Artikel 1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt aangevuld met een 7°, luidende :
" 7° INAD-centra : plaatsen bedoeld in de artikelen 74/5,§ 1, 1° en 74/8,§ 1. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
8 JUNI 2009. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
Titre
8 JUIN 2009. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 2 août 2002 fixant le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux situés sur le territoire belge, gérés par l'Office des étrangers, où un étranger est détenu, mis à la disposition du gouvernement ou maintenu, en application des dispositions citées dans l'article 74/8, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (34)
Texte (34)
Article 1er. L'article 1er de l'arrêté royal du 2 août 2002, fixant le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux situés sur le territoire belge, gérés par l'Office des étrangers, où un étranger est détenu, mis à la disposition du gouvernement ou maintenu, en application des dispositions citées dans l'article 74/8, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers est complété par le 7°, rédigé comme suit :
" 7° Centres IN Abrogé : lieux visés au sens des articles 74/5, § 1er, 1° et 74/8, § 1er. "
" 7° Centres IN Abrogé : lieux visés au sens des articles 74/5, § 1er, 1° et 74/8, § 1er. "
Art. 2. In hetzelfde koninklijk besluit wordt in plaats van artikel 2, vernietigd door arrest nr. 188.705 van de Raad van State, een artikel 2 ingevoegd, luidende :
" Art. 2. Dit besluit bepaalt het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen bedoeld in artikel 74/8, § 2, van de wet en is, behoudens uitdrukkelijk tegengestelde bepaling, niet van toepassing op de INAD-centra en de woonunits die bedoeld worden in het koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsregels, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Het huishoudelijk reglement regelt de uitvoeringsmodaliteiten van de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de dagelijkse werking van het centrum. Dit reglement mag geen bepalingen bevatten die de draagwijdte van dit besluit beperken.
Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de Minister. "
" Art. 2. Dit besluit bepaalt het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen bedoeld in artikel 74/8, § 2, van de wet en is, behoudens uitdrukkelijk tegengestelde bepaling, niet van toepassing op de INAD-centra en de woonunits die bedoeld worden in het koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsregels, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Het huishoudelijk reglement regelt de uitvoeringsmodaliteiten van de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de dagelijkse werking van het centrum. Dit reglement mag geen bepalingen bevatten die de draagwijdte van dit besluit beperken.
Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de Minister. "
Art. 2. Dans le même arrêté royal à la place de l'article 2 annulé par arrêt n°188.705 du Conseil d'Etat, il est inséré un article 2 rédigé comme suit :
" Art. 2. Le présent arrêté détermine le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux visés à l'article 74/8, § 2, de la loi et n'est pas applicable, sauf disposition expresse en sens contraire, aux centres INAD et aux lieux d'hébergement visés par l'arrêté royal du 14 mai 2009 fixant le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux d'hébergement au sens de l'article 74/8, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Le règlement d'ordre intérieur règle les modalités d'exécution des dispositions du présent arrêté qui concernent le fonctionnement quotidien du centre. Ce règlement ne peut contenir de dispositions qui restreignent la portée de cet arrêté.
Le règlement d'ordre intérieur est approuvé par le Ministre. "
" Art. 2. Le présent arrêté détermine le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux visés à l'article 74/8, § 2, de la loi et n'est pas applicable, sauf disposition expresse en sens contraire, aux centres INAD et aux lieux d'hébergement visés par l'arrêté royal du 14 mai 2009 fixant le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux d'hébergement au sens de l'article 74/8, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Le règlement d'ordre intérieur règle les modalités d'exécution des dispositions du présent arrêté qui concernent le fonctionnement quotidien du centre. Ce règlement ne peut contenir de dispositions qui restreignent la portée de cet arrêté.
Le règlement d'ordre intérieur est approuvé par le Ministre. "
Art. 3. In artikel 4, 1° van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden " Artikel 74/5, § 1, 2° van de wet " vervangen door " de artikelen 74/5, §§ 1, 2° en 2 van de wet ".
Art. 3. Dans l'article 4, 1°, du même arrêté royal, les mots " l'article 74/5, 1er,2° de la loi " sont remplacés par " les articles 74/5,§§ 1er, 2° et 2 de la loi ".
Art. 4. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 10. De bewoner wordt onderworpen aan een fouillering, zoals bepaald in de artikelen 111/1 en 111/2. "
" Art. 10. De bewoner wordt onderworpen aan een fouillering, zoals bepaald in de artikelen 111/1 en 111/2. "
Art. 4. L'article 10 du même arrêté est remplacé par :
" Art. 10. L'occupant fait l'objet d'une fouille, tel que déterminé aux articles 111/1 à 111/2. "
" Art. 10. L'occupant fait l'objet d'une fouille, tel que déterminé aux articles 111/1 à 111/2. "
Art. 5. Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 11. De gevaarlijke of verboden substanties of voorwerpen moeten in bewaring gegeven worden, ter beschikking gesteld worden van de bevoegde overheden of vernietigd worden, overeenkomstig artikel 111/3. "
" Art. 11. De gevaarlijke of verboden substanties of voorwerpen moeten in bewaring gegeven worden, ter beschikking gesteld worden van de bevoegde overheden of vernietigd worden, overeenkomstig artikel 111/3. "
Art. 5. L'article 11 du même arrêté est remplacé par :
" Art. 11. Les substances ou objets dangereux ou interdits doivent être mis en dépôt, tenus à la disposition des autorités compétentes ou détruits, conformément à l'article 111/3. "
" Art. 11. Les substances ou objets dangereux ou interdits doivent être mis en dépôt, tenus à la disposition des autorités compétentes ou détruits, conformément à l'article 111/3. "
Art. 6. In artikel 14 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
" Art. 14.1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden " en aan de opgelegde transferten ";
2° in het derde lid worden de woorden " het artikel 51/3 " vervangen door de woorden " de artikelen 30bis en 51/3 ".
" Art. 14.1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden " en aan de opgelegde transferten ";
2° in het derde lid worden de woorden " het artikel 51/3 " vervangen door de woorden " de artikelen 30bis en 51/3 ".
Art. 6. A l'article 14 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
" Art. .14. 1° l'alinéa 1er, est complété par les mots " et aux transferts imposés ";
2° à l'alinéa 3, les mots " à l'article 51/3 " sont remplacés par les mots " aux articles 30bis et 51/3 ".
" Art. .14. 1° l'alinéa 1er, est complété par les mots " et aux transferts imposés ";
2° à l'alinéa 3, les mots " à l'article 51/3 " sont remplacés par les mots " aux articles 30bis et 51/3 ".
Art. 7. In artikel 15 van hetzelfde besluit wordt in de Franse versie het woord " national " ingevoegd na de woorden " appel téléphonique ".
Art. 7. A l'article 15 du même arrêté, dans la version française, le mot " national " est inséré après les mots " appel téléphonique ".
Art. 8. In hetzelfde besluit wordt in plaats van artikel 21, vernietigd door arrest nr. 188.705 van de Raad van State, een artikel 21 ingevoegd, luidende :
" Art. 21. Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de briefwisseling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of de openbare orde of indien het nemen van preventiemaatregelen noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid, de goede zeden of de rechten en vrijheden van anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de briefwisseling van of gericht aan een bewoner, voor de verzending of de overhandiging ervan, aan een inhoudelijke controle door de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger worden onderworpen, met uitzondering van de briefwisseling bedoeld in artikelen 21/1 en 21/2. Deze controle gebeurt in aanwezigheid van de betrokken bewoner.
Indien blijkt dat de inhoud van de briefwisseling, bedoeld in eerste lid, een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of de openbare orde of indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid, de goede zeden of de rechten en vrijheden van de anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger beslissen de briefwisseling niet te verzenden of niet te overhandigen. Hij dient de minister hiervan onmiddellijk via hiërarchische weg, op de hoogte te brengen. "
" Art. 21. Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de briefwisseling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of de openbare orde of indien het nemen van preventiemaatregelen noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid, de goede zeden of de rechten en vrijheden van anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de briefwisseling van of gericht aan een bewoner, voor de verzending of de overhandiging ervan, aan een inhoudelijke controle door de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger worden onderworpen, met uitzondering van de briefwisseling bedoeld in artikelen 21/1 en 21/2. Deze controle gebeurt in aanwezigheid van de betrokken bewoner.
Indien blijkt dat de inhoud van de briefwisseling, bedoeld in eerste lid, een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of de openbare orde of indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid, de goede zeden of de rechten en vrijheden van de anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger beslissen de briefwisseling niet te verzenden of niet te overhandigen. Hij dient de minister hiervan onmiddellijk via hiërarchische weg, op de hoogte te brengen. "
Art. 8. Dans le même arrêté, à la place de l'article 21 annulé par arrêt n°188.705 du Conseil d'Etat, il est inséré un article 21, rédigé comme suit :
" Art. 21. Lorsqu'il existe des indices sérieux qu'un échange de correspondance constitue un danger pour la sécurité nationale, la sécurité publique ou l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection de la santé, des bonnes moeurs ou des droits et libertés d'autrui ou la protection de sécurité du centre le commandent, la correspondance que l'occupant envoie ou reçoit peut être soumise à un contrôle de son contenu par le directeur du centre ou son remplaçant avant son envoi ou sa distribution, à l'exception de la correspondance visée aux articles 21/1 et 21/2. Ce contrôle a lieu en présence de l'occupant concerné.
S'il ressort que le contenu de la correspondance visée à l'alinéa 1er, constitue une menace sérieuse pour la sécurité nationale, la sécurité publique ou l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection de la santé, des bonnes moeurs ou des droits et libertés d'autrui ou la protection de la sécurité du centre le requièrent, le directeur du centre ou son remplaçant peut décider de ne pas envoyer ou de ne pas remettre la correspondance. Il doit en aviser immédiatement le ministre par la voie hiérarchique. "
" Art. 21. Lorsqu'il existe des indices sérieux qu'un échange de correspondance constitue un danger pour la sécurité nationale, la sécurité publique ou l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection de la santé, des bonnes moeurs ou des droits et libertés d'autrui ou la protection de sécurité du centre le commandent, la correspondance que l'occupant envoie ou reçoit peut être soumise à un contrôle de son contenu par le directeur du centre ou son remplaçant avant son envoi ou sa distribution, à l'exception de la correspondance visée aux articles 21/1 et 21/2. Ce contrôle a lieu en présence de l'occupant concerné.
S'il ressort que le contenu de la correspondance visée à l'alinéa 1er, constitue une menace sérieuse pour la sécurité nationale, la sécurité publique ou l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection de la santé, des bonnes moeurs ou des droits et libertés d'autrui ou la protection de la sécurité du centre le requièrent, le directeur du centre ou son remplaçant peut décider de ne pas envoyer ou de ne pas remettre la correspondance. Il doit en aviser immédiatement le ministre par la voie hiérarchique. "
Art. 9. In hetzelfde besluit wordt een artikel 21/1 ingevoegd, luidende :
" Art. 21/1. De briefwisseling tussen de bewoner en de advocaat van zijn keuze is niet onderworpen aan de in de artikelen 20 en 21 bepaalde controle van de centrumdirecteur.
Teneinde de vrije briefwisseling te verzekeren worden de hoedanigheid en het beroepsadres van de advocaat en de identiteit van de bewoner op de briefomslag vermeld.
Indien de centrumdirecteur ernstige gronden heeft om aan te nemen dat de briefwisseling tussen de advocaat en de bewoner geen betrekking heeft op de rechtshulpverlening, kan hij de ter verzending aangeboden of toegezonden brieven aan de controle onderwerpen van de Stafhouder van de Orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar het centrum gelegen is. "
" Art. 21/1. De briefwisseling tussen de bewoner en de advocaat van zijn keuze is niet onderworpen aan de in de artikelen 20 en 21 bepaalde controle van de centrumdirecteur.
Teneinde de vrije briefwisseling te verzekeren worden de hoedanigheid en het beroepsadres van de advocaat en de identiteit van de bewoner op de briefomslag vermeld.
Indien de centrumdirecteur ernstige gronden heeft om aan te nemen dat de briefwisseling tussen de advocaat en de bewoner geen betrekking heeft op de rechtshulpverlening, kan hij de ter verzending aangeboden of toegezonden brieven aan de controle onderwerpen van de Stafhouder van de Orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar het centrum gelegen is. "
Art. 9. Dans le même arrêté, il est inséré un article 21/1, rédigé comme suit :
" Art. 21/1. La correspondance entre l'occupant et l'avocat de son choix n'est pas soumise au contrôle du directeur du centre, déterminé aux articles 20 et 21.
Afin d'assurer la liberté de correspondance la qualité et l'adresse professionnelle de l'avocat et l'identité de l'occupant figurent sur l'enveloppe.
Si le directeur du centre a des raisons sérieuses de penser que la correspondance entre l'avocat et l'occupant n'a pas de rapport avec l'assistance juridique, il peut soumettre les lettres qui lui sont présentées ou adressées pour envoi au contrôle du Bâtonnier de l'ordre des avocats, de l'arrondissement judiciaire où le centre est situé. "
" Art. 21/1. La correspondance entre l'occupant et l'avocat de son choix n'est pas soumise au contrôle du directeur du centre, déterminé aux articles 20 et 21.
Afin d'assurer la liberté de correspondance la qualité et l'adresse professionnelle de l'avocat et l'identité de l'occupant figurent sur l'enveloppe.
Si le directeur du centre a des raisons sérieuses de penser que la correspondance entre l'avocat et l'occupant n'a pas de rapport avec l'assistance juridique, il peut soumettre les lettres qui lui sont présentées ou adressées pour envoi au contrôle du Bâtonnier de l'ordre des avocats, de l'arrondissement judiciaire où le centre est situé. "
Art. 10. In hetzelfde besluit wordt een artikel 21/2 ingevoegd, luidende :
" Art. 21/2.De brieven afkomstig van of gericht aan de volgende personen of overheden zijn niet onderworpen aan de in de artikelen 20 en 21 bepaalde controle :
1° de Koning;
2° de voorzitter van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Parlement van het Waalse Gewest, het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° de ministers en staatssecretarissen van de federale regering; de ministers en staatssecretarissen van de gemeenschaps- en gewestregeringen;
4° de voorzitter van het directiecomité van de FOD Binnenlandse zaken, de directeur-generaal, de adviseurs-generaal;
5° de centrumdirecteur;
6° de voorzitters van het Arbitragehof;
7° de rechterlijke overheden;
8° de eerste voorzitter van de Raad van State, de auditeur-generaal bij de Raad van State, de hoofdgriffier van de Raad van State;
9° de syndicus van de gerechtsdeurwaarders en de voorzitters van de Kamer van notarissen van het arrondissement waar het centrum gelegen is;
10° de voorzitter van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
11° de federale, gemeenschaps en gewestelijke ombudsmannen;
12° de stafhouder van de Orde van advocaten van het arrondissement waar het centrum gelegen is;
13° de directeur en de adjunct-directeur van het Centrum voor Gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
14° de voorzitter van het Vast Comité van toezicht op de politiediensten;
15° de Commissie en het Permanent Secretariaat van de klachtencommissie bedoeld in artikel 130;
Om van deze mogelijkheid gebruik te maken, moeten de bewoners hun brieven richten aan het adres waar deze personen of overheden hun ambt uitoefenen. "
" Art. 21/2.De brieven afkomstig van of gericht aan de volgende personen of overheden zijn niet onderworpen aan de in de artikelen 20 en 21 bepaalde controle :
1° de Koning;
2° de voorzitter van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Parlement van het Waalse Gewest, het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° de ministers en staatssecretarissen van de federale regering; de ministers en staatssecretarissen van de gemeenschaps- en gewestregeringen;
4° de voorzitter van het directiecomité van de FOD Binnenlandse zaken, de directeur-generaal, de adviseurs-generaal;
5° de centrumdirecteur;
6° de voorzitters van het Arbitragehof;
7° de rechterlijke overheden;
8° de eerste voorzitter van de Raad van State, de auditeur-generaal bij de Raad van State, de hoofdgriffier van de Raad van State;
9° de syndicus van de gerechtsdeurwaarders en de voorzitters van de Kamer van notarissen van het arrondissement waar het centrum gelegen is;
10° de voorzitter van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
11° de federale, gemeenschaps en gewestelijke ombudsmannen;
12° de stafhouder van de Orde van advocaten van het arrondissement waar het centrum gelegen is;
13° de directeur en de adjunct-directeur van het Centrum voor Gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
14° de voorzitter van het Vast Comité van toezicht op de politiediensten;
15° de Commissie en het Permanent Secretariaat van de klachtencommissie bedoeld in artikel 130;
Om van deze mogelijkheid gebruik te maken, moeten de bewoners hun brieven richten aan het adres waar deze personen of overheden hun ambt uitoefenen. "
Art. 10. Dans le même arrêté, il est inséré un article 21/2 rédigé comme suit :
" Art. 21/2.Les lettres provenant ou à destination des personnes ou autorités suivantes ne sont pas soumises au contrôle visé aux articles 20 et 21 :
1° le Roi;
2° le président du Sénat, de la Chambre des représentants, du Parlement flamand, du Parlement de la Communauté française, du Parlement de la Région wallonne, du Parlement de la Communauté germanophone et du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale;
3° les ministres et secrétaires d'Etat du gouvernement fédéral; les ministres et secrétaires d'Etat des gouvernements des communautés et des régions;
4° le président du comité de direction du SPF Intérieur, le directeur général, les conseillers généraux;
5° le directeur du centre;
6° les présidents de la Cour d'arbitrage;
7° les autorités judiciaires;
8° le premier président du Conseil d'Etat, l'auditeur général près le Conseil d'Etat, le greffier en chef du Conseil d'Etat;
9° le syndic des huissiers de justice et les présidents de la Chambre des notaires de l'arrondissement où le centre est situé;
10° le président du Comité européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants;
11° les médiateurs fédéraux, communautaires et régionaux;
12° le bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement dans lequel le centre est situé;
13° le directeur et le directeur-adjoint du Centre pour l'Egalité des Chances et la lutte contre le racisme;
14° le président du Comité permanent de contrôle des services de police;
15° la Commission et le secrétariat permanent visés à l'article 130;
Pour faire usage de cette possibilité, les occupants doivent adresser leurs lettres à l'adresse où ces personnes ou autorités exercent leur fonction. "
" Art. 21/2.Les lettres provenant ou à destination des personnes ou autorités suivantes ne sont pas soumises au contrôle visé aux articles 20 et 21 :
1° le Roi;
2° le président du Sénat, de la Chambre des représentants, du Parlement flamand, du Parlement de la Communauté française, du Parlement de la Région wallonne, du Parlement de la Communauté germanophone et du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale;
3° les ministres et secrétaires d'Etat du gouvernement fédéral; les ministres et secrétaires d'Etat des gouvernements des communautés et des régions;
4° le président du comité de direction du SPF Intérieur, le directeur général, les conseillers généraux;
5° le directeur du centre;
6° les présidents de la Cour d'arbitrage;
7° les autorités judiciaires;
8° le premier président du Conseil d'Etat, l'auditeur général près le Conseil d'Etat, le greffier en chef du Conseil d'Etat;
9° le syndic des huissiers de justice et les présidents de la Chambre des notaires de l'arrondissement où le centre est situé;
10° le président du Comité européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants;
11° les médiateurs fédéraux, communautaires et régionaux;
12° le bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement dans lequel le centre est situé;
13° le directeur et le directeur-adjoint du Centre pour l'Egalité des Chances et la lutte contre le racisme;
14° le président du Comité permanent de contrôle des services de police;
15° la Commission et le secrétariat permanent visés à l'article 130;
Pour faire usage de cette possibilité, les occupants doivent adresser leurs lettres à l'adresse où ces personnes ou autorités exercent leur fonction. "
Art. 11. In artikel 24 van hetzelfde besluit wordt de eerste zin aangevuld met de woorden " behalve tijdens de maaltijden ";
Art. 11. A l'article 24 du même arrêté, la première phrase est complétée par les mots " sauf durant les repas ";
Art. 12. Artikel 27 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 27. De bezoeker kan onderworpen worden aan een fouilllering als bepaald in artikel 111/4. "
" Art. 27. De bezoeker kan onderworpen worden aan een fouilllering als bepaald in artikel 111/4. "
Art. 12. L'article 27 du même arrêté est remplacé par :
" Art. 27. Le visiteur peut être soumis à une fouille tel que déterminée à l'article 111/4. "
" Art. 27. Le visiteur peut être soumis à une fouille tel que déterminée à l'article 111/4. "
Art. 13. In hetzelfde besluit wordt een artikel 28/1 ingevoegd, luidende :
" Art. 28/1. De centrumdirecteur kan beslissen dat de bezoeken aan een bewoner plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de bewoner scheidt, in de volgende gevallen :
1° wanneer er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat er zich tijdens het bezoek incidenten kunnen voordoen die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen;
2° op verzoek van de bezoeker;
3° op verzoek van de bewoner;
4° als de bezoeker of de bewoner eerder de bezoekregeling als bepaald in het huishoudelijk reglement van het centrum niet heeft nageleefd en er redenen bestaan om aan te nemen dat deze inbreuk zich kan herhalen. "
" Art. 28/1. De centrumdirecteur kan beslissen dat de bezoeken aan een bewoner plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de bewoner scheidt, in de volgende gevallen :
1° wanneer er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat er zich tijdens het bezoek incidenten kunnen voordoen die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen;
2° op verzoek van de bezoeker;
3° op verzoek van de bewoner;
4° als de bezoeker of de bewoner eerder de bezoekregeling als bepaald in het huishoudelijk reglement van het centrum niet heeft nageleefd en er redenen bestaan om aan te nemen dat deze inbreuk zich kan herhalen. "
Art. 13. Dans le même arrêté, il est inséré un article 28/1 rédigé comme suit :
" Art. 28/1. Le directeur du centre peut décider que les visites d'un occupant auront lieu dans un local pourvu d'une paroi de séparation transparente entre les visiteurs et l'occupant, dans les cas suivants :
1° lorsqu'il existe des raisons sérieuses de craindre que des incidents de nature à mettre en danger l'ordre ou la sécurité surviennent pendant la visite;
2° à la demande du visiteur;
3° à la demande de l'occupant;
4° si le visiteur ou l'occupant a enfreint antérieurement le règlement des visites et qu'il y a des raisons de présumer que cette infraction au règlement d'ordre intérieur du centre est susceptible de se reproduire. "
" Art. 28/1. Le directeur du centre peut décider que les visites d'un occupant auront lieu dans un local pourvu d'une paroi de séparation transparente entre les visiteurs et l'occupant, dans les cas suivants :
1° lorsqu'il existe des raisons sérieuses de craindre que des incidents de nature à mettre en danger l'ordre ou la sécurité surviennent pendant la visite;
2° à la demande du visiteur;
3° à la demande de l'occupant;
4° si le visiteur ou l'occupant a enfreint antérieurement le règlement des visites et qu'il y a des raisons de présumer que cette infraction au règlement d'ordre intérieur du centre est susceptible de se reproduire. "
Art. 14. In hetzelfde besluit wordt in plaats van artikel 29, vernietigd door arrest nr. 188.705 van de Raad van State, een artikel 29 ingevoegd, luidende :
" Art. 29. Met uitzondering van het ongestoord bezoek als bepaald in artikel 36/1, zijn de toezichthoudende personeelsleden aanwezig in de bezoekersruimte en leggen zij tijdens het bezoek de grootst mogelijke discretie aan de dag.
De bezoeken van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers, van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat en van de leden van de uitvoerende en rechterlijke macht, evenals de individuele bezoeken van een advocaat, vinden steeds in een afzonderlijk lokaal plaats, zonder dat het personeel van het centrum daarbij aanwezig is "
" Art. 29. Met uitzondering van het ongestoord bezoek als bepaald in artikel 36/1, zijn de toezichthoudende personeelsleden aanwezig in de bezoekersruimte en leggen zij tijdens het bezoek de grootst mogelijke discretie aan de dag.
De bezoeken van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers, van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat en van de leden van de uitvoerende en rechterlijke macht, evenals de individuele bezoeken van een advocaat, vinden steeds in een afzonderlijk lokaal plaats, zonder dat het personeel van het centrum daarbij aanwezig is "
Art. 14. Dans le même arrêté, à la place de l'article 29 annulé par arrêt n°188.705 du Conseil d'Etat, il est inséré un article 29 rédigé comme suit :
" Art. 29. A l'exception de la visite intime déterminée à l'article 36/1, les membres du personnel de surveillance sont présents dans le local de visite et font preuve de la plus grande discrétion durant la visite.
Les visites des représentants diplomatiques ou consulaires, des membres de la Chambre des Représentants et du Sénat et des membres des Pouvoirs exécutif et judiciaire ainsi que les visites individuelles d'un avocat, ont toujours lieu dans un local séparé en l'absence du personnel du centre. "
" Art. 29. A l'exception de la visite intime déterminée à l'article 36/1, les membres du personnel de surveillance sont présents dans le local de visite et font preuve de la plus grande discrétion durant la visite.
Les visites des représentants diplomatiques ou consulaires, des membres de la Chambre des Représentants et du Sénat et des membres des Pouvoirs exécutif et judiciaire ainsi que les visites individuelles d'un avocat, ont toujours lieu dans un local séparé en l'absence du personnel du centre. "
Art. 15. In artikel 31 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
" 1° een punt 1° /1wordt ingevoegd, luidende :
2°een bezoek achter glas opleggen. "
" 1° een punt 1° /1wordt ingevoegd, luidende :
2°een bezoek achter glas opleggen. "
Art. 15. A l'article 31 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
" 1° un point 1°/1 est inséré et est rédigé comme suit :
2°imposer une visite derrière une vitre ".
" 1° un point 1°/1 est inséré et est rédigé comme suit :
2°imposer une visite derrière une vitre ".
Art. 16. In artikel 34 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door de volgende tekst :
" Het bezoek kan enkel plaatsvinden indien hetzij het bewijs van de familieband of van de uitoefening van de ouderlijke macht, hetzij het bewijs van het geregistreerd partnerschap met de bewoner wordt geleverd. Dit bewijs kan met alle rechtsmiddelen worden geleverd. De centrumdirecteur, zijn plaatsvervanger of het personeelslid dat hij daartoe aanwijst kan een uitzondering op die voorwaarde toestaan. "
" Het bezoek kan enkel plaatsvinden indien hetzij het bewijs van de familieband of van de uitoefening van de ouderlijke macht, hetzij het bewijs van het geregistreerd partnerschap met de bewoner wordt geleverd. Dit bewijs kan met alle rechtsmiddelen worden geleverd. De centrumdirecteur, zijn plaatsvervanger of het personeelslid dat hij daartoe aanwijst kan een uitzondering op die voorwaarde toestaan. "
Art. 16. Dans l'article 34 du même arrêté, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" La visite peut seulement avoir lieu soit lorsque la preuve du lien familial ou de l'exercice de l'autorité parenté est apportée, soit la preuve du partenariat enregistré avec l'occupant. Cette preuve peut être apportée par toute voie de droit. Le directeur du centre, son remplaçant ou le membre du personnel qu'il désigne à cette fin peut accorder une exception à cette exigence. "
" La visite peut seulement avoir lieu soit lorsque la preuve du lien familial ou de l'exercice de l'autorité parenté est apportée, soit la preuve du partenariat enregistré avec l'occupant. Cette preuve peut être apportée par toute voie de droit. Le directeur du centre, son remplaçant ou le membre du personnel qu'il désigne à cette fin peut accorder une exception à cette exigence. "
Art. 17. In hetzelfde besluit wordt in de plaats van artikel 35, vernietigd door arrest nr. 188.705 van de Raad van State, een artikel 35 ingevoegd, luidende :
" Art. 35.De centrumdirecteur ziet erop toe dat iedere bewoner het recht op bezoek kan genieten.
Het aantal bezoekers is beperkt tot 2 personen per bewoner en per bezoek. De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger kan hierop een uitzondering toestaan. De kinderen die jonger zijn dan 12 jaar zijn niet in dit aantal begrepen ".
" Art. 35.De centrumdirecteur ziet erop toe dat iedere bewoner het recht op bezoek kan genieten.
Het aantal bezoekers is beperkt tot 2 personen per bewoner en per bezoek. De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger kan hierop een uitzondering toestaan. De kinderen die jonger zijn dan 12 jaar zijn niet in dit aantal begrepen ".
Art. 17. Dans le même arrêté, à la place de l'article 35 annulé par arrêt n°188.705 du Conseil d'Etat, il est inséré un article 35, rédigé comme suit :
" Art. 35. Le directeur du centre veille à ce que chaque occupant puisse bénéficier de son droit de visite.
Le nombre de visiteurs est limité à 2 personnes par occupant et par visite. Le directeur du centre ou son remplaçant peut consentir une exception à ce sujet. Les enfants de moins de 12 ans ne sont pas compris dans ce nombre ".
" Art. 35. Le directeur du centre veille à ce que chaque occupant puisse bénéficier de son droit de visite.
Le nombre de visiteurs est limité à 2 personnes par occupant et par visite. Le directeur du centre ou son remplaçant peut consentir une exception à ce sujet. Les enfants de moins de 12 ans ne sont pas compris dans ce nombre ".
Art. 18. In de Titel II, Hoofdstuk III, afdeling 2 van het besluit wordt een punt 2.2.3/1, ingevoegd,dat een artikel 36 bevat ingevoegd op dezelfde plaats als hetzelfde artikel dat werd vernietigd door arrest nr. 188.705 van de Raad van State, luidende :
" Afdeling 2.2.3./1 - De intieme bezoeken. "
" Art. 36. Iedere bewoner die minstens een maand in een gesloten centrum verblijft, heeft minstens eenmaal per maand recht op intiem bezoek gedurende minimum twee uur.
Het bezoekrecht als bepaald in het eerste lid, is van toepassing indien de bezoeker het bewijs levert van zijn meerderjarigheid en zijn huwelijksband, zijn wettige samenwoonst of zijn duurzame relatie van minimum 6 maanden met de bewoner. Dit bewijs kan geleverd worden met alle rechtsmiddelen.
Het intiem bezoek moet aangevraagd worden volgens de regels bepaald in het huishoudelijk reglement. "
" Afdeling 2.2.3./1 - De intieme bezoeken. "
" Art. 36. Iedere bewoner die minstens een maand in een gesloten centrum verblijft, heeft minstens eenmaal per maand recht op intiem bezoek gedurende minimum twee uur.
Het bezoekrecht als bepaald in het eerste lid, is van toepassing indien de bezoeker het bewijs levert van zijn meerderjarigheid en zijn huwelijksband, zijn wettige samenwoonst of zijn duurzame relatie van minimum 6 maanden met de bewoner. Dit bewijs kan geleverd worden met alle rechtsmiddelen.
Het intiem bezoek moet aangevraagd worden volgens de regels bepaald in het huishoudelijk reglement. "
Art. 18. Dans le Titre II, Chapitre III, section 2 de l'arrêté, il est inséré un point 2.2.3/1, comportant un article 36 inséré à la place du même article annulé par arrêt n°188.705 du Conseil d'Etat, rédigé comme suit :
" Section.2.2.3./1 - Les visites intimes "
" Art. 36. Chaque occupant qui séjourne dans un centre fermé depuis au moins un mois a le droit de recevoir une visite dans l'intimité durant une durée minimale de 2 heures, au moins une fois par mois.
Le droit de visite déterminé à l'alinéa 1er, est applicable lorsque le visiteur apporte la preuve de sa majorité et de son lien d'alliance ou de sa cohabitation légale ou de sa relation durable de minimum 6 mois avec l'occupant. Cette preuve peut être apportée par toute voie de droit.
Cette visite intime doit être demandée conformément aux règles déterminées au sein du règlement d'ordre intérieur. "
" Section.2.2.3./1 - Les visites intimes "
" Art. 36. Chaque occupant qui séjourne dans un centre fermé depuis au moins un mois a le droit de recevoir une visite dans l'intimité durant une durée minimale de 2 heures, au moins une fois par mois.
Le droit de visite déterminé à l'alinéa 1er, est applicable lorsque le visiteur apporte la preuve de sa majorité et de son lien d'alliance ou de sa cohabitation légale ou de sa relation durable de minimum 6 mois avec l'occupant. Cette preuve peut être apportée par toute voie de droit.
Cette visite intime doit être demandée conformément aux règles déterminées au sein du règlement d'ordre intérieur. "
Art. 19. In artikel 50 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 19. A l'article 50 du même arrêté, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 20. In artikel 52, § 1 van hetzelfde besluit wordt in de Franse versie het woord " ouvrables " ingevoegd na de woorden " tous les jours ".
Art. 20. A l'article 52, § 1er du même arrêté dans la version française le mot " ouvrables " est inséré après les mots " tous les jours ".
Art. 21. In hetzelfde besluit wordt een artikel 61/1 ingevoegd, luidende :
" De arts die verbonden is aan het centrum, onderzoekt de bewoner na elke poging tot verwijdering. Dit onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats en ten laatste 48 uren na de poging tot verwijdering. De bewoner dient zijn medewerking te verlenen aan het medisch onderzoek. "
" De arts die verbonden is aan het centrum, onderzoekt de bewoner na elke poging tot verwijdering. Dit onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats en ten laatste 48 uren na de poging tot verwijdering. De bewoner dient zijn medewerking te verlenen aan het medisch onderzoek. "
Art. 21. Dans le même arrêté, il est inséré un article 61/1, rédigé comme suit :
" Le médecin attaché au centre examine l'occupant, après toute tentative d'éloignement. Cet examen a lieu le plus rapidement possible et au plus tard 48 heures après la tentative d'éloignement. L'occupant doit collaborer à l'examen médical. "
" Le médecin attaché au centre examine l'occupant, après toute tentative d'éloignement. Cet examen a lieu le plus rapidement possible et au plus tard 48 heures après la tentative d'éloignement. L'occupant doit collaborer à l'examen médical. "
Art. 22. In artikel 63 van hetzelfde besluit worden het eerste en het tweede lid aangevuld met de woorden " behalve tijdens de maaltijden ".
Art. 22. A l'article 63 du même arrêté, les alinéas 1er et 2 sont complétés par les mots " sauf durant les repas ".
Art. 23. In hetzelfde besluit wordt in de plaats van artikel 72, vernietigd door arrest nr. 188.705 van de Raad van State, een artikel 72 ingevoegd, luidende :
" Art. 72. § 1 De bewoner heeft het recht door bemiddeling van het centrum, voor eigen rekening, kranten, tijdschriften en andere publicaties te ontvangen waarvan de verspreiding niet wettelijk of bij rechterlijke beslissing is verboden, met uitzondering van erotisch en pornografisch materiaal.
In het centrum wordt aan de bewoner de mogelijkheid gegeven een beroep te doen op bibliotheekvoorzieningen die de bewoner in de gelegenheid stellen, overeenkomstig de in het huishoudelijk reglement bepaalde regels, een keuze van lectuur te maken uit een voldoende groot aanbod.
§ 2. De centrumdirecteur kan een bewoner alleen de kennisneming van bepaalde publicaties of gedeelten van publicaties ontzeggen, wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is.
In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de bewoner.
§ 3. De bewoner heeft het recht om radio- en televisieprogramma's te volgen, overeenkomstig de door het huishoudelijk reglement vastgestelde regels.
Wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is, kan de centrumdirecteur de bewoners het volgen van bepaalde programma's ontzeggen. In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de bewoner. "
" Art. 72. § 1 De bewoner heeft het recht door bemiddeling van het centrum, voor eigen rekening, kranten, tijdschriften en andere publicaties te ontvangen waarvan de verspreiding niet wettelijk of bij rechterlijke beslissing is verboden, met uitzondering van erotisch en pornografisch materiaal.
In het centrum wordt aan de bewoner de mogelijkheid gegeven een beroep te doen op bibliotheekvoorzieningen die de bewoner in de gelegenheid stellen, overeenkomstig de in het huishoudelijk reglement bepaalde regels, een keuze van lectuur te maken uit een voldoende groot aanbod.
§ 2. De centrumdirecteur kan een bewoner alleen de kennisneming van bepaalde publicaties of gedeelten van publicaties ontzeggen, wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is.
In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de bewoner.
§ 3. De bewoner heeft het recht om radio- en televisieprogramma's te volgen, overeenkomstig de door het huishoudelijk reglement vastgestelde regels.
Wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is, kan de centrumdirecteur de bewoners het volgen van bepaalde programma's ontzeggen. In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de bewoner. "
Art. 23. Dans le même arrêté, à la place de l'article 72 annulé par arrêt n° 188.705 du Conseil d'Etat, il est inséré un article 72 rédigé comme suit :
" Art. 72. § 1er A l'exception des publications à caractères pornographiques et érotiques,l'occupant a le droit de recevoir, par l'intermédiaire du centre et à son propre compte, des journaux, périodiques et autres publications dont la diffusion n'est pas interdite par la loi ou par décision judiciaire.
Au sein du centre, l'occupant bénéficie de la possibilité de faire usage d'équipements de bibliothèque qui permettent aux occupants d'opérer un choix de lecture parmi une offre suffisante, conformément aux règles définies dans le règlement d'ordre intérieur.
§ 2. Le directeur du centre ne peut interdire à un occupant de prendre connaissance de certaines publications ou parties de publications que si cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité.
Le cas échéant, la décision de l'interdiction est motivée et notifiée par écrit à l'occupant.
§ 3. L'occupant a le droit de suivre des programmes radiophoniques et télévisées conformément aux règles établies par le règlement d'ordre intérieur.
Lorsque cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, le directeur du centre peut interdire aux occupants de suivre certains programmes. Le cas échéant, la décision d'interdiction est motivée et portée à la connaissance de l'occupant par écrit. "
" Art. 72. § 1er A l'exception des publications à caractères pornographiques et érotiques,l'occupant a le droit de recevoir, par l'intermédiaire du centre et à son propre compte, des journaux, périodiques et autres publications dont la diffusion n'est pas interdite par la loi ou par décision judiciaire.
Au sein du centre, l'occupant bénéficie de la possibilité de faire usage d'équipements de bibliothèque qui permettent aux occupants d'opérer un choix de lecture parmi une offre suffisante, conformément aux règles définies dans le règlement d'ordre intérieur.
§ 2. Le directeur du centre ne peut interdire à un occupant de prendre connaissance de certaines publications ou parties de publications que si cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité.
Le cas échéant, la décision de l'interdiction est motivée et notifiée par écrit à l'occupant.
§ 3. L'occupant a le droit de suivre des programmes radiophoniques et télévisées conformément aux règles établies par le règlement d'ordre intérieur.
Lorsque cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, le directeur du centre peut interdire aux occupants de suivre certains programmes. Le cas échéant, la décision d'interdiction est motivée et portée à la connaissance de l'occupant par écrit. "
Art. 24. In artikel 88 van hetzelfde besluit wordt het derde lid vervangen door " De schade die bewoners opzettelijk aanrichten en de kosten veroorzaakt door hun gedrag niet conform de regels kunnen onmiddellijk op hen verhaald worden ".
Art. 24. Dans l'article 88, du même arrêté, l'alinéa 3 est remplacé par " Les dégâts occasionnés intentionnellement par les occupants ainsi que les coûts occasionnés par leur comportement non conforme aux règles peuvent être immédiatement réclamés. "
Art. 25. Artikel 96, § 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de punten 14° en 15°, luidende :
" 14° seksuele handtastelijkheden die de eerbaarheid van het personeel van het centrum, daarmee gelijk te stellen personen of andere bewoners aantasten;
15° het in het bezit hebben of het gebruik van toestellen, werktuigen, gereedschappen of andere snijdende, stekende of kneuzende voorwerpen die men heeft ter hand genomen heeft om te doden, te verwonden, te slaan of te dreigen. "
" 14° seksuele handtastelijkheden die de eerbaarheid van het personeel van het centrum, daarmee gelijk te stellen personen of andere bewoners aantasten;
15° het in het bezit hebben of het gebruik van toestellen, werktuigen, gereedschappen of andere snijdende, stekende of kneuzende voorwerpen die men heeft ter hand genomen heeft om te doden, te verwonden, te slaan of te dreigen. "
Art. 25. L'article 96, § 1er, du même arrêté est complété par les points 14° et 15°, rédigé comme suit :
" 14° attouchements sexuels qui portent atteinte à la pudeur du personnel du centre, des personnes assimilées ou d'autres occupants;
15° être en possession ou faire usage de machines, d'instruments, d'ustensiles ou d'autres objets tranchants, perçants ou contondants, dont on se sera saisi pour tuer, blesser, frapper ou menacer. "
" 14° attouchements sexuels qui portent atteinte à la pudeur du personnel du centre, des personnes assimilées ou d'autres occupants;
15° être en possession ou faire usage de machines, d'instruments, d'ustensiles ou d'autres objets tranchants, perçants ou contondants, dont on se sera saisi pour tuer, blesser, frapper ou menacer. "
Art. 26. Artikel 98 van hetzelfde besluit wordt als volgt gewijzigd :
" 1° In de plaats van artikel 98, § 1, 3°, vernietigd door arrest nr. 188/705 van de Raad van State, wordt een artikel 98, § 1, 3° ingevoegd, luidende :
3 °De intrekking van de volgende gunsten :
- de toegang tot de bibliotheek, de recreatieve ruimte of de kantine;
- de deelname aan culturele, sport- of ontspanningsactiviteiten;
- de deelname aan fysieke activiteiten;
- de deelname aan lessen;
- het gebruik van persoonlijk ontspanningsmateriaal;
- het uitvoeren van taken tegen vergoeding;
- de mogelijkheid om te roken;
- het tussendoortje;
- het GSM-gebruik.
2° In § 2, tweede lid worden de woorden " niveau 2 " vervangen door de woorden " niveau C ";
3° In § 2 wordt het vierde lid vervangen door :
" De plaatsing in een afzonderingsruimte kan enkel worden opgelegd :
1° in geval van een inbreuk bepaald in artikel 96, § 1, 7°, 9°, 10°, 11°, 12°, 14° en 15°;
2° in geval van poging tot of een deelneming aan een inbreuk bepaald in 1°;
3° wanneer een bewoner een derde maal een inbreuk begaat overeenkomstig artikel 96. "
" 1° In de plaats van artikel 98, § 1, 3°, vernietigd door arrest nr. 188/705 van de Raad van State, wordt een artikel 98, § 1, 3° ingevoegd, luidende :
3 °De intrekking van de volgende gunsten :
- de toegang tot de bibliotheek, de recreatieve ruimte of de kantine;
- de deelname aan culturele, sport- of ontspanningsactiviteiten;
- de deelname aan fysieke activiteiten;
- de deelname aan lessen;
- het gebruik van persoonlijk ontspanningsmateriaal;
- het uitvoeren van taken tegen vergoeding;
- de mogelijkheid om te roken;
- het tussendoortje;
- het GSM-gebruik.
2° In § 2, tweede lid worden de woorden " niveau 2 " vervangen door de woorden " niveau C ";
3° In § 2 wordt het vierde lid vervangen door :
" De plaatsing in een afzonderingsruimte kan enkel worden opgelegd :
1° in geval van een inbreuk bepaald in artikel 96, § 1, 7°, 9°, 10°, 11°, 12°, 14° en 15°;
2° in geval van poging tot of een deelneming aan een inbreuk bepaald in 1°;
3° wanneer een bewoner een derde maal een inbreuk begaat overeenkomstig artikel 96. "
Art. 26. L'article 98 du même arrêté est modifié comme suit :
" 1° A la place de l'article 98, § 1er, 3°, annulé par arrêt n° 188.705 du Conseil d'Etat, il est inséré un article 98, § 1er, 3° rédigé comme suit :
3° Le retrait des avantages suivants :
- l'accès à la bibliothèque, l'espace récréatif ou à la cantine;
- la participation à des activités culturelles, sportives ou de détente;
- la participation à des activités physiques;
- la participation à des leçons;
- l'usage de matériel de détente appartenant à l'occupant;
- exécuter des tâches contre rémunération;
- la possibilité de fumer;
- la collation;
- l'usage de téléphone mobile. "
2° Au § 2, alinéa 2, les mots " niveau 2 " sont remplacés par les mots " niveau C ";
3° Au § 2, alinéa 4 est remplacé par :
" Le placement dans un local d'isolement ne peut être imposé que :
1° dans le cas d'une infraction définie à l'article 96, § 1er, 7°, 9°, 10°, 11°, 12°, 14° et 15°;
2° en cas de tentative d'infraction ou de participation à une infraction visée au 1°;
3° si un occupant commet une troisième fois une infraction conformément à l'article 96. "
" 1° A la place de l'article 98, § 1er, 3°, annulé par arrêt n° 188.705 du Conseil d'Etat, il est inséré un article 98, § 1er, 3° rédigé comme suit :
3° Le retrait des avantages suivants :
- l'accès à la bibliothèque, l'espace récréatif ou à la cantine;
- la participation à des activités culturelles, sportives ou de détente;
- la participation à des activités physiques;
- la participation à des leçons;
- l'usage de matériel de détente appartenant à l'occupant;
- exécuter des tâches contre rémunération;
- la possibilité de fumer;
- la collation;
- l'usage de téléphone mobile. "
2° Au § 2, alinéa 2, les mots " niveau 2 " sont remplacés par les mots " niveau C ";
3° Au § 2, alinéa 4 est remplacé par :
" Le placement dans un local d'isolement ne peut être imposé que :
1° dans le cas d'une infraction définie à l'article 96, § 1er, 7°, 9°, 10°, 11°, 12°, 14° et 15°;
2° en cas de tentative d'infraction ou de participation à une infraction visée au 1°;
3° si un occupant commet une troisième fois une infraction conformément à l'article 96. "
Art. 27. Artikel 101 van hetzelfde besluit wordt vervangen door :
" Art. 101. § 1. De maximumduur van de plaatsing in een afzonderingsruimte is vierentwintig uur. Indien het gedrag van de bewoner de integratie in de leefgroep onmogelijk maakt, kan de directeur-generaal tweemaal beslissen deze termijn met vierentwintig uur te verlengen.
In de volgende gevallen kan de centrumdirecteur onmiddellijk aan de directeur-generaal voorstellen om de bewoner in een afzonderingsruimte te plaatsen, voor een termijn van achtenveertig uur :
1° bedreigingen met aantasting van de fysieke integriteit van personen of met vernieling of beschadiging van goederen;
2° het opzettelijk toebrengen van slagen en het opzettelijk toebrengen van verwondingen;
3° het stellen van handelingen met het oog op ontvluchting of het vergemakkelijken van een ontvluchting;
4° het in het bezit hebben of het gebruik van toestellen, werktuigen, gereedschappen of andere snijdende, stekende of kneuzende voorwerpen die men heeft ter hand genomen om te doden, te verwonden, te slaan of te dreigen.
Indien het gedrag van de bewoner de integratie in de leefgroep onmogelijk maakt, kan de directeur-generaal tweemaal beslissen deze termijn met vierentwintig uur te verlengen.
§ 2. In geval van opzettelijke slagen en het opzettelijk toebrengen van verwondingen aan personen, kan de centrumdirecteur onmiddellijk aan de directeur-generaal voorstellen de bewoner voor een termijn van tweeënzeventig uur in een afzonderingsruimte te plaatsen.
Indien het gedrag van de bewoner de integratie in de leefgroep onmogelijk maakt, kan de directeur-generaal tweemaal beslissen deze termijn met vierentwintig uur te verlengen.
Zodra de termijn als bepaald in het tweede lid, verstreken is, kan enkel de Minister beslissen de plaatsing in een afzonderingsruimte te verlengen en dit tot maximaal zeven dagen. "
" Art. 101. § 1. De maximumduur van de plaatsing in een afzonderingsruimte is vierentwintig uur. Indien het gedrag van de bewoner de integratie in de leefgroep onmogelijk maakt, kan de directeur-generaal tweemaal beslissen deze termijn met vierentwintig uur te verlengen.
In de volgende gevallen kan de centrumdirecteur onmiddellijk aan de directeur-generaal voorstellen om de bewoner in een afzonderingsruimte te plaatsen, voor een termijn van achtenveertig uur :
1° bedreigingen met aantasting van de fysieke integriteit van personen of met vernieling of beschadiging van goederen;
2° het opzettelijk toebrengen van slagen en het opzettelijk toebrengen van verwondingen;
3° het stellen van handelingen met het oog op ontvluchting of het vergemakkelijken van een ontvluchting;
4° het in het bezit hebben of het gebruik van toestellen, werktuigen, gereedschappen of andere snijdende, stekende of kneuzende voorwerpen die men heeft ter hand genomen om te doden, te verwonden, te slaan of te dreigen.
Indien het gedrag van de bewoner de integratie in de leefgroep onmogelijk maakt, kan de directeur-generaal tweemaal beslissen deze termijn met vierentwintig uur te verlengen.
§ 2. In geval van opzettelijke slagen en het opzettelijk toebrengen van verwondingen aan personen, kan de centrumdirecteur onmiddellijk aan de directeur-generaal voorstellen de bewoner voor een termijn van tweeënzeventig uur in een afzonderingsruimte te plaatsen.
Indien het gedrag van de bewoner de integratie in de leefgroep onmogelijk maakt, kan de directeur-generaal tweemaal beslissen deze termijn met vierentwintig uur te verlengen.
Zodra de termijn als bepaald in het tweede lid, verstreken is, kan enkel de Minister beslissen de plaatsing in een afzonderingsruimte te verlengen en dit tot maximaal zeven dagen. "
Art. 27. L'article 101 de ce même arrêté est remplacé par :
" Art. 101. § 1er. La durée maximale de placement dans un local d'isolement est de vingt-quatre heures. Si le comportement de l'occupant rend impossible son intégration au sein du groupe, le directeur général peut décider à deux reprises de prolonger ce délai de vingt-quatre heures.
Dans les cas suivants, le directeur du centre peut proposer au directeur général de placer l'occupant immédiatement en local d'isolement pendant une durée de quarante-huit heures :
1° des menaces avec atteinte à l'intégrité physique de personnes ou destruction ou dégradation de biens;
2° porter intentionnellement des coups et occasionner intentionnellement des blessures;
3° poser des actes dans le but de s'évader ou de faciliter une évasion;
4° être en possession ou faire usage d'appareils, d'instruments, d'ustensiles ou d'autres objets tranchants, perçants ou contondants, dont on se sera saisi pour tuer, blesser, frapper ou menacer.
Si le comportement de l'occupant rend impossible son intégration au sein du groupe, le directeur général peut décider à deux reprises de prolonger ce délai de vingt-quatre heures.
§ 2. En cas de coups intentionnels et de cause intentionnelle de blessures aux personnes, le directeur de centre peut proposer au directeur général de placer l'occupant immédiatement en local d'isolement pendant une durée de septante-deux heures.
Si le comportement de l'occupant rend impossible son intégration au sein du groupe, le directeur général peut décider à deux reprises de prolonger ce délai de vingt-quatre heures.
Dès que le délai tel que défini à l'alinéa 2, a expiré, seul le Ministre peut décider de prolonger le placement en local d'isolement jusqu'à une durée maximum de sept jours. "
" Art. 101. § 1er. La durée maximale de placement dans un local d'isolement est de vingt-quatre heures. Si le comportement de l'occupant rend impossible son intégration au sein du groupe, le directeur général peut décider à deux reprises de prolonger ce délai de vingt-quatre heures.
Dans les cas suivants, le directeur du centre peut proposer au directeur général de placer l'occupant immédiatement en local d'isolement pendant une durée de quarante-huit heures :
1° des menaces avec atteinte à l'intégrité physique de personnes ou destruction ou dégradation de biens;
2° porter intentionnellement des coups et occasionner intentionnellement des blessures;
3° poser des actes dans le but de s'évader ou de faciliter une évasion;
4° être en possession ou faire usage d'appareils, d'instruments, d'ustensiles ou d'autres objets tranchants, perçants ou contondants, dont on se sera saisi pour tuer, blesser, frapper ou menacer.
Si le comportement de l'occupant rend impossible son intégration au sein du groupe, le directeur général peut décider à deux reprises de prolonger ce délai de vingt-quatre heures.
§ 2. En cas de coups intentionnels et de cause intentionnelle de blessures aux personnes, le directeur de centre peut proposer au directeur général de placer l'occupant immédiatement en local d'isolement pendant une durée de septante-deux heures.
Si le comportement de l'occupant rend impossible son intégration au sein du groupe, le directeur général peut décider à deux reprises de prolonger ce délai de vingt-quatre heures.
Dès que le délai tel que défini à l'alinéa 2, a expiré, seul le Ministre peut décider de prolonger le placement en local d'isolement jusqu'à une durée maximum de sept jours. "
Art. 28. In artikel 102, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " een uur " vervangen door de woorden " drie uur ".
Art. 28. A l'article 102, alinéa 2, du même arrêté, les mots " une heure " sont remplacés par les mots " trois heures ".
Art. 29. Artikel 108 van hetzelfde besluit wordt vervangen door :
" Het doorzoeken van de verblijfsruimtes gebeurt overeenkomstig artikel 111/2, § 3. "
" Het doorzoeken van de verblijfsruimtes gebeurt overeenkomstig artikel 111/2, § 3. "
Art. 29. L'article 108 du même arrêté est remplacé par :
" L'espace de séjour est fouillé conformément à l'article 111/2, § 3. "
" L'espace de séjour est fouillé conformément à l'article 111/2, § 3. "
Art. 30. In Titel IV van hetzelfde besluit wordt een
Hoofdstuk I /1 met als titel " fouillering en bewaargeving " ingevoegd die de artikelen 111/1 tot 111/4 bevat, luidende :
" Art. 111/1. De bewoner evenals zijn kledij, bagage en persoonlijke bezittingen kunnen onderworpen worden aan een fouillering bij de aankomst in het centrum, na het ontvangen van bezoek en op andere ogenblikken tijdens zijn verblijf.
Deze fouillering heeft tot doel na te gaan of de bewoner in het bezit is van voorwerpen of stoffen die verboden zijn of die gevaarlijk zijn voor hemzelf, de andere bewoners, voor het personeel of voor de veiligheid van het centrum. De fouillering mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en wordt uitgevoerd in opdracht van de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger.
De fouillering mag geen tergend karakter hebben en dient te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de bewoner.
De bewoner is verplicht hieraan zijn volledige medewerking te verlenen.
Art. 111/2. § 1. De fouille van een bewoner kan uitgevoerd worden als volgt :
1° door het gebruik van een systeem voor metaaldetectie of andere screeningsapparatuur;
2° door het grondig betasten van het boven- en onderlichaam over de kledij;
3° door het volledig laten uitkleden van een bewoner om het grondig doorzoeken van de kledij mogelijk te maken.
§ 2. De kledij, bagage en bezittingen kunnen op volgende wijzen onderzocht worden :
1°door het gebruik van een systeem voor metaaldetectie of andere screeningsapparatuur;
2° door het grondig met de hand doorzoeken.
Met het oog op de handhaving van de orde en de veiligheid worden de verblijfsruimtes van de bewoner overeenkomstig de richtlijnen van de centrumdirecteur door daartoe door de centrumdirecteur aangeduide personeelsleden geregeld doorzocht op de conformiteit met de in het gesloten centrum geldende regels. Deze controlemaatregel mag niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van het beoogde doel.
§ 3. De fouillering als bepaald in § 1, 2° en 3° wordt uitgevoerd door twee leden van het personeel van hetzelfde geslacht als de bewoner.
De fouillering als bepaald in § 1,3° moet plaatsvinden in een ruimte waar geen andere bewoners of derden aanwezig zijn of kunnen binnenkijken.
Art. 111/3. Indien ingevolge de fouillering als bepaald in het artikel 111/2, §§ 1 en 2 gevaarlijke of verboden voorwerpen of substanties worden aangetroffen, worden deze in bewaring genomen, ter beschikking gesteld van de bevoegde overheden of met goedkeuring van de bewoner vernietigd.
De bewoner heeft het recht de hem toebehorende voorwerpen waarvan het bezit niet onverenigbaar is met de orde en de veiligheid in zijn verblijfsruimte onder te brengen dan wel bij zich te hebben of in bewaring te geven overeenkomstig de door het huishoudelijk reglement te bepalen regels.
De bewaargeving valt onder toezicht en verantwoordelijkheid van de centrumdirecteur. Er wordt een inventaris opgemaakt van de in bewaring gegeven goederen. De betrokken bewoner ontvangt een afschrift van de inventaris die hijzelf en twee daartoe bevoegde personeelsleden ondertekenen.
Art. 111/4. § 1. De bezoekers en hun bagage kunnen in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid, gefouilleerd worden door daartoe door de centrumdirecteur aangeduide leden van het personeel. Dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de bezoeker in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.
De fouillering mag geen tergend karakter hebben en dient te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de bezoeker. De bezoeker is verplicht hieraan zijn volledige medewerking te verlenen.
§ 2. De fouille van de bezoeker en zijn bagage kan uitgevoerd worden op een van de volgende wijzen :
1° het gebruik van een systeem voor metaaldetectie of andere screeningsapparatuur;
2° het oppervlakkig betasten van het boven- en onderlichaam over de kledij;
3° het doorzoeken van de persoonlijke bagage.
§ 3. Indien bij de fouillering voorwerpen of substanties worden aangetroffen die niet in het bezit van de bezoeker mogen zijn, moeten deze in de daarvoor voorziene ruimtes worden opgeborgen voor de duur van het bezoek.
Indien de bezoeker hieraan zijn medewerking niet verleent, wordt hem de toegang tot het centrum geweigerd. "
Hoofdstuk I /1 met als titel " fouillering en bewaargeving " ingevoegd die de artikelen 111/1 tot 111/4 bevat, luidende :
" Art. 111/1. De bewoner evenals zijn kledij, bagage en persoonlijke bezittingen kunnen onderworpen worden aan een fouillering bij de aankomst in het centrum, na het ontvangen van bezoek en op andere ogenblikken tijdens zijn verblijf.
Deze fouillering heeft tot doel na te gaan of de bewoner in het bezit is van voorwerpen of stoffen die verboden zijn of die gevaarlijk zijn voor hemzelf, de andere bewoners, voor het personeel of voor de veiligheid van het centrum. De fouillering mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en wordt uitgevoerd in opdracht van de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger.
De fouillering mag geen tergend karakter hebben en dient te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de bewoner.
De bewoner is verplicht hieraan zijn volledige medewerking te verlenen.
Art. 111/2. § 1. De fouille van een bewoner kan uitgevoerd worden als volgt :
1° door het gebruik van een systeem voor metaaldetectie of andere screeningsapparatuur;
2° door het grondig betasten van het boven- en onderlichaam over de kledij;
3° door het volledig laten uitkleden van een bewoner om het grondig doorzoeken van de kledij mogelijk te maken.
§ 2. De kledij, bagage en bezittingen kunnen op volgende wijzen onderzocht worden :
1°door het gebruik van een systeem voor metaaldetectie of andere screeningsapparatuur;
2° door het grondig met de hand doorzoeken.
Met het oog op de handhaving van de orde en de veiligheid worden de verblijfsruimtes van de bewoner overeenkomstig de richtlijnen van de centrumdirecteur door daartoe door de centrumdirecteur aangeduide personeelsleden geregeld doorzocht op de conformiteit met de in het gesloten centrum geldende regels. Deze controlemaatregel mag niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van het beoogde doel.
§ 3. De fouillering als bepaald in § 1, 2° en 3° wordt uitgevoerd door twee leden van het personeel van hetzelfde geslacht als de bewoner.
De fouillering als bepaald in § 1,3° moet plaatsvinden in een ruimte waar geen andere bewoners of derden aanwezig zijn of kunnen binnenkijken.
Art. 111/3. Indien ingevolge de fouillering als bepaald in het artikel 111/2, §§ 1 en 2 gevaarlijke of verboden voorwerpen of substanties worden aangetroffen, worden deze in bewaring genomen, ter beschikking gesteld van de bevoegde overheden of met goedkeuring van de bewoner vernietigd.
De bewoner heeft het recht de hem toebehorende voorwerpen waarvan het bezit niet onverenigbaar is met de orde en de veiligheid in zijn verblijfsruimte onder te brengen dan wel bij zich te hebben of in bewaring te geven overeenkomstig de door het huishoudelijk reglement te bepalen regels.
De bewaargeving valt onder toezicht en verantwoordelijkheid van de centrumdirecteur. Er wordt een inventaris opgemaakt van de in bewaring gegeven goederen. De betrokken bewoner ontvangt een afschrift van de inventaris die hijzelf en twee daartoe bevoegde personeelsleden ondertekenen.
Art. 111/4. § 1. De bezoekers en hun bagage kunnen in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid, gefouilleerd worden door daartoe door de centrumdirecteur aangeduide leden van het personeel. Dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de bezoeker in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.
De fouillering mag geen tergend karakter hebben en dient te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de bezoeker. De bezoeker is verplicht hieraan zijn volledige medewerking te verlenen.
§ 2. De fouille van de bezoeker en zijn bagage kan uitgevoerd worden op een van de volgende wijzen :
1° het gebruik van een systeem voor metaaldetectie of andere screeningsapparatuur;
2° het oppervlakkig betasten van het boven- en onderlichaam over de kledij;
3° het doorzoeken van de persoonlijke bagage.
§ 3. Indien bij de fouillering voorwerpen of substanties worden aangetroffen die niet in het bezit van de bezoeker mogen zijn, moeten deze in de daarvoor voorziene ruimtes worden opgeborgen voor de duur van het bezoek.
Indien de bezoeker hieraan zijn medewerking niet verleent, wordt hem de toegang tot het centrum geweigerd. "
Art. 30. Au Titre IV, du même arrêté, est inséré un
Chapitre Ier /1, intitulé " Fouille et dépôt ", comprenant les articles 111/1 à 111/4, rédigé comme suit :
" Art. 111/1. L'occupant ainsi que ses vêtements, ses bagages et ses effets personnels peuvent être soumis à une fouille lors de l'arrivée dans le centre, après une visite et à d'autres moments au cours de son séjour.
Cette fouille a pour but de vérifier si l'occupant est en possession d'objets ou de substances interdits ou dangereux pour lui-même, les autres occupants, le personnel ou la sécurité du centre. La fouille ne peut excéder le temps nécessaire à sa réalisation et est effectuée à la demande du directeur du centre ou de son remplaçant.
La fouille ne peut avoir un caractère vexatoire et doit se dérouler dans le respect de la dignité de l'occupant.
L'occupant a l'obligation d'y coopérer entièrement.
Art. 111/2. § 1er. La fouille d'un occupant peut être réalisée comme suit :
1° en utilisant un détecteur de métaux ou un autre appareil de détection;
2° en effectuant une palpation minutieuse de la partie supérieure et inférieure du corps par-dessus les vêtements;
3° en demandant à l'occupant de se déshabiller pour permettre la fouille minutieuse de ses vêtements.
§ 2. Les vêtements, bagages et effets personnels peuvent être fouillés comme suit :
1° en utilisant un détecteur de métaux ou un autre appareil de détection;
2° en effectuant une palpation manuelle minutieuse.
Pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, selon les directives données par le directeur de centre aux personnes qu'il aura désignées à cet effet, les espaces de séjour de l'occupant sont régulièrement contrôlés pour vérifier s'ils sont conformes aux règles en vigueur dans le centre fermé. Cette mesure de contrôle ne peut pas aller plus loin que nécessaire pour atteindre le but recherché.
§ 3. La fouille telle que définie au § 1er, 2°et 3° est effectuée par deux agents du personnel du même sexe que l'occupant.
La fouille telle que définie au § 1er, 3° doit avoir lieu dans un espace où aucun autre occupant ou tiers ne sont présents ou ne peuvent jeter un regard à travers.
Art. 111/3. Si des objets ou substances interdits ou dangereux sont découverts lors de la fouille telle que définie à l'article 111/2, §§ 1 et 2, ceux-ci sont mis en dépôt, tenus à la disposition des autorités compétentes ou détruits avec l'accord de l'occupant.
Conformément aux règles à définir dans le règlement d'ordre intérieur, l'occupant a le droit d'entreposer dans son espace de séjour, de garder sur lui ou de mettre en dépôt les objets qui lui appartiennent et dont la détention n'est pas incompatible avec l'ordre et la sécurité.
Le dépôt est placé sous la surveillance et la responsabilité du directeur de centre. Un inventaire des biens mis en dépôt est dressé. L'occupant concerné reçoit une copie de l'inventaire signé par lui-même et par deux agents du personnel compétents.
Art. 111/4. § 1er. Pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, les visiteurs et leurs bagages peuvent être fouillés par les agents du personnel que le directeur du centre aura désignés à cet effet. Cette fouille vise à vérifier si le visiteur est en possession d'objets ou de substances interdits ou qui pourraient s'avérer dangereux.
La fouille ne peut avoir un caractère vexatoire et doit se dérouler dans le respect de la dignité du visiteur. Le visiteur a l'obligation d'y coopérer entièrement.
§ 2. La fouille du visiteur et de ses bagages peut être réalisée comme suit :
1° en utilisant un détecteur de métaux ou un autre appareil de détection;
2° en effectuant une palpation superficielle de la partie supérieure et inférieure du corps par-dessus les vêtements;
3° en contrôlant les bagages personnels.
§ 3. Si la fouille permet de découvrir des objets ou substances que le visiteur n'a pas le droit d'avoir en sa possession, ceux-ci doivent être entreposés dans les espaces prévus à cet effet pendant la durée de la visite.
Si le visiteur ne coopère pas pour cette procédure, l'accès au centre lui est refusé. "
Chapitre Ier /1, intitulé " Fouille et dépôt ", comprenant les articles 111/1 à 111/4, rédigé comme suit :
" Art. 111/1. L'occupant ainsi que ses vêtements, ses bagages et ses effets personnels peuvent être soumis à une fouille lors de l'arrivée dans le centre, après une visite et à d'autres moments au cours de son séjour.
Cette fouille a pour but de vérifier si l'occupant est en possession d'objets ou de substances interdits ou dangereux pour lui-même, les autres occupants, le personnel ou la sécurité du centre. La fouille ne peut excéder le temps nécessaire à sa réalisation et est effectuée à la demande du directeur du centre ou de son remplaçant.
La fouille ne peut avoir un caractère vexatoire et doit se dérouler dans le respect de la dignité de l'occupant.
L'occupant a l'obligation d'y coopérer entièrement.
Art. 111/2. § 1er. La fouille d'un occupant peut être réalisée comme suit :
1° en utilisant un détecteur de métaux ou un autre appareil de détection;
2° en effectuant une palpation minutieuse de la partie supérieure et inférieure du corps par-dessus les vêtements;
3° en demandant à l'occupant de se déshabiller pour permettre la fouille minutieuse de ses vêtements.
§ 2. Les vêtements, bagages et effets personnels peuvent être fouillés comme suit :
1° en utilisant un détecteur de métaux ou un autre appareil de détection;
2° en effectuant une palpation manuelle minutieuse.
Pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, selon les directives données par le directeur de centre aux personnes qu'il aura désignées à cet effet, les espaces de séjour de l'occupant sont régulièrement contrôlés pour vérifier s'ils sont conformes aux règles en vigueur dans le centre fermé. Cette mesure de contrôle ne peut pas aller plus loin que nécessaire pour atteindre le but recherché.
§ 3. La fouille telle que définie au § 1er, 2°et 3° est effectuée par deux agents du personnel du même sexe que l'occupant.
La fouille telle que définie au § 1er, 3° doit avoir lieu dans un espace où aucun autre occupant ou tiers ne sont présents ou ne peuvent jeter un regard à travers.
Art. 111/3. Si des objets ou substances interdits ou dangereux sont découverts lors de la fouille telle que définie à l'article 111/2, §§ 1 et 2, ceux-ci sont mis en dépôt, tenus à la disposition des autorités compétentes ou détruits avec l'accord de l'occupant.
Conformément aux règles à définir dans le règlement d'ordre intérieur, l'occupant a le droit d'entreposer dans son espace de séjour, de garder sur lui ou de mettre en dépôt les objets qui lui appartiennent et dont la détention n'est pas incompatible avec l'ordre et la sécurité.
Le dépôt est placé sous la surveillance et la responsabilité du directeur de centre. Un inventaire des biens mis en dépôt est dressé. L'occupant concerné reçoit une copie de l'inventaire signé par lui-même et par deux agents du personnel compétents.
Art. 111/4. § 1er. Pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, les visiteurs et leurs bagages peuvent être fouillés par les agents du personnel que le directeur du centre aura désignés à cet effet. Cette fouille vise à vérifier si le visiteur est en possession d'objets ou de substances interdits ou qui pourraient s'avérer dangereux.
La fouille ne peut avoir un caractère vexatoire et doit se dérouler dans le respect de la dignité du visiteur. Le visiteur a l'obligation d'y coopérer entièrement.
§ 2. La fouille du visiteur et de ses bagages peut être réalisée comme suit :
1° en utilisant un détecteur de métaux ou un autre appareil de détection;
2° en effectuant une palpation superficielle de la partie supérieure et inférieure du corps par-dessus les vêtements;
3° en contrôlant les bagages personnels.
§ 3. Si la fouille permet de découvrir des objets ou substances que le visiteur n'a pas le droit d'avoir en sa possession, ceux-ci doivent être entreposés dans les espaces prévus à cet effet pendant la durée de la visite.
Si le visiteur ne coopère pas pour cette procédure, l'accès au centre lui est refusé. "
Art. 31. In hetzelfde besluit wordt, in de plaats van artikel 115, vernietigd door arrest nr. 188.705 van de Raad van State, een artikel 115 ingevoegd, luidende :
" Een medisch of psychologisch advies moet de beslissing om een bewoner met een ernstig risico op zelfmoord af te zonderen, steeds voorafgaan. Deze bewoners worden regelmatig gecontroleerd door de personeelsleden van het centrum en met meer aandacht gevolgd door de medische en de sociale dienst. "
" Een medisch of psychologisch advies moet de beslissing om een bewoner met een ernstig risico op zelfmoord af te zonderen, steeds voorafgaan. Deze bewoners worden regelmatig gecontroleerd door de personeelsleden van het centrum en met meer aandacht gevolgd door de medische en de sociale dienst. "
Art. 31. Dans le même arrêté, à la place de l'article 115 annulé par arrêt n° 188.705 du Conseil d'Etat, il est inséré un article 115 rédigé comme suit :
" Un avis médical ou psychologique doit précéder la décision relative à l'isolement de l''occupant présentant un risque sérieux de suicide. Ces occupants sont régulièrement contrôlés par les membres du personnel du centre et suivis plus attentivement par le service médical et le service social. "
" Un avis médical ou psychologique doit précéder la décision relative à l'isolement de l''occupant présentant un risque sérieux de suicide. Ces occupants sont régulièrement contrôlés par les membres du personnel du centre et suivis plus attentivement par le service médical et le service social. "
Art. 32. In artikel 132 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
" 1° § 3,1°/1wordt ingevoegd, luidende :
zij kan elke aanbeveling die zij nuttig acht met betrekking tot de INAD-centra als bedoeld in het koninklijk besluit houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, gesitueerd in het grensgebied, bedoeld in artikel 74/5, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en met betrekking tot de woonunits bedoeld in het koninklijk besluit van 14 mei 2009, richten tot de directeur-generaal;
2° In § 4 worden de woorden " de ondersteunende ambtenaar bedoeld in artikel 1,4°, van het koninklijk besluit van 14 mei 2009 of de politie in de INAD-centra van de regionale luchthavens " ingevoegd tussen de woorden " centrumdirecteur " en " verzekert ";
3° In § 5 worden de woorden " de ondersteunende ambtenaar of de directeur-generaal " ingevoegd tussen de woorden " centrumdirecteur " en " de Minister ".
" 1° § 3,1°/1wordt ingevoegd, luidende :
zij kan elke aanbeveling die zij nuttig acht met betrekking tot de INAD-centra als bedoeld in het koninklijk besluit houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, gesitueerd in het grensgebied, bedoeld in artikel 74/5, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en met betrekking tot de woonunits bedoeld in het koninklijk besluit van 14 mei 2009, richten tot de directeur-generaal;
2° In § 4 worden de woorden " de ondersteunende ambtenaar bedoeld in artikel 1,4°, van het koninklijk besluit van 14 mei 2009 of de politie in de INAD-centra van de regionale luchthavens " ingevoegd tussen de woorden " centrumdirecteur " en " verzekert ";
3° In § 5 worden de woorden " de ondersteunende ambtenaar of de directeur-generaal " ingevoegd tussen de woorden " centrumdirecteur " en " de Minister ".
Art. 32. A l'article 132 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
" 1° Le § 3,1°/1 est inséré et est rédigé comme suit :
elle peut adresser toute recommandation qu'elle juge utile en rapport avec les centres INAD visés par l'arrêté royal fixant le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux déterminés, situés aux frontières, prévus à l'article 74/5, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi qu'en rapport avec les lieux d'hébergement visés par l'arrêté royal du 14 mai 2009, au directeur général;
2° Au § 4, les mots " l'agent de soutien visé à l'article 1er, 4°de l'arrêté royal du 14 mai 2009 ou la police pour les centres INAD des aéroports régionaux " sont insérés entre les mots " le directeur du centre " et les mots " s 'assure ";
3° Au § 5, " les mots " l'agent de soutien ou le directeur général " sont insérés entre les mots " directeur de centres et les mots " le Ministre ".
" 1° Le § 3,1°/1 est inséré et est rédigé comme suit :
elle peut adresser toute recommandation qu'elle juge utile en rapport avec les centres INAD visés par l'arrêté royal fixant le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux déterminés, situés aux frontières, prévus à l'article 74/5, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi qu'en rapport avec les lieux d'hébergement visés par l'arrêté royal du 14 mai 2009, au directeur général;
2° Au § 4, les mots " l'agent de soutien visé à l'article 1er, 4°de l'arrêté royal du 14 mai 2009 ou la police pour les centres INAD des aéroports régionaux " sont insérés entre les mots " le directeur du centre " et les mots " s 'assure ";
3° Au § 5, " les mots " l'agent de soutien ou le directeur général " sont insérés entre les mots " directeur de centres et les mots " le Ministre ".
Art. 33. In artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 december 2008 houdende vaststelling van het regime en de regels toepasbaar op de overbrenging, uitgevoerd door veiligheidsmedewerkers-chauffeur van de Dienst Vreemdelingenzaken, van de vreemdelingen bedoeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, worden de woorden " overeenkomstig artikel 10, tweede lid " vervangen door de woorden " overeenkomstig de artikelen 111/1 tot 111/2 ".
Art. 33. A l'article 8, alinéa 2 de l'arrêté royal du 8 décembre 2008 fixant le régime et les règles applicables lors du transfèrement, exécuté par les collaborateurs de sécurité-chauffeurs de l'Office des étrangers, des étrangers visés à l'article 74/8, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, les mots " à l'article 10 alinéa 2 ", sont remplacés par les mots " aux articles 111/1 à 111/2. "
Art. 34. Onze minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 8 juni 2009.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Migratie- en Asielbeleid,
Mevr. A. TURTELBOOM
Gegeven te Brussel, 8 juni 2009.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Migratie- en Asielbeleid,
Mevr. A. TURTELBOOM
Art. 34. Notre Ministre qui a dans ses compétences l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, est chargée de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 8 juin 2009.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Politique de Migration et d'Asile,
Mme A. TURTELBOOM
Donné à Bruxelles, le 8 juin 2009.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Politique de Migration et d'Asile,
Mme A. TURTELBOOM