Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit betreffende het prudentiële toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-02-2007 en tekstbijwerking tot 09-03-2011)
Titre
12 JANVIER 2007. - Arrêté royal relatif au contrôle prudentiel des institutions de retraite professionnelle. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-02-2007 et mise à jour au 09-03-2011)
Dokumentinformationen
Numac: 2007022155
Datum: 2007-01-12
Info du document
Numac: 2007022155
Date: 2007-01-12
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Werkings- en beheersregels.
HOOFDSTUK III. - Solvabiliteitsmarge.
Afdeling I. - Samen te stellen solvabiliteitsma...
Afdeling II. - Samen te stellen solvabiliteitsm...
Afdeling III. - Samenstelling van de solvabilit...
HOOFDSTUK IV. - Technische voorzieningen.
Afdeling I. - Bepaling die van toepassing is op...
Afdeling II. - Pensioenregelingen die dekking b...
Afdeling III. - Pensioenregelingen die geen dek...
HOOFDSTUK V. - Dekkingswaarden.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Afdeling II. - Beleggingscategorieën.
Afdeling III. - Waarderingsregels.
Afdeling IV. - Andere beleggingsregels.
Afdeling V. - Toezicht.
HOOFDSTUK VI. - Aangewezen actuarissen.
HOOFDSTUK VII. - Herstelplan.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen.
HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en wijzigingsbepali...
Afdeling I. - Wijziging van het koninklijk besl...
Afdeling II. - Opheffingsbepalingen.
HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - Règles de fonctionnement et de g...
CHAPITRE III. - Marge de solvabilité.
Section Ire. - Marge de solvabilité à constitue...
Section II. - Marge de solvabilité à constituer...
Section III. - Constitution de la marge de solv...
CHAPITRE IV. - Provisions techniques.
Section Ire. - Disposition commune à tous les r...
Section II. - Régimes de retraite qui couvrent ...
Section III. - Régimes de retraite qui ne couvr...
CHAPITRE V. - Valeurs représentatives.
Section Ire. - Dispositions générales.
Section II. - Catégories de placements.
Section III. - Règles d'évaluation.
Section IV. - Autres règles de placement.
Section V. - Contrôle.
CHAPITRE VI. - Actuaires désignés.
CHAPITRE VII. - Plan de redressement.
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires.
CHAPITRE IX. - Dispositions abrogatoires et mod...
Section Ire. - Modification de l'arrêté royal d...
Section II. - Dispositions abrogatoires.
CHAPITRE X. - Dispositions finales.
Tekst (83)
Texte (83)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit besluit zet gedeeltelijk de Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening om.
Article 1. Le présent arrêté transpose partiellement la Directive 2003/41/CE du Parlement et du Conseil du 3 juin 2003 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle.
Art.2. Voor het toepassen van dit besluit en van de verordeningen genomen in uitvoering ervan wordt verstaan onder :
1° " de wet " : de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° " de WAP " : de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
3° " financieringsplan " : het financieringsplan bedoeld in artikel 86 van de wet;
4° " schriftelijke verklaring met de beginselen van het beleggingsbeleid " : de verklaring bedoeld in artikel 95 van de wet;
5° " gereglementeerde markt " : een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, eerste lid, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
6° " technische voorzieningen " : de voorzieningen bedoeld in artikel 89 van de wet;
7° " dekkingswaarden " : de activa bedoeld in artikel 90 van de wet.
1° " de wet " : de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° " de WAP " : de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
3° " financieringsplan " : het financieringsplan bedoeld in artikel 86 van de wet;
4° " schriftelijke verklaring met de beginselen van het beleggingsbeleid " : de verklaring bedoeld in artikel 95 van de wet;
5° " gereglementeerde markt " : een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, eerste lid, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
6° " technische voorzieningen " : de voorzieningen bedoeld in artikel 89 van de wet;
7° " dekkingswaarden " : de activa bedoeld in artikel 90 van de wet.
Art.2. Au sens du présent arrêté et des règlements pris en exécution de celui-ci, on entend par :
1° " la loi " : la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;
2° " la LPC " : la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale;
3° " plan de financement " : le plan de financement visé à l'article 86 de la loi;
4° " déclaration écrite sur les principes de la politique de placement " : la déclaration visée a l'article 95 de la loi;
5° " marché réglementé " : un marché réglementé au sens de l'article 2, alinéa 1er, 3°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
6° " provisions techniques " : les provisions visées à l'article 89 de la loi;
7° " valeurs représentatives " : les actifs visés à l'article 90 de la loi.
1° " la loi " : la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;
2° " la LPC " : la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale;
3° " plan de financement " : le plan de financement visé à l'article 86 de la loi;
4° " déclaration écrite sur les principes de la politique de placement " : la déclaration visée a l'article 95 de la loi;
5° " marché réglementé " : un marché réglementé au sens de l'article 2, alinéa 1er, 3°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
6° " provisions techniques " : les provisions visées à l'article 89 de la loi;
7° " valeurs représentatives " : les actifs visés à l'article 90 de la loi.
Art.3. Dit besluit is van toepassing op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening naar Belgisch recht als bedoeld in Titel II van de wet.
Art.3. Le présent arrêté est applicable aux institutions de retraite professionnelle de droit belge visées au Titre II de la loi.
HOOFDSTUK II. - Werkings- en beheersregels.
CHAPITRE II. - Règles de fonctionnement et de gestion.
Art.4. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening voor wat betreft hun activiteiten bedoeld in artikel 55, eerste lid, 1°, en, in voorkomend geval, in artikel 74, § 1, 4°, van de wet.
Art.4. Les dispositions du présent chapitre sont applicables aux institutions de retraite professionnelle pour ce qui concerne les activités visées à l'article 55, alinéa 1er, 1°, et, le cas échéant, à l'article 74, § 1er, 4°, de la loi.
Art.5. De bijdragende ondernemingen en de aangeslotenen of hun vertegenwoordigers moeten de meerderheid uitmaken in de raad van bestuur van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
Deze regel wordt opgenomen in de statuten.
Deze regel wordt opgenomen in de statuten.
Art.5. Les entreprises d'affiliation et les affiliés ou leurs représentants doivent constituer la majorité du conseil d'administration de l'institution de retraite professionnelle.
Cette règle est mentionnée dans les statuts.
Cette règle est mentionnée dans les statuts.
Art.6. De statuten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening of de overeenkomst bedoeld in artikel 79 van de wet vermelden minstens :
1° de wijze waarop de activa worden beheerd;
2° in het geval er meerdere afzonderlijke vermogens zijn, de regels van toerekening aan één of meerdere van die afzonderlijke vermogens;
3° de regels die moeten worden gevolgd wanneer een bijdragende onderneming verzuimt haar verbintenissen te financieren;
4° de regels die moeten worden gevolgd wanneer de bijdragende onderneming of één van de bijdragende ondernemingen de uitvoering van haar pensioenregelingen of van een deel daarvan niet langer aan de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening toevertrouwt;
5° de regels die moeten worden gevolgd in geval van een geschil over de toepassing of de interpretatie van de werkings- en beheersregels bedoeld bij dit hoofdstuk;
6° de regels die moeten worden gevolgd om de overeenkomst bedoeld in artikel 79 van de wet te wijzigen of op te zeggen.
1° de wijze waarop de activa worden beheerd;
2° in het geval er meerdere afzonderlijke vermogens zijn, de regels van toerekening aan één of meerdere van die afzonderlijke vermogens;
3° de regels die moeten worden gevolgd wanneer een bijdragende onderneming verzuimt haar verbintenissen te financieren;
4° de regels die moeten worden gevolgd wanneer de bijdragende onderneming of één van de bijdragende ondernemingen de uitvoering van haar pensioenregelingen of van een deel daarvan niet langer aan de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening toevertrouwt;
5° de regels die moeten worden gevolgd in geval van een geschil over de toepassing of de interpretatie van de werkings- en beheersregels bedoeld bij dit hoofdstuk;
6° de regels die moeten worden gevolgd om de overeenkomst bedoeld in artikel 79 van de wet te wijzigen of op te zeggen.
Art.6. Les statuts de l'institution de retraite professionnelle ou la convention visée à l'article 79 de la loi mentionnent au moins :
1° le mode de gestion des actifs;
2° dans le cas où il existe plusieurs patrimoines distincts, les règles d'imputation à un ou plusieurs de ces patrimoines distincts;
3° les règles à suivre lorsque l'entreprise d'affiliation ou l'une des entreprises d'affiliation est en défaut de financer ses engagements;
4° les règles à suivre lorsque l'entreprise d'affiliation ou l'une des entreprises d'affiliation cesse de confier l'exécution de tout ou partie de ses régimes de retraite à l'institution de retraite professionnelle;
5° les règles à suivre en cas de litige quant à l'application ou à l'interprétation des règles de fonctionnement et de gestion visées par le présent chapitre;
6° les règles à suivre pour modifier ou résilier la convention visée à l'article 79 de la loi.
1° le mode de gestion des actifs;
2° dans le cas où il existe plusieurs patrimoines distincts, les règles d'imputation à un ou plusieurs de ces patrimoines distincts;
3° les règles à suivre lorsque l'entreprise d'affiliation ou l'une des entreprises d'affiliation est en défaut de financer ses engagements;
4° les règles à suivre lorsque l'entreprise d'affiliation ou l'une des entreprises d'affiliation cesse de confier l'exécution de tout ou partie de ses régimes de retraite à l'institution de retraite professionnelle;
5° les règles à suivre en cas de litige quant à l'application ou à l'interprétation des règles de fonctionnement et de gestion visées par le présent chapitre;
6° les règles à suivre pour modifier ou résilier la convention visée à l'article 79 de la loi.
Art.7. Wanneer de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening de pensioenregeling of pensioenregelingen van verschillende bijdragende ondernemingen beheert, vermeldt zij in haar statuten of in de overeenkomst bedoeld in artikel 79 van de wet, naast de in artikel 6 bedoelde gegevens :
1° de regels betreffende de omvang van de solidariteit tussen de bijdragende ondernemingen;
2° de regels die toelaten op elk ogenblik het deel van elke bijdragende onderneming te bepalen in de activa, de verplichtingen en de resultaten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening;
3° de regels inzake de verdeling van de beheers- en werkingskosten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
De bijdragende ondernemingen zijn ten aanzien van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening onderling solidair voor alles wat niet overeenkomstig dit artikel anders wordt geregeld.
1° de regels betreffende de omvang van de solidariteit tussen de bijdragende ondernemingen;
2° de regels die toelaten op elk ogenblik het deel van elke bijdragende onderneming te bepalen in de activa, de verplichtingen en de resultaten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening;
3° de regels inzake de verdeling van de beheers- en werkingskosten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
De bijdragende ondernemingen zijn ten aanzien van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening onderling solidair voor alles wat niet overeenkomstig dit artikel anders wordt geregeld.
Art.7. Lorsque l'institution de retraite professionnelle gère le ou les régimes de retraite de plusieurs entreprises d'affiliation, les statuts ou la convention visée à l'article 79 de la loi mentionne, outre les éléments visés à l'article 6 :
1° les règles relatives à l'étendue de la solidarité entre les entreprises d'affiliation;
2° les règles permettant de déterminer à tout moment la part de chaque entreprise d'affiliation dans les avoirs, les engagements et les résultats de l'institution de retraite professionnelle;
3° les règles relatives à la répartition des frais de gestion et de fonctionnement de l'institution de retraite professionnelle.
Les entreprises d'affiliation sont solidaires entre elles à l'égard de l'institution de retraite professionnelle pour tout ce qui n'est pas autrement réglé conformément au présent article.
1° les règles relatives à l'étendue de la solidarité entre les entreprises d'affiliation;
2° les règles permettant de déterminer à tout moment la part de chaque entreprise d'affiliation dans les avoirs, les engagements et les résultats de l'institution de retraite professionnelle;
3° les règles relatives à la répartition des frais de gestion et de fonctionnement de l'institution de retraite professionnelle.
Les entreprises d'affiliation sont solidaires entre elles à l'égard de l'institution de retraite professionnelle pour tout ce qui n'est pas autrement réglé conformément au présent article.
HOOFDSTUK III. - Solvabiliteitsmarge.
CHAPITRE III. - Marge de solvabilité.
Afdeling I. - Samen te stellen solvabiliteitsmarge door de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die middelverbintenissen aangaan.
Section Ire. - Marge de solvabilité à constituer par les institutions de retraite professionnelle qui contractent des obligations de moyen.
Art.8. De solvabiliteitsmarge die samengesteld moet worden overeenkomstig artikel 88 van de wet is de som van de bedragen die in toepassing van de artikelen 9 tot 11 worden berekend.
Art.8. La marge de solvabilité à constituer conformément à l'article 88 de la loi est la somme des montants obtenus en application des articles 9 à 11.
Art.9. § 1. De samen te stellen marge voor de risico's overlijden, invaliditeit en arbeidsongeschiktheid van de pensioenregelingen bedoeld (in artikelen 55, eerste lid, 1° en 135, eerste lid, 2°) van de wet is het resultaat van de volgende bewerkingen : <KB 2007-06-05/40, art. 59, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
1° eerste bewerking :
de volgende elementen worden opgeteld :
a) tien keer de eerste schijf die lager is dan of gelijk is aan 30.000 euro van het hoogste van de risicokapitalen en de invaliditeits- en arbeidsongeschiktheids kapitalen;
b) de som van de vijf hoogste van de risicokapitalen, de invaliditeits- en de arbeidsongeschiktheidskapitalen, waarbij voor elke aangeslotene het hoogste onder zijn risicokapitaal, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidskapitaal in rekening wordt gebracht;
c) één per duizend van het totaal, voor alle aangeslotenen samen, van het hoogste onder de risicokapitalen, de invaliditeits- en de arbeidsongeschiktheidskapitalen van elke aangeslotene;
2° tweede bewerking :
het totaal, voor alle aangeslotenen samen, van het hoogste onder de risicokapitalen, de invaliditeits- en de arbeidsongeschiktheidskapitalen van elke aangeslotene wordt berekend;
3° derde bewerking :
het kleinste resultaat van de eerste en tweede bewerking wordt weerhouden;
4° vierde bewerking :
de derde bewerking wordt vermenigvuldigd met een breuk berekend als volgt :
a) de breuk is gelijk aan de verhouding, voor het laatste boekjaar, tussen de twee volgende bedragen :
- de risicokapitalen, de invaliditeitskapitalen en de arbeidsongeschiktheidskapitalen die ten laste blijven van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening na verzekering of herverzekering en;
- de risicokapitalen, de invaliditeitskapitalen en de arbeidsongeschiktheidskapitalen zonder aftrek van de verzekering noch de herverzekering;
b) wanneer de instelling omwille van een niet-proportionele herverzekering de breuk niet kan berekenen op de wijze bedoeld in a), mag ze een fractie gebruiken die ze rechtvaardigt rekening houdend met de methode en de voorwaarden van de herverzekering;
c) de breuk bedoeld in a) en b) kan niet kleiner zijn dan 0,5 behalve wanneer de verzekering- of herverzekeringsonderneming in een lidstaat over een toelating beschikt om haar activiteiten te mogen uitoefenen of, wanneer ze gevestigd is in een land buiten de Europese Economische Ruimte, wanneer ze aan de voorwaarden bepaald door de [1 FSMA]1 voldoet.
§ 2. Het risicokapitaal, het invaliditeitskapitaal en het arbeidsongeschiktheidskapitaal worden bepaald door middel van de technische basissen die door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening voor de berekening van de technische voorzieningen worden gebruikt.
Nochtans kunnen de risicokapitalen die overeenstemmen met de vestigingskapitalen van wezenrenten, bepaald worden volgens een forfaitaire methode toegelaten door de [1 FSMA]1.
1° eerste bewerking :
de volgende elementen worden opgeteld :
a) tien keer de eerste schijf die lager is dan of gelijk is aan 30.000 euro van het hoogste van de risicokapitalen en de invaliditeits- en arbeidsongeschiktheids kapitalen;
b) de som van de vijf hoogste van de risicokapitalen, de invaliditeits- en de arbeidsongeschiktheidskapitalen, waarbij voor elke aangeslotene het hoogste onder zijn risicokapitaal, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidskapitaal in rekening wordt gebracht;
c) één per duizend van het totaal, voor alle aangeslotenen samen, van het hoogste onder de risicokapitalen, de invaliditeits- en de arbeidsongeschiktheidskapitalen van elke aangeslotene;
2° tweede bewerking :
het totaal, voor alle aangeslotenen samen, van het hoogste onder de risicokapitalen, de invaliditeits- en de arbeidsongeschiktheidskapitalen van elke aangeslotene wordt berekend;
3° derde bewerking :
het kleinste resultaat van de eerste en tweede bewerking wordt weerhouden;
4° vierde bewerking :
de derde bewerking wordt vermenigvuldigd met een breuk berekend als volgt :
a) de breuk is gelijk aan de verhouding, voor het laatste boekjaar, tussen de twee volgende bedragen :
- de risicokapitalen, de invaliditeitskapitalen en de arbeidsongeschiktheidskapitalen die ten laste blijven van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening na verzekering of herverzekering en;
- de risicokapitalen, de invaliditeitskapitalen en de arbeidsongeschiktheidskapitalen zonder aftrek van de verzekering noch de herverzekering;
b) wanneer de instelling omwille van een niet-proportionele herverzekering de breuk niet kan berekenen op de wijze bedoeld in a), mag ze een fractie gebruiken die ze rechtvaardigt rekening houdend met de methode en de voorwaarden van de herverzekering;
c) de breuk bedoeld in a) en b) kan niet kleiner zijn dan 0,5 behalve wanneer de verzekering- of herverzekeringsonderneming in een lidstaat over een toelating beschikt om haar activiteiten te mogen uitoefenen of, wanneer ze gevestigd is in een land buiten de Europese Economische Ruimte, wanneer ze aan de voorwaarden bepaald door de [1 FSMA]1 voldoet.
§ 2. Het risicokapitaal, het invaliditeitskapitaal en het arbeidsongeschiktheidskapitaal worden bepaald door middel van de technische basissen die door de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening voor de berekening van de technische voorzieningen worden gebruikt.
Nochtans kunnen de risicokapitalen die overeenstemmen met de vestigingskapitalen van wezenrenten, bepaald worden volgens een forfaitaire methode toegelaten door de [1 FSMA]1.
Art.9. § 1er. La marge à constituer pour les risques de décès, d'invalidité et d'incapacité de travail des régimes de retraite visés (aux articles 55, alinéa 1er, 1°, et 135, alinéa 1er, 2°,) de la loi est obtenue au terme des opérations suivantes : <AR 2007-06-05/40, art. 59, 002; En vigueur : 01-07-2007>
1° première opération :
les éléments suivants sont additionnés :
a) dix fois la première tranche qui est inférieure ou égale à 30.000 euros du plus élevé parmi les capitaux sous risque et les capitaux d'invalidité et d'incapacité de travail;
b) la somme des cinq capitaux les plus élevés parmi les capitaux sous risque, les capitaux d'invalidité et les capitaux d'incapacité de travail, où pour chaque affilié, le plus élevé de ces capitaux sous risque, d'invalidité et d'incapacité de travail est pris en compte;
c) un pour mille du total, pour tous les affiliés, du plus élevé des capitaux sous risque, des capitaux d'invalidité et des capitaux d'incapacité de travail de chaque affilié;
2° deuxième opération :
le total, pour tous les affiliés, du plus élevé des capitaux sous risque, des capitaux d'invalidité et des capitaux d'incapacité de travail de chaque affilié est calculé;
3° troisième opération :
il est retenu le plus petit montant obtenu au terme des première et deuxième opérations;
4° quatrième opération :
le résultat de la troisième opération est multiplié par une fraction calculée comme suit :
a) la fraction est égale au rapport existant, pour le dernier exercice comptable, entre les deux montants suivants :
- les capitaux sous risque, les capitaux d'invalidité et les capitaux d'incapacité de travail demeurant à charge de l'institution de retraite professionnelle après l'assurance ou la réassurance;
- les capitaux sous risque, les capitaux d'invalidité et les capitaux d'incapacité de travail sans déduction ni de l'assurance ni de la réassurance;b) si, en raison d'une réassurance non-proportionnelle, l'institution ne peut calculer la fraction de la manière visée au a), elle peut utiliser une fraction qu'elle justifie compte tenu de la méthode et des conditions de la réassurance;
c) la fraction obtenue par application du a) ou du b) ne peut être inférieure à 0,5 sauf si l'entreprise d'assurance ou de réassurance dispose d'un agrément pour exercer son activité dans un Etat membre ou, lorsqu'elle est établie dans un pays hors de l'Espace économique européen, si elle répond aux conditions fixées par la [1 FSMA]1.
§ 2. Le capital sous risque, le capital d'invalidité et le capital d'incapacité de travail sont déterminés au moyen des bases techniques utilisées par l'institution de retraite professionnelle pour le calcul des provisions techniques.
Toutefois, les capitaux sous risque correspondant à des capitaux constitutifs de rentes d'orphelins peuvent être déterminés selon une méthode forfaitaire autorisée par la [1 FSMA]1.
1° première opération :
les éléments suivants sont additionnés :
a) dix fois la première tranche qui est inférieure ou égale à 30.000 euros du plus élevé parmi les capitaux sous risque et les capitaux d'invalidité et d'incapacité de travail;
b) la somme des cinq capitaux les plus élevés parmi les capitaux sous risque, les capitaux d'invalidité et les capitaux d'incapacité de travail, où pour chaque affilié, le plus élevé de ces capitaux sous risque, d'invalidité et d'incapacité de travail est pris en compte;
c) un pour mille du total, pour tous les affiliés, du plus élevé des capitaux sous risque, des capitaux d'invalidité et des capitaux d'incapacité de travail de chaque affilié;
2° deuxième opération :
le total, pour tous les affiliés, du plus élevé des capitaux sous risque, des capitaux d'invalidité et des capitaux d'incapacité de travail de chaque affilié est calculé;
3° troisième opération :
il est retenu le plus petit montant obtenu au terme des première et deuxième opérations;
4° quatrième opération :
le résultat de la troisième opération est multiplié par une fraction calculée comme suit :
a) la fraction est égale au rapport existant, pour le dernier exercice comptable, entre les deux montants suivants :
- les capitaux sous risque, les capitaux d'invalidité et les capitaux d'incapacité de travail demeurant à charge de l'institution de retraite professionnelle après l'assurance ou la réassurance;
- les capitaux sous risque, les capitaux d'invalidité et les capitaux d'incapacité de travail sans déduction ni de l'assurance ni de la réassurance;b) si, en raison d'une réassurance non-proportionnelle, l'institution ne peut calculer la fraction de la manière visée au a), elle peut utiliser une fraction qu'elle justifie compte tenu de la méthode et des conditions de la réassurance;
c) la fraction obtenue par application du a) ou du b) ne peut être inférieure à 0,5 sauf si l'entreprise d'assurance ou de réassurance dispose d'un agrément pour exercer son activité dans un Etat membre ou, lorsqu'elle est établie dans un pays hors de l'Espace économique européen, si elle répond aux conditions fixées par la [1 FSMA]1.
§ 2. Le capital sous risque, le capital d'invalidité et le capital d'incapacité de travail sont déterminés au moyen des bases techniques utilisées par l'institution de retraite professionnelle pour le calcul des provisions techniques.
Toutefois, les capitaux sous risque correspondant à des capitaux constitutifs de rentes d'orphelins peuvent être déterminés selon une méthode forfaitaire autorisée par la [1 FSMA]1.
Art.10. De samen te stellen marge voor de pensioenregelingen bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, van de wet die uitkeringen bij pensionering en bij overlijden voorzien, is gelijk aan de som van de bedragen berekend overeenkomstig 1° en 2° hieronder :
1° 4 % van de technische voorzieningen voor de uitkeringen bij pensionering van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening vermenigvuldigd met de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding tussen, enerzijds, het bedrag van die voorzieningen ten laste van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening na afstand in verzekering of herverzekering en, anderzijds, het bedrag van die voorzieningen zonder aftrek van de verzekering of herverzekering; deze verhouding mag in geen geval kleiner zijn dan 85 %.
2° 0,3 % van de positieve risicokapitalen, ten laste van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, vermenigvuldigd met de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding tussen, enerzijds, het bedrag van de risicokapitalen ten laste van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening na afstand in verzekering of herverzekering en, anderzijds, het bedrag van deze kapitalen zonder aftrek van de verzekering noch van de herverzekering; deze verhouding mag in geen geval kleiner zijn dan 50 %.
1° 4 % van de technische voorzieningen voor de uitkeringen bij pensionering van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening vermenigvuldigd met de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding tussen, enerzijds, het bedrag van die voorzieningen ten laste van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening na afstand in verzekering of herverzekering en, anderzijds, het bedrag van die voorzieningen zonder aftrek van de verzekering of herverzekering; deze verhouding mag in geen geval kleiner zijn dan 85 %.
2° 0,3 % van de positieve risicokapitalen, ten laste van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, vermenigvuldigd met de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding tussen, enerzijds, het bedrag van de risicokapitalen ten laste van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening na afstand in verzekering of herverzekering en, anderzijds, het bedrag van deze kapitalen zonder aftrek van de verzekering noch van de herverzekering; deze verhouding mag in geen geval kleiner zijn dan 50 %.
Art.10. La marge à constituer pour les régimes de retraite visés à l'article 55, alinéa 1er, 2°, de la loi, qui prévoient des prestations en cas de retraite ou de décès est la somme des éléments calculés conformément au 1° et 2° ci-dessous :
1° 4 % des provisions techniques pour les prestations en cas de retraite de l'institution de retraite professionnelle multipliés par le rapport existant, pour le dernier exercice comptable, entre, d'une part, le montant de ces provisions pris en charge par l'institution de retraite professionnelle après cession à l'assurance ou à la réassurance et, d'autre part, le montant de ces provisions sans déduction de l'assurance ni de la réassurance, ce rapport ne pouvant en aucun cas être inférieur à 85 %.
2° 0,3 % des capitaux sous risque positifs, pris en charge par l'institution de retraite professionnelle multiplié par le rapport existant, pour le dernier exercice comptable, entre, d'une part, le montant des capitaux sous risque pris en charge par l'institution de retraite professionnelle après cession à l'assurance ou à la réassurance et, d'autre part, le montant de ces capitaux sans déduction de l'assurance ni de la réassurance, ce rapport ne pouvant en aucun cas être inférieur à 50 %.
1° 4 % des provisions techniques pour les prestations en cas de retraite de l'institution de retraite professionnelle multipliés par le rapport existant, pour le dernier exercice comptable, entre, d'une part, le montant de ces provisions pris en charge par l'institution de retraite professionnelle après cession à l'assurance ou à la réassurance et, d'autre part, le montant de ces provisions sans déduction de l'assurance ni de la réassurance, ce rapport ne pouvant en aucun cas être inférieur à 85 %.
2° 0,3 % des capitaux sous risque positifs, pris en charge par l'institution de retraite professionnelle multiplié par le rapport existant, pour le dernier exercice comptable, entre, d'une part, le montant des capitaux sous risque pris en charge par l'institution de retraite professionnelle après cession à l'assurance ou à la réassurance et, d'autre part, le montant de ces capitaux sans déduction de l'assurance ni de la réassurance, ce rapport ne pouvant en aucun cas être inférieur à 50 %.
Art.11. § 1. De samen te stellen marge voor de pensioenregelingen bedoeld in artikel 55, eerste lid, 2°, van de wet, die uitkeringen bij invaliditeit of arbeidsongeschiktheid voorzien, is het resultaat van de volgende bewerkingen :
1° eerste bewerking :het maximum van de twee volgende bedragen wordt weerhouden :
a) het bedrag van de uitgegeven bijdragen zoals hieronder berekend :
- de gedurende het laatste boekjaar uitgegeven bijdragen, met inbegrip van bijkomende kosten, worden samengeteld;
- van het in het eerste streepje bekomen bedrag wordt afgetrokken het totaalbedrag van de gedurende het laatste boekjaar vernietigde bijdragen, alsook het totaalbedrag van de belastingen, taksen en andere toeslagen geïnd voor rekening van derden op de samengetelde bijdragen;
b) het bedrag van de verdiende bijdragen;
2° tweede bewerking :
het resultaat van de eerste bewerking wordt in twee gedeelten gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van 53.100.000 euro en een tweede gedeelte dat het overschot omvat; vervolgens worden 18 % het eerste gedeelte en 16 % van het tweede opgeteld;
3° derde bewerking :
het resultaat van de tweede bewerking wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de uitkeringen die na aftrek van de uit hoofde van verzekering en herverzekering invorderbare bedragen ten laste van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening blijven, en het bedrag van de bruto-uitkeringen; deze verhouding mag in geen geval lager zijn dan 50 %.
§ 2. Het bedrag bedoeld in § 1, 2°, wordt jaarlijks en voor de eerste maal op 1 januari 2008 aangepast aan de schommelingen van het Europese indexcijfer van de consumptieprijzen, dat Eurostat voor alle lidstaten van de Europese Unie bekendgemaakt.
Het bedrag wordt automatisch aangepast door het basisbedrag in euro te verhogen met de procentuele wijziging van het indexcijfer gedurende de periode tussen 1 januari 2007 en de herzieningsdatum, en naar boven afgerond op een veelvoud van 100.000 euro.
Indien deze wijziging sinds de laatste aanpassing minder dan 5 % bedraagt, wordt de aanpassing niet toegepast.
1° eerste bewerking :het maximum van de twee volgende bedragen wordt weerhouden :
a) het bedrag van de uitgegeven bijdragen zoals hieronder berekend :
- de gedurende het laatste boekjaar uitgegeven bijdragen, met inbegrip van bijkomende kosten, worden samengeteld;
- van het in het eerste streepje bekomen bedrag wordt afgetrokken het totaalbedrag van de gedurende het laatste boekjaar vernietigde bijdragen, alsook het totaalbedrag van de belastingen, taksen en andere toeslagen geïnd voor rekening van derden op de samengetelde bijdragen;
b) het bedrag van de verdiende bijdragen;
2° tweede bewerking :
het resultaat van de eerste bewerking wordt in twee gedeelten gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van 53.100.000 euro en een tweede gedeelte dat het overschot omvat; vervolgens worden 18 % het eerste gedeelte en 16 % van het tweede opgeteld;
3° derde bewerking :
het resultaat van de tweede bewerking wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de uitkeringen die na aftrek van de uit hoofde van verzekering en herverzekering invorderbare bedragen ten laste van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening blijven, en het bedrag van de bruto-uitkeringen; deze verhouding mag in geen geval lager zijn dan 50 %.
§ 2. Het bedrag bedoeld in § 1, 2°, wordt jaarlijks en voor de eerste maal op 1 januari 2008 aangepast aan de schommelingen van het Europese indexcijfer van de consumptieprijzen, dat Eurostat voor alle lidstaten van de Europese Unie bekendgemaakt.
Het bedrag wordt automatisch aangepast door het basisbedrag in euro te verhogen met de procentuele wijziging van het indexcijfer gedurende de periode tussen 1 januari 2007 en de herzieningsdatum, en naar boven afgerond op een veelvoud van 100.000 euro.
Indien deze wijziging sinds de laatste aanpassing minder dan 5 % bedraagt, wordt de aanpassing niet toegepast.
Art.11. § 1er La marge à constituer pour les régimes de retraite visés à l'article 55, alinéa 1er, 2°, de la loi qui prévoient des avantages en cas d'incapacité de travail ou d'invalidité est le résultat des opérations suivantes :
1° première opération :
il est retenu le plus élevé des deux montants suivants :
a) le montant des contributions émises calcule comme suit :
- les contributions émises durant le dernier exercice comptable, y compris les frais accessoires, sont additionnées :
- il est déduit du montant obtenu au premier tiret, le montant total des contributions annulées au cours du dernier exercice comptable ainsi que le montant total des impôts, taxes et autres suppléments encaissés pour compte de tiers, afférents aux contributions additionnées au premier tiret;
b) le montant des contributions acquises;
2° deuxième opération :
le résultat de la première opération est divisé en deux tranches, la première de 53.100.000 euros et la seconde correspondant au surplus; 18 % de la première tranche et 16 % de la seconde sont ensuite additionnés;
3° troisième opération :
le résultat de la deuxième opération est multiplié par le rapport, sur les trois derniers exercices comptables, entre le montant des prestations demeurant à charge de l'institution de retraite professionnelle après déduction des montants récupérables au titre de l'assurance et de la réassurance et le montant des prestations bruts, ce rapport ne pouvant être en aucun cas être inférieur à 50 %.
§ 2. Le montant visé au § 1er, 2°, est révisé chaque année, la première révision intervenant le 1er janvier 2008, en fonction de l'évolution de l'indice européen des prix à la consommation publié par Eurostat pour l'ensemble des Etats membres de l'Union européenne.
Les adaptations sont automatiques et se déroulent selon la procédure suivante : le montant de base en euros est augmenté du pourcentage de variation dudit indice sur la période allant du 1er janvier 2007 à la date de révision, et arrondi au multiple de 100.000 euros supérieur.
Si la variation depuis la dernière adaptation est inférieure à 5 %, le montant n'est pas adapté.
1° première opération :
il est retenu le plus élevé des deux montants suivants :
a) le montant des contributions émises calcule comme suit :
- les contributions émises durant le dernier exercice comptable, y compris les frais accessoires, sont additionnées :
- il est déduit du montant obtenu au premier tiret, le montant total des contributions annulées au cours du dernier exercice comptable ainsi que le montant total des impôts, taxes et autres suppléments encaissés pour compte de tiers, afférents aux contributions additionnées au premier tiret;
b) le montant des contributions acquises;
2° deuxième opération :
le résultat de la première opération est divisé en deux tranches, la première de 53.100.000 euros et la seconde correspondant au surplus; 18 % de la première tranche et 16 % de la seconde sont ensuite additionnés;
3° troisième opération :
le résultat de la deuxième opération est multiplié par le rapport, sur les trois derniers exercices comptables, entre le montant des prestations demeurant à charge de l'institution de retraite professionnelle après déduction des montants récupérables au titre de l'assurance et de la réassurance et le montant des prestations bruts, ce rapport ne pouvant être en aucun cas être inférieur à 50 %.
§ 2. Le montant visé au § 1er, 2°, est révisé chaque année, la première révision intervenant le 1er janvier 2008, en fonction de l'évolution de l'indice européen des prix à la consommation publié par Eurostat pour l'ensemble des Etats membres de l'Union européenne.
Les adaptations sont automatiques et se déroulent selon la procédure suivante : le montant de base en euros est augmenté du pourcentage de variation dudit indice sur la période allant du 1er janvier 2007 à la date de révision, et arrondi au multiple de 100.000 euros supérieur.
Si la variation depuis la dernière adaptation est inférieure à 5 %, le montant n'est pas adapté.
Afdeling II. - Samen te stellen solvabiliteitsmarge door de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die resultaatsverbintenissen aangaan.
Section II. - Marge de solvabilité à constituer par les institutions de retraite professionnelle qui contractent des obligations de résultat.
Art.12. De solvabiliteitsmarge die samengesteld moet worden overeenkomstig artikel 87 van de wet is gelijk aan het grootste van de volgende twee bedragen :
1° de som van de bedragen die worden berekend op de wijze bepaald in de artikelen 10 en 11;
2° een absoluut minimum van 3.200.000 euro.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel 11, § 2.
1° de som van de bedragen die worden berekend op de wijze bepaald in de artikelen 10 en 11;
2° een absoluut minimum van 3.200.000 euro.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel 11, § 2.
Art.12. La marge de solvabilité à constituer conformément à l'article 87 de la loi est le plus grand des deux montants suivants :
1° la somme des montants calculés de la manière prévue aux articles 10 et 11;
2° un minimum absolu de 3.200.000 euros.
Le montant visé à l'alinéa 1er, 2°, est révisé chaque année de la manière prévue à l'article 11, § 2.
1° la somme des montants calculés de la manière prévue aux articles 10 et 11;
2° un minimum absolu de 3.200.000 euros.
Le montant visé à l'alinéa 1er, 2°, est révisé chaque année de la manière prévue à l'article 11, § 2.
Afdeling III. - Samenstelling van de solvabiliteitsmarge.
Section III. - Constitution de la marge de solvabilité.
Art.13. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening stelt eigen vermogen samen dat minstens gelijk is aan het bedrag van de samen te stellen solvabiliteitsmarge en waartegenover activa staan, die vrij zijn van elke mogelijke te voorziene verplichting.
Art.13. L'institution de retraite professionnelle constitue des fonds propres au moins égaux au montant de la marge de solvabilité à constituer et qui doivent avoir comme contrepartie des actifs libres de tout engagement prévisible.
Art.14. De activa bedoeld in artikel 13 moeten toebehoren aan de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en voldoen aan de voorwaarden van het Hoofdstuk V.
Voor de activiteiten bedoeld (in artikelen 55, eerste lid, 1° en 135, eerste lid, 2°), van de wet, mogen vorderingen van de instelling op de bijdragende onderneming(en) ook in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge, op voorwaarde dat ze gewaarborgd worden door een kredietinstelling of een verzekeringsonderneming, die over een toelating om haar activiteiten uit te oefenen in een lidstaat beschikt, of indien ze gevestigd is in een land buiten de Europese Economische Ruimte, wanneer ze aan de voorwaarden bepaald door de [1 FSMA]1 voldoet. <KB 2007-06-05/40, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Voor de activiteiten bedoeld (in artikelen 55, eerste lid, 1° en 135, eerste lid, 2°), van de wet, mogen vorderingen van de instelling op de bijdragende onderneming(en) ook in aanmerking worden genomen voor de samenstelling van de solvabiliteitsmarge, op voorwaarde dat ze gewaarborgd worden door een kredietinstelling of een verzekeringsonderneming, die over een toelating om haar activiteiten uit te oefenen in een lidstaat beschikt, of indien ze gevestigd is in een land buiten de Europese Economische Ruimte, wanneer ze aan de voorwaarden bepaald door de [1 FSMA]1 voldoet. <KB 2007-06-05/40, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art.14. Les actifs visés à l'article 13 doivent appartenir a l'institution de retraite professionnelle et répondre aux conditions du Chapitre V.
Pour les activités visées (aux articles 55, alinéa 1er, 1°, et 135, alinéa 1er, 2°,), de la loi, peuvent en outre être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité, les créances de l'institution vis-à-vis de la ou des entreprises d'affiliation à condition que ces créances soient garanties par un établissement de crédit ou une entreprise d'assurances disposant d'un agrément pour exercer cette activité dans un Etat membre ou, s'il est établi dans un pays hors de l'Espace économique européen, répondant aux conditions fixées par la [1 FSMA]1. <AR 2007-06-05/40, art. 60, 002; En vigueur : 01-07-2007>
Pour les activités visées (aux articles 55, alinéa 1er, 1°, et 135, alinéa 1er, 2°,), de la loi, peuvent en outre être pris en considération pour la constitution de la marge de solvabilité, les créances de l'institution vis-à-vis de la ou des entreprises d'affiliation à condition que ces créances soient garanties par un établissement de crédit ou une entreprise d'assurances disposant d'un agrément pour exercer cette activité dans un Etat membre ou, s'il est établi dans un pays hors de l'Espace économique européen, répondant aux conditions fixées par la [1 FSMA]1. <AR 2007-06-05/40, art. 60, 002; En vigueur : 01-07-2007>
HOOFDSTUK IV. - Technische voorzieningen.
CHAPITRE IV. - Provisions techniques.
Afdeling I. - Bepaling die van toepassing is op alle pensioenregelingen.
Section Ire. - Disposition commune à tous les régimes de retraite.
Art.15. De berekeningswijze van de technische voorzieningen maken deel uit van het financieringsplan van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
Art.15. La méthode de calcul des provisions techniques fait partie du plan de financement de l'institution de retraite professionnelle.
Afdeling II. - Pensioenregelingen die dekking bieden tegen biometrische risico's of een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorzien.
Section II. - Régimes de retraite qui couvrent des risques biométriques ou qui prévoient un rendement des placements ou un niveau donné des prestations.
Art.16. § 1. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening houdt voor de berekening van de technische voorzieningen van een pensioenregeling, die dekking biedt tegen biometrische risico's of in een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorziet, in het bijzonder rekening met :
1° maximale rentevoeten die op prudente wijze bepaald worden rekening houdend met :
a) het rendement van de dekkingswaarden en de toekomstige beleggingsopbrengsten en/of
b) de marktrendementen van de obligaties van een lidstaat of andere kwalitatief hoogwaardige obligaties;
2° biometrische tabellen gebaseerd op prudente beginselen en rekening houdend met de hoofdkenmerken van de groep van aangeslotenen en de pensioenregelingen, in het bijzonder de verwachte veranderingen in de relevante risico's.
De methode en de grondslagen van de berekening van de technische voorzieningen blijven ongewijzigd van boekjaar tot boekjaar behalve bij een verandering van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.
§ 2. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening rechtvaardigt de methodes en de grondslagen die ze gebuikt voor de berekening van de technische voorzieningen, die van die aard moeten zijn dat ze de duurzaamheid van haar verbintenissen waarborgen.
De [1 FSMA]1 kan de voorwaarden bepalen waaraan die rechtvaardiging moet voldoen.
1° maximale rentevoeten die op prudente wijze bepaald worden rekening houdend met :
a) het rendement van de dekkingswaarden en de toekomstige beleggingsopbrengsten en/of
b) de marktrendementen van de obligaties van een lidstaat of andere kwalitatief hoogwaardige obligaties;
2° biometrische tabellen gebaseerd op prudente beginselen en rekening houdend met de hoofdkenmerken van de groep van aangeslotenen en de pensioenregelingen, in het bijzonder de verwachte veranderingen in de relevante risico's.
De methode en de grondslagen van de berekening van de technische voorzieningen blijven ongewijzigd van boekjaar tot boekjaar behalve bij een verandering van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.
§ 2. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening rechtvaardigt de methodes en de grondslagen die ze gebuikt voor de berekening van de technische voorzieningen, die van die aard moeten zijn dat ze de duurzaamheid van haar verbintenissen waarborgen.
De [1 FSMA]1 kan de voorwaarden bepalen waaraan die rechtvaardiging moet voldoen.
Art.16. § 1er. L'institution de retraite professionnelle tient compte, pour le calcul des provisions techniques, des régimes de retraite qui couvrent des risques biométriques ou qui prévoient un rendement des placements ou un niveau donné des prestations, des éléments suivants :
1° des taux d'intérêt maxima choisis avec prudence en tenant compte :
a) du rendement des valeurs représentatives ainsi que des rendements futurs et/ou
b) du rendement des obligations d'un Etat membre ou d'autres obligations de haute qualité;
2° de tables biométriques fondées sur des principes de prudence et tenant compte des principales caractéristiques du groupe d'affiliés et des régimes de retraite, notamment de l'évolution attendue des risques concernés.
La méthode et les bases du calcul des provisions techniques sont constantes d'un exercice à l'autre sauf changement des données juridiques, démographiques ou économiques sur lesquelles se fondent les hypothèses.
§ 2. L'institution de retraite professionnelle justifie les méthodes et les bases qu'elle utilise pour le calcul des provisions techniques, lesquelles doivent être de nature à garantir la pérennité de ses engagements.
La [1 FSMA]1 peut préciser les conditions auxquelles cette justification doit satisfaire.
1° des taux d'intérêt maxima choisis avec prudence en tenant compte :
a) du rendement des valeurs représentatives ainsi que des rendements futurs et/ou
b) du rendement des obligations d'un Etat membre ou d'autres obligations de haute qualité;
2° de tables biométriques fondées sur des principes de prudence et tenant compte des principales caractéristiques du groupe d'affiliés et des régimes de retraite, notamment de l'évolution attendue des risques concernés.
La méthode et les bases du calcul des provisions techniques sont constantes d'un exercice à l'autre sauf changement des données juridiques, démographiques ou économiques sur lesquelles se fondent les hypothèses.
§ 2. L'institution de retraite professionnelle justifie les méthodes et les bases qu'elle utilise pour le calcul des provisions techniques, lesquelles doivent être de nature à garantir la pérennité de ses engagements.
La [1 FSMA]1 peut préciser les conditions auxquelles cette justification doit satisfaire.
Art.17. De technische voorzieningen mogen in geen geval minder bedragen dan de som van de volgende bedragen die voor elke aangeslotene en elke begunstigde worden berekend :
1° voor elke aangeslotene, het grootste van de volgende twee bedragen :
a) de verworven reserves zoals bepaald door de pensioenregeling met als minimum de verworven reserves zoals bepaald door de sociale of arbeidswetgeving, die op de pensioenregeling van toepassing is;
b) het bedrag dat overeenstemt met de waarborg bedoeld in artikel 24, § 1, van de WAP, indien die bepaling op de pensioenregeling van toepassing is;
2° per begunstigde, de actuele waarde van de lopende renten overeenkomstig de door de pensioenregeling vermelde actualisatieregels.
De actualisatieregels bedoeld in het eerste lid, 2°, worden op een prudente wijze gekozen en gerechtvaardigd in het financieringsplan.
1° voor elke aangeslotene, het grootste van de volgende twee bedragen :
a) de verworven reserves zoals bepaald door de pensioenregeling met als minimum de verworven reserves zoals bepaald door de sociale of arbeidswetgeving, die op de pensioenregeling van toepassing is;
b) het bedrag dat overeenstemt met de waarborg bedoeld in artikel 24, § 1, van de WAP, indien die bepaling op de pensioenregeling van toepassing is;
2° per begunstigde, de actuele waarde van de lopende renten overeenkomstig de door de pensioenregeling vermelde actualisatieregels.
De actualisatieregels bedoeld in het eerste lid, 2°, worden op een prudente wijze gekozen en gerechtvaardigd in het financieringsplan.
Art.17. Les provisions techniques ne peuvent, en aucun cas, être inférieures à la somme des montants suivants calculés pour chaque affilié et chaque bénéficiaire :
1° pour chaque affilié, le plus grand des deux montants suivants :
a) les réserves acquises déterminées par le régime de retraite avec comme minimum les réserves acquises déterminées par la réglementation de droit social et de droit du travail applicable au régime de retraite;
b) le montant qui correspond à la garantie visée à l'article 24, § 1er, de la LPC, si cette disposition est applicable au régime de retraite;
2° pour chaque bénéficiaire, la valeur actuelle des rentes en cours conformément aux règles d'actualisation prévues par le régime de retraite.
Les règles d'actualisation visées à l'alinéa 1er, 2°, sont choisies de manière prudente et justifiées dans le plan de financement.
1° pour chaque affilié, le plus grand des deux montants suivants :
a) les réserves acquises déterminées par le régime de retraite avec comme minimum les réserves acquises déterminées par la réglementation de droit social et de droit du travail applicable au régime de retraite;
b) le montant qui correspond à la garantie visée à l'article 24, § 1er, de la LPC, si cette disposition est applicable au régime de retraite;
2° pour chaque bénéficiaire, la valeur actuelle des rentes en cours conformément aux règles d'actualisation prévues par le régime de retraite.
Les règles d'actualisation visées à l'alinéa 1er, 2°, sont choisies de manière prudente et justifiées dans le plan de financement.
Afdeling III. - Pensioenregelingen die geen dekking bieden tegen biometrische risico's noch een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorzien.
Section III. - Régimes de retraite qui ne couvrent pas de risques biométriques ni ne prévoient un rendement des placements ou un niveau donné des prestations.
Art.18. Wanneer de pensioenregeling geen dekking biedt tegen biometrische risico's noch een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorziet, mogen de technische voorzieningen in geen geval minder bedragen dan de som, voor alle aangeslotenen van de hoogste van de volgende bedragen die voor elke aangeslotene worden berekend :
1° de verworven reserve zoals bepaald door de pensioenregeling met als absoluut minimum de verworven reserves zoals bepaald door de sociale of arbeidswetgeving, die op de pensioenregeling van toepassing is;
2° het bedrag dat overeenstemt met de waarborg bedoeld in artikel 24, § 1, van de WAP, indien die bepaling op de pensioenregeling van toepassing is.
1° de verworven reserve zoals bepaald door de pensioenregeling met als absoluut minimum de verworven reserves zoals bepaald door de sociale of arbeidswetgeving, die op de pensioenregeling van toepassing is;
2° het bedrag dat overeenstemt met de waarborg bedoeld in artikel 24, § 1, van de WAP, indien die bepaling op de pensioenregeling van toepassing is.
Art.18. Lorsque le régime de retraite ne couvre pas de risques biométriques ni ne prévoit un rendement des placements ou un niveau donné des prestations, les provisions techniques ne peuvent, en aucun cas, être inférieures à la somme, pour tous les affiliés, du plus élevé des montants suivants calculés pour chaque affilié :
1° la réserve acquise déterminée par le régime de retraite, avec comme minimum la réserve acquise déterminée par la réglementation de droit social et de droit du travail applicable au régime de retraite;
2° le montant qui correspond à la garantie visée à l'article 24, § 1er, de la LPC, si cette disposition est applicable au régime de retraite.
1° la réserve acquise déterminée par le régime de retraite, avec comme minimum la réserve acquise déterminée par la réglementation de droit social et de droit du travail applicable au régime de retraite;
2° le montant qui correspond à la garantie visée à l'article 24, § 1er, de la LPC, si cette disposition est applicable au régime de retraite.
Art.19. Voor elke aangeslotene moeten er afzonderlijke rekeningen worden bijgehouden, behalve voor het deel van de technische voorzieningen dat overeenstemt met het verschil tussen 2° en 1° van artikel 18.
Art.19. Des comptes individuels doivent être tenus séparément pour chaque affilié, sauf pour la partie des provisions techniques qui correspond à la différence entre le 2° et le 1° de l'article 18.
HOOFDSTUK V. - Dekkingswaarden.
CHAPITRE V. - Valeurs représentatives.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Section Ire. - Dispositions générales.
Art.20. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening belegt de dekkingswaarden overeenkomstig het in artikel 91, § 1, van de wet geformuleerde prudentiebeginsel en overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
De beleggingen worden met zorg, deskundigheid, voorzichtigheid en gepaste toewijding uitgevoerd.
De beleggingen van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening dienen te stroken met de hypotheses van haar financieringsplan en dienen in overeenstemming te zijn met haar beleggingsbeleid zoals uiteengezet in de verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
De beleggingen worden met zorg, deskundigheid, voorzichtigheid en gepaste toewijding uitgevoerd.
De beleggingen van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening dienen te stroken met de hypotheses van haar financieringsplan en dienen in overeenstemming te zijn met haar beleggingsbeleid zoals uiteengezet in de verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
Art.20. L'institution de retraite professionnelle place les valeurs représentatives conformément aux principes de prudence énoncés à l'article 91, § 1er, de la loi et aux dispositions du présent chapitre.
Les placements sont effectués avec soin, avec l'expertise professionnelle, la prudence et la diligence nécessaire.
Les placements de l'institution de retraite professionnelle doivent être cohérents avec les hypothèses de son plan de financement et conformes à sa politique de placement telle qu'elle est exposée dans la déclaration écrite sur les principes de sa politique de placement.
Les placements sont effectués avec soin, avec l'expertise professionnelle, la prudence et la diligence nécessaire.
Les placements de l'institution de retraite professionnelle doivent être cohérents avec les hypothèses de son plan de financement et conformes à sa politique de placement telle qu'elle est exposée dans la déclaration écrite sur les principes de sa politique de placement.
Art.21. Voor de toepassing van het beginsel en de bepalingen bedoeld in artikel 20, houdt de instelling rekening met de activa die ze zowel rechtstreeks als onrechtstreeks bezit alsook met de risico's die ermee verbonden zijn en waaraan ze door middel van afgeleide instrumenten, rechtstreeks of onrechtstreeks, is blootgesteld.
Art.21. Pour l'application du principe et dispositions visées à l'article 20, l'institution tient compte des actifs qu'elle détient tant directement qu'indirectement ainsi que des risques y afférents auxquels elle est exposée, directement ou indirectement, par le biais d'instruments dérivés.
Art.22. Artikel 91, § 1, 6°, van de wet is van toepassing op de leningen toegestaan aan en de vorderingen op de bijdragende onderneming met uitzondering van de vorderingen bedoeld in artikel 27, 6°, en in artikel 163, derde lid, van de wet.
Art.22. L'article 91, § 1er, 6°, de la loi est applicable aux prêts accordés à et aux créances sur l'entreprise d'affiliation à l'exception des créances visées à l'article 27, 6°, et à l'article 163, alinéa 3, de la loi.
Art.23. _ De activa die dienen tot dekking van verplichtingen ten aanzien van derden, anderen dan de aangeslotenen en de begunstigden, alsook de activa die tegenover de solvabiliteitsmarge staan, mogen niet als dekkingswaarden worden toegewezen.
De afgeleide instrumenten, alsook de waarborgen verbonden aan hun onderliggende verbintenissen, mogen slechts als dekkingswaarden worden toegewezen in de mate dat hun aard en het nakomen van die verbintenissen het toelaat.
De afgeleide instrumenten, alsook de waarborgen verbonden aan hun onderliggende verbintenissen, mogen slechts als dekkingswaarden worden toegewezen in de mate dat hun aard en het nakomen van die verbintenissen het toelaat.
Art.23. Les actifs destines à la couverture d'engagements vis-à-vis de tiers autres que les affiliés et les bénéficiaires ainsi que les actifs qui sont la contrepartie de la marge de solvabilité ne peuvent être affectés comme valeurs représentatives.
Les instruments dérivés de même que les garanties afférentes à leurs engagements sous-jacents ne peuvent être affectés comme valeurs représentatives que dans la mesure où leur nature et le respect de ces engagements le permet.
Les instruments dérivés de même que les garanties afférentes à leurs engagements sous-jacents ne peuvent être affectés comme valeurs représentatives que dans la mesure où leur nature et le respect de ces engagements le permet.
Art.24. De instelling voor bedrijfspensioenvoorziening en de externe dienstverlener die de beleggingen beheren, gaan geen verbintenissen aan, in het bijzonder door middel van afgeleide instrumenten, die de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de dekkingswaarden in het gedrang zouden kunnen brengen.
Art.24. L'institution de retraite professionnelle et le prestataire de services externes qui gèrent les placements ne contractent aucun engagement, notamment par le biais d'instruments dérivés, qui soit préjudiciable à la sécurité, la qualité, la liquidité et la rentabilité des valeurs représentatives.
Art.25. Wanneer de instelling over onvoldoende expertise beschikt om oordeelkundig beslissingen met betrekking tot de beleggingen te kunnen nemen, roept zij de hulp in van een extern deskundige. Indien nodig kan de [1 FSMA]1 dit opleggen.
Art.25. Lorsque l'institution de retraite professionnelle dispose d'une expertise insuffisante pour prendre des décisions en ce qui concerne les placements de manière totalement avertie, elle se fait assister par un expert externe. La [1 FSMA]1 peut, au besoin, l'y obliger.
Art.26. Wanneer de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening verschillende afzonderlijke vermogens heeft ingesteld, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk afzonderlijk van toepassing op elk van die afzonderlijke vermogens.
Indien, voor een pensioenregeling die geen dekking biedt tegen biometrische risico's, noch in een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorziet, de instelling gebruik maakt van verschillende compartimenten voor de toewijzing van de gedane stortingen, eerbiedigt elk van de compartimenten de bepalingen van dit hoofdstuk.
Indien, voor een pensioenregeling die geen dekking biedt tegen biometrische risico's, noch in een beleggingsrendement of een hoogte van uitkeringen voorziet, de instelling gebruik maakt van verschillende compartimenten voor de toewijzing van de gedane stortingen, eerbiedigt elk van de compartimenten de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art.26. Lorsque l'institution de retraite professionnelle comporte plusieurs patrimoines distincts, les dispositions du présent chapitre s'appliquent séparément à chacun de ces patrimoines distincts.
Lorsque, pour un régime de pension qui ne couvre pas de risques biométriques ni ne prévoit un rendement des placements ou un niveau donné des prestations, l'institution fait usage, pour l'affectation des versements effectués, de plusieurs compartiments, chacun de ceux-ci respecte les dispositions du présent chapitre.
Lorsque, pour un régime de pension qui ne couvre pas de risques biométriques ni ne prévoit un rendement des placements ou un niveau donné des prestations, l'institution fait usage, pour l'affectation des versements effectués, de plusieurs compartiments, chacun de ceux-ci respecte les dispositions du présent chapitre.
Afdeling II. - Beleggingscategorieën.
Section II. - Catégories de placements.
Art.27. De dekkingswaarden moeten tot de volgende beleggingscategorieën behoren :
1° financiële instrumenten bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
2° reserves door de instelling samengesteld bij een verzekeringsonderneming die is toegelaten door een bevoegde autoriteit van een lidstaat;
3° leningen die voldoende waarborgen bieden;
4° onroerende goederen, zakelijke rechten op onroerende goederen en vastgoedcertificaten;
5° aandeel der herverzekeraars in de technische voorzieningen, overeenkomstig de voorwaarden aanvaard door de [1 FSMA]1;
6° nog te innen dotaties waarvan de datum van opeisbaarheid ten hoogste één maand verstreken is;
7° niet betwiste belastingsvorderingen;
8° deposito's op zichtrekeningen of termijnrekeningen bij de Nationale Bank van België of bij een kredietinstelling die een vergunning verkregen heeft van de [1 FSMA]1 of van de daartoe bevoegde overheid van de lidstaat waar haar maatschappelijke zetel is gevestigd;
9° gelopen en niet-vervallen rente en lopende huur van activa, indien nog niet inbegrepen in de waarde van de betreffende activa.
1° financiële instrumenten bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
2° reserves door de instelling samengesteld bij een verzekeringsonderneming die is toegelaten door een bevoegde autoriteit van een lidstaat;
3° leningen die voldoende waarborgen bieden;
4° onroerende goederen, zakelijke rechten op onroerende goederen en vastgoedcertificaten;
5° aandeel der herverzekeraars in de technische voorzieningen, overeenkomstig de voorwaarden aanvaard door de [1 FSMA]1;
6° nog te innen dotaties waarvan de datum van opeisbaarheid ten hoogste één maand verstreken is;
7° niet betwiste belastingsvorderingen;
8° deposito's op zichtrekeningen of termijnrekeningen bij de Nationale Bank van België of bij een kredietinstelling die een vergunning verkregen heeft van de [1 FSMA]1 of van de daartoe bevoegde overheid van de lidstaat waar haar maatschappelijke zetel is gevestigd;
9° gelopen en niet-vervallen rente en lopende huur van activa, indien nog niet inbegrepen in de waarde van de betreffende activa.
Art.27. Les valeurs représentatives doivent appartenir aux catégories de placement suivantes :
1° instruments financiers visés à l'article 2, 1°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
2° réserves que l'institution constitue auprès d'une entreprise d'assurances qui est agréée par l'autorité compétente d'un Etat membre;
3° prêts assortis de garanties suffisantes;
4° immeubles, droits réels immobiliers et certificats immobiliers;
5° part des réassureurs dans les provisions techniques, selon les conditions acceptées par la [1 FSMA]1;
6° dotations restant à encaisser dont la date d'exigibilité est échue depuis un mois au maximum;
7° créances d'impôt non contestées;
8° dépôts sur des comptes à vue ou comptes à terme auprès de la Banque Nationale de Belgique ou d'un établissement de crédit agréé par la [1 FSMA]1 ou par l'autorité compétente de l'Etat dans lequel cet établissement de crédit a son siège social;
9° intérêts et loyers courus et non échus relatifs aux valeurs représentatives s'ils ne sont pas déjà inclus dans la valeur des actifs correspondants.
1° instruments financiers visés à l'article 2, 1°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
2° réserves que l'institution constitue auprès d'une entreprise d'assurances qui est agréée par l'autorité compétente d'un Etat membre;
3° prêts assortis de garanties suffisantes;
4° immeubles, droits réels immobiliers et certificats immobiliers;
5° part des réassureurs dans les provisions techniques, selon les conditions acceptées par la [1 FSMA]1;
6° dotations restant à encaisser dont la date d'exigibilité est échue depuis un mois au maximum;
7° créances d'impôt non contestées;
8° dépôts sur des comptes à vue ou comptes à terme auprès de la Banque Nationale de Belgique ou d'un établissement de crédit agréé par la [1 FSMA]1 ou par l'autorité compétente de l'Etat dans lequel cet établissement de crédit a son siège social;
9° intérêts et loyers courus et non échus relatifs aux valeurs représentatives s'ils ne sont pas déjà inclus dans la valeur des actifs correspondants.
Art.28. De afgeleide instrumenten die een levering inhouden zijn alleen toegelaten indien aan ten minste één van onderstaande voorwaarden is voldaan :
1° de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening houdt de onderliggende activa als dekking in portefeuille;
2° de risico's inherent aan de onderliggende zeer liquide activa worden passend weergegeven door andere liquide activa voor zover deze laatste activa op elk ogenblik kan gebruikt worden voor de verwerving van de te leveren onderliggende activa en voor zover het bijkomend risico inherent aan dit type van verrichting passend wordt gemeten en beheerst;
3° een verrekeningsinstelling, die kan bogen op een passende honoreringsgarantie, komt tussen en een dagelijkse marktwaardering van de derivatenposities evenals een dagelijkse vaststelling van de marginverplichtingen vindt plaats.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, worden dekkingsinstrumenten als liquide beschouwd indien ze in een tijdspanne van minder dan 7 bankwerkdagen in contanten kunnen worden omgezet tegen een prijs die de actuele waardering van het afgeleid instrument nauw benadert. Het bedrag in contanten moet ter beschikking zijn van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening op de vervaldag of de uitoefeningdatum van het afgeleid instrument.
1° de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening houdt de onderliggende activa als dekking in portefeuille;
2° de risico's inherent aan de onderliggende zeer liquide activa worden passend weergegeven door andere liquide activa voor zover deze laatste activa op elk ogenblik kan gebruikt worden voor de verwerving van de te leveren onderliggende activa en voor zover het bijkomend risico inherent aan dit type van verrichting passend wordt gemeten en beheerst;
3° een verrekeningsinstelling, die kan bogen op een passende honoreringsgarantie, komt tussen en een dagelijkse marktwaardering van de derivatenposities evenals een dagelijkse vaststelling van de marginverplichtingen vindt plaats.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, worden dekkingsinstrumenten als liquide beschouwd indien ze in een tijdspanne van minder dan 7 bankwerkdagen in contanten kunnen worden omgezet tegen een prijs die de actuele waardering van het afgeleid instrument nauw benadert. Het bedrag in contanten moet ter beschikking zijn van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening op de vervaldag of de uitoefeningdatum van het afgeleid instrument.
Art.28. Les instruments dérives impliquant une livraison ne sont autorisés que si l'une au moins des conditions suivantes est remplie :
1° l'institution de retraite professionnelle possède les actifs sous-jacents à titre de couverture;
2° les risques inhérents à des actifs sous-jacents très liquides sont représentés adéquatement par d'autres actifs liquides pour autant que ces derniers actifs puissent être à tout moment affectés à l'acquisition des actifs sous-jacents à livrer et pour autant que le risque supplémentaire inhérent à ce type d'opération soit adéquatement mesuré et maîtrisé;
3° un organisme de compensation pouvant se prévaloir d'une garantie adéquate de bonne fin intervient, les positions sur instruments dérivés sont évaluées quotidiennement à la valeur de marché et des appels de marges sont établis au moins une fois par jour.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, les instruments de couverture sont considérés comme liquides si, au cours d'une période de moins de 7 jours ouvrables bancaires, ils peuvent être convertis en espèces à un prix très proche de la valorisation actuelle de l'instrument. Le montant en espèces doit être à la disposition de l'institution de retraite professionnelle à la date d'échéance ou d'exercice de l'instrument financier dérivé.
1° l'institution de retraite professionnelle possède les actifs sous-jacents à titre de couverture;
2° les risques inhérents à des actifs sous-jacents très liquides sont représentés adéquatement par d'autres actifs liquides pour autant que ces derniers actifs puissent être à tout moment affectés à l'acquisition des actifs sous-jacents à livrer et pour autant que le risque supplémentaire inhérent à ce type d'opération soit adéquatement mesuré et maîtrisé;
3° un organisme de compensation pouvant se prévaloir d'une garantie adéquate de bonne fin intervient, les positions sur instruments dérivés sont évaluées quotidiennement à la valeur de marché et des appels de marges sont établis au moins une fois par jour.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, les instruments de couverture sont considérés comme liquides si, au cours d'une période de moins de 7 jours ouvrables bancaires, ils peuvent être convertis en espèces à un prix très proche de la valorisation actuelle de l'instrument. Le montant en espèces doit être à la disposition de l'institution de retraite professionnelle à la date d'échéance ou d'exercice de l'instrument financier dérivé.
Art.29. De financiële instrumenten, die niet op een gereglementeerde markt worden verhandeld, zijn alleen toegelaten als dekkingswaarden indien ze op redelijke termijn kunnen gerealiseerd worden.
Mits het akkoord van de [1 FSMA]1 is de in het eerste lid bedoelde voorwaarde niet van toepassing op deelnemingen in kredietinstellingen, in verzekeringsondernemingen en in beleggingsondernemingen waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in een lidstaat.
Mits het akkoord van de [1 FSMA]1 is de in het eerste lid bedoelde voorwaarde niet van toepassing op deelnemingen in kredietinstellingen, in verzekeringsondernemingen en in beleggingsondernemingen waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in een lidstaat.
Art.29. Les instruments financiers qui ne sont pas négociables sur un marché réglementé ne sont admis comme valeurs représentatives que s'ils peuvent être réalisés dans un délai raisonnable.
Moyennant l'accord de la [1 FSMA]1, la condition de l'alinéa 1er n'est pas applicable aux participations dans des établissements de crédit, des entreprises d'assurance et des entreprises d'investissement dont le siège social est établi dans un Etat membre.
Moyennant l'accord de la [1 FSMA]1, la condition de l'alinéa 1er n'est pas applicable aux participations dans des établissements de crédit, des entreprises d'assurance et des entreprises d'investissement dont le siège social est établi dans un Etat membre.
Afdeling III. - Waarderingsregels.
Section III. - Règles d'évaluation.
Art.30. Voor de vaststelling van de affectatiewaarde van de dekkingswaarden wordt er rekening gehouden met de volgende bepalingen :
1° de dekkingswaarden worden gewaardeerd met aftrek van de voor de verwerving ervan aangegane schulden;
2° de dekkingswaarden moeten met de nodige voorzichtigheid worden gewaardeerd, rekening houdend met het risico van niet-realisatie;
3° de vorderingen op een derde worden gewaardeerd met aftrek van schulden jegens die derde.
1° de dekkingswaarden worden gewaardeerd met aftrek van de voor de verwerving ervan aangegane schulden;
2° de dekkingswaarden moeten met de nodige voorzichtigheid worden gewaardeerd, rekening houdend met het risico van niet-realisatie;
3° de vorderingen op een derde worden gewaardeerd met aftrek van schulden jegens die derde.
Art.30. La valeur d'affectation des valeurs représentatives est déterminée en tenant compte des dispositions suivantes :
1° les valeurs représentatives sont évaluées déduction faite des dettes contractées pour leur acquisition;
2° les valeurs représentatives doivent être évaluées avec toute la prudence nécessaire en tenant compte du risque de non-réalisation;
3° les créances sur un tiers sont évaluées déduction faite des dettes envers ce tiers.
1° les valeurs représentatives sont évaluées déduction faite des dettes contractées pour leur acquisition;
2° les valeurs représentatives doivent être évaluées avec toute la prudence nécessaire en tenant compte du risque de non-réalisation;
3° les créances sur un tiers sont évaluées déduction faite des dettes envers ce tiers.
Art.31. De affectatiewaarde van de onroerende goederen is hun marktwaarde. Ze wordt afzonderlijk bepaald voor elk onroerend goed.
Onder marktwaarde wordt verstaan de prijs die, op datum van waardering, zou kunnen bekomen worden bij verkoop van het betrokken onroerend goed in de veronderstelling dat :
1° het een vrijwillige verkoop betreft;
2° de koper volledig onafhankelijk van de verkoper kan optreden;
3° er een normale publiciteit gevoerd wordt;
4° de marktvoorwaarden een regelmatige transactie toelaten;
5° de tijd voor het voeren van de verkoopsonderhandelingen van het goed, rekening houdend met de aard ervan, normaal is.
Wanneer sedert de laatste waardebepaling de marktwaarde van een onroerend goed verminderd is, wordt de affectatiewaarde ervan in dezelfde zin aangepast. De aldus bekomen lagere affectatiewaarde wordt slechts verhoogd als er een nieuwe marktwaarde overeenkomstig dit artikel wordt bepaald.
Als op het ogenblik van de waardering het voornemen bestaat om de onroerende goederen op korte termijn te verkopen, wordt de marktwaarde ervan verminderd met de geraamde realisatiekosten.
Wanneer de marktwaarde van een onroerend goed niet kan worden bepaald, is de affectatiewaarde gelijk aan de aanschaffingsprijs of de vervaardigingsprijs zonder aftrek van de eventuele uitgevoerde afschrijvingen, maar met aftrek van de uitzonderlijke afschrijvingen of waardeverminderingen.
Onder marktwaarde wordt verstaan de prijs die, op datum van waardering, zou kunnen bekomen worden bij verkoop van het betrokken onroerend goed in de veronderstelling dat :
1° het een vrijwillige verkoop betreft;
2° de koper volledig onafhankelijk van de verkoper kan optreden;
3° er een normale publiciteit gevoerd wordt;
4° de marktvoorwaarden een regelmatige transactie toelaten;
5° de tijd voor het voeren van de verkoopsonderhandelingen van het goed, rekening houdend met de aard ervan, normaal is.
Wanneer sedert de laatste waardebepaling de marktwaarde van een onroerend goed verminderd is, wordt de affectatiewaarde ervan in dezelfde zin aangepast. De aldus bekomen lagere affectatiewaarde wordt slechts verhoogd als er een nieuwe marktwaarde overeenkomstig dit artikel wordt bepaald.
Als op het ogenblik van de waardering het voornemen bestaat om de onroerende goederen op korte termijn te verkopen, wordt de marktwaarde ervan verminderd met de geraamde realisatiekosten.
Wanneer de marktwaarde van een onroerend goed niet kan worden bepaald, is de affectatiewaarde gelijk aan de aanschaffingsprijs of de vervaardigingsprijs zonder aftrek van de eventuele uitgevoerde afschrijvingen, maar met aftrek van de uitzonderlijke afschrijvingen of waardeverminderingen.
Art.31. La valeur d'affectation des immeubles est leur valeur de marché. Elle est déterminée séparément pour chaque immeuble.
Par valeur de marché, on entend le prix qui, à la date d'évaluation, pourrait être obtenu si l'immeuble concerné était vendu en supposant que :
1° il s'agit d'une vente volontaire;
2° l'acheteur peut agir totalement indépendamment du vendeur;
3° une publicité normale a été organisée;
4° les conditions du marché permettent une vente régulière;
5° le délai disponible pour la négociation du bien est normal, compte tenu de la nature du bien.
Lorsque, depuis la dernière évaluation, la valeur de marché d'un immeuble a diminué, la correction correspondante de la valeur d'affectation est opérée. La valeur d'affectation inférieure ne peut ensuite être majorée que si une nouvelle valeur de marché est détermine conformément au présent article.
Lorsque, à la date d'évaluation, l'intention existe de vendre à court terme les immeubles, la valeur de marché est diminuée des frais de réalisation estimés.
Lorsqu'il n'est pas possible de déterminer la valeur de marché d'un immeuble, la valeur d'affectation est égale au prix d'acquisition ou au prix de revient sans déduction des éventuels amortissements effectués mais bien des amortissements exceptionnels ou des réductions de valeur.
Par valeur de marché, on entend le prix qui, à la date d'évaluation, pourrait être obtenu si l'immeuble concerné était vendu en supposant que :
1° il s'agit d'une vente volontaire;
2° l'acheteur peut agir totalement indépendamment du vendeur;
3° une publicité normale a été organisée;
4° les conditions du marché permettent une vente régulière;
5° le délai disponible pour la négociation du bien est normal, compte tenu de la nature du bien.
Lorsque, depuis la dernière évaluation, la valeur de marché d'un immeuble a diminué, la correction correspondante de la valeur d'affectation est opérée. La valeur d'affectation inférieure ne peut ensuite être majorée que si une nouvelle valeur de marché est détermine conformément au présent article.
Lorsque, à la date d'évaluation, l'intention existe de vendre à court terme les immeubles, la valeur de marché est diminuée des frais de réalisation estimés.
Lorsqu'il n'est pas possible de déterminer la valeur de marché d'un immeuble, la valeur d'affectation est égale au prix d'acquisition ou au prix de revient sans déduction des éventuels amortissements effectués mais bien des amortissements exceptionnels ou des réductions de valeur.
Art.32. De affectatiewaarde van de financiële instrumenten verhandeld op een gereglementeerde markt is hun marktwaarde.
Onder marktwaarde wordt verstaan de waarde berekend volgens ofwel de officiële koersen op de datum van de waardering of indien die datum geen dag van verhandeling op een gereglementeerde markt is, op de laatste dag van de verhandeling vóór die datum ofwel volgens de indicatieve koersen minstens maandelijks bekendgemaakt door een gereglementeerde markt.
Wanneer op de datum van de waardering van deze financiële instrumenten het voornemen bestaat deze op korte termijn te verkopen, wordt de marktwaarde verminderd met de geraamde realisatiekosten.
Onder marktwaarde wordt verstaan de waarde berekend volgens ofwel de officiële koersen op de datum van de waardering of indien die datum geen dag van verhandeling op een gereglementeerde markt is, op de laatste dag van de verhandeling vóór die datum ofwel volgens de indicatieve koersen minstens maandelijks bekendgemaakt door een gereglementeerde markt.
Wanneer op de datum van de waardering van deze financiële instrumenten het voornemen bestaat deze op korte termijn te verkopen, wordt de marktwaarde verminderd met de geraamde realisatiekosten.
Art.32. La valeur d'affectation des instruments financiers admis sur un marché réglementé est leur valeur de marché.
Par valeur de marché, on entend la valeur déterminée, soit aux cours officiels à la date d'évaluation ou, lorsque le jour d'évaluation n'est pas un jour de négociation sur un marché réglementé, le dernier jour de négociation précédant cette date, soit aux cours indicatifs publiés au moins mensuellement par un marché réglementé.
Lorsqu'à la date d'évaluation, l'intention existe de vendre à court terme ces instruments financiers, la valeur de marché est diminuée des frais de réalisation estimés.
Par valeur de marché, on entend la valeur déterminée, soit aux cours officiels à la date d'évaluation ou, lorsque le jour d'évaluation n'est pas un jour de négociation sur un marché réglementé, le dernier jour de négociation précédant cette date, soit aux cours indicatifs publiés au moins mensuellement par un marché réglementé.
Lorsqu'à la date d'évaluation, l'intention existe de vendre à court terme ces instruments financiers, la valeur de marché est diminuée des frais de réalisation estimés.
Art.33. De affectatiewaarde van de financiële instrumenten die niet verhandeld zijn op een gereglementeerde markt is hun marktwaarde.
Indien voor deze financiële instrumenten een markt bestaat wordt onder marktwaarde verstaan de gemiddelde prijs waartegen deze instrumenten op de datum van waardering of, indien die datum geen datum van verhandeling is, op de laatste dag van verhandeling vóór die datum, verhandeld zijn.
Indien voor deze financiële instrumenten geen markt bestaat, wordt de marktwaarde bekomen op basis van een voorzichtige schatting van de vermoedelijke directe realisatiewaarde.
Wanneer op de datum van waardering van deze financiële instrumenten het voornemen bestaat deze op korte termijn te verkopen, wordt de marktwaarde verminderd met de geraamde realisatiekosten.
Indien voor deze financiële instrumenten een markt bestaat wordt onder marktwaarde verstaan de gemiddelde prijs waartegen deze instrumenten op de datum van waardering of, indien die datum geen datum van verhandeling is, op de laatste dag van verhandeling vóór die datum, verhandeld zijn.
Indien voor deze financiële instrumenten geen markt bestaat, wordt de marktwaarde bekomen op basis van een voorzichtige schatting van de vermoedelijke directe realisatiewaarde.
Wanneer op de datum van waardering van deze financiële instrumenten het voornemen bestaat deze op korte termijn te verkopen, wordt de marktwaarde verminderd met de geraamde realisatiekosten.
Art.33. La valeur d'affectation des instruments financiers non admis sur un marché réglementé est leur valeur de marché.
Lorsqu'un marché existe pour ces instruments financiers, on entend par valeur de marché, le prix moyen auquel ces instruments ont fait l'objet d'une transaction à la date d'évaluation ou, lorsque le jour d'évaluation n'est pas un jour de négociation, le dernier jour de négociation précédant cette date.
Lorsqu'il n'existe pas de marché pour ces instruments financiers, la valeur de marché est obtenue sur la base d'une estimation prudente de la valeur probable de réalisation immédiate.
Lorsqu'à la date d'évaluation, l'intention existe de vendre à court terme ces instruments, la valeur de marché est diminuée des frais de réalisation estimés.
Lorsqu'un marché existe pour ces instruments financiers, on entend par valeur de marché, le prix moyen auquel ces instruments ont fait l'objet d'une transaction à la date d'évaluation ou, lorsque le jour d'évaluation n'est pas un jour de négociation, le dernier jour de négociation précédant cette date.
Lorsqu'il n'existe pas de marché pour ces instruments financiers, la valeur de marché est obtenue sur la base d'une estimation prudente de la valeur probable de réalisation immédiate.
Lorsqu'à la date d'évaluation, l'intention existe de vendre à court terme ces instruments, la valeur de marché est diminuée des frais de réalisation estimés.
Art.34. De affectatiewaarde van de hypothecaire kredieten is de som van hun verschuldigd blijvende saldi.
Elke hypothecaire schuldvordering komt ten hoogste voor 100 % van de waarde der gehypothekeerde onroerende goederen in aanmerking, desgevallend onder aftrek van de bestaande voorrechten en hypotheken.
Elke hypothecaire schuldvordering komt ten hoogste voor 100 % van de waarde der gehypothekeerde onroerende goederen in aanmerking, desgevallend onder aftrek van de bestaande voorrechten en hypotheken.
Art.34. La valeur d'affectation des crédits hypothécaires est la somme de leurs soldes restant dus.
Une créance hypothécaire n'est prise en considération que pour 100 % au maximum de la valeur des immeubles hypothéqués, déduction faite, le cas échéant, des privilèges et hypothèques antérieurs.
Une créance hypothécaire n'est prise en considération que pour 100 % au maximum de la valeur des immeubles hypothéqués, déduction faite, le cas échéant, des privilèges et hypothèques antérieurs.
Art.35. De affectatiewaarde van de activa die niet volgens de artikelen 31 tot 34 kunnen gewaardeerd worden, is de waarde waarvoor deze activa op de actiefzijde van de balans vermeld zijn.
Art.35. La valeur d'affectation des actifs qui ne peuvent être évalués conformément aux articles 31 à 34 est celle à laquelle ils sont inscrits à l'actif du bilan.
Art.36. Er wordt bij de vaststelling van de affectatiewaarde van de dekkingswaarden rekening gehouden met afgeleide instrumenten betreffende deze dekkingswaarden voor zover deze afgeleide instrumenten niet zelf als dekkingswaarde worden aangewend. Tevens moeten de afgeleide instrumenten betreffende deze dekkingswaarden aangewend worden om het beleggingsrisico te beperken of een efficiënt portefeuillebeheer mogelijk te maken, en voldoen zij aan de bepalingen van artikel 28.
Art.36. Pour l'établissement de la valeur d'affectation des valeurs représentatives, il est tenu compte des instruments dérivés se rapportant à ces valeurs représentatives pour autant que ces instruments dérivés ne soient pas eux-mêmes utilisés comme valeurs représentatives En outre, ces instruments dérivés doivent être utilisés pour limiter le risque de placement ou rendre possible une gestion efficace du portefeuille et doivent satisfaire aux dispositions de l'article 28.
Afdeling IV. - Andere beleggingsregels.
Section IV. - Autres règles de placement.
Art.37. De bepalingen van artikel 91, 5° en 6°, van de wet zijn niet van toepassing op de beleggingen in obligaties uitgegeven of gewaarborgd door :
1° de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten;
2° de centrale overheden en de centrale banken waarvan de kredietkwaliteitscategorie, zoals bedoeld in tabel 1 van bijlage VI van de Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, gelijk is aan 1;
3° de centrale overheden en de centrale banken waarvan de kredietbeoordeling gekoppeld is aan de minimumexportverzekeringspremie, zoals bedoeld in tabel 2 van bijlage VI van de voornoemde Richtlijn 2006/48/EG, die gelijk is aan of lager is dan 1;
4° de regionale of lokale overheden die, voor de toepassing van de voormelde Richtlijn 2006/48/CE, daartoe door de bevoegde autoriteiten beschouwd worden als centrale overheden;
5° de Europese Centrale Bank, de multilaterale ontwikkelingsbanken, de Europese Gemeenschap, het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen.
1° de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten;
2° de centrale overheden en de centrale banken waarvan de kredietkwaliteitscategorie, zoals bedoeld in tabel 1 van bijlage VI van de Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, gelijk is aan 1;
3° de centrale overheden en de centrale banken waarvan de kredietbeoordeling gekoppeld is aan de minimumexportverzekeringspremie, zoals bedoeld in tabel 2 van bijlage VI van de voornoemde Richtlijn 2006/48/EG, die gelijk is aan of lager is dan 1;
4° de regionale of lokale overheden die, voor de toepassing van de voormelde Richtlijn 2006/48/CE, daartoe door de bevoegde autoriteiten beschouwd worden als centrale overheden;
5° de Europese Centrale Bank, de multilaterale ontwikkelingsbanken, de Europese Gemeenschap, het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen.
Art.37. Les dispositions de l'article 91, 5° et 6°, de la loi ne sont pas applicables aux placements en obligations émises ou garanties par :
1° les administrations centrales et les banques centrales des Etat membres :
2° les administrations centrales et les banques centrales dont l'échelon de qualité du crédit, tel que défini au tableau 1 de l'annexe VI, de la Directive 2006/48/CE du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et son exercice, est égal à 1;
3° les administrations centrales et les banques centrales dont l'évaluation est associée à la prime minimale d'assurance à l'exportation, telle que définie au tableau 2 de l'annexe VI, de la Directive 2006/48/CE précitée, qui est égale ou inférieure à 1;
4° les autorités régionales et locales qui, pour l'application de la Directive 2006/48/CE précitée, sont considérées par les autorités compétentes à cette fin comme des administrations centrales;
5° la banque centrale européenne, les banques multilatérales de développement, la Communauté européenne, le Fonds monétaire international et la Banque des règlements internationaux.
1° les administrations centrales et les banques centrales des Etat membres :
2° les administrations centrales et les banques centrales dont l'échelon de qualité du crédit, tel que défini au tableau 1 de l'annexe VI, de la Directive 2006/48/CE du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et son exercice, est égal à 1;
3° les administrations centrales et les banques centrales dont l'évaluation est associée à la prime minimale d'assurance à l'exportation, telle que définie au tableau 2 de l'annexe VI, de la Directive 2006/48/CE précitée, qui est égale ou inférieure à 1;
4° les autorités régionales et locales qui, pour l'application de la Directive 2006/48/CE précitée, sont considérées par les autorités compétentes à cette fin comme des administrations centrales;
5° la banque centrale européenne, les banques multilatérales de développement, la Communauté européenne, le Fonds monétaire international et la Banque des règlements internationaux.
Art.38. § 1. In de zin van dit artikel wordt onder lokalisatie van activa verstaan de aanwezigheid van roerende of onroerende activa binnen de grenzen. De activa bestaande uit schuldvorderingen, die niet door effecten zijn vertegenwoordigd, worden geacht zich te bevinden in het land waar ze realiseerbaar zijn.
§ 2. De dekkingswaarden zijn in de Europese Economische Ruimte gelokaliseerd.
Bij afwijking van het eerste lid, worden de roerende dekkingswaarden, gelokaliseerd buiten de Europese Economische Ruimte, aanvaard indien de Nationale Bank van België, een kredietinstelling of een beleggingsonderneming die ressorteert onder het recht van een lidstaat en wiens vergunning een activiteit van bewaargeving toelaat, attesteert dat zij via een vestiging in de Europese Economische Ruimte deze dekkingswaarden voor rekening van de instelling aanhouden bij een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde kredietinstelling of beleggingsonderneming die een vergunning verkregen heeft van een organisme van publiek recht waarvan de rol gelijklopend is met deze van de [1 FSMA]1.
Wanneer de dekkingswaarden in bewaring worden gegeven op een rekening bij een kredietinstelling of een beleggingsonderneming gevestigd in de Europese Economische Ruimte maar buiten België, sluit de instelling met die kredietinstelling of die beleggingsonderneming een overeenkomst waarbij wordt bepaald dat :
1° die kredietinstelling of die beleggingsonderneming er zich toe verbindt aan de [1 FSMA]1 alle inlichtingen mee te delen die deze nodig heeft om een volledig inzicht in de dekkingswaarden van de instelling te krijgen en te voldoen aan de eventuele eis van de [1 FSMA]1 om de vrije beschikking over die dekkingswaarden te verbieden;
2° de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die kredietinstelling of die beleggingsonderneming daartoe machtigt.
§ 2. De dekkingswaarden zijn in de Europese Economische Ruimte gelokaliseerd.
Bij afwijking van het eerste lid, worden de roerende dekkingswaarden, gelokaliseerd buiten de Europese Economische Ruimte, aanvaard indien de Nationale Bank van België, een kredietinstelling of een beleggingsonderneming die ressorteert onder het recht van een lidstaat en wiens vergunning een activiteit van bewaargeving toelaat, attesteert dat zij via een vestiging in de Europese Economische Ruimte deze dekkingswaarden voor rekening van de instelling aanhouden bij een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde kredietinstelling of beleggingsonderneming die een vergunning verkregen heeft van een organisme van publiek recht waarvan de rol gelijklopend is met deze van de [1 FSMA]1.
Wanneer de dekkingswaarden in bewaring worden gegeven op een rekening bij een kredietinstelling of een beleggingsonderneming gevestigd in de Europese Economische Ruimte maar buiten België, sluit de instelling met die kredietinstelling of die beleggingsonderneming een overeenkomst waarbij wordt bepaald dat :
1° die kredietinstelling of die beleggingsonderneming er zich toe verbindt aan de [1 FSMA]1 alle inlichtingen mee te delen die deze nodig heeft om een volledig inzicht in de dekkingswaarden van de instelling te krijgen en te voldoen aan de eventuele eis van de [1 FSMA]1 om de vrije beschikking over die dekkingswaarden te verbieden;
2° de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die kredietinstelling of die beleggingsonderneming daartoe machtigt.
Art.38. § 1er. Au sens du présent article, on entend par localisation des actifs, la présence d'actifs mobiliers ou immobiliers à l'intérieur des frontières. Les actifs sous forme de créances qui ne sont pas représentées par des titres sont considérés comme localisés dans le pays où ils sont réalisables.
§ 2 Les valeurs représentatives sont localisées dans l'Espace économique européen.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les valeurs représentatives mobilières localisées en dehors de l'Espace économique européen sont également admises à condition que la Banque Nationale de Belgique ou un établissement de crédit ou une entreprise d'investissement qui relève du droit d'un Etat membre et dont l'agrément permet une activité de dépositaire, atteste qu'il détient ces valeurs représentatives par le biais d'un établissement dans l'Espace économique européen, pour compte de l'institution de retraite professionnelle, auprès d'un établissement de crédit ou d'une entreprise d'investissement établi en dehors de l'Espace économique européen dont l'agrément est jugé équivalent par la [1 FSMA]1.
Lorsque les valeurs représentatives sont déposées sur un compte auprès d'un établissement de crédit ou d'une entreprise d'investissement établi dans l'Espace économique européen mais en dehors de la Belgique, l'institution conclut avec cet établissement de crédit ou cette entreprise d'investissement une convention dans laquelle il est stipulé que :
1° cet établissement de crédit ou cette entreprise d'investissement s'engage à communiquer à la [1 FSMA]1 tous les renseignements dont celle-ci a besoin pour avoir une pleine connaissance des valeurs représentatives de l'institution de retraite professionnelle et à faire droit à l'exigence éventuelle de la [1 FSMA]1 d'interdire la libre disposition de ces valeurs représentatives;
2° l'institution de retraite professionnelle mandate l'établissement de crédit ou cette entreprise d'investissement à cette fin.
§ 2 Les valeurs représentatives sont localisées dans l'Espace économique européen.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les valeurs représentatives mobilières localisées en dehors de l'Espace économique européen sont également admises à condition que la Banque Nationale de Belgique ou un établissement de crédit ou une entreprise d'investissement qui relève du droit d'un Etat membre et dont l'agrément permet une activité de dépositaire, atteste qu'il détient ces valeurs représentatives par le biais d'un établissement dans l'Espace économique européen, pour compte de l'institution de retraite professionnelle, auprès d'un établissement de crédit ou d'une entreprise d'investissement établi en dehors de l'Espace économique européen dont l'agrément est jugé équivalent par la [1 FSMA]1.
Lorsque les valeurs représentatives sont déposées sur un compte auprès d'un établissement de crédit ou d'une entreprise d'investissement établi dans l'Espace économique européen mais en dehors de la Belgique, l'institution conclut avec cet établissement de crédit ou cette entreprise d'investissement une convention dans laquelle il est stipulé que :
1° cet établissement de crédit ou cette entreprise d'investissement s'engage à communiquer à la [1 FSMA]1 tous les renseignements dont celle-ci a besoin pour avoir une pleine connaissance des valeurs représentatives de l'institution de retraite professionnelle et à faire droit à l'exigence éventuelle de la [1 FSMA]1 d'interdire la libre disposition de ces valeurs représentatives;
2° l'institution de retraite professionnelle mandate l'établissement de crédit ou cette entreprise d'investissement à cette fin.
Art.39. De dekkingswaarden kunnen uitgedrukt worden :
1° in euro of in muntsoorten convertibel zonder wisselrestricties in euro;
2° in de muntsoort van de verbintenissen, ten belope ervan.
1° in euro of in muntsoorten convertibel zonder wisselrestricties in euro;
2° in de muntsoort van de verbintenissen, ten belope ervan.
Art.39. Les valeurs représentatives peuvent être libellées :
1° en euro ou dans des monnaies convertibles sans restriction en euros;
2° dans la monnaie des engagements, a concurrence de ces derniers.
1° en euro ou dans des monnaies convertibles sans restriction en euros;
2° dans la monnaie des engagements, a concurrence de ces derniers.
Afdeling V. - Toezicht.
Section V. - Contrôle.
Art.40. De [1 FSMA]1 mag, in uitzonderlijke omstandigheden en voor de duur ervan, op behoorlijk gemotiveerd verzoek van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, afwijkingen toestaan op de regels vermeld in de Afdelingen II tot IV van dit Hoofdstuk mits het naleven van de beginselen vermeld in Afdeling I.
Art.40. La [1 FSMA]1 peut, pour des circonstances exceptionnelles et pour la durée de celles-ci, sur demande dûment motivée de l'institution de retraite professionnelle, déroger aux règles énoncées dans les Sections II à IV du présent Chapitre a condition que soient respectés les principes mentionnés à la Section première.
Art.41. De [1 FSMA]1 kan :
1° zich verzetten tegen sommige beleggingen of tegen het behoud ervan indien zij van mening is (dat zij de naleving van de bepalingen van dit Hoofdstuk in gevaar brengen); <KB 2007-06-05/40, art. 61, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
2° bepaalde beleggingsregels opleggen aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening om rekening te houden met haar bijzondere situatie;
3° de voorgestelde waarde verwerpen van een dekkingswaarde die niet voldoet aan de waarderingsregels van Afdeling III.
1° zich verzetten tegen sommige beleggingen of tegen het behoud ervan indien zij van mening is (dat zij de naleving van de bepalingen van dit Hoofdstuk in gevaar brengen); <KB 2007-06-05/40, art. 61, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
2° bepaalde beleggingsregels opleggen aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening om rekening te houden met haar bijzondere situatie;
3° de voorgestelde waarde verwerpen van een dekkingswaarde die niet voldoet aan de waarderingsregels van Afdeling III.
Art.41. La [1 FSMA]1 peut :
1° s'opposer à certains placements ou au maintien de certains placements si elle estime qu'ils sont susceptibles de mettre en péril le respect des règles du présent chapitre;
2° imposer à une institution de retraite professionnelle certaines règles de placement pour tenir compte de la situation particulière de cette institution;
3° rejeter la valeur proposée d'une valeur représentative qui ne répond pas aux règles d'évaluation de la Section III.
1° s'opposer à certains placements ou au maintien de certains placements si elle estime qu'ils sont susceptibles de mettre en péril le respect des règles du présent chapitre;
2° imposer à une institution de retraite professionnelle certaines règles de placement pour tenir compte de la situation particulière de cette institution;
3° rejeter la valeur proposée d'une valeur représentative qui ne répond pas aux règles d'évaluation de la Section III.
HOOFDSTUK VI. - Aangewezen actuarissen.
CHAPITRE VI. - Actuaires désignés.
Art.42. Om de opdracht van aangewezen actuaris bedoeld bij artikel 109 van de wet uit te oefenen moet de betrokkene voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° onderdaan zijn van een lidstaat;
2° houder zijn :
a) hetzij van een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse of de Franse Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend masterdiploma waarvan het cursusprogramma een specialisatie in de actuariële wetenschappen omvat;
b) hetzij van een gelijkwaardig diploma, toegekend door één van de onder a) vermelde instellingen vóór het bestaan van de masterdiploma's;
c) hetzij een door de [1 FSMA]1 gelijkwaardig beoordeeld diploma afgeleverd door een instelling van een andere lidstaat;
3° een voldoende kennis bezitten van één van de landstalen;
4° ten minste gedurende vijf jaar een beroepsactiviteit hebben uitgeoefend waaruit blijkt dat hij de nodige ervaring heeft verworven op het gebied van actuariaat en dat hij geschikt is om de opdracht bedoeld in artikel 109 van de wet deskundig en objectief te vervullen.
1° onderdaan zijn van een lidstaat;
2° houder zijn :
a) hetzij van een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse of de Franse Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend masterdiploma waarvan het cursusprogramma een specialisatie in de actuariële wetenschappen omvat;
b) hetzij van een gelijkwaardig diploma, toegekend door één van de onder a) vermelde instellingen vóór het bestaan van de masterdiploma's;
c) hetzij een door de [1 FSMA]1 gelijkwaardig beoordeeld diploma afgeleverd door een instelling van een andere lidstaat;
3° een voldoende kennis bezitten van één van de landstalen;
4° ten minste gedurende vijf jaar een beroepsactiviteit hebben uitgeoefend waaruit blijkt dat hij de nodige ervaring heeft verworven op het gebied van actuariaat en dat hij geschikt is om de opdracht bedoeld in artikel 109 van de wet deskundig en objectief te vervullen.
Art.42. Pour remplir la mission d'actuaire désigné visée à l'article 109 de la loi, l'intéressé doit satisfaire aux conditions suivantes :
1° être ressortissant d'un Etat membre;
2° être titulaire :
a) soit d'un diplôme de master dont le programme de cours comprend une spécialisation en sciences actuarielles, délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française ou de la Communauté flamande;
b) soit d'un diplôme équivalent délivré par les institutions visées au a), avant l'existence des diplômes de master;
c) soit d'un diplôme délivré par une institution d'un autre Etat membre et jugé équivalent par la [1 FSMA]1;
3° posséder une connaissance suffisante d'une des langues nationales;
4° avoir exercé pendant cinq années au moins une activité professionnelle impliquant l'acquisition de l'expérience nécessaire dans le domaine de l'actuariat et l'aptitude à remplir avec compétence et objectivité la mission visée à l'article 109 de la loi.
1° être ressortissant d'un Etat membre;
2° être titulaire :
a) soit d'un diplôme de master dont le programme de cours comprend une spécialisation en sciences actuarielles, délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française ou de la Communauté flamande;
b) soit d'un diplôme équivalent délivré par les institutions visées au a), avant l'existence des diplômes de master;
c) soit d'un diplôme délivré par une institution d'un autre Etat membre et jugé équivalent par la [1 FSMA]1;
3° posséder une connaissance suffisante d'une des langues nationales;
4° avoir exercé pendant cinq années au moins une activité professionnelle impliquant l'acquisition de l'expérience nécessaire dans le domaine de l'actuariat et l'aptitude à remplir avec compétence et objectivité la mission visée à l'article 109 de la loi.
Art.43. De functie van aangewezen actuaris is onverenigbaar met de volgende functies :
1° lid van een operationeel orgaan van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° lid van de leiding van een bijdragende onderneming;
3° erkend commissaris van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
4° elke functie die de onafhankelijkheid van de aangewezen actuaris in gevaar kan brengen.
1° lid van een operationeel orgaan van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° lid van de leiding van een bijdragende onderneming;
3° erkend commissaris van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
4° elke functie die de onafhankelijkheid van de aangewezen actuaris in gevaar kan brengen.
Art.43. La fonction d'actuaire désigné est incompatible avec les fonctions suivantes :
1° membre d'un organe opérationnel de l'institution de retraite professionnelle;
2° membre de la direction d'une entreprise d'affiliation;
3° commissaire agréé de l'institution de retraite professionnelle;
4° toute fonction susceptible de mettre en péril l'indépendance de l'actuaire désigné.
1° membre d'un organe opérationnel de l'institution de retraite professionnelle;
2° membre de la direction d'une entreprise d'affiliation;
3° commissaire agréé de l'institution de retraite professionnelle;
4° toute fonction susceptible de mettre en péril l'indépendance de l'actuaire désigné.
Art.44. De opdracht van de aangewezen actuaris omvat de volgende taken :
1° bij de invoering van een pensioenstelsel of de wijziging van een bestaand pensioenstelsel die de financiering kan beïnvloeden of bij wijziging van het financieringsplan, vooraf een advies te geven over de actuarieel-technische methoden die de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening hanteert voor de financiering, over de samenstelling van de technische voorzieningen, over de verzekering en over de herverzekering;
2° een advies verstrekken over de rechtvaardiging die de instelling moet verschaffen in toepassing van artikel 16, § 2;
3° jaarlijks, vóór de jaarrekening wordt ingediend bij de [1 FSMA]1, een advies te geven over de veiligheid van de verrichtingen, de technische voorzieningen alsook de rentabiliteit;
4° vóór het afsluiten van een verzekerings- of herverzekeringsovereenkomst, een advies te geven over die verzekering of herverzekering;
5° jaarlijks een verslag op te stellen over de technische voorzieningen bedoeld in Hoofdstuk IV.
De adviezen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4°, worden schriftelijk aan de raad van bestuur en, in voorkomend geval, aan het bevoegd operationeel orgaan van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening overhandigd. De [1 FSMA]1 kan kopieën ervan bij de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening opvragen.
Het verslag bedoeld in het eerste lid, 5°, wordt aan de [1 FSMA]1 overhandigd samen met de jaarrekening van de instelling.
1° bij de invoering van een pensioenstelsel of de wijziging van een bestaand pensioenstelsel die de financiering kan beïnvloeden of bij wijziging van het financieringsplan, vooraf een advies te geven over de actuarieel-technische methoden die de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening hanteert voor de financiering, over de samenstelling van de technische voorzieningen, over de verzekering en over de herverzekering;
2° een advies verstrekken over de rechtvaardiging die de instelling moet verschaffen in toepassing van artikel 16, § 2;
3° jaarlijks, vóór de jaarrekening wordt ingediend bij de [1 FSMA]1, een advies te geven over de veiligheid van de verrichtingen, de technische voorzieningen alsook de rentabiliteit;
4° vóór het afsluiten van een verzekerings- of herverzekeringsovereenkomst, een advies te geven over die verzekering of herverzekering;
5° jaarlijks een verslag op te stellen over de technische voorzieningen bedoeld in Hoofdstuk IV.
De adviezen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4°, worden schriftelijk aan de raad van bestuur en, in voorkomend geval, aan het bevoegd operationeel orgaan van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening overhandigd. De [1 FSMA]1 kan kopieën ervan bij de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening opvragen.
Het verslag bedoeld in het eerste lid, 5°, wordt aan de [1 FSMA]1 overhandigd samen met de jaarrekening van de instelling.
Art.44. La mission de l'actuaire désigné comprend les tâches suivantes :
1° émettre, préalablement à l'instauration d'un régime de retraite, à la modification d'un régime de retraite existant susceptible d'en influencer le financement et à la modification du plan de financement, un avis sur les méthodes technico-actuarielles que l'institution de retraite professionnelle utilise pour le financement, sur la constitution des provisions techniques, sur l'assurance et sur la réassurance;
2° émettre un avis sur la justification que l'institution doit apporter en application de l'article 16, § 2;
3° émettre annuellement, avant l'introduction des comptes annuels auprès de la [1 FSMA]1, un avis sur la sécurité des opérations, les provisions techniques ainsi que la rentabilité;
4° émettre, avant la conclusion d'un contrat d'assurance ou d'un traité de réassurance, un avis sur cette assurance ou réassurance;
5° rédiger annuellement un rapport sur les provisions techniques visées au Chapitre IV.
Les avis visés à l'alinéa 1er, 1° à 4°, sont transmis par écrit au conseil d'administration et, le cas échéant, à l'organe opérationnel compétent de l'institution de retraite professionnelle. La [1 FSMA]1 peut en demander copie à l'institution de retraite professionnelle. Le rapport visé à l'alinéa 1er, 5°, est transmis à la [1 FSMA]1 en même temps que les comptes annuels de l'institution.
1° émettre, préalablement à l'instauration d'un régime de retraite, à la modification d'un régime de retraite existant susceptible d'en influencer le financement et à la modification du plan de financement, un avis sur les méthodes technico-actuarielles que l'institution de retraite professionnelle utilise pour le financement, sur la constitution des provisions techniques, sur l'assurance et sur la réassurance;
2° émettre un avis sur la justification que l'institution doit apporter en application de l'article 16, § 2;
3° émettre annuellement, avant l'introduction des comptes annuels auprès de la [1 FSMA]1, un avis sur la sécurité des opérations, les provisions techniques ainsi que la rentabilité;
4° émettre, avant la conclusion d'un contrat d'assurance ou d'un traité de réassurance, un avis sur cette assurance ou réassurance;
5° rédiger annuellement un rapport sur les provisions techniques visées au Chapitre IV.
Les avis visés à l'alinéa 1er, 1° à 4°, sont transmis par écrit au conseil d'administration et, le cas échéant, à l'organe opérationnel compétent de l'institution de retraite professionnelle. La [1 FSMA]1 peut en demander copie à l'institution de retraite professionnelle. Le rapport visé à l'alinéa 1er, 5°, est transmis à la [1 FSMA]1 en même temps que les comptes annuels de l'institution.
Art.45. Elke wijziging aan de in de artikelen 42 tot en met 44 bedoelde gegevens wordt onverwijld door de betrokken instelling voor bedrijfspensioenvoorziening medegedeeld aan de [1 FSMA]1.
Art.45. Toute modification aux données visées aux articles 42 à 44 est communiquée sans délai à la [1 FSMA]1 par l'institution de retraite professionnelle concernée.
Art.46. Voorafgaand aan de aanwijzing van een actuaris zendt de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening aan de [1 FSMA]1 een dossier met volgende gegevens :
1° de identiteit, het adres en de geboortedatum van de actuaris;
2° de bewijsstukken dat hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 42 en 43;
3° de beschrijving van alle functies en opdrachten die de actuaris uitoefent.
De aanwijzing van de aangewezen actuaris is onderworpen aan het voorafgaand akkoord van de [1 FSMA]1.
De [1 FSMA]1 kan te allen tijde het akkoord bedoeld in het tweede lid herroepen omwille van redenen met betrekking tot de voorwaarden van de aanwijzing of de uitoefening van de opdracht van de actuaris.
1° de identiteit, het adres en de geboortedatum van de actuaris;
2° de bewijsstukken dat hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 42 en 43;
3° de beschrijving van alle functies en opdrachten die de actuaris uitoefent.
De aanwijzing van de aangewezen actuaris is onderworpen aan het voorafgaand akkoord van de [1 FSMA]1.
De [1 FSMA]1 kan te allen tijde het akkoord bedoeld in het tweede lid herroepen omwille van redenen met betrekking tot de voorwaarden van de aanwijzing of de uitoefening van de opdracht van de actuaris.
Art.46. Préalablement à la désignation d'un actuaire, l'institution de retraite professionnelle envoie à la [1 FSMA]1 un dossier contenant les données suivantes :
1° l'identité, l'adresse et la date de naissance de l'actuaire;
2° les pièces justifiant que l'actuaire répond aux conditions prévues aux articles 42 et 43;
3° la description de toutes les fonctions et missions que l'actuaire exerce.
La désignation de l'actuaire désigné est subordonnée à l'accord préalable de la [1 FSMA]1.
La [1 FSMA]1 peut, en tout temps, révoquer l'accord visé à l'alinéa 2 pour des raisons tenant aux conditions de la désignation ou à l'exercice de la mission de l'actuaire.
1° l'identité, l'adresse et la date de naissance de l'actuaire;
2° les pièces justifiant que l'actuaire répond aux conditions prévues aux articles 42 et 43;
3° la description de toutes les fonctions et missions que l'actuaire exerce.
La désignation de l'actuaire désigné est subordonnée à l'accord préalable de la [1 FSMA]1.
La [1 FSMA]1 peut, en tout temps, révoquer l'accord visé à l'alinéa 2 pour des raisons tenant aux conditions de la désignation ou à l'exercice de la mission de l'actuaire.
HOOFDSTUK VII. - Herstelplan.
CHAPITRE VII. - Plan de redressement.
Art.47. In de gevallen bedoeld bij artikel 116 van de wet legt de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening aan de [1 FSMA]1 een concreet en haalbaar herstelplan voor met het oog op het aanzuiveren van de vastgestelde tekorten. Het herstelplan voorziet een termijn voor zijn uitvoering.
Bij de opstelling van het herstelplan houdt de instelling rekening met haar specifieke situatie, in het bijzonder de structuur van haar activa en passiva, haar risicoprofiel, haar liquiditeitsplanning, het leeftijdsprofiel van de aangeslotenen en aanvangsregelingen.
Bij de opstelling van het herstelplan houdt de instelling rekening met haar specifieke situatie, in het bijzonder de structuur van haar activa en passiva, haar risicoprofiel, haar liquiditeitsplanning, het leeftijdsprofiel van de aangeslotenen en aanvangsregelingen.
Art.47. Dans les cas prévus par l'article 116 de la loi, l'institution de retraite professionnelle soumet à la [1 FSMA]1 un plan de redressement concret et réalisable en vue de l'apurement de l'insuffisance constatée. Le plan de redressement fixe un délai pour sa réalisation.
Dans l'élaboration du plan de redressement, l'institution tient compte de sa situation spécifique, en particulier de la structure de ses actifs et passifs, de son profil de risque, de ses prévisions de liquidité, de la répartition par âge des affiliés et des régimes en phase de démarrage.
Dans l'élaboration du plan de redressement, l'institution tient compte de sa situation spécifique, en particulier de la structure de ses actifs et passifs, de son profil de risque, de ses prévisions de liquidité, de la répartition par âge des affiliés et des régimes en phase de démarrage.
Art.48. Wanneer de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening verschillende afzonderlijke vermogens heeft ingesteld, mag het herstelpan zich beperken tot een of meer van die vermogens.
Art.48. Lorsque l'institution de retraite professionnelle comporte plusieurs patrimoines distincts, le plan de redressement peut être limité à un ou plusieurs de ces patrimoines.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires.
Art.49. De instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die op de datum van inwerkingtreding van artikel 79 van de wet toegelaten of ingeschreven zijn, beschikken over een termijn van 24 maanden vanaf die datum om zich te conformeren aan de bepalingen van de artikelen 6 en 7.
Art.49. Les institutions de retraite professionnelle agréées ou inscrites à la date d'entrée en vigueur de l'article 79 de la loi disposent d'un délai de 24 mois à partir de cette date pour se conformer aux dispositions des articles 6 et 7.
Art.50. De breuk bedoeld in artikel 9, § 1er, 4°, c), mag niet kleiner zijn dan 0,50 zolang de lidstaat van de zetel van de herverzekeringsonderneming waaraan de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening risico's heeft overgedragen, Richtlijn 2005/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 betreffende herverzekering en houdende wijziging van Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG van de Raad en van Richtlijnen 98/78/EG en 2002/83/EG niet heeft omgezet, tenzij de herverzekeringsonderneming voldoet aan de door de [1 FSMA]1 bepaalde voorwaarden.
Art.50. Par dérogation à l'article 9, § 1er, 4°, c), la fraction visée par la disposition précitée peut être inférieure à 0,50 si l'entreprise de réassurance à qui l'institution de retraite professionnelle a cédé des risques a son siège social dans un Etat membre qui, en ce qui concerne l'agrément des entreprises de réassurance, n'a pas transposé la Directive 2005/68/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 novembre 2005 relative à la réassurance et modifiant les Directives 73/239/CEE et 92/49/CEE du Conseil ainsi que les Directives 98/78/CE et 2002/83/CE, et si cette entreprise de réassurance satisfait aux conditions déterminées par la [1 FSMA]1.
Art.51. Zolang België de Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad, niet heeft omgezet, kunnen de dekkingswaarden behoren tot de volgende categorieën bovenop de beleggingscategorieën bedoeld in artikel 27 :
1° obligaties;
2° aandelen en andere niet-vastrentende deelnemingen;
3° rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging die beleggen in effecten, in liquide middelen of in vastgoed;
4° andere geld- en kapitaalmarktinstrumenten;
5° aankoopopties (ook calls genaamd) of verkoopopties (ook puts genaamd) op effecten, termijnovereenkomsten (hierna futures genaamd) alsook andere afgeleide instrumenten zoals termijnwisselovereenkomsten die verhandeld worden op een liquide, open en regelmatig werkende markt. Zowel de aankoopopties als de verkoopopties, futures en andere afgeleide instrumenten moeten het beleggingsrisico helpen beperken of een efficiënt portefeuillebeheer mogelijk maken. Inzake futures moet de onderliggende verbintenis ervan aangehouden worden onder de vorm van liquide en veilige korte termijnbeleggingen.
1° obligaties;
2° aandelen en andere niet-vastrentende deelnemingen;
3° rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging die beleggen in effecten, in liquide middelen of in vastgoed;
4° andere geld- en kapitaalmarktinstrumenten;
5° aankoopopties (ook calls genaamd) of verkoopopties (ook puts genaamd) op effecten, termijnovereenkomsten (hierna futures genaamd) alsook andere afgeleide instrumenten zoals termijnwisselovereenkomsten die verhandeld worden op een liquide, open en regelmatig werkende markt. Zowel de aankoopopties als de verkoopopties, futures en andere afgeleide instrumenten moeten het beleggingsrisico helpen beperken of een efficiënt portefeuillebeheer mogelijk maken. Inzake futures moet de onderliggende verbintenis ervan aangehouden worden onder de vorm van liquide en veilige korte termijnbeleggingen.
Art.51. Tant que la Belgique n'a pas transposé la Directive 2004/39/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 concernant les marchés d'instruments financiers, modifiant les Directives 85/611/CEE et 93/6/CEE du Conseil et la Directive 2000/12/CE du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la Directive 93/22/CEE du Conseil, les valeurs représentatives peuvent appartenir, outre les catégories de placement visées à l'article 27, aux catégories suivantes :
1° obligations;
2° actions et autres participations à revenu variable;
3° parts dans des organismes de placement collectif qui placent en valeurs mobilières, en liquidités ou en biens immobiliers;
4° autres instruments du marché monétaire et des capitaux;
5° options d'achat (aussi dénommées calls) ou options de vente (aussi dénommées puts) de valeurs mobilières, contrats à terme (ci-après dénommés futures) ainsi que les autres instruments dérivés tels que les contrats de change à terme, qui sont négociés sur un marche liquide, ouvert au public et fonctionnant régulièrement. Tant les options d'achat, les options de vente, les futures que les autres instruments dérives doivent contribuer à limiter le risque d'investissement ou permettre une gestion efficace du portefeuille. Pour les futures, l'engagement sous-jacent doit être maintenu sous la forme de placements à court terme, liquides et sûrs.
1° obligations;
2° actions et autres participations à revenu variable;
3° parts dans des organismes de placement collectif qui placent en valeurs mobilières, en liquidités ou en biens immobiliers;
4° autres instruments du marché monétaire et des capitaux;
5° options d'achat (aussi dénommées calls) ou options de vente (aussi dénommées puts) de valeurs mobilières, contrats à terme (ci-après dénommés futures) ainsi que les autres instruments dérivés tels que les contrats de change à terme, qui sont négociés sur un marche liquide, ouvert au public et fonctionnant régulièrement. Tant les options d'achat, les options de vente, les futures que les autres instruments dérives doivent contribuer à limiter le risque d'investissement ou permettre une gestion efficace du portefeuille. Pour les futures, l'engagement sous-jacent doit être maintenu sous la forme de placements à court terme, liquides et sûrs.
HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions abrogatoires et modificatives.
Afdeling I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 november 1994.
Section Ire. - Modification de l'arrêté royal du 22 novembre 1994.
Art.52. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 november 1994 houdende uitvoering van artikel 40bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen met betrekking tot het bepalen van de voorwaarden waaraan actuarissen moeten voldoen, worden de woorden " of bij een private voorzorgsinstelling bedoeld in artikel 2, § 3, 6°, van dezelfde wet en hierna pensioenfonds te noemen, " geschrapt.
Art.52. A l'article 1er de l'arrêté royal du 22 novembre 1994 portant exécution de l'article 40bis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, en ce qui concerne la fixation des conditions auxquelles doivent satisfaire les actuaires, les mots " ou d'une institution privée de prévoyance visée à l'article 2, § 3, 6°, de la même loi et dénommée ci-après fonds de pensions, " sont supprimés.
Art.53. In artikel 2 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid geschrapt.
Art.53. A l'article 2 du même arrêté, l'alinéa 2 est supprimé.
Art.54. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de woorden " en de pensioenfondsen " geschrapt.
Art.54. A l'article 3 du même arrêté, les mots " et les fonds de pensions " sont supprimés.
Art.55. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de woorden " en toegelaten of ingeschreven pensioenfondsen, " geschrapt.
Art.55. A l'article 4 du même arrêté, les mots " et les fonds de pensions agréés ou inscrits " sont supprimés.
Art.56. In artikel 5 van hetzelfde besluit worden de woorden " of pensioenfonds " geschrapt.
Art.56. A l'article 5 les mots " ou le fonds de pensions " sont supprimés.
Afdeling II. - Opheffingsbepalingen.
Section II. - Dispositions abrogatoires.
Art.57. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 5 april 1995 betreffende de activiteiten van de pensioenkassen bedoeld in artikel 2, § 3, 4°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
2° het koninklijk besluit van 7 mei 2000 betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen;
3° het koninklijk besluit van 25 maart 2004 tot vaststelling van de nadere regels inzake het beheer en de werking van voorzorgsinstellingen die werden opgericht door meerdere private ondernemingen of meerdere publiekrechtelijke rechtspersonen of krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst.
1° het koninklijk besluit van 5 april 1995 betreffende de activiteiten van de pensioenkassen bedoeld in artikel 2, § 3, 4°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
2° het koninklijk besluit van 7 mei 2000 betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen;
3° het koninklijk besluit van 25 maart 2004 tot vaststelling van de nadere regels inzake het beheer en de werking van voorzorgsinstellingen die werden opgericht door meerdere private ondernemingen of meerdere publiekrechtelijke rechtspersonen of krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst.
Art.57. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 5 avril 1995 relatif aux activités des caisses de pensions visées à l'article 2, § 3, 4°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances;
2° l'arrêté royal du 7 mai 2000 relatif aux activités des institutions de prévoyance;
3° l'arrêté royal du 25 mars 2004 déterminant les règles particulières relatives à la gestion et au fonctionnement des institutions de prévoyance constituées par plusieurs entreprises privées ou plusieurs personnes morales de droit public ou en vertu d'une convention collective de travail sectorielle.
1° l'arrêté royal du 5 avril 1995 relatif aux activités des caisses de pensions visées à l'article 2, § 3, 4°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances;
2° l'arrêté royal du 7 mai 2000 relatif aux activités des institutions de prévoyance;
3° l'arrêté royal du 25 mars 2004 déterminant les règles particulières relatives à la gestion et au fonctionnement des institutions de prévoyance constituées par plusieurs entreprises privées ou plusieurs personnes morales de droit public ou en vertu d'une convention collective de travail sectorielle.
HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen.
CHAPITRE X. - Dispositions finales.
Art.58. De wet treedt in werking op 1 januari 2007 met uitzondering van :
1° de bepalingen die reeds in werking zijn getreden in toepassing van artikel 234 van de wet;
2° de artikelen 81, 82, 167, 193, 194 en 201 tot 225.
1° de bepalingen die reeds in werking zijn getreden in toepassing van artikel 234 van de wet;
2° de artikelen 81, 82, 167, 193, 194 en 201 tot 225.
Art.58. La loi entre en vigueur le 1er janvier 2007, à l'exception :
1° des dispositions qui sont déjà en vigueur en application de l'article 234 de la loi;
2° des articles 81, 82, 167, 193, 194 et 201 à 225.
1° des dispositions qui sont déjà en vigueur en application de l'article 234 de la loi;
2° des articles 81, 82, 167, 193, 194 et 201 à 225.
Art.59. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007.
Art.59. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2007
Art. 60. Onze Minister van Economie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 12 januari 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN.
Gegeven te Brussel, 12 januari 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN.
Art. 60. Notre Ministre de l'Economie est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 12 janvier 2007.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN.
Donné à Bruxelles, le 12 janvier 2007.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN.