Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Deze wet zet Richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap om.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 DECEMBER 2010. - Wet tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector en tot wijziging van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2010 en tekstbijwerking tot 21-06-2011)
Titre
13 DECEMBRE 2010. - Loi modifiant la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges et modifiant la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2010 et mise à jour au 21-06-2011)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (63)
Texte (63)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
La présente loi transpose la Directive 2008/06/CE du Parlement européen et du Conseil du 20 février 2008 modifiant la Directive 97/67/CE en ce qui concerne l'achèvement du marché intérieur des services postaux de la Communauté.
La présente loi transpose la Directive 2008/06/CE du Parlement européen et du Conseil du 20 février 2008 modifiant la Directive 97/67/CE en ce qui concerne l'achèvement du marché intérieur des services postaux de la Communauté.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging aan de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques
Art. 2. In artikel 43ter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd bij de wet van 21 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 2°, worden de woorden " en waarvan de aanbieding krachtens artikel 148sexies van deze wet een vergunning vereist " weggelaten;
2° paragraaf 1, 3° wordt opgeheven;
3° in paragraaf 3, 2°, b), worden de woorden " ondernemingen waarnaar verwezen wordt in § 1, 2° en 3° " vervangen door de woorden " ondernemingen waarnaar verwezen wordt in § 1, 2° ";
4° paragraaf 4 wordt aangevuld met vijf leden, luidende :
" De gebruiker kan zich ofwel richten tot de Nederlandstalige of de Franstalige ombudsman of -vrouw. De registratie van de klachten door de ombudsdienst gebeurt volgens de CEN14012-norm.
De ombudsdienst stuurt eerstelijnsklachten voor de behandeling door naar de aanbieder van postdiensten, en informeert de gebruiker daarover. De ombudsdienst informeert steeds de gebruiker en de aanbieder van postdiensten, ook wanneer de ombudsdienst zich onbevoegd verklaart of een einde maakt aan de behandeling van de klacht.
Binnen tien werkdagen na ontvangst van de melding van de ombudsdienst, maakt de aanbieder van postdiensten ofwel alle elementen over om zijn initiële positie te argumenteren, ofwel, in het andere geval, doet het bedrijf een voorstel tot minnelijke schikking.
Als een minnelijke schikking is bereikt, sluit de ombudsdienst voor de postsector het dossier af, en stuurt daarvan een bevestiging aan beide partijen.
De Koning kan de verdere praktische regels bepalen met betrekking tot de ontvangst van klachten door de ombudsdienst voor de postsector, de registratie ervan en de informatieuitwisseling ";
5° een paragraaf 8 wordt ingevoegd, luidende als volgt :
" De gebruiker en de aanbieder van postdiensten hebben recht op inzage van het dossier bij de ombudsdienst. ";
6° een paragraaf 9 wordt ingevoegd, luidende als volgt :
" De ombudsdienst voor de postsector nodigt op regelmatige tijdstippen de personen bedoeld in artikel 148bis, § 2, uit voor een dialoog, met het oog op het voorkomen van conflicten. De Koning kan de verdere praktische bepalingen uitvaardigen met betrekking tot dit permanent overleg. "
1° in paragraaf 1, 2°, worden de woorden " en waarvan de aanbieding krachtens artikel 148sexies van deze wet een vergunning vereist " weggelaten;
2° paragraaf 1, 3° wordt opgeheven;
3° in paragraaf 3, 2°, b), worden de woorden " ondernemingen waarnaar verwezen wordt in § 1, 2° en 3° " vervangen door de woorden " ondernemingen waarnaar verwezen wordt in § 1, 2° ";
4° paragraaf 4 wordt aangevuld met vijf leden, luidende :
" De gebruiker kan zich ofwel richten tot de Nederlandstalige of de Franstalige ombudsman of -vrouw. De registratie van de klachten door de ombudsdienst gebeurt volgens de CEN14012-norm.
De ombudsdienst stuurt eerstelijnsklachten voor de behandeling door naar de aanbieder van postdiensten, en informeert de gebruiker daarover. De ombudsdienst informeert steeds de gebruiker en de aanbieder van postdiensten, ook wanneer de ombudsdienst zich onbevoegd verklaart of een einde maakt aan de behandeling van de klacht.
Binnen tien werkdagen na ontvangst van de melding van de ombudsdienst, maakt de aanbieder van postdiensten ofwel alle elementen over om zijn initiële positie te argumenteren, ofwel, in het andere geval, doet het bedrijf een voorstel tot minnelijke schikking.
Als een minnelijke schikking is bereikt, sluit de ombudsdienst voor de postsector het dossier af, en stuurt daarvan een bevestiging aan beide partijen.
De Koning kan de verdere praktische regels bepalen met betrekking tot de ontvangst van klachten door de ombudsdienst voor de postsector, de registratie ervan en de informatieuitwisseling ";
5° een paragraaf 8 wordt ingevoegd, luidende als volgt :
" De gebruiker en de aanbieder van postdiensten hebben recht op inzage van het dossier bij de ombudsdienst. ";
6° een paragraaf 9 wordt ingevoegd, luidende als volgt :
" De ombudsdienst voor de postsector nodigt op regelmatige tijdstippen de personen bedoeld in artikel 148bis, § 2, uit voor een dialoog, met het oog op het voorkomen van conflicten. De Koning kan de verdere praktische bepalingen uitvaardigen met betrekking tot dit permanent overleg. "
Art. 2. A l'article 43ter de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, inséré par la loi du 21 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, 2°, les mots " et dont l'offre requiert une licence conformément à l'article 148sexies de cette loi " sont abrogés;
2° le paragraphe 1er, 3°, est abrogé;
3° au paragraphe 3, 2°, b), les mots " entreprises auxquelles il est fait référence au § 1er, 2° et 3° " sont remplacés par les mots " entreprises auxquelles il est fait référence au § 1er, 2° ";
4° le paragraphe 4 est complété par cinq alinéas, rédigés comme suit :
" L'utilisateur peut s'adresser au médiateur ou à la médiatrice soit néerlandophone soit francophone. L'enregistrement des plaintes par le service de médiation se fait conformément à la norme CEN14012.
Le service de médiation transmet les plaintes de première ligne pour traitement au prestataire de services postaux et en informe l'utilisateur. Le service de médiation informe toujours l'utilisateur et le prestataire de services postaux, y compris lorsque le service de médiation se déclare incompétent ou met fin au traitement de la plainte.
Dans les dix jours ouvrables qui suivent la réception de la notification du service de médiation, le prestataire de services postaux transmet tous les éléments permettant d'argumenter sa position initiale, ou dans l'autre cas, l'entreprise fait une proposition de compromis à l'amiable.
Lorsqu'un compromis à l'amiable est trouvé, le service de médiation pour le secteur postal clôture le dossier et en envoie la confirmation aux deux parties.
Le Roi peut fixer les autres modalités pratiques relatives à la réception de plaintes par le service de médiation pour le secteur postal, l'enregistrement de celles-ci et l'échange d'informations ";
5° un paragraphe 8 est inséré, rédigé comme suit :
" L'utilisateur et le prestataire de services postaux ont le droit de consulter le dossier auprès du service de médiation. ";
6° un paragraphe 9 est inséré, rédigé comme suit :
" Le service de médiation pour le secteur postal invite à intervalles réguliers les personnes visées à l'article 148bis, § 2, à un dialogue dans le but de prévenir des conflits. Le Roi peut édicter les autres modalités pratiques concernant cette concertation permanente. "
1° au paragraphe 1er, 2°, les mots " et dont l'offre requiert une licence conformément à l'article 148sexies de cette loi " sont abrogés;
2° le paragraphe 1er, 3°, est abrogé;
3° au paragraphe 3, 2°, b), les mots " entreprises auxquelles il est fait référence au § 1er, 2° et 3° " sont remplacés par les mots " entreprises auxquelles il est fait référence au § 1er, 2° ";
4° le paragraphe 4 est complété par cinq alinéas, rédigés comme suit :
" L'utilisateur peut s'adresser au médiateur ou à la médiatrice soit néerlandophone soit francophone. L'enregistrement des plaintes par le service de médiation se fait conformément à la norme CEN14012.
Le service de médiation transmet les plaintes de première ligne pour traitement au prestataire de services postaux et en informe l'utilisateur. Le service de médiation informe toujours l'utilisateur et le prestataire de services postaux, y compris lorsque le service de médiation se déclare incompétent ou met fin au traitement de la plainte.
Dans les dix jours ouvrables qui suivent la réception de la notification du service de médiation, le prestataire de services postaux transmet tous les éléments permettant d'argumenter sa position initiale, ou dans l'autre cas, l'entreprise fait une proposition de compromis à l'amiable.
Lorsqu'un compromis à l'amiable est trouvé, le service de médiation pour le secteur postal clôture le dossier et en envoie la confirmation aux deux parties.
Le Roi peut fixer les autres modalités pratiques relatives à la réception de plaintes par le service de médiation pour le secteur postal, l'enregistrement de celles-ci et l'échange d'informations ";
5° un paragraphe 8 est inséré, rédigé comme suit :
" L'utilisateur et le prestataire de services postaux ont le droit de consulter le dossier auprès du service de médiation. ";
6° un paragraphe 9 est inséré, rédigé comme suit :
" Le service de médiation pour le secteur postal invite à intervalles réguliers les personnes visées à l'article 148bis, § 2, à un dialogue dans le but de prévenir des conflits. Le Roi peut édicter les autres modalités pratiques concernant cette concertation permanente. "
Art. 3. In artikel 45ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 4 wordt opgeheven;
2° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt :
" Het bedrag van de ombudsbijdrage komt overeen met het bedrag van de financiële middelen die nodig zijn voor de werking van de ombudsdienst dat ingeschreven is op de begroting van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie voor het lopende jaar, na advies van de Inspectie van Financiën en van het Raadgevend Comité voor de postdiensten.
De individuele ombudsbijdrage, In genaamd, wordt berekend als volgt :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2010, p. 83268)
Voor de toepassing van de bovenstaande formule worden de bovenstaande elementen als volgt gedefinieerd :
- X = het bedrag van de financiële middelen die nodig zijn voor de werking van de ombudsdienst dat ingeschreven is op de begroting van het Instituut voor het lopende jaar, na advies van de Inspectie van Financiën en van het Raadgevend Comité voor de postdiensten;
- Kn = aantal vorig jaar ontvankelijke klachten (K) tegen de onderneming (n) op voorwaarde dat er vorig jaar meer dan 12 ontvankelijke klachten waren tegen de onderneming (n) en de omzet van onderneming (n) in het vorig jaar hoger was dan 500 000 EUR;
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2010, p. 83268)
1° paragraaf 4 wordt opgeheven;
2° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt :
" Het bedrag van de ombudsbijdrage komt overeen met het bedrag van de financiële middelen die nodig zijn voor de werking van de ombudsdienst dat ingeschreven is op de begroting van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie voor het lopende jaar, na advies van de Inspectie van Financiën en van het Raadgevend Comité voor de postdiensten.
De individuele ombudsbijdrage, In genaamd, wordt berekend als volgt :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2010, p. 83268)
Voor de toepassing van de bovenstaande formule worden de bovenstaande elementen als volgt gedefinieerd :
- X = het bedrag van de financiële middelen die nodig zijn voor de werking van de ombudsdienst dat ingeschreven is op de begroting van het Instituut voor het lopende jaar, na advies van de Inspectie van Financiën en van het Raadgevend Comité voor de postdiensten;
- Kn = aantal vorig jaar ontvankelijke klachten (K) tegen de onderneming (n) op voorwaarde dat er vorig jaar meer dan 12 ontvankelijke klachten waren tegen de onderneming (n) en de omzet van onderneming (n) in het vorig jaar hoger was dan 500 000 EUR;
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2010, p. 83268)
Art. 3. A l'article 45ter de la même loi, inséré par la loi du 21 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 4 est abrogé;
2° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" Le montant de la redevance de médiation correspond au montant des moyens financiers nécessaires au fonctionnement du service de médiation inscrit au budget de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications pour l'année en cours, après avis de l'Inspection des Finances et du Comité consultatif pour les services postaux.
La redevance de médiation individuelle, appelée In, est calculée comme suit :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 31-12-2010, p. 83268)
Pour l'application de la formule précitée, les éléments indiqués ci-dessus sont définis comme suit :
- X = le montant des moyens financiers nécessaires au fonctionnement du service de médiation inscrit au budget de l'année en cours de l'Institut, après avis de l'Inspection des Finances et du Comité consultatif pour les services postaux;
- Kn = nombre de plaintes recevables (K) à l'encontre de l'entreprise (n) au cours de l'année précédente à condition qu'il y ait eu plus de 12 plaintes recevables à l'encontre de l'entreprise (n) l'année précédente et que l'entreprise (n) ait eu un chiffre d'affaires supérieur à 500.000 EUR l'année précédente;
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 31-12-2010, p. 83268)
1° le paragraphe 4 est abrogé;
2° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" Le montant de la redevance de médiation correspond au montant des moyens financiers nécessaires au fonctionnement du service de médiation inscrit au budget de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications pour l'année en cours, après avis de l'Inspection des Finances et du Comité consultatif pour les services postaux.
La redevance de médiation individuelle, appelée In, est calculée comme suit :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 31-12-2010, p. 83268)
Pour l'application de la formule précitée, les éléments indiqués ci-dessus sont définis comme suit :
- X = le montant des moyens financiers nécessaires au fonctionnement du service de médiation inscrit au budget de l'année en cours de l'Institut, après avis de l'Inspection des Finances et du Comité consultatif pour les services postaux;
- Kn = nombre de plaintes recevables (K) à l'encontre de l'entreprise (n) au cours de l'année précédente à condition qu'il y ait eu plus de 12 plaintes recevables à l'encontre de l'entreprise (n) l'année précédente et que l'entreprise (n) ait eu un chiffre d'affaires supérieur à 500.000 EUR l'année précédente;
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 31-12-2010, p. 83268)
Art. 4. Artikel 130 van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende :
" De woorden " DE POST " in al de artikelen van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie des Posterijen, de wet van 26 december 1956 op de Postdienst en de wet van 2 mei 1956 op de postcheque, worden, wanneer zij krachtens het eerste lid werden opgenomen, vervangen door de woorden " bpost ".
In alle wetten en reglementen worden de woorden " DE POST ", wanneer zij krachtens het tweede lid werden opgenomen, vervangen door het woord " bpost ".
" De woorden " DE POST " in al de artikelen van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie des Posterijen, de wet van 26 december 1956 op de Postdienst en de wet van 2 mei 1956 op de postcheque, worden, wanneer zij krachtens het eerste lid werden opgenomen, vervangen door de woorden " bpost ".
In alle wetten en reglementen worden de woorden " DE POST ", wanneer zij krachtens het tweede lid werden opgenomen, vervangen door het woord " bpost ".
Art. 4. L'article 130 de la même loi est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" Les mots " LA POSTE " dans tous les articles de la loi du 6 juillet 1971 portant création de la Régie des Postes, de la loi du 26 décembre 1956 sur le Service des postes et de la loi du 2 mai 1956 sur le chèque postal, lorsqu'ils ont été introduits en vertu de l'alinéa premier, sont remplacés par le mot " bpost ".
Dans toutes les lois et règlements, les mots " LA POSTE ", lorsqu'ils ont été introduits en vertu de l'alinéa 2, sont remplacés par le mot " bpost ".
" Les mots " LA POSTE " dans tous les articles de la loi du 6 juillet 1971 portant création de la Régie des Postes, de la loi du 26 décembre 1956 sur le Service des postes et de la loi du 2 mai 1956 sur le chèque postal, lorsqu'ils ont été introduits en vertu de l'alinéa premier, sont remplacés par le mot " bpost ".
Dans toutes les lois et règlements, les mots " LA POSTE ", lorsqu'ils ont été introduits en vertu de l'alinéa 2, sont remplacés par le mot " bpost ".
Art. 5. Artikel 131 van dezelfde wet, vervangen bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en gewijzigd bij de wet van 1 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
1° postdiensten : diensten die bestaan uit het ophalen, het sorteren, het vervoeren en de distributie van postzendingen.
De aanbieding van postdiensten door de natuurlijke of rechtspersoon van wie de post afkomstig is wordt van het toepassingsveld van de definitie uitgesloten;
2° aanbieder van postdiensten : elke onderneming die één of meer postdiensten aanbiedt;
3° postnetwerk : het geheel van de organisatie en alle middelen, waarvan door de aanbieder(s) van de universele dienst gebruik wordt gemaakt om met name :
a) op de toegangspunten op het gehele grondgebied de onder een verplichting tot universeledienstverlening vallende postzendingen op te halen;
b) deze postzendingen tussen de punten van toegang tot het postnetwerk en het distributiecentrum te verzenden en te verwerken;
c) deze postzendingen op het vermelde adres te bestellen;
4° toegangspunten : fysieke plaatsen, met inbegrip van brievenbussen voor het publiek aan de openbare weg of in de gebouwen van de aanbieder(s) van postdiensten, waar de postzendingen door de afzenders in het postnetwerk kunnen worden gebracht;
5° ophalen : de handeling waarmee een aanbieder van postdiensten postzendingen ophaalt;
6° distributie : het proces gaande van het sorteren in distributiecentra tot het bestellen van postzendingen aan de geadresseerden;
7° postzending : geadresseerde zending in definitieve vorm die een aanbieder van postdiensten verzorgt.
Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten;
8° brievenpost : een op enigerlei fysieke drager aangebrachte schriftelijke mededeling die wordt vervoerd en besteld op het door de afzender op de zending zelf of op de omslag daarvan vermelde adres. Boeken, catalogi, kranten en tijdschriften worden niet als brievenpost aangemerkt;
9° aangetekende zending : een dienst die op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging waarborgt, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de datum van afgifte of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde;
10° zending met aangegeven waarde : een dienst die bestaat in de verzekering van de postzending voor de door de afzender aangegeven waarde tegen verlies, diefstal of beschadiging;
11° ingeschreven zending : een aangetekende zending of een zending met aangegeven waarde;
12° grensoverschrijdende post : post afkomstig uit of verzonden naar een andere Staat;
13° aanbieder van de universele dienst : de aanbieder van postdiensten die in België een universele postdienst of een deel daarvan aanbiedt, en waarvan de identiteit aan de Commissie is meegedeeld overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 97/67/EG, gewijzigd bij Richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap;
14° vergunning : een machtiging die door het Instituut wordt verleend en waarbij aan een aanbieder van nationale en inkomende grensoverschrijdende brievenpost binnen de werkingssfeer van de universele dienst specifieke rechten worden verleend en waarbij de activiteiten van die onderneming aan specifieke verplichtingen worden onderworpen en waarbij de aanbieder niet gerechtigd is de desbetreffende rechten uit te oefenen alvorens hij het door het Instituut genomen besluit heeft ontvangen;
15° eindkosten : vergoeding aan de aanbieders van de universele dienst voor de distributie van de inkomende grensoverschrijdende post, bestaande uit postzendingen die uit een andere Staat afkomstig zijn;
16° afzender : natuurlijke of rechtspersoon van wie de postzending afkomstig is;
17° gebruiker : natuurlijke of rechtspersoon aan wie de postdienst aangeboden wordt, als afzender of als geadresseerde;
18° Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort BIPT zoals bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector;
19° essentiële eisen : niet-economische redenen van algemeen belang die de Staat ertoe kunnen bewegen voorwaarden inzake het aanbieden van postdiensten op te leggen. Deze redenen zijn het vertrouwelijke karakter van de brievenpost, de veiligheid van het functioneren van het netwerk op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de naleving van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en regelingen voor sociale zekerheid die in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgelegd en/of via collectieve onderhandelingen tussen sociale partners zijn overeengekomen, in overeenstemming met het communautaire en het nationale recht, en, in gerechtvaardigde gevallen, de bescherming van gegevens, de bescherming van het milieu en de ruimtelijke ordening. Gegevensbescherming kan bestaan uit de bescherming van persoonsgegevens, het vertrouwelijke karakter van informatie die wordt doorgegeven en/of opgeslagen, alsmede de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
20° tegen enkelstukstarieven aangeboden diensten : postdiensten waarvoor het tarief is vastgesteld in de algemene voorwaarden van aanbieder(s) van de universele dienst voor postzendingen die per individueel stuk worden afgegeven;
21° De Post : het autonome overheidsbedrijf bedoeld in artikel 1, § 4, 3°;
22° financiële postdiensten : de bewerkingen met chartale, scripturale of elektronische geldmiddelen, kosteloos of tegen betaling verwezenlijkt door De Post en uitgevoerd voor haar eigen rekening of voor rekening van derden;
23° adres : geheel van gegevens die de aanbieder van postdiensten in staat stelt de plaats van distributie vast te stellen en die minstens het huisnummer, de straatnaam en de naam van de gemeente bevatten of een door de betrokken aanbieder van postdiensten aanvaarde andere vermelding of informatie die hem op een ondubbelzinnige manier in staat stelt minstens het huisnummer, de straatnaam en de naam van de gemeente te bepalen;
24° direct mail : een mededeling die uitsluitend uit reclame-, marketing- of publiciteitsmateriaal bestaat, die dezelfde boodschap bevat, met uitzondering van de naam, het adres en het identificatienummer van de geadresseerde, alsmede andere variabelen/parameters die de aard van de boodschap niet wijzigen, en die aan een aanzienlijk aantal geadresseerden wordt toegezonden met het oog op vervoer naar en bestelling op het adres dat de afzender op de eigenlijke zending of op de verpakking ervan heeft vermeld;
25° routage-activiteiten : routage-activiteiten worden verricht door een natuurlijke persoon of rechtspersoon in opdracht van een afzender. Routage-activiteiten bestaan uit activiteiten van gereedmaking van postzendingen volgens de normen van de aanbieder van postdiensten eventueel in combinatie met andere activiteiten ter voorbereiding van postzendingen zoals de verpakking, het afdrukken of de frankering van de postzendingen.
" Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
1° postdiensten : diensten die bestaan uit het ophalen, het sorteren, het vervoeren en de distributie van postzendingen.
De aanbieding van postdiensten door de natuurlijke of rechtspersoon van wie de post afkomstig is wordt van het toepassingsveld van de definitie uitgesloten;
2° aanbieder van postdiensten : elke onderneming die één of meer postdiensten aanbiedt;
3° postnetwerk : het geheel van de organisatie en alle middelen, waarvan door de aanbieder(s) van de universele dienst gebruik wordt gemaakt om met name :
a) op de toegangspunten op het gehele grondgebied de onder een verplichting tot universeledienstverlening vallende postzendingen op te halen;
b) deze postzendingen tussen de punten van toegang tot het postnetwerk en het distributiecentrum te verzenden en te verwerken;
c) deze postzendingen op het vermelde adres te bestellen;
4° toegangspunten : fysieke plaatsen, met inbegrip van brievenbussen voor het publiek aan de openbare weg of in de gebouwen van de aanbieder(s) van postdiensten, waar de postzendingen door de afzenders in het postnetwerk kunnen worden gebracht;
5° ophalen : de handeling waarmee een aanbieder van postdiensten postzendingen ophaalt;
6° distributie : het proces gaande van het sorteren in distributiecentra tot het bestellen van postzendingen aan de geadresseerden;
7° postzending : geadresseerde zending in definitieve vorm die een aanbieder van postdiensten verzorgt.
Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten;
8° brievenpost : een op enigerlei fysieke drager aangebrachte schriftelijke mededeling die wordt vervoerd en besteld op het door de afzender op de zending zelf of op de omslag daarvan vermelde adres. Boeken, catalogi, kranten en tijdschriften worden niet als brievenpost aangemerkt;
9° aangetekende zending : een dienst die op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging waarborgt, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de datum van afgifte of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde;
10° zending met aangegeven waarde : een dienst die bestaat in de verzekering van de postzending voor de door de afzender aangegeven waarde tegen verlies, diefstal of beschadiging;
11° ingeschreven zending : een aangetekende zending of een zending met aangegeven waarde;
12° grensoverschrijdende post : post afkomstig uit of verzonden naar een andere Staat;
13° aanbieder van de universele dienst : de aanbieder van postdiensten die in België een universele postdienst of een deel daarvan aanbiedt, en waarvan de identiteit aan de Commissie is meegedeeld overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 97/67/EG, gewijzigd bij Richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap;
14° vergunning : een machtiging die door het Instituut wordt verleend en waarbij aan een aanbieder van nationale en inkomende grensoverschrijdende brievenpost binnen de werkingssfeer van de universele dienst specifieke rechten worden verleend en waarbij de activiteiten van die onderneming aan specifieke verplichtingen worden onderworpen en waarbij de aanbieder niet gerechtigd is de desbetreffende rechten uit te oefenen alvorens hij het door het Instituut genomen besluit heeft ontvangen;
15° eindkosten : vergoeding aan de aanbieders van de universele dienst voor de distributie van de inkomende grensoverschrijdende post, bestaande uit postzendingen die uit een andere Staat afkomstig zijn;
16° afzender : natuurlijke of rechtspersoon van wie de postzending afkomstig is;
17° gebruiker : natuurlijke of rechtspersoon aan wie de postdienst aangeboden wordt, als afzender of als geadresseerde;
18° Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort BIPT zoals bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector;
19° essentiële eisen : niet-economische redenen van algemeen belang die de Staat ertoe kunnen bewegen voorwaarden inzake het aanbieden van postdiensten op te leggen. Deze redenen zijn het vertrouwelijke karakter van de brievenpost, de veiligheid van het functioneren van het netwerk op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de naleving van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en regelingen voor sociale zekerheid die in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgelegd en/of via collectieve onderhandelingen tussen sociale partners zijn overeengekomen, in overeenstemming met het communautaire en het nationale recht, en, in gerechtvaardigde gevallen, de bescherming van gegevens, de bescherming van het milieu en de ruimtelijke ordening. Gegevensbescherming kan bestaan uit de bescherming van persoonsgegevens, het vertrouwelijke karakter van informatie die wordt doorgegeven en/of opgeslagen, alsmede de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
20° tegen enkelstukstarieven aangeboden diensten : postdiensten waarvoor het tarief is vastgesteld in de algemene voorwaarden van aanbieder(s) van de universele dienst voor postzendingen die per individueel stuk worden afgegeven;
21° De Post : het autonome overheidsbedrijf bedoeld in artikel 1, § 4, 3°;
22° financiële postdiensten : de bewerkingen met chartale, scripturale of elektronische geldmiddelen, kosteloos of tegen betaling verwezenlijkt door De Post en uitgevoerd voor haar eigen rekening of voor rekening van derden;
23° adres : geheel van gegevens die de aanbieder van postdiensten in staat stelt de plaats van distributie vast te stellen en die minstens het huisnummer, de straatnaam en de naam van de gemeente bevatten of een door de betrokken aanbieder van postdiensten aanvaarde andere vermelding of informatie die hem op een ondubbelzinnige manier in staat stelt minstens het huisnummer, de straatnaam en de naam van de gemeente te bepalen;
24° direct mail : een mededeling die uitsluitend uit reclame-, marketing- of publiciteitsmateriaal bestaat, die dezelfde boodschap bevat, met uitzondering van de naam, het adres en het identificatienummer van de geadresseerde, alsmede andere variabelen/parameters die de aard van de boodschap niet wijzigen, en die aan een aanzienlijk aantal geadresseerden wordt toegezonden met het oog op vervoer naar en bestelling op het adres dat de afzender op de eigenlijke zending of op de verpakking ervan heeft vermeld;
25° routage-activiteiten : routage-activiteiten worden verricht door een natuurlijke persoon of rechtspersoon in opdracht van een afzender. Routage-activiteiten bestaan uit activiteiten van gereedmaking van postzendingen volgens de normen van de aanbieder van postdiensten eventueel in combinatie met andere activiteiten ter voorbereiding van postzendingen zoals de verpakking, het afdrukken of de frankering van de postzendingen.
Art. 5. L'article 131 de la même loi, remplacé par l'arrêté royal du 9 juin 1999 et modifié par la loi du 1er avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Pour l'application du présent titre, on entend par :
1° services postaux : des services qui consistent en la levée, le tri, l'acheminement et la distribution des envois postaux.
La prestation de services postaux par la personne physique ou morale qui est à l'origine de l'envoi du courrier est exclue du champ d'application de la définition;
2° prestataire de services postaux : toute entreprise qui fournit un ou plusieurs services postaux;
3° réseau postal : l'ensemble de l'organisation et des moyens de toute nature mis en oeuvre par le ou les prestataires du service universel, en vue notamment de :
a) la levée des envois postaux couverts par une obligation de service universel aux points d'accès sur l'ensemble du territoire;
b) l'acheminement et le traitement de ces envois du point d'accès du réseau postal jusqu'au centre de distribution;
c) la distribution à l'adresse indiquée sur l'envoi postal;
4° point d'accès : les installations physiques, notamment les boîtes aux lettres mises à la disposition du public soit sur la voie publique, soit dans les locaux du ou des prestataires de services postaux, où les envois postaux peuvent être confiés au réseau postal par les expéditeurs;
5° levée : l'opération consistant pour un prestataire de services postaux à collecter les envois postaux;
6° distribution : le processus allant du tri au centre de distribution jusqu'à la remise des envois postaux aux destinataires;
7° envoi postal : un envoi portant une adresse sous la forme définitive dans laquelle il doit être acheminé par le prestataire de services postaux.
Il s'agit, en plus des envois de correspondance, par exemple de livres, de catalogues, de journaux, de périodiques et de colis postaux contenant des marchandises avec ou sans valeur commerciale;
8° envoi de correspondance : une communication écrite sur un support physique quelconque qui doit être acheminée et remise à l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement. Les livres, catalogues, journaux et périodiques ne sont pas considérés comme des envois de correspondance;
9° envoi recommandé : un service garantissant forfaitairement contre les risques de perte, vol ou détérioration et fournissant à l'expéditeur, le cas échéant à sa demande, une preuve de la date du dépôt de l'envoi postal et/ou de sa remise au destinataire;
10° envoi à valeur déclarée : un service consistant à assurer l'envoi postal à concurrence de la valeur déclarée par l'expéditeur en cas de perte, vol ou détérioration;
11° envoi enregistré : envoi recommandé ou à valeur déclarée;
12° courrier transfrontière : le courrier en provenance ou à destination d'un autre Etat;
13° prestataire du service universel : le prestataire de services postaux qui assure la totalité ou une partie du service postal universel en Belgique et dont l'identité a été communiquée à la Commission conformément à l'article 4 de la Directive 97/67/CE, modifiée par la Directive 2008/06/CE du Parlement européen et du Conseil du 20 février 2008 modifiant la Directive 97/67/CE en ce qui concerne l'achèvement du marché intérieur des services postaux de la Communauté;
14° licence : une autorisation qui est octroyée par l'Institut et qui donne à un prestataire d'envois de correspondance domestiques et transfrontières entrants et qui relèvent du service universel des droits spécifiques et soumet les activités dudit prestataire à des obligations spécifiques, lorsque le prestataire de services postaux n'est pas habilité à exercer les droits concernés avant d'avoir reçu la décision de l'Institut;
15° frais terminaux : la rémunération des prestataires du service universel au titre de la distribution du courrier transfrontière entrant constitué par les envois postaux provenant d'un autre Etat;
16° expéditeur : une personne physique ou morale qui est à l'origine de l'envoi postal.
17° utilisateur : toute personne physique ou morale bénéficiaire d'une prestation de service postal en tant qu'expéditeur ou destinataire;
18° Institut : l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, en abrégé IBPT, visé au chapitre III de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges;
19° exigences essentielles : les raisons d'intérêt général de nature non économique qui peuvent amener l'Etat à imposer des conditions pour la prestation de services postaux. Ces raisons sont la confidentialité de la correspondance, la sécurité du réseau en ce qui concerne le transport de matières dangereuses, le respect des conditions de travail et des régimes de sécurité sociale prévus par des dispositions législatives, réglementaires ou administratives et/ou par les conventions collectives négociées entre partenaires sociaux, conformément au droit communautaire et à la législation nationale et, dans les cas justifiés, la protection des données, la protection de l'environnement et l'aménagement du territoire. La protection des données peut comprendre la protection des données à caractère personnel, la confidentialité des informations transmises ou stockées ainsi que la protection de la vie privée;
20° services prestés au tarif unitaire : les services postaux dont le tarif est établi dans les conditions générales du ou des prestataires du service universel pour les envois postaux qui sont déposés par pièce individuelle;
21° La Poste : l'entreprise publique autonome visée à l'article 1er, § 4, 3°;
22° services financiers postaux : les opérations en monnaie fiduciaire, scripturale ou électronique, gratuites ou rétribuées, effectuées par La Poste, tant pour son propre compte que pour le compte de tiers;
23° adresse : ensemble de données permettant au prestataire de services postaux de déterminer le lieu de distribution et contenant au moins le numéro de maison, le nom de la rue et le nom de la commune ou une mention ou information acceptée par le prestataire de services postaux concerné lui permettant de déterminer sans équivoque au moins le numéro de maison, le nom de la rue et le nom de la commune;
24° publipostage : une communication consistant uniquement en matériel de publicité ou de marketing et contenant un message identique, à l'exception du nom, de l'adresse et du numéro d'identification du destinataire ainsi que d'autres variables/paramètres qui ne modifient pas la nature du message, qui est envoyée à un nombre significatif de personnes et qui doit être acheminée et remise à l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement;
25° activités de routage : les activités de routage sont exécutées par une personne physique ou morale pour le compte d'un expéditeur. Les activités de routage consistent en des activités de conditionnement des envois postaux selon les normes du prestataire de services postaux, éventuellement combinées avec d'autres activités de préparation d'envois postaux comme l'emballage, l'imprimerie ou l'affranchissement des envois postaux.
" Pour l'application du présent titre, on entend par :
1° services postaux : des services qui consistent en la levée, le tri, l'acheminement et la distribution des envois postaux.
La prestation de services postaux par la personne physique ou morale qui est à l'origine de l'envoi du courrier est exclue du champ d'application de la définition;
2° prestataire de services postaux : toute entreprise qui fournit un ou plusieurs services postaux;
3° réseau postal : l'ensemble de l'organisation et des moyens de toute nature mis en oeuvre par le ou les prestataires du service universel, en vue notamment de :
a) la levée des envois postaux couverts par une obligation de service universel aux points d'accès sur l'ensemble du territoire;
b) l'acheminement et le traitement de ces envois du point d'accès du réseau postal jusqu'au centre de distribution;
c) la distribution à l'adresse indiquée sur l'envoi postal;
4° point d'accès : les installations physiques, notamment les boîtes aux lettres mises à la disposition du public soit sur la voie publique, soit dans les locaux du ou des prestataires de services postaux, où les envois postaux peuvent être confiés au réseau postal par les expéditeurs;
5° levée : l'opération consistant pour un prestataire de services postaux à collecter les envois postaux;
6° distribution : le processus allant du tri au centre de distribution jusqu'à la remise des envois postaux aux destinataires;
7° envoi postal : un envoi portant une adresse sous la forme définitive dans laquelle il doit être acheminé par le prestataire de services postaux.
Il s'agit, en plus des envois de correspondance, par exemple de livres, de catalogues, de journaux, de périodiques et de colis postaux contenant des marchandises avec ou sans valeur commerciale;
8° envoi de correspondance : une communication écrite sur un support physique quelconque qui doit être acheminée et remise à l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement. Les livres, catalogues, journaux et périodiques ne sont pas considérés comme des envois de correspondance;
9° envoi recommandé : un service garantissant forfaitairement contre les risques de perte, vol ou détérioration et fournissant à l'expéditeur, le cas échéant à sa demande, une preuve de la date du dépôt de l'envoi postal et/ou de sa remise au destinataire;
10° envoi à valeur déclarée : un service consistant à assurer l'envoi postal à concurrence de la valeur déclarée par l'expéditeur en cas de perte, vol ou détérioration;
11° envoi enregistré : envoi recommandé ou à valeur déclarée;
12° courrier transfrontière : le courrier en provenance ou à destination d'un autre Etat;
13° prestataire du service universel : le prestataire de services postaux qui assure la totalité ou une partie du service postal universel en Belgique et dont l'identité a été communiquée à la Commission conformément à l'article 4 de la Directive 97/67/CE, modifiée par la Directive 2008/06/CE du Parlement européen et du Conseil du 20 février 2008 modifiant la Directive 97/67/CE en ce qui concerne l'achèvement du marché intérieur des services postaux de la Communauté;
14° licence : une autorisation qui est octroyée par l'Institut et qui donne à un prestataire d'envois de correspondance domestiques et transfrontières entrants et qui relèvent du service universel des droits spécifiques et soumet les activités dudit prestataire à des obligations spécifiques, lorsque le prestataire de services postaux n'est pas habilité à exercer les droits concernés avant d'avoir reçu la décision de l'Institut;
15° frais terminaux : la rémunération des prestataires du service universel au titre de la distribution du courrier transfrontière entrant constitué par les envois postaux provenant d'un autre Etat;
16° expéditeur : une personne physique ou morale qui est à l'origine de l'envoi postal.
17° utilisateur : toute personne physique ou morale bénéficiaire d'une prestation de service postal en tant qu'expéditeur ou destinataire;
18° Institut : l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, en abrégé IBPT, visé au chapitre III de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges;
19° exigences essentielles : les raisons d'intérêt général de nature non économique qui peuvent amener l'Etat à imposer des conditions pour la prestation de services postaux. Ces raisons sont la confidentialité de la correspondance, la sécurité du réseau en ce qui concerne le transport de matières dangereuses, le respect des conditions de travail et des régimes de sécurité sociale prévus par des dispositions législatives, réglementaires ou administratives et/ou par les conventions collectives négociées entre partenaires sociaux, conformément au droit communautaire et à la législation nationale et, dans les cas justifiés, la protection des données, la protection de l'environnement et l'aménagement du territoire. La protection des données peut comprendre la protection des données à caractère personnel, la confidentialité des informations transmises ou stockées ainsi que la protection de la vie privée;
20° services prestés au tarif unitaire : les services postaux dont le tarif est établi dans les conditions générales du ou des prestataires du service universel pour les envois postaux qui sont déposés par pièce individuelle;
21° La Poste : l'entreprise publique autonome visée à l'article 1er, § 4, 3°;
22° services financiers postaux : les opérations en monnaie fiduciaire, scripturale ou électronique, gratuites ou rétribuées, effectuées par La Poste, tant pour son propre compte que pour le compte de tiers;
23° adresse : ensemble de données permettant au prestataire de services postaux de déterminer le lieu de distribution et contenant au moins le numéro de maison, le nom de la rue et le nom de la commune ou une mention ou information acceptée par le prestataire de services postaux concerné lui permettant de déterminer sans équivoque au moins le numéro de maison, le nom de la rue et le nom de la commune;
24° publipostage : une communication consistant uniquement en matériel de publicité ou de marketing et contenant un message identique, à l'exception du nom, de l'adresse et du numéro d'identification du destinataire ainsi que d'autres variables/paramètres qui ne modifient pas la nature du message, qui est envoyée à un nombre significatif de personnes et qui doit être acheminée et remise à l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement;
25° activités de routage : les activités de routage sont exécutées par une personne physique ou morale pour le compte d'un expéditeur. Les activités de routage consistent en des activités de conditionnement des envois postaux selon les normes du prestataire de services postaux, éventuellement combinées avec d'autres activités de préparation d'envois postaux comme l'emballage, l'imprimerie ou l'affranchissement des envois postaux.
Art. 6. Artikel 134 van dezelfde wet, opgeheven bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt hersteld als volgt :
" Art. 134. § 1. Het Instituut vraagt op gemotiveerde en proportionele wijze bij de aanbieders van postdiensten alle informatie, met inbegrip van financiële informatie en informatie over het aanbieden van de universele dienst, op die nodig is :
a) om het in staat te stellen de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten te waarborgen;
b) voor duidelijk omschreven statistische doeleinden, voor marktanalyses en voor alle maatregelen die tot de transparantie kunnen bijdragen.
De doeleinden worden verduidelijkt in de informatievraag van het Instituut.
§ 2. De aanbieders van postdiensten verstrekken deze informatie onmiddellijk op verzoek en zo nodig vertrouwelijk overeenkomstig de principes van artikel 23 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. De informatie wordt verstrekt binnen de termijnen en met de mate van gedetailleerdheid die door het Instituut zijn vastgesteld.
Inbreuken op de informatieplicht worden door het Instituut bestraft overeenkomstig artikel 21 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. "
" Art. 134. § 1. Het Instituut vraagt op gemotiveerde en proportionele wijze bij de aanbieders van postdiensten alle informatie, met inbegrip van financiële informatie en informatie over het aanbieden van de universele dienst, op die nodig is :
a) om het in staat te stellen de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten te waarborgen;
b) voor duidelijk omschreven statistische doeleinden, voor marktanalyses en voor alle maatregelen die tot de transparantie kunnen bijdragen.
De doeleinden worden verduidelijkt in de informatievraag van het Instituut.
§ 2. De aanbieders van postdiensten verstrekken deze informatie onmiddellijk op verzoek en zo nodig vertrouwelijk overeenkomstig de principes van artikel 23 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. De informatie wordt verstrekt binnen de termijnen en met de mate van gedetailleerdheid die door het Instituut zijn vastgesteld.
Inbreuken op de informatieplicht worden door het Instituut bestraft overeenkomstig artikel 21 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. "
Art. 6. L'article 134 de la même loi, abrogé par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 134. § 1er. L'Institut demande de manière motivée et proportionnelle aux prestataires de services postaux toutes les informations, y compris les informations financières et les informations sur l'offre du service universel, qui sont nécessaires :
a) pour lui permettre de garantir l'observation de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution;
b) pour poursuivre des objectifs statistiques précis, pour les analyses de marché et pour toutes les mesures qui peuvent contribuer à la transparence.
Les objectifs sont précisés dans la demande d'information de l'Institut.
§ 2. Les prestataires de services postaux fournissent cette information immédiatement à la demande et si nécessaire de manière confidentielle conformément aux principes de l'article 23 de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges. L'information est fournie dans les délais et avec le degré de précision déterminés par l'Institut.
Les infractions à l'obligation d'information sont sanctionnées par l'Institut, conformément à l'article 21 de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges. "
" Art. 134. § 1er. L'Institut demande de manière motivée et proportionnelle aux prestataires de services postaux toutes les informations, y compris les informations financières et les informations sur l'offre du service universel, qui sont nécessaires :
a) pour lui permettre de garantir l'observation de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution;
b) pour poursuivre des objectifs statistiques précis, pour les analyses de marché et pour toutes les mesures qui peuvent contribuer à la transparence.
Les objectifs sont précisés dans la demande d'information de l'Institut.
§ 2. Les prestataires de services postaux fournissent cette information immédiatement à la demande et si nécessaire de manière confidentielle conformément aux principes de l'article 23 de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges. L'information est fournie dans les délais et avec le degré de précision déterminés par l'Institut.
Les infractions à l'obligation d'information sont sanctionnées par l'Institut, conformément à l'article 21 de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges. "
Art. 7. Artikel 135 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt :
" Art. 135. § 1. Het Instituut kan op zijn website mededelingen publiceren voor de postsector.
Het Instituut geeft een gemotiveerd advies aan de minister inzake de voorstellen van de aanbieder van de universele dienst met betrekking tot de postnummers, de brievenbussen en aangetekende zendingen en inzake de wijzigingen aan deze wet die betrekking hebben op de postsector.
§ 2. Aan alle verplichtingen opgenomen in deze en alle andere wetten die betrekking hebben op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en hun uitvoeringsbesluiten die betreffende de aangetekende zendingen de woorden " ter post ", " bij de post ", " per post " of elke andere soortgelijke verwijzing bevatten is voldaan wanneer gebruik wordt gemaakt van een aangetekende zending zoals gedefinieerd in artikel 131, 9° van deze wet of gebruik wordt gemaakt van een elektronisch aangetekende zending overeenkomstig de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen, de elektronisch aangetekende zending en certificatiediensten.
" Art. 135. § 1. Het Instituut kan op zijn website mededelingen publiceren voor de postsector.
Het Instituut geeft een gemotiveerd advies aan de minister inzake de voorstellen van de aanbieder van de universele dienst met betrekking tot de postnummers, de brievenbussen en aangetekende zendingen en inzake de wijzigingen aan deze wet die betrekking hebben op de postsector.
§ 2. Aan alle verplichtingen opgenomen in deze en alle andere wetten die betrekking hebben op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en hun uitvoeringsbesluiten die betreffende de aangetekende zendingen de woorden " ter post ", " bij de post ", " per post " of elke andere soortgelijke verwijzing bevatten is voldaan wanneer gebruik wordt gemaakt van een aangetekende zending zoals gedefinieerd in artikel 131, 9° van deze wet of gebruik wordt gemaakt van een elektronisch aangetekende zending overeenkomstig de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen, de elektronisch aangetekende zending en certificatiediensten.
Art. 7. L'article 135 de la même loi, remplacé par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par ce qui suit :
" Art.135. § 1er. L'Institut peut publier sur son site Internet des communications à l'attention du secteur postal.
L'Institut donne un avis motivé au ministre concernant les propositions du prestataire du service universel relatives aux codes postaux, aux boîtes aux lettres et aux envois recommandés et concernant les modifications à la présente loi relatives au secteur postal.
§ 2. Toutes les obligations reprises dans la présente loi et dans toutes les autres lois relatives aux matières visées à l'article 78 de la Constitution et leurs arrêtés d'exécution qui, concernant les envois recommandés, contiennent les mots " à la poste ", " par la poste " ou toute autre référence du même type sont remplies lorsqu'est utilisé un envoi recommandé tel que défini à l'article 131,9° de la présente loi ou un envoi recommandé électronique conformément à la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques, le recommandé électronique et les services de certification.
" Art.135. § 1er. L'Institut peut publier sur son site Internet des communications à l'attention du secteur postal.
L'Institut donne un avis motivé au ministre concernant les propositions du prestataire du service universel relatives aux codes postaux, aux boîtes aux lettres et aux envois recommandés et concernant les modifications à la présente loi relatives au secteur postal.
§ 2. Toutes les obligations reprises dans la présente loi et dans toutes les autres lois relatives aux matières visées à l'article 78 de la Constitution et leurs arrêtés d'exécution qui, concernant les envois recommandés, contiennent les mots " à la poste ", " par la poste " ou toute autre référence du même type sont remplies lorsqu'est utilisé un envoi recommandé tel que défini à l'article 131,9° de la présente loi ou un envoi recommandé électronique conformément à la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques, le recommandé électronique et les services de certification.
Art. 8. Artikel 136 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 17 januari 2003 wordt hersteld als volgt :
" Art. 136. § 1. Teneinde te waken over gelijke mededingingsvoorwaarden in de postsector mag het Instituut de sector raadplegen over mogelijke voorrechten of specifieke rechten die aan de aanbieders van postdiensten werden toegekend.
§ 2. De resultaten van de raadpleging worden gepubliceerd op de website van het Instituut. Bovendien worden deze resultaten weergegeven in een rapport dat samen met de aanbevelingen van het Instituut wordt overgezonden aan de minister bevoegd voor de postsector. "
" Art. 136. § 1. Teneinde te waken over gelijke mededingingsvoorwaarden in de postsector mag het Instituut de sector raadplegen over mogelijke voorrechten of specifieke rechten die aan de aanbieders van postdiensten werden toegekend.
§ 2. De resultaten van de raadpleging worden gepubliceerd op de website van het Instituut. Bovendien worden deze resultaten weergegeven in een rapport dat samen met de aanbevelingen van het Instituut wordt overgezonden aan de minister bevoegd voor de postsector. "
Art. 8. L'article 136 de la même loi, abrogé par la loi du 17 janvier 2003, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art.136. § 1er. Afin d'assurer une équité concurrentielle dans le secteur postal, l'Institut peut consulter le secteur au sujet d'éventuels privilèges ou droits spécifiques octroyés aux prestataires de services postaux.
§ 2. Les résultats de la consultation sont publiés sur le site Internet de l'Institut. En outre, ces résultats sont repris dans un rapport transmis au ministre qui a le secteur postal dans ses attributions, avec les recommandations de l'Institut. "
" Art.136. § 1er. Afin d'assurer une équité concurrentielle dans le secteur postal, l'Institut peut consulter le secteur au sujet d'éventuels privilèges ou droits spécifiques octroyés aux prestataires de services postaux.
§ 2. Les résultats de la consultation sont publiés sur le site Internet de l'Institut. En outre, ces résultats sont repris dans un rapport transmis au ministre qui a le secteur postal dans ses attributions, avec les recommandations de l'Institut. "
Art. 9. In artikel 141, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, gewijzigd bij de wet van 1 april 2007, worden onder A de woorden " al of niet voorbehouden " weggelaten en onder H, de woorden " stukpost - aangetekende zendingen " vervangen door de woorden " tegen enkelstuktarief aangeboden aangetekende zendingen ".
Art. 9. A l'article 141, § 1er, de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, modifié par la loi du 1er avril 2007, sous A, les mots " réservé ou non " sont supprimés et sous H, les mots " envois recommandés égrenés " sont remplacés par les mots " envois recommandés prestés à un tarif unitaire ".
Art. 10. In de artikelen 142, § 4, vervangen bij de wet van 1 april 2007, 144bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en 144septies ingevoegd bij hetzelfde besluit, van dezelfde wet, wordt het woord " leverancier " telkens vervangen door het woord " aanbieder ".
Art. 10. Aux articles 142, § 4, remplacé par la loi du 1er avril 2007, 144bis, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999 et 144septies, inséré par le même arrêté, de la même loi, dans le texte néerlandais, le mot " leverancier " est chaque fois remplacé par le mot " aanbieder ".
Art. 11. In de eerste zin van artikel 144 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 1 april 2007, worden de woorden " volle tarieven " vervangen door de woorden " enkelstukstarieven " en worden de woorden " door de aanbieder van de universele dienst ", ingevoegd na de woorden " Belgisch Staatsblad ".
Art. 11. A la première phrase de l'article 144 de la même loi, remplacé par la loi du 1er avril 2007, les mots " tarifs pleins " sont remplacés par les mots " tarifs unitaires " et les mots " par le prestataire du service universel ", sont insérés après les mots " Moniteur belge ".
Art. 12. In artikel 144ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 oktober 2002, alsook bij de wetten van 27 december 2005 en 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De tarieven voor elk van de diensten die deel uitmaken van de universele dienstverlening door de aanbieder van de universele dienst worden met inachtneming van de volgende beginselen vastgesteld :
1° de prijzen moeten betaalbaar zijn en moeten het mogelijk maken diensten aan te bieden die voor alle gebruikers, ongeacht hun geografische locatie, toegankelijk zijn.
Een geheel van representatieve diensten voor particulieren en voor de zakelijke kleine gebruiker wordt " kleingebruikerpakket " genoemd. Dat pakket, waarvoor de enkelstukstarieven gelden, omvat :
- binnenlandse prioritaire en niet-prioritaire zendingen waarvan het gewicht lager is dan of gelijk aan 2 kg;
- de prioritaire of niet-prioritaire uitgaande grensoverschrijdende post waarvan het gewicht lager is dan of gelijk aan 2 kg;
- de uitgaande binnenlandse en grensoverschrijdende postpakketten tot 10 kg;
- de aangetekende zendingen en de uitgaande binnenlandse en grensoverschrijdende zendingen met aangegeven waarde.
De aanbieder van de universele dienst beperkt zijn jaarlijkse tariefverhogingen voor de producten die tot het kleingebruikerpakket behoren volgens een price cap, procedures en nadere regels inzake tussenkomst van het Instituut, naast diegene waarvan sprake in § 2, die door de Koning, voor 31 december 2011, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn bepaald. De price cap-regeling zoals bepaald in de artikelen 29, 31 en 32 van het koninklijk besluit van 11 januari 2006 tot toepassing van titel IV (Hervorming van de Regie der Posterijen) van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven zal van toepassing zijn en behouden worden in dit besluit.
Voor de brievenpost die deel uitmaakt van de universele dienstverlening, dient de aanbieder van de universele dienstverlening minstens één openbaar verminderd tarief aan te bieden dat afhangt van minimale afgiftehoeveelheden. Deze korting is georiënteerd op de vermeden kosten ten opzichte van de standaarddiensten;
2° de tarieven zijn kostengeoriënteerd;
3° het tarief is identiek over het gehele grondgebied van het Rijk, ongeacht de plaats van ophaling en distributie;
4° de tarieven zijn transparant en niet-discriminerend. Zowel prijzen als voorwaarden worden zonder discriminatie toegepast;
5° wanneer een aanbieder van de universele dienst speciale tarieven toepast, bijvoorbeeld voor diensten voor zakelijke gebruikers, aanbieders van grote partijen post of tussenpersonen die post van verschillende gebruikers samenvoegen, past hij de beginselen van transparantie en non-discriminatie toe ten aanzien van zowel de eigenlijke tarieven als de betreffende voorwaarden. De tarieven en de betreffende voorwaarden worden steeds op dezelfde wijze toegepast zowel tussen derden onderling als tussen derden en aanbieders van de universele dienst die gelijkwaardige diensten aanbieden. Al deze tarieven zijn ook beschikbaar voor de gebruikers, met name de particulieren en de kleine en middelgrote ondernemingen, die onder gelijkwaardige omstandigheden van de postdiensten gebruikmaken;
b) paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. In geval van tariefverhoging van de universele postdiensten voor de producten die behoren tot het kleingebruikerpakket waarvan sprake in § 1, 1° worden alle documenten met betrekking tot de kostprijsberekening voorafgaandelijk aan de wijziging en uiterlijk op 1 september van het jaar n-1 meegedeeld aan het Instituut met het oog op de goedkeuring van de tariefverhoging. Het Instituut gaat na of de tarifaire principes van kostenoriëntatie, uniformiteit, non-discriminatie en transparantie worden nageleefd en ook de betaalbaarheid. Het Instituut gaat de betaalbaarheid na op basis van de naleving van de beginselen uiteengezet in § 1, 1°. Indien één van deze principes niet gerespecteerd wordt, zal het Instituut de voorgestelde tariefverhoging van de aangewezen aanbieder van de universele dienst weigeren. "
c) paragraaf 3 wordt opgeheven;
d) in paragraaf 4 worden de woorden " niet-voorbehouden " opgeheven en worden de woorden " 144ter, § 3 " vervangen door " 144ter, § 1 ".
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De tarieven voor elk van de diensten die deel uitmaken van de universele dienstverlening door de aanbieder van de universele dienst worden met inachtneming van de volgende beginselen vastgesteld :
1° de prijzen moeten betaalbaar zijn en moeten het mogelijk maken diensten aan te bieden die voor alle gebruikers, ongeacht hun geografische locatie, toegankelijk zijn.
Een geheel van representatieve diensten voor particulieren en voor de zakelijke kleine gebruiker wordt " kleingebruikerpakket " genoemd. Dat pakket, waarvoor de enkelstukstarieven gelden, omvat :
- binnenlandse prioritaire en niet-prioritaire zendingen waarvan het gewicht lager is dan of gelijk aan 2 kg;
- de prioritaire of niet-prioritaire uitgaande grensoverschrijdende post waarvan het gewicht lager is dan of gelijk aan 2 kg;
- de uitgaande binnenlandse en grensoverschrijdende postpakketten tot 10 kg;
- de aangetekende zendingen en de uitgaande binnenlandse en grensoverschrijdende zendingen met aangegeven waarde.
De aanbieder van de universele dienst beperkt zijn jaarlijkse tariefverhogingen voor de producten die tot het kleingebruikerpakket behoren volgens een price cap, procedures en nadere regels inzake tussenkomst van het Instituut, naast diegene waarvan sprake in § 2, die door de Koning, voor 31 december 2011, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn bepaald. De price cap-regeling zoals bepaald in de artikelen 29, 31 en 32 van het koninklijk besluit van 11 januari 2006 tot toepassing van titel IV (Hervorming van de Regie der Posterijen) van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven zal van toepassing zijn en behouden worden in dit besluit.
Voor de brievenpost die deel uitmaakt van de universele dienstverlening, dient de aanbieder van de universele dienstverlening minstens één openbaar verminderd tarief aan te bieden dat afhangt van minimale afgiftehoeveelheden. Deze korting is georiënteerd op de vermeden kosten ten opzichte van de standaarddiensten;
2° de tarieven zijn kostengeoriënteerd;
3° het tarief is identiek over het gehele grondgebied van het Rijk, ongeacht de plaats van ophaling en distributie;
4° de tarieven zijn transparant en niet-discriminerend. Zowel prijzen als voorwaarden worden zonder discriminatie toegepast;
5° wanneer een aanbieder van de universele dienst speciale tarieven toepast, bijvoorbeeld voor diensten voor zakelijke gebruikers, aanbieders van grote partijen post of tussenpersonen die post van verschillende gebruikers samenvoegen, past hij de beginselen van transparantie en non-discriminatie toe ten aanzien van zowel de eigenlijke tarieven als de betreffende voorwaarden. De tarieven en de betreffende voorwaarden worden steeds op dezelfde wijze toegepast zowel tussen derden onderling als tussen derden en aanbieders van de universele dienst die gelijkwaardige diensten aanbieden. Al deze tarieven zijn ook beschikbaar voor de gebruikers, met name de particulieren en de kleine en middelgrote ondernemingen, die onder gelijkwaardige omstandigheden van de postdiensten gebruikmaken;
b) paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. In geval van tariefverhoging van de universele postdiensten voor de producten die behoren tot het kleingebruikerpakket waarvan sprake in § 1, 1° worden alle documenten met betrekking tot de kostprijsberekening voorafgaandelijk aan de wijziging en uiterlijk op 1 september van het jaar n-1 meegedeeld aan het Instituut met het oog op de goedkeuring van de tariefverhoging. Het Instituut gaat na of de tarifaire principes van kostenoriëntatie, uniformiteit, non-discriminatie en transparantie worden nageleefd en ook de betaalbaarheid. Het Instituut gaat de betaalbaarheid na op basis van de naleving van de beginselen uiteengezet in § 1, 1°. Indien één van deze principes niet gerespecteerd wordt, zal het Instituut de voorgestelde tariefverhoging van de aangewezen aanbieder van de universele dienst weigeren. "
c) paragraaf 3 wordt opgeheven;
d) in paragraaf 4 worden de woorden " niet-voorbehouden " opgeheven en worden de woorden " 144ter, § 3 " vervangen door " 144ter, § 1 ".
Art. 12. A l'article 144ter, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999 et modifié par l'arrêté royal du 7 octobre 2002, ainsi que par les lois du 27 décembre 2005 et du 6 mai 2009, sont apportées les modifications suivantes :
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les tarifs de chacun des services faisant partie de la prestation du service universel fourni par le prestataire du service universel sont fixés conformément aux principes suivants :
1° les prix sont abordables et doivent être tels que tous les utilisateurs, quel que soit leur lieu géographique, aient accès aux services.
Un ensemble de services représentatifs pour le particulier et pour le petit utilisateur professionnel est appelé " panier des petits utilisateurs ". Ce panier qui est soumis aux tarifs unitaires comprend :
- les envois domestiques prioritaires et non prioritaires dont le poids est inférieur ou égal à 2 kg;
- le courrier transfrontière sortant prioritaire et non prioritaire dont le poids est inférieur ou égal à 2 kg;
- les colis postaux domestiques et transfrontières sortants jusqu'à 10 kg;
- les envois recommandés et les envois à valeur déclarée domestiques et transfrontières sortants.
Le prestataire du service universel limite ses augmentations tarifaires annuelles pour les produits appartenant au panier des petits utilisateurs selon un price cap, des procédures et des modalités d'intervention de l'Institut en sus de celles déjà stipulées au § 2, fixées par le Roi, avant le 31 décembre 2011, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. La réglementation relative au price cap définie aux articles 29, 31 et 32 de l'arrêté royal du 11 janvier 2006 mettant en application le titre IV (Réforme de la Régie des Postes) de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques sera d'application et sera maintenue dans cet arrêté.
Pour les envois de correspondance appartenant au service universel, le prestataire du service universel doit proposer au moins un tarif public réduit qui dépend de conditions de dépôt minimales. Cette réduction est orientée sur les coûts évités par rapport aux services standards;
2° les tarifs sont orientés sur les coûts;
3° le tarif est identique sur toute l'étendue du territoire du Royaume quels que soient les lieux de levée et de distribution;
4° les tarifs doivent être transparents et non discriminatoires. Tant les prix que les conditions sont appliqués sans discrimination;
5° lorsqu'il applique des tarifs spéciaux, par exemple pour les services aux entreprises, aux expéditeurs d'envois en nombre ou aux intermédiaires chargés de grouper les envois de plusieurs utilisateurs, un prestataire du service universel respecte les principes de transparence et de non-discrimination tant en ce qui concerne les tarifs proprement dits que les conditions qui s'y rapportent. Les tarifs s'appliquent, tout comme les conditions y afférentes, de la même manière tant dans les relations entre les tiers que dans les relations entre les tiers et les prestataires du service universel fournissant des services équivalents. Tous ces tarifs sont également à la disposition des utilisateurs, notamment les particuliers et les petites et moyennes entreprises, qui ont recours aux services postaux dans des conditions similaires;
b) le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. En cas d'augmentation des tarifs pour les produits appartenant au panier des petits utilisateurs des services postaux universels mentionnés au § 1er, 1°, tous les documents relatifs au calcul du prix de revient sont communiqués à l'Institut préalablement à la modification et au plus tard au 1er septembre de l'année n-1 en vue de l'approbation de l'augmentation des tarifs. L'Institut examine les principes tarifaires d'orientation sur les coûts, l'uniformité, la non-discrimination, la transparence ainsi que l'abordabilité. L'Institut évalue l'abordabilité sur la base du respect des principes exposés au § 1er, 1°. Si l'un de ces principes n'est pas respecté, l'Institut refusera la hausse tarifaire proposée par le prestataire désigné du service universel. "
c) le paragraphe 3 est abrogé;
d) au paragraphe 4, les mots " non-réservés " sont abrogés et les mots " 144ter, § 3 " sont remplacés par les mots " 144ter, § 1er ".
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les tarifs de chacun des services faisant partie de la prestation du service universel fourni par le prestataire du service universel sont fixés conformément aux principes suivants :
1° les prix sont abordables et doivent être tels que tous les utilisateurs, quel que soit leur lieu géographique, aient accès aux services.
Un ensemble de services représentatifs pour le particulier et pour le petit utilisateur professionnel est appelé " panier des petits utilisateurs ". Ce panier qui est soumis aux tarifs unitaires comprend :
- les envois domestiques prioritaires et non prioritaires dont le poids est inférieur ou égal à 2 kg;
- le courrier transfrontière sortant prioritaire et non prioritaire dont le poids est inférieur ou égal à 2 kg;
- les colis postaux domestiques et transfrontières sortants jusqu'à 10 kg;
- les envois recommandés et les envois à valeur déclarée domestiques et transfrontières sortants.
Le prestataire du service universel limite ses augmentations tarifaires annuelles pour les produits appartenant au panier des petits utilisateurs selon un price cap, des procédures et des modalités d'intervention de l'Institut en sus de celles déjà stipulées au § 2, fixées par le Roi, avant le 31 décembre 2011, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. La réglementation relative au price cap définie aux articles 29, 31 et 32 de l'arrêté royal du 11 janvier 2006 mettant en application le titre IV (Réforme de la Régie des Postes) de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques sera d'application et sera maintenue dans cet arrêté.
Pour les envois de correspondance appartenant au service universel, le prestataire du service universel doit proposer au moins un tarif public réduit qui dépend de conditions de dépôt minimales. Cette réduction est orientée sur les coûts évités par rapport aux services standards;
2° les tarifs sont orientés sur les coûts;
3° le tarif est identique sur toute l'étendue du territoire du Royaume quels que soient les lieux de levée et de distribution;
4° les tarifs doivent être transparents et non discriminatoires. Tant les prix que les conditions sont appliqués sans discrimination;
5° lorsqu'il applique des tarifs spéciaux, par exemple pour les services aux entreprises, aux expéditeurs d'envois en nombre ou aux intermédiaires chargés de grouper les envois de plusieurs utilisateurs, un prestataire du service universel respecte les principes de transparence et de non-discrimination tant en ce qui concerne les tarifs proprement dits que les conditions qui s'y rapportent. Les tarifs s'appliquent, tout comme les conditions y afférentes, de la même manière tant dans les relations entre les tiers que dans les relations entre les tiers et les prestataires du service universel fournissant des services équivalents. Tous ces tarifs sont également à la disposition des utilisateurs, notamment les particuliers et les petites et moyennes entreprises, qui ont recours aux services postaux dans des conditions similaires;
b) le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. En cas d'augmentation des tarifs pour les produits appartenant au panier des petits utilisateurs des services postaux universels mentionnés au § 1er, 1°, tous les documents relatifs au calcul du prix de revient sont communiqués à l'Institut préalablement à la modification et au plus tard au 1er septembre de l'année n-1 en vue de l'approbation de l'augmentation des tarifs. L'Institut examine les principes tarifaires d'orientation sur les coûts, l'uniformité, la non-discrimination, la transparence ainsi que l'abordabilité. L'Institut évalue l'abordabilité sur la base du respect des principes exposés au § 1er, 1°. Si l'un de ces principes n'est pas respecté, l'Institut refusera la hausse tarifaire proposée par le prestataire désigné du service universel. "
c) le paragraphe 3 est abrogé;
d) au paragraphe 4, les mots " non-réservés " sont abrogés et les mots " 144ter, § 3 " sont remplacés par les mots " 144ter, § 1er ".
Art. 13. In artikel 144quater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden tussen de woorden " de " en " universele " de woorden " aanbieder van " gevoegd en wordt het woord " leverancier " vervangen door de woorden " aangewezen aanbieder van de universele dienst ";
2° paragraaf 2 wordt als volgt vervangen : " De ombudsdienst voor de postsector publiceert jaarlijks in zijn jaarverslag het aantal klachten en de wijze waarop deze zijn behandeld. ";
3° in paragraaf 3 worden de woorden " leverancier van de universele dienst " vervangen door de woorden " aanbieder van de universele dienst ";
4° paragraaf 4 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1 worden tussen de woorden " de " en " universele " de woorden " aanbieder van " gevoegd en wordt het woord " leverancier " vervangen door de woorden " aangewezen aanbieder van de universele dienst ";
2° paragraaf 2 wordt als volgt vervangen : " De ombudsdienst voor de postsector publiceert jaarlijks in zijn jaarverslag het aantal klachten en de wijze waarop deze zijn behandeld. ";
3° in paragraaf 3 worden de woorden " leverancier van de universele dienst " vervangen door de woorden " aanbieder van de universele dienst ";
4° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 13. A l'article 144quater, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, les mots " prestataire du " sont insérés entre les mots " le " et " service " et le mot " prestataire " est remplacé par les mots " prestataire désigné du service universel ";
2° le paragraphe 2 est remplacé comme suit : " Le service de médiation pour le secteur postal publie chaque année dans son rapport annuel le nombre de plaintes ainsi que la manière dont celles-ci ont été traitées. ";
3° dans le texte néerlandais, au paragraphe 3, les mots " leverancier van de universele dienst " sont remplacés par les mots " aanbieder van de universele dienst ";
4° le paragraphe 4 est abrogé.
1° au paragraphe 1er, les mots " prestataire du " sont insérés entre les mots " le " et " service " et le mot " prestataire " est remplacé par les mots " prestataire désigné du service universel ";
2° le paragraphe 2 est remplacé comme suit : " Le service de médiation pour le secteur postal publie chaque année dans son rapport annuel le nombre de plaintes ainsi que la manière dont celles-ci ont été traitées. ";
3° dans le texte néerlandais, au paragraphe 3, les mots " leverancier van de universele dienst " sont remplacés par les mots " aanbieder van de universele dienst ";
4° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 14. Artikel 144quinquies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt :
" Art. 144quinquies. De aanbieder van de universele dienst houdt in zijn interne boekhouding afzonderlijke rekeningen bij om een duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen elk van de diensten en producten die onder de universele dienst vallen en diensten en producten die er niet onder vallen.
Deze interne boekhouding steunt op coherent toegepaste en objectief gerechtvaardigde normen van de kostentoerekening en de analytische boekhouding. "
" Art. 144quinquies. De aanbieder van de universele dienst houdt in zijn interne boekhouding afzonderlijke rekeningen bij om een duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen elk van de diensten en producten die onder de universele dienst vallen en diensten en producten die er niet onder vallen.
Deze interne boekhouding steunt op coherent toegepaste en objectief gerechtvaardigde normen van de kostentoerekening en de analytische boekhouding. "
Art. 14. L'article 144quinquies, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 144quinquies. Le prestataire du service universel tient dans sa comptabilité interne des comptes séparés pour établir une nette distinction entre, d'une part, les services et produits qui font partie du service universel et, d'autre part, les services et produits qui n'en font pas partie.
Cette comptabilité interne se fonde sur l'application cohérente des principes d'allocation des coûts et de la comptabilité analytique, qui peuvent être objectivement justifiés. "
" Art. 144quinquies. Le prestataire du service universel tient dans sa comptabilité interne des comptes séparés pour établir une nette distinction entre, d'une part, les services et produits qui font partie du service universel et, d'autre part, les services et produits qui n'en font pas partie.
Cette comptabilité interne se fonde sur l'application cohérente des principes d'allocation des coûts et de la comptabilité analytique, qui peuvent être objectivement justifiés. "
Art. 15. In artikel 144sexies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. In de boekhouding worden de kosten als volgt toegerekend :
a) kosten die direct kunnen worden toegerekend aan een bepaalde dienst of aan een bepaald product, worden aldus toegerekend;
b) gemeenschappelijke kosten, hetzij kosten die niet direct kunnen worden toegerekend aan een bepaalde dienst of aan een bepaald product, worden als volgt toegerekend :
i) indien mogelijk worden gemeenschappelijke kosten toegerekend op basis van een directe analyse van de herkomst van de kosten;
ii) indien een directe analyse niet mogelijk is, worden de gemeenschappelijke kostencategorieën toegerekend op basis van een indirecte koppeling met een andere kostencategorie of groep van kostencategorieën waarvoor een directe toerekening mogelijk is; de indirecte koppeling is gebaseerd op vergelijkbare kostenstructuren;
iii) indien directe noch indirecte kostentoerekening mogelijk is, wordt de kostencategorie toegerekend op basis van een algemene kostenverdeling die wordt berekend op grond van de verhouding tussen, enerzijds, alle uitgaven die direct of indirect aan de universele dienst worden toegerekend en, anderzijds, alle uitgaven die direct of indirect aan de andere diensten worden toegerekend;
iv) gemeenschappelijke kosten die nodig zijn voor het aanbieden van zowel universele diensten als niet-universele diensten, worden dienovereenkomstig toegerekend; voor universele diensten en niet-universele diensten worden dezelfde kostendrijvers gehanteerd. ";
2° een paragraaf 3 wordt toegevoegd, luidende als volgt :
" § 3. Het Instituut verifieert of de boekhoudkundige kostentoewijzingsregels die worden voorgesteld door de aanbieder van de universele dienst overeenstemmen met de principes omschreven in § 1 van dit artikel.
De verdeling van de kosten die in staat stelt de kosten van de universele dienst te berekenen wordt gedaan door de aanbieder van de universele dienst overeenkomstig de principes bedoeld in § 1. "
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. In de boekhouding worden de kosten als volgt toegerekend :
a) kosten die direct kunnen worden toegerekend aan een bepaalde dienst of aan een bepaald product, worden aldus toegerekend;
b) gemeenschappelijke kosten, hetzij kosten die niet direct kunnen worden toegerekend aan een bepaalde dienst of aan een bepaald product, worden als volgt toegerekend :
i) indien mogelijk worden gemeenschappelijke kosten toegerekend op basis van een directe analyse van de herkomst van de kosten;
ii) indien een directe analyse niet mogelijk is, worden de gemeenschappelijke kostencategorieën toegerekend op basis van een indirecte koppeling met een andere kostencategorie of groep van kostencategorieën waarvoor een directe toerekening mogelijk is; de indirecte koppeling is gebaseerd op vergelijkbare kostenstructuren;
iii) indien directe noch indirecte kostentoerekening mogelijk is, wordt de kostencategorie toegerekend op basis van een algemene kostenverdeling die wordt berekend op grond van de verhouding tussen, enerzijds, alle uitgaven die direct of indirect aan de universele dienst worden toegerekend en, anderzijds, alle uitgaven die direct of indirect aan de andere diensten worden toegerekend;
iv) gemeenschappelijke kosten die nodig zijn voor het aanbieden van zowel universele diensten als niet-universele diensten, worden dienovereenkomstig toegerekend; voor universele diensten en niet-universele diensten worden dezelfde kostendrijvers gehanteerd. ";
2° een paragraaf 3 wordt toegevoegd, luidende als volgt :
" § 3. Het Instituut verifieert of de boekhoudkundige kostentoewijzingsregels die worden voorgesteld door de aanbieder van de universele dienst overeenstemmen met de principes omschreven in § 1 van dit artikel.
De verdeling van de kosten die in staat stelt de kosten van de universele dienst te berekenen wordt gedaan door de aanbieder van de universele dienst overeenkomstig de principes bedoeld in § 1. "
Art. 15. A l'article 144sexies, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. La comptabilité répartit les coûts comme suit :
a) les coûts qui peuvent être directement affectés à un service ou un produit particulier le sont;
b) les coûts communs, c'est-à-dire ceux qui ne peuvent pas être directement affectés à un service ou un produit particulier, sont répartis comme suit :
i) chaque fois que cela est possible, les coûts communs sont répartis sur la base d'une analyse directe de l'origine des coûts eux-mêmes;
ii) lorsqu'une analyse directe n'est pas possible, les catégories de coûts communs sont affectées sur la base d'un rapport indirect à une autre catégorie de coûts ou à un autre groupe de catégories de coûts pour lesquels une affectation ou imputation directe est possible; le rapport indirect est fondé sur des structures de coût comparables;
iii) lorsqu'il n'y a pas moyen de procéder à une imputation directe ou indirecte, la catégorie de coûts est imputée sur la base d'un facteur de répartition général calculé en établissant le rapport entre, d'une part, toutes les dépenses directement ou indirectement affectées ou imputées à chacun des services universels et, d'autre part, toutes les dépenses directement ou indirectement affectées ou imputées aux autres services;
iv) les coûts communs nécessaires pour assurer à la fois les services universels et non universels sont imputés de la manière qu'il convient; les mêmes facteurs de coût sont appliqués aux services tant universels que non universels. ";
2° un paragraphe 3 rédigé comme suit est ajouté :
" § 3. L'Institut vérifie si les modalités comptables d'affectation des coûts qui sont proposées par le prestataire du service universel correspondent avec les principes décrits au § 1er de cet article.
La répartition des coûts permettant de calculer le coût du service universel est faite par le prestataire du service universel conformément aux principes visés au § 1er. "
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. La comptabilité répartit les coûts comme suit :
a) les coûts qui peuvent être directement affectés à un service ou un produit particulier le sont;
b) les coûts communs, c'est-à-dire ceux qui ne peuvent pas être directement affectés à un service ou un produit particulier, sont répartis comme suit :
i) chaque fois que cela est possible, les coûts communs sont répartis sur la base d'une analyse directe de l'origine des coûts eux-mêmes;
ii) lorsqu'une analyse directe n'est pas possible, les catégories de coûts communs sont affectées sur la base d'un rapport indirect à une autre catégorie de coûts ou à un autre groupe de catégories de coûts pour lesquels une affectation ou imputation directe est possible; le rapport indirect est fondé sur des structures de coût comparables;
iii) lorsqu'il n'y a pas moyen de procéder à une imputation directe ou indirecte, la catégorie de coûts est imputée sur la base d'un facteur de répartition général calculé en établissant le rapport entre, d'une part, toutes les dépenses directement ou indirectement affectées ou imputées à chacun des services universels et, d'autre part, toutes les dépenses directement ou indirectement affectées ou imputées aux autres services;
iv) les coûts communs nécessaires pour assurer à la fois les services universels et non universels sont imputés de la manière qu'il convient; les mêmes facteurs de coût sont appliqués aux services tant universels que non universels. ";
2° un paragraphe 3 rédigé comme suit est ajouté :
" § 3. L'Institut vérifie si les modalités comptables d'affectation des coûts qui sont proposées par le prestataire du service universel correspondent avec les principes décrits au § 1er de cet article.
La répartition des coûts permettant de calculer le coût du service universel est faite par le prestataire du service universel conformément aux principes visés au § 1er. "
Art. 16. Het opschrift van hoofdstuk Vter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt gewijzigd als volgt :
" Hoofdstuk Vter. Aanwijzing van de aanbieder van de universele dienst ".
" Hoofdstuk Vter. Aanwijzing van de aanbieder van de universele dienst ".
Art. 16. L'intitulé du chapitre Vter, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre Vter. La désignation du prestataire du service universel ".
" Chapitre Vter. La désignation du prestataire du service universel ".
Art. 17. Artikel 144octies van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 en het koninklijk besluit van 7 oktober 2002, wordt vervangen als volgt :
" Art. 144octies. § 1. De Post verleent de universele dienst zoals omschreven in artikel 142 van deze wet tot 31 december 2018.
§ 2. Na afloop van de in § 1 vermelde termijn worden één of meer aanbieders van de universele dienst aangewezen voor een periode van tien jaar.
Een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van het Instituut, bepaalt de eventuele opsplitsing van de universele dienst in verschillende elementen, de aanwijzingscriteria, en kan de duur van de aanwijzing wijzigen. Voor de aanwijzing wordt een beroep gedaan op een open mechanisme waarvan de nadere regels door het voormelde besluit worden vastgesteld.
De aanwijzingsprocedure wordt uiterlijk drie jaar voorafgaand aan de beëindiging van de voorgaande aanwijzing voltooid. "
" Art. 144octies. § 1. De Post verleent de universele dienst zoals omschreven in artikel 142 van deze wet tot 31 december 2018.
§ 2. Na afloop van de in § 1 vermelde termijn worden één of meer aanbieders van de universele dienst aangewezen voor een periode van tien jaar.
Een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van het Instituut, bepaalt de eventuele opsplitsing van de universele dienst in verschillende elementen, de aanwijzingscriteria, en kan de duur van de aanwijzing wijzigen. Voor de aanwijzing wordt een beroep gedaan op een open mechanisme waarvan de nadere regels door het voormelde besluit worden vastgesteld.
De aanwijzingsprocedure wordt uiterlijk drie jaar voorafgaand aan de beëindiging van de voorgaande aanwijzing voltooid. "
Art. 17. L'article 144octies de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999 et modifié par l'arrêté royal du 2 août 2002 et l'arrêté royal du 7 octobre 2002, est remplacé par la disposition suivante :
" Art.144octies. § 1er. La Poste preste le service universel comme décrit à l'article 142 de la présente loi jusqu'au 31 décembre 2018.
§ 2. A l'expiration du délai indiqué au § 1er, un ou plusieurs prestataires du service universel sont désignés pour une période de dix ans.
Un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, sur proposition de l'Institut, détermine la scission éventuelle du service universel en plusieurs segments, les critères de désignation et peut modifier la durée de la désignation. Pour la désignation, il est recouru à un mécanisme ouvert dont les modalités sont fixées par l'arrêté précité.
La procédure de désignation s'achève au plus tard trois ans avant la fin de la désignation précédente. "
" Art.144octies. § 1er. La Poste preste le service universel comme décrit à l'article 142 de la présente loi jusqu'au 31 décembre 2018.
§ 2. A l'expiration du délai indiqué au § 1er, un ou plusieurs prestataires du service universel sont désignés pour une période de dix ans.
Un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, sur proposition de l'Institut, détermine la scission éventuelle du service universel en plusieurs segments, les critères de désignation et peut modifier la durée de la désignation. Pour la désignation, il est recouru à un mécanisme ouvert dont les modalités sont fixées par l'arrêté précité.
La procédure de désignation s'achève au plus tard trois ans avant la fin de la désignation précédente. "
Art. 18. In dezelfde wet wordt het opschrift van hoofdstuk Vquater van Titel IV vervangen als volgt :
" Compensatie voor de universele dienst ".
" Compensatie voor de universele dienst ".
Art. 18. Dans la même loi, l'intitulé du chapitre Vquater du Titre IV est remplacé par ce qui suit :
" Compensation pour le service universel ".
" Compensation pour le service universel ".
Art. 19. Artikel 144novies van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en vervangen bij de wet van 3 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
" Art. 144novies. De eventuele onredelijke last voortvloeiende uit de universeledienstverplichtingen en berekend overeenkomstig artikel 144undecies wordt vergoed ten laste van de Rijksbegroting.
Daartoe dient de aanbieder van de universele dienst het jaar volgend op het jaar waarvoor de betrokken dienst gepresteerd werd een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot staatstussenkomst in bij de minister bevoegd voor de postsector waarin hij meer bepaald op grond van boekhoudkundige gegevens aantoont dat de verplichtingen van de universele dienst een onredelijke last voor hem uitmaken.
Een kopie van het verzoek om staatstussenkomst wordt door de aanbieder van de universele dienst overgezonden naar het Instituut voor de controle overeenkomstig artikel 144undecies. Het Instituut brengt twee maanden volgend op de ontvangst van de kopie van het naar behoren gemotiveerde verzoek om tussenkomst advies uit aan de minister bevoegd voor de postsector.
De Koning bepaalt vóór 31 december 2011, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de concrete regels voor de betaling. "
" Art. 144novies. De eventuele onredelijke last voortvloeiende uit de universeledienstverplichtingen en berekend overeenkomstig artikel 144undecies wordt vergoed ten laste van de Rijksbegroting.
Daartoe dient de aanbieder van de universele dienst het jaar volgend op het jaar waarvoor de betrokken dienst gepresteerd werd een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot staatstussenkomst in bij de minister bevoegd voor de postsector waarin hij meer bepaald op grond van boekhoudkundige gegevens aantoont dat de verplichtingen van de universele dienst een onredelijke last voor hem uitmaken.
Een kopie van het verzoek om staatstussenkomst wordt door de aanbieder van de universele dienst overgezonden naar het Instituut voor de controle overeenkomstig artikel 144undecies. Het Instituut brengt twee maanden volgend op de ontvangst van de kopie van het naar behoren gemotiveerde verzoek om tussenkomst advies uit aan de minister bevoegd voor de postsector.
De Koning bepaalt vóór 31 december 2011, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de concrete regels voor de betaling. "
Art. 19. L'article 144novies de la même loi, inséré par la l'arrêté royal du 9 juin 1999 et remplacé par la loi du 3 juillet 2000, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 144novies. La charge inéquitable éventuelle découlant des obligations de service universel et calculée conformément à l'article 144undecies est compensée à charge du budget de l'Etat.
A cette fin, le prestataire du service universel introduit l'année qui suit l'année pour laquelle le service en question a été presté une demande écrite motivée d'intervention de l'Etat auprès du ministre qui a le secteur postal dans ses attributions dans laquelle il démontre plus précisément sur la base de données comptables que les obligations de service universel constituent une charge inéquitable pour lui.
Une copie de la demande d'intervention de l'Etat est transmise par le prestataire du service universel à l'Institut pour contrôle conformément à l'article 144undecies . L'Institut remet son avis au ministre qui a le secteur postal dans ses attributions dans les deux mois qui suivent la réception de la copie de la demande d'intervention dûment motivée.
Le Roi détermine, avant le 31 décembre 2011, dans un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités concrètes de paiement. "
" Art. 144novies. La charge inéquitable éventuelle découlant des obligations de service universel et calculée conformément à l'article 144undecies est compensée à charge du budget de l'Etat.
A cette fin, le prestataire du service universel introduit l'année qui suit l'année pour laquelle le service en question a été presté une demande écrite motivée d'intervention de l'Etat auprès du ministre qui a le secteur postal dans ses attributions dans laquelle il démontre plus précisément sur la base de données comptables que les obligations de service universel constituent une charge inéquitable pour lui.
Une copie de la demande d'intervention de l'Etat est transmise par le prestataire du service universel à l'Institut pour contrôle conformément à l'article 144undecies . L'Institut remet son avis au ministre qui a le secteur postal dans ses attributions dans les deux mois qui suivent la réception de la copie de la demande d'intervention dûment motivée.
Le Roi détermine, avant le 31 décembre 2011, dans un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités concrètes de paiement. "
Art. 20. Artikel 144decies van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, vervangen bij de wet van 3 juli 2000 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wetten van 2 augustus 2000, 22 december 2003 en 27 december 2005, wordt opgeheven.
Art. 20. L'article 144decies de la même loi, inséré par la loi du 3 juillet 2000 et modifié par l'arrêté royal du 20 juillet 2000 ainsi que par les lois du 2 août 2000, 22 décembre 2003 et 27 décembre 2005, est abrogé.
Art. 21. Artikel 144undecies, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2000 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, wordt vervangen als volgt :
" Art. 144undecies. § 1. Het Instituut verifieert jaarlijks of de berekening van de nettokosten van de universeledienstverplichtingen van de aanbieder van de universele dienst overeenkomt met de methode bepaald in dit artikel. Voor het verifiëren van de nettokosten werkt de aangewezen universeledienstverlener samen met het Instituut.
De nettokosten van de universeledienstverplichtingen zijn alle kosten in verband met en noodzakelijk voor het aanbieden van de universele dienst overeenkomstig de artikelen 142 tot en met 144quater van deze wet. De nettokosten van de universeledienstverplichtingen zijn te berekenen als het verschil in de nettokosten van een aangewezen aanbieder van de universele dienst die zich wel aan de universeledienstverplichtingen moet houden en de nettokosten die diezelfde aanbieder draagt wanneer die zich niet aan de universeledienstverplichtingen moet houden.
Bij de berekening dient met alle overige relevante elementen rekening te worden gehouden, zoals de eventuele immateriële en marktvoordelen die een als aanbieder van de universele dienst aangewezen aanbieder van postdiensten heeft genoten, het recht op een redelijke winst en maatregelen ter bevordering van de kostenefficiëntie.
De berekening wordt gebaseerd op de kosten die toe te schrijven zijn aan :
- elementen van de diensten die slechts met verlies kunnen worden aangeboden of onder voorwaarden die buiten de normale commerciële standaarden vallen;
- specifieke gebruikers of groepen van gebruikers die, rekening houdend met de kosten van het aanbieden van de gespecificeerde dienst, het gegenereerde inkomen en uniforme prijzen, slechts met verlies kunnen worden bediend of onder voorwaarden die buiten de normale commerciële standaarden vallen.
Deze categorie omvat die gebruikers of groepen van gebruikers die zonder de verplichting tot het aanbieden van de universele dienst niet zouden worden bediend door een commerciële exploitant.
De nettokosten van specifieke aspecten van universeledienstverplichtingen worden afzonderlijk berekend teneinde dubbeltelling van bepaalde directe of indirecte voordelen en kosten te vermijden. De totale nettokosten van universeledienstverplichtingen voor een aangewezen aanbieder van de universele dienst zijn te berekenen als de som van de nettokosten die uit de specifieke componenten van universeledienstverplichtingen voortvloeien, rekening houdend met alle immateriële voordelen.
De Koning bepaalt vóór 31 december 2011, op advies van het Instituut, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de methode voor de berekening van de nettokosten van de universele dienstverplichtingen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire principes.
§ 2.De nettokosten houden een onredelijke last in voor de aanbieder van de universele dienst ingeval deze drie procent overschrijdt van de omzet die de aanbieder van de universele dienst realiseert in het segment van de universele dienst. "
" Art. 144undecies. § 1. Het Instituut verifieert jaarlijks of de berekening van de nettokosten van de universeledienstverplichtingen van de aanbieder van de universele dienst overeenkomt met de methode bepaald in dit artikel. Voor het verifiëren van de nettokosten werkt de aangewezen universeledienstverlener samen met het Instituut.
De nettokosten van de universeledienstverplichtingen zijn alle kosten in verband met en noodzakelijk voor het aanbieden van de universele dienst overeenkomstig de artikelen 142 tot en met 144quater van deze wet. De nettokosten van de universeledienstverplichtingen zijn te berekenen als het verschil in de nettokosten van een aangewezen aanbieder van de universele dienst die zich wel aan de universeledienstverplichtingen moet houden en de nettokosten die diezelfde aanbieder draagt wanneer die zich niet aan de universeledienstverplichtingen moet houden.
Bij de berekening dient met alle overige relevante elementen rekening te worden gehouden, zoals de eventuele immateriële en marktvoordelen die een als aanbieder van de universele dienst aangewezen aanbieder van postdiensten heeft genoten, het recht op een redelijke winst en maatregelen ter bevordering van de kostenefficiëntie.
De berekening wordt gebaseerd op de kosten die toe te schrijven zijn aan :
- elementen van de diensten die slechts met verlies kunnen worden aangeboden of onder voorwaarden die buiten de normale commerciële standaarden vallen;
- specifieke gebruikers of groepen van gebruikers die, rekening houdend met de kosten van het aanbieden van de gespecificeerde dienst, het gegenereerde inkomen en uniforme prijzen, slechts met verlies kunnen worden bediend of onder voorwaarden die buiten de normale commerciële standaarden vallen.
Deze categorie omvat die gebruikers of groepen van gebruikers die zonder de verplichting tot het aanbieden van de universele dienst niet zouden worden bediend door een commerciële exploitant.
De nettokosten van specifieke aspecten van universeledienstverplichtingen worden afzonderlijk berekend teneinde dubbeltelling van bepaalde directe of indirecte voordelen en kosten te vermijden. De totale nettokosten van universeledienstverplichtingen voor een aangewezen aanbieder van de universele dienst zijn te berekenen als de som van de nettokosten die uit de specifieke componenten van universeledienstverplichtingen voortvloeien, rekening houdend met alle immateriële voordelen.
De Koning bepaalt vóór 31 december 2011, op advies van het Instituut, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de methode voor de berekening van de nettokosten van de universele dienstverplichtingen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire principes.
§ 2.De nettokosten houden een onredelijke last in voor de aanbieder van de universele dienst ingeval deze drie procent overschrijdt van de omzet die de aanbieder van de universele dienst realiseert in het segment van de universele dienst. "
Art. 21. L'article 144undecies , inséré par la loi du 3 juillet 2000 et modifié par la loi du 27 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 144undecies . § 1er. L'Institut vérifie chaque année si le calcul du coût net des obligations de service universel du prestataire du service universel est conforme à la méthode prévue dans le présent article. Le prestataire du service universel désigné coopère avec l'Institut pour lui permettre de vérifier le coût net.
Le coût net des obligations de service universel correspond à tout coût lié et nécessaire à la gestion de la fourniture du service universel conformément aux articles 142 à 144quater de la présente loi. Le coût net des obligations de service universel correspond à la différence entre le coût net supporté par un prestataire de service universel désigné lorsqu'il est soumis aux obligations de service universel et celui qui est supporté par le même prestataire de services postaux lorsqu'il n'est pas soumis à ces obligations.
Le calcul tient compte de tous les autres éléments pertinents, y compris les bénéfices immatériels et les avantages commerciaux dont a bénéficié le prestataire de services postaux désigné pour prester le service universel, le droit de réaliser un bénéfice raisonnable ainsi que les mesures d'incitation à l'efficacité économique.
Le calcul se fonde sur les coûts imputables aux postes suivants :
- éléments de services ne pouvant être fournis qu'à perte ou à des coûts s'écartant des conditions normales d'exploitation commerciale;
- utilisateurs ou groupes d'utilisateurs particuliers qui, compte tenu du coût de la fourniture du service mentionné, des recettes obtenues et de l'uniformisation des prix, ne peuvent être servis qu'à perte ou à des coûts s'écartant des conditions commerciales normales.
Cette catégorie comprend les utilisateurs ou les groupes d'utilisateurs auxquels un opérateur commercial ne fournirait pas de services s'il n'avait pas une obligation de service universel.
Le calcul du coût net de certains aspects spécifiques des obligations de service universel est effectué séparément de manière à éviter de compter deux fois les bénéfices directs ou indirects et les coûts. Le coût net global des obligations de service universel pour un prestataire du service universel désigné correspond à la somme des coûts nets associés à chaque composante de ces obligations, compte tenu de tout bénéfice immatériel.
Sur avis de l'Institut, le Roi détermine, avant le 31 décembre 2011, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et conformément aux principes légaux et réglementaires, la méthode de calcul du coût net des obligations de service universel.
§ 2. Le coût net implique une charge inéquitable pour le prestataire du service universel s'il dépasse trois pour cent du chiffre d'affaires que le prestataire du service universel réalise dans le segment du service universel. "
" Art. 144undecies . § 1er. L'Institut vérifie chaque année si le calcul du coût net des obligations de service universel du prestataire du service universel est conforme à la méthode prévue dans le présent article. Le prestataire du service universel désigné coopère avec l'Institut pour lui permettre de vérifier le coût net.
Le coût net des obligations de service universel correspond à tout coût lié et nécessaire à la gestion de la fourniture du service universel conformément aux articles 142 à 144quater de la présente loi. Le coût net des obligations de service universel correspond à la différence entre le coût net supporté par un prestataire de service universel désigné lorsqu'il est soumis aux obligations de service universel et celui qui est supporté par le même prestataire de services postaux lorsqu'il n'est pas soumis à ces obligations.
Le calcul tient compte de tous les autres éléments pertinents, y compris les bénéfices immatériels et les avantages commerciaux dont a bénéficié le prestataire de services postaux désigné pour prester le service universel, le droit de réaliser un bénéfice raisonnable ainsi que les mesures d'incitation à l'efficacité économique.
Le calcul se fonde sur les coûts imputables aux postes suivants :
- éléments de services ne pouvant être fournis qu'à perte ou à des coûts s'écartant des conditions normales d'exploitation commerciale;
- utilisateurs ou groupes d'utilisateurs particuliers qui, compte tenu du coût de la fourniture du service mentionné, des recettes obtenues et de l'uniformisation des prix, ne peuvent être servis qu'à perte ou à des coûts s'écartant des conditions commerciales normales.
Cette catégorie comprend les utilisateurs ou les groupes d'utilisateurs auxquels un opérateur commercial ne fournirait pas de services s'il n'avait pas une obligation de service universel.
Le calcul du coût net de certains aspects spécifiques des obligations de service universel est effectué séparément de manière à éviter de compter deux fois les bénéfices directs ou indirects et les coûts. Le coût net global des obligations de service universel pour un prestataire du service universel désigné correspond à la somme des coûts nets associés à chaque composante de ces obligations, compte tenu de tout bénéfice immatériel.
Sur avis de l'Institut, le Roi détermine, avant le 31 décembre 2011, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et conformément aux principes légaux et réglementaires, la méthode de calcul du coût net des obligations de service universel.
§ 2. Le coût net implique une charge inéquitable pour le prestataire du service universel s'il dépasse trois pour cent du chiffre d'affaires que le prestataire du service universel réalise dans le segment du service universel. "
Art. 22. In artikel 144duodecies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en gewijzigd bij de wet van 17 januari 2003, de wet van 22 december 2003 en de wet van 1 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 worden de woorden " en/of de aanbieder van postdiensten schrappen van de lijst waarvan sprake in artikel 148ter " weggelaten en worden de woorden " artikel 21, § 2 " vervangen door de woorden " artikel 21 ";
2° de paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.
1° in paragraaf 2 worden de woorden " en/of de aanbieder van postdiensten schrappen van de lijst waarvan sprake in artikel 148ter " weggelaten en worden de woorden " artikel 21, § 2 " vervangen door de woorden " artikel 21 ";
2° de paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.
Art. 22. Dans l'article 144duodecies, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999 et modifié par la loi du 17 janvier 2003, la loi du 22 décembre 2003 et la loi du 1er avril 2007, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 2 les mots " et/ou rayer le prestataire de services postaux de la liste prévue à l'article 148ter " sont abrogés et les mots " article 21, § 2 " sont remplacés par les mots " article 21 ";
2° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
1° au paragraphe 2 les mots " et/ou rayer le prestataire de services postaux de la liste prévue à l'article 148ter " sont abrogés et les mots " article 21, § 2 " sont remplacés par les mots " article 21 ";
2° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
Art. 23. In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel IV, Hoofdstuk VIIbis, Afdeling I, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, vervangen door het volgende opschrift :
" Bepalingen met betrekking tot het verstrekken van postdiensten ".
" Bepalingen met betrekking tot het verstrekken van postdiensten ".
Art. 23. Dans la même loi, l'intitulé du Titre IV, Chapitre VIIbis, Section Ire, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par l'intitulé suivant :
" Dispositions concernant la prestation de services postaux. "
" Dispositions concernant la prestation de services postaux. "
Art. 24. Artikel 148bis van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000 en de wet van 21 december 2006, wordt vervangen als volgt :
" Art. 148bis. § 1. De aanbieders van postdiensten verbinden zich ertoe het volgende na te leven en te doen naleven door de onderaannemers en, in voorkomend geval, door elke persoon die hen personeel ter beschikking stelt :
- de essentiële eisen : de Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor 31 december 2011, de voorwaarden die de aanbieders van postdiensten dienen te respecteren voor de distributie en de behandeling van aangetekende postzendingen, van postzendingen met aangegeven waarde, en voor de behandeling van onbestelbare postzendingen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden bepalen die de aanbieders van postdiensten dienen na te leven met het oog op het respecteren van het vertrouwelijk karakter van de brievenpost, de bescherming van gegevens, de bescherming van het milieu en de ruimtelijke ordening. de veiligheid van het netwerk op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de naleving van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en regelingen voor sociale zekerheid die in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgelegd en/of via collectieve onderhandelingen tussen sociale partners zijn totstandgekomen;
- het verbod om met kennis van zaken zendingen te vervoeren of te bestellen die aan de buitenkant vermeldingen dragen die duidelijk in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde.
§ 2. De aanbieders van postdiensten verbinden zich ertoe het volgende na te leven :
- de verplichting een transparante, eenvoudige en goedkope interne procedure in te stellen voor een billijke en snelle behandeling van klachten van gebruikers die betrekking hebben op het verlies, de diefstal, de beschadiging of de niet-naleving van de kwaliteitsnormen met inbegrip van een procedure voor het bepalen van hun verantwoordelijkheid in gevallen waarbij meer dan één exploitant betrokken is;
- de verplichting op hun website en op alle commerciële contracten de gebruikers van postdiensten op de hoogte te brengen van de beroepsmogelijkheid bij de ombudsdienst voor de postsector;
- de verplichting alle personeelsleden en in het bijzonder de personeelsleden van de commerciële diensten, klantenrelaties en informatiediensten, over beroepsmogelijkheden van de gebruikers bij de ombudsdienst te informeren en daarbij de meest aangewezen communicatiemiddelen gebruiken. Op verzoek van de gebruiker de coördinaten van de ombudsdienst voor de postsector te geven;
- de verplichting om de personen belast met de verdeling van de geadresseerde postzendingen identificeerbaar te maken voor de bevolking en om ervoor te zorgen dat de postzendingen, met uitzondering van de kranten, een herkenningsteken dragen aan de hand waarvan de aanbieder van de dienst die deze zending heeft behandeld, kan worden bepaald;
§ 3. Er wordt bij de aanbieder van postdiensten een persoon aangewezen die naar behoren bevoegd wordt verklaard om de aanbieder van postdiensten te vertegenwoordigen in zijn betrekkingen met de ombudsdienst voor de postsector. ";
§ 4. Het Instituut controleert de naleving van de verplichtingen vermeld in dit artikel door de aanbieders van postdiensten en publiceert een jaarverslag over de controle en resultaten ervan. "
" Art. 148bis. § 1. De aanbieders van postdiensten verbinden zich ertoe het volgende na te leven en te doen naleven door de onderaannemers en, in voorkomend geval, door elke persoon die hen personeel ter beschikking stelt :
- de essentiële eisen : de Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor 31 december 2011, de voorwaarden die de aanbieders van postdiensten dienen te respecteren voor de distributie en de behandeling van aangetekende postzendingen, van postzendingen met aangegeven waarde, en voor de behandeling van onbestelbare postzendingen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden bepalen die de aanbieders van postdiensten dienen na te leven met het oog op het respecteren van het vertrouwelijk karakter van de brievenpost, de bescherming van gegevens, de bescherming van het milieu en de ruimtelijke ordening. de veiligheid van het netwerk op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de naleving van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en regelingen voor sociale zekerheid die in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgelegd en/of via collectieve onderhandelingen tussen sociale partners zijn totstandgekomen;
- het verbod om met kennis van zaken zendingen te vervoeren of te bestellen die aan de buitenkant vermeldingen dragen die duidelijk in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde.
§ 2. De aanbieders van postdiensten verbinden zich ertoe het volgende na te leven :
- de verplichting een transparante, eenvoudige en goedkope interne procedure in te stellen voor een billijke en snelle behandeling van klachten van gebruikers die betrekking hebben op het verlies, de diefstal, de beschadiging of de niet-naleving van de kwaliteitsnormen met inbegrip van een procedure voor het bepalen van hun verantwoordelijkheid in gevallen waarbij meer dan één exploitant betrokken is;
- de verplichting op hun website en op alle commerciële contracten de gebruikers van postdiensten op de hoogte te brengen van de beroepsmogelijkheid bij de ombudsdienst voor de postsector;
- de verplichting alle personeelsleden en in het bijzonder de personeelsleden van de commerciële diensten, klantenrelaties en informatiediensten, over beroepsmogelijkheden van de gebruikers bij de ombudsdienst te informeren en daarbij de meest aangewezen communicatiemiddelen gebruiken. Op verzoek van de gebruiker de coördinaten van de ombudsdienst voor de postsector te geven;
- de verplichting om de personen belast met de verdeling van de geadresseerde postzendingen identificeerbaar te maken voor de bevolking en om ervoor te zorgen dat de postzendingen, met uitzondering van de kranten, een herkenningsteken dragen aan de hand waarvan de aanbieder van de dienst die deze zending heeft behandeld, kan worden bepaald;
§ 3. Er wordt bij de aanbieder van postdiensten een persoon aangewezen die naar behoren bevoegd wordt verklaard om de aanbieder van postdiensten te vertegenwoordigen in zijn betrekkingen met de ombudsdienst voor de postsector. ";
§ 4. Het Instituut controleert de naleving van de verplichtingen vermeld in dit artikel door de aanbieders van postdiensten en publiceert een jaarverslag over de controle en resultaten ervan. "
Art. 24. L'article 148bis de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999 et modifié par la loi du 12 août 2000 et la loi du 21 décembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 148bis. § 1er. Les prestataires de services postaux s'engagent à respecter et à faire respecter ce qui suit par les sous-traitants et, le cas échéant, par toute personne leur procurant du personnel :
- les exigences essentielles : le Roi détermine, dans un arrête délibéré en Conseil des Ministres, avant le 31 décembre 2011, les conditions que les prestataires de services postaux doivent respecter pour la distribution et le traitement des envois postaux recommandés, des envois postaux à valeur déclarée, et pour le traitement des envois non-distribuables.
Le Roi peut, dans un arrête délibéré en Conseil des Ministres, déterminer les conditions que les prestataires de services postaux doivent respecter pour la confidentialité de la correspondance, la protection des données, la protection de l'environnement et l'aménagement du territoire, la sécurité du réseau en ce qui concerne le transport de matières dangereuses, le respect des conditions de travail et des régimes de sécurité sociale prévus par des dispositions législatives, réglementaires ou administratives et/ou par les conventions collectives négociées entre partenaires sociaux;
- l'interdiction de transporter et de distribuer en connaissance de cause des envois qui porteraient extérieurement des inscriptions manifestement contraires aux bonnes moeurs ou à l'ordre public.
§ 2. Les prestataires de services postaux s'engagent à respecter :
- l'obligation de mettre en place au niveau interne une procédure transparente, simple et peu onéreuse pour le traitement équitable et rapide des réclamations des utilisateurs concernant la perte, le vol, la détérioration ou le non-respect des normes de qualité, y compris une procédure d'établissement de leurs responsabilités dans les cas où plusieurs opérateurs sont concernés;
- l'obligation d'informer les utilisateurs des services postaux sur leur site Internet et sur tous leurs contrats commerciaux de la possibilité de recours auprès du service de médiation pour le secteur postal;
- l'obligation d'informer tous les membres du personnel et en particulier les membres du personnel des services commerciaux, relations clients et services d'information, des voies de recours des utilisateurs auprès du service de médiation et d'utiliser à cet effet les moyens de communication les plus appropriés. De fournir, à la demande de l'utilisateur, les coordonnées du service de médiation;
- l'obligation de rendre identifiable par la population les personnes chargées de la distribution des envois postaux adressés et de veiller à ce qu'à l'exception des journaux, les envois postaux soient revêtus d'un signe distinctif permettant de déterminer le prestataire de service ayant traité l'envoi;
§ 3. Une personne dûment habilitée à représenter le prestataire de services postaux dans ses relations avec le service de médiation pour le secteur postal est désignée auprès du prestataire de services postaux. ";
§ 4. L'Institut contrôle l'application par les prestataires de services postaux des obligations contenues dans le présent article et publie un rapport annuel du contrôle et des résultats. "
" Art. 148bis. § 1er. Les prestataires de services postaux s'engagent à respecter et à faire respecter ce qui suit par les sous-traitants et, le cas échéant, par toute personne leur procurant du personnel :
- les exigences essentielles : le Roi détermine, dans un arrête délibéré en Conseil des Ministres, avant le 31 décembre 2011, les conditions que les prestataires de services postaux doivent respecter pour la distribution et le traitement des envois postaux recommandés, des envois postaux à valeur déclarée, et pour le traitement des envois non-distribuables.
Le Roi peut, dans un arrête délibéré en Conseil des Ministres, déterminer les conditions que les prestataires de services postaux doivent respecter pour la confidentialité de la correspondance, la protection des données, la protection de l'environnement et l'aménagement du territoire, la sécurité du réseau en ce qui concerne le transport de matières dangereuses, le respect des conditions de travail et des régimes de sécurité sociale prévus par des dispositions législatives, réglementaires ou administratives et/ou par les conventions collectives négociées entre partenaires sociaux;
- l'interdiction de transporter et de distribuer en connaissance de cause des envois qui porteraient extérieurement des inscriptions manifestement contraires aux bonnes moeurs ou à l'ordre public.
§ 2. Les prestataires de services postaux s'engagent à respecter :
- l'obligation de mettre en place au niveau interne une procédure transparente, simple et peu onéreuse pour le traitement équitable et rapide des réclamations des utilisateurs concernant la perte, le vol, la détérioration ou le non-respect des normes de qualité, y compris une procédure d'établissement de leurs responsabilités dans les cas où plusieurs opérateurs sont concernés;
- l'obligation d'informer les utilisateurs des services postaux sur leur site Internet et sur tous leurs contrats commerciaux de la possibilité de recours auprès du service de médiation pour le secteur postal;
- l'obligation d'informer tous les membres du personnel et en particulier les membres du personnel des services commerciaux, relations clients et services d'information, des voies de recours des utilisateurs auprès du service de médiation et d'utiliser à cet effet les moyens de communication les plus appropriés. De fournir, à la demande de l'utilisateur, les coordonnées du service de médiation;
- l'obligation de rendre identifiable par la population les personnes chargées de la distribution des envois postaux adressés et de veiller à ce qu'à l'exception des journaux, les envois postaux soient revêtus d'un signe distinctif permettant de déterminer le prestataire de service ayant traité l'envoi;
§ 3. Une personne dûment habilitée à représenter le prestataire de services postaux dans ses relations avec le service de médiation pour le secteur postal est désignée auprès du prestataire de services postaux. ";
§ 4. L'Institut contrôle l'application par les prestataires de services postaux des obligations contenues dans le présent article et publie un rapport annuel du contrôle et des résultats. "
Art. 25. § 1. Artikel 148ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt :
" § 1. Wanneer zulks noodzakelijk is om de belangen van de gebruikers te beschermen en/of daadwerkelijke mededinging aan te moedigen, verschaffen aanbieders van postdiensten elkaar op transparante en niet-discriminerende wijze wederzijds toegang tot de diensten die binnen de werkingssfeer van de universele dienst vallen en de onderdelen van de postinfrastructuur die noodzakelijk zijn om postale activiteiten te ontwikkelen, onverminderd de toepassing van artikel 144ter, § 1, 5°.
§ 2. De technische en tarifaire regels voor de toegang tot deze elementen van postinfrastructuur of tot de diensten die binnen de werkingssfeer van de universele dienst vallen worden vastgelegd in een overeenkomst afgesloten tussen de aanbieders van postdiensten.
De betrokken elementen van postinfrastructuur worden tegen een marktgerichte prijs ter beschikking gesteld.
Een kopie van de overeenkomst wordt overgezonden naar het Instituut.
Op verzoek van een aanbieder van postdiensten kan het Instituut met eerbied voor het objectiviteits-, het proportionaliteits- en het non-discriminatiebeginsel de wijzigingen die het noodzakelijk acht aanbrengen in de overeenkomsten.
In geval van mislukking van de commerciële onderhandelingen na een periode van zes maanden, kan elke aanbieder van postdiensten het Instituut verzoeken om wanneer zulks noodzakelijk is om de belangen van de gebruikers te beschermen en/of daadwerkelijke mededinging aan te moedigen de inhoud en de voorwaarden van de overeenkomst te bepalen.
In deze laatste twee gevallen hoort het Instituut op voorhand de betrokken aanbieders van postdiensten, met eerbied voor het objectiviteits-, het proportionaliteits- en het non-discriminatiebeginsel.
§ 3. Het Instituut is bovendien bevoegd om de aanbieders van postdiensten te verzoenen betreffende hun geschillen aangaande de toegang tot de in § 1 vermelde elementen van postinfrastructuur overeenkomstig artikel 14, § 1, 4°, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. "
" § 1. Wanneer zulks noodzakelijk is om de belangen van de gebruikers te beschermen en/of daadwerkelijke mededinging aan te moedigen, verschaffen aanbieders van postdiensten elkaar op transparante en niet-discriminerende wijze wederzijds toegang tot de diensten die binnen de werkingssfeer van de universele dienst vallen en de onderdelen van de postinfrastructuur die noodzakelijk zijn om postale activiteiten te ontwikkelen, onverminderd de toepassing van artikel 144ter, § 1, 5°.
§ 2. De technische en tarifaire regels voor de toegang tot deze elementen van postinfrastructuur of tot de diensten die binnen de werkingssfeer van de universele dienst vallen worden vastgelegd in een overeenkomst afgesloten tussen de aanbieders van postdiensten.
De betrokken elementen van postinfrastructuur worden tegen een marktgerichte prijs ter beschikking gesteld.
Een kopie van de overeenkomst wordt overgezonden naar het Instituut.
Op verzoek van een aanbieder van postdiensten kan het Instituut met eerbied voor het objectiviteits-, het proportionaliteits- en het non-discriminatiebeginsel de wijzigingen die het noodzakelijk acht aanbrengen in de overeenkomsten.
In geval van mislukking van de commerciële onderhandelingen na een periode van zes maanden, kan elke aanbieder van postdiensten het Instituut verzoeken om wanneer zulks noodzakelijk is om de belangen van de gebruikers te beschermen en/of daadwerkelijke mededinging aan te moedigen de inhoud en de voorwaarden van de overeenkomst te bepalen.
In deze laatste twee gevallen hoort het Instituut op voorhand de betrokken aanbieders van postdiensten, met eerbied voor het objectiviteits-, het proportionaliteits- en het non-discriminatiebeginsel.
§ 3. Het Instituut is bovendien bevoegd om de aanbieders van postdiensten te verzoenen betreffende hun geschillen aangaande de toegang tot de in § 1 vermelde elementen van postinfrastructuur overeenkomstig artikel 14, § 1, 4°, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. "
Art. 25. § 1er. L'article 148ter, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsque cela s'avère nécessaire pour protéger les intérêts des utilisateurs et/ou encourager une réelle concurrence, les prestataires de services postaux se donnent mutuellement et de manière transparente et non discriminatoire accès aux services relevant du service universel et aux éléments de l'infrastructure postale nécessaires pour développer des activités postales, sans préjudice de l'application de l'article 144ter, § 1er, 5°.
§ 2 . Les modalités techniques et tarifaires d'accès à ces éléments d'infrastructure postale ou aux services fournis dans le cadre du service universel sont fixées dans une convention conclue entre les prestataires de services postaux.
Les éléments concernés d'infrastructure postale sont mis à disposition à un prix axé sur le marché.
Une copie de la convention est transmise à l'Institut.
A la demande d'un prestataire de service postaux, l'Institut peut introduire les modifications qu'il juge nécessaires aux conventions en respectant les principes d'objectivité, de proportionnalité et de non-discrimination.
En cas d'échec des négociations commerciales après une période de six mois, tout prestataire de services postaux peut demander à l'Institut de fixer le contenu et les conditions de la convention lorsque cela s'avère nécessaire pour protéger les intérêts des utilisateurs et/ou encourager une réelle concurrence.
Dans ces deux derniers cas, l'Institut entend au préalable les prestataires de services postaux concernés, en respectant les principes d'objectivité, de proportionnalité et de non-discrimination.
§ 3. L'Institut est en outre compétent pour concilier les prestataires de services postaux concernant leurs litiges relatifs à l'accès aux éléments d'infrastructure postale visés au § 1er conformément à l'article 14, § 1er, 4°, de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges. "
" § 1er. Lorsque cela s'avère nécessaire pour protéger les intérêts des utilisateurs et/ou encourager une réelle concurrence, les prestataires de services postaux se donnent mutuellement et de manière transparente et non discriminatoire accès aux services relevant du service universel et aux éléments de l'infrastructure postale nécessaires pour développer des activités postales, sans préjudice de l'application de l'article 144ter, § 1er, 5°.
§ 2 . Les modalités techniques et tarifaires d'accès à ces éléments d'infrastructure postale ou aux services fournis dans le cadre du service universel sont fixées dans une convention conclue entre les prestataires de services postaux.
Les éléments concernés d'infrastructure postale sont mis à disposition à un prix axé sur le marché.
Une copie de la convention est transmise à l'Institut.
A la demande d'un prestataire de service postaux, l'Institut peut introduire les modifications qu'il juge nécessaires aux conventions en respectant les principes d'objectivité, de proportionnalité et de non-discrimination.
En cas d'échec des négociations commerciales après une période de six mois, tout prestataire de services postaux peut demander à l'Institut de fixer le contenu et les conditions de la convention lorsque cela s'avère nécessaire pour protéger les intérêts des utilisateurs et/ou encourager une réelle concurrence.
Dans ces deux derniers cas, l'Institut entend au préalable les prestataires de services postaux concernés, en respectant les principes d'objectivité, de proportionnalité et de non-discrimination.
§ 3. L'Institut est en outre compétent pour concilier les prestataires de services postaux concernant leurs litiges relatifs à l'accès aux éléments d'infrastructure postale visés au § 1er conformément à l'article 14, § 1er, 4°, de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges. "
Art. 26. Artikel 148quater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt opgeheven.
Art. 26. L'article 148quater, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est abrogé.
Art. 27. Artikel 148quinquies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en vervangen bij de wet van 3 juli 2000, wordt opgeheven.
Art. 27. L'article 148quinquies, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999 et remplacé par la loi du 3 juillet 2000, est abrogé.
Art. 28. In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel IV, Hoofdstuk VIIbis, Afdeling II, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, vervangen als volgt :
" Bepalingen met betrekking tot postdiensten onder het stelsel van vergunningen ".
" Bepalingen met betrekking tot postdiensten onder het stelsel van vergunningen ".
Art. 28. Dans la même loi, l'intitulé du Titre IV, Chapitre VIIbis, Section II, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par ce qui suit :
" Dispositions concernant les services postaux sous le système de licences ".
" Dispositions concernant les services postaux sous le système de licences ".
Art. 29. In artikel 148sexies van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000 en de wet van 21 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste zin, worden de woorden " niet voorbehouden dienst die deel uitmaakt van de universele dienst ", vervangen door de woorden " dienst van brievenpost binnen de werkingssfeer van de universele dienst ";
2° in paragraaf 1, 1° en 3°, wordt het woord " leverancier " vervangen door het woord " aanbieder " en wordt het woord " postoperator " vervangen door de woorden " aanbieder van postdiensten ";
3° paragraaf 1, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° de toekenning van de individuele vergunning is afhankelijk van de verbintenis vanwege de aanvrager, natuurlijk of rechtspersoon, om :
- na twee jaar activiteit tweemaal per week te distribueren;
- te voldoen aan de territoriale dekkingsplicht van distributie in elk van de drie gewesten na vijf jaar volgend op de start van de activiteiten volgens de volgende progressiviteit : jaar 1 : 10 %, jaar 2 : 20 %, jaar 3 : 40 %, jaar 4 : 60 % en jaar 5 : 80 %. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels preciseren volgens welke aan de dekkingsplicht dient te worden voldaan;
- een tarief per klant toe te passen dat identiek is op het gehele grondgebied dat onderworpen is aan de dekkingsplicht, ongeacht de plaats van ophaling en distributie;
- te voldoen aan de regelmatigheid en de betrouwbaarheid van de dienstverlening. In geval van onderbreking of stopzetting van de verrichtingen is de aanbieder van postdiensten verplicht het Instituut onmiddellijk, en de gebruikers zo snel mogelijk, daarvan op de hoogte te stellen. Onder betrouwbaarheid wordt verstaan dat de dienstenaanbieder voldoende middelen inzet, en in het bijzonder een minimale infrastructuur, voldoende personeel en adequate operationele processen, om de verplichtingen van zijn vergunning te kunnen vervullen;
- een dienst van onbestelbare zendingen te verzorgen volgens de nadere regels bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Het Instituut controleert de uitvoering door de houders van een individuele vergunning van de verplichtingen vermeld in deze paragraaf 1, 2°, en publiceert een jaarverslag over de controle en resultaten ervan; "
4° paragraaf 1 wordt aangevuld met een punt 4°, luidende als volgt :
" 4°. Vergunninghouders informeren regelmatig het Instituut, de gebruikers en aanbieders van postdiensten met voldoende nauwkeurige en actuele inlichtingen over de prijzen en de kwaliteitsnormen en over de kenmerken van de aangeboden diensten van brievenpost die binnen de werkingssfeer vallen van de universele dienst. "
5° paragraaf 2 wordt aangevuld met de volgende zin : "
" De vergunninghouders leven de in § 1 vermelde verplichtingen gedurende de volledige geldigheidsduur van de vergunning na. "
6° in paragraaf 3 wordt het woord " postoperator " vervangen door de woorden " aanbieder van postdiensten ";
7° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt : " De volgende postdiensten worden uitgesloten van de vergunningsplicht bedoeld in § 1 :
a) het ophalen, het sorteren, het vervoeren en de distributie van postzendingen die duidelijk verschillend zijn van de universele dienst en aldus niet vallen binnen de werkingssfeer van de universele dienst. Zij beantwoorden minstens aan de volgende kenmerken :
- de individualisering van de postzending en waarbij de aanbieder van postdiensten iedere postzending apart registreert zodra deze in behandeling wordt genomen op het moment van de ophaling en deze op een geïndividualiseerde manier volgt tijdens het hele traject en
- het voorwerp uitmaken van een bijzondere overeenkomst tussen de afzender en de aanbieder van de postdienst waarin minimaal afspraken werden gemaakt over het tijdstip van ophaling en distributie, het tarief, de distributiegarantie, het geïndividualiseerde volgen van de postzending en de burgerlijke aansprakelijkheid.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de kenmerken preciseren voor de postdiensten en postzendingen die niet behoren tot de universele dienst en aldus niet vallen binnen de werkingssfeer van de universele dienst;
b) het louter transporteren van postzendingen;
c) de routage-activiteiten zoals gedefinieerd in artikel 131, 25°, van deze wet.
1° in paragraaf 1, eerste zin, worden de woorden " niet voorbehouden dienst die deel uitmaakt van de universele dienst ", vervangen door de woorden " dienst van brievenpost binnen de werkingssfeer van de universele dienst ";
2° in paragraaf 1, 1° en 3°, wordt het woord " leverancier " vervangen door het woord " aanbieder " en wordt het woord " postoperator " vervangen door de woorden " aanbieder van postdiensten ";
3° paragraaf 1, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° de toekenning van de individuele vergunning is afhankelijk van de verbintenis vanwege de aanvrager, natuurlijk of rechtspersoon, om :
- na twee jaar activiteit tweemaal per week te distribueren;
- te voldoen aan de territoriale dekkingsplicht van distributie in elk van de drie gewesten na vijf jaar volgend op de start van de activiteiten volgens de volgende progressiviteit : jaar 1 : 10 %, jaar 2 : 20 %, jaar 3 : 40 %, jaar 4 : 60 % en jaar 5 : 80 %. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels preciseren volgens welke aan de dekkingsplicht dient te worden voldaan;
- een tarief per klant toe te passen dat identiek is op het gehele grondgebied dat onderworpen is aan de dekkingsplicht, ongeacht de plaats van ophaling en distributie;
- te voldoen aan de regelmatigheid en de betrouwbaarheid van de dienstverlening. In geval van onderbreking of stopzetting van de verrichtingen is de aanbieder van postdiensten verplicht het Instituut onmiddellijk, en de gebruikers zo snel mogelijk, daarvan op de hoogte te stellen. Onder betrouwbaarheid wordt verstaan dat de dienstenaanbieder voldoende middelen inzet, en in het bijzonder een minimale infrastructuur, voldoende personeel en adequate operationele processen, om de verplichtingen van zijn vergunning te kunnen vervullen;
- een dienst van onbestelbare zendingen te verzorgen volgens de nadere regels bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Het Instituut controleert de uitvoering door de houders van een individuele vergunning van de verplichtingen vermeld in deze paragraaf 1, 2°, en publiceert een jaarverslag over de controle en resultaten ervan; "
4° paragraaf 1 wordt aangevuld met een punt 4°, luidende als volgt :
" 4°. Vergunninghouders informeren regelmatig het Instituut, de gebruikers en aanbieders van postdiensten met voldoende nauwkeurige en actuele inlichtingen over de prijzen en de kwaliteitsnormen en over de kenmerken van de aangeboden diensten van brievenpost die binnen de werkingssfeer vallen van de universele dienst. "
5° paragraaf 2 wordt aangevuld met de volgende zin : "
" De vergunninghouders leven de in § 1 vermelde verplichtingen gedurende de volledige geldigheidsduur van de vergunning na. "
6° in paragraaf 3 wordt het woord " postoperator " vervangen door de woorden " aanbieder van postdiensten ";
7° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt : " De volgende postdiensten worden uitgesloten van de vergunningsplicht bedoeld in § 1 :
a) het ophalen, het sorteren, het vervoeren en de distributie van postzendingen die duidelijk verschillend zijn van de universele dienst en aldus niet vallen binnen de werkingssfeer van de universele dienst. Zij beantwoorden minstens aan de volgende kenmerken :
- de individualisering van de postzending en waarbij de aanbieder van postdiensten iedere postzending apart registreert zodra deze in behandeling wordt genomen op het moment van de ophaling en deze op een geïndividualiseerde manier volgt tijdens het hele traject en
- het voorwerp uitmaken van een bijzondere overeenkomst tussen de afzender en de aanbieder van de postdienst waarin minimaal afspraken werden gemaakt over het tijdstip van ophaling en distributie, het tarief, de distributiegarantie, het geïndividualiseerde volgen van de postzending en de burgerlijke aansprakelijkheid.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de kenmerken preciseren voor de postdiensten en postzendingen die niet behoren tot de universele dienst en aldus niet vallen binnen de werkingssfeer van de universele dienst;
b) het louter transporteren van postzendingen;
c) de routage-activiteiten zoals gedefinieerd in artikel 131, 25°, van deze wet.
Art. 29. A l'article 148sexies de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999 et modifié par la loi du 12 août 2000 et la loi du 21 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, première phrase, les mots " service non réservé compris dans le service universel " sont remplacés par les mots " service d'envois de correspondance qui relève du service universel ";
2° dans le paragraphe 1er, 1° et 3°, les mots " opérateur postal " sont remplacés par les mots " prestataire de services postaux ";
3° le paragraphe 1er, 2°, est remplacé par ce qui suit :
" 2° l'octroi de la licence individuelle dépend de l'engagement de la part du demandeur, personne physique ou morale, de :
- distribuer deux fois par semaine après deux ans d'activité;
- remplir l'obligation de couverture territoriale de distribution dans chacune des trois régions après les cinq ans qui suivent le début des activités selon la progressivité suivante : année 1 : 10 %, année 2 : 20 %, année 3 : 40 %, année 4 : 60 % et année 5 : 80 %. Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, préciser les modalités selon lesquelles l'obligation de couverture doit être remplie;
- appliquer un tarif par client qui est identique sur toute l'étendue du territoire soumis à l'obligation de couverture, quels que soient les lieux de levée et de distribution;
- assurer la régularité et la fiabilité de la prestation de services. En cas d'interruption ou d'arrêt des prestations de services, le prestataire de services postaux est tenu d'en informer immédiatement l'Institut et le plus rapidement possible les utilisateurs. Par fiabilité, on entend que le prestataire de service met en oeuvre des moyens suffisants et notamment une infrastructure minimale, suffisamment de personnel et un processus opérationnel adéquat, pour respecter les obligations de sa licence;
- assurer un service des envois non distribuables selon les modalités fixées par le Roi dans un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
L'Institut contrôle l'application par les titulaires de licences individuelles des obligations reprises au présent paragraphe 1er, 2°, et publie un rapport annuel du contrôle et des résultats; "
4° le paragraphe 1er est complété par un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° Les titulaires d'une licence fournissent régulièrement à l'Institut, aux utilisateurs et aux prestataires de services postaux des informations suffisamment précises et actualisées sur les prix et normes de qualité et sur les caractéristiques des services d'envois de correspondance relevant du service universel. ";
5° le paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
" Les titulaires de licences respectent les obligations visées au § 1er durant toute la durée de validité de la licence. ";
6° au paragraphe 3, le mot " opérateur postal " est remplacé par les mots " prestataire de services postaux ";
7° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit : " Les services postaux suivants sont exclus de l'obligation de licence visée au § 1er :
a) la levée, le tri, l'acheminement et la distribution d'envois postaux qui sont clairement distincts du service universel et qui dès lors ne relèvent pas du service universel. Ils répondent au moins aux caractéristiques suivantes :
- l'individualisation de l'envoi postal et qui consiste en l'obligation pour le prestataire de services postaux d'enregistrer chaque envoi postal à partir du moment ou il est traité au moment de la levée et de le suivre de manière individualisée pendant tout le trajet et
- faire l'objet d'une convention spéciale entre l'expéditeur et le prestataire du service postal fixant au moins des arrangements sur le moment de levée et de distribution, le tarif, la garantie de distribution, le suivi individualisé de l'envoi postal et la responsabilité civile.
Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, préciser les caractéristiques des services postaux et des envois postaux qui ne font pas partie du service universel et ne relèvent dès lors pas du service universel;
b) le service limité au transport d'envois postaux;
c) les activités de routage telles que définies à l'article 131, 25°, de la présente loi.
1° dans le paragraphe 1er, première phrase, les mots " service non réservé compris dans le service universel " sont remplacés par les mots " service d'envois de correspondance qui relève du service universel ";
2° dans le paragraphe 1er, 1° et 3°, les mots " opérateur postal " sont remplacés par les mots " prestataire de services postaux ";
3° le paragraphe 1er, 2°, est remplacé par ce qui suit :
" 2° l'octroi de la licence individuelle dépend de l'engagement de la part du demandeur, personne physique ou morale, de :
- distribuer deux fois par semaine après deux ans d'activité;
- remplir l'obligation de couverture territoriale de distribution dans chacune des trois régions après les cinq ans qui suivent le début des activités selon la progressivité suivante : année 1 : 10 %, année 2 : 20 %, année 3 : 40 %, année 4 : 60 % et année 5 : 80 %. Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, préciser les modalités selon lesquelles l'obligation de couverture doit être remplie;
- appliquer un tarif par client qui est identique sur toute l'étendue du territoire soumis à l'obligation de couverture, quels que soient les lieux de levée et de distribution;
- assurer la régularité et la fiabilité de la prestation de services. En cas d'interruption ou d'arrêt des prestations de services, le prestataire de services postaux est tenu d'en informer immédiatement l'Institut et le plus rapidement possible les utilisateurs. Par fiabilité, on entend que le prestataire de service met en oeuvre des moyens suffisants et notamment une infrastructure minimale, suffisamment de personnel et un processus opérationnel adéquat, pour respecter les obligations de sa licence;
- assurer un service des envois non distribuables selon les modalités fixées par le Roi dans un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
L'Institut contrôle l'application par les titulaires de licences individuelles des obligations reprises au présent paragraphe 1er, 2°, et publie un rapport annuel du contrôle et des résultats; "
4° le paragraphe 1er est complété par un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° Les titulaires d'une licence fournissent régulièrement à l'Institut, aux utilisateurs et aux prestataires de services postaux des informations suffisamment précises et actualisées sur les prix et normes de qualité et sur les caractéristiques des services d'envois de correspondance relevant du service universel. ";
5° le paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
" Les titulaires de licences respectent les obligations visées au § 1er durant toute la durée de validité de la licence. ";
6° au paragraphe 3, le mot " opérateur postal " est remplacé par les mots " prestataire de services postaux ";
7° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit : " Les services postaux suivants sont exclus de l'obligation de licence visée au § 1er :
a) la levée, le tri, l'acheminement et la distribution d'envois postaux qui sont clairement distincts du service universel et qui dès lors ne relèvent pas du service universel. Ils répondent au moins aux caractéristiques suivantes :
- l'individualisation de l'envoi postal et qui consiste en l'obligation pour le prestataire de services postaux d'enregistrer chaque envoi postal à partir du moment ou il est traité au moment de la levée et de le suivre de manière individualisée pendant tout le trajet et
- faire l'objet d'une convention spéciale entre l'expéditeur et le prestataire du service postal fixant au moins des arrangements sur le moment de levée et de distribution, le tarif, la garantie de distribution, le suivi individualisé de l'envoi postal et la responsabilité civile.
Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, préciser les caractéristiques des services postaux et des envois postaux qui ne font pas partie du service universel et ne relèvent dès lors pas du service universel;
b) le service limité au transport d'envois postaux;
c) les activités de routage telles que définies à l'article 131, 25°, de la présente loi.
Art. 30. In dezelfde wet wordt onder Titel IV, Hoofdstuk VIIbis, een afdeling IIbis ingevoegd met als opschrift :
" Bijdragen van de aangewezen aanbieder van de universele dienst en de vergunninghouders in de financiering van het Instituut ".
" Bijdragen van de aangewezen aanbieder van de universele dienst en de vergunninghouders in de financiering van het Instituut ".
Art. 30. Dans la même loi, sous le Titre IV, Chapitre VIIbis, il est inséré une section IIbis intitulée :
" Contributions par le prestataire du service universel désigné et les détenteurs de licences au financement de l'Institut ".
" Contributions par le prestataire du service universel désigné et les détenteurs de licences au financement de l'Institut ".
Art. 31. In afdeling IIbis van dezelfde wet wordt een artikel 148septies /1 ingevoegd, luidende :
" § 1. De aanbieder van de universele dienst en de vergunninghouders bedoeld in artikel 148sexies van deze wet, betalen jaarlijks aan het Instituut een bijdrage die vastgesteld is op grond van de kosten voor de financiering van de activiteiten op het gebied van postregulering van het Instituut, " reguleringsbijdrage " genoemd.
§ 2. Het Instituut bepaalt jaarlijks de elementen van zijn budget die noodzakelijk zijn voor en evenredig zijn met de opdrachten die het Instituut volbrengt in de postsector. Deze budgettaire elementen dienen te worden gefinancierd door de in § 1 bedoelde ondernemingen, in de vorm van een reguleringsbijdrage.
§ 3. De in § 1 bedoelde ondernemingen delen elk jaar uiterlijk op 30 juni aan het Instituut de omzet van hun postdienstactiviteiten mee die het voorgaande jaar behaald is in België.
§ 4. Het bedrag van de reguleringsbijdrage komt overeen met het bedrag van de financiële middelen voor de activiteiten op het gebied van postregulering die ingeschreven zijn op de begroting van het Instituut voor het lopende jaar. De reguleringsbijdrage bestaat uit een vast bedrag van 0,1 % van het omzetcijfer behaald in de activiteiten van postale diensten van de in § 1 bedoelde ondernemingen die een omzet heeft boven 500.000 euro. Indien er een nog te financieren saldo overblijft, wordt de reguleringsbijdrage aangevuld met het totaal van het te financieren saldo, vermenigvuldigd met een coëfficiënt die gelijk is aan het aandeel van de onderneming in de omzet die tijdens het voorgaande jaar is behaald door alle in § 1 bedoelde ondernemingen.
§ 5. De reguleringsbijdragen moeten uiterlijk op 30 september van het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn, worden betaald op het rekeningnummer dat door het Instituut is opgegeven. Uiterlijk één maand voor de vervaldatum deelt het Instituut aan de in § 1 bedoelde ondernemingen het bedrag mee van de verschuldigde bijdragen. "
" § 1. De aanbieder van de universele dienst en de vergunninghouders bedoeld in artikel 148sexies van deze wet, betalen jaarlijks aan het Instituut een bijdrage die vastgesteld is op grond van de kosten voor de financiering van de activiteiten op het gebied van postregulering van het Instituut, " reguleringsbijdrage " genoemd.
§ 2. Het Instituut bepaalt jaarlijks de elementen van zijn budget die noodzakelijk zijn voor en evenredig zijn met de opdrachten die het Instituut volbrengt in de postsector. Deze budgettaire elementen dienen te worden gefinancierd door de in § 1 bedoelde ondernemingen, in de vorm van een reguleringsbijdrage.
§ 3. De in § 1 bedoelde ondernemingen delen elk jaar uiterlijk op 30 juni aan het Instituut de omzet van hun postdienstactiviteiten mee die het voorgaande jaar behaald is in België.
§ 4. Het bedrag van de reguleringsbijdrage komt overeen met het bedrag van de financiële middelen voor de activiteiten op het gebied van postregulering die ingeschreven zijn op de begroting van het Instituut voor het lopende jaar. De reguleringsbijdrage bestaat uit een vast bedrag van 0,1 % van het omzetcijfer behaald in de activiteiten van postale diensten van de in § 1 bedoelde ondernemingen die een omzet heeft boven 500.000 euro. Indien er een nog te financieren saldo overblijft, wordt de reguleringsbijdrage aangevuld met het totaal van het te financieren saldo, vermenigvuldigd met een coëfficiënt die gelijk is aan het aandeel van de onderneming in de omzet die tijdens het voorgaande jaar is behaald door alle in § 1 bedoelde ondernemingen.
§ 5. De reguleringsbijdragen moeten uiterlijk op 30 september van het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn, worden betaald op het rekeningnummer dat door het Instituut is opgegeven. Uiterlijk één maand voor de vervaldatum deelt het Instituut aan de in § 1 bedoelde ondernemingen het bedrag mee van de verschuldigde bijdragen. "
Art. 31. Dans la section IIbis de la même loi, il est inséré un article 148septies /1 rédigé comme suit :
" § 1er. Le prestataire du service universel et les détenteurs de licences visés à l'article 148sexies de la présente loi, acquittent annuellement, auprès de l'Institut, une redevance établie sur la base du coût du financement des activités en matière de régulation postale de l'Institut, appelée " redevance de régulation. "
§ 2. L'Institut détermine annuellement les éléments de son budget qui sont nécessaires et proportionnés aux missions que l'Institut remplit dans le secteur postal. Ces éléments de budget sont à financer par les entreprises visées au § 1er sous forme d'une redevance de régulation.
§ 3. Les entreprises visées au § 1er communiquent, au plus tard le 30 juin de chaque année, à l'Institut le chiffre d'affaires des activités de service postal réalisé l'année précédente en Belgique.
§ 4. Le montant de la redevance de régulation correspond au montant des moyens financiers nécessaires au fonctionnement des activités en matière de régulation postale inscrit au budget de l'année en cours de l'Institut. Le montant de la redevance de régulation est composé d'un montant fixe de 0,1 % du chiffre d'affaires réalisé dans les activités de service postal de l'entreprise visée au § 1er, dont le chiffre d'affaires est supérieur à 500.000 euros. La redevance de régulation est complétée, pour autant qu'il reste encore un solde à financer, par le total du solde à financer, multiplié par un coefficient égal à la part de l'entreprise dans le chiffre d'affaires réalisé l'année précédente par toutes les entreprises visées au § 1er.
§ 5. Les redevances de régulation sont payées au plus tard le 30 septembre de l'année pour laquelle elles sont dues, au numéro de compte indiqué par l'Institut. Au plus tard un mois avant l'échéance, l'Institut communique aux entreprises visées au § 1er, le montant des redevances dues. "
" § 1er. Le prestataire du service universel et les détenteurs de licences visés à l'article 148sexies de la présente loi, acquittent annuellement, auprès de l'Institut, une redevance établie sur la base du coût du financement des activités en matière de régulation postale de l'Institut, appelée " redevance de régulation. "
§ 2. L'Institut détermine annuellement les éléments de son budget qui sont nécessaires et proportionnés aux missions que l'Institut remplit dans le secteur postal. Ces éléments de budget sont à financer par les entreprises visées au § 1er sous forme d'une redevance de régulation.
§ 3. Les entreprises visées au § 1er communiquent, au plus tard le 30 juin de chaque année, à l'Institut le chiffre d'affaires des activités de service postal réalisé l'année précédente en Belgique.
§ 4. Le montant de la redevance de régulation correspond au montant des moyens financiers nécessaires au fonctionnement des activités en matière de régulation postale inscrit au budget de l'année en cours de l'Institut. Le montant de la redevance de régulation est composé d'un montant fixe de 0,1 % du chiffre d'affaires réalisé dans les activités de service postal de l'entreprise visée au § 1er, dont le chiffre d'affaires est supérieur à 500.000 euros. La redevance de régulation est complétée, pour autant qu'il reste encore un solde à financer, par le total du solde à financer, multiplié par un coefficient égal à la part de l'entreprise dans le chiffre d'affaires réalisé l'année précédente par toutes les entreprises visées au § 1er.
§ 5. Les redevances de régulation sont payées au plus tard le 30 septembre de l'année pour laquelle elles sont dues, au numéro de compte indiqué par l'Institut. Au plus tard un mois avant l'échéance, l'Institut communique aux entreprises visées au § 1er, le montant des redevances dues. "
Art. 32. In dezelfde wet wordt een artikel 148decies ingevoegd, luidende :
" Art. 148decies. § 1. Elke fysieke persoon die activiteiten van ophalen, sorteren of distributie van brievenpost, gedefinieerd overeenkomstig artikel 131, 8°, uitvoert, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 148sexies, § 4, wordt vermoed te zijn tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst met een aanbieder van postdiensten of een uitzendbureau voor rekening van wie één of meer van de bovenvermelde activiteiten worden uitgevoerd, zonder dat het bewijs van het tegendeel kan worden geleverd, buiten de tewerkstelling onder een administratiefrechtelijk statuut. Wanneer een beroep gedaan wordt op uitzendkrachten, is de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers van toepassing.
§ 2. Onverminderd de bevoegdheden van het Instituut inzake controle van de naleving en het beteugelen van de niet-naleving van de andere artikelen van deze wet, zijn de sociale inspecteurs van de Algemene Directie Toezicht op de sociale wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bevoegd om de naleving van de eerste paragraaf te controleren. Die controle wordt uitgevoerd conform de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. De ambtenaren die zijn aangewezen krachtens de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten lichten het Instituut in over het besluit om een administratieve boete op te leggen of over het besluit van de auditeur bij de arbeidsrechtbank. "
" Art. 148decies. § 1. Elke fysieke persoon die activiteiten van ophalen, sorteren of distributie van brievenpost, gedefinieerd overeenkomstig artikel 131, 8°, uitvoert, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 148sexies, § 4, wordt vermoed te zijn tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst met een aanbieder van postdiensten of een uitzendbureau voor rekening van wie één of meer van de bovenvermelde activiteiten worden uitgevoerd, zonder dat het bewijs van het tegendeel kan worden geleverd, buiten de tewerkstelling onder een administratiefrechtelijk statuut. Wanneer een beroep gedaan wordt op uitzendkrachten, is de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers van toepassing.
§ 2. Onverminderd de bevoegdheden van het Instituut inzake controle van de naleving en het beteugelen van de niet-naleving van de andere artikelen van deze wet, zijn de sociale inspecteurs van de Algemene Directie Toezicht op de sociale wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bevoegd om de naleving van de eerste paragraaf te controleren. Die controle wordt uitgevoerd conform de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. De ambtenaren die zijn aangewezen krachtens de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten lichten het Instituut in over het besluit om een administratieve boete op te leggen of over het besluit van de auditeur bij de arbeidsrechtbank. "
Art. 32. Dans cette même loi, il est inséré un article 148decies, rédigé comme suit :
" Art. 148decies. § 1er. Toute personne physique qui effectue des activités de levée, tri ou distribution d'envois de correspondance tels que définis à l'article 131, 8°, à l'exception des activités visées à l'article 148sexies, § 4, est présumée être employée en vertu d'un contrat de travail avec un prestataire de services postaux ou une entreprise de travail intérimaire pour le compte duquel une ou plusieurs des activités susmentionnées sont exécutées, sans que la preuve du contraire puisse être apportée, sans préjudice du travail sous un statut de droit administratif. En cas de recours à des travailleurs intérimaires, la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs est d'application.
§ 2. Sans préjudice des compétences de l'Institut pour contrôler le respect et sanctionner le non-respect des autres articles de cette loi, les inspecteurs sociaux de la Direction générale Contrôle des lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale sont compétents pour contrôler le respect du § 1er. Ce contrôle s'exerce conformément aux dispositions de la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail. Les fonctionnaires désignés en vertu de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales informent l'Institut de la décision d'amende administrative ou de la décision de l'auditeur près le Tribunal du travail. "
" Art. 148decies. § 1er. Toute personne physique qui effectue des activités de levée, tri ou distribution d'envois de correspondance tels que définis à l'article 131, 8°, à l'exception des activités visées à l'article 148sexies, § 4, est présumée être employée en vertu d'un contrat de travail avec un prestataire de services postaux ou une entreprise de travail intérimaire pour le compte duquel une ou plusieurs des activités susmentionnées sont exécutées, sans que la preuve du contraire puisse être apportée, sans préjudice du travail sous un statut de droit administratif. En cas de recours à des travailleurs intérimaires, la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs est d'application.
§ 2. Sans préjudice des compétences de l'Institut pour contrôler le respect et sanctionner le non-respect des autres articles de cette loi, les inspecteurs sociaux de la Direction générale Contrôle des lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale sont compétents pour contrôler le respect du § 1er. Ce contrôle s'exerce conformément aux dispositions de la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail. Les fonctionnaires désignés en vertu de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales informent l'Institut de la décision d'amende administrative ou de la décision de l'auditeur près le Tribunal du travail. "
Art. 33. Het opschrift van hoofdstuk VIII. Opheffings-, overgangs- en wijzigingsbepalingen van dezelfde Titel IV van de wet wordt vervangen door " Hoofdstuk IX. Opheffings-, overgangs- en wijzigingsbepalingen ".
Art. 33. L'intitulé du chapitre VIII. Dispositions modificatrices, transitoires et abrogatoires du même Titre IV de la loi est remplacé par " Chapitre IX. Dispositions modificatrices, transitoires et abrogatoires ".
Art. 34. In dezelfde wet wordt een artikel 150/1 ingevoegd, luidende :
§ 1. Als overgangsmaatregel blijven de bepalingen van artikel 144ter, § 3, met uitzondering van de woorden " - de voorbehouden postdiensten met uitzondering van de binnenkomende grensoverschrijdende post opgesomd in artikel 144octies, ongeacht het gebruikte tarifair regime " van toepassing voor de door de aanbieder van de universele dienst gehanteerde tarieven tijdens het jaar 2011.
§ 2. Als overgangsmaatregel worden de tariefverhogingen die betrekking hebben op het jaar 2011 door de aanbieder van de universele dienst meegedeeld aan het Instituut uiterlijk op 1 maart 2011. Het Instituut gaat aan de hand van de verstrekte inlichtingen na of de voorgestelde tariefverhogingen in overeenstemming zijn met de tarifaire principes vermeld in artikel 144ter van deze wet. Het Instituut heeft vanaf de dag van ontvangst van de tariefverhogingen een maand tijd om zijn opmerkingen aan de vergunninghouder mee te delen. Bij ontstentenis van een antwoord binnen die termijn wordt de reactie van het Instituut geacht positief te zijn.
§ 1. Als overgangsmaatregel blijven de bepalingen van artikel 144ter, § 3, met uitzondering van de woorden " - de voorbehouden postdiensten met uitzondering van de binnenkomende grensoverschrijdende post opgesomd in artikel 144octies, ongeacht het gebruikte tarifair regime " van toepassing voor de door de aanbieder van de universele dienst gehanteerde tarieven tijdens het jaar 2011.
§ 2. Als overgangsmaatregel worden de tariefverhogingen die betrekking hebben op het jaar 2011 door de aanbieder van de universele dienst meegedeeld aan het Instituut uiterlijk op 1 maart 2011. Het Instituut gaat aan de hand van de verstrekte inlichtingen na of de voorgestelde tariefverhogingen in overeenstemming zijn met de tarifaire principes vermeld in artikel 144ter van deze wet. Het Instituut heeft vanaf de dag van ontvangst van de tariefverhogingen een maand tijd om zijn opmerkingen aan de vergunninghouder mee te delen. Bij ontstentenis van een antwoord binnen die termijn wordt de reactie van het Instituut geacht positief te zijn.
Art. 34. Dans la même loi, il est inséré un article 150/1 rédigé comme suit :
§ 1er. A titre de mesure transitoire, les dispositions de l'article 144ter, § 3, à l'exception des mots " - les services postaux réservés, à l'exception du courrier transfrontière entrant, énumérés à l'article 144octies, quel que soit le régime tarifaire appliqué. " restent d'application pour les tarifs appliqués par le prestataire du service universel pendant l'année 2011.
§ 2. A titre de mesure transitoire, les augmentations tarifaires relatives à l'année 2011 sont communiquées par le prestataire du service universel à l'Institut au plus tard le 1er mars 2011. Sur la base des informations fournies, l'Institut vérifie si les augmentations tarifaires proposées sont conformes aux principes tarifaires mentionnés à l'article 144ter de la présente loi. L'Institut dispose d'un mois, à partir du jour de la réception des augmentations tarifaires, pour communiquer ses observations au titulaire de licence. A défaut de réponse dans ce délai, la réaction de l'institut est considérée comme positive.
§ 1er. A titre de mesure transitoire, les dispositions de l'article 144ter, § 3, à l'exception des mots " - les services postaux réservés, à l'exception du courrier transfrontière entrant, énumérés à l'article 144octies, quel que soit le régime tarifaire appliqué. " restent d'application pour les tarifs appliqués par le prestataire du service universel pendant l'année 2011.
§ 2. A titre de mesure transitoire, les augmentations tarifaires relatives à l'année 2011 sont communiquées par le prestataire du service universel à l'Institut au plus tard le 1er mars 2011. Sur la base des informations fournies, l'Institut vérifie si les augmentations tarifaires proposées sont conformes aux principes tarifaires mentionnés à l'article 144ter de la présente loi. L'Institut dispose d'un mois, à partir du jour de la réception des augmentations tarifaires, pour communiquer ses observations au titulaire de licence. A défaut de réponse dans ce délai, la réaction de l'institut est considérée comme positive.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen aan de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
CHAPITRE 3. - Modifications à la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges
Art. 35. In artikel 14, § 1, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, vervangen bij de wet van 20 juli 2005 en de wet van 16 maart 2007, wordt een punt 6° ingevoegd, luidende :
" Het Instituut houdt toezicht op de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst die door de Staat uitbesteed worden in de postsector en in de sector van de elektronische communicatie. Het Instituut informeert zowel de Minister bevoegd voor de Postsector als de minister bevoegd voor Overheidsbedrijven over de uitvoering van het beheerscontract. "
" Het Instituut houdt toezicht op de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst die door de Staat uitbesteed worden in de postsector en in de sector van de elektronische communicatie. Het Instituut informeert zowel de Minister bevoegd voor de Postsector als de minister bevoegd voor Overheidsbedrijven over de uitvoering van het beheerscontract. "
Art. 35. A l'article 14, § 1er, de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges, modifié par la loi du 20 juillet 2005 et la loi du 16 mars 2007, est inséré un point 6°, libellé comme suit :
" L'Institut est chargé de contrôler l'exécution de toutes les missions de service public qui sont attribuées par l'Etat dans le secteur postal et dans le secteur des communications électroniques. L'Institut informe tant le Ministre en charge du Secteur postal que le Ministre en charge des Entreprises publiques de l'exécution du contrat de gestion. "
" L'Institut est chargé de contrôler l'exécution de toutes les missions de service public qui sont attribuées par l'Etat dans le secteur postal et dans le secteur des communications électroniques. L'Institut informe tant le Ministre en charge du Secteur postal que le Ministre en charge des Entreprises publiques de l'exécution du contrat de gestion. "
Art. 36. In artikel 14, § 2, 6°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 mei 2009, wordt een zin toegevoegd, luidende :
" Het Instituut kan in een dergelijke vervanging tevens voorzien wanneer het vernietigde besluit betrekking heeft op de postsector en één of meer van de volgende doelstellingen niet langer worden gehaald :
- waken over de kwaliteit en het voortbestaan van de universele dienst;
- waken over de belangen van de gebruikers van postdiensten;
- bijdragen tot de ontwikkeling van een interne markt voor postdiensten;
- het bevorderen van de concurrentie in de postsector. "
" Het Instituut kan in een dergelijke vervanging tevens voorzien wanneer het vernietigde besluit betrekking heeft op de postsector en één of meer van de volgende doelstellingen niet langer worden gehaald :
- waken over de kwaliteit en het voortbestaan van de universele dienst;
- waken over de belangen van de gebruikers van postdiensten;
- bijdragen tot de ontwikkeling van een interne markt voor postdiensten;
- het bevorderen van de concurrentie in de postsector. "
Art. 36. A l'article 14, § 2, 6°, de la même loi, inséré par la loi du 18 mai 2009, une phrase est ajoutée, rédigée comme suit :
" L'Institut peut procéder à une même réfection lorsque la décision annulée concerne le secteur postal et qu'un ou plusieurs des objectifs suivants ne sont plus réalisés :
- veiller à la qualité et à la pérennité du service universel;
- veiller aux intérêts des utilisateurs des services postaux;
- contribuer au développement d'un marché intérieur des services postaux;
- promouvoir la concurrence dans le secteur postal. "
" L'Institut peut procéder à une même réfection lorsque la décision annulée concerne le secteur postal et qu'un ou plusieurs des objectifs suivants ne sont plus réalisés :
- veiller à la qualité et à la pérennité du service universel;
- veiller aux intérêts des utilisateurs des services postaux;
- contribuer au développement d'un marché intérieur des services postaux;
- promouvoir la concurrence dans le secteur postal. "
Art. 37. In artikel 21 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" Onder voorbehoud van artikel 21/1, deelt de Raad, in geval van een overtreding op de wetgeving of reglementering waarvan de naleving door het Instituut wordt gecontroleerd, zijn grieven mee aan de overtreder, alsook het beoogde bedrag van de administratieve boete die aan de Schatkist toekomt ten bedrage van maximaal 5.000 euro voor natuurlijke personen of van maximaal 5 % van de omzet van de overtreder gedurende het jongste volledige referentiejaar in de postsector of in de sector voor de elektronische communicatie in België voor rechtspersonen ";
2° een paragraaf 6 wordt toegevoegd luidende als volgt :
" Wanneer de overtredingen zwaar zijn of herhaaldelijk voorkomen en de overeenkomstig §§ 1 tot 5 genomen maatregelen niet hebben geleid tot de stopzetting ervan, kan de Raad, na de overtreder gehoord te hebben, de volledige of gedeeltelijke schorsing bevelen van de exploitatie van het netwerk of van de levering van de telecommunicatiedienst of van de postactiviteit, alsook van de verkoop of het gebruik van alle betreffende diensten of producten. "
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" Onder voorbehoud van artikel 21/1, deelt de Raad, in geval van een overtreding op de wetgeving of reglementering waarvan de naleving door het Instituut wordt gecontroleerd, zijn grieven mee aan de overtreder, alsook het beoogde bedrag van de administratieve boete die aan de Schatkist toekomt ten bedrage van maximaal 5.000 euro voor natuurlijke personen of van maximaal 5 % van de omzet van de overtreder gedurende het jongste volledige referentiejaar in de postsector of in de sector voor de elektronische communicatie in België voor rechtspersonen ";
2° een paragraaf 6 wordt toegevoegd luidende als volgt :
" Wanneer de overtredingen zwaar zijn of herhaaldelijk voorkomen en de overeenkomstig §§ 1 tot 5 genomen maatregelen niet hebben geleid tot de stopzetting ervan, kan de Raad, na de overtreder gehoord te hebben, de volledige of gedeeltelijke schorsing bevelen van de exploitatie van het netwerk of van de levering van de telecommunicatiedienst of van de postactiviteit, alsook van de verkoop of het gebruik van alle betreffende diensten of producten. "
Art. 37. A l'article 21 de la même loi, modifié par la loi du 18 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" Sous réserve de l'article 21/1, en cas d'infraction à la législation ou à la réglementation dont l'Institut contrôle le respect, le Conseil notifie ses griefs au contrevenant ainsi que le montant envisagé de l'amende administrative au profit du Trésor public d'un montant maximal de 5.000 euros pour les personnes physiques ou de 5 % maximum du chiffre d'affaires du contrevenant pendant l'année complète de référence la plus récente dans le secteur postal ou dans le secteur des communications électroniques en Belgique pour les personnes morales. ";
2° un paragraphe 6 rédigé comme suit est ajouté :
" Lorsque les infractions sont graves ou répétées et que les mesures prises conformément aux §§ 1er à 5 n'ont pu y mettre fin, le Conseil peut, après avoir entendu le contrevenant, ordonner la suspension de tout ou partie de l'exploitation du réseau ou de la fourniture du service de télécommunications ou de l'activité postale ainsi que de la commercialisation ou de l'utilisation de tout service ou produit concerné. "
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" Sous réserve de l'article 21/1, en cas d'infraction à la législation ou à la réglementation dont l'Institut contrôle le respect, le Conseil notifie ses griefs au contrevenant ainsi que le montant envisagé de l'amende administrative au profit du Trésor public d'un montant maximal de 5.000 euros pour les personnes physiques ou de 5 % maximum du chiffre d'affaires du contrevenant pendant l'année complète de référence la plus récente dans le secteur postal ou dans le secteur des communications électroniques en Belgique pour les personnes morales. ";
2° un paragraphe 6 rédigé comme suit est ajouté :
" Lorsque les infractions sont graves ou répétées et que les mesures prises conformément aux §§ 1er à 5 n'ont pu y mettre fin, le Conseil peut, après avoir entendu le contrevenant, ordonner la suspension de tout ou partie de l'exploitation du réseau ou de la fourniture du service de télécommunications ou de l'activité postale ainsi que de la commercialisation ou de l'utilisation de tout service ou produit concerné. "
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen aan de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten
CHAPITRE 4. - Modifications à la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification
Art. 38.
Art. 38.
Art. 39.
Art. 39.
Art. 40.
Art. 40.
Art. 41.
Art. 41.
Art. 42.
Art. 42.
Art. 43.
Art. 43.
Art. 44.
Art. 44.
Art. 45.
Art. 45.
Art. 46.
Art. 46.
Art. 47.
Art. 47.
Art. 48.
Art. 48.
Art. 49.
Art. 49.
Art. 50.
Art. 50.
Art. 51.
Art. 51.
Art. 52.
Art. 52.
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 15 mei 2007 tot vaststelling van een juridisch kader voor bepaalde verleners van vertrouwensdiensten
CHAPITRE 5. - Modification de la loi du 15 mai 2007 fixant un cadre juridique pour certains prestataires de services de confiance
Art. 53.
Art. 53.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art. 54. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bepalingen de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, de wet van 6 juli 1971 betreffende de oprichting van De Post en betreffende sommige postdiensten en de wet van 2 mei 1956 op de postcheque coördineren en codificeren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot aan het tijdstip van de coördinatie of codificatie.
Daartoe kan Hij :
1° de volgorde en de nummering van de te coördineren of codificeren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren of codificeren bepalingen, met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;
3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren of codificeren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen;
4° het opschrift van de coördinatie of codificatie vaststellen.
Daartoe kan Hij :
1° de volgorde en de nummering van de te coördineren of codificeren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren of codificeren bepalingen, met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;
3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren of codificeren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen;
4° het opschrift van de coördinatie of codificatie vaststellen.
Art. 54. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, coordonner et codifier les dispositions du Titre IV de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, de la loi du 6 juillet 1971 relative à la création de La Poste et à certains services postaux et de la loi du 2 mai 1956 sur le chèque postal avec les dispositions qui les auraient expressément ou implicitement modifiées jusqu'au moment de la coordination ou de la codification.
A cette fin, Il peut :
1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à coordonner ou codifier;
2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner ou codifier en vue de les mettre en concordance avec la nouvelle numérotation;
3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner ou codifier en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions;
4° arrêter l'intitulé de la coordination ou de la codification.
A cette fin, Il peut :
1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à coordonner ou codifier;
2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner ou codifier en vue de les mettre en concordance avec la nouvelle numérotation;
3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner ou codifier en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions;
4° arrêter l'intitulé de la coordination ou de la codification.
Art. 55. Uiterlijk op 31 december 2012 brengen de ministers die respectievelijk bevoegd zijn voor de postsector en overheidsbedrijven aan de Kamer van volksvertegenwoordigers verslag uit over de toepassing van de wet.
Art. 55. Au plus tard le 31 décembre 2012, les ministres ayant respectivement le secteur postal et les entreprises publiques dans leurs attributions font rapport à la Chambre des représentants sur l'application de la loi.
Art. 56. Binnen de vierentwintig maanden die volgen op de inwerkingtreding van dit artikel, kan de Koning uit elke wettelijke of reglementaire bepaling, die betrekking hebben op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en hun uitvoeringsbesluiten betreffende de aangetekende zendingen, de woorden " ter post ", " bij de post ", " per post " of elke andere soortgelijke verwijzing opheffen.
Art. 56. Dans les vingt-quatre mois qui suivent l'entrée en vigueur du présent article, le Roi peut abroger dans toutes les dispositions légales et réglementaires relatives aux matières visées à l'article 78 de la Constitution et leurs arrêtés d'exécution en ce qui concerne les envois recommandés, les mots " à la poste ", " par la poste " ou toute autre mention du même type.
Art. 57. [1 Deze wet treedt in werking op 31 december 2010, met uitzondering van artikel 4, dat in werking treedt op de door de Koning bepaalde datum.]1
Art. 57. [1 La présente loi entre en vigueur le 31 décembre 2010, à l'exception de l'article 4, qui entre en vigueur à la date fixée par le Roi.]1
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 4 fixée au 17-01-2011 par AR 2011-01-10/01, art. 1, 1°)
Änderungen
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 13 december 2010.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen,
V. VAN QUICKENBORNE
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
Gegeven te Brussel, 13 december 2010.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen,
V. VAN QUICKENBORNE
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soi revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 13 décembre 2010.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre pour l'Entreprise et la Simplification,
V. VAN QUICKENBORNE
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
S. DE CLERCK
Donné à Bruxelles, le 13 décembre 2010.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre pour l'Entreprise et la Simplification,
V. VAN QUICKENBORNE
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
S. DE CLERCK