Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
" 2° raadsman : een advocaat, een personeelslid van de onderwijsinstellingen of van de centra voor leerlingenbegeleiding of, voor de werknemer, een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie, en, voor de werkgever, een vertegenwoordiger van een representatieve vereniging van inrichtende machten; ".
2° er wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 4° tuchtoverheid : de instantie, vermeld in artikel 68 van het decreet, die bevoegd is om een tuchtsanctie op te leggen. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 JULI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding
Titre
3 JUILLET 2009. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 mai 1991 relatif à la suspension préventive et au régime disciplinaire ainsi qu'à la démission de certains membres du personnel temporaire de l'enseignement subventionné et des centres d'encadrement des élèves subventionnés
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (13)
Texte (13)
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 mai 1991 relatif à la suspension préventive et au régime disciplinaire ainsi qu'à la démission de certains membres du personnel temporaire de l'enseignement subventionné et des centres d'encadrement des élèves subventionnés, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° conseil : un avocat, un membre du personnel des établissements d'enseignement ou des centres d'encadrement des élèves ou, pour le travailleur, un représentant d'une organisation syndicale agréée, et, pour l'employeur, un représentant d'une association représentative de pouvoirs organisateurs; ".
2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° autorité disciplinaire : l'instance, visée à l'article 68 du décret, qui est habilitée à infliger une sanction disciplinaire. "
1° le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° conseil : un avocat, un membre du personnel des établissements d'enseignement ou des centres d'encadrement des élèves ou, pour le travailleur, un représentant d'une organisation syndicale agréée, et, pour l'employeur, un représentant d'une association représentative de pouvoirs organisateurs; ".
2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° autorité disciplinaire : l'instance, visée à l'article 68 du décret, qui est habilitée à infliger une sanction disciplinaire. "
Art. 2. Artikel 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 4 van het decreet, die :
1° vastbenoemd zijn;
2° tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
3° tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur, voor het ontslag vermeld in artikel 25 van het decreet;
4° aangesteld zijn bij mandaat met toepassing van artikel 44quinquies van het decreet, voor het ontslag, vermeld in artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet. "
" Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 4 van het decreet, die :
1° vastbenoemd zijn;
2° tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
3° tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur, voor het ontslag vermeld in artikel 25 van het decreet;
4° aangesteld zijn bij mandaat met toepassing van artikel 44quinquies van het decreet, voor het ontslag, vermeld in artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet. "
Art. 2. L'article 2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2000, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 2. Le présent arrêté s'applique aux membres du personnel, visés à l'article 4 du décret, qui :
1° sont nommés à titre définitif;
2° sont désignés temporairement à durée indéterminée;
3° sont désignés temporairement à durée déterminée, avant le licenciement visé à l'article 25 du décret;
4° sont désignés par mandat par application de l'article 44quinquies du décret, avant le licenciement, visé à l'article 44decies, § 2, 2°, du décret. "
" Art. 2. Le présent arrêté s'applique aux membres du personnel, visés à l'article 4 du décret, qui :
1° sont nommés à titre définitif;
2° sont désignés temporairement à durée indéterminée;
3° sont désignés temporairement à durée déterminée, avant le licenciement visé à l'article 25 du décret;
4° sont désignés par mandat par application de l'article 44quinquies du décret, avant le licenciement, visé à l'article 44decies, § 2, 2°, du décret. "
Art. 3. In artikel 4, eerste lid, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden "wordt vervolgd" en de woorden "en zijn aanwezigheid" de woorden "of een beroep heeft ingesteld tegen een ontslag om dringende redenen" ingevoegd.
Art. 3. Dans l'article 4, premier alinéa, du même arrêté, les mots "ou a introduit un recours contre un licenciement pour motifs impérieux" sont insérés entre les mots "poursuites pénales ou disciplinaires" et les mots "que sa présence".
Art. 4. In artikel 8 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, eerste lid, wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. De tuchtoverheid oefent de tuchtmacht uit. ";
2° in § 1, derde lid, :
- worden de woorden "bevoegde inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
- wordt de laatste zin vervangen door een in te voegen vierde lid dat luidt als volgt :
" Wanneer meerdere feiten die verband hebben met elkaar ten laste van het personeelslid worden gelegd, kan dit slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf. ";
3° in § 1, vijfde lid, worden de woorden "inrichtende macht of haar afgevaardigde" vervangen door "tuchtoverheid";
4° in § 2, eerste lid, worden de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
5° in § 3, eerste lid, worden de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
6° in § 3, derde lid, worden de woorden "tegen betaling" vervangen door het woord "kosteloos";
7° in § 5, eerste lid, worden de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
8° in § 6, tweede lid en vierde lid, in § 7, eerste lid, in § 8, eerste lid en in § 9, eerste lid, worden telkens de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
9° aan § 9 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
" Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, niet te lopen. "
1° § 1, eerste lid, wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. De tuchtoverheid oefent de tuchtmacht uit. ";
2° in § 1, derde lid, :
- worden de woorden "bevoegde inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
- wordt de laatste zin vervangen door een in te voegen vierde lid dat luidt als volgt :
" Wanneer meerdere feiten die verband hebben met elkaar ten laste van het personeelslid worden gelegd, kan dit slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf. ";
3° in § 1, vijfde lid, worden de woorden "inrichtende macht of haar afgevaardigde" vervangen door "tuchtoverheid";
4° in § 2, eerste lid, worden de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
5° in § 3, eerste lid, worden de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
6° in § 3, derde lid, worden de woorden "tegen betaling" vervangen door het woord "kosteloos";
7° in § 5, eerste lid, worden de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
8° in § 6, tweede lid en vierde lid, in § 7, eerste lid, in § 8, eerste lid en in § 9, eerste lid, worden telkens de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";
9° aan § 9 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
" Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, niet te lopen. "
Art. 4. A l'article 8 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, alinéa premier, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. L'autorité disciplinaire exerce le pouvoir disciplinaire. ";
2° au § 1er, troisième alinéa :
- les mots "du pouvoir organisateur compétent" sont remplacés par les mots "de l'autorité disciplinaire";
- la dernière phrase est remplacée en insérant un quatrième alinéa ainsi rédigé :
" Lorsque plusieurs faits connexes sont reprochés au fonctionnaire, ceci ne peut toutefois donner lieu qu'à une seule procédure et au prononcé d'une seule peine disciplinaire. ";
3° au § 1er, cinquième alinéa, les mots "Le pouvoir organisateur ou son délégué" sont remplacés par "L'autorité disciplinaire";
4° au § 2, premier alinéa, les mots "le pouvoir organisateur" sont remplacés par "l'autorité disciplinaire";
5° au § 3, premier alinéa, les mots "Le pouvoir organisateur" sont remplacés par "L'autorité disciplinaire";
6° au § 3, troisième alinéa, les mots "contre paiement" sont remplacés par les mots "gratuitement";
7° au § 5, premier alinéa, les mots "le pouvoir organisateur" sont remplacés par "l'autorité disciplinaire";
8° au § 6, deuxième et quatrième alinéas, au § 7, premier alinéa, au § 8, premier alinéa, les mots "le pouvoir organisateur" sont chaque fois remplacés par les mots "l'autorité disciplinaire" et au § 9, premier alinéa, les mots "du pouvoir organisateur" sont remplacés par les mots "de l'autorité disciplinaire";
9° au § 9, il est ajouté un troisième alinéa ainsi rédigé :
" Si les possibilités de recours ne sont pas mentionnées, le délai de recours, visé à l'article 72, 1°, du décret, ne prend pas cours. "
1° le § 1er, alinéa premier, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. L'autorité disciplinaire exerce le pouvoir disciplinaire. ";
2° au § 1er, troisième alinéa :
- les mots "du pouvoir organisateur compétent" sont remplacés par les mots "de l'autorité disciplinaire";
- la dernière phrase est remplacée en insérant un quatrième alinéa ainsi rédigé :
" Lorsque plusieurs faits connexes sont reprochés au fonctionnaire, ceci ne peut toutefois donner lieu qu'à une seule procédure et au prononcé d'une seule peine disciplinaire. ";
3° au § 1er, cinquième alinéa, les mots "Le pouvoir organisateur ou son délégué" sont remplacés par "L'autorité disciplinaire";
4° au § 2, premier alinéa, les mots "le pouvoir organisateur" sont remplacés par "l'autorité disciplinaire";
5° au § 3, premier alinéa, les mots "Le pouvoir organisateur" sont remplacés par "L'autorité disciplinaire";
6° au § 3, troisième alinéa, les mots "contre paiement" sont remplacés par les mots "gratuitement";
7° au § 5, premier alinéa, les mots "le pouvoir organisateur" sont remplacés par "l'autorité disciplinaire";
8° au § 6, deuxième et quatrième alinéas, au § 7, premier alinéa, au § 8, premier alinéa, les mots "le pouvoir organisateur" sont chaque fois remplacés par les mots "l'autorité disciplinaire" et au § 9, premier alinéa, les mots "du pouvoir organisateur" sont remplacés par les mots "de l'autorité disciplinaire";
9° au § 9, il est ajouté un troisième alinéa ainsi rédigé :
" Si les possibilités de recours ne sont pas mentionnées, le délai de recours, visé à l'article 72, 1°, du décret, ne prend pas cours. "
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk IIIbis, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, vervangen door wat volgt :
" Hoofdstuk IIIbis. - Beroep tegen het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 25 en artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet ".
" Hoofdstuk IIIbis. - Beroep tegen het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 25 en artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet ".
Art. 5. Dans le même arrêté, l'intitulé du chapitre IIIbis, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2000, est remplacé par la disposition suivante :
" Chapitre IIIbis. - Recours contre le licenciement pour motifs impérieux, visé aux articles 25 et 44decies, § 2, 2°, du décret ".
" Chapitre IIIbis. - Recours contre le licenciement pour motifs impérieux, visé aux articles 25 et 44decies, § 2, 2°, du décret ".
Art. 6. Artikel 8bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 8bis. De brief waarbij de inrichtende macht het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 25 en artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet, meedeelt, moet de beroepsmogelijkheden vermelden.
Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, van het decreet, niet te lopen. "
" Art. 8bis. De brief waarbij de inrichtende macht het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 25 en artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet, meedeelt, moet de beroepsmogelijkheden vermelden.
Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, van het decreet, niet te lopen. "
Art. 6. L'article 8bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2000, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 8bis. La lettre par laquelle le pouvoir organisateur communique le licenciement pour motifs impérieux, visé aux articles 25 et 44decies, § 2, 2°, du décret, doit mentionner les possibilités de recours.
Si les possibilités de recours ne sont pas mentionnées, le délai de recours, visé à l'article 25, quatrième alinéa, du décret, ne prend pas cours. "
" Art. 8bis. La lettre par laquelle le pouvoir organisateur communique le licenciement pour motifs impérieux, visé aux articles 25 et 44decies, § 2, 2°, du décret, doit mentionner les possibilités de recours.
Si les possibilités de recours ne sont pas mentionnées, le délai de recours, visé à l'article 25, quatrième alinéa, du décret, ne prend pas cours. "
Art. 7. Artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 1998, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 9. § 1. De kamers van beroep worden samengesteld uit een effectieve en twee plaatsvervangende voorzitters en uit twaalf effectieve en twaalf plaatsvervangende leden. Een plaatsvervangend lid kan pas zitting hebben als het effectieve lid afwezig is of als het effectieve lid gewraakt wordt.
§ 2. De effectieve en de plaatsvervangende voorzitters worden benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs.
§ 3. De representatieve verenigingen van inrichtende machten enerzijds en de representatieve vakorganisaties anderzijds wijzen een gelijk aantal effectieve en plaatsvervangende leden van de kamers van beroep aan.
§ 4. Tijdens hun mandaat in een van de kamers van beroep kunnen de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en leden geen personeelslid of tuchtoverheid bijstaan of vertegenwoordigen in de kamer waarin ze een mandaat uitoefenen.
§ 5. De leden kunnen aanspraak maken op de reis- en dagvergoeding voor binnenlandse reizen overeenkomstig de geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid.
§ 6. De effectieve voorzitters ontvangen een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 2.500 euro.
Wanneer de effectieve voorzitter verhinderd is en diens functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende voorzitter, dan wordt aan deze laatste een vergoeding van 50 euro per zitting toegekend. "
" Art. 9. § 1. De kamers van beroep worden samengesteld uit een effectieve en twee plaatsvervangende voorzitters en uit twaalf effectieve en twaalf plaatsvervangende leden. Een plaatsvervangend lid kan pas zitting hebben als het effectieve lid afwezig is of als het effectieve lid gewraakt wordt.
§ 2. De effectieve en de plaatsvervangende voorzitters worden benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs.
§ 3. De representatieve verenigingen van inrichtende machten enerzijds en de representatieve vakorganisaties anderzijds wijzen een gelijk aantal effectieve en plaatsvervangende leden van de kamers van beroep aan.
§ 4. Tijdens hun mandaat in een van de kamers van beroep kunnen de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en leden geen personeelslid of tuchtoverheid bijstaan of vertegenwoordigen in de kamer waarin ze een mandaat uitoefenen.
§ 5. De leden kunnen aanspraak maken op de reis- en dagvergoeding voor binnenlandse reizen overeenkomstig de geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid.
§ 6. De effectieve voorzitters ontvangen een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 2.500 euro.
Wanneer de effectieve voorzitter verhinderd is en diens functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende voorzitter, dan wordt aan deze laatste een vergoeding van 50 euro per zitting toegekend. "
Art. 7. L'article 9 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 1998, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 9. § 1er. Les chambres de recours sont composées d'un président effectif et de deux présidents suppléants, et de douze membres effectifs et douze membres suppléants. Un membre suppléant ne peut siéger qu'en l'absence du membre effectif ou en cas de récusation du membre effectif.
§ 2. Le président effectif et les présidents suppléants sont nommés par le Ministre flamand, chargé de l'enseignement.
§ 3. Les associations représentatives de pouvoirs organisateurs, d'une part, et les organisations syndicales représentatives, d'autre part, désignent un nombre égal de membres effectifs et suppléants des chambres de recours.
§ 4. Au cours de leur mandat dans l'une des chambres de recours, les présidents et membres effectifs et suppléants ne peuvent assister ou représenter le membre du personnel ou l'autorité disciplinaire dans la chambre où ils exercent un mandat.
§ 5. Les membres ont droit à l'indemnisation des frais de parcours et de séjour pour les déplacements intérieurs, conformément à la réglementation en vigueur applicable aux personnels de l'autorité flamande.
§ 6. Les présidents effectifs reçoivent une indemnité forfaitaire annuelle de 2.500 euros.
Lorsque le président effectif est empêché et que sa fonction est assumée par un président suppléant, il est accordé à ce dernier une indemnité de 50 euros par séance. "
" Art. 9. § 1er. Les chambres de recours sont composées d'un président effectif et de deux présidents suppléants, et de douze membres effectifs et douze membres suppléants. Un membre suppléant ne peut siéger qu'en l'absence du membre effectif ou en cas de récusation du membre effectif.
§ 2. Le président effectif et les présidents suppléants sont nommés par le Ministre flamand, chargé de l'enseignement.
§ 3. Les associations représentatives de pouvoirs organisateurs, d'une part, et les organisations syndicales représentatives, d'autre part, désignent un nombre égal de membres effectifs et suppléants des chambres de recours.
§ 4. Au cours de leur mandat dans l'une des chambres de recours, les présidents et membres effectifs et suppléants ne peuvent assister ou représenter le membre du personnel ou l'autorité disciplinaire dans la chambre où ils exercent un mandat.
§ 5. Les membres ont droit à l'indemnisation des frais de parcours et de séjour pour les déplacements intérieurs, conformément à la réglementation en vigueur applicable aux personnels de l'autorité flamande.
§ 6. Les présidents effectifs reçoivent une indemnité forfaitaire annuelle de 2.500 euros.
Lorsque le président effectif est empêché et que sa fonction est assumée par un président suppléant, il est accordé à ce dernier une indemnité de 50 euros par séance. "
Art. 8. Artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 1996, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 10. Het mandaat van de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en van de leden duurt vier jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.
In elk geval behoudt de bevoegde kamer van beroep haar bevoegdheden tot de nieuwe kamer van beroep is samengesteld.
Het mandaat eindigt eveneens :
1° in geval van ontslagneming;
2° als de organisatie die de betrokkene heeft aangewezen, om zijn vervanging verzoekt;
3° in geval van overlijden.
Als een mandaat van een voorzitter vroegtijdig beëindigd wordt, benoemt de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een vervanger die het mandaat van zijn voorganger voltooit.
Als een mandaat van een lid vroegtijdig beëindigd wordt, wijst de organisatie die hij vertegenwoordigt, een vervanger aan die het mandaat van zijn voorganger voltooit. "
" Art. 10. Het mandaat van de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en van de leden duurt vier jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.
In elk geval behoudt de bevoegde kamer van beroep haar bevoegdheden tot de nieuwe kamer van beroep is samengesteld.
Het mandaat eindigt eveneens :
1° in geval van ontslagneming;
2° als de organisatie die de betrokkene heeft aangewezen, om zijn vervanging verzoekt;
3° in geval van overlijden.
Als een mandaat van een voorzitter vroegtijdig beëindigd wordt, benoemt de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een vervanger die het mandaat van zijn voorganger voltooit.
Als een mandaat van een lid vroegtijdig beëindigd wordt, wijst de organisatie die hij vertegenwoordigt, een vervanger aan die het mandaat van zijn voorganger voltooit. "
Art. 8. L'article 10 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 mai 1996, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 10. Le mandat des présidents effectifs et suppléants et des membres dure quatre ans. Le mandat est renouvelable.
La chambre de recours compétente conserve en tout cas ses compétences jusqu'à la composition d'une nouvelle chambre de recours.
Le mandat prend également fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque l'organisation qui a désigné l'intéressé, demande son remplacement;
3° en cas de décès.
En cas de cessation prématurée du mandat d'un président, le Ministre flamand qui a l'Enseignement dans ses attributions nomme un remplaçant qui achève le mandat de son prédécesseur.
En cas de cessation prématurée du mandat d'un membre, l'organisation qu'il représente désigne un remplaçant qui achève le mandat de son prédécesseur. "
" Art. 10. Le mandat des présidents effectifs et suppléants et des membres dure quatre ans. Le mandat est renouvelable.
La chambre de recours compétente conserve en tout cas ses compétences jusqu'à la composition d'une nouvelle chambre de recours.
Le mandat prend également fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque l'organisation qui a désigné l'intéressé, demande son remplacement;
3° en cas de décès.
En cas de cessation prématurée du mandat d'un président, le Ministre flamand qui a l'Enseignement dans ses attributions nomme un remplaçant qui achève le mandat de son prédécesseur.
En cas de cessation prématurée du mandat d'un membre, l'organisation qu'il représente désigne un remplaçant qui achève le mandat de son prédécesseur. "
Art. 9. Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, wijst voor iedere kamer van beroep een secretaris aan onder de ambtenaren van zijn diensten of instellingen.
De secretarissen ontvangen een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 500 euro als de zittingen geheel of gedeeltelijk plaatsvinden buiten de normale diensttijd. "
" Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, wijst voor iedere kamer van beroep een secretaris aan onder de ambtenaren van zijn diensten of instellingen.
De secretarissen ontvangen een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 500 euro als de zittingen geheel of gedeeltelijk plaatsvinden buiten de normale diensttijd. "
Art. 9. L'article 11 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 11. Le Ministre flamand chargé de l'Enseignement désigne pour chaque chambre de recours un secrétaire parmi les fonctionnaires de ses services ou établissements.
Les secrétaires reçoivent une indemnité forfaitaire annuelle de 500 euros, si les séances ont lieu en tout ou en partie en dehors des heures de service normales. "
" Art. 11. Le Ministre flamand chargé de l'Enseignement désigne pour chaque chambre de recours un secrétaire parmi les fonctionnaires de ses services ou établissements.
Les secrétaires reçoivent une indemnité forfaitaire annuelle de 500 euros, si les séances ont lieu en tout ou en partie en dehors des heures de service normales. "
Art. 10. Artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 1998, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 12. § 1. De kamers van beroep hebben rechtsgeldig zitting zodra de voorzitter en twee leden, aangewezen door de representatieve verenigingen van inrichtende machten, en twee leden, aangewezen door de representatieve vakorganisaties, aanwezig zijn.
§ 2. De kamers van beroep beslissen bij gewone meerderheid van stemmen. De stemming is geheim. Er moeten evenveel leden die zitting hebben namens de representatieve verenigingen van inrichtende machten, als leden die zitting hebben namens de representatieve vakorganisaties, aan de stemming deelnemen.
In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door loting.
§ 3. Bij staking van stemmen na de tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
§ 4. In afwijking van § 1 en § 2 beslissen de kamers van beroep op een tweede zitting, ongeacht of de vertegenwoordigers, vermeld in § 1 en § 2, aanwezig zijn. "
" Art. 12. § 1. De kamers van beroep hebben rechtsgeldig zitting zodra de voorzitter en twee leden, aangewezen door de representatieve verenigingen van inrichtende machten, en twee leden, aangewezen door de representatieve vakorganisaties, aanwezig zijn.
§ 2. De kamers van beroep beslissen bij gewone meerderheid van stemmen. De stemming is geheim. Er moeten evenveel leden die zitting hebben namens de representatieve verenigingen van inrichtende machten, als leden die zitting hebben namens de representatieve vakorganisaties, aan de stemming deelnemen.
In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door loting.
§ 3. Bij staking van stemmen na de tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
§ 4. In afwijking van § 1 en § 2 beslissen de kamers van beroep op een tweede zitting, ongeacht of de vertegenwoordigers, vermeld in § 1 en § 2, aanwezig zijn. "
Art. 10. L'article 12 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 1998, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 12. § 1er. Les chambres de recours siègent valablement lorsque le président et deux membres désignés par les associations représentatives de pouvoirs organisateurs, et deux membres désignés par les organisations syndicales représentatives, sont présents.
§ 2. Les chambres de recours décident à la majorité simple des voix. Le vote a lieu au scrutin secret. Les membres siégeant au nom des associations représentatives de pouvoirs organisateurs et les membres siégeant au nom des organisations syndicales représentatives doivent être en nombre égal pour participer au vote.
Le cas échéant, la parité est rétablie par le sort.
§ 3. En cas de partage des voix au deuxième tour de vote, la voix du président est prépondérante.
§ 4. Par dérogation aux §§ 1er et 2, les chambres de recours décident en seconde séance, que les représentants visés aux §§ 1er et 2 soient présents ou non.
" Art. 12. § 1er. Les chambres de recours siègent valablement lorsque le président et deux membres désignés par les associations représentatives de pouvoirs organisateurs, et deux membres désignés par les organisations syndicales représentatives, sont présents.
§ 2. Les chambres de recours décident à la majorité simple des voix. Le vote a lieu au scrutin secret. Les membres siégeant au nom des associations représentatives de pouvoirs organisateurs et les membres siégeant au nom des organisations syndicales représentatives doivent être en nombre égal pour participer au vote.
Le cas échéant, la parité est rétablie par le sort.
§ 3. En cas de partage des voix au deuxième tour de vote, la voix du président est prépondérante.
§ 4. Par dérogation aux §§ 1er et 2, les chambres de recours décident en seconde séance, que les représentants visés aux §§ 1er et 2 soient présents ou non.
Art. 11. Hoofdstuk V. - Procedure in beroep van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van 13 januari 1998 en 15 september 2000, wordt vervangen door wat volgt :
" HOOFDSTUK V. - Procedure in beroep
Afdeling I. - Tucht
Art. 13. § 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, om met een aangetekende brief beroep in te stellen tegen een tuchtmaatregel bij de bevoegde kamer van beroep.
Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.
Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt hij een kopie daarvan naar zijn tuchtoverheid.
Het beroep moet de naam en het adres van de tuchtoverheid bevatten.
§ 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, of nadat de bevoegde kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt de tuchtmaatregel definitief.
§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk het tuchtdossier op bij de tuchtoverheid.
§ 4. De kamers van beroep kunnen de door de tuchtoverheid uitgesproken sanctie niet verzwaren.
Art. 14. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de bevoegde kamer van beroep.
Binnen tien werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.
Als zowel de voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.
Art. 15. De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.
Als een voorzitter of een lid van de kamers van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.
Art. 16. § 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de bevoegde kamer van beroep die plaatsvindt binnen zestig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.
De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.
Het personeelslid of zijn raadsman kan een toelichtende memorie indienen tot uiterlijk 24 werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend. Die memorie mag aanvullende middelen bevatten.
De tuchtoverheid of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk 24 werkdagen na de ontvangst van de toelichtende memorie van het personeelslid of tot uiterlijk 24 werkdagen na het verstrijken van de termijn ingeval het personeelslid geen toelichtende memorie heeft ingediend.
De toelichtende memorie en het verweerschrift worden aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de bevoegde kamer van beroep en naar de tegenpartij.
Verweerschriften en toelichtende memories die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.
§ 2. De kamers van beroep kunnen een aanvullend onderzoek bevelen en kunnen ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.
De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
§ 3. De zittingen van de kamers van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.
Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.
§ 4. Als het personeelslid wegens dezelfde feiten strafrechtelijk wordt vervolgd en de tuchtoverheid de behandeling van de tuchtprocedure niet heeft opgeschort tijdens de strafrechtelijke procedure, kan de bevoegde kamer van beroep de behandeling van het beroep opschorten tot na de kennisgeving, vermeld in artikel 8, § 5, vierde lid.
§ 5. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de bevoegde kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de bevoegde kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.
Art. 17. De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de tuchtoverheid en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.
De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.
Afdeling II. - Ontslag om dringende redenen
Art. 17bis. § 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, van het decreet, om met een aangetekende brief beroep in te stellen tegen een ontslag om dringende redenen.
Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.
Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt hij een kopie daarvan naar zijn inrichtende macht.
Het beroep moet de naam en het adres van de inrichtende macht bevatten.
§ 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, van het decreet, of nadat de bevoegde kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt het ontslag om dringende redenen definitief.
§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk de aangetekende brief, vermeld in artikel 25 van het decreet, op bij de inrichtende macht.
Art. 17ter. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de bevoegde kamer van beroep.
Binnen vijf werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.
Als zowel de voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.
Art. 17quater. De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.
Als een voorzitter of een lid van de kamers van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.
Art. 17quinquies. § 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de bevoegde kamer van beroep die plaatsvindt binnen twintig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.
De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.
§ 2. De kamers van beroep kunnen een aanvullend onderzoek bevelen en kunnen ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.
De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
§ 3. De zittingen van de kamers van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.
Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.
§ 4. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de bevoegde kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen drie werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de bevoegde kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.
Art. 17sexies. De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van vijf werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de inrichtende macht en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.
De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.
Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 18. De werkingskosten van de kamers van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.
De zetel van de kamers van beroep is gevestigd te Brussel.
Art. 19. De kamers van beroep maken hun eigen huishoudelijk reglement op. "
" HOOFDSTUK V. - Procedure in beroep
Afdeling I. - Tucht
Art. 13. § 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, om met een aangetekende brief beroep in te stellen tegen een tuchtmaatregel bij de bevoegde kamer van beroep.
Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.
Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt hij een kopie daarvan naar zijn tuchtoverheid.
Het beroep moet de naam en het adres van de tuchtoverheid bevatten.
§ 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, of nadat de bevoegde kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt de tuchtmaatregel definitief.
§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk het tuchtdossier op bij de tuchtoverheid.
§ 4. De kamers van beroep kunnen de door de tuchtoverheid uitgesproken sanctie niet verzwaren.
Art. 14. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de bevoegde kamer van beroep.
Binnen tien werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.
Als zowel de voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.
Art. 15. De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.
Als een voorzitter of een lid van de kamers van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.
Art. 16. § 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de bevoegde kamer van beroep die plaatsvindt binnen zestig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.
De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.
Het personeelslid of zijn raadsman kan een toelichtende memorie indienen tot uiterlijk 24 werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend. Die memorie mag aanvullende middelen bevatten.
De tuchtoverheid of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk 24 werkdagen na de ontvangst van de toelichtende memorie van het personeelslid of tot uiterlijk 24 werkdagen na het verstrijken van de termijn ingeval het personeelslid geen toelichtende memorie heeft ingediend.
De toelichtende memorie en het verweerschrift worden aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de bevoegde kamer van beroep en naar de tegenpartij.
Verweerschriften en toelichtende memories die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.
§ 2. De kamers van beroep kunnen een aanvullend onderzoek bevelen en kunnen ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.
De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
§ 3. De zittingen van de kamers van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.
Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.
§ 4. Als het personeelslid wegens dezelfde feiten strafrechtelijk wordt vervolgd en de tuchtoverheid de behandeling van de tuchtprocedure niet heeft opgeschort tijdens de strafrechtelijke procedure, kan de bevoegde kamer van beroep de behandeling van het beroep opschorten tot na de kennisgeving, vermeld in artikel 8, § 5, vierde lid.
§ 5. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de bevoegde kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de bevoegde kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.
Art. 17. De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de tuchtoverheid en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.
De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.
Afdeling II. - Ontslag om dringende redenen
Art. 17bis. § 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, van het decreet, om met een aangetekende brief beroep in te stellen tegen een ontslag om dringende redenen.
Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.
Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt hij een kopie daarvan naar zijn inrichtende macht.
Het beroep moet de naam en het adres van de inrichtende macht bevatten.
§ 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, van het decreet, of nadat de bevoegde kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt het ontslag om dringende redenen definitief.
§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk de aangetekende brief, vermeld in artikel 25 van het decreet, op bij de inrichtende macht.
Art. 17ter. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de bevoegde kamer van beroep.
Binnen vijf werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.
Als zowel de voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.
Art. 17quater. De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.
Als een voorzitter of een lid van de kamers van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.
Art. 17quinquies. § 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de bevoegde kamer van beroep die plaatsvindt binnen twintig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.
De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.
§ 2. De kamers van beroep kunnen een aanvullend onderzoek bevelen en kunnen ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.
De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
§ 3. De zittingen van de kamers van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.
Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.
§ 4. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de bevoegde kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen drie werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de bevoegde kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.
Art. 17sexies. De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van vijf werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de inrichtende macht en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.
De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.
Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 18. De werkingskosten van de kamers van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.
De zetel van de kamers van beroep is gevestigd te Brussel.
Art. 19. De kamers van beroep maken hun eigen huishoudelijk reglement op. "
Art. 11. Le Chapitre V. - La procédure de recours du même arrêté, modifié par les arrêtés des 13 janvier 1998 et 15 septembre 2000, est remplacé par les dispositions suivantes :
" CHAPITRE V. - La procédure de recours
Section Ire. - Discipline
Art. 13. § 1er. Le membre du personnel dispose du délai, visé à l'article 72, 1°, du décret, pour introduire, par lettre recommandée, un recours contre la mesure disciplinaire devant la chambre de recours compétente.
Le recours doit être motivé sous peine d'irrecevabilité.
Au même moment où le membre du personnel forme le recours, il en fait parvenir une copie à son autorité disciplinaire.
Le recours doit contenir le nom et l'adresse de l'autorité disciplinaire.
§ 2. A l'expiration du délai, visé à l'article 72, 1°, du décret, ou après une décision définitive par la chambre de recours compétente, la mesure disciplinaire devient définitive.
§ 3. Dès réception du recours, le secrétaire réclame immédiatement le dossier disciplinaire auprès de l'autorité disciplinaire.
§ 4. Les chambres de recours ne peuvent aggraver la sanction prononcée par l'autorité disciplinaire.
Art. 14. Dès la saisie, le secrétaire communique aux parties la liste des présidents et membres effectifs et suppléants de la chambre de recours compétente.
Dans les dix jours ouvrables de la réception de cette liste, les parties peuvent demander la récusation du président et d'un ou plusieurs membres de la chambre, à moins que la cause de la récusation ne soit survenue ultérieurement.
Lorsque tant le président que les présidents suppléants sont récusés, le Ministre flamand désigne un autre président suppléant pour siéger dans l'affaire.
Art. 15. Les causes de récusation sont celles prévues à l'article 828 du Code judiciaire. En dehors de ces causes de récusation, les deux parties peuvent récuser un membre sans motivation.
Si un président ou un membre des chambres de recours sait qu'il existe une cause de récusation contre sa personne, il doit s'abstenir de l'affaire.
Art. 16. § 1er. Les parties sont convoquées, par lettre recommandée, à la séance de la chambre de recours compétente, qui a lieu dans les soixante jours ouvrables de la réception du recours. Si la fin de ce délai tombe entre le 15 juillet et le 15 août, celui-ci est prorogé jusqu'au 31 août.
Les parties peuvent se faire assister ou représenter par un conseil.
Le membre du personnel ou son conseil peut déposer un exposé des motifs au plus tard 24 jours ouvrables à compter du dépôt du recours. Cet exposé peut comporter des moyens complémentaires.
L'autorité disciplinaire ou son conseil peut introduire un contredit au plus tard 24 jours ouvrables après la réception de l'exposé des motifs du membre du personnel ou au plus tard 24 jours ouvrables après l'expiration du délai dans le cas où le membre du personnel n'a pas introduit d'exposé des motifs.
L'exposé des motifs et le contredit sont envoyés par lettre recommandée ou remis contre récépissé à la chambre de recours compétente et à la partie adverse.
Les exposés des motifs et les contredits présentés après le délai imparti sont écartés des débats.
§ 2. Les chambres de recours peuvent ordonner une enquête complémentaire et peuvent entendre des témoins d'office ou à la demande du membre du personnel ou de son conseil. Dans ce cas, l'audition des témoins à lieu en présence du membre du personnel.
Le témoin convoqué peut s'opposer à être entendu en public.
§ 3. Les séances des chambres de recours sont publiques à moins que la publicité ne constitue un danger pour l'ordre public ou les bonnes murs.
A la demande du membre du personnel ou de son conseil, la séance se déroule à huis clos.
§ 4. Si le membre du personnel fait l'objet d'une poursuite pénale en raison des mêmes faits et que l'autorité disciplinaire n'a pas suspendu la procédure disciplinaire pendant la poursuite pénale, la chambre de recours compétente peut suspendre le traitement du recours jusqu'après la notification, visée à l'article 8, § 5, quatrième alinéa.
§ 5. Si le membre du personnel a été dûment convoqué mais ne se présente pas ou n'est pas représenté, la chambre de recours compétente décide par défaut. Si l'empêchement est justifié, le membre du personnel peut former opposition contre le prononcé, dans les dix jours ouvrables de la notification de la décision par lettre recommandée. Dans ce cas, la chambre de recours compétente est convoquée de nouveau, et décide, définitivement et irrévocablement, tant en la présence qu'en l'absence du membre du personnel.
Art. 17. Le secrétaire communique, par lettre recommandée, la décision dûment motivée, endéans un délai de vingt jours ouvrables après la séance pendant laquelle la décision a été prise, à l'autorité disciplinaire et au membre du personnel. La décision est contraignante pour les deux parties.
La décision mentionne le résultat du vote.
Section II. - Licenciement pour motif grave
Art. 17bis. § 1er. Le membre du personnel dispose du délai, visé à l'article 25, quatrième alinéa, du décret, pour déposer, par lettre recommandée, un recours contre le licenciement pour motif grave.
Le recours doit être motivé sous peine d'irrecevabilité.
Au même moment où le membre du personnel forme le recours, il en fait parvenir une copie à son pouvoir organisateur.
Le recours doit contenir le nom et l'adresse du pouvoir organisateur.
§ 2. A l'expiration du délai, visé à l'article 25, quatrième alinéa, du décret, ou après une décision définitive par la chambre de recours compétente, le licenciement pour motif grave devient définitif.
§ 3. Dès réception du recours, le secrétaire réclame immédiatement la lettre recommandée, visée à l'article 25 du décret, auprès du pouvoir organisateur.
Art. 17ter. Dès la saisie, le secrétaire communique aux parties la liste des présidents et membres effectifs et suppléants de la chambre de recours compétente.
Dans les cinq jours ouvrables de la réception de cette liste, les parties peuvent demander la récusation du président et d'un ou plusieurs membres de la chambre, à moins que la cause de la récusation ne soit survenue ultérieurement.
Lorsque tant le président que les deux présidents suppléants sont récusés, le Ministre flamand désigne un autre président suppléant pour siéger dans l'affaire.
Art. 17quater. Les causes de récusation sont celles prévues à l'article 828 du Code judiciaire. En dehors de ces causes de récusation, les deux parties peuvent récuser un membre sans motivation.
Si un président ou un membre des chambres de recours sait qu'il existe une cause de récusation contre sa personne, il doit s'abstenir de l'affaire.
Art. 17quinquies. § 1er. Les parties sont convoquées, par lettre recommandée, à la séance de la chambre de recours compétente, qui a lieu dans les vingt jours ouvrables de la réception du recours. Si la fin de ce délai tombe entre le 15 juillet et le 15 août, celui-ci est prorogé jusqu'au 31 août.
Les parties peuvent se faire assister ou représenter par un conseil.
§ 2. Les chambres de recours peuvent ordonner une enquête complémentaire et peuvent entendre des témoins d'office ou à la demande du membre du personnel ou de son conseil. Dans ce cas, l'audition des témoins à lieu en présence du membre du personnel.
Le témoin convoqué peut s'opposer à être entendu en public.
§ 3. Les séances des chambres de recours sont publiques à moins que la publicité ne constitue un danger pour l'ordre public ou les bonnes murs.
A la demande du membre du personnel ou de son conseil, la séance se déroule à huis clos.
§ 4. Si le membre du personnel a été dûment convoqué mais ne se présente pas ou n'est pas représenté, la chambre de recours compétente décide par défaut. Si l'empêchement est justifié, le membre du personnel peut former opposition contre le prononcé, dans les dix jours ouvrables de la notification de la décision par lettre recommandée. Dans ce cas, la chambre de recours compétente est convoquée de nouveau, et décide, définitivement et irrévocablement, tant en la présence qu'en l'absence du membre du personnel.
Art. 17sexies. Le secrétaire communique, par lettre recommandée, la décision dûment motivée, dans un délai de cinq jours ouvrables après la séance pendant laquelle la décision a été prise, au pouvoir organisateur et au membre du personnel. La décision est contraignante pour les deux parties.
La décision mentionne le résultat du vote.
Section III. - Dispositions communes
Art. 18. Les frais de fonctionnement des chambres de recours sont à charge du budget de la Communauté flamande.
Le siège des chambres de recours est établi à Bruxelles.
Art. 19. Les chambres de recours établissent leur propre règlement d'ordre intérieur. "
" CHAPITRE V. - La procédure de recours
Section Ire. - Discipline
Art. 13. § 1er. Le membre du personnel dispose du délai, visé à l'article 72, 1°, du décret, pour introduire, par lettre recommandée, un recours contre la mesure disciplinaire devant la chambre de recours compétente.
Le recours doit être motivé sous peine d'irrecevabilité.
Au même moment où le membre du personnel forme le recours, il en fait parvenir une copie à son autorité disciplinaire.
Le recours doit contenir le nom et l'adresse de l'autorité disciplinaire.
§ 2. A l'expiration du délai, visé à l'article 72, 1°, du décret, ou après une décision définitive par la chambre de recours compétente, la mesure disciplinaire devient définitive.
§ 3. Dès réception du recours, le secrétaire réclame immédiatement le dossier disciplinaire auprès de l'autorité disciplinaire.
§ 4. Les chambres de recours ne peuvent aggraver la sanction prononcée par l'autorité disciplinaire.
Art. 14. Dès la saisie, le secrétaire communique aux parties la liste des présidents et membres effectifs et suppléants de la chambre de recours compétente.
Dans les dix jours ouvrables de la réception de cette liste, les parties peuvent demander la récusation du président et d'un ou plusieurs membres de la chambre, à moins que la cause de la récusation ne soit survenue ultérieurement.
Lorsque tant le président que les présidents suppléants sont récusés, le Ministre flamand désigne un autre président suppléant pour siéger dans l'affaire.
Art. 15. Les causes de récusation sont celles prévues à l'article 828 du Code judiciaire. En dehors de ces causes de récusation, les deux parties peuvent récuser un membre sans motivation.
Si un président ou un membre des chambres de recours sait qu'il existe une cause de récusation contre sa personne, il doit s'abstenir de l'affaire.
Art. 16. § 1er. Les parties sont convoquées, par lettre recommandée, à la séance de la chambre de recours compétente, qui a lieu dans les soixante jours ouvrables de la réception du recours. Si la fin de ce délai tombe entre le 15 juillet et le 15 août, celui-ci est prorogé jusqu'au 31 août.
Les parties peuvent se faire assister ou représenter par un conseil.
Le membre du personnel ou son conseil peut déposer un exposé des motifs au plus tard 24 jours ouvrables à compter du dépôt du recours. Cet exposé peut comporter des moyens complémentaires.
L'autorité disciplinaire ou son conseil peut introduire un contredit au plus tard 24 jours ouvrables après la réception de l'exposé des motifs du membre du personnel ou au plus tard 24 jours ouvrables après l'expiration du délai dans le cas où le membre du personnel n'a pas introduit d'exposé des motifs.
L'exposé des motifs et le contredit sont envoyés par lettre recommandée ou remis contre récépissé à la chambre de recours compétente et à la partie adverse.
Les exposés des motifs et les contredits présentés après le délai imparti sont écartés des débats.
§ 2. Les chambres de recours peuvent ordonner une enquête complémentaire et peuvent entendre des témoins d'office ou à la demande du membre du personnel ou de son conseil. Dans ce cas, l'audition des témoins à lieu en présence du membre du personnel.
Le témoin convoqué peut s'opposer à être entendu en public.
§ 3. Les séances des chambres de recours sont publiques à moins que la publicité ne constitue un danger pour l'ordre public ou les bonnes murs.
A la demande du membre du personnel ou de son conseil, la séance se déroule à huis clos.
§ 4. Si le membre du personnel fait l'objet d'une poursuite pénale en raison des mêmes faits et que l'autorité disciplinaire n'a pas suspendu la procédure disciplinaire pendant la poursuite pénale, la chambre de recours compétente peut suspendre le traitement du recours jusqu'après la notification, visée à l'article 8, § 5, quatrième alinéa.
§ 5. Si le membre du personnel a été dûment convoqué mais ne se présente pas ou n'est pas représenté, la chambre de recours compétente décide par défaut. Si l'empêchement est justifié, le membre du personnel peut former opposition contre le prononcé, dans les dix jours ouvrables de la notification de la décision par lettre recommandée. Dans ce cas, la chambre de recours compétente est convoquée de nouveau, et décide, définitivement et irrévocablement, tant en la présence qu'en l'absence du membre du personnel.
Art. 17. Le secrétaire communique, par lettre recommandée, la décision dûment motivée, endéans un délai de vingt jours ouvrables après la séance pendant laquelle la décision a été prise, à l'autorité disciplinaire et au membre du personnel. La décision est contraignante pour les deux parties.
La décision mentionne le résultat du vote.
Section II. - Licenciement pour motif grave
Art. 17bis. § 1er. Le membre du personnel dispose du délai, visé à l'article 25, quatrième alinéa, du décret, pour déposer, par lettre recommandée, un recours contre le licenciement pour motif grave.
Le recours doit être motivé sous peine d'irrecevabilité.
Au même moment où le membre du personnel forme le recours, il en fait parvenir une copie à son pouvoir organisateur.
Le recours doit contenir le nom et l'adresse du pouvoir organisateur.
§ 2. A l'expiration du délai, visé à l'article 25, quatrième alinéa, du décret, ou après une décision définitive par la chambre de recours compétente, le licenciement pour motif grave devient définitif.
§ 3. Dès réception du recours, le secrétaire réclame immédiatement la lettre recommandée, visée à l'article 25 du décret, auprès du pouvoir organisateur.
Art. 17ter. Dès la saisie, le secrétaire communique aux parties la liste des présidents et membres effectifs et suppléants de la chambre de recours compétente.
Dans les cinq jours ouvrables de la réception de cette liste, les parties peuvent demander la récusation du président et d'un ou plusieurs membres de la chambre, à moins que la cause de la récusation ne soit survenue ultérieurement.
Lorsque tant le président que les deux présidents suppléants sont récusés, le Ministre flamand désigne un autre président suppléant pour siéger dans l'affaire.
Art. 17quater. Les causes de récusation sont celles prévues à l'article 828 du Code judiciaire. En dehors de ces causes de récusation, les deux parties peuvent récuser un membre sans motivation.
Si un président ou un membre des chambres de recours sait qu'il existe une cause de récusation contre sa personne, il doit s'abstenir de l'affaire.
Art. 17quinquies. § 1er. Les parties sont convoquées, par lettre recommandée, à la séance de la chambre de recours compétente, qui a lieu dans les vingt jours ouvrables de la réception du recours. Si la fin de ce délai tombe entre le 15 juillet et le 15 août, celui-ci est prorogé jusqu'au 31 août.
Les parties peuvent se faire assister ou représenter par un conseil.
§ 2. Les chambres de recours peuvent ordonner une enquête complémentaire et peuvent entendre des témoins d'office ou à la demande du membre du personnel ou de son conseil. Dans ce cas, l'audition des témoins à lieu en présence du membre du personnel.
Le témoin convoqué peut s'opposer à être entendu en public.
§ 3. Les séances des chambres de recours sont publiques à moins que la publicité ne constitue un danger pour l'ordre public ou les bonnes murs.
A la demande du membre du personnel ou de son conseil, la séance se déroule à huis clos.
§ 4. Si le membre du personnel a été dûment convoqué mais ne se présente pas ou n'est pas représenté, la chambre de recours compétente décide par défaut. Si l'empêchement est justifié, le membre du personnel peut former opposition contre le prononcé, dans les dix jours ouvrables de la notification de la décision par lettre recommandée. Dans ce cas, la chambre de recours compétente est convoquée de nouveau, et décide, définitivement et irrévocablement, tant en la présence qu'en l'absence du membre du personnel.
Art. 17sexies. Le secrétaire communique, par lettre recommandée, la décision dûment motivée, dans un délai de cinq jours ouvrables après la séance pendant laquelle la décision a été prise, au pouvoir organisateur et au membre du personnel. La décision est contraignante pour les deux parties.
La décision mentionne le résultat du vote.
Section III. - Dispositions communes
Art. 18. Les frais de fonctionnement des chambres de recours sont à charge du budget de la Communauté flamande.
Le siège des chambres de recours est établi à Bruxelles.
Art. 19. Les chambres de recours établissent leur propre règlement d'ordre intérieur. "
Art. 12. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2008, met uitzondering van de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 die in werking treden met ingang van 1 september 2007 en van artikel 9 dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2009.
Art. 12. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2008, à l'exception des articles 2, 3, 4, 6 et 7 qui entrent en vigueur le 1er septembre 2007, et de l'article 9, qui entre en vigueur le 1er janvier 2009.
Art. 13. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 3 juli 2009.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
Brussel, 3 juli 2009.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
Art. 13. Le Ministre flamand qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 3 juillet 2009.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE
Bruxelles, le 3 juillet 2009.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE