxquels elle fait appel. En particulier, elle s'assure du fait que ceux-ci possèdent les qualifications et l'expérience professionnelle voulues [1 et veille au bon fonctionnement des fonctions, activités ou tâches opérationnelles externalisées]1.
Le recours à des prestataires de service externes ne diminue en aucune façon la responsabilité de l'institution ni de ses organes.
[1 § 2. La sous-traitance, soit directe, soit en cascade, de fonctions, activités ou tâches opérationnelles ne peut avoir pour effet de:
1° compromettre la qualité du système de gouvernance de l'IRP concernée;
2° accroître indûment le risque opérationnel;
3° compromettre la capacité de la FSMA d'exercer ses tâches de contrôle;
4° nuire à la prestation continue d'un service satisfaisant à l'égard des affiliés et des bénéficiaires.
§ 3. L'IRP qui sous-traite une fonction, activité ou tâche opérationnelle visée par la présente loi, conclut une convention écrite avec le prestataire de services.
Cette convention définit clairement les droits et obligations de l'IRP et du prestataire de services.
§ 4. L'IRP informe la FSMA en temps utile de toute sous-traitance d'une fonction, activité ou tâche opérationnelle visée à la présente loi. Lorsqu'il s'agit de sous-traiter des fonctions clés ou la gestion de l'IRP, l'IRP informe la FSMA avant que la convention relative à cette sous-traitance entre en vigueur.
La même obligation d'information vaut également pour toute évolution ultérieure importante concernant les activités, fonctions ou tâches opérationnelles sous-traitées.]1
Änderungen
Onderafdeling VI. [1 - Diverse organisatorische aspecten.]1
Sous-section VI. [1 - Aspects organisationnels divers.]1
Art.79. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bepaalt in haar statuten of in een overeenkomst gesloten met de bijdragende onderneming(en) de beheers- en werkingsregels die een duidelijke omschrijving toelaten van de rechten en verplichtingen van de bijdragende onderneming(en).
De Koning stelt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel vast.
De Koning stelt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel vast.
Art.79. L'institution de retraite professionnelle détermine dans ses statuts ou dans une convention conclue avec la ou les entreprises d'affiliation les règles de gestion et de fonctionnement permettant une définition claire des droits et des obligations de la ou des entreprises d'affiliation.
Le Roi fixe les modalités d'application du présent article.
Le Roi fixe les modalités d'application du présent article.
Art.80. § 1. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening stelt een afzonderlijk vermogen in voor :
1° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1°;
2° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°;
[3 2/1° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 3° ;]3
3° de activiteiten die het voorwerp uitmaken van minstens een van de herstelmaatregelen van Hoofdstuk VIII van deze titel, wanneer de [2 FSMA]2 de instelling een afzonderlijk vermogen oplegt;
4° de activiteiten bepaald door de Koning door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
De instelling stelt een afzonderlijk vermogen in voor de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1°, [3 ...]3 per bijdragende onderneming [3 of per groep van ondernemingen]3 indien bepaalde van deze activiteiten genieten van een van de overgangsbepalingen van Titel V.
§ 2. De instelling kan een of meerdere afzonderlijke vermogens instellen voor een of meerdere pensioenregelingen, onder andere :
1° voor de grensoverschrijdende activiteiten [3 ...]3;
2° voor de activiteiten uitgeoefend in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte.
§ 3. Als er verschillende afzonderlijke vermogens zijn ingericht, wordt ten aanzien van de tegenpartij elke verbintenis of verrichting op een niet mis te verstane wijze toegerekend aan één of meer afzonderlijke vermogens. Artikel 26, tweede en derde lid, is van toepassing op de overtreding van deze bepaling.
[3 § 4. De passiva en de overeenkomstige activa mogen niet worden overgedragen tussen afzonderlijke vermogens die behoren tot een verschillende categorie als bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, 2° en 2/1°.]3
1° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1°;
2° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°;
[3 2/1° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 3° ;]3
3° de activiteiten die het voorwerp uitmaken van minstens een van de herstelmaatregelen van Hoofdstuk VIII van deze titel, wanneer de [2 FSMA]2 de instelling een afzonderlijk vermogen oplegt;
4° de activiteiten bepaald door de Koning door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
De instelling stelt een afzonderlijk vermogen in voor de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1°, [3 ...]3 per bijdragende onderneming [3 of per groep van ondernemingen]3 indien bepaalde van deze activiteiten genieten van een van de overgangsbepalingen van Titel V.
§ 2. De instelling kan een of meerdere afzonderlijke vermogens instellen voor een of meerdere pensioenregelingen, onder andere :
1° voor de grensoverschrijdende activiteiten [3 ...]3;
2° voor de activiteiten uitgeoefend in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte.
§ 3. Als er verschillende afzonderlijke vermogens zijn ingericht, wordt ten aanzien van de tegenpartij elke verbintenis of verrichting op een niet mis te verstane wijze toegerekend aan één of meer afzonderlijke vermogens. Artikel 26, tweede en derde lid, is van toepassing op de overtreding van deze bepaling.
[3 § 4. De passiva en de overeenkomstige activa mogen niet worden overgedragen tussen afzonderlijke vermogens die behoren tot een verschillende categorie als bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, 2° en 2/1°.]3
Änderungen
Art.80. § 1er. L'institution de retraite professionnelle établit un patrimoine distinct pour :
1° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 1°,
2° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2°,
[3 2/1° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 3°;]3
3° les activités faisant l'objet d'au moins une des mesures de redressement du Chapitre VIII du présent titre, lorsque la [2 FSMA]2 impose la constitution d'un patrimoine distinct;
4° les activités déterminées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
L'institution établit un patrimoine distinct pour les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 1° [3 ...]3 par entreprise d'affiliation [3 ou par groupe d'entreprises]3 si certaines de ces activités bénéficient de l'une des dispositions transitoires du Titre V.
§ 2. L'institution peut établir un ou plusieurs patrimoines distincts pour un ou plusieurs régimes de retraite, entre autres :
1° pour les activités transfrontalières [3 ...]3;
2° pour les activités exercées dans un Etat non membre de l'Espace économique européen.
§ 3. En cas de création de différents patrimoines distincts, tout engagement ou toute opération est, à l'égard de la contrepartie, imputé de manière non équivoque à un ou plusieurs patrimoines distincts. L'article 26, alinéas 2 et 3, s'applique aux infractions à cette disposition.
[3 § 4. Les passifs et les actifs correspondants ne peuvent faire l'objet d'un transfert entre des patrimoines distincts qui appartiennent à des catégories différentes au sens du § 1er, alinéa 1er, 1°, 2°, et 2/1°.]3
1° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 1°,
2° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2°,
[3 2/1° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 3°;]3
3° les activités faisant l'objet d'au moins une des mesures de redressement du Chapitre VIII du présent titre, lorsque la [2 FSMA]2 impose la constitution d'un patrimoine distinct;
4° les activités déterminées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
L'institution établit un patrimoine distinct pour les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 1° [3 ...]3 par entreprise d'affiliation [3 ou par groupe d'entreprises]3 si certaines de ces activités bénéficient de l'une des dispositions transitoires du Titre V.
§ 2. L'institution peut établir un ou plusieurs patrimoines distincts pour un ou plusieurs régimes de retraite, entre autres :
1° pour les activités transfrontalières [3 ...]3;
2° pour les activités exercées dans un Etat non membre de l'Espace économique européen.
§ 3. En cas de création de différents patrimoines distincts, tout engagement ou toute opération est, à l'égard de la contrepartie, imputé de manière non équivoque à un ou plusieurs patrimoines distincts. L'article 26, alinéas 2 et 3, s'applique aux infractions à cette disposition.
[3 § 4. Les passifs et les actifs correspondants ne peuvent faire l'objet d'un transfert entre des patrimoines distincts qui appartiennent à des catégories différentes au sens du § 1er, alinéa 1er, 1°, 2°, et 2/1°.]3
Änderungen
Art.81. § 1. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening stelt een jaarrekening en een jaarverslag op voor :
1° het geheel van haar activiteiten;
2° voor elk van de afzonderlijke vermogens bedoeld in artikel 80.
Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar.
§ 2. De Koning bepaalt de regels voor het opstellen van de jaarrekeningen, de raming van de verschillende posten van de balans en de wijze van opmaak van het jaarverslag van de instelling.
Hij kan eveneens de regels bepalen die van toepassing zijn op de voorstelling van de jaarrekening en het jaarverslag wanneer de instelling meerdere pensioenregelingen beheert. Daarnaast kan Hij de voorwaarden bepalen waarin een of meerdere pensioenregelingen het voorwerp moeten uitmaken van een gescheiden jaarrekening en jaarverslag. De activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, mogen evenwel steeds het voorwerp uitmaken van dezelfde jaarrekening en jaarverslag.
1° het geheel van haar activiteiten;
2° voor elk van de afzonderlijke vermogens bedoeld in artikel 80.
Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar.
§ 2. De Koning bepaalt de regels voor het opstellen van de jaarrekeningen, de raming van de verschillende posten van de balans en de wijze van opmaak van het jaarverslag van de instelling.
Hij kan eveneens de regels bepalen die van toepassing zijn op de voorstelling van de jaarrekening en het jaarverslag wanneer de instelling meerdere pensioenregelingen beheert. Daarnaast kan Hij de voorwaarden bepalen waarin een of meerdere pensioenregelingen het voorwerp moeten uitmaken van een gescheiden jaarrekening en jaarverslag. De activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, mogen evenwel steeds het voorwerp uitmaken van dezelfde jaarrekening en jaarverslag.
Art.81. § 1er. L'institution de retraite professionnelle établit des comptes annuels et un rapport annuel pour :
1° l'ensemble de ses activités;
2° pour chacun des patrimoines distincts visés à l'article 80.
L'exercice comptable correspond à l'année civile.
§ 2. Le Roi fixe les règles pour l'établissement des comptes annuels, l'évaluation des divers postes du bilan et la présentation du rapport annuel de l'institution.
Il peut déterminer les règles applicables à la présentation des comptes annuels et du rapport annuel lorsque l'institution gère plusieurs régimes de pension. En outre, Il peut fixer les conditions dans lesquelles un ou plusieurs régimes de pensions doivent faire l'objet de comptes annuels et d'un rapport annuel distincts. Toutefois, les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2°, peuvent toujours faire l'objet des mêmes comptes annuels et du même rapport annuel.
1° l'ensemble de ses activités;
2° pour chacun des patrimoines distincts visés à l'article 80.
L'exercice comptable correspond à l'année civile.
§ 2. Le Roi fixe les règles pour l'établissement des comptes annuels, l'évaluation des divers postes du bilan et la présentation du rapport annuel de l'institution.
Il peut déterminer les règles applicables à la présentation des comptes annuels et du rapport annuel lorsque l'institution gère plusieurs régimes de pension. En outre, Il peut fixer les conditions dans lesquelles un ou plusieurs régimes de pensions doivent faire l'objet de comptes annuels et d'un rapport annuel distincts. Toutefois, les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2°, peuvent toujours faire l'objet des mêmes comptes annuels et du même rapport annuel.
Art.82. Uiterlijk op 30 juni van elk jaar bezorgt de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening aan de [2 FSMA]2 haar jaarrekening en jaarverslag.
Art.82. L'institution de retraite professionnelle communique à la [2 FSMA]2, au plus tard le 30 juin de chaque année, ses comptes et rapports annuels.
Art.83. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bewaart de documenten betreffende de pensioenregelingen die zij beheert op haar statutaire zetel of op een andere plaats die vooraf door de [2 FSMA]2 is toegelaten.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen kan de [2 FSMA]2 bij reglement de termijn bepalen gedurende dewelke voornoemde documenten bewaard moeten blijven.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen kan de [2 FSMA]2 bij reglement de termijn bepalen gedurende dewelke voornoemde documenten bewaard moeten blijven.
Art.83. L'institution de retraite professionnelle conserve les documents relatifs aux régimes de retraite qu'elle gère à son siège statutaire ou en tout autre lieu préalablement agréé par la [2 FSMA]2.
Sans préjudice d'autres dispositions légales, la [2 FSMA]2 peut fixer, par voie de règlement, le délai de conservation obligatoire des documents précités.
Sans préjudice d'autres dispositions légales, la [2 FSMA]2 peut fixer, par voie de règlement, le délai de conservation obligatoire des documents précités.
Art.84. Een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening mag geen lening aangaan of zich voor derden borgstellen. Zij mag evenwel tijdelijk en uitsluitend leningen aangaan voor liquiditeitsdoelstellingen.
De [2 FSMA]2 kan aanvullende voorwaarden bepalen waaraan deze leningen moeten voldoen.
De [2 FSMA]2 kan aanvullende voorwaarden bepalen waaraan deze leningen moeten voldoen.
Art.84. Une institution de retraite professionnelle ne peut contracter des emprunts ni se porter caution pour des tiers. Elle peut toutefois contracter des emprunts exclusivement à des fins de liquidité et à titre temporaire.
La [2 FSMA]2 peut déterminer les conditions supplémentaires auxquelles ces emprunts doivent satisfaire.
La [2 FSMA]2 peut déterminer les conditions supplémentaires auxquelles ces emprunts doivent satisfaire.
Art.85. [3 Zonder afbreuk te doen aan artikel 91, § 1, 6°, kan een IBP]3 onder geen enkele vorm leningen toestaan aan de leden van haar organen [3 , de personen die verantwoordelijk zijn voor een sleutelfunctie of, in geval van rechtspersonen, de personen die hen vertegenwoordigen,]3 en haar personeel, behalve onder de voorwaarden aanvaard door de [2 FSMA]2.
Änderungen
Art.85. [3 Sans préjudice de l'article 91, § 1er, 6°, une institution de retraite professionnelle]3 ne peut consentir des prêts, sous quelque forme que ce soit, aux membres de ses organes [3 , aux personnes responsables d'une fonction clé ou, s'il s'agit d'une personne morale, aux personnes qui les représentent]3 et de son personnel, sauf aux conditions admises par la [2 FSMA]2.
Änderungen
Afdeling III. - Financieringsplan.
Section III. - Plan de financement.
Art.86. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening stelt een financieringsplan op, in voorkomend geval met instemming van alle bijdragende ondernemingen, die zich ertoe verbinden het plan na te leven.
Dit plan legt, per pensioenregeling en op een gedetailleerde wijze, de berekeningswijze vast van de bijdragen die elke bijdragende onderneming op vastgestelde tijden stort aan de instelling om, in het bijzonder :
1° de passende financiering te verzekeren van de pensioenregeling met inachtneming van de aard van de beloofde verbintenissen en de gelopen risico's;
2° haar deel in de vereiste solvabiliteitsmarge samen te stellen;
3° de kosten van allerlei aard te dekken, met inbegrip van, in voorkomend geval, de acquisitiekosten.
[4 De IBP herziet het financieringsplan ten minste om de drie jaar en onverwijld na elke significante wijziging in de financiering, de berekeningswijze van de technische voorzieningen of de rechtvaardiging ervan.]4
De [2 FSMA]2 kan om het even welke wijziging eisen met het oog op het vrijwaren van de belangen van de aangeslotenen en de [3 pensioengerechtigden]3 van een pensioenregeling en het verzekeren van een passende en regelmatige financiering.
Dit plan legt, per pensioenregeling en op een gedetailleerde wijze, de berekeningswijze vast van de bijdragen die elke bijdragende onderneming op vastgestelde tijden stort aan de instelling om, in het bijzonder :
1° de passende financiering te verzekeren van de pensioenregeling met inachtneming van de aard van de beloofde verbintenissen en de gelopen risico's;
2° haar deel in de vereiste solvabiliteitsmarge samen te stellen;
3° de kosten van allerlei aard te dekken, met inbegrip van, in voorkomend geval, de acquisitiekosten.
[4 De IBP herziet het financieringsplan ten minste om de drie jaar en onverwijld na elke significante wijziging in de financiering, de berekeningswijze van de technische voorzieningen of de rechtvaardiging ervan.]4
De [2 FSMA]2 kan om het even welke wijziging eisen met het oog op het vrijwaren van de belangen van de aangeslotenen en de [3 pensioengerechtigden]3 van een pensioenregeling en het verzekeren van een passende en regelmatige financiering.
Änderungen
Art.86. L'institution de retraite professionnelle établit un plan de financement, le cas échéant en accord avec chacune des entreprises d'affiliation, lesquelles s'engagent à le respecter.
Ce plan fixe, par régime de retraite et de manière détaillée, le mode de calcul des contributions régulières que chaque entreprise d'affiliation verse à l'institution en vue, notamment :
1° d'assurer le financement adéquat du régime de retraite compte tenu de la nature des engagements promis et des risques encourus;
2° de constituer sa part de la marge de solvabilité requise;
3° de supporter les frais de toute nature, y compris le cas échéant les frais d'acquisition.
[3 L'IRP revoit le plan de financement au moins tous les trois ans et immédiatement après tout changement significatif du financement, du mode de calcul des provisions techniques ou de leur justification.]3
La [2 FSMA]2 peut exiger toute modification en vue de sauvegarder les intérêts des affiliés et des bénéficiaires du régime de retraite et d'assurer un financement adéquat et régulier de celui-ci.
Ce plan fixe, par régime de retraite et de manière détaillée, le mode de calcul des contributions régulières que chaque entreprise d'affiliation verse à l'institution en vue, notamment :
1° d'assurer le financement adéquat du régime de retraite compte tenu de la nature des engagements promis et des risques encourus;
2° de constituer sa part de la marge de solvabilité requise;
3° de supporter les frais de toute nature, y compris le cas échéant les frais d'acquisition.
[3 L'IRP revoit le plan de financement au moins tous les trois ans et immédiatement après tout changement significatif du financement, du mode de calcul des provisions techniques ou de leur justification.]3
La [2 FSMA]2 peut exiger toute modification en vue de sauvegarder les intérêts des affiliés et des bénéficiaires du régime de retraite et d'assurer un financement adéquat et régulier de celui-ci.
Änderungen
Afdeling IV. - Solvabiliteitsmarge.
Section IV. - Marge de solvabilité.
Art.87. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die resultaatsverbintenissen aangaat, stelt een voldoende solvabiliteitsmarge samen met betrekking tot het geheel van haar activiteiten.
De Koning bepaalt :
1° de wijze van berekening van de solvabiliteitsmarge;
2° het absolute minimum dat die marge moet bereiken;
3° het niveau dat die marge moet bereiken in verhouding tot de verbintenissen van de instelling;
4° de elementen die in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge en het absolute minimum.
De Koning bepaalt :
1° de wijze van berekening van de solvabiliteitsmarge;
2° het absolute minimum dat die marge moet bereiken;
3° het niveau dat die marge moet bereiken in verhouding tot de verbintenissen van de instelling;
4° de elementen die in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge en het absolute minimum.
Art.87. L'institution de retraite professionnelle qui contracte des obligations de résultat constitue une marge de solvabilité suffisante relative à l'ensemble de ses activités.
Le Roi détermine :
1° le mode de calcul de la marge de solvabilité;
2° le minimum absolu qu'elle doit atteindre;
3° le niveau qu'elle doit atteindre en fonction des engagements de l'institution;
4° les éléments qui sont pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité et du minimum absolu.
Le Roi détermine :
1° le mode de calcul de la marge de solvabilité;
2° le minimum absolu qu'elle doit atteindre;
3° le niveau qu'elle doit atteindre en fonction des engagements de l'institution;
4° les éléments qui sont pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité et du minimum absolu.
Art.88. [1 De IBP die een middelverbintenis aangaat, stelt een voldoende solvabiliteitsmarge samen voor:
1° de activiteiten betreffende de risico's overlijden, invaliditeit en arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1° en 3° ;
2° voor het geheel van de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°.
De solvabiliteitsmarge wordt afzonderlijk samengesteld voor:
1° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1° ;
2° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2° ;
3° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 3°.]1
De Koning bepaalt de wijze van berekening van de solvabiliteitsmarge, het niveau dat die marge moet bereiken in verhouding tot de verbintenissen van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en de elementen die in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge.
1° de activiteiten betreffende de risico's overlijden, invaliditeit en arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1° en 3° ;
2° voor het geheel van de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°.
De solvabiliteitsmarge wordt afzonderlijk samengesteld voor:
1° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1° ;
2° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2° ;
3° de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 3°.]1
De Koning bepaalt de wijze van berekening van de solvabiliteitsmarge, het niveau dat die marge moet bereiken in verhouding tot de verbintenissen van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en de elementen die in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge.
Art.88. [1 L'IRP qui contracte des obligations de moyen constitue une marge de solvabilité suffisante pour:
1° les activités relatives aux risques décès, invalidité et incapacité de travail visées à l'article 55, alinéa 1er, 1° et 3° ;
2° l'ensemble des activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2°.
La marge de solvabilité est constituée séparément pour:
1° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 1° ;
2° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2° ;
3° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 3°.]1
Le Roi détermine le mode de calcul de la marge de solvabilité, le niveau qu'elle doit atteindre en fonction des engagements de l'institution de retraite professionnelle et les éléments qui sont pris en considération pour sa constitution.
1° les activités relatives aux risques décès, invalidité et incapacité de travail visées à l'article 55, alinéa 1er, 1° et 3° ;
2° l'ensemble des activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2°.
La marge de solvabilité est constituée séparément pour:
1° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 1° ;
2° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2° ;
3° les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 3°.]1
Le Roi détermine le mode de calcul de la marge de solvabilité, le niveau qu'elle doit atteindre en fonction des engagements de l'institution de retraite professionnelle et les éléments qui sont pris en considération pour sa constitution.
Änderungen
Afdeling V. - Technische voorzieningen.
Section V. - Provisions techniques.
Art.89. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening berekent en boekt minstens elk jaar onder de benaming technische voorzieningen, de verplichtingen die op haar rusten zowel voor de uitvoering van de door haar beheerde pensioenregelingen als voor de toepassing van de wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende die regelingen.
De technische voorzieningen hebben betrekking op zowel de lopende als de vervallen verbintenissen die nog niet volledig vereffend zijn, in welk land de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening haar activiteit ook uitoefent.
Het bedrag van de technische voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente actuariële waardering, rekening houdend met alle verplichtingen inzake uitkeringen en inzake bijdragen, overeenkomstig de door de instelling uitgevoerde pensioenregelingen, onder andere wanneer de pensioenregeling een dekking tegen biometrische risico's biedt of hetzij een beleggingsrendement, hetzij een bepaald uitkeringsniveau voorziet.
Dat bedrag moet voldoende zijn om te waarborgen dat de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen en uitkeringen aan de pensioengerechtigden kan worden voortgezet, en om de verplichtingen te weerspiegelen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de aangeslotenen. De economische en actuariële hypothesen die voor de waardering van de verbintenissen zijn gehanteerd, moeten eveneens op prudente wijze worden bepaald, waarbij, in voorkomend geval, een redelijke marge voor negatieve afwijkingen in acht moet worden genomen.
De Koning bepaalt de wijze van berekening van de minimum technische voorzieningen.
De technische voorzieningen hebben betrekking op zowel de lopende als de vervallen verbintenissen die nog niet volledig vereffend zijn, in welk land de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening haar activiteit ook uitoefent.
Het bedrag van de technische voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente actuariële waardering, rekening houdend met alle verplichtingen inzake uitkeringen en inzake bijdragen, overeenkomstig de door de instelling uitgevoerde pensioenregelingen, onder andere wanneer de pensioenregeling een dekking tegen biometrische risico's biedt of hetzij een beleggingsrendement, hetzij een bepaald uitkeringsniveau voorziet.
Dat bedrag moet voldoende zijn om te waarborgen dat de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen en uitkeringen aan de pensioengerechtigden kan worden voortgezet, en om de verplichtingen te weerspiegelen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de aangeslotenen. De economische en actuariële hypothesen die voor de waardering van de verbintenissen zijn gehanteerd, moeten eveneens op prudente wijze worden bepaald, waarbij, in voorkomend geval, een redelijke marge voor negatieve afwijkingen in acht moet worden genomen.
De Koning bepaalt de wijze van berekening van de minimum technische voorzieningen.
Art.89. L'institution de retraite professionnelle calcule et comptabilise, au moins chaque année, sous le nom de provisions techniques, les obligations qui lui incombent tant pour l'exécution des régimes de retraite qu'elle gère que pour l'application des dispositions légales ou réglementaires relatives à ces régimes.
Les provisions techniques concernent tant les engagements en cours que les engagements échus et non entièrement liquidés, quel que soit le pays où l'institution de retraite professionnelle exerce son activité.
Le montant des provisions techniques est calculé au moyen d'une evaluation actuarielle suffisamment prudente, tenant compte de tous les engagements contractés par l'institution en matière de prestations et de cotisations au titre des régimes de retraite qu'elle gère, entre autres lorsque le régime de retraite couvre les risques biométriques ou prévoit soit le rendement des placements soit un niveau donné des prestations.
Ce montant doit être suffisant à la fois pour que les retraites et les prestations en cours de service continuent d'être versées à leurs bénéficiaires et pour refléter les engagements qui découlent des droits à la retraite accumulés par les affiliés. Les hypothèses économiques et actuarielles retenues pour l'évaluation des engagements sont également choisies avec prudence, en tenant compte, le cas échéant, d'une marge adéquate pour variations défavorables.
Le Roi définit les règles de calcul des provisions techniques minimum.
Les provisions techniques concernent tant les engagements en cours que les engagements échus et non entièrement liquidés, quel que soit le pays où l'institution de retraite professionnelle exerce son activité.
Le montant des provisions techniques est calculé au moyen d'une evaluation actuarielle suffisamment prudente, tenant compte de tous les engagements contractés par l'institution en matière de prestations et de cotisations au titre des régimes de retraite qu'elle gère, entre autres lorsque le régime de retraite couvre les risques biométriques ou prévoit soit le rendement des placements soit un niveau donné des prestations.
Ce montant doit être suffisant à la fois pour que les retraites et les prestations en cours de service continuent d'être versées à leurs bénéficiaires et pour refléter les engagements qui découlent des droits à la retraite accumulés par les affiliés. Les hypothèses économiques et actuarielles retenues pour l'évaluation des engagements sont également choisies avec prudence, en tenant compte, le cas échéant, d'une marge adéquate pour variations défavorables.
Le Roi définit les règles de calcul des provisions techniques minimum.
Afdeling VI. - [1 Activa]1.
Section VI. - [1 Actifs]1.
Art.90. [1 De IBP houdt op elk ogenblik per afzonderlijk vermogen voldoende en passende activa aan ter dekking van:
1° de in artikel 87 en 88 bedoelde solvabiliteitsmarge;
2° de in artikel 89 bedoelde technische voorzieningen;
3° de overige passiva van de IBP.]1
1° de in artikel 87 en 88 bedoelde solvabiliteitsmarge;
2° de in artikel 89 bedoelde technische voorzieningen;
3° de overige passiva van de IBP.]1
Art.90. [1 L'IRP détient à tout moment, par patrimoine distinct, des actifs suffisants et appropriés en vue de couvrir:
1° la marge de solvabilité visée aux articles 87 et 88;
2° les provisions techniques visées à l'article 89;
3° les autres passifs de l'IRP.]1
1° la marge de solvabilité visée aux articles 87 et 88;
2° les provisions techniques visées à l'article 89;
3° les autres passifs de l'IRP.]1
Änderungen
Art.91. § 1. De [3 activa]3 worden belegd overeenkomstig het prudentiebeginsel en met name overeenkomstig de volgende voorschriften :
1° de activa worden belegd in het belang van de aangeslotenen en de [2 pensioengerechtigden]2. In geval van mogelijke tegenstrijdige belangen zorgt de instelling of het lichaam dat haar portefeuille beheert, ervoor dat de belegging uitsluitend in het belang van de aangeslotenen en de [2 pensioengerechtigden]2 geschiedt.
[3 "IBP's kunnen rekening houden met het mogelijke langetermijneffect van beleggingsbeslissingen op milieu-, sociale en governancefactoren]3;
2° de activa worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel worden gewaarborgd.
[1 Rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de verrichtingen, wordt beroep gedaan op een passend en toereikend kredietbeoordelingsproces waarbij niet uitsluitend en mechanisch wordt verwezen naar de ratings uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt b), van verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus en dat, indien passend, van aard is om de impact van de verwijzingen naar dergelijke ratings te beperken.]1
Activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden voorts belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen;
3° de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten [3 , als gedefinieerd in artikel 4, eerste lid, punt 21, van voornoemde richtlijn 2014/65/EU,]3 belegd. Beleggingen in activa die niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten zijn, moeten in elk geval tot een prudent niveau worden beperkt;
4° beleggingen in derivaten zijn toegestaan voorzover deze bijdragen tot een vermindering van het beleggingsrisico of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Dergelijke beleggingen moeten op een prudente basis worden gewaardeerd, met inachtneming van de onderliggende activa, en moeten mede in aanmerking genomen worden bij de waardering van de activa van de instelling. De instelling vermijdt voorts een bovenmatig risico met betrekking tot één en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;
5° de activa moeten naar behoren gediversifieerd zijn zodat een bovenmatige afhankelijkheid van bepaalde activa, of een bepaalde emittent, of een groep van ondernemingen alsook risicoconcentratie in de portefeuille als geheel, wordt vermeden.
Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de instelling niet blootstellen aan bovenmatige risicoconcentratie;
6° [3 beleggingen in alsook leningen toegestaan aan en vorderingen op de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5 % van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in alsook leningen toegestaan aan en vorderingen op de ondernemingen die tot dezelfde groep van de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10 % van de portefeuille.
Voor de toepassing van het eerste lid zijn de ondernemingen die tot dezelfde groep behoren, ondernemingen en/of instellingen die onderling verbonden zijn in de zin van de criteria opgesomd in [4 artikel 1:20, 1° van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]4.
Wanneer de IBP pensioenregelingen voor meerdere bijdragende ondernemingen beheert, geschieden beleggingen in alsook leningen toegestaan aan en vorderingen op deze ondernemingen op prudente wijze, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie.
De Koning kan de vorderingen op de bijdragende onderneming aanduiden waarop de bepalingen van het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn.]3
§ 2. Overeenkomstig § 1, kan de Koning de aard van de [3 in paragraaf 1 bedoelde activa, en in het bijzonder van de]3 dekkingswaarden vaststellen, de regels voor de lokalisatie en de raming ervan alsook, in voorkomend geval, de grenzen en de voorwaarden waarbinnen zij worden toegewezen.
Voor wat de beleggingen in Staatsobligaties betreft, kan hij de instellingen vrijstellen van de toepassing van § 1, 5° en 6°.
1° de activa worden belegd in het belang van de aangeslotenen en de [2 pensioengerechtigden]2. In geval van mogelijke tegenstrijdige belangen zorgt de instelling of het lichaam dat haar portefeuille beheert, ervoor dat de belegging uitsluitend in het belang van de aangeslotenen en de [2 pensioengerechtigden]2 geschiedt.
[3 "IBP's kunnen rekening houden met het mogelijke langetermijneffect van beleggingsbeslissingen op milieu-, sociale en governancefactoren]3;
2° de activa worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel worden gewaarborgd.
[1 Rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de verrichtingen, wordt beroep gedaan op een passend en toereikend kredietbeoordelingsproces waarbij niet uitsluitend en mechanisch wordt verwezen naar de ratings uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt b), van verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus en dat, indien passend, van aard is om de impact van de verwijzingen naar dergelijke ratings te beperken.]1
Activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden voorts belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen;
3° de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten [3 , als gedefinieerd in artikel 4, eerste lid, punt 21, van voornoemde richtlijn 2014/65/EU,]3 belegd. Beleggingen in activa die niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten zijn, moeten in elk geval tot een prudent niveau worden beperkt;
4° beleggingen in derivaten zijn toegestaan voorzover deze bijdragen tot een vermindering van het beleggingsrisico of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Dergelijke beleggingen moeten op een prudente basis worden gewaardeerd, met inachtneming van de onderliggende activa, en moeten mede in aanmerking genomen worden bij de waardering van de activa van de instelling. De instelling vermijdt voorts een bovenmatig risico met betrekking tot één en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;
5° de activa moeten naar behoren gediversifieerd zijn zodat een bovenmatige afhankelijkheid van bepaalde activa, of een bepaalde emittent, of een groep van ondernemingen alsook risicoconcentratie in de portefeuille als geheel, wordt vermeden.
Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de instelling niet blootstellen aan bovenmatige risicoconcentratie;
6° [3 beleggingen in alsook leningen toegestaan aan en vorderingen op de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5 % van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in alsook leningen toegestaan aan en vorderingen op de ondernemingen die tot dezelfde groep van de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10 % van de portefeuille.
Voor de toepassing van het eerste lid zijn de ondernemingen die tot dezelfde groep behoren, ondernemingen en/of instellingen die onderling verbonden zijn in de zin van de criteria opgesomd in [4 artikel 1:20, 1° van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]4.
Wanneer de IBP pensioenregelingen voor meerdere bijdragende ondernemingen beheert, geschieden beleggingen in alsook leningen toegestaan aan en vorderingen op deze ondernemingen op prudente wijze, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie.
De Koning kan de vorderingen op de bijdragende onderneming aanduiden waarop de bepalingen van het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn.]3
§ 2. Overeenkomstig § 1, kan de Koning de aard van de [3 in paragraaf 1 bedoelde activa, en in het bijzonder van de]3 dekkingswaarden vaststellen, de regels voor de lokalisatie en de raming ervan alsook, in voorkomend geval, de grenzen en de voorwaarden waarbinnen zij worden toegewezen.
Voor wat de beleggingen in Staatsobligaties betreft, kan hij de instellingen vrijstellen van de toepassing van § 1, 5° en 6°.
Art.91. § 1er. Les [2 actifs]2 sont placées conformément au principe de prudence et, notamment, conformément aux règles suivantes :
1° les actifs doivent être placés au mieux des intérêts des affiliés et des bénéficiaires. En cas de conflit d'intérêt potentiel, l'institution ou l'entité qui gère son portefeuille veille à ce que l'investissement soit effectué dans le seul intérêt des affilies et des bénéficiaires.
[2 Les IRP peuvent prendre en compte l'incidence potentielle à long terme des décisions de placement sur les facteurs environnementaux, sociaux et de gouvernance]2;
2° les actifs doivent être placés de façon à garantir la sécurité, la qualité, la liquidité et la rentabilité du portefeuille dans son ensemble.
[1 Il sera fait appel, en tenant compte de la nature, de l'ampleur et de la complexité des opérations, à un processus d'évaluation du crédit adéquat et approprié, qui ne consiste pas à faire référence exclusivement et mécaniquement aux notations de crédit émises par des agences de notation de crédit au sens de l'article 3, paragraphe 1, point b), du Règlement (CE) n° 1060/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 sur les agences de notation de crédit et qui, le cas échéant, est de nature à atténuer les effets des références faites à de telles notations de crédit.]1
Les actifs représentatifs des provisions techniques doivent également être placés selon des modalités adaptées à la nature et à la durée des prestations de retraite futures prévues;
3° les actifs doivent principalement être placés sur des marchés réglementés [2 tels que définis à l'article 4, alinéa 1er, point 21, de la directive 2014/65/UE précitée]2. Les placements en actifs qui ne sont pas négociables sur un marché financier réglementé doivent en tout état de cause rester à un niveau prudent;
4° les placements en instruments dérivés sont possibles dans la mesure où ils contribuent à une réduction du risque d'investissement ou facilitent une gestion efficace du portefeuille. Ils doivent être évalués avec prudence, en tenant compte de l'actif sous-jacent, et inclus dans l'évaluation des actifs de l'institution. L'institution doit par ailleurs éviter une exposition excessive aux risques liés à une seule contrepartie et à d'autres opérations dérivées;
5° les actifs doivent être correctement diversifiés afin d'éviter une dépendance excessive à l'égard d'un actif, d'un émetteur ou d'un groupe d'entreprises particulier ainsi que des concentrations de risques dans l'ensemble du portefeuille.
Les placements en actifs émanant du même émetteur ou des émetteurs d'un même groupe ne doivent pas exposer l'institution à une concentration excessive des risques;
6° [2 les placements dans, ainsi que les prêts accordés à et les créances sur l'entreprise d'affiliation ne doivent pas dépasser 5 % de l'ensemble du portefeuille et, lorsque l'entreprise d'affiliation appartient à un groupe, les placements dans, ainsi que les prêts accordés à et les créances sur les entreprises d'affiliation ne doivent pas dépasser 10 % du portefeuille.
Les entreprises qui appartiennent à un groupe pour l'application de l'alinéa 1er, sont les entreprises et/ou organismes qui sont liés au sens des critères visés à l'[3 article 1:20, 1°, du Code des sociétés et des associations]3.
Quand l'IRP gère des régimes de retraite pour le compte de plusieurs entreprises d'affiliation, les placements dans, ainsi que les prêts accordés à et les créances sur ces entreprises, sont effectués avec prudence, compte tenu de la nécessité d'une diversification adéquate.
Le Roi peut désigner les créances sur l'entreprise d'affiliation auxquelles les dispositions des alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables.]2
§ 2. Conformément au § 1er, le Roi peut fixer la nature des [2 actifs visés au paragraphe 1er et, en particulier des]2 valeurs représentatives, les règles pour leur localisation et leur évaluation ainsi que, le cas échéant, les limites et les conditions dans lesquelles elles sont affectées.
Il peut exempter les institutions de l'application du § 1er, 5° et 6°, en ce qui concerne les placements en obligations d'Etat.
1° les actifs doivent être placés au mieux des intérêts des affiliés et des bénéficiaires. En cas de conflit d'intérêt potentiel, l'institution ou l'entité qui gère son portefeuille veille à ce que l'investissement soit effectué dans le seul intérêt des affilies et des bénéficiaires.
[2 Les IRP peuvent prendre en compte l'incidence potentielle à long terme des décisions de placement sur les facteurs environnementaux, sociaux et de gouvernance]2;
2° les actifs doivent être placés de façon à garantir la sécurité, la qualité, la liquidité et la rentabilité du portefeuille dans son ensemble.
[1 Il sera fait appel, en tenant compte de la nature, de l'ampleur et de la complexité des opérations, à un processus d'évaluation du crédit adéquat et approprié, qui ne consiste pas à faire référence exclusivement et mécaniquement aux notations de crédit émises par des agences de notation de crédit au sens de l'article 3, paragraphe 1, point b), du Règlement (CE) n° 1060/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 sur les agences de notation de crédit et qui, le cas échéant, est de nature à atténuer les effets des références faites à de telles notations de crédit.]1
Les actifs représentatifs des provisions techniques doivent également être placés selon des modalités adaptées à la nature et à la durée des prestations de retraite futures prévues;
3° les actifs doivent principalement être placés sur des marchés réglementés [2 tels que définis à l'article 4, alinéa 1er, point 21, de la directive 2014/65/UE précitée]2. Les placements en actifs qui ne sont pas négociables sur un marché financier réglementé doivent en tout état de cause rester à un niveau prudent;
4° les placements en instruments dérivés sont possibles dans la mesure où ils contribuent à une réduction du risque d'investissement ou facilitent une gestion efficace du portefeuille. Ils doivent être évalués avec prudence, en tenant compte de l'actif sous-jacent, et inclus dans l'évaluation des actifs de l'institution. L'institution doit par ailleurs éviter une exposition excessive aux risques liés à une seule contrepartie et à d'autres opérations dérivées;
5° les actifs doivent être correctement diversifiés afin d'éviter une dépendance excessive à l'égard d'un actif, d'un émetteur ou d'un groupe d'entreprises particulier ainsi que des concentrations de risques dans l'ensemble du portefeuille.
Les placements en actifs émanant du même émetteur ou des émetteurs d'un même groupe ne doivent pas exposer l'institution à une concentration excessive des risques;
6° [2 les placements dans, ainsi que les prêts accordés à et les créances sur l'entreprise d'affiliation ne doivent pas dépasser 5 % de l'ensemble du portefeuille et, lorsque l'entreprise d'affiliation appartient à un groupe, les placements dans, ainsi que les prêts accordés à et les créances sur les entreprises d'affiliation ne doivent pas dépasser 10 % du portefeuille.
Les entreprises qui appartiennent à un groupe pour l'application de l'alinéa 1er, sont les entreprises et/ou organismes qui sont liés au sens des critères visés à l'[3 article 1:20, 1°, du Code des sociétés et des associations]3.
Quand l'IRP gère des régimes de retraite pour le compte de plusieurs entreprises d'affiliation, les placements dans, ainsi que les prêts accordés à et les créances sur ces entreprises, sont effectués avec prudence, compte tenu de la nécessité d'une diversification adéquate.
Le Roi peut désigner les créances sur l'entreprise d'affiliation auxquelles les dispositions des alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables.]2
§ 2. Conformément au § 1er, le Roi peut fixer la nature des [2 actifs visés au paragraphe 1er et, en particulier des]2 valeurs représentatives, les règles pour leur localisation et leur évaluation ainsi que, le cas échéant, les limites et les conditions dans lesquelles elles sont affectées.
Il peut exempter les institutions de l'application du § 1er, 5° et 6°, en ce qui concerne les placements en obligations d'Etat.
Art.92. [1 § 1 De IBP geeft haar voor bewaargeving vatbare activa in bewaring, hetzij bij de Nationale Bank van België, hetzij bij een onderneming of instelling waaraan vergunning is verleend overeenkomstig voornoemde richtlijn 2013/36/EU of voornoemde richtlijn 2014/65/EU of die voor de toepassing van voornoemde richtlijn 2009/65/EG of voornoemde richtlijn 2011/61/EU als bewaarder zijn aanvaard en wiens vergunning een activiteit van bewaargeving toelaat.
De aanstelling van de bewaarder wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de IBP en de bewaarder. De overeenkomst regelt het doorgeven van de informatie die noodzakelijk wordt geacht om de bewaarder in staat te stellen zijn taken uit te voeren overeenkomstig deze wet en andere relevante wetten, reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen.
Bij de uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde taken handelen de IBP en de bewaarder betrouwbaar, eerlijk, professioneel, onafhankelijk en in het belang van de aangeslotenen en de pensioengerechtigden van de pensioenregeling.
Een bewaarder mag geen werkzaamheden met betrekking tot de IBP uitvoeren die tot belangenconflicten tussen de IBP, de aangeslotenen en de pensioengerechtigden van de pensioenregeling en hemzelf kunnen leiden, tenzij de bewaarder het vervullen van zijn bewaarnemingstaken functioneel en hiërarchisch heeft gescheiden van zijn andere mogelijkerwijs conflicterende taken, en de mogelijke belangenconflicten afdoende worden onderkend, beheerd, opgevolgd en meegedeeld aan de raad van bestuur van de IBP.
§ 2. De bewaarder houdt alle financiële instrumenten in bewaring die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, alsook alle financiële instrumenten die fysiek aan hem kunnen worden geleverd.
Hiertoe zorgt de bewaarder ervoor dat de financiële instrumenten die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, overeenkomstig de voorschriften van voornoemde richtlijn 2014/65/EU op aparte rekeningen in de boeken van de bewaarder worden geregistreerd; deze aparte rekeningen zijn geopend op naam van de IBP, zodat te allen tijde duidelijk kan worden vastgesteld dat zij aan de IBP of aan de aangeslotenen aan en pensioengerechtigden van de pensioenregeling toebehoren.
§ 3. Een bewaarder is jegens de IBP en de aangeslotenen en pensioengerechtigden aansprakelijk voor alle door hen geleden schade ten gevolge van ongerechtvaardigde niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, zelfs in het geval hij de activa die hij in bewaring heeft genomen, geheel of ten dele aan derden heeft toevertrouwd.]1
De aanstelling van de bewaarder wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de IBP en de bewaarder. De overeenkomst regelt het doorgeven van de informatie die noodzakelijk wordt geacht om de bewaarder in staat te stellen zijn taken uit te voeren overeenkomstig deze wet en andere relevante wetten, reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen.
Bij de uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde taken handelen de IBP en de bewaarder betrouwbaar, eerlijk, professioneel, onafhankelijk en in het belang van de aangeslotenen en de pensioengerechtigden van de pensioenregeling.
Een bewaarder mag geen werkzaamheden met betrekking tot de IBP uitvoeren die tot belangenconflicten tussen de IBP, de aangeslotenen en de pensioengerechtigden van de pensioenregeling en hemzelf kunnen leiden, tenzij de bewaarder het vervullen van zijn bewaarnemingstaken functioneel en hiërarchisch heeft gescheiden van zijn andere mogelijkerwijs conflicterende taken, en de mogelijke belangenconflicten afdoende worden onderkend, beheerd, opgevolgd en meegedeeld aan de raad van bestuur van de IBP.
§ 2. De bewaarder houdt alle financiële instrumenten in bewaring die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, alsook alle financiële instrumenten die fysiek aan hem kunnen worden geleverd.
Hiertoe zorgt de bewaarder ervoor dat de financiële instrumenten die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, overeenkomstig de voorschriften van voornoemde richtlijn 2014/65/EU op aparte rekeningen in de boeken van de bewaarder worden geregistreerd; deze aparte rekeningen zijn geopend op naam van de IBP, zodat te allen tijde duidelijk kan worden vastgesteld dat zij aan de IBP of aan de aangeslotenen aan en pensioengerechtigden van de pensioenregeling toebehoren.
§ 3. Een bewaarder is jegens de IBP en de aangeslotenen en pensioengerechtigden aansprakelijk voor alle door hen geleden schade ten gevolge van ongerechtvaardigde niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, zelfs in het geval hij de activa die hij in bewaring heeft genomen, geheel of ten dele aan derden heeft toevertrouwd.]1
Art.92. [1 § 1er. L'IRP dépose ses actifs susceptibles de dépôt, soit auprès de la Banque Nationale de Belgique, soit auprès d'une entreprise ou d'une institution qui est agréée, conformément à la directive 2013/36/UE précitée ou à la directive 2014/65/UE précitée, ou qui est agréée en tant que dépositaire aux fins de la directive 2009/65/CE précitée ou de la directive 2011/61/UE précitée, et dont l'agrément permet une activité de dépositaire.
Le dépositaire est désigné au moyen d'un contrat écrit conclu avec l'IRP. Ce contrat prévoit la transmission des informations nécessaires pour que le dépositaire puisse exercer ses missions, telles que décrites dans la présente loi et dans d'autres lois, réglementations et dispositions administratives applicables.
Dans l'exécution des tâches prévues au paragraphe 2, l'IRP et le dépositaire agissent d'une manière honnête, loyale, professionnelle et indépendante, dans l'intérêt des affiliés et des bénéficiaires du régime.
Un dépositaire ne peut exercer d'activités en ce qui concerne l'IRP qui seraient susceptibles d'engendrer des conflits d'intérêts entre l'IRP, les affiliés et les bénéficiaires du régime et le dépositaire lui-même, sauf si le dépositaire a séparé, sur le plan fonctionnel et hiérarchique, l'exécution de ses tâches de dépositaire et ses autres tâches qui pourraient s'avérer incompatibles et que les conflits d'intérêts potentiels sont identifiés, gérés, suivis et divulgués au conseil d'administration de l'IRP de manière appropriée.
§ 2. Le dépositaire conserve tous les instruments financiers qui peuvent être enregistrés sur un compte d'instruments financiers ouvert dans les livres du dépositaire, ainsi que tous les instruments financiers qui peuvent être livrés physiquement au dépositaire.
A ces fins, le dépositaire veille à ce que les instruments financiers qui peuvent être enregistrés sur un compte d'instruments financiers ouvert dans les livres du dépositaire soient inscrits dans les livres du dépositaire sur des comptes ségrégués, conformément aux règles établies dans la directive 2014/65/UE précitée, ouverts au nom de l'IRP, afin qu'ils puissent à tout moment être clairement identifiés comme appartenant à l'IRP ou aux affiliés et bénéficiaires du régime de retraite.
§ 3. Le dépositaire est responsable envers l'IRP ainsi que les affiliés et les bénéficiaires de tout préjudice subi par eux et résultant de l'inexécution injustifiable ou de la mauvaise exécution de ses obligations, même dans le cas où il a confié à un tiers tout ou partie des actifs dont il a la garde.]1
Le dépositaire est désigné au moyen d'un contrat écrit conclu avec l'IRP. Ce contrat prévoit la transmission des informations nécessaires pour que le dépositaire puisse exercer ses missions, telles que décrites dans la présente loi et dans d'autres lois, réglementations et dispositions administratives applicables.
Dans l'exécution des tâches prévues au paragraphe 2, l'IRP et le dépositaire agissent d'une manière honnête, loyale, professionnelle et indépendante, dans l'intérêt des affiliés et des bénéficiaires du régime.
Un dépositaire ne peut exercer d'activités en ce qui concerne l'IRP qui seraient susceptibles d'engendrer des conflits d'intérêts entre l'IRP, les affiliés et les bénéficiaires du régime et le dépositaire lui-même, sauf si le dépositaire a séparé, sur le plan fonctionnel et hiérarchique, l'exécution de ses tâches de dépositaire et ses autres tâches qui pourraient s'avérer incompatibles et que les conflits d'intérêts potentiels sont identifiés, gérés, suivis et divulgués au conseil d'administration de l'IRP de manière appropriée.
§ 2. Le dépositaire conserve tous les instruments financiers qui peuvent être enregistrés sur un compte d'instruments financiers ouvert dans les livres du dépositaire, ainsi que tous les instruments financiers qui peuvent être livrés physiquement au dépositaire.
A ces fins, le dépositaire veille à ce que les instruments financiers qui peuvent être enregistrés sur un compte d'instruments financiers ouvert dans les livres du dépositaire soient inscrits dans les livres du dépositaire sur des comptes ségrégués, conformément aux règles établies dans la directive 2014/65/UE précitée, ouverts au nom de l'IRP, afin qu'ils puissent à tout moment être clairement identifiés comme appartenant à l'IRP ou aux affiliés et bénéficiaires du régime de retraite.
§ 3. Le dépositaire est responsable envers l'IRP ainsi que les affiliés et les bénéficiaires de tout préjudice subi par eux et résultant de l'inexécution injustifiable ou de la mauvaise exécution de ses obligations, même dans le cas où il a confié à un tiers tout ou partie des actifs dont il a la garde.]1
Änderungen
Art.93. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening houdt een permanente inventaris bij van [3 de in artikel 90 bedoelde activa en waarin de dekkingswaarden afzonderlijk worden geïdentificeerd van]3 elk afzonderlijk vermogen.
Het totale bedrag van de in de permanente inventaris opgenomen dekkingswaarden is te allen tijde ten minste gelijk aan het bedrag van de technische voorzieningen.
[3 Wanneer de in de permanente inventaris opgenomen activa niet beschikbaar zijn voor de dekking van de verbintenissen omdat ze bezwaard zijn met een zakelijk recht, wordt daarvan melding gemaakt in de permanente inventaris en wordt het niet-beschikbare bedrag van de dekkingswaarden niet meegeteld bij de berekening van het in het tweede lid bedoelde totale bedrag.]3
Onverminderd de toepassing van artikel 97, deelt de instelling de toestand van de permanente inventaris van elk afzonderlijk vermogen aan de [2 FSMA]2 mee volgens de vorm, de inhoud, de drager, de frequentie en binnen de termijn die de [2 FSMA]2 bepaalt.
Het totale bedrag van de in de permanente inventaris opgenomen dekkingswaarden is te allen tijde ten minste gelijk aan het bedrag van de technische voorzieningen.
[3 Wanneer de in de permanente inventaris opgenomen activa niet beschikbaar zijn voor de dekking van de verbintenissen omdat ze bezwaard zijn met een zakelijk recht, wordt daarvan melding gemaakt in de permanente inventaris en wordt het niet-beschikbare bedrag van de dekkingswaarden niet meegeteld bij de berekening van het in het tweede lid bedoelde totale bedrag.]3
Onverminderd de toepassing van artikel 97, deelt de instelling de toestand van de permanente inventaris van elk afzonderlijk vermogen aan de [2 FSMA]2 mee volgens de vorm, de inhoud, de drager, de frequentie en binnen de termijn die de [2 FSMA]2 bepaalt.
Änderungen
Art.93. L'institution de retraite professionnelle tient un inventaire permanent [3 des actifs visés à l'article 90 et dont les valeurs représentatives sont identifiées séparément pour]3 chaque patrimoine distinct.
A tout moment, le montant total des valeurs représentatives reprises à l'inventaire permanent doit être au moins égal au montant des provisions techniques.
[3 Lorsque les actifs repris à l'inventaire permanent sont indisponibles pour la couverture des engagements en raison du fait qu'ils sont grevés d'un droit réel, il en est fait état dans l'inventaire permanent et il n'est pas tenu compte du montant des valeurs représentatives non disponible dans le calcul du total visé à l'alinéa 2.]3
Sans préjudice de l'application de l'article 97, l'institution communique la situation de l'inventaire permanent de chaque patrimoine distinct à la [2 FSMA]2 en respectant la forme, le contenu, le support, la périodicité et le délai que celle-ci fixe.
A tout moment, le montant total des valeurs représentatives reprises à l'inventaire permanent doit être au moins égal au montant des provisions techniques.
[3 Lorsque les actifs repris à l'inventaire permanent sont indisponibles pour la couverture des engagements en raison du fait qu'ils sont grevés d'un droit réel, il en est fait état dans l'inventaire permanent et il n'est pas tenu compte du montant des valeurs représentatives non disponible dans le calcul du total visé à l'alinéa 2.]3
Sans préjudice de l'application de l'article 97, l'institution communique la situation de l'inventaire permanent de chaque patrimoine distinct à la [2 FSMA]2 en respectant la forme, le contenu, le support, la périodicité et le délai que celle-ci fixe.
Änderungen
Art.94. In afwijking van de artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet van 16 december 1851, worden de gezamenlijke dekkingswaarden [4 ...]4 die in de permanente inventaris voorgeschreven door artikel 93 zijn opgenomen, per afzonderlijk vermogen, bij voorrang voorbehouden ter nakoming van de verbintenissen tegenover de aangeslotenen of de [3 pensioengerechtigden]3 van de pensioenregelingen die onder dat vermogen vallen.
Voor de in artikel 119 bedoelde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, stemmen de in het eerste lid bedoelde dekkingswaarden overeen met de dekkingswaarden die zijn opgenomen in de permanente inventaris die door de [2 FSMA]2 wordt bijgehouden op basis van de documenten die haar door die instellingen worden bezorgd en met dat doel behoorlijk worden geboekt.
Voor de in artikel 119 bedoelde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, stemmen de in het eerste lid bedoelde dekkingswaarden overeen met de dekkingswaarden die zijn opgenomen in de permanente inventaris die door de [2 FSMA]2 wordt bijgehouden op basis van de documenten die haar door die instellingen worden bezorgd en met dat doel behoorlijk worden geboekt.
Änderungen
Art.94. Par dérogation aux articles 7 et 8 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, l'ensemble des valeurs représentatives [3 ...]3 reprises à l'inventaire permanent prescrit par l'article 93 est, par patrimoine distinct, réservé par priorité à l'exécution des engagements envers les affiliés ou les bénéficiaires des régimes de retraite relevant de ce patrimoine.
Pour les institutions de retraite professionnelle visées à l'article 119, les valeurs représentatives visés à l'alinéa 1er correspondent aux valeurs représentatives reprises à l'inventaire permanent tenu par la [2 FSMA]2 sur la base des documents à elle communiqués par ces institutions et dûment enregistrés à cette fin.
Pour les institutions de retraite professionnelle visées à l'article 119, les valeurs représentatives visés à l'alinéa 1er correspondent aux valeurs représentatives reprises à l'inventaire permanent tenu par la [2 FSMA]2 sur la base des documents à elle communiqués par ces institutions et dûment enregistrés à cette fin.
Änderungen
Afdeling VII. [1 - Verklaring inzake de beleggings beginselen.]1
Section VII. [1 - Déclaration sur les principes de la politique de placement.]1
Art.95. [5 § 1.]5 De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening stelt een schriftelijke verklaring op met de beginselen van haar beleggingsbeleid. Zij herziet deze verklaring ten minste om de drie jaar en onverwijld na elke belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid.
Deze verklaring bevat ten minste de toegepaste wegingmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheerprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de pensioenverplichtingen [4 alsook de wijze waarop in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu-, sociale en governancefactoren]4.
[3 Deze verklaring preciseert tevens in welke mate en op welke wijze verwijzingen naar ratings uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt b), van verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus, gebruikt worden in het beleggingsbeleid.]3
[5 § 2. In geval de IBP belegt in aandelen die op een gereglementeerde markt worden verhandeld, rechtstreeks of met tussenkomst van een kredietinstelling, en beleggingsonderneming of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, neemt ze in de verklaring, bedoeld in paragraaf 1 hetzij een betrokkenheidsbeleid op, dat voldoet aan de vereisten van deze paragraaf, hetzij een duidelijke en gemotiveerde toelichting over de redenen waarom ze ervoor heeft gekozen niet aan een of meer van die vereisten te voldoen.
Het betrokkenheidsbeleid beschrijft hoe de IBP aandeelhoudersbetrokkenheid in haar beleggingsstrategie integreert. Het beleid beschrijft hoe de IBP (i) toezicht uitoefent op de vennootschappen waarin is belegd, ten aanzien van relevante aangelegenheden waaronder toezicht op de strategie, de financiële en niet-financiële prestaties en risico's, de kapitaalstructuur, maatschappelijke en ecologische effecten, en corporate governance, (ii) een dialoog voert met de vennootschappen waarin is belegd, (iii) stemrechten en andere aan aandelen verbonden rechten uitoefent, (iv) samenwerkt met andere aandeelhouders, (v) communiceert met relevante belanghebbenden van de vennootschappen waarin is belegd, en (vi) feitelijke en potentiële belangenconflicten in verband met hun betrokkenheid beheerst.
De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening maakt jaarlijks in haar jaarverslag openbaar hoe haar betrokkenheidsbeleid is uitgevoerd, met onder meer een algemene beschrijving van haar stemgedrag, een toelichting bij de belangrijkste stemmingen en het gebruik van de diensten van volmachtadviseurs. Zij maakt openbaar hoe zij heeft gestemd op de algemene vergaderingen van vennootschappen waarvan zij aandelen bezit. Stemmingen die wegens het onderwerp van de stemming of de grootte van het belang in de vennootschap onbetekenend zijn, mogen uit deze openbaarmaking worden weggelaten.
Wanneer een beleggingsonderneming, een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beleggingsvennootschap namens de IBP het betrokkenheidsbeleid uitvoert, met inbegrip van stemmingen, verwijst de IBP in de verklaring bedoeld in paragraaf 1 of in haar jaarverslag naar de plaats waar de beleggingsonderneming, de beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging, de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of de beleggingsvennootschap steminformatie voor het publiek beschikbaar heeft gemaakt.
De bepalingen van artikel 91, § 1, eerste lid, 1°, zijn ook van toepassing op betrokkenheidsactiviteiten.]5
[5 § 3. De in paragraaf 2 bedoelde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening maken openbaar hoe de voornaamste elementen van hun beleggingsstrategie inzake aandelen zijn afgestemd op het profiel en de looptijd van hun verplichtingen, in het bijzonder hun langetermijnverplichtingen, en hoe zij bijdragen aan de middellange- tot langetermijnprestaties van hun activa.
Wanneer een beleggingsonderneming, een kredietinstelling, een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beleggingsvennootschap voor rekening van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening belegt, maakt de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de volgende informatie betreffende haar regeling met hen openbaar:
1° hoe die regeling hen ertoe aanzet hun beleggingsstrategie en -beslissingen in overeenstemming te brengen met het profiel en de looptijd van de verplichtingen, in het bijzonder de langetermijnverplichtingen, van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° hoe die regeling hen ertoe aanzet beleggingsbeslissingen te nemen op basis van beoordelingen van de financiële en niet-financiële prestaties op middellange tot lange termijn van de vennootschap waarin is belegd, en in voorkomend geval aanzet tot betrokkenheid bij vennootschappen waarin is belegd teneinde hun prestaties op middellange tot lange termijn te verbeteren;
3° hoe de methode en de tijdshorizon die voor de evaluatie van hun prestaties worden gebruikt en de vergoeding voor de vermogensbeheerdiensten overeenstemmen met het profiel en de looptijd van de verplichtingen, in het bijzonder de langetermijnverplichtingen, van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, en de absolute langetermijnprestaties in aanmerking nemen;
4° hoe de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening toezicht uitoefent op de aan de omloopsnelheid van de portefeuille verbonden kosten die zij maken, hoe de beoogde omloopsnelheid van de portefeuille wordt vastgesteld en hoe daarop toezicht wordt uitgeoefend;
5° de looptijd van de regelingen met hen.
Wanneer die regelingen een of meer van de elementen bedoeld in het tweede lid, 1° tot 5°, niet bevatten, maakt de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de redenen daarvoor openbaar.
De in deze paragraaf bedoelde informatie wordt jaarlijks geactualiseerd tenzij er geen materiële wijziging is.
De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening kan de in deze paragraaf bedoelde informatie opnemen in de verklaring bedoeld in paragraaf 1 of in haar jaarverslag.]5
[4 ...]4
[5 § 4.]5 De [2 FSMA]2 kan bij reglement nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm [5 van de verklaring bedoeld in paragraaf 1]5.
Deze verklaring bevat ten minste de toegepaste wegingmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheerprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de pensioenverplichtingen [4 alsook de wijze waarop in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu-, sociale en governancefactoren]4.
[3 Deze verklaring preciseert tevens in welke mate en op welke wijze verwijzingen naar ratings uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt b), van verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus, gebruikt worden in het beleggingsbeleid.]3
[5 § 2. In geval de IBP belegt in aandelen die op een gereglementeerde markt worden verhandeld, rechtstreeks of met tussenkomst van een kredietinstelling, en beleggingsonderneming of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, neemt ze in de verklaring, bedoeld in paragraaf 1 hetzij een betrokkenheidsbeleid op, dat voldoet aan de vereisten van deze paragraaf, hetzij een duidelijke en gemotiveerde toelichting over de redenen waarom ze ervoor heeft gekozen niet aan een of meer van die vereisten te voldoen.
Het betrokkenheidsbeleid beschrijft hoe de IBP aandeelhoudersbetrokkenheid in haar beleggingsstrategie integreert. Het beleid beschrijft hoe de IBP (i) toezicht uitoefent op de vennootschappen waarin is belegd, ten aanzien van relevante aangelegenheden waaronder toezicht op de strategie, de financiële en niet-financiële prestaties en risico's, de kapitaalstructuur, maatschappelijke en ecologische effecten, en corporate governance, (ii) een dialoog voert met de vennootschappen waarin is belegd, (iii) stemrechten en andere aan aandelen verbonden rechten uitoefent, (iv) samenwerkt met andere aandeelhouders, (v) communiceert met relevante belanghebbenden van de vennootschappen waarin is belegd, en (vi) feitelijke en potentiële belangenconflicten in verband met hun betrokkenheid beheerst.
De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening maakt jaarlijks in haar jaarverslag openbaar hoe haar betrokkenheidsbeleid is uitgevoerd, met onder meer een algemene beschrijving van haar stemgedrag, een toelichting bij de belangrijkste stemmingen en het gebruik van de diensten van volmachtadviseurs. Zij maakt openbaar hoe zij heeft gestemd op de algemene vergaderingen van vennootschappen waarvan zij aandelen bezit. Stemmingen die wegens het onderwerp van de stemming of de grootte van het belang in de vennootschap onbetekenend zijn, mogen uit deze openbaarmaking worden weggelaten.
Wanneer een beleggingsonderneming, een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beleggingsvennootschap namens de IBP het betrokkenheidsbeleid uitvoert, met inbegrip van stemmingen, verwijst de IBP in de verklaring bedoeld in paragraaf 1 of in haar jaarverslag naar de plaats waar de beleggingsonderneming, de beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging, de beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of de beleggingsvennootschap steminformatie voor het publiek beschikbaar heeft gemaakt.
De bepalingen van artikel 91, § 1, eerste lid, 1°, zijn ook van toepassing op betrokkenheidsactiviteiten.]5
[5 § 3. De in paragraaf 2 bedoelde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening maken openbaar hoe de voornaamste elementen van hun beleggingsstrategie inzake aandelen zijn afgestemd op het profiel en de looptijd van hun verplichtingen, in het bijzonder hun langetermijnverplichtingen, en hoe zij bijdragen aan de middellange- tot langetermijnprestaties van hun activa.
Wanneer een beleggingsonderneming, een kredietinstelling, een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beleggingsvennootschap voor rekening van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening belegt, maakt de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de volgende informatie betreffende haar regeling met hen openbaar:
1° hoe die regeling hen ertoe aanzet hun beleggingsstrategie en -beslissingen in overeenstemming te brengen met het profiel en de looptijd van de verplichtingen, in het bijzonder de langetermijnverplichtingen, van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° hoe die regeling hen ertoe aanzet beleggingsbeslissingen te nemen op basis van beoordelingen van de financiële en niet-financiële prestaties op middellange tot lange termijn van de vennootschap waarin is belegd, en in voorkomend geval aanzet tot betrokkenheid bij vennootschappen waarin is belegd teneinde hun prestaties op middellange tot lange termijn te verbeteren;
3° hoe de methode en de tijdshorizon die voor de evaluatie van hun prestaties worden gebruikt en de vergoeding voor de vermogensbeheerdiensten overeenstemmen met het profiel en de looptijd van de verplichtingen, in het bijzonder de langetermijnverplichtingen, van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, en de absolute langetermijnprestaties in aanmerking nemen;
4° hoe de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening toezicht uitoefent op de aan de omloopsnelheid van de portefeuille verbonden kosten die zij maken, hoe de beoogde omloopsnelheid van de portefeuille wordt vastgesteld en hoe daarop toezicht wordt uitgeoefend;
5° de looptijd van de regelingen met hen.
Wanneer die regelingen een of meer van de elementen bedoeld in het tweede lid, 1° tot 5°, niet bevatten, maakt de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de redenen daarvoor openbaar.
De in deze paragraaf bedoelde informatie wordt jaarlijks geactualiseerd tenzij er geen materiële wijziging is.
De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening kan de in deze paragraaf bedoelde informatie opnemen in de verklaring bedoeld in paragraaf 1 of in haar jaarverslag.]5
[4 ...]4
[5 § 4.]5 De [2 FSMA]2 kan bij reglement nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm [5 van de verklaring bedoeld in paragraaf 1]5.
Änderungen
Art.95. [5 § 1er.]5 L'institution de retraite professionnelle élabore une déclaration écrite sur les principes de sa politique de placement. Elle la revoit au moins tous les trois ans et immédiatement après tout changement majeur de la politique de placement.
Cette déclaration contient, au minimum, les méthodes d'évaluation des risques d'investissement, les techniques de gestion des risques mises en oeuvre et la répartition stratégique des actifs eu égard à la nature et à la durée des obligations de retraite [4 ainsi que la manière dont la politique de placement prend en considération les facteurs environnementaux, sociaux et de gouvernance]4.
[3 Cette déclaration précise également dans quelle mesure et de quelle manière les références à des notations de crédit émises par des agences de notation de crédit au sens de l'article 3, paragraphe 1, point b), du Règlement (CE) n° 1060/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 sur les agences de notation de crédit, sont utilisées dans la politique de placement.]3
[5 § 2. Au cas où l'IRP investit dans des actions négociées sur un marché réglementé, directement ou par l'intermédiaire d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'investissement ou d'une société de gestion d'organisme de placement collectif, elle inclut dans la déclaration visée au paragraphe 1er, soit une politique d'engagement qui répond aux exigences du présent paragraphe, soit une explication claire et motivée de la raison pour laquelle elle a choisi de ne pas respecter une ou plusieurs de ces exigences.
La politique d'engagement décrit la manière dont l'IRP intègre l'engagement des actionnaires dans sa stratégie d'investissement. Cette politique décrit la manière dont l'IRP (i) assure le suivi des sociétés détenues sur des questions pertinentes, y compris la stratégie, les performances financières et non financières ainsi que le risque, la structure du capital, l'impact social et environnemental et la gouvernance d'entreprise, (ii) dialogue avec les sociétés détenues, (iii) exerce les droits de vote et d'autres droits attachés aux actions, (iv) coopère avec les autres actionnaires, (v) communique avec les acteurs pertinents des sociétés détenues et (vi) gère les conflits d'intérêts réels ou potentiels par rapport à leur engagement.
Chaque année, l'institution de retraite professionnelle rend publiques dans son rapport annuel, les informations sur la manière dont sa politique d'engagement a été mise en oeuvre, y compris une description générale de son comportement de vote, une explication des votes les plus importants et le recours à des services de conseillers en vote. Elle rend publique la manière dont elle a exprimé ses votes lors des assemblées générales des sociétés dont elle détient des actions. Cette communication peut exclure les votes qui sont insignifiants en raison de l'objet du vote ou de la taille de la participation dans la société.
Lorsqu'une entreprise d'investissement, un gestionnaire d'organismes de placement collectifs alternatifs, une société de gestion d'organismes de placement collectif ou une société d'investissement met en oeuvre la politique d'engagement, y compris en matière de vote, au nom de l'IRP, celle-ci indique dans la déclaration visée au paragraphe 1er ou dans son rapport annuel l'endroit où l'entreprise d'investissement, le gestionnaire d'organismes de placement collectifs alternatifs, la société de gestion d'organismes de placement collectif ou la société d'investissement a publié les informations sur le vote.
Les dispositions de l'article 91, § 1er, alinéa 1er, 1°, sont également d'application en ce qui concerne les activités d'engagement.]5
[5 § 3. Les institutions de retraite professionnelle visées au paragraphe 2 publient la manière dont les principaux éléments de leur stratégie d'investissement en actions sont compatibles avec le profil et la durée de leurs engagements, en particulier de leurs engagements à long terme, et la manière dont ils contribuent aux performances de leurs actifs à moyen et à long terme.
Lorsqu'une entreprise d'investissement, un établissement de crédit, un gestionnaire d'organismes de placement collectifs alternatifs, une société de gestion d'organismes de placement collectif ou une société d'investissement investit pour le compte d'une institution de retraite professionnelle, l'institution de retraite professionnelle publie les informations suivantes concernant son accord avec ceux-ci:
1° la manière dont cet accord les incite à aligner leur stratégie et leurs décisions d'investissement sur le profil et la durée des engagements de l'institution de retraite professionnelle, notamment des engagements à long terme;
2° la manière dont cet accord les incite à prendre des décisions d'investissement fondées sur des évaluations des performances à moyen et à long terme, financières et non financières, de la société détenue et, le cas échéant, à s'engager à l'égard des sociétés détenues afin d'améliorer leurs performances à moyen et à long terme;
3° la manière dont la méthode et l'horizon temporel de l'évaluation de leurs performances et la rémunération des services de gestion d'actifs sont en adéquation avec le profil et la durée des engagements de l'institution de retraite professionnelle, notamment des engagements à long terme, et tiennent compte des performances absolues à long terme;
4° la manière dont l'institution de retraite professionnelle contrôle les coûts de rotation du portefeuille qu'ils encourent et la manière dont l'institution de retraite professionnelle définit et contrôle la rotation ou le taux de rotation d'un portefeuille cible;
5° la durée des accords conclus avec eux.
Lorsque ces accords ne contiennent pas un ou plusieurs des éléments repris sous l'alinéa 2, 1° à 5°, l'institution de retraite professionnelle en publie les raisons.
Les informations visées au présent paragraphe sont mises à jour annuellement, à moins qu'aucune modification importante ne soit intervenue.
L'institution de retraite professionnelle peut faire figurer les informations visées dans le présent paragraphe dans la déclaration visée au paragraphe 1er ou dans son rapport annuel.]5
[4 ...]4
[5 § 4.]5 La [2 FSMA]2 peut fixer, par voie de règlement, des règles plus précises en ce qui concerne le contenu et la forme [5 de la déclaration visée au paragraphe 1er]5.
Cette déclaration contient, au minimum, les méthodes d'évaluation des risques d'investissement, les techniques de gestion des risques mises en oeuvre et la répartition stratégique des actifs eu égard à la nature et à la durée des obligations de retraite [4 ainsi que la manière dont la politique de placement prend en considération les facteurs environnementaux, sociaux et de gouvernance]4.
[3 Cette déclaration précise également dans quelle mesure et de quelle manière les références à des notations de crédit émises par des agences de notation de crédit au sens de l'article 3, paragraphe 1, point b), du Règlement (CE) n° 1060/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 sur les agences de notation de crédit, sont utilisées dans la politique de placement.]3
[5 § 2. Au cas où l'IRP investit dans des actions négociées sur un marché réglementé, directement ou par l'intermédiaire d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'investissement ou d'une société de gestion d'organisme de placement collectif, elle inclut dans la déclaration visée au paragraphe 1er, soit une politique d'engagement qui répond aux exigences du présent paragraphe, soit une explication claire et motivée de la raison pour laquelle elle a choisi de ne pas respecter une ou plusieurs de ces exigences.
La politique d'engagement décrit la manière dont l'IRP intègre l'engagement des actionnaires dans sa stratégie d'investissement. Cette politique décrit la manière dont l'IRP (i) assure le suivi des sociétés détenues sur des questions pertinentes, y compris la stratégie, les performances financières et non financières ainsi que le risque, la structure du capital, l'impact social et environnemental et la gouvernance d'entreprise, (ii) dialogue avec les sociétés détenues, (iii) exerce les droits de vote et d'autres droits attachés aux actions, (iv) coopère avec les autres actionnaires, (v) communique avec les acteurs pertinents des sociétés détenues et (vi) gère les conflits d'intérêts réels ou potentiels par rapport à leur engagement.
Chaque année, l'institution de retraite professionnelle rend publiques dans son rapport annuel, les informations sur la manière dont sa politique d'engagement a été mise en oeuvre, y compris une description générale de son comportement de vote, une explication des votes les plus importants et le recours à des services de conseillers en vote. Elle rend publique la manière dont elle a exprimé ses votes lors des assemblées générales des sociétés dont elle détient des actions. Cette communication peut exclure les votes qui sont insignifiants en raison de l'objet du vote ou de la taille de la participation dans la société.
Lorsqu'une entreprise d'investissement, un gestionnaire d'organismes de placement collectifs alternatifs, une société de gestion d'organismes de placement collectif ou une société d'investissement met en oeuvre la politique d'engagement, y compris en matière de vote, au nom de l'IRP, celle-ci indique dans la déclaration visée au paragraphe 1er ou dans son rapport annuel l'endroit où l'entreprise d'investissement, le gestionnaire d'organismes de placement collectifs alternatifs, la société de gestion d'organismes de placement collectif ou la société d'investissement a publié les informations sur le vote.
Les dispositions de l'article 91, § 1er, alinéa 1er, 1°, sont également d'application en ce qui concerne les activités d'engagement.]5
[5 § 3. Les institutions de retraite professionnelle visées au paragraphe 2 publient la manière dont les principaux éléments de leur stratégie d'investissement en actions sont compatibles avec le profil et la durée de leurs engagements, en particulier de leurs engagements à long terme, et la manière dont ils contribuent aux performances de leurs actifs à moyen et à long terme.
Lorsqu'une entreprise d'investissement, un établissement de crédit, un gestionnaire d'organismes de placement collectifs alternatifs, une société de gestion d'organismes de placement collectif ou une société d'investissement investit pour le compte d'une institution de retraite professionnelle, l'institution de retraite professionnelle publie les informations suivantes concernant son accord avec ceux-ci:
1° la manière dont cet accord les incite à aligner leur stratégie et leurs décisions d'investissement sur le profil et la durée des engagements de l'institution de retraite professionnelle, notamment des engagements à long terme;
2° la manière dont cet accord les incite à prendre des décisions d'investissement fondées sur des évaluations des performances à moyen et à long terme, financières et non financières, de la société détenue et, le cas échéant, à s'engager à l'égard des sociétés détenues afin d'améliorer leurs performances à moyen et à long terme;
3° la manière dont la méthode et l'horizon temporel de l'évaluation de leurs performances et la rémunération des services de gestion d'actifs sont en adéquation avec le profil et la durée des engagements de l'institution de retraite professionnelle, notamment des engagements à long terme, et tiennent compte des performances absolues à long terme;
4° la manière dont l'institution de retraite professionnelle contrôle les coûts de rotation du portefeuille qu'ils encourent et la manière dont l'institution de retraite professionnelle définit et contrôle la rotation ou le taux de rotation d'un portefeuille cible;
5° la durée des accords conclus avec eux.
Lorsque ces accords ne contiennent pas un ou plusieurs des éléments repris sous l'alinéa 2, 1° à 5°, l'institution de retraite professionnelle en publie les raisons.
Les informations visées au présent paragraphe sont mises à jour annuellement, à moins qu'aucune modification importante ne soit intervenue.
L'institution de retraite professionnelle peut faire figurer les informations visées dans le présent paragraphe dans la déclaration visée au paragraphe 1er ou dans son rapport annuel.]5
[4 ...]4
[5 § 4.]5 La [2 FSMA]2 peut fixer, par voie de règlement, des règles plus précises en ce qui concerne le contenu et la forme [5 de la déclaration visée au paragraphe 1er]5.
Änderungen
Afdeling VIII. [1 - Eigen-risicobeoordeling.]1
Section VIII. [1 - Evaluation interne des risques.]1
Art. 95/1. [1 § 1. De IBP voert op een wijze die in verhouding staat tot haar omvang en interne organisatie, alsook tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, een eigen risicobeoordeling uit en documenteert deze risicobeoordeling naar behoren.
Die risicobeoordeling wordt ten minste om de drie jaar of onmiddellijk na een significante wijziging in het risicoprofiel van de IBP of van de door de IBP uitgevoerde pensioenregelingen verricht. Ingeval van een significante wijziging in het risicoprofiel van een specifieke pensioenregeling mag de risicobeoordeling beperkt blijven tot die pensioenregeling.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde risicobeoordeling omvat, rekening houdend met de omvang en interne organisatie van de IBP, alsook met de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de IBP, het volgende:
1° een beschrijving van de wijze waarop de eigen risicobeoordeling in het managementproces en de besluitvormingsprocessen van de IBP is geïntegreerd;
2° een beoordeling van de doelmatigheid van het risicobeheersysteem;
3° indien de IBP overeenkomstig artikel 78 sleutelfuncties aan de bijdragende onderneming uitbesteedt, een beschrijving van de wijze waarop de IBP belangenconflicten met de bijdragende onderneming voorkomt;
4° een beoordeling van de totale financieringsbehoeften van de IBP, met, indien van toepassing, een beschrijving van het herstelplan;
5° een beoordeling van de risico's voor de aangeslotenen en pensioengerechtigden met betrekking tot de uitbetaling van hun pensioenuitkeringen en de effectiviteit van eventuele corrigerende maatregelen, in voorkomend geval rekening houdend met:
a) indexeringsmechanismen;
b) mechanismen ter verlaging van de uitkering, waaronder de mate waarin de opgebouwde pensioenrechten kunnen worden verlaagd, onder welke voorwaarden en door wie;
6° een kwalitatieve beoordeling van de mechanismen ter bescherming van de pensioenuitkeringen, waaronder in voorkomend geval garanties, convenanten of een andere soort financiële steun van de bijdragende onderneming, verzekering of herverzekering door een onderneming die onder voornoemde richtlijn 2009/138/EG valt of dekking door een pensioenbeschermingsregeling ten behoeve van de IBP of de aangeslotenen en pensioengerechtigden;
7° een kwalitatieve beoordeling van de operationele risico's;
8° indien bij de beleggingsbeslissingen rekening wordt gehouden met milieu-, sociale en governancefactoren, een beoordeling van nieuwe of opkomende risico's, met inbegrip van risico's die met klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen en het milieu verband houden, sociale risico's en risico's in verband met de waardevermindering van activa als gevolg van veranderde regelgeving.
§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 2 beschikt de IBP over methoden om de risico's te detecteren en te beoordelen waaraan zij op korte en op lange termijn is of kan worden blootgesteld en die gevolgen kunnen hebben voor de mogelijkheid van een IBP om aan haar verplichtingen te voldoen. Deze methoden staan in verhouding tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de risico's die aan haar activiteiten verbonden zijn. De methoden worden beschreven in de eigen risicobeoordeling.
§ 4. De eigen risicobeoordeling wordt in aanmerking genomen bij de strategische beslissingen van de IBP.
§ 5. De IBP stelt de FSMA binnen de maand in kennis van elke uitgevoerde eigen-risicobeoordeling.
§ 6. De verantwoordelijken voor de sleutelfuncties informeren en maken aanbevelingen over aan de IBP op een onafhankelijke en objectieve wijze, elk voor hun domein, bij het ontwikkelen en uitvoeren van haar eigen risicobeoordeling.]1
Die risicobeoordeling wordt ten minste om de drie jaar of onmiddellijk na een significante wijziging in het risicoprofiel van de IBP of van de door de IBP uitgevoerde pensioenregelingen verricht. Ingeval van een significante wijziging in het risicoprofiel van een specifieke pensioenregeling mag de risicobeoordeling beperkt blijven tot die pensioenregeling.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde risicobeoordeling omvat, rekening houdend met de omvang en interne organisatie van de IBP, alsook met de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de IBP, het volgende:
1° een beschrijving van de wijze waarop de eigen risicobeoordeling in het managementproces en de besluitvormingsprocessen van de IBP is geïntegreerd;
2° een beoordeling van de doelmatigheid van het risicobeheersysteem;
3° indien de IBP overeenkomstig artikel 78 sleutelfuncties aan de bijdragende onderneming uitbesteedt, een beschrijving van de wijze waarop de IBP belangenconflicten met de bijdragende onderneming voorkomt;
4° een beoordeling van de totale financieringsbehoeften van de IBP, met, indien van toepassing, een beschrijving van het herstelplan;
5° een beoordeling van de risico's voor de aangeslotenen en pensioengerechtigden met betrekking tot de uitbetaling van hun pensioenuitkeringen en de effectiviteit van eventuele corrigerende maatregelen, in voorkomend geval rekening houdend met:
a) indexeringsmechanismen;
b) mechanismen ter verlaging van de uitkering, waaronder de mate waarin de opgebouwde pensioenrechten kunnen worden verlaagd, onder welke voorwaarden en door wie;
6° een kwalitatieve beoordeling van de mechanismen ter bescherming van de pensioenuitkeringen, waaronder in voorkomend geval garanties, convenanten of een andere soort financiële steun van de bijdragende onderneming, verzekering of herverzekering door een onderneming die onder voornoemde richtlijn 2009/138/EG valt of dekking door een pensioenbeschermingsregeling ten behoeve van de IBP of de aangeslotenen en pensioengerechtigden;
7° een kwalitatieve beoordeling van de operationele risico's;
8° indien bij de beleggingsbeslissingen rekening wordt gehouden met milieu-, sociale en governancefactoren, een beoordeling van nieuwe of opkomende risico's, met inbegrip van risico's die met klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen en het milieu verband houden, sociale risico's en risico's in verband met de waardevermindering van activa als gevolg van veranderde regelgeving.
§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 2 beschikt de IBP over methoden om de risico's te detecteren en te beoordelen waaraan zij op korte en op lange termijn is of kan worden blootgesteld en die gevolgen kunnen hebben voor de mogelijkheid van een IBP om aan haar verplichtingen te voldoen. Deze methoden staan in verhouding tot de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de risico's die aan haar activiteiten verbonden zijn. De methoden worden beschreven in de eigen risicobeoordeling.
§ 4. De eigen risicobeoordeling wordt in aanmerking genomen bij de strategische beslissingen van de IBP.
§ 5. De IBP stelt de FSMA binnen de maand in kennis van elke uitgevoerde eigen-risicobeoordeling.
§ 6. De verantwoordelijken voor de sleutelfuncties informeren en maken aanbevelingen over aan de IBP op een onafhankelijke en objectieve wijze, elk voor hun domein, bij het ontwikkelen en uitvoeren van haar eigen risicobeoordeling.]1
Art. 95/1. [1 § 1er. L'IRP procède, d'une manière qui soit proportionnée à sa taille et à son organisation interne, ainsi qu'à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité de ses activités, à une évaluation interne des risques et documente dûment cette évaluation.
Cette évaluation des risques est effectuée au moins tous les trois ans ou immédiatement après tout changement significatif du profil de risque de l'IRP ou des régimes de retraite gérés par l'IRP. En cas de changement significatif du profil de risque d'un régime de retraite particulier, l'évaluation des risques peut se limiter à ce régime de retraite.
§ 2. L'évaluation des risques visée au paragraphe 1er comporte, compte tenu de la taille et de l'organisation interne de l'IRP, ainsi que de la taille, de la nature, de l'ampleur et de la complexité de ses activités, les éléments suivants:
1° une description de la manière dont l'évaluation interne des risques est intégrée dans le processus de gestion et les procédures de prise de décision de l'IRP;
2° une évaluation de l'efficacité du système de gestion des risques;
3° une description de la manière dont l'IRP prévient les conflits d'intérêts avec l'entreprise d'affiliation, lorsqu'elle sous-traite des fonctions clés à cette entreprise d'affiliation conformément à l'article 78;
4° une évaluation des besoins globaux de financement de l'IRP, y compris une description du plan de redressement, le cas échéant;
5° une évaluation des risques pour les affiliés et les bénéficiaires en ce qui concerne le versement de leurs prestations de retraite et l'efficacité de toute mesure corrective, en tenant compte, le cas échéant:
a) des mécanismes d'indexation;
b) des mécanismes de réduction des prestations, y compris dans quelle mesure les prestations de retraite accumulées peuvent être réduites, selon quelles modalités et par qui;
6° une évaluation qualitative des mécanismes protégeant les prestations de retraite, notamment, le cas échéant, les garanties, les clauses ou tout autre type de soutien financier de l'entreprise d'affiliation, l'assurance ou la réassurance proposée par une entreprise relevant de la directive 2009/138/CE précitée ou la couverture par un régime de protection des retraites, en faveur de l'IRP ou des affiliés et des bénéficiaires;
7° une évaluation qualitative des risques opérationnels;
8° si les facteurs environnementaux, sociaux et de gouvernance sont pris en compte lors des décisions de placement, une évaluation des risques nouveaux ou émergents, notamment des risques liés au changement climatique, à l'utilisation des ressources et à l'environnement, des risques sociaux, ainsi que des risques liés à la dépréciation des actifs due à l'évolution du cadre réglementaire.
§ 3. Aux fins du paragraphe 2, l'IRP met en place des méthodes permettant d'identifier et d'évaluer les risques auxquels elle est ou pourrait être exposée à court et à long terme et qui pourraient avoir une incidence sur la capacité de l'IRP de remplir ses obligations. Ces méthodes sont adaptées à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité des risques inhérents à ses activités. Elles sont décrites dans l'évaluation interne des risques.
§ 4. Il est tenu compte de l'évaluation interne des risques dans les décisions stratégiques de l'IRP.
§ 5. L'IRP informe la FSMA dans le mois de toute évaluation interne des risques opérée.
§ 6. Les responsables des fonctions clés informent et fournissent des recommandations à l'IRP, d'une manière indépendante et objective, chacun dans leur domaine, lors du développement et de la mise en oeuvre de l'évaluation interne des risques.]1
Cette évaluation des risques est effectuée au moins tous les trois ans ou immédiatement après tout changement significatif du profil de risque de l'IRP ou des régimes de retraite gérés par l'IRP. En cas de changement significatif du profil de risque d'un régime de retraite particulier, l'évaluation des risques peut se limiter à ce régime de retraite.
§ 2. L'évaluation des risques visée au paragraphe 1er comporte, compte tenu de la taille et de l'organisation interne de l'IRP, ainsi que de la taille, de la nature, de l'ampleur et de la complexité de ses activités, les éléments suivants:
1° une description de la manière dont l'évaluation interne des risques est intégrée dans le processus de gestion et les procédures de prise de décision de l'IRP;
2° une évaluation de l'efficacité du système de gestion des risques;
3° une description de la manière dont l'IRP prévient les conflits d'intérêts avec l'entreprise d'affiliation, lorsqu'elle sous-traite des fonctions clés à cette entreprise d'affiliation conformément à l'article 78;
4° une évaluation des besoins globaux de financement de l'IRP, y compris une description du plan de redressement, le cas échéant;
5° une évaluation des risques pour les affiliés et les bénéficiaires en ce qui concerne le versement de leurs prestations de retraite et l'efficacité de toute mesure corrective, en tenant compte, le cas échéant:
a) des mécanismes d'indexation;
b) des mécanismes de réduction des prestations, y compris dans quelle mesure les prestations de retraite accumulées peuvent être réduites, selon quelles modalités et par qui;
6° une évaluation qualitative des mécanismes protégeant les prestations de retraite, notamment, le cas échéant, les garanties, les clauses ou tout autre type de soutien financier de l'entreprise d'affiliation, l'assurance ou la réassurance proposée par une entreprise relevant de la directive 2009/138/CE précitée ou la couverture par un régime de protection des retraites, en faveur de l'IRP ou des affiliés et des bénéficiaires;
7° une évaluation qualitative des risques opérationnels;
8° si les facteurs environnementaux, sociaux et de gouvernance sont pris en compte lors des décisions de placement, une évaluation des risques nouveaux ou émergents, notamment des risques liés au changement climatique, à l'utilisation des ressources et à l'environnement, des risques sociaux, ainsi que des risques liés à la dépréciation des actifs due à l'évolution du cadre réglementaire.
§ 3. Aux fins du paragraphe 2, l'IRP met en place des méthodes permettant d'identifier et d'évaluer les risques auxquels elle est ou pourrait être exposée à court et à long terme et qui pourraient avoir une incidence sur la capacité de l'IRP de remplir ses obligations. Ces méthodes sont adaptées à la taille, à la nature, à l'ampleur et à la complexité des risques inhérents à ses activités. Elles sont décrites dans l'évaluation interne des risques.
§ 4. Il est tenu compte de l'évaluation interne des risques dans les décisions stratégiques de l'IRP.
§ 5. L'IRP informe la FSMA dans le mois de toute évaluation interne des risques opérée.
§ 6. Les responsables des fonctions clés informent et fournissent des recommandations à l'IRP, d'une manière indépendante et objective, chacun dans leur domaine, lors du développement et de la mise en oeuvre de l'évaluation interne des risques.]1
HOOFDSTUK VI. [1 - Informatie.]1
CHAPITRE VI. [1 - Informations.]1
Afdeling I. [1 - Algemene bepalingen inzake informatieverstrekking.]1
Section Ire. [1 - Dispositions générales en matière de fourniture d'informations.]1
Art.96. [1 Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de bepalingen van de voor pensioenregelingen geldende sociale wetgeving en arbeidswetgeving en voorschriften inzake informatieverstrekking.]1
Art.96. [1 Le présent chapitre ne porte pas préjudice aux dispositions du droit social et du droit du travail et aux exigences en matière d'information applicables aux régimes de retraite.]1
Änderungen
Art. 96/1. [1 De in dit hoofdstuk opgenomen informatieverplichtingen kunnen eveneens worden vervuld door de bijdragende onderneming of een derde.]1
Art. 96/1. [1 Les obligations d'information énoncées dans le présent chapitre peuvent également être remplies par l'entreprise d'affiliation ou par un tiers.]1
Art. 96/2. [1 De in dit hoofdstuk bedoelde informatie wordt:
1° regelmatig bijgewerkt;
2° op een duidelijke wijze geschreven in een heldere, bondige en begrijpelijke taal, waarbij jargon en technische termen worden vermeden indien in plaats daarvan alledaagse woorden kunnen worden gebruikt;
3° opgesteld op een wijze die niet misleidend is. Er wordt zorg gedragen voor de consistentie, zowel wat woordgebruik als wat inhoud betreft;
4° op zodanige wijze gepresenteerd dat zij gemakkelijk leesbaar is;
5° ter beschikking gesteld in een officiële taal van de lidstaat waarvan het voor bedrijfspensioenregelingen geldende sociale en arbeidsrecht van toepassing is op de betreffende pensioenregeling; en
6° kosteloos ter beschikking gesteld voor toekomstige aangeslotenen, aangeslotenen en de pensioengerechtigden, in elektronische vorm, onder meer op een duurzame drager of op een website, dan wel op papier.
Met betrekking tot de informatie bedoeld in artikel 96/6 mogen de aangeslotenen verzoeken om, naast de informatie in elektronische vorm, ook kosteloos een papieren versie te ontvangen.]1
1° regelmatig bijgewerkt;
2° op een duidelijke wijze geschreven in een heldere, bondige en begrijpelijke taal, waarbij jargon en technische termen worden vermeden indien in plaats daarvan alledaagse woorden kunnen worden gebruikt;
3° opgesteld op een wijze die niet misleidend is. Er wordt zorg gedragen voor de consistentie, zowel wat woordgebruik als wat inhoud betreft;
4° op zodanige wijze gepresenteerd dat zij gemakkelijk leesbaar is;
5° ter beschikking gesteld in een officiële taal van de lidstaat waarvan het voor bedrijfspensioenregelingen geldende sociale en arbeidsrecht van toepassing is op de betreffende pensioenregeling; en
6° kosteloos ter beschikking gesteld voor toekomstige aangeslotenen, aangeslotenen en de pensioengerechtigden, in elektronische vorm, onder meer op een duurzame drager of op een website, dan wel op papier.
Met betrekking tot de informatie bedoeld in artikel 96/6 mogen de aangeslotenen verzoeken om, naast de informatie in elektronische vorm, ook kosteloos een papieren versie te ontvangen.]1
Art. 96/2. [1 Les informations visées au présent chapitre sont:
1° mises à jour régulièrement;
2° rédigées de manière claire, dans un langage non ambigu, succinct et compréhensible, en évitant le jargon et l'emploi de termes techniques lorsque des mots du langage courant peuvent être utilisés à la place;
3° établies d'une manière non trompeuse, en veillant à ce que leur vocabulaire et leur contenu soient cohérents;
4° présentées d'une manière qui en rend la lecture aisée;
5° disponibles dans une langue officielle de l'Etat membre dont le droit social et le droit du travail en matière de régimes de retraite professionnelle s'appliquent au régime de retraite concerné; et
6° mises gratuitement à la disposition des affiliés potentiels, des affiliés et des bénéficiaires, par voie électronique, y compris via un support durable ou sur un site web, ou sur papier.
Concernant les informations visées à l'article 96/6, les affiliés peuvent demander à recevoir, en sus des informations sous format électronique, une copie papier qui leur sera fournie gratuitement.]1
1° mises à jour régulièrement;
2° rédigées de manière claire, dans un langage non ambigu, succinct et compréhensible, en évitant le jargon et l'emploi de termes techniques lorsque des mots du langage courant peuvent être utilisés à la place;
3° établies d'une manière non trompeuse, en veillant à ce que leur vocabulaire et leur contenu soient cohérents;
4° présentées d'une manière qui en rend la lecture aisée;
5° disponibles dans une langue officielle de l'Etat membre dont le droit social et le droit du travail en matière de régimes de retraite professionnelle s'appliquent au régime de retraite concerné; et
6° mises gratuitement à la disposition des affiliés potentiels, des affiliés et des bénéficiaires, par voie électronique, y compris via un support durable ou sur un site web, ou sur papier.
Concernant les informations visées à l'article 96/6, les affiliés peuvent demander à recevoir, en sus des informations sous format électronique, une copie papier qui leur sera fournie gratuitement.]1
Afdeling II. [1 - Informatie aan de toekomstige aangeslotenen.]1
Section II. [1 - Informations à fournir aux affiliés potentiels.]1
Art. 96/3. [1 § 1. De IBP informeert de toekomstige aangeslotenen over:
1° relevante opties waarover zij beschikken, met inbegrip van beleggingsopties;
2° de relevante kenmerken van de pensioenregeling, waaronder de soort uitkeringen;
3° of en hoe in het kader van de beleggingsbenadering rekening wordt gehouden met milieu-, klimaat-, sociale en corporate governancefactoren;
4° waar verdere informatie beschikbaar is.
§ 2. Indien de aangeslotenen een beleggingsrisico dragen of beleggingsbeslissingen kunnen nemen, informeert de IBP de toekomstige aangeslotenen over:
1° de resultaten die de beleggingen in verband met de pensioenregeling in het verleden hebben behaald over ten minste de afgelopen vijf jaar, of de hele periode gedurende dewelke de pensioenregeling is uitgevoerd indien die minder dan vijf jaar is;
2° de structuur van de kosten die door de aangeslotenen en pensioengerechtigden worden gedragen.
§ 3. De toekomstige aangeslotenen die automatisch bij een pensioenregeling worden aangesloten, ontvangen de informatie bedoeld in de paragrafen 1 en 2 zodra zij aangesloten zijn.
De toekomstige aangeslotenen die niet automatisch bij een pensioenregeling worden aangesloten, ontvangen de informatie bedoeld in de paragrafen 1 en 2 voordat zij zich bij die pensioenregeling aansluiten.]1
1° relevante opties waarover zij beschikken, met inbegrip van beleggingsopties;
2° de relevante kenmerken van de pensioenregeling, waaronder de soort uitkeringen;
3° of en hoe in het kader van de beleggingsbenadering rekening wordt gehouden met milieu-, klimaat-, sociale en corporate governancefactoren;
4° waar verdere informatie beschikbaar is.
§ 2. Indien de aangeslotenen een beleggingsrisico dragen of beleggingsbeslissingen kunnen nemen, informeert de IBP de toekomstige aangeslotenen over:
1° de resultaten die de beleggingen in verband met de pensioenregeling in het verleden hebben behaald over ten minste de afgelopen vijf jaar, of de hele periode gedurende dewelke de pensioenregeling is uitgevoerd indien die minder dan vijf jaar is;
2° de structuur van de kosten die door de aangeslotenen en pensioengerechtigden worden gedragen.
§ 3. De toekomstige aangeslotenen die automatisch bij een pensioenregeling worden aangesloten, ontvangen de informatie bedoeld in de paragrafen 1 en 2 zodra zij aangesloten zijn.
De toekomstige aangeslotenen die niet automatisch bij een pensioenregeling worden aangesloten, ontvangen de informatie bedoeld in de paragrafen 1 en 2 voordat zij zich bij die pensioenregeling aansluiten.]1
Art. 96/3. [1 § 1er. L'IRP informe les affiliés potentiels des éléments suivants:
1° les options pertinentes dont ils disposent, y compris les options d'investissement;
2° les caractéristiques pertinentes du régime de retraite, y compris le type de prestations;
3° si et de quelle manière les facteurs environnementaux, climatiques, sociaux et de gouvernance d'entreprise sont pris en considération dans la stratégie d'investissement;
4° où il est possible de trouver des informations supplémentaires.
§ 2. Lorsque les affiliés supportent le risque d'investissement ou qu'ils peuvent prendre des décisions en matière de placements, l'IRP informe les affiliés potentiels des éléments suivants:
1° les performances passées des investissements liés au régime de retraite sur une période minimale de cinq ans ou sur toute la période de fonctionnement du régime si elle est inférieure à cinq ans;
2° la structure des coûts supportés par les affiliés et les bénéficiaires.
§ 3. Les affiliés potentiels qui sont affiliés d'office à un régime de retraite reçoivent les informations visées aux paragraphes 1er et 2 immédiatement après leur affiliation.
Les affiliés potentiels qui ne sont pas affiliés d'office à un régime de retraite reçoivent les informations visées aux paragraphes 1er et 2 avant leur affiliation à ce régime de retraite.]1
1° les options pertinentes dont ils disposent, y compris les options d'investissement;
2° les caractéristiques pertinentes du régime de retraite, y compris le type de prestations;
3° si et de quelle manière les facteurs environnementaux, climatiques, sociaux et de gouvernance d'entreprise sont pris en considération dans la stratégie d'investissement;
4° où il est possible de trouver des informations supplémentaires.
§ 2. Lorsque les affiliés supportent le risque d'investissement ou qu'ils peuvent prendre des décisions en matière de placements, l'IRP informe les affiliés potentiels des éléments suivants:
1° les performances passées des investissements liés au régime de retraite sur une période minimale de cinq ans ou sur toute la période de fonctionnement du régime si elle est inférieure à cinq ans;
2° la structure des coûts supportés par les affiliés et les bénéficiaires.
§ 3. Les affiliés potentiels qui sont affiliés d'office à un régime de retraite reçoivent les informations visées aux paragraphes 1er et 2 immédiatement après leur affiliation.
Les affiliés potentiels qui ne sont pas affiliés d'office à un régime de retraite reçoivent les informations visées aux paragraphes 1er et 2 avant leur affiliation à ce régime de retraite.]1
Afdeling III. [1 - Informatie aan de aangeslotenen en de pensioengerechtigden.]1
Section III. [1 - Informations à fournir aux affiliés et aux bénéficiaires.]1
Art. 96/4. [1 § 1. De IBP informeert de aangeslotenen en pensioengerechtigden voldoende over de voorwaarden van de pensioenregeling waarbij ze zijn aangesloten, en met name over:
1° de naam van de IBP die de pensioenregeling beheert, de lidstaat waar de IBP geregistreerd is of een vergunning heeft verkregen en de naam van de bevoegde autoriteit;
2° de rechten en plichten van de bij de pensioenregeling betrokken partijen;
3° informatie over het beleggingsprofiel;
4° de aard van de financiële risico's die door de aangeslotenen en pensioengerechtigden worden gedragen;
5° de voorwaarden betreffende volledige of gedeeltelijke garanties uit hoofde van de pensioenregeling of op een bepaalde hoogte van de uitkeringen, of een verklaring daarover wanneer er geen garantie uit hoofde van de pensioenregeling is voorzien;
6° de mechanismen ter bescherming van de opgebouwde pensioenrechten of de mechanismen ter verlaging van de uitkering, indien van toepassing;
7° indien de aangeslotenen een beleggingsrisico dragen of beleggingsbeslissingen kunnen nemen, informatie over de resultaten die de beleggingen van de pensioenregeling in het verleden hebben behaald over ten minste de afgelopen vijf jaar, of alle jaren gedurende dewelke de pensioenregeling is uitgevoerd indien dat minder dan vijf jaar is;
8° de structuur van de kosten die door de aangeslotenen en pensioengerechtigden worden gedragen, bij regelingen die niet in een bepaalde hoogte van de uitkeringen voorzien;
9° de opties waarover de aangeslotenen en pensioengerechtigden beschikken bij het innen van hun pensioenuitkeringen;
10° indien een aangeslotene het recht heeft om pensioenrechten over te dragen, verdere informatie over de regelingen voor die overdracht.
§ 2. Bij regelingen waarbij de aangeslotenen een beleggingsrisico dragen en waarbij meerdere beleggingsmogelijkheden met verschillende beleggingsprofielen worden geboden, informeert de IBP de aangeslotenen over:
1° de voorwaarden die aan het scala aan beschikbare beleggingsmogelijkheden verbonden zijn;
2° indien van toepassing, de standaard beleggingsmogelijkheid;
3° de in het kader van de pensioenregeling gehanteerde regel om een bepaalde aangeslotene aan een beleggingsmogelijkheid toe te wijzen.
§ 3. Aangeslotenen en pensioengerechtigden of hun vertegenwoordigers ontvangen binnen een redelijke termijn alle relevante informatie over wijzigingen in de voorschriften inzake de pensioenregeling. Voorts stellen IBP's hun een uitleg ter beschikking over de gevolgen van de significante wijzigingen in de technische voorzieningen voor de aangeslotenen en pensioengerechtigden.]1
1° de naam van de IBP die de pensioenregeling beheert, de lidstaat waar de IBP geregistreerd is of een vergunning heeft verkregen en de naam van de bevoegde autoriteit;
2° de rechten en plichten van de bij de pensioenregeling betrokken partijen;
3° informatie over het beleggingsprofiel;
4° de aard van de financiële risico's die door de aangeslotenen en pensioengerechtigden worden gedragen;
5° de voorwaarden betreffende volledige of gedeeltelijke garanties uit hoofde van de pensioenregeling of op een bepaalde hoogte van de uitkeringen, of een verklaring daarover wanneer er geen garantie uit hoofde van de pensioenregeling is voorzien;
6° de mechanismen ter bescherming van de opgebouwde pensioenrechten of de mechanismen ter verlaging van de uitkering, indien van toepassing;
7° indien de aangeslotenen een beleggingsrisico dragen of beleggingsbeslissingen kunnen nemen, informatie over de resultaten die de beleggingen van de pensioenregeling in het verleden hebben behaald over ten minste de afgelopen vijf jaar, of alle jaren gedurende dewelke de pensioenregeling is uitgevoerd indien dat minder dan vijf jaar is;
8° de structuur van de kosten die door de aangeslotenen en pensioengerechtigden worden gedragen, bij regelingen die niet in een bepaalde hoogte van de uitkeringen voorzien;
9° de opties waarover de aangeslotenen en pensioengerechtigden beschikken bij het innen van hun pensioenuitkeringen;
10° indien een aangeslotene het recht heeft om pensioenrechten over te dragen, verdere informatie over de regelingen voor die overdracht.
§ 2. Bij regelingen waarbij de aangeslotenen een beleggingsrisico dragen en waarbij meerdere beleggingsmogelijkheden met verschillende beleggingsprofielen worden geboden, informeert de IBP de aangeslotenen over:
1° de voorwaarden die aan het scala aan beschikbare beleggingsmogelijkheden verbonden zijn;
2° indien van toepassing, de standaard beleggingsmogelijkheid;
3° de in het kader van de pensioenregeling gehanteerde regel om een bepaalde aangeslotene aan een beleggingsmogelijkheid toe te wijzen.
§ 3. Aangeslotenen en pensioengerechtigden of hun vertegenwoordigers ontvangen binnen een redelijke termijn alle relevante informatie over wijzigingen in de voorschriften inzake de pensioenregeling. Voorts stellen IBP's hun een uitleg ter beschikking over de gevolgen van de significante wijzigingen in de technische voorzieningen voor de aangeslotenen en pensioengerechtigden.]1
Art. 96/4. [1 § 1er. L'IRP fournit aux affiliés et aux bénéficiaires des informations suffisantes sur les conditions du régime de retraite auquel ils sont affiliés, notamment en ce qui concerne:
1° le nom de l'IRP qui gère le régime de retraite, l'Etat membre dans lequel l'IRP est enregistrée ou agréée et le nom de l'autorité compétente;
2° les droits et obligations des parties au régime de retraite;
3° les informations sur le profil d'investissement;
4° la nature des risques financiers supportés par les affiliés et les bénéficiaires;
5° les conditions concernant les garanties totales ou partielles au titre du régime de retraite ou d'un niveau donné de prestations ou, lorsque aucune garantie n'est prévue au titre du régime de retraite, une déclaration à cet effet;
6° les mécanismes de protection des droits accumulés et les mécanismes de réduction des prestations, le cas échéant;
7° lorsque les affiliés supportent le risque d'investissement ou qu'ils peuvent prendre des décisions en matière de placements, les informations relatives aux performances passées des investissements liés au régime de retraite sur une période minimale de cinq ans ou sur toute la période de fonctionnement du régime si elle est inférieure à cinq ans;
8° la structure des coûts supportés par les affiliés et les bénéficiaires, pour les régimes qui ne prévoient pas un niveau donné de prestations;
9° les options à la disposition des affiliés et des bénéficiaires pour obtenir le versement de leur prestation de retraite;
10° lorsqu'un affilié a le droit de transférer des droits à retraite, des informations supplémentaires sur les modalités d'un tel transfert.
§ 2. Pour les régimes dans lesquels les affiliés supportent un risque d'investissement et qui prévoient plusieurs options avec différents profils d'investissement, l'IRP informe les affiliés des éléments suivants:
1° les conditions en ce qui concerne l'éventail des options d'investissement disponibles;
2° le cas échéant, l'option d'investissement par défaut;
3° les dispositions du régime de retraite régissant l'attribution d'un affilié donné à une option d'investissement.
§ 3. Les affiliés et les bénéficiaires ou leurs représentants reçoivent, dans un délai raisonnable, toute information pertinente concernant d'éventuelles modifications des dispositions du régime de retraite. Par ailleurs, les IRP mettent à leur disposition une explication concernant les incidences de variations significatives des provisions techniques sur les affiliés et les bénéficiaires.]1
1° le nom de l'IRP qui gère le régime de retraite, l'Etat membre dans lequel l'IRP est enregistrée ou agréée et le nom de l'autorité compétente;
2° les droits et obligations des parties au régime de retraite;
3° les informations sur le profil d'investissement;
4° la nature des risques financiers supportés par les affiliés et les bénéficiaires;
5° les conditions concernant les garanties totales ou partielles au titre du régime de retraite ou d'un niveau donné de prestations ou, lorsque aucune garantie n'est prévue au titre du régime de retraite, une déclaration à cet effet;
6° les mécanismes de protection des droits accumulés et les mécanismes de réduction des prestations, le cas échéant;
7° lorsque les affiliés supportent le risque d'investissement ou qu'ils peuvent prendre des décisions en matière de placements, les informations relatives aux performances passées des investissements liés au régime de retraite sur une période minimale de cinq ans ou sur toute la période de fonctionnement du régime si elle est inférieure à cinq ans;
8° la structure des coûts supportés par les affiliés et les bénéficiaires, pour les régimes qui ne prévoient pas un niveau donné de prestations;
9° les options à la disposition des affiliés et des bénéficiaires pour obtenir le versement de leur prestation de retraite;
10° lorsqu'un affilié a le droit de transférer des droits à retraite, des informations supplémentaires sur les modalités d'un tel transfert.
§ 2. Pour les régimes dans lesquels les affiliés supportent un risque d'investissement et qui prévoient plusieurs options avec différents profils d'investissement, l'IRP informe les affiliés des éléments suivants:
1° les conditions en ce qui concerne l'éventail des options d'investissement disponibles;
2° le cas échéant, l'option d'investissement par défaut;
3° les dispositions du régime de retraite régissant l'attribution d'un affilié donné à une option d'investissement.
§ 3. Les affiliés et les bénéficiaires ou leurs représentants reçoivent, dans un délai raisonnable, toute information pertinente concernant d'éventuelles modifications des dispositions du régime de retraite. Par ailleurs, les IRP mettent à leur disposition une explication concernant les incidences de variations significatives des provisions techniques sur les affiliés et les bénéficiaires.]1
Art. 96/5. [1 Op verzoek van de aangeslotenen, pensioengerechtigden of hun vertegenwoordigers, verstrekt de IBP de volgende informatie:
1° de jaarrekeningen en de jaarverslagen als bedoeld in artikel 81, desgevallend beperkt tot de jaarverslagen en de jaarrekeningen voor hun specifieke pensioenregeling;
2° de in artikel 95 bedoelde verklaring inzake de beleggingsbeginselen;
3° eventuele verdere informatie over de gehanteerde hypothesen om de in artikel 96/6, § 3, 5°, bedoelde projecties op te stellen.]1
1° de jaarrekeningen en de jaarverslagen als bedoeld in artikel 81, desgevallend beperkt tot de jaarverslagen en de jaarrekeningen voor hun specifieke pensioenregeling;
2° de in artikel 95 bedoelde verklaring inzake de beleggingsbeginselen;
3° eventuele verdere informatie over de gehanteerde hypothesen om de in artikel 96/6, § 3, 5°, bedoelde projecties op te stellen.]1
Art. 96/5. [1 A la demande des affiliés, des bénéficiaires ou de leurs représentants, l'IRP fournit les informations suivantes:
1° les comptes annuels et rapports annuels visés à l'article 81, le cas échéant limités aux comptes et rapports afférents à leur propre régime de retraite;
2° la déclaration des principes fondant la politique de placement, visée à l'article 95;
3° toute autre information sur les hypothèses utilisées pour établir les projections visées à l'article 96/6, § 3, 5°.]1
1° les comptes annuels et rapports annuels visés à l'article 81, le cas échéant limités aux comptes et rapports afférents à leur propre régime de retraite;
2° la déclaration des principes fondant la politique de placement, visée à l'article 95;
3° toute autre information sur les hypothèses utilisées pour établir les projections visées à l'article 96/6, § 3, 5°.]1
Afdeling IV. [1 - Bijkomende informatie aan de aangeslotenen.]1
Section IV. [1 - Informations supplémentaires à fournir aux affiliés.]1
Art. 96/6. [1 § 1. Rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling en het toepasselijke nationale sociale, arbeids- en belastingrecht, bezorgt de IBP aan de aangeslotenen ten minste jaarlijks een beknopt document met essentiële informatie dat de titel "pensioenoverzicht" draagt.
§ 2. De informatie in het pensioenoverzicht is nauwkeurig en bijgewerkt.
Elke wezenlijke wijziging in de in het pensioenoverzicht opgenomen informatie ten opzichte van het voorgaande jaar wordt duidelijk aangegeven.
§ 3. Het pensioenoverzicht bevat ten minste de volgende informatie:
1° de precieze datum waarop de informatie in het pensioenoverzicht betrekking heeft;
2° de persoonsgegevens van de aangeslotene, met vermelding van, naargelang wat van toepassing is, de wettelijke pensioenleeftijd, de in de pensioenregeling vastgestelde of door de IBP geraamde pensioenleeftijd, of de door de aangeslotene vastgestelde pensioenleeftijd;
3° de naam en het contactadres van de IBP en de identificatie van de pensioenregeling van de aangeslotene;
4° indien van toepassing, informatie over volledige of gedeeltelijke garanties uit hoofde van de pensioenregeling en, in voorkomend geval, waar verdere informatie te vinden is;
5° informatie over de op basis van de onder 2° vermelde pensioenleeftijd gemaakte pensioenprojecties, met een waarschuwing dat die projecties kunnen verschillen van de definitieve waarde van de uitkeringen.
Indien de pensioenprojecties worden uitgevoerd op basis van economische scenario's, moet die informatie ook een meest realistisch scenario en een ongunstig scenario omvatten, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling;
[2 De Koning kan]2 de voorschriften bepalen voor de hypotheses voor de bedoelde pensioenprojecties. De IBP past die voorschriften toe voor de vaststelling van, indien van toepassing, het jaarlijkse percentage van de nominale beleggingsresultaten, het jaarlijkse inflatiepercentage en de toekomstige loontrend;
6° informatie over de opgebouwde pensioenaanspraken of het opgebouwde kapitaal, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling;
7° informatie over de bijdragen die de bijdragende onderneming en de aangeslotene aan de pensioenregeling gedurende ten minste de afgelopen twaalf maanden hebben betaald, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling;
8° een uitsplitsing van de kosten die de IBP gedurende ten minste de afgelopen twaalf maanden heeft ingehouden en die een impact hebben op de rechten van de aangeslotenen;
9° informatie over het financieringsniveau van de pensioenregeling in haar geheel;
10° waar en hoe aanvullende informatie kan worden verkregen over onder meer:
- verdere praktische informatie over de opties waarover de aangeslotenen in het kader van de pensioenregeling beschikken;
- de in de jaarrekeningen en jaarverslagen vermelde informatie alsook de in de verklaring inzake beleggingsbeginselen vermelde informatie;
- indien van toepassing, informatie over de gehanteerde hypothesen voor in renten uitgedrukte bedragen, met name over het percentage van de rente, het soort aanbieder en de duur van de rente;
- informatie over de hoogte van de uitkeringen in geval van beëindiging van de dienstbetrekking;
11° bij pensioenregelingen waarbij de aangeslotenen het beleggingsrisico dragen en waarbij een beleggingsmogelijkheid krachtens een in het kader van de pensioenregeling vastgestelde specifieke regel aan de aangeslotene wordt opgelegd, de plaats waar aanvullende informatie beschikbaar is.]1
§ 2. De informatie in het pensioenoverzicht is nauwkeurig en bijgewerkt.
Elke wezenlijke wijziging in de in het pensioenoverzicht opgenomen informatie ten opzichte van het voorgaande jaar wordt duidelijk aangegeven.
§ 3. Het pensioenoverzicht bevat ten minste de volgende informatie:
1° de precieze datum waarop de informatie in het pensioenoverzicht betrekking heeft;
2° de persoonsgegevens van de aangeslotene, met vermelding van, naargelang wat van toepassing is, de wettelijke pensioenleeftijd, de in de pensioenregeling vastgestelde of door de IBP geraamde pensioenleeftijd, of de door de aangeslotene vastgestelde pensioenleeftijd;
3° de naam en het contactadres van de IBP en de identificatie van de pensioenregeling van de aangeslotene;
4° indien van toepassing, informatie over volledige of gedeeltelijke garanties uit hoofde van de pensioenregeling en, in voorkomend geval, waar verdere informatie te vinden is;
5° informatie over de op basis van de onder 2° vermelde pensioenleeftijd gemaakte pensioenprojecties, met een waarschuwing dat die projecties kunnen verschillen van de definitieve waarde van de uitkeringen.
Indien de pensioenprojecties worden uitgevoerd op basis van economische scenario's, moet die informatie ook een meest realistisch scenario en een ongunstig scenario omvatten, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling;
[2 De Koning kan]2 de voorschriften bepalen voor de hypotheses voor de bedoelde pensioenprojecties. De IBP past die voorschriften toe voor de vaststelling van, indien van toepassing, het jaarlijkse percentage van de nominale beleggingsresultaten, het jaarlijkse inflatiepercentage en de toekomstige loontrend;
6° informatie over de opgebouwde pensioenaanspraken of het opgebouwde kapitaal, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling;
7° informatie over de bijdragen die de bijdragende onderneming en de aangeslotene aan de pensioenregeling gedurende ten minste de afgelopen twaalf maanden hebben betaald, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling;
8° een uitsplitsing van de kosten die de IBP gedurende ten minste de afgelopen twaalf maanden heeft ingehouden en die een impact hebben op de rechten van de aangeslotenen;
9° informatie over het financieringsniveau van de pensioenregeling in haar geheel;
10° waar en hoe aanvullende informatie kan worden verkregen over onder meer:
- verdere praktische informatie over de opties waarover de aangeslotenen in het kader van de pensioenregeling beschikken;
- de in de jaarrekeningen en jaarverslagen vermelde informatie alsook de in de verklaring inzake beleggingsbeginselen vermelde informatie;
- indien van toepassing, informatie over de gehanteerde hypothesen voor in renten uitgedrukte bedragen, met name over het percentage van de rente, het soort aanbieder en de duur van de rente;
- informatie over de hoogte van de uitkeringen in geval van beëindiging van de dienstbetrekking;
11° bij pensioenregelingen waarbij de aangeslotenen het beleggingsrisico dragen en waarbij een beleggingsmogelijkheid krachtens een in het kader van de pensioenregeling vastgestelde specifieke regel aan de aangeslotene wordt opgelegd, de plaats waar aanvullende informatie beschikbaar is.]1
Art. 96/6. [1 § 1er. L'IRP fournit aux affiliés, au moins une fois par an, un document concis contenant des informations clés et intitulé "relevé des droits à retraite", qu'elle aura établi en prenant en considération la nature propre du régime de retraite ainsi que les dispositions du droit social, du droit fiscal et du droit du travail applicables.
§ 2. Les informations contenues dans le relevé des droits à retraite sont précises et à jour.
Tout changement important dans les informations contenues dans le relevé des droits à retraite par rapport à l'année précédente est indiqué clairement.
§ 3. Le relevé des droits à retraite contient au moins les informations suivantes:
1° la date exacte à laquelle les informations figurant dans le relevé des droits à retraite se réfèrent;
2° les données personnelles concernant l'affilié, y compris une indication claire, selon le cas, de l'âge légal de départ à la retraite, de l'âge de départ à la retraite fixé dans le régime de retraite ou estimé par l'IRP, ou de l'âge de départ à la retraite fixé par l'affilié;
3° le nom de l'IRP et son adresse de contact et l'identification du régime de retraite de l'affilié;
4° le cas échéant, toute information concernant des garanties totales ou partielles au titre du régime de retraite et, dans ce cas, l'endroit où trouver de plus amples informations;
5° des informations relatives aux projections en matière de retraites fondées sur l'âge de retraite fixé au point 2°, et une clause de non-responsabilité selon laquelle ces projections peuvent différer du montant final des prestations.
[2 Si les projections en matière de retraites sont fondées sur des scénarios économiques, ces informations contiennent également le scénario le plus réaliste et un scénario défavorable, en tenant compte de la nature propre du régime de retraite.]2
[2 Le Roi peut]2 énoncer les règles permettant de déterminer les hypothèses sur lesquelles se fondent les projections en matière de retraites susvisées. Ces règles sont appliquées par l'IRP pour déterminer, le cas échéant, le taux annuel de rendement nominal des investissements, le taux d'inflation annuel et l'évolution future des salaires;
6° des informations relatives aux droits accumulés et au capital accumulé, tenant compte de la nature propre du régime de retraite;
7° des informations sur les cotisations versées par l'entreprise d'affiliation et l'affilié dans le régime de retraite au moins au cours des douze derniers mois, tenant compte de la nature propre du régime de retraite;
8° une ventilation des coûts qui ont été déduits par l'IRP au moins au cours des douze derniers mois et qui ont un impact sur les droits des affiliés;
9° des informations sur le niveau de financement du régime de retraite dans son ensemble;
10° où et comment obtenir des informations supplémentaires, notamment:
- de plus amples informations pratiques sur les options offertes aux affiliés par le régime de retraite;
- les informations contenues dans les comptes et rapports annuels, ainsi que les informations contenues dans la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement;
- le cas échéant, des informations sur les hypothèses utilisées pour estimer les montants exprimés en rente viagère, en particulier le taux de rente, le type de prestataire et la durée de la rente;
- des informations sur le niveau des prestations en cas de cessation d'emploi;
11° pour les régimes de retraite dans lesquels les affiliés supportent le risque d'investissement et où une option d'investissement est imposée à l'affilié par une règle spécifique prévue dans le régime de retraite, l'indication de l'endroit où il est possible de trouver des informations supplémentaires.]1
§ 2. Les informations contenues dans le relevé des droits à retraite sont précises et à jour.
Tout changement important dans les informations contenues dans le relevé des droits à retraite par rapport à l'année précédente est indiqué clairement.
§ 3. Le relevé des droits à retraite contient au moins les informations suivantes:
1° la date exacte à laquelle les informations figurant dans le relevé des droits à retraite se réfèrent;
2° les données personnelles concernant l'affilié, y compris une indication claire, selon le cas, de l'âge légal de départ à la retraite, de l'âge de départ à la retraite fixé dans le régime de retraite ou estimé par l'IRP, ou de l'âge de départ à la retraite fixé par l'affilié;
3° le nom de l'IRP et son adresse de contact et l'identification du régime de retraite de l'affilié;
4° le cas échéant, toute information concernant des garanties totales ou partielles au titre du régime de retraite et, dans ce cas, l'endroit où trouver de plus amples informations;
5° des informations relatives aux projections en matière de retraites fondées sur l'âge de retraite fixé au point 2°, et une clause de non-responsabilité selon laquelle ces projections peuvent différer du montant final des prestations.
[2 Si les projections en matière de retraites sont fondées sur des scénarios économiques, ces informations contiennent également le scénario le plus réaliste et un scénario défavorable, en tenant compte de la nature propre du régime de retraite.]2
[2 Le Roi peut]2 énoncer les règles permettant de déterminer les hypothèses sur lesquelles se fondent les projections en matière de retraites susvisées. Ces règles sont appliquées par l'IRP pour déterminer, le cas échéant, le taux annuel de rendement nominal des investissements, le taux d'inflation annuel et l'évolution future des salaires;
6° des informations relatives aux droits accumulés et au capital accumulé, tenant compte de la nature propre du régime de retraite;
7° des informations sur les cotisations versées par l'entreprise d'affiliation et l'affilié dans le régime de retraite au moins au cours des douze derniers mois, tenant compte de la nature propre du régime de retraite;
8° une ventilation des coûts qui ont été déduits par l'IRP au moins au cours des douze derniers mois et qui ont un impact sur les droits des affiliés;
9° des informations sur le niveau de financement du régime de retraite dans son ensemble;
10° où et comment obtenir des informations supplémentaires, notamment:
- de plus amples informations pratiques sur les options offertes aux affiliés par le régime de retraite;
- les informations contenues dans les comptes et rapports annuels, ainsi que les informations contenues dans la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement;
- le cas échéant, des informations sur les hypothèses utilisées pour estimer les montants exprimés en rente viagère, en particulier le taux de rente, le type de prestataire et la durée de la rente;
- des informations sur le niveau des prestations en cas de cessation d'emploi;
11° pour les régimes de retraite dans lesquels les affiliés supportent le risque d'investissement et où une option d'investissement est imposée à l'affilié par une règle spécifique prévue dans le régime de retraite, l'indication de l'endroit où il est possible de trouver des informations supplémentaires.]1
Art. 96/7. [1 In aanvulling op het pensioenoverzicht verstrekt de IBP aan iedere aangeslotene tijdig vóór de in artikel 96/6, § 3, 2°, bedoelde pensioenleeftijd of op verzoek van de aangeslotene, informatie over de beschikbare opties voor de uitbetaling van de pensioenuitkering.]1
Art. 96/7. [1 Outre le relevé des droits à retraite, l'IRP fournit à chaque affilié en temps utile avant l'âge de retraite visé à l'article 96/6, § 3, 2°, ou à la demande de l'affilié, des informations sur les options à la disposition des affiliés pour obtenir le versement de leur prestation de retraite.]1
Afdeling V. [1 - Tijdens de uitbetalingsfase aan de pensioengerechtigden te verstrekken informatie.]1
Section V. [1 - Informations à fournir aux bénéficiaires au cours de la phase de versement.]1
Art. 96/8. [1 § 1. De IBP verstrekt aan de pensioengerechtigden tijdens de uitbetalingsfase periodiek informatie over de verschuldigde uitkeringen en de overeenkomstige uitbetalingsmogelijkheden.
§ 2. De IBP stelt de pensioengerechtigden tijdens de uitbetalingsfase onverwijld in kennis nadat een definitief besluit is genomen dat in een verlaging van de hun toekomende uitkeringen resulteert, en drie maanden voordat dat besluit wordt toegepast.
§ 3. Wanneer tijdens de uitbetalingsfase een aanzienlijk deel van het beleggingsrisico door de pensioengerechtigden wordt gedragen, ontvangen de pensioengerechtigden hierover regelmatig passende informatie.]1
§ 2. De IBP stelt de pensioengerechtigden tijdens de uitbetalingsfase onverwijld in kennis nadat een definitief besluit is genomen dat in een verlaging van de hun toekomende uitkeringen resulteert, en drie maanden voordat dat besluit wordt toegepast.
§ 3. Wanneer tijdens de uitbetalingsfase een aanzienlijk deel van het beleggingsrisico door de pensioengerechtigden wordt gedragen, ontvangen de pensioengerechtigden hierover regelmatig passende informatie.]1
Art. 96/8. [1 § 1er. L'IRP fournit régulièrement aux bénéficiaires, au cours de la phase de versement, les informations relatives aux prestations qui leur sont dues et aux options de versement correspondantes.
§ 2. L'IRP informe les bénéficiaires sans délai, au cours de la phase de versement, après qu'une décision définitive a été prise conduisant à une réduction du niveau des prestations qui leur sont dues, et au plus tard trois mois avant que cette décision ne soit mise en oeuvre.
§ 3. Lorsqu'un niveau important de risque d'investissement est supporté par les bénéficiaires au cours de la phase de versement, les bénéficiaires reçoivent régulièrement des informations appropriées.]1
§ 2. L'IRP informe les bénéficiaires sans délai, au cours de la phase de versement, après qu'une décision définitive a été prise conduisant à une réduction du niveau des prestations qui leur sont dues, et au plus tard trois mois avant que cette décision ne soit mise en oeuvre.
§ 3. Lorsqu'un niveau important de risque d'investissement est supporté par les bénéficiaires au cours de la phase de versement, les bénéficiaires reçoivent régulièrement des informations appropriées.]1
Afdeling VI. [1 - Informatie aan de aangeslotenen en de pensioengerechtigden van wettelijke pensioenregelingen.]1
Section VI. [1 - Informations à fournir aux affiliés et aux bénéficiaires de régimes légaux de retraite.]1
Art. 96/9. [1 De bepalingen van de afdelingen II tot en met V zijn niet van toepassing op de IBP's voor hun activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 3°.]1
Art. 96/9. [1 Les dispositions des sections II à V ne sont pas applicables aux IRP en ce qui concerne leurs activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 3°.]1
Art. 96/10. [1 Met betrekking tot de activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 3°, verstrekt de IBP, op verzoek van de aangeslotenen, pensioengerechtigden tijdens de uitbetalingsfase of hun vertegenwoordigers, de volgende informatie:
1° de jaarrekeningen en de jaarverslagen als bedoeld in artikel 81, of indien een IBP verantwoordelijk is voor meer dan één regeling, de jaarverslagen en de jaarrekeningen voor hun specifieke pensioenregeling;
2° de in artikel 95 bedoelde verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
De informatie wordt kosteloos ter beschikking gesteld op papier of op elektronische wijze via een duurzame drager. In het laatste geval wordt op verzoek ook kosteloos een papieren afschrift verstrekt.
De in het eerste lid opgenomen informatieverplichting kan eveneens worden vervuld door de bijdragende onderneming.]1
1° de jaarrekeningen en de jaarverslagen als bedoeld in artikel 81, of indien een IBP verantwoordelijk is voor meer dan één regeling, de jaarverslagen en de jaarrekeningen voor hun specifieke pensioenregeling;
2° de in artikel 95 bedoelde verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
De informatie wordt kosteloos ter beschikking gesteld op papier of op elektronische wijze via een duurzame drager. In het laatste geval wordt op verzoek ook kosteloos een papieren afschrift verstrekt.
De in het eerste lid opgenomen informatieverplichting kan eveneens worden vervuld door de bijdragende onderneming.]1
Art. 96/10. [1 En ce qui concerne les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 3°, à la demande des affiliés, des bénéficiaires se trouvant dans la phase de versement ou de leurs représentants, l'IRP fournit les informations suivantes:
1° les comptes annuels et rapports annuels visés à l'article 81 ou, si l'IRP est responsable de plusieurs régimes, les comptes et rapports afférents à leur propre régime de retraite;
2° la déclaration des principes fondant la politique de placement, visée à l'article 95.
Les informations sont fournies gratuitement sur papier ou par voie électronique via un support durable. Dans ce dernier cas, une copie papier est également fournie gratuitement sur demande.
L'obligation d'information visée à l'alinéa 1er peut également être remplie par l'entreprise d'affiliation.]1
1° les comptes annuels et rapports annuels visés à l'article 81 ou, si l'IRP est responsable de plusieurs régimes, les comptes et rapports afférents à leur propre régime de retraite;
2° la déclaration des principes fondant la politique de placement, visée à l'article 95.
Les informations sont fournies gratuitement sur papier ou par voie électronique via un support durable. Dans ce dernier cas, une copie papier est également fournie gratuitement sur demande.
L'obligation d'information visée à l'alinéa 1er peut également être remplie par l'entreprise d'affiliation.]1
HOOFDSTUK VII. - Uitoefening van het toezicht.
CHAPITRE VII. - Exercice du contrôle.
Afdeling I. - Uitoefening van het toezicht door de [1 Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten]1
Section Ire. - Exercice du contrôle par [1 l'Autorité des services et marchés financiers]1
Art.97. [1 De FSMA heeft de bevoegdheid om de strategieën, processen en rapporteringsprocedures te beoordelen, die een IBP heeft vastgesteld om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld, rekening houdend met de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de IBP.
Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheden waarin de IBP optreedt, en, in voorkomend geval, de partijen die voor hem sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden uitvoeren die zijn uitbesteed. De beoordeling omvat de volgende elementen:
1° een beoordeling van de kwalitatieve vereisten in verband met het governancesysteem;
2° een beoordeling van de risico's die de IBP loopt;
3° een beoordeling van het vermogen van de IBP om die risico's te evalueren en te beheren.
In dit verband zorgt de FSMA voor passende monitoringinstrumenten, met inbegrip van stresstests, waarmee ze een verslechtering van de financiële positie van een IBP kan detecteren en waarmee ze kan nagaan hoe deze verslechtering wordt verholpen.]1
Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheden waarin de IBP optreedt, en, in voorkomend geval, de partijen die voor hem sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden uitvoeren die zijn uitbesteed. De beoordeling omvat de volgende elementen:
1° een beoordeling van de kwalitatieve vereisten in verband met het governancesysteem;
2° een beoordeling van de risico's die de IBP loopt;
3° een beoordeling van het vermogen van de IBP om die risico's te evalueren en te beheren.
In dit verband zorgt de FSMA voor passende monitoringinstrumenten, met inbegrip van stresstests, waarmee ze een verslechtering van de financiële positie van een IBP kan detecteren en waarmee ze kan nagaan hoe deze verslechtering wordt verholpen.]1
Art.97. [1 La FSMA est compétente pour examiner les stratégies, les processus et les procédures de communication d'informations établis par une IRP en vue de se conformer aux dispositions adoptées par ou en vertu de la présente loi, en tenant compte de la taille, de la nature, de l'ampleur et de la complexité des activités de l'IRP.
Cet examen tient compte des circonstances dans lesquelles l'IRP exerce ses activités et, le cas échéant, des tiers qui exercent pour elle des fonctions clés ou d'autres activités sous-traitées. L'examen comprend les éléments suivants:
1° une appréciation des exigences qualitatives relatives au système de gouvernance;
2° une appréciation des risques auxquels l'IRP est exposée;
3° une appréciation de la capacité de l'IRP à évaluer et à gérer ces risques.
La FSMA veille dans ce cadre à disposer d'outils de suivi appropriés, notamment de tests de résistance, qui lui permettent de détecter toute détérioration de la situation financière d'une IRP et de vérifier de quelle manière il y est porté remède.]1
Cet examen tient compte des circonstances dans lesquelles l'IRP exerce ses activités et, le cas échéant, des tiers qui exercent pour elle des fonctions clés ou d'autres activités sous-traitées. L'examen comprend les éléments suivants:
1° une appréciation des exigences qualitatives relatives au système de gouvernance;
2° une appréciation des risques auxquels l'IRP est exposée;
3° une appréciation de la capacité de l'IRP à évaluer et à gérer ces risques.
La FSMA veille dans ce cadre à disposer d'outils de suivi appropriés, notamment de tests de résistance, qui lui permettent de détecter toute détérioration de la situation financière d'une IRP et de vérifier de quelle manière il y est porté remède.]1
Art. 97/1. [1 § 1. Op eenvoudig verzoek van de FSMA zijn de IBP, de leden van haar organen, haar personeelsleden en de personen verantwoordelijk voor de sleutelfuncties, alsook de externe adviseurs op wie zij een beroep doen, ertoe gehouden haar alle inlichtingen te verstrekken over alle aangelegenheden met betrekking tot de IBP, met inbegrip van de uitbestede en vervolgens onderuitbestede activiteiten, en haar alle desbetreffende documenten over te maken.
§ 2 De FSMA bepaalt bij reglement de aard, de inhoud, de frequentie, de termijn en de drager van de documenten die de IBP haar regelmatig moet bezorgen om haar in staat te stellen haar toezichtstaak uit te oefenen en te voldoen aan haar rapporteringopdracht ten aanzien van nationale en internationale instellingen.
Daartoe behoren onder andere:
1° interne tussentijdse verslagen, onder andere verslagen over tekorten ten opzichte van de technische voorzieningen en/of de solvabiliteitsmarge die zich in de loop van het boekjaar voordoen;
2° actuariële schattingen en gedetailleerde hypothesen;
3° activa-passiva-studies;
4° bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de beleggingsbeginselen werkelijk worden gevolgd;
5° bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de bijdragen zoals gepland zijn betaald;
6° verslagen van de vergaderingen van de raad van bestuur en de bijlagen ervan;
7° verslagen van de erkende commissaris;
8° informatie over elke afzonderlijke pensioenregeling.]1
§ 2 De FSMA bepaalt bij reglement de aard, de inhoud, de frequentie, de termijn en de drager van de documenten die de IBP haar regelmatig moet bezorgen om haar in staat te stellen haar toezichtstaak uit te oefenen en te voldoen aan haar rapporteringopdracht ten aanzien van nationale en internationale instellingen.
Daartoe behoren onder andere:
1° interne tussentijdse verslagen, onder andere verslagen over tekorten ten opzichte van de technische voorzieningen en/of de solvabiliteitsmarge die zich in de loop van het boekjaar voordoen;
2° actuariële schattingen en gedetailleerde hypothesen;
3° activa-passiva-studies;
4° bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de beleggingsbeginselen werkelijk worden gevolgd;
5° bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de bijdragen zoals gepland zijn betaald;
6° verslagen van de vergaderingen van de raad van bestuur en de bijlagen ervan;
7° verslagen van de erkende commissaris;
8° informatie over elke afzonderlijke pensioenregeling.]1
Art. 97/1. [1 § 1er. Sur simple demande de la FSMA, l'IRP, les membres de ses organes, les membres de son personnel et les personnes responsables des fonctions clés, ainsi que les conseillers externes auxquels ils font appel, sont tenus de lui fournir tout renseignement sur tout ce qui a trait à l'IRP, en ce compris les activités sous-traitées, que ce soit directement ou en cascade, et de lui délivrer tout document en la matière.
§ 2 La FSMA détermine, par voie de règlement, la nature, le contenu, la périodicité, le délai et le support des documents que l'IRP doit lui transmettre régulièrement en vue de lui permettre d'exercer sa mission de contrôle et de s'acquitter de son devoir de communication d'informations à des organismes nationaux et internationaux.
En font notamment partie:
1° des rapports internes intermédiaires, entre autres des rapports sur les insuffisances à l'égard des provisions techniques et/ou de la marge de solvabilité qui se sont produites au cours de l'exercice comptable;
2° des évaluations actuarielles et leurs hypothèses détaillées;
3° des études sur l'adéquation entre les actifs et les passifs;
4° des documents attestant la cohérence avec les principes fondant la politique de placement;
5° la preuve que les cotisations ont été versées comme prévu;
6° les procès-verbaux des réunions du conseil d'administration et leurs annexes;
7° les rapports du commissaire agréé;
8° des informations sur chaque régime de retraite distinct.]1
§ 2 La FSMA détermine, par voie de règlement, la nature, le contenu, la périodicité, le délai et le support des documents que l'IRP doit lui transmettre régulièrement en vue de lui permettre d'exercer sa mission de contrôle et de s'acquitter de son devoir de communication d'informations à des organismes nationaux et internationaux.
En font notamment partie:
1° des rapports internes intermédiaires, entre autres des rapports sur les insuffisances à l'égard des provisions techniques et/ou de la marge de solvabilité qui se sont produites au cours de l'exercice comptable;
2° des évaluations actuarielles et leurs hypothèses détaillées;
3° des études sur l'adéquation entre les actifs et les passifs;
4° des documents attestant la cohérence avec les principes fondant la politique de placement;
5° la preuve que les cotisations ont été versées comme prévu;
6° les procès-verbaux des réunions du conseil d'administration et leurs annexes;
7° les rapports du commissaire agréé;
8° des informations sur chaque régime de retraite distinct.]1
Art.98. Ten minste drie weken vóór de algemene vergadering stelt deze laatste de [4 FSMA]4 in kennis van de ontwerpen [1 ...]1 van de statutenwijzigingen alsook van de beslissingen die tijdens die vergadering zullen worden voorgesteld en die een weerslag zouden kunnen hebben op de rechten van de aangeslotenen of de [5 pensioengerechtigden]5.
[1 De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bezorgt aan de [4 FSMA]4 de ontwerpjaarrekening ten laatste op de door deze laatste vastgestelde datum.]1
De [4 FSMA]4 kan eisen dat de opmerkingen die zij over die ontwerpen formuleert, ter kennis worden gebracht van de algemene vergadering.
Die opmerkingen en de antwoorden daarop moeten voorkomen in de notulen van de algemene vergadering.
Binnen de maand die volgt op hun goedkeuring door de algemene vergadering [2 ...]2 stelt de instelling de [4 FSMA]4 in kennis van de wijzigingen in de statuten en van de beslissingen die een weerslag kunnen hebben op de rechten van de aangeslotenen of de [5 pensioengerechtigden]5.
[1 De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bezorgt aan de [4 FSMA]4 de ontwerpjaarrekening ten laatste op de door deze laatste vastgestelde datum.]1
De [4 FSMA]4 kan eisen dat de opmerkingen die zij over die ontwerpen formuleert, ter kennis worden gebracht van de algemene vergadering.
Die opmerkingen en de antwoorden daarop moeten voorkomen in de notulen van de algemene vergadering.
Binnen de maand die volgt op hun goedkeuring door de algemene vergadering [2 ...]2 stelt de instelling de [4 FSMA]4 in kennis van de wijzigingen in de statuten en van de beslissingen die een weerslag kunnen hebben op de rechten van de aangeslotenen of de [5 pensioengerechtigden]5.
Änderungen
Art.98. L'institution de retraite professionnelle communique à la [4 FSMA]4 au moins trois semaines avant la réunion de l'assemblée générale les projets [1 ...]1 de modifications aux statuts, ainsi que les décisions qui seront proposées lors de cette réunion et qui sont susceptibles d'avoir une incidence sur les droits des affiliés ou des bénéficiaires.
[1 L'institution de retraite professionnelle communique à la [4 FSMA]4 les projets de comptes annuels au plus tard à la date fixée par celle-ci.]1
La [4 FSMA]4 peut exiger que les observations qu'elle formule concernant ces projets soient portées à la connaissance de l'assemblée générale.
Ces observations et les réponses qui y sont apportées doivent figurer au procès-verbal de la réunion de l'assemblé générale.
L'institution communique à la [4 FSMA]4 dans le mois suivant leur approbation par l'assemblée générale [2 ...]2 les modifications aux statuts, ainsi que les décisions qui peuvent avoir une incidence sur les droits des affiliés ou des bénéficiaires.
[1 L'institution de retraite professionnelle communique à la [4 FSMA]4 les projets de comptes annuels au plus tard à la date fixée par celle-ci.]1
La [4 FSMA]4 peut exiger que les observations qu'elle formule concernant ces projets soient portées à la connaissance de l'assemblée générale.
Ces observations et les réponses qui y sont apportées doivent figurer au procès-verbal de la réunion de l'assemblé générale.
L'institution communique à la [4 FSMA]4 dans le mois suivant leur approbation par l'assemblée générale [2 ...]2 les modifications aux statuts, ainsi que les décisions qui peuvent avoir une incidence sur les droits des affiliés ou des bénéficiaires.
Änderungen
Art.100. De [2 FSMA]2 kan de betrekkingen tussen een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en andere instellingen of ondernemingen, met inbegrip van de bijdragende onderneming, controleren, wanneer de volgende omstandigheden zich voordoen :
1° [4 de IBP heeft taken of sleutelfuncties uitbesteed of onderuitbesteed aan deze ondernemingen en instellingen;]4
2° deze betrekkingen beïnvloeden de financiële situatie van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of zijn in belangrijke mate relevant voor de uitoefening van een efficiënt toezicht.
Dit toezicht mag slechts tot doel hebben de financiële toestand, de beheersstructuur en de administratieve en boekhoudkundige organisatie van de onder toezicht staande instelling voor bedrijfspensioenvoorziening te controleren en na te gaan of de instelling voldoet aan de verplichtingen die ze jegens de aangeslotenen of [3 pensioengerechtigden]3 van de pensioenregelingen heeft aangegaan.
[5 Aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt geacht te zijn voldaan met betrekking tot derde aanbieders van ICT-diensten, bedoeld in artikel 3, 19) van Verordening 2022/2554.]5
1° [4 de IBP heeft taken of sleutelfuncties uitbesteed of onderuitbesteed aan deze ondernemingen en instellingen;]4
2° deze betrekkingen beïnvloeden de financiële situatie van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of zijn in belangrijke mate relevant voor de uitoefening van een efficiënt toezicht.
Dit toezicht mag slechts tot doel hebben de financiële toestand, de beheersstructuur en de administratieve en boekhoudkundige organisatie van de onder toezicht staande instelling voor bedrijfspensioenvoorziening te controleren en na te gaan of de instelling voldoet aan de verplichtingen die ze jegens de aangeslotenen of [3 pensioengerechtigden]3 van de pensioenregelingen heeft aangegaan.
[5 Aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt geacht te zijn voldaan met betrekking tot derde aanbieders van ICT-diensten, bedoeld in artikel 3, 19) van Verordening 2022/2554.]5
Änderungen
Art.100. La [2 FSMA]2 peut contrôler les relations entre une institution de retraite professionnelle et d'autres institutions ou entreprises, en ce compris les entreprises d'affiliation, lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° [3 L'IRP a sous-traité des fonctions ou des fonctions clés, ou celles-ci ont fait l'objet de sous-traitance en cascade, à ces entreprises ou institutions;]3
2° ces relations influencent la situation financière de l'institution de retraite professionnelle ou revêtent une importance significative pour l'exercice d'un contrôle efficace.
Ce contrôle ne peut avoir d'autre objet que la vérification de la situation financière, de la structure de gestion et de l'organisation administrative et comptable de l'institution de retraite professionnelle contrôlée, ainsi que du respect par cette dernière des engagements à l'égard des affiliés ou bénéficiaires des régimes de retraite.
[4 Les conditions visées à l'alinéa 1er, 2°, sont supposées réunies en ce qui concerne les prestataires tiers de services TIC, visés à l'article 3, 19), du règlement 2022/2554.]4
1° [3 L'IRP a sous-traité des fonctions ou des fonctions clés, ou celles-ci ont fait l'objet de sous-traitance en cascade, à ces entreprises ou institutions;]3
2° ces relations influencent la situation financière de l'institution de retraite professionnelle ou revêtent une importance significative pour l'exercice d'un contrôle efficace.
Ce contrôle ne peut avoir d'autre objet que la vérification de la situation financière, de la structure de gestion et de l'organisation administrative et comptable de l'institution de retraite professionnelle contrôlée, ainsi que du respect par cette dernière des engagements à l'égard des affiliés ou bénéficiaires des régimes de retraite.
[4 Les conditions visées à l'alinéa 1er, 2°, sont supposées réunies en ce qui concerne les prestataires tiers de services TIC, visés à l'article 3, 19), du règlement 2022/2554.]4
Änderungen
Art.101. De [3 FSMA]3 kan verificaties uitvoeren in de bedrijfsruimten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en, waar nodig, in de ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 100, om na te gaan of de activiteiten worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen waarin door of krachtens deze wet is voorzien, en overeenkomstig de bepalingen van de sociale en de arbeidswetgeving en op het vlak van de informatieverstrekking aan de aangeslotenen en de [4 pensioengerechtigden]4, waarvan het toezicht tot haar bevoegdheid behoort. Daartoe kan zij ter plaatse kennis nemen en kopie maken van alle gegevens die in het bezit zijn van de voormelde ondernemingen en instellingen.
De [3 FSMA]3 kan leden van haar personeel of hiertoe gemachtigde en door haar bezoldigde deskundigen afvaardigen, die haar verslag uitbrengen.
De [3 FSMA]3 kan leden van haar personeel of hiertoe gemachtigde en door haar bezoldigde deskundigen afvaardigen, die haar verslag uitbrengen.
Änderungen
Art.101. La [3 FSMA]3 peut procéder à des vérifications sur place dans les locaux de l'institution de retraite professionnelle et, le cas échéant, auprès des entreprises et institutions visées a l'article 100, afin de vérifier si les activités sont exercées conformément aux dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi, ainsi qu'aux dispositions de droit social, de droit du travail et en matière d'information des affiliés et des bénéficiaires, dont le contrôle relève de sa compétence. Elle peut à cette fin prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par les entreprises et les institutions précitées.
La [3 FSMA]3 peut déléguer des membres de son personnel ou des experts mandatés à cet effet et rémunérés par elle, qui lui font rapport.
La [3 FSMA]3 peut déléguer des membres de son personnel ou des experts mandatés à cet effet et rémunérés par elle, qui lui font rapport.
Änderungen
Art.102. Tegen de personen die te goeder trouw aan de [2 FSMA]2 feiten of documenten in verband met diens controleopdracht verstrekt hebben, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
Art.102. Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les personnes qui ont divulgué de bonne foi à la [2 FSMA]2 des faits ou des documents en rapport avec la mission de contrôle de cette dernière.
Art. 102/1. [1 De FSMA verstrekt op haar website de volgende informatie:
1° de reglementering op het statuut van en het toezicht op de IBP's, evenals de reglementen en circulaires genomen in uitvoering of met toepassing van deze wetgeving;
2° de doelstellingen van het toezicht dat door de FSMA wordt uitgeoefend met toepassing van de onder 1° bedoelde wetgeving en de toezichtfuncties en -activiteiten die zij in die hoedanigheid uitoefent, in het bijzonder informatie over het in artikel 97 beschreven prudentieel toezichtsproces;
3° geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de toepassing van het prudentieel kader;
4° de voorschriften inzake bestuursrechtelijke sancties en andere maatregelen bij inbreuken op de bepalingen van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen;
5° informatie over de keuze inzake de opties bepaald bij artikel 4 en 5 van de richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
6° andere informatie, als voorgeschreven bij de besluiten en reglementen genomen in uitvoering van deze wet.]1
1° de reglementering op het statuut van en het toezicht op de IBP's, evenals de reglementen en circulaires genomen in uitvoering of met toepassing van deze wetgeving;
2° de doelstellingen van het toezicht dat door de FSMA wordt uitgeoefend met toepassing van de onder 1° bedoelde wetgeving en de toezichtfuncties en -activiteiten die zij in die hoedanigheid uitoefent, in het bijzonder informatie over het in artikel 97 beschreven prudentieel toezichtsproces;
3° geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de toepassing van het prudentieel kader;
4° de voorschriften inzake bestuursrechtelijke sancties en andere maatregelen bij inbreuken op de bepalingen van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen;
5° informatie over de keuze inzake de opties bepaald bij artikel 4 en 5 van de richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
6° andere informatie, als voorgeschreven bij de besluiten en reglementen genomen in uitvoering van deze wet.]1
Art. 102/1. [1 La FSMA fournit sur son site web les informations suivantes:
1° la réglementation applicable au statut et au contrôle des IRP, ainsi que les règlements et circulaires pris en exécution ou en application de cette réglementation;
2° les objectifs du contrôle exercé par la FSMA en application de la réglementation visée au point 1°, ainsi que les fonctions et activités de contrôle qu'elle exerce en cette qualité, en particulier des informations relatives au processus de contrôle prudentiel décrit à l'article 97;
3° des données statistiques agrégées sur les principaux aspects de l'application du cadre prudentiel;
4° les règles relatives aux sanctions administratives et autres mesures applicables en cas de violation des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution;
5° des informations sur le choix opéré en ce qui concerne les options prévues aux articles 4 et 5 de la directive (UE) 2016/2341 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2016 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle;
6° toute autre information, telle que prescrite par les arrêtés et règlements pris en exécution de la présente loi.]1
1° la réglementation applicable au statut et au contrôle des IRP, ainsi que les règlements et circulaires pris en exécution ou en application de cette réglementation;
2° les objectifs du contrôle exercé par la FSMA en application de la réglementation visée au point 1°, ainsi que les fonctions et activités de contrôle qu'elle exerce en cette qualité, en particulier des informations relatives au processus de contrôle prudentiel décrit à l'article 97;
3° des données statistiques agrégées sur les principaux aspects de l'application du cadre prudentiel;
4° les règles relatives aux sanctions administratives et autres mesures applicables en cas de violation des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution;
5° des informations sur le choix opéré en ce qui concerne les options prévues aux articles 4 et 5 de la directive (UE) 2016/2341 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2016 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle;
6° toute autre information, telle que prescrite par les arrêtés et règlements pris en exécution de la présente loi.]1
Art.102/2. [1 De bepalingen van deze afdeling zijn ook van toepassing met betrekking tot Verordening 2019/2088 en de artikelen 5 tot en met 7 van Verordening 2020/852 [2 , alsook Verordening 2022/2554]2.]1
Art.102/2. [1 Les dispositions de la présente section sont également d'application en ce qui concerne le Règlement 2019/2088 et les articles 5 à 7 du Règlement 2020/852 [2 , ainsi que le règlement 2022/2554]2.]1
Afdeling II. - De erkende commissarissen en de erkende revisoraatvennootschappen.
Section II. - Les commissaires agréés et les sociétés de révision agréées.
Art.103. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening belast één of meer commissarissen met de controle van de financiële toestand, van de jaarrekening en van de regelmatigheid in het licht van de wet en van de statuten, van de verrichtingen die in de jaarrekening moeten worden vastgesteld.
De in het eerste lid bedoelde opdrachten van de commissaris, dienen toevertrouwd te worden aan een of meerdere revisoren of aan een of meer revisoraatvennootschappen, die van het Instituut van de bedrijfsrevisoren leden zijn en die daartoe erkend zijn door de [3 FSMA]3 overeenkomstig artikel 105.
Deze revisoren en revisoraatvennootschappen voeren de titel van respectievelijk erkend commissaris en erkende revisoraatvennootschap.
Het mandaat van de erkende commissarissen en de erkende revisoraatvennootschappen geldt voor drie jaar. Het is hernieuwbaar. <KB 2007-04-21/42, art. 103, §3, 018; Inwerkingtreding : 31-08-2007>
De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening mogen plaatsvervangende erkende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de erkend commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 104 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.
[1 De voorschriften van [5 boek 3, titel 4, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]5 met betrekking tot de commissarissen zijn van toepassing op de erkende commissarissen en erkende revisoraatvennootschappen aangesteld door de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. [5 Ten behoeve van deze wet moeten de woorden "vennoten", "wetboek" en "vennootschap", aangewend in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden verstaan als respectievelijk "leden", "wet" en "instelling voor bedrijfspensioenvoorziening]5.]1
De in het eerste lid bedoelde opdrachten van de commissaris, dienen toevertrouwd te worden aan een of meerdere revisoren of aan een of meer revisoraatvennootschappen, die van het Instituut van de bedrijfsrevisoren leden zijn en die daartoe erkend zijn door de [3 FSMA]3 overeenkomstig artikel 105.
Deze revisoren en revisoraatvennootschappen voeren de titel van respectievelijk erkend commissaris en erkende revisoraatvennootschap.
Het mandaat van de erkende commissarissen en de erkende revisoraatvennootschappen geldt voor drie jaar. Het is hernieuwbaar. <KB 2007-04-21/42, art. 103, §3, 018; Inwerkingtreding : 31-08-2007>
De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening mogen plaatsvervangende erkende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de erkend commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 104 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.
[1 De voorschriften van [5 boek 3, titel 4, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]5 met betrekking tot de commissarissen zijn van toepassing op de erkende commissarissen en erkende revisoraatvennootschappen aangesteld door de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. [5 Ten behoeve van deze wet moeten de woorden "vennoten", "wetboek" en "vennootschap", aangewend in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden verstaan als respectievelijk "leden", "wet" en "instelling voor bedrijfspensioenvoorziening]5.]1
Änderungen
Art.103. L'institution de retraite professionnelle confie à un ou plusieurs commissaires le contrôle de la situation financière, des comptes annuels et de la régularité au regard de la loi et des statuts, des opérations à constater dans les comptes annuels.
Les fonctions de commissaire prévues par l'alinéa 1er doivent être confiées à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de révision, membres de l'Institut des réviseurs d'entreprises, agréés par la [3 FSMA]3 conformément à l'article 105.
Ces reviseurs et ces sociétés de revision portent respectivement le titre de commissaire agréé et de société de revision agréée.
Le mandat des commissaires agréées et des sociétés de révision agréées est de trois ans. Il est renouvable.
Les institutions de retraite professionnelle peuvent désigner des commissaires agréés suppléants qui exercent les fonctions de commissaires agréées en cas d'empêchement durable de leur titulaire. Les dispositions du présent article et de l'article 104 sont applicables à ces suppléants.
[1 Les dispositions du [4 livre 3, titre 4, du Code des sociétés et des associations]4 relatives aux commissaires sont applicables aux commissaires agréés et sociétés de révision agréées désignés par les institutions de retraite professionnelle.[4 Pour les besoins de la présente loi, les mots "associés", "code" et "société" utilisés dans le Code des sociétés et des associations s'entendent comme étant respectivement "membres", "loi" et "institution de retraite professionnelle]4]1
Les fonctions de commissaire prévues par l'alinéa 1er doivent être confiées à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de révision, membres de l'Institut des réviseurs d'entreprises, agréés par la [3 FSMA]3 conformément à l'article 105.
Ces reviseurs et ces sociétés de revision portent respectivement le titre de commissaire agréé et de société de revision agréée.
Le mandat des commissaires agréées et des sociétés de révision agréées est de trois ans. Il est renouvable.
Les institutions de retraite professionnelle peuvent désigner des commissaires agréés suppléants qui exercent les fonctions de commissaires agréées en cas d'empêchement durable de leur titulaire. Les dispositions du présent article et de l'article 104 sont applicables à ces suppléants.
[1 Les dispositions du [4 livre 3, titre 4, du Code des sociétés et des associations]4 relatives aux commissaires sont applicables aux commissaires agréés et sociétés de révision agréées désignés par les institutions de retraite professionnelle.[4 Pour les besoins de la présente loi, les mots "associés", "code" et "société" utilisés dans le Code des sociétés et des associations s'entendent comme étant respectivement "membres", "loi" et "institution de retraite professionnelle]4]1
Änderungen
Art.104. [1 De erkende revisoraatvennootschappen oefenen de taken van erkend commissaris als bedoeld in artikel 103, uit door middel van een vaste vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 3, 26°, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren. Deze vaste vertegenwoordiger is overeenkomstig artikel 105 als erkend commissaris door de FSMA erkend.]1
De voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de taak, de verplichtingen en verbodsbepalingen voor erkende commissarissen alsmede de voor hen geldende, andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de erkende revisoraatvennootschappen als voor de erkende commissarissen die hen vertegenwoordigen.
Een erkende revisoraatvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.
De voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de taak, de verplichtingen en verbodsbepalingen voor erkende commissarissen alsmede de voor hen geldende, andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de erkende revisoraatvennootschappen als voor de erkende commissarissen die hen vertegenwoordigen.
Een erkende revisoraatvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.
Art.104. [1 Les sociétés de révision agréées exercent les fonctions de commissaire agréé prévues à l'article 103 par l'intermédiaire d'un représentant permanent tel que visé à l'article 3, 26°, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprise. Ce représentant permanent est agréé en tant que commissaire agréé conformément à l'article 105 par la FSMA.]1
Les dispositions de la présente loi et des arrêtés pris pour son exécution et qui sont relatives à la désignation, aux fonctions, aux obligations et aux interdictions des commissaires agréés ainsi qu'aux sanctions, autres que pénales, qui sont applicables à ces derniers, sont applicables simultanément aux sociétés de revision agréées et aux commissaires agréés qui les représentent.
Une société de révision agréée peut désigner un représentant suppléant parmi ses membres remplissant les conditions pour être désignés.
Les dispositions de la présente loi et des arrêtés pris pour son exécution et qui sont relatives à la désignation, aux fonctions, aux obligations et aux interdictions des commissaires agréés ainsi qu'aux sanctions, autres que pénales, qui sont applicables à ces derniers, sont applicables simultanément aux sociétés de revision agréées et aux commissaires agréés qui les représentent.
Une société de révision agréée peut désigner un représentant suppléant parmi ses membres remplissant les conditions pour être désignés.
Art.105. De [2 FSMA]2A legt, na goedkeuring door de Minister van Economie, het reglement vast voor de erkenning van de commissarissen en de revisoraatsvennootschappen bedoeld in deze afdeling.
Het Instituut der Bedrijfsrevisoren brengt de [2 FSMA]2 op de hoogte telkens als een tuchtprocedure wordt ingeleid tegen een erkend commissaris of een erkende revisoraatsvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn taak bij een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening alsook telkens als een tuchtmaatregel wordt genomen tegen een erkend commissaris of een erkende revisoraatsvennootschap, met opgave van de motivering.
Het Instituut der Bedrijfsrevisoren brengt de [2 FSMA]2 op de hoogte telkens als een tuchtprocedure wordt ingeleid tegen een erkend commissaris of een erkende revisoraatsvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn taak bij een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening alsook telkens als een tuchtmaatregel wordt genomen tegen een erkend commissaris of een erkende revisoraatsvennootschap, met opgave van de motivering.
Art.105. La [2 FSMA]2 arrête, sous approbation du Ministre de l'Economie, le règlement d'agrément des commissaires et des sociétés de revision visés par la présente section.
L'Institut des Réviseurs d'entreprise informe la [2 FSMA]2 de l'ouverture de toute procédure disciplinaire à l'encontre d'un commissaire agréé ou d'une société de revision agréée pour manquement commis dans l'exercice de ses fonctions auprès d'une institution de retraite professionnelle, ainsi que de toute mesure disciplinaire prise à l'encontre d'un commissaire agréé ou d'une société de revision agréée et de ses motifs.
L'Institut des Réviseurs d'entreprise informe la [2 FSMA]2 de l'ouverture de toute procédure disciplinaire à l'encontre d'un commissaire agréé ou d'une société de revision agréée pour manquement commis dans l'exercice de ses fonctions auprès d'une institution de retraite professionnelle, ainsi que de toute mesure disciplinaire prise à l'encontre d'un commissaire agréé ou d'une société de revision agréée et de ses motifs.
Art.106. Voor de aanstelling van erkende commissarissen en plaatsvervangende erkende commissarissen bij instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening is de voorafgaande instemming van de [2 FSMA]2 vereist. Deze instemming moet worden gevraagd door het orgaan van de instelling dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisoraatsvennootschap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger.
Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht.
Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht.
Art.106. La désignation des commissaires agréés et des commissaires agréés suppléants auprès des institutions de retraite professionnelle est subordonnée à l'accord préalable de la [2 FSMA]2. Cet accord est recueilli par l'organe de l'institution qui fait la proposition de désignation. En cas de désignation d'une société de revision agréée, l'accord porte conjointement sur la société et son représentant.
Le même accord est requis pour le renouvellement du mandat.
Le même accord est requis pour le renouvellement du mandat.
Art.107. De [2 FSMA]2 kan haar instemming overeenkomstig artikel 105 met een erkende commissaris, plaatsvervangend erkende commissaris, een erkende revisoraatsvennootschap of vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoordiger van zo'n vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die is gemotiveerd door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkend commissaris of erkende revisoraatsvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van erkend commissaris.
Vooraleer een erkend commissaris ontslag neemt, worden de [2 FSMA]2 en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering.
Het erkenningsreglement regelt de procedure.
Bij afwezigheid van een plaatsvervangend erkend commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisoraatsvennootschap, zorgt de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of de erkende revisoraatsvennootschap, met naleving van artikel 105, binnen de twee maanden voor zijn vervanging.
Vooraleer een erkend commissaris ontslag neemt, worden de [2 FSMA]2 en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering.
Het erkenningsreglement regelt de procedure.
Bij afwezigheid van een plaatsvervangend erkend commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisoraatsvennootschap, zorgt de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of de erkende revisoraatsvennootschap, met naleving van artikel 105, binnen de twee maanden voor zijn vervanging.
Art.107. La [2 FSMA]2 peut, en tout temps, révoquer, par décision motivée par des raisons tenant à leur statut ou a l'exercice de leurs fonctions de commissaire agréé ou de société de révision agréee, tels que prévus par ou en vertu de la présente loi, l'accord donné, conformément à l'article 105, à un commissaire agréé, un commissaire agréé suppléant ou une société de révision agréée ou un représentant ou un représentant suppléant d'une telle sociéte. Cette révocation met fin aux fonctions de commissaire agréé.
En cas de démission d'un commissaire agréé, la [2 FSMA]2 et l'institution de retraite professionnelle en sont préalablement informés, ainsi que des motifs de la démission.
Le règlement d'agrément règle, pour le surplus, la procédure.
En l'absence d'un commissaire agréé suppléant ou d'un représentant suppléant d'une société agréée, l'institution de retraite professionnelle ou la société de révision agréée pourvoit, dans le respect de l'article 105, à son remplacement dans les deux mois.
En cas de démission d'un commissaire agréé, la [2 FSMA]2 et l'institution de retraite professionnelle en sont préalablement informés, ainsi que des motifs de la démission.
Le règlement d'agrément règle, pour le surplus, la procédure.
En l'absence d'un commissaire agréé suppléant ou d'un représentant suppléant d'une société agréée, l'institution de retraite professionnelle ou la société de révision agréée pourvoit, dans le respect de l'article 105, à son remplacement dans les deux mois.
Art.108. De erkende commissaris verleent zijn medewerking aan het toezicht van de [3 FSMA]3 onder zijn eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze afdeling, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de [3 FSMA]3. Daartoe :
1° vergewist hij zich ervan dat de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de passende maatregelen heeft getroffen voor de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle tot naleving van de wetten, besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° certificeert hij de technische voorzieningen;
3° bevestigt hij ten overstaan van de [3 FSMA]3 dat de periodieke staten die haar worden bezorgd door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, volledig, juist en volgens de geldende regels zijn opgemaakt;
4° brengt hij bij de [3 FSMA]3 periodiek verslag uit of, op haar verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening;
5° brengt hij, in het kader van zijn opdracht bij de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of van een revisorale opdracht bij de bijdragende onderneming of bij een onderneming waarop de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening in rechte of in feite controle uitoefent, op eigen initiatief verslag uit bij de [3 FSMA]3, zodra zij kennis krijgen van :
a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beïnvloeden;
b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de wetten, besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, van de statuten, van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen [4 , alsook van de bepalingen als bedoeld in artikel 102/2]4;
c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.
Tegen een erkend commissaris die ter goeder trouw informatie heeft verstrekt als bedoeld in het eerste lid, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
De erkend commissaris deelt aan de leiders van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de verslagen mee die hij aan de [3 FSMA]3 richt overeenkomstig het eerste lid, 4°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht zoals geregeld bij artikel 74 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. Hij bezorgt de [3 FSMA]3 een kopie van die mededelingen die hij aan deze leiders richt en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.
1° vergewist hij zich ervan dat de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de passende maatregelen heeft getroffen voor de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle tot naleving van de wetten, besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° certificeert hij de technische voorzieningen;
3° bevestigt hij ten overstaan van de [3 FSMA]3 dat de periodieke staten die haar worden bezorgd door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, volledig, juist en volgens de geldende regels zijn opgemaakt;
4° brengt hij bij de [3 FSMA]3 periodiek verslag uit of, op haar verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening;
5° brengt hij, in het kader van zijn opdracht bij de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of van een revisorale opdracht bij de bijdragende onderneming of bij een onderneming waarop de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening in rechte of in feite controle uitoefent, op eigen initiatief verslag uit bij de [3 FSMA]3, zodra zij kennis krijgen van :
a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beïnvloeden;
b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de wetten, besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, van de statuten, van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen [4 , alsook van de bepalingen als bedoeld in artikel 102/2]4;
c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.
Tegen een erkend commissaris die ter goeder trouw informatie heeft verstrekt als bedoeld in het eerste lid, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
De erkend commissaris deelt aan de leiders van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de verslagen mee die hij aan de [3 FSMA]3 richt overeenkomstig het eerste lid, 4°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht zoals geregeld bij artikel 74 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. Hij bezorgt de [3 FSMA]3 een kopie van die mededelingen die hij aan deze leiders richt en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.
Änderungen
Art.108. Le commissaire agréé collabore au contrôle exercé par la [3 FSMA]3 sous sa responsabilité personnelle et exclusive et conformément à la présente section, aux règles de la profession et aux instructions de la [3 FSMA]3. A cette fin :
1° il s'assure que l'institution de retraite professionnelle a adopté les mesures adéquates d'organisation administrative et comptable et de contrôle interne en vue du respect des lois, arrêtés et règlements relatifs au statut légal des institutions de retraite professionnelle;
2° il certifie les provisions techniques;
3° il confirme, à l'égard de la [3 FSMA]3, que les états périodiques qui lui sont transmis par l'institution de retraite professionnelle sont complets, corrects et établis selon les règles qui s'y appliquent;
4° il fait à la [3 FSMA]3 des rapports périodiques ou, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière de l'institution de retraite professionnelle;
5° dans le cadre de sa mission auprès de l'institution de retraite professionnelle ou d'une mission révisorale auprès de l'entreprise d'affiliation ou d'une entreprise dont l'institution de retraite professionnelle detient le contrôle en droit ou en fait, il fait d'initiative rapport à la [3 FSMA]3 dès qu'il constate :
a) des decisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de l'institution de retraite professionnelle sous l'angle financier ou sous l'angle de son organisation administrative et comptable ou son contrôle interne;
b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations des lois, arrêtés et règlements relatifs au statut légal des institutions de retraite professionnelle, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution [4 , ainsi que des dispositions visées à l'article 102/2]4;
c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre un commissaire agréé qui a procédé de bonne foi à une information visée à l'alinéa 1er.
Le commissaire agréé communique aux dirigeants de l'institution de retraite professionnelle les rapports qu'il adresse à la [3 FSMA]3 conformément à l'alinéa 1er, 4°. Ces communications tombent sous le secret organisé par l'article 74 de loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. Il transmet à la [3 FSMA]3 copie des communications qu'il adresse à ces dirigeants et qui portent sur des questions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle.
1° il s'assure que l'institution de retraite professionnelle a adopté les mesures adéquates d'organisation administrative et comptable et de contrôle interne en vue du respect des lois, arrêtés et règlements relatifs au statut légal des institutions de retraite professionnelle;
2° il certifie les provisions techniques;
3° il confirme, à l'égard de la [3 FSMA]3, que les états périodiques qui lui sont transmis par l'institution de retraite professionnelle sont complets, corrects et établis selon les règles qui s'y appliquent;
4° il fait à la [3 FSMA]3 des rapports périodiques ou, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière de l'institution de retraite professionnelle;
5° dans le cadre de sa mission auprès de l'institution de retraite professionnelle ou d'une mission révisorale auprès de l'entreprise d'affiliation ou d'une entreprise dont l'institution de retraite professionnelle detient le contrôle en droit ou en fait, il fait d'initiative rapport à la [3 FSMA]3 dès qu'il constate :
a) des decisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de l'institution de retraite professionnelle sous l'angle financier ou sous l'angle de son organisation administrative et comptable ou son contrôle interne;
b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations des lois, arrêtés et règlements relatifs au statut légal des institutions de retraite professionnelle, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution [4 , ainsi que des dispositions visées à l'article 102/2]4;
c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre un commissaire agréé qui a procédé de bonne foi à une information visée à l'alinéa 1er.
Le commissaire agréé communique aux dirigeants de l'institution de retraite professionnelle les rapports qu'il adresse à la [3 FSMA]3 conformément à l'alinéa 1er, 4°. Ces communications tombent sous le secret organisé par l'article 74 de loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. Il transmet à la [3 FSMA]3 copie des communications qu'il adresse à ces dirigeants et qui portent sur des questions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle.
Änderungen
Afdeling III.
Section III.
HOOFDSTUK VIII. - Herstelmaatregelen.
CHAPITRE VIII. - Mesures de redressement.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Section Ire. - Dispositions générales.
Art.110. De [3 FSMA]3 kan te allen tijde alle maatregelen treffen die de belangen van de aangeslotenen en de [4 pensioengerechtigden]4 kunnen vrijwaren. Daartoe kan zij onder andere een of meer van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen nemen.
Änderungen
Art.110. La [3 FSMA]3 peut, à tout moment, prendre toute mesure propre à sauvegarder les intérêts des affiliés et des bénéficiaires. Elle peut, à cette fin, prendre, entre autres, une ou plusieurs des mesures visées par le présent chapitre.
Änderungen
Art.112. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waar een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening naar Belgisch recht een grensoverschrijdende activiteit uitoefent, de [2 FSMA]2 ervan in kennis stellen dat die instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de relevante vereisten inzake arbeidsrecht en sociaal recht van de betrokken lidstaat van ontvangst op het gebied van bedrijfspensioenen heeft overtreden, neemt de [2 FSMA]2 zo spoedig mogelijk de meest passende maatregelen, met name onder deze bedoeld in dit Hoofdstuk en in Hoofdstuk IX, opdat de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening een einde maakt aan die onregelmatigheden. Zij brengt dit ter kennis van de voornoemde autoriteiten.
Art.112. Lorsque les autorités compétentes d'un autre Etat membre dans lequel une institution de retraite professionnelle de droit belge exerce une activité transfrontalière, avertissent la [2 FSMA]2 que cette institution de retraite professionnelle a enfreint les exigences pertinentes du droit social et du droit du travail de l'Etat membre d'accueil en matière de retraite professionnelle, la [2 FSMA]2 prend, dans les plus brefs délais, les mesures les plus appropriées, notamment parmi celles prévues au présent Chapitre et au Chapitre IX, pour que l'institution de retraite professionnelle concernée mette fin à cette situation irrégulière. Elle en avise les autorités précitées.
Afdeling II. [1 - Maatregelen gericht op de soliditeit en de financiële stabiliteit van de IBP.]1
Section II. [1 - Mesures axées sur la solidité et la stabilité financière de l'IRP.]1
Art.113. [1 § 1. De FSMA eist dat de IBP haar binnen de door haar vastgestelde termijn herstelmaatregelen ter goedkeuring voorlegt wanneer één of meerdere van de volgende situaties zich voordoet voor het geheel of een deel van haar activiteiten:
1° de IBP voldoet niet meer aan de vereisten betreffende de samenstelling van de solvabiliteitsmarge, zoals bepaald door of krachtens artikel 87 en 88;
2° de IBP voldoet niet meer aan de vereisten inzake het aanleggen van een passend bedrag aan technische voorzieningen, overeenkomstig de bepalingen opgelegd door of krachtens artikel 89;
3° de IBP voldoet niet meer aan de vereisten betreffende de dekking van de technische voorzieningen en/of de solvabiliteitsmarge en/of de andere passiva door passende activa overeenkomstig de bepalingen opgelegd door of krachtens artikel 90;
4° de IBP voldoet niet meer aan de beleggingsregels voor haar activa, overeenkomstig de bepalingen opgelegd door of krachtens artikel 91.
§ 2. Indien niet meer aan de voorwaarde van artikel 63, eerste lid is voldaan, grijpt de FSMA meteen in en eist zij dat de IBP haar onmiddellijk herstelmaatregelen ter goedkeuring voorlegt in het kader van § 1, 3°. De IBP voert deze onverwijld uit, zodat de aangeslotenen en pensioengerechtigden afdoende worden beschermd.]1
1° de IBP voldoet niet meer aan de vereisten betreffende de samenstelling van de solvabiliteitsmarge, zoals bepaald door of krachtens artikel 87 en 88;
2° de IBP voldoet niet meer aan de vereisten inzake het aanleggen van een passend bedrag aan technische voorzieningen, overeenkomstig de bepalingen opgelegd door of krachtens artikel 89;
3° de IBP voldoet niet meer aan de vereisten betreffende de dekking van de technische voorzieningen en/of de solvabiliteitsmarge en/of de andere passiva door passende activa overeenkomstig de bepalingen opgelegd door of krachtens artikel 90;
4° de IBP voldoet niet meer aan de beleggingsregels voor haar activa, overeenkomstig de bepalingen opgelegd door of krachtens artikel 91.
§ 2. Indien niet meer aan de voorwaarde van artikel 63, eerste lid is voldaan, grijpt de FSMA meteen in en eist zij dat de IBP haar onmiddellijk herstelmaatregelen ter goedkeuring voorlegt in het kader van § 1, 3°. De IBP voert deze onverwijld uit, zodat de aangeslotenen en pensioengerechtigden afdoende worden beschermd.]1
Art.113. [1 § 1er. La FSMA exige que l'IRP lui soumette des mesures de redressement pour approbation dans le délai qu'elle fixe, lorsque se produisent une ou plusieurs des situations suivantes pour l'ensemble ou une partie de ses activités:
1° l'IRP ne satisfait plus aux exigences relatives à la constitution de la marge de solvabilité, telles que définies par ou en vertu des articles 87 et 88;
2° l'IRP ne satisfait plus aux exigences relatives à la constitution d'un montant approprié de provisions techniques, conformément aux dispositions imposées par ou en vertu de l'article 89;
3° l'IRP ne satisfait plus aux exigences relatives à la couverture des provisions techniques et/ou de la marge de solvabilité et/ou des autres passifs par des actifs appropriés, conformément aux dispositions imposées par ou en vertu de l'article 90;
4° l'IRP ne satisfait plus aux règles de placement de ses actifs, conformément aux dispositions imposées par ou en vertu de l'article 91.
§ 2. Si la condition visée à l'article 63, alinéa 1er n'est plus respectée, la FSMA intervient rapidement et exige de l'IRP qu'elle lui soumette immédiatement des mesures de redressement dans le cadre du § 1er, 3°, pour approbation. L'IRP les applique sans délai de manière à ce que les affiliés et les bénéficiaires soient dûment protégés.]1
1° l'IRP ne satisfait plus aux exigences relatives à la constitution de la marge de solvabilité, telles que définies par ou en vertu des articles 87 et 88;
2° l'IRP ne satisfait plus aux exigences relatives à la constitution d'un montant approprié de provisions techniques, conformément aux dispositions imposées par ou en vertu de l'article 89;
3° l'IRP ne satisfait plus aux exigences relatives à la couverture des provisions techniques et/ou de la marge de solvabilité et/ou des autres passifs par des actifs appropriés, conformément aux dispositions imposées par ou en vertu de l'article 90;
4° l'IRP ne satisfait plus aux règles de placement de ses actifs, conformément aux dispositions imposées par ou en vertu de l'article 91.
§ 2. Si la condition visée à l'article 63, alinéa 1er n'est plus respectée, la FSMA intervient rapidement et exige de l'IRP qu'elle lui soumette immédiatement des mesures de redressement dans le cadre du § 1er, 3°, pour approbation. L'IRP les applique sans délai de manière à ce que les affiliés et les bénéficiaires soient dûment protégés.]1
Art.114. [1 De FSMA kan, wanneer de IBP geen herstelmaatregelen voorlegt binnen de termijn bedoeld in artikel 113, dergelijke maatregelen opleggen evenals de termijn waarbinnen ze moeten worden verwezenlijkt.]1
Art.114. [1 La FSMA peut, lorsque l'IRP ne lui soumet pas de mesures de redressement dans le délai visé à l'article 113, imposer de telles mesures ainsi que le délai dans lequel elles doivent être réalisées.]1
Art.115. [1 In het kader van herstelmaatregelen kan de FSMA onder meer:
1° eisen dat een hogere solvabiliteitsmarge wordt aangelegd dan de solvabiliteitsmarge die wordt berekend met toepassing van de artikelen 87 en 88;
2° de elementen van de beschikbare solvabiliteitsmarge lager waarderen, onder meer wanneer zich sinds het einde van het laatste boekjaar een belangrijke wijziging in de marktwaarde van deze elementen heeft voorgedaan;
3° de invloed van de herverzekering op de vereiste solvabiliteitsmarge beperken wanneer de aard of de kwaliteit van de herverzekeringsovereenkomsten sinds het laatste boekjaar sterk is veranderd of wanneer er weinig of geen risico-overdracht plaatsvindt uit hoofde van deze overeenkomsten;
4° eisen dat het financieringsplan bedoeld in artikel 86 binnen een bepaalde termijn wordt gewijzigd;
5° zich verzetten tegen sommige beleggingen of tegen het behoud ervan indien zij van mening is dat zij de naleving van de bepalingen opgelegd door of krachtens artikel 91 in gevaar brengen;
6° bepaalde beleggingsregels opleggen om rekening te houden met de bijzondere situatie van de IBP;
7° eisen dat er gedurende een bepaalde tijdsspanne geen afkoop plaatsheeft en geen lening of voorschot wordt toegestaan zonder haar uitdrukkelijke toestemming voor elk geval afzonderlijk.]1
1° eisen dat een hogere solvabiliteitsmarge wordt aangelegd dan de solvabiliteitsmarge die wordt berekend met toepassing van de artikelen 87 en 88;
2° de elementen van de beschikbare solvabiliteitsmarge lager waarderen, onder meer wanneer zich sinds het einde van het laatste boekjaar een belangrijke wijziging in de marktwaarde van deze elementen heeft voorgedaan;
3° de invloed van de herverzekering op de vereiste solvabiliteitsmarge beperken wanneer de aard of de kwaliteit van de herverzekeringsovereenkomsten sinds het laatste boekjaar sterk is veranderd of wanneer er weinig of geen risico-overdracht plaatsvindt uit hoofde van deze overeenkomsten;
4° eisen dat het financieringsplan bedoeld in artikel 86 binnen een bepaalde termijn wordt gewijzigd;
5° zich verzetten tegen sommige beleggingen of tegen het behoud ervan indien zij van mening is dat zij de naleving van de bepalingen opgelegd door of krachtens artikel 91 in gevaar brengen;
6° bepaalde beleggingsregels opleggen om rekening te houden met de bijzondere situatie van de IBP;
7° eisen dat er gedurende een bepaalde tijdsspanne geen afkoop plaatsheeft en geen lening of voorschot wordt toegestaan zonder haar uitdrukkelijke toestemming voor elk geval afzonderlijk.]1
Art.115. [1 Dans le cadre des mesures de redressement, la FSMA peut notamment:
1° exiger la constitution d'une marge de solvabilité plus importante que celle calculée en application des articles 87 et 88;
2° revoir à la baisse les éléments de la marge de solvabilité disponible, notamment si la valeur de marché de ces éléments s'est sensiblement modifiée depuis la fin du dernier exercice;
3° diminuer l'influence de la réassurance sur l'exigence de marge de solvabilité lorsque le contenu ou la qualité des contrats de réassurance a subi des modifications sensibles depuis le dernier exercice ou lorsque ces contrats ne prévoient aucun transfert de risques ou un transfert insignifiant;
4° exiger que le plan de financement visé à l'article 86 soit modifié dans un délai déterminé;
5° s'opposer à certains placements ou à leur maintien si elle estime que ceux-ci compromettent le respect des dispositions imposées par ou en vertu de l'article 91;
6° imposer des règles de placement déterminées afin de tenir compte de la situation particulière de l'IRP;
7° exiger que, pendant une période déterminée, aucun rachat ne soit effectué et aucun prêt ou avance ne soit consenti sans son autorisation expresse pour chaque cas séparément.]1
1° exiger la constitution d'une marge de solvabilité plus importante que celle calculée en application des articles 87 et 88;
2° revoir à la baisse les éléments de la marge de solvabilité disponible, notamment si la valeur de marché de ces éléments s'est sensiblement modifiée depuis la fin du dernier exercice;
3° diminuer l'influence de la réassurance sur l'exigence de marge de solvabilité lorsque le contenu ou la qualité des contrats de réassurance a subi des modifications sensibles depuis le dernier exercice ou lorsque ces contrats ne prévoient aucun transfert de risques ou un transfert insignifiant;
4° exiger que le plan de financement visé à l'article 86 soit modifié dans un délai déterminé;
5° s'opposer à certains placements ou à leur maintien si elle estime que ceux-ci compromettent le respect des dispositions imposées par ou en vertu de l'article 91;
6° imposer des règles de placement déterminées afin de tenir compte de la situation particulière de l'IRP;
7° exiger que, pendant une période déterminée, aucun rachat ne soit effectué et aucun prêt ou avance ne soit consenti sans son autorisation expresse pour chaque cas séparément.]1
Afdeling III.
Section III.
Art.116. [1 De FSMA kan eisen dat de herstelmaatregelen gebaseerd zijn op een studie van de evolutie van de staat van activa en passiva van de IBP die aantoont dat die maatregelen haar financiële toestand zullen kunnen herstellen.
De FSMA kan vragen dat de in artikel 77/4 bedoelde actuariële functie de passendheid van de hypothesen waarop de in het eerste lid bedoelde studie gebaseerd is, beoordeelt.]1
De FSMA kan vragen dat de in artikel 77/4 bedoelde actuariële functie de passendheid van de hypothesen waarop de in het eerste lid bedoelde studie gebaseerd is, beoordeelt.]1
Art.116. [1 La FSMA peut exiger que les mesures de redressement soient basées sur une étude de l'évolution de la situation active et passive de l'IRP attestant que ces mesures permettront de restaurer sa situation financière.
La FSMA peut demander que la fonction actuarielle visée à l'article 77/4 évalue le caractère approprié des hypothèses prises en compte dans le cadre de l'étude visée à l'alinéa 1er.]1
La FSMA peut demander que la fonction actuarielle visée à l'article 77/4 évalue le caractère approprié des hypothèses prises en compte dans le cadre de l'étude visée à l'alinéa 1er.]1
Art.117. [1 De Koning kan de toepassingsvoorwaarden van deze afdeling nader uitwerken.]1
Art.117. [1 Le Roi peut préciser les conditions d'application de la présente section.]1
Afdeling IV. - Beperking en verbod van de vrije beschikking van de activa.
Section IV. - Limitation et interdiction de la libre disposition des actifs.
Art.119. In elk geval waarin zij krachtens dit hoofdstuk optreedt, kan de [2 FSMA]2 de vrije beschikking over de activa van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, beperken of verbieden.
Indien de vrije beschikking over de activa beperkt of verboden wordt, kan de [2 FSMA]2 een of meerdere maatregelen opleggen zoals voorzien in artikel 120.
Indien de vrije beschikking over de activa beperkt of verboden wordt, kan de [2 FSMA]2 een of meerdere maatregelen opleggen zoals voorzien in artikel 120.
Art.119. Dans chaque cas où elle intervient conformément au présent chapitre, la [2 FSMA]2 peut restreindre ou interdire la libre disposition des actifs de l'institution de retraite professionnelle.
Dans le cas de restriction ou d'interdiction de la libre disposition des actifs, la [2 FSMA]2 peut imposer une ou plusieurs des mesures prévues à l'article 120.
Dans le cas de restriction ou d'interdiction de la libre disposition des actifs, la [2 FSMA]2 peut imposer une ou plusieurs des mesures prévues à l'article 120.
Art.120. § 1. De [3 FSMA]3 kan voor de roerende en onroerende [5 activa]5 eisen dat :
1° de toewijzing van de roerende en onroerende [5 activa]5 het voorwerp uitmaakt van een schriftelijke verklaring van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening aan de [3 FSMA]3;
2° voor alle opvragingen of verminderingen, voorafgaandelijk toestemming gevraagd wordt aan de [3 FSMA]3.
§ 2. De [3 FSMA]3 kan de onroerende [5 activa]5 onderwerpen aan een wettelijke hypotheek ten bate van alle aangeslotenen of [4 pensioengerechtigden]4 van de pensioenregelingen.
De [3 FSMA]3 vordert de inschrijving onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 82 tot 87 van de hypotheekwet van 16 december 1851.
De inschrijving kan te allen tijde worden genomen en moet worden genomen in geval van toepassing van artikel 116.
De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd met instemming van de [3 FSMA]3 onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 92 tot 95 van de voornoemde wet van 16 december 1851.
De kosten en rechten van inschrijving, doorhaling en vermindering die ten laste van de [3 FSMA]3 zijn, worden aan de betrokken instelling aangerekend.
De [3 FSMA]3 kan zich met een ter post aangetekende brief aan de [6 bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën]6 verzetten tegen de doorhaling of de vermindering van de hypotheek die door een derde is toegestaan ten voordele van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
§ 3. Voor de voor bewaargeving vatbare roerende [5 activa]5, kan de [3 FSMA]3 :
1° voor de in België in open bewaargeving gegeven [5 activa]5, blokkering van de rekening opleggen aan de inbewaringnemende instelling;
2° voor de andere voor bewaargeving vatbare [5 activa]5, eisen dat de instelling deze [5 activa]5 onmiddellijk in bewaring geeft op een bijzondere geblokkeerde rekening [5 ,al dan niet per afzonderlijk vermogen, bij de Nationale Bank van België of bij een onderneming of instelling waaraan vergunning is verleend overeenkomstig voornoemde richtlijn 2013/36/EU of voornoemde richtlijn 2014/65/EU of die voor de toepassing van voornoemde richtlijn 2009/65/EG of voornoemde richtlijn 2011/61/EU als bewaarder zijn aanvaard]5 en wiens vergunning een activiteit van bewaargeving toelaat.
Bovendien zijn de volgende regels van toepassing :
1° de inbewaringnemende instellingen mogen de gedeponeerde [5 activa]5 slechts teruggeven op vertoon van de toestemming van de [3 FSMA]3;
2° op de depositobewijzen wordt de toewijzing van de in bewaring gegeven [5 activa]5 vermeld evenals het verbod erover te beschikken zonder de toestemming van de [3 FSMA]3;
3° de inbewaringnemende instellingen en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zijn hoofdelijk aansprakelijk voor elke schade die voortvloeit uit de niet-nakoming van de in punt 1° en 2° van dit lid bedoelde verplichtingen;
4° de [3 FSMA]3 brengt de inbewaringnemende instellingen op de hoogte van de verplichtingen die hun krachtens deze paragraaf zijn opgelegd.
§ 4. Voor de [5 activa]5 die op het grondgebied van een andere lidstaat dan Belgie zijn gelokaliseerd kan de [3 FSMA]3 de bevoegde autoriteiten van die lidstaat verzoeken om de nodige maatregelen te nemen om de vrije beschikking ervan te beperken of te verbieden. De [3 FSMA]3 maakt hierbij bekend op welke activa deze maatregelen van toepassing zullen zijn.
§ 5. De Koning kan de regels vaststellen inzake de bewarende maatregelen waarvan de [5 activa]5 die niet voor bewaargeving vatbaar zijn, het voorwerp kunnen uitmaken.
1° de toewijzing van de roerende en onroerende [5 activa]5 het voorwerp uitmaakt van een schriftelijke verklaring van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening aan de [3 FSMA]3;
2° voor alle opvragingen of verminderingen, voorafgaandelijk toestemming gevraagd wordt aan de [3 FSMA]3.
§ 2. De [3 FSMA]3 kan de onroerende [5 activa]5 onderwerpen aan een wettelijke hypotheek ten bate van alle aangeslotenen of [4 pensioengerechtigden]4 van de pensioenregelingen.
De [3 FSMA]3 vordert de inschrijving onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 82 tot 87 van de hypotheekwet van 16 december 1851.
De inschrijving kan te allen tijde worden genomen en moet worden genomen in geval van toepassing van artikel 116.
De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd met instemming van de [3 FSMA]3 onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 92 tot 95 van de voornoemde wet van 16 december 1851.
De kosten en rechten van inschrijving, doorhaling en vermindering die ten laste van de [3 FSMA]3 zijn, worden aan de betrokken instelling aangerekend.
De [3 FSMA]3 kan zich met een ter post aangetekende brief aan de [6 bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën]6 verzetten tegen de doorhaling of de vermindering van de hypotheek die door een derde is toegestaan ten voordele van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
§ 3. Voor de voor bewaargeving vatbare roerende [5 activa]5, kan de [3 FSMA]3 :
1° voor de in België in open bewaargeving gegeven [5 activa]5, blokkering van de rekening opleggen aan de inbewaringnemende instelling;
2° voor de andere voor bewaargeving vatbare [5 activa]5, eisen dat de instelling deze [5 activa]5 onmiddellijk in bewaring geeft op een bijzondere geblokkeerde rekening [5 ,al dan niet per afzonderlijk vermogen, bij de Nationale Bank van België of bij een onderneming of instelling waaraan vergunning is verleend overeenkomstig voornoemde richtlijn 2013/36/EU of voornoemde richtlijn 2014/65/EU of die voor de toepassing van voornoemde richtlijn 2009/65/EG of voornoemde richtlijn 2011/61/EU als bewaarder zijn aanvaard]5 en wiens vergunning een activiteit van bewaargeving toelaat.
Bovendien zijn de volgende regels van toepassing :
1° de inbewaringnemende instellingen mogen de gedeponeerde [5 activa]5 slechts teruggeven op vertoon van de toestemming van de [3 FSMA]3;
2° op de depositobewijzen wordt de toewijzing van de in bewaring gegeven [5 activa]5 vermeld evenals het verbod erover te beschikken zonder de toestemming van de [3 FSMA]3;
3° de inbewaringnemende instellingen en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zijn hoofdelijk aansprakelijk voor elke schade die voortvloeit uit de niet-nakoming van de in punt 1° en 2° van dit lid bedoelde verplichtingen;
4° de [3 FSMA]3 brengt de inbewaringnemende instellingen op de hoogte van de verplichtingen die hun krachtens deze paragraaf zijn opgelegd.
§ 4. Voor de [5 activa]5 die op het grondgebied van een andere lidstaat dan Belgie zijn gelokaliseerd kan de [3 FSMA]3 de bevoegde autoriteiten van die lidstaat verzoeken om de nodige maatregelen te nemen om de vrije beschikking ervan te beperken of te verbieden. De [3 FSMA]3 maakt hierbij bekend op welke activa deze maatregelen van toepassing zullen zijn.
§ 5. De Koning kan de regels vaststellen inzake de bewarende maatregelen waarvan de [5 activa]5 die niet voor bewaargeving vatbaar zijn, het voorwerp kunnen uitmaken.
Änderungen
Art.120. § 1er. La [3 FSMA]3 peut, en ce qui concerne les [4 actifs mobiliers et immobiliers]4, exiger que :
1° l'affectation des [4 actifs mobiliers et immobiliers]4 fasse l'objet d'une déclaration écrite de l'institution de retraite professionnelle à la [3 FSMA]3;
2° les retraits ou réductions soient subordonnés à l'autorisation préalable de la [3 FSMA]3.
§ 2. La [3 FSMA]3 peut, en ce qui concerne les [4 actifs]4 [4 immobiliers]4, soumettre ces valeurs à une hypothèque légale au profit de l'ensemble des affiliés ou bénéficiaires des régimes de retraite.
La [3 FSMA]3 requiert l'inscription dans les conditions prévues aux articles 82 à 87 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.
L'inscription peut être prise à tout moment et doit être prise en cas d'application de l'article 116.
L'inscription est radiée ou réduite du consentement de la [3 FSMA]3 dans les conditions prévues aux articles 92 à 95 de la loi du 16 décembre 1851 précitée.
Les frais et droits relatifs à l'inscription, à la radiation et à la réduction qui sont à charge de la [3 FSMA]3 sont imputés à l'institution concernée.
En outre, la [3 FSMA]3 peut, par lettre recommandée à la poste adressée [5 au service compétent du Service public fédéral Finances]5, s'opposer à la radiation ou la réduction de l'hypothèque consentie par un tiers au profit de l'institution de retraite professionnelle.
§ 3. En ce qui concerne les [4 actifs mobiliers]4 susceptibles de dépot, la [3 FSMA]3 peut :
1° pour les [4 actifs déposés]4 en Belgique sur un compte de dépôt à découvert, ordonner à l'organisme dépositaire le blocage du compte de dépôt;
2° pour les autres [4 actifs susceptibles]4 de dépôt, ordonner à l'institution le dépôt immédiat sur un compte spécial et bloqué [4 , éventuellement par patrimoine distinct, à la Banque Nationale de Belgique ou auprès d'une entreprise ou d'une institution agréée conformément à la directive 2013/36/UE précitée ou la directive 2014/65/UE précitée ou qui est acceptée en tant que dépositaire pour l'application de la directive 2009/65/CE précitée ou la directive 2011/61/UE précitée]4 et dont l'agrément permet une telle activité de dépositaire.
En outre, les règles suivantes sont applicables :
1° les organismes dépositaires ne peuvent restituer les valeurs déposées que sur production de l'autorisation de la [3 FSMA]3;
2° les récépissés de dépôt doivent mentionner l'affectation des [4 actifs déposés]4 ainsi que l'interdiction d'en disposer sans autorisation de la [3 FSMA]3;
3° les organismes dépositaires et l'institution de retraite professionnelle sont solidairement responsables de tout préjudice résultant du non-respect des obligations visées aux 1° et 2° du présent alinéa;
4° la [3 FSMA]3 informe les organismes dépositaires des obligations qui leur incombent en vertu du présent paragraphe.
§ 4. Pour les [4 actifs qui sont localisés]4 sur le territoire d'un Etat membre autre que la Belgique, la [3 FSMA]3 peut inviter les autorités compétentes de cet Etat membre à prendre les mesures nécessaires pour restreindre ou interdire leur libre disposition. La [3 FSMA]3 désigne les actifs devant faire l'objet de ces mesures.
§ 5. Le Roi peut fixer les règles relatives aux mesures conservatoires auxquelles les [4 actifs]4 non susceptibles de dépôt peuvent être [4 soumis]4.
1° l'affectation des [4 actifs mobiliers et immobiliers]4 fasse l'objet d'une déclaration écrite de l'institution de retraite professionnelle à la [3 FSMA]3;
2° les retraits ou réductions soient subordonnés à l'autorisation préalable de la [3 FSMA]3.
§ 2. La [3 FSMA]3 peut, en ce qui concerne les [4 actifs]4 [4 immobiliers]4, soumettre ces valeurs à une hypothèque légale au profit de l'ensemble des affiliés ou bénéficiaires des régimes de retraite.
La [3 FSMA]3 requiert l'inscription dans les conditions prévues aux articles 82 à 87 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.
L'inscription peut être prise à tout moment et doit être prise en cas d'application de l'article 116.
L'inscription est radiée ou réduite du consentement de la [3 FSMA]3 dans les conditions prévues aux articles 92 à 95 de la loi du 16 décembre 1851 précitée.
Les frais et droits relatifs à l'inscription, à la radiation et à la réduction qui sont à charge de la [3 FSMA]3 sont imputés à l'institution concernée.
En outre, la [3 FSMA]3 peut, par lettre recommandée à la poste adressée [5 au service compétent du Service public fédéral Finances]5, s'opposer à la radiation ou la réduction de l'hypothèque consentie par un tiers au profit de l'institution de retraite professionnelle.
§ 3. En ce qui concerne les [4 actifs mobiliers]4 susceptibles de dépot, la [3 FSMA]3 peut :
1° pour les [4 actifs déposés]4 en Belgique sur un compte de dépôt à découvert, ordonner à l'organisme dépositaire le blocage du compte de dépôt;
2° pour les autres [4 actifs susceptibles]4 de dépôt, ordonner à l'institution le dépôt immédiat sur un compte spécial et bloqué [4 , éventuellement par patrimoine distinct, à la Banque Nationale de Belgique ou auprès d'une entreprise ou d'une institution agréée conformément à la directive 2013/36/UE précitée ou la directive 2014/65/UE précitée ou qui est acceptée en tant que dépositaire pour l'application de la directive 2009/65/CE précitée ou la directive 2011/61/UE précitée]4 et dont l'agrément permet une telle activité de dépositaire.
En outre, les règles suivantes sont applicables :
1° les organismes dépositaires ne peuvent restituer les valeurs déposées que sur production de l'autorisation de la [3 FSMA]3;
2° les récépissés de dépôt doivent mentionner l'affectation des [4 actifs déposés]4 ainsi que l'interdiction d'en disposer sans autorisation de la [3 FSMA]3;
3° les organismes dépositaires et l'institution de retraite professionnelle sont solidairement responsables de tout préjudice résultant du non-respect des obligations visées aux 1° et 2° du présent alinéa;
4° la [3 FSMA]3 informe les organismes dépositaires des obligations qui leur incombent en vertu du présent paragraphe.
§ 4. Pour les [4 actifs qui sont localisés]4 sur le territoire d'un Etat membre autre que la Belgique, la [3 FSMA]3 peut inviter les autorités compétentes de cet Etat membre à prendre les mesures nécessaires pour restreindre ou interdire leur libre disposition. La [3 FSMA]3 désigne les actifs devant faire l'objet de ces mesures.
§ 5. Le Roi peut fixer les règles relatives aux mesures conservatoires auxquelles les [4 actifs]4 non susceptibles de dépôt peuvent être [4 soumis]4.
Änderungen
Art.121. De roerende [1 activa]1 die het voorwerp uitmaken van de bepalingen van deze afdeling zijn niet voor beslag vatbaar, behalve in het voordeel van de schuldeisers die houders zijn van rechten of voorrechten die te goeder trouw zijn verkregen krachtens een formaliteit die vervuld werd vóór de toewijzing van de betreffende [1 activa]1.
Art.121. Les [1 actifs mobiliers]1 qui font l'objet des dispositions de la présente section sont insaisissables, sauf au profit des créanciers titulaires de droits ou privilèges acquis de bonne foi en vertu d'une formalité accomplie avant l'affectation [1 desdits actifs]1.
Afdeling V. - Faillissement of ontbinding van de bijdragende onderneming.
Section V. - Faillite ou dissolution de l'entreprise d'affiliation.
Art.122. In geval van faillissement of ontbinding van een bijdragende onderneming wordt, bij gebreke van overname van de pensioenverplichtingen door een derde, de pensioenregeling van die bijdragende onderneming [2 opgeheven]2.
De verworven reserves van de aangeslotenen, met uitzondering van de [2 pensioengerechtigden]2, worden ingeschreven op individuele rekeningen die enkel in functie van [1 het nettorendement van de activa]1 van de instelling mogen schommelen. Die reserves worden in voorkomend geval verhoogd overeenkomstig de toepasselijke sociale of arbeidswetgeving.
Aan de [2 pensioengerechtigden]2 wordt het vestigingskapitaal van de lopende rente uitgekeerd, berekend overeenkomstig de actualisatieregels voorzien in de pensioenregeling.
Indien op het beschouwde ogenblik het totaal van de reserves bedoeld in het tweede lid, en de kapitalen bedoeld in het derde lid, niet volledig gedekt zijn door activa, worden die reserves en kapitalen proportioneel verminderd. Het tweede en het derde lid worden dan toegepast op de aldus verkregen bedragen.
[2 In het geval de IBP het beheer van de aan de aangeslotenen toegewezen activa niet verder zet, stelt ze een procedure vast om de activa en de overeenkomstige passiva over te dragen aan een andere pensioeninstelling. Een algemeen overzicht van de overdrachtsprocedure wordt ter beschikking gesteld van de aangeslotenen of, indien van toepassing, van hun vertegenwoordigers.
De IBP brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van het faillissement of de ontbinding van een bijdragende onderneming, van de gevolgen hiervan op de door de IBP beheerde pensioenregelingen en in voorkomend geval van de procedure, bedoeld in het vijfde lid.]2
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de bijdragende ondernemingen betrokken bij de activiteit bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°.
De verworven reserves van de aangeslotenen, met uitzondering van de [2 pensioengerechtigden]2, worden ingeschreven op individuele rekeningen die enkel in functie van [1 het nettorendement van de activa]1 van de instelling mogen schommelen. Die reserves worden in voorkomend geval verhoogd overeenkomstig de toepasselijke sociale of arbeidswetgeving.
Aan de [2 pensioengerechtigden]2 wordt het vestigingskapitaal van de lopende rente uitgekeerd, berekend overeenkomstig de actualisatieregels voorzien in de pensioenregeling.
Indien op het beschouwde ogenblik het totaal van de reserves bedoeld in het tweede lid, en de kapitalen bedoeld in het derde lid, niet volledig gedekt zijn door activa, worden die reserves en kapitalen proportioneel verminderd. Het tweede en het derde lid worden dan toegepast op de aldus verkregen bedragen.
[2 In het geval de IBP het beheer van de aan de aangeslotenen toegewezen activa niet verder zet, stelt ze een procedure vast om de activa en de overeenkomstige passiva over te dragen aan een andere pensioeninstelling. Een algemeen overzicht van de overdrachtsprocedure wordt ter beschikking gesteld van de aangeslotenen of, indien van toepassing, van hun vertegenwoordigers.
De IBP brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van het faillissement of de ontbinding van een bijdragende onderneming, van de gevolgen hiervan op de door de IBP beheerde pensioenregelingen en in voorkomend geval van de procedure, bedoeld in het vijfde lid.]2
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de bijdragende ondernemingen betrokken bij de activiteit bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°.
Art.122. En cas de faillite ou de dissolution d'une entreprise d'affiliation, à défaut de reprise des obligations de retraite par un tiers, le régime de retraite de cette entreprise d'affiliation est [2 abrogé]2.
Les réserves acquises des affiliés, à l'exception des [2 bénéficiaires]2, sont inscrites sur des comptes individuels qui ne peuvent plus évoluer qu'en fonction [1 du rendement net des actifs]1 de l'institution. Ces réserves sont, le cas échéant, augmentées conformément à la législation sociale ou du droit du travail qui s'applique.
Le capital constitutif de la rente en cours est payé aux [2 bénéficiaires]2, calculé conformément aux règles d'actualisation prévues dans le régime de retraite.
Si, au moment considéré, le total des réserves visées à l'alinéa 2, et des capitaux visés à l'alinéa 3, ne sont pas complètement couverts par des actifs, ces réserves et ces capitaux sont réduits proportionnellement. L'alinéa 2 et l'alinéa 3 sont d'application aux montants ainsi perçus.
[2 Si l'IRP ne poursuit pas la gestion des actifs alloués aux affiliés, elle établit une procédure en vue de transférer ces actifs et les passifs correspondants à un autre organisme de pension. Un aperçu général de la procédure de transfert est mis à la disposition des affiliés ou, le cas échéant, de leurs représentants.
L'IRP informe immédiatement la FSMA de la faillite ou de la dissolution d'une entreprise d'affiliation, des conséquences que cela implique sur les régimes de retraite gérés par l'IRP ainsi que, le cas échéant, de la procédure visée à l'alinéa 5.]2
Les dispositions du présent article ne sont pas d'application aux entreprises d'affiliation concernées par les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2°.
Les réserves acquises des affiliés, à l'exception des [2 bénéficiaires]2, sont inscrites sur des comptes individuels qui ne peuvent plus évoluer qu'en fonction [1 du rendement net des actifs]1 de l'institution. Ces réserves sont, le cas échéant, augmentées conformément à la législation sociale ou du droit du travail qui s'applique.
Le capital constitutif de la rente en cours est payé aux [2 bénéficiaires]2, calculé conformément aux règles d'actualisation prévues dans le régime de retraite.
Si, au moment considéré, le total des réserves visées à l'alinéa 2, et des capitaux visés à l'alinéa 3, ne sont pas complètement couverts par des actifs, ces réserves et ces capitaux sont réduits proportionnellement. L'alinéa 2 et l'alinéa 3 sont d'application aux montants ainsi perçus.
[2 Si l'IRP ne poursuit pas la gestion des actifs alloués aux affiliés, elle établit une procédure en vue de transférer ces actifs et les passifs correspondants à un autre organisme de pension. Un aperçu général de la procédure de transfert est mis à la disposition des affiliés ou, le cas échéant, de leurs représentants.
L'IRP informe immédiatement la FSMA de la faillite ou de la dissolution d'une entreprise d'affiliation, des conséquences que cela implique sur les régimes de retraite gérés par l'IRP ainsi que, le cas échéant, de la procédure visée à l'alinéa 5.]2
Les dispositions du présent article ne sont pas d'application aux entreprises d'affiliation concernées par les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 2°.
Afdeling VI. - Andere maatregelen.
Section VI. - Autres mesures.
Art.123. De [2 FSMA]2 bepaalt de termijn binnen dewelke de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de toestand moet verhelpen, wanneer zij vaststelt dat :
1° de instelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen [5 , of overeenkomstig de bepalingen van Verordening 2019/2088 of de artikelen 5 tot en met 7 van Verordening 2020/852 [6 of alsook overeenkomstig de bepalingen van Verordening 2022/2554]6;]5
2° haar beheer of haar financiële toestand de goede afloop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor de solvabiliteit, de liquiditeit of de rentabiliteit;
3° [4 haar governancesysteem in het algemeen of delen ervan]4 ernstige leemten vertoont;
4° het aantal leden van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of van haar operationele organen bereikt niet meer het door de wet vereiste minimum.
Indien de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de toestand na de termijn bedoeld in het eerste lid, niet heeft verholpen, kan de [2 FSMA]2 één of meer van de volgende maatregelen nemen :
1° een bijzondere commissaris aanduiden;
2° bepaalde verrichtingen beperken of verbieden;
3° opleggen dat de instelling haar activiteiten geheel of ten dele aan een externe dienstverlener toevertrouwt;
4° [4 opdragen het geheel of een deel van de activiteiten van de instelling over te dragen]4 aan een andere instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of aan een verzekeringsonderneming die deze overdracht aanvaardt;
[4 4/1° de IBP opleggen om de binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene vergadering bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt;]4
5° de vervanging opleggen van de leden van de operationele organen en, bij gebrek aan uitvoering binnen de vooropgestelde termijn, in de plaats van de operationele organen een of meer voorlopige zaakvoerders aanstellen.
[4 Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de FSMA één of meer voorlopige zaakvoerders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leden van de operationele organen van de IBP]4;
[4 5/1° de vervanging opleggen van verantwoordelijken voor sleutelfuncties;]4
6° opleggen dat bepaalde activiteiten die zij aanduidt, het voorwerp uitmaken van een afzonderlijk vermogen in de zin van artikel 80;
7° [4 de vergunning voor alle of bepaalde activiteiten als bedoeld in artikel 55, eerste lid intrekken overeenkomstig artikel 130 en volgende.]4
1° de instelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen [5 , of overeenkomstig de bepalingen van Verordening 2019/2088 of de artikelen 5 tot en met 7 van Verordening 2020/852 [6 of alsook overeenkomstig de bepalingen van Verordening 2022/2554]6;]5
2° haar beheer of haar financiële toestand de goede afloop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor de solvabiliteit, de liquiditeit of de rentabiliteit;
3° [4 haar governancesysteem in het algemeen of delen ervan]4 ernstige leemten vertoont;
4° het aantal leden van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of van haar operationele organen bereikt niet meer het door de wet vereiste minimum.
Indien de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de toestand na de termijn bedoeld in het eerste lid, niet heeft verholpen, kan de [2 FSMA]2 één of meer van de volgende maatregelen nemen :
1° een bijzondere commissaris aanduiden;
2° bepaalde verrichtingen beperken of verbieden;
3° opleggen dat de instelling haar activiteiten geheel of ten dele aan een externe dienstverlener toevertrouwt;
4° [4 opdragen het geheel of een deel van de activiteiten van de instelling over te dragen]4 aan een andere instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of aan een verzekeringsonderneming die deze overdracht aanvaardt;
[4 4/1° de IBP opleggen om de binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene vergadering bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt;]4
5° de vervanging opleggen van de leden van de operationele organen en, bij gebrek aan uitvoering binnen de vooropgestelde termijn, in de plaats van de operationele organen een of meer voorlopige zaakvoerders aanstellen.
[4 Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de FSMA één of meer voorlopige zaakvoerders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leden van de operationele organen van de IBP]4;
[4 5/1° de vervanging opleggen van verantwoordelijken voor sleutelfuncties;]4
6° opleggen dat bepaalde activiteiten die zij aanduidt, het voorwerp uitmaken van een afzonderlijk vermogen in de zin van artikel 80;
7° [4 de vergunning voor alle of bepaalde activiteiten als bedoeld in artikel 55, eerste lid intrekken overeenkomstig artikel 130 en volgende.]4
Änderungen
Art.123. La [2 FSMA]2 fixe le délai dans lequel l'institution de retraite professionnelle doit remédier à la situation, lorsqu'elle constate que :
1° l'institution ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution [4 ou avec les dispositions du Règlement 2019/2088 ou les articles 5 à 7 du Règlement 2020/852 [5 , ou encore avec les dispositions du règlement 2022/2554]5;]4
2° sa gestion ou sa situation financière est de nature à mettre en cause la bonne fin de ses engagements ou n'offre pas des garanties suffisantes sur le plan de la solvabilité, de la liquidité ou de la rentabilité;
3° [3 son système de gouvernance en général ou une partie de celui-ci]3 présente des lacunes graves;
4° le nombre de membres de l'institution de retraite professionnelle ou de ses organes opérationnels n'atteint plus le minimum requis par la loi.
Si, au terme du délai visé à l'alinéa 1er, l'institution de retraite professionnelle n'a pas remédié à la situation, la [2 FSMA]2 peut prendre une ou plusieurs des mesures suivantes :
1° désigner un commissaire spécial;
2° interdire ou limiter certaines opérations;
3° imposer à l'institution de confier tout ou partie de ses activités à un prestataire de services externe;
4° [3 imposer de transférer tout ou partie des activités de l'institution]3 à une autre institution de retraite professionnelle ou à une entreprise d'assurances, qui accepte la cession;
[3 4/1° enjoindre à l'IRP de convoquer, dans le délai qu'elle fixe, une assemblée générale dont elle établit l'ordre du jour;]3
5° imposer le remplacement des membres des organes opérationnels et, à défaut d'exécution dans le délai qu'elle fixe, substituer aux organes operationnels un ou plusieurs gérants provisoires.
[3 Lorsque les circonstances le justifient, la FSMA peut désigner un ou plusieurs gérants provisoires sans ordonner préalablement le remplacement de l'ensemble ou d'une partie des membres des organes opérationnels de l'IRP.]3;
[3 5/1° imposer le remplacement de responsables de fonctions clés;]3
6° imposer que certaines activités, qu'elle désigne, fassent l'objet d'un patrimoine distinct au sens de l'article 80;
7° [3 révoquer l'agrément pour l'ensemble ou certaines des activités visées à l'article 55, alinéa 1er, conformément aux articles 130 et suivants.]3
1° l'institution ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution [4 ou avec les dispositions du Règlement 2019/2088 ou les articles 5 à 7 du Règlement 2020/852 [5 , ou encore avec les dispositions du règlement 2022/2554]5;]4
2° sa gestion ou sa situation financière est de nature à mettre en cause la bonne fin de ses engagements ou n'offre pas des garanties suffisantes sur le plan de la solvabilité, de la liquidité ou de la rentabilité;
3° [3 son système de gouvernance en général ou une partie de celui-ci]3 présente des lacunes graves;
4° le nombre de membres de l'institution de retraite professionnelle ou de ses organes opérationnels n'atteint plus le minimum requis par la loi.
Si, au terme du délai visé à l'alinéa 1er, l'institution de retraite professionnelle n'a pas remédié à la situation, la [2 FSMA]2 peut prendre une ou plusieurs des mesures suivantes :
1° désigner un commissaire spécial;
2° interdire ou limiter certaines opérations;
3° imposer à l'institution de confier tout ou partie de ses activités à un prestataire de services externe;
4° [3 imposer de transférer tout ou partie des activités de l'institution]3 à une autre institution de retraite professionnelle ou à une entreprise d'assurances, qui accepte la cession;
[3 4/1° enjoindre à l'IRP de convoquer, dans le délai qu'elle fixe, une assemblée générale dont elle établit l'ordre du jour;]3
5° imposer le remplacement des membres des organes opérationnels et, à défaut d'exécution dans le délai qu'elle fixe, substituer aux organes operationnels un ou plusieurs gérants provisoires.
[3 Lorsque les circonstances le justifient, la FSMA peut désigner un ou plusieurs gérants provisoires sans ordonner préalablement le remplacement de l'ensemble ou d'une partie des membres des organes opérationnels de l'IRP.]3;
[3 5/1° imposer le remplacement de responsables de fonctions clés;]3
6° imposer que certaines activités, qu'elle désigne, fassent l'objet d'un patrimoine distinct au sens de l'article 80;
7° [3 révoquer l'agrément pour l'ensemble ou certaines des activités visées à l'article 55, alinéa 1er, conformément aux articles 130 et suivants.]3
Änderungen
Art.124. De schriftelijke, algemene of bijzondere, toestemming van de bijzondere commissaris is vereist voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling en voor die van de met het beheer belaste personen. De [2 FSMA]2 kan evenwel de verrichtingen waarvoor een toestemming is vereist, beperken.
De bijzondere commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht aan de organen van de instelling voorleggen. De bezoldiging van de bijzondere commissaris wordt vastgesteld door de [2 FSMA]2 en gedragen door de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
De leden van de operationele organen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de bijzondere commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling of de aangeslotenen of de [3 pensioengerechtigden]3 voortvloeit.
Indien de [2 FSMA]2 de aanstelling van een bijzondere commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de bijzondere commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de bijzondere commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
De [2 FSMA]2 kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen.
De bijzondere commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht aan de organen van de instelling voorleggen. De bezoldiging van de bijzondere commissaris wordt vastgesteld door de [2 FSMA]2 en gedragen door de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
De leden van de operationele organen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de bijzondere commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling of de aangeslotenen of de [3 pensioengerechtigden]3 voortvloeit.
Indien de [2 FSMA]2 de aanstelling van een bijzondere commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de bijzondere commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de bijzondere commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
De [2 FSMA]2 kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen.
Änderungen
Art.124. L'autorisation écrite, génerale ou spéciale, du commissaire spécial est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l'institution et pour ceux des personnes chargées de la gestion. La [2 FSMA]2 peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération des organes de l'institution toute proposition qu'il juge opportune. La rémunération du commissaire spécial est fixée par la [2 FSMA]2 et supportée par l'institution de retraite professionnelle concernée.
Les membres des organes opérationnels et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou qui prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'institution de retraite professionnelle, les affiliés ou les bénéficiaires.
Si la [2 FSMA]2 a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis a son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions, toute décision de l'assemblée genérale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
La [2 FSMA]2 peut désigner un commissaire suppléant.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération des organes de l'institution toute proposition qu'il juge opportune. La rémunération du commissaire spécial est fixée par la [2 FSMA]2 et supportée par l'institution de retraite professionnelle concernée.
Les membres des organes opérationnels et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou qui prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'institution de retraite professionnelle, les affiliés ou les bénéficiaires.
Si la [2 FSMA]2 a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis a son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions, toute décision de l'assemblée genérale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
La [2 FSMA]2 peut désigner un commissaire suppléant.
Art.125. De leden van de operationele organen van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks het verbod of de beperking bedoeld in artikel 123, tweede lid, 2°, en de uitbesteding bedoeld in artikel 123, tweede lid, 3°, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling, de aangeslotenen of de [3 pensioengerechtigden]3, voortvloeit.
Indien de [2 FSMA]2 het verbod of de beperking in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn de handelingen en beslissingen bedoeld in het eerste lid, nietig.
Indien de [2 FSMA]2 het verbod of de beperking in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn de handelingen en beslissingen bedoeld in het eerste lid, nietig.
Änderungen
Art.125. Les membres des organes opérationnels de l'institution de retraite professionnelle qui accomplissent des actes ou qui prennent des décisions en violation de l'interdiction ou de la limitation visée à l'article 123, alinéa 2, 2°, et de la sous-traitance visée à l'article 123, alinéa 2, 3°, sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'institution, les affiliés ou les bénéficiaires.
Si la [2 FSMA]2 a publié l'interdiction ou la limitation au Moniteur belge, les actes et décisions vises à l'alinéa 1er sont nuls.
Si la [2 FSMA]2 a publié l'interdiction ou la limitation au Moniteur belge, les actes et décisions vises à l'alinéa 1er sont nuls.
Art.126. De artikelen 34, 36, 37, 38 en 39, § 1, 4°, van de voormelde wet van 28 april 2003, zijn niet van toepassing op de overdrachten beoogd door artikel 123, tweede lid, 3°.
Deze overdrachten zijn tegenstelbaar aan de aangeslotenen, [3 pensioengerechtigden]3 en andere derden door de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de [2 FSMA]2 dat de overdracht oplegt.
Deze overdrachten zijn tegenstelbaar aan de aangeslotenen, [3 pensioengerechtigden]3 en andere derden door de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de [2 FSMA]2 dat de overdracht oplegt.
Änderungen
Art.126. Les articles 34, 36, 37, 38 et 39, § 1er, 4°, de la loi du 28 avril 2003 précitée ne sont pas applicables aux transferts visés à l'article 123, alinéa 2, 3°.
Ces transferts sont opposables aux affiliés, bénéficiaires et autres tiers par la publication au Moniteur belge de la décision de la [2 FSMA]2 imposant le transfert.
Ces transferts sont opposables aux affiliés, bénéficiaires et autres tiers par la publication au Moniteur belge de la décision de la [2 FSMA]2 imposant le transfert.
Art.127. De benoeming van de voorlopige zaakvoerders wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De voorlopige zaakvoerders hebben alleen of collegiaal, naar gelang van het geval, de bevoegdheden van de vervangen personen.
De bezoldiging van de voorlopige zaakvoerders wordt vastgesteld door de [2 FSMA]2 en gedragen door de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
De [2 FSMA]2 kan de voorlopige zaakvoerders te allen tijde ontslaan en vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, wanneer het beheer van de betrokkene niet meer voldoende waarborgen biedt.
De voorlopige zaakvoerders hebben alleen of collegiaal, naar gelang van het geval, de bevoegdheden van de vervangen personen.
De bezoldiging van de voorlopige zaakvoerders wordt vastgesteld door de [2 FSMA]2 en gedragen door de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
De [2 FSMA]2 kan de voorlopige zaakvoerders te allen tijde ontslaan en vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, wanneer het beheer van de betrokkene niet meer voldoende waarborgen biedt.
Art.127. La nomination du ou des gérants provisoires est publiée au Moniteur belge.
Les gérants provisoires disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées.
La rémunération du ou des gérants provisoires est fixée par la [2 FSMA]2 et supportée par l'institution de retraite professionnelle.
La [2 FSMA]2 peut à tout moment révoquer et remplacer le ou les gérants provisoires, soit d'office, soit à la demande de l'institution de retraite professionnelle, lorsqu'elle justifie que la gestion de l'intéressé ne présente plus des garanties suffisantes.
Les gérants provisoires disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées.
La rémunération du ou des gérants provisoires est fixée par la [2 FSMA]2 et supportée par l'institution de retraite professionnelle.
La [2 FSMA]2 peut à tout moment révoquer et remplacer le ou les gérants provisoires, soit d'office, soit à la demande de l'institution de retraite professionnelle, lorsqu'elle justifie que la gestion de l'intéressé ne présente plus des garanties suffisantes.
Art.128. De in de artikelen 123 tot 127 bedoelde beslissingen van de [2 FSMA]2 hebben voor de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig de voorschriften van dezelfde artikelen.
Art.128. Les décisions de la [2 FSMA]2 visées aux articles 123 à 127 sortissent leurs effets à l'égard de l'institution de retraite professionnelle à dater de leur notification par lettre recommandée et, à l'égard des tiers, à dater de leur publication conformément à ces mêmes articles.
Art.129. De [2 ondernemingsrechtbank]2 spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in de artikelen 124, vierde lid, en 125, tweede lid.
De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. Indien verantwoord om ernstige redenen kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing zijn bekendgemaakt, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt.
Wanneer de nietigheid de rechten kan benadelen die aangeslotenen, [1 pensioengerechtigden]1 of derden te goeder trouw ten aanzien van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening hebben verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onder voorbehoud van het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding en intresten.
De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, dan wel hem bekend zijn.
De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. Indien verantwoord om ernstige redenen kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing zijn bekendgemaakt, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt.
Wanneer de nietigheid de rechten kan benadelen die aangeslotenen, [1 pensioengerechtigden]1 of derden te goeder trouw ten aanzien van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening hebben verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onder voorbehoud van het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding en intresten.
De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, dan wel hem bekend zijn.
Art.129. Le [1 tribunal de l'entreprise]1 prononce, à la requête de tout intéressé, les nullités prévues aux articles 124, alinéa 4, et 125, alinéa 2.
L'action en nullité est dirigée contre l'institution de retraite professionnelle. Si des motifs graves le justifient, le demandeur en nullité peut solliciter en référé la suspension provisoire des actes ou décisions attaqués. L'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité produisent leurs effets à l'égard de tous. Au cas où l'acte ou la décision suspendu ont fait l'objet d'une publication, l'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité sont publiés en extrait dans les mêmes formes.
Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte aux droits acquis de bonne fois par les affiliés, les bénéficiaires ou les tiers à l'égard de l'institution de retraite professionnelle, le tribunal peut déclarer sans effet la nullité à l'égard de ces droits, sous réserve du droit du demandeur à des dommages et intérêts s'il y a lieu.
L'action en nullité ne peut plus être intentée après l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date à laquelle les actes ou décisions intervenus sont opposables à celui qui invoque la nullité ou sont connus de lui.
L'action en nullité est dirigée contre l'institution de retraite professionnelle. Si des motifs graves le justifient, le demandeur en nullité peut solliciter en référé la suspension provisoire des actes ou décisions attaqués. L'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité produisent leurs effets à l'égard de tous. Au cas où l'acte ou la décision suspendu ont fait l'objet d'une publication, l'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité sont publiés en extrait dans les mêmes formes.
Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte aux droits acquis de bonne fois par les affiliés, les bénéficiaires ou les tiers à l'égard de l'institution de retraite professionnelle, le tribunal peut déclarer sans effet la nullité à l'égard de ces droits, sous réserve du droit du demandeur à des dommages et intérêts s'il y a lieu.
L'action en nullité ne peut plus être intentée après l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date à laquelle les actes ou décisions intervenus sont opposables à celui qui invoque la nullité ou sont connus de lui.
Änderungen
HOOFDSTUK IX. - Intrekking van de [1 vergunning]1.
CHAPITRE IX. - Revocation de l'agrément.
Art.130. [1 § 1.]1 De [4 FSMA]4 [7 kan de vergunning voor alle of bepaalde activiteiten als bedoeld in artikel 55, eerste lid intrekken]7 wanneer de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening :
1° van de [5 vergunning]5 geen gebruik maakt binnen twaalf maanden, of haar activiteiten gedurende meer dan zes maanden gestaakt heeft of niet meer voldoet aan de toelatingsvoorwaarden;
2° ernstig te kort komt aan de verplichtingen die haar door deze wet of haar uitvoeringsbesluiten [8 , of door Verordening 2019/2088 of de artikelen 5 tot en met 7 van Verordening 2020/852]8 [9 , of de bepalingen van Verordening 2022/2554]9 zijn opgelegd, inzonderheid wat de samenstelling van de in de artikelen 89 en 90 bedoelde technische voorzieningen betreft en de dekking van deze technische voorzieningen door voldoende en passende dekkingswaarden;
3° binnen de gestelde termijn de maatregelen niet heeft kunnen verwezenlijken waarin het bij artikel 113 bedoelde saneringsplan of het bij artikel 116 bedoelde herstelplan, voorziet.
[1 Elke beslissing tot intrekking van de [5 vergunning]5 wordt ter kennis gebracht van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.]1
[1 § 2. De [5 vergunning]5 vervalt van rechtswege in geval van ontbinding van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.]1
[1 § 3. Zonder afbreuk te doen aan artikel 59 kan de [4 FSMA]4, indien zij oordeelt dat de vrijwaring van de rechten van de aangeslotenen en de [6 pensioengerechtigden]6 dat vereist, op kosten van de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de intrekking van de [5 vergunning]5 of het verval van rechtswege van de [5 vergunning]5 bekendmaken op de wijze die zij bepaalt. In dat bericht wordt de datum vermeld waarop de intrekking of het verval van rechtswege van de [5 vergunning]5 uitwerking heeft.]1
1° van de [5 vergunning]5 geen gebruik maakt binnen twaalf maanden, of haar activiteiten gedurende meer dan zes maanden gestaakt heeft of niet meer voldoet aan de toelatingsvoorwaarden;
2° ernstig te kort komt aan de verplichtingen die haar door deze wet of haar uitvoeringsbesluiten [8 , of door Verordening 2019/2088 of de artikelen 5 tot en met 7 van Verordening 2020/852]8 [9 , of de bepalingen van Verordening 2022/2554]9 zijn opgelegd, inzonderheid wat de samenstelling van de in de artikelen 89 en 90 bedoelde technische voorzieningen betreft en de dekking van deze technische voorzieningen door voldoende en passende dekkingswaarden;
3° binnen de gestelde termijn de maatregelen niet heeft kunnen verwezenlijken waarin het bij artikel 113 bedoelde saneringsplan of het bij artikel 116 bedoelde herstelplan, voorziet.
[1 Elke beslissing tot intrekking van de [5 vergunning]5 wordt ter kennis gebracht van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.]1
[1 § 2. De [5 vergunning]5 vervalt van rechtswege in geval van ontbinding van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.]1
[1 § 3. Zonder afbreuk te doen aan artikel 59 kan de [4 FSMA]4, indien zij oordeelt dat de vrijwaring van de rechten van de aangeslotenen en de [6 pensioengerechtigden]6 dat vereist, op kosten van de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de intrekking van de [5 vergunning]5 of het verval van rechtswege van de [5 vergunning]5 bekendmaken op de wijze die zij bepaalt. In dat bericht wordt de datum vermeld waarop de intrekking of het verval van rechtswege van de [5 vergunning]5 uitwerking heeft.]1
Änderungen
Art.130. [1 § 1er.]1 La [4 FSMA]4 [5 peut révoquer l'agrément pour l'ensemble ou certaines des activités visées à l'article 55, alinéa 1er]5 lorsque l'institution de retraite professionnelle :
1° ne fait pas usage de l'agrément dans un délai de douze mois, ou a cessé d'exercer son activité pendant une période supérieure à six mois ou ne satisfait plus aux conditions d'accès;
2° manque gravement aux obligations qui lui sont imposées par la présente loi ou par ses arrêtés d'exécution [6 ou par le Règlement 2019/2088 ou les articles 5 à 7 du Règlement 2020/852]6 [7 , ou encore par les dispositions du règlement 2022/2554]7, notamment en ce qui concerne la constitution des provisions techniques visées aux articles 89 et 90 et leur couverture par des valeurs représentatives adéquates et suffisantes;
3° n'a pu réaliser, dans les délais impartis, les mesures prévues par le plan d'assainissement visé à l'article 113 ou par le plan de redressement visé à l'article 116.
[1 Toute décision portant révocation de l'agrément est notifiée à l'institution de retraite professionnelle.]1
[1 § 2. L'agrément expire de plein droit en cas de dissolution de l'institution de retraite professionnelle. ]1
[1 § 3. Sans préjudice de l'article 59, la [4 FSMA]4 peut, si elle estime que la sauvegarde des droits des affiliés et des bénéficiaires le requiert, publier de la manière qu'elle détermine et aux frais de l'institution de retraite professionnelle concernée, un avis de révocation ou d'expiration de plein droit de l'agrément. Cet avis mentionne la date à laquelle la révocation ou l'expiration de plein droit produit ses effets.]1
1° ne fait pas usage de l'agrément dans un délai de douze mois, ou a cessé d'exercer son activité pendant une période supérieure à six mois ou ne satisfait plus aux conditions d'accès;
2° manque gravement aux obligations qui lui sont imposées par la présente loi ou par ses arrêtés d'exécution [6 ou par le Règlement 2019/2088 ou les articles 5 à 7 du Règlement 2020/852]6 [7 , ou encore par les dispositions du règlement 2022/2554]7, notamment en ce qui concerne la constitution des provisions techniques visées aux articles 89 et 90 et leur couverture par des valeurs représentatives adéquates et suffisantes;
3° n'a pu réaliser, dans les délais impartis, les mesures prévues par le plan d'assainissement visé à l'article 113 ou par le plan de redressement visé à l'article 116.
[1 Toute décision portant révocation de l'agrément est notifiée à l'institution de retraite professionnelle.]1
[1 § 2. L'agrément expire de plein droit en cas de dissolution de l'institution de retraite professionnelle. ]1
[1 § 3. Sans préjudice de l'article 59, la [4 FSMA]4 peut, si elle estime que la sauvegarde des droits des affiliés et des bénéficiaires le requiert, publier de la manière qu'elle détermine et aux frais de l'institution de retraite professionnelle concernée, un avis de révocation ou d'expiration de plein droit de l'agrément. Cet avis mentionne la date à laquelle la révocation ou l'expiration de plein droit produit ses effets.]1
Änderungen
Art.131. De intrekking van de [4 vergunning]4 brengt de vereffening mee van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
De [3 FSMA]3 kan alle passende maatregelen opleggen tot vrijwaring van de rechten van de aangeslotenen en de [5 pensioengerechtigden]5. Zij kan met name de overdracht van de rechten en verplichtingen voortspruitend uit de beheerde pensioenregelingen, alsmede van [6 de aan de pensioenregelingen toegewezen activa]6, opleggen.
De instelling waarvan de [4 vergunning]4 is ingetrokken blijft onderworpen aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsreglementen en aan het toezicht van de [3 FSMA]3 tot al haar verbintenissen zijn vereffend.
De [3 FSMA]3 kan alle passende maatregelen opleggen tot vrijwaring van de rechten van de aangeslotenen en de [5 pensioengerechtigden]5. Zij kan met name de overdracht van de rechten en verplichtingen voortspruitend uit de beheerde pensioenregelingen, alsmede van [6 de aan de pensioenregelingen toegewezen activa]6, opleggen.
De instelling waarvan de [4 vergunning]4 is ingetrokken blijft onderworpen aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsreglementen en aan het toezicht van de [3 FSMA]3 tot al haar verbintenissen zijn vereffend.
Änderungen
Art.131. La révocation de l'agrément emporte liquidation de l'institution de retraite professionnelle.
La [3 FSMA]3 peut imposer toute mesure propre à sauvegarder les droits des affiliés et des bénéficiaires. Elle peut, en particulier, imposer la cession des droits et obligations decoulant des régimes de pension gérés, [4 ainsi que des actifs alloués aux régimes de retraite]4.
L'institution dont l'agrément a été révoqué reste soumise aux dispositions de la présente loi et de ses règlements d'exécution et au contrôle de la [3 FSMA]3 jusqu'à ce que soient liquidés tous ses engagements.
La [3 FSMA]3 peut imposer toute mesure propre à sauvegarder les droits des affiliés et des bénéficiaires. Elle peut, en particulier, imposer la cession des droits et obligations decoulant des régimes de pension gérés, [4 ainsi que des actifs alloués aux régimes de retraite]4.
L'institution dont l'agrément a été révoqué reste soumise aux dispositions de la présente loi et de ses règlements d'exécution et au contrôle de la [3 FSMA]3 jusqu'à ce que soient liquidés tous ses engagements.
Änderungen
Art.132. [3 De FSMA stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening een grensoverschrijdende activiteit uitoefent, en de EIOPA, in kennis van de beperking van of het verbod op bepaalde verrichtingen bedoeld in artikel 123, tweede lid, en van de intrekking van de [4 vergunning]4 bedoeld in artikel 130, § 1.]3
De [2 FSMA]2 kan desgevallend in samenwerking met die bevoegde autoriteiten alle passende maatregelen opleggen tot vrijwaring van de rechten van de aangeslotenen en de [5 pensioengerechtigden]5.
De [2 FSMA]2 kan desgevallend in samenwerking met die bevoegde autoriteiten alle passende maatregelen opleggen tot vrijwaring van de rechten van de aangeslotenen en de [5 pensioengerechtigden]5.
Änderungen
Art.132. [3 La FSMA informe les autorités compétentes des Etats membres où l'institution de retraite professionnelle exerce une activité transfrontalière et l'EIOPA de la limitation ou de l'interdiction de certaines opérations visée à l'article 123, alinéa 2, et de la révocation de l'agrément visée à l'article 130, § 1er.]3
La [2 FSMA]2 peut imposer, le cas échéant avec le concours de ces autorités compétentes, toutes mesures propres à sauvegarder les droits des affiliés et des bénéficiaires.
La [2 FSMA]2 peut imposer, le cas échéant avec le concours de ces autorités compétentes, toutes mesures propres à sauvegarder les droits des affiliés et des bénéficiaires.
Änderungen
HOOFDSTUK X. - Overdracht.
CHAPITRE X. - Transfert.
Art.133. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op een grensoverschrijdende overdracht.
§ 2. Een IBP mag de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit pensioenregelingen geheel of gedeeltelijk overdragen aan een andere IBP of aan een verzekeringsonderneming op voorwaarde dat de overdracht werd goedgekeurd door een, volgens het op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke recht gedefinieerde, meerderheid van de betrokken aangeslotenen en een meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers, en desgevallend door de betrokken bijdragende onderneming.
Voor de Belgische pensioenregelingen wordt de meerderheid bedoeld in het eerste lid gedefinieerd in de op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke sociale wetgeving en arbeidswetgeving.
Wanneer de op de overgedragen Belgische pensioenregeling toepasselijke sociale en arbeidswetgeving geen bepalingen bevat conform het tweede lid, wordt voor de toepassing van het eerste lid met een gewone meerderheid rekening gehouden.
§ 3. De overdragende IBP stelt de betrokken aangeslotenen en pensioengerechtigden en, in voorkomend geval op grond van paragraaf 2, hun vertegenwoordigers de informatie over de voorwaarden van de overdracht tijdig ter beschikking. Die informatie moet voldoen aan de vereisten van artikel 96/2.
De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op de overdrachten van rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de pensioenregelingen bedoeld in artikel 135, eerste lid.
§ 4. De aangeslotenen of pensioengerechtigden die een individuele overeenkomst met de IBP hebben gesloten en die niet akkoord gaan met de overdracht hebben de mogelijkheid om hun overeenkomst met de IBP stop te zetten en hun opgebouwde reserves over te dragen naar een andere pensioeninstelling. De overdragende IBP mag hierbij geen kosten aanrekenen.
§ 5. De overdragende IBP stelt de FSMA voorafgaandelijk in kennis van een overdracht als bedoeld in paragraaf 2.]1
§ 2. Een IBP mag de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit pensioenregelingen geheel of gedeeltelijk overdragen aan een andere IBP of aan een verzekeringsonderneming op voorwaarde dat de overdracht werd goedgekeurd door een, volgens het op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke recht gedefinieerde, meerderheid van de betrokken aangeslotenen en een meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers, en desgevallend door de betrokken bijdragende onderneming.
Voor de Belgische pensioenregelingen wordt de meerderheid bedoeld in het eerste lid gedefinieerd in de op de overgedragen pensioenregeling toepasselijke sociale wetgeving en arbeidswetgeving.
Wanneer de op de overgedragen Belgische pensioenregeling toepasselijke sociale en arbeidswetgeving geen bepalingen bevat conform het tweede lid, wordt voor de toepassing van het eerste lid met een gewone meerderheid rekening gehouden.
§ 3. De overdragende IBP stelt de betrokken aangeslotenen en pensioengerechtigden en, in voorkomend geval op grond van paragraaf 2, hun vertegenwoordigers de informatie over de voorwaarden van de overdracht tijdig ter beschikking. Die informatie moet voldoen aan de vereisten van artikel 96/2.
De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op de overdrachten van rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de pensioenregelingen bedoeld in artikel 135, eerste lid.
§ 4. De aangeslotenen of pensioengerechtigden die een individuele overeenkomst met de IBP hebben gesloten en die niet akkoord gaan met de overdracht hebben de mogelijkheid om hun overeenkomst met de IBP stop te zetten en hun opgebouwde reserves over te dragen naar een andere pensioeninstelling. De overdragende IBP mag hierbij geen kosten aanrekenen.
§ 5. De overdragende IBP stelt de FSMA voorafgaandelijk in kennis van een overdracht als bedoeld in paragraaf 2.]1
Art.133. [1 § 1er. Le présent article s'applique sans préjudice des dispositions applicables en cas de transfert transfrontalier.
§ 2. Une IRP peut transférer tout ou partie des droits et obligations résultant des régimes de retraite à une autre IRP ou à une entreprise d'assurance, à condition que le transfert ait reçu l'accord d'une majorité des affiliés concernés et d'une majorité des bénéficiaires concernés ou, s'il y a lieu, d'une majorité de leurs représentants, la majorité étant définie selon le droit applicable au régime de retraite transféré, ainsi que, le cas échéant, l'accord de l'entreprise d'affiliation concernée.
Pour les régimes de retraite belges, la majorité visée à l'alinéa 1er est définie dans la législation de droit social et de droit du travail applicable au régime de retraite transféré.
Lorsque la législation belge de droit social et de droit du travail applicable au régime de retraite transféré ne comprend pas de dispositions conformément à l'alinéa 2, il est tenu compte d'une majorité simple pour l'application de l'alinéa 1er.
§ 3. L'IRP qui transfère met en temps utile à la disposition des affiliés et des bénéficiaires concernés et, s'il y a lieu en vertu du paragraphe 2, de leurs représentants, les informations sur les conditions du transfert. Ces informations doivent satisfaire aux exigences de l'article 96/2.
Les dispositions de l'alinéa 1er ne sont pas applicables aux transferts des droits et obligations qui résultent des régimes de retraite visés à l'article 135, alinéa 1er.
§ 4. Les affiliés ou les bénéficiaires qui ont conclu un contrat individuel avec l'IRP et qui ne sont pas d'accord avec le transfert, ont la possibilité de mettre fin à leur contrat avec l'IRP et de transférer leurs réserves constituées à un autre organisme de pension. L'IRP qui transfère ne peut, dans ce cadre, leur imputer des coûts.
§ 5. L'IRP qui transfère informe préalablement la FSMA de tout transfert visé au paragraphe 2.]1
§ 2. Une IRP peut transférer tout ou partie des droits et obligations résultant des régimes de retraite à une autre IRP ou à une entreprise d'assurance, à condition que le transfert ait reçu l'accord d'une majorité des affiliés concernés et d'une majorité des bénéficiaires concernés ou, s'il y a lieu, d'une majorité de leurs représentants, la majorité étant définie selon le droit applicable au régime de retraite transféré, ainsi que, le cas échéant, l'accord de l'entreprise d'affiliation concernée.
Pour les régimes de retraite belges, la majorité visée à l'alinéa 1er est définie dans la législation de droit social et de droit du travail applicable au régime de retraite transféré.
Lorsque la législation belge de droit social et de droit du travail applicable au régime de retraite transféré ne comprend pas de dispositions conformément à l'alinéa 2, il est tenu compte d'une majorité simple pour l'application de l'alinéa 1er.
§ 3. L'IRP qui transfère met en temps utile à la disposition des affiliés et des bénéficiaires concernés et, s'il y a lieu en vertu du paragraphe 2, de leurs représentants, les informations sur les conditions du transfert. Ces informations doivent satisfaire aux exigences de l'article 96/2.
Les dispositions de l'alinéa 1er ne sont pas applicables aux transferts des droits et obligations qui résultent des régimes de retraite visés à l'article 135, alinéa 1er.
§ 4. Les affiliés ou les bénéficiaires qui ont conclu un contrat individuel avec l'IRP et qui ne sont pas d'accord avec le transfert, ont la possibilité de mettre fin à leur contrat avec l'IRP et de transférer leurs réserves constituées à un autre organisme de pension. L'IRP qui transfère ne peut, dans ce cadre, leur imputer des coûts.
§ 5. L'IRP qui transfère informe préalablement la FSMA de tout transfert visé au paragraphe 2.]1
HOOFDSTUK XI. - Openbare besturen en overheidsbedrijven.
CHAPITRE XI. - Administrations et organismes publics.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Section Ire. - Dispositions générales.
Art.134. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° openbaar bestuur : een openbare entiteit of een publiekrechtelijke rechtspersoon die niet onderworpen is [1 aan het Boek III, titel 3, hoofdstuk 2 van het Wetboek van economisch recht]1;
2° overheidsbedrijf : publiekrechtelijke rechtspersoon die onderworpen is [1 aan het Boek III, titel 3, hoofdstuk 2 van het Wetboek van economisch recht]1.
1° openbaar bestuur : een openbare entiteit of een publiekrechtelijke rechtspersoon die niet onderworpen is [1 aan het Boek III, titel 3, hoofdstuk 2 van het Wetboek van economisch recht]1;
2° overheidsbedrijf : publiekrechtelijke rechtspersoon die onderworpen is [1 aan het Boek III, titel 3, hoofdstuk 2 van het Wetboek van economisch recht]1.
Art.134. Au sens du présent chapitre, on entend par :
1° administration publique : une entité publique ou une personne morale de droit public qui n'est pas soumise [1 au Livre III, titre 3, chapitre 2 du Code de droit économique]1;
2° organisme public : une personne morale de droit public qui est soumise [1 au Livre III, titre 3, chapitre 2 du Code de droit économique]1.
1° administration publique : une entité publique ou une personne morale de droit public qui n'est pas soumise [1 au Livre III, titre 3, chapitre 2 du Code de droit économique]1;
2° organisme public : une personne morale de droit public qui est soumise [1 au Livre III, titre 3, chapitre 2 du Code de droit économique]1.
Änderungen
Art.135. [2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder pensioenregeling, een pensioenregeling die uitkeringen inzake wettelijk pensioen voorziet.]2
De [2 in het eerste lid]2 genoemde pensioenregelingen mogen niet beheerd worden door een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die niet in België [1 vergund]1 is. De activa en de verbintenissen die betrekking hebben op deze activiteit worden afgescheiden en gescheiden van de overige activiteiten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat.
De [2 in het eerste lid]2 genoemde pensioenregelingen mogen niet beheerd worden door een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die niet in België [1 vergund]1 is. De activa en de verbintenissen die betrekking hebben op deze activiteit worden afgescheiden en gescheiden van de overige activiteiten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat.
Art.135. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par régime de retraite, un régime de retraite prévoyant des prestations en matière de pensions légales.]1
Les régimes de retraite visés [1 à l'alinéa 1er]1 ne peuvent être gérés par une institution de retraite professionnelle non agréée en Belgique. Les actifs et les engagements correspondant à cette activité sont cantonnés, gérés et organisés separément des autres activités de l'institution de retraite professionnelle sans aucune possibilité de transfert.
Les régimes de retraite visés [1 à l'alinéa 1er]1 ne peuvent être gérés par une institution de retraite professionnelle non agréée en Belgique. Les actifs et les engagements correspondant à cette activité sont cantonnés, gérés et organisés separément des autres activités de l'institution de retraite professionnelle sans aucune possibilité de transfert.
Afdeling II. - Openbare besturen.
Section II. - Administrations publiques.
Art.136. § 1. De bepalingen van deze wet zijn niet van toepassing op de pensioenregelingen die beheerd worden door openbare besturen of rechtspersonen, die zij daartoe hebben opgericht, andere dan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
De openbare besturen en de door hen opgerichte instellingen mogen geen grensoverschrijdende activiteit uitoefenen.
De instellingen en interne of externe diensten van de besturen bedoeld in deze paragraaf mogen de benamingen " instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ", " voorzorgsinstelling ", " pensioenfonds " of " pensioenkas " niet gebruiken op straffe van de in het artikel 151, tweede lid, bedoelde sancties.
§ 2. De openbare besturen zijn evenwel gemachtigd om het beheer van hun pensioenregelingen toe te vertrouwen aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die ze daartoe oprichten. Deze instellingen worden onderworpen aan de bepalingen van deze wet.
[1 § 3. [2 Wanneer een openbaar bestuur, met naleving van de van toepassing zijnde reglementering, beslist het beheer van het geheel of een deel van een pensioenregeling, niet langer aan een IBP toe te vertrouwen met toepassing van paragraaf 1, stelt de betrokken IBP de FSMA daarvan onmiddellijk in kennis.
Het openbaar bestuur stelt de aangeslotenen en de pensioengerechtigden van de pensioenregeling van de toepassing van het eerste lid in kennis.]2]1
De openbare besturen en de door hen opgerichte instellingen mogen geen grensoverschrijdende activiteit uitoefenen.
De instellingen en interne of externe diensten van de besturen bedoeld in deze paragraaf mogen de benamingen " instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ", " voorzorgsinstelling ", " pensioenfonds " of " pensioenkas " niet gebruiken op straffe van de in het artikel 151, tweede lid, bedoelde sancties.
§ 2. De openbare besturen zijn evenwel gemachtigd om het beheer van hun pensioenregelingen toe te vertrouwen aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die ze daartoe oprichten. Deze instellingen worden onderworpen aan de bepalingen van deze wet.
[1 § 3. [2 Wanneer een openbaar bestuur, met naleving van de van toepassing zijnde reglementering, beslist het beheer van het geheel of een deel van een pensioenregeling, niet langer aan een IBP toe te vertrouwen met toepassing van paragraaf 1, stelt de betrokken IBP de FSMA daarvan onmiddellijk in kennis.
Het openbaar bestuur stelt de aangeslotenen en de pensioengerechtigden van de pensioenregeling van de toepassing van het eerste lid in kennis.]2]1
Art.136. § 1er. Les dispositions de la présente loi ne sont pas applicables aux régimes de retraite gérés par des administrations publiques ou par des personnes morales, autres que des institutions de retraite professionnelle, qu'elles créent à cet effet.
Les administrations publiques et les institutions créées par ces dernières ne peuvent exercer une activité transfrontalière.
Les institutions et services internes ou externes des administrations visées au présent paragraphe ne peuvent utiliser les dénominations " institution de retraite professionnelle ", " institution de prévoyance ", " fonds de pensions " ou " caisse de pensions " sous peine des sanctions visées à l'article 151, alinéa 2.
§ 2. Les administrations publiques sont toutefois autorisées à confier la gestion de leurs régimes de retraite à une institution de retraite professionnelle qu'au besoin elles créent. Ces institutions sont soumises aux dispositions de la présente loi.
[1 § 3. [2 Lorsqu'une administration publique décide, dans le respect de la réglementation en vigueur, de cesser de confier la gestion d'une partie ou de la totalité d'un régime de retraite à une IRP en application du paragraphe 1er, l'IRP visée en informe immédiatement la FSMA.
L'administration publique informe les affiliés et les bénéficiaires de l'application de l'alinéa 1er.]2]1
Les administrations publiques et les institutions créées par ces dernières ne peuvent exercer une activité transfrontalière.
Les institutions et services internes ou externes des administrations visées au présent paragraphe ne peuvent utiliser les dénominations " institution de retraite professionnelle ", " institution de prévoyance ", " fonds de pensions " ou " caisse de pensions " sous peine des sanctions visées à l'article 151, alinéa 2.
§ 2. Les administrations publiques sont toutefois autorisées à confier la gestion de leurs régimes de retraite à une institution de retraite professionnelle qu'au besoin elles créent. Ces institutions sont soumises aux dispositions de la présente loi.
[1 § 3. [2 Lorsqu'une administration publique décide, dans le respect de la réglementation en vigueur, de cesser de confier la gestion d'une partie ou de la totalité d'un régime de retraite à une IRP en application du paragraphe 1er, l'IRP visée en informe immédiatement la FSMA.
L'administration publique informe les affiliés et les bénéficiaires de l'application de l'alinéa 1er.]2]1
Afdeling III. - Overheidsbedrijven.
Section III. - Organismes publics.
Art.137. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de overheidsbedrijven en op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening waaraan ze het beheer van hun pensioenregelingen toevertrouwen.
De overheidsbedrijven zijn gemachtigd om een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening op te richten om te voldoen aan de bepalingen van deze wet.
De overheidsbedrijven zijn gemachtigd om een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening op te richten om te voldoen aan de bepalingen van deze wet.
Art.137. Les dispositions de la présente loi sont applicables aux organismes publics et aux institutions de retraite professionnelle auxquelles ceux-ci confient la gestion de leurs régimes de retraite.
Les organismes publics sont autorisés à créer une institution de retraite professionnelle pour se conformer aux dispositions de la présente loi.
Les organismes publics sont autorisés à créer une institution de retraite professionnelle pour se conformer aux dispositions de la présente loi.
Art.138. In afwijking van artikel 137 zijn de bepalingen van deze wet niet van toepassing op de pensioenregelingen van de overheidsbedrijven voor wat betreft de opbouw van wettelijke pensioenen, voorzover de Staat, een gewest, een gemeenschap, een provincie of een gemeente de last draagt van de toegekende voordelen of zich uitdrukkelijk garant stelt voor de goede afloop van de verbintenissen van die pensioenregelingen.
Het overheidsbedrijf stelt de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 in kennis van de toepassing van het vorige lid.
De instellingen en interne of externe diensten van de overheidsbedrijven bedoeld in dit artikel mogen de benamingen " instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ", " voorzorgsinstelling ", " pensioenfonds " of " pensioenkas " niet gebruiken op straffe van de in het artikel 151, tweede lid, bedoelde sancties.
Deze ondernemingen en instellingen mogen geen grensoverschrijdende activiteit uitoefenen.
Het overheidsbedrijf stelt de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 in kennis van de toepassing van het vorige lid.
De instellingen en interne of externe diensten van de overheidsbedrijven bedoeld in dit artikel mogen de benamingen " instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ", " voorzorgsinstelling ", " pensioenfonds " of " pensioenkas " niet gebruiken op straffe van de in het artikel 151, tweede lid, bedoelde sancties.
Deze ondernemingen en instellingen mogen geen grensoverschrijdende activiteit uitoefenen.
Art.138. Par dérogation à l'article 137, les dispositions de la présente loi ne sont pas applicables aux régimes de retraite des organismes publics en ce qui concerne la constitution de pensions légales dans la mesure où l'Etat, une région, une communauté, une province ou une commune supporte la charge des avantages octroyés ou garantit expressément la bonne fin des engagements de ces régimes de retraite.
L'organisme public informe les affiliés et les bénéficiaires de l'application de l'alinéa précédent.
Les institutions et services internes ou externes des organismes publics visés au présent article ne peuvent utiliser les dénominations " institution de retraite professionnelle ", " institution de prévoyance ", " fonds de pensions " ou " caisse de pensions " sous peine des sanctions visées à l'article 151, alinéa 2.
Ces organismes et institutions ne peuvent exercer une activité transfrontalière.
L'organisme public informe les affiliés et les bénéficiaires de l'application de l'alinéa précédent.
Les institutions et services internes ou externes des organismes publics visés au présent article ne peuvent utiliser les dénominations " institution de retraite professionnelle ", " institution de prévoyance ", " fonds de pensions " ou " caisse de pensions " sous peine des sanctions visées à l'article 151, alinéa 2.
Ces organismes et institutions ne peuvent exercer une activité transfrontalière.
Art. 138/1. [1 Wanneer een overheidsbedrijf overweegt om, met toepassing van artikel 138 en met naleving van de van toepassing zijnde reglementering, het beheer van het geheel of een deel van een pensioenregeling niet langer aan een IBP toe te vertrouwen, stelt de betrokken IBP de FSMA daarvan voorafgaandelijk in kennis samen met het bewijs dat de Staat, een gewest, een gemeenschap, een provincie of een gemeente overeenkomstig artikel 138, eerste lid, de last van de toegekende voordelen op zich neemt of de goede afloop van de verbintenissen uitdrukkelijk waarborgt.
De FSMA kan zich verzetten tegen deze operatie indien de IBP het bewijs bedoeld in het eerste lid niet overlegt.]1
De FSMA kan zich verzetten tegen deze operatie indien de IBP het bewijs bedoeld in het eerste lid niet overlegt.]1
Art. 138/1. [1 Lorsqu'en application de l'article 138, un organisme public envisage, dans le respect de la réglementation en vigueur, de cesser de confier la gestion d'une partie ou de la totalité d'un régime de retraite à une IRP, cette dernière en informe préalablement la FSMA et lui communique la preuve que l'Etat, une région, une communauté, une province ou une commune supporte la charge des avantages octroyés ou garantit expressément la bonne fin des engagements conformément à l'article 138, alinéa 1er.
La FSMA peut refuser cette opération si l'IRP n'apporte pas la preuve visée à l'alinéa 1er.]1
La FSMA peut refuser cette opération si l'IRP n'apporte pas la preuve visée à l'alinéa 1er.]1
Art.139. Dit artikel is van toepassing op overheidsbedrijven die :
- voor het geheel of een gedeelte van hun personeel over een eigen pensioenregeling voor wettelijke pensioenen beschikken;
- geen groepsverzekeringsovereenkomst hebben onderschreven bij een verzekeringsonderneming [1 bedoeld in de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]1
- het beheer van hun pensioenregeling niet hebben toevertrouwd aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, [2 vergund]2 in toepassing van Titel II;
- de vrijstelling bedoeld in artikel 138 niet genieten.
De in het eerste lid bedoelde overheidsbedrijven, die voor hun personeel over een eigen pensioenstelsel voor wettelijke pensioenen beschikken, worden ambtshalve en onherroepelijk aangesloten bij, naargelang de categorie waartoe ze behoren, ofwel het stelsel van de nieuwe aangeslotenen bij de Rijksdienst, bedoeld in artikel 1bis, d), van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen, ofwel het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.
Dit artikel is niet van toepassing op de overheidsbedrijven die afhangen van een gemeenschap, een gewest of een gemeenschapscommissie, noch op de overheidsbedrijven die voor een gedeelte van hun personeel aangesloten zijn ofwel bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de lokale overheden bedoeld in artikel 1bis, c), van de voormelde wet van 6 augustus 1993, ofwel bij het regime voor de nieuwe aangeslotenen bij de Rijksdienst bedoeld in artikel 1bis, d) van die wet.
- voor het geheel of een gedeelte van hun personeel over een eigen pensioenregeling voor wettelijke pensioenen beschikken;
- geen groepsverzekeringsovereenkomst hebben onderschreven bij een verzekeringsonderneming [1 bedoeld in de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]1
- het beheer van hun pensioenregeling niet hebben toevertrouwd aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, [2 vergund]2 in toepassing van Titel II;
- de vrijstelling bedoeld in artikel 138 niet genieten.
De in het eerste lid bedoelde overheidsbedrijven, die voor hun personeel over een eigen pensioenstelsel voor wettelijke pensioenen beschikken, worden ambtshalve en onherroepelijk aangesloten bij, naargelang de categorie waartoe ze behoren, ofwel het stelsel van de nieuwe aangeslotenen bij de Rijksdienst, bedoeld in artikel 1bis, d), van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen, ofwel het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.
Dit artikel is niet van toepassing op de overheidsbedrijven die afhangen van een gemeenschap, een gewest of een gemeenschapscommissie, noch op de overheidsbedrijven die voor een gedeelte van hun personeel aangesloten zijn ofwel bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de lokale overheden bedoeld in artikel 1bis, c), van de voormelde wet van 6 augustus 1993, ofwel bij het regime voor de nieuwe aangeslotenen bij de Rijksdienst bedoeld in artikel 1bis, d) van die wet.
Art.139. Le présent article s'applique aux organismes publics qui :
- pour tout ou partie de leur personnel disposent d'un régime de retraite propre en ce qui concerne les pensions légales;
- n'ont pas souscrit un contrat d'assurance de groupe avec une entreprise d'assurances [1 visée aux Livres II et III de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;]1
- n'ont pas confié la gestion de leur régime de retraite à une institution de retraite professionnelle agréée en application du Titre II;
- ne bénéficient pas de la dispense visée à l'article 138.
Les organismes publics visés à l'alinéa 1er, qui disposent d'un regime de retraite propre pour leur personnel en ce qui concerne les pensions légales, sont affiliés d'office et irrévocablement, selon la catégorie à laquelle ils appartiennent, soit au régime des nouveaux affiliés à l'Office visé à l'article 1erbis, d), de la loi du 6 août 1993 relative aux pensions du personnel nommé des administrations locales, soit au régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intéret public et de leurs ayants droit.
Le présent article n'est applicable ni aux organismes publics qui dépendent d'une communauté, d'une région ou d'une commission communautaire ni aux organismes publics qui, pour une partie de leur personnel, sont affiliés soit au régime commun de pension des pouvoirs locaux visé à l'article 1erbis, c), de la loi du 6 août 1993 précitée soit au régime des nouveaux affiliés a l'office visé à l'article 1erbis, d), de cette loi.
- pour tout ou partie de leur personnel disposent d'un régime de retraite propre en ce qui concerne les pensions légales;
- n'ont pas souscrit un contrat d'assurance de groupe avec une entreprise d'assurances [1 visée aux Livres II et III de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;]1
- n'ont pas confié la gestion de leur régime de retraite à une institution de retraite professionnelle agréée en application du Titre II;
- ne bénéficient pas de la dispense visée à l'article 138.
Les organismes publics visés à l'alinéa 1er, qui disposent d'un regime de retraite propre pour leur personnel en ce qui concerne les pensions légales, sont affiliés d'office et irrévocablement, selon la catégorie à laquelle ils appartiennent, soit au régime des nouveaux affiliés à l'Office visé à l'article 1erbis, d), de la loi du 6 août 1993 relative aux pensions du personnel nommé des administrations locales, soit au régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intéret public et de leurs ayants droit.
Le présent article n'est applicable ni aux organismes publics qui dépendent d'une communauté, d'une région ou d'une commission communautaire ni aux organismes publics qui, pour une partie de leur personnel, sont affiliés soit au régime commun de pension des pouvoirs locaux visé à l'article 1erbis, c), de la loi du 6 août 1993 précitée soit au régime des nouveaux affiliés a l'office visé à l'article 1erbis, d), de cette loi.
TITEL III. - Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening van een andere lidstaat dan België.
TITRE III. - Institutions de retraite professionnelle d'un Etat membre autre que la Belgique.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions genérales.
Art.140. [1 Deze titel is van toepassing op de IBP's met een andere lidstaat dan België als lidstaat van herkomst en die:
1° voornemens zijn om pensioenregelingen te beheren of er al beheren, die onderworpen zijn aan de bepalingen van de Belgische sociale en arbeidswetgeving die van toepassing is op bedrijfspensioenregelingen
2° en/of een grensoverschrijdende overdracht ontvangen als ontvangende IBP van een overdragende Belgische IBP.]1
1° voornemens zijn om pensioenregelingen te beheren of er al beheren, die onderworpen zijn aan de bepalingen van de Belgische sociale en arbeidswetgeving die van toepassing is op bedrijfspensioenregelingen
2° en/of een grensoverschrijdende overdracht ontvangen als ontvangende IBP van een overdragende Belgische IBP.]1
Art.140. [1 Le présent titre est applicable aux IRP ayant un autre Etat membre que la Belgique comme Etat d'origine et qui:
1° veulent gérer ou gèrent des régimes de retraite qui sont soumis au droit belge en ce qui concerne la législation sociale et la législation du travail pertinente en matière de régime de retraite professionnelle;
2° et/ou reçoivent un transfert transfrontalier en tant qu'IRP destinataire d'une IRP belge qui transfère.]1
1° veulent gérer ou gèrent des régimes de retraite qui sont soumis au droit belge en ce qui concerne la législation sociale et la législation du travail pertinente en matière de régime de retraite professionnelle;
2° et/ou reçoivent un transfert transfrontalier en tant qu'IRP destinataire d'une IRP belge qui transfère.]1
HOOFDSTUK II. [1 - Grensoverschrijdende activiteit.]1
CHAPITRE II. [1 - Activité transfrontalière.]1
Art.141. [1 De IBP's met als lidstaat van herkomst een andere lidstaat dan België en waaraan in die lidstaat goedkeuring werd verleend om een grensoverschrijdende activiteit uit te oefenen, mogen in België enkel de in artikel 2/1, § 1, bedoelde pensioenuitkeringen beheren, evenals de activiteiten die er uit voortvloeien.]1
[1 De grensoverschrijdende activiteit van de IBP moet]1 in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze titel alsook met de bepalingen van de Belgische sociale en arbeidswetgeving [1 en de voorschriften inzake informatieverstrekking]1 die van toepassing zijn op de bedrijfspensioenregelingen die zij beheren, met inbegrip van de bepalingen die voortvloeien uit collectieve arbeidsovereenkomsten.
[1 De grensoverschrijdende activiteit van de IBP moet]1 in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze titel alsook met de bepalingen van de Belgische sociale en arbeidswetgeving [1 en de voorschriften inzake informatieverstrekking]1 die van toepassing zijn op de bedrijfspensioenregelingen die zij beheren, met inbegrip van de bepalingen die voortvloeien uit collectieve arbeidsovereenkomsten.
Art.141. [1 Les IRP ayant un autre Etat membre que la Belgique comme Etat d'origine et ayant obtenu l'autorisation, dans cet Etat membre, d'exercer une activité transfrontalière, ne peuvent gérer, en Belgique, que les prestations de retraite visées à l'article 2/1, § 1er, ainsi que les activités qui en découlent.]1
[1 "L'activité transfrontalière de l'IRP doit être conforme]1 aux dispositions du présent titre, ainsi qu'aux dispositions du droit social et du droit du travail [1 et exigences en matière d'information]1 belges applicables aux régimes de retraite professionnelle qu'elles gèrent, en ce compris les dispositions résultant des conventions collectives de travail.
[1 "L'activité transfrontalière de l'IRP doit être conforme]1 aux dispositions du présent titre, ainsi qu'aux dispositions du droit social et du droit du travail [1 et exigences en matière d'information]1 belges applicables aux régimes de retraite professionnelle qu'elles gèrent, en ce compris les dispositions résultant des conventions collectives de travail.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
Art. 141/1. [1 De IBP's bedoeld in artikel 141, eerste lid, geven hun voor bewaargeving vatbare activa in bewaring bij één of meer in bewaring nemende instellingen overeenkomstig artikel 92 in het geval de aangeslotenen en de pensioengerechtigden het volledige beleggingsrisico dragen.]1
Art. 141/1. [1 Les IRP visées à l'article 141, alinéa 1er, déposent les valeurs représentatives susceptibles de dépôt, auprès d'un ou plusieurs dépositaires conformément à l'article 92 lorsque les affiliés et les bénéficiaires supportent intégralement le risque d'investissement.]1
Art.142. Een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening van een andere lidstaat dan België mag in België een grensoverschrijdende activiteit uitoefenen op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst voorafgaandelijk een dossier hebben bezorgd aan de [3 FSMA]3, dat minstens de volgende gegevens bevat :
1° de naam [4 en de vestiging van het hoofdbestuur]4 van de bijdragende onderneming;
2° de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming zal worden beheerd.
1° de naam [4 en de vestiging van het hoofdbestuur]4 van de bijdragende onderneming;
2° de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming zal worden beheerd.
Änderungen
Art.142. Une institution de retraite professionnelle d'un Etat membre autre que la Belgique peut exercer une activité transfrontalière en Belgique à condition que les autorités compétentes de son Etat membre d'origine aient fait préalablement parvenir à la [3 FSMA]3 un dossier contenant au moins les informations suivantes :
1° le nom [4 et le lieu de l'établissement de l'administration centrale]4 de l'entreprise d'affiliation;
2° les principales caractéristiques du régime de retraite à gérer pour l'entreprise d'affiliation.
1° le nom [4 et le lieu de l'établissement de l'administration centrale]4 de l'entreprise d'affiliation;
2° les principales caractéristiques du régime de retraite à gérer pour l'entreprise d'affiliation.
Änderungen
Art.143. Binnen [5 zes weken]5 te rekenen vanaf de ontvangst van de in artikel 142 bedoelde gegevens, deelt de [4 FSMA]4 aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bepalingen van Belgisch recht mee, die op het beheer van de pensioenregeling voor rekening van de bijdragende onderneming van toepassing zullen zijn op het gebied van :
1° de sociale en arbeidswetgeving;
2° de voorschriften inzake informatieverstrekking;
3° [5 de inbewaargeving van de activa.]5
Zodra de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst haar de in het vorige lid bedoelde gegevens hebben bezorgd of, wanneer bij het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn geen mededeling is ontvangen, mag de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening met haar activiteiten in België beginnen.
[1 De [4 FSMA]4 stelt de lijst op van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening van andere lidstaten dan België die in België een grensoverschrijdende activiteit uitoefenen. Deze lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.]1
1° de sociale en arbeidswetgeving;
2° de voorschriften inzake informatieverstrekking;
3° [5 de inbewaargeving van de activa.]5
Zodra de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst haar de in het vorige lid bedoelde gegevens hebben bezorgd of, wanneer bij het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn geen mededeling is ontvangen, mag de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening met haar activiteiten in België beginnen.
[1 De [4 FSMA]4 stelt de lijst op van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening van andere lidstaten dan België die in België een grensoverschrijdende activiteit uitoefenen. Deze lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.]1
Änderungen
Art.143. Dans les [4 six semaines]4 de la réception des informations visées à l'article 142, la [4 FSMA]4 communique aux autorités compétentes de l'Etat membre d'origine les dispositions de droit belge qui régiront la gestion du régime de retraite pour le compte de l'entreprise d'affiliation, en matière :
1° de droit social et de droit du travail;
2° d'exigences d'information;
3° [4 de conservation des actifs]4.
Dès que les autorités compétentes de son Etat membre d'origine lui ont transmis les informations visées à l'alinéa précédent ou, en l'absence d'une telle communication, à l'expiration du délai prévu à l'alinéa 1er, l'institution de retraite professionnelle peut commencer ses activités en Belgique.
[1 La [4 FSMA]4 établit la liste des institutions de retraite professionnelle d'Etats membres autres que la Belgique qui exercent une activité transfrontalière en Belgique. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet.]1
1° de droit social et de droit du travail;
2° d'exigences d'information;
3° [4 de conservation des actifs]4.
Dès que les autorités compétentes de son Etat membre d'origine lui ont transmis les informations visées à l'alinéa précédent ou, en l'absence d'une telle communication, à l'expiration du délai prévu à l'alinéa 1er, l'institution de retraite professionnelle peut commencer ses activités en Belgique.
[1 La [4 FSMA]4 établit la liste des institutions de retraite professionnelle d'Etats membres autres que la Belgique qui exercent une activité transfrontalière en Belgique. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet.]1
Änderungen
Art.144. Wanneer de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de in artikel 142 bedoelde gegevens wijzigt, wordt de procedure die beschreven is in dit hoofdstuk, toegepast.
Art.144. La procédure visée au présent chapitre est applicable lorsque l'institution de retraite professionnelle modifie les éléments visés a l'article 142.
Art.145. De [2 FSMA]2 stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst in kennis van elke significante wijziging in de in artikel 143, eerste lid, bedoelde bepalingen.
Art.145. La [2 FSMA]2 notifie aux autorités compétentes des Etats membres d'origine toute modification majeure aux dispositions visées à l'article 143, alinéa 1er.
HOOFDSTUK III. [1 - Grensoverschrijdende overdracht van een Belgische IBP naar een ontvangende IBP uit een andere lidstaat.]1
CHAPITRE III. [1 - Transfert transfrontalier d'une IRP belge vers une IRP destinataire d'un autre Etat membre.]1
Art.146. [1 § 1. Een ontvangende IBP van een andere lidstaat dan België mag een grensoverschrijdende overdracht van een Belgische overdragende IBP ontvangen onder voorwaarde van goedkeuring van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP en de voorafgaande toestemming van de FSMA
De vraag om voorafgaande toestemming voor de overdracht en de bijhorende gegevens worden aan de FSMA bezorgd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP.
De FSMA kan alle informatie vragen die zij noodzakelijk acht voor het nemen van haar beslissing inzake de voorafgaande toestemming.
De FSMA moet haar beslissing meedelen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP binnen acht weken na ontvangst van de vraag, bedoeld in het tweede lid en van alle daarbij horende volledige gegevens.
§ 2. Voor het nemen van haar beslissing tot het al of niet verlenen van voorafgaande toestemming van de overdracht beoordeelt de FSMA alleen of:
1° de langetermijnbelangen van de aangeslotenen en pensioengerechtigden van het resterende deel van de regeling afdoende worden beschermd in het geval van een gedeeltelijke overdracht van de passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten en de overeenkomstige activa of de geldwaarde daarvan;
2° de individuele pensioenrechten van de aangeslotenen en pensioengerechtigden na de overdracht minstens gelijk blijven;
3° de met de over te dragen pensioenregeling overeenkomende activa toereikend en passend zijn om de over te dragen passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten te dekken overeenkomstig de toepasselijke regels bepaald bij deze wet.]1
De vraag om voorafgaande toestemming voor de overdracht en de bijhorende gegevens worden aan de FSMA bezorgd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP.
De FSMA kan alle informatie vragen die zij noodzakelijk acht voor het nemen van haar beslissing inzake de voorafgaande toestemming.
De FSMA moet haar beslissing meedelen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende IBP binnen acht weken na ontvangst van de vraag, bedoeld in het tweede lid en van alle daarbij horende volledige gegevens.
§ 2. Voor het nemen van haar beslissing tot het al of niet verlenen van voorafgaande toestemming van de overdracht beoordeelt de FSMA alleen of:
1° de langetermijnbelangen van de aangeslotenen en pensioengerechtigden van het resterende deel van de regeling afdoende worden beschermd in het geval van een gedeeltelijke overdracht van de passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten en de overeenkomstige activa of de geldwaarde daarvan;
2° de individuele pensioenrechten van de aangeslotenen en pensioengerechtigden na de overdracht minstens gelijk blijven;
3° de met de over te dragen pensioenregeling overeenkomende activa toereikend en passend zijn om de over te dragen passiva, technische voorzieningen en andere verplichtingen en rechten te dekken overeenkomstig de toepasselijke regels bepaald bij deze wet.]1
Art.146. [1 § 1er. Une IRP destinataire d'un Etat membre autre que la Belgique peut recevoir un transfert transfrontalier émanant d'une IRP belge moyennant l'autorisation de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire et l'accord préalable de la FSMA.
La demande d'obtention de l'accord préalable est communiquée à la FSMA par l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire.
La FSMA peut demander toutes les informations qu'elle estime nécessaires afin de prendre sa décision quant à son accord préalable.
La FSMA doit communiquer sa décision à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire dans un délai de huit semaines à compter de la réception de la demande visée à l'alinéa 2, et de tous les éléments complets qui s'y rapportent.
§ 2. Pour prendre sa décision d'octroi ou non de son accord préalable pour le transfert, la FSMA vérifie uniquement si:
1° dans le cas d'un transfert partiel des engagements, provisions techniques et d'autres obligations et droits, ainsi que des actifs correspondants ou de leurs équivalents en trésorerie, les intérêts à long terme des affiliés et des bénéficiaires de la partie restante du régime sont dûment protégés;
2° les droits individuels des affiliés et des bénéficiaires sont au moins identiques après le transfert;
3° les actifs correspondant au régime de retraite à transférer sont suffisants et appropriés pour couvrir les engagements, provisions techniques et autres obligations et droits à transférer, conformément aux règles applicables prévues par la présente loi.]1
La demande d'obtention de l'accord préalable est communiquée à la FSMA par l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire.
La FSMA peut demander toutes les informations qu'elle estime nécessaires afin de prendre sa décision quant à son accord préalable.
La FSMA doit communiquer sa décision à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'IRP destinataire dans un délai de huit semaines à compter de la réception de la demande visée à l'alinéa 2, et de tous les éléments complets qui s'y rapportent.
§ 2. Pour prendre sa décision d'octroi ou non de son accord préalable pour le transfert, la FSMA vérifie uniquement si:
1° dans le cas d'un transfert partiel des engagements, provisions techniques et d'autres obligations et droits, ainsi que des actifs correspondants ou de leurs équivalents en trésorerie, les intérêts à long terme des affiliés et des bénéficiaires de la partie restante du régime sont dûment protégés;
2° les droits individuels des affiliés et des bénéficiaires sont au moins identiques après le transfert;
3° les actifs correspondant au régime de retraite à transférer sont suffisants et appropriés pour couvrir les engagements, provisions techniques et autres obligations et droits à transférer, conformément aux règles applicables prévues par la présente loi.]1
HOOFDSTUK IV. - Herstelmaatregelen.
CHAPITRE IV. - Mesures de redressement.
Art.147. Wanneer de [2 FSMA]2 onregelmatigheden vaststelt in de toepassing van de in artikel 143 bedoelde voorschriften, stelt ze de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan onverwijld in kennis, opdat deze laatsten in overleg met de [2 FSMA]2 de nodige maatregelen zouden nemen opdat de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening een einde zou maken aan de vastgestelde onregelmatigheden.
Art.147. Si la [2 FSMA]2 constate des irrégularités dans l'application des règles visées à l'article 143, elle en informe immédiatement les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine afin que ces dernières, prennent, en coordination avec la [2 FSMA]2, les mesures nécessaires pour que l'institution de retraite professionnelle concernée mette un terme aux irrégularités constatées.
Art.148. Indien de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, in weerwil van de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen of omdat de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft getroffen, inbreuk blijft maken op [3 de bepalingen bedoeld in artikel 143, eerste lid]3, maant de [2 FSMA]2, nadat zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis heeft gesteld, de instelling aan om de vastgestelde toestand te verhelpen binnen de termijn die zij bepaalt.
Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de [2 FSMA]2 om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te sanctioneren, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de maatregelen nemen die in Titel IV van deze wet zijn voorgeschreven als ook de maatregelen voorzien in de artikelen 58quater en 62 van de voormelde programmawet van 24 december 2002 of in de artikelen 49quater en 54 van de voormelde wet van 28 april 2003 [3 of in artikel 46 van de voormelde wet van 15 mei 2014 of in artikel 14 van de voormelde wet van 18 februari 2018 of in artikel 18 van de voormelde wet van 6 december 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen]3.
Voorzover dit volstrekt noodzakelijk is, kan de [2 FSMA]2 de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening verbieden in België activiteiten voor de bijdragende onderneming te verrichten.
De verbodsbeslissing bedoeld in het vorige lid moet ter kennis worden gebracht van de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening met een ter post aangetekende brief.
Onverminderd de artikelen 74 tot 77 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, kan de [2 FSMA]2 de bepalingen van dit artikel ook toepassen op verzoek van iedere Belgische autoriteit die belast is met het toezicht op de wettelijke en reglementaire bepalingen van de Belgische sociale en arbeidswetgeving die van toepassing zijn op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de [2 FSMA]2 om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te sanctioneren, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de maatregelen nemen die in Titel IV van deze wet zijn voorgeschreven als ook de maatregelen voorzien in de artikelen 58quater en 62 van de voormelde programmawet van 24 december 2002 of in de artikelen 49quater en 54 van de voormelde wet van 28 april 2003 [3 of in artikel 46 van de voormelde wet van 15 mei 2014 of in artikel 14 van de voormelde wet van 18 februari 2018 of in artikel 18 van de voormelde wet van 6 december 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen]3.
Voorzover dit volstrekt noodzakelijk is, kan de [2 FSMA]2 de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening verbieden in België activiteiten voor de bijdragende onderneming te verrichten.
De verbodsbeslissing bedoeld in het vorige lid moet ter kennis worden gebracht van de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening met een ter post aangetekende brief.
Onverminderd de artikelen 74 tot 77 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, kan de [2 FSMA]2 de bepalingen van dit artikel ook toepassen op verzoek van iedere Belgische autoriteit die belast is met het toezicht op de wettelijke en reglementaire bepalingen van de Belgische sociale en arbeidswetgeving die van toepassing zijn op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
Änderungen
Art.148. Si, malgré les mesures prises par les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine ou parce qu'aucune mesure appropriée n'a été prise dans l'Etat membre d'origine, l'institution de retraite professionnelle continue d'enfreindre les [3 règles visées à l'article 143, alinéa 1er]3, la [2 FSMA]2 met, après en avoir informé les autorités competentes de l'Etat membre d'origine, l'institution en demeure de remédier à la situation constatée dans le délai qu'elle fixe.
Si, au terme de ce délai, il n'a pas été remédié à la situation, la [2 FSMA]2, après en avoir informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine, peut, pour prévenir ou sanctionner de nouvelles irrégularités, prendre les mesures prévues par le Titre IV de la présente loi, ainsi que celles prévues aux articles 58quater et 62 de la loi-programme du 24 décembre 2002 précitée ou aux articles 49quater et 54 de la loi du 28 avril 2003 précitée [3 ou à l'article 46 de la loi du 15 mai 2014 précitée ou à l'article 14 de la loi du 18 février 2018 précitée ou à l'article 18 de la loi du 6 décembre 2018 précitée instaurant une pension libre complémentaire pour les travailleurs salariés et portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires]3.
Au besoin, la [2 FSMA]2 peut, dans la mesure strictement nécessaire, interdire l'institution de retraite professionnelle de fournir ses services à l'entreprise d'affiliation en Belgique.
La décision d'interdiction visée à l'alinéa précédent doit être portée à la connaissance de l'institution de retraite professionnelle concernée par lettre recommandée à la poste.
Sans préjudice des articles 74 à 77 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, la [2 FSMA]2 peut également faire application des dispositions du présent article à la demande de toute autorité belge chargée du contrôle des dispositions légales et réglementaires de droit social ou de droit du travail belge applicables aux institutions de retraite professionnelle.
Si, au terme de ce délai, il n'a pas été remédié à la situation, la [2 FSMA]2, après en avoir informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine, peut, pour prévenir ou sanctionner de nouvelles irrégularités, prendre les mesures prévues par le Titre IV de la présente loi, ainsi que celles prévues aux articles 58quater et 62 de la loi-programme du 24 décembre 2002 précitée ou aux articles 49quater et 54 de la loi du 28 avril 2003 précitée [3 ou à l'article 46 de la loi du 15 mai 2014 précitée ou à l'article 14 de la loi du 18 février 2018 précitée ou à l'article 18 de la loi du 6 décembre 2018 précitée instaurant une pension libre complémentaire pour les travailleurs salariés et portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires]3.
Au besoin, la [2 FSMA]2 peut, dans la mesure strictement nécessaire, interdire l'institution de retraite professionnelle de fournir ses services à l'entreprise d'affiliation en Belgique.
La décision d'interdiction visée à l'alinéa précédent doit être portée à la connaissance de l'institution de retraite professionnelle concernée par lettre recommandée à la poste.
Sans préjudice des articles 74 à 77 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, la [2 FSMA]2 peut également faire application des dispositions du présent article à la demande de toute autorité belge chargée du contrôle des dispositions légales et réglementaires de droit social ou de droit du travail belge applicables aux institutions de retraite professionnelle.
Änderungen
Art. 148/1. [1 § 1. Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de vrije beschikking over activa van een op hun grondgebied gevestigde instelling voor bedrijfspensioenvoorziening hebben verboden, kunnen deze autoriteiten vragen dat dit verbod wordt toegepast voor de activa die worden gehouden door een in België gevestigde depositaris of bewaarder.
§ 2. De lidstaat van herkomst richt zijn verzoek tot de [3 FSMA]3 en maakt daarbij bekend voor welke activa dit verbod geldt.
De [3 FSMA]3 stelt de depositarissen of bewaarders van deze activa in kennis van het verbod dat is opgelegd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst. Dit verbod is van kracht vanaf de ontvangst van de kennisgeving.
§ 3. Indien de betrokken activa ten dele bestaan uit onroerende goederen, wordt op die onroerende goederen een wettelijke hypotheek genomen ten bate van alle aangeslotenen en [4 pensioengerechtigden]4 van de pensioenregelingen die door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening worden beheerd.
De bepalingen van artikel 120, § 2, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing.
Indien de betrokken activa ten dele bestaan uit voor bewaargeving vatbare roerende goederen, zijn die roerende goederen onderworpen aan de bepalingen van artikel 120, § 3.
De Koning kan de regels vaststellen inzake de bewarende maatregelen waaraan de waarden die niet voor bewaargeving vatbaar zijn, kunnen worden onderworpen.]1
§ 2. De lidstaat van herkomst richt zijn verzoek tot de [3 FSMA]3 en maakt daarbij bekend voor welke activa dit verbod geldt.
De [3 FSMA]3 stelt de depositarissen of bewaarders van deze activa in kennis van het verbod dat is opgelegd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst. Dit verbod is van kracht vanaf de ontvangst van de kennisgeving.
§ 3. Indien de betrokken activa ten dele bestaan uit onroerende goederen, wordt op die onroerende goederen een wettelijke hypotheek genomen ten bate van alle aangeslotenen en [4 pensioengerechtigden]4 van de pensioenregelingen die door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening worden beheerd.
De bepalingen van artikel 120, § 2, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing.
Indien de betrokken activa ten dele bestaan uit voor bewaargeving vatbare roerende goederen, zijn die roerende goederen onderworpen aan de bepalingen van artikel 120, § 3.
De Koning kan de regels vaststellen inzake de bewarende maatregelen waaraan de waarden die niet voor bewaargeving vatbaar zijn, kunnen worden onderworpen.]1
Änderungen
Art. 148/1. [1 § 1er. Lorsque les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine ont interdit la libre disposition d'actifs appartenant à une institution de retraite professionnelle située sur leur territoire, ces autorités peuvent demander que cette interdiction soit effective en ce qui concerne les actifs détenus par un dépositaire ou conservateur établi en Belgique.
§ 2. L'Etat membre d'origine adresse sa demande à la [3 FSMA]3 et désigne les actifs qui sont visés par ces mesures.
La [3 FSMA]3 notifie aux dépositaires ou conservateurs de ces actifs l'interdiction prononcée par les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine. L'interdiction est effective à partir de la réception de la notification.
§ 3. Si les actifs visés comprennent des biens immobiliers, ceux-ci sont soumis à une hypothèque légale au profit de l'ensemble des affiliés et des bénéficiaires des régimes de retraite gérés par l'institution de retraite professionnelle.
Les dispositions de l'article 120, § 2, alinéas 2, 4 et 5, sont applicables.
Si les actifs visés comprennent des biens mobiliers susceptibles de dépôt, ceux-ci sont soumis aux dispositions de l'article 120, § 3.
Le Roi peut fixer les règles relatives aux mesures conservatoires auxquelles les valeurs non susceptibles de dépôt peuvent être soumises.]1
§ 2. L'Etat membre d'origine adresse sa demande à la [3 FSMA]3 et désigne les actifs qui sont visés par ces mesures.
La [3 FSMA]3 notifie aux dépositaires ou conservateurs de ces actifs l'interdiction prononcée par les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine. L'interdiction est effective à partir de la réception de la notification.
§ 3. Si les actifs visés comprennent des biens immobiliers, ceux-ci sont soumis à une hypothèque légale au profit de l'ensemble des affiliés et des bénéficiaires des régimes de retraite gérés par l'institution de retraite professionnelle.
Les dispositions de l'article 120, § 2, alinéas 2, 4 et 5, sont applicables.
Si les actifs visés comprennent des biens mobiliers susceptibles de dépôt, ceux-ci sont soumis aux dispositions de l'article 120, § 3.
Le Roi peut fixer les règles relatives aux mesures conservatoires auxquelles les valeurs non susceptibles de dépôt peuvent être soumises.]1
Änderungen
TITEL IV. - Aanmaningen en sancties.
TITRE IV. - Injonctions et sanctions.
HOOFDSTUK I. - Aanmaningen en administratieve sancties.
CHAPITRE Ier. - Injonctions et sanctions administratives.
Art.149. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de [3 FSMA]3 voor een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening een termijn bepalen :
1° waarbinnen zij moet voldoen aan welbepaalde voorschriften van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten [6 of aan de bepalingen van Verordening 2019/2088 of aan de artikelen 5 tot en met 7 van Verordening 2020/852]6 [7 of alsook aan de bepalingen van Verordening 2022/2554]7;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in [5 governancesysteem in het algemeen of in delen ervan]5.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning geldt niet voor de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening bedoeld in Titel III van deze wet.
§ 2. Indien een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening geen gevolg geeft aan de aanmaningen bedoeld in § 1, kan de [3 FSMA]3, mits zij de instelling daarvan een maand op voorhand in kennis stelt en afgezien van de andere maatregelen voorgeschreven door de wet en de reglementen, de volgende personen in kennis stellen van die aanmaningen :
1° de bestuurders, leiders, lasthebbers en aandeelhouders van de bijdragende onderneming;
2° [5 het sociaal comité bedoeld in artikel 34 en]5 het toezichtscomité bedoeld in artikel 41, § 2, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
3° de ondernemingsraad of, bij gebrek daaraan, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij gebrek daaraan, de vakbondsafvaardiging van de bijdragende onderneming [5 of gelijkaardige overlegorganen van buitenlandse bijdragende ondernemingen]5;
4° de vertegenwoordigers van de aangeslotenen en van de [4 pensioengerechtigden]4 van de pensioenregeling;
5° de aangeslotenen en de [4 pensioengerechtigden]4 van de pensioenregeling.
In de omstandigheden en onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid kan de [3 FSMA]3 die aanmaningen bekendmaken in het Belgisch Staatsblad of in de pers.
In de omstandigheden en onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid kan de [3 FSMA]3 in voorkomend geval [5 de in de artikelen 113 en 114 bedoelde herstelmaatregelen]5 meedelen aan de aangeslotenen en de [4 pensioengerechtigden]4 die betrokken zijn bij de pensioenregeling die het voorwerp uitmaakt van [5 de maatregelen]5, alsook aan hun vertegenwoordigers.
De kosten van de kennisgeving en de bekendmaking zijn voor rekening van de instelling.
1° waarbinnen zij moet voldoen aan welbepaalde voorschriften van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten [6 of aan de bepalingen van Verordening 2019/2088 of aan de artikelen 5 tot en met 7 van Verordening 2020/852]6 [7 of alsook aan de bepalingen van Verordening 2022/2554]7;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in [5 governancesysteem in het algemeen of in delen ervan]5.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning geldt niet voor de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening bedoeld in Titel III van deze wet.
§ 2. Indien een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening geen gevolg geeft aan de aanmaningen bedoeld in § 1, kan de [3 FSMA]3, mits zij de instelling daarvan een maand op voorhand in kennis stelt en afgezien van de andere maatregelen voorgeschreven door de wet en de reglementen, de volgende personen in kennis stellen van die aanmaningen :
1° de bestuurders, leiders, lasthebbers en aandeelhouders van de bijdragende onderneming;
2° [5 het sociaal comité bedoeld in artikel 34 en]5 het toezichtscomité bedoeld in artikel 41, § 2, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
3° de ondernemingsraad of, bij gebrek daaraan, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij gebrek daaraan, de vakbondsafvaardiging van de bijdragende onderneming [5 of gelijkaardige overlegorganen van buitenlandse bijdragende ondernemingen]5;
4° de vertegenwoordigers van de aangeslotenen en van de [4 pensioengerechtigden]4 van de pensioenregeling;
5° de aangeslotenen en de [4 pensioengerechtigden]4 van de pensioenregeling.
In de omstandigheden en onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid kan de [3 FSMA]3 die aanmaningen bekendmaken in het Belgisch Staatsblad of in de pers.
In de omstandigheden en onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid kan de [3 FSMA]3 in voorkomend geval [5 de in de artikelen 113 en 114 bedoelde herstelmaatregelen]5 meedelen aan de aangeslotenen en de [4 pensioengerechtigden]4 die betrokken zijn bij de pensioenregeling die het voorwerp uitmaakt van [5 de maatregelen]5, alsook aan hun vertegenwoordigers.
De kosten van de kennisgeving en de bekendmaking zijn voor rekening van de instelling.
Änderungen
Art.149. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la [3 FSMA]3 peut fixer à une institution de retraite professionnelle un délai dans lequel :
1° elle doit se conformer à des dispositions déterminées de la présente loi ou des arrêtés pris pour son exécution [5 ou aux dispositions du Règlement 2019/2088 ou aux articles 5 à 7 du Règlement 2020/852]5 [6 , ou encore aux dispositions du règlement 2022/2554]6;
2° elle doit apporter les adaptations qui s'imposent à [4 son système de gouvernance en général ou à une partie de celui-ci]4.
L'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°, n'est pas applicable aux institutions de retraite professionnelle visées au Titre III de la présente loi.
§ 2. Si une institution de retraite professionnelle ne donne pas suite aux injonctions visées au § 1er, la [3 FSMA]3 peut, moyennant préavis d'un mois et indépendamment des autres mesures prévues par la loi et les règlements, communiquer ces injonctions :
1° aux administrateurs, dirigeants, mandataires et actionnaires de l'entreprise d'affiliation;
2° [4 au comité social visé à l'article 34 et]4 au comité de surveillance visé par l'article 41, § 2, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale;
3° au conseil d'entreprise ou, à défaut, au comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, à la délégation syndicale de l'entreprise d'affiliation [4 ou aux organes de concertation équivalents d'entreprises d'affiliation d'un autre Etat]4;
4° aux représentants des affiliés et des bénéficiaires du régime de retraite;
5° aux affiliés et aux bénéficiaires du régime de retraite.
La [3 FSMA]3 peut, dans les circonstances et aux conditions visées à l'alinéa 1er, rendre publiques ces injonctions par la voie du Moniteur belge ou par voie de presse.
Le cas échéant, la [3 FSMA]3 peut, dans les circonstances et aux conditions visées à l'alinéa 1er, communiquer [4 les mesures de redressement visées aux articles 113 et 114]4 aux affiliés et aux bénéficiaires concernés par le régime de retraite faisant l'objet [4 des mesures]4, ainsi qu'à leurs représentants.
Les frais de communication et de publication sont à charge de l'institution.
1° elle doit se conformer à des dispositions déterminées de la présente loi ou des arrêtés pris pour son exécution [5 ou aux dispositions du Règlement 2019/2088 ou aux articles 5 à 7 du Règlement 2020/852]5 [6 , ou encore aux dispositions du règlement 2022/2554]6;
2° elle doit apporter les adaptations qui s'imposent à [4 son système de gouvernance en général ou à une partie de celui-ci]4.
L'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°, n'est pas applicable aux institutions de retraite professionnelle visées au Titre III de la présente loi.
§ 2. Si une institution de retraite professionnelle ne donne pas suite aux injonctions visées au § 1er, la [3 FSMA]3 peut, moyennant préavis d'un mois et indépendamment des autres mesures prévues par la loi et les règlements, communiquer ces injonctions :
1° aux administrateurs, dirigeants, mandataires et actionnaires de l'entreprise d'affiliation;
2° [4 au comité social visé à l'article 34 et]4 au comité de surveillance visé par l'article 41, § 2, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale;
3° au conseil d'entreprise ou, à défaut, au comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, à la délégation syndicale de l'entreprise d'affiliation [4 ou aux organes de concertation équivalents d'entreprises d'affiliation d'un autre Etat]4;
4° aux représentants des affiliés et des bénéficiaires du régime de retraite;
5° aux affiliés et aux bénéficiaires du régime de retraite.
La [3 FSMA]3 peut, dans les circonstances et aux conditions visées à l'alinéa 1er, rendre publiques ces injonctions par la voie du Moniteur belge ou par voie de presse.
Le cas échéant, la [3 FSMA]3 peut, dans les circonstances et aux conditions visées à l'alinéa 1er, communiquer [4 les mesures de redressement visées aux articles 113 et 114]4 aux affiliés et aux bénéficiaires concernés par le régime de retraite faisant l'objet [4 des mesures]4, ainsi qu'à leurs représentants.
Les frais de communication et de publication sont à charge de l'institution.
Änderungen
Art.150. Indien de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 149, kan de [3 FSMA]3 [4 haar, op voorwaarde dat de instelling haar middelen heeft kunnen laten gelden, een dwangsom opleggen die per kalenderdag vertraging niet meer mag bedragen dan 50.000 euro, noch meer dan 2.500.000 euro voor de miskenning van eenzelfde aanmaning]4.
Onverminderd andere maatregelen bepaald door deze wet of andere wetten en reglementen, kan de [3 FSMA]3, indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of op de maatregelen genomen in uitvoering ervan, [5 of op de bepalingen van Verordening 2019/2088 of op de artikelen 5 tot en met 7 van Verordening 2020/852]5 [6 of op de bepalingen van Verordening 2022/2554]6, een administratieve boete opleggen aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, die [4 niet meer mag bedragen dan 2.500.000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten]4.
[6 In geval van een inbreuk op de bepalingen van Verordening 2022/2554 kan de FSMA de in het tweede lid bedoelde administratieve geldboete ook opleggen aan een of meer leden van de raad van bestuur.]6
[4 ...]4
De [4 dwangsommen en boetes]4 die met toepassing van het eerste en tweede lid worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen.
Onverminderd andere maatregelen bepaald door deze wet of andere wetten en reglementen, kan de [3 FSMA]3, indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of op de maatregelen genomen in uitvoering ervan, [5 of op de bepalingen van Verordening 2019/2088 of op de artikelen 5 tot en met 7 van Verordening 2020/852]5 [6 of op de bepalingen van Verordening 2022/2554]6, een administratieve boete opleggen aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, die [4 niet meer mag bedragen dan 2.500.000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten]4.
[6 In geval van een inbreuk op de bepalingen van Verordening 2022/2554 kan de FSMA de in het tweede lid bedoelde administratieve geldboete ook opleggen aan een of meer leden van de raad van bestuur.]6
[4 ...]4
De [4 dwangsommen en boetes]4 die met toepassing van het eerste en tweede lid worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen.
Änderungen
Art.150. Si l'institution de retraite professionnelle reste en défaut à l'expiration du délai visé à l'article 149, la [3 FSMA]3 [4 peut, l'institution ayant pu faire valoir ses moyens, infliger à cette dernière une astreinte qui ne peut être, par jour calendrier de retard, supérieure à 50.000 euros, ni, pour la méconnaissance d'une même injonction, supérieure à 2.500.000 euros]4.
Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi ou d'autres lois et règlements, la [3 FSMA]3 peut, lorsqu'elle constate une infraction aux dispositions de la présente loi ou des mesures prises en exécution de celle-ci, [5 ou aux dispositions du Règlement 2019/2088 ou aux articles 5 à 7 du Règlement 2020/852,]5 [6 , ou encore aux dispositions du règlement 2022/2554,]6 infliger à une institution de retraite professionnelle une amende administrative [4 , qui ne peut excéder, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, 2.500.000 euros]4.
[6 En cas d'infraction aux dispositions du règlement 2022/2554, la FSMA peut également infliger l'amende administrative visée à l'alinéa 2 à un ou plusieurs membres du conseil d'administration.]6
[4 ...]4
Les [4 astreintes et amendes]4 imposées en application des alinéas 1er et 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines.
Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi ou d'autres lois et règlements, la [3 FSMA]3 peut, lorsqu'elle constate une infraction aux dispositions de la présente loi ou des mesures prises en exécution de celle-ci, [5 ou aux dispositions du Règlement 2019/2088 ou aux articles 5 à 7 du Règlement 2020/852,]5 [6 , ou encore aux dispositions du règlement 2022/2554,]6 infliger à une institution de retraite professionnelle une amende administrative [4 , qui ne peut excéder, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, 2.500.000 euros]4.
[6 En cas d'infraction aux dispositions du règlement 2022/2554, la FSMA peut également infliger l'amende administrative visée à l'alinéa 2 à un ou plusieurs membres du conseil d'administration.]6
[4 ...]4
Les [4 astreintes et amendes]4 imposées en application des alinéas 1er et 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines.
Änderungen
HOOFDSTUK II. - Strafrechtelijke sancties.
CHAPITRE II. - Sanctions pénales.
Art.151. Onverminderd de bepalingen van Titel V van deze wet, worden de bestuurders, de effectieve leiders en de lasthebbers van een instelling of onderneming, die een pensioenregeling beheren of pogen te beheren buiten een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die [1 vergund]1 is krachtens Titel II of die gemachtigd is krachtens Titel III, gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met een geldboete van 25 tot 2 500 euro, of met één van die straffen alleen.
Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die zonder inachtneming van de in artikel 6 bepaalde voorwaarden gebruik maakt van de benaming instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die zonder inachtneming van de in artikel 6 bepaalde voorwaarden gebruik maakt van de benaming instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
Art.151. Sans préjudice des dispositions du Titre V de la présente loi, sont punis d'un emprisonnement d'un mois à cinq ans et d'une amende de 25 à 2 500 euros, ou d'une de ces peines seulement, les administrateurs, les dirigeants effectifs et les mandataires d'une institution ou d'une entreprise qui ont tenté de gérer ou qui gèrent un régime de retraite en dehors d'une institution de retraite professionnelle agréée en vertu du Titre II ou autorisée en vertu du Titre III.
Les mêmes peines sont applicables à quiconque fait usage de la dénomination institution de retraite professionnelle en dehors des conditions fixées par l'article 6.
Les mêmes peines sont applicables à quiconque fait usage de la dénomination institution de retraite professionnelle en dehors des conditions fixées par l'article 6.
Art.152. Onverminderd de bepalingen van Titel V worden de agenten, makelaars en tussenpersonen die bemiddeld hebben bij de toekenning van het beheer van een pensioenregeling aan een instelling die daartoe niet [1 vergund]1 is krachtens Titel II of niet gemachtigd is krachtens Titel III gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 25 tot 2 500 euro, of met een van die straffen alleen.
Art.152. Sans préjudice des dispositions du Titre V sont punis d'un emprisonnement d'un mois à trois ans et d'une amende de 25 à 2 500 euros ou d'une de ces peines seulement, les agents, courtiers et intermédiaires qui sont intervenus dans l'octroi de la gestion d'un régime de retraite à une institution non agréée en vertu du Titre II ou non autorisée en vertu du Titre III.
Art.153. Met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 25 tot 2 500 euro, of met een van die straffen alleen worden gestraft [3 de leden van operationele organen of lasthebbers of verantwoordelijken voor een sleutelfunctie van een IBP]3 die wetens en willens onjuiste verklaringen hebben afgelegd aan de [2 FSMA]2, aan de leden van haar personeel of aan de door haar gevolmachtigde personen, of die geweigerd hebben de ter uitvoering van deze wet en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen gevraagde inlichtingen te verstrekken.
Dezelfde straffen zijn van toepassing op de [3 leden van operationele organen, commissarissen of lasthebbers van een IBP]3 die niet hebben voldaan aan de verplichtingen opgelegd door deze wet en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
Dezelfde straffen zijn van toepassing op de [3 leden van operationele organen, commissarissen of lasthebbers van een IBP]3 die niet hebben voldaan aan de verplichtingen opgelegd door deze wet en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
Änderungen
Art.153. Sont punis d'un emprisonnement d'un mois à trois ans et d'une amende de 25 à 2 500 euros ou d'une de ces peines seulement, les [3 membres des organes opérationnels ou mandataires ou responsables d'une fonction clé d'une IRP]3 qui, sciemment et volontairement, ont fait des déclarations inexactes à la [2 FSMA]2, aux membres de son personnel ou aux personnes mandatées par elle, ou qui ont refusé de fournir les renseignements demandés en exécution de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
Les mêmes peines sont applicables aux [3 membres des organes opérationnels, commissaires ou mandataires d'une IRP]3 qui ne se sont pas conformés aux obligations qui leur sont imposées par la présente loi ou par les arrêtés et les règlements pris pour son d'exécution.
Les mêmes peines sont applicables aux [3 membres des organes opérationnels, commissaires ou mandataires d'une IRP]3 qui ne se sont pas conformés aux obligations qui leur sont imposées par la présente loi ou par les arrêtés et les règlements pris pour son d'exécution.
Änderungen
Art.154. Alle bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op de misdrijven omschreven in deze wet.
Art.154. Toutes les dispositions du livre premier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par la présente loi.
Art.155. Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtreding van deze wet of één van de in [3 artikel 20 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en beursvennootschappen]3 bedoelde wetgevingen, tegen [3 leden van operationele organen, erkende commissarissen of verantwoordelijken van sleutelfuncties van een IBP]3 en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de [2 FSMA]2 door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de [2 FSMA]2 door het openbaar ministerie.
Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de [2 FSMA]2 door het openbaar ministerie.
Änderungen
Art.155. Toute information du chef d'infraction à la présente loi ou à l'une des législations visées à [3 l'article 20 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse]3 à l'encontre [3 de membres des organes opérationnels, de commissaires agréés ou de responsables de fonctions clés d'une IRP]3 et toute information du chef d'infraction à la présente loi à l'encontre de toute autre personne physique ou morale doit être portée à la connaissance de la [2 FSMA]2 par l'autorite judiciaire ou administrative qui en est saisie.
Toute action pénale du chef des infractions visées à l'alinéa 1er, doit être portée à la connaissance de la [2 FSMA]2 à la diligence du ministère public.
Toute action pénale du chef des infractions visées à l'alinéa 1er, doit être portée à la connaissance de la [2 FSMA]2 à la diligence du ministère public.
Änderungen
Art.156. De [2 FSMA]2 is bevoegd om in elke stand van het geding tussen te komen voor het strafgerecht waarbij een misdrijf als in deze wet omschreven aanhangig is gemaakt, zonder dat zij schade behoeft aan te tonen.
Art.156. La [2 FSMA]2 est habilitée à intervenir en tout état de cause devant la juridiction répressive saisie d'une infraction prévue par la présente loi, sans qu'elle ait à justifier d'un dommage.
TITEL V. - Overgangsbepalingen.
TITRE V. - Dispositions transitoires.
HOOFDSTUK I. - [1 Vergunning]1, inschrijving en activiteit.
CHAPITRE Ier. - Agrément, inscription et activite.
Art.157. De voorzorgsinstellingen en de pensioenkassen die [1 vergund]1 zijn met toepassing van artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen zijn van rechtswege [1 vergund]1 in de zin van artikel 52, onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk.
[2 De IBP's die op 13 januari 2019 de activiteiten bedoeld in artikel 55 eerste lid, 1° en 3° al tezelfdertijd uitoefenen, worden geacht van rechtswege voor beide activiteiten een vergunning verkregen te hebben overeenkomstig artikel 52.]2
[2 De IBP's die op 13 januari 2019 de activiteiten bedoeld in artikel 55 eerste lid, 1° en 3° al tezelfdertijd uitoefenen, worden geacht van rechtswege voor beide activiteiten een vergunning verkregen te hebben overeenkomstig artikel 52.]2
Art.157. Les institutions de prévoyance et les caisses de pensions qui ont été agréées en application de l'article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances sont, sans préjudice des dispositions du présent Chapitre, agréées de plein droit au sens de l'article 52.
[1 Les IRP qui, à la date du 13 janvier 2019, exercent déjà simultanément les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 1° et 3°, sont réputées avoir obtenu de plein droit un agrément pour les deux activités conformément à l'article 52.]1
[1 Les IRP qui, à la date du 13 janvier 2019, exercent déjà simultanément les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 1° et 3°, sont réputées avoir obtenu de plein droit un agrément pour les deux activités conformément à l'article 52.]1
Art.158. § 1. De voorzorgsinstellingen die ingeschreven zijn bij de [4 FSMA]4 met toepassing van artikel 92 van de voornoemde wet van 9 juli 1975, zoals het moet worden gelezen overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, behouden de inschrijving en blijven voorlopig vrijgesteld van [6 vergunning]6.
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk wordt de inschrijving geschrapt indien de instelling zich in een van de in artikel 130 bedoelde gevallen bevindt.
§ 2. [1 De [4 FSMA]4 stelt de lijst op van de ingeschreven instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Deze lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt [5 en aan de EIOPA meegedeeld]5.]1
Tot op het ogenblik van hun [6 vergunning]6 gebruiken de ingeschreven instellingen voor de toepassing van artikel 60 een van de volgende vermeldingen :
1° " voorzorgsinstelling ingeschreven bij de [4 FSMA]4 onder nr.... ",
2° " instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ingeschreven bij de [4 FSMA]4 onder nr.... ".
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk wordt de inschrijving geschrapt indien de instelling zich in een van de in artikel 130 bedoelde gevallen bevindt.
§ 2. [1 De [4 FSMA]4 stelt de lijst op van de ingeschreven instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Deze lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt [5 en aan de EIOPA meegedeeld]5.]1
Tot op het ogenblik van hun [6 vergunning]6 gebruiken de ingeschreven instellingen voor de toepassing van artikel 60 een van de volgende vermeldingen :
1° " voorzorgsinstelling ingeschreven bij de [4 FSMA]4 onder nr.... ",
2° " instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ingeschreven bij de [4 FSMA]4 onder nr.... ".
Änderungen
Art.158. § 1er. Les institutions de prévoyance qui ont été inscrites auprès de la [4 FSMA]4 en application de l'article 92 de la loi du 9 juillet 1975 précitée, tel qu'il doit être lu en vertu de l'arrêté royal du 14 mai 1985 concernant l'application aux institutions de prévoyance de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances conservent l'inscription et restent provisoirement dispensées de l'agrément [5 et communiquées à l'EIOPA]5.
Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, l'inscription est radiée si l'institution se trouve dans l'un des cas visés à l'article 130.
§ 2. [1 La [4 FSMA]4 établit la liste des institutions de retraite professionnelle inscrites. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet.]1
Jusqu'au moment de leur agrément, les institutions inscrites utilisent pour l'application de l'article 60 l'une des mentions suivantes :
1° " institution de prévoyance inscrite à la [4 FSMA]4 sous le n°... ",
2° " institution de retraite professionnelle inscrite auprès de la [4 FSMA]4 sous le n°... ".
Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, l'inscription est radiée si l'institution se trouve dans l'un des cas visés à l'article 130.
§ 2. [1 La [4 FSMA]4 établit la liste des institutions de retraite professionnelle inscrites. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet.]1
Jusqu'au moment de leur agrément, les institutions inscrites utilisent pour l'application de l'article 60 l'une des mentions suivantes :
1° " institution de prévoyance inscrite à la [4 FSMA]4 sous le n°... ",
2° " institution de retraite professionnelle inscrite auprès de la [4 FSMA]4 sous le n°... ".
Änderungen
Art.159. [1 Artikel 10, derde lid]1 is niet van toepassing op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die op [1 1 januari 2007]1 pensioenregelingen beheren waarbij enkel en in hoofdzaak wordt voorzien in de opbouw van voordelen bij overlijden, invaliditeit of arbeidsongeschiktheid.
Art.159. L'[1 article 10, alinéa 3]1 n'est pas applicable aux institutions de retraite professionnelle qui, au [1 1er janvier 2007]1 gerent des régimes de retraite prévoyant la constitution d'avantages en matière de décès, d'invalidité ou d'incapacité de travail uniquement à titre principal.
Art.161. [1 Notificaties voor een grensoverschrijdende activiteit of een activiteit in een staat die geen lid is van de Europese Economische ruimte die ingediend werden vóór 13 januari 2019 blijven onderworpen aan de toepassing van de artikelen 62 tot 73 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, zoals die luidden voor hun wijziging door de wet van 11 januari 2019. tot omzetting van de richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV) en tot wijziging van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.]1
Art.161. [1 Les notifications relatives à l'exercice d'une activité transfrontalière ou d'une activité dans un Etat non membre de l'Espace économique européen qui ont été effectuées avant le 13 janvier 2019, restent soumises à l'application des articles 62 à 73 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, tels qu'ils étaient rédigés avant leur modification par la loi du 11 janvier 2019. relatif à la transposition de la directive (UE) 2016/2341 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2016 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle (IRP) et modifiant la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle.]1
Art.162. [1 § 1.]1 De commissarissen die erkend werden krachtens artikel 38 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, behouden de erkenning op het ogenblik van de inwerkingtreding van de artikelen 103 tot 108.
De actuarissen die aangesteld werden op grond van artikel 40bis van voornoemde wet van 9 juli 1975 zoals zij gelezen dient te worden krachtens artikel 15bis van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, blijven aangesteld op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 109.
[1 § 2. Voor de op 13 januari 2019 vergunde IBP's, worden de personen die op die datum door een IBP als aangewezen actuaris, interne auditor of compliance officer waren benoemd, van rechtswege geacht de verantwoordelijke te zijn voor respectievelijk de actuariële, de interne audit- of de compliancefunctie tot op de datum van hun herbenoeming of de benoeming van een andere verantwoordelijke voor de betreffende functie overeenkomstig artikel 77/2, en dit tot ten laatste 31 december 2020.
Voor de op 13 januari 2019 vergunde IBP's, word(t)(en) de perso(o)n(en) verantwoordelijk voor de risicobeheerfunctie ten laatste op 31 december 2019 benoemd.
De IBP stelt ten laatste drie maanden vóór de voormelde data de FSMA in kennis van de (her)benoeming overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door de FSMA in uitvoering van artikel 77, § 2.]1
De actuarissen die aangesteld werden op grond van artikel 40bis van voornoemde wet van 9 juli 1975 zoals zij gelezen dient te worden krachtens artikel 15bis van het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, blijven aangesteld op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 109.
[1 § 2. Voor de op 13 januari 2019 vergunde IBP's, worden de personen die op die datum door een IBP als aangewezen actuaris, interne auditor of compliance officer waren benoemd, van rechtswege geacht de verantwoordelijke te zijn voor respectievelijk de actuariële, de interne audit- of de compliancefunctie tot op de datum van hun herbenoeming of de benoeming van een andere verantwoordelijke voor de betreffende functie overeenkomstig artikel 77/2, en dit tot ten laatste 31 december 2020.
Voor de op 13 januari 2019 vergunde IBP's, word(t)(en) de perso(o)n(en) verantwoordelijk voor de risicobeheerfunctie ten laatste op 31 december 2019 benoemd.
De IBP stelt ten laatste drie maanden vóór de voormelde data de FSMA in kennis van de (her)benoeming overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door de FSMA in uitvoering van artikel 77, § 2.]1
Art.162. [1 § 1er.]1 Les commissaires qui ont été agréés en vertu de l'article 38 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances conservent l'agrément au moment de l'entrée en vigueur des articles 103 à 108.
Les actuaires qui ont été désignés sur la base de l'article 40bis de la loi précitee du 9 juillet 1975 tel qu'il doit être lu en vertu de l'article 15bis de l'arrêté royal du 14 mai 1985 concernant l'application aux institutions de prévoyance de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances restent désignés au moment de l'entrée en vigueur de l'article 109.
[1 § 2. Pour les IRP agréées à la date du 13 janvier 2019, les personnes qui, à cette date, avaient déjà été nommées par une IRP comme actuaire désigné, auditeur interne ou compliance officer, sont réputées de plein droit être les personnes responsables, respectivement, de la fonction actuarielle, de la fonction d'audit interne ou de la fonction de compliance jusqu'à la date du renouvellement de leur nomination ou de la nomination d'un autre responsable de la fonction concernée conformément à l'article 77/2, et ce jusqu'au 31 décembre 2020 au plus tard.
Pour les IRP agréées à la date du 13 janvier 2019, la nomination de la (des) personne(s) responsable(s) de la fonction de gestion des risques intervient au plus tard le 31 décembre 2019.
L'IRP informe la FSMA au moins trois mois avant les dates précitées de la nomination ou du renouvellement de la nomination, conformément aux modalités déterminées par la FSMA en exécution de l'article 77, § 2.]1
Les actuaires qui ont été désignés sur la base de l'article 40bis de la loi précitee du 9 juillet 1975 tel qu'il doit être lu en vertu de l'article 15bis de l'arrêté royal du 14 mai 1985 concernant l'application aux institutions de prévoyance de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances restent désignés au moment de l'entrée en vigueur de l'article 109.
[1 § 2. Pour les IRP agréées à la date du 13 janvier 2019, les personnes qui, à cette date, avaient déjà été nommées par une IRP comme actuaire désigné, auditeur interne ou compliance officer, sont réputées de plein droit être les personnes responsables, respectivement, de la fonction actuarielle, de la fonction d'audit interne ou de la fonction de compliance jusqu'à la date du renouvellement de leur nomination ou de la nomination d'un autre responsable de la fonction concernée conformément à l'article 77/2, et ce jusqu'au 31 décembre 2020 au plus tard.
Pour les IRP agréées à la date du 13 janvier 2019, la nomination de la (des) personne(s) responsable(s) de la fonction de gestion des risques intervient au plus tard le 31 décembre 2019.
L'IRP informe la FSMA au moins trois mois avant les dates précitées de la nomination ou du renouvellement de la nomination, conformément aux modalités déterminées par la FSMA en exécution de l'article 77, § 2.]1
Art. 162/1. [1 § 1er. De opstelling en de formele aanpassing van de door deze wet bedoelde documenten van de IBP's gebeuren ten laatste op 31 december 2020.
§ 2. De op 13 januari 2019 vergunde IBP's, die worden bedoeld in artikel 20/1, beschikken over een termijn tot 31 december 2019 om zich aan te passen aan de bepalingen van artikel 20/1.]1
§ 2. De op 13 januari 2019 vergunde IBP's, die worden bedoeld in artikel 20/1, beschikken over een termijn tot 31 december 2019 om zich aan te passen aan de bepalingen van artikel 20/1.]1
Art. 162/1. [1 § 1er. La rédaction et l'adaptation formelle des documents des IRP visés par la présente loi interviennent le 31 décembre 2020 au plus tard.
§ 2. Les IRP agréées à la date du 13 janvier 2019 et visées à l'article 20/1 disposent d'un délai jusqu'au 31 décembre 2019 pour se conformer aux dispositions de l'article 20/1.]1
§ 2. Les IRP agréées à la date du 13 janvier 2019 et visées à l'article 20/1 disposent d'un délai jusqu'au 31 décembre 2019 pour se conformer aux dispositions de l'article 20/1.]1
HOOFDSTUK II. - Prudentiële vrijstellingen.
CHAPITRE II. - Dispense en matière prudentielle.
Art.163. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die hetzij in België werkzaam waren op 1 januari 1986, hetzij pensioenregelingen beheren die op diezelfde datum bestonden binnen een onderneming, zijn vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 89 tot 94 voor het deel van hun verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór die datum en waarvoor geen voorzieningen werden geboekt.
Voor de dekking van het deel van hun verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór 1 januari 1986 en waarvoor een voorziening werd aangelegd, worden de waarden die de instelling of de onderneming op 1 januari 1986 bezat als dekkingswaarden aanvaard op vraag van de instelling en voor de duur die de [2 FSMA]2 bepaalt.
Voor de pensioenregelingen die vóór 1 januari 1986 beheerd werden binnen een onderneming, kan na de oprichting van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening voor de dekking van de voorzieningen met betrekking tot de jaren vóór 1 januari 1986, een schuldvordering op de bijdragende onderneming in aanmerking worden genomen.
Voor de dekking van het deel van hun verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór 1 januari 1986 en waarvoor een voorziening werd aangelegd, worden de waarden die de instelling of de onderneming op 1 januari 1986 bezat als dekkingswaarden aanvaard op vraag van de instelling en voor de duur die de [2 FSMA]2 bepaalt.
Voor de pensioenregelingen die vóór 1 januari 1986 beheerd werden binnen een onderneming, kan na de oprichting van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening voor de dekking van de voorzieningen met betrekking tot de jaren vóór 1 januari 1986, een schuldvordering op de bijdragende onderneming in aanmerking worden genomen.
Art.163. Les institutions de retraite professionnelle qui soit opéraient en Belgique au 1er janvier 1986, soit gèrent des régimes de retraite qui existaient, à cette même date, au sein d'une entreprise sont dispensées de l'application des articles 89 à 94 pour la partie des engagements relative aux années antérieures à cette date et pour laquelle aucune provision n'a été comptabilisée.
Pour la couverture de la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 1986 et pour laquelle une provision a été constituée, les valeurs détenues au 1er janvier 1986 par l'institution ou l'entreprise sont admises comme valeurs représentatives sur demande de l'institution et pour la durée que fixe la [2 FSMA]2.
Pour les régimes gérés au sein d'une entreprise avant le 1er janvier 1986, il peut être tenu compte, apres la constitution de l'institution de retraite professionnelle, pour la couverture des provisions se rapportant aux années antérieures au 1er janvier 1986, d'une créance sur l'entreprise d'affiliation.
Pour la couverture de la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 1986 et pour laquelle une provision a été constituée, les valeurs détenues au 1er janvier 1986 par l'institution ou l'entreprise sont admises comme valeurs représentatives sur demande de l'institution et pour la durée que fixe la [2 FSMA]2.
Pour les régimes gérés au sein d'une entreprise avant le 1er janvier 1986, il peut être tenu compte, apres la constitution de l'institution de retraite professionnelle, pour la couverture des provisions se rapportant aux années antérieures au 1er janvier 1986, d'une créance sur l'entreprise d'affiliation.
Art.164. In afwijking van artikel 163, zijn de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die pensioenregelingen beheren die op 1 januari 1986 bestonden binnen een onderneming en die niet voorzagen in de betaling van bijdragen door de aangeslotenen, noch in de aanleg van voorzieningen, tot 1 januari 2012 vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van de artikelen 87 en 88, voor wat betreft de verbintenissen met betrekking tot de aangeslotenen die in dienst zijn getreden vóór 1 januari 1986.
Deze instellingen zijn vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 89 tot 94 voor het deel van hun verbintenissen dat slaat op de jaren vóór 1 januari 2007 en die betrekking hebben op de aangeslotenen die in dienst zijn getreden vóór 1 januari 1986, ook voor wat betreft de aanpassingen en revalorisaties ten gevolge van loonsverhogingen.
Die vrijstellingen slaan niet op de verbintenissen die betrekking hebben op de verhoging van de prestaties die voortvloeit uit een wijziging van de pensioenregeling die dateert van na 1 januari 1986.
Deze instellingen zijn vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 89 tot 94 voor het deel van hun verbintenissen dat slaat op de jaren vóór 1 januari 2007 en die betrekking hebben op de aangeslotenen die in dienst zijn getreden vóór 1 januari 1986, ook voor wat betreft de aanpassingen en revalorisaties ten gevolge van loonsverhogingen.
Die vrijstellingen slaan niet op de verbintenissen die betrekking hebben op de verhoging van de prestaties die voortvloeit uit een wijziging van de pensioenregeling die dateert van na 1 januari 1986.
Art.164. Par dérogation à l'article 163, les institutions de retraite professionnelle qui gèrent des régimes de retraite qui existaient au sein d'une entreprise au 1er janvier 1986 sans contribution des affiliés et sans constitution de provisions sont, jusqu'au 1er janvier 2012, dispensées de l'application des dispositions des articles 87 et 88, en ce qui concerne les engagements relatifs aux affiliés entrés en service avant le 1er janvier 1986.
Ces institutions sont dispensées de l'application des articles 89 à 94 pour la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 2007 et afférente aux affiliés entrés en service avant le 1er janvier 1986, y compris en ce qui concerne les adaptations et revalorisations consécutives aux hausses de salaires.
Ces dispenses ne concernent pas les engagements relatifs à l'augmentation des prestations résultant d'une modification du régime de retraite postérieure au 1er janvier 1986.
Ces institutions sont dispensées de l'application des articles 89 à 94 pour la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 2007 et afférente aux affiliés entrés en service avant le 1er janvier 1986, y compris en ce qui concerne les adaptations et revalorisations consécutives aux hausses de salaires.
Ces dispenses ne concernent pas les engagements relatifs à l'augmentation des prestations résultant d'une modification du régime de retraite postérieure au 1er janvier 1986.
Art.165. De ondernemingen die zelf een pensioenregeling beheren die op 1 januari 1986 bestond en die niet voorzag in de betaling van bijdragen door de aangeslotenen, noch in de aanleg van voorzieningen, richten een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening op vóór 1 januari 2008, tenzij de pensioenregeling enkel betrekking heeft op aangeslotenen die vóór 1 januari 2007 uit dienst zijn getreden of met pensioen zijn gegaan.
De instelling die opgericht is krachtens het eerste lid, geniet de vrijstellingen bepaald in artikel 164.
De instelling die opgericht is krachtens het eerste lid, geniet de vrijstellingen bepaald in artikel 164.
Art.165. Les entreprises qui gèrent en leur sein un régime de retraite qui existait au 1er janvier 1986 sans contribution des affiliés et sans constitution de provisions créent une institution de retraite professionnelle avant le 1er janvier 2008, sauf si le régime de retraite se rapporte exclusivement à des affiliés qui ont quitté le service ou ont été pensionnés avant le 1er janvier 2007.
L'institution créée en application de l'alinéa 1er bénéficie des dispenses visées à l'article 164.
L'institution créée en application de l'alinéa 1er bénéficie des dispenses visées à l'article 164.
Art.166. De instellingen die pensioenregelingen beheren die ingericht zijn door een sectoriële collectieve arbeidsovereenkomst die vóór 29 juli 1975 gesloten is en bindend is voor alle ondernemingen die tot die bedrijfstak behoren en die uitdrukkelijk bepaalt dat de toegekende voordelen zonder bijdrage van de aangeslotenen, lastens de exploitatierekening van de onderneming worden uitbetaald, vallen onder de bepalingen van de artikelen 163 tot 165, met dien verstande dat de woorden " 1 januari 1986 " gelezen moeten worden als " de datum waarop de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen op hen van toepassing is geworden ".
Art.166. Les institutions qui gèrent des régimes de retraite organisés par une convention collective sectorielle de travail conclue avant le 29 juillet 1975 qui lie toutes les entreprises appartenant à ce secteur et qui prévoit expressément que les avantages octroyés sont payés à charge de compte d'exploitation de l'entreprise sans contribution des affiliés bénéficient des dispositions des articles 163 à 165 étant entendu que les mots " le 1er janvier 1986 " doivent être lus comme " la date à laquelle la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances leur était applicable ".
Art.168. § 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 136 tot 138, passen de publiekrechtelijke rechtspersonen en entiteiten die het beheer van hun pensioenregeling op de datum van inwerkingtreding van de voornoemde artikelen niet hebben toevertrouwd aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, de bepalingen van deze wet toe vanaf 1 januari 2007.
De aanvraag tot [3 vergunning]3 van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, opgericht met het oog op het beheer van de pensioenregelingen, bedoeld in deze paragraaf, moet vóór 1 januari 2008 worden ingediend, tenzij de pensioenregeling enkel betrekking heeft op aangeslotenen die vóór 1 januari 2007 uit dienst zijn getreden of met pensioen zijn gegaan.
§ 2. De instellingen die opgericht zijn met toepassing van § 1 moeten zich aanpassen aan de bepalingen van de artikelen 87 en 88 vóór 1 januari 2012.
De artikelen 87 en 88 zijn evenwel van toepassing op de verbintenissen die betrekking hebben op de verhoging van de prestaties die voortvloeit uit een wijziging van de pensioenregeling die dateert van na 1 januari 2007.
§ 3. Artikel 163 is van toepassing op de instellingen bedoeld in § 1, met dien verstande dat de woorden " 1 januari 1986 " gelezen moeten worden als " 1 januari 2007 ".
Indien de pensioenregeling noch voorziet in de betaling van bijdragen door de aangeslotenen, noch in de aanleg van voorzieningen, zijn deze instellingen bovendien vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 89 tot 94 voor het deel van hun verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór 1 januari 2007, de aanpassingen en revalorisaties ten gevolge van loonsverhogingen inbegrepen.
De in het vorige lid bedoelde vrijstelling slaat niet op de verbintenissen die betrekking hebben op de verhoging van de prestaties die voortvloeit uit een wijziging van de pensioenregeling die dateert van na 1 januari 2007.
§ 4. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die door publiekrechtelijke rechtspersonen zijn opgericht vóór de inwerkingtreding van de artikelen 136 tot 138, kunnen met de instemming van de [2 FSMA]2 op een vroegere datum genieten van de in de §§ 2 en 3 bedoelde vrijstellingen dan op de data die in deze paragrafen zijn vermeld, en dit ten vroegste op 1 september 2000.
De aanvraag tot [3 vergunning]3 van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, opgericht met het oog op het beheer van de pensioenregelingen, bedoeld in deze paragraaf, moet vóór 1 januari 2008 worden ingediend, tenzij de pensioenregeling enkel betrekking heeft op aangeslotenen die vóór 1 januari 2007 uit dienst zijn getreden of met pensioen zijn gegaan.
§ 2. De instellingen die opgericht zijn met toepassing van § 1 moeten zich aanpassen aan de bepalingen van de artikelen 87 en 88 vóór 1 januari 2012.
De artikelen 87 en 88 zijn evenwel van toepassing op de verbintenissen die betrekking hebben op de verhoging van de prestaties die voortvloeit uit een wijziging van de pensioenregeling die dateert van na 1 januari 2007.
§ 3. Artikel 163 is van toepassing op de instellingen bedoeld in § 1, met dien verstande dat de woorden " 1 januari 1986 " gelezen moeten worden als " 1 januari 2007 ".
Indien de pensioenregeling noch voorziet in de betaling van bijdragen door de aangeslotenen, noch in de aanleg van voorzieningen, zijn deze instellingen bovendien vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 89 tot 94 voor het deel van hun verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór 1 januari 2007, de aanpassingen en revalorisaties ten gevolge van loonsverhogingen inbegrepen.
De in het vorige lid bedoelde vrijstelling slaat niet op de verbintenissen die betrekking hebben op de verhoging van de prestaties die voortvloeit uit een wijziging van de pensioenregeling die dateert van na 1 januari 2007.
§ 4. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die door publiekrechtelijke rechtspersonen zijn opgericht vóór de inwerkingtreding van de artikelen 136 tot 138, kunnen met de instemming van de [2 FSMA]2 op een vroegere datum genieten van de in de §§ 2 en 3 bedoelde vrijstellingen dan op de data die in deze paragrafen zijn vermeld, en dit ten vroegste op 1 september 2000.
Änderungen
Art.168. § 1er. Sans prejudice des dispositions des articles 136 a 138, les entités et personnes morales de droit public qui, à la date d'entrée en vigueur des articles précités, n'ont pas confié la gestion de leur régime de retraite à une institution de retraite professionnelle, appliquent les dispositions de la présente loi à partir du 1er janvier 2007.
La requête d'agrément de l'institution de retraite professionnelle creée en vue de gérer les régimes de retraite visés au présent paragraphe doit être introduite avant le 1er janvier 2008, sauf si le régime de retraite se rapporte exclusivement à des affiliés qui ont quitté le service ou ont été pensionnés avant le 1er janvier 2007.
§ 2. Les institutions créées en application du § 1er doivent se conformer aux dispositions des articles 87 et 88 avant le 1er janvier 2012.
Les articles 87 et 88 sont toutefois applicables aux engagements relatifs à l'augmentation des prestations résultant d'une modification du régime de retraite postérieure au 1er janvier 2007.
§ 3. L'article 163 est applicable aux institutions visées au § 1er, étant entendu que les mots " le 1er janvier 1986 " doivent être lus comme " le 1er janvier 2007 ".
En outre, si le régime de retraite ne prévoit ni contribution des affiliés ni constitution de provisions, ces institutions sont dispensées de l'application des articles 89 à 94 pour la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 2007, y compris en ce qui concerne les adaptations et revalorisations consécutives aux hausses de salaires.
La dispense visée à l'alinéa précédent ne concerne pas les engagements relatifs à l'augmentation des prestations résultant d'une modification du regime de retraite postérieure au 1er janvier 2007.
§ 4. Les institutions de retraite professionnelle créées par des personnes morales de droit public avant l'entrée en vigueur des articles 136 à 138, peuvent, moyennant l'accord de la [2 FSMA]2, bénéficier des dispenses visées aux §§ 2 et 3 à une date antérieure à celles y visées et au plus tôt, le 1er septembre 2000.
La requête d'agrément de l'institution de retraite professionnelle creée en vue de gérer les régimes de retraite visés au présent paragraphe doit être introduite avant le 1er janvier 2008, sauf si le régime de retraite se rapporte exclusivement à des affiliés qui ont quitté le service ou ont été pensionnés avant le 1er janvier 2007.
§ 2. Les institutions créées en application du § 1er doivent se conformer aux dispositions des articles 87 et 88 avant le 1er janvier 2012.
Les articles 87 et 88 sont toutefois applicables aux engagements relatifs à l'augmentation des prestations résultant d'une modification du régime de retraite postérieure au 1er janvier 2007.
§ 3. L'article 163 est applicable aux institutions visées au § 1er, étant entendu que les mots " le 1er janvier 1986 " doivent être lus comme " le 1er janvier 2007 ".
En outre, si le régime de retraite ne prévoit ni contribution des affiliés ni constitution de provisions, ces institutions sont dispensées de l'application des articles 89 à 94 pour la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 2007, y compris en ce qui concerne les adaptations et revalorisations consécutives aux hausses de salaires.
La dispense visée à l'alinéa précédent ne concerne pas les engagements relatifs à l'augmentation des prestations résultant d'une modification du regime de retraite postérieure au 1er janvier 2007.
§ 4. Les institutions de retraite professionnelle créées par des personnes morales de droit public avant l'entrée en vigueur des articles 136 à 138, peuvent, moyennant l'accord de la [2 FSMA]2, bénéficier des dispenses visées aux §§ 2 et 3 à une date antérieure à celles y visées et au plus tôt, le 1er septembre 2000.
Art.169. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die een activiteit ten voordele van de bedrijfsleiders van een onderneming uitoefenen, vallen voor die activiteit onder de bepalingen van de artikelen 163 tot 165, met dien verstande dat de woorden " 1 januari 1986 " gelezen moeten worden als " 1 september 2000 ".
Art.169. Les institutions de retraite professionnelle qui exercent une activité au profit des dirigeants d'une entreprise bénéficient, pour cette activité, des dispositions des articles 163 à 165 étant entendu que les mots " le 1er janvier 1986 " doivent être lus comme " le 1er septembre 2000 ".
Art.170. § 1. Deze wet is van toepassing op de pensioenregelingen die op 1 januari 2004 bestonden binnen de fondsen voor bestaanszekerheid die onderworpen zijn aan de wet van 7 januari 1958 betreffende de fondsen voor bestaanszekerheid, en dit vanaf de eerste van de volgende twee data :
1° 1 januari 2007;
2° de datum van inwerkingtreding van de collectieve arbeidsovereenkomst die de pensioenregeling aanpast aan de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid.
De aanvraag tot [1 vergunning]1 van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, opgericht met het oog op het beheer van pensioenregelingen bedoeld in deze paragraaf, moet worden ingediend uiterlijk bij het verstrijken van een termijn van een jaar volgend op de datum bedoeld in het eerste lid.
§ 2. De fondsen voor bestaanzekerheid bedoeld in § 1 die een pensioenregeling beheren, die bestond op 1 januari 2004, zijn vrijgesteld van de oprichting van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, voorzover die pensioenregeling uitsluitend betrekking heeft op dienstjaren vóór de in § 1, eerste lid, bedoelde datum.
§ 3. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die pensioenregelingen beheren als bedoeld in § 1 beschikken over een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de datum bedoeld in § 1, eerste lid, om te voldoen aan de verplichtingen van de artikelen 87 en 88.
Zij zijn ook vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 89 tot 94 voor het deel van hun verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór de datum bedoeld in § 1, eerste lid, de aanpassingen en revalorisaties ten gevolge van loonsverhogingen inbegrepen.
Die vrijstellingen slaan niet op de verbintenissen die betrekking hebben op de verhoging van de uitkeringen die voortvloeit uit de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst die het pensioenstelsel aanpast aan de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid of uit een wijziging van het pensioenreglement die dateert van na de datum bedoeld in § 1, eerste lid.
1° 1 januari 2007;
2° de datum van inwerkingtreding van de collectieve arbeidsovereenkomst die de pensioenregeling aanpast aan de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid.
De aanvraag tot [1 vergunning]1 van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, opgericht met het oog op het beheer van pensioenregelingen bedoeld in deze paragraaf, moet worden ingediend uiterlijk bij het verstrijken van een termijn van een jaar volgend op de datum bedoeld in het eerste lid.
§ 2. De fondsen voor bestaanzekerheid bedoeld in § 1 die een pensioenregeling beheren, die bestond op 1 januari 2004, zijn vrijgesteld van de oprichting van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, voorzover die pensioenregeling uitsluitend betrekking heeft op dienstjaren vóór de in § 1, eerste lid, bedoelde datum.
§ 3. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die pensioenregelingen beheren als bedoeld in § 1 beschikken over een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de datum bedoeld in § 1, eerste lid, om te voldoen aan de verplichtingen van de artikelen 87 en 88.
Zij zijn ook vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 89 tot 94 voor het deel van hun verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór de datum bedoeld in § 1, eerste lid, de aanpassingen en revalorisaties ten gevolge van loonsverhogingen inbegrepen.
Die vrijstellingen slaan niet op de verbintenissen die betrekking hebben op de verhoging van de uitkeringen die voortvloeit uit de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst die het pensioenstelsel aanpast aan de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid of uit een wijziging van het pensioenreglement die dateert van na de datum bedoeld in § 1, eerste lid.
Art.170. § 1er. La présente loi est applicable aux régimes de retraite existant au 1er janvier 2004 au sein des fonds de sécurité d'existence soumis à la loi du 7 janvier 1958 concernant les fonds de sécurité d'existence, à partir de la première des deux dates suivantes :
1° le 1er janvier 2007;
2° la date d'entree en vigueur de la convention collective de travail qui adapte le régime de retraite à la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale.
La requête d'agrément de l'institution de retraite professionnelle créée en vue de gérer les régimes de retraite visés par le présent paragraphe doit être introduite au plus tard à l'expiration d'un délai d'un an suivant la date visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Les fonds de sécurité d'existence visé au § 1er, qui gèrent des régimes de retraite existant au 1er janvier 2004, sont dispensé de l'obligation de créer une institution de retraite professionnelle, à condition que ce régime de retraite se rapporte exclusivement aux années de services antérieures à la date visées au § 1er, alinéa 1er.
§ 3. Les institutions de retraite professionnelle qui gèrent des régimes de retraite visés au § 1er disposent d'un délai de cinq ans à compter de la date visée au § 1er, alinéa 1er, pour se conformer aux obligations des articles 87 et 88.
Elles sont également dispensées de l'application des articles 89 à 94 pour la partie de leurs engagements relative aux années antérieures à la date visée au § 1er, alinéa 1er, y compris en ce qui concerne les adaptations et les revalorisations consécutives aux hausses de salaires.
Ces dispenses ne concernent pas les engagements relatifs à l'augmentation des prestations qui résulte de la convention collective de travail sectorielle qui adapte le régime de retraite à la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale ou d'une modification du règlement de pension qui intervient après la date visée au § 1er, alinéa 1er.
1° le 1er janvier 2007;
2° la date d'entree en vigueur de la convention collective de travail qui adapte le régime de retraite à la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale.
La requête d'agrément de l'institution de retraite professionnelle créée en vue de gérer les régimes de retraite visés par le présent paragraphe doit être introduite au plus tard à l'expiration d'un délai d'un an suivant la date visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Les fonds de sécurité d'existence visé au § 1er, qui gèrent des régimes de retraite existant au 1er janvier 2004, sont dispensé de l'obligation de créer une institution de retraite professionnelle, à condition que ce régime de retraite se rapporte exclusivement aux années de services antérieures à la date visées au § 1er, alinéa 1er.
§ 3. Les institutions de retraite professionnelle qui gèrent des régimes de retraite visés au § 1er disposent d'un délai de cinq ans à compter de la date visée au § 1er, alinéa 1er, pour se conformer aux obligations des articles 87 et 88.
Elles sont également dispensées de l'application des articles 89 à 94 pour la partie de leurs engagements relative aux années antérieures à la date visée au § 1er, alinéa 1er, y compris en ce qui concerne les adaptations et les revalorisations consécutives aux hausses de salaires.
Ces dispenses ne concernent pas les engagements relatifs à l'augmentation des prestations qui résulte de la convention collective de travail sectorielle qui adapte le régime de retraite à la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale ou d'une modification du règlement de pension qui intervient après la date visée au § 1er, alinéa 1er.
Art.171. § 1. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die op 1 januari 2006 in België pensioenregelingen beheren als bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, zonder te zijn [4 vergund]4 overeenkomstig Titel II, Hoofdstuk III, mogen hun activiteit voortzetten niettegenstaande het feit dat zij niet voldoen aan de verplichtingen opgelegd door de artikelen 87 tot 94, op voorwaarde dat zij de volgende bepalingen van dit artikel in acht nemen.
§ 2. De instellingen bedoeld in § 1 dienen hun aanvraag tot [3 vergunning]3 ten laatste op 31 januari 2006 in.
Zij beschikken over een termijn tot 31 december 2010 om te voldoen aan de artikelen 87 en 88.
Hierbij dienen zij :
- op 31 december 2006 1/5de te hebben samengesteld van de tegen die datum samen te stellen solvabiliteitsmarge;
- op 31 december 2007 2/5de te hebben samengesteld van de tegen die datum samen te stellen solvabiliteitsmarge;
- op 31 december 2008 3/5de te hebben samengesteld van de tegen die datum samen te stellen solvabiliteitsmarge;
- op 31 december 2009, 4/5de te hebben samengesteld van de tegen die datum samen te stellen solvabiliteitsmarge.
§ 3. Voor het deel van de verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór 1 januari 2006 en waarvoor geen voorzieningen werden aangelegd, beschikken de instellingen bedoeld in § 1 over een termijn tot 31 december 2025 om te voldoen aan de vereisten van de artikelen 89 tot 94, indien ze aan de hand van een door de [2 FSMA]2 aanvaarde risicoanalyse kunnen aantonen dat ze na verloop van die termijn zullen voldoen aan deze vereisten.
De aanzuivering moet zodanig gebeuren dat het afgeloste bedrag nooit kleiner is dan het bedrag dat zou voortvloeien uit de constante aflossing over 20 jaar. De delging van het tekort mag niet trager verlopen dan de verbintenissen waarop het slaat.
§ 4. Voor de dekking van het deel van de verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór 1 januari 2006 en waarvoor een voorziening werd aangelegd, worden de waarden die de instelling op die datum bezat als dekkingswaarden aanvaard op vraag van de instelling en gedurende een door de [2 FSMA]2 te bepalen termijn.
§ 2. De instellingen bedoeld in § 1 dienen hun aanvraag tot [3 vergunning]3 ten laatste op 31 januari 2006 in.
Zij beschikken over een termijn tot 31 december 2010 om te voldoen aan de artikelen 87 en 88.
Hierbij dienen zij :
- op 31 december 2006 1/5de te hebben samengesteld van de tegen die datum samen te stellen solvabiliteitsmarge;
- op 31 december 2007 2/5de te hebben samengesteld van de tegen die datum samen te stellen solvabiliteitsmarge;
- op 31 december 2008 3/5de te hebben samengesteld van de tegen die datum samen te stellen solvabiliteitsmarge;
- op 31 december 2009, 4/5de te hebben samengesteld van de tegen die datum samen te stellen solvabiliteitsmarge.
§ 3. Voor het deel van de verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór 1 januari 2006 en waarvoor geen voorzieningen werden aangelegd, beschikken de instellingen bedoeld in § 1 over een termijn tot 31 december 2025 om te voldoen aan de vereisten van de artikelen 89 tot 94, indien ze aan de hand van een door de [2 FSMA]2 aanvaarde risicoanalyse kunnen aantonen dat ze na verloop van die termijn zullen voldoen aan deze vereisten.
De aanzuivering moet zodanig gebeuren dat het afgeloste bedrag nooit kleiner is dan het bedrag dat zou voortvloeien uit de constante aflossing over 20 jaar. De delging van het tekort mag niet trager verlopen dan de verbintenissen waarop het slaat.
§ 4. Voor de dekking van het deel van de verbintenissen dat betrekking heeft op de jaren vóór 1 januari 2006 en waarvoor een voorziening werd aangelegd, worden de waarden die de instelling op die datum bezat als dekkingswaarden aanvaard op vraag van de instelling en gedurende een door de [2 FSMA]2 te bepalen termijn.
Änderungen
Art.171. § 1er. Les institutions de retraite professionnelle qui, au 1er janvier 2006, gèrent en Belgique des régimes de retraite visés à l'article 55, alinéa 1er, 2°, sans être agréées conformément au Titre II, Chapitre III, peuvent poursuivre leur activité nonobstant le fait qu'elles ne satisfont pas aux obligations des articles 87 à 94, moyennant le respect des dispositions du présent article.
§ 2. Les institutions visées à l'alinéa 1er introduisent la requête d'agrément au plus tard le 31 janvier 2006.
Elles bénéficient d'un délai expirant le 31 décembre 2010 pour se conformer aux articles 87 et 88.
Elles devront :
- au 31 décembre 2006, avoir constitué 1/5e de la marge de solvabilité à constituer à cette date;
- au 31 décembre 2007, avoir constitué 2/5e de la marge de solvabilité à constituer à cette date;
- au 31 décembre 2008, avoir constitué 3/5e de la marge de solvabilité à constituer à cette date;
- au 31 décembre 2009, avoir constitué 4/5e de la marge de solvabilité à constituer à cette date.
§ 3. Pour la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 2006 et pour lesquels aucune provision n'a été constituée, les institutions visées au § 1er bénéficient d'un délai expirant le 31 décembre 2025 pour satisfaire aux exigences des articles 89 à 94, à condition qu'elles démontrent, au moyen d'une analyse de risques acceptée par la [2 FSMA]2, qu'elles satisferont à ces exigences au terme du délai précité.
L'apurement doit intervenir de telle manière que le montant amorti ne soit jamais inférieur à celui qui résulterait de l'amortissement constant sur une durée de 20 ans. L'extinction de ce sous-financement ne peut se dérouler plus lentement que les engagements auxquels il est lié.
§ 4. Pour la couverture de la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 2006 et pour lesquels une provision a été constituée, les valeurs détenues par l'institution à cette date sont admises comme valeurs représentatives sur demande de l'institution et pendant une durée que la [2 FSMA]2 fixe.
§ 2. Les institutions visées à l'alinéa 1er introduisent la requête d'agrément au plus tard le 31 janvier 2006.
Elles bénéficient d'un délai expirant le 31 décembre 2010 pour se conformer aux articles 87 et 88.
Elles devront :
- au 31 décembre 2006, avoir constitué 1/5e de la marge de solvabilité à constituer à cette date;
- au 31 décembre 2007, avoir constitué 2/5e de la marge de solvabilité à constituer à cette date;
- au 31 décembre 2008, avoir constitué 3/5e de la marge de solvabilité à constituer à cette date;
- au 31 décembre 2009, avoir constitué 4/5e de la marge de solvabilité à constituer à cette date.
§ 3. Pour la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 2006 et pour lesquels aucune provision n'a été constituée, les institutions visées au § 1er bénéficient d'un délai expirant le 31 décembre 2025 pour satisfaire aux exigences des articles 89 à 94, à condition qu'elles démontrent, au moyen d'une analyse de risques acceptée par la [2 FSMA]2, qu'elles satisferont à ces exigences au terme du délai précité.
L'apurement doit intervenir de telle manière que le montant amorti ne soit jamais inférieur à celui qui résulterait de l'amortissement constant sur une durée de 20 ans. L'extinction de ce sous-financement ne peut se dérouler plus lentement que les engagements auxquels il est lié.
§ 4. Pour la couverture de la partie des engagements relative aux années antérieures au 1er janvier 2006 et pour lesquels une provision a été constituée, les valeurs détenues par l'institution à cette date sont admises comme valeurs représentatives sur demande de l'institution et pendant une durée que la [2 FSMA]2 fixe.
Art.172. De vrijstellingen bedoeld in de artikelen 163, 164, tweede lid, en 168, § 3, eerste lid, doven gelijktijdig uit als de verbintenissen waarop ze betrekking hebben.
Voor elk van de vrijstellingen bedoeld in het vorig lid, wordt, wanneer de som van de [1 activa, toegewezen aan het betrokken afzonderlijke vermogen]1 en het bedrag van de vrijstelling het bedrag van de verbintenissen van de betrokken pensioenregelingen, berekend zonder aftrek van bovengenoemde vrijstelling, overstijgt, de vrijstelling verminderd met het bedrag van dit overschot.
Voor elk van de vrijstellingen bedoeld in het vorig lid, wordt, wanneer de som van de [1 activa, toegewezen aan het betrokken afzonderlijke vermogen]1 en het bedrag van de vrijstelling het bedrag van de verbintenissen van de betrokken pensioenregelingen, berekend zonder aftrek van bovengenoemde vrijstelling, overstijgt, de vrijstelling verminderd met het bedrag van dit overschot.
Art.172. Les dispenses visées aux articles 163, 164, alinéa 2, et 168, § 3, alinéa 1er, s'éteignent en même temps que les engagements auxquels elles sont liées.
Pour chacune des dispenses visées à l'alinéa précédent, lorsque la somme des [1 actifs attribués au patrimoine concerné]1 et du montant de la dispense excède le montant des engagements du ou des régimes de retraite concernés, calculés sans déduction de ladite dispense, la dispense est réduite du montant de cet excédent.
Pour chacune des dispenses visées à l'alinéa précédent, lorsque la somme des [1 actifs attribués au patrimoine concerné]1 et du montant de la dispense excède le montant des engagements du ou des régimes de retraite concernés, calculés sans déduction de ladite dispense, la dispense est réduite du montant de cet excédent.
Art.173. § 1. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die vrijgesteld zijn van de toepassing van de artikelen 89 tot 94 blijven er niettemin toe gehouden aan de [3 FSMA]3 een jaarlijks verslag te zenden over het geheel van hun verbintenissen.
De betalingsverrichtingen met betrekking tot de verbintenissen waarop de vrijstelling slaat, worden opgenomen in een afzonderlijke rubriek van de jaarrekening van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
De [3 FSMA]3 kan de modaliteiten van het jaarverslag bepalen.
§ 2. [1 De ondernemingen, de publiekrechtelijke entiteiten en rechtspersonen en de fondsen voor bestaanszekerheid die krachtens de artikelen 165, 168, § 1, tweede lid, en 170, § 2,]1 vrijgesteld zijn van de oprichting van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, moeten vóór [1 1 januari 2010]1 bij de [3 FSMA]3 ingeschreven worden.
Zij zijn ertoe gehouden aan de [3 FSMA]3 een jaarlijks verslag te zenden over de pensioenregelingen die zij beheren.
De [3 FSMA]3 kan de modaliteiten van de inschrijving en het jaarverslag bepalen.
De betalingsverrichtingen met betrekking tot de verbintenissen waarop de vrijstelling slaat, worden opgenomen in een afzonderlijke rubriek van de jaarrekening van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
De [3 FSMA]3 kan de modaliteiten van het jaarverslag bepalen.
§ 2. [1 De ondernemingen, de publiekrechtelijke entiteiten en rechtspersonen en de fondsen voor bestaanszekerheid die krachtens de artikelen 165, 168, § 1, tweede lid, en 170, § 2,]1 vrijgesteld zijn van de oprichting van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, moeten vóór [1 1 januari 2010]1 bij de [3 FSMA]3 ingeschreven worden.
Zij zijn ertoe gehouden aan de [3 FSMA]3 een jaarlijks verslag te zenden over de pensioenregelingen die zij beheren.
De [3 FSMA]3 kan de modaliteiten van de inschrijving en het jaarverslag bepalen.
Änderungen
Art.173. § 1er. Les institutions de retraite professionnelle qui sont dispensées de l'application des articles 89 à 94 restent néanmoins tenues d'envoyer à la [3 FSMA]3 un rapport annuel sur l'ensemble de leurs engagements.
Les opérations de paiement se rapportant aux engagements visés par la dispense sont reprises dans une rubrique distincte des comptes annuels de l'institution de retraite professionnelle.
La [3 FSMA]3 peut fixer les modalités du rapport annuel.
§ 2. [1 Les entreprises et les fonds de sécurité d'existence qui, en vertu des articles 165 et 170, § 2,]1 sont dispensés de l'obligation de créer une institution de retraite professionnelle doivent être inscrits auprès de la [3 FSMA]3 avant le [1 1er janvier 2010]1.
Ils sont tenus d'envoyer à la [3 FSMA]3 un rapport annuel sur les régimes de retraite qu'ils gèrent.
La [3 FSMA]3 peut fixer les modalités de l'inscription et du rapport annuel.
Les opérations de paiement se rapportant aux engagements visés par la dispense sont reprises dans une rubrique distincte des comptes annuels de l'institution de retraite professionnelle.
La [3 FSMA]3 peut fixer les modalités du rapport annuel.
§ 2. [1 Les entreprises et les fonds de sécurité d'existence qui, en vertu des articles 165 et 170, § 2,]1 sont dispensés de l'obligation de créer une institution de retraite professionnelle doivent être inscrits auprès de la [3 FSMA]3 avant le [1 1er janvier 2010]1.
Ils sont tenus d'envoyer à la [3 FSMA]3 un rapport annuel sur les régimes de retraite qu'ils gèrent.
La [3 FSMA]3 peut fixer les modalités de l'inscription et du rapport annuel.
Änderungen
HOOFDSTUK III. - Andere overgangsbepalingen.
CHAPITRE III. - Autres mesures transitoires.
Art.175. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die op de datum van inwerkingtreding van artikel 122 een pensioenregeling beheren van een onderneming die failliet verklaard of ontbonden werd, beschikken over een termijn van één jaar om zich te conformeren naar de bepalingen van dat artikel.
Art.175. Les institutions de retraite professionnelle qui, à la date d'entrée en vigueur de l'article 122, gèrent un régime de pension d'une entreprise d'affiliation qui a été déclarée en faillite ou a été dissoute, disposent d'un délai d'un an pour se conformer aux dispositions de cet article.
TITEL VI. - Diverse bepalingen.
TITRE VI. - Dispositions diverses.
HOOFDSTUK I. - Opheffings- en wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions abrogatoires et modificatives.
Afdeling I. - Wijzigingen aan de wetgeving betreffende het prudentieel toezicht.
Section Ire. - Modifications à la législation de contrôle prudentiel.
Art.176. In artikel 2, § 3, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, een laatste maal gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, worden de punten 4° en 6°, opgeheven.
Art.176. A l'article 2, § 3, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, modifié la dernière fois par la loi du 27 décembre 2005, les 4° et 6°, sont abrogés.
Art.177. Art. 9, § 2, van dezelfde wet van 9 juli 1975, gewijzigd bij de wetten van 28 april 2003 en 27 december 2004, wordt opgeheven.
Art.177. L'article 9, § 2, de la même loi, modifié par les lois du 28 avril 2003 et 27 décembre 2004, est abrogé.
Art.178. In artikel 38, derde lid, van dezelfde wet, worden de woorden " of verenigingen zonder winstoogmerk " geschrapt.
Art.178. A l'article 38, alinéa 3, de la même loi, les mots " ou d'associations sans but lucratif " sont supprimés.
Art.179. In artikel 48/12, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 december 2004, worden de woorden " en op de verenigingen zonder winstoogmerk " geschrapt.
Art.179. A l'article 48/12, § 2, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 6 décembre 2004, les mots " ou d'associations sans but lucratife " sont supprimes.
Art.180. Artikel 90, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 juli 1991 en het koninklijk besluit van 12 april 1984, wordt aangevuld met o) luidende :
" o) op de artikelen 151 tot 154 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. "
" o) op de artikelen 151 tot 154 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. "
Art.180. L'article 90, § 2, alinéa 2, de la même loi, modifié par la loi du 19 juillet 1991 et l'arrêté royal du 12 avril 1984, est complété par un o), rédigé comme suit :
" o) aux articles 151 à 154 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle. "
" o) aux articles 151 à 154 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle. "
Art.181. Art. 96, § 1, van de voornoemde wet van 9 juli 1975, hernummerd bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003 en de wet van 20 juni 2005, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De Koning neemt, op advies van de CBFA en nadat deze laatste het advies van de Commissie voor Verzekeringen heeft gevraagd, de besluiten die voor de uitvoering van deze wet nodig zijn. Hij bepaalt voornamelijk :
1° de regels voor het opmaken van de balans en de resultatenrekening, alsook voor de raming van de verschillende posten van de activa en passiva en voor de wijze van opmaken van de verslagen over het afzonderlijk beheer;
2° de door de ondernemingen na te leven regels inzake deelneming in de winst ten voordele van de verzekerden;
3° de verplichtingen van de verzekeraars omtrent het bijhouden en het overleggen van de boeken, polissen, boekingsstukken en andere bescheiden, de vermeldingen die moeten voorkomen op prospectussen, omzendbrieven, aanplakbiljetten en andere voor het publiek bestemde geschriften.
De raadpleging van de Commissie voor Verzekeringen is niet vereist voor de door de Koning met toepassing van artikel 36 te bepalen regels.
De Minister van Economie kan termijnen bepalen waarbinnen de CBFA en de Commissie voor Verzekeringen hun advies dienen uit te brengen. Insgelijks kan de CBFA een termijn bepalen waarbinnen de Commissie voor Verzekeringen haar advies dient uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist. "
" § 1. De Koning neemt, op advies van de CBFA en nadat deze laatste het advies van de Commissie voor Verzekeringen heeft gevraagd, de besluiten die voor de uitvoering van deze wet nodig zijn. Hij bepaalt voornamelijk :
1° de regels voor het opmaken van de balans en de resultatenrekening, alsook voor de raming van de verschillende posten van de activa en passiva en voor de wijze van opmaken van de verslagen over het afzonderlijk beheer;
2° de door de ondernemingen na te leven regels inzake deelneming in de winst ten voordele van de verzekerden;
3° de verplichtingen van de verzekeraars omtrent het bijhouden en het overleggen van de boeken, polissen, boekingsstukken en andere bescheiden, de vermeldingen die moeten voorkomen op prospectussen, omzendbrieven, aanplakbiljetten en andere voor het publiek bestemde geschriften.
De raadpleging van de Commissie voor Verzekeringen is niet vereist voor de door de Koning met toepassing van artikel 36 te bepalen regels.
De Minister van Economie kan termijnen bepalen waarbinnen de CBFA en de Commissie voor Verzekeringen hun advies dienen uit te brengen. Insgelijks kan de CBFA een termijn bepalen waarbinnen de Commissie voor Verzekeringen haar advies dient uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist. "
Art.181. L'article 96, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 précitée, renuméroté par l'arrêté royal du 12 août 1994 et modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003 et par la loi du 20 juin 2005, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le Roi prend, sur avis de la CBFA et après que cette dernière ait demandé l'avis de la Commission des Assurances, les arrêtés nécessaires à l'exécution de la présente loi. Il fixe, spécialement :
1° les règles pour dresser le bilan et le compte de résultats, ainsi que pour l'évaluation des divers postes de l'actif et du passif et pour la présentation des comptes rendus de gestions distinctes;
2° les règles à respecter par les entreprises en matière de participation dans les bénéfices au profit des assurés;
3° les obligations des assureurs relatives à la tenue et à la communication des livres, polices, pièces comptables et autres documents, aux mentions à faire dans les prospectus, circulaires, affiches et autres écrits destinés au public.
La consultation de la Commission des Assurances n'est pas requise pour ce qui est des règles à fixer par le Roi en application de l'article 36.
Le ministre de l'Economie peut fixer des délais endéans lesquels la CBFA et la Commission des Assurances doivent émettre leur avis. De même, la CBFA peut fixer un délai endéans lequel la Commission des Assurances doit émettre son avis. En cas de non-respect de l'un ou l'autre de ces délais, l'avis correspondant n'est plus requis. "
" § 1er. Le Roi prend, sur avis de la CBFA et après que cette dernière ait demandé l'avis de la Commission des Assurances, les arrêtés nécessaires à l'exécution de la présente loi. Il fixe, spécialement :
1° les règles pour dresser le bilan et le compte de résultats, ainsi que pour l'évaluation des divers postes de l'actif et du passif et pour la présentation des comptes rendus de gestions distinctes;
2° les règles à respecter par les entreprises en matière de participation dans les bénéfices au profit des assurés;
3° les obligations des assureurs relatives à la tenue et à la communication des livres, polices, pièces comptables et autres documents, aux mentions à faire dans les prospectus, circulaires, affiches et autres écrits destinés au public.
La consultation de la Commission des Assurances n'est pas requise pour ce qui est des règles à fixer par le Roi en application de l'article 36.
Le ministre de l'Economie peut fixer des délais endéans lesquels la CBFA et la Commission des Assurances doivent émettre leur avis. De même, la CBFA peut fixer un délai endéans lequel la Commission des Assurances doit émettre son avis. En cas de non-respect de l'un ou l'autre de ces délais, l'avis correspondant n'est plus requis. "
Art.182. Het koninklijk besluit van 14 mei 1985 tot toepassing op de voorzorgsinstellingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen wordt opgeheven.
Art.182. L'arrêté royal du 14 mai 1985 concernant l'application aux institutions de prévoyance de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances est abrogé.
Art.183. Het koninklijk besluit van 5 april 1995 tot toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen op de pensioenkassen bedoeld in artikel 2, § 3, 4°, van de voormelde wet wordt opgeheven.
Art.183. L'arrêté royal du 5 avril 1995 concernant l'application de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances aux caisses de pensions visées à l'article 2, § 3, 4°, de la loi précitée est abrogé.
Afdeling II. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
Section II. - Modifications à la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
Art.184. Artikel 45, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003 en de wet van 20 juli 2004, wordt aangevuld met een 13°, luidend als volgt :
" 13° het toezicht op de naleving van de bepalingen van Titels I tot V de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. "
" 13° het toezicht op de naleving van de bepalingen van Titels I tot V de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. "
Art.184. L'article 45, § 1er, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003 et la loi du 20 juillet 2004, est complété par un 13°, rédigé comme suit :
" 13° d'assurer le contrôle du respect des dispositions des Titres I à V de la loi du 27 octobre 2006 relative au controle des institutions de retraite professionnelle. "
" 13° d'assurer le contrôle du respect des dispositions des Titres I à V de la loi du 27 octobre 2006 relative au controle des institutions de retraite professionnelle. "
Art.185. In artikel 72, § 4, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de woorden " en in artikel 26 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen ", vervangen door de woorden " , in artikel 26 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en in de artikelen 119 tot 121 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening ".
Art.185. A l'article 72, § 4, de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, les mots " et à l'article 26 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances ", sont remplacés par les mots " , à l'article 26 de la loi du 9 juillet 1975 relative au controle des entreprises d'assurances et aux articles 119 à 121 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ".
Art.186. In artikel 122 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 2 augustus 2002 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003 en bij de wetten van 22 juli 2004 en 15 december 2004 en 22 februari 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de punten 12° tot 15° worden de woorden " of de voorzorgsinstelling, " telkens geschrapt;
2° het artikel wordt als volgt aangevuld :
" 27° door de instelling en de rechtspersoon bedoeld in artikel 58quater van de programmawet (I) van 24 december 2002 tegen de maatregelen die de CBFA heeft genomen krachtens ditzelfde artikel;
28° door de instelling, de inrichter en de rechtspersoon bedoeld in artikel 49quater van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, tegen de maatregelen die de CBFA heeft genomen krachtens ditzelfde artikel;
29° door de aanvrager van een [1 vergunning]1, tegen de beslissingen tot weigering van [1 vergunning]1 die de CBFA heeft genomen krachtens artikel 56 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
30° door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, tegen de beslissingen tot verzet die de CBFA heeft genomen krachtens artikel 65 van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
31° door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, tegen de herstelmaatregelen die de CBFA heeft genomen krachtens de artikelen 110 en 111 van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
32° door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, tegen de beslissingen tot intrekking van de [1 vergunning]1 die de CBFA heeft genomen krachtens artikel 130 van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
33° door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, tegen de beslissingen die de CBFA heeft genomen krachtens artikel 148 van de voornoemde wet van 27 oktober 2006. "
1° in de punten 12° tot 15° worden de woorden " of de voorzorgsinstelling, " telkens geschrapt;
2° het artikel wordt als volgt aangevuld :
" 27° door de instelling en de rechtspersoon bedoeld in artikel 58quater van de programmawet (I) van 24 december 2002 tegen de maatregelen die de CBFA heeft genomen krachtens ditzelfde artikel;
28° door de instelling, de inrichter en de rechtspersoon bedoeld in artikel 49quater van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, tegen de maatregelen die de CBFA heeft genomen krachtens ditzelfde artikel;
29° door de aanvrager van een [1 vergunning]1, tegen de beslissingen tot weigering van [1 vergunning]1 die de CBFA heeft genomen krachtens artikel 56 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
30° door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, tegen de beslissingen tot verzet die de CBFA heeft genomen krachtens artikel 65 van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
31° door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, tegen de herstelmaatregelen die de CBFA heeft genomen krachtens de artikelen 110 en 111 van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
32° door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, tegen de beslissingen tot intrekking van de [1 vergunning]1 die de CBFA heeft genomen krachtens artikel 130 van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
33° door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, tegen de beslissingen die de CBFA heeft genomen krachtens artikel 148 van de voornoemde wet van 27 oktober 2006. "
Art.186. A l'article 122 de la même loi, inséré par la loi du 2 août 2002 et modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, et par les lois des 22 juillet 2004 et 15 décembre 2004 et 22 février 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° aux 12° à 15°, les mots " ou à l'institution de prévoyance, " sont chaque fois supprimés;
2° l'article est complété comme suit :
" 27° à l'organisme et à la personne morale visés à l'article 58quater de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, contre les mesures prises par la CBFA en vertu de ce même article;
28° à l'organisme, à l'organisateur et à la personne morale visées à l'article 49quater de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au regime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale, contre les mesures prises par la CBFA en vertu de ce même article;
29° au demandeur d'agrément, contre les décisions de refus d'agrément prises par la CBFA en vertu de l'article 56 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;
30° à l'institution de retraite professionnelle, contre les décisions d'opposition prises par la CBFA en vertu de l'article 65 de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
31° à l'institution de retraite professionnelle, contre les mesures de redressement prises par la CBFA en vertu des articles 110 et 111 de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
32° à l'institution de retraite professionnelle, contre les mesures de révocation de l'agrément prises par la CBFA en vertu de l'article 130 de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
33° à l'institution de retraite professionnelle, contre les mesures prises par la CBFA en vertu de l'article 148 de la loi du 27 octobre 2006 précitée. "
1° aux 12° à 15°, les mots " ou à l'institution de prévoyance, " sont chaque fois supprimés;
2° l'article est complété comme suit :
" 27° à l'organisme et à la personne morale visés à l'article 58quater de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, contre les mesures prises par la CBFA en vertu de ce même article;
28° à l'organisme, à l'organisateur et à la personne morale visées à l'article 49quater de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au regime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale, contre les mesures prises par la CBFA en vertu de ce même article;
29° au demandeur d'agrément, contre les décisions de refus d'agrément prises par la CBFA en vertu de l'article 56 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;
30° à l'institution de retraite professionnelle, contre les décisions d'opposition prises par la CBFA en vertu de l'article 65 de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
31° à l'institution de retraite professionnelle, contre les mesures de redressement prises par la CBFA en vertu des articles 110 et 111 de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
32° à l'institution de retraite professionnelle, contre les mesures de révocation de l'agrément prises par la CBFA en vertu de l'article 130 de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
33° à l'institution de retraite professionnelle, contre les mesures prises par la CBFA en vertu de l'article 148 de la loi du 27 octobre 2006 précitée. "
Afdeling III. - Wijzigingen in de programmawet (I) van 24 december 2002.
Section III. - Modifications à la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
Art.187. In artikel 42 van de programmawet (I) van 24 december 2002, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003 en bij de wetten van 22 december 2003 en 9 juli 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 2° worden de woorden " bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 4° en 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen " vervangen door de woorden " bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening ";
2° punt 11° wordt door de volgende bepaling vervangen :
" 11° de wet van 27 oktober 2006 : de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening; ";
3° punt 12° wordt door de volgende bepaling vervangen :
" 12° " de wetgeving inzake het prudentieel toezicht " : de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, en hun uitvoeringsbesluiten; ";
4° het artikel wordt als volgt aangevuld :
" 13° " de CBFA " : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, ingesteld door artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003. ".
1° in punt 2° worden de woorden " bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 4° en 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen " vervangen door de woorden " bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening ";
2° punt 11° wordt door de volgende bepaling vervangen :
" 11° de wet van 27 oktober 2006 : de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening; ";
3° punt 12° wordt door de volgende bepaling vervangen :
" 12° " de wetgeving inzake het prudentieel toezicht " : de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, en hun uitvoeringsbesluiten; ";
4° het artikel wordt als volgt aangevuld :
" 13° " de CBFA " : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, ingesteld door artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003. ".
Art.187. A l'article 42 de la loi-programme (I) du 4 décembre 2002, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003 et les lois des 22 décembre 2003 et 9 juillet 2004, sont apportées les modifications suivantes :
1° au 2°, les mots " visés à l'article 2, § 1er, ou § 3, 4° et 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances " sont remplacés par les mots " visés à l'article 2, § 1er ou § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, ou à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ";
2° le 11° est remplacé par la disposition suivante :
" 11° loi du 27 octobre 2006 : la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle; ";
3° le 12° est remplacé par la disposition suivante :
" 12° " la legislation de contrôle prudential " : la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance et la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, ainsi que leurs arrêtés d'exécution; ";
4° l'article est complété comme suit :
" 13° " la CBFA " : la Commission Bancaire, Financière et des Assurances, instituée par l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. "
1° au 2°, les mots " visés à l'article 2, § 1er, ou § 3, 4° et 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances " sont remplacés par les mots " visés à l'article 2, § 1er ou § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, ou à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ";
2° le 11° est remplacé par la disposition suivante :
" 11° loi du 27 octobre 2006 : la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle; ";
3° le 12° est remplacé par la disposition suivante :
" 12° " la legislation de contrôle prudential " : la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance et la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, ainsi que leurs arrêtés d'exécution; ";
4° l'article est complété comme suit :
" 13° " la CBFA " : la Commission Bancaire, Financière et des Assurances, instituée par l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. "
Art.188. In artikel 44, § 4, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de woorden " over de materies bedoeld in deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten en, onder andere " toegevoegd tussen de woorden " een verslag " en de woorden " over de kostenstructuur ".
Art.188. A l'article 44, § 4, de la même loi, modifié par la loi du 22 décembre 2003, les mots " relatif aux matières visées par la présente section et ses arrêtés d'exécution et notamment " sont insérés entre les mots " un rapport " et les mots " sur la structure ".
Art.189. In artikel 46 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden " in hoofdstuk VI " vervangen door de woorden " in onderafdeling 6 ";
2° in § 3, worden de woorden " over de materies bedoeld in deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten en, onder andere " toegevoegd tussen de woorden " een verslag " en de woorden " over de kostenstructuur ".
1° in § 1 worden de woorden " in hoofdstuk VI " vervangen door de woorden " in onderafdeling 6 ";
2° in § 3, worden de woorden " over de materies bedoeld in deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten en, onder andere " toegevoegd tussen de woorden " een verslag " en de woorden " over de kostenstructuur ".
Art.189. A l'article 46 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, les mots " au chapitre VI " sont remplacés par les mots " à la sous-section 6 ";
2° au § 3, les mots " relatif aux matières visées par la présente section et ses arrêtes d'exécution et notamment " sont insérés entre les mots " un rapport " et les mots " sur la structure ".
1° au § 1er, les mots " au chapitre VI " sont remplacés par les mots " à la sous-section 6 ";
2° au § 3, les mots " relatif aux matières visées par la présente section et ses arrêtes d'exécution et notamment " sont insérés entre les mots " un rapport " et les mots " sur la structure ".
Art.190. In artikel 48 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, tweede lid, wordt aangevuld als volgt :
" 4° het actuele financieringsniveau van de verworven reserves en van de waarborg bedoeld in artikel 47, tweede lid;
5° het bedrag van de bijdragen die in de loop van het voorbije jaar gestort zijn, uitgesplitst per voordeel;
6° in voorkomend geval, de informatie betreffende de winstdeelname die de Koning bepaalt;
7° in voorkomend geval, het bedrag van de toeslagen die in het voorbije boekjaar ten laste van de aangeslotene werden gelegd;
8° in voorkomend geval, de rentevoet die in de loop van het voorbije boekjaar gewaarborgd werd. ";
2° in § 3, tweede lid, 1°, b) en 2°, worden de woorden " opgerent tegen de maximale referentievoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur die vastgesteld wordt in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door " gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet ";
3° in § 3, wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Zolang de Koning de besluiten bedoeld in § 3, tweede lid, 1°, b) en 2°, niet heeft genomen is de aldaar bedoelde rentevoet gelijk aan 3,75 %. ";
4° er wordt een § 4 toegevoegd, luidend als volgt :
" § 4. Bij de pensionering of wanneer er andere uitkeringen verschuldigd worden, licht de pensioeninstelling de [1 pensioengerechtigde]1 of zijn rechthebbenden in over de uitkeringen die verschuldigd zijn en over de wijze van uitbetaling. "
1° § 1, tweede lid, wordt aangevuld als volgt :
" 4° het actuele financieringsniveau van de verworven reserves en van de waarborg bedoeld in artikel 47, tweede lid;
5° het bedrag van de bijdragen die in de loop van het voorbije jaar gestort zijn, uitgesplitst per voordeel;
6° in voorkomend geval, de informatie betreffende de winstdeelname die de Koning bepaalt;
7° in voorkomend geval, het bedrag van de toeslagen die in het voorbije boekjaar ten laste van de aangeslotene werden gelegd;
8° in voorkomend geval, de rentevoet die in de loop van het voorbije boekjaar gewaarborgd werd. ";
2° in § 3, tweede lid, 1°, b) en 2°, worden de woorden " opgerent tegen de maximale referentievoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur die vastgesteld wordt in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door " gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet ";
3° in § 3, wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Zolang de Koning de besluiten bedoeld in § 3, tweede lid, 1°, b) en 2°, niet heeft genomen is de aldaar bedoelde rentevoet gelijk aan 3,75 %. ";
4° er wordt een § 4 toegevoegd, luidend als volgt :
" § 4. Bij de pensionering of wanneer er andere uitkeringen verschuldigd worden, licht de pensioeninstelling de [1 pensioengerechtigde]1 of zijn rechthebbenden in over de uitkeringen die verschuldigd zijn en over de wijze van uitbetaling. "
Art.190. A l'article 48 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, alinéa 2, est complété comme suit :
" 4° le niveau actuel de financement des réserves acquises et de la garantie visée a l'article 47, alinéa 2;
5° le montant des contributions versées au cours de l'année écoulée, scindé par avantage;
6° le cas échéant, les informations relatives à la participation bénéficiaire que le Roi détermine;
7° le cas échéant, le montant des suppléments mis à charge de l'affilie au cours de l'exercice comptable précédent;
8° le cas échéant, le taux d'intérêt garanti au cours de l'exercice comptable precédent. ";
2° au § 3, alinéa 2, 1°, b) et 2°, les mots " capitalisees au taux maximum de référence pour les opérations d'assurance à long terme fixés par les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplaces par " capitalisées au taux fixé par le Roi ";
3° au § 3, il est inséré un troisième alinéa rédigé comme suit :
" Tant que le Roi n'a pas pris les arrêtés visés au § 3, alinéa 2, 1°, b) et 2°, le taux d'intérêt y visé est de 3,75 %. ";
4° il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Lors du départ à la retraite ou lorsque d'autres prestations deviennent exigibles, l'organisme de pension informe le bénéficiaire ou ses ayants droit sur les prestations qui sont dues et sur les options de paiement correspondantes. "
1° le § 1er, alinéa 2, est complété comme suit :
" 4° le niveau actuel de financement des réserves acquises et de la garantie visée a l'article 47, alinéa 2;
5° le montant des contributions versées au cours de l'année écoulée, scindé par avantage;
6° le cas échéant, les informations relatives à la participation bénéficiaire que le Roi détermine;
7° le cas échéant, le montant des suppléments mis à charge de l'affilie au cours de l'exercice comptable précédent;
8° le cas échéant, le taux d'intérêt garanti au cours de l'exercice comptable precédent. ";
2° au § 3, alinéa 2, 1°, b) et 2°, les mots " capitalisees au taux maximum de référence pour les opérations d'assurance à long terme fixés par les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplaces par " capitalisées au taux fixé par le Roi ";
3° au § 3, il est inséré un troisième alinéa rédigé comme suit :
" Tant que le Roi n'a pas pris les arrêtés visés au § 3, alinéa 2, 1°, b) et 2°, le taux d'intérêt y visé est de 3,75 %. ";
4° il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Lors du départ à la retraite ou lorsque d'autres prestations deviennent exigibles, l'organisme de pension informe le bénéficiaire ou ses ayants droit sur les prestations qui sont dues et sur les options de paiement correspondantes. "
Art.191. In artikel 49, § 1, van dezelfde wet worden de woorden " voor zover de pensioenovereenkomst het uitdrukkelijk voorziet " toegevoegd na het woord " bereikt ".
Art.191. A l'article 49, § 1er, de la même loi, les mots " pour autant que la convention de pension le prévoit expressément " sont insérés après les mots " 60 ans ".
Art.192. In artikel 51 van dezelfde wet wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :
" De overdracht bedoeld in het tweede lid is beperkt tot het deel van de reserves dat niet het voorwerp uitmaakt van een voorschot of in pandgeving of dat niet werd toegewezen aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet. ".
" De overdracht bedoeld in het tweede lid is beperkt tot het deel van de reserves dat niet het voorwerp uitmaakt van een voorschot of in pandgeving of dat niet werd toegewezen aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet. ".
Art.192. A l'article 51 de la même loi, un alinéa est inseré entre les alinéas 2 et 3, rédigé comme suit :
" Le transfert visé à l'alinéa 2 est limité à la partie des réserves qui n'a pas fait l'objet d'une avance ou d'une mise en gage ou qui n'a pas été affectée dans le cadre de la reconstitution d'un crédit hypothécaire ".
" Le transfert visé à l'alinéa 2 est limité à la partie des réserves qui n'a pas fait l'objet d'une avance ou d'une mise en gage ou qui n'a pas été affectée dans le cadre de la reconstitution d'un crédit hypothécaire ".
Art.193. In Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling 4, Onderafdeling 5, van dezelfde wet wordt een artikel 52bis ingevoegd, luidende :
" De pensioeninstelling stelt een schriftelijke verklaring op met de beginselen van haar beleggingsbeleid. Zij herziet deze verklaring ten minste om de drie jaar en onverwijld na elke belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid.
Deze verklaring bevat ten minste de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de pensioenverplichtingen.
De instelling stelt de CBFA binnen de maand in kennis van elke wijziging van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
De CBFA kan bij reglement nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm van deze verklaring. "
" De pensioeninstelling stelt een schriftelijke verklaring op met de beginselen van haar beleggingsbeleid. Zij herziet deze verklaring ten minste om de drie jaar en onverwijld na elke belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid.
Deze verklaring bevat ten minste de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de pensioenverplichtingen.
De instelling stelt de CBFA binnen de maand in kennis van elke wijziging van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
De CBFA kan bij reglement nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm van deze verklaring. "
Art.193. Il est inséré au Titre II, Chapitre Ier, Section 4, Sous-section 5, de la même loi un article 52bis, rédigé comme suit :
" L'organisme de pension élabore une déclaration écrite sur les principes de sa politique de placement. Il la revoit au moins tous les trois ans et immédiatement après tout changement majeur de la politique de placement.
Cette déclaration contient, au minimum, les méthodes d'évaluation des risques d'investissement, les techniques de gestion des risques mises en oeuvre et la répartition stratégique des actifs eu égard à la nature et à la durée des obligations de retraite.
L'organisme communique dans le mois toute modification de la déclaration sur les principes de la politique de placement à la CBFA.
La CBFA peut fixer, par voie de règlement, des règles plus précises en ce qui concerne le contenu et la forme de cette déclaration. "
" L'organisme de pension élabore une déclaration écrite sur les principes de sa politique de placement. Il la revoit au moins tous les trois ans et immédiatement après tout changement majeur de la politique de placement.
Cette déclaration contient, au minimum, les méthodes d'évaluation des risques d'investissement, les techniques de gestion des risques mises en oeuvre et la répartition stratégique des actifs eu égard à la nature et à la durée des obligations de retraite.
L'organisme communique dans le mois toute modification de la déclaration sur les principes de la politique de placement à la CBFA.
La CBFA peut fixer, par voie de règlement, des règles plus précises en ce qui concerne le contenu et la forme de cette déclaration. "
Art.194. Artikel 53 van dezelfde wet, waarvan de huidige tekst § 1 wordt, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. De pensioeninstelling verstrekt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotenen, hun rechthebbenden of hun vertegenwoordigers :
1° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 52bis;
2° de jaarrekening en het jaarverslag van de pensioeninstelling, alsook, in voorkomend geval, de jaarrekening en het jaarverslag van het pensioenstelsel van de aangeslotene;
3° wanneer de aangeslotene het beleggingsrisico draagt, alle eventueel beschikbare beleggingsmogelijkheden en de feitelijke beleggingsportefeuille, met een beschrijving van de risico's en de kosten die met de beleggingen zijn verbonden.
De CBFA kan bij reglement de inhoud en de vorm bepalen van de inlichtingen bedoeld in deze paragraaf. "
" § 2. De pensioeninstelling verstrekt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotenen, hun rechthebbenden of hun vertegenwoordigers :
1° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 52bis;
2° de jaarrekening en het jaarverslag van de pensioeninstelling, alsook, in voorkomend geval, de jaarrekening en het jaarverslag van het pensioenstelsel van de aangeslotene;
3° wanneer de aangeslotene het beleggingsrisico draagt, alle eventueel beschikbare beleggingsmogelijkheden en de feitelijke beleggingsportefeuille, met een beschrijving van de risico's en de kosten die met de beleggingen zijn verbonden.
De CBFA kan bij reglement de inhoud en de vorm bepalen van de inlichtingen bedoeld in deze paragraaf. "
Art.194. L'article 53 de la même loi, dont le texte actuel formera le § 1er, est complété par un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. L'organisme de pension remet sur simple demande, aux affiliés, à leurs ayants droits ou à leurs représentants :
1° la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 52 bis;
2° les comptes et rapports annuels de l'organisme de pension, ainsi que, le cas échéant, les comptes et rapports annuels du régime de retraite de l'affilié;
3° lorsque l'affilié supporte le risque de placement, l'éventail des options éventuelles de placement et le portefeuille de placement existant, avec une description des risques et des coûts relatifs à ces placements.
La CBFA peut préciser, par voie de règlement, le contenu et la forme des informations visées au présent paragraphe. "
" § 2. L'organisme de pension remet sur simple demande, aux affiliés, à leurs ayants droits ou à leurs représentants :
1° la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 52 bis;
2° les comptes et rapports annuels de l'organisme de pension, ainsi que, le cas échéant, les comptes et rapports annuels du régime de retraite de l'affilié;
3° lorsque l'affilié supporte le risque de placement, l'éventail des options éventuelles de placement et le portefeuille de placement existant, avec une description des risques et des coûts relatifs à ces placements.
La CBFA peut préciser, par voie de règlement, le contenu et la forme des informations visées au présent paragraphe. "
Art.195. In dezelfde wet wordt een artikel 58bis ingevoegd, luidende :
" Art. 58 bis. Met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten, bezorgen de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitsstelsels betrokken zijn, aan de CBFA de lijst van de pensioenovereenkomsten en de solidariteitsstelsels die zij beheren, evenals de inlichtingen over de beheerde toezeggingen, die de CBFA bepaalt.
De CBFA bepaalt de periodiciteit, de inhoud en de drager van de in het eerste lid bedoelde mededeling. "
" Art. 58 bis. Met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten, bezorgen de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitsstelsels betrokken zijn, aan de CBFA de lijst van de pensioenovereenkomsten en de solidariteitsstelsels die zij beheren, evenals de inlichtingen over de beheerde toezeggingen, die de CBFA bepaalt.
De CBFA bepaalt de periodiciteit, de inhoud en de drager van de in het eerste lid bedoelde mededeling. "
Art.195. Il est inséré dans la même loi un article 58bis, rédigé comme suit :
" Art. 58bis. En vue du contrôle du respect des dispositions de la présente section et de ses arrêtés d'exécution, les organismes de pension et les personnes morales concernées par l'exécution des régimes de solidarite communiquent à la CBFA la liste des conventions de pension et des régimes de solidarité qu'ils gèrent, ainsi que les renseignements relatifs aux engagements gérés que la CBFA détermine.
La CBFA fixe la périodicité, le contenu et le support de la communication visée à l'alinéa 1er. "
" Art. 58bis. En vue du contrôle du respect des dispositions de la présente section et de ses arrêtés d'exécution, les organismes de pension et les personnes morales concernées par l'exécution des régimes de solidarite communiquent à la CBFA la liste des conventions de pension et des régimes de solidarité qu'ils gèrent, ainsi que les renseignements relatifs aux engagements gérés que la CBFA détermine.
La CBFA fixe la périodicité, le contenu et le support de la communication visée à l'alinéa 1er. "
Art.196. In dezelfde wet wordt een artikel 58ter ingevoegd dat luidt als volgt :
" Art. 58ter. Op verzoek van de CBFA verstrekken de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van een solidariteitsstelsel betrokken zijn, alle inlichtingen en documenten met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten. De in dit lid bedoelde inlichtingen en documenten worden in de wettelijke opgelegde taal gesteld.
Met hetzelfde doel kan de CBFA op de zetel inspecties verrichten of een kopie maken van alle gegevens waarover de pensioeninstelling beschikt, in voorkomend geval nadat zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan verwittigd heeft.
Met hetzelfde doel zijn de agenten, makelaars of tussenpersonen ertoe gehouden op eenvoudig verzoek alle nodige inlichtingen te verstrekken aan de CBFA over de pensioenovereenkomsten of de solidariteitsstelsels die aan deze wet zijn onderworpen.
Voor de uitvoering van de drie voorgaande leden kan de CBFA leden van haar personeel of zelfstandige hiertoe gemachtigde deskundigen afvaardigen, die haar verslag uitbrengen. "
" Art. 58ter. Op verzoek van de CBFA verstrekken de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van een solidariteitsstelsel betrokken zijn, alle inlichtingen en documenten met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten. De in dit lid bedoelde inlichtingen en documenten worden in de wettelijke opgelegde taal gesteld.
Met hetzelfde doel kan de CBFA op de zetel inspecties verrichten of een kopie maken van alle gegevens waarover de pensioeninstelling beschikt, in voorkomend geval nadat zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan verwittigd heeft.
Met hetzelfde doel zijn de agenten, makelaars of tussenpersonen ertoe gehouden op eenvoudig verzoek alle nodige inlichtingen te verstrekken aan de CBFA over de pensioenovereenkomsten of de solidariteitsstelsels die aan deze wet zijn onderworpen.
Voor de uitvoering van de drie voorgaande leden kan de CBFA leden van haar personeel of zelfstandige hiertoe gemachtigde deskundigen afvaardigen, die haar verslag uitbrengen. "
Art.196. Il est inséré dans la même loi un article 58ter, rédigé comme suit :
" Art. 58ter. Sur demande de la CBFA, les organisme de pensions et les personnes morales concernées par l'exécution d'un régime de solidarité soumettent tout renseignement et fournissent tout document en vue du contrôle du respect des dispositions de la presente section et de ses arrêtés d'exécution. Les renseignements et pièces visés dans cet alinéa sont rédigés dans la langue légalement imposée.
Dans le même but, la CBFA peut procéder à des inspections sur place ou prendre copie de toute information en possession de l'organisme de pension, apres en avoir, le cas échéant, informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine.
Dans le même but, les agents, courtiers ou intermédiaires sont tenus de fournir a la CBFA, sur simple demande, tout renseignement qu'ils détiennent concernant les conventions de pension ou les régimes de solidarité soumis à la présente loi.
La CBFA peut, pour l'exécution des trois alinéas précédents, déléguer des membres de son personnel ou des experts indépendants mandatés à cet effet, qui lui font rapport. "
" Art. 58ter. Sur demande de la CBFA, les organisme de pensions et les personnes morales concernées par l'exécution d'un régime de solidarité soumettent tout renseignement et fournissent tout document en vue du contrôle du respect des dispositions de la presente section et de ses arrêtés d'exécution. Les renseignements et pièces visés dans cet alinéa sont rédigés dans la langue légalement imposée.
Dans le même but, la CBFA peut procéder à des inspections sur place ou prendre copie de toute information en possession de l'organisme de pension, apres en avoir, le cas échéant, informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine.
Dans le même but, les agents, courtiers ou intermédiaires sont tenus de fournir a la CBFA, sur simple demande, tout renseignement qu'ils détiennent concernant les conventions de pension ou les régimes de solidarité soumis à la présente loi.
La CBFA peut, pour l'exécution des trois alinéas précédents, déléguer des membres de son personnel ou des experts indépendants mandatés à cet effet, qui lui font rapport. "
Art.197. In dezelfde wet wordt een artikel 58quater, ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 58quater. § 1. Indien de CBFA vaststelt dat de instellingen en rechtspersonen bedoeld in artikel 58ter zich niet schikken naar de bepalingen van deze afdeling of haar uitvoeringsbesluiten, bepaalt zij de termijn binnen dewelke die toestand dient te zijn verholpen.
Indien de toestand niet is verholpen na deze termijn kan de CBFA, ongeacht de andere maatregelen waarin door of krachtens de wet is voorzien, de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenovereenkomsten of hun vertegenwoordigers in kennis stellen van haar aanmaningen.
Onder de voorwaarden bepaald in dit artikel kan de CBFA haar aanmaningen bekendmaken in het Belgisch Staatsblad of in de pers.
De kosten van de kennisgeving en de bekendmaking zijn voor rekening van de pensioeninstelling of van de rechtspersoon tot wie de aanmaning gericht wordt.
§ 2. Indien de instellingen en personen bedoeld in artikel 58ter in gebreke blijven bij het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1, kan de CBFA, nadat de instelling of persoon is gehoord of tenminste is opgeroepen, een boete opleggen van maximum 1 875 000 euro per overtreding of maximum 2 500 euro per dag vertraging.
§ 3. De procedure voor het opleggen van de sancties bedoeld in dit artikel wordt geregeld door de artikelen 70 tot 73 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
De boetes die met toepassing van § 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. "
" Art. 58quater. § 1. Indien de CBFA vaststelt dat de instellingen en rechtspersonen bedoeld in artikel 58ter zich niet schikken naar de bepalingen van deze afdeling of haar uitvoeringsbesluiten, bepaalt zij de termijn binnen dewelke die toestand dient te zijn verholpen.
Indien de toestand niet is verholpen na deze termijn kan de CBFA, ongeacht de andere maatregelen waarin door of krachtens de wet is voorzien, de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenovereenkomsten of hun vertegenwoordigers in kennis stellen van haar aanmaningen.
Onder de voorwaarden bepaald in dit artikel kan de CBFA haar aanmaningen bekendmaken in het Belgisch Staatsblad of in de pers.
De kosten van de kennisgeving en de bekendmaking zijn voor rekening van de pensioeninstelling of van de rechtspersoon tot wie de aanmaning gericht wordt.
§ 2. Indien de instellingen en personen bedoeld in artikel 58ter in gebreke blijven bij het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1, kan de CBFA, nadat de instelling of persoon is gehoord of tenminste is opgeroepen, een boete opleggen van maximum 1 875 000 euro per overtreding of maximum 2 500 euro per dag vertraging.
§ 3. De procedure voor het opleggen van de sancties bedoeld in dit artikel wordt geregeld door de artikelen 70 tot 73 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
De boetes die met toepassing van § 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. "
Art.197. Il est inséré dans la même loi un article 58quater, rédigé comme suit :
" Art. 58quater. § 1er. Si la CBFA constate que les organismes et personnes morales visés à l'article 58ter ne se conforment pas aux dispositions de la présente section ou de ses arrêtés d'exécution, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation.
Si, au terme de ce délai, il n'a pas été remédié à la situation, la CBFA peut, indépendamment des autres mesures prévues par ou en vertu de la loi, communiquer ses injonctions aux affiliés et aux bénéficiaires des conventions de pension ou à leurs représentants.
La CBFA peut, dans les conditions prévues par le présent article, rendre publiques ses injonctions par la voie du Moniteur belge ou par voie de presse.
Les frais de communication et de publication sont à charge de l'organisme de pension ou de la personne morale auquel l'injonction s'adresse.
§ 2. Si les organismes et personnes visés à l'article 58ter restent en défaut a l'expiration du délai visé au § 1er, la CBFA peut, après que l'institution ou la personne aura été entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une amende à raison d'un maximum de 1 875 000 euros par infraction ou d'un maximum de 2 500 euros par jour de retard.
§ 3. La procédure pour l'imposition des sanctions visées par le présent article est régie par les articles 70 à 73 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
Les amendes imposées en application du § 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines. "
" Art. 58quater. § 1er. Si la CBFA constate que les organismes et personnes morales visés à l'article 58ter ne se conforment pas aux dispositions de la présente section ou de ses arrêtés d'exécution, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation.
Si, au terme de ce délai, il n'a pas été remédié à la situation, la CBFA peut, indépendamment des autres mesures prévues par ou en vertu de la loi, communiquer ses injonctions aux affiliés et aux bénéficiaires des conventions de pension ou à leurs représentants.
La CBFA peut, dans les conditions prévues par le présent article, rendre publiques ses injonctions par la voie du Moniteur belge ou par voie de presse.
Les frais de communication et de publication sont à charge de l'organisme de pension ou de la personne morale auquel l'injonction s'adresse.
§ 2. Si les organismes et personnes visés à l'article 58ter restent en défaut a l'expiration du délai visé au § 1er, la CBFA peut, après que l'institution ou la personne aura été entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une amende à raison d'un maximum de 1 875 000 euros par infraction ou d'un maximum de 2 500 euros par jour de retard.
§ 3. La procédure pour l'imposition des sanctions visées par le présent article est régie par les articles 70 à 73 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
Les amendes imposées en application du § 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines. "
Art.198. In artikel 59, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de woorden " De erkende commissarissen, aangeduid overeenkomstig artikel 38 van de wet van 9 juli 1975, en de actuarissen, aangeduid overeenkomstig artikel 40bis van dezelfde wet " vervangen door de woorden " De erkende commissarissen en de actuarissen aangeduid overeenkomstig de wetgeving inzake het prudentieel toezicht ".
Art.198. A l'article 59, alinéa 1er, de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, les mots " Les commissaires agréés, désignés conformément à l'article 38 de la loi du 9 juillet 1975, et les actuaires désignés conformément à l'article 40bis de la même loi " sont remplacés par les mots " Les commissaires agréés et les actuaires désignés conformément à la législation de contrôle prudentiel ".
Art.199. In artikel 62, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de woorden " van 1 000 tot 10 000 euro " vervangen door de woorden " van 25 tot 250 euro ".
Art.199. A l'article 62, alinéa 1er, de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, les mots " de 1 000 à 10 000 euros " sont remplacés par les mots " de 25 à 250 euros ".
Art.200. Artikel 80 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, wordt door de volgende bepaling vervangen :
" Art. 80. De Koning neemt, op gezamenlijke voordracht van de minister van Pensioenen, de minister belast met Middenstand en de minister van Economie en na advies van de Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen, de Raad voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen en de CBFA de besluiten die voor de uitvoering van deze afdeling nodig zijn.
De Koning kan in het bijzonder het volgende bepalen :
1° de minimale voorwaarden waaraan de pensioen- en solidariteitsverplichtingen, dienen te beantwoorden, daaronder begrepen de voorwaarden met betrekking tot de prestaties inzake invaliditeit en arbeidsongeschiktheid;
2° de verplichtingen van de pensioeninstellingen inzake transparantie en informatie jegens de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1;
De bevoegde ministers kunnen termijnen bepalen waarbinnen de Commissie, de Raad en de CBFA hun advies dienen uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist. "
" Art. 80. De Koning neemt, op gezamenlijke voordracht van de minister van Pensioenen, de minister belast met Middenstand en de minister van Economie en na advies van de Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen, de Raad voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen en de CBFA de besluiten die voor de uitvoering van deze afdeling nodig zijn.
De Koning kan in het bijzonder het volgende bepalen :
1° de minimale voorwaarden waaraan de pensioen- en solidariteitsverplichtingen, dienen te beantwoorden, daaronder begrepen de voorwaarden met betrekking tot de prestaties inzake invaliditeit en arbeidsongeschiktheid;
2° de verplichtingen van de pensioeninstellingen inzake transparantie en informatie jegens de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1;
De bevoegde ministers kunnen termijnen bepalen waarbinnen de Commissie, de Raad en de CBFA hun advies dienen uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist. "
Art.200. L'article 80 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 80. Le Roi prend, sur la proposition conjointe du ministre des Pensions, du ministre chargé des Classes moyennes et du ministre de l'Economie, et après avis de la Commission de la Pension complémentaire libre des Indépendants, du Conseil de la Pension complémentaire libre des Indépendants et de la CBFA, les arrêtés nécessaires à l'exécution de la présente section.
Le Roi peut, en particulier, réglementer :
1° les conditions minimales des obligations de pension et de solidarité, en ce compris les conditions relatives aux prestations en matière d'invalidité et d'incapacité de travail;
2° les obligations des organismes de pensions en matière de transparence et d'information des affilies et des bénéficiaires;
Les ministres compétents peuvent fixer des délais endéans lesquels la Commission, le Conseil et la CBFA doivent émettre leurs avis. En cas de non-respect de l'un ou l'autre de ces délais, l'avis correspondant n'est plus requis. "
" Art. 80. Le Roi prend, sur la proposition conjointe du ministre des Pensions, du ministre chargé des Classes moyennes et du ministre de l'Economie, et après avis de la Commission de la Pension complémentaire libre des Indépendants, du Conseil de la Pension complémentaire libre des Indépendants et de la CBFA, les arrêtés nécessaires à l'exécution de la présente section.
Le Roi peut, en particulier, réglementer :
1° les conditions minimales des obligations de pension et de solidarité, en ce compris les conditions relatives aux prestations en matière d'invalidité et d'incapacité de travail;
2° les obligations des organismes de pensions en matière de transparence et d'information des affilies et des bénéficiaires;
Les ministres compétents peuvent fixer des délais endéans lesquels la Commission, le Conseil et la CBFA doivent émettre leurs avis. En cas de non-respect de l'un ou l'autre de ces délais, l'avis correspondant n'est plus requis. "
Afdeling IV. - Wijzigingen in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid.
Section IV. - Modifications à la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale.
Art.201. In artikel 3, § 1, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 11°, b), wordt vervangen als volgt :
" b) wanneer de inrichter een werkgever is :
- hetzij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst anders dan door overlijden of pensionering,
- hetzij de overgang van een werknemer in het kader van een overgang van een onderneming, van een vestiging of van een deel van een onderneming of een vestiging, naar een andere onderneming of naar een andere vestiging, als gevolg van een conventionele overdracht of een fusie, waarbij het pensioenstelsel van de werknemer niet wordt overgedragen. ";
2° punt 16° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 16° pensioeninstelling : een instelling bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen, die belast wordt met de uitvoering van de pensioentoezegging; ";
3° punt 19° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 19° de wet van 27 oktober 2006 : de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening; ";
4° punt 20° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 20° de wetgeving inzake prudentieel toezicht : de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle deze verzekeringsondernemingen en de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen, en hun uitvoeringsbesluiten; ";
5° het artikel wordt als volgt aangevuld :
" 21°" de CBFA " : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, ingesteld door artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003. "
1° punt 11°, b), wordt vervangen als volgt :
" b) wanneer de inrichter een werkgever is :
- hetzij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst anders dan door overlijden of pensionering,
- hetzij de overgang van een werknemer in het kader van een overgang van een onderneming, van een vestiging of van een deel van een onderneming of een vestiging, naar een andere onderneming of naar een andere vestiging, als gevolg van een conventionele overdracht of een fusie, waarbij het pensioenstelsel van de werknemer niet wordt overgedragen. ";
2° punt 16° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 16° pensioeninstelling : een instelling bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen, die belast wordt met de uitvoering van de pensioentoezegging; ";
3° punt 19° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 19° de wet van 27 oktober 2006 : de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening; ";
4° punt 20° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 20° de wetgeving inzake prudentieel toezicht : de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle deze verzekeringsondernemingen en de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen, en hun uitvoeringsbesluiten; ";
5° het artikel wordt als volgt aangevuld :
" 21°" de CBFA " : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, ingesteld door artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003. "
Art.201. A l'article 3, § 1er, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 11°, b), est remplacée par la disposition suivante :
" b) lorsque l'organisateur est un employeur :
- soit l'expiration du contrat de travail autrement que par le décès ou la mise à la retraite,
- soit le transfert du travailleur dans le cadre d'un transfert d'entreprise, d'établissement ou de partie d'entreprise ou d'établissement à une autre entreprise ou à un autre établissement résultant d'une cession conventionnelle ou d'une fusion lorsque le régime de pension du travailleur n'est pas transféré. ";
2° le 16° est remplacé par la disposition suivante :
" 16° organisme de pension : un organisme visé à l'article 2, § 1er ou § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 ou à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, chargé de l'exécution de l'engagement de pension; ";
3° le 19° est remplacé par la disposition suivante :
" 19° la loi du 27 octobre 2006 : la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle; ";
4° le 20° est remplacé par la disposition suivante :
" 20° la législation de contrôle prudentiel : la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances et la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, ainsi que leurs arrêtés d'exécution; ";
5° l'article est complété comme suit :
" 21°" la CBFA " : la Commission bancaire, financière et des Assurances, instituée par l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. "
1° le 11°, b), est remplacée par la disposition suivante :
" b) lorsque l'organisateur est un employeur :
- soit l'expiration du contrat de travail autrement que par le décès ou la mise à la retraite,
- soit le transfert du travailleur dans le cadre d'un transfert d'entreprise, d'établissement ou de partie d'entreprise ou d'établissement à une autre entreprise ou à un autre établissement résultant d'une cession conventionnelle ou d'une fusion lorsque le régime de pension du travailleur n'est pas transféré. ";
2° le 16° est remplacé par la disposition suivante :
" 16° organisme de pension : un organisme visé à l'article 2, § 1er ou § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 ou à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, chargé de l'exécution de l'engagement de pension; ";
3° le 19° est remplacé par la disposition suivante :
" 19° la loi du 27 octobre 2006 : la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle; ";
4° le 20° est remplacé par la disposition suivante :
" 20° la législation de contrôle prudentiel : la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances et la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, ainsi que leurs arrêtés d'exécution; ";
5° l'article est complété comme suit :
" 21°" la CBFA " : la Commission bancaire, financière et des Assurances, instituée par l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. "
Art.202. Artikel 5, § 3, tweede lid van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Het eerste lid is niet van toepassing op de pensioentoezeggingen van de publiekrechtelijke entiteiten en rechtspersonen die krachtens de artikelen 134 tot 138 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, het beheer van hun pensioenregeling niet aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening dienen toe te vertrouwen. "
" Het eerste lid is niet van toepassing op de pensioentoezeggingen van de publiekrechtelijke entiteiten en rechtspersonen die krachtens de artikelen 134 tot 138 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, het beheer van hun pensioenregeling niet aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening dienen toe te vertrouwen. "
Art.202. L'article 5, § 3, alinéa 2, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" L'alinéa 1er n'est pas d'application aux engagements de pension des entités et personnes morales de droit public qui, en application des articles 134 à 138 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, ne doivent pas confier la gestion de leur régime de retraite à une institution de retraite professionnelle. "
" L'alinéa 1er n'est pas d'application aux engagements de pension des entités et personnes morales de droit public qui, en application des articles 134 à 138 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, ne doivent pas confier la gestion de leur régime de retraite à une institution de retraite professionnelle. "
Art.203. In artikel 11 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, 2° worden de woorden " zonder ondernemingsraad, zonder comité voor preventie en bescherming op het werk en " toegevoegd tussen de woorden " ondernemingen " en " zonder ".
2° in § 2, tweede lid, Franse tekst, wordt het woord " enterprise " vervangen door het woord " employeur ".
1° in § 1, 2° worden de woorden " zonder ondernemingsraad, zonder comité voor preventie en bescherming op het werk en " toegevoegd tussen de woorden " ondernemingen " en " zonder ".
2° in § 2, tweede lid, Franse tekst, wordt het woord " enterprise " vervangen door het woord " employeur ".
Art.203. A l'article 11 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, 2° les mots " sans conseil d'entreprise, sans comité de prévention et de protection au travail et " sont insérés, entre les mots " entreprises " et " sans ".
2° au § 2, alinéa 2, de la version française, le mot " entreprise " est remplacé par le mot " employeur ".
1° au § 1er, 2° les mots " sans conseil d'entreprise, sans comité de prévention et de protection au travail et " sont insérés, entre les mots " entreprises " et " sans ".
2° au § 2, alinéa 2, de la version française, le mot " entreprise " est remplacé par le mot " employeur ".
Art.204. In artikel 12, § 1, van dezelfde wet worden de woorden " zonder ondernemingsraad, zonder comité voor preventie en bescherming op het werk en " toegevoegd tussen de woorden " onderneming " en " zonder ".
Art.204. A l'article 12, § 1er, de la même loi les mots " sans conseil d'entreprise, sans comité de prévention et de protection au travail et " sont insérés, entre les mots " enterprise " et " sans ".
Art.205. In artikel 14, § 3, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden " en voor de pensioentoezeggingen bedoeld in artikel 21 " toegevoegd tussen de woorden " vaste bijdragen " en de woorden " , een differentiatie ".
Art.205. A l'article 14, § 3, alinéa 2, de la même loi, les mots " et pour les engagements de pension visés à l'article 21 " sont insérés entre les mots " contributions définies " et les mots " , une différenciation ".
Art.206. In de eerste zin van artikel 15 van dezelfde wet worden de woorden " of op grond van artikel 12 " toegevoegd tussen de woorden " bij collectieve arbeidsovereenkomst " en de woorden " werd ingevoerd ".
Art.206. A l'article 15 de la même loi, la première phrase est complétée par les mots " ou en vertu de l'article 12 ".
Art.207. In artikel 16, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden " of op grond van artikel 12 " toegevoegd tussen de woorden " bij collectieve arbeidsovereenkomst " en de woorden " werd ingevoerd. ".
Art.207. A l'article 16, § 1er, de la même loi, l'alinéa 1er est complété par les mots " ou en vertu de l'article 12 ".
Art.208. Art. 18 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art.18. De Koning bepaalt de minimale verworven reserves in het geval de pensioentoezegging met betrekking tot de rust- en/of overlevingspensioenen bij overlijden na de pensionering van het type " vaste bijdragen " is. "
" Art.18. De Koning bepaalt de minimale verworven reserves in het geval de pensioentoezegging met betrekking tot de rust- en/of overlevingspensioenen bij overlijden na de pensionering van het type " vaste bijdragen " is. "
Art.208. L'article 18 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art.18. Le Roi détermine les réserves acquises minimales dans le cas où l'engagement de pension, en ce qui concerne les pensions de retraite ou de survie en cas de décès après la retraite, est de type " contributions définies ". "
" Art.18. Le Roi détermine les réserves acquises minimales dans le cas où l'engagement de pension, en ce qui concerne les pensions de retraite ou de survie en cas de décès après la retraite, est de type " contributions définies ". "
Art.209. In artikel 19, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, eerste streepje, worden de woorden " in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " door de Koning ";
2° in § 3, eerste streepje, worden de woorden " in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " door de Koning ";
3° in § 4, eerste lid, worden de woorden " die in uitvoering van de wet van 9 juli 1975 zijn opgelegd " vervangen door de woorden " die door de Koning zijn opgelegd ";
4° in § 5 worden in de Nederlandse tekst de woorden " of met het loon " vervangen door de woorden " en met het loon ".
1° in § 2, eerste streepje, worden de woorden " in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " door de Koning ";
2° in § 3, eerste streepje, worden de woorden " in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " door de Koning ";
3° in § 4, eerste lid, worden de woorden " die in uitvoering van de wet van 9 juli 1975 zijn opgelegd " vervangen door de woorden " die door de Koning zijn opgelegd ";
4° in § 5 worden in de Nederlandse tekst de woorden " of met het loon " vervangen door de woorden " en met het loon ".
Art.209. A l'article 19, de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2, premier tiret, les mots " dans les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacés par les mots " par le Roi ";
2° au § 3, premier tiret, les mots " dans les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplaces par les mots " par le Roi ";
3° au § 4, al. 1er, les mots " imposées pour le calcul de la réserve minimal en exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacé par les mots " imposées par le Roi pour le calcul de la réserve minimale ";
4° au § 5, dans le texte néerlandais, les mots " of met het loon " sont remplacés par les mots " en met het loon ".
1° au § 2, premier tiret, les mots " dans les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacés par les mots " par le Roi ";
2° au § 3, premier tiret, les mots " dans les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplaces par les mots " par le Roi ";
3° au § 4, al. 1er, les mots " imposées pour le calcul de la réserve minimal en exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacé par les mots " imposées par le Roi pour le calcul de la réserve minimale ";
4° au § 5, dans le texte néerlandais, les mots " of met het loon " sont remplacés par les mots " en met het loon ".
Art.210. In artikel 24, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, worden de woorden " gekapitaliseerd tegen de maximale referentierentevoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur, die vastgesteld is in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet ";
2° in § 2, eerste lid, worden de woorden " gekapitaliseerd tegen de maximale referentierentevoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur, die vastgesteld is in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975, verminderd met 0,5 % " vervangen door de woorden " gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet ";
3° in § 3 wordt vóór de huidige tekst die het tweede lid zal vormen een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Zolang de Koning de besluiten bedoeld in §§ 1 en 2, eerste lid, niet heeft genomen zijn de aldaar bedoelde rentevoeten respectievelijk gelijk aan 3,75 % en 3,25 %. "
1° in § 1, worden de woorden " gekapitaliseerd tegen de maximale referentierentevoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur, die vastgesteld is in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet ";
2° in § 2, eerste lid, worden de woorden " gekapitaliseerd tegen de maximale referentierentevoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur, die vastgesteld is in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 9 juli 1975, verminderd met 0,5 % " vervangen door de woorden " gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet ";
3° in § 3 wordt vóór de huidige tekst die het tweede lid zal vormen een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Zolang de Koning de besluiten bedoeld in §§ 1 en 2, eerste lid, niet heeft genomen zijn de aldaar bedoelde rentevoeten respectievelijk gelijk aan 3,75 % en 3,25 %. "
Art.210. A l'article 24 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, les mots " capitalisée au taux maximum de référence pour les opérations d'assurance à long terme, fixé par les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacés par les mots " capitalisée au taux fixé par le Roi ";
2° au § 2, alinéa 1er, les mots " capitalisées au taux maximum de référence pour les opérations d'assurance à long terme, fixé par les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975, diminué de 0,5 % " sont remplacés par les mots " capitalisées au taux fixé par le Roi ";
3° au § 3, il est inséré avant le texte actuel, qui formera le deuxième alinéa, un nouvel alinéa, redigé comme suit :
" Tant que le Roi n'a pas pris les arrêtés visés aux §§ 1er et 2, alinéa 1er, les taux d'intérêt y visés sont respectivement de 3,75 % et 3,25 %. "
1° au § 1er, les mots " capitalisée au taux maximum de référence pour les opérations d'assurance à long terme, fixé par les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacés par les mots " capitalisée au taux fixé par le Roi ";
2° au § 2, alinéa 1er, les mots " capitalisées au taux maximum de référence pour les opérations d'assurance à long terme, fixé par les arrêtés d'exécution de la loi du 9 juillet 1975, diminué de 0,5 % " sont remplacés par les mots " capitalisées au taux fixé par le Roi ";
3° au § 3, il est inséré avant le texte actuel, qui formera le deuxième alinéa, un nouvel alinéa, redigé comme suit :
" Tant que le Roi n'a pas pris les arrêtés visés aux §§ 1er et 2, alinéa 1er, les taux d'intérêt y visés sont respectivement de 3,75 % et 3,25 %. "
Art.211. In artikel 26 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 juni 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt aangevuld met een punt 5°, luidende :
" 5° het actuele financieringsniveau van de verworven reserves en van de waarborg bedoeld in artikel 24. ";
2° in § 3, tweede lid, 2°, a), worden de woorden " artikel 32, § 2, 3°, a) " vervangen door de woorden " artikel 32, § 1, 3°, a) ";
3° er wordt een § 5 toegevoegd, luidende :
" § 5. Bij de pensionering of wanneer er andere uitkeringen verschuldigd worden, licht de pensioeninstelling de [1 pensioengerechtigde]1 of zijn rechthebbenden in over de uitkeringen die verschuldigd zijn en over de wijze van uitbetaling. ";
4° er wordt een § 6 toegevoegd, luidende :
" § 6. De pensioeninstelling waarnaar de aangeslotene bij zijn uittreding zijn reserves overdraagt bij toepassing van artikel 32, § 1, 2°, en de pensioeninstelling die door de werknemer wordt aangeduid overeenkomstig artikel 33, delen ten minste éénmaal per jaar aan de betrokkene een pensioenfiche mee waarop ten minste volgende gegevens worden vermeld :
1° het bedrag van de reserves;
2° het bedrag van de prestaties en de datum waarop deze opeisbaar zijn;
3° de variabele elementen waarbij bij de berekening van de bedragen onder 1° en 2° wordt rekening gehouden;
4° het bedrag van de reserves van het vorige jaar.
De pensioeninstellingen delen op eenvoudig verzoek aan de betrokkene een historisch overzicht van de gegevens bedoeld in 1° en 2° van het eerste lid mee. ".
1° § 1 wordt aangevuld met een punt 5°, luidende :
" 5° het actuele financieringsniveau van de verworven reserves en van de waarborg bedoeld in artikel 24. ";
2° in § 3, tweede lid, 2°, a), worden de woorden " artikel 32, § 2, 3°, a) " vervangen door de woorden " artikel 32, § 1, 3°, a) ";
3° er wordt een § 5 toegevoegd, luidende :
" § 5. Bij de pensionering of wanneer er andere uitkeringen verschuldigd worden, licht de pensioeninstelling de [1 pensioengerechtigde]1 of zijn rechthebbenden in over de uitkeringen die verschuldigd zijn en over de wijze van uitbetaling. ";
4° er wordt een § 6 toegevoegd, luidende :
" § 6. De pensioeninstelling waarnaar de aangeslotene bij zijn uittreding zijn reserves overdraagt bij toepassing van artikel 32, § 1, 2°, en de pensioeninstelling die door de werknemer wordt aangeduid overeenkomstig artikel 33, delen ten minste éénmaal per jaar aan de betrokkene een pensioenfiche mee waarop ten minste volgende gegevens worden vermeld :
1° het bedrag van de reserves;
2° het bedrag van de prestaties en de datum waarop deze opeisbaar zijn;
3° de variabele elementen waarbij bij de berekening van de bedragen onder 1° en 2° wordt rekening gehouden;
4° het bedrag van de reserves van het vorige jaar.
De pensioeninstellingen delen op eenvoudig verzoek aan de betrokkene een historisch overzicht van de gegevens bedoeld in 1° en 2° van het eerste lid mee. ".
Art.211. A l'article 26 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 27 juin 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est complété par un 5°, rédigé comme suit :
" 5° le niveau actuel de financement des réserves acquises et de la garantie visée à l'article 24. ";
2° au § 3, alinéa 2, 2°, a), les mots " l'article 32, § 2, 3°, a) " sont remplacés par les mots " l'article 32, § 1er, 3°, a) ";
3° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Lors du départ à la retraite ou lorsque d'autres prestations deviennent exigibles, l'organisme de pension informe le bénéficiaire ou ses ayants droits des prestations qui sont dues et des options de paiement correspondantes. ";
4° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. L'organisme de pension auquel l'affilié, lors de sa sortie, transfere ses réserves en application de l'article 32, § 1er, 2°, et l'organisme de pension qui est désigné par le travailleur conformément à l'article 33, communiquent au moins une fois par an à l'intéressé une fiche de pension qui contient au moins les données suivantes :
1° le montant des réserves;
2° le montant des prestations et la date à laquelle elles sont exigibles;
3° les éléments variables qui sont pris en compte pour le calcul des montants visés aux points 1° et 2°;
4° le montant des réserves de l'année précédente.
Les organismes de pension communiquent sur simple demande à l'intéressé un historique des donnees visées aux points 1° et 2° de l'alinéa 1er. ".
1° le § 1er est complété par un 5°, rédigé comme suit :
" 5° le niveau actuel de financement des réserves acquises et de la garantie visée à l'article 24. ";
2° au § 3, alinéa 2, 2°, a), les mots " l'article 32, § 2, 3°, a) " sont remplacés par les mots " l'article 32, § 1er, 3°, a) ";
3° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Lors du départ à la retraite ou lorsque d'autres prestations deviennent exigibles, l'organisme de pension informe le bénéficiaire ou ses ayants droits des prestations qui sont dues et des options de paiement correspondantes. ";
4° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. L'organisme de pension auquel l'affilié, lors de sa sortie, transfere ses réserves en application de l'article 32, § 1er, 2°, et l'organisme de pension qui est désigné par le travailleur conformément à l'article 33, communiquent au moins une fois par an à l'intéressé une fiche de pension qui contient au moins les données suivantes :
1° le montant des réserves;
2° le montant des prestations et la date à laquelle elles sont exigibles;
3° les éléments variables qui sont pris en compte pour le calcul des montants visés aux points 1° et 2°;
4° le montant des réserves de l'année précédente.
Les organismes de pension communiquent sur simple demande à l'intéressé un historique des donnees visées aux points 1° et 2° de l'alinéa 1er. ".
Art.212. In artikel 27, § 1, van dezelfde wet worden de woorden " voorzover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst het uitdrukkelijk voorziet " toegevoegd na het woord " bereikt ".
Art.212. A l'article 27, § 1er, de la même loi, les mots " pour autant que le règlement de pension ou la convention de pension le prévoit expressément " sont insérés après les mots " 60 ans ".
Art.213. In artikel 28, § 1, van de Franse tekst van dezelfde wet, wordt het woord " exprimée " vervangen door het woord " versée ".
Art.213. A l'article 28, § 1er, de la même loi, le mot " exprimée " est remplacé par le mot " versée ".
Art.214. In artikel 32 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, tweede lid, worden de woorden " bedoeld in artikel 2, § 3, 6°, van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen "
2° er wordt een § 5 ingevoegd, die luidt :
" § 5. Artikel 27 van deze wet is van toepassing op de reserves die zijn overgedragen in toepassing van § 1, 2°. ".
1° in § 2, tweede lid, worden de woorden " bedoeld in artikel 2, § 3, 6°, van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen "
2° er wordt een § 5 ingevoegd, die luidt :
" § 5. Artikel 27 van deze wet is van toepassing op de reserves die zijn overgedragen in toepassing van § 1, 2°. ".
Art.214. A l'article 32 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2, alinéa 2, les mots " visé à l'article 2, § 3, 6°, de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacés par les mots " vise à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ".
2° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. L'article 27 de la présente loi est applicable aux réserves qui sont transférées en application du § 1er, 2°. "
1° au § 2, alinéa 2, les mots " visé à l'article 2, § 3, 6°, de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacés par les mots " vise à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ".
2° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. L'article 27 de la présente loi est applicable aux réserves qui sont transférées en application du § 1er, 2°. "
Art.215. Artikel 33 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
" Artikel 27 van deze wet is van toepassing op de overeenkomst die met toepassing van dit artikel is gesloten met de daartoe aangewezen pensioeninstelling. "
" Artikel 27 van deze wet is van toepassing op de overeenkomst die met toepassing van dit artikel is gesloten met de daartoe aangewezen pensioeninstelling. "
Art.215. L'article 33 de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
" L'article 27 de la présente loi s'applique au contrat conclu en application du présent article avec l'organisme de pension désigné a cet effet. "
" L'article 27 de la présente loi s'applique au contrat conclu en application du présent article avec l'organisme de pension désigné a cet effet. "
Art.216. In artikel 39 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt aangevuld met een punt 5°, luidende;
" 5° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 41bis. ";
2° in § 3 worden de woorden " of § 2 " ingevoegd tussen de woorden " § 1 " en de woorden " bevoegde ondernemingsraad ".
1° § 1 wordt aangevuld met een punt 5°, luidende;
" 5° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 41bis. ";
2° in § 3 worden de woorden " of § 2 " ingevoegd tussen de woorden " § 1 " en de woorden " bevoegde ondernemingsraad ".
Art.216. A l'article 39 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est complété par un 5°, rédigé comme suit :
" 5° la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 41bis. ";
2° au § 3, les mots " ou § 2 " sont insérés entre les mots " § 1er " et les mots " , l'employeur ".
1° le § 1er est complété par un 5°, rédigé comme suit :
" 5° la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 41bis. ";
2° au § 3, les mots " ou § 2 " sont insérés entre les mots " § 1er " et les mots " , l'employeur ".
Art.217. In artikel 41 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste zin, worden de woorden " bedoeld in artikel 2, § 3, 6° van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen ";
2° § 1, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" Daarenboven kunnen de vertegenwoordigers van de werknemers ook worden aangewezen onder de leden van hun representatieve werknemersorganisaties. ";
3° in § 2, tweede lid, worden de woorden " van het verslag bedoeld in artikel 42 " vervangen door de woorden " van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 41bis en van het verslag bedoeld in artikel 42, § 1. "
1° in § 1, eerste zin, worden de woorden " bedoeld in artikel 2, § 3, 6° van de wet van 9 juli 1975 " vervangen door de woorden " bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen ";
2° § 1, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
" Daarenboven kunnen de vertegenwoordigers van de werknemers ook worden aangewezen onder de leden van hun representatieve werknemersorganisaties. ";
3° in § 2, tweede lid, worden de woorden " van het verslag bedoeld in artikel 42 " vervangen door de woorden " van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 41bis en van het verslag bedoeld in artikel 42, § 1. "
Art.217. A l'article 41 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, première phrase, les mots " visé à l'article 2, § 3, 6° de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacés par les mots " visé à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ";
2° Le § 1er, alinéa 2, est complété par la phrase suivante :
" En outre, les représentants du personnel peuvent également être désignés parmi les membres de leurs organisations représentatives des travailleurs. ";
3° au § 2, alinéa 2, les mots " du rapport visé à l'article 42 " sont remplacés par les mots " de la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 41bis et du rapport visé à l'article 42, § 1er. "
1° au § 1er, première phrase, les mots " visé à l'article 2, § 3, 6° de la loi du 9 juillet 1975 " sont remplacés par les mots " visé à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ";
2° Le § 1er, alinéa 2, est complété par la phrase suivante :
" En outre, les représentants du personnel peuvent également être désignés parmi les membres de leurs organisations représentatives des travailleurs. ";
3° au § 2, alinéa 2, les mots " du rapport visé à l'article 42 " sont remplacés par les mots " de la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 41bis et du rapport visé à l'article 42, § 1er. "
Art.218. In hoofdstuk VIII van dezelfde wet wordt een artikel 41bis ingevoegd, luidende :
" Art. 41 bis. De pensioeninstelling stelt een schriftelijke verklaring op met de beginselen van haar beleggingsbeleid. Zij herziet deze verklaring ten minste om de drie jaar en onverwijld na elke belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid.
Deze verklaring omvat ten minste de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de pensioenverplichtingen.
De instelling stelt de CBFA binnen de maand in kennis van elke wijziging van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
De CBFA kan bij reglement nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm van deze verklaring. ".
" Art. 41 bis. De pensioeninstelling stelt een schriftelijke verklaring op met de beginselen van haar beleggingsbeleid. Zij herziet deze verklaring ten minste om de drie jaar en onverwijld na elke belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid.
Deze verklaring omvat ten minste de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de pensioenverplichtingen.
De instelling stelt de CBFA binnen de maand in kennis van elke wijziging van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
De CBFA kan bij reglement nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm van deze verklaring. ".
Art.218. Il est insére dans le chapitre VIII de la même loi un article 41bis, rédigé comme suit :
" Art. 41bis. L'organisme de pension élabore une déclaration écrite sur les principes de sa politique de placement. Il la revoit au moins tous les trois ans et immédiatement après tout changement majeur de la politique de placement.
Cette déclaration contient, au minimum, les méthodes d'évaluation des risques d'investissement, les techniques de gestion des risques mises en oeuvre et la répartition stratégique des actifs eu égard à la nature et à la durée des obligations de retraite.
L'organisme communique dans le mois toute modification de la déclaration sur les principes de la politique de placement à la CBFA.
La CBFA peut fixer, par voie de règlement, des règles plus précises en ce qui concerne le contenu et la forme de cette déclaration. ".
" Art. 41bis. L'organisme de pension élabore une déclaration écrite sur les principes de sa politique de placement. Il la revoit au moins tous les trois ans et immédiatement après tout changement majeur de la politique de placement.
Cette déclaration contient, au minimum, les méthodes d'évaluation des risques d'investissement, les techniques de gestion des risques mises en oeuvre et la répartition stratégique des actifs eu égard à la nature et à la durée des obligations de retraite.
L'organisme communique dans le mois toute modification de la déclaration sur les principes de la politique de placement à la CBFA.
La CBFA peut fixer, par voie de règlement, des règles plus précises en ce qui concerne le contenu et la forme de cette déclaration. ".
Art.219. Artikel 42 van dezelfde wet, waarvan de huidige tekst § 1 wordt, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. De personen bedoeld in § 1 verstrekken aan de aangeslotenen, hun rechthebbenden of hun vertegenwoordigers op eenvoudig verzoek :
1° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 41bis;
2° de jaarrekening en het jaarverslag van de pensioeninstelling, alsook, in voorkomend geval, deze die met het betrokken pensioenstelsel overeenstemt;
3° wanneer de aangeslotene het beleggingsrisico draagt, alle eventueel beschikbare beleggingsmogelijkheden en de feitelijke beleggingsportefeuille, met een beschrijving van de risico's en de kosten die met de beleggingen verbonden zijn.
De CBFA kan bij reglement de inhoud en de vorm bepalen van de inlichtingen bedoeld in deze paragraaf. "
" § 2. De personen bedoeld in § 1 verstrekken aan de aangeslotenen, hun rechthebbenden of hun vertegenwoordigers op eenvoudig verzoek :
1° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 41bis;
2° de jaarrekening en het jaarverslag van de pensioeninstelling, alsook, in voorkomend geval, deze die met het betrokken pensioenstelsel overeenstemt;
3° wanneer de aangeslotene het beleggingsrisico draagt, alle eventueel beschikbare beleggingsmogelijkheden en de feitelijke beleggingsportefeuille, met een beschrijving van de risico's en de kosten die met de beleggingen verbonden zijn.
De CBFA kan bij reglement de inhoud en de vorm bepalen van de inlichtingen bedoeld in deze paragraaf. "
Art.219. L'article 42 de la même loi, dont le texte actuel formera le § 1er, est complété par un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les personnes visées au § 1er remettent aux affiliés, à leurs ayants droits ou à leurs représentants, sur simple demande :
1° la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 41bis;
2° les comptes et rapports annuels de l'organisme de pension, ainsi que, le cas échéant, ceux correspondant au régime de pension concerne;
3° lorsque l'affilié supporte le risque de placement, l'éventail des options éventuelles de placement et le portefeuille de placement existant, avec une description des risques et des coûts relatifs à ces placements.
La CBFA peut préciser, par voie de règlement, le contenu et la forme des informations visées au présent paragraphe. "
" § 2. Les personnes visées au § 1er remettent aux affiliés, à leurs ayants droits ou à leurs représentants, sur simple demande :
1° la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 41bis;
2° les comptes et rapports annuels de l'organisme de pension, ainsi que, le cas échéant, ceux correspondant au régime de pension concerne;
3° lorsque l'affilié supporte le risque de placement, l'éventail des options éventuelles de placement et le portefeuille de placement existant, avec une description des risques et des coûts relatifs à ces placements.
La CBFA peut préciser, par voie de règlement, le contenu et la forme des informations visées au présent paragraphe. "
Art.220. In dezelfde wet wordt een artikel 49bis ingevoegd, luidende :
" Art. 49bis. Met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten, bezorgen de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitstoezeggingen betrokken zijn, aan de CBFA de lijst van de pensioentoezeggingen en de solidariteitstoezeggingen die zij beheren, de identiteitsgegevens van de betrokken inrichters en de inlichtingen over de beheerde toezeggingen, die de CBFA bepaalt.
De in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden verstrekt volgens de frequentie, de inhoud en de drager die de CBFA bepaalt. "
" Art. 49bis. Met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten, bezorgen de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitstoezeggingen betrokken zijn, aan de CBFA de lijst van de pensioentoezeggingen en de solidariteitstoezeggingen die zij beheren, de identiteitsgegevens van de betrokken inrichters en de inlichtingen over de beheerde toezeggingen, die de CBFA bepaalt.
De in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden verstrekt volgens de frequentie, de inhoud en de drager die de CBFA bepaalt. "
Art.220. Il est inséré dans la même loi un article 49bis, rédigé comme suit :
" Art. 49bis. En vue du contrôle du respect des dispositions du présent titre et de ses arrêtés d'exécution, les organismes de pension et les personnes morales concernées par l'exécution des engagements de solidarité communiquent à la CBFA la liste des engagements de pension et des engagements de solidarité qu'ils gèrent, l'identification des organisateurs concernés, ainsi que les renseignements relatifs aux engagements geres que la CBFA détermine.
La CBFA fixe la périodicité, le contenu et le support de la communication visée à l'alinéa 1er. "
" Art. 49bis. En vue du contrôle du respect des dispositions du présent titre et de ses arrêtés d'exécution, les organismes de pension et les personnes morales concernées par l'exécution des engagements de solidarité communiquent à la CBFA la liste des engagements de pension et des engagements de solidarité qu'ils gèrent, l'identification des organisateurs concernés, ainsi que les renseignements relatifs aux engagements geres que la CBFA détermine.
La CBFA fixe la périodicité, le contenu et le support de la communication visée à l'alinéa 1er. "
Art.221. In dezelfde wet wordt een artikel 49ter ingevoegd, luidende :
" Art. 49ter. Op verzoek van de CBFA verstrekken de pensioeninstellingen, de inrichters en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitstoezeggingen betrokken zijn, alle inlichtingen en documenten met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. De in dit lid bedoelde inlichtingen en documenten worden in de wettelijk opgelegde taal gesteld.
Met hetzelfde doel kan de CBFA op de Belgische zetel van de instellingen, inrichters of rechtspersonen bedoeld in het eerste lid inspecties verrichten of een kopie maken van alle gegevens waarover zij beschikken, in voorkomend geval nadat zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan verwittigd heeft.
Met hetzelfde doel zijn de agenten, makelaars of tussenpersonen ertoe gehouden op eenvoudig verzoek alle nodige inlichtingen te verstrekken aan de CBFA over de pensioenregelingen of de solidariteitstoezeggingen die aan deze wet zijn onderworpen.
Voor de uitvoering van de drie voorgaande leden kan de CBFA leden van haar personeel of zelfstandige hiertoe gemachtigde deskundigen afvaardigen, die haar verslag uitbrengen. "
" Art. 49ter. Op verzoek van de CBFA verstrekken de pensioeninstellingen, de inrichters en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitstoezeggingen betrokken zijn, alle inlichtingen en documenten met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. De in dit lid bedoelde inlichtingen en documenten worden in de wettelijk opgelegde taal gesteld.
Met hetzelfde doel kan de CBFA op de Belgische zetel van de instellingen, inrichters of rechtspersonen bedoeld in het eerste lid inspecties verrichten of een kopie maken van alle gegevens waarover zij beschikken, in voorkomend geval nadat zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan verwittigd heeft.
Met hetzelfde doel zijn de agenten, makelaars of tussenpersonen ertoe gehouden op eenvoudig verzoek alle nodige inlichtingen te verstrekken aan de CBFA over de pensioenregelingen of de solidariteitstoezeggingen die aan deze wet zijn onderworpen.
Voor de uitvoering van de drie voorgaande leden kan de CBFA leden van haar personeel of zelfstandige hiertoe gemachtigde deskundigen afvaardigen, die haar verslag uitbrengen. "
Art.221. Il est inséré dans la même loi un article 49ter, rédigé comme suit :
" Art. 49ter. Sur demande de la CBFA, les organismes de pension, les organisateurs et les personnes morales concernées par l'exécution des engagements de solidarité soumettent tous renseignements et fournissent tous documents en vue du contrôle du respect des dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution. Les renseignements et pièces visés dans cet alinéa sont rédigés dans la langue légalement imposée.
Dans le même but, la CBFA peut procéder à des inspections sur place au siège belge des organismes, organisateurs et personnes morales visées à l'alinéa 1er, ou prendre copie de toute information en leur possession, après en avoir, le cas échéant, informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine.
Dans le même but, les agents, courtiers ou intermédiaires sont tenus de fournir à la CBFA, sur simple demande, tout renseignement qu'ils détiennent concernant les régimes de pension ou les engagements de solidarité soumis à la présente loi.
La CBFA peut, pour l'exécution des trois alinéas précédents, déléguer des membres de son personnel ou des experts indépendants mandatés à cet effet, qui lui font rapport. "
" Art. 49ter. Sur demande de la CBFA, les organismes de pension, les organisateurs et les personnes morales concernées par l'exécution des engagements de solidarité soumettent tous renseignements et fournissent tous documents en vue du contrôle du respect des dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution. Les renseignements et pièces visés dans cet alinéa sont rédigés dans la langue légalement imposée.
Dans le même but, la CBFA peut procéder à des inspections sur place au siège belge des organismes, organisateurs et personnes morales visées à l'alinéa 1er, ou prendre copie de toute information en leur possession, après en avoir, le cas échéant, informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine.
Dans le même but, les agents, courtiers ou intermédiaires sont tenus de fournir à la CBFA, sur simple demande, tout renseignement qu'ils détiennent concernant les régimes de pension ou les engagements de solidarité soumis à la présente loi.
La CBFA peut, pour l'exécution des trois alinéas précédents, déléguer des membres de son personnel ou des experts indépendants mandatés à cet effet, qui lui font rapport. "
Art.222. In dezelfde wet wordt een artikel 49quater ingevoegd, luidende :
" Art. 49quater. § 1. Indien de CBFA vaststelt dat de instellingen, inrichters en rechtspersonen bedoeld in artikel 49ter zich niet schikken naar de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, bepaalt zij de termijn binnen dewelke die toestand dient te worden verholpen.
Indien de toestand niet is verholpen na deze termijn kan de CBFA, ongeacht de andere maatregelen waarin door of krachtens de wet is voorzien, de volgende personen in kennis stellen van haar aanmaningen :
1° de inrichter;
2° het toezichtscomité bedoeld in artikel 41;
3° de ondernemingsraad of, bij gebrek daaraan, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij gebrek daaraan, de vakbondsafvaardiging;
4° de vertegenwoordigers van de aangeslotenen en van de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenregeling;
5° de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenregeling.
Onder de voorwaarden bepaald in dit artikel kan de CBFA haar aanmaningen bekendmaken in het Belgisch Staatsblad of in de pers.
De kosten van mededeling en bekendmaking zijn ten laste van de bestemmeling van de aanmaningen.
§ 2. Indien de instellingen en personen bedoeld in artikel 49ter in gebreke blijven bij het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1, kan de CBFA, nadat de instelling of persoon is gehoord of tenminste is opgeroepen, een boete opleggen van maximum 1 875 000 euro per overtreding of maximum 2 500 euro per dag vertraging.
§ 3. De procedure voor het opleggen van de sancties bedoeld in dit artikel wordt geregeld door de artikelen 70 tot 73 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
De boetes die met toepassing van § 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. "
" Art. 49quater. § 1. Indien de CBFA vaststelt dat de instellingen, inrichters en rechtspersonen bedoeld in artikel 49ter zich niet schikken naar de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, bepaalt zij de termijn binnen dewelke die toestand dient te worden verholpen.
Indien de toestand niet is verholpen na deze termijn kan de CBFA, ongeacht de andere maatregelen waarin door of krachtens de wet is voorzien, de volgende personen in kennis stellen van haar aanmaningen :
1° de inrichter;
2° het toezichtscomité bedoeld in artikel 41;
3° de ondernemingsraad of, bij gebrek daaraan, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij gebrek daaraan, de vakbondsafvaardiging;
4° de vertegenwoordigers van de aangeslotenen en van de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenregeling;
5° de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1 van de pensioenregeling.
Onder de voorwaarden bepaald in dit artikel kan de CBFA haar aanmaningen bekendmaken in het Belgisch Staatsblad of in de pers.
De kosten van mededeling en bekendmaking zijn ten laste van de bestemmeling van de aanmaningen.
§ 2. Indien de instellingen en personen bedoeld in artikel 49ter in gebreke blijven bij het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1, kan de CBFA, nadat de instelling of persoon is gehoord of tenminste is opgeroepen, een boete opleggen van maximum 1 875 000 euro per overtreding of maximum 2 500 euro per dag vertraging.
§ 3. De procedure voor het opleggen van de sancties bedoeld in dit artikel wordt geregeld door de artikelen 70 tot 73 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
De boetes die met toepassing van § 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. "
Art.222. Il est inséré dans la même loi un article 49quater, rédigé comme suit :
" Art. 49quater. § 1er. Si la CBFA constate que les organismes, organisateurs et personnes morales visés à l'article 49ter ne se conforment pas aux dispositions de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation.
Si, au terme de ce delai, il n'a pas été remédié à la situation, la CBFA peut, indépendamment des autres mesures prévues par ou en vertu de la loi, communiquer ses injonctions :
1° à l'organisateur;
2° au conseil de surveillance visé à l'article 41;
3° au conseil d'entreprise ou, à défaut, au comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, à la délégation syndicale;
4° aux représentants des affiliés et des bénéficiaires du régime de retraite;
5° aux affiliés et aux bénéficiaires du régime de retraite.
La CBFA peut, dans les conditions prévues par le présent article, rendre ses injonctions publiques par la voie du Moniteur belge ou par voie de presse.
Les frais de communication et de publication sont à charge du destinataire des injonctions.
§ 2. Si les organismes et personnes visés à l'article 49ter restent en défaut à l'expiration du délai, visé au § 1er, la CBFA peut, après que l'institution ou la personne ait été entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une amende à raison d'un maximum de 1 875 000 euros par infraction ou d'un maximum de 2 500 euros par jour de retard.
§ 3. La procédure pour l'imposition des sanctions visées par le présent article est déterminée par les articles 70 à 73 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
Les amendes imposées en application du § 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines. "
" Art. 49quater. § 1er. Si la CBFA constate que les organismes, organisateurs et personnes morales visés à l'article 49ter ne se conforment pas aux dispositions de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation.
Si, au terme de ce delai, il n'a pas été remédié à la situation, la CBFA peut, indépendamment des autres mesures prévues par ou en vertu de la loi, communiquer ses injonctions :
1° à l'organisateur;
2° au conseil de surveillance visé à l'article 41;
3° au conseil d'entreprise ou, à défaut, au comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, à la délégation syndicale;
4° aux représentants des affiliés et des bénéficiaires du régime de retraite;
5° aux affiliés et aux bénéficiaires du régime de retraite.
La CBFA peut, dans les conditions prévues par le présent article, rendre ses injonctions publiques par la voie du Moniteur belge ou par voie de presse.
Les frais de communication et de publication sont à charge du destinataire des injonctions.
§ 2. Si les organismes et personnes visés à l'article 49ter restent en défaut à l'expiration du délai, visé au § 1er, la CBFA peut, après que l'institution ou la personne ait été entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une amende à raison d'un maximum de 1 875 000 euros par infraction ou d'un maximum de 2 500 euros par jour de retard.
§ 3. La procédure pour l'imposition des sanctions visées par le présent article est déterminée par les articles 70 à 73 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
Les amendes imposées en application du § 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines. "
Art.223. In artikel 50 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de woorden " ingevoerd overeenkomstig artikel 10 " geschrapt.
Art.223. A l'article 50 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, les mots " instauré conformément à l'article 10 ", sont supprimés.
Art.224. In artikel 51, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de woorden " De erkende commissarissen, aangewezen overeenkomstig artikel 38 van de wet van 9 juli 1975, en de actuarissen, aangeduid overeenkomstig artikel 40bis van diezelfde wet " vervangen door de woorden " De erkende commissarissen en de actuarissen aangeduid overeenkomstig de reglementering inzake het prudentieel toezicht ".
Art.224. A l'article 51, alinéa 1er, de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, les mots " Les commissaires agréés, désignés conformément à l'article 38 de la loi du 9 juillet 1975, et les actuaires désignés conformément à l'article 40bis de la même loi " sont remplacés par les mots " Les commissaires agréés et les actuaires designés conformément à la réglementation de contrôle prudentiel ".
Art.225. In dezelfde wet wordt een artikel 56bis ingevoegd, luidende :
" Art. 56bis. Wanneer de pensioentoezegging met betrekking tot het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden na de pensionering voorziet in de betaling van een vaste prestatie die geen rekening houdt met de gepresteerde dienstjaren, dan is de prestatie die op ieder ogenblik dient als basis voor de berekening van de verworven reserve, in afwijking van artikel 19, §§ 2, 3 en 5, tot en met 31 december 2006 gelijk aan de prestatie met betrekking tot het rustpensioen, die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de minimumreserve zoals bedoeld in artikel 19, § 2, eerste streepje, tenzij het pensioenreglement uitdrukkelijk voorziet in een afwijkende berekening die resulteert in verworven reserves die hoger zijn dan de minimumreserve.
Tenzij het pensioenreglement voorziet in een afwijkende berekening van de verworven reserves zoals bedoeld in het eerste lid, mogen inrichters eenzijdig tot en met 31 december 2006 de pensioenprestaties die op grond van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst als basis dienen voor de berekening van de verworven reserves, aanpassen teneinde de reserve die op grond van die prestatie wordt berekend in overeenstemming te brengen met de minimumreserve.
De aanpassingen van de pensioenprestaties bedoeld in het tweede lid zijn noch van toepassing op prestaties die werden uitgekeerd noch op reserves die werden overgedragen vóór de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. "
" Art. 56bis. Wanneer de pensioentoezegging met betrekking tot het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden na de pensionering voorziet in de betaling van een vaste prestatie die geen rekening houdt met de gepresteerde dienstjaren, dan is de prestatie die op ieder ogenblik dient als basis voor de berekening van de verworven reserve, in afwijking van artikel 19, §§ 2, 3 en 5, tot en met 31 december 2006 gelijk aan de prestatie met betrekking tot het rustpensioen, die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de minimumreserve zoals bedoeld in artikel 19, § 2, eerste streepje, tenzij het pensioenreglement uitdrukkelijk voorziet in een afwijkende berekening die resulteert in verworven reserves die hoger zijn dan de minimumreserve.
Tenzij het pensioenreglement voorziet in een afwijkende berekening van de verworven reserves zoals bedoeld in het eerste lid, mogen inrichters eenzijdig tot en met 31 december 2006 de pensioenprestaties die op grond van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst als basis dienen voor de berekening van de verworven reserves, aanpassen teneinde de reserve die op grond van die prestatie wordt berekend in overeenstemming te brengen met de minimumreserve.
De aanpassingen van de pensioenprestaties bedoeld in het tweede lid zijn noch van toepassing op prestaties die werden uitgekeerd noch op reserves die werden overgedragen vóór de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. "
Art.225. Il est inséré dans la même loi un article 56bis, rédigé comme suit :
" Art. 56bis. Lorsque l'engagement de pension, en ce qui concerne les pensions de retraite et/ou de survie en cas de décès après la retraite, porte sur le paiement d'une prestation définie qui ne tient pas compte des années de service prestées, la prestation qui, à tout moment, sert de base pour le calcul de la réserve acquise, est, par dérogation à l'article 19, §§ 2, 3 et 5, egale, jusqu'au 31 décembre 2006 inclus, à la prestation afférente à la pension de retraite qui est prise en compte pour le calcul de la réserve minimale visée à l'article 19, § 2, premier tiret, sauf si le règlement de pension prévoit explicitement un calcul dérogatoire et que les réserves acquises, calculées de cette manière, sont supérieures à la réserve minimale.
Sauf si le règlement de pension prévoit pour les réserves acquises un calcul dérogatoire tel que visé à l'alinéa 1er, les organisateurs peuvent unilatéralement, jusqu'au 31 décembre 2006 inclus, adapter les prestations de pension qui, conformément au règlement de pension ou à la convention de pension, servent de base pour le calcul des réserves acquises, en sorte que la reserve calculée sur la base de ces prestations coïncide avec la réserve minimale.
Les adaptations des prestations de pension visées à l'alinéa 2 ne s'appliquent ni aux prestations versées ni aux réserves transférées avant la date de la publication au Moniteur belge de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle. ".
" Art. 56bis. Lorsque l'engagement de pension, en ce qui concerne les pensions de retraite et/ou de survie en cas de décès après la retraite, porte sur le paiement d'une prestation définie qui ne tient pas compte des années de service prestées, la prestation qui, à tout moment, sert de base pour le calcul de la réserve acquise, est, par dérogation à l'article 19, §§ 2, 3 et 5, egale, jusqu'au 31 décembre 2006 inclus, à la prestation afférente à la pension de retraite qui est prise en compte pour le calcul de la réserve minimale visée à l'article 19, § 2, premier tiret, sauf si le règlement de pension prévoit explicitement un calcul dérogatoire et que les réserves acquises, calculées de cette manière, sont supérieures à la réserve minimale.
Sauf si le règlement de pension prévoit pour les réserves acquises un calcul dérogatoire tel que visé à l'alinéa 1er, les organisateurs peuvent unilatéralement, jusqu'au 31 décembre 2006 inclus, adapter les prestations de pension qui, conformément au règlement de pension ou à la convention de pension, servent de base pour le calcul des réserves acquises, en sorte que la reserve calculée sur la base de ces prestations coïncide avec la réserve minimale.
Les adaptations des prestations de pension visées à l'alinéa 2 ne s'appliquent ni aux prestations versées ni aux réserves transférées avant la date de la publication au Moniteur belge de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle. ".
Art.226. Artikel 110 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, wordt door de volgende bepaling vervangen :
" Art. 110. De Koning neemt, op gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor Pensioenen en Economie of, voor wat artikel 24 betreft, op voordracht van de minister bevoegd voor Pensioenen, en na advies van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen, de Raad voor Aanvullende Pensioenen en de CBFA de besluiten die voor de uitvoering van deze wet nodig zijn.
De Koning kan in het bijzonder het volgende bepalen :
1° de minimale voorwaarden waaraan de pensioentoezeggingen en solidariteitstoezeggingen, dienen te beantwoorden, daaronder begrepen de voorwaarden met betrekking tot de prestaties inzake invaliditeit en arbeidsongeschiktheid;
2° de verplichtingen van de pensioeninstellingen inzake transparantie en informatie jegens de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1;
3° de bestemming van de activa van de pensioeninstelling in geval van stopzetting van de pensioentoezegging of wanneer die activa niet langer nodig zijn voor het beheer van de pensioentoezegging.
De bevoegde ministers kunnen termijnen bepalen waarbinnen de Commissie, de Raad en de CBFA hun advies dienen uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist. "
" Art. 110. De Koning neemt, op gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor Pensioenen en Economie of, voor wat artikel 24 betreft, op voordracht van de minister bevoegd voor Pensioenen, en na advies van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen, de Raad voor Aanvullende Pensioenen en de CBFA de besluiten die voor de uitvoering van deze wet nodig zijn.
De Koning kan in het bijzonder het volgende bepalen :
1° de minimale voorwaarden waaraan de pensioentoezeggingen en solidariteitstoezeggingen, dienen te beantwoorden, daaronder begrepen de voorwaarden met betrekking tot de prestaties inzake invaliditeit en arbeidsongeschiktheid;
2° de verplichtingen van de pensioeninstellingen inzake transparantie en informatie jegens de aangeslotenen en de [1 pensioengerechtigden]1;
3° de bestemming van de activa van de pensioeninstelling in geval van stopzetting van de pensioentoezegging of wanneer die activa niet langer nodig zijn voor het beheer van de pensioentoezegging.
De bevoegde ministers kunnen termijnen bepalen waarbinnen de Commissie, de Raad en de CBFA hun advies dienen uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist. "
Art.226. L'article 110 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 110. Le Roi prend, sur la proposition conjointe des ministres qui ont les Pensions et l'Economie dans leurs attributions ou, en ce qui concerne l'article 24, sur la proposition du ministre qui a les Pensions dans ses attributions, et après avis de la Commission des Pensions complémentaires, du Conseil des Pensions complémentaires et de la CBFA, les arrêtes nécessaires à l'exécution de la présente loi.
Le Roi peut, en particulier, réglementer :
1° les conditions minimales des engagements de pension et de solidarité, en ce compris les conditions relatives aux prestations en matière d'invalidité et d'incapacité de travail;
2° les obligations des organismes de pensions en matière de transparence et d'information des affiliés et des bénéficiaires;
3° l'affectation des avoirs de l'organisme de pension en cas d'abrogation de l'engagement de pension ou lorsque ces avoirs ne sont plus nécessaires à la gestion de l'engagement de pension.
Les ministres compétents peuvent fixer des délais endéans lesquels la Commission, le Conseil et la CBFA doivent émettre leurs avis. En cas de non-respect de l'un ou l'autre de ces délais, l'avis correspondant n'est plus requis. "
" Art. 110. Le Roi prend, sur la proposition conjointe des ministres qui ont les Pensions et l'Economie dans leurs attributions ou, en ce qui concerne l'article 24, sur la proposition du ministre qui a les Pensions dans ses attributions, et après avis de la Commission des Pensions complémentaires, du Conseil des Pensions complémentaires et de la CBFA, les arrêtes nécessaires à l'exécution de la présente loi.
Le Roi peut, en particulier, réglementer :
1° les conditions minimales des engagements de pension et de solidarité, en ce compris les conditions relatives aux prestations en matière d'invalidité et d'incapacité de travail;
2° les obligations des organismes de pensions en matière de transparence et d'information des affiliés et des bénéficiaires;
3° l'affectation des avoirs de l'organisme de pension en cas d'abrogation de l'engagement de pension ou lorsque ces avoirs ne sont plus nécessaires à la gestion de l'engagement de pension.
Les ministres compétents peuvent fixer des délais endéans lesquels la Commission, le Conseil et la CBFA doivent émettre leurs avis. En cas de non-respect de l'un ou l'autre de ces délais, l'avis correspondant n'est plus requis. "
HOOFDSTUK II. - Uitvoeringsmaatregelen.
CHAPITRE II. - Mesures d'exécution.
Art.228. § 1. Op voorstel van de minister bevoegd voor Economie, neemt de Koning de besluiten die voor de uitvoering van de Titels I tot V, en voor de artikelen 227 en 231, nodig zijn.
De Koning bepaalt voornamelijk :
1° de door de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening na te leven regels inzake deelneming in de winst ten voordele van de aangeslotenen;
2° de verplichtingen van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening omtrent het bijhouden en het overleggen van de boeken, boekingsstukken en andere bescheiden, de vermeldingen die moeten voorkomen op prospectussen, omzendbrieven, aanplakbiljetten en andere voor het publiek bestemde geschriften.
Hij kan ook procedures voorzien die gelijkwaardig zijn aan de aangetekende brief voor kennisgevingen die gedaan moeten worden overeenkomstig de bepalingen van de Titels I tot V.
§ 2. Voor het opstellen van de besluiten bedoeld in dit artikel kan de Koning verschillende regels vaststellen naargelang van de aard en het risico van de activiteiten van de betrokken instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
§ 3. De besluiten bedoeld door dit artikel worden genomen op voorafgaand advies van de [3 FSMA]3 en nadat deze laatste het advies van de Commissie voor Verzekeringen, [4 ingesteld door [5 artikel 321 van de wet van 4 april 2014]5 betreffende de verzekeringen,]4 gevraagd heeft.
De Commissie voor Verzekeringen kan, inzake de aangelegenheden bedoeld door dit artikel, op eigen initiatief advies uitbrengen. Zij geeft eveneens een advies over elke vraag die haar voorgelegd wordt door de minister die bevoegd is voor het prudentieel toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
De minister bevoegd voor Economie kan termijnen bepalen waarbinnen de [3 FSMA]3 en de Commissie voor Verzekeringen hun advies dienen uit te brengen. Insgelijks kan de [3 FSMA]3 een termijn bepalen waarbinnen de Commissie voor Verzekeringen haar advies dient uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist.
De Koning bepaalt voornamelijk :
1° de door de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening na te leven regels inzake deelneming in de winst ten voordele van de aangeslotenen;
2° de verplichtingen van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening omtrent het bijhouden en het overleggen van de boeken, boekingsstukken en andere bescheiden, de vermeldingen die moeten voorkomen op prospectussen, omzendbrieven, aanplakbiljetten en andere voor het publiek bestemde geschriften.
Hij kan ook procedures voorzien die gelijkwaardig zijn aan de aangetekende brief voor kennisgevingen die gedaan moeten worden overeenkomstig de bepalingen van de Titels I tot V.
§ 2. Voor het opstellen van de besluiten bedoeld in dit artikel kan de Koning verschillende regels vaststellen naargelang van de aard en het risico van de activiteiten van de betrokken instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
§ 3. De besluiten bedoeld door dit artikel worden genomen op voorafgaand advies van de [3 FSMA]3 en nadat deze laatste het advies van de Commissie voor Verzekeringen, [4 ingesteld door [5 artikel 321 van de wet van 4 april 2014]5 betreffende de verzekeringen,]4 gevraagd heeft.
De Commissie voor Verzekeringen kan, inzake de aangelegenheden bedoeld door dit artikel, op eigen initiatief advies uitbrengen. Zij geeft eveneens een advies over elke vraag die haar voorgelegd wordt door de minister die bevoegd is voor het prudentieel toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
De minister bevoegd voor Economie kan termijnen bepalen waarbinnen de [3 FSMA]3 en de Commissie voor Verzekeringen hun advies dienen uit te brengen. Insgelijks kan de [3 FSMA]3 een termijn bepalen waarbinnen de Commissie voor Verzekeringen haar advies dient uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist.
Änderungen
Art.228. § 1er. Sur la proposition du ministre qui a l'Economie dans ses attributions, le Roi prend les arrêtés nécessaires à l'exécution des Titres Ier à V, ainsi que des articles 227 et 231.
Le Roi fixe spécialement :
1° les regles à respecter par les institutions de retraite professionnelle en matière de participation dans les bénéfices au profit des affiliés;
2° les obligations des institutions de retraite professionnelle relatives à la tenue et à la communication des livres, pièces comptables et autres documents, aux mentions à faire dans les prospectus, circulaires, affiches et autres écrits destinés au public.
Il peut également prévoir pour les notifications qui doivent être faites en application des dispositions des Titres Ier à V, des procédures équivalentes à celle de la lettre recommandée.
§ 2. Le Roi peut, pour l'élaboration des arrêtés visés par le présent article, prévoir des règles différentes en fonction de la nature et du risque des activités des institutions de retraite professionnelle concernées.
§ 3. Les arrêtés visés par le présent article sont pris sur l'avis préalable de la [3 FSMA]3 et après que cette dernière ait demandé l'avis de la Commission des Assurances [4 instituée par l'[5 article 321 de la loi du 4 avril 2014]5 relative aux assurances]4.
La Commission des Assurances peut, sur les matières visées par le présent article, émettre ses avis d'initiative. Elle rend également un avis sur toute question qui lui est soumise par le ministre ayant le contrôle prudentiel des institutions de retraite professionnelle dans ses attributions.
Le ministre qui a l'Economie dans ses attributions peut fixer des délais endéans lesquels la [3 FSMA]3 et la Commission des Assurances doivent émettre leur avis. De même, la [3 FSMA]3 peut fixer un délai endéans lequel la Commission des Assurances doit émettre son avis. En cas de non-respect de l'un ou l'autre de ces délais, l'avis correspondant n'est plus requis.
Le Roi fixe spécialement :
1° les regles à respecter par les institutions de retraite professionnelle en matière de participation dans les bénéfices au profit des affiliés;
2° les obligations des institutions de retraite professionnelle relatives à la tenue et à la communication des livres, pièces comptables et autres documents, aux mentions à faire dans les prospectus, circulaires, affiches et autres écrits destinés au public.
Il peut également prévoir pour les notifications qui doivent être faites en application des dispositions des Titres Ier à V, des procédures équivalentes à celle de la lettre recommandée.
§ 2. Le Roi peut, pour l'élaboration des arrêtés visés par le présent article, prévoir des règles différentes en fonction de la nature et du risque des activités des institutions de retraite professionnelle concernées.
§ 3. Les arrêtés visés par le présent article sont pris sur l'avis préalable de la [3 FSMA]3 et après que cette dernière ait demandé l'avis de la Commission des Assurances [4 instituée par l'[5 article 321 de la loi du 4 avril 2014]5 relative aux assurances]4.
La Commission des Assurances peut, sur les matières visées par le présent article, émettre ses avis d'initiative. Elle rend également un avis sur toute question qui lui est soumise par le ministre ayant le contrôle prudentiel des institutions de retraite professionnelle dans ses attributions.
Le ministre qui a l'Economie dans ses attributions peut fixer des délais endéans lesquels la [3 FSMA]3 et la Commission des Assurances doivent émettre leur avis. De même, la [3 FSMA]3 peut fixer un délai endéans lequel la Commission des Assurances doit émettre son avis. En cas de non-respect de l'un ou l'autre de ces délais, l'avis correspondant n'est plus requis.
Änderungen
Art.229. De Koning neemt, op voorstel van de minister van Justitie, de uitvoeringsbesluiten van de artikelen 49 en 50.
Art.229. Le Roi prend, sur la proposition du ministre de la Justice, les arrêtés d'exécution des articles 49 et 50.
Art.230. Op gezamenlijk voorstel van de ministers bevoegd voor Economie, Pensioenen en Middenstand kan de Koning de bepalingen coördineren :
1° van deze wet;
2° van Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling IV, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
3° van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
[1 4° van Titel 4 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen;
5° van Titel II van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers;
6° van Titel II van de wet van 6 december 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen;]1
en de bepalingen die de voornoemde wetten uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd op het tijdstip van deze coördinatie.
Daartoe kan Hij inzonderheid :
1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de vorm van de te coördineren bepalingen wijzigen;
2° de verwijzingen in de te coördineren bepalingen wijzigen om ze met de nieuwe nummering te doen overeenstemmen;
3° de formulering van de te coördineren bepalingen wijzigen om de onderlinge overeenstemming ervan te waarborgen en ze terminologisch op elkaar af te stemmen zonder dat aan de in die bepalingen opgenomen beginselen kan worden geraakt.
De coördinaties zullen het door de Koning bepaalde opschrift dragen.
1° van deze wet;
2° van Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling IV, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
3° van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
[1 4° van Titel 4 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen;
5° van Titel II van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers;
6° van Titel II van de wet van 6 december 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen;]1
en de bepalingen die de voornoemde wetten uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd op het tijdstip van deze coördinatie.
Daartoe kan Hij inzonderheid :
1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de vorm van de te coördineren bepalingen wijzigen;
2° de verwijzingen in de te coördineren bepalingen wijzigen om ze met de nieuwe nummering te doen overeenstemmen;
3° de formulering van de te coördineren bepalingen wijzigen om de onderlinge overeenstemming ervan te waarborgen en ze terminologisch op elkaar af te stemmen zonder dat aan de in die bepalingen opgenomen beginselen kan worden geraakt.
De coördinaties zullen het door de Koning bepaalde opschrift dragen.
Art.230. Le Roi peut, sur la proposition conjointe des ministres qui ont l'Economie, les Pensions et les Classes moyennes dans leurs attributions, coordonner les dispositions :
1° de la présente loi;
2° du Titre II, Chapitre Ier, Section IV, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
3° de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matiere de sécurité sociale;
[1 4° du Titre 4 de la loi du 15 mai 2014 portant des dispositions diverses;
5° du Titre II de la loi du 18 février 2018 portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires et instaurant une pension complémentaire pour les travailleurs indépendants personnes physiques, pour les conjoints aidants et pour les aidants indépendants;
6° du Titre II de la loi du 6 décembre 2018 instaurant une pension libre complémentaire pour les travailleurs salarié et portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires;]1
et les dispositions qui auraient expressément ou implicitement modifiées les lois précitées au moment où les coordinations seront établies.
A cette fin, Il peut notamment :
1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner, en vue de les mettre en concordance avec la nouvelle numérotation;
3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie, sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
Les coordinations porteront l'intitulé détermine par le Roi.
1° de la présente loi;
2° du Titre II, Chapitre Ier, Section IV, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
3° de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matiere de sécurité sociale;
[1 4° du Titre 4 de la loi du 15 mai 2014 portant des dispositions diverses;
5° du Titre II de la loi du 18 février 2018 portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires et instaurant une pension complémentaire pour les travailleurs indépendants personnes physiques, pour les conjoints aidants et pour les aidants indépendants;
6° du Titre II de la loi du 6 décembre 2018 instaurant une pension libre complémentaire pour les travailleurs salarié et portant des dispositions diverses en matière de pensions complémentaires;]1
et les dispositions qui auraient expressément ou implicitement modifiées les lois précitées au moment où les coordinations seront établies.
A cette fin, Il peut notamment :
1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner, en vue de les mettre en concordance avec la nouvelle numérotation;
3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie, sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
Les coordinations porteront l'intitulé détermine par le Roi.
Art.231. Op voorstel van de minister bevoegd voor Economie kan de Koning bij een in de Ministerraad overlegd besluit de bepalingen van Titels I tot V, alsook artikel 227 aanpassen aan de verplichtingen die voor België voortvloeien uit internationale overeenkomsten en verdragen.
Art.231. Le Roi peut, sur la proposition du ministre qui a l'Economie dans ses attributions et par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter les dispositions des Titres Ier à V, ainsi que de l'article 227 aux obligations découlant pour la Belgique d'accords ou de traités internationaux.
Art.232. In de andere wetten en besluiten dan die welke zijn bedoeld in de andere bepalingen van dit hoofdstuk kan de Koning de woorden " artikel 2, § 3, 4°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen " en de woorden " artikel 2, § 3, 6°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen " vervangen door de woorden " artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening ".
Art.232. Le Roi peut, dans les lois et arrêtes autres que ceux visés aux autres dispositions du présent chapitre, remplacer les mots " l'article 2, § 3, 4°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances " et les mots " l'article 2, § 3, 6°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances " par, les mots " l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ".
Art. 232/1. [1 De FSMA stelt de EIOPA regelmatig en minstens om de twee jaar in kennis van elke regelgeving betreffende het prudentieel toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, zoals de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, alsook van de daarin aangebrachte wijzigingen.]1
Art. 232/1. [1 La FSMA communique à l'EIOPA régulièrement, et au moins tous les deux ans, toute réglementation relative au contrôle prudentiel des institutions de retraite professionnelle, telle que les dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution, ainsi que les modifications qui y sont apportées.]1
Art. 232/2. [1 De FSMA werkt, voor de toepassing van [2 richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's)]2, samen met de EIOPA, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1094/2010.
De FSMA verstrekt de EIOPA onverwijld alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar taken uit hoofde van voornoemde Richtlijn en voornoemde Verordening, overeenkomstig artikel 35 van die Verordening.]1
De FSMA verstrekt de EIOPA onverwijld alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar taken uit hoofde van voornoemde Richtlijn en voornoemde Verordening, overeenkomstig artikel 35 van die Verordening.]1
Art. 232/2. [1 La FSMA coopère avec l'EIOPA aux fins de la [2 directive (UE) 2016/2341 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2016 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle (IRP)]2, conformément au règlement (UE) n° 1094/2010.
La FSMA fournit dans les plus brefs délais à l'EIOPA toutes les informations nécessaires à l'accomplissement de sa mission au titre de la Directive et du règlement précités, conformément à l'article 35 dudit règlement.]1
La FSMA fournit dans les plus brefs délais à l'EIOPA toutes les informations nécessaires à l'accomplissement de sa mission au titre de la Directive et du règlement précités, conformément à l'article 35 dudit règlement.]1
Art.233. De [2 FSMA]2 brengt de Europese Commissie [3 en de EIOPA]3 op de hoogte van belangrijke moeilijkheden die het gevolg zijn van de toepassing van de richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
Änderungen
Art.233. Le [2 FSMA]2 informe la Commission européenne [3 et l'EIOPA]3 des difficultés majeures auxquelles donne lieu l'application de la directive 2003/41/CE du Parlement européen et du Conseil du 3 juin 2003 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle.
Änderungen
HOOFDSTUK III. - Inwerkingtreding en slotbepaling.
CHAPITRE III. - Entrée en vigueur et disposition finale.
Art. 234. De Koning bepaalt de datum waarop elke bepaling van deze wet in werking treedt, met uitzondering van :
1° de artikelen 189, 199, 211, 2°, 213, 216, 2°, en 225, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2004;
2° de artikelen 1, 2, 6, 151, tweede lid, 181, 188, 191, 192, 200, 201, 1°, 203 tot 206, 212, 214, 215, 223, 226 en 227 tot 234, die in werking treden op de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
(NOTA : inwerkingtreding van art. 201, 2° tot 5°, 202, 207 tot 210, 211, 1°, 3° en 4°, 216, 1°, 217 tot 222 en 224 vastgesteld op 01-01-2007 door KB 2007-01-12/45, art. 15)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 187, 190 en 193 tot 198 vastgesteld op 01-01-2007 door KB 2007-01-12/46, art. 12)
(NOTA : inwerkingtreding van de artikelen 3, 4, 5, 7 tot 80, 83 tot 151, eerste lid, 152 tot 166, 168 tot 180, 182 tot 186 vastgesteld op 01-01-2007 bij KB 2007-01-12/44, art. 58)
(NOTA : inwerkingtreding vastgesteld op 01-01-2007 door KB 2007-01-12/44, art. 58, met uitzondering van :
1° de bepalingen die reeds in werking zijn getreden in toepassing van artikel 234 ;
2° de artikelen 81, 82, 167, 193, 194 en 201 tot 225.)
1° de artikelen 189, 199, 211, 2°, 213, 216, 2°, en 225, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2004;
2° de artikelen 1, 2, 6, 151, tweede lid, 181, 188, 191, 192, 200, 201, 1°, 203 tot 206, 212, 214, 215, 223, 226 en 227 tot 234, die in werking treden op de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
(NOTA : inwerkingtreding van art. 201, 2° tot 5°, 202, 207 tot 210, 211, 1°, 3° en 4°, 216, 1°, 217 tot 222 en 224 vastgesteld op 01-01-2007 door KB 2007-01-12/45, art. 15)
(NOTA : inwerkingtreding van art. 187, 190 en 193 tot 198 vastgesteld op 01-01-2007 door KB 2007-01-12/46, art. 12)
(NOTA : inwerkingtreding van de artikelen 3, 4, 5, 7 tot 80, 83 tot 151, eerste lid, 152 tot 166, 168 tot 180, 182 tot 186 vastgesteld op 01-01-2007 bij KB 2007-01-12/44, art. 58)
(NOTA : inwerkingtreding vastgesteld op 01-01-2007 door KB 2007-01-12/44, art. 58, met uitzondering van :
1° de bepalingen die reeds in werking zijn getreden in toepassing van artikel 234 ;
2° de artikelen 81, 82, 167, 193, 194 en 201 tot 225.)
Art. 234. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi, à l'exception :
1° des articles 189, 199, 211, 2°, 213, 216, 2°, et 225, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2004;
2° des articles 1er, 2, 6, 151, alinéa 2, 181, 188, 191, 192, 200, 201, 1°, 203 à 206, 212, 214, 215, 223, 226 et 227 à 234, qui entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
(NOTE : entrée en vigueur des articles 201, 2° à 5°, 202, 207 à 210, 211, 1°, 3° et 4°, 216, 1°, 217 à 222 et 224 fixée au 01-01-2007 par AR 2007-01-12/45, art. 15)
(NOTE : entrée en vigueur des articles 187, 190 et 193 à 198 fixée au 01-01-2007 par AR 2007-01-12/46, art. 12)
(NOTE : entrée en vigueur des articles 3, 4, 5, 7 à 80, 83 à 151, alinéa 1, 152 à 166, 168 à 180, 182 à 186 fixée au 01-01-2007 par AR 2007-01-12/44, art. 58)
(NOTE : entrée en vigueur fixée au 01-01-2007 par AR 2007-01-12/44, art. 58, à l'exception :
1° des dispositions qui sont déjà en vigueur en application de l'article 234;
2° des articles 81, 82, 167, 193, 194 et 201 à 225)
1° des articles 189, 199, 211, 2°, 213, 216, 2°, et 225, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2004;
2° des articles 1er, 2, 6, 151, alinéa 2, 181, 188, 191, 192, 200, 201, 1°, 203 à 206, 212, 214, 215, 223, 226 et 227 à 234, qui entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
(NOTE : entrée en vigueur des articles 201, 2° à 5°, 202, 207 à 210, 211, 1°, 3° et 4°, 216, 1°, 217 à 222 et 224 fixée au 01-01-2007 par AR 2007-01-12/45, art. 15)
(NOTE : entrée en vigueur des articles 187, 190 et 193 à 198 fixée au 01-01-2007 par AR 2007-01-12/46, art. 12)
(NOTE : entrée en vigueur des articles 3, 4, 5, 7 à 80, 83 à 151, alinéa 1, 152 à 166, 168 à 180, 182 à 186 fixée au 01-01-2007 par AR 2007-01-12/44, art. 58)
(NOTE : entrée en vigueur fixée au 01-01-2007 par AR 2007-01-12/44, art. 58, à l'exception :
1° des dispositions qui sont déjà en vigueur en application de l'article 234;
2° des articles 81, 82, 167, 193, 194 et 201 à 225)