Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 MEI 2007. - Wet tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-06-2007 en tekstbijwerking tot 16-06-2008)
Titre
9 MAI 2007. - Loi modifiant diverses dispositions relatives à l'absence et à la déclaration judiciaire de décès. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-06-2007 et mise à jour au 16-06-2008)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Burgerlijk ...
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het Gerechteli...
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van het Strafwetboek.
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van het Wetboek der ...
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen van het Wetboek van...
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de wet van 8 aug...
HOOFDSTUK VIII. - Opheffingsbepaling.
HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
CHAPITRE II. - Modifications du Code civil.
CHAPITRE III. - Modifications du Code judiciaire.
CHAPITRE IV. - Modifications du Code pénal.
CHAPITRE V. - Modifications du Code des droits ...
CHAPITRE VI. - Modifications du Code de droit i...
CHAPITRE VII. - Modification de la loi du 8 aoû...
CHAPITRE VIII. - Disposition abrogatoire.
CHAPITRE IX. - Dispositions transitoires.
Tekst (67)
Texte (67)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek.
CHAPITRE II. - Modifications du Code civil.
Art. 2. Het opschrift van hoofdstuk I, van boek I, titel IV, van het Burgerlijk Wetboek, wordt vervangen als volgt : " Hoofdstuk I. - Afwezigheid ".
Art. 2. L'intitulé du chapitre premier, du livre premier, titre IV, du Code civil, est remplacé par l'intitulé suivant : " Chapitre Ier. - De l'absence ".
Art. 3. In boek I, titel IV, hoofdstuk I van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling I, bestaande uit de artikelen 112 tot 117, ingevoegd, met als opschrift :
" Afdeling I. - Vermoeden van afwezigheid ".
" Afdeling I. - Vermoeden van afwezigheid ".
Art. 3. II est inséré dans le livre premier, titre IV, chapitre premier, du même Code, une section première, comprenant les articles 112 à 117, intitulée comme suit :
" Section Ire. - De la présomption d'absence ".
" Section Ire. - De la présomption d'absence ".
Art. 4. Artikel 112 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 112. § 1. Wanneer een persoon sinds meer dan drie maanden niet meer verschijnt in zijn woon- of verblijfplaats en men van hem gedurende ten minste drie maanden geen nieuws heeft ontvangen en daaruit onzekerheid voortvloeit over zijn leven of zijn dood, kan de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, het vermoeden van afwezigheid vaststellen.
§ 2. Een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid wordt door de griffier ter kennis gebracht van de vrederechter van de laatste woonplaats in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, van de vrederechter van het eerste kanton te Brussel. De territoriaal bevoegde vrederechter handelt overeenkomstig artikel 113.
§ 3. Het openbaar ministerie is ermede belast te waken over de belangen van de vermoedelijk afwezigen. Het wordt gehoord over alle rechtsvorderingen die hen aangaan. "
" Art. 112. § 1. Wanneer een persoon sinds meer dan drie maanden niet meer verschijnt in zijn woon- of verblijfplaats en men van hem gedurende ten minste drie maanden geen nieuws heeft ontvangen en daaruit onzekerheid voortvloeit over zijn leven of zijn dood, kan de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, het vermoeden van afwezigheid vaststellen.
§ 2. Een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid wordt door de griffier ter kennis gebracht van de vrederechter van de laatste woonplaats in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, van de vrederechter van het eerste kanton te Brussel. De territoriaal bevoegde vrederechter handelt overeenkomstig artikel 113.
§ 3. Het openbaar ministerie is ermede belast te waken over de belangen van de vermoedelijk afwezigen. Het wordt gehoord over alle rechtsvorderingen die hen aangaan. "
Art. 4. L'article 112 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 112. § 1er. Lorsqu'une personne a cessé de paraître au lieu de son domicile ou de sa résidence depuis plus de trois mois sans que l'on ait eu de ses nouvelles pendant au moins trois mois et qu'il en découle une incertitude quant à sa vie ou à sa mort, le tribunal de première instance peut, à la demande de toute personne intéressée ou du procureur du Roi, constater la présomption d'absence.
§ 2. Une copie certifiée conforme de la décision constatant la présomption d'absence est notifiée par le greffier au juge de paix du dernier domicile en Belgique de la personne présumée absente, ou, si celle-ci n'a jamais eu de domicile en Belgique, au juge de paix du 1re canton de Bruxelles. Le juge de paix compétent territorialement procède conformément à l'article 113.
§ 3. Le ministère public est chargé de veiller aux intérêts des personnes présumées absentes. II est entendu sur toutes les demandes qui les concernent. "
" Art. 112. § 1er. Lorsqu'une personne a cessé de paraître au lieu de son domicile ou de sa résidence depuis plus de trois mois sans que l'on ait eu de ses nouvelles pendant au moins trois mois et qu'il en découle une incertitude quant à sa vie ou à sa mort, le tribunal de première instance peut, à la demande de toute personne intéressée ou du procureur du Roi, constater la présomption d'absence.
§ 2. Une copie certifiée conforme de la décision constatant la présomption d'absence est notifiée par le greffier au juge de paix du dernier domicile en Belgique de la personne présumée absente, ou, si celle-ci n'a jamais eu de domicile en Belgique, au juge de paix du 1re canton de Bruxelles. Le juge de paix compétent territorialement procède conformément à l'article 113.
§ 3. Le ministère public est chargé de veiller aux intérêts des personnes présumées absentes. II est entendu sur toutes les demandes qui les concernent. "
Art. 5. Artikel 113 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 113. § 1. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg vaststelt dat er een vermoeden van afwezigheid is en de vermoedelijk afwezige geen algemeen gevolmachtigde heeft aangewezen om zijn goederen te beheren, wijst de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een gerechtelijk bewindvoerder aan met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.
Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking van de vrederechter aan de bewindvoerder. De gerechtelijk bewindvoerder laat binnen acht dagen na zijn aanwijzing schriftelijk weten of hij die aanvaardt.
Wordt de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, niet aanvaard, dan stelt de vrederechter ambtshalve een andere gerechtelijk bewindvoerder aan.
Na de aanvaarding door de gerechtelijk bewindvoerder wordt een afschrift van de beschikking van zijn aanwijzing medegedeeld aan de procureur des Konings.
§ 2. De vrederechter kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende, van de procureur des Konings of van de gerechtelijk bewindvoerder, bij een met redenen omklede beschikking, een einde maken aan het mandaat van deze laatste, de bevoegdheden wijzigen die hem werden opgedragen of hem vervangen.
De vrederechter kan daartoe eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten.
§ 3. Elke beslissing tot aanwijzing of tot vervanging van een gerechtelijk bewindvoerder, tot beëindiging van zijn mandaat of tot wijziging van zijn bevoegdheden, wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, van het gerechtelijk arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure.
De bekendmaking moet geschieden binnen vijftien dagen na de uitspraak; de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten zou zijn, zijn aansprakelijk jegens de betrokkenen indien bewezen wordt dat de vertraging of het verzuim het gevolg is van collusie.
Binnen dezelfde termijn wordt de beslissing door de griffier betekend aan de burgemeester van de woonplaats van de beschermde persoon teneinde te worden aangetekend in het bevolkingsregister. "
" Art. 113. § 1. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg vaststelt dat er een vermoeden van afwezigheid is en de vermoedelijk afwezige geen algemeen gevolmachtigde heeft aangewezen om zijn goederen te beheren, wijst de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een gerechtelijk bewindvoerder aan met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.
Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking van de vrederechter aan de bewindvoerder. De gerechtelijk bewindvoerder laat binnen acht dagen na zijn aanwijzing schriftelijk weten of hij die aanvaardt.
Wordt de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, niet aanvaard, dan stelt de vrederechter ambtshalve een andere gerechtelijk bewindvoerder aan.
Na de aanvaarding door de gerechtelijk bewindvoerder wordt een afschrift van de beschikking van zijn aanwijzing medegedeeld aan de procureur des Konings.
§ 2. De vrederechter kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende, van de procureur des Konings of van de gerechtelijk bewindvoerder, bij een met redenen omklede beschikking, een einde maken aan het mandaat van deze laatste, de bevoegdheden wijzigen die hem werden opgedragen of hem vervangen.
De vrederechter kan daartoe eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten.
§ 3. Elke beslissing tot aanwijzing of tot vervanging van een gerechtelijk bewindvoerder, tot beëindiging van zijn mandaat of tot wijziging van zijn bevoegdheden, wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, van het gerechtelijk arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure.
De bekendmaking moet geschieden binnen vijftien dagen na de uitspraak; de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten zou zijn, zijn aansprakelijk jegens de betrokkenen indien bewezen wordt dat de vertraging of het verzuim het gevolg is van collusie.
Binnen dezelfde termijn wordt de beslissing door de griffier betekend aan de burgemeester van de woonplaats van de beschermde persoon teneinde te worden aangetekend in het bevolkingsregister. "
Art. 5. L'article 113 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 113. § 1er. Lorsque le tribunal de première instance constate qu'il y a présomption d'absence et que la personne présumée absente n'a pas donné procuration à un mandataire général pour gérer ses biens, le juge de paix désigne par ordonnance motivée, un administrateur judiciaire en tenant compte de la nature et de la composition des biens à gérer.
L'ordonnance du juge de paix est notifiée par le greffier à l'administrateur sous pli judiciaire dans les trois jours du prononcé. L'administrateur judiciaire fait savoir par écrit dans les huit jours de sa désignation s'il accepte celle-ci.
A défaut de l'acceptation prévue à l'alinéa précédent, le juge de paix désigne d'office un autre administrateur judiciaire.
Après l'acceptation par l'administrateur judiciaire, une copie de l'ordonnance le désignant est transmise au procureur du Roi.
§ 2. Par ordonnance motivée, le juge de paix peut à tout moment, soit d'office, soit à la demande de toute personne intéressée, du procureur du Roi ou de l'administrateur judiciaire, mettre fin au mandat de ce dernier, modifier les pouvoirs qui lui ont été confiés, ou le remplacer.
Le juge de paix peut à cette fin entendre toute personne qu'il estime apte à le renseigner.
§ 3. Toute décision portant désignation d'un administrateur judiciaire, le remplaçant, mettant fin à son mandat ou modifiant ses pouvoirs est, à la diligence du greffier, publiée par extrait au Moniteur belge et dans deux quotidiens diffusés dans l'arrondissement judiciaire du dernier domicile en Belgique du présumé absent ou, si celui-ci n'a jamais eu de domicile en Belgique, de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles ainsi que dans un quotidien à diffusion nationale dans la langue de la procédure.
La publication doit être faite dans les quinze jours du prononcé; les fonctionnaires auxquels l'omission ou le retard serait imputable pourront être tenus pour responsables envers les intéressés s'il est prouvé que le retard ou l'omission résulte d'une collusion.
Dans le même délai, la décision est notifiée par les soins du greffier au bourgmestre du dernier domicile de l'absent afin d'être consignée dans le registre de la population. "
" Art. 113. § 1er. Lorsque le tribunal de première instance constate qu'il y a présomption d'absence et que la personne présumée absente n'a pas donné procuration à un mandataire général pour gérer ses biens, le juge de paix désigne par ordonnance motivée, un administrateur judiciaire en tenant compte de la nature et de la composition des biens à gérer.
L'ordonnance du juge de paix est notifiée par le greffier à l'administrateur sous pli judiciaire dans les trois jours du prononcé. L'administrateur judiciaire fait savoir par écrit dans les huit jours de sa désignation s'il accepte celle-ci.
A défaut de l'acceptation prévue à l'alinéa précédent, le juge de paix désigne d'office un autre administrateur judiciaire.
Après l'acceptation par l'administrateur judiciaire, une copie de l'ordonnance le désignant est transmise au procureur du Roi.
§ 2. Par ordonnance motivée, le juge de paix peut à tout moment, soit d'office, soit à la demande de toute personne intéressée, du procureur du Roi ou de l'administrateur judiciaire, mettre fin au mandat de ce dernier, modifier les pouvoirs qui lui ont été confiés, ou le remplacer.
Le juge de paix peut à cette fin entendre toute personne qu'il estime apte à le renseigner.
§ 3. Toute décision portant désignation d'un administrateur judiciaire, le remplaçant, mettant fin à son mandat ou modifiant ses pouvoirs est, à la diligence du greffier, publiée par extrait au Moniteur belge et dans deux quotidiens diffusés dans l'arrondissement judiciaire du dernier domicile en Belgique du présumé absent ou, si celui-ci n'a jamais eu de domicile en Belgique, de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles ainsi que dans un quotidien à diffusion nationale dans la langue de la procédure.
La publication doit être faite dans les quinze jours du prononcé; les fonctionnaires auxquels l'omission ou le retard serait imputable pourront être tenus pour responsables envers les intéressés s'il est prouvé que le retard ou l'omission résulte d'une collusion.
Dans le même délai, la décision est notifiée par les soins du greffier au bourgmestre du dernier domicile de l'absent afin d'être consignée dans le registre de la population. "
Art. 6. Artikel 114 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 114. § 1. Uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing stelt de gerechtelijk bewindvoerder een verslag op met betrekking tot de vermogenstoestand van de vermoedelijk afwezige en zendt dit over aan de vrederechter.
De gerechtelijk bewindvoerder geeft jaarlijks rekenschap van zijn beheer aan de vrederechter door voorlegging van een schriftelijk verslag dat minstens de volgende gegevens vermeldt :
1° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de gerechtelijk bewindvoerder;
2° de naam, de voornaam en de laatste bekende woonplaats van de vermoedelijk afwezige;
3° een overzicht van de inkomsten en uitgaven tijdens de voorbije periode en een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het einde van deze periode.
Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de gerechtelijk bewindvoerder waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, hetzij gedurende de uitoefening van zijn mandaat.
§ 2. De schriftelijke verslagen opgemaakt met toepassing van § 1, worden op de griffie van het vredegerecht bewaard in een dossier op naam van de vermoedelijk afwezige.
Het dossier omvat eveneens :
1° een afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg tot vaststelling van het vermoeden van afwezigheid;
2° een afschrift van de beschikking tot aanstelling van een gerechtelijk bewindvoerder;
3° een afschrift van alle beschikkingen getroffen met toepassing van dit hoofdstuk;
4° de door de vrederechter gevoerde briefwisseling met betrekking tot het gerechtelijk bewind.
Aan het dossier wordt een inventaris van de stukken met vermelding van de datum van hun neerlegging toegevoegd.
§ 3. De vrederechter kan aan de gerechtelijk bewindvoerder, bij een met redenen omklede beslissing, na de overlegging door deze van het verslag bedoeld in § 1, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de goederen van de vermoedelijk afwezige. Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. Hij kan hem nochtans, na overlegging van met redenen omklede staten, een bezoldiging toekennen in verhouding tot de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen.
Het is de gerechtelijk bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste lid vermelde bezoldigingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot het uitoefenen van het mandaat van gerechtelijk bewindvoerder. "
" Art. 114. § 1. Uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing stelt de gerechtelijk bewindvoerder een verslag op met betrekking tot de vermogenstoestand van de vermoedelijk afwezige en zendt dit over aan de vrederechter.
De gerechtelijk bewindvoerder geeft jaarlijks rekenschap van zijn beheer aan de vrederechter door voorlegging van een schriftelijk verslag dat minstens de volgende gegevens vermeldt :
1° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de gerechtelijk bewindvoerder;
2° de naam, de voornaam en de laatste bekende woonplaats van de vermoedelijk afwezige;
3° een overzicht van de inkomsten en uitgaven tijdens de voorbije periode en een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het einde van deze periode.
Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de gerechtelijk bewindvoerder waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, hetzij gedurende de uitoefening van zijn mandaat.
§ 2. De schriftelijke verslagen opgemaakt met toepassing van § 1, worden op de griffie van het vredegerecht bewaard in een dossier op naam van de vermoedelijk afwezige.
Het dossier omvat eveneens :
1° een afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg tot vaststelling van het vermoeden van afwezigheid;
2° een afschrift van de beschikking tot aanstelling van een gerechtelijk bewindvoerder;
3° een afschrift van alle beschikkingen getroffen met toepassing van dit hoofdstuk;
4° de door de vrederechter gevoerde briefwisseling met betrekking tot het gerechtelijk bewind.
Aan het dossier wordt een inventaris van de stukken met vermelding van de datum van hun neerlegging toegevoegd.
§ 3. De vrederechter kan aan de gerechtelijk bewindvoerder, bij een met redenen omklede beslissing, na de overlegging door deze van het verslag bedoeld in § 1, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de goederen van de vermoedelijk afwezige. Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. Hij kan hem nochtans, na overlegging van met redenen omklede staten, een bezoldiging toekennen in verhouding tot de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen.
Het is de gerechtelijk bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste lid vermelde bezoldigingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot het uitoefenen van het mandaat van gerechtelijk bewindvoerder. "
Art. 6. L'article 114 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 114. § 1er. Un mois au plus après avoir accepté sa désignation, l'administrateur judiciaire rédige un rapport concernant la situation patrimoniale du présumé absent et le transmet au juge de paix.
L'administrateur judiciaire rend compte chaque année de sa gestion au juge de paix en présentant un rapport écrit comprenant au moins les éléments suivants :
1° les nom, prénom et domicile ou résidence de l'administrateur judiciaire;
2° les nom, prénom et dernier domicile connu du présumé absent;
3° un récapitulatif des recettes et des dépenses pour la période écoulée et un résumé de l'état du patrimoine géré au début et à la fin de cette période.
S'il l'estime nécessaire, le juge de paix peut exiger de l'administrateur judiciaire des garanties, soit au moment de sa désignation, soit en cours d'exercice de son mandat.
§ 2. Les rapports écrits rédigés en application du § 1er, sont conservés au greffe de la justice de paix, dans un dossier établi au nom de la personne présumée absente.
Le dossier contient également :
1° une copie du jugement du tribunal de première instance constatant la présomption d'absence;
2° une copie de l'ordonnance portant désignation d'un administrateur judiciaire;
3° une copie de toutes les ordonnances prises en application du présent chapitre;
4° la correspondance du juge de paix concernant l'administration judiciaire.
Un inventaire des pièces reprenant la date de leur dépôt est joint au dossier.
§ 3. Par décision motivée, le juge de paix peut allouer à l'administrateur judiciaire, après la remise par celui-ci du rapport visé au § 1er, une rémunération dont le montant ne peut dépasser trois pour cent des revenus des biens du présumé absent, majorée du montant des frais exposés, dûment contrôlés par le juge de paix. II peut néanmoins, sur présentation d'états motivés, lui allouer une rémunération en fonction des devoirs exceptionnels accomplis.
L'administrateur judiciaire ne peut recevoir, en dehors des rémunérations visées à l'alinéa 1er, aucune rétribution ni aucun avantage, de quelque nature ou de qui que ce soit, en rapport avec l'exercice du mandat d'administrateur judiciaire. "
" Art. 114. § 1er. Un mois au plus après avoir accepté sa désignation, l'administrateur judiciaire rédige un rapport concernant la situation patrimoniale du présumé absent et le transmet au juge de paix.
L'administrateur judiciaire rend compte chaque année de sa gestion au juge de paix en présentant un rapport écrit comprenant au moins les éléments suivants :
1° les nom, prénom et domicile ou résidence de l'administrateur judiciaire;
2° les nom, prénom et dernier domicile connu du présumé absent;
3° un récapitulatif des recettes et des dépenses pour la période écoulée et un résumé de l'état du patrimoine géré au début et à la fin de cette période.
S'il l'estime nécessaire, le juge de paix peut exiger de l'administrateur judiciaire des garanties, soit au moment de sa désignation, soit en cours d'exercice de son mandat.
§ 2. Les rapports écrits rédigés en application du § 1er, sont conservés au greffe de la justice de paix, dans un dossier établi au nom de la personne présumée absente.
Le dossier contient également :
1° une copie du jugement du tribunal de première instance constatant la présomption d'absence;
2° une copie de l'ordonnance portant désignation d'un administrateur judiciaire;
3° une copie de toutes les ordonnances prises en application du présent chapitre;
4° la correspondance du juge de paix concernant l'administration judiciaire.
Un inventaire des pièces reprenant la date de leur dépôt est joint au dossier.
§ 3. Par décision motivée, le juge de paix peut allouer à l'administrateur judiciaire, après la remise par celui-ci du rapport visé au § 1er, une rémunération dont le montant ne peut dépasser trois pour cent des revenus des biens du présumé absent, majorée du montant des frais exposés, dûment contrôlés par le juge de paix. II peut néanmoins, sur présentation d'états motivés, lui allouer une rémunération en fonction des devoirs exceptionnels accomplis.
L'administrateur judiciaire ne peut recevoir, en dehors des rémunérations visées à l'alinéa 1er, aucune rétribution ni aucun avantage, de quelque nature ou de qui que ce soit, en rapport avec l'exercice du mandat d'administrateur judiciaire. "
Art. 7. In hetzelfde Wetboek vervalt het opschrift : " Hoofdstuk II. - Verklaring van afwezigheid ".
Art. 7. Dans le même Code, l'intitulé " Chapitre II. - De la déclaration d'absence " est supprimé.
Art. 8. Artikel 115 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 115. § 1. De gerechtelijk bewindvoerder heeft tot taak de goederen van de vermoedelijk afwezige als een goede huisvader te beheren. Hij kan zich in zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.
§ 2. Wanneer de belangen van de gerechtelijk bewindvoerder in strijd zijn met die van de vermoedelijk afwezige, kan hij slechts optreden krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter. Deze machtiging wordt verleend bij een met redenen omklede beschikking op verzoek van de gerechtelijk bewindvoerder. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
§ 3. Bij gebreke van aanwijzingen in de in artikel 113 bedoelde beschikking, vertegenwoordigt de gerechtelijk bewindvoerder de vermoedelijk afwezige in alle rechtshandelingen en procedures als eiser of als verweerder, behalve wanneer de echtgenoot van de vermoedelijk afwezige gemachtigd is om alleen te handelen overeenkomstig artikel 220, § 2, of artikel 1420.
De gerechtelijk bewindvoerder kan slechts krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter :
1° de vermoedelijke afwezige in rechte vertegenwoordigen als eiser bij de andere rechtsplegingen en handelingen dan die :
- met betrekking tot huurcontracten;
- met betrekking tot bewoning zonder akte of bewijs;
- met betrekking tot sociale wetgeving ten gunste van de vermoedelijk afwezige;
- met betrekking tot de burgerlijke partijstelling;
- bedoeld in de artikelen 1187, tweede lid, 1193bis en 1225 van het Gerechtelijk Wetboek;
2° de roerende en onroerende goederen van de vermoedelijk afwezige vervreemden;
3° leningen aangaan en hypotheken toestaan alsook toestemming geven tot het doorhalen van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en tot de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;
4° berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
5° een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel verwerpen of aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden;
6° een schenking of een legaat onder bijzondere titel aanvaarden;
7° een pachtovereenkomst of een handelshuurovereenkomst sluiten alsook een handelshuurovereenkomst hernieuwen en een huurovereenkomst voor een duur van meer dan negen jaar sluiten;
8° een dading aangaan of een arbitrageovereenkomst sluiten;
9° een onroerend goed aankopen.
De vrederechter wordt geadieerd bij eenzijdig verzoekschrift. Hij wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan de mening vragen van eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, onverminderd de artikelen 1186 en 1193bis van het Gerechtelijk Wetboek, inzake verkopingen van onroerende goederen.
De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
Indien de vrederechter dat nuttig acht, wordt de handelszaak van de vermoedelijk afwezige voortgezet door zijn gerechtelijk bewindvoerder onder de door de vrederechter vastgestelde voorwaarden. Het bestuur ervan kan worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de gerechtelijk bewindvoerder. De bijzondere bewindvoerder wordt aangewezen door de rechtbank van koophandel op verzoek van de vrederechter.
§ 4. Onverminderd het eventueel bestaande huwelijksvermogensstelsel tussen de vermoedelijk afwezige en de gerechtelijk bewindvoerder, worden de gelden en de goederen van de vermoedelijk afwezige volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de bewindvoerder. De banktegoeden van de vermoedelijk afwezige worden op zijn naam ingeschreven. "
" Art. 115. § 1. De gerechtelijk bewindvoerder heeft tot taak de goederen van de vermoedelijk afwezige als een goede huisvader te beheren. Hij kan zich in zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.
§ 2. Wanneer de belangen van de gerechtelijk bewindvoerder in strijd zijn met die van de vermoedelijk afwezige, kan hij slechts optreden krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter. Deze machtiging wordt verleend bij een met redenen omklede beschikking op verzoek van de gerechtelijk bewindvoerder. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
§ 3. Bij gebreke van aanwijzingen in de in artikel 113 bedoelde beschikking, vertegenwoordigt de gerechtelijk bewindvoerder de vermoedelijk afwezige in alle rechtshandelingen en procedures als eiser of als verweerder, behalve wanneer de echtgenoot van de vermoedelijk afwezige gemachtigd is om alleen te handelen overeenkomstig artikel 220, § 2, of artikel 1420.
De gerechtelijk bewindvoerder kan slechts krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter :
1° de vermoedelijke afwezige in rechte vertegenwoordigen als eiser bij de andere rechtsplegingen en handelingen dan die :
- met betrekking tot huurcontracten;
- met betrekking tot bewoning zonder akte of bewijs;
- met betrekking tot sociale wetgeving ten gunste van de vermoedelijk afwezige;
- met betrekking tot de burgerlijke partijstelling;
- bedoeld in de artikelen 1187, tweede lid, 1193bis en 1225 van het Gerechtelijk Wetboek;
2° de roerende en onroerende goederen van de vermoedelijk afwezige vervreemden;
3° leningen aangaan en hypotheken toestaan alsook toestemming geven tot het doorhalen van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en tot de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;
4° berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
5° een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel verwerpen of aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden;
6° een schenking of een legaat onder bijzondere titel aanvaarden;
7° een pachtovereenkomst of een handelshuurovereenkomst sluiten alsook een handelshuurovereenkomst hernieuwen en een huurovereenkomst voor een duur van meer dan negen jaar sluiten;
8° een dading aangaan of een arbitrageovereenkomst sluiten;
9° een onroerend goed aankopen.
De vrederechter wordt geadieerd bij eenzijdig verzoekschrift. Hij wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan de mening vragen van eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, onverminderd de artikelen 1186 en 1193bis van het Gerechtelijk Wetboek, inzake verkopingen van onroerende goederen.
De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
Indien de vrederechter dat nuttig acht, wordt de handelszaak van de vermoedelijk afwezige voortgezet door zijn gerechtelijk bewindvoerder onder de door de vrederechter vastgestelde voorwaarden. Het bestuur ervan kan worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de gerechtelijk bewindvoerder. De bijzondere bewindvoerder wordt aangewezen door de rechtbank van koophandel op verzoek van de vrederechter.
§ 4. Onverminderd het eventueel bestaande huwelijksvermogensstelsel tussen de vermoedelijk afwezige en de gerechtelijk bewindvoerder, worden de gelden en de goederen van de vermoedelijk afwezige volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de bewindvoerder. De banktegoeden van de vermoedelijk afwezige worden op zijn naam ingeschreven. "
Art. 8. L'article 115 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 115. § 1er. L'administrateur judiciaire a pour mission de gérer les biens du présumé absent en bon père de famille. II peut se faire assister dans sa gestion par une ou plusieurs personnes agissant sous sa responsabilité.
§ 2. L'administrateur judiciaire ne peut agir que moyennant une autorisation spéciale du juge de paix lorsque ses intérêts sont en opposition avec ceux du présumé absent. Cette autorisation est accordée par ordonnance motivée, sur requête de l'administrateur judiciaire. Les articles 1026 à 1034 du Code judiciaire sont applicables.
§ 3. En l'absence d'indication dans l'ordonnance visée à l'article 113, l'administrateur judiciaire représente la personne présumée absente dans tous les actes juridiques et toutes les procédures, comme demandeur ou comme défendeur, sauf si le conjoint du présumé absent est autorisé à agir seul conformément à l'article 220, § 2, ou à l'article 1420.
L'administrateur judiciaire ne peut agir que moyennant une autorisation spéciale du juge de paix pour :
1° représenter la personne présumée absente en justice comme demandeur dans les procédures et actes autres que ceux :
- relatifs aux contrats locatifs;
- relatifs à l'occupation sans titre ni droit;
- relatifs à la législation sociale en faveur de la personne présumée absente;
- relatifs à la constitution de partie civile;
- prévus aux articles 1187, alinéa 2, 1193bis, et 1225 du Code judiciaire;
2° aliéner les biens meubles et immeubles du présumé absent;
3° emprunter et consentir hypothèque ainsi que permettre la radiation d'une inscription hypothécaire, avec ou sans quittance, et la transcription d'une ordonnance de saisie-exécution sans paiement;
4° acquiescer à une demande relative à des droits immobiliers;
5° renoncer à une succession ou à un legs universel ou à titre universel ou l'accepter, ce qui ne pourra se faire que sous bénéfice d'inventaire;
6° accepter une donation ou un legs à titre particulier;
7° conclure un bail à ferme ou un bail commercial, ainsi que renouveler un bail commercial et conclure un bail d'une durée de plus de neuf ans;
8° transiger ou conclure une convention d'arbitrage;
9° acheter un bien immeuble.
Le juge de paix est saisi par requête unilatérale. II s'entoure de tous les renseignements utiles; il peut recueillir l'avis de toute personne qu'il estime apte à le renseigner, sans préjudice des articles 1186 et 1193bis du Code judiciaire, en matière de vente d'immeubles.
Les articles 1026 à 1034 du Code judiciaire sont applicables.
Le commerce de la personne présumée absente est continué par son administrateur judiciaire, si le juge de paix l'estime utile et aux conditions qu'il détermine. La direction peut en être confiée à un administrateur spécial sous la surveillance de l'administrateur judiciaire. L'administrateur spécial est désigné par le tribunal de commerce à la demande du juge de paix.
§ 4. Sans préjudice du régime matrimonial existant, le cas échéant, entre la personne présumée absente et l'administrateur judiciaire, les fonds et les biens du présumé absent sont entièrement et nettement séparés du patrimoine personnel de l'administrateur. Les avoirs bancaires du présumé absent sont inscrits à son nom propre. "
" Art. 115. § 1er. L'administrateur judiciaire a pour mission de gérer les biens du présumé absent en bon père de famille. II peut se faire assister dans sa gestion par une ou plusieurs personnes agissant sous sa responsabilité.
§ 2. L'administrateur judiciaire ne peut agir que moyennant une autorisation spéciale du juge de paix lorsque ses intérêts sont en opposition avec ceux du présumé absent. Cette autorisation est accordée par ordonnance motivée, sur requête de l'administrateur judiciaire. Les articles 1026 à 1034 du Code judiciaire sont applicables.
§ 3. En l'absence d'indication dans l'ordonnance visée à l'article 113, l'administrateur judiciaire représente la personne présumée absente dans tous les actes juridiques et toutes les procédures, comme demandeur ou comme défendeur, sauf si le conjoint du présumé absent est autorisé à agir seul conformément à l'article 220, § 2, ou à l'article 1420.
L'administrateur judiciaire ne peut agir que moyennant une autorisation spéciale du juge de paix pour :
1° représenter la personne présumée absente en justice comme demandeur dans les procédures et actes autres que ceux :
- relatifs aux contrats locatifs;
- relatifs à l'occupation sans titre ni droit;
- relatifs à la législation sociale en faveur de la personne présumée absente;
- relatifs à la constitution de partie civile;
- prévus aux articles 1187, alinéa 2, 1193bis, et 1225 du Code judiciaire;
2° aliéner les biens meubles et immeubles du présumé absent;
3° emprunter et consentir hypothèque ainsi que permettre la radiation d'une inscription hypothécaire, avec ou sans quittance, et la transcription d'une ordonnance de saisie-exécution sans paiement;
4° acquiescer à une demande relative à des droits immobiliers;
5° renoncer à une succession ou à un legs universel ou à titre universel ou l'accepter, ce qui ne pourra se faire que sous bénéfice d'inventaire;
6° accepter une donation ou un legs à titre particulier;
7° conclure un bail à ferme ou un bail commercial, ainsi que renouveler un bail commercial et conclure un bail d'une durée de plus de neuf ans;
8° transiger ou conclure une convention d'arbitrage;
9° acheter un bien immeuble.
Le juge de paix est saisi par requête unilatérale. II s'entoure de tous les renseignements utiles; il peut recueillir l'avis de toute personne qu'il estime apte à le renseigner, sans préjudice des articles 1186 et 1193bis du Code judiciaire, en matière de vente d'immeubles.
Les articles 1026 à 1034 du Code judiciaire sont applicables.
Le commerce de la personne présumée absente est continué par son administrateur judiciaire, si le juge de paix l'estime utile et aux conditions qu'il détermine. La direction peut en être confiée à un administrateur spécial sous la surveillance de l'administrateur judiciaire. L'administrateur spécial est désigné par le tribunal de commerce à la demande du juge de paix.
§ 4. Sans préjudice du régime matrimonial existant, le cas échéant, entre la personne présumée absente et l'administrateur judiciaire, les fonds et les biens du présumé absent sont entièrement et nettement séparés du patrimoine personnel de l'administrateur. Les avoirs bancaires du présumé absent sont inscrits à son nom propre. "
Art. 9. Artikel 116 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 116. Is de vermoedelijk afwezige betrokken bij een verdeling of een erfenis, dan wordt hij vertegenwoordigd door de gerechtelijk bewindvoerder aangewezen overeenkomstig artikel 113.
Is er geen bewindvoerder aangewezen en heeft de vermoedelijk afwezige geen algemeen gevolmachtigde aangewezen om zijn goederen te beheren, dan kan de vrederechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, een notaris aanwijzen om hem te vertegenwoordigen.
Iedere verdeling waarbij de vermoedelijk afwezige betrokken is, geschiedt overeenkomstig artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek. "
" Art. 116. Is de vermoedelijk afwezige betrokken bij een verdeling of een erfenis, dan wordt hij vertegenwoordigd door de gerechtelijk bewindvoerder aangewezen overeenkomstig artikel 113.
Is er geen bewindvoerder aangewezen en heeft de vermoedelijk afwezige geen algemeen gevolmachtigde aangewezen om zijn goederen te beheren, dan kan de vrederechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, een notaris aanwijzen om hem te vertegenwoordigen.
Iedere verdeling waarbij de vermoedelijk afwezige betrokken is, geschiedt overeenkomstig artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek. "
Art. 9. L'article 116 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 116. Si le présumé absent est appelé à un partage ou à une succession, il est représenté par l'administrateur judiciaire désigné conformément à l'article 113.
S'il n'y a pas d'administrateur désigné et si le présumé absent n'a pas donné procuration à un mandataire général pour gérer ses biens, le juge de paix peut, soit d'office, soit à la demande de toute personne intéressée ou du procureur du Roi, désigner un notaire pour le représenter.
Tout partage dans lequel est intéressé un présumé absent est fait conformément à l'article 1225 du Code judiciaire. "
" Art. 116. Si le présumé absent est appelé à un partage ou à une succession, il est représenté par l'administrateur judiciaire désigné conformément à l'article 113.
S'il n'y a pas d'administrateur désigné et si le présumé absent n'a pas donné procuration à un mandataire général pour gérer ses biens, le juge de paix peut, soit d'office, soit à la demande de toute personne intéressée ou du procureur du Roi, désigner un notaire pour le représenter.
Tout partage dans lequel est intéressé un présumé absent est fait conformément à l'article 1225 du Code judiciaire. "
Art. 10. Artikel 117 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 117. § 1. Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis waarbij de rechtbank van eerste aanleg het vermoeden van afwezigheid heeft vastgesteld.
Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert of indien men van hem nieuws ontvangt tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de vermoedelijk afwezige, van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.
De vermoedelijk afwezige krijgt de goederen terug die tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid voor zijn rekening werden beheerd of verworven. De handelingen die de gerechtelijk bewindvoerder of de notaris bedoeld in artikel 116, tweede lid, op regelmatige wijze heeft verricht, kunnen hem worden tegengeworpen, behalve wanneer daarbij bedrog is gepleegd.
§ 2. Indien de vermoedelijk afwezige afwezig wordt verklaard, indien hij overleden is of indien hij gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.
§ 3. Onverminderd de toepassing van de artikelen 1358 tot 1369 van het Gerechtelijk Wetboek, dient de gerechtelijk bewindvoerder binnen dertig dagen na de beschikking waarmee een eind wordt gemaakt aan zijn mandaat, zijn eindverslag in ter griffie van het vredegerecht.
Indien de vermoedelijk afwezige gehuwd was op de dag van zijn verdwijnen en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen dat toebehoort aan de vermoedelijk afwezige en aan zijn echtgenoot, en dient hij de inventaris binnen de in § 1 bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht.
Indien de vermoedelijk afwezige wettelijk samenwoonde op de dag van zijn verdwijning en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn op grond van artikel 1478 en dient hij die inventaris binnen de in het eerste lid bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht. Hij handelt op dezelfde wijze ingeval de wettelijk samenwonende van de vermoedelijk afwezige na de vaststelling van het vermoeden van afwezigheid de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, tweede lid, beëindigt. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de gerechtelijk bewindvoerder in kennis van de beslissing om de wettelijke samenwoning te beëindigen.
Het eindverslag en, in voorkomend geval, de inventaris worden bij het dossier bedoeld in artikel 114, § 2, gevoegd. "
" Art. 117. § 1. Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis waarbij de rechtbank van eerste aanleg het vermoeden van afwezigheid heeft vastgesteld.
Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert of indien men van hem nieuws ontvangt tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de vermoedelijk afwezige, van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.
De vermoedelijk afwezige krijgt de goederen terug die tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid voor zijn rekening werden beheerd of verworven. De handelingen die de gerechtelijk bewindvoerder of de notaris bedoeld in artikel 116, tweede lid, op regelmatige wijze heeft verricht, kunnen hem worden tegengeworpen, behalve wanneer daarbij bedrog is gepleegd.
§ 2. Indien de vermoedelijk afwezige afwezig wordt verklaard, indien hij overleden is of indien hij gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.
§ 3. Onverminderd de toepassing van de artikelen 1358 tot 1369 van het Gerechtelijk Wetboek, dient de gerechtelijk bewindvoerder binnen dertig dagen na de beschikking waarmee een eind wordt gemaakt aan zijn mandaat, zijn eindverslag in ter griffie van het vredegerecht.
Indien de vermoedelijk afwezige gehuwd was op de dag van zijn verdwijnen en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen dat toebehoort aan de vermoedelijk afwezige en aan zijn echtgenoot, en dient hij de inventaris binnen de in § 1 bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht.
Indien de vermoedelijk afwezige wettelijk samenwoonde op de dag van zijn verdwijning en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn op grond van artikel 1478 en dient hij die inventaris binnen de in het eerste lid bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht. Hij handelt op dezelfde wijze ingeval de wettelijk samenwonende van de vermoedelijk afwezige na de vaststelling van het vermoeden van afwezigheid de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, tweede lid, beëindigt. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de gerechtelijk bewindvoerder in kennis van de beslissing om de wettelijke samenwoning te beëindigen.
Het eindverslag en, in voorkomend geval, de inventaris worden bij het dossier bedoeld in artikel 114, § 2, gevoegd. "
Art. 10. L'article 117 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 117. § 1er. Si le présumé absent reparaît, il peut former tierce opposition contre le jugement par lequel le tribunal de première instance a constaté la présomption d'absence.
Si le présumé absent reparaît ou donne de ses nouvelles durant la période de présomption d'absence, le juge de paix met fin par ordonnance motivée, soit d'office, soit à la demande du présumé absent, du procureur du Roi ou de toute personne intéressée, au mandat de l'administrateur judiciaire.
Le présumé absent recouvre les biens gérés ou acquis pour son compte durant la période de présomption d'absence. Les actes régulièrement accomplis par l'administrateur judiciaire ou par le notaire visé à l'article 116, alinéa 2, lui sont opposables, sauf dans le cas où ils auraient été accomplis en fraude.
§ 2. Si le présumé absent est déclaré absent, s'il est décédé ou si son décès est déclaré judiciairement, le juge de paix met fin par ordonnance motivée, soit d'office, soit à la demande du procureur du Roi ou de toute personne intéressée, au mandat de l'administrateur judiciaire.
§ 3. Sans préjudice de l'application des articles 1358 à 1369 du Code judiciaire, l'administrateur judiciaire dépose dans les trente jours de l'ordonnance mettant fin à son mandat, son rapport final au greffe de la justice de paix.
Si le présumé absent était marié le jour de sa disparition et s'il est déclaré absent ou si son décès est déclaré judiciairement, l'administrateur judiciaire dresse un inventaire de tous les biens meubles et immeubles faisant partie du patrimoine commun appartenant au présumé absent et à son conjoint, et le dépose dans le délai visé à l'alinéa 1er, au greffe de la justice de paix.
Si le présumé absent était cohabitant légal le jour de sa disparition et s'il est déclaré absent ou si son décès est déclaré judiciairement, l'administrateur judiciaire dresse un inventaire de tous les biens meubles et immeubles réputés en indivision en vertu de l'article 1478, et le dépose dans le délai visé à l'alinéa 1er, au greffe de la justice de paix. Il procède de même lorsqu'après la constatation de présomption d'absence, le cohabitant légal du présumé absent met fin à la cohabitation légale conformément à l'article 1476, § 2, alinéa 2. L'officier de l'état civil informe l'administrateur judiciaire de la décision de mettre fin à la cohabitation légale.
Le rapport final et, le cas échéant, l'inventaire sont joints au dossier visé à l'article 114, § 2. "
" Art. 117. § 1er. Si le présumé absent reparaît, il peut former tierce opposition contre le jugement par lequel le tribunal de première instance a constaté la présomption d'absence.
Si le présumé absent reparaît ou donne de ses nouvelles durant la période de présomption d'absence, le juge de paix met fin par ordonnance motivée, soit d'office, soit à la demande du présumé absent, du procureur du Roi ou de toute personne intéressée, au mandat de l'administrateur judiciaire.
Le présumé absent recouvre les biens gérés ou acquis pour son compte durant la période de présomption d'absence. Les actes régulièrement accomplis par l'administrateur judiciaire ou par le notaire visé à l'article 116, alinéa 2, lui sont opposables, sauf dans le cas où ils auraient été accomplis en fraude.
§ 2. Si le présumé absent est déclaré absent, s'il est décédé ou si son décès est déclaré judiciairement, le juge de paix met fin par ordonnance motivée, soit d'office, soit à la demande du procureur du Roi ou de toute personne intéressée, au mandat de l'administrateur judiciaire.
§ 3. Sans préjudice de l'application des articles 1358 à 1369 du Code judiciaire, l'administrateur judiciaire dépose dans les trente jours de l'ordonnance mettant fin à son mandat, son rapport final au greffe de la justice de paix.
Si le présumé absent était marié le jour de sa disparition et s'il est déclaré absent ou si son décès est déclaré judiciairement, l'administrateur judiciaire dresse un inventaire de tous les biens meubles et immeubles faisant partie du patrimoine commun appartenant au présumé absent et à son conjoint, et le dépose dans le délai visé à l'alinéa 1er, au greffe de la justice de paix.
Si le présumé absent était cohabitant légal le jour de sa disparition et s'il est déclaré absent ou si son décès est déclaré judiciairement, l'administrateur judiciaire dresse un inventaire de tous les biens meubles et immeubles réputés en indivision en vertu de l'article 1478, et le dépose dans le délai visé à l'alinéa 1er, au greffe de la justice de paix. Il procède de même lorsqu'après la constatation de présomption d'absence, le cohabitant légal du présumé absent met fin à la cohabitation légale conformément à l'article 1476, § 2, alinéa 2. L'officier de l'état civil informe l'administrateur judiciaire de la décision de mettre fin à la cohabitation légale.
Le rapport final et, le cas échéant, l'inventaire sont joints au dossier visé à l'article 114, § 2. "
Art. 11. In boek I, titel IV, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt, na artikel 117, een afdeling II ingevoegd, bestaande uit de artikelen 118 tot 124, met als opschrift :
" Afdeling II. - Verklaring van afwezigheid "
" Afdeling II. - Verklaring van afwezigheid "
Art. 11. II est inséré dans le Livre premier, Titre IV, Chapitre premier, du même Code, après l'article 117, une section II, comprenant les articles 118 à 124, intitulée comme suit :
" Section II. - De la déclaration d'absence "
" Section II. - De la déclaration d'absence "
Art. 12. Artikel 118 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 december 1949, wordt vervangen als volgt :
" Art. 118. § 1. Wanneer er vijf jaar verlopen zijn sinds het vonnis waarbij het vermoeden van afwezigheid werd vastgesteld, of zeven jaar sinds men voor het laatst nieuws ontvangen heeft van de afwezige, kan de verklaring van afwezigheid worden uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings.
§ 2. De griffier moet, in voorkomend geval, een eensluidend verklaard afschrift van het vonnis houdende verklaring van afwezigheid ter kennis brengen van de in artikel 112, § 2, bedoelde vrederechter. "
" Art. 118. § 1. Wanneer er vijf jaar verlopen zijn sinds het vonnis waarbij het vermoeden van afwezigheid werd vastgesteld, of zeven jaar sinds men voor het laatst nieuws ontvangen heeft van de afwezige, kan de verklaring van afwezigheid worden uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings.
§ 2. De griffier moet, in voorkomend geval, een eensluidend verklaard afschrift van het vonnis houdende verklaring van afwezigheid ter kennis brengen van de in artikel 112, § 2, bedoelde vrederechter. "
Art. 12. L'article 118 du même Code, modifié par la loi du 15 décembre 1949, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 118. § 1er. Lorsqu'il s'est écoulé cinq ans depuis le jugement qui a constaté la présomption d'absence, ou sept ans depuis les dernières nouvelles reçues de l'absent, l'absence peut être déclarée par le tribunal de première instance à la demande de toute personne intéressée ou du procureur du Roi.
§ 2. Une copie certifiée conforme du jugement déclarant l'absence est, le cas échéant, notifiée par le greffier au juge de paix visé à l'article 112, § 2. "
" Art. 118. § 1er. Lorsqu'il s'est écoulé cinq ans depuis le jugement qui a constaté la présomption d'absence, ou sept ans depuis les dernières nouvelles reçues de l'absent, l'absence peut être déclarée par le tribunal de première instance à la demande de toute personne intéressée ou du procureur du Roi.
§ 2. Une copie certifiée conforme du jugement déclarant l'absence est, le cas échéant, notifiée par le greffier au juge de paix visé à l'article 112, § 2. "
Art. 13. Artikel 119 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 119. Het in artikel 118 bedoelde verzoek wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats in België van de afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, in het gerechtelijk arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure.
De rechtbank kan alle andere maatregelen bevelen die zij nodig acht om dit verzoek bekend te maken. "
" Art. 119. Het in artikel 118 bedoelde verzoek wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats in België van de afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, in het gerechtelijk arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure.
De rechtbank kan alle andere maatregelen bevelen die zij nodig acht om dit verzoek bekend te maken. "
Art. 13. L'article 119 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 119. La demande prévue à l'article 118 est, à la diligence du greffier, publiée par extrait au Moniteur belge, dans deux quotidiens diffusés dans l'arrondissement judiciaire du dernier domicile en Belgique de l'absent ou, si celui-ci n'a jamais eu de domicile en Belgique, dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles ainsi que dans un quotidien à diffusion nationale dans la langue de la procédure.
Le tribunal peut ordonner toutes les mesures qu'il estime utiles pour assurer la publicité de cette requête. "
" Art. 119. La demande prévue à l'article 118 est, à la diligence du greffier, publiée par extrait au Moniteur belge, dans deux quotidiens diffusés dans l'arrondissement judiciaire du dernier domicile en Belgique de l'absent ou, si celui-ci n'a jamais eu de domicile en Belgique, dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles ainsi que dans un quotidien à diffusion nationale dans la langue de la procédure.
Le tribunal peut ordonner toutes les mesures qu'il estime utiles pour assurer la publicité de cette requête. "
Art. 14. In hetzelfde Wetboek vervallen de opschriften " Hoofdstuk III. - Gevolgen van afwezigheid " en " Afdeling I. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van de goederen die de afwezige bezat op de dag van zijn verdwijning ".
Art. 14. Dans le même Code, les intitulés " Chapitre III. - Des effets de l'absence " et " Section 1er. - Des effets de l'absence relativement aux biens que l'absent possédait au jour de sa disparition " sont supprimés.
Art. 15. Artikel 120 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 120. De rechtbank van eerste aanleg mag een vonnis houdende verklaring van afwezigheid eerst wijzen een jaar na de laatste bekendmaking bepaald in artikel 119, eerste lid.
Het vonnis houdende verklaring van afwezigheid wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikel 119, binnen de termijn bepaald door de rechtbank. "
" Art. 120. De rechtbank van eerste aanleg mag een vonnis houdende verklaring van afwezigheid eerst wijzen een jaar na de laatste bekendmaking bepaald in artikel 119, eerste lid.
Het vonnis houdende verklaring van afwezigheid wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikel 119, binnen de termijn bepaald door de rechtbank. "
Art. 15. L'article 120 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 120. Le tribunal de première instance ne rendra un jugement de déclaration d'absence qu'un an après la dernière publication prévue à l'article 119, alinéa 1er.
Le jugement de déclaration d'absence est publié par extrait selon les modalités prévues à l'article 119, dans le délai fixé par le tribunal. "
" Art. 120. Le tribunal de première instance ne rendra un jugement de déclaration d'absence qu'un an après la dernière publication prévue à l'article 119, alinéa 1er.
Le jugement de déclaration d'absence est publié par extrait selon les modalités prévues à l'article 119, dans le délai fixé par le tribunal. "
Art. 16. Artikel 121 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 121. § 1. Het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid vermeldt de gegevens opgesomd in artikel 79; het stelt, in voorkomend geval, de onmogelijkheid vast om sommige van die gegevens te vermelden.
Op verzoek van de procureur des Konings wordt het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van gewijsde is gegaan, overgeschreven in de lopende registers van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats in België van de afwezige. Heeft deze nooit een woonplaats in België gehad, dan geschiedt de overschrijving te Brussel.
§ 2. De beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt als een akte van de burgerlijke stand.
Zij heeft alle gevolgen van het overlijden vanaf de datum van de overschrijving.
Deze akte kan worden verbeterd overeenkomstig artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid wanneer het bewijs wordt geleverd dat de afwezig verklaarde persoon nog in leven is. "
" Art. 121. § 1. Het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid vermeldt de gegevens opgesomd in artikel 79; het stelt, in voorkomend geval, de onmogelijkheid vast om sommige van die gegevens te vermelden.
Op verzoek van de procureur des Konings wordt het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van gewijsde is gegaan, overgeschreven in de lopende registers van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats in België van de afwezige. Heeft deze nooit een woonplaats in België gehad, dan geschiedt de overschrijving te Brussel.
§ 2. De beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt als een akte van de burgerlijke stand.
Zij heeft alle gevolgen van het overlijden vanaf de datum van de overschrijving.
Deze akte kan worden verbeterd overeenkomstig artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid wanneer het bewijs wordt geleverd dat de afwezig verklaarde persoon nog in leven is. "
Art. 16. L'article 121 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 121. § 1er. Le dispositif de la décision déclarative d'absence contient les énonciations prévues à l'article 79; il constate le cas échéant l'impossibilité de faire mention de certaines d'entre elles.
Sur requête du procureur du Roi, le dispositif de la décision déclarative d'absence coulée en force de chose jugée est transcrit sur les registres courants de l'état civil du lieu du dernier domicile en Belgique de l'absent. Si celui-ci n'en a jamais eu, la transcription se fait à Bruxelles.
§ 2. La décision déclarative d'absence coulée en force de chose jugée tient lieu d'acte de l'état civil.
Elle produit tous les effets du décès à la date de sa transcription.
Cet acte peut être rectifié conformément à l'article 101 du présent Code et aux articles 1383 à 1385 du Code judiciaire, notamment en cas de preuve que la personne déclarée absente est en vie. "
" Art. 121. § 1er. Le dispositif de la décision déclarative d'absence contient les énonciations prévues à l'article 79; il constate le cas échéant l'impossibilité de faire mention de certaines d'entre elles.
Sur requête du procureur du Roi, le dispositif de la décision déclarative d'absence coulée en force de chose jugée est transcrit sur les registres courants de l'état civil du lieu du dernier domicile en Belgique de l'absent. Si celui-ci n'en a jamais eu, la transcription se fait à Bruxelles.
§ 2. La décision déclarative d'absence coulée en force de chose jugée tient lieu d'acte de l'état civil.
Elle produit tous les effets du décès à la date de sa transcription.
Cet acte peut être rectifié conformément à l'article 101 du présent Code et aux articles 1383 à 1385 du Code judiciaire, notamment en cas de preuve que la personne déclarée absente est en vie. "
Art. 17. Artikel 122 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 122. Indien de afwezige terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis van verklaring van afwezigheid uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg, waarna artikel 121, § 2, derde lid wordt toegepast.
Indien het bewijs van het bestaan van de afwezige geleverd wordt na de dag waarop de beslissing houdende verklaring van afwezigheid in kracht van gewijsde is gegaan, wordt artikel 121, § 2, derde lid, toegepast. "
" Art. 122. Indien de afwezige terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis van verklaring van afwezigheid uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg, waarna artikel 121, § 2, derde lid wordt toegepast.
Indien het bewijs van het bestaan van de afwezige geleverd wordt na de dag waarop de beslissing houdende verklaring van afwezigheid in kracht van gewijsde is gegaan, wordt artikel 121, § 2, derde lid, toegepast. "
Art. 17. L'article 122 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 122. Si l'absent reparaît, il peut faire tierce opposition au jugement déclaratif d'absence prononcé par le tribunal de première instance; il sera ensuite fait application de l'article 121, § 2, alinéa 3.
Si l'existence de l'absent est prouvée après le jour où la décision déclarative d'absence est coulée en force de chose jugée, il est fait application de l'article 121, § 2, alinéa 3. "
" Art. 122. Si l'absent reparaît, il peut faire tierce opposition au jugement déclaratif d'absence prononcé par le tribunal de première instance; il sera ensuite fait application de l'article 121, § 2, alinéa 3.
Si l'existence de l'absent est prouvée après le jour où la décision déclarative d'absence est coulée en force de chose jugée, il est fait application de l'article 121, § 2, alinéa 3. "
Art. 18. Artikel 123 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 123. Het op grond van artikel 122 gewezen vonnis houdende verbetering wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de bij artikel 119 bepaalde wijze en binnen de door de rechtbank bepaalde termijn. "
" Art. 123. Het op grond van artikel 122 gewezen vonnis houdende verbetering wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de bij artikel 119 bepaalde wijze en binnen de door de rechtbank bepaalde termijn. "
Art. 18. L'article 123 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 123. Le jugement de rectification prononcé sur la base de l'article 122 est publié par extrait, selon les modalités prévues à l'article 119 et dans le délai fixé par le tribunal. "
" Art. 123. Le jugement de rectification prononcé sur la base de l'article 122 est publié par extrait, selon les modalités prévues à l'article 119 et dans le délai fixé par le tribunal. "
Art. 19. Artikel 124 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
" Art. 124. Indien de afwezige terugkeert of indien het bewijs van zijn bestaan geleverd wordt, krijgt de afwezige door het vonnis houdende verbetering zijn goederen en de goederen die hij tijdens zijn afwezigheid had moeten verkrijgen, terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd, en de goederen die door wederbelegging mochten zijn verkregen.
Zijn huwelijk en zijn huwelijksvermogensstelsel blijven ontbonden. Onverminderd de toepassing van de artikelen 1205 tot 1224 van het Gerechtelijk Wetboek, krijgt de afwezige zijn deel van de goederen van het gemeenschappelijk vermogen in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd, op grond van de inventaris opgemaakt overeenkomstig artikel 117, § 3, tweede lid.
Ingeval de afwezige wettelijk samenwoonde, krijgt hij zijn deel van de goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsmede het deel van de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd op grond van de inventaris die werd opgesteld overeenkomstig artikel 117, § 3, derde lid.
Er wordt een einde gemaakt aan de maatregelen ten aanzien van de minderjarige kinderen. "
" Art. 124. Indien de afwezige terugkeert of indien het bewijs van zijn bestaan geleverd wordt, krijgt de afwezige door het vonnis houdende verbetering zijn goederen en de goederen die hij tijdens zijn afwezigheid had moeten verkrijgen, terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd, en de goederen die door wederbelegging mochten zijn verkregen.
Zijn huwelijk en zijn huwelijksvermogensstelsel blijven ontbonden. Onverminderd de toepassing van de artikelen 1205 tot 1224 van het Gerechtelijk Wetboek, krijgt de afwezige zijn deel van de goederen van het gemeenschappelijk vermogen in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd, op grond van de inventaris opgemaakt overeenkomstig artikel 117, § 3, tweede lid.
Ingeval de afwezige wettelijk samenwoonde, krijgt hij zijn deel van de goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsmede het deel van de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd op grond van de inventaris die werd opgesteld overeenkomstig artikel 117, § 3, derde lid.
Er wordt een einde gemaakt aan de maatregelen ten aanzien van de minderjarige kinderen. "
Art. 19. L'article 124 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 124. En cas de réapparition de l'absent ou de preuve de son existence, le jugement de rectification permet à l'absent de retrouver ses biens et ceux qu'il aurait dû recueillir pendant son absence dans l'état où ils se trouvent et le prix de ceux qui auraient été aliénés de même que les biens éventuellement acquis en remploi.
Son mariage et son régime matrimonial restent dissous. Sans préjudice de l'application des articles 1205 à 1224 du Code judiciaire, l'absent retrouve sa part des biens du patrimoine commun dans l'état où ils se trouvent, et celle du prix de ceux qui auraient été aliénés, sur la base de l'inventaire établi conformément à l'article 117, § 3, alinéa 2.
S'il était cohabitant légal, l'absent retrouve sa part des biens réputés en indivision dans l'état où ils se trouvent, et celle du prix de ceux qui auraient été aliénés, sur la base de l'inventaire établi conformément à l'article 117, § 3, alinéa 3.
II est mis fin aux mesures prises à l'égard des enfants mineurs. "
" Art. 124. En cas de réapparition de l'absent ou de preuve de son existence, le jugement de rectification permet à l'absent de retrouver ses biens et ceux qu'il aurait dû recueillir pendant son absence dans l'état où ils se trouvent et le prix de ceux qui auraient été aliénés de même que les biens éventuellement acquis en remploi.
Son mariage et son régime matrimonial restent dissous. Sans préjudice de l'application des articles 1205 à 1224 du Code judiciaire, l'absent retrouve sa part des biens du patrimoine commun dans l'état où ils se trouvent, et celle du prix de ceux qui auraient été aliénés, sur la base de l'inventaire établi conformément à l'article 117, § 3, alinéa 2.
S'il était cohabitant légal, l'absent retrouve sa part des biens réputés en indivision dans l'état où ils se trouvent, et celle du prix de ceux qui auraient été aliénés, sur la base de l'inventaire établi conformément à l'article 117, § 3, alinéa 3.
II est mis fin aux mesures prises à l'égard des enfants mineurs. "
Art. 20. In boek I, titel IV, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 124, een afdeling III ingevoegd, bestaande uit het artikel 125, met als opschrift :
" Afdeling III. - Gevolgen van de afwezigheid of van het vermoeden van afwezigheid voor de minderjarige kinderen ".
" Afdeling III. - Gevolgen van de afwezigheid of van het vermoeden van afwezigheid voor de minderjarige kinderen ".
Art. 20. II est inséré dans le livre premier, titre IV, chapitre premier du même Code, après l'article 124, une section III, comprenant l'article 125, intitulée comme suit :
" Section III. - Des effets de l'absence ou de la présomption d'absence sur les enfants mineurs ".
" Section III. - Des effets de l'absence ou de la présomption d'absence sur les enfants mineurs ".
Art. 21. Artikel 125 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 125. Indien er minderjarige kinderen zijn, moet de griffier een eensluidend verklaard afschrift van elke beslissing gewezen op grond van de artikelen 112, 113, 117, 118 en 122 ter kennis brengen van de territoriaal bevoegde vrederechter. Deze laatste handelt overeenkomstig de regels voor de voogdij. "
" Art. 125. Indien er minderjarige kinderen zijn, moet de griffier een eensluidend verklaard afschrift van elke beslissing gewezen op grond van de artikelen 112, 113, 117, 118 en 122 ter kennis brengen van de territoriaal bevoegde vrederechter. Deze laatste handelt overeenkomstig de regels voor de voogdij. "
Art. 21. L'article 125 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 125. S'il existe des enfants mineurs, une copie certifiée conforme de toute décision rendue en application des articles 112, 113, 117, 118 et 122 est notifiée par le greffier au juge de paix compétent territorialement. Celui-ci procède conformément aux règles de la tutelle. "
" Art. 125. S'il existe des enfants mineurs, une copie certifiée conforme de toute décision rendue en application des articles 112, 113, 117, 118 et 122 est notifiée par le greffier au juge de paix compétent territorialement. Celui-ci procède conformément aux règles de la tutelle. "
Art. 22. In boek I, titel IV, van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, bestaande uit de artikelen 126 tot 135, met als opschrift :
" Hoofdstuk lI. - Gerechtelijke verklaring van overlijden ".
" Hoofdstuk lI. - Gerechtelijke verklaring van overlijden ".
Art. 22. Il est inséré dans le Livre premier, Titre IV, du même Code, un Chapitre II, comprenant les articles 126 à 135, intitulé comme suit :
" Chapitre II. - De la déclaration judiciaire de décès ".
" Chapitre II. - De la déclaration judiciaire de décès ".
Art. 23. Artikel 126 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
" Art. 126. Bij ontstentenis van een akte van overlijden, kan de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, die ambtshalve optreedt of op verzoek van de minister van Justitie, het overlijden verklaren van iedere persoon die in levensbedreigende omstandigheden verdween, indien zijn lichaam niet kon worden teruggevonden of niet kon worden geïdentificeerd, en zijn overlijden, gelet op de omstandigheden, als zeker kan worden beschouwd. "
" Art. 126. Bij ontstentenis van een akte van overlijden, kan de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, die ambtshalve optreedt of op verzoek van de minister van Justitie, het overlijden verklaren van iedere persoon die in levensbedreigende omstandigheden verdween, indien zijn lichaam niet kon worden teruggevonden of niet kon worden geïdentificeerd, en zijn overlijden, gelet op de omstandigheden, als zeker kan worden beschouwd. "
Art. 23. L'article 126 du même Code, modifié par la loi du 14 juillet 1976, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 126. En l'absence d'acte de décès, le tribunal de première instance peut, à la demande de toute personne intéressée ou du procureur du Roi, agissant d'office ou sur invitation du ministre de la Justice, déclarer le décès de toute personne disparue dans des circonstances de nature à mettre sa vie en danger, lorsque son corps n'a pu être retrouvé ou n'a pu être identifié, et que son décès peut être considéré comme certain eu égard aux circonstances. "
" Art. 126. En l'absence d'acte de décès, le tribunal de première instance peut, à la demande de toute personne intéressée ou du procureur du Roi, agissant d'office ou sur invitation du ministre de la Justice, déclarer le décès de toute personne disparue dans des circonstances de nature à mettre sa vie en danger, lorsque son corps n'a pu être retrouvé ou n'a pu être identifié, et que son décès peut être considéré comme certain eu égard aux circonstances. "
Art. 24. Artikel 127 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 127. Onverminderd de toepassing van artikel 1226 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de procureur des Konings het verzoek tot verklaring van overlijden van diverse personen instellen bij een enkel verzoekschrift en kan de rechtbank in dat geval uitspraak doen bij een enkel vonnis. "
" Art. 127. Onverminderd de toepassing van artikel 1226 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de procureur des Konings het verzoek tot verklaring van overlijden van diverse personen instellen bij een enkel verzoekschrift en kan de rechtbank in dat geval uitspraak doen bij een enkel vonnis. "
Art. 24. L'article 127 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 127. Sans préjudice de l'application de l'article 1226 du Code judiciaire, le procureur du Roi peut former la demande de déclaration de décès de plusieurs personnes par une seule requête et le tribunal peut dans ce cas statuer par un seul jugement. "
" Art. 127. Sans préjudice de l'application de l'article 1226 du Code judiciaire, le procureur du Roi peut former la demande de déclaration de décès de plusieurs personnes par une seule requête et le tribunal peut dans ce cas statuer par un seul jugement. "
Art. 25. Artikel 128 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 128. Is de verdwenen persoon betrokken bij een verdeling of een erfenis, dan gaat de rechtbank, overeenkomstig artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, over tot het aanwijzen van de notaris die zijn belangen moet vertegenwoordigen tot het tijdstip waarop het vonnis houdende verklaring van overlijden wordt uitgesproken. "
" Art. 128. Is de verdwenen persoon betrokken bij een verdeling of een erfenis, dan gaat de rechtbank, overeenkomstig artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, over tot het aanwijzen van de notaris die zijn belangen moet vertegenwoordigen tot het tijdstip waarop het vonnis houdende verklaring van overlijden wordt uitgesproken. "
Art. 25. L'article 128 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 128. Si la personne disparue est appelée à un partage ou à une succession, le tribunal procède, conformément à l'article 19 du Code judiciaire, à la désignation du notaire chargé de représenter ses intérêts, jusqu'au prononcé du jugement déclaratif de décès. "
" Art. 128. Si la personne disparue est appelée à un partage ou à une succession, le tribunal procède, conformément à l'article 19 du Code judiciaire, à la désignation du notaire chargé de représenter ses intérêts, jusqu'au prononcé du jugement déclaratif de décès. "
Art. 26. Artikel 129 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 129. De rechtbank kan bepalen dat het verzoek in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. In dat geval bepaalt de rechtbank de termijn tijdens welke hij, na deze bekendmaking, zijn uitspraak over het verzoek zal opschorten. "
" Art. 129. De rechtbank kan bepalen dat het verzoek in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. In dat geval bepaalt de rechtbank de termijn tijdens welke hij, na deze bekendmaking, zijn uitspraak over het verzoek zal opschorten. "
Art. 26. L'article 129 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 129. Le tribunal peut prescrire que la demande fera l'objet d'une mention au Moniteur belge. Dans ce cas, le tribunal fixe le délai pendant lequel il surseoira à statuer sur la demande après cette publication. "
" Art. 129. Le tribunal peut prescrire que la demande fera l'objet d'une mention au Moniteur belge. Dans ce cas, le tribunal fixe le délai pendant lequel il surseoira à statuer sur la demande après cette publication. "
Art. 27. Artikel 130 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 130. Binnen vijftien dagen na de uitspraak brengt de griffier het beschikkend gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de partijen. De termijn van hoger beroep bedraagt twee maanden te rekenen van deze kennisgeving. Het hoger beroep wordt bij verzoekschrift bij het hof van beroep ingesteld. Op straffe van nietigheid moet het binnen acht dagen na de datum waarop het verzoekschrift is ontvangen bij deurwaardersexploot of bij een ter post aangetekende brief ter kennis worden gebracht van de griffie van de rechtbank die de bestreden beslissing heeft gewezen. De griffier maakt van het beroep melding op de kant van de bestreden beslissing. De regels die gelden in eerste aanleg zijn van toepassing voor hoger beroep.
De griffier van het hof van beroep geeft kennis van het arrest overeenkomstig de bepalingen die gelden in eerste aanleg. De termijn voor voorziening in cassatie bedraagt één maand vanaf deze kennisgeving.
De termijn voor voorziening in cassatie en de voorziening tegen het arrest waarbij het overlijden wordt vastgesteld hebben schorsende kracht. "
" Art. 130. Binnen vijftien dagen na de uitspraak brengt de griffier het beschikkend gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de partijen. De termijn van hoger beroep bedraagt twee maanden te rekenen van deze kennisgeving. Het hoger beroep wordt bij verzoekschrift bij het hof van beroep ingesteld. Op straffe van nietigheid moet het binnen acht dagen na de datum waarop het verzoekschrift is ontvangen bij deurwaardersexploot of bij een ter post aangetekende brief ter kennis worden gebracht van de griffie van de rechtbank die de bestreden beslissing heeft gewezen. De griffier maakt van het beroep melding op de kant van de bestreden beslissing. De regels die gelden in eerste aanleg zijn van toepassing voor hoger beroep.
De griffier van het hof van beroep geeft kennis van het arrest overeenkomstig de bepalingen die gelden in eerste aanleg. De termijn voor voorziening in cassatie bedraagt één maand vanaf deze kennisgeving.
De termijn voor voorziening in cassatie en de voorziening tegen het arrest waarbij het overlijden wordt vastgesteld hebben schorsende kracht. "
Art. 27. L'article 130 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 130. Dans les quinze jours du prononcé, le greffier notifie le dispositif du jugement aux parties par pli judiciaire. Le délai d'appel est de deux mois à dater de cette notification. L'appel est formé par requête à la cour d'appel. II doit, à peine de nullité, être dénoncé par exploit d'huissier ou par lettre recommandée dans les huit jours à dater de la réception de la requête, au greffe du tribunal qui a rendu la décision attaquée. Le greffier fait mention du recours en marge de la décision attaquée. Les règles prévues pour la première instance s'appliquent au degré d'appel.
L'arrêt est notifié par le greffier de la cour d'appel conformément à ce qui est prévu pour la première instance. Le délai pour se pourvoir en cassation est d'un mois à dater de cette notification.
Le délai pour se pourvoir en cassation et le pourvoi contre l'arrêt constatant le décès sont suspensifs. "
" Art. 130. Dans les quinze jours du prononcé, le greffier notifie le dispositif du jugement aux parties par pli judiciaire. Le délai d'appel est de deux mois à dater de cette notification. L'appel est formé par requête à la cour d'appel. II doit, à peine de nullité, être dénoncé par exploit d'huissier ou par lettre recommandée dans les huit jours à dater de la réception de la requête, au greffe du tribunal qui a rendu la décision attaquée. Le greffier fait mention du recours en marge de la décision attaquée. Les règles prévues pour la première instance s'appliquent au degré d'appel.
L'arrêt est notifié par le greffier de la cour d'appel conformément à ce qui est prévu pour la première instance. Le délai pour se pourvoir en cassation est d'un mois à dater de cette notification.
Le délai pour se pourvoir en cassation et le pourvoi contre l'arrêt constatant le décès sont suspensifs. "
Art. 28. Artikel 131 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 131. De gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden stelt de datum van het overlijden vast, rekening houdend met de vermoedens voortvloeiend uit de omstandigheden van de zaak; zo niet stelt ze die datum vast op de dag van de verdwijning. Deze datum mag niet onbepaald zijn.
Het beschikkend gedeelte van de gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden bevat de in artikel 79 omschreven vermeldingen; het stelt in voorkomend geval de onmogelijkheid vast melding te maken van sommige ervan. "
" Art. 131. De gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden stelt de datum van het overlijden vast, rekening houdend met de vermoedens voortvloeiend uit de omstandigheden van de zaak; zo niet stelt ze die datum vast op de dag van de verdwijning. Deze datum mag niet onbepaald zijn.
Het beschikkend gedeelte van de gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden bevat de in artikel 79 omschreven vermeldingen; het stelt in voorkomend geval de onmogelijkheid vast melding te maken van sommige ervan. "
Art. 28. L'article 131 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 131. La décision judiciaire déclarative de décès fixe la date du décès en tenant compte des présomptions tirées des circonstances de la cause et, à défaut, au jour de la disparition. Cette date ne doit jamais être indéterminée.
Le dispositif de la décision judiciaire déclarative de décès contient les énonciations prévues à l'article 79; il constate le cas échéant l'impossibilité de faire mention de certaines d'entre elles. "
" Art. 131. La décision judiciaire déclarative de décès fixe la date du décès en tenant compte des présomptions tirées des circonstances de la cause et, à défaut, au jour de la disparition. Cette date ne doit jamais être indéterminée.
Le dispositif de la décision judiciaire déclarative de décès contient les énonciations prévues à l'article 79; il constate le cas échéant l'impossibilité de faire mention de certaines d'entre elles. "
Art. 29. Artikel 132 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 132. Op verzoek van de procureur des Konings wordt het beschikkend gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden overgeschreven in de lopende registers van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats van de overledene in België. Ingeval deze persoon nooit zijn woonplaats in België heeft gehad, geschiedt de overschrijving te Brussel.
In geval van een collectief vonnis geschiedt de overschrijving overeenkomstig het eerste lid, bij uittreksels in de registers.
Van de overschrijving wordt melding gemaakt in de tabellen van de registers van het jaar van overlijden. "
" Art. 132. Op verzoek van de procureur des Konings wordt het beschikkend gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden overgeschreven in de lopende registers van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats van de overledene in België. Ingeval deze persoon nooit zijn woonplaats in België heeft gehad, geschiedt de overschrijving te Brussel.
In geval van een collectief vonnis geschiedt de overschrijving overeenkomstig het eerste lid, bij uittreksels in de registers.
Van de overschrijving wordt melding gemaakt in de tabellen van de registers van het jaar van overlijden. "
Art. 29. L'article 132 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 132. A la requête du procureur du Roi, le dispositif de la décision judiciaire déclarative de décès et coulée en force de chose jugée est transcrit sur les registres courants de l'état civil du lieu du dernier domicile en Belgique du défunt. Si celui-ci n'en a jamais eu, la transcription se fait à Bruxelles.
En cas de jugement collectif, la transcription est faite conformément à l'alinéa 1er, par extraits sur les registres.
Mention de la transcription est faite aux tables des registres de l'année du décès. "
" Art. 132. A la requête du procureur du Roi, le dispositif de la décision judiciaire déclarative de décès et coulée en force de chose jugée est transcrit sur les registres courants de l'état civil du lieu du dernier domicile en Belgique du défunt. Si celui-ci n'en a jamais eu, la transcription se fait à Bruxelles.
En cas de jugement collectif, la transcription est faite conformément à l'alinéa 1er, par extraits sur les registres.
Mention de la transcription est faite aux tables des registres de l'année du décès. "
Art. 30. Artikel 133 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 133. De in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden geldt als akte van de burgerlijke stand.
Zij heeft uitwerking op de datum van het overlijden dat erin wordt verklaard.
De akte die deze beslissing vormt, kan worden verbeterd overeenkomstig de bepalingen van artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid wanneer het bewijs wordt geleverd dat de overleden verklaarde persoon nog in leven is.
De vonnissen en arresten waarbij een verzoek tot verklaring van overlijden wordt afgewezen, beletten niet dat een soortgelijk verzoek later ontvankelijk zou zijn, ingeval het gegrond is op nieuw bewijsmateriaal. "
" Art. 133. De in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden geldt als akte van de burgerlijke stand.
Zij heeft uitwerking op de datum van het overlijden dat erin wordt verklaard.
De akte die deze beslissing vormt, kan worden verbeterd overeenkomstig de bepalingen van artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid wanneer het bewijs wordt geleverd dat de overleden verklaarde persoon nog in leven is.
De vonnissen en arresten waarbij een verzoek tot verklaring van overlijden wordt afgewezen, beletten niet dat een soortgelijk verzoek later ontvankelijk zou zijn, ingeval het gegrond is op nieuw bewijsmateriaal. "
Art. 30. L'article 133 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 133. La décision judiciaire déclarative de décès coulée en force de chose jugée tient lieu d'acte de l'état civil.
Elle produit ses effets au jour du décès qu'elle déclare.
L'acte que constitue cette décision peut être rectifié conformément à l'article 101 du présent Code et aux articles 1383 à 1385 du Code judiciaire, notamment en cas de preuve que la personne déclarée décédée est en vie.
Les jugements et arrêts rejetant une demande de déclaration de décès ne font pas obstacle à la recevabilité ultérieure d'une demande semblable, fondée sur la découverte de nouveaux éléments de preuve. "
" Art. 133. La décision judiciaire déclarative de décès coulée en force de chose jugée tient lieu d'acte de l'état civil.
Elle produit ses effets au jour du décès qu'elle déclare.
L'acte que constitue cette décision peut être rectifié conformément à l'article 101 du présent Code et aux articles 1383 à 1385 du Code judiciaire, notamment en cas de preuve que la personne déclarée décédée est en vie.
Les jugements et arrêts rejetant une demande de déclaration de décès ne font pas obstacle à la recevabilité ultérieure d'une demande semblable, fondée sur la découverte de nouveaux éléments de preuve. "
Art. 31. Artikel 134 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij deze wet, wordt hersteld in de volgende lezing :
" Art. 134. Indien de persoon die gerechtelijk overleden is verklaard terugkeert, worden de artikelen 123 en 124 toegepast. "
" Art. 134. Indien de persoon die gerechtelijk overleden is verklaard terugkeert, worden de artikelen 123 en 124 toegepast. "
Art. 31. L'article 134 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 134. Si la personne dont le décès a été judiciairement déclaré reparaît, il est fait application des articles 123 et 124. "
" Art. 134. Si la personne dont le décès a été judiciairement déclaré reparaît, il est fait application des articles 123 et 124. "
Art. 32. In hetzelfde Wetboek vervalt het opschrift " Afdeling II. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van de rechten die aan de afwezige mochten opkomen. ".
Art. 32. Dans le même Code, l'intitulé " Section 2. - Des effets de l'absence relativement aux droits éventuels qui peuvent compéter à l'absent " est supprimé.
Art. 33. Artikel 135 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij deze wet, wordt hersteld in de volgende lezing :
" Art. 135. De hoofdgriffiers van de hoven en rechtbanken stellen de minister van Buitenlandse Zaken onmiddellijk in kennis van enige krachtens dit hoofdstuk gevoerde rechtspleging. "
" Art. 135. De hoofdgriffiers van de hoven en rechtbanken stellen de minister van Buitenlandse Zaken onmiddellijk in kennis van enige krachtens dit hoofdstuk gevoerde rechtspleging. "
Art. 33. L'article 135 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 135. Les greffiers en chef des cours et tribunaux informent immédiatement le ministre des Affaires étrangères de toute procédure judiciaire poursuivie en vertu du présent chapitre. "
" Art. 135. Les greffiers en chef des cours et tribunaux informent immédiatement le ministre des Affaires étrangères de toute procédure judiciaire poursuivie en vertu du présent chapitre. "
Art. 34. De artikelen 136 tot 139 van hetzelfde Wetboek, evenals het artikel 142, gewijzigd bij de wet van 29 april 2001, worden opgeheven.
Art. 34. Les articles 136 à 139 du même Code, ainsi que l'article 142, modifié par la loi du 29 avril 2001, sont abrogés.
Art. 35. In hoofdstuk III van hetzelfde Wetboek " Gevolgen van afwezigheid " worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. Het opschrift " Afdeling III. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van het huwelijk " vervalt;
B. Het opschrift " Afdeling IV. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van de kinderen " vervalt.
A. Het opschrift " Afdeling III. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van het huwelijk " vervalt;
B. Het opschrift " Afdeling IV. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van de kinderen " vervalt.
Art. 35. Dans le chapitre III du même Code " Des effets de l'absence ", sont apportées les modifications suivantes :
A. L'intitulé " Section 3. - Des effets de l'absence relativement au mariage est supprimé;
B. L'intitulé " Section 4 - Des effets de l'absence relativement aux enfants " est supprimé.
A. L'intitulé " Section 3. - Des effets de l'absence relativement au mariage est supprimé;
B. L'intitulé " Section 4 - Des effets de l'absence relativement aux enfants " est supprimé.
Art. 36. 1° In artikel 214, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het woord " afwezig " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig ".
2° In artikel 220, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het woord " afwezig " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig ".
3° In artikel 316 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden de woorden " uit een vonnis van afwezigheidsverklaring " vervangen door de woorden " uit een beslissing houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid ".
4° In artikel 348-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig is verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig is ".
5° In artikel 348-3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig is verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig is ".
6° In artikel 348-5, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig zijn verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig zijn ".
7° In artikel 348-6, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig is verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig is ".
8° In artikel 348-7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig zijn verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig zijn ".
9° In artikel 375, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt het woord " afwezig " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig ".
10° Artikel 817, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt opgeheven.
11° In artikel 1031, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het woord " afwezigen " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezigen ".
12° In artikel 1676, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 februari 2003, wordt het woord " afwezigen " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezigen ".
13° In artikel 16, III, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling IIbis, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 april 1951 en gewijzigd bij de wet van 13 februari 2003, worden de woorden " de afwezige " vervangen door de woorden " de vermoedelijk afwezige ".
14° Artikel 75, tweede lid, van boek III, titel XVIII, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 16 december 1851, wordt opgeheven.
15° In artikel 840 van hetzelfde Wetboek wordt het woord " afwezig " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig ".
2° In artikel 220, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het woord " afwezig " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig ".
3° In artikel 316 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden de woorden " uit een vonnis van afwezigheidsverklaring " vervangen door de woorden " uit een beslissing houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid ".
4° In artikel 348-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig is verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig is ".
5° In artikel 348-3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig is verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig is ".
6° In artikel 348-5, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig zijn verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig zijn ".
7° In artikel 348-6, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig is verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig is ".
8° In artikel 348-7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden " afwezig zijn verklaard " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig zijn ".
9° In artikel 375, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt het woord " afwezig " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig ".
10° Artikel 817, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt opgeheven.
11° In artikel 1031, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het woord " afwezigen " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezigen ".
12° In artikel 1676, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 februari 2003, wordt het woord " afwezigen " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezigen ".
13° In artikel 16, III, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling IIbis, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 april 1951 en gewijzigd bij de wet van 13 februari 2003, worden de woorden " de afwezige " vervangen door de woorden " de vermoedelijk afwezige ".
14° Artikel 75, tweede lid, van boek III, titel XVIII, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 16 december 1851, wordt opgeheven.
15° In artikel 840 van hetzelfde Wetboek wordt het woord " afwezig " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig ".
Art. 36. 1° Dans l'article 214, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, le mot " absent " est remplacé par les mots " présumé absent ".
2° Dans l'article 220, § 1er, du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, le mot " absent " est remplacé par les mots " présumé absent ".
3° Dans l'article 316 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, les mots " d'un jugement déclaratif d'absence " sont remplacés par les mots " d'une décision constatant la présomption d'absence ".
4° Dans l'article 348-2 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclaré absent " sont remplacés par les mots " présumé absent ".
5° Dans l'article 348-3, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclaré absent " sont remplacés par les mots " présumé absent ".
6° Dans l'article 348-5, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclarés absents " sont remplacés par les mots " présumés absents ".
7° Dans l'article 348-6, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclarée absente " sont remplacés par les mots " présumée absente ".
8° Dans l'article 348-7 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclarés absents " sont remplacés par les mots " présumés absents ".
9° Dans l'article 375, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, le mot " absent " est remplacé par les mots " présumé absent ".
10° L'article 817, alinéa 2, du même Code est abrogé.
11° Dans l'article 1031, alinéa 1er, du même Code, le mot " absents " est remplacé par les mots " présumés absents ".
12° Dans l'article 1676, alinéa 2, du même Code, modifié par la loi du 13 février 2003, le mot " absents " est remplacé par les mots " présumés absents ".
13° Dans l'article 16, III, du livre III, titre VIII, chapitre II, section IIbis, du même Code, remplacé par la loi du 30 avril 1951 et modifié par la loi du 13 février 2003, les mots " l'absent " sont remplacés par les mots " le présumé absent ".
14° L'article 75, alinéa 2; du livre III; Titre XVIII, du même Code, remplacé par la loi du 16 décembre 1851, est abrogé.
15° Dans l'article 840 du même Code, le mot " absents " est remplacé par les mots " présumés absents ".
2° Dans l'article 220, § 1er, du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, le mot " absent " est remplacé par les mots " présumé absent ".
3° Dans l'article 316 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, les mots " d'un jugement déclaratif d'absence " sont remplacés par les mots " d'une décision constatant la présomption d'absence ".
4° Dans l'article 348-2 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclaré absent " sont remplacés par les mots " présumé absent ".
5° Dans l'article 348-3, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclaré absent " sont remplacés par les mots " présumé absent ".
6° Dans l'article 348-5, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclarés absents " sont remplacés par les mots " présumés absents ".
7° Dans l'article 348-6, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclarée absente " sont remplacés par les mots " présumée absente ".
8° Dans l'article 348-7 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots " déclarés absents " sont remplacés par les mots " présumés absents ".
9° Dans l'article 375, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, le mot " absent " est remplacé par les mots " présumé absent ".
10° L'article 817, alinéa 2, du même Code est abrogé.
11° Dans l'article 1031, alinéa 1er, du même Code, le mot " absents " est remplacé par les mots " présumés absents ".
12° Dans l'article 1676, alinéa 2, du même Code, modifié par la loi du 13 février 2003, le mot " absents " est remplacé par les mots " présumés absents ".
13° Dans l'article 16, III, du livre III, titre VIII, chapitre II, section IIbis, du même Code, remplacé par la loi du 30 avril 1951 et modifié par la loi du 13 février 2003, les mots " l'absent " sont remplacés par les mots " le présumé absent ".
14° L'article 75, alinéa 2; du livre III; Titre XVIII, du même Code, remplacé par la loi du 16 décembre 1851, est abrogé.
15° Dans l'article 840 du même Code, le mot " absents " est remplacé par les mots " présumés absents ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek.
CHAPITRE III. - Modifications du Code judiciaire.
Art. 37. In artikel 598, eerste lid, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 1991, wordt het woord " afwezigen " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezigen ".
Art. 37. Dans l'article 598, alinéa 1er, 1°, du Code judiciaire, remplacé par la loi du 18 juillet 1991, le mot " absents " est remplacé par les mots " présumés absents ".
Art. 38. In artikel 764, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 3 augustus 1992, worden de woorden " betreffende de inbezitstelling van de goederen van een afwezige " vervangen door de woorden " betreffende het vermoeden of de verklaring van afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden ".
Art. 38. Dans l'article 764, alinéa 1er, 2°, du même Code, remplacé par la loi du 3 août 1992, les mots " à l'envoi en possession des biens d'un absent " sont remplacés par les mots " à la présomption ou la déclaration d'absence et à la déclaration judiciaire de décès ".
Art. 39. In artikel 1151, 2°, van hetzelfde Wetboek wordt het woord " afwezig " vervangen door de woorden " vermoedelijk afwezig ".
Art. 39. Dans l'article 1151, 2°, du même Code, le mot " absent " est remplacé par les mots " présumé absent ".
Art. 40. In artikel 1186, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 29 april 2001 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, worden de woorden " aan vermoedelijk afwezigen, " ingevoegd tussen de woorden " aan minderjarigen, " en de woorden " aan onbekwaamverklaarden ".
Art. 40. Dans l'article 1186, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 29 avril 2001 et modifié par la loi du 3 mai 2003, les mots " à des présumés absents, " sont insérés entre les mots " à des mineurs, " et les mots " à des interdits ".
Art. 41. In artikel 1187, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 2001, worden de woorden " vermoedelijk afwezigen, " ingevoegd tussen de woorden " aan minderjarigen, " en het woord " onbekwaamverklaarden ".
Art. 41. Dans l'article 1187, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 29 avril 2001, les mots " des présumés absents, " sont insérés entre les mots " à des mineurs, " et les mots " des interdits ".
Art. 42. In artikel 1187, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 2001, worden de woorden " vermoedelijk afwezigen, " ingevoegd tussen het woord " minderjarigen, " en het woord " onbekwaamverklaarden ".
Art. 42. _ Dans l'article 1187, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 29 avril 2001, les mots " présumés absents, " sont insérés entre le mot " mineurs, " et le mot " interdits ".
Art. 43. Artikel 1188 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 43. L'article 1188 du même Code est abrogé.
Art. 44. In artikel 1225 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 1991, worden de woorden " en van afwezigen " vervangen door de woorden " en van verdwenen personen, als bedoeld in artikel 128 van het Burgerlijk Wetboek, en van vermoedelijk afwezigen ".
Art. 44. Dans l'article 1225 du même Code, remplacé par la loi du 18 juillet 1991, les mots " et des absents " sont remplacés par les mots " et des personnes disparues, visées à l'article 128 du Code civil, et des présumés absents ".
Art. 45. Het opschrift van hoofdstuk VII van het vierde deel, boek IV, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
" Hoofdstuk VII. - Vermoeden en verklaring van afwezigheid en gerechtelijke verklaring van overlijden ".
" Hoofdstuk VII. - Vermoeden en verklaring van afwezigheid en gerechtelijke verklaring van overlijden ".
Art. 45. L'intitulé du Chapitre VII, de la Quatrième Partie, Livre IV, du même Code, est remplacé par l'intitulé suivant :
" Chapitre VII. - De la présomption et de la déclaration d'absence et de la déclaration judiciaire de décès ".
" Chapitre VII. - De la présomption et de la déclaration d'absence et de la déclaration judiciaire de décès ".
Art. 46. Artikel 1226 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 1226. § 1. Verzoeken op grond van de artikelen 112, 118, 126 en 127 van het Burgerlijk Wetboek worden bij verzoekschrift ingesteld, vergezeld van de stukken tot staving.
De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd de bepalingen die volgen, artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 118 tot 135 van hetzelfde Wetboek.
§ 2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid :
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker evenals de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die bestaan tussen de verzoeker en de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon;
3° het onderwerp en in het kort de gronden van het verzoek;
4° de naam, de voornaam, de verblijfplaats of de woonplaats van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon en, in voorkomend geval, van de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten in de erfelijke graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon;
5° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen.
Wanneer de aanvraag gegrond is op artikel 126 van het Burgerlijk Wetboek, bevat het verzoekschrift, op straffe van nietigheid, de naam, voornaam en woonplaats van de notaris die de belangen van de verdwenen persoon moet vertegenwoordigen bij iedere verdeling of erfenis die hem kan aanbelangen, tot het tijdstip waarop het vonnis wordt uitgesproken.
Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker, door zijn notaris of zijn advocaat. Indien de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon een woonplaats in België heeft gehad, moet het verzoekschrift vergezeld zijn van een attest van woonplaats van deze persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is.
Het verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk, de plaats en datum van geboorte van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.
Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker om het binnen de door hem vooropgestelde termijn aan te vullen.
§ 3. De procureur des Konings wint alle dienstige inlichtingen in, in voorkomend geval bij de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten tot de vierde graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon.
Ingeval de verdwijning in het buitenland is gebeurd, kan hij bovendien de medewerking vorderen van de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken en van de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren in het buitenland. Deze verstrekken hem alle inlichtingen en afschriften van documenten die hij nuttig acht voor het voortzetten van het onderzoek.
De rechtbank doet uitspraak na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord.
§ 4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend.
De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. De griffier geeft de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief.
Deze kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de rechter meedelen. "
" Art. 1226. § 1. Verzoeken op grond van de artikelen 112, 118, 126 en 127 van het Burgerlijk Wetboek worden bij verzoekschrift ingesteld, vergezeld van de stukken tot staving.
De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd de bepalingen die volgen, artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 118 tot 135 van hetzelfde Wetboek.
§ 2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid :
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker evenals de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die bestaan tussen de verzoeker en de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon;
3° het onderwerp en in het kort de gronden van het verzoek;
4° de naam, de voornaam, de verblijfplaats of de woonplaats van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon en, in voorkomend geval, van de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten in de erfelijke graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon;
5° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen.
Wanneer de aanvraag gegrond is op artikel 126 van het Burgerlijk Wetboek, bevat het verzoekschrift, op straffe van nietigheid, de naam, voornaam en woonplaats van de notaris die de belangen van de verdwenen persoon moet vertegenwoordigen bij iedere verdeling of erfenis die hem kan aanbelangen, tot het tijdstip waarop het vonnis wordt uitgesproken.
Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker, door zijn notaris of zijn advocaat. Indien de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon een woonplaats in België heeft gehad, moet het verzoekschrift vergezeld zijn van een attest van woonplaats van deze persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is.
Het verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk, de plaats en datum van geboorte van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.
Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker om het binnen de door hem vooropgestelde termijn aan te vullen.
§ 3. De procureur des Konings wint alle dienstige inlichtingen in, in voorkomend geval bij de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten tot de vierde graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon.
Ingeval de verdwijning in het buitenland is gebeurd, kan hij bovendien de medewerking vorderen van de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken en van de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren in het buitenland. Deze verstrekken hem alle inlichtingen en afschriften van documenten die hij nuttig acht voor het voortzetten van het onderzoek.
De rechtbank doet uitspraak na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord.
§ 4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend.
De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. De griffier geeft de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief.
Deze kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de rechter meedelen. "
Art. 46. L'article 1226 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 1226. § 1er. Les demandes fondées sur les articles 112, 118, 126 et 127 du Code civil sont introduites par requête, pièces à l'appui.
Les articles 1026 à 1034 sont applicables, sous réserve des dispositions qui suivent, de l'article 112 du Code civil, et des articles 118 à 135 du même Code.
§ 2. La requête contient à peine de nullité :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° les nom, prénom, profession et domicile du requérant ainsi que le degré de parenté ou la nature des relations qui existent entre le requérant et la personne disparue ou présumée absente;
3° l'objet et l'indication sommaire des motifs de la demande;
4° les nom, prénom, résidence ou domicile de la personne disparue ou présumée absente et, le cas échéant, du conjoint, du cohabitant, et des parents et alliés au degré successible de la personne disparue ou présumée absente;
5° la désignation du juge qui doit en connaître.
Lorsque la demande est fondée sur l'article 126 du Code civil, la requête contient, à peine de nullité, les nom, prénom et domicile du notaire chargé de représenter les intérêts de la personne disparue dans toute opération de partage ou de succession qui pourrait la concerner et ce, jusqu'au prononcé du jugement.
La requête est signée par le requérant, par son notaire ou son avocat. Si la personne disparue ou présumée absente a eu un domicile en Belgique, la requête est accompagnée d'une attestation de domicile de celle-ci ne datant pas de plus de quinze jours.
La requête mentionne en outre, dans la mesure du possible, le lieu et la date de naissance de la personne disparue ou présumée absente, ainsi que la nature et la composition des biens à gérer.
Si la requête est incomplète, le juge invite le requérant à la compléter dans un délai qu'il fixe.
§ 3. Le procureur du Roi recueille tous renseignements utiles, le cas échéant auprès du conjoint, du cohabitant, et des parents et alliés jusqu'au quatrième degré de la personne disparue ou présumée absente.
Lorsque la disparition est survenue à l'étranger, il peut requérir en outre le concours du service public fédéral Affaires étrangères et des agents diplomatiques et consulaires belges à l'étranger. Ceux-ci lui communiquent tous les renseignements et copies de documents qu'il juge utiles à la poursuite de l'instruction.
Le tribunal statue, le ministère public préalablement entendu en son avis.
§ 4. Le greffier informe en outre, par pli judiciaire, les membres de la famille mentionnés dans la requête de l'introduction de celle-ci.
Les personnes convoquées par pli judiciaire deviennent par cette convocation parties à la cause, sauf si elles s'y opposent à l'audience. Le greffier en avise les parties dans le pli judiciaire.
Celles-ci peuvent comparaître en personne à l'audience et demander à être entendues. Elles peuvent également communiquer leurs observations au juge, par écrit, avant le jour de l'audience. "
" Art. 1226. § 1er. Les demandes fondées sur les articles 112, 118, 126 et 127 du Code civil sont introduites par requête, pièces à l'appui.
Les articles 1026 à 1034 sont applicables, sous réserve des dispositions qui suivent, de l'article 112 du Code civil, et des articles 118 à 135 du même Code.
§ 2. La requête contient à peine de nullité :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° les nom, prénom, profession et domicile du requérant ainsi que le degré de parenté ou la nature des relations qui existent entre le requérant et la personne disparue ou présumée absente;
3° l'objet et l'indication sommaire des motifs de la demande;
4° les nom, prénom, résidence ou domicile de la personne disparue ou présumée absente et, le cas échéant, du conjoint, du cohabitant, et des parents et alliés au degré successible de la personne disparue ou présumée absente;
5° la désignation du juge qui doit en connaître.
Lorsque la demande est fondée sur l'article 126 du Code civil, la requête contient, à peine de nullité, les nom, prénom et domicile du notaire chargé de représenter les intérêts de la personne disparue dans toute opération de partage ou de succession qui pourrait la concerner et ce, jusqu'au prononcé du jugement.
La requête est signée par le requérant, par son notaire ou son avocat. Si la personne disparue ou présumée absente a eu un domicile en Belgique, la requête est accompagnée d'une attestation de domicile de celle-ci ne datant pas de plus de quinze jours.
La requête mentionne en outre, dans la mesure du possible, le lieu et la date de naissance de la personne disparue ou présumée absente, ainsi que la nature et la composition des biens à gérer.
Si la requête est incomplète, le juge invite le requérant à la compléter dans un délai qu'il fixe.
§ 3. Le procureur du Roi recueille tous renseignements utiles, le cas échéant auprès du conjoint, du cohabitant, et des parents et alliés jusqu'au quatrième degré de la personne disparue ou présumée absente.
Lorsque la disparition est survenue à l'étranger, il peut requérir en outre le concours du service public fédéral Affaires étrangères et des agents diplomatiques et consulaires belges à l'étranger. Ceux-ci lui communiquent tous les renseignements et copies de documents qu'il juge utiles à la poursuite de l'instruction.
Le tribunal statue, le ministère public préalablement entendu en son avis.
§ 4. Le greffier informe en outre, par pli judiciaire, les membres de la famille mentionnés dans la requête de l'introduction de celle-ci.
Les personnes convoquées par pli judiciaire deviennent par cette convocation parties à la cause, sauf si elles s'y opposent à l'audience. Le greffier en avise les parties dans le pli judiciaire.
Celles-ci peuvent comparaître en personne à l'audience et demander à être entendues. Elles peuvent également communiquer leurs observations au juge, par écrit, avant le jour de l'audience. "
Art. 47. Artikel 1227 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
" Art. 1227. § 1. Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarbij het aanhangig maken bij de rechter ambtshalve wordt toegestaan, worden de verzoeken op grond van de artikelen 113 tot 117 van het Burgerlijk Wetboek bij verzoekschrift ingesteld, vergezeld van de stukken tot staving.
De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd de bepalingen die volgen.
§ 2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid, de gegevens bedoeld in artikel 1226, § 2, eerste lid. Het bevat daarenboven, op straffe van nietigheid, de naam, de voornaam en de woonplaats van de gerechtelijk bewindvoerder.
Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker, door zijn notaris of zijn advocaat.
Het verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk, de plaats en datum van geboorte van de vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.
Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker om het binnen acht dagen aan te vullen.
§ 3. De procureur des Konings wint alle dienstige inlichtingen in bij de gerechtelijk bewindvoerder en, in voorkomend geval, bij de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten tot de vierde graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon.
De rechtbank doet uitspraak na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord.
§ 4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde gerechtelijk bewindvoerder en familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend.
De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. De griffier geeft de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief
Deze personen kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de rechter meedelen. "
" Art. 1227. § 1. Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarbij het aanhangig maken bij de rechter ambtshalve wordt toegestaan, worden de verzoeken op grond van de artikelen 113 tot 117 van het Burgerlijk Wetboek bij verzoekschrift ingesteld, vergezeld van de stukken tot staving.
De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd de bepalingen die volgen.
§ 2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid, de gegevens bedoeld in artikel 1226, § 2, eerste lid. Het bevat daarenboven, op straffe van nietigheid, de naam, de voornaam en de woonplaats van de gerechtelijk bewindvoerder.
Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker, door zijn notaris of zijn advocaat.
Het verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk, de plaats en datum van geboorte van de vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.
Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker om het binnen acht dagen aan te vullen.
§ 3. De procureur des Konings wint alle dienstige inlichtingen in bij de gerechtelijk bewindvoerder en, in voorkomend geval, bij de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten tot de vierde graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon.
De rechtbank doet uitspraak na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord.
§ 4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde gerechtelijk bewindvoerder en familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend.
De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. De griffier geeft de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief
Deze personen kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de rechter meedelen. "
Art. 47. L'article 1227 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 1227. § 1er. Sans préjudice des dispositions du Code civil autorisant la saisine d'office du juge, les demandes fondées sur les articles 113 à 117 du Code civil sont introduites par requête, pièces à l'appui.
Les articles 1026 à 1034 sont applicables, sous réserve des dispositions qui suivent.
§ 2. La requête contient à peine de nullité les indications prévues à l'article 1226, § 2, alinéa 1er. Elle contient en outre, à peine de nullité, les nom, prénom, et domicile de l'administrateur judiciaire.
La requête est signée par le requérant, par son notaire ou son avocat.
La requête mentionne en outre, dans la mesure du possible, le lieu et la date de naissance de la personne présumée absente, ainsi que la nature et la composition des biens à gérer.
Si la requête est incomplète, le juge invite le requérant à la compléter dans les huit jours.
§ 3. Le procureur du Roi recueille tous renseignements utiles auprès de l'administrateur judiciaire et, le cas échéant, auprès du conjoint, du cohabitant, et des parents et alliés jusqu'au quatrième degré de la personne disparue ou présumée absente.
Le tribunal statue, le ministère public préalablement entendu en son avis.
§ 4. Le greffier informe en outre, par pli judiciaire, l'administrateur judiciaire et les membres de la famille mentionnés dans la requête, de l'introduction de celle-ci.
Les personnes convoquées par pli judiciaire deviennent par cette convocation parties à la cause, sauf si elles s'y opposent à l'audience. Le greffier en avise les parties dans le pli judiciaire.
Celles-ci peuvent comparaître en personne à l'audience et demander à être entendues. Elles peuvent aussi communiquer leurs observations au juge, par écrit, avant le jour de l'audience. "
" Art. 1227. § 1er. Sans préjudice des dispositions du Code civil autorisant la saisine d'office du juge, les demandes fondées sur les articles 113 à 117 du Code civil sont introduites par requête, pièces à l'appui.
Les articles 1026 à 1034 sont applicables, sous réserve des dispositions qui suivent.
§ 2. La requête contient à peine de nullité les indications prévues à l'article 1226, § 2, alinéa 1er. Elle contient en outre, à peine de nullité, les nom, prénom, et domicile de l'administrateur judiciaire.
La requête est signée par le requérant, par son notaire ou son avocat.
La requête mentionne en outre, dans la mesure du possible, le lieu et la date de naissance de la personne présumée absente, ainsi que la nature et la composition des biens à gérer.
Si la requête est incomplète, le juge invite le requérant à la compléter dans les huit jours.
§ 3. Le procureur du Roi recueille tous renseignements utiles auprès de l'administrateur judiciaire et, le cas échéant, auprès du conjoint, du cohabitant, et des parents et alliés jusqu'au quatrième degré de la personne disparue ou présumée absente.
Le tribunal statue, le ministère public préalablement entendu en son avis.
§ 4. Le greffier informe en outre, par pli judiciaire, l'administrateur judiciaire et les membres de la famille mentionnés dans la requête, de l'introduction de celle-ci.
Les personnes convoquées par pli judiciaire deviennent par cette convocation parties à la cause, sauf si elles s'y opposent à l'audience. Le greffier en avise les parties dans le pli judiciaire.
Celles-ci peuvent comparaître en personne à l'audience et demander à être entendues. Elles peuvent aussi communiquer leurs observations au juge, par écrit, avant le jour de l'audience. "
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van het Strafwetboek.
CHAPITRE IV. - Modifications du Code pénal.
Art. 48. In artikel 31, 5°, van het Strafwetboek, vervangen bij de wet van 29 april 2001, worden de woorden ", gerechtelijk bewindvoerder over de goederen van een vermoedelijk afwezige " ingevoegd tussen de woorden " gerechtelijk raadsman " en de woorden " of voorlopig bewindvoerder ".
Art. 48. Dans l'article 31, 5°, du Code pénal, remplacé par la loi du 29 avril 2001, les mots ", d'administrateur judiciaire des biens d'un présumé absent " sont insérés entre les mots " conseil judiciaire " et les mots " ou d'administrateur provisoire ".
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van het Wetboek der Successierechten.
CHAPITRE V. - Modifications du Code des droits de succession.
Art. 49. Artikel 3 van het Wetboek der Successierechten wordt opgeheven.
Art. 49. L'article 3 du Code des droits de succession est abrogé.
Art. 50. Artikel 40, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
" In geval van gerechtelijke verklaring van overlijden, begint de termijn te lopen, zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. "
" In geval van gerechtelijke verklaring van overlijden, begint de termijn te lopen, zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. "
Art. 50. L'article 40, alinéa 2, du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" En cas de déclaration judiciaire de décès, le délai commence à courir dès que le jugement est coulé en force de chose jugée. "
" En cas de déclaration judiciaire de décès, le délai commence à courir dès que le jugement est coulé en force de chose jugée. "
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
CHAPITRE VI. - Modifications du Code de droit international privé.
Art. 51. In artikel 41, eerste lid, van de wet houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht van 16 juli 2004 worden de woorden " door het recht van de Staat waarvan de persoon bij zijn verdwijning de nationaliteit had. " vervangen door de woorden " door het recht van de Staat waarvan de persoon bij zijn verdwijning de nationaliteit had, of als het recht een dergelijk instituut niet kent, door het recht van de Staat op wiens grondgebied de persoon bij zijn verdwijning zijn gewone verblijfplaats had. "
Art. 51. Dans l'article 41, alinéa 1er, de la loi portant le Code de droit international privé du 16 juillet 2004, les mots " par le droit de l'Etat dont la personne avait la nationalité lors de sa disparition " sont remplacés par les mots " par le droit de l'Etat dont la personne avait la nationalité lors de sa disparition ou, lorsque ce droit ne connaît pas une telle institution, par le droit de l'Etat sur le territoire duquel la personne résidait habituellement lors de sa disparition. "
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
CHAPITRE VII. - Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
Art. 52. In artikel 3, eerste lid, 6°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, worden de woorden " de plaats en datum van overlijden; " vervangen door de woorden " de plaats en datum van het overlijden, of, in het geval van een verklaring van afwezigheid, de datum van de overschrijving van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid; "
Art. 52. A l'article 3, alinéa 1er, 6°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, remplacer les mots " le lieu et la date du décès; " par les mots " le lieu et la date du décès ou, en cas de déclaration d'absence, la date de la transcription de la décision déclarative d'absence; ".
HOOFDSTUK VIII. - Opheffingsbepaling.
CHAPITRE VIII. - Disposition abrogatoire.
Art. 53. De wet van 28 juli 1921 op de geldigverklaring van de akten van de burgerlijke stand, de verbetering van de tijdens de oorlog opgemaakte akten van overlijden en de rechterlijke bevestiging van het overlijden alsook de wet van 20 augustus 1948 betreffende de verklaringen van overlijden en van vermoedelijk overlijden, alsmede betreffende de overschrijving en de administratieve verbetering van sommige akten van overlijden, worden opgeheven.
Art. 53. La loi du 28 juillet 1921 sur la validation des actes de l'état civil, la rectification des actes de décès dressés pendant la guerre et la déclaration judiciaire du décès, et la loi du 20 août 1948 relative aux déclarations de décès et de présomption de décès et à la transcription et la rectification administrative de certains actes de décès, sont abrogées.
HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions transitoires.
Art. 54. Deze wet is van toepassing op personen die, vóór haar inwerkingtreding, verdwenen zijn of niet meer verschenen zijn in hun woon- of verblijfplaats en van wie men geen tijding heeft ontvangen.
Art. 54. La présente loi est applicable à l'égard des personnes qui, avant son entrée en vigueur, ont disparu ou ont cessé de paraître au lieu de leur domicile ou de leur résidence sans que l'on ait eu de leurs nouvelles.
Art. 55. Wanneer uitspraak is gedaan volgens de oude artikelen 112 en 113 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen de voorgeschreven maatregelen indien nodig worden gewijzigd in de vorm en onder de voorwaarden bepaald in de nieuwe artikelen 112 tot 117 van dat Wetboek.
Art. 55. Lorsqu'il aura été statué selon les anciens articles 112 et 113 du Code civil, les mesures prescrites pourront être modifiées, s'il y a lieu, dans les formes et conditions prévues par les articles 112 à 117 nouveaux de ce Code.
Art. 56. Wanneer het verzoekschrift tot verklaring van afwezigheid is ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt het verzoek behandeld en berecht volgens de oude wet; het vonnis houdende verklaring van afwezigheid zal de gevolgen hebben die aan die wet verbonden zijn.
Art. 56. Lorsque la requête aux fins de déclaration d'absence aura été présentée avant l'entrée en vigueur de la présente loi, la demande sera instruite et jugée selon la loi ancienne; le jugement de déclaration d'absence produira les effets attachés à cette loi.
Art. 57. <W 2008-06-08/31, art. 71, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2007> De vonnissen houdende verklaring van afwezigheid gewezen met toepassing van de oude artikelen 115 tot 119 van het Burgerlijk Wetboek en de vonnissen gewezen met toepassing van de oude artikelen 112 en 113 van het Burgerlijk Wetboek kunnen, na verloop van een termijn van vijf jaar na de uitspraak, bij vonnis omgezet worden in een verklaring van afwezigheid zoals bedoeld in deze wet.
Art. 57. <L 2008-06-08/31, art. 71, 002; En vigueur : 01-07-2007> Les jugements de déclaration d'absence rendus en application des anciens articles 115 à 119 du Code civil et les jugements rendus en application des anciens articles 112 et 113 du Code civil peuvent, à l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de leur prononcé, être convertis par jugement en une déclaration d'absence au sens de la présente loi.
Art. 58. De bepalingen van deze wet betreffende de gerechtelijke verklaring van overlijden zijn van overeenkomstige toepassing op de aan gang zijnde procedures, inclusief die welke worden gevolgd overeenkomstig de wet van 28 juli 1921 op de geldigverklaring van de akten van de burgerlijke stand, de verbetering van de tijdens de oorlog opgemaakte akten van overlijden en de rechterlijke bevestiging van het overlijden en de wet van 20 augustus 1948 betreffende de verklaringen van overlijden en van vermoedelijk overlijden, alsmede betreffende de overschrijving en de administratieve verbetering van sommige akten van overlijden.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 9 mei 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 9 mei 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.
Art. 58. Les dispositions de la présente loi relatives à la déclaration judiciaire de décès sont applicables aux procédures en cours, en ce compris celles poursuivies conformément à la loi du 28 juillet 1921 sur la validation des actes de l'état civil, la rectification des actes de décès dressés pendant la guerre et la déclaration judiciaire du décès, et à la loi du 20 août 1948 relative aux déclarations de décès et de présomption de décès et à la transcription et la rectification administrative de certains actes de décès.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 9 mai 2007.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Scellé du sceau de l'Etat :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 9 mai 2007.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Scellé du sceau de l'Etat :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX.