Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 SEPTEMBER 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra
Titre
21 SEPTEMBRE 2007. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 1997 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux (TRADUCTION)
Dokumentinformationen
Numac: 2007036859
Datum: 2007-09-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2007036859
Date: 2007-09-21
Moniteur: Voir
Tekst (20)
Texte (20)
Artikel 1. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra worden de woorden " psycho-medisch-sociale centra " vervangen door de woorden " centra voor leerlingenbegeleiding ".
Article 1. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 1997 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, les mots "centres psycho-médico-sociaux" sont remplacés par les mots "centres d'encadrement des élèves".
Art. 2. In artikel 4, § 1, 10, § 1 en artikel 15, § 1, van hetzelfde besluit worden de woorden " psycho-medisch-sociale centra " telkens vervangen door de woorden " centra voor leerlingenbegeleiding ".
Art. 2. Dans les articles 4, § 1er, 10, § 1er, et 15, § 1er, du même arrêté, les mots "centres psycho-médico-sociaux" sont remplacés chaque fois par les mots "centres d'éducation des adultes" (NOTE : Justel lit " centres d'encadrement des élèves ").
Art. 3. Artikel 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op :
de personeelsleden, bedoeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
de personeelsleden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
de leden van de inspectie voor het onderwijs, georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap, bedoeld in artikel 4 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;
de leden van de inspectie voor de centra voor leerlingenbegeleiding, georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap, bedoeld in artikel 4 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;
de personeelsleden van de dienst voor onderwijsontwikkeling, bedoeld in artikel 9 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;
de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten, bedoeld in artikel 88 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;
de personeelsleden, bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. "
Art. 3. L'article 1er du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Article 1er. Le présent arrêté s'applique :
aux membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
aux membres du personnel visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves;
aux membres de l'inspection de l'enseignement organisée par la Communauté flamande, visée à l'article 4 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique;
aux membres de l'inspection des centres d'encadrement des élèves organisée par la Communauté flamande, visée à l'article 4 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique;
aux membres du personnel du Service d'Etudes, visé à l'article 9 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique;
aux membres du personnel des services d'encadrement pédagogique, visés à l'article 88 du décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection, au Service d'Etudes et aux services d'encadrement pédagogique;
aux membres du personnel visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques. "
Art. 4. Aan artikel 2 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, eveneens in aanmerking genomen. "
Art. 4. A l'article 2 du même arrêté, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Pour l'application de l'alinéa premier, 2°, le nombre d'unités de prestations pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lequel il n'a pas été réaffecté ou remis au travail, est également pris en compte. "
Art. 5. Aan artikel 3 van hetzelfde besluit worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zijn niet van toepassing op de tijdelijke personeelsleden die hun loopbaan wensen te onderbreken overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, § 2, § 3 en § 4.
Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als de aanstelling eindigt. "
Art. 5. A l'article 3 du même arrêté, il est ajouté un deuxième et troisième alinéas, rédigés comme suit :
" Les conditions reprises à alinéa premier, 1° et 2°, ne s'appliquent pas aux membres du personnel temporaires qui souhaitent interrompre leur carrière professionnelle conformément aux dispositions de l'article 12, §§ 2, 3 et 4.
L'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel temporaires échoit en tout cas lorsqu'il est mis fin à la désignation. "
Art. 6. Aan artikel 5 van hetzelfde besluit wordt een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, eveneens in aanmerking genomen.
Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het een gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgt, worden voor de loopbaanonderbreking eerst die prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is. "
Art. 6. A l'article 5 du même arrêté, il est ajouté un deuxième et troisième alinéas, rédigés comme suit :
" Pour l'application de l'alinéa premier, 2°, le nombre d'unités de prestations pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lequel il n'a pas été réaffecté ou remis au travail, est également pris en compte.
Si le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut partiel d'emploi au moment où une interruption de carrière lui est accordée, ce sont d'abord les unités de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas été réaffecté ou remis au travail qui sont prises en compte pour cette interruption de carrière. "
Art. 7. Aan artikel 6 van hetzelfde besluit wordt een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zijn niet van toepassing op de tijdelijke personeelsleden die hun loopbaan wensen te onderbreken overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, § 2, § 3 en § 4.
Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als de aanstelling eindigt. "
Art. 7. A l'article 6 du même arrêté, il est ajouté un deuxième et troisième alinéas, rédigés comme suit :
" Les conditions reprises à l'alinéa premier, 1° et 2°, ne s'appliquent pas aux membres du personnel temporaires qui souhaitent interrompre leur carrière professionnelle conformément aux dispositions de l'article 12, §§ 2, 3 et 4.
L'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel temporaires échoit en tout cas lorsqu'il est mis fin à la désignation. "
Art. 8. In artikel 8, § 1 van hetzelfde besluit worden de woorden " tot uiterlijk 31 augustus van het school- of dienstjaar waarin de betrokkenen de leeftijd van zestig jaar bereiken " vervangen door de woorden " tot aan de vooravond van hun pensionering ".
Art. 8. A l'article 8, § 1er, du même arrêté, les mots "jusqu'au 31 août au plus tard de l'année scolaire ou de service pendant laquelle les intéressés atteignent l'âge de soixante ans" sont remplacés par les mots "jusqu'à la veille de leur mise à la retraite".
Art. 9. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 9. Voor het bepalen van het aantal prestatie-eenheden, vermeld in artikel 2, 3, 5, 6 en 8, worden eveneens als prestatie-eenheden beschouwd :
de prestaties, verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht, vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 77quater, § 2 en § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht, vermeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
de prestaties, verstrekt in het kader van de begeleiding en ondersteuning van de scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding bij de implementatie van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I, vermeld in artikel VI.21 van dit decreet;
de prestaties, verstrekt ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
de prestaties, verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
de prestaties, verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid ter beschikking gesteld van zijn voorganger, vermeld in artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een regering of van een college van een gemeenschap of een gewest;
de prestaties, verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, vermeld in artikel 245, § 2, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof vermeld in artikel 166, § 1, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;
10° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van de onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
11° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 156 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
12° de prestaties, verstrekt door personeelsleden belast met een opdracht aan een hogeschool, vermeld in artikel 2, 39°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. De ambten, uitgeoefend in de hogescholen worden steeds beschouwd als hoofdambt. "
Art. 9. L'article 9 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 9. Pour la définition du nombre d'unités de prestations visées aux articles 2, 3, 5, 6 et 8, sont également considérées comme des unités de prestations :
les prestations dispensées par des membres du personnel en congé pour mission spéciale ou en congé pour mission, tels que visés à l'article 51quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves et à l'article 77quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
les prestations dispensées par les membres du personnel en congé pour activité syndicale, tels que visés à l'article 17 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et à l'article 77 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités;
les prestations dispensées dans le cadre de l'encadrement et du soutien des écoles et des centres d'encadrement des élèves pour la mise en oeuvre du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I, tels que visés à l'article VI.21 dudit décret;
les prestations dispensées au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat et des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes, tels que visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1991 relatif au congé accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves pour accomplir certaines prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat, des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes;
les prestations dispensées par les membres du personnel en congé, tels que visés à l'article 2 de l'arrêté royal du 21 novembre 1980 relatif au congé accordé à certains membres du personnel des services de l'Etat mis à disposition du Roi;
les prestations dispensées par des membres du personnel dans un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement communautaire ou régional, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'état régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale et d'une cellule de politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, tels que visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement de communauté ou de région, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'état régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique et d'une cellule de politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves;
les prestations dispensées par des membres du personnel en tant que collaborateur qu'un membre du Gouvernement a mis à disposition de son prédécesseur, tels que visés à l'article 8, troisième alinéa, de l'arrêté royal du 19 juillet 2001 relatif à l'installation des organes stratégiques des services publics fédéraux et relatif aux membres du personnel des services publics fédéraux désignés pour faire partie du cabinet d'un membre d'un gouvernement ou d'un collège d'une Communauté ou d'une Région;
les prestations dispensées par un membre du personnel à l'appui du collège des commissaires du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs, tel que visé à l'article 245, § 2, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 166, § 1er, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997;
10° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné;
11° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé tels que visés à l'article 156 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
12° les prestations dispensées par des membres du personnel exerçant des charges auprès d'un institut supérieur, tels que visés à l'article 2, 39°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. Les fonctions exercées auprès des instituts supérieurs sont toujours considérées comme fonction principale. "
Art. 10. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 10. § 1. De volledige en de gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan wordt toegestaan voor een periode die begint op 1 september of 1 oktober van het school- of dienstjaar en eindigt op 31 augustus van hetzelfde school- of dienstjaar voor alle personeelsleden bedoeld in artikel 1, met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in § 2 van dit artikel.
§ 2. De volledige en de gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan wordt toegestaan voor periodes van ten minste zes maanden en van ten hoogste één jaar voor :
de leden van het administratief personeel;
de leden van het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel;
de administratief medewerker van het ondersteunend personeel;
de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel.
Deze periodes dienen steeds aan te vangen op de eerste dag van de maand.
§ 3. In afwijking van § 1 eindigt de onderbreking van de beroepsloopbaan eveneens wanneer de volledige of de gedeeltelijke loopbaanonderbreking de maximumduur van 72 maanden heeft bereikt.
Art. 10. L'article 10 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 10. § 1er. L'interruption complète ou partielle de la carrière professionnelle est accordée pour une période débutant le 1er septembre ou le 1er octobre de l'année scolaire ou de service et se terminant le 31 août de la même année scolaire ou de service pour tous les membres du personnel visés à l'article 1er, excepté les membres du personnel visés au § 2 de cet article.
§ 2. L'interruption complète ou partielle de la carrière professionnelle est accordée pour des périodes d'au moins six mois et d'un an au maximum pour :
les membres du personnel administratif;
les membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service statutaires;
le collaborateur administratif du personnel d'appui;
le collaborateur administratif du personnel de gestion et d'appui.
Ces périodes doivent toujours débuter le premier jour du mois.
§ 3. Par dérogation au § 1er, l'interruption de la carrière professionnelle se termine également lorsque la carrière complète ou partielle de la carrière a atteint la durée maximum de 72 mois. "
Art. 11. Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 11. § 1. In afwijking van artikel 10, § 1, wordt de volledige en de gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het bevallingsverlof, toegestaan door artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of na een periode van verlof wegens moederschapsbescherming of bedreiging door een beroepsziekte, toegestaan door artikel 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971, en die eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar voor de personeelsleden, vermeld in artikel 10, § 1, die op 1 september of op 1 oktober van het school- of dienstjaar, of op beide data, met bevallingsverlof, met verlof wegens moederschapsbescherming of met verlof wegens bedreiging door een beroepsziekte zijn.
§ 2. In afwijking van artikel 10, § 1, wordt de volledige onderbreking van de beroepsloopbaan toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het volledig ouderschapsverlof toegestaan op grond van artikel 12, § 3, van dit besluit en eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar, op voorwaarde dat het personeelslid bij de aanvang van het volledig ouderschapsverlof heeft meegedeeld dat het zijn beroepsloopbaan na het verstrijken van dit verlof verder wenst te onderbreken.
§ 3. In afwijking van artikel 10, § 1, wordt de gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het gedeeltelijk ouderschapsverlof toegestaan op grond van artikel 12, § 3, van dit besluit en eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar, op voorwaarde dat het personeelslid bij de aanvang van het gedeeltelijk ouderschapsverlof heeft meegedeeld dat het zijn beroepsloopbaan na het verstrijken van dit verlof verder wenst te onderbreken.
§ 4. In afwijking van artikel 10, § 1 en § 2, wordt de onderbreking van de beroepsloopbaan beëindigd op het ogenblik dat het personeelslid het recht doet gelden op een onderbreking van de beroepsloopbaan zoals vermeld in artikel 12, § 2, § 3 en § 4 van dit besluit, op voorwaarde dat :
het personeelslid, vermeld in artikel 10, § 1, bij aanvang van één van deze onderbrekingen van de beroepsloopbaan heeft meegedeeld dat het de daaraan voorafgaande onderbreking van de beroepsloopbaan op dezelfde wijze wenst verder te zetten tot 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar;
het personeelslid, vermeld in artikel 10, § 2, bij aanvang van één van deze onderbrekingen van de beroepsloopbaan heeft meegedeeld dat het de daaraan voorafgaande onderbreking van de beroepsloopbaan op dezelfde wijze wenst verder te zetten voor het nog resterend gedeelte van de oorspronkelijk aangevraagde periode van loopbaanonderbreking.
Deze periodes van loopbaanonderbreking moeten onmiddellijk op elkaar aansluiten. In dat geval wordt afgeweken van de ingangsdatum zoals bepaald in artikel 10, § 1 en § 2 van dit besluit.
§ 5. Het ziekteverlof, het bevallingsverlof, de afwezigheid wegens arbeidsongeval, wegens ongeval op weg naar en van het werk, wegens beroepsziekte, de terbeschikkingstelling wegens ziekte, de afwezigheid wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming, maken geen einde aan de loopbaanonderbreking. "
Art. 11. L'article 11 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 11. § 1er. Par dérogation à l'article 10, § 1er, l'interruption complète ou partielle de la carrière professionnelle est accordée pour une période débutant le jour après la fin du congé de maternité, accordé en vertu de l'article 39 de la loi du travail du 16 mars 1971 ou après une période de congé de protection de la maternité ou d'écartement du risque de maladie professionnelle, accordé en vertu de l'article 42 de la loi du travail du 16 mars 1971, et se terminant le 31 août de l'année scolaire ou de service en cours pour les membres du personnel cités à l'article 10, § 1er, qui sont, soit le 1er septembre ou le 1er octobre de l'année scolaire ou de service, soit aux deux dates, en congé de maternité, en congé de protection de la maternité ou en congé d'écartement du risque de maladie professionnelle.
§ 2. Par dérogation à l'article 10, § 1er, l'interruption complète de la carrière professionnelle est accordée pour une période débutant le jour après la fin du congé parental accordé en vertu de l'article 12, § 3, du présent arrêté et se terminant le 31 août de l'année scolaire ou de service en cours, à condition que le membre du personnel ait fait savoir au début du congé parental qu'il souhaite continuer à interrompre sa carrière professionnelle après ce congé.
§ 3. Par dérogation à l'article 10, § 1er, l'interruption partielle de la carrière professionnelle est accordée pour une période débutant le jour après la fin du congé parental partiel accordé en vertu de l'article 12, § 3, du présent arrêté et se terminant le 31 août de l'année scolaire ou de service en cours, à condition que le membre du personnel ait fait savoir au début du congé parental partiel qu'il souhaite continuer à interrompre sa carrière professionnelle après ce congé.
§ 4. Par dérogation à l'article 10, §§ 1er et 2, l'interruption de la carrière professionnelle se termine au moment où le membre du personnel fait valoir le droit à une interruption de la carrière professionnelle telle que citée à l'article 12, §§ 2, 3 et 4, du présent arrêté, à condition que :
le membre du personnel visé à l'article 10, § 1er, ait fait savoir au début d'une de ces interruptions de la carrière professionnelle qu'il souhaite continuer l'interruption de la carrière professionnelle précédente de la même façon jusqu'au 31 août de l'année scolaire ou de service en cours;
le membre du personnel visé à l'article 10, § 2, ait fait savoir au début d'une de ces interruptions de la carrière professionnelle qu'il souhaite continuer l'interruption de la carrière professionnelle précédente de la même façon pour la partie restante de la période d'interruption de carrière initialement demandée.
Ces périodes d'interruption de la carrière professionnelle doivent se suivre immédiatement. Dans ce cas, il est dérogé à la date de début telle que visée à l'article 10, §§ 1er et 2 du présent arrêté.
§ 5. Le congé de maladie, le congé de maternité, l'absence pour cause d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail, d'une maladie professionnelle, la mise en disponibilité pour cause de maladie, le congé d'écartement du risque de maladie professionnelle et le congé de protection de la maternité ne mettent pas fin à l'interruption de la carrière professionnelle. "
Art. 12. In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in § 3 worden de eerste twee leden vervangen door wat volgt :
" In afwijking van artikel 10, § 1 en § 2, hebben de personeelsleden het recht om hun beroepsloopbaan volledig of gedeeltelijk te onderbreken om voor hun kind te zorgen. Die onderbreking van de beroepsloopbaan wordt ouderschapsverlof genoemd.
De volledige onderbreking van de beroepsloopbaan moet worden genomen voor een aaneengesloten periode van maximum drie maanden. De gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan moet worden genomen voor een aaneengesloten periode van maximum zes maanden. "
er wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. In afwijking van artikel 10, § 1 en § 2, hebben de personeelsleden het recht om hun beroepsloopbaan volledig of gedeeltelijk te onderbreken voor het verlenen van bijstand of verzorging aan een familielid tot de tweede graad of aan een gezinslid dat lijdt aan een zware ziekte.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder gezinslid, elke persoon die samenwoont met het personeelslid, en onder familielid zowel de bloed- als de aanverwanten.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder zware ziekte verstaan, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging noodzakelijk is voor het herstel.
Voor tijdelijke personeelsleden die de beroepsloopbaan onderbreken voor het verlenen van bijstand of verzorging aan een gezinslid of een familielid, eindigt dat verlof in ieder geval als hun aanstelling eindigt.
De onderbrekingsperiodes voor een volledige of een gedeeltelijke loopbaanonderbreking kunnen alleen opgenomen worden met periodes van minimaal één en maximaal drie maanden, al dan niet aaneensluitend, tot een maximumperiode van 12 maanden per patiënt voor een volledige loopbaanonderbreking of 24 maanden per patiënt voor een gedeeltelijke loopbaanonderbreking. "
Art. 12. A l'article 12 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
au § 3, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Par dérogation à l'article 10, §§ 1er et 2, les membres du personnel ont le droit d'interrompre de manière complète ou partielle leur carrière professionnelle afin de s'occuper de leur enfant. Cette interruption de la carrière professionnelle est appelée congé parental.
L'interruption complète de la carrière professionnelle doit être prise pour une période ininterrompue de trois mois. L'interruption partielle de la carrière professionnelle doit être prise pour une période ininterrompue de six mois. "
il est ajouté un § 4, ainsi rédigé :
" § 4. Par dérogation à l'article 10, §§ 1er et 2, les membres du personnel ont le droit d'interrompre de manière complète ou partielle leur carrière professionnelle pour porter assistance ou pour dispenser des soins à un membre de la famille jusqu'au deuxième degré ou à un membre du ménage gravement malade.
Pour l'application du premier alinéa il faut entendre par 'membre du ménage' toute personne cohabitant avec le membre du personnel, et par 'membre de la famille' tout parent ou allié.
Pour l'application du premier alinéa, il faut entendre par 'maladie grave' toute maladie ou intervention médicale considérée comme telle par le médecin traitant dont le processus de guérison nécessite à son avis toute forme d'assistance sociale, familiale ou affective ou de prestation de soins.
Pour les membres du personnel temporaires qui interrompent leur carrière professionnelle pour porter assistance ou pour dispenser des soins à un membre du ménage ou un membre de la famille, ce congé prend en tout cas fin lorsque se termine leur désignation.
Les périodes d'interruption pour une interruption complète ou partielle de la carrière professionnelle ne peuvent être prises que par périodes d'un mois au minimum et de trois mois au maximum, consécutives ou non, jusqu'à une période maximale de 12 mois par patient pour une interruption complète de la carrière ou 24 mois par patient pour une interruption partielle de la carrière professionnelle. "
Art. 13. Artikel 13 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 13. Elke onderbreking van de beroepsloopbaan eindigt uiterlijk op de vooravond van de pensionering. "
Art. 13. L'article 13 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 13. Toute interruption de la carrière professionnelle se termine au plus tard la veille de la mise à la retraite. "
Art. 14. In artikel 14 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
§ 1, eerste lid, wordt vervangen door wat volgt :
" Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken, dient daartoe een aanvraag in bij de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie en van de dienst voor onderwijsontwikkeling, die hun aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering. Bij de aanvraag vermeldt het personeelslid de datum waarop hij wenst dat de volledige of gedeeltelijke onderbreking van zijn loopbaan zou aanvangen en de duur ervan. "
§ 3, eerste lid, eerste zin, wordt vervangen door wat volgt :
" Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken voor het verstrekken van palliatieve verzorging, deelt dit mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie en van de dienst voor onderwijsontwikkeling, die dit meedelen aan de Vlaamse Regering. "
§ 4, eerste lid, eerste zin, wordt vervangen door wat volgt :
" Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken om voor zijn kind te zorgen in het kader van ouderschapsverlof, deelt dit mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie en van de dienst voor onderwijsontwikkeling, die dit meedelen aan de Vlaamse Regering. "
er wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken voor de verzorging van een zwaar ziek gezinslid of zwaar ziek familielid deelt dit mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waarbij hij tewerkgesteld is, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie en van de dienst voor onderwijsontwikkeling, die dit meedelen aan de Vlaamse Regering. Hij voegt bij deze mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek gezins- of familielid, waaruit blijkt dat het personeelslid bereid is bijstand of verzorging te verlenen aan de zwaar zieke persoon.
De onderbreking van de beroepsloopbaan voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin voornoemde mededeling is gebeurd of op een vroeger tijdstip mits akkoord van de inrichtende macht of van de Vlaamse Regering voor de personeelsleden van de inspectie en van de dienst voor onderwijsontwikkeling.
Ingeval het personeelslid wenst gebruik te maken van de verlenging van de periode, dient het opnieuw een doktersattest in te dienen. "
Art. 14. A l'article 14 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
le § 1er, alinéa premier, est remplacé par la disposition suivante :
" Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière professionnelle introduit sa demande auprès du pouvoir organisateur de l'(des) établissement(s) ou du/des centre(se) où il travaille, à l'exception des membres du personnel de l'inspection et du service d'études, qui introduisent leur demande auprès du Gouvernement flamand. Lors de sa demande, le membre du personnel mentionne la date à laquelle il souhaite que prenne cours l'interruption de carrière, qu'elle soit complète ou partielle, et la durée de celle-ci. "
le § 3, alinéa premier, première phrase, est remplacé par la disposition suivante :
" Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière professionnelle pour dispenser des soins palliatifs, en avise le pouvoir organisateur de l'(des) établissement(s) ou du/des centre(se) où il travaille, à l'exception des membres du personnel de l'inspection et du service d'études, qui en avisent le Gouvernement flamand. "
le § 4, alinéa premier, première phrase, est remplacé par la disposition suivante :
" Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière professionnelle afin de s'occuper de son enfant dans le cadre du congé parental, en avise le pouvoir organisateur de l'(des) établissement(s) ou du/des centre(se) où il travaille, à l'exception des membres du personnel de l'inspection et du service d'études, qui en avisent le Gouvernement flamand. "
il est ajouté un § 5, ainsi rédigé :
" § 5. Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière professionnelle pour prestation de soins à un membre du ménage ou de la famille souffrant d'une maladie grave, en avise le pouvoir organisateur de l'(des) établissement(s) ou du/des centre(s) où il travaille, à l'exception des membres du personnel de l'inspection et du service d'études, qui en avisent le Gouvernement flamand. Il assortit cette notification d'un certificat délivré par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille gravement malade, dont il ressort que le membre du personnel est disposé à porter de l'assistance ou de prester des soins à la personne gravement malade.
L'interruption de la carrière professionnelle pour prestation de soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade prend cours le premier jour de la semaine qui suit la semaine dans laquelle la notification a été faite ou plus tôt, moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou du Gouvernement flamand pour les membres du personnel de l'inspection et du service d'études.
Si le membre du personnel souhaite prolonger la période, il devra réintroduire un certificat médical. "
Art. 15. In artikel 15 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in § 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" § 1. De onderbreking van de beroepsloopbaan moet worden toegestaan als er een kandidaat-vervanger is die gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs;
voldoen aan de eisen van het opvoedingsproject van de inrichtende macht of het schoolbestuur. ";
in § 1, tweede lid, worden de woorden " in het eerste lid, 2°, " vervangen door de woorden " in het eerste lid, 1°, ";
§ 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. De toekenning van de onderbreking van de beroepsloopbaan vermeld in artikel 12, § 2, § 3 en § 4, kan niet geweigerd worden op basis van de bepalingen vermeld in § 1 en § 2. "
Art. 15. A l'article 15 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
au § 1er, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. L'interruption de la carrière professionnelle doit être accordée s'il y a un candidat pour le remplacement qui remplit simultanément les conditions suivantes :
être en possession du titre requis;
remplir les conditions du projet éducatif du pouvoir organisateur ou de l'autorité scolaire. " ;
dans le § 1er, alinéa deux, les mots " au premier alinéa, 2° " sont remplacés par les mots " au premier alinéa, 1° ";
le § 3 est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 3. L'octroi de l'interruption de la carrière professionnelle visée à l'article 12, §§ 2, 3 et 4 ne peut être refusé sur la base des dispositions visées aux §§ 1er et 2. "
Art. 16. In artikel 16 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" Voor het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid zijn beroepsloopbaan onderbreekt, krijgt het noch een salaris of salaristoelage noch een wachtgeld of wachtgeldtoelage. Het personeelslid krijgt wel een onderbrekingsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991. "
Art. 16. Dans l'article 16 du même arrêté, l'alinéa deux est remplacé par la disposition suivante :
" Le membre du personnel ne perçoit ni de traitement ou allocation de traitement, ni de traitement d'attente ou subvention-traitement d'attente pour le nombre d'unités de prestations pour lesquelles il interrompt sa carrière professionnelle. Il perçoit par ailleurs une allocation d'interruption conformément aux dispositions de l'arrêté royal précité du 12 août 1991. "
Art. 17. In artikel 17 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
§ 1, tweede lid, wordt vervangen door wat volgt :
" Deze opzegging moet worden gericht aan de Vlaamse minister bevoegd voor het Onderwijs, door tussenkomst en met akkoord van de inrichtende macht "
Voor de personeelsleden van de inspectie en van de dienst voor onderwijsontwikkeling wordt deze opzegging via hiërarchische weg gericht aan de Vlaamse Regering. "
in § 2 worden de woorden " in artikel 11, 1° en 2° " vervangen door de woorden " in artikel 11, § 1, § 2, § 3 en § 4 ";
in § 5 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op de personeelsleden die hun loopbaanonderbreking onderbreken overeenkomstig artikel 12, § 1, § 2, § 3 en § 4. "
in § 5, tweede lid, wordt tussen de woorden " verstrekken van palliatieve verzorging ", en de woorden " kan evenwel " de woorden " of voor medische bijstand " ingevoegd.
Art. 17. A l'article 17 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
le § 1er, alinéa deux, est remplacé par ce qui suit :
" Ce préavis doit être adressé au Ministre flamand ayant l'Enseignement dans ses attributions, par l'intermédiaire et avec l'accord du pouvoir organisateur. "
Pour les membres du personnel de l'inspection et du service d'études, ce préavis est adressé par voie hiérarchique au Gouvernement flamand. "
dans le § 2, les mots " à l'article 11, 1° et 2° " sont remplacés par les mots " à l'article 11, §§ 1er, 2, 3 et 4 ";
dans le § 5, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Les dispositions du § 1er ne s'appliquent pas aux membres du personnel qui interrompent leur carrière professionnelle conformément à l'article 12, §§ 1er, 2, 3 et 4. "
dans le § 5, alinéa deux, les mots " ou pour assistance médicale " sont insérés entre les mots " pour donner des soins palliatifs " et les mots ", peut cependant ".
Art. 18. Artikel 18 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 18. L'article 18 du même arrêté est abrogé.
Art. 19. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2007, met uitzondering van artikel 12, 1°, tweede lid, eerste zin, en artikel 15, 1°, die, onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming, uitwerking hebben op 1 september 2002.
Art. 19. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2007, à l'exception de l'article 12, 1°, alinéa deux, première phrase, et de l'article 15, 1°, lesquels produisent leurs effets le 1er septembre 2002, sans préjudice de la protection juridique organisée par la loi en vertu de l'article 146 de la Constitution.
Art. 20. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 21 september 2007.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE.
Art. 20. Le Ministre flamand qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 21 septembre 2007.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE.