Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 DECEMBER 2007. - Koninklijk besluit houdende toekenning van toelagen aan de militairen die houder zijn van bepaalde kwalificaties(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-01-2008 en tekstbijwerking tot 02-02-2022)
Titre
20 DECEMBRE 2007. - Arrêté royal portant attribution d'allocations aux militaires détenteurs de certaines qualifications(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 25-01-2008 et mise à jour au 02-02-2022)
Dokumentinformationen
Numac: 2008007002
Datum: 2007-12-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2008007002
Date: 2007-12-20
Moniteur: Voir
Tekst (26)
Texte (26)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de militair in werkelijke dienst, die houder is van één of meerdere van de volgende brevetten :
1° het hoger brevet van parachutist en, desgevallend, het brevet operationele vrije val op zeer grote hoogte;
2° het militair brevet van duikmeester, het militair brevet van duiker of het militair brevet van hulpduiker;
3° een militair brevet van specialist in opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen.
Article 1. Le présent arrêté est applicable au militaire en service actif, détenteur d'un ou de plusieurs des brevets suivants :
1° le brevet supérieur de parachutiste et, le cas échéant, le brevet chute opérationnelle à très haute altitude;
2° le brevet militaire de maître-plongeur, le brevet militaire de plongeur ou le brevet militaire d'aide-plongeur;
3° un brevet militaire de spécialiste en enlèvement et destruction d'engins explosifs.
Art. 2. § 1. De toelagen bedoeld in dit besluit zijn verschuldigd in alle administratieve standen die recht geven op een volledige wedde vanaf de dag waarop de militair de voorwaarden vervult die het genot ervan verlenen of het bedrag ervan wijzigen.
Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 5, zijn ze niet meer verschuldigd op de dag waarop de militair niet meer voldoet aan de bepaalde voorwaarden.
Als volle wedde in de zin van het eerste lid, wordt tevens beschouwd, de wedde die toegekend wordt voor prestaties in het kader van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap.
§ 2. De toelagen bedoeld in dit besluit worden maandelijks toegekend. In voorkomend geval worden zij [1 , naar gelang het geval, per twintigste of]1 per dertigste, onder dezelfde voorwaarden als de wedde, verleend. Zij zijn na vervallen termijn betaalbaar.
§ 3. De bedragen van de toelagen bepaald in dit besluit zijn gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der federale overheidsdiensten. Zij zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
Art. 2. § 1er. Les allocations visées au présent arrêté sont dues dans toutes les positions administratives donnant droit au traitement entier à partir du jour où le militaire remplit les conditions qui en confèrent le bénéfice ou en modifient le taux.
Sous réserve des dispositions de l'article 5, elles cessent d'être dues le jour où le militaire ne remplit plus les conditions fixées.
Est également considéré comme un traitement entier au sens de l'alinéa 1er, le traitement accordé pour des prestations dans le cadre du régime volontaire de travail de la semaine de quatre jours et du régime du départ anticipé à mi-temps.
§ 2. Les allocations visées au présent arrêté sont octroyées mensuellement. Le cas échéant, elles sont attribuées [1 , selon le cas, par vingtièmes ou]1 par trentièmes dans les mêmes conditions que le traitement. Elles sont payables à terme échu.
§ 3. Les montants des allocations fixées au présent arrêté sont liés au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des services publics fédéraux. Ils sont liés à l'indice-pivot 138,01.
Art. 3. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van andere toekenningsvoorwaarden bepaald in dit besluit, moet de militair, om aanspraak te kunnen maken op de toekenning van de toelagen gedurende het lopende kalenderjaar, de vereiste prestaties bepaald in dit besluit, hebben uitgevoerd in de loop van het vorige kalenderjaar. Bij ontstentenis daarvan wordt de toekenning van de toelagen opgeschort vanaf de eerste dag van het lopende kalenderjaar.
§ 2. Niet uitgevoerde prestaties tijdens het vorige kalenderjaar kunnen evenwel volbracht worden tijdens het lopende kalenderjaar. Desgevallend zijn de toelagen opnieuw verschuldigd vanaf de dag waarop al de vereiste prestaties werden uitgevoerd.
De prestaties bedoeld in het eerste lid, worden niet in aanmerking genomen als prestaties die tijdens het lopende kalenderjaar moeten volbracht worden om aanspraak te kunnen maken op de toelagen tijdens het volgende kalenderjaar.
Art. 3. § 1er. Sous réserve de l'application d'autres conditions d'octroi fixées au présent arrêté, le militaire doit, pour pouvoir prétendre à l'octroi des allocations pendant l'année civile en cours, avoir effectué au cours de l'année civile précédente les prestations requises fixées au présent arrêté. A défaut, l'octroi des allocations est suspendu à partir du premier jour de l'année civile en cours.
§ 2. Toutefois, des prestations non effectuées pendant l'année civile précédente peuvent être accomplies pendant l'année civile en cours. Le cas échéant, les allocations sont de nouveau dues à partir du jour où toutes les prestations requises ont été effectuées.
Les prestations visées à l'alinéa 1er ne sont pas prises en considération comme prestations à accomplir pendant l'année civile en cours pour pouvoir prétendre à l'octroi des allocations pendant l'année civile suivante.
Art. 4. Gedurende de periode die begint op de dag van het behalen van een brevet bedoeld in artikel 1 en die eindigt op de laatste dag van het volgende kalenderjaar, wordt de militair beschouwd de prestaties te hebben uitgevoerd die vereist zijn voor de toekenning, gedurende deze periode, van de toelagen verbonden aan het houder zijn van dit brevet en bepaald in dit besluit.
Art. 4. Pendant la période qui commence le jour de l'obtention d'un brevet visé à l'article 1er et qui prend fin le dernier jour de l'année civile suivante, le militaire est considéré comme ayant effectué les prestations requises pour l'octroi, pendant cette période, des allocations liées à la détention de ce brevet et fixées au présent arrêté.
Art. 5. § 1. Wanneer de militair, in de loop van het vorige kalenderjaar, in de onmogelijkheid was de prestaties die vereist zijn voor de toekenning van de toelagen uit te voeren wegens behoorlijk gerechtvaardigde dienstredenen, kan de onderstafchef operaties en training, op gemotiveerd advies van de hiërarchische overheid, het recht op de toelagen blijven toekennen tijdens de eerste drie maanden van het lopende kalenderjaar.
Bovendien kan, in uitzonderlijke gevallen, de chef van de [1 sectie belast met het beheer van de vakrichtingen binnen]1 de algemene directie human resources, op gemotiveerd advies van de hiërarchische overheid en van de onderstafchef operaties en training, het recht op de toelagen tot het einde van het eerste semester van het lopende kalenderjaar, blijven toekennen.
§ 2. Wanneer de militair, in de loop van het vorige kalenderjaar, in de onmogelijkheid was de prestaties die vereist zijn voor de toekenning van de toelagen uit te voeren wegens tijdelijke lichamelijke ongeschiktheid voortvloeiend uit een schadelijk feit dat zich tijdens het vervullen van de militaire dienst heeft voorgedaan, kan de chef van de [1 sectie belast met het beheer van de vakrichtingen binnen]1 de algemene directie human resources, op gemotiveerd advies van de hiërarchische overheid, het recht op de toelagen blijven toekennen tijdens het lopende kalenderjaar.
Bovendien kan, in uitzonderlijke gevallen van langdurige tijdelijke lichamelijke ongeschiktheid, de chef van de [1 sectie belast met het beheer van de vakrichtingen binnen]1 de algemene directie human resources, op gemotiveerd advies van de hiërarchische overheid, het recht op de toelagen tot het einde van het volgende kalenderjaar, blijven toekennen.
Wanneer de tijdelijke lichamelijke ongeschiktheid niet het gevolg is van een ongeval voorgekomen gedurende de uitvoering van een prestatie waarvoor het bedoelde brevet vereist is, of gedurende de uitvoering van een prestatie met het oog op het behoud van de kwalificatie, zijn de bepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid, evenwel niet toepasselijk op de volgende militairen :
1° de militair houder van het hoger brevet van parachutist, die geen organieke betrekking bekleedt waaraan het verrichten van parachutesprongen verbonden is, bedoeld in artikel 6, § 1, eerste lid, 2°;
2° de militair houder van het hoger brevet van parachutist, die een organieke betrekking bekleedt van overlevingsonderrichter bij de luchtcomponent, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
3° de militair houder van het militair brevet van duikmeester of van het militair brevet van duiker, die geen organieke betrekking bekleedt waaraan het verrichten van duikprestaties verbonden is, bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, en tweede lid, 2°;
4° de militair houder van het militair brevet van hulpduiker, bedoeld in artikel 10, § 1, derde lid;
5° de militair houder van een militair brevet van specialist in opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen, die geen organieke betrekking bekleedt waaraan het verrichten van prestaties van opruiming of vernietiging van ontploffingstuigen verbonden is, bedoeld in artikel 11, § 1, eerste lid, 3°.
Art. 5. § 1er. Lorsque le militaire a été dans l'impossibilité d'effectuer, au cours de l'année civile précédente, les prestations requises pour l'octroi des allocations du fait de raisons de service dûment justifiées, le sous-chef d'état-major opérations et entraînement peut, sur l'avis motivé de l'autorité hiérarchique, maintenir le bénéfice des allocations pendant les trois premiers mois de l'année civile en cours.
De plus, dans des cas exceptionnels, le chef de la [1 section chargée de la gestion des filières de métiers au sein]1 de la direction générale human resources peut, sur l'avis motivé de l'autorité hiérarchique et du sous-chef d'état-major opérations et entraînement, maintenir le bénéfice des allocations jusqu'à la fin du premier semestre de l'année civile en cours.
§ 2. Lorsque le militaire a été dans l'impossibilité d'effectuer, au cours de l'année civile précédente, les prestations requises pour l'octroi des allocations du fait d'une inaptitude physique temporaire résultant d'un fait dommageable survenu dans l'accomplissement du service militaire, le chef de la [1 section chargée de la gestion des filières de métiers au sein]1 de la direction générale human resources peut, sur avis motivé de l'autorité hiérarchique, maintenir le bénéfice des allocations pendant l'année civile en cours.
De plus, dans des cas exceptionnels d'inaptitude physique temporaire de longue durée, le chef de la [1 section chargée de la gestion des filières de métiers au sein]1 de la direction générale human resources peut, sur l'avis motivé de l'autorité hiérarchique, maintenir le bénéfice des allocations jusqu'à la fin de l'année civile suivante.
Toutefois, lorsque l'inaptitude physique temporaire n'est pas la conséquence d'un accident survenu pendant l'exécution d'une prestation pour laquelle le brevet visé est requis, ou pendant l'exécution d'une prestation en vue du maintien de la qualification, les dispositions visées aux alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables aux militaires suivants :
1° le militaire détenteur du brevet supérieur de parachutiste, qui n'occupe pas un emploi organique impliquant l'exécution de sauts en parachute, visé à l'article 6, § 1er, alinéa 1er, 2°;
2° le militaire détenteur du brevet supérieur de parachutiste, qui occupe un emploi organique d'instructeur de survie à la composante aérienne, visé à l'article 7, alinéa 1er;
3° le militaire détenteur du brevet militaire de maître-plongeur ou du brevet militaire de plongeur, qui n'occupe pas un emploi organique impliquant l'exécution de prestations de plongée, visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 2°, et alinéa 2, 2°;
4° le militaire détenteur du brevet militaire d'aide-plongeur, visé à l'article 10, § 1er, alinéa 3;
5° le militaire détenteur d'un brevet militaire de spécialiste en enlèvement et destruction d'engins explosifs, qui n'occupe pas un emploi organique impliquant l'exécution de prestations d'enlèvement ou de destruction d'engins explosifs, visé à l'article 11, § 1er, alinéa 1er, 3°.
HOOFDSTUK II. - De toelagen toegekend aan de militair houder van het hoger brevet van parachutist.
CHAPITRE II. - Des allocations octroyées au militaire détenteur du brevet supérieur de parachutiste.
Afdeling I. - De toelagen toegekend aan de paracommando's.
Section 1re. - Des allocations octroyées aux para-commandos.
Art. 6. § 1. Aan de militair houder van het hoger brevet van parachutist die de prestaties bepaald in § 3, eerste lid, heeft uitgevoerd, wordt er toegekend :
1° wanneer hij een organieke betrekking bekleedt waaraan het verrichten van parachutesprongen verbonden is : een toelage van 290 euro;
2° wanneer hij de organieke betrekking bedoeld in 1° niet meer bekleedt : een toelage van 110 euro;
De toelage bedoeld in het eerste lid, 2°, kan gedurende de periode van maximum vier jaar die volgt op de periode bedoeld in het eerste lid, 1°, toegekend worden.
§ 2. Bovendien wordt er toegekend :
1° aan de militair die de toelage bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, ontvangt :
a) indien hij deel uitmaakt van het detachement Ploegen van de Special Forces Group : een bijkomende toelage van 134 euro;
b) indien hij de organieke betrekking bekleedt van sprongonderrichter in het trainingscentrum voor parachutisten, van stouwer-losser in het trainingscentrum voor parachutisten of van onderrichter commando in het trainingscentrum voor commando's : een bijkomende toelage van 89 euro;
c) indien hij houder is van het brevet operationele vrije val op zeer grote hoogte en de prestaties bepaald in § 3, tweede lid, heeft uitgevoerd : een bijkomende toelage van 89 euro;
d) wanneer hij de functie van sprongonderrichter of van onderrichter commando uitoefent : een bijkomende toelage van 89 euro;
2° aan de militair die de toelage bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, ontvangt, wanneer hij de functie van sprongonderrichter of van onderrichter commando uitoefent : een bijkomende toelage van 89 euro.
De toelagen bedoeld in het eerste lid, 1°, a), b), c) en d), kunnen, desgevallend, onderling worden gecumuleerd. De toelage bedoeld in het eerste lid, 1°, d), kan evenwel niet gecumuleerd worden met de toelage bedoeld in het eerste lid, 1°, b).
§ 3. De prestaties bedoeld in § 1, eerste lid, zijn :
1° vier sprongen voor professionele geschiktheid;
2° het slagen in de gevechtstesten paracommando;
3° het slagen in een test van gevechtszwemmen;
4° het slagen in de militaire testen voor lichamelijke geschiktheid.
De prestaties bedoeld in § 2, eerste lid, 1°, c), zijn acht sprongen vrije val. Vier van deze sprongen worden in rekening gebracht als sprongen voor professionele geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, 1°.
Art. 6. § 1er. Au militaire détenteur du brevet supérieur de parachutiste qui a effectué les prestations fixées au § 3, alinéa 1er, il est octroyé :
1° lorsqu'il occupe un emploi organique impliquant l'exécution de sauts en parachute : une allocation de 290 euros;
2° lorsqu'il n'occupe plus l'emploi organique visée au 1° : une allocation de 110 euros.
L'allocation visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être accordée pendant la période de maximum quatre ans qui suit la période visée à l'alinéa 1er, 1°.
§ 2. En outre, il est octroyé :
1° au militaire qui perçoit l'allocation visée au § 1er, alinéa 1er, 1° :
a) s'il fait partie du détachement Equipes du Special Forces Group : une allocation complémentaire de 134 euros;
b) s'il occupe l'emploi organique d'instructeur de saut au centre d'entraînement des parachutistes, d'arrimeur-largueur de matériel au centre d'entraînement des parachutistes ou d'instructeur commando au centre d'entraînement des commandos : une allocation complémentaire de 89 euros;
c) s'il est détenteur du brevet chute opérationnelle à très haute altitude et a effectué les prestations fixées au § 3, alinéa 2 : une allocation complémentaire de 89 euros;
d) lorsqu'il exerce la fonction d'instructeur de saut ou d'instructeur commando : une allocation complémentaire de 89 euros;
2° au militaire qui perçoit l'allocation visée au § 1er, alinéa 1er, 2°, lorsqu'il exerce la fonction d'instructeur de saut ou d'instructeur commando : une allocation complémentaire de 89 euros.
Les allocations visées à l'alinéa 1er, 1°, a), b), c) et d), peuvent, le cas échéant, être cumulées entre elles. Toutefois, l'allocation visée à l'alinéa 1er, 1°, d), ne peut pas être cumulée avec l'allocation visée à l'alinéa 1er, 1°, b).
§ 3. Les prestations visées au § 1er, alinéa 1er, sont :
1° quatre sauts d'aptitude professionnelle;
2° la réussite aux tests de combat para-commando;
3° la réussite à un test de natation de combat;
4° la réussite aux tests militaires d'aptitude physique.
Les prestations visées au § 2, alinéa 1er, 1°, c), sont huit sauts en chute libre. Quatre de ces sauts sont pris en compte comme sauts d'aptitude professionnelle, visés à l'alinéa 1er, 1°.
Art.6/1. [1 De chef van de sectie belast met het beheer van de vakrichtingen binnen de algemene directie human resources kan, voor een periode van maximaal 18 maanden, in uitzonderlijke gevallen en om gerechtvaardigde dienstredenen op gemotiveerd advies van de hiërarchische overheid en de onderstafchef operaties en training, de toelage bedoeld in artikel 6, § 2, 1°, a) toekennen aan een militair die geen houder is van het hoger brevet van parachutist, indien hij een organieke betrekking bekleedt in het detachement Ploegen van de Special Forces Group en de prestaties bepaald in artikel 6, § 3, 2° tot 4° heeft uitgevoerd.]1
Art.6/1. [1 Le chef de la section chargée de la gestion des filières de métier au sein de la direction générale human resources peut, pour une période maximale de 18 mois, dans des cas exceptionnels et pour des raisons de service dûment justifiées sur l'avis motivé de l'autorité hiérarchique et du sous-chef d'état-major opérations et entraînement, accorder l'allocation visée à l'article 6, § 2, 1°, a) au militaire qui n'est pas détenteur du brevet supérieur de parachutiste, lorsqu'il occupe un emploi organique dans le détachement Equipes du Special Forces Group et a effectué les prestations fixées à l'article 6, § 3, 2° à 4°.]1
Afdeling II. - De toelagen toegekend aan de overlevingsonderrichters bij de luchtcomponent.
Section II. - Des allocations octroyées aux instructeurs de survie à la composante aérienne.
Art. 7. Aan de militair houder van het hoger brevet van parachutist die een organieke betrekking bekleedt van overlevingsonderrichter bij de luchtcomponent en die de prestaties bepaald in het tweede lid heeft uitgevoerd, wordt er toegekend een toelage van 70 euro.
De prestaties bedoeld het eerste lid zijn :
1° vier onderhoudssprongen;
2° het slagen in de militaire testen voor lichamelijke geschiktheid.
Art. 7. Au militaire détenteur du brevet supérieur de parachutiste qui occupe un emploi organique d'instructeur de survie à la composante aérienne et qui a effectué les prestations fixées à l'alinéa 2, il est octroyé une allocation de 70 euros.
Les prestations visées à l'alinéa 1er sont :
1° quatre sauts d'entretien;
2° la réussite aux tests militaires d'aptitude physique.
Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Section III. - Dispositions communes.
Art. 8. De Minister van [1 Defensie]1 bepaalt de voorwaarden waaraan de sprongen voor professionele geschiktheid, de sprongen vrije val en de onderhoudssprongen, bedoeld in dit besluit, moeten voldoen. Hij kan minder veeleisende uitvoeringsvoorwaarden bepalen voor de sprongen voor professionele geschiktheid wanneer de militair een door hem bepaalde leeftijd overschrijdt.
De Minister van [1 Defensie]1 bepaalt de aard van de gevechtstesten paracommando, bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 2°. Hij kan de militair die een door hem bepaalde leeftijd overschrijdt, van de uitvoering van bepaalde onderdelen van deze testen vrijstellen.
De commandant van de Immediate Reaction Capability bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de parachutesprongen, bedoeld in het eerste lid, van de gevechtstesten paracommando, bedoeld in het tweede lid, en van de test van gevechtszwemmen, bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 3°.
Art. 8. Le Ministre de la Défense fixe les conditions auxquelles doivent répondre les sauts d'aptitude professionnelle, les sauts en chute libre et les sauts d'entretien, visés au présent arrêté. Il peut fixer des conditions d'exécution moins exigeantes pour les sauts d'aptitude professionnelle lorsque le militaire dépasse l'âge fixé par lui.
Le Ministre de la Défense détermine la nature des tests de combat para-commando, visés à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 2°. Il peut dispenser le militaire qui dépasse l'âge fixé par lui, de l'exécution de certaines parties desdits tests.
Le commandant de l'Immediate Reaction Capability fixe les modalités d'exécution des sauts en parachute, visés à l'alinéa 1er, des tests de combat para-commando, visés à l'alinéa 2, et du test de natation de combat, visé à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 3°.
Art. 9. De toelagen bedoeld in de artikelen 6 en 7 worden niet toegekend aan de militair die aanspraak kan maken op de toelagen bedoeld in het koninklijk besluit van 3 april 2003 houdende het stelsel der toelagen verschuldigd aan het varend personeel van de Krijgsmacht.
Art. 9. Les allocations visées aux articles 6 et 7 ne sont pas octroyées au militaire qui peut prétendre aux allocations visées à l'arrêté royal du 3 avril 2003 relatif au régime des allocations dues au personnel navigant des Forces armées.
HOOFDSTUK III. - De toelagen toegekend aan de militair houder van het militair brevet van duikmeester, van duiker of van hulpduiker.
CHAPITRE III. - Des allocations octroyées au militaire détenteur du brevet militaire de maître-plongeur, de plongeur ou d'aide-plongeur.
Art. 10. § 1. Aan de militair houder van het militair brevet van duikmeester die [2 , in de loop van het vorige kalenderjaar,]2 de prestaties bepaald in § 3 heeft uitgevoerd, wordt er toegekend :
1° wanneer hij een organieke betrekking bekleedt waaraan het verrichten van duikprestaties verbonden is : een toelage van 424 euro;
2° wanneer hij de organieke betrekking bedoeld in 1° niet meer bekleedt : een toelage van 245 euro.
Aan de militair houder van het militair brevet van duiker die, in de loop van het vorige kalenderjaar, de prestaties bepaald in § 3 heeft uitgevoerd, wordt er toegekend :
1° wanneer hij een organieke betrekking bekleedt waaraan het verrichten van duikprestaties verbonden is : een toelage van 424 euro;
2° wanneer hij de organieke betrekking bedoeld in 1° niet meer bekleedt : een toelage van 245 euro.
Aan de militair houder van het militair brevet van hulpduiker die een organieke betrekking bekleedt [2 waaraan het verrichten van duikprestaties verbonden is en die, in de loop van het vorige kalenderjaar,]2 de prestaties bepaald in § 3 heeft uitgevoerd, wordt er een toelage van 110 euro toegekend.
De toelagen bedoeld in de eerste, tweede en derde lid, kunnen niet onderling worden gecumuleerd.
§ 2. De toelage bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, en tweede lid, 2°, kan gedurende de periode van maximum vier jaar die volgt op de periode bedoeld, naargelang het geval, in het eerste lid, 1°, of in het tweede lid, 1°, toegekend worden.
§ 3. De prestaties bedoeld in § 1 zijn :
1° voor de militair bedoeld in § 1, eerste en tweede lid : tweeënzeventig duikprestaties, waarvan zes op een diepte van meer dan vijfentwintig meter;
2° voor de militair bedoeld in § 1, derde lid : achtenveertig duikprestaties.
De Minister van [1 Defensie]1 bepaalt de voorwaarden waaraan een duikprestatie dient te voldoen om als dusdanig beschouwd te worden in de zin van dit besluit.
Art. 10. § 1er. Au militaire détenteur du brevet militaire de maître-plongeur qui [1 , au cours de l'année civile précédente,]1 a effectué les prestations fixées au § 3, il est octroyé :
1° lorsqu'il occupe un emploi organique impliquant l'exécution de prestations de plongée : une allocation de 424 euros;
2° lorsqu'il n'occupe plus l'emploi organique visée au 1° : une allocation de 245 euros.
Au militaire détenteur du brevet militaire de plongeur qui, au cours de l'année civile précédente, a effectué les prestations fixées au § 3, il est octroyé :
1° lorsqu'il occupe un emploi organique impliquant l'exécution de prestations de plongée : une allocation de 424 euros;
2° lorsqu'il n'occupe plus l'emploi organique visée au 1° : une allocation de 245 euros.
Au militaire détenteur du brevet militaire d'aide-plongeur qui occupe un emploi organique [1 impliquant l'exécution de prestations de plongée et qui, au cours de l'année civile précédente,]1 a effectué les prestations fixées au § 3, il est octroyé une allocation de 110 euros.
Les allocations visées aux alinéas 1er, 2 et 3, ne peuvent pas être cumulées entre elles.
§ 2. L'allocation visée au § 1er, alinéa 1er, 2°, et alinéa 2, 2°, peut être accordée pendant la période de maximum quatre ans qui suit la période visée, selon le cas, à l'alinéa 1er, 1°, ou à l'alinéa 2, 1°.
§ 3. Les prestations visées au § 1er sont :
1° pour le militaire visé au § 1er, alinéa 1er et 2 : septante-deux prestations de plongée, dont six à une profondeur de plus de vingt-cinq mètres;
2° pour le militaire visé au § 1er, alinéa 3 : quarante-huit prestations de plongée.
Le Ministre de la Défense fixe les conditions auxquelles doit répondre une prestation de plongée afin d'être considérée comme telle au sens du présent arrêté.
HOOFDSTUK IV. - De toelagen toegekend aan de militair houder van een militair brevet van specialist in opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen.
CHAPITRE IV. - Des allocations octroyées au militaire détenteur d'un brevet militaire de spécialiste en enlèvement et destruction d'engins explosifs.
Art. 11. § 1. Aan de militair houder van een militair brevet van specialist in opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen die, in de loop van het vorige kalenderjaar, de prestaties bepaald in § 2 heeft uitgevoerd, wordt er toegekend :
1° wanneer hij [2 ...]2 een organieke betrekking bekleedt waaraan het verrichten van prestaties van opruiming of vernietiging van ontploffingstuigen verbonden is :
a) indien hij houder is van het brevet niveau officier (GU011) of van het brevet hoger niveau (GU323) : een toelage van 603 euro;
b) indien hij houder is van het brevet middenniveau (GU401) of van het brevet basisniveau (GU811) : een toelage van 558 euro;
[2 ...]2
3° wanneer hij één van de organieke betrekkingen bedoeld in 1° [2 ...]2° niet meer bekleedt : een toelage van 245 euro.
De toelage bedoeld in het eerste lid, 3°, kan gedurende de periode van maximum vier jaar die volgt op de periode bedoeld [2 in 1°]2 toegekend worden.
§ 2. De prestaties bedoeld in § 1, eerste lid, zijn tien prestaties van opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen.
De Minister van [1 Defensie]1 bepaalt de voorwaarden waaraan een prestatie van opruiming of vernietiging van ontploffingstuigen dient te voldoen om als dusdanig beschouwd te worden in de zin van dit besluit.
Art. 11. § 1er. Au militaire détenteur d'un brevet militaire de spécialiste en enlèvement et destruction d'engins explosifs qui, au cours de l'année civile précédente, a effectué les prestations fixées au § 2, il est octroyé :
1° lorsqu'il occupe [1 ...]1 un emploi organique impliquant l'exécution de prestations d'enlèvement ou de destruction d'engins explosifs :
a) s'il est détenteur du brevet niveau officier (GU011) ou du brevet niveau supérieur (GU323) : une allocation de 603 euros;
b) s'il est détenteur du brevet niveau moyen (GU401) ou du brevet niveau élémentaire (GU811) : une allocation de 558 euros;
[1 ...]1
3° lorsqu'il n'occupe plus une des fonctions organiques visées au 1° [1 ...]1 : une allocation de 245 euros.
L'allocation visée à l'alinéa 1er, 3°, peut être accordée pendant la période de maximum quatre ans qui suit la période visée [1 au 1°]1.
§ 2. Les prestations visées au § 1er, alinéa 1er, sont dix prestations d'enlèvement ou de destruction d'engins explosifs.
Le Ministre de la Défense fixe les conditions auxquelles doit répondre une prestation d'enlèvement ou de destruction d'engins explosifs afin d'être considérée comme telle au sens du présent arrêté.
HOOFDSTUK V. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions modificatives et abrogatoires.
Art. 12. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de Krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het departement van landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 november 2002, wordt vervangen als volgt :
" De toelagen bedoeld in tabel 4 van de bijlage bij dit besluit worden evenwel niet toegekend uit hoofde van de uitvoering van de prestaties vereist voor de toekenning van :
1° de toelagen bedoeld in het koninklijk besluit van 3 april 2003 houdende het stelsel der toelagen verschuldigd aan het varend personeel van de Krijgsmacht;
2° de toelagen bedoeld in het koninklijk besluit van 20 december 2007 houdende toekenning van toelagen aan de militairen die houder zijn van bepaalde kwalificaties;
3° de toelagen bedoeld in het koninklijk besluit van 20 december 2007 houdende toekenning van toelagen aan de militairen die bepaalde prestaties van opruiming, van vernietiging of van ontmanteling van ontploffingstuigen uitvoeren. " ;
2° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 12. A l'article 2 de l'arrêté royal du 21 janvier 1971 relatif à l'octroi d'allocations aux membres des Forces armées, ainsi qu'à certains membres civils du département de la Défense nationale, pour certains travaux ou prestations qui revêtent un caractère spécialement dangereux ou insalubre, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 2, inséré par l'arrêté royal du 11 novembre 2002, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Toutefois, les allocations visées au tableau 4 de l'annexe au présent arrêté, ne seront pas octroyées du chef de l'exécution des prestations requises pour l'obtention :
1° des allocations visées à l'arrêté royal du 3 avril 2003 relatif au régime des allocations dues au personnel navigant des Forces armées;
2° des allocations visées à l'arrêté royal du 20 décembre 2007 portant attribution d'allocations aux militaires détenteurs de certaines qualifications;
3° des allocations visées à l'arrêté royal du 20 décembre 2007 portant attribution d'allocations aux militaires effectuant certaines prestations d'enlèvement, de destruction ou de démantèlement d'engins explosifs. " ;
2° l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 13. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 23 maart 1961 betreffende de toelage aan militairen die de opleiding tot parachutist hebben ontvangen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 1970, 5 oktober 1972, 1 maart 1977, 11 juni 1981, 15 maart 1988, 21 maart 1991, 11 augustus 1994 en 22 november 1999;
2° het koninklijk besluit van 8 februari 2001 houdende toekenning van een duiktoelage aan het militair personeel van de Krijgsmacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 februari 2006;
3° het koninklijk besluit van 11 november 2002 houdende toekenning van toelagen aan de specialisten in opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen van de krijgsmacht en houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard;
4° het ministerieel besluit van 10 juni 1964 genomen in uitvoering van het koninklijk besluit van 23 maart 1961 betreffende de toelage aan militairen die de opleiding tot parachutist hebben ontvangen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 11 juni 1981 en bij het koninklijk besluit van 22 november 1999.
Art. 13. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 23 mars 1961 relatif à l'allocation accordée aux militaires ayant reçu l'instruction de parachutiste, modifié par les arrêtés royaux des 10 février 1970, 5 octobre 1972, 1er mars 1977, 11 juin 1981, 15 mars 1988, 21 mars 1991, 11 août 1994 et 22 novembre 1999;
2° l'arrêté royal du 8 février 2001 portant attribution d'une allocation de plongée au personnel militaire des Forces armées, modifié par l'arrêté royal du 22 février 2006;
3° l'arrêté royal du 11 novembre 2002 portant attribution d'allocations aux spécialistes en enlèvement et destruction d'engins explosifs des forces armées, et modifiant l'arrêté royal du 21 janvier 1971 relatif à l'octroi d'allocations aux membres des forces armées ainsi qu'à certains membres civils du département de la Défense nationale, pour certains travaux ou prestations qui revêtent un caractère spécialement dangereux ou insalubre;
4° l'arrêté ministériel du 10 juin 1964 pris en exécution de l'arrêté royal du 23 mars 1961 relatif à l'allocation accordée aux militaires ayant reçu l'instruction de parachutiste, modifié par l'arrêté ministériel du 11 juin 1981 et par l'arrêté royal du 22 novembre 1999.
HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions transitoires et finales.
Art. 14. Bij wijze van overgangsmaatregel :
1° worden de prestaties uitgevoerd in 2007 die voldoen aan de voorwaarden bepaald in dit besluit of bepaald in uitvoering van dit besluit, in aanmerking genomen voor de toekenning in 2008 van de toelagen bedoeld in dit besluit;
2° blijven in 2008 toepasselijk op de militair die geen aanspraak kan maken op de toelagen bedoeld in dit besluit omdat hij alle of een gedeelte van de vereiste prestaties, bepaald in dit besluit of bepaald in uitvoering van dit besluit, nog niet heeft uitgevoerd, de bepalingen bedoeld, naargelang het geval, in :
a) het koninklijk besluit van 23 maart 1961 betreffende de toelage aan militairen die de opleiding tot parachutist hebben ontvangen;
b) het koninklijk besluit van 8 februari 2001 houdende toekenning van een duiktoelage aan het militair personeel van de Krijgsmacht;
c) het artikel 1, § 1, en de artikelen 2, 3, 6 en 7, van het koninklijk besluit van 11 november 2002 houdende toekenning van toelagen aan de specialisten in opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen van de Krijgsmacht en houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de Krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard;
3° in afwijking van artikel 3, § 2, tweede lid, worden al de prestaties uitgevoerd in 2008 die voldoen aan de voorwaarden bepaald in dit besluit of bepaald in uitvoering van dit besluit, in aanmerking genomen voor de toekenning in 2009 van de toelagen bedoeld in dit besluit;
4° in afwijking van artikel 6, § 1, tweede lid, van artikel 10, § 2, en van artikel 11, § 1, tweede lid, vangt voor de militair die, op 1 januari 2008, geen organieke betrekking meer bekleedt bedoeld in artikel 6, § 1, eerste lid, 1°, in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, of tweede lid, 1°, of in artikel 11, § 1, eerste lid, 1° of 2°, de periode van maximum vier jaar aan op 1 januari 2008.
Art. 14. Par mesure transitoire :
1° les prestations effectuées en 2007 qui répondent aux conditions fixées au présent arrêté ou fixées en exécution du présent arrêté, sont prises en considération pour l'octroi en 2008 des allocations visées au présent arrêté;
2° en 2008, restent applicables au militaire qui ne peut pas prétendre aux allocations visées au présent arrêté parce qu'il n'a pas encore effectué tout ou partie des prestations requises, fixées au présent arrêté ou fixées en exécution du présent arrêté, les dispositions visées, selon le cas, à :
a) l'arrêté royal du 23 mars 1961 relatif à l'allocation accordée aux militaires ayant reçu l'instruction de parachutiste;
b) l'arrêté royal du 8 février 2001 portant attribution d'une allocation de plongée au personnel militaire des Forces armées;
c) l'article 1er, § 1er, et les articles 2, 3, 6 et 7, de l'arrêté royal du 11 novembre 2002 portant attribution d'allocations aux spécialistes en enlèvement et destruction d'engins explosifs des Forces armées, et modifiant l'arrêté royal du 21 janvier 1971 relatif à l'octroi d'allocations aux membres des Forces armées ainsi qu'à certains membres civils du département de la Défense nationale, pour certains travaux ou prestations qui revêtent un caractère spécialement dangereux ou insalubre;
3° en dérogation à l'article 3, § 2, alinéa 2, toutes les prestations effectuées en 2008 qui répondent aux conditions fixées au présent arrêté ou fixées en exécution du présent arrêté, sont prises en considération pour l'octroi en 2009 des allocations visées au présent arrêté;
4° en dérogation à l'article 6, § 1er, alinéa 2, à l'article 10, § 2, et à l'article 11, § 1er, alinéa 2, pour le militaire qui, le 1er janvier 2008, n'est plus dans un emploi organique visée à l'article 6, § 1er, alinéa 1er, 1°, à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, ou alinéa 2, 1°, ou à l'article 11, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 2°, la période de maximum quatre ans débute le 1er janvier 2008.
Art. 15. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2008.
Art. 15. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2008.
Art. 16. Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 16. Notre Ministre de la Défense est chargé de l'exécution du présent arrêté.