Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 JUNI 2008. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van sommige besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot tijdelijke projecten in het basisonderwijs en secundair onderwijs (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij DVR2008-07-10/55, art. 2)
Titre
27 JUIN 2008. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant certains arrêtés du Gouvernement flamand relatifs aux projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire. (Traduction) (NOTE : Confirmé avec effet à la date de son entréee en vigueur par DCFL2008-07-10/55, art. 2)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs.
CHAPITRE Ier. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire.
Artikel 1. In het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs worden in artikel 2, § 1, na de woorden " de volgende personen " de woorden " , hierna de projectverantwoordelijken genoemd " toegevoegd.
Article 1. Dans l'article 2, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire, les mots " , dénommées ci-après les responsables de projet " sont ajoutés après les mots " des personnes suivantes ".
Art. 2. In hetzelfde besluit wordt het vierde lid van artikel 12, § 1, opgeheven.
Art. 2. Dans le même arrêté, le quatrième alinéa de l'article 12, § 1er, est supprimé.
Art. 3. In hetzelfde besluit wordt een artikel 15bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 15bis. § 1. Onder de volgende voorwaarden kunnen de tijdelijke projecten door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd gedurende de schooljaren 2008-2009 tot en met 2010-2011. In voorkomend geval moet de datum waarop dit besluit ophoudt van kracht te zijn, vermeld in artikel 28, als 31 augustus 2011 worden gelezen.
De stuurgroep, vermeld in artikel 9, formuleert een voorstel tot verlenging van een tijdelijk project op basis van een aanvraag van de projectverantwoordelijken.
Bij het formuleren van dat voorstel hanteert de stuurgroep in elk geval de volgende gezamenlijke criteria :
1° de mate waarin het tijdelijke project tijdens de eerste drie projectjaren de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd en verwezenlijkt;
2° de mate van relevante beleidsinformatie die het tijdelijke project reeds heeft opgeleverd en de verwachtingen over relevante beleidsinformatie die het tijdelijke project bij projectverlenging kan genereren;
3° de noodzaak om de gestage talentontwikkeling van leerlingen over een meer gespreide periode te monitoren en er meer gegevensmateriaal over te verzamelen.
§ 2. In geval van verlenging :
1° worden de extra betrekkingen, vermeld in artikel 5 of 8, naargelang van het geval, verder toegekend;
2° blijft de mogelijkheid tot aanstelling van de personeelsleden, vermeld in artikel 10, § 1, behouden;
3° blijft de mogelijkheid tot aanstelling, respectievelijk bij de pedagogische begeleidingsdiensten van het Gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs, van de personeelsleden, vermeld in artikel 10, § 2, behouden, tenzij het onderwijsnet in kwestie niet meer bij de tijdelijke projecten is betrokken;
4° kunnen de projectverantwoordelijken steeds beslissen om bij het einde van het schooljaar 2008-2009 of 2009-2010 het tijdelijke project vroegtijdig te beëindigen.
§ 3. In geval van niet-verlenging zullen de onderwijsinstellingen die aan een tijdelijk project hebben deelgenomen, in voorkomend geval de curricula van leerlingen verder organiseren op basis van aan dat project verleende afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen, in die zin dat aan die leerlingen rechtszekerheid wordt geboden dat desbetreffende curricula binnen een normaal tijdsbestek tot een eindstudiebewijs kunnen leiden. "
" Art. 15bis. § 1. Onder de volgende voorwaarden kunnen de tijdelijke projecten door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd gedurende de schooljaren 2008-2009 tot en met 2010-2011. In voorkomend geval moet de datum waarop dit besluit ophoudt van kracht te zijn, vermeld in artikel 28, als 31 augustus 2011 worden gelezen.
De stuurgroep, vermeld in artikel 9, formuleert een voorstel tot verlenging van een tijdelijk project op basis van een aanvraag van de projectverantwoordelijken.
Bij het formuleren van dat voorstel hanteert de stuurgroep in elk geval de volgende gezamenlijke criteria :
1° de mate waarin het tijdelijke project tijdens de eerste drie projectjaren de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd en verwezenlijkt;
2° de mate van relevante beleidsinformatie die het tijdelijke project reeds heeft opgeleverd en de verwachtingen over relevante beleidsinformatie die het tijdelijke project bij projectverlenging kan genereren;
3° de noodzaak om de gestage talentontwikkeling van leerlingen over een meer gespreide periode te monitoren en er meer gegevensmateriaal over te verzamelen.
§ 2. In geval van verlenging :
1° worden de extra betrekkingen, vermeld in artikel 5 of 8, naargelang van het geval, verder toegekend;
2° blijft de mogelijkheid tot aanstelling van de personeelsleden, vermeld in artikel 10, § 1, behouden;
3° blijft de mogelijkheid tot aanstelling, respectievelijk bij de pedagogische begeleidingsdiensten van het Gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs, van de personeelsleden, vermeld in artikel 10, § 2, behouden, tenzij het onderwijsnet in kwestie niet meer bij de tijdelijke projecten is betrokken;
4° kunnen de projectverantwoordelijken steeds beslissen om bij het einde van het schooljaar 2008-2009 of 2009-2010 het tijdelijke project vroegtijdig te beëindigen.
§ 3. In geval van niet-verlenging zullen de onderwijsinstellingen die aan een tijdelijk project hebben deelgenomen, in voorkomend geval de curricula van leerlingen verder organiseren op basis van aan dat project verleende afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen, in die zin dat aan die leerlingen rechtszekerheid wordt geboden dat desbetreffende curricula binnen een normaal tijdsbestek tot een eindstudiebewijs kunnen leiden. "
Art. 3. Dans le même arrêté, il est inséré un article 15bis, rédigé comme suit :
" Art. 15bis. § 1er. Aux conditions suivantes, les projets temporaires peuvent être prolongés une fois par le Gouvernement flamand pendant les années scolaires 2008-2009 à 2010-2011 inclus. Le cas échéant, la date à laquelle le présent arrête cesse de produire ses effets, visée à l'article 28, doit être lue comme le 31 août 2011.
Le comité directeur, visé à l'article 9, formule une proposition de prolongation d'un projet temporaire à la demande des responsables de projet.
Pour formuler cette proposition, le comité directeur utilise en tout cas les critères communs suivants :
1° la mesure dans laquelle le projet temporaire a cherché à atteindre et a atteint les objectifs fixés pendant les trois premières années de projet;
2° la quantité d'informations politiques pertinentes déjà générées par le projet temporaire et les attentes quant aux informations politiques pertinentes que le projet temporaire peut générer lors d'une prolongation de projet;
3° la nécessité d'assurer le suivi du développement, chez l'élève, de talents sur une période plus étalée et de compiler plus de données à ce sujet.
§ 2. Dans le cas d'une prolongation :
1° les emplois supplémentaires, visés aux articles 5 ou 8, le cas échéant, continuent à être attribués;
2° la possibilité de désignation des personnels, visés à l'article 10, § 1er, est maintenue;
3° la possibilité de désignation, respectivement chez les services d'encadrement pédagogique de l'Enseignement communautaire, de l'enseignement officiel subventionné et de l'enseignement libre subventionné, des personnels, visés à l'article 10, § 2, est maintenue sauf si le réseau d'enseignement en question n'est plus impliqué dans les projets temporaires;
4° les responsables de projet peuvent toujours décider de terminer prématurément le projet temporaire au terme de l'année scolaire 2008-2009 ou 2009-2010.
§ 3. Dans le cas d'une non-prolongation, les établissements d'enseignement ayant participé dans un projet temporaire, continueront à organiser, le cas échéant, les programmes d'études des élèves sur la base des dérogations accordées à ce projet des dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur, de manière à ce que la sécurité juridique soit assurée à ces élèves que les programmes d'études concernés conduisent, dans un délai normal, à un certificat de fin d'études. "
" Art. 15bis. § 1er. Aux conditions suivantes, les projets temporaires peuvent être prolongés une fois par le Gouvernement flamand pendant les années scolaires 2008-2009 à 2010-2011 inclus. Le cas échéant, la date à laquelle le présent arrête cesse de produire ses effets, visée à l'article 28, doit être lue comme le 31 août 2011.
Le comité directeur, visé à l'article 9, formule une proposition de prolongation d'un projet temporaire à la demande des responsables de projet.
Pour formuler cette proposition, le comité directeur utilise en tout cas les critères communs suivants :
1° la mesure dans laquelle le projet temporaire a cherché à atteindre et a atteint les objectifs fixés pendant les trois premières années de projet;
2° la quantité d'informations politiques pertinentes déjà générées par le projet temporaire et les attentes quant aux informations politiques pertinentes que le projet temporaire peut générer lors d'une prolongation de projet;
3° la nécessité d'assurer le suivi du développement, chez l'élève, de talents sur une période plus étalée et de compiler plus de données à ce sujet.
§ 2. Dans le cas d'une prolongation :
1° les emplois supplémentaires, visés aux articles 5 ou 8, le cas échéant, continuent à être attribués;
2° la possibilité de désignation des personnels, visés à l'article 10, § 1er, est maintenue;
3° la possibilité de désignation, respectivement chez les services d'encadrement pédagogique de l'Enseignement communautaire, de l'enseignement officiel subventionné et de l'enseignement libre subventionné, des personnels, visés à l'article 10, § 2, est maintenue sauf si le réseau d'enseignement en question n'est plus impliqué dans les projets temporaires;
4° les responsables de projet peuvent toujours décider de terminer prématurément le projet temporaire au terme de l'année scolaire 2008-2009 ou 2009-2010.
§ 3. Dans le cas d'une non-prolongation, les établissements d'enseignement ayant participé dans un projet temporaire, continueront à organiser, le cas échéant, les programmes d'études des élèves sur la base des dérogations accordées à ce projet des dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur, de manière à ce que la sécurité juridique soit assurée à ces élèves que les programmes d'études concernés conduisent, dans un délai normal, à un certificat de fin d'études. "
HOOFDSTUK II. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2007 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren.
CHAPITRE II. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2007 relatif à l'organisation de projets temporaires sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail.
Art. 4. In het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2007 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren worden in artikel 4, eerste lid, tussen het woord " betrokken " en het woord " uiterlijk " de woorden " , hierna de projectverantwoordelijken genoemd " ingevoegd.
Art. 4. Dans l'article 4, premier alinéa, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2007 relatif à l'organisation de projets temporaires sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail, les mots " , dénommés ci-après les responsables de projet " sont insérés entre le mot " projet " et le mot " introduisent ".
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een artikel 18bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 18bis. § 1. Onder de volgende voorwaarden kunnen de tijdelijke projecten door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd gedurende de schooljaren 2010-2011 tot en met 2012-2013. In voorkomend geval moet de datum waarop dit besluit ophoudt van kracht te zijn, vermeld in artikel 19, als 31 augustus 2013 worden gelezen.
De stuurgroep, vermeld in artikel 13, formuleert een voorstel tot verlenging van een tijdelijk project op basis van een aanvraag van de projectverantwoordelijken.
Bij het formuleren van dat voorstel hanteert de stuurgroep in elk geval de volgende gezamenlijke criteria :
1° de mate waarin het tijdelijke project tijdens de eerste drie projectjaren de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd en verwezenlijkt;
2° de mate van relevante beleidsinformatie die het tijdelijke project reeds heeft opgeleverd en de verwachtingen over relevante beleidsinformatie die het tijdelijke project bij projectverlenging kan genereren;
3° de noodzaak om de gestage talentontwikkeling van leerlingen over een meer gespreide periode te monitoren en er meer gegevensmateriaal over te verzamelen.
§ 2. In geval van verlenging :
1° worden de extra betrekkingen, vermeld in artikel 9, verder toegekend;
2° blijft de mogelijkheid tot aanstelling, respectievelijk bij de pedagogische begeleidingsdiensten van het Gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs, van de personeelsleden, vermeld in artikel 14, behouden, tenzij het onderwijsnet in kwestie niet meer bij de tijdelijke projecten is betrokken;
3° blijft de mogelijkheid tot aanstelling van het personeelslid, vermeld in artikel 15, behouden;
4° kunnen de projectverantwoordelijken steeds beslissen om bij het einde van het schooljaar 2010-2011 of 2011-2012 het tijdelijke project vroegtijdig te beëindigen.
§ 3. In geval van niet-verlenging zullen de onderwijsinstellingen die aan een tijdelijk project hebben deelgenomen, in voorkomend geval de curricula van leerlingen verder organiseren op basis van aan dat project verleende afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen, in die zin dat aan die leerlingen rechtszekerheid wordt geboden dat desbetreffende curricula binnen een normaal tijdsbestek tot een eindstudiebewijs kunnen leiden. "
" Art. 18bis. § 1. Onder de volgende voorwaarden kunnen de tijdelijke projecten door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd gedurende de schooljaren 2010-2011 tot en met 2012-2013. In voorkomend geval moet de datum waarop dit besluit ophoudt van kracht te zijn, vermeld in artikel 19, als 31 augustus 2013 worden gelezen.
De stuurgroep, vermeld in artikel 13, formuleert een voorstel tot verlenging van een tijdelijk project op basis van een aanvraag van de projectverantwoordelijken.
Bij het formuleren van dat voorstel hanteert de stuurgroep in elk geval de volgende gezamenlijke criteria :
1° de mate waarin het tijdelijke project tijdens de eerste drie projectjaren de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd en verwezenlijkt;
2° de mate van relevante beleidsinformatie die het tijdelijke project reeds heeft opgeleverd en de verwachtingen over relevante beleidsinformatie die het tijdelijke project bij projectverlenging kan genereren;
3° de noodzaak om de gestage talentontwikkeling van leerlingen over een meer gespreide periode te monitoren en er meer gegevensmateriaal over te verzamelen.
§ 2. In geval van verlenging :
1° worden de extra betrekkingen, vermeld in artikel 9, verder toegekend;
2° blijft de mogelijkheid tot aanstelling, respectievelijk bij de pedagogische begeleidingsdiensten van het Gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs, van de personeelsleden, vermeld in artikel 14, behouden, tenzij het onderwijsnet in kwestie niet meer bij de tijdelijke projecten is betrokken;
3° blijft de mogelijkheid tot aanstelling van het personeelslid, vermeld in artikel 15, behouden;
4° kunnen de projectverantwoordelijken steeds beslissen om bij het einde van het schooljaar 2010-2011 of 2011-2012 het tijdelijke project vroegtijdig te beëindigen.
§ 3. In geval van niet-verlenging zullen de onderwijsinstellingen die aan een tijdelijk project hebben deelgenomen, in voorkomend geval de curricula van leerlingen verder organiseren op basis van aan dat project verleende afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen, in die zin dat aan die leerlingen rechtszekerheid wordt geboden dat desbetreffende curricula binnen een normaal tijdsbestek tot een eindstudiebewijs kunnen leiden. "
Art. 5. Dans le même arrêté, il est inséré un article 18bis, rédigé comme suit :
" Art. 18bis. § 1er. Aux conditions suivantes, les projets temporaires peuvent être prolongés une fois par le Gouvernement flamand pendant les années scolaires 2010-2011 à 2012-2013 inclus. Le cas échéant, la date à laquelle le présent arrête cesse de produire ses effets, visée à l'article 19, doit être lue comme le 31 août 2013.
Le comité directeur, visé à l'article 13, formule une proposition de prolongation d'un projet temporaire à la demande des responsables de projet.
Pour formuler cette proposition, le comité directeur utilise en tout cas les critères communs suivants :
1° la mesure dans laquelle le projet temporaire a cherché à atteindre et a atteint les objectifs fixés pendant les trois premières années de projet;
2° la quantité d'informations politiques pertinentes collectées à partir du projet temporaire et les attentes quant aux informations politiques pertinentes que le projet temporaire peut générer lors d'une prolongation de projet;
3° la nécessité d'assurer le suivi du développement, chez l'élève, de talents sur une période plus étalée et de compiler plus de données à ce sujet.
§ 2. Dans le cas d'une prolongation :
1° les emplois supplémentaires, visés à l'article 9, continuent à être attribués;
2° la possibilité de désignation, respectivement chez les services d'encadrement pédagogique de l'Enseignement communautaire, de l'enseignement officiel subventionné et de l'enseignement libre subventionné, des personnels, visés à l'article 14, est maintenue sauf si le réseau d'enseignement en question n'est plus impliqué dans les projets temporaires;
3° la possibilité de désignation du membre du personnel, visé à l'article 15, est maintenue;
4° les responsables de projet peuvent toujours décider de terminer prématurément le projet temporaire au terme de l'année scolaire 2010-2011 ou 2011-2012.
§ 3. Dans le cas d'une non-prolongation, les établissements d'enseignement qui ont participé dans un projet temporaire, continueront à organiser, le cas échéant, les programmes d'études des élèves sur la base des dérogations accordées à ce projet des dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur, de manière à ce que la sécurité juridique soit assurée à ces élèves que les programmes d'études concernés conduisent à un certificat de fin d'études dans un délai normal. "
" Art. 18bis. § 1er. Aux conditions suivantes, les projets temporaires peuvent être prolongés une fois par le Gouvernement flamand pendant les années scolaires 2010-2011 à 2012-2013 inclus. Le cas échéant, la date à laquelle le présent arrête cesse de produire ses effets, visée à l'article 19, doit être lue comme le 31 août 2013.
Le comité directeur, visé à l'article 13, formule une proposition de prolongation d'un projet temporaire à la demande des responsables de projet.
Pour formuler cette proposition, le comité directeur utilise en tout cas les critères communs suivants :
1° la mesure dans laquelle le projet temporaire a cherché à atteindre et a atteint les objectifs fixés pendant les trois premières années de projet;
2° la quantité d'informations politiques pertinentes collectées à partir du projet temporaire et les attentes quant aux informations politiques pertinentes que le projet temporaire peut générer lors d'une prolongation de projet;
3° la nécessité d'assurer le suivi du développement, chez l'élève, de talents sur une période plus étalée et de compiler plus de données à ce sujet.
§ 2. Dans le cas d'une prolongation :
1° les emplois supplémentaires, visés à l'article 9, continuent à être attribués;
2° la possibilité de désignation, respectivement chez les services d'encadrement pédagogique de l'Enseignement communautaire, de l'enseignement officiel subventionné et de l'enseignement libre subventionné, des personnels, visés à l'article 14, est maintenue sauf si le réseau d'enseignement en question n'est plus impliqué dans les projets temporaires;
3° la possibilité de désignation du membre du personnel, visé à l'article 15, est maintenue;
4° les responsables de projet peuvent toujours décider de terminer prématurément le projet temporaire au terme de l'année scolaire 2010-2011 ou 2011-2012.
§ 3. Dans le cas d'une non-prolongation, les établissements d'enseignement qui ont participé dans un projet temporaire, continueront à organiser, le cas échéant, les programmes d'études des élèves sur la base des dérogations accordées à ce projet des dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur, de manière à ce que la sécurité juridique soit assurée à ces élèves que les programmes d'études concernés conduisent à un certificat de fin d'études dans un délai normal. "
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2007 houdende goedkeuring van de geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren.
CHAPITRE III. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2007 portant approbation des projets temporaires sélectionnés sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail.
Art. 6. In het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2007 houdende goedkeuring van de geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren wordt een artikel 3bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 3bis. § 1. In § 2 tot en met § 4 staat een exhaustieve opsomming van alle mogelijke afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen binnen de tijdelijke projecten met een motivatie.
§ 2. Voor de scholen en leerlingen van het basisonderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 20, § 2, 2°, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het deelnemen aan onderwijsactiviteiten in andere scholen binnen hetzelfde project, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of die de leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. In voorkomend geval blijft het principe gelden dat een leerling slechts in één school ingeschreven kan zijn;
2° in afwijking van artikel 153sexies, § 3, § 4 en § 5, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het overdragen van de puntenenveloppen om een zorgbeleid te voeren, en om ICT-ondersteuning en administratieve ondersteuning te bieden, van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs binnen hetzelfde project. Punten die worden overgedragen, moeten worden geput uit het aantal punten dat in aanmerking komt voor overdracht naar de scholengemeenschap. Die punten kunnen in het secundair onderwijs aangewend worden voor ondersteunend personeel als vermeld in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen biedt de gelegenheid de opgebouwde expertise van elke afzonderlijke instelling ten voordele van het leer- en opvoedingsproces van de jongere te benutten.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : de rol van het ondersteunend personeel kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten van het beleids- en ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het basis- naar het secundair onderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
§ 3. Voor de scholen en leerlingen van het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximumaantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs, en van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 met betrekking tot de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 : het niet-opleggen van een maximumaantal wekelijkse lestijden per structuuronderdeel voor financiering of subsidiëring;
2° in afwijking van artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, en van artikel 4, § 2, en artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het laten volgen van lessen door leerlingen in andere onderwijsinstellingen die aan hetzelfde project deelnemen, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement en na instemming van de betrokken leraars van de andere onderwijsinstellingen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze niet tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve raadgevend in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
c) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze wel tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve stemgerechtigd in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
3° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het flexibel, al dan niet leerjaaroverschrijdend, invullen of differentiëren van wekelijkse lessentabellen bij periode, leerlingengroep of individuele leerling, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad voor leerlingen een gunstige beslissing heeft genomen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) moeten de leerplandoelstellingen bereikbaar blijven;
4° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van een bepaald structuuronderdeel, dat al dan niet wordt overgezeten, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt omdat de leerling al geslaagd is voor die programmaonderdelen in het secundair onderwijs. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
5° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
6° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het spreiden van het programma in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, over twee schooljaren. In voorkomend geval :
a) wordt na het eerste schooljaar alleen een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt;
b) wordt voor de normering inzake financiering of subsidiëring, rationalisatie en programmatie de leerling elk schooljaar voor een halve eenheid in aanmerking genomen;
7° in afwijking van artikel 49, 1°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het uitbreiden van de tweejarige structuur van de eerste graad naar een driejarige structuur, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement. In voorkomend geval :
a) is voor inschrijving, elk schooljaar opnieuw en telkens na kennisname van het gemotiveerde advies van de toelatingsklassenraad, het voorafgaande schriftelijke akkoord vereist van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
b) wordt het derde leerjaar geacht zich te bevinden op het niveau van het tweede leerjaar van de eerste graad, dat is opgebouwd uit basisopties;
c) wordt het oriënteringsattest van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede respectievelijk het derde leerjaar als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, op het einde van het eerste leerjaar een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt;
e) wordt aan elke leerling op het einde van het derde leerjaar een getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs uitgereikt, samen met een oriënteringsattest A of B;
f) beslist de delibererende klassenraad van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de eerste graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder toepassing van de afwijkende regeling valt;
8° in afwijking van artikel 50 van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het invoeren, ongeacht de graad, de onderwijsvorm of het structuuronderdeel, van aspecten van modulaire onderwijsinrichting zoals die door de decreet- of regelgever worden vastgelegd;
9° in afwijking van artikel 51, laatste gedachtestreepje, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990, en van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het organiseren van een tweede onthaaljaar, voorbehouden aan leerlingen die het eerste onthaaljaar hebben gevolgd. In voorkomend geval :
a) omvat de wekelijkse lessentabel maximaal vierendertig lestijden, waaronder :
1) twee lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer, eigen cultuur en religie of cultuurbeschouwing (de laatste twee vakken zijn voorbehouden aan het vrij onderwijs);
2) minstens acht lestijden Nederlands voor nieuwkomers.
De overige lestijden worden door de klassenraad ingevuld afhankelijk van de individuele leerling;
b) vindt de studiebekrachtiging plaats naar analogie van de studiebekrachtiging in een leerjaar van de eerste graad, afhankelijk van de individuele leerling;
c) worden geen specifieke uren-leraar toegekend;
d) wordt voor de toepassing van alle andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen het tweede onthaaljaar gelijkgesteld aan het eerste onthaaljaar;
10° in afwijking van artikel 53, § 1, en artikel 54, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het niet-koppelen van de respectieve basisvormingen van de eerste graad aan een minimumaantal wekelijkse lestijden;
11° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het aanwenden van uren-leraar voor de aanwerving van voordrachtgevers ten belope van maximaal 5 % van het voor de onderwijsinstelling beschikbare pakket uren-leraar. In voorkomend geval wordt de vergoeding van die voordrachtgevers geregeld conform de bepalingen, vigerend in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
12° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het realiseren van wekelijkse lessentabellen, met eventuele vakkenintegratie, op basis van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald in de vorm van bijzondere pedagogische taken;
13° in afwijking van artikel 7, § 1, artikel 28 en 38 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs : het zonder normering programmeren van structuuronderdelen onder bestaande benamingen, nieuwe benamingen of een benaming proeftuin en, met uitzondering van de eerste graad, de rangschikking van die structuuronderdelen binnen de bestaande studiegebieden of in een studiegebied proeftuin. In voorkomend geval :
a) moet het aldus opgerichte structuuronderdeel worden afgebouwd na beëindiging van het tijdelijke project, tenzij andersluidende overheidsbeslissing;
b) wordt, zo het structuuronderdeel een nieuwe benaming of de benaming proeftuin draagt, als leerlingencoëfficiënt binnen de vaststellingsregeling van de lerarenomkadering de coëfficiënt genomen van het structuuronderdeel dat inhoudelijk het dichtst aanleunt bij het geprogrammeerde structuuronderdeel;
14° in afwijking van artikel 98, § 1, en artikel 98bis, § 1, van hetzelfde decreet van 14 juli 1998 : het overdragen van punten ondersteunend personeel van het secundair onderwijs naar het basisonderwijs binnen hetzelfde project. Die punten kunnen in het basisonderwijs aangewend worden voor beleids- en ondersteunend personeel als vermeld in het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;
15° in afwijking van bijlage III bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de studiegebieden en structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs : het organiseren van tweepolige structuuronderdelen in de derde graad van het algemeen secundair onderwijs op basis van alle mogelijke combinaties van bestaande polen;
16° in afwijking van bijlage III tot en met XXXI bij hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 : het herindelen van bestaande structuuronderdelen binnen bestaande studiegebieden;
17° in afwijking van artikel 8, § 4, van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen : het hanteren van leerplannen zonder de vigerende goedkeuringsregeling in aanmerking te nemen;
18° in afwijking van artikel 2, 1°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het definiëren van een anderstalige nieuwkomer als een leerling die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens elf jaar is en anderzijds geen achttien jaar geworden is. In voorkomend geval worden, louter voor de leerlingen die op basis van de vermelde afwijking instromen, geen specifieke uren-leraar toegekend;
19° in afwijking van artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het toelaten als regelmatige leerling tot het eerste leerjaar A zonder het zesde leerjaar van het lager onderwijs te hebben gevolgd mits :
a) de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van screening van de leerling;
b) de personen akkoord gaan die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
20° in afwijking van artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties;
21° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het uitstellen van delibererende klassenraden in de eerste, de tweede, respectievelijk de derde graad tot het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie. In voorkomend geval :
a) wordt het oriënteringsattest van het eerste leerjaar van de graad in kwestie vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede leerjaar van die graad als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt. Bij dat attest wordt de eventuele beslissing van de begeleidende klassenraad gevoegd om in het hogere leerjaar een aangepast leertraject te volgen;
b) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
c) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
22° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot een hoger leerjaar niettegenstaande tekorten voor bepaalde programmaonderdelen, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt in overleg met de delibererende klassenraad van het leerjaar waaruit de leerling komt. In voorkomend geval :
a) moeten de tekorten worden weggewerkt voor het einde van de graad waarbinnen het hogere leerjaar zich bevindt;
b) wordt de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;
c) beslist de delibererende klassenraad van het leerjaar waarin een attest van regelmatige lesbijwoning werd uitgereikt, alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die, zonder dat de tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
23° in afwijking van artikel 56, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het niet-organiseren van een geïntegreerde proef op het einde van het schooljaar mits tijdens het schooljaar permanent geïntegreerd wordt gewerkt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, 2°, 3° en 10°, is de volgende : de flexibele samenstelling van leerprogramma's impliceert de mogelijkheid tot het doorbreken van de rigide indeling in graden, leerjaren, onderwijsvormen, studiegebieden en structuuronderdelen. Flexibiliteit betekent ook de mogelijkheid tot spreiding van studiebelasting en tot alternerende lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen. Door die opportuniteiten moeten persoonlijke talenten, competenties en interesses van leerlingen optimaal tot ontwikkeling kunnen komen, waardoor leermotivatie wordt gestimuleerd. Op die wijze kan een voedingsbodem worden gecreëerd voor een studieloopbaan waarin veelvuldige school- of studieverandering, leerachterstand, zittenblijven en, ten slotte, ongekwalificeerde uitstroom maximaal worden teruggedrongen. Door handhaving van principes, zoals eindtermen, ontwikkelingsdoelen en minimale basisvorming, en door behoud van de reguliere eindstudiebekrachtiging wordt het evenwicht bewaakt tussen een dynamisch en vernieuwend onderwijs op maat enerzijds en onderwijskwaliteit en civiele onderwijseffecten anderzijds.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 4°, is de volgende : het hanteren van een ruimer lokaal vrijstellingenbeleid moet in een efficiëntere en effectievere tijdsbesteding resulteren. Door de lesverstrekking te focussen op programmaonderdelen die voor de betrokken leerling nieuw zijn of remediëring vereisen, kan zijn belangstelling gewekt blijven en kunnen zijn tekorten worden weggewerkt, wat essentiële elementen zijn voor een optimale studieloopbaan.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 5°, 6° en 20°, is de volgende : de specialisatiejaren van de derde graad technisch en kunstsecundair onderwijs worden bevolkt door leerlingen die al gediplomeerd en niet meer leerplichtig zijn. Specialisatiejaren zijn kwalificatieverhogend, worden gewaardeerd door het bedrijfsleven en bevorderen de tewerkstellingsperspectieven. De aantrekkingskracht van die specialiatiejaren verhogen door maatregelen te nemen op het vlak van toeleiding en invulling, maar ook door opleiding én werk combineerbaar te maken, kan positieve effecten sorteren voor (potentiële) werknemers en werkgevers.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 7°, is de volgende : de eerste graad secundair onderwijs is een scharniergraad tussen het lager en secundair onderwijs en belangrijk in de opstap naar en studiekeuze in de hogere leerjaren. Falen in de eerste graad kan structureel negatieve gevolgen hebben voor de verdere studieloopbaan, zodat bij uitstek in die graad preventief opgetreden moet worden. Uitbreiding van twee naar drie leerjaren met doorstroomgarantie moet meer ruimte geven voor leerplanafwerking en individuele opvang en begeleiding en vermijdt het emotioneel geladen zittenblijven.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 8°, is de volgende : door het volledige secundaironderwijslandschap toegankelijk te maken voor modulaire onderwijsaspecten, kan een groei worden gerealiseerd in gekwalificeerde uitstroom, in afstemming op de arbeidsmarkt, in transparantie van het onderwijsaanbod, in tussentijdse succesbelevingen van leerlingen en in hun stimulans tot levenslang leren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 9° en 18°, is de volgende : door de strikte begrenzing weg te nemen dat onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers een eenjarige opleiding is en voorbehouden aan plus 12-jarigen, kan het rendement van die specifieke onderwijsvoorziening worden verhoogd. Daaronder wordt verstaan dat nieuwkomers, na een intensief taalbad, ook op leeftijd in het secundair onderwijs kunnen stappen, respectievelijk dat nieuwkomers via een tweede onthaaljaar nog steeds intensief taalonderricht kunnen krijgen, waardoor ze nadien over betere slaagkansen beschikken.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 11°, is de volgende : onderwijsinstellingen en lerarenteams staan voor de permanente uitdaging om de leerstof op een boeiende en eigentijdse wijze te verwerken. Inschakeling van schoolexterne voordrachtgevers, die het onderwijs levensechter maken en een horizonverruimende dimensie aanbrengen, past in het streven naar gepaste pedagogisch-didactische werkvormen. Omgekeerd kan confrontatie met het onderwijsproces ook voor voordrachtgevers een meerwaarde genereren, zodat een win-winsituatie ontstaat.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 12°, is de volgende : leerstofpakketten catalogiseren in vakken en daarop een vakkenrubricering toepassen, gebeurt in de huidige stand van zaken vooral op grond van personeelsregelgeving. Onderwijstrends gaan echter steeds vaker in de richting van integratie van vakken, met onder meer multidisciplinaire of thematische aanpak en vervaging van het strikte onderscheid tussen theorie en praktijk. Les- en verwante onderwijsopdrachten onder de noemer van bijzondere pedagogische taken plaatsen, kan uitkomst bieden om onderwijskundige vernieuwingen te verzoenen met toepassing van de vigerende personeelsregelgeving. Daarenboven biedt de techniek van de met lesuren gelijkgestelde uren, waaronder bijzondere pedagogische taken ressorteren, de mogelijkheid aan de inrichtende macht om het inzetten van het juiste personeelslid op de juiste plaats op te voeren, rekening houdend met ervaring, deskundigheid en motivatie.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 13°, is de volgende : onderwijs moet gelijke tred kunnen houden met socio-economische, technologische, maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Programmatie van het opleidingenaanbod is een van de instrumenten daartoe. Door programmaties procedure- en normloos te maken, kunnen onderwijsverstrekkers die techniek eenvoudiger hanteren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 14°, is de volgende : de rol van het beleids- en ondersteunend personeel, in voorkomend geval toegespitst op specifieke ambten binnen die formatie, kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het secundair naar het basisonderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 15° en 16°, is de volgende : het huidige opleidingenaanbod ligt, gerangschikt in studiegebieden, limitatief en eenduidig voor alle onderwijsorganisatoren vast. Herverdeling van dat aanbod, onder meer op basis van belangstellingsdomeinen, kan de transparantie ervan verhogen, de attractiviteit van onderwijsinstellingen of opleidingen doen toenemen, studiekeuzes verbeteren en de schoolorganisatie optimaliseren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 17°, is de volgende : voor leerplannen, als leidraad voor lesgevers, kunnen worden toegepast, moet een gefaseerde goedkeuringsprocedure worden doorlopen tot op overheidsniveau. Het opheffen van die procedure kan bijdragen tot meer zekerheid voor de leerplanmakers, grondigere voorbereiding van implementatie door de gebruikers en snellere bijsturing bij gewijzigde omstandigheden of nieuwe behoeften. Onverkort behoud van het principe van de eindtermen of ontwikkelingsdoelen moet borg staan voor onderwijskwaliteit.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 19°, is de volgende : de toegang van leerlingen tot het eerste leerjaar A van het secundair onderwijs is momenteel gebaseerd op het beginsel van vrij naadloze instroom vanuit de lagere school. Die formele voorwaarde kan echter een miskenning inhouden van de intrinsieke capaciteiten van de jongere en daardoor zijn secundaire studieloopbaan nodeloos remmen. Aan de hand van een aanvullende instappiste kan een mogelijk terechte startpositie worden bedongen.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 21°, 22° en 23°, is de volgende : leerlingenevaluatie en de daarop aansluitende studiebekrachtiging is leerjaargebonden. Slagen is meestal noodzakelijk om de horizontale of verticale overstap naar het hogere leerjaar te kunnen zetten. Van situaties waarin leerlingen vaak niet op alle programmaonderdelen tekorten hebben of waarin leerplannen meer graad- dan jaarplannen zijn, maakt de bestaande regelgeving op de onderwijsorganisatie al te veel abstractie. Door aan onderwijsorganisatoren en inzonderheid klassenraden meer alternatieven op het vlak van evaluatie te verlenen, kan die evaluatie meer op de concrete schoolpraktijk worden geënt en, niet het minst, kunnen leerlingen meer vanuit hun capaciteiten dan vanuit hun gebreken worden benaderd.
§ 4. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs en het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° het schoolbestuur of de inrichtende macht kan voor de aanstelling van een vastbenoemd personeelslid via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, afwijken van de volgorde, vermeld in artikel 34, § 1, A, 6°, B, 6°, en C, 6°, in artikel 36, § 2, A, 4°, B, 4°, en C, 4°, en in artikel 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, en C, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;
2° in het gemeenschapsonderwijs kan de raad van bestuur bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 28 en 28bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;
3° in het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur of de inrichtende macht bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 33, § 1, van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : vastbenoemde personeelsleden die voor de duur van het project een andere opdracht uitoefenen dan hun opdracht van vaste benoeming, moeten daarvoor een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De scholen zijn verplicht om voorrang te geven aan tijdelijke personeelsleden voor ze vastbenoemden met een verlof aanstellen. Dat beperkt hun mogelijkheid om voor het project het personeelslid aan te stellen dat beschikt over de beste capaciteiten en ook om dat personeelslid te behouden gedurende het hele project. De projectscholen krijgen daarom de mogelijkheid om voorrang te geven aan hun eigen vastbenoemde personeelsleden boven tijdelijke personeelsleden.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd voor de duur van het project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 3°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt. "
" Art. 3bis. § 1. In § 2 tot en met § 4 staat een exhaustieve opsomming van alle mogelijke afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen binnen de tijdelijke projecten met een motivatie.
§ 2. Voor de scholen en leerlingen van het basisonderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 20, § 2, 2°, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het deelnemen aan onderwijsactiviteiten in andere scholen binnen hetzelfde project, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of die de leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. In voorkomend geval blijft het principe gelden dat een leerling slechts in één school ingeschreven kan zijn;
2° in afwijking van artikel 153sexies, § 3, § 4 en § 5, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het overdragen van de puntenenveloppen om een zorgbeleid te voeren, en om ICT-ondersteuning en administratieve ondersteuning te bieden, van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs binnen hetzelfde project. Punten die worden overgedragen, moeten worden geput uit het aantal punten dat in aanmerking komt voor overdracht naar de scholengemeenschap. Die punten kunnen in het secundair onderwijs aangewend worden voor ondersteunend personeel als vermeld in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen biedt de gelegenheid de opgebouwde expertise van elke afzonderlijke instelling ten voordele van het leer- en opvoedingsproces van de jongere te benutten.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : de rol van het ondersteunend personeel kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten van het beleids- en ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het basis- naar het secundair onderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
§ 3. Voor de scholen en leerlingen van het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximumaantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs, en van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 met betrekking tot de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 : het niet-opleggen van een maximumaantal wekelijkse lestijden per structuuronderdeel voor financiering of subsidiëring;
2° in afwijking van artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, en van artikel 4, § 2, en artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het laten volgen van lessen door leerlingen in andere onderwijsinstellingen die aan hetzelfde project deelnemen, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement en na instemming van de betrokken leraars van de andere onderwijsinstellingen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze niet tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve raadgevend in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
c) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze wel tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve stemgerechtigd in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
3° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het flexibel, al dan niet leerjaaroverschrijdend, invullen of differentiëren van wekelijkse lessentabellen bij periode, leerlingengroep of individuele leerling, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad voor leerlingen een gunstige beslissing heeft genomen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) moeten de leerplandoelstellingen bereikbaar blijven;
4° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van een bepaald structuuronderdeel, dat al dan niet wordt overgezeten, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt omdat de leerling al geslaagd is voor die programmaonderdelen in het secundair onderwijs. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
5° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
6° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het spreiden van het programma in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, over twee schooljaren. In voorkomend geval :
a) wordt na het eerste schooljaar alleen een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt;
b) wordt voor de normering inzake financiering of subsidiëring, rationalisatie en programmatie de leerling elk schooljaar voor een halve eenheid in aanmerking genomen;
7° in afwijking van artikel 49, 1°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het uitbreiden van de tweejarige structuur van de eerste graad naar een driejarige structuur, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement. In voorkomend geval :
a) is voor inschrijving, elk schooljaar opnieuw en telkens na kennisname van het gemotiveerde advies van de toelatingsklassenraad, het voorafgaande schriftelijke akkoord vereist van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
b) wordt het derde leerjaar geacht zich te bevinden op het niveau van het tweede leerjaar van de eerste graad, dat is opgebouwd uit basisopties;
c) wordt het oriënteringsattest van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede respectievelijk het derde leerjaar als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, op het einde van het eerste leerjaar een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt;
e) wordt aan elke leerling op het einde van het derde leerjaar een getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs uitgereikt, samen met een oriënteringsattest A of B;
f) beslist de delibererende klassenraad van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de eerste graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder toepassing van de afwijkende regeling valt;
8° in afwijking van artikel 50 van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het invoeren, ongeacht de graad, de onderwijsvorm of het structuuronderdeel, van aspecten van modulaire onderwijsinrichting zoals die door de decreet- of regelgever worden vastgelegd;
9° in afwijking van artikel 51, laatste gedachtestreepje, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990, en van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het organiseren van een tweede onthaaljaar, voorbehouden aan leerlingen die het eerste onthaaljaar hebben gevolgd. In voorkomend geval :
a) omvat de wekelijkse lessentabel maximaal vierendertig lestijden, waaronder :
1) twee lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer, eigen cultuur en religie of cultuurbeschouwing (de laatste twee vakken zijn voorbehouden aan het vrij onderwijs);
2) minstens acht lestijden Nederlands voor nieuwkomers.
De overige lestijden worden door de klassenraad ingevuld afhankelijk van de individuele leerling;
b) vindt de studiebekrachtiging plaats naar analogie van de studiebekrachtiging in een leerjaar van de eerste graad, afhankelijk van de individuele leerling;
c) worden geen specifieke uren-leraar toegekend;
d) wordt voor de toepassing van alle andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen het tweede onthaaljaar gelijkgesteld aan het eerste onthaaljaar;
10° in afwijking van artikel 53, § 1, en artikel 54, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het niet-koppelen van de respectieve basisvormingen van de eerste graad aan een minimumaantal wekelijkse lestijden;
11° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het aanwenden van uren-leraar voor de aanwerving van voordrachtgevers ten belope van maximaal 5 % van het voor de onderwijsinstelling beschikbare pakket uren-leraar. In voorkomend geval wordt de vergoeding van die voordrachtgevers geregeld conform de bepalingen, vigerend in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
12° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het realiseren van wekelijkse lessentabellen, met eventuele vakkenintegratie, op basis van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald in de vorm van bijzondere pedagogische taken;
13° in afwijking van artikel 7, § 1, artikel 28 en 38 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs : het zonder normering programmeren van structuuronderdelen onder bestaande benamingen, nieuwe benamingen of een benaming proeftuin en, met uitzondering van de eerste graad, de rangschikking van die structuuronderdelen binnen de bestaande studiegebieden of in een studiegebied proeftuin. In voorkomend geval :
a) moet het aldus opgerichte structuuronderdeel worden afgebouwd na beëindiging van het tijdelijke project, tenzij andersluidende overheidsbeslissing;
b) wordt, zo het structuuronderdeel een nieuwe benaming of de benaming proeftuin draagt, als leerlingencoëfficiënt binnen de vaststellingsregeling van de lerarenomkadering de coëfficiënt genomen van het structuuronderdeel dat inhoudelijk het dichtst aanleunt bij het geprogrammeerde structuuronderdeel;
14° in afwijking van artikel 98, § 1, en artikel 98bis, § 1, van hetzelfde decreet van 14 juli 1998 : het overdragen van punten ondersteunend personeel van het secundair onderwijs naar het basisonderwijs binnen hetzelfde project. Die punten kunnen in het basisonderwijs aangewend worden voor beleids- en ondersteunend personeel als vermeld in het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;
15° in afwijking van bijlage III bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de studiegebieden en structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs : het organiseren van tweepolige structuuronderdelen in de derde graad van het algemeen secundair onderwijs op basis van alle mogelijke combinaties van bestaande polen;
16° in afwijking van bijlage III tot en met XXXI bij hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 : het herindelen van bestaande structuuronderdelen binnen bestaande studiegebieden;
17° in afwijking van artikel 8, § 4, van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen : het hanteren van leerplannen zonder de vigerende goedkeuringsregeling in aanmerking te nemen;
18° in afwijking van artikel 2, 1°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het definiëren van een anderstalige nieuwkomer als een leerling die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens elf jaar is en anderzijds geen achttien jaar geworden is. In voorkomend geval worden, louter voor de leerlingen die op basis van de vermelde afwijking instromen, geen specifieke uren-leraar toegekend;
19° in afwijking van artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het toelaten als regelmatige leerling tot het eerste leerjaar A zonder het zesde leerjaar van het lager onderwijs te hebben gevolgd mits :
a) de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van screening van de leerling;
b) de personen akkoord gaan die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
20° in afwijking van artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties;
21° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het uitstellen van delibererende klassenraden in de eerste, de tweede, respectievelijk de derde graad tot het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie. In voorkomend geval :
a) wordt het oriënteringsattest van het eerste leerjaar van de graad in kwestie vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede leerjaar van die graad als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt. Bij dat attest wordt de eventuele beslissing van de begeleidende klassenraad gevoegd om in het hogere leerjaar een aangepast leertraject te volgen;
b) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
c) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
22° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot een hoger leerjaar niettegenstaande tekorten voor bepaalde programmaonderdelen, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt in overleg met de delibererende klassenraad van het leerjaar waaruit de leerling komt. In voorkomend geval :
a) moeten de tekorten worden weggewerkt voor het einde van de graad waarbinnen het hogere leerjaar zich bevindt;
b) wordt de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;
c) beslist de delibererende klassenraad van het leerjaar waarin een attest van regelmatige lesbijwoning werd uitgereikt, alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die, zonder dat de tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
23° in afwijking van artikel 56, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het niet-organiseren van een geïntegreerde proef op het einde van het schooljaar mits tijdens het schooljaar permanent geïntegreerd wordt gewerkt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, 2°, 3° en 10°, is de volgende : de flexibele samenstelling van leerprogramma's impliceert de mogelijkheid tot het doorbreken van de rigide indeling in graden, leerjaren, onderwijsvormen, studiegebieden en structuuronderdelen. Flexibiliteit betekent ook de mogelijkheid tot spreiding van studiebelasting en tot alternerende lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen. Door die opportuniteiten moeten persoonlijke talenten, competenties en interesses van leerlingen optimaal tot ontwikkeling kunnen komen, waardoor leermotivatie wordt gestimuleerd. Op die wijze kan een voedingsbodem worden gecreëerd voor een studieloopbaan waarin veelvuldige school- of studieverandering, leerachterstand, zittenblijven en, ten slotte, ongekwalificeerde uitstroom maximaal worden teruggedrongen. Door handhaving van principes, zoals eindtermen, ontwikkelingsdoelen en minimale basisvorming, en door behoud van de reguliere eindstudiebekrachtiging wordt het evenwicht bewaakt tussen een dynamisch en vernieuwend onderwijs op maat enerzijds en onderwijskwaliteit en civiele onderwijseffecten anderzijds.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 4°, is de volgende : het hanteren van een ruimer lokaal vrijstellingenbeleid moet in een efficiëntere en effectievere tijdsbesteding resulteren. Door de lesverstrekking te focussen op programmaonderdelen die voor de betrokken leerling nieuw zijn of remediëring vereisen, kan zijn belangstelling gewekt blijven en kunnen zijn tekorten worden weggewerkt, wat essentiële elementen zijn voor een optimale studieloopbaan.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 5°, 6° en 20°, is de volgende : de specialisatiejaren van de derde graad technisch en kunstsecundair onderwijs worden bevolkt door leerlingen die al gediplomeerd en niet meer leerplichtig zijn. Specialisatiejaren zijn kwalificatieverhogend, worden gewaardeerd door het bedrijfsleven en bevorderen de tewerkstellingsperspectieven. De aantrekkingskracht van die specialiatiejaren verhogen door maatregelen te nemen op het vlak van toeleiding en invulling, maar ook door opleiding én werk combineerbaar te maken, kan positieve effecten sorteren voor (potentiële) werknemers en werkgevers.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 7°, is de volgende : de eerste graad secundair onderwijs is een scharniergraad tussen het lager en secundair onderwijs en belangrijk in de opstap naar en studiekeuze in de hogere leerjaren. Falen in de eerste graad kan structureel negatieve gevolgen hebben voor de verdere studieloopbaan, zodat bij uitstek in die graad preventief opgetreden moet worden. Uitbreiding van twee naar drie leerjaren met doorstroomgarantie moet meer ruimte geven voor leerplanafwerking en individuele opvang en begeleiding en vermijdt het emotioneel geladen zittenblijven.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 8°, is de volgende : door het volledige secundaironderwijslandschap toegankelijk te maken voor modulaire onderwijsaspecten, kan een groei worden gerealiseerd in gekwalificeerde uitstroom, in afstemming op de arbeidsmarkt, in transparantie van het onderwijsaanbod, in tussentijdse succesbelevingen van leerlingen en in hun stimulans tot levenslang leren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 9° en 18°, is de volgende : door de strikte begrenzing weg te nemen dat onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers een eenjarige opleiding is en voorbehouden aan plus 12-jarigen, kan het rendement van die specifieke onderwijsvoorziening worden verhoogd. Daaronder wordt verstaan dat nieuwkomers, na een intensief taalbad, ook op leeftijd in het secundair onderwijs kunnen stappen, respectievelijk dat nieuwkomers via een tweede onthaaljaar nog steeds intensief taalonderricht kunnen krijgen, waardoor ze nadien over betere slaagkansen beschikken.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 11°, is de volgende : onderwijsinstellingen en lerarenteams staan voor de permanente uitdaging om de leerstof op een boeiende en eigentijdse wijze te verwerken. Inschakeling van schoolexterne voordrachtgevers, die het onderwijs levensechter maken en een horizonverruimende dimensie aanbrengen, past in het streven naar gepaste pedagogisch-didactische werkvormen. Omgekeerd kan confrontatie met het onderwijsproces ook voor voordrachtgevers een meerwaarde genereren, zodat een win-winsituatie ontstaat.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 12°, is de volgende : leerstofpakketten catalogiseren in vakken en daarop een vakkenrubricering toepassen, gebeurt in de huidige stand van zaken vooral op grond van personeelsregelgeving. Onderwijstrends gaan echter steeds vaker in de richting van integratie van vakken, met onder meer multidisciplinaire of thematische aanpak en vervaging van het strikte onderscheid tussen theorie en praktijk. Les- en verwante onderwijsopdrachten onder de noemer van bijzondere pedagogische taken plaatsen, kan uitkomst bieden om onderwijskundige vernieuwingen te verzoenen met toepassing van de vigerende personeelsregelgeving. Daarenboven biedt de techniek van de met lesuren gelijkgestelde uren, waaronder bijzondere pedagogische taken ressorteren, de mogelijkheid aan de inrichtende macht om het inzetten van het juiste personeelslid op de juiste plaats op te voeren, rekening houdend met ervaring, deskundigheid en motivatie.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 13°, is de volgende : onderwijs moet gelijke tred kunnen houden met socio-economische, technologische, maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Programmatie van het opleidingenaanbod is een van de instrumenten daartoe. Door programmaties procedure- en normloos te maken, kunnen onderwijsverstrekkers die techniek eenvoudiger hanteren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 14°, is de volgende : de rol van het beleids- en ondersteunend personeel, in voorkomend geval toegespitst op specifieke ambten binnen die formatie, kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het secundair naar het basisonderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 15° en 16°, is de volgende : het huidige opleidingenaanbod ligt, gerangschikt in studiegebieden, limitatief en eenduidig voor alle onderwijsorganisatoren vast. Herverdeling van dat aanbod, onder meer op basis van belangstellingsdomeinen, kan de transparantie ervan verhogen, de attractiviteit van onderwijsinstellingen of opleidingen doen toenemen, studiekeuzes verbeteren en de schoolorganisatie optimaliseren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 17°, is de volgende : voor leerplannen, als leidraad voor lesgevers, kunnen worden toegepast, moet een gefaseerde goedkeuringsprocedure worden doorlopen tot op overheidsniveau. Het opheffen van die procedure kan bijdragen tot meer zekerheid voor de leerplanmakers, grondigere voorbereiding van implementatie door de gebruikers en snellere bijsturing bij gewijzigde omstandigheden of nieuwe behoeften. Onverkort behoud van het principe van de eindtermen of ontwikkelingsdoelen moet borg staan voor onderwijskwaliteit.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 19°, is de volgende : de toegang van leerlingen tot het eerste leerjaar A van het secundair onderwijs is momenteel gebaseerd op het beginsel van vrij naadloze instroom vanuit de lagere school. Die formele voorwaarde kan echter een miskenning inhouden van de intrinsieke capaciteiten van de jongere en daardoor zijn secundaire studieloopbaan nodeloos remmen. Aan de hand van een aanvullende instappiste kan een mogelijk terechte startpositie worden bedongen.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 21°, 22° en 23°, is de volgende : leerlingenevaluatie en de daarop aansluitende studiebekrachtiging is leerjaargebonden. Slagen is meestal noodzakelijk om de horizontale of verticale overstap naar het hogere leerjaar te kunnen zetten. Van situaties waarin leerlingen vaak niet op alle programmaonderdelen tekorten hebben of waarin leerplannen meer graad- dan jaarplannen zijn, maakt de bestaande regelgeving op de onderwijsorganisatie al te veel abstractie. Door aan onderwijsorganisatoren en inzonderheid klassenraden meer alternatieven op het vlak van evaluatie te verlenen, kan die evaluatie meer op de concrete schoolpraktijk worden geënt en, niet het minst, kunnen leerlingen meer vanuit hun capaciteiten dan vanuit hun gebreken worden benaderd.
§ 4. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs en het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° het schoolbestuur of de inrichtende macht kan voor de aanstelling van een vastbenoemd personeelslid via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, afwijken van de volgorde, vermeld in artikel 34, § 1, A, 6°, B, 6°, en C, 6°, in artikel 36, § 2, A, 4°, B, 4°, en C, 4°, en in artikel 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, en C, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;
2° in het gemeenschapsonderwijs kan de raad van bestuur bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 28 en 28bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;
3° in het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur of de inrichtende macht bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 33, § 1, van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : vastbenoemde personeelsleden die voor de duur van het project een andere opdracht uitoefenen dan hun opdracht van vaste benoeming, moeten daarvoor een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De scholen zijn verplicht om voorrang te geven aan tijdelijke personeelsleden voor ze vastbenoemden met een verlof aanstellen. Dat beperkt hun mogelijkheid om voor het project het personeelslid aan te stellen dat beschikt over de beste capaciteiten en ook om dat personeelslid te behouden gedurende het hele project. De projectscholen krijgen daarom de mogelijkheid om voorrang te geven aan hun eigen vastbenoemde personeelsleden boven tijdelijke personeelsleden.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd voor de duur van het project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 3°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt. "
Art. 6. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2007 portant approbation des projets temporaires sélectionnés sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail, il est inséré un article 3bis ainsi rédigé :
" Art. 3bis. § 1er. Les §§ 2 à 4 inclus comportent une liste exhaustive de toutes les dérogations possibles, assorties de motivations, aux dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquant aux projets temporaires.
§ 2. Aux écoles et élèves de l'enseignement fondamental s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 20, § 2, 2°, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : la participation à des activités d'enseignement dans d'autres écoles associées au même projet, à condition que ce soit communiqué au préalable aux personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève. Le cas échéant, le principe qu'un élève ne peut être inscrit que dans une seule école reste d'application;
2° par dérogation à l'article 153sexies, §§ 3, 4 et 5, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : le transfert d'enveloppes de points de l'enseignement fondamental vers l'enseignement secondaire au sein du même projet pour assurer un encadrement renforcé et offrir un encadrement TIC et administratif. Les points reportés doivent être puisés dans le nombre de points admissibles au transfert au centre d'enseignement. Ces points peuvent être utilisés dans l'enseignement secondaire pour des personnels d'appui, tels que visés au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : la fréquentation des cours dans plusieurs établissements d'enseignement permet d'utiliser l'expertise acquise par chaque établissement individuel en faveur du processus d'apprentissage et éducatif du jeune.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : le rôle du personnel d'appui peut être un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire pour des projets d'enseignement interniveaux.
§ 3. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 2 de l'arrêté royal n° 2 du 21 août 1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire de plein exercice, et à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3 : la non-imposition d'un nombre maximum de périodes hebdomadaires par subdivision structurelle pour financement ou subventionnement;
2° par dérogation à l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, et aux articles 4, § 2, et 5, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'autorisation aux élèves de suivre des cours dans d'autres établissements d'enseignement associés au même projet, à condition que ce soit préalablement communiqué par le biais du règlement d'école et moyennant l'accord des enseignants intéressés des autres établissements d'enseignement. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix consultative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement n'appartiennent pas au même pouvoir organisateur;
c) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix délibérative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement appartiennent au même pouvoir organisateur;
3° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'établissement ou la différentiation flexible, dépassant les années d'études ou non, de grilles horaires hebdomadaires d'après la période, le groupe d'élèves ou l'élève individuel, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur ait prise une décision favorable pour des élèves. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les objectifs concernant le programme d'études doivent rester réalisables;
4° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme d'une subdivision structurelle déterminée, doublée ou non, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable parce que l'élève a déjà réussi pour lesdites subdivisions de programme dans l'enseignement secondaire. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
5° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme en troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
6° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'étalement sur deux années scolaires du programme de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisé sous forme d'une année de spécialisation. Le cas échéant :
a) il n'est délivré qu'une attestation de fréquentation régulière des cours à l'issue de la première année scolaire;
b) chaque année scolaire, l'élève est pris en compte pour une demi-entité pour ce qui est des normes en matière de financement ou de subventionnement, de rationalisation et de programmation;
7° par dérogation à l'article 49, 1°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'extension de la structure biennale du premier degré à une structure triennale, moyennant communication préalable par le règlement d'école. Le cas échéant :
a) l'accord des personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur est requis pour l'inscription, chaque année scolaire et chaque fois après avoir pris connaissance de l'avis motivé du conseil de classe d'admission;
b) la troisième année d'études est censée se trouver au niveau de la deuxième année d'études du premier degré, qui est constituée d'options de base;
c) l'attestation d'orientation de la première, respectivement la deuxième année d'études est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième, respectivement la troisième année d'études, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève, s'il ne le possède pas encore, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
e) il est délivré à chaque élève un certificat du premier degré de l'enseignement secondaire à l'issue de la troisième année d'études, ainsi qu'une attestation d'orientation A ou B;
f) le conseil de classe délibérant de la première, respectivement la deuxième année d'études, décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé cette année d'études et qui, avant la fin du premier degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
8° par dérogation à l'article 50 du même décret du 31 juillet 1990 : l'introduction, quel que soit le degré, la filière d'enseignement ou la subdivision structurelle, d'aspects d'organisation modulaire de l'enseignement tels que définis par le législateur ou le législateur décrétal;
9° par dérogation à l'article 51, dernier tiret, du même décret du 31 juillet 1990, et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : l'organisation d'une deuxième année d'accueil, réservée aux élèves ayant suivi la première année d'accueil. Le cas échéant :
a) la grille horaire hebdomadaire comprend au maximum trente-quatre périodes, dont :
1) deux périodes de religion, de morale non confessionnelle, de propre culture et religion ou de formation culturelle (les deux derniers cours sont réservés à l'enseignement libre);
2) au moins huit périodes de néerlandais pour primo-arrivants.
Les périodes restantes sont comblées par le conseil de classe, en fonction de l'élève individuel;
b) la validation des études s'effectue par analogie avec la validation des études dans une année d'études du premier degré en fonction de l'élève individuel;
c) des périodes-professeur spécifiques ne sont pas accordées;
d) la deuxième année d'accueil est assimilée à la première année d'accueil pour l'application de toutes les autres dispositions légales, décrétales et réglementaires;
10° par dérogation aux articles 53, § 1er, et 54, §§ 1er et 3, du même décret du 31 juillet 1990 : le non-ralliement des formations de base respectives du premier degré à un nombre minimum de périodes hebdomadaires;
11° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : l'utilisation de périodes-professeur pour le recrutement de conférenciers à concurrence de 5 % au maximum du capital " périodes-professeur " dont l'établissement d'enseignement dispose. Le cas échéant, la rétribution de ces conférenciers est réglée conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
12° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : la réalisation de grilles horaires hebdomadaires, éventuellement avec intégration des cours, sur la base d'heures assimilées à des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques spéciales;
13° par dérogation aux articles 7, § 1er, 28 et 38 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental : la programmation sans normes de subdivisions structurelles sous des dénominations existantes, de nouvelles dénominations ou d'une dénomination " proeftuin " (champ d'expérimentation) et, à l'exception du premier degré, le classement de ses subdivisions structurelles dans les disciplines existantes ou dans une discipline " proeftuin ". Le cas échéant :
a) la subdivision structurelle ainsi créée doit être supprimée progressivement à l'expiration du projet temporaire, à moins que l'autorité en décide autrement;
b) si la subdivision structurelle porte une nouvelle dénomination ou la dénomination " proeftuin ", le coefficient de la subdivision structurelle dont le contenu correspond le plus à la subdivision programmée est adopté comme coefficient des élèves s'inscrivant dans les modalités de fixation de l'encadrement des enseignants;
14° par dérogation aux articles 98, § 1er, et 98bis, § 1er, du même décret du 14 juillet 1998 : le transfert de points personnel d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental au sein du même projet. Dans l'enseignement fondamental, ces points peuvent être utilisés pour le personnel de gestion et d'appui, tel que fixé au décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
15° par dérogation à l'annexe III à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif aux disciplines et subdivisions structurelles dans l'enseignement secondaire : l'organisation de subdivisions structurelles bipolaires dans le troisième degré de l'enseignement secondaire général, sur la base de toutes combinaisons possibles de pôles existants;
16° par dérogation aux annexes III à XXXI incluses au même arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 : une nouvelle classification de subdivisions structurelles existantes au sein de disciplines existantes;
17° par dérogation à l'article 8, § 4, du décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2006 fixant les critères d'approbation et les modalités d'introduction des programmes d'études : l'utilisation de programmes d'études sans prendre en compte les modalités d'approbation en vigueur;
18° par dérogation à l'article 2, 1°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : la définition d'un primo-arrivant allophone comme un élève ayant au moins onze ans et n'ayant pas encore atteint l'âge de dix-huit ans au plus tard le 31 décembre après le début de l'année scolaire. Le cas échéant, il n'est pas accordé de périodes-professeur spécifiques uniquement pour les élèves nouvellement arrivés sur la base de la dérogation mentionnée;
19° par dérogation à l'article 6, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'admission à la première année d'études A comme élève régulier sans avoir fréquenté la sixième année d'études de l'enseignement primaire, à condition que :
a) le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base d'un screening de l'élève;
b) les personnes exerçant l'autorité parentale ou ayant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur marquent leur accord;
20° par dérogation à l'article 24, § 1er, du même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission comme élève régulier à la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs;
21° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la remise des conseils de classe délibérants dans le premier, deuxième ou troisième degré jusqu'à la fin de la deuxième année d'études du degré en question. Le cas échéant :
a) l'attestation d'orientation de la première année d'études du degré en question est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième année d'études de ce degré, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire. Cette attestation est assortie de la décision éventuelle du conseil de classe accompagnateur, aux fins de suivre une filière d'apprentissage adaptée dans l'année d'études supérieure;
b) le conseil de classe délibérant de la première année d'études du degré en question décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé l'année d'études et qui, avant la fin du degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
c) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, s'il ne le possède pas encore, un certificat de l'enseignement fondamental à l'issue de la première année d'études;
22° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission à une année d'études supérieure comme élève régulier, nonobstant des insuffisances pour certaines subdivisions de programme, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable en concertation avec le conseil de classe délibérant de l'année d'études d'où sort l'élève. Le cas échéant :
a) les insuffisances doivent être éliminées avant la fin du degré auquel appartient l'année d'études supérieure;
b) la délivrance d'une attestation d'orientation est remplacée par la délivrance d'une attestation de fréquentation régulière des cours en attendant l'élimination des insuffisances;
c) le conseil de classe délibérant de l'année d'études dans laquelle une attestation de fréquentation régulière des cours est délivrée décide tout de même de délivrer une attestation d'orientation à tout élève qui, sans que les insuffisances aient été éliminées, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, s'il ne le possède pas encore, un certificat de l'enseignement fondamental à l'issue de la première année d'études;
23° par dérogation à l'article 56, § 1er, du même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la non-organisation d'une épreuve intégrée à l'issue de l'année scolaire, à condition que l'on travaille constamment de manière intégrée pendant l'année scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 1°, 2°, 3° et 10°, est motivée comme suit : la composition flexible de programmes d'études implique la possibilité d'abandonner le classement rigide en degrés, années d'études, formes d'enseignement, disciplines et subdivisions structurelles. La flexibilité signifie aussi la possibilité d'étaler la charge d'étude et de fréquenter les cours en alternance dans plusieurs établissements d'enseignement. Ces opportunités doivent permettre un développement optimal des talents, des compétences et des centres d'intérêt personnels des élèves, ce qui stimule leur motivation d'apprentissage. De cette manière, il est possible de créer un milieu favorable à un parcours scolaire où les changements fréquents d'écoles ou d'études, les retards scolaires, le bisutage et, enfin, les sorties sans qualification seront réduits au maximum. En conservant des principes tels que les objectifs finaux, les objectifs de développement et la formation de base minimale et en sauvegardant la validation régulière de fin d'études, l'équilibre est préservé entre un enseignement dynamique et innovateur " sur mesure " d'une part et la qualité de l'enseignement et les effets de l'éducation sur la société d'autre part.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 4°, est motivée comme suit : une plus large politique locale de dispenses doit aboutir à un emploi du temps plus efficace et effectif. L'axe de l'enseignement sur des subdivisions de programme qui sont nouvelles pour l'élève concerné ou qui nécessitent une remédiation, permet à l'élève de maintenir son intérêt ainsi que d'éliminer ses insuffisances. Ce sont en effet des éléments essentiels pour un parcours scolaire optimal.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 5°, 6°, et 20°, est motivée comme suit : les années de spécialisation du troisième degré de l'enseignement secondaire technique et artistique sont occupées par des élèves qui sont déjà diplômés et ne relèvent plus de l'obligation scolaire. Les années de spécialisation accroissent la qualification, sont appréciées par l'industrie et favorisent les perspectives d'occupation. Augmenter l'attrait de ces années de spécialisation, non seulement par la prise de mesures au niveau de l'orientation et du contenu, mais également par une meilleure conciliation formation-emploi, peut engendrer des effets positifs pour les travailleurs (potentiels) et les employeurs.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 7°, est motivée comme suit : le premier degré de l'enseignement secondaire est un degré charnière entre l'enseignement primaire et l'enseignement secondaire et est important comme tremplin vers les années d'études supérieures et pour le choix d'études à opérer. Un échec dans le premier degré peut avoir des conséquences négatives, au niveau structurel, pour la suite du parcours scolaire de l'élève, de sorte qu'une intervention préventive s'impose de préférence dans ce degré. Une extension de deux à trois années d'études avec garantie de transition doit donner plus d'espace à l'accomplissement du programme d'études et à un accueil et un accompagnement individuels de l'élève et évite que celui-ci éprouve les effets d'un redoublement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 8°, est motivée comme suit : En rendant le paysage éducatif secondaire dans son ensemble accessible aux aspects éducatifs modulaires, il est possible de réaliser un nombre accru de sorties qualifiées, d'assurer une meilleure adéquation avec les besoins du marché de l'emploi ainsi qu'une meilleure transparence de l'offre d'enseignement, de multiplier les expériences de succès intermédiaires des élèves et de les inciter à apprendre tout au long de la vie.
La nécessité de la dérogation, telle que visée aux points 9° et 18°, est motivée comme suit : en éliminant la stricte délimitation que l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones est une formation d'une seule année et réservée à des élèves âgés de plus de 12 ans, le rendement de cette structure d'enseignement spécifique peut être augmenté. Cela signifie, que les primo-arrivants, même " d'un âge avancé " peuvent, après avoir subi une immersion linguistique, accéder à l'enseignement secondaire, et que les primo-arrivants peuvent toujours, par le biais d'une seconde année d'accueil, suivre un cours intensif de langue, ce qui leur donne de meilleures chances de réussite par après.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 11°, est motivée comme suit : les établissements d'enseignement et les équipes d'enseignants se voient posés devant le défi permanent d'intégrer la matière d'une façon captivante et actuelle. L'appel fait à des conférenciers externes à l'école, qui approchent l'enseignement de la vie et élargissent l'horizon, s'inscrit dans la poursuite de formes de travail pédagogiques-didactiques appropriées. Inversement la confrontation au processus d'enseignement peut également engendrer une plus-value pour les conférenciers, créant ainsi une situation gagnant-gagnant.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 12°, est motivée comme suit : dans l'état actuel des choses, cataloguer les ensembles pédagogiques en branches et les classer en rubriques s'opère surtout sur la base de la réglementation relative aux personnels. Les tendances dans l'enseignement vont vers une intégration de branches, avec entre autres une approche multidisciplinaire ou thématique et un estompage de la stricte différence entre la théorie et la pratique. Le fait de placer les charges d'enseignement et les missions connexes sous le dénominateur de tâches pédagogiques spéciales peut apporter une solution au problème de compatibilité entre les innovations pédagogiques et l'application de la réglementation applicable aux personnels. De plus, la technique des heures assimilées à des heures de cours, dont relèvent les tâches pédagogiques, permet au pouvoir organisateur d'augmenter le nombre de personnels qu'il faut à la place qu'il faut, compte tenu de l'expérience, l'expertise et la motivation dont ils font preuve.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 13°, est motivée comme suit : l'enseignement doit pouvoir rester en phase avec les développements socio-économiques, technologiques, sociales et démographiques. Un des instruments pour ce faire est la programmation de l'offre de formations. En libérant les programmations des procédures et des normes, les dispensateurs d'enseignement peuvent appliquer cette technique plus facilement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 14°, est motivée comme suit : le rôle des personnels de gestion et d'appui, le cas échéant, exerçant des fonctions spécifiques dans ce cadre, peut représenter un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental pour des projets d'enseignement interniveaux.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 15° et 16°, est motivée comme suit : l'offre de formations actuelle, classée en disciplines, est arrêtée pour tous les organisateurs d'enseignement de façon limitative et uniforme. Une redistribution de cette offre, entre autres en fonction des centres d'intérêt, peut en augmenter la transparence, accroître l'attrait d'établissements d'enseignement ou de formations, améliorer les choix d'études et optimiser l'organisation scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 17°, est motivée comme suit : avant que les programmes d'études, servant de directive pour les enseignants, puissent être appliqués, il faut suivre une procédure d'approbation en phases jusqu'au niveau des autorités. La suppression de cette procédure peut contribuer à une plus grande sécurité pour les rédacteurs des programmes d'études, une préparation plus approfondie de la mise en oeuvre par les utilisateurs et une correction plus rapide lors de circonstances changées ou de nouveaux besoins. Le maintien absolu du principe des objectifs finaux ou objectifs de développement doit garantir la qualité de l'enseignement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 19°, est motivée comme suit : pour l'instant, l'accès des élèves à la première année A de l'enseignement secondaire est basé sur le principe d'une transition assez aisée depuis l'école primaire. Cette condition formelle peut cependant contenir une méconnaissance des capacités intrinsèques du jeune et freiner ainsi inutilement son parcours scolaire secondaire. Au moyen d'une piste d'entrée complémentaire, une position de démarrage éventuellement justifiée peut être stipulée.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 21° et 22°, est motivée comme suit : l'évaluation des élèves et la validation des études y afférente sont liées à l'année d'études. Le plus souvent, la réussite est nécessaire pour pouvoir faire le passage horizontal ou vertical à l'année d'études supérieure. La réglementation existante sur l'organisation de l'enseignement fait trop abstraction des situations, dans lesquelles souvent les élèves n'affichent pas d'insuffisances sur toutes les subdivisions de programme ou dans lesquelles les programmes d'études ressemblent plus à des programmes de degrés qu'à des plans annuels. S'il est accordé aux organisateurs d'enseignement et notamment aux conseils de classe plus d'alternatives en matière d'évaluation, celle-ci pourra être mieux alignée sur la pratique scolaire concrète et, plus encore, les élèves pourront être approchés à partir de leurs capacités, plutôt qu'à partir de leurs défauts.
§ 4. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, pour la désignation d'un membre du personnel nommé à titre définitif par le biais d'un congé pour l'exercice temporaire d'une autre charge, à l'ordre de l'article 34, § 1er, A, 6°, B, 6°, et C, 6°, de l'article 36, § 2, A, 4°, B, 4°, et C, 4°, et de l'article 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, et C, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente;
2° dans l'enseignement communautaire, le conseil d'administration peut déroger, par décision motivée, aux articles 28 et 28bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;
3° dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, par décision motivée, à l'article 33, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : les membres du personnel nommés définitivement exerçant pour la durée du projet une autre charge que la charge pour laquelle ils sont nommés à titre définitif, doivent prendre congé afin d'assumer temporairement une autre charge. Les écoles sont obligées de donner la priorité aux membres du personnel temporaires avant de désigner des membres du personnel définitifs bénéficiant d'un congé. Pour eux, cela limite les possibilités de désigner pour le projet le membre du personnel disposant des meilleures capacités et de garder ce membre du personnel pour toute la durée du projet. C'est pourquoi les écoles de projets sont autorisées à donner aux propres membres du personnel nommés à titre définitif la priorité sur des personnels temporaires.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement communautaire affectés au projet sont protégés pour la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 3°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement subventionné affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet. "
" Art. 3bis. § 1er. Les §§ 2 à 4 inclus comportent une liste exhaustive de toutes les dérogations possibles, assorties de motivations, aux dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquant aux projets temporaires.
§ 2. Aux écoles et élèves de l'enseignement fondamental s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 20, § 2, 2°, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : la participation à des activités d'enseignement dans d'autres écoles associées au même projet, à condition que ce soit communiqué au préalable aux personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève. Le cas échéant, le principe qu'un élève ne peut être inscrit que dans une seule école reste d'application;
2° par dérogation à l'article 153sexies, §§ 3, 4 et 5, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : le transfert d'enveloppes de points de l'enseignement fondamental vers l'enseignement secondaire au sein du même projet pour assurer un encadrement renforcé et offrir un encadrement TIC et administratif. Les points reportés doivent être puisés dans le nombre de points admissibles au transfert au centre d'enseignement. Ces points peuvent être utilisés dans l'enseignement secondaire pour des personnels d'appui, tels que visés au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : la fréquentation des cours dans plusieurs établissements d'enseignement permet d'utiliser l'expertise acquise par chaque établissement individuel en faveur du processus d'apprentissage et éducatif du jeune.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : le rôle du personnel d'appui peut être un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire pour des projets d'enseignement interniveaux.
§ 3. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 2 de l'arrêté royal n° 2 du 21 août 1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire de plein exercice, et à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3 : la non-imposition d'un nombre maximum de périodes hebdomadaires par subdivision structurelle pour financement ou subventionnement;
2° par dérogation à l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, et aux articles 4, § 2, et 5, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'autorisation aux élèves de suivre des cours dans d'autres établissements d'enseignement associés au même projet, à condition que ce soit préalablement communiqué par le biais du règlement d'école et moyennant l'accord des enseignants intéressés des autres établissements d'enseignement. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix consultative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement n'appartiennent pas au même pouvoir organisateur;
c) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix délibérative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement appartiennent au même pouvoir organisateur;
3° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'établissement ou la différentiation flexible, dépassant les années d'études ou non, de grilles horaires hebdomadaires d'après la période, le groupe d'élèves ou l'élève individuel, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur ait prise une décision favorable pour des élèves. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les objectifs concernant le programme d'études doivent rester réalisables;
4° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme d'une subdivision structurelle déterminée, doublée ou non, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable parce que l'élève a déjà réussi pour lesdites subdivisions de programme dans l'enseignement secondaire. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
5° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme en troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
6° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'étalement sur deux années scolaires du programme de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisé sous forme d'une année de spécialisation. Le cas échéant :
a) il n'est délivré qu'une attestation de fréquentation régulière des cours à l'issue de la première année scolaire;
b) chaque année scolaire, l'élève est pris en compte pour une demi-entité pour ce qui est des normes en matière de financement ou de subventionnement, de rationalisation et de programmation;
7° par dérogation à l'article 49, 1°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'extension de la structure biennale du premier degré à une structure triennale, moyennant communication préalable par le règlement d'école. Le cas échéant :
a) l'accord des personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur est requis pour l'inscription, chaque année scolaire et chaque fois après avoir pris connaissance de l'avis motivé du conseil de classe d'admission;
b) la troisième année d'études est censée se trouver au niveau de la deuxième année d'études du premier degré, qui est constituée d'options de base;
c) l'attestation d'orientation de la première, respectivement la deuxième année d'études est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième, respectivement la troisième année d'études, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève, s'il ne le possède pas encore, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
e) il est délivré à chaque élève un certificat du premier degré de l'enseignement secondaire à l'issue de la troisième année d'études, ainsi qu'une attestation d'orientation A ou B;
f) le conseil de classe délibérant de la première, respectivement la deuxième année d'études, décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé cette année d'études et qui, avant la fin du premier degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
8° par dérogation à l'article 50 du même décret du 31 juillet 1990 : l'introduction, quel que soit le degré, la filière d'enseignement ou la subdivision structurelle, d'aspects d'organisation modulaire de l'enseignement tels que définis par le législateur ou le législateur décrétal;
9° par dérogation à l'article 51, dernier tiret, du même décret du 31 juillet 1990, et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : l'organisation d'une deuxième année d'accueil, réservée aux élèves ayant suivi la première année d'accueil. Le cas échéant :
a) la grille horaire hebdomadaire comprend au maximum trente-quatre périodes, dont :
1) deux périodes de religion, de morale non confessionnelle, de propre culture et religion ou de formation culturelle (les deux derniers cours sont réservés à l'enseignement libre);
2) au moins huit périodes de néerlandais pour primo-arrivants.
Les périodes restantes sont comblées par le conseil de classe, en fonction de l'élève individuel;
b) la validation des études s'effectue par analogie avec la validation des études dans une année d'études du premier degré en fonction de l'élève individuel;
c) des périodes-professeur spécifiques ne sont pas accordées;
d) la deuxième année d'accueil est assimilée à la première année d'accueil pour l'application de toutes les autres dispositions légales, décrétales et réglementaires;
10° par dérogation aux articles 53, § 1er, et 54, §§ 1er et 3, du même décret du 31 juillet 1990 : le non-ralliement des formations de base respectives du premier degré à un nombre minimum de périodes hebdomadaires;
11° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : l'utilisation de périodes-professeur pour le recrutement de conférenciers à concurrence de 5 % au maximum du capital " périodes-professeur " dont l'établissement d'enseignement dispose. Le cas échéant, la rétribution de ces conférenciers est réglée conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
12° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : la réalisation de grilles horaires hebdomadaires, éventuellement avec intégration des cours, sur la base d'heures assimilées à des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques spéciales;
13° par dérogation aux articles 7, § 1er, 28 et 38 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental : la programmation sans normes de subdivisions structurelles sous des dénominations existantes, de nouvelles dénominations ou d'une dénomination " proeftuin " (champ d'expérimentation) et, à l'exception du premier degré, le classement de ses subdivisions structurelles dans les disciplines existantes ou dans une discipline " proeftuin ". Le cas échéant :
a) la subdivision structurelle ainsi créée doit être supprimée progressivement à l'expiration du projet temporaire, à moins que l'autorité en décide autrement;
b) si la subdivision structurelle porte une nouvelle dénomination ou la dénomination " proeftuin ", le coefficient de la subdivision structurelle dont le contenu correspond le plus à la subdivision programmée est adopté comme coefficient des élèves s'inscrivant dans les modalités de fixation de l'encadrement des enseignants;
14° par dérogation aux articles 98, § 1er, et 98bis, § 1er, du même décret du 14 juillet 1998 : le transfert de points personnel d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental au sein du même projet. Dans l'enseignement fondamental, ces points peuvent être utilisés pour le personnel de gestion et d'appui, tel que fixé au décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
15° par dérogation à l'annexe III à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif aux disciplines et subdivisions structurelles dans l'enseignement secondaire : l'organisation de subdivisions structurelles bipolaires dans le troisième degré de l'enseignement secondaire général, sur la base de toutes combinaisons possibles de pôles existants;
16° par dérogation aux annexes III à XXXI incluses au même arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 : une nouvelle classification de subdivisions structurelles existantes au sein de disciplines existantes;
17° par dérogation à l'article 8, § 4, du décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2006 fixant les critères d'approbation et les modalités d'introduction des programmes d'études : l'utilisation de programmes d'études sans prendre en compte les modalités d'approbation en vigueur;
18° par dérogation à l'article 2, 1°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : la définition d'un primo-arrivant allophone comme un élève ayant au moins onze ans et n'ayant pas encore atteint l'âge de dix-huit ans au plus tard le 31 décembre après le début de l'année scolaire. Le cas échéant, il n'est pas accordé de périodes-professeur spécifiques uniquement pour les élèves nouvellement arrivés sur la base de la dérogation mentionnée;
19° par dérogation à l'article 6, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'admission à la première année d'études A comme élève régulier sans avoir fréquenté la sixième année d'études de l'enseignement primaire, à condition que :
a) le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base d'un screening de l'élève;
b) les personnes exerçant l'autorité parentale ou ayant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur marquent leur accord;
20° par dérogation à l'article 24, § 1er, du même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission comme élève régulier à la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs;
21° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la remise des conseils de classe délibérants dans le premier, deuxième ou troisième degré jusqu'à la fin de la deuxième année d'études du degré en question. Le cas échéant :
a) l'attestation d'orientation de la première année d'études du degré en question est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième année d'études de ce degré, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire. Cette attestation est assortie de la décision éventuelle du conseil de classe accompagnateur, aux fins de suivre une filière d'apprentissage adaptée dans l'année d'études supérieure;
b) le conseil de classe délibérant de la première année d'études du degré en question décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé l'année d'études et qui, avant la fin du degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
c) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, s'il ne le possède pas encore, un certificat de l'enseignement fondamental à l'issue de la première année d'études;
22° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission à une année d'études supérieure comme élève régulier, nonobstant des insuffisances pour certaines subdivisions de programme, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable en concertation avec le conseil de classe délibérant de l'année d'études d'où sort l'élève. Le cas échéant :
a) les insuffisances doivent être éliminées avant la fin du degré auquel appartient l'année d'études supérieure;
b) la délivrance d'une attestation d'orientation est remplacée par la délivrance d'une attestation de fréquentation régulière des cours en attendant l'élimination des insuffisances;
c) le conseil de classe délibérant de l'année d'études dans laquelle une attestation de fréquentation régulière des cours est délivrée décide tout de même de délivrer une attestation d'orientation à tout élève qui, sans que les insuffisances aient été éliminées, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, s'il ne le possède pas encore, un certificat de l'enseignement fondamental à l'issue de la première année d'études;
23° par dérogation à l'article 56, § 1er, du même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la non-organisation d'une épreuve intégrée à l'issue de l'année scolaire, à condition que l'on travaille constamment de manière intégrée pendant l'année scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 1°, 2°, 3° et 10°, est motivée comme suit : la composition flexible de programmes d'études implique la possibilité d'abandonner le classement rigide en degrés, années d'études, formes d'enseignement, disciplines et subdivisions structurelles. La flexibilité signifie aussi la possibilité d'étaler la charge d'étude et de fréquenter les cours en alternance dans plusieurs établissements d'enseignement. Ces opportunités doivent permettre un développement optimal des talents, des compétences et des centres d'intérêt personnels des élèves, ce qui stimule leur motivation d'apprentissage. De cette manière, il est possible de créer un milieu favorable à un parcours scolaire où les changements fréquents d'écoles ou d'études, les retards scolaires, le bisutage et, enfin, les sorties sans qualification seront réduits au maximum. En conservant des principes tels que les objectifs finaux, les objectifs de développement et la formation de base minimale et en sauvegardant la validation régulière de fin d'études, l'équilibre est préservé entre un enseignement dynamique et innovateur " sur mesure " d'une part et la qualité de l'enseignement et les effets de l'éducation sur la société d'autre part.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 4°, est motivée comme suit : une plus large politique locale de dispenses doit aboutir à un emploi du temps plus efficace et effectif. L'axe de l'enseignement sur des subdivisions de programme qui sont nouvelles pour l'élève concerné ou qui nécessitent une remédiation, permet à l'élève de maintenir son intérêt ainsi que d'éliminer ses insuffisances. Ce sont en effet des éléments essentiels pour un parcours scolaire optimal.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 5°, 6°, et 20°, est motivée comme suit : les années de spécialisation du troisième degré de l'enseignement secondaire technique et artistique sont occupées par des élèves qui sont déjà diplômés et ne relèvent plus de l'obligation scolaire. Les années de spécialisation accroissent la qualification, sont appréciées par l'industrie et favorisent les perspectives d'occupation. Augmenter l'attrait de ces années de spécialisation, non seulement par la prise de mesures au niveau de l'orientation et du contenu, mais également par une meilleure conciliation formation-emploi, peut engendrer des effets positifs pour les travailleurs (potentiels) et les employeurs.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 7°, est motivée comme suit : le premier degré de l'enseignement secondaire est un degré charnière entre l'enseignement primaire et l'enseignement secondaire et est important comme tremplin vers les années d'études supérieures et pour le choix d'études à opérer. Un échec dans le premier degré peut avoir des conséquences négatives, au niveau structurel, pour la suite du parcours scolaire de l'élève, de sorte qu'une intervention préventive s'impose de préférence dans ce degré. Une extension de deux à trois années d'études avec garantie de transition doit donner plus d'espace à l'accomplissement du programme d'études et à un accueil et un accompagnement individuels de l'élève et évite que celui-ci éprouve les effets d'un redoublement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 8°, est motivée comme suit : En rendant le paysage éducatif secondaire dans son ensemble accessible aux aspects éducatifs modulaires, il est possible de réaliser un nombre accru de sorties qualifiées, d'assurer une meilleure adéquation avec les besoins du marché de l'emploi ainsi qu'une meilleure transparence de l'offre d'enseignement, de multiplier les expériences de succès intermédiaires des élèves et de les inciter à apprendre tout au long de la vie.
La nécessité de la dérogation, telle que visée aux points 9° et 18°, est motivée comme suit : en éliminant la stricte délimitation que l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones est une formation d'une seule année et réservée à des élèves âgés de plus de 12 ans, le rendement de cette structure d'enseignement spécifique peut être augmenté. Cela signifie, que les primo-arrivants, même " d'un âge avancé " peuvent, après avoir subi une immersion linguistique, accéder à l'enseignement secondaire, et que les primo-arrivants peuvent toujours, par le biais d'une seconde année d'accueil, suivre un cours intensif de langue, ce qui leur donne de meilleures chances de réussite par après.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 11°, est motivée comme suit : les établissements d'enseignement et les équipes d'enseignants se voient posés devant le défi permanent d'intégrer la matière d'une façon captivante et actuelle. L'appel fait à des conférenciers externes à l'école, qui approchent l'enseignement de la vie et élargissent l'horizon, s'inscrit dans la poursuite de formes de travail pédagogiques-didactiques appropriées. Inversement la confrontation au processus d'enseignement peut également engendrer une plus-value pour les conférenciers, créant ainsi une situation gagnant-gagnant.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 12°, est motivée comme suit : dans l'état actuel des choses, cataloguer les ensembles pédagogiques en branches et les classer en rubriques s'opère surtout sur la base de la réglementation relative aux personnels. Les tendances dans l'enseignement vont vers une intégration de branches, avec entre autres une approche multidisciplinaire ou thématique et un estompage de la stricte différence entre la théorie et la pratique. Le fait de placer les charges d'enseignement et les missions connexes sous le dénominateur de tâches pédagogiques spéciales peut apporter une solution au problème de compatibilité entre les innovations pédagogiques et l'application de la réglementation applicable aux personnels. De plus, la technique des heures assimilées à des heures de cours, dont relèvent les tâches pédagogiques, permet au pouvoir organisateur d'augmenter le nombre de personnels qu'il faut à la place qu'il faut, compte tenu de l'expérience, l'expertise et la motivation dont ils font preuve.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 13°, est motivée comme suit : l'enseignement doit pouvoir rester en phase avec les développements socio-économiques, technologiques, sociales et démographiques. Un des instruments pour ce faire est la programmation de l'offre de formations. En libérant les programmations des procédures et des normes, les dispensateurs d'enseignement peuvent appliquer cette technique plus facilement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 14°, est motivée comme suit : le rôle des personnels de gestion et d'appui, le cas échéant, exerçant des fonctions spécifiques dans ce cadre, peut représenter un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental pour des projets d'enseignement interniveaux.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 15° et 16°, est motivée comme suit : l'offre de formations actuelle, classée en disciplines, est arrêtée pour tous les organisateurs d'enseignement de façon limitative et uniforme. Une redistribution de cette offre, entre autres en fonction des centres d'intérêt, peut en augmenter la transparence, accroître l'attrait d'établissements d'enseignement ou de formations, améliorer les choix d'études et optimiser l'organisation scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 17°, est motivée comme suit : avant que les programmes d'études, servant de directive pour les enseignants, puissent être appliqués, il faut suivre une procédure d'approbation en phases jusqu'au niveau des autorités. La suppression de cette procédure peut contribuer à une plus grande sécurité pour les rédacteurs des programmes d'études, une préparation plus approfondie de la mise en oeuvre par les utilisateurs et une correction plus rapide lors de circonstances changées ou de nouveaux besoins. Le maintien absolu du principe des objectifs finaux ou objectifs de développement doit garantir la qualité de l'enseignement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 19°, est motivée comme suit : pour l'instant, l'accès des élèves à la première année A de l'enseignement secondaire est basé sur le principe d'une transition assez aisée depuis l'école primaire. Cette condition formelle peut cependant contenir une méconnaissance des capacités intrinsèques du jeune et freiner ainsi inutilement son parcours scolaire secondaire. Au moyen d'une piste d'entrée complémentaire, une position de démarrage éventuellement justifiée peut être stipulée.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 21° et 22°, est motivée comme suit : l'évaluation des élèves et la validation des études y afférente sont liées à l'année d'études. Le plus souvent, la réussite est nécessaire pour pouvoir faire le passage horizontal ou vertical à l'année d'études supérieure. La réglementation existante sur l'organisation de l'enseignement fait trop abstraction des situations, dans lesquelles souvent les élèves n'affichent pas d'insuffisances sur toutes les subdivisions de programme ou dans lesquelles les programmes d'études ressemblent plus à des programmes de degrés qu'à des plans annuels. S'il est accordé aux organisateurs d'enseignement et notamment aux conseils de classe plus d'alternatives en matière d'évaluation, celle-ci pourra être mieux alignée sur la pratique scolaire concrète et, plus encore, les élèves pourront être approchés à partir de leurs capacités, plutôt qu'à partir de leurs défauts.
§ 4. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, pour la désignation d'un membre du personnel nommé à titre définitif par le biais d'un congé pour l'exercice temporaire d'une autre charge, à l'ordre de l'article 34, § 1er, A, 6°, B, 6°, et C, 6°, de l'article 36, § 2, A, 4°, B, 4°, et C, 4°, et de l'article 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, et C, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente;
2° dans l'enseignement communautaire, le conseil d'administration peut déroger, par décision motivée, aux articles 28 et 28bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;
3° dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, par décision motivée, à l'article 33, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : les membres du personnel nommés définitivement exerçant pour la durée du projet une autre charge que la charge pour laquelle ils sont nommés à titre définitif, doivent prendre congé afin d'assumer temporairement une autre charge. Les écoles sont obligées de donner la priorité aux membres du personnel temporaires avant de désigner des membres du personnel définitifs bénéficiant d'un congé. Pour eux, cela limite les possibilités de désigner pour le projet le membre du personnel disposant des meilleures capacités et de garder ce membre du personnel pour toute la durée du projet. C'est pourquoi les écoles de projets sont autorisées à donner aux propres membres du personnel nommés à titre définitif la priorité sur des personnels temporaires.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement communautaire affectés au projet sont protégés pour la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 3°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement subventionné affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet. "
Art. 7. In hetzelfde besluit wordt een artikel 3ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 3ter. § 1. In bijlage III, die bij dit besluit is gevoegd, worden de afwijkingen vermeld die, geput uit de exhaustieve lijst, per afzonderlijk project mogen worden toegepast. Het project in kwestie wordt aangegeven met een verwijzing naar het volgnummer van het project in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de afwijkingen wordt verwezen naar de punten in kwestie, vermeld in artikel 3bis, § 2, § 3 of § 4, naargelang van het geval.
§ 2. Als de bevoegde inspectie, verificatie of administratie of de stuurgroep de toepassing van een afwijking vaststelt die manifest geen verband houdt met de eigenheid en concrete doelstellingen van het project, dan moet, na de beslissing van die stuurgroep, aan die afwijking binnen een redelijke termijn een einde worden gesteld. Een redelijke termijn houdt rekening met de belangen van leerlingen én personeel en vrijwaart het intrinsieke karakter van het project. "
" Art. 3ter. § 1. In bijlage III, die bij dit besluit is gevoegd, worden de afwijkingen vermeld die, geput uit de exhaustieve lijst, per afzonderlijk project mogen worden toegepast. Het project in kwestie wordt aangegeven met een verwijzing naar het volgnummer van het project in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de afwijkingen wordt verwezen naar de punten in kwestie, vermeld in artikel 3bis, § 2, § 3 of § 4, naargelang van het geval.
§ 2. Als de bevoegde inspectie, verificatie of administratie of de stuurgroep de toepassing van een afwijking vaststelt die manifest geen verband houdt met de eigenheid en concrete doelstellingen van het project, dan moet, na de beslissing van die stuurgroep, aan die afwijking binnen een redelijke termijn een einde worden gesteld. Een redelijke termijn houdt rekening met de belangen van leerlingen én personeel en vrijwaart het intrinsieke karakter van het project. "
Art. 7. Dans le même arrêté, il est inséré un article 3ter, rédigé comme suit :
" Art. 3ter. § 1er. Dans l'annexe III au présent arrêté sont reprises les dérogations qui, puisées dans la liste exhaustive, peuvent être appliquées par projet distinct. Le projet en question est indiqué au moyen d'une référence au numéro d'ordre de ce projet dans l'annexe II au présent arrêté. Pour les dérogations, référence est faite aux points concernés, visés à l'article 3bis, § 2, § 3 ou § 4, le cas échéant.
§ 2. Si l'inspection, la vérification ou l'administration compétente ou le comité directeur constate une dérogation n'ayant manifestement aucun rapport ni avec la spécificité ni avec les objectifs concrets du projet, il faut, par décision de ce comité directeur, mettre fin à cette dérogation dans un délai raisonnable. Un délai raisonnable tient compte des intérêts des élèves ainsi que du personnel et garantit le caractère intrinsèque du projet. "
" Art. 3ter. § 1er. Dans l'annexe III au présent arrêté sont reprises les dérogations qui, puisées dans la liste exhaustive, peuvent être appliquées par projet distinct. Le projet en question est indiqué au moyen d'une référence au numéro d'ordre de ce projet dans l'annexe II au présent arrêté. Pour les dérogations, référence est faite aux points concernés, visés à l'article 3bis, § 2, § 3 ou § 4, le cas échéant.
§ 2. Si l'inspection, la vérification ou l'administration compétente ou le comité directeur constate une dérogation n'ayant manifestement aucun rapport ni avec la spécificité ni avec les objectifs concrets du projet, il faut, par décision de ce comité directeur, mettre fin à cette dérogation dans un délai raisonnable. Un délai raisonnable tient compte des intérêts des élèves ainsi que du personnel et garantit le caractère intrinsèque du projet. "
Art. 8. Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage III toegevoegd, waarvan de tekst is opgenomen in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 8. Au même arrêté, il est ajouté une annexe III, dont le texte figure à l'annexe Ire au présent arrêté.
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2008 houdende goedkeuring van aanvullend geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren.
CHAPITRE IV. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er février 2008 portant approbation des projets temporaires sélectionnés sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail.
Art. 9. In het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2008 houdende goedkeuring van aanvullend geselecteerde tijdelijke projecten rond studie- en beroepskeuze en rond werkplekleren wordt een artikel 2bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 2bis. § 1. In § 2 tot en met § 4 staat een exhaustieve opsomming van alle mogelijke afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen binnen de tijdelijke projecten met een motivatie.
§ 2. Voor de scholen en leerlingen van het basisonderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 20, § 2, 2°, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het deelnemen aan onderwijsactiviteiten in andere scholen binnen hetzelfde project, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of de leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. In voorkomend geval blijft het principe gelden dat een leerling slechts in één school ingeschreven kan zijn;
2° in afwijking van artikel 153sexies, § 3, § 4 en § 5, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het overdragen van de puntenenveloppen om een zorgbeleid te voeren, en om ICT-ondersteuning en administratieve ondersteuning te bieden, van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs binnen hetzelfde project. Punten die worden overgedragen moeten worden geput uit het aantal punten dat in aanmerking komt voor de overdracht naar de scholengemeenschap. Die punten kunnen in het secundair onderwijs aangewend worden voor ondersteunend personeel als vermeld in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen biedt de gelegenheid de opgebouwde expertise van elke afzonderlijke instelling ten voordele van het leer- en opvoedingsproces van de jongere te benutten.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : de rol van het ondersteunend personeel kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten beleids- en ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het basis- naar het secundair onderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
§ 3. Voor de scholen en leerlingen van het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximumaantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs, en van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 met betrekking tot de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 : het niet-opleggen van een maximumaantal wekelijkse lestijden per structuuronderdeel voor financiering of subsidiëring;
2° in afwijking van artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, en van artikel 4, § 2, en artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het laten volgen van lessen door leerlingen in andere onderwijsinstellingen die aan hetzelfde project deelnemen, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement en na instemming van de betrokken leraars van de andere onderwijsinstellingen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze niet tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve raadgevend in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
c) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze wel tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve stemgerechtigd in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
3° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het flexibel, al dan niet leerjaaroverschrijdend, invullen of differentiëren van wekelijkse lessentabellen bij periode, leerlingengroep of individuele leerling, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad voor leerlingen een gunstige beslissing heeft genomen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) moeten de leerplandoelstellingen bereikbaar blijven;
4° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van een bepaald structuuronderdeel, dat al dan niet wordt overgezeten, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt omdat de leerling al geslaagd is voor die programmaonderdelen in het secundair onderwijs. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
5° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
6° in afwijking van artikel 49, 1°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het uitbreiden van de tweejarige structuur van de eerste graad naar een driejarige structuur, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement. In voorkomend geval :
a) is voor inschrijving, elk schooljaar opnieuw en telkens na kennisname van het gemotiveerde advies van de toelatingsklassenraad, het voorafgaande schriftelijke akkoord vereist van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
b) wordt het derde leerjaar geacht zich te bevinden op het niveau van het tweede leerjaar van de eerste graad, dat is opgebouwd uit basisopties;
c) wordt het oriënteringsattest van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede respectievelijk het derde leerjaar als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt aan elke leerling, voor zover hij dat nog niet in zijn bezit heeft, op het einde van het eerste leerjaar een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt;
e) wordt aan elke leerling op het einde van het derde leerjaar een getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs uitgereikt, samen met een oriënteringsattest A of B;
f) beslist de delibererende klassenraad van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de eerste graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
7° in afwijking van artikel 50 van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het invoeren, ongeacht de graad, de onderwijsvorm of het structuuronderdeel, van aspecten van modulaire onderwijsinrichting zoals die door de decreet- of regelgever worden vastgelegd;
8° in afwijking van artikel 51, laatste gedachtestreepje, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990, en van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het organiseren van een tweede onthaaljaar, voorbehouden aan leerlingen die het eerste onthaaljaar hebben gevolgd. In voorkomend geval :
a) omvat de wekelijkse lessentabel maximaal vierendertig lestijden, waaronder :
1) twee lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer, eigen cultuur en religie of cultuurbeschouwing (de laatste twee vakken zijn voorbehouden aan het vrij onderwijs);
2) minstens acht lestijden Nederlands voor nieuwkomers.
De overige lestijden worden door de klassenraad ingevuld afhankelijk van de individuele leerling;
b) vindt de studiebekrachtiging plaats naar analogie van de studiebekrachtiging in een leerjaar van de eerste graad, afhankelijk van de individuele leerling;
c) worden geen specifieke uren-leraar toegekend;
d) wordt voor de toepassing van alle andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen het tweede onthaaljaar gelijkgesteld aan het eerste onthaaljaar;
9° in afwijking van artikel 53, § 1, en artikel 54, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het niet-koppelen van de respectieve basisvormingen van de eerste graad aan een minimumaantal wekelijkse lestijden;
10° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het aanwenden van uren-leraar voor de aanwerving van voordrachtgevers ten belope van maximaal 5 % van het voor de onderwijsinstelling beschikbare pakket uren-leraar. In voorkomend geval wordt de vergoeding van die voordrachtgevers geregeld conform de bepalingen, vigerend in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
11° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het realiseren van wekelijkse lessentabellen, met eventuele vakkenintegratie, op basis van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald in de vorm van bijzondere pedagogische taken;
12° in afwijking van artikel 7, § 1, artikel 28 en 38 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs : het zonder normering programmeren van structuuronderdelen onder bestaande benamingen, nieuwe benamingen of de benaming proeftuin en, met uitzondering van de eerste graad, de rangschikking van die structuuronderdelen binnen de bestaande studiegebieden of in het studiegebied proeftuin. In voorkomend geval :
a) moet het aldus opgerichte structuuronderdeel worden afgebouwd na beëindiging van het tijdelijke project, tenzij andersluidende overheidsbeslissing;
b) wordt, zo het structuuronderdeel een nieuwe benaming of de benaming proeftuin draagt, als leerlingencoëfficiënt binnen de vaststellingsregeling van de lerarenomkadering de coëfficiënt genomen van het structuuronderdeel dat inhoudelijk het dichtst aanleunt bij het geprogrammeerde structuuronderdeel;
13° in afwijking van artikel 98, § 1, en artikel 98bis, § 1, van hetzelfde decreet van 14 juli 1998 : het overdragen van punten ondersteunend personeel van het secundair onderwijs naar het basisonderwijs binnen hetzelfde project. Die punten kunnen in het basisonderwijs aangewend worden voor beleids- en ondersteunend personeel als vermeld in het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;
14° in afwijking van bijlage III tot en met XXXI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de studiegebieden en structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs : het herindelen van bestaande structuuronderdelen binnen bestaande studiegebieden;
15° in afwijking van artikel 8, § 4, van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen : het hanteren van leerplannen zonder de vigerende goedkeuringsregeling in aanmerking te nemen;
16° in afwijking van artikel 2, 1°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het definiëren van een anderstalige nieuwkomer als een leerling die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens elf jaar is en anderzijds geen achttien jaar geworden is. In voorkomend geval worden, louter voor de leerlingen die op basis van de vermelde afwijking instromen, geen specifieke uren-leraar toegekend;
17° in afwijking van artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het toelaten als regelmatige leerling tot het eerste leerjaar A zonder het zesde leerjaar van het lager onderwijs te hebben gevolgd mits :
a) de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van screening van de leerling;
b) de personen akkoord gaan die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
18° in afwijking van artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties;
19° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het uitstellen van delibererende klassenraden in de eerste, de tweede, respectievelijk de derde graad tot het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie. In voorkomend geval :
a) wordt het oriënteringsattest van het eerste leerjaar van de graad in kwestie vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede leerjaar van die graad als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt. Bij dat attest wordt de eventuele beslissing van de begeleidende klassenraad gevoegd om in het hogere leerjaar een aangepast leertraject te volgen;
b) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
c) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
20° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot een hoger leerjaar niettegenstaande tekorten voor bepaalde programmaonderdelen, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt in overleg met de delibererende klassenraad van het leerjaar waaruit de leerling komt. In voorkomend geval :
a) moeten de tekorten worden weggewerkt voor het einde van de graad waarbinnen het hogere leerjaar zich bevindt;
b) wordt de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;
c) beslist de delibererende klassenraad van het leerjaar waarin een attest van regelmatige lesbijwoning werd uitgereikt, alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die, zonder dat de tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
21° in afwijking van artikel 56, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het niet-organiseren van een geïntegreerde proef op het einde van het schooljaar mits tijdens het schooljaar permanent geïntegreerd wordt gewerkt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, 2°, 3° en 9°, is de volgende : de flexibele samenstelling van leerprogramma's impliceert de mogelijkheid tot het doorbreken van de rigide indeling in graden, leerjaren, onderwijsvormen, studiegebieden en structuuronderdelen. Flexibiliteit betekent ook de mogelijkheid tot spreiding van studiebelasting en tot alternerende lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen. Door die opportuniteiten moeten persoonlijke talenten, competenties en interesses van leerlingen optimaal tot ontwikkeling kunnen komen, waardoor leermotivatie wordt gestimuleerd. Op die wijze kan een voedingsbodem worden gecreëerd voor een studieloopbaan waarin veelvuldige school- of studieverandering, leerachterstand, zittenblijven en, ten slotte, ongekwalificeerde uitstroom maximaal worden teruggedrongen. Door handhaving van principes zoals eindtermen, ontwikkelingsdoelen en minimale basisvorming en door behoud van de reguliere eindstudiebekrachtiging wordt het evenwicht bewaakt tussen een dynamisch en vernieuwend onderwijs op maat enerzijds en onderwijskwaliteit en civiele onderwijseffecten anderzijds.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 4°, is de volgende : het hanteren van een ruimer lokaal vrijstellingenbeleid moet in een efficiëntere en effectievere tijdsbesteding resulteren. Door de lesverstrekking te focussen op programmaonderdelen die voor de betrokken leerling nieuw zijn of remediëring vereisen, kan zijn belangstelling gewekt blijven en kunnen zijn tekorten worden weggewerkt, wat essentiële elementen zijn voor een optimale studieloopbaan.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 5° en 18°, is de volgende : de specialisatiejaren van de derde graad technisch en kunstsecundair onderwijs worden bevolkt door leerlingen die al gediplomeerd en niet meer leerplichtig zijn. Specialisatiejaren zijn kwalificatieverhogend, worden gewaardeerd door het bedrijfsleven en bevorderen de tewerkstellingsperspectieven. De aantrekkingskracht van die specialisatiejaren verhogen door maatregelen te nemen op het vlak van toeleiding en invulling, maar ook door opleiding én werk combineerbaar te maken, kan positieve effecten sorteren voor (potentiële) werknemers en werkgevers.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 6°, is de volgende : de eerste graad secundair onderwijs is een scharniergraad tussen het lager en secundair onderwijs en belangrijk in de opstap naar en studiekeuze in de hogere leerjaren. Falen in de eerste graad kan structureel negatieve gevolgen hebben voor de verdere studieloopbaan, zodat bij uitstek in die graad preventief moet worden opgetreden. Uitbreiding van twee naar drie leerjaren met doorstroomgarantie moet meer ruimte geven voor leerplanafwerking en individuele opvang en begeleiding en vermijdt het emotioneel geladen zittenblijven.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 7°, is de volgende : door het volledige secundaironderwijslandschap toegankelijk te maken voor modulaire onderwijsaspecten, kan een groei worden gerealiseerd in gekwalificeerde uitstroom, in afstemming op de arbeidsmarkt, in transparantie van het onderwijsaanbod, in tussentijdse succesbelevingen van leerlingen en in hun stimulans tot levenslang leren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 8° en 16°, is de volgende : door de strikte begrenzing weg te nemen dat onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers een eenjarige opleiding is en voorbehouden aan plus 12-jarigen, kan het rendement van die specifieke onderwijsvoorziening worden verhoogd. Daaronder wordt dan verstaan dat nieuwkomers, na een intensief taalbad, ook op leeftijd in het secundair onderwijs kunnen stappen, respectievelijk dat nieuwkomers via een tweede onthaaljaar nog steeds intensief taalonderricht kunnen krijgen, waardoor ze nadien over betere slaagkansen beschikken.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 10°, is de volgende : onderwijsinstellingen en lerarenteams staan voor de permanente uitdaging om de leerstof op een boeiende en eigentijdse wijze te verwerken. Inschakeling van schoolexterne voordrachtgevers, die het onderwijs levensechter maken en een horizonverruimende dimensie aanbrengen, past in het streven naar gepaste pedagogisch-didactische werkvormen. Omgekeerd kan confrontatie met het onderwijsproces ook voor voordrachtgevers een meerwaarde genereren, zodat een win-winsituatie ontstaat.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 11°, is de volgende : leerstofpakketten catalogiseren in vakken en daarop een vakkenrubricering toepassen, gebeurt in de huidige stand van zaken vooral op grond van personeelsregelgeving. Onderwijstrends gaan echter steeds vaker in de richting van integratie van vakken, met onder meer multidisciplinaire of thematische aanpak en vervaging van het strikte onderscheid tussen theorie en praktijk. Les- en verwante onderwijsopdrachten onder de noemer van bijzondere pedagogische taken plaatsen, kan uitkomst bieden om onderwijskundige vernieuwingen te verzoenen met toepassing van de vigerende personeelsregelgeving. Daarenboven biedt de techniek van de met lesuren gelijkgestelde uren, waaronder bijzondere pedagogische taken ressorteren, de mogelijkheid aan de inrichtende macht om het inzetten van het juiste personeelslid op de juiste plaats op te voeren, rekening houdend met ervaring, deskundigheid en motivatie.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 12°, is de volgende : onderwijs moet gelijke tred kunnen houden met socio-economische, technologische, maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Programmatie van het opleidingenaanbod is een van de instrumenten daartoe. Door programmaties procedure- en normloos te maken, kunnen onderwijsverstrekkers die techniek eenvoudiger hanteren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 13°, is de volgende : de rol van het beleids- en ondersteunend personeel, in voorkomend geval toegespitst op specifieke ambten binnen die formatie, kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het secundair naar het basisonderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 14°, is de volgende : het huidige opleidingenaanbod ligt, gerangschikt in studiegebieden, limitatief en eenduidig voor alle onderwijsorganisatoren vast. Herverdeling van dat aanbod, onder meer op basis van belangstellingsdomeinen, kan de transparantie ervan verhogen, de attractiviteit van onderwijsinstellingen of opleidingen doen toenemen, studiekeuzes verbeteren en de schoolorganisatie optimaliseren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 15°, is de volgende : voor leerplannen, als leidraad voor lesgevers, kunnen worden toegepast, moet een gefaseerde goedkeuringsprocedure worden doorlopen tot op overheidsniveau. Het opheffen van die procedure kan bijdragen tot meer zekerheid voor de leerplanmakers, grondigere voorbereiding van implementatie door de gebruikers en snellere bijsturing bij gewijzigde omstandigheden of nieuwe behoeften. Onverkort behoud van het principe van de eindtermen of ontwikkelingsdoelen moet borg staan voor onderwijskwaliteit.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 17°, is de volgende : de toegang van leerlingen tot het eerste leerjaar A van het secundair onderwijs is momenteel gebaseerd op het beginsel van vrij naadloze instroom vanuit de lagere school. Die formele voorwaarde kan echter een miskenning inhouden van de intrinsieke capaciteiten van de jongere en daardoor zijn secundaire studieloopbaan nodeloos remmen. Aan de hand van een aanvullende instappiste kan een mogelijk terechte startpositie worden bedongen.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 19°, 20° en 21°, is de volgende : leerlingenevaluatie en de daarop aansluitende studiebekrachtiging is leerjaargebonden. Slagen is meestal noodzakelijk om de horizontale of verticale overstap naar het hogere leerjaar te kunnen zetten. Van situaties waarin leerlingen vaak niet op alle programmaonderdelen tekorten hebben of waarin leerplannen meer graad- dan jaarplannen zijn, maakt de bestaande regelgeving op de onderwijsorganisatie al te veel abstractie. Door aan onderwijsorganisatoren en inzonderheid klassenraden meer alternatieven op het vlak van evaluatie te verlenen, kan die evaluatie meer op de concrete schoolpraktijk worden geënt en, niet het minst, kunnen leerlingen meer vanuit hun capaciteiten dan vanuit hun gebreken worden benaderd.
§ 4. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs en het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° het schoolbestuur of de inrichtende macht kan voor de aanstelling van een vastbenoemd personeelslid via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, afwijken van de volgorde, vermeld in artikel 34, § 1, A, 6°, B, 6°, en C, 6°, in artikel 36, § 2, A, 4°, B, 4°, en C, 4°, en in artikel 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, en C, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;
2° in het gemeenschapsonderwijs kan de raad van bestuur bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 28 en 28bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;
3° in het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur of de inrichtende macht bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 33, § 1, van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : vastbenoemde personeelsleden die voor de duur van het project een andere opdracht uitoefenen dan hun opdracht van vaste benoeming, moeten daarvoor een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De scholen zijn verplicht om voorrang te geven aan tijdelijke personeelsleden voor ze vastbenoemden met een verlof aanstellen. Dat beperkt hun mogelijkheid om voor het project het personeelslid aan te stellen dat beschikt over de beste capaciteiten en ook om dat personeelslid te behouden gedurende het hele project. De projectscholen krijgen daarom de mogelijkheid om voorrang te geven aan hun eigen vastbenoemde personeelsleden boven tijdelijke personeelsleden.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 3°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt. "
" Art. 2bis. § 1. In § 2 tot en met § 4 staat een exhaustieve opsomming van alle mogelijke afwijkingen van de vigerende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen binnen de tijdelijke projecten met een motivatie.
§ 2. Voor de scholen en leerlingen van het basisonderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 20, § 2, 2°, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het deelnemen aan onderwijsactiviteiten in andere scholen binnen hetzelfde project, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of de leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. In voorkomend geval blijft het principe gelden dat een leerling slechts in één school ingeschreven kan zijn;
2° in afwijking van artikel 153sexies, § 3, § 4 en § 5, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 : het overdragen van de puntenenveloppen om een zorgbeleid te voeren, en om ICT-ondersteuning en administratieve ondersteuning te bieden, van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs binnen hetzelfde project. Punten die worden overgedragen moeten worden geput uit het aantal punten dat in aanmerking komt voor de overdracht naar de scholengemeenschap. Die punten kunnen in het secundair onderwijs aangewend worden voor ondersteunend personeel als vermeld in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen biedt de gelegenheid de opgebouwde expertise van elke afzonderlijke instelling ten voordele van het leer- en opvoedingsproces van de jongere te benutten.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : de rol van het ondersteunend personeel kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten beleids- en ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het basis- naar het secundair onderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
§ 3. Voor de scholen en leerlingen van het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° in afwijking van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximumaantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs, en van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 met betrekking tot de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 : het niet-opleggen van een maximumaantal wekelijkse lestijden per structuuronderdeel voor financiering of subsidiëring;
2° in afwijking van artikel 48, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, en van artikel 4, § 2, en artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het laten volgen van lessen door leerlingen in andere onderwijsinstellingen die aan hetzelfde project deelnemen, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement en na instemming van de betrokken leraars van de andere onderwijsinstellingen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze niet tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve raadgevend in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
c) zijn de leraars van de andere onderwijsinstellingen, als ze wel tot dezelfde inrichtende macht behoren, die aan de leerling hebben lesgegeven, ambtshalve stemgerechtigd in de begeleidende en delibererende klassenraad van de onderwijsinstelling van inschrijving;
3° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het flexibel, al dan niet leerjaaroverschrijdend, invullen of differentiëren van wekelijkse lessentabellen bij periode, leerlingengroep of individuele leerling, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad voor leerlingen een gunstige beslissing heeft genomen. In voorkomend geval :
a) blijft het principe van de unieke inschrijving in één onderwijsinstelling en structuuronderdeel onverkort vooropstaan;
b) moeten de leerplandoelstellingen bereikbaar blijven;
4° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van een bepaald structuuronderdeel, dat al dan niet wordt overgezeten, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt omdat de leerling al geslaagd is voor die programmaonderdelen in het secundair onderwijs. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
5° in afwijking van artikel 48, 2°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties. In voorkomend geval moet de gedeeltelijk alternatieve wekelijkse lessentabel minstens achtentwintig lestijden omvatten;
6° in afwijking van artikel 49, 1°, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het uitbreiden van de tweejarige structuur van de eerste graad naar een driejarige structuur, mits dat voorafgaandelijk meegedeeld is via het schoolreglement. In voorkomend geval :
a) is voor inschrijving, elk schooljaar opnieuw en telkens na kennisname van het gemotiveerde advies van de toelatingsklassenraad, het voorafgaande schriftelijke akkoord vereist van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
b) wordt het derde leerjaar geacht zich te bevinden op het niveau van het tweede leerjaar van de eerste graad, dat is opgebouwd uit basisopties;
c) wordt het oriënteringsattest van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede respectievelijk het derde leerjaar als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt aan elke leerling, voor zover hij dat nog niet in zijn bezit heeft, op het einde van het eerste leerjaar een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt;
e) wordt aan elke leerling op het einde van het derde leerjaar een getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs uitgereikt, samen met een oriënteringsattest A of B;
f) beslist de delibererende klassenraad van het eerste respectievelijk het tweede leerjaar alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de eerste graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
7° in afwijking van artikel 50 van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het invoeren, ongeacht de graad, de onderwijsvorm of het structuuronderdeel, van aspecten van modulaire onderwijsinrichting zoals die door de decreet- of regelgever worden vastgelegd;
8° in afwijking van artikel 51, laatste gedachtestreepje, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990, en van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het organiseren van een tweede onthaaljaar, voorbehouden aan leerlingen die het eerste onthaaljaar hebben gevolgd. In voorkomend geval :
a) omvat de wekelijkse lessentabel maximaal vierendertig lestijden, waaronder :
1) twee lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer, eigen cultuur en religie of cultuurbeschouwing (de laatste twee vakken zijn voorbehouden aan het vrij onderwijs);
2) minstens acht lestijden Nederlands voor nieuwkomers.
De overige lestijden worden door de klassenraad ingevuld afhankelijk van de individuele leerling;
b) vindt de studiebekrachtiging plaats naar analogie van de studiebekrachtiging in een leerjaar van de eerste graad, afhankelijk van de individuele leerling;
c) worden geen specifieke uren-leraar toegekend;
d) wordt voor de toepassing van alle andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen het tweede onthaaljaar gelijkgesteld aan het eerste onthaaljaar;
9° in afwijking van artikel 53, § 1, en artikel 54, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het niet-koppelen van de respectieve basisvormingen van de eerste graad aan een minimumaantal wekelijkse lestijden;
10° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het aanwenden van uren-leraar voor de aanwerving van voordrachtgevers ten belope van maximaal 5 % van het voor de onderwijsinstelling beschikbare pakket uren-leraar. In voorkomend geval wordt de vergoeding van die voordrachtgevers geregeld conform de bepalingen, vigerend in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
11° in afwijking van artikel 57, § 3, van hetzelfde decreet van 31 juli 1990 : het realiseren van wekelijkse lessentabellen, met eventuele vakkenintegratie, op basis van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald in de vorm van bijzondere pedagogische taken;
12° in afwijking van artikel 7, § 1, artikel 28 en 38 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs : het zonder normering programmeren van structuuronderdelen onder bestaande benamingen, nieuwe benamingen of de benaming proeftuin en, met uitzondering van de eerste graad, de rangschikking van die structuuronderdelen binnen de bestaande studiegebieden of in het studiegebied proeftuin. In voorkomend geval :
a) moet het aldus opgerichte structuuronderdeel worden afgebouwd na beëindiging van het tijdelijke project, tenzij andersluidende overheidsbeslissing;
b) wordt, zo het structuuronderdeel een nieuwe benaming of de benaming proeftuin draagt, als leerlingencoëfficiënt binnen de vaststellingsregeling van de lerarenomkadering de coëfficiënt genomen van het structuuronderdeel dat inhoudelijk het dichtst aanleunt bij het geprogrammeerde structuuronderdeel;
13° in afwijking van artikel 98, § 1, en artikel 98bis, § 1, van hetzelfde decreet van 14 juli 1998 : het overdragen van punten ondersteunend personeel van het secundair onderwijs naar het basisonderwijs binnen hetzelfde project. Die punten kunnen in het basisonderwijs aangewend worden voor beleids- en ondersteunend personeel als vermeld in het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;
14° in afwijking van bijlage III tot en met XXXI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de studiegebieden en structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs : het herindelen van bestaande structuuronderdelen binnen bestaande studiegebieden;
15° in afwijking van artikel 8, § 4, van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen : het hanteren van leerplannen zonder de vigerende goedkeuringsregeling in aanmerking te nemen;
16° in afwijking van artikel 2, 1°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon voltijds secundair onderwijs : het definiëren van een anderstalige nieuwkomer als een leerling die uiterlijk op 31 december na de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens elf jaar is en anderzijds geen achttien jaar geworden is. In voorkomend geval worden, louter voor de leerlingen die op basis van de vermelde afwijking instromen, geen specifieke uren-leraar toegekend;
17° in afwijking van artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs : het toelaten als regelmatige leerling tot het eerste leerjaar A zonder het zesde leerjaar van het lager onderwijs te hebben gevolgd mits :
a) de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van screening van de leerling;
b) de personen akkoord gaan die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben;
18° in afwijking van artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties;
19° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het uitstellen van delibererende klassenraden in de eerste, de tweede, respectievelijk de derde graad tot het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie. In voorkomend geval :
a) wordt het oriënteringsattest van het eerste leerjaar van de graad in kwestie vervangen door een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede leerjaar van die graad als dat leerjaar onder de toepassing van de afwijkende regeling valt. Bij dat attest wordt de eventuele beslissing van de begeleidende klassenraad gevoegd om in het hogere leerjaar een aangepast leertraject te volgen;
b) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die voor het einde van de graad overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
c) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
20° in afwijking van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het toelaten als regelmatige leerling tot een hoger leerjaar niettegenstaande tekorten voor bepaalde programmaonderdelen, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt in overleg met de delibererende klassenraad van het leerjaar waaruit de leerling komt. In voorkomend geval :
a) moeten de tekorten worden weggewerkt voor het einde van de graad waarbinnen het hogere leerjaar zich bevindt;
b) wordt de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;
c) beslist de delibererende klassenraad van het leerjaar waarin een attest van regelmatige lesbijwoning werd uitgereikt, alsnog om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die, zonder dat de tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een onderwijsinstelling die of een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van de afwijkende regeling valt;
d) wordt in de eerste graad aan elke leerling, als hij dat nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt op het einde van het eerste leerjaar;
21° in afwijking van artikel 56, § 1, van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 : het niet-organiseren van een geïntegreerde proef op het einde van het schooljaar mits tijdens het schooljaar permanent geïntegreerd wordt gewerkt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, 2°, 3° en 9°, is de volgende : de flexibele samenstelling van leerprogramma's impliceert de mogelijkheid tot het doorbreken van de rigide indeling in graden, leerjaren, onderwijsvormen, studiegebieden en structuuronderdelen. Flexibiliteit betekent ook de mogelijkheid tot spreiding van studiebelasting en tot alternerende lesbijwoning in verschillende onderwijsinstellingen. Door die opportuniteiten moeten persoonlijke talenten, competenties en interesses van leerlingen optimaal tot ontwikkeling kunnen komen, waardoor leermotivatie wordt gestimuleerd. Op die wijze kan een voedingsbodem worden gecreëerd voor een studieloopbaan waarin veelvuldige school- of studieverandering, leerachterstand, zittenblijven en, ten slotte, ongekwalificeerde uitstroom maximaal worden teruggedrongen. Door handhaving van principes zoals eindtermen, ontwikkelingsdoelen en minimale basisvorming en door behoud van de reguliere eindstudiebekrachtiging wordt het evenwicht bewaakt tussen een dynamisch en vernieuwend onderwijs op maat enerzijds en onderwijskwaliteit en civiele onderwijseffecten anderzijds.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 4°, is de volgende : het hanteren van een ruimer lokaal vrijstellingenbeleid moet in een efficiëntere en effectievere tijdsbesteding resulteren. Door de lesverstrekking te focussen op programmaonderdelen die voor de betrokken leerling nieuw zijn of remediëring vereisen, kan zijn belangstelling gewekt blijven en kunnen zijn tekorten worden weggewerkt, wat essentiële elementen zijn voor een optimale studieloopbaan.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 5° en 18°, is de volgende : de specialisatiejaren van de derde graad technisch en kunstsecundair onderwijs worden bevolkt door leerlingen die al gediplomeerd en niet meer leerplichtig zijn. Specialisatiejaren zijn kwalificatieverhogend, worden gewaardeerd door het bedrijfsleven en bevorderen de tewerkstellingsperspectieven. De aantrekkingskracht van die specialisatiejaren verhogen door maatregelen te nemen op het vlak van toeleiding en invulling, maar ook door opleiding én werk combineerbaar te maken, kan positieve effecten sorteren voor (potentiële) werknemers en werkgevers.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 6°, is de volgende : de eerste graad secundair onderwijs is een scharniergraad tussen het lager en secundair onderwijs en belangrijk in de opstap naar en studiekeuze in de hogere leerjaren. Falen in de eerste graad kan structureel negatieve gevolgen hebben voor de verdere studieloopbaan, zodat bij uitstek in die graad preventief moet worden opgetreden. Uitbreiding van twee naar drie leerjaren met doorstroomgarantie moet meer ruimte geven voor leerplanafwerking en individuele opvang en begeleiding en vermijdt het emotioneel geladen zittenblijven.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 7°, is de volgende : door het volledige secundaironderwijslandschap toegankelijk te maken voor modulaire onderwijsaspecten, kan een groei worden gerealiseerd in gekwalificeerde uitstroom, in afstemming op de arbeidsmarkt, in transparantie van het onderwijsaanbod, in tussentijdse succesbelevingen van leerlingen en in hun stimulans tot levenslang leren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 8° en 16°, is de volgende : door de strikte begrenzing weg te nemen dat onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers een eenjarige opleiding is en voorbehouden aan plus 12-jarigen, kan het rendement van die specifieke onderwijsvoorziening worden verhoogd. Daaronder wordt dan verstaan dat nieuwkomers, na een intensief taalbad, ook op leeftijd in het secundair onderwijs kunnen stappen, respectievelijk dat nieuwkomers via een tweede onthaaljaar nog steeds intensief taalonderricht kunnen krijgen, waardoor ze nadien over betere slaagkansen beschikken.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 10°, is de volgende : onderwijsinstellingen en lerarenteams staan voor de permanente uitdaging om de leerstof op een boeiende en eigentijdse wijze te verwerken. Inschakeling van schoolexterne voordrachtgevers, die het onderwijs levensechter maken en een horizonverruimende dimensie aanbrengen, past in het streven naar gepaste pedagogisch-didactische werkvormen. Omgekeerd kan confrontatie met het onderwijsproces ook voor voordrachtgevers een meerwaarde genereren, zodat een win-winsituatie ontstaat.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 11°, is de volgende : leerstofpakketten catalogiseren in vakken en daarop een vakkenrubricering toepassen, gebeurt in de huidige stand van zaken vooral op grond van personeelsregelgeving. Onderwijstrends gaan echter steeds vaker in de richting van integratie van vakken, met onder meer multidisciplinaire of thematische aanpak en vervaging van het strikte onderscheid tussen theorie en praktijk. Les- en verwante onderwijsopdrachten onder de noemer van bijzondere pedagogische taken plaatsen, kan uitkomst bieden om onderwijskundige vernieuwingen te verzoenen met toepassing van de vigerende personeelsregelgeving. Daarenboven biedt de techniek van de met lesuren gelijkgestelde uren, waaronder bijzondere pedagogische taken ressorteren, de mogelijkheid aan de inrichtende macht om het inzetten van het juiste personeelslid op de juiste plaats op te voeren, rekening houdend met ervaring, deskundigheid en motivatie.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 12°, is de volgende : onderwijs moet gelijke tred kunnen houden met socio-economische, technologische, maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Programmatie van het opleidingenaanbod is een van de instrumenten daartoe. Door programmaties procedure- en normloos te maken, kunnen onderwijsverstrekkers die techniek eenvoudiger hanteren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 13°, is de volgende : de rol van het beleids- en ondersteunend personeel, in voorkomend geval toegespitst op specifieke ambten binnen die formatie, kan voor een project een kritieke succesfactor zijn. Punten ondersteunend personeel overdraagbaar maken van het secundair naar het basisonderwijs kan daarbij in onderwijsniveauoverschrijdende projecten een adequaat hulpmiddel zijn.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 14°, is de volgende : het huidige opleidingenaanbod ligt, gerangschikt in studiegebieden, limitatief en eenduidig voor alle onderwijsorganisatoren vast. Herverdeling van dat aanbod, onder meer op basis van belangstellingsdomeinen, kan de transparantie ervan verhogen, de attractiviteit van onderwijsinstellingen of opleidingen doen toenemen, studiekeuzes verbeteren en de schoolorganisatie optimaliseren.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 15°, is de volgende : voor leerplannen, als leidraad voor lesgevers, kunnen worden toegepast, moet een gefaseerde goedkeuringsprocedure worden doorlopen tot op overheidsniveau. Het opheffen van die procedure kan bijdragen tot meer zekerheid voor de leerplanmakers, grondigere voorbereiding van implementatie door de gebruikers en snellere bijsturing bij gewijzigde omstandigheden of nieuwe behoeften. Onverkort behoud van het principe van de eindtermen of ontwikkelingsdoelen moet borg staan voor onderwijskwaliteit.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 17°, is de volgende : de toegang van leerlingen tot het eerste leerjaar A van het secundair onderwijs is momenteel gebaseerd op het beginsel van vrij naadloze instroom vanuit de lagere school. Die formele voorwaarde kan echter een miskenning inhouden van de intrinsieke capaciteiten van de jongere en daardoor zijn secundaire studieloopbaan nodeloos remmen. Aan de hand van een aanvullende instappiste kan een mogelijk terechte startpositie worden bedongen.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 19°, 20° en 21°, is de volgende : leerlingenevaluatie en de daarop aansluitende studiebekrachtiging is leerjaargebonden. Slagen is meestal noodzakelijk om de horizontale of verticale overstap naar het hogere leerjaar te kunnen zetten. Van situaties waarin leerlingen vaak niet op alle programmaonderdelen tekorten hebben of waarin leerplannen meer graad- dan jaarplannen zijn, maakt de bestaande regelgeving op de onderwijsorganisatie al te veel abstractie. Door aan onderwijsorganisatoren en inzonderheid klassenraden meer alternatieven op het vlak van evaluatie te verlenen, kan die evaluatie meer op de concrete schoolpraktijk worden geënt en, niet het minst, kunnen leerlingen meer vanuit hun capaciteiten dan vanuit hun gebreken worden benaderd.
§ 4. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs en het secundair onderwijs gelden de hiernavolgende bepalingen :
1° het schoolbestuur of de inrichtende macht kan voor de aanstelling van een vastbenoemd personeelslid via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, afwijken van de volgorde, vermeld in artikel 34, § 1, A, 6°, B, 6°, en C, 6°, in artikel 36, § 2, A, 4°, B, 4°, en C, 4°, en in artikel 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, en C, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;
2° in het gemeenschapsonderwijs kan de raad van bestuur bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 28 en 28bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;
3° in het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur of de inrichtende macht bij gemotiveerde beslissing afwijken van artikel 33, § 1, van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 1°, is de volgende : vastbenoemde personeelsleden die voor de duur van het project een andere opdracht uitoefenen dan hun opdracht van vaste benoeming, moeten daarvoor een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De scholen zijn verplicht om voorrang te geven aan tijdelijke personeelsleden voor ze vastbenoemden met een verlof aanstellen. Dat beperkt hun mogelijkheid om voor het project het personeelslid aan te stellen dat beschikt over de beste capaciteiten en ook om dat personeelslid te behouden gedurende het hele project. De projectscholen krijgen daarom de mogelijkheid om voorrang te geven aan hun eigen vastbenoemde personeelsleden boven tijdelijke personeelsleden.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 2°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt.
De motivering van de noodzaak tot een afwijking als vermeld in punt 3°, is de volgende : tijdelijke personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs die ingezet worden in het project, worden beschermd gedurende het hele project. Zonder de afwijking loopt de projectschool het risico dat een ander personeelslid uit de scholengemeenschap kandideert en benoemd wordt in de betrekking, waardoor het project in gevaar komt. "
Art. 9. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er février 2008 portant approbation des projets temporaires sélectionnés sur le plan du choix des études et de l'orientation professionnelle et sur le plan de l'apprentissage sur le lieu du travail, il est inséré un article 2bis ainsi rédigé :
" Art. 2bis. § 1er. Les §§ 2 à 4 inclus comportent une liste exhaustive de toutes les dérogations possibles, assorties de motivations, aux dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquant aux projets temporaires.
§ 2. Aux écoles et élèves de l'enseignement fondamental s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 20, § 2, 2°, du décret relatif a l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : la participation à des activités d'enseignement dans d'autres écoles associées au même projet, à condition que ce soit communiqué au préalable aux personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève. Le cas échéant, le principe qu'un élève ne peut être inscrit que dans une seule école reste d'application;
2° par dérogation à l'article 153sexies, §§ 3, 4 et 5, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : le transfert d'enveloppes de points de l'enseignement fondamental vers l'enseignement secondaire au sein du même projet pour assurer un encadrement renforcé et offrir un encadrement TIC et administratif. Les points reportés doivent être puisés dans le nombre de points admissibles au transfert au centre d'enseignement. Ces points peuvent être utilisés dans l'enseignement secondaire pour des personnels d'appui, tels que visés au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : la fréquentation des cours dans plusieurs établissements d'enseignement permet d'utiliser l'expertise de chaque établissement en faveur du processus d'apprentissage et éducatif du jeune.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : le rôle du personnel d'appui peut être un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire pour des projets d'enseignement interniveaux.
§ 3. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 2 de l'arrêté royal n° 2 du 21 août 1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire de plein exercice, et à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3 : la non-imposition d'un nombre maximum de périodes hebdomadaires par subdivision structurelle pour financement ou subventionnement;
2° par dérogation à l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, et aux articles 4, § 2, et 5, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'autorisation aux élèves de suivre des cours auprès d'autres établissements d'enseignement associés au même projet, à condition que ce soit préalablement communiqué par le biais du règlement d'école et moyennant l'accord des enseignants intéressés des autres établissements d'enseignement. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix consultative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement n'appartiennent pas au même pouvoir organisateur;
c) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donne cours à l'élève ont d'office voix délibérative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement appartiennent au même pouvoir organisateur;
3° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'établissement ou la différentiation flexible, dépassant les années d'études ou non, de grilles horaires hebdomadaires d'après la période, le groupe d'élèves ou l'élève individuel, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur ait prise une décision favorable pour des élèves. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul etablissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les objectifs concernant le programme d'études doivent rester réalisables;
4° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme d'une subdivision structurelle déterminée, doublée ou non, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable parce que l'élève a déjà réussi pour lesdites subdivisions de programme dans l'enseignement secondaire. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
5° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme en troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
6° par dérogation à l'article 49, 1°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'extension de la structure biennale du premier degré à une structure triennale, moyennant communication préalable par le règlement d'école. Le cas échéant :
a) l'accord préalable et écrit des personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur est requis pour l'inscription, chaque année scolaire et chaque fois après prise de connaissance de l'avis motivé du conseil de classe d'admission;
b) la troisième année d'études est censée se trouver au niveau de la deuxième année d'études du premier degre, qui est constituée d'options de base;
c) l'attestation d'orientation de la première, respectivement la deuxième année d'études est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième, respectivement la troisième année d'études, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
e) il est délivré à chaque élève un certificat du premier degré de l'enseignement secondaire à l'issue de la troisième année d'études, ainsi qu'une attestation d'orientation A ou B;
f) le conseil de classe délibérant de la première, respectivement la deuxième année d'études, décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé cette année d'études et qui, avant la fin du premier degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
7° par dérogation à l'article 50 du même décret du 31 juillet 1990 : l'introduction, quel que soit le degré, la filière d'enseignement ou la subdivision structurelle, d'aspects d'organisation modulaire de l'enseignement tels que définis par le législateur ou le législateur décretal;
8° par derogation à l'article 51, dernier tiret, du même décret du 31 juillet 1990, et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : l'organisation d'une deuxième année d'accueil, réservée aux élèves ayant suivi la première année d'accueil. Le cas échéant :
a) la grille horaire hebdomadaire comprend au maximum trente-quatre périodes, dont :
1) deux périodes de religion, de morale non confessionnelle, de propre culture et religion ou de formation culturelle (les deux derniers cours sont réservés à l'enseignement libre);
2) au moins huit périodes de néerlandais pour primo-arrivants.
Les périodes restantes sont comblées par le conseil de classe, en fonction de l'élève individuel;
b) la validation des études s'effectue par analogie avec la validation des études dans une année d'études du premier degré en fonction de l'élève individuel;
c) des périodes-professeur spécifiques ne sont pas accordées;
d) la deuxième année d'accueil est assimilée à la première année d'accueil pour l'application de toutes les autres dispositions légales, décrétales et réglementaires;
9° par dérogation aux articles 53, § 1er, et 54, §§ 1er et 3, du même décret du 31 juillet 1990 : le non-ralliement des formations de base respectives du premier degré à un nombre minimum de périodes hebdomadaires;
10° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : l'utilisation de périodes-professeur pour le recrutement de conférenciers à concurrence de 5 % au maximum du capital " périodes-professeur " dont l'établissement d'enseignement dispose. Le cas échéant, la rétribution de ces conférenciers est réglée conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
11° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : la réalisation de grilles horaires hebdomadaires, éventuellement avec intégration des cours, sur la base d'heures assimilées à des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques spéciales;
12° par dérogation aux articles 7, § 1er, 28 et 38 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental : la programmation sans normes de subdivisions structurelles sous des dénominations existantes, de nouvelles dénominations ou d'une dénomination " proeftuin " (champ d'expérimentation) et, à l'exception du premier degré, le classement de ces subdivisions structurelles dans les disciplines existantes ou dans une discipline " proeftuin ". Le cas échéant :
a) la subdivision structurelle ainsi créée doit être supprimée progressivement à l'expiration du projet temporaire, à moins que l'autorité en décide autrement;
b) si la subdivision structurelle porte une nouvelle dénomination ou la dénomination " proeftuin ", le coefficient de la subdivision structurelle dont le contenu correspond le plus à la subdivision programmée est adopté comme coefficient des élèves s'inscrivant dans les modalités de fixation de l'encadrement des enseignants;
13° par dérogation aux articles 98, § 1er, et 98bis, § 1er, du même décret du 14 juillet 1998 : le transfert de points personnel d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental au sein du même projet. Dans l'enseignement fondamental, ces points peuvent être utilisés pour le personnel de gestion et d'appui, tel que fixé au décret du 25 février 1997 relatif a l'enseignement fondamental;
14° par dérogation aux annexes III à XXXI à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif aux disciplines et subdivisions structurelles dans l'enseignement secondaire : une nouvelle classification de subdivisions structurelles existantes au sein de disciplines existantes;
15° par dérogation à l'article 8, § 4, du décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein et a l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2006 fixant les critères d'approbation et les modalités d'introduction des programmes d'études : l'utilisation de programmes d'études sans prendre en compte les modalités d'approbation en vigueur;
16° par dérogation à l'article 2, 1°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : la définition d'un primo-arrivant allophone comme un élève ayant au moins onze ans et n'ayant pas encore atteint l'âge de dix-huit ans au plus tard le 31 décembre après le debut de l'année scolaire. Le cas échéant, il n'est pas accordé de périodes-professeur spécifiques uniquement pour les élèves nouvellement arrives sur la base de la dérogation mentionnée;
17° par dérogation à l'article 6, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'admission à la première année d'études A comme élève régulier sans avoir fréquenté la sixième année d'études de l'enseignement primaire, à condition que :
a) le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base d'un screening de l'élève;
b) les personnes exerçant l'autorité parentale ou ayant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur marquent leur accord;
18° par dérogation à l'article 24, § 1er, du même arrêté du Gouvernement du 19 juillet 2002 : l'admission comme élève régulier à la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs;
19° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la remise des conseils de classe délibérants dans le premier, deuxième ou troisième degré jusqu'à la fin de la deuxième année d'études du degré en question. Le cas écheant :
a) l'attestation d'orientation de la première année d'etudes du degré en question est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième année d'études de ce degré, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire. Cette attestation est assortie de la décision éventuelle du conseil de classe accompagnateur, aux fins de suivre une filière d'apprentissage adaptée dans l'année d'études supérieure;
b) le conseil de classe délibérant de la première année d'études du degré en question décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé l'année d'études et qui, avant la fin du degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
c) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
20° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission à une année d'études supérieure comme élève régulier, nonobstant des insuffisances pour certaines subdivisions de programme, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable en concertation avec le conseil de classe délibérant de l'année d'études d'où sort l'élève. Le cas échéant :
a) les insuffisances doivent être éliminées avant la fin du degré auquel appartient l'année d'études supérieure;
b) la délivrance d'une attestation d'orientation est remplacée par la délivrance d'une attestation de fréquentation régulière des cours en attendant l'élimination des insuffisances;
c) le conseil de classe délibérant de l'année d'études dans laquelle une attestation de fréquentation régulière des cours est délivrée décide tout de même de délivrer une attestation d'orientation à tout élève qui, sans que les insuffisances aient été éliminées, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
21° par dérogation à l'article 56, § 1er, du même arrêté du Gouvernement du 19 juillet 2002 : la non-organisation d'une épreuve intégrée à l'issue de l'année scolaire, à condition que l'on travaille en permanence de manière intégrée pendant l'année scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 1°, 2°, 3° et 9°, est motivée comme suit : la composition flexible de programmes d'études implique la possibilité d'abandonner le classement rigide en degrés, années d'études, formes d'enseignement, disciplines et subdivisions structurelles. La flexibilité signifie aussi la possibilité d'étaler la charge d'étude et de fréquenter les cours en alternance dans plusieurs établissements d'enseignement. Ces opportunités doivent permettre un développement optimal des talents, des compétences et des centres d'intérêt personnels des élèves, ce qui stimule leur motivation d'apprentissage. De cette manière, il est possible de créer un milieu favorable à un parcours scolaire où les changements fréquents d'écoles ou d'études, les retards scolaires, le bisutage et, enfin, les sorties sans qualification seront réduits au maximum. En conservant des principes tels que les objectifs finaux, les objectifs de développement et la formation de base minimale et en sauvegardant la validation régulière de fin d'études, l'équilibre est preservé entre un enseignement dynamique et innovateur " sur mesure " d'une part et la qualité de l'enseignement et les effets de l'éducation sur la société d'autre part.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 4°, est motivée comme suit : une plus large politique locale de dispenses doit aboutir à un emploi du temps plus efficace et effectif. L'axe de l'enseignement sur des subdivisions de programme qui sont nouvelles pour l'élève concerné ou qui nécessitent une remédiation, permet à l'élève de maintenir son intérêt ainsi que d'éliminer ses insuffisances. Ce sont en effet des éléments essentiels pour un parcours scolaire optimal.
La nécessité d'une derogation, telle que visée aux points 5° et 18°, est motivée comme suit : les années de spécialisation du troisième degré de l'enseignement secondaire technique et artistique sont occupées par des élèves qui sont déjà diplômés et ne relèvent plus de l'obligation scolaire. Les années de spécialisation accroissent la qualification, sont appréciées par l'industrie et favorisent les perspectives d'occupation. Augmenter l'attrait de ces années de spécialisation, non seulement par des mesures au niveau de l'orientation et du contenu, mais également par une meilleure conciliation formation-emploi, peut engendrer des effets positifs pour les travailleurs (potentiels) et les employeurs.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 6°, est motivée comme suit : le premier degré de l'enseignement secondaire est un degré charnière entre l'enseignement primaire et l'enseignement secondaire et est important comme tremplin vers les années d'études supérieures et pour le choix d'études à opérer. Un échec dans le premier degré peut avoir des conséquences négatives, au niveau structurel, pour la suite du parcours scolaire de l'élève, de sorte qu'une intervention préventive s'impose de préférence dans ce degré. Une extension de deux à trois années d'études avec garantie de transition doit donner plus d'espace à l'accomplissement du programme d'études et à un accueil et un accompagnement individuels de l'élève et évite que celui-ci éprouve les effets d'un redoublement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 7°, est motivée comme suit : En rendant le paysage éducatif secondaire dans son ensemble accessible aux aspects éducatifs modulaires, il est possible de réaliser un nombre accru de sorties qualifiées, d'assurer une meilleure adéquation avec les besoins du marche de l'emploi ainsi qu'une meilleure transparence de l'offre d'enseignement, de multiplier les expériences de succès intermédiaires des élèves et de les inciter à apprendre tout au long de la vie.
La nécessite d'une derogation, telle que visée aux points 8° et 16°, est motivée comme suit : en éliminant la stricte délimitation que l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones est une formation d'une seule année et réservée à des élèves âgés de plus de 12 ans, le rendement de cette structure d'enseignement spécifique peut être augmenté. Cela signifie que les primo-arrivants, même " d'un âge avancé ", peuvent, après avoir subi une immersion linguistique, accéder à l'enseignement secondaire, et que les primo-arrivants peuvent toujours, par le biais d'une seconde année d'accueil, suivre un cours intensif de langue, ce qui leur donne de meilleures chances de réussite par après.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 10°, est motivée comme suit : les établissements d'enseignement et les équipes d'enseignants se voient posés devant le défi permanent d'intégrer la matiere d'une façon captivante et actuelle. L'appel fait à des conférenciers externes à l'école, qui approchent l'enseignement de la vie et élargissent l'horizon, s'inscrit dans la poursuite de formes de travail pédagogiques-didactiques appropriées. Inversement la confrontation au processus d'enseignement peut également engendrer une plus-value pour les conférenciers, créant ainsi une situation gagnant-gagnant.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 11°, est motivée comme suit : dans l'état actuel des choses, cataloguer les ensembles pédagogiques en branches et les classer en rubriques s'opère surtout sur la base de la réglementation relative aux personnels. Les tendances dans l'enseignement vont vers une intégration de branches, avec entre autres une approche multidisciplinaire ou thématique et un estompage de la stricte différence entre la theorie et la pratique. Le fait de placer les charges d'enseignement et les missions connexes sous le dénominateur de tâches pédagogiques spéciales peut apporter une solution au problème de compatibilité entre les innovations pédagogiques et l'application de la réglementation applicable aux personnels. De plus, la technique des heures assimilées à des heures de cours, dont relèvent les tâches pedagogiques, permet au pouvoir organisateur d'augmenter le nombre de personnels qu'il faut à la place qu'il faut, compte tenu de l'expérience, l'expertise et la motivation dont ils font preuve.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 12°, est motivée comme suit : l'enseignement doit pouvoir rester en phase avec les développements socio-économiques, technologiques, sociales et démographiques. Un des instruments pour ce faire est la programmation de l'offre de formations. En libérant les programmations des procédures et des normes, les dispensateurs d'enseignement peuvent appliquer cette technique plus facilement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 13°, est motivée comme suit : le rôle des personnels de gestion et d'appui, le cas échéant, exerçant des fonctions spécifiques dans ce cadre, peut représenter un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental pour des projets d'enseignement interniveaux.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 14°, est motivée comme suit : l'offre de formations actuelle, classée en disciplines, est arrêtée pour tous les organisateurs d'enseignement de façon limitative et uniforme. Une redistribution de cette offre, entre autres en fonction des centres d'intérêt, peut en augmenter la transparence, accroître l'attrait d'établissements d'enseignement ou de formations, améliorer les choix d'études et optimiser l'organisation scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 15°, est motivée comme suit : avant que les programmes d'études, servant de directive pour les enseignants, puissent être appliqués, il faut suivre une procédure d'approbation en phases jusqu'au niveau des autorités. La suppression de cette procédure peut contribuer à une plus grande sécurité pour les rédacteurs des programmes d'études, une préparation plus approfondie de la mise en oeuvre par les utilisateurs et une correction plus rapide lors de circonstances changées ou de nouveaux besoins. Le maintien absolu du principe des objectifs finaux ou objectifs de développement doit garantir la qualité de l'enseignement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 17°, est motivée comme suit : pour l'instant, l'acces des élèves à la première année A de l'enseignement secondaire est basé sur le principe d'une transition assez aisée depuis l'école primaire. Cette condition formelle peut cependant contenir une méconnaissance des capacités intrinsèques du jeune et freiner ainsi inutilement son parcours scolaire secondaire. Au moyen d'une piste d'entrée complémentaire, une position de démarrage éventuellement justifiée peut être stipulée.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 19°, 20° et 21° est motivée comme suit : l'évaluation des élèves et la validation des études y afférente sont liées à l'année d'études. Le plus souvent, la réussite est nécessaire pour pouvoir faire le passage horizontal ou vertical à l'année d'études supérieure. La réglementation existante sur l'organisation de l'enseignement fait trop abstraction des situations, dans lesquelles souvent les élèves n'affichent pas d'insuffisances sur toutes les subdivisions de programme ou dans lesquelles les programmes d'études ressemblent plus à des programmes de degrés qu'a des plans annuels. S'il est accordé aux organisateurs d'enseignement et notamment aux conseils de classe plus d'alternatives en matière d'évaluation, celle-ci pourra être mieux alignee sur la pratique scolaire concrète et, plus encore, les élèves pourront être approchés à partir de leurs capacités, plutôt qu'à partir de leurs défauts.
§ 4. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, pour la désignation d'un membre du personnel nommé à titre définitif par le biais d'un congé pour l'exercice temporaire d'une autre charge, à l'ordre de l'article 34, § 1er, A, 6°, B, 6°, et C, 6°, de l'article 36, § 2, A, 4°, B, 4°, et C, 4°, et de l'article 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, et C, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente;
2° dans l'enseignement communautaire, le conseil d'administration peut déroger, par décision motivée, aux articles 28 et 28bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;
3° dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, par décision motivée, à l'article 33, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : les membres du personnel nommés définitivement exerçant pour la durée du projet une autre charge que la charge pour laquelle ils sont nommés à titre définitif, doivent prendre congé afin d'assumer temporairement une autre charge. Les écoles sont obligées de donner la priorité aux membres du personnel temporaires avant de désigner des membres du personnel définitifs bénéficiant d'un congé. Pour eux, cela limite les possibilités de désigner pour le projet le membre du personnel disposant des meilleures capacités et de garder ce membre du personnel pour toute la durée du projet. C'est pourquoi les écoles de projets sont autorisées à donner aux propres membres du personnel nommés à titre définitif la priorite sur des personnels temporaires.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement communautaire affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 3°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement subventionné affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet. "
" Art. 2bis. § 1er. Les §§ 2 à 4 inclus comportent une liste exhaustive de toutes les dérogations possibles, assorties de motivations, aux dispositions légales, décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquant aux projets temporaires.
§ 2. Aux écoles et élèves de l'enseignement fondamental s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 20, § 2, 2°, du décret relatif a l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : la participation à des activités d'enseignement dans d'autres écoles associées au même projet, à condition que ce soit communiqué au préalable aux personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève. Le cas échéant, le principe qu'un élève ne peut être inscrit que dans une seule école reste d'application;
2° par dérogation à l'article 153sexies, §§ 3, 4 et 5, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 : le transfert d'enveloppes de points de l'enseignement fondamental vers l'enseignement secondaire au sein du même projet pour assurer un encadrement renforcé et offrir un encadrement TIC et administratif. Les points reportés doivent être puisés dans le nombre de points admissibles au transfert au centre d'enseignement. Ces points peuvent être utilisés dans l'enseignement secondaire pour des personnels d'appui, tels que visés au décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : la fréquentation des cours dans plusieurs établissements d'enseignement permet d'utiliser l'expertise de chaque établissement en faveur du processus d'apprentissage et éducatif du jeune.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : le rôle du personnel d'appui peut être un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels de gestion et d'appui de l'enseignement fondamental à l'enseignement secondaire pour des projets d'enseignement interniveaux.
§ 3. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° par dérogation à l'article 2 de l'arrêté royal n° 2 du 21 août 1978 fixant le nombre maximum de périodes par semaine de l'enseignement secondaire de plein exercice, et à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 décembre 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 3 : la non-imposition d'un nombre maximum de périodes hebdomadaires par subdivision structurelle pour financement ou subventionnement;
2° par dérogation à l'article 48, 2°, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, et aux articles 4, § 2, et 5, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'autorisation aux élèves de suivre des cours auprès d'autres établissements d'enseignement associés au même projet, à condition que ce soit préalablement communiqué par le biais du règlement d'école et moyennant l'accord des enseignants intéressés des autres établissements d'enseignement. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul établissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donné cours à l'élève ont d'office voix consultative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement n'appartiennent pas au même pouvoir organisateur;
c) les enseignants des autres établissements d'enseignement qui ont donne cours à l'élève ont d'office voix délibérative dans le conseil de classe accompagnateur et délibérant de l'établissement d'enseignement d'inscription, pour autant que ces autres établissements d'enseignement appartiennent au même pouvoir organisateur;
3° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'établissement ou la différentiation flexible, dépassant les années d'études ou non, de grilles horaires hebdomadaires d'après la période, le groupe d'élèves ou l'élève individuel, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur ait prise une décision favorable pour des élèves. Le cas échéant :
a) le principe de l'inscription unique dans un seul etablissement d'enseignement et une seule subdivision structurelle reste intégralement prioritaire;
b) les objectifs concernant le programme d'études doivent rester réalisables;
4° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme d'une subdivision structurelle déterminée, doublée ou non, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable parce que l'élève a déjà réussi pour lesdites subdivisions de programme dans l'enseignement secondaire. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
5° par dérogation à l'article 48, 2°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de programme en troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs. Le cas échéant, la grille horaire hebdomadaire partiellement alternative doit comprendre au moins vingt-huit périodes;
6° par dérogation à l'article 49, 1°, du même décret du 31 juillet 1990 : l'extension de la structure biennale du premier degré à une structure triennale, moyennant communication préalable par le règlement d'école. Le cas échéant :
a) l'accord préalable et écrit des personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur est requis pour l'inscription, chaque année scolaire et chaque fois après prise de connaissance de l'avis motivé du conseil de classe d'admission;
b) la troisième année d'études est censée se trouver au niveau de la deuxième année d'études du premier degre, qui est constituée d'options de base;
c) l'attestation d'orientation de la première, respectivement la deuxième année d'études est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième, respectivement la troisième année d'études, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
e) il est délivré à chaque élève un certificat du premier degré de l'enseignement secondaire à l'issue de la troisième année d'études, ainsi qu'une attestation d'orientation A ou B;
f) le conseil de classe délibérant de la première, respectivement la deuxième année d'études, décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé cette année d'études et qui, avant la fin du premier degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
7° par dérogation à l'article 50 du même décret du 31 juillet 1990 : l'introduction, quel que soit le degré, la filière d'enseignement ou la subdivision structurelle, d'aspects d'organisation modulaire de l'enseignement tels que définis par le législateur ou le législateur décretal;
8° par derogation à l'article 51, dernier tiret, du même décret du 31 juillet 1990, et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : l'organisation d'une deuxième année d'accueil, réservée aux élèves ayant suivi la première année d'accueil. Le cas échéant :
a) la grille horaire hebdomadaire comprend au maximum trente-quatre périodes, dont :
1) deux périodes de religion, de morale non confessionnelle, de propre culture et religion ou de formation culturelle (les deux derniers cours sont réservés à l'enseignement libre);
2) au moins huit périodes de néerlandais pour primo-arrivants.
Les périodes restantes sont comblées par le conseil de classe, en fonction de l'élève individuel;
b) la validation des études s'effectue par analogie avec la validation des études dans une année d'études du premier degré en fonction de l'élève individuel;
c) des périodes-professeur spécifiques ne sont pas accordées;
d) la deuxième année d'accueil est assimilée à la première année d'accueil pour l'application de toutes les autres dispositions légales, décrétales et réglementaires;
9° par dérogation aux articles 53, § 1er, et 54, §§ 1er et 3, du même décret du 31 juillet 1990 : le non-ralliement des formations de base respectives du premier degré à un nombre minimum de périodes hebdomadaires;
10° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : l'utilisation de périodes-professeur pour le recrutement de conférenciers à concurrence de 5 % au maximum du capital " périodes-professeur " dont l'établissement d'enseignement dispose. Le cas échéant, la rétribution de ces conférenciers est réglée conformément aux dispositions en vigueur dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel;
11° par dérogation à l'article 57, § 3, du même décret du 31 juillet 1990 : la réalisation de grilles horaires hebdomadaires, éventuellement avec intégration des cours, sur la base d'heures assimilées à des heures de cours, notamment sous forme de tâches pédagogiques spéciales;
12° par dérogation aux articles 7, § 1er, 28 et 38 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental : la programmation sans normes de subdivisions structurelles sous des dénominations existantes, de nouvelles dénominations ou d'une dénomination " proeftuin " (champ d'expérimentation) et, à l'exception du premier degré, le classement de ces subdivisions structurelles dans les disciplines existantes ou dans une discipline " proeftuin ". Le cas échéant :
a) la subdivision structurelle ainsi créée doit être supprimée progressivement à l'expiration du projet temporaire, à moins que l'autorité en décide autrement;
b) si la subdivision structurelle porte une nouvelle dénomination ou la dénomination " proeftuin ", le coefficient de la subdivision structurelle dont le contenu correspond le plus à la subdivision programmée est adopté comme coefficient des élèves s'inscrivant dans les modalités de fixation de l'encadrement des enseignants;
13° par dérogation aux articles 98, § 1er, et 98bis, § 1er, du même décret du 14 juillet 1998 : le transfert de points personnel d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental au sein du même projet. Dans l'enseignement fondamental, ces points peuvent être utilisés pour le personnel de gestion et d'appui, tel que fixé au décret du 25 février 1997 relatif a l'enseignement fondamental;
14° par dérogation aux annexes III à XXXI à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2007 relatif aux disciplines et subdivisions structurelles dans l'enseignement secondaire : une nouvelle classification de subdivisions structurelles existantes au sein de disciplines existantes;
15° par dérogation à l'article 8, § 4, du décret du 18 janvier 2002 relatif aux objectifs finaux, aux objectifs de développement et aux objectifs finaux spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial à temps plein et a l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2006 fixant les critères d'approbation et les modalités d'introduction des programmes d'études : l'utilisation de programmes d'études sans prendre en compte les modalités d'approbation en vigueur;
16° par dérogation à l'article 2, 1°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : la définition d'un primo-arrivant allophone comme un élève ayant au moins onze ans et n'ayant pas encore atteint l'âge de dix-huit ans au plus tard le 31 décembre après le debut de l'année scolaire. Le cas échéant, il n'est pas accordé de périodes-professeur spécifiques uniquement pour les élèves nouvellement arrives sur la base de la dérogation mentionnée;
17° par dérogation à l'article 6, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire à temps plein : l'admission à la première année d'études A comme élève régulier sans avoir fréquenté la sixième année d'études de l'enseignement primaire, à condition que :
a) le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base d'un screening de l'élève;
b) les personnes exerçant l'autorité parentale ou ayant de droit ou de fait la garde de l'élève mineur marquent leur accord;
18° par dérogation à l'article 24, § 1er, du même arrêté du Gouvernement du 19 juillet 2002 : l'admission comme élève régulier à la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou artistique, organisée sous forme d'une année de spécialisation, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable sur la base de compétences ou de qualifications acquises ailleurs;
19° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : la remise des conseils de classe délibérants dans le premier, deuxième ou troisième degré jusqu'à la fin de la deuxième année d'études du degré en question. Le cas écheant :
a) l'attestation d'orientation de la première année d'etudes du degré en question est remplacée par une attestation de fréquentation régulière des cours permettant d'office accès à la deuxième année d'études de ce degré, pour autant que cette année d'études soit soumise au régime dérogatoire. Cette attestation est assortie de la décision éventuelle du conseil de classe accompagnateur, aux fins de suivre une filière d'apprentissage adaptée dans l'année d'études supérieure;
b) le conseil de classe délibérant de la première année d'études du degré en question décide encore d'accorder une attestation d'orientation à tout élève ayant terminé l'année d'études et qui, avant la fin du degré, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
c) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
20° par dérogation au même arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 : l'admission à une année d'études supérieure comme élève régulier, nonobstant des insuffisances pour certaines subdivisions de programme, à condition que le conseil de classe d'admission prenne une décision favorable en concertation avec le conseil de classe délibérant de l'année d'études d'où sort l'élève. Le cas échéant :
a) les insuffisances doivent être éliminées avant la fin du degré auquel appartient l'année d'études supérieure;
b) la délivrance d'une attestation d'orientation est remplacée par la délivrance d'une attestation de fréquentation régulière des cours en attendant l'élimination des insuffisances;
c) le conseil de classe délibérant de l'année d'études dans laquelle une attestation de fréquentation régulière des cours est délivrée décide tout de même de délivrer une attestation d'orientation à tout élève qui, sans que les insuffisances aient été éliminées, passe à un établissement d'enseignement ou une subdivision structurelle n'étant pas régi par ce régime dérogatoire;
d) il est délivré à chaque élève dans le premier degré, et pour autant qu'il n'en soit pas encore en possession, un certificat de l'enseignement fondamental, à l'issue de la première année d'études;
21° par dérogation à l'article 56, § 1er, du même arrêté du Gouvernement du 19 juillet 2002 : la non-organisation d'une épreuve intégrée à l'issue de l'année scolaire, à condition que l'on travaille en permanence de manière intégrée pendant l'année scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 1°, 2°, 3° et 9°, est motivée comme suit : la composition flexible de programmes d'études implique la possibilité d'abandonner le classement rigide en degrés, années d'études, formes d'enseignement, disciplines et subdivisions structurelles. La flexibilité signifie aussi la possibilité d'étaler la charge d'étude et de fréquenter les cours en alternance dans plusieurs établissements d'enseignement. Ces opportunités doivent permettre un développement optimal des talents, des compétences et des centres d'intérêt personnels des élèves, ce qui stimule leur motivation d'apprentissage. De cette manière, il est possible de créer un milieu favorable à un parcours scolaire où les changements fréquents d'écoles ou d'études, les retards scolaires, le bisutage et, enfin, les sorties sans qualification seront réduits au maximum. En conservant des principes tels que les objectifs finaux, les objectifs de développement et la formation de base minimale et en sauvegardant la validation régulière de fin d'études, l'équilibre est preservé entre un enseignement dynamique et innovateur " sur mesure " d'une part et la qualité de l'enseignement et les effets de l'éducation sur la société d'autre part.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 4°, est motivée comme suit : une plus large politique locale de dispenses doit aboutir à un emploi du temps plus efficace et effectif. L'axe de l'enseignement sur des subdivisions de programme qui sont nouvelles pour l'élève concerné ou qui nécessitent une remédiation, permet à l'élève de maintenir son intérêt ainsi que d'éliminer ses insuffisances. Ce sont en effet des éléments essentiels pour un parcours scolaire optimal.
La nécessité d'une derogation, telle que visée aux points 5° et 18°, est motivée comme suit : les années de spécialisation du troisième degré de l'enseignement secondaire technique et artistique sont occupées par des élèves qui sont déjà diplômés et ne relèvent plus de l'obligation scolaire. Les années de spécialisation accroissent la qualification, sont appréciées par l'industrie et favorisent les perspectives d'occupation. Augmenter l'attrait de ces années de spécialisation, non seulement par des mesures au niveau de l'orientation et du contenu, mais également par une meilleure conciliation formation-emploi, peut engendrer des effets positifs pour les travailleurs (potentiels) et les employeurs.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 6°, est motivée comme suit : le premier degré de l'enseignement secondaire est un degré charnière entre l'enseignement primaire et l'enseignement secondaire et est important comme tremplin vers les années d'études supérieures et pour le choix d'études à opérer. Un échec dans le premier degré peut avoir des conséquences négatives, au niveau structurel, pour la suite du parcours scolaire de l'élève, de sorte qu'une intervention préventive s'impose de préférence dans ce degré. Une extension de deux à trois années d'études avec garantie de transition doit donner plus d'espace à l'accomplissement du programme d'études et à un accueil et un accompagnement individuels de l'élève et évite que celui-ci éprouve les effets d'un redoublement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 7°, est motivée comme suit : En rendant le paysage éducatif secondaire dans son ensemble accessible aux aspects éducatifs modulaires, il est possible de réaliser un nombre accru de sorties qualifiées, d'assurer une meilleure adéquation avec les besoins du marche de l'emploi ainsi qu'une meilleure transparence de l'offre d'enseignement, de multiplier les expériences de succès intermédiaires des élèves et de les inciter à apprendre tout au long de la vie.
La nécessite d'une derogation, telle que visée aux points 8° et 16°, est motivée comme suit : en éliminant la stricte délimitation que l'enseignement d'accueil pour primo-arrivants allophones est une formation d'une seule année et réservée à des élèves âgés de plus de 12 ans, le rendement de cette structure d'enseignement spécifique peut être augmenté. Cela signifie que les primo-arrivants, même " d'un âge avancé ", peuvent, après avoir subi une immersion linguistique, accéder à l'enseignement secondaire, et que les primo-arrivants peuvent toujours, par le biais d'une seconde année d'accueil, suivre un cours intensif de langue, ce qui leur donne de meilleures chances de réussite par après.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 10°, est motivée comme suit : les établissements d'enseignement et les équipes d'enseignants se voient posés devant le défi permanent d'intégrer la matiere d'une façon captivante et actuelle. L'appel fait à des conférenciers externes à l'école, qui approchent l'enseignement de la vie et élargissent l'horizon, s'inscrit dans la poursuite de formes de travail pédagogiques-didactiques appropriées. Inversement la confrontation au processus d'enseignement peut également engendrer une plus-value pour les conférenciers, créant ainsi une situation gagnant-gagnant.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 11°, est motivée comme suit : dans l'état actuel des choses, cataloguer les ensembles pédagogiques en branches et les classer en rubriques s'opère surtout sur la base de la réglementation relative aux personnels. Les tendances dans l'enseignement vont vers une intégration de branches, avec entre autres une approche multidisciplinaire ou thématique et un estompage de la stricte différence entre la theorie et la pratique. Le fait de placer les charges d'enseignement et les missions connexes sous le dénominateur de tâches pédagogiques spéciales peut apporter une solution au problème de compatibilité entre les innovations pédagogiques et l'application de la réglementation applicable aux personnels. De plus, la technique des heures assimilées à des heures de cours, dont relèvent les tâches pedagogiques, permet au pouvoir organisateur d'augmenter le nombre de personnels qu'il faut à la place qu'il faut, compte tenu de l'expérience, l'expertise et la motivation dont ils font preuve.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 12°, est motivée comme suit : l'enseignement doit pouvoir rester en phase avec les développements socio-économiques, technologiques, sociales et démographiques. Un des instruments pour ce faire est la programmation de l'offre de formations. En libérant les programmations des procédures et des normes, les dispensateurs d'enseignement peuvent appliquer cette technique plus facilement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 13°, est motivée comme suit : le rôle des personnels de gestion et d'appui, le cas échéant, exerçant des fonctions spécifiques dans ce cadre, peut représenter un facteur crucial de réussite pour un projet. Un moyen adéquat pour ce faire, serait de rendre transférables les points destinés aux personnels d'appui de l'enseignement secondaire à l'enseignement fondamental pour des projets d'enseignement interniveaux.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 14°, est motivée comme suit : l'offre de formations actuelle, classée en disciplines, est arrêtée pour tous les organisateurs d'enseignement de façon limitative et uniforme. Une redistribution de cette offre, entre autres en fonction des centres d'intérêt, peut en augmenter la transparence, accroître l'attrait d'établissements d'enseignement ou de formations, améliorer les choix d'études et optimiser l'organisation scolaire.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 15°, est motivée comme suit : avant que les programmes d'études, servant de directive pour les enseignants, puissent être appliqués, il faut suivre une procédure d'approbation en phases jusqu'au niveau des autorités. La suppression de cette procédure peut contribuer à une plus grande sécurité pour les rédacteurs des programmes d'études, une préparation plus approfondie de la mise en oeuvre par les utilisateurs et une correction plus rapide lors de circonstances changées ou de nouveaux besoins. Le maintien absolu du principe des objectifs finaux ou objectifs de développement doit garantir la qualité de l'enseignement.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 17°, est motivée comme suit : pour l'instant, l'acces des élèves à la première année A de l'enseignement secondaire est basé sur le principe d'une transition assez aisée depuis l'école primaire. Cette condition formelle peut cependant contenir une méconnaissance des capacités intrinsèques du jeune et freiner ainsi inutilement son parcours scolaire secondaire. Au moyen d'une piste d'entrée complémentaire, une position de démarrage éventuellement justifiée peut être stipulée.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée aux points 19°, 20° et 21° est motivée comme suit : l'évaluation des élèves et la validation des études y afférente sont liées à l'année d'études. Le plus souvent, la réussite est nécessaire pour pouvoir faire le passage horizontal ou vertical à l'année d'études supérieure. La réglementation existante sur l'organisation de l'enseignement fait trop abstraction des situations, dans lesquelles souvent les élèves n'affichent pas d'insuffisances sur toutes les subdivisions de programme ou dans lesquelles les programmes d'études ressemblent plus à des programmes de degrés qu'a des plans annuels. S'il est accordé aux organisateurs d'enseignement et notamment aux conseils de classe plus d'alternatives en matière d'évaluation, celle-ci pourra être mieux alignee sur la pratique scolaire concrète et, plus encore, les élèves pourront être approchés à partir de leurs capacités, plutôt qu'à partir de leurs défauts.
§ 4. Aux écoles et élèves de l'enseignement secondaire s'appliquent les dispositions suivantes :
1° l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, pour la désignation d'un membre du personnel nommé à titre définitif par le biais d'un congé pour l'exercice temporaire d'une autre charge, à l'ordre de l'article 34, § 1er, A, 6°, B, 6°, et C, 6°, de l'article 36, § 2, A, 4°, B, 4°, et C, 4°, et de l'article 36bis, § 2, A, 4°, B, 8°, et C, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente;
2° dans l'enseignement communautaire, le conseil d'administration peut déroger, par décision motivée, aux articles 28 et 28bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire;
3° dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire ou le pouvoir organisateur peut déroger, par décision motivée, à l'article 33, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 1°, est motivée comme suit : les membres du personnel nommés définitivement exerçant pour la durée du projet une autre charge que la charge pour laquelle ils sont nommés à titre définitif, doivent prendre congé afin d'assumer temporairement une autre charge. Les écoles sont obligées de donner la priorité aux membres du personnel temporaires avant de désigner des membres du personnel définitifs bénéficiant d'un congé. Pour eux, cela limite les possibilités de désigner pour le projet le membre du personnel disposant des meilleures capacités et de garder ce membre du personnel pour toute la durée du projet. C'est pourquoi les écoles de projets sont autorisées à donner aux propres membres du personnel nommés à titre définitif la priorite sur des personnels temporaires.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 2°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement communautaire affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet.
La nécessité d'une dérogation, telle que visée au point 3°, est motivée comme suit : les membres du personnel temporaires de l'enseignement subventionné affectés au projet sont protégés pour toute la durée du projet. Sans cette dérogation, l'école de projets court le risque qu'un autre membre du personnel du centre d'enseignement se porte candidat et soit nommé à l'emploi, ce qui compromettrait le projet. "
Art. 10. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 2ter. § 1. In bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd, worden de afwijkingen vermeld die, geput uit de exhaustieve lijst, per afzonderlijk project mogen worden toegepast. Het project in kwestie wordt aangegeven met een verwijzing naar het volgnummer van dat project in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de afwijkingen wordt verwezen naar de punten in kwestie, vermeld in artikel 2bis, § 2, § 3 of § 4, naargelang van het geval.
§ 2. Als de bevoegde inspectie, verificatie of administratie of de stuurgroep de toepassing van een afwijking vaststelt die manifest geen verband houdt met de eigenheid en concrete doelstellingen van het project, dan moet, na de beslissing van die stuurgroep, aan die afwijking binnen een redelijke termijn een einde worden gesteld. Een redelijke termijn houdt rekening met de belangen van leerlingen én personeel en vrijwaart het intrinsieke karakter van het project. "
" Art. 2ter. § 1. In bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd, worden de afwijkingen vermeld die, geput uit de exhaustieve lijst, per afzonderlijk project mogen worden toegepast. Het project in kwestie wordt aangegeven met een verwijzing naar het volgnummer van dat project in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de afwijkingen wordt verwezen naar de punten in kwestie, vermeld in artikel 2bis, § 2, § 3 of § 4, naargelang van het geval.
§ 2. Als de bevoegde inspectie, verificatie of administratie of de stuurgroep de toepassing van een afwijking vaststelt die manifest geen verband houdt met de eigenheid en concrete doelstellingen van het project, dan moet, na de beslissing van die stuurgroep, aan die afwijking binnen een redelijke termijn een einde worden gesteld. Een redelijke termijn houdt rekening met de belangen van leerlingen én personeel en vrijwaart het intrinsieke karakter van het project. "
Art. 10. Dans le même arrêté, il est inséré un article 2ter, rédigé comme suit :
" Art. 2ter. § 1er. Dans l'annexe II au présent arrêté figurent les dérogations qui, puisées dans la liste exhaustive, peuvent être appliquées par projet distinct. Le projet en question est indiqué au moyen d'une référence au numéro d'ordre de ce projet dans l'annexe Ire au présent arrêté. Pour les dérogations, référence est faite aux points concernés, visés à l'article 2bis, § 2, § 3 ou § 4, le cas échéant.
§ 2. Si l'inspection, la vérification ou l'administration compétente ou le comité directeur constate une dérogation n'ayant manifestement aucun rapport ni avec la spécificité ni avec les objectifs concrets du projet, il faut, par décision de ce comité directeur, mettre fin à cette dérogation dans un délai raisonnable. Un délai raisonnable tient compte des intérêts des élèves ainsi que du personnel et garantit le caractère intrinsèque du projet. "
" Art. 2ter. § 1er. Dans l'annexe II au présent arrêté figurent les dérogations qui, puisées dans la liste exhaustive, peuvent être appliquées par projet distinct. Le projet en question est indiqué au moyen d'une référence au numéro d'ordre de ce projet dans l'annexe Ire au présent arrêté. Pour les dérogations, référence est faite aux points concernés, visés à l'article 2bis, § 2, § 3 ou § 4, le cas échéant.
§ 2. Si l'inspection, la vérification ou l'administration compétente ou le comité directeur constate une dérogation n'ayant manifestement aucun rapport ni avec la spécificité ni avec les objectifs concrets du projet, il faut, par décision de ce comité directeur, mettre fin à cette dérogation dans un délai raisonnable. Un délai raisonnable tient compte des intérêts des élèves ainsi que du personnel et garantit le caractère intrinsèque du projet. "
Art. 11. In hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bestaande bijlage wordt bijlage I;
2° er wordt een bijlage II toegevoegd, waarvan de tekst is opgenomen in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd.
1° de bestaande bijlage wordt bijlage I;
2° er wordt een bijlage II toegevoegd, waarvan de tekst is opgenomen in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 11. Au même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° l'annexe existante devient l'annexe Ire;
2° il est ajouté une annexe II, dont le texte figure à l'annexe II au présent arrêté.
1° l'annexe existante devient l'annexe Ire;
2° il est ajouté une annexe II, dont le texte figure à l'annexe II au présent arrêté.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales.
Art. 12. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2008, met uitzondering van artikel 1 en 3, die uitwerking hebben met ingang van 1 mei 2008.
Art. 12. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2008, à l'exception des articles 1er et 3, qui produisent leurs effets le 1er mai 2008.
Art. 13. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 27 juni 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
Brussel, 27 juni 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
Art. 13. Le Ministre flamand qui a l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 27 juin 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE
Bruxelles, le 27 juin 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. BIJLAGE I. BIJLAGE III - Lijst van afwijkingen.
Art. N1. ANNEXE Ire. - BIJLAGE III - Lijst van afwijkingen.
| Project | Artikel 3bis, § 2 | Artikel 3bis, # 3 | Artikel 3bis, § 4 |
| 1 | - | - | - |
| 2 | - | - | - |
| 3 | - | - | - |
| 4 | - | 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, | - |
| 7°, 8°, 11°, 12°, 13°, | |||
| 14°, 21°, 23° | |||
| 5 | - | 8°, 11° | - |
| 6 | - | 8°, 12°, 17°, 22°, 23° | 2° |
| 7 | 1° | 2°, 3°, 4°, 8°, 9°, | - |
| 13°, 17°, 18°, 21° | |||
| 8 | - | - | 1°, 3° |
| 9 (*) | - | 2°, 3°, 4°, 8°, 12°, | 1°, 2° |
| 13°, 16°, 17°, 23° | |||
| 10 (* *) | - | 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, | 1°, 2° |
| 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, | |||
| 12°, 13°, 16°, 17°, | |||
| 18°, 20°, 21°, 22°, 23° | |||
| 11 | - | - | - |
| 12 | - | - | - |
| 13 | - | - | - |
| 14 | - | - | - |
| 15 | 1° | 2°, 3°, 4°, 8°, 9°, | - |
| 13°, 17°, 18°, 21° | |||
| 16 | - | - | - |
| 17 | - | 2°, 12°, 17°, 23° | 1°, 3° |
| 18 | - | - | - |
| 19 | - | - | - |
Project Artikel 3bis, # 2 Artikel 3bis, # 3 Artikel 3bis, # 4
1 - - -
2 - - -
3 - - -
4 - 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, -
7°, 8°, 11°, 12°, 13°,
14°, 21°, 23°
5 - 8°, 11° -
6 - 8°, 12°, 17°, 22°, 23° 2°
7 1° 2°, 3°, 4°, 8°, 9°, -
13°, 17°, 18°, 21°
8 - - 1°, 3°
9 (*) - 2°, 3°, 4°, 8°, 12°, 1°, 2°
13°, 16°, 17°, 23°
10 (* *) - 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 1°, 2°
7°, 8°, 9°, 10°, 11°,
12°, 13°, 16°, 17°,
18°, 20°, 21°, 22°, 23°
11 - - -
12 - - -
13 - - -
14 - - -
15 1° 2°, 3°, 4°, 8°, 9°, -
13°, 17°, 18°, 21°
16 - - -
17 - 2°, 12°, 17°, 23° 1°, 3°
18 - - -
19 - - -
1 - - -
2 - - -
3 - - -
4 - 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, -
7°, 8°, 11°, 12°, 13°,
14°, 21°, 23°
5 - 8°, 11° -
6 - 8°, 12°, 17°, 22°, 23° 2°
7 1° 2°, 3°, 4°, 8°, 9°, -
13°, 17°, 18°, 21°
8 - - 1°, 3°
9 (*) - 2°, 3°, 4°, 8°, 12°, 1°, 2°
13°, 16°, 17°, 23°
10 (* *) - 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 1°, 2°
7°, 8°, 9°, 10°, 11°,
12°, 13°, 16°, 17°,
18°, 20°, 21°, 22°, 23°
11 - - -
12 - - -
13 - - -
14 - - -
15 1° 2°, 3°, 4°, 8°, 9°, -
13°, 17°, 18°, 21°
16 - - -
17 - 2°, 12°, 17°, 23° 1°, 3°
18 - - -
19 - - -
(*) Deze afwijkingen mogen niet toegepast worden in VTI 2 Aalst en VTI 3 Aalst.
(* *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2008 tot wijziging van sommige besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot tijdelijke projecten in het basisonderwijs en secundair onderwijs.
Brussel, 27 juni 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
(* *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2008 tot wijziging van sommige besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot tijdelijke projecten in het basisonderwijs en secundair onderwijs.
Brussel, 27 juni 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
(*) Deze afwijkingen mogen niet toegepast worden in VTI 2 Aalst en VTI 3 Aalst.
(* *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.
Vu pour être annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2008 modifiant certains arrêtés du Gouvernement flamand relatifs aux projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire.
Bruxelles, le 27 juin 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE
(* *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.
Vu pour être annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2008 modifiant certains arrêtés du Gouvernement flamand relatifs aux projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire.
Bruxelles, le 27 juin 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE
Art. N2. BIJLAGE II. - BIJLAGE II. - Lijst van afwijkingen.
Art. N2. ANNEXE II. BIJLAGE II. - Lijst van afwijkingen.
| Project | Artikel 2 bis, § 2 | Artikel 2bis, § 3 | Artikel 2bis, § 4 |
| 1 | 1°, 2° | 1°, 2°, 3°, 11°, 13° | 1°, 2° |
| 15°, 19° | |||
| 2 - | - | - | |
| 3 - | - | - | |
| 4 | 1° | - | - |
| 5 | 1°, 2° | 2°, 7°, 12°, 13°, | - |
| 15°, 18° | |||
| 6 - | 6° | - | |
| 7 - | - | - | |
| 8 - | 5°, 6°, 7°, 8°, 10°, | - | |
| 11°, 12°, 15° | |||
| 9 - | - | - | |
| 10 - | - | - | |
| 11 - | 3°, 4°, 7°, 11°, 12°, | 1° (*) | |
| 19°, 21° | |||
| 12 (* *) - | 3°, 10°, 11°, 12°, | - | |
| 14°, 15°, 21° | |||
| 13 - | - | - | |
| 14 - | - | - | |
| 15 | 1°, 2° | 1°, 2°, 3°, 4°, 6°, 7°, | - |
| 8°, 11°, 12°, 13°, 16°, | |||
| 17°, 18°, 19°, 20° | |||
| 16 - | - | - | |
| 17 (* * *) | 1°, 2° | 2°, 8°, 9°, 11°, 16°, 17° | 1°, 3° |
| 18 - | - | - | |
| 19 - | - | - | |
| 20 - | - | - | |
| 21 - | - | - |
Project Artikel 2bis, # 2 Artikel 2bis, # 3 Artikel 2bis, # 4
1 1°, 2° 1°, 2°, 3°, 11°, 13°, 1°, 2°
15°, 19°
2 - - -
3 - - -
4 1° - -
5 1°, 2° 2°, 7°, 12°, 13°, -
15°, 18°
6 - 6° -
7 - - -
8 - 5°, 6°, 7°, 8°, 10°, -
11°, 12°, 15°
9 - - -
10 - - -
11 - 3°, 4°, 7°, 11°, 12°, 1° (*)
19°, 21°
12 (* *) - 3°, 10°, 11°, 12°, -
14°, 15°, 21°
13 - - -
14 - - -
15 1°, 2° 1°, 2°, 3°, 4°, 6°, 7°, -
8°, 11°, 12°, 13°, 16°,
17°, 18°, 19°, 20°
16 - - -
17 (* * *)1°, 2° 2°, 8°, 9°, 11°, 16°, 17° 1°, 3°
18 - - -
19 - - -
20 - - -
21 - - -
1 1°, 2° 1°, 2°, 3°, 11°, 13°, 1°, 2°
15°, 19°
2 - - -
3 - - -
4 1° - -
5 1°, 2° 2°, 7°, 12°, 13°, -
15°, 18°
6 - 6° -
7 - - -
8 - 5°, 6°, 7°, 8°, 10°, -
11°, 12°, 15°
9 - - -
10 - - -
11 - 3°, 4°, 7°, 11°, 12°, 1° (*)
19°, 21°
12 (* *) - 3°, 10°, 11°, 12°, -
14°, 15°, 21°
13 - - -
14 - - -
15 1°, 2° 1°, 2°, 3°, 4°, 6°, 7°, -
8°, 11°, 12°, 13°, 16°,
17°, 18°, 19°, 20°
16 - - -
17 (* * *)1°, 2° 2°, 8°, 9°, 11°, 16°, 17° 1°, 3°
18 - - -
19 - - -
20 - - -
21 - - -
(*) Deze afwijking mag niet toegepast worden in KTA Wollemarkt Mechelen.
(* *) Deze afwijkingen mogen niet toegepast worden in St. Carolus Sint-Niklaas.
(* * *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2008 tot wijziging van sommige besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot tijdelijke projecten in het basisonderwijs en secundair onderwijs.
Brussel, 27 juni 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
(* *) Deze afwijkingen mogen niet toegepast worden in St. Carolus Sint-Niklaas.
(* * *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2008 tot wijziging van sommige besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot tijdelijke projecten in het basisonderwijs en secundair onderwijs.
Brussel, 27 juni 2008.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
(*) Deze afwijking mag niet toegepast worden in KTA Wollemarkt Mechelen.
(* *) Deze afwijkingen mogen niet toegepast worden in St. Carolus Sint-Niklaas.
(* * *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.
Vu pour être annexé a l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2008 modifiant certains arrêtés du Gouvernement flamand relatifs aux projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire.
Bruxelles, le 27 juin 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE
(* *) Deze afwijkingen mogen niet toegepast worden in St. Carolus Sint-Niklaas.
(* * *) Deze afwijkingen mogen slechts concreet worden toegepast op voorwaarde dat ze vooraf opnieuw worden onderhandeld in het lokale comité.
Vu pour être annexé a l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2008 modifiant certains arrêtés du Gouvernement flamand relatifs aux projets temporaires dans l'enseignement fondamental et secondaire.
Bruxelles, le 27 juin 2008.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE