Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
9 SEPTEMBER 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-12-2011 en tekstbijwerking tot 03-12-2025)
Titre
9 SEPTEMBRE 2011. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'interruption de carrière des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-12-2011 et mise à jour au 03-12-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 2011205980
Datum: 2011-09-09
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2011205980
Date: 2011-09-09
Moniteur: Voir
Tekst (82)
Texte (82)
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied
CHAPITRE 1er. - Champ d'application
Artikel 1. [1 § 1.]1 Dit besluit is van toepassing op :
de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;
[3 5° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.]3
[1 § 2. De bepalingen van hoofdstuk 3,[2 afdeling 1, afdeling 2 en afdeling 4]2, over de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof en de loopbaanonderbreking voor medische bijstand, zijn ook van toepassing op de contractuele personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze vallen onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.]1
Article 1. [1 § 1er.]1 Le présent arrêté s'applique :
aux membres du personnel, visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
aux membres du personnel, visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves;
aux membres de l'inspection, visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement;
aux membres du personnel, visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques.
[3 5° aux membres du personnel visés à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base.]3
[1 § 2. Les dispositions du chapitre 3, [2 section 1re, section 2 et section 4]2, relatives à l'interruption de carrière pour congé parental et à l'interruption de carrière pour assistance médicale s'appliquent également aux membres du personnel contractuels de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, pour autant qu'ils relèvent de l'application de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption.]1
Art. 1/1. [1 In afwijking van artikel 12 en 13 kunnen de stelsels van loopbaanonderbreking, vermeld in hoofdstuk 2, uiterlijk ingaan op 1 september 2016.]1
Art. 1/1. [1 Par dérogation aux articles 12 et 13, les régimes d'interruption de carrière visés au chapitre 2 peuvent prendre cours le 1er septembre 2016 au plus tard.]1
HOOFDSTUK 2. - Algemene stelsels
CHAPITRE 2. - Régimes généraux
Afdeling 1. - Volledige loopbaanonderbreking
Section 1re. - Interruption de carrière complète
Art. 2. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn, mogen hun loopbaan volledig onderbreken op voorwaarde dat zij :
een ambt uitoefenen dat beschouwd wordt als hoofdambt;
belast zijn met een of meer betrekkingen die samen ten minste de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2° wordt het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, ook in aanmerking genomen.
Art. 2. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, qui sont nommés à titre définitif ou admis au stage, peuvent interrompre leur carrière complètement, à condition qu'ils :
exercent un emploi considéré comme fonction principale;
sont chargés d'un ou de plusieurs emplois formant ensemble au moins la moitié du nombre d'unités de prestations requis pour une fonction à prestations complètes.
Pour l'application de l'alinéa premier, 2°, le nombre d'unités de prestations pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lequel il n'a pas été réaffecté ou remis au travail, est également pris en compte.
Art. 3. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die tijdelijk aangesteld zijn, mogen hun loopbaan volledig onderbreken op voorwaarde dat zij aangesteld zijn :
in een of meer betrekkingen die in hun geheel niet vatbaar zijn voor reaffectatie of wedertewerkstelling;
voor een volledig schooljaar in een of meer vacante of niet-vacante betrekkingen;
in een ambt dat beschouwd wordt als hoofdambt;
in een of meer betrekkingen die samen ten minste de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties.
Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als de aanstelling eindigt.
Art. 3. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, qui sont nommés à titre temporaire, peuvent interrompre leur carrière complètement, à condition qu'ils sont désignés :
à un ou plusieurs emplois ne pouvant être pris en considération pour une réaffectation ou remise au travail;
à un ou plusieurs emplois vacants ou non vacants pour une entière année scolaire;
à un emploi considéré comme fonction principale;
à un ou plusieurs emplois formant ensemble au moins la moitié du nombre d'unités de prestations requis pour une fonction à prestations complètes.
L'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel temporaires échoit en tout cas lorsqu'il est mis fin à la désignation.
Art. 4. De volledige loopbaanonderbreking omvat al de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding en die als hoofdambt beschouwd worden.
Art. 4. L'interruption de carrière complète comprend tous les emplois financés et subventionnés par la Communauté flamande que le membre du personnel exerce dans l'enseignement et dans les centres d'encadrement des élèves, et qui sont considérés comme fonction principale.
Afdeling 2. - Gedeeltelijke loopbaanonderbreking
Section 2. - Interruption de carrière partielle
Onderafdeling 1. - Halftijdse loopbaanonderbreking
Sous-section 1re. - Interruption de carrière à mi-temps
Art. 5. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn, mogen hun loopbaan halftijds onderbreken op voorwaarde dat zij :
een ambt uitoefenen dat beschouwd wordt als hoofdambt;
een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties moeten altijd worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2° wordt het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, ook in aanmerking genomen. Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het een gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgt, worden voor de loopbaanonderbreking eerst die prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is.
Art. 5. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, qui sont nommés à titre définitif ou admis au stage, peuvent interrompre leur carrière à mi-temps, à condition qu'ils :
exercent un emploi considéré comme fonction principale;
continuent à exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble la moitié du nombre d'unités de prestations requis pour une fonction à prestations complètes. Les prestations restant à accomplir doivent toujours être arrondies à l'unité supérieure, le cas échéant, à une période de cours ou une heure complète.
Pour l'application de l'alinéa premier, 2°, le nombre d'unités de prestations pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lequel il n'a pas été réaffecté ou remis au travail, est également pris en compte. Si le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut partiel d'emploi au moment où une interruption de carrière partielle lui est accordée, ce sont d'abord les unités de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas été réaffecté ou remis au travail qui sont prises en compte pour cette interruption de carrière.
Art. 6. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die tijdelijk aangesteld zijn, mogen hun loopbaan halftijds onderbreken op voorwaarde dat zij :
aangesteld zijn in een of meer betrekkingen die in hun geheel niet vatbaar zijn voor reaffectatie of wedertewerkstelling;
aangesteld zijn voor een volledig schooljaar in een of meer vacante of niet-vacante betrekkingen;
aangesteld zijn in een ambt dat beschouwd wordt als hoofdambt;
een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties moeten altijd worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als de aanstelling eindigt.
Art. 6. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, qui sont nommés à titre temporaire, peuvent interrompre leur carrière à mi-temps, à condition qu'ils :
sont désignés à un ou plusieurs emplois ne pouvant être pris en considération pour une réaffectation ou remise au travail;
sont désignés à un ou plusieurs emplois vacants ou non vacants pour une entière année scolaire;
sont désignés à un emploi considéré comme fonction principale;
continuent à exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble la moitié du nombre d'unités de prestations requis pour une fonction à prestations complètes. Les prestations restant à accomplir doivent toujours être arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou une heure complète.
L'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel temporaires échoit en tout cas lorsqu'il est mis fin à la désignation.
Onderafdeling 2. - Loopbaanonderbreking met een vijfde
Sous-section 2. - Interruption de carrière à 1/5e temps.
Art. 7. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn, mogen hun loopbaan onderbreken met een vijfde op voorwaarde dat zij :
een ambt uitoefenen dat beschouwd wordt als hoofdambt;
aangesteld zijn in een ambt met volledige prestaties;
een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen vier vijfde van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties moeten altijd worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
Voor de toepassing van het eerste lid, 3° wordt het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, ook in aanmerking genomen. Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het een loopbaanonderbreking voor een vijfde krijgt, worden voor de loopbaanonderbreking eerst die prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is.
Art. 7. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, qui sont nommés à titre définitif ou admis au stage, peuvent interrompre leur carrière à 1/5e temps, à condition qu'ils :
exercent un emploi considéré comme fonction principale;
sont désignés à un emploi comportant des prestations complètes;
continuent à exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble quatre cinquièmes du nombre d'unités de prestations requis pour une fonction à prestations complètes. Les prestations restant à accomplir doivent toujours être arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou une heure complète.
Pour l'application de l'alinéa premier, 3°, le nombre d'unités de prestations pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lequel il n'a pas été réaffecté ou remis au travail, est également pris en compte. Si le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut partiel d'emploi au moment où une interruption de carrière à 1/5e temps lui est accordée, ce sont d'abord les unités de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas été réaffecté ou remis au travail qui sont prises en compte pour cette interruption de carrière.
Art. 8. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die tijdelijk aangesteld zijn, mogen hun loopbaan onderbreken met een vijfde op voorwaarde dat zij :
aangesteld zijn in een of meer betrekkingen die in hun geheel niet vatbaar zijn voor reaffectatie of wedertewerkstelling;
aangesteld zijn voor een volledig schooljaar in een of meer vacante of niet-vacante betrekkingen;
aangesteld zijn in een ambt dat beschouwd wordt als hoofdambt;
een ambt met volledige prestaties uitoefenen;
een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen vier vijfde van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties moeten altijd worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als de aanstelling eindigt.
Art. 8. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, qui sont nommés à titre temporaire, peuvent interrompre leur carrière à 1/5e temps, à condition qu'ils :
sont désignés à un ou plusieurs emplois ne pouvant être pris en considération pour une réaffectation ou remise au travail;
sont désignés à un ou plusieurs emplois vacants ou non vacants pour une entière année scolaire;
sont désignés à un emploi considéré comme fonction principale;
exercent un emploi comportant des prestations complètes;
continuent à exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble quatre cinquièmes du nombre d'unités de prestations requis pour une fonction à prestations complètes. Les prestations restant à accomplir doivent toujours être arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou une heure complète.
L'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel temporaires échoit en tout cas lorsqu'il est mis fin à la désignation.
Onderafdeling 3. - Gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van [1 55 jaar]1
Sous-section 3. - Interruption de carrière partielle à partir de l'âge de [1 55 ans ]1
Art. 9. § 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, kunnen op 1 september of 1 oktober nadat ze de leeftijd van [1 55 jaar]1 hebben bereikt, tot aan de vooravond van hun pensionering, een gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgen in de vorm van :
een halftijdse loopbaanonderbreking, zoals vermeld in artikel 5;
een loopbaanonderbreking met een vijfde, zoals vermeld in artikel 7.
De personeelsleden die een loopbaanonderbreking genieten zoals vermeld in het eerste lid, 2° hebben telkens op 1 september de mogelijkheid om over te stappen naar een loopbaanonderbreking vermeld in het eerste lid, 1°.
[2 De personeelsleden die een loopbaanonderbreking genieten als vermeld in het eerste lid, 1°, hebben telkens op 1 september de mogelijkheid om over te stappen naar een loopbaanonderbreking als vermeld in het eerste lid, 2°, op voorwaarde dat de inrichtende macht daarmee instemt.]2
De betrokken personeelsleden moeten vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn, zowel voor de prestatie-eenheden waarvoor ze de gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgen, als voor de prestatie-eenheden die ze blijven uitoefenen.
§ 2. De personeelsleden die in toepassing van artikel 44 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2000 betreffende de overdracht van personeel van de psycho-medisch-sociale centra of de centra voor medisch schooltoezicht naar de centra voor leerlingenbegeleiding worden overgedragen, worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als ressorterend onder dit artikel, als zij :
ofwel op 31 augustus 2000 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking genoten zoals vermeld in paragraaf 1;
ofwel de leeftijd van 50 jaar bereikt hebben uiterlijk op 31 augustus 2000 en sedert 1 september 2000 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking genieten.
Artikel 5, eerste lid, 2° is niet van toepassing op de personeelsleden vermeld in het eerste lid, 1°.
[1 § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt de leeftijd op vijftig jaar gebracht voor de personeelsleden die voor 1 juli 2012 al van een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van vijftig jaar genieten;
§ 4. In afwijking van paragraaf 1 wordt de leeftijd op vijftig jaar gebracht voor de personeelsleden van wie de eerste aanvraag of verlengingsaanvraag voor 1 september 2012 werd ontvangen bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, voor zover de inrichtende macht of de Vlaamse Regering vóór 16 maart 2012 de schriftelijke aanvraag van het personeelslid ontving;
§ 5. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de personeelsleden die hun loopbaan onderbreken met een vijfde, de leeftijd op 50 jaar gebracht voor de personeelsleden die op het ogenblik van de begindatum van de loopbaanonderbreking een beroepsloopbaan van ten minste 28 jaar, zoals bepaald in artikel 3, § 4, van het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, doorlopen hebben.
De personeelsleden die een loopbaanonderbreking genieten zoals vermeld in het eerste lid, hebben telkens op 1 september de mogelijkheid om over te stappen naar een loopbaanonderbreking zoals vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, zodra zij de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben.]1

Art. 9. § 1er. Les membres du personnel, visés à l'article 1er, peuvent obtenir, le 1er septembre ou le 1er octobre après avoir atteint l'âge de [1 55 ans]1, jusqu'à la veille de leur mise à la retraite, une interruption de carrière partielle sous forme :
d'une interruption de carrière à mi-temps, telle que visée à l'article 5;
d'une interruption de carrière à 1/5e temps, telle que visée à l'article 7.
Les membres du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière telle que visée à l'alinéa premier, 2°, ont chaque fois au 1er septembre la possibilité de passer à une interruption de carrière visée à l'alinéa premier, 1°.
[2 Les membres du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière telle que visée à l'alinéa premier, 1°, ont chaque fois au 1er septembre la possibilité de passer à une interruption de carrière visée à l'alinéa premier, 2° à condition que le pouvoir organisateur y consent.]2
Les membres du personnel concernés doivent être nommés à titre définitif ou admis au stage, tant pour les unités de prestation pour lesquelles ils obtiennent l'interruption de carrière partielle que pour les unités de prestation qu'ils continueront à exercer.
§ 2. Les membres du personnel qui, en application de l'article 44 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2000 relatif au transfert des personnels des centres psycho-médico-sociaux ou des centres d'inspection médicale scolaire aux centres d'encadrement des élèves, sont transférés aux centres d'encadrement des élèves, sont considérés pour l'application du présent article comme relevant du présent article, s'ils :
soit bénéficiaient, le 31 août 2000, d'une interruption de carrière partielle telle que visée au paragraphe 1er;
soit ont atteint, au plus tard le 31 août 2000, l'âge de 50 ans et bénéficient, depuis le 1er septembre 2000, d'une interruption de carrière partielle.
L'article 5, alinéa premier, 2°, ne s'applique pas aux membres du personnel visés à l'alinéa premier, 1°.
[1 § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, l'âge est porté à 50 ans pour les membres du personnel qui bénéficiaient déjà avant le 1er juillet 2012 d'une interruption de carrière partielle à partir de l'âge de 50 ans;
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, l'âge est porté à 50 ans pour les membres du personnel dont la première demande ou la demande de prolongation a été reçue avant le 1er septembre 2012 par l'Office national de l'Emploi, pour autant que le pouvoir organisateur ou le Gouvernement flamand ait reçu la demande écrite du membre du personnel avant le 16 mars 2012;
§ 5. Par dérogation au paragraphe 1er, pour ce qui est des membres du personnel qui interrompent leur carrière professionnelle d'un cinquième, l'âge est porté à 50 ans pour les membres du personnel ayant parcouru une carrière professionnelle d'au moins 28 ans à la date de début de l'interruption de carrière, tel que visé à l'article 3, § 4, de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux.
Les membres du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière telle que visée à l'alinéa premier, ont chaque fois au 1er septembre la possibilité de passer à une interruption de carrière telle que visée au paragraphe 1er, alinéa premier, 1°, dès qu'ils ont atteint l'âge de 55 ans.]1

Art. 10. De personeelsleden die de gedeeltelijke loopbaanonderbreking vermeld in artikel 9 krijgen en die tijdens de vermelde periode hun ambt opnieuw volledig opnemen, behouden de onderbrekingsuitkeringen die aan hen werden uitbetaald op grond van artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.
De personeelsleden vermeld in het eerste lid, kunnen niet opnieuw het voordeel krijgen van artikel 9 en van voormeld artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van de onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.
Art. 10. Les membres du personnel qui obtiennent l'interruption de carrière partielle visée à l'article 9 et qui, pendant la période visée, reprennent leur fonction entièrement, maintiennent les allocations d'interruption payées sur la base de l'article 4, § 3, de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux.
Les membres du personnel visés à l'alinéa premier ne peuvent pas obtenir à nouveau l'avantage de l'article 9 et de l'article 4, § 3, précité de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux.
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section 3. - Dispositions communes
Onderafdeling 1. - Prestatie-eenheden
Sous-section 1re. - Unités de prestation
Art. 11. Voor het bepalen van het aantal prestatie-eenheden, vermeld in artikel 5, eerste lid, 2°, 6, eerste lid, 4°, 7, eerste lid, 3° of 8, eerste lid, 5° worden ook als prestatie-eenheden beschouwd :
de prestaties, verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht, vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 77quater, § 2 en § 3 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht, vermeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
de prestaties, verstrekt in het kader van de begeleiding en ondersteuning van de scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding bij de implementatie van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I, vermeld in artikel VI.21 van dit decreet;
de prestaties, verstrekt ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
de prestaties, verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel Algemene Beleidscoördinatie en een cel Algemeen Beleid bij een lid van de federale regering, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel Algemene Beleidscoördinatie en een cel Algemeen Beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
de prestaties, verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid ter beschikking gesteld van zijn voorganger, vermeld in artikel 8, derde lid van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een regering of van een college van een gemeenschap of een gewest;
de prestaties, verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, vermeld in artikel 245, § 2 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof vermeld in artikel 166, § 1 van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;
10° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van de onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
11° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 156 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
12° de prestaties, verstrekt door personeelsleden belast met een opdracht aan een hogeschool, vermeld in artikel 2, 39° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. De ambten, uitgeoefend in de hogescholen worden altijd beschouwd als hoofdambt.
Art. 11. Sont également considérées comme des unités de prestation pour la détermination du nombre d'unités de prestation, visé à l'article 5, alinéa premier, 2°, 6, alinéa premier, 4°, 7, alinéa premier, 3°, ou 8, alinéa premier, 5° :
les prestations dispensées par des membres du personnel en congé pour mission spéciale ou en congé pour mission, visés à l'article 51quater, § § 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves et à l'article 77quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
les prestations dispensées par les membres du personnel en congé pour activité syndicale, tels que visés à l'article 17 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et à l'article 77 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités;
les prestations dispensées dans le cadre de l'encadrement et du soutien des écoles et des centres d'encadrement des élèves pour la mise en oeuvre du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I, tels que visés à l'article VI.21 dudit décret;
les prestations dispensées au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat et des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes, tels que visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1991 relatif au congé accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves pour accomplir certaines prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat, des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes;
les prestations dispensées par les membres du personnel en congé, tels que visés à l'article 2 de l'arrêté royal du 21 novembre 1980 relatif au congé accordé à certains membres du personnel des services de l'Etat mis à disposition du Roi;
les prestations dispensées par des membres du personnel dans un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement communautaire ou régional, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'état régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de Coordination générale de la Politique et d'une cellule de Politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, tels que visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement de communauté ou de région, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'état régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de Coordination générale de la Politique et d'une cellule de Politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves;
les prestations dispensées par des membres du personnel en tant que collaborateur qu'un membre du Gouvernement a mis à disposition de son prédécesseur, tels que visés à l'article 8, alinéa trois, de l'arrêté royal du 19 juillet 2001 relatif à l'installation des organes stratégiques des services publics fédéraux et relatif aux membres du personnel des services publics fédéraux désignés pour faire partie du cabinet d'un membre d'un gouvernement ou d'un collège d'une Communauté ou d'une Région;
les prestations dispensées par un membre du personnel à l'appui du collège des commissaires du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs, tel que visé à l'article 245, § 2, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande;
les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 166, § 1er, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997;
10° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné;
11° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé tels que visés à l'article 156 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
12° les prestations dispensées par des membres du personnel exerçant des charges auprès d'un institut supérieur, tels que visés à l'article 2, 39°, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. Les fonctions exercées auprès des instituts supérieurs sont toujours considérées comme fonction principale.
Art. 11/1. [1 Voor het bepalen van het opdrachtvolume waarvoor loopbaanonderbreking kan worden genomen krachtens de artikelen 2 tot en met 9 wordt eveneens rekening gehouden met de prestaties, verstrekt door de personeelsleden belast met een opdracht aan een hogeschool.]1
Art. 11bis. [1 Pour la détermination du volume de la charge pour lequel une interruption de la carrière professionnelle peut être prise en vertu des articles 2 à 9 inclus, il est également tenu compte des prestations fournies par les membres du personnel investis d'une charge auprès d'un institut supérieur.]1
Onderafdeling 2. - Begin en einde van de loopbaanonderbreking
Sous-section 2. - Début et fin de l'interruption de carrière
Art. 12. § 1. Een loopbaanonderbreking wordt toegestaan voor een periode die begint op 1 september of 1 oktober van het school- of dienstjaar en eindigt op 31 augustus van hetzelfde school- of dienstjaar voor alle personeelsleden vermeld in artikel 1, met uitzondering van de personeelsleden vermeld in paragraaf 2 van dit artikel.
§ 2. Een loopbaanonderbreking wordt toegestaan voor periodes van ten minste zes maanden en van ten hoogste één jaar aan :
de leden van het administratief personeel;
de leden van het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel;
de administratief medewerker van het ondersteunend personeel;
de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel.
Deze periodes, vermeld in het eerste lid, moeten altijd aanvangen op de eerste dag van de maand.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2 eindigt de volledige of de gedeeltelijke loopbaanonderbreking ook als ze de maximumduur van [1 60 maanden]1 heeft bereikt.
Art. 12. § 1er. L'interruption de carrière est accordée pour une période débutant le 1er septembre ou le 1er octobre de l'année scolaire ou de service et se terminant le 31 août de la même année scolaire ou de service pour tous les membres du personnel visés à l'article 1er, à l'exception des membres du personnel visés au paragraphe 2 du présent article.
§ 2. Une interruption de carrière est accordée pour des périodes de six mois au minimum et d'un an au maximum aux :
membres du personnel administratif;
membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service statutaires;
collaborateur administratif du personnel d'appui;
collaborateur administratif du personnel de gestion et d'appui.
Ces périodes, visées à l'alinéa premier, doivent toujours commencer le premier jour du mois.
§ 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, l'interruption de carrière complète ou partielle se termine également lorsqu'elle a atteint la durée maximale de [1 60 mois]1.
Art. 13. § 1. In afwijking van artikel 12, § 1 wordt de volledige of de gedeeltelijke loopbaanonderbreking toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het bevallingsverlof, met toepassing van artikel 39 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of na een periode van verlof wegens moederschapsbescherming of bedreiging door een beroepsziekte, toegestaan door artikel 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971, en die eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar voor de personeelsleden, vermeld in artikel 12, § 1 die op 1 september of op 1 oktober van het school- of dienstjaar, of op beide data, met bevallingsverlof, met verlof wegens moederschapsbescherming of met verlof wegens bedreiging door een beroepsziekte zijn.
§ 2. In afwijking van artikel 12, § 1 wordt de volledige loopbaanonderbreking toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het volledig ouderschapsverlof met toepassing van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van dit besluit en eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar, op voorwaarde dat het personeelslid bij de aanvang van het volledig ouderschapsverlof heeft meegedeeld dat het zijn beroepsloopbaan na het verstrijken van het verlof verder wil onderbreken.
§ 3. In afwijking van artikel 12, § 1 wordt de halftijdse loopbaanonderbreking toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het halftijds ouderschapsverlof toegestaan met toepassing van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van dit besluit en eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar, op voorwaarde dat het personeelslid bij de aanvang van het halftijds ouderschapsverlof heeft meegedeeld dat het zijn beroepsloopbaan na het verstrijken van dit verlof verder wil onderbreken.
§ 4. In afwijking van artikel 12, § 1 wordt de loopbaanonderbreking met een vijfde toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het ouderschapsverlof met een vijfde toegestaan met toepassing van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van dit besluit en eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar, op voorwaarde dat het personeelslid bij de aanvang van het ouderschapsverlof met een vijfde heeft meegedeeld dat het zijn beroepsloopbaan na het verstrijken van dit verlof verder wil onderbreken.
§ 5. In afwijking van artikel 12, § 1 en § 2 wordt de loopbaanonderbreking beëindigd op het ogenblik dat het personeelslid het recht doet gelden op een loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen, op voorwaarde dat :
het personeelslid, vermeld in artikel 12, § 1, bij de aanvang van een van die onderbrekingen van de beroepsloopbaan heeft meegedeeld dat het de daaraan voorafgaande loopbaanonderbreking op dezelfde wijze wil voortzetten tot 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar;
het personeelslid, vermeld in artikel 12, § 2, bij aanvang van één van deze onderbrekingen van de beroepsloopbaan heeft meegedeeld dat het de daaraan voorafgaande loopbaanonderbreking op dezelfde wijze wil voortzetten voor het nog resterend gedeelte van de oorspronkelijk aangevraagde periode van loopbaanonderbreking.
De periodes van loopbaanonderbreking, vermeld in het eerste lid, moeten onmiddellijk op elkaar aansluiten. In dat geval wordt afgeweken van de ingangsdatum, vermeld in artikel 12, § 1 en § 2 van dit besluit.
[2 § 5/1. In afwijking van artikel 9, § 1 wordt de gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 55 jaar of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is, beëindigd op het ogenblik dat het personeelslid het recht doet gelden op een loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen. Dit kan enkel op voorwaarde dat het personeelslid, vermeld in artikel 9, § 1, of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is, bij de aanvang van een van die onderbrekingen van de beroepsloopbaan heeft meegedeeld dat het de daaraan voorafgaande gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 55 jaar, of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is, op dezelfde wijze wil voortzetten na beëindiging van de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen.
De periodes van loopbaanonderbreking, vermeld in het eerste lid, moeten onmiddellijk op elkaar aansluiten. In dat geval wordt afgeweken van de ingangsdatum, vermeld in artikel 9, § 1 van dit besluit.]2

[3 § 5/2. De gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 55 jaar of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is, wordt geschorst op het ogenblik dat het personeelslid het recht doet gelden op een loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen of voor het hervatten van het werk binnen de periode van [4 16 maart 2020 tot en met 30 juni 2020 of 3 mei 2021 tot en met 31 augustus 2021]4 ingevolge de coronacrisis.]3
[5 De gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 55 jaar of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is, kan vanaf 1 september 2022 ook geschorst worden om het werk te hervatten, op voorwaarde dat het bevoegde bestuur akkoord gaat met de werkhervatting. De minimumduur van de schorsing bedraagt twee weken.".
Tijdens de voormelde periode van schorsing kan het personeelslid de arbeidsprestaties niet verminderen of voltijds onderbreken, met uitzondering van ziekteverlof, de afwezigheid wegens arbeidsongeval, wegens ongeval op weg naar en van het werk, wegens beroepsziekte en verlof tijdelijk andere opdracht.]5

§ 6. In afwijking van artikel 12, § 1 en § 2 wordt de volledige en de gedeeltelijke loopbaanonderbreking toegestaan tijdens de periode waarin het personeelslid een beroepsopleiding volgt.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder beroepsopleiding verstaan :
[1 de beroepsopleiding zoals bepaald door het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;]1
elke andere vorm van onderwijs en opleiding georganiseerd, gefinancierd, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse overheid, waarvan het programma ten minste 120 uur op jaarbasis omvat.
§ 7. Het ziekteverlof, het bevallingsverlof, de afwezigheid wegens arbeidsongeval, wegens ongeval op weg naar en van het werk, wegens beroepsziekte, de terbeschikkingstelling wegens ziekte, de afwezigheid wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming maken geen einde aan de loopbaanonderbreking.
Art. 13. § 1er. Par dérogation à l'article 12, § 1er, l'interruption de carrière complète ou partielle est accordée pour une période débutant le jour après la fin du congé de maternité, en application de l'article 39 de la loi du travail du 16 mars 1971 ou après une période de congé de protection de la maternité ou d'écartement du risque de maladie professionnelle, accordé en vertu de l'article 42 de la loi du travail du 16 mars 1971, et se terminant le 31 août de l'année scolaire ou de service en cours pour les membres du personnel cités à l'article 12, § 1er, qui sont, soit le 1er septembre ou le 1er octobre de l'année scolaire ou de service, soit aux deux dates, en congé de maternité, en congé de protection de la maternité ou en congé d'écartement du risque de maladie professionnelle.
§ 2. Par dérogation à l'article 12, § 1er, l'interruption de carrière complète est accordée pour une période débutant le jour après la fin du congé parental complet en application de la section 1re du chapitre 3 du présent arrêté et se terminant le 31 août de l'année scolaire ou de service en cours, à condition que le membre du personnel ait fait savoir au début du congé parental complet qu'il souhaite continuer à interrompre sa carrière professionnelle après ce congé.
§ 3. Par dérogation à l'article 12, § 1er, l'interruption de carrière à mi-temps est accordée pour une période débutant le jour après la fin du congé parental à mi-temps en application de la section 1re du chapitre 3 du présent arrêté et se terminant le 31 août de l'année scolaire ou de service en cours, à condition que le membre du personnel ait fait savoir au début du congé parental à mi-temps qu'il souhaite continuer à interrompre sa carrière professionnelle après ce congé.
§ 4. Par dérogation à l'article 12, § 1er, l'interruption de carrière à 1/5e temps est accordée pour une période débutant le jour après la fin du congé parental à 1/5e temps en application de la section 1re du chapitre 3 du présent arrêté et se terminant le 31 août de l'année scolaire ou de service en cours, à condition que le membre du personnel ait fait savoir au début du congé parental à 1/5e temps qu'il souhaite continuer à interrompre sa carrière professionnelle après ce congé.
§ 5. Par dérogation à l'article 12, §§ 1er et 2, l'interruption de carrière est terminée au moment où le membre du personnel fait valoir le droit à une interruption de carrière pour congé parental, pour assistance médicale ou pour soins palliatifs, à condition que :
le membre du personnel visé à l'article 12, § 1er, ait fait savoir au début d'une de ces interruptions de carrière qu'il souhaite continuer l'interruption de carrière précédente de la même façon jusqu'au 31 août de l'année scolaire ou de service en cours;
le membre du personnel visé à l'article 12, § 2, ait fait savoir au début d'une de ces interruptions de carrière qu'il souhaite continuer l'interruption de carrière précédente de la même façon pour la partie restante de la période d'interruption de carrière initialement demandée.
Les périodes d'interruption de carrière, visées à l'alinéa premier, doivent se suivre immédiatement. Dans ce cas, il est dérogé à la date de début telle que visée à l'article 12, §§ 1er et 2 du présent arrêté.
[2 § 5/1. Par dérogation à l'article 9, § 1er, l'interruption de carrière partielle à partir de l'âge de 55 ans ou à partir de l'âge de cinquante ans si l'article 9, §§ 3, 4 ou 5 est d'application, est terminée au moment où le membre du personnel fait valoir une interruption de carrière pour congé parental, pour assistance médicale ou pour soins palliatifs. Ceci est uniquement possible à condition que le membre du personnel visé à l'article 9, § 1er, ou à partir de l'âge de cinquante ans si l'article 9, §§ 3, 4 ou 5 est d'application, a fait savoir au début d'une de ces interruptions de carrière qu'il souhaite continuer l'interruption de carrière partielle précédente de la même façon à partir de l'âge de 55 ans, ou à partir de l'âge de cinquante ans si l'article 9, §§ 3, 4 ou 5 est d'application, à la fin de l'interruption de carrière pour congé parental, pour assistance médicale ou pour soins palliatifs.
Les périodes de l'interruption de carrière visées à l'alinéa premier, doivent se suivre immédiatement. Dans ce cas, il est dérogé à la date de début telle que visée à l'article 9, § 1er du présent arrêté.]2

[3 § 5/2. L'interruption partielle de carrière à partir de 55 ans, ou à partir de 50 ans si l'article 9, §§ 3, 4 et 5 s'applique, est suspendue à partir du moment où le membre du personnel fait valoir son droit à une interruption de carrière pour soins palliatifs, ou pour la reprise du travail dans la période allant [4 16 mars 2020 au 30 juin 2020 ou du 3 mai 2021 au 31 août 2021]4 en raison de la crise du coronavirus.]3
[5 L'interruption de carrière partielle à partir de l'âge de cinquante-cinq ans ou à partir de l'âge de cinquante ans si l'article 9, §§ 3, 4 ou 5 est d'application, peut également être suspendue, à partir du 1er septembre 2022, pour reprendre le travail, à condition que l'administration compétente donne son accord à la reprise du travail. La durée minimale de la suspension est de deux semaines.
Lors de la période de suspension susmentionnée, le membre du personnel ne peut réduire ou interrompre à temps plein ses prestations de travail, sauf en cas de maladie, d'absence pour accident de travail, d'accident sur la route travail-domicile et domicile-travail, de maladie professionnelle et de congé pour un autre mandat temporaire.]5

§ 6. Par dérogation à l'article 12, §§ 1er et 2, l'interruption de carrière complète et partielle sont accordées pendant la période lors de laquelle le membre du personnel suit une formation professionnelle.
Pour l'application du premier alinéa, on entend par "formation professionnelle" :
[1 la formation professionnelle telle que définie par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle;]1
toute autre forme d'enseignement et de formation, organisée, financée, subventionnée ou agréée par l'Autorité flamande, dont le programme comprend au moins 120 heures sur une base annuelle.
§ 7. Le congé de maladie, le congé de maternité, l'absence pour cause d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail, d'une maladie professionnelle, la mise en disponibilité pour cause de maladie, le congé d'écartement du risque de maladie professionnelle et le congé de protection de la maternité ne mettent pas fin à l'interruption de la carrière professionnelle.
Art. 14. Elke loopbaanonderbreking eindigt uiterlijk op de vooravond van de pensionering.
Art. 14. Toute interruption de carrière se termine au plus tard la veille de la mise à la retraite.
Onderafdeling 3. - Duur van de loopbaanonderbreking
Sous-section 3. - Durée de l'interruption de carrière
Art. 15. De totale duur van de volledige loopbaanonderbreking mag voor de hele loopbaan niet meer dan [1 60 maanden]1 bedragen.
Art. 15. La durée totale de l'interruption de carrière complète ne peut dépasser les [1 60 mois]1 pour la carrière complète.
Art. 16. De totale duur van de gedeeltelijke loopbaanonderbreking mag voor de hele loopbaan niet meer dan [1 60 maanden]1 bedragen. De periodes van gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van [2 55 jaar zoals vermeld in artikel 9, § 1 of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is]2 worden daarbij niet meegerekend.
Art. 16. La durée totale de l'interruption de carrière partielle ne peut dépasser les [1 60 mois]1 pour la carrière complète. Les périodes d'interruption de carrière partielle à partir de l'âge de [2 55 ans, telles que visées à l'article 9, § 1er, ou à partir de l'âge de 50 ans si l'article 9, § 3, § 4 ou § 5 est d'application]2, ne sont pas prises en compte à cet effet.
Onderafdeling 4. - Toekenning van de loopbaanonderbreking
Sous-section 4. - Octroi de l'interruption de carrière
Art. 17. § 1. De volledige en de halftijdse loopbaanonderbreking moeten worden toegestaan als er een kandidaat-vervanger is die aan al de volgende voorwaarden voldoet :
hij is in het bezit van het vereiste bekwaamheidsbewijs;
hij voldoet aan de eisen van het opvoedingsproject van de inrichtende macht.
De inrichtende macht mag nagaan of de kandidaat-vervanger de eventueel vereiste nuttige ervaring heeft voor het bekwaamheidsbewijs, vermeld in het eerste lid, 1°. Dat onderzoek moet uitgevoerd worden op dezelfde wijze als de wijze die door de inrichtende macht gevolgd wordt bij de aanwerving van een personeelslid op grond van de bepalingen van de hierna volgende decreten :
het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;
het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
§ 2. De bepalingen van paragraaf 1 gelden voor een periode van [1 vijf]1 jaar loopbaanonderbreking, ongeacht of de loopbaan volledig of halftijds onderbroken wordt. De bepalingen van paragraaf 1 gelden ook voor de vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden voor de volledige periode van de gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf 1 september of 1 oktober nadat het personeelslid de leeftijd van [1 55 jaar heeft bereikt of de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is]1.
§ 3. De loopbaanonderbreking met een vijfde kan door de inrichtende macht worden toegestaan.
Art. 17. § 1er. L'interruption de carrière complète et partielle doivent être autorisées lorsqu'il y a un candidat remplaçant qui remplit les conditions suivantes :
il est en possession du titre requis;
il remplit les conditions du projet éducatif du pouvoir organisateur.
Le pouvoir organisateur peut vérifier si le candidat remplaçant dispose de l'expérience utile éventuellement requise pour le titre, visé à l'alinéa premier, 1°. Cette vérification s'effectue d'une manière identique à celle suivie par le pouvoir organisateur en cas de recrutement d'un membre du personnel sur la base des dispositions des décrets suivants :
le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire;
le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves.
§ 2. Les dispositions du paragraphe 1er s'appliquent pour une période de [1 cinq]1 ans d'interruption de carrière, que la carrière soit interrompue complètement ou partiellement. Les dispositions du paragraphe 1er s'appliquent également aux membres du personnel nommés à titre définitif ou admis au stage pour la période entière de l'interruption de carrière partielle à partir du 1er septembre ou du 1er octobre après que le membre du personnel a atteint l'âge de [1 a atteint l'âge de 55 ans ou l'âge de 50 ans si l'article 9, § 3, § 4 ou § 5 est d'application]1.
§ 3. L'interruption de carrière à 1/5e temps peut être autorisée par le pouvoir organisateur.
Onderafdeling 5. - Procedure en administratieve verplichtingen
Sous-section 5. - Procédure et obligations administratives
Art. 18. § 1. Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken, dient daartoe een aanvraag in bij de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie die hun aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering. Bij de aanvraag vermeldt het personeelslid de datum waarop hij wil dat de loopbaanonderbreking zou aanvangen en de duur ervan.
De inrichtende macht dient haar principiële beslissing mee te delen aan het personeelslid binnen vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Het invullen en overhandigen van het formulier vermeld in artikel 16, § 2 van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen geldt als definitieve toestemming.
§ 2. In geval van weigering moet de inrichtende macht haar weigering schriftelijk motiveren en uiterlijk zeven kalenderdagen voor de aanvang van de loopbaanonderbreking meedelen zowel aan het personeelslid dat de loopbaanonderbreking aanvraagt, als aan de kandidaat-vervanger.
Art. 18. § 1er. Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière introduit une demande à cet effet auprès du pouvoir organisateur de l'(des) établissement(s) ou du/des centre(se) où il travaille, à l'exception des membres du personnel de l'inspection, qui introduisent leur demande auprès du Gouvernement flamand. Lors de sa demande, le membre du personnel mentionne la date à laquelle il souhaite que prenne cours l'interruption de carrière, et la durée de celle-ci.
Le pouvoir organisateur doit communiquer sa décision de principe au membre du personnel dans les quinze jours calendaires à compter de la réception de la demande. Le fait de remplir et de transmettre le formulaire visé à l'article 16, § 2, de l'arrêté royal précité du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption vaut comme autorisation définitive.
§ 2. En cas de refus, le pouvoir organisateur doit motiver par écrit son refus et le communiquer, au plus tard sept jours calendaires avant le début de l'interruption de carrière, tant au membre du personnel demandant l'interruption de carrière qu'au candidat remplaçant.
Art. 19. Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken om een beroepsopleiding te volgen, voegt bij zijn aanvraag een attest van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling, afgekort VDAB, de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, afgekort Actiris, en de onderwijs- of vormingsinstelling waaruit de inschrijving voor, de aanvangsdatum, de duur en het aantal lesuren van de beroepsopleiding blijken.
Art. 19. Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière afin de suivre une formation professionnelle, joint à sa demande une attestation du 'Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling' (Office flamand de l'Emploi), en abrégé VDAB, de l'Office régional bruxellois de l'Emploi, en abrégé Actiris, et de l'établissement d'enseignement ou de formation dont résultent l'inscription, la date de début, la durée et le nombre d'heures de cours de la formation professionnelle.
Art. 20. § 1. Als bij een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau het recht op uitkeringen wordt ontzegd aan een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, moet de overheid, vermeld in artikel 21, § 1, tweede lid, dit onmiddellijk meedelen aan het personeelslid en aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, met vermelding van de datum waarop de beslissing ingaat.
§ 2. [2 ...]2
§ 3. [2 Het verlof van een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, maar geen recht heeft op een loopbaanonderbreking op basis van een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau of op basis van de bepalingen van dit besluit, wordt ambtshalve omgezet in een [4 afwezigheid voor verminderde prestaties]4.]2
[2 In dat geval]2, mag de duur overschreden worden van de [3 afwezigheid voor verminderde prestaties]3 waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die terzake op hem van toepassing zijn. Deze [3 afwezigheid]3 eindigt in elk geval bij het verstrijken van de lopende periode waarvoor de loopbaanonderbreking was aangevraagd.
Art. 20. § 1er. Lorsqu'en cas d'une décision du directeur du bureau de chômage, le droit aux allocations est refusé à un membre du personnel qui a interrompu sa carrière, l'autorité visée à l'article 21, § 1er, alinéa deux, doit en informer immédiatement le membre du personnel et le Ministre flamand compétent pour l'enseignement, avec mention de la date à laquelle la décision prend effet.
§ 2. [2 ...]2
§ 3. [2 Le congé d'un membre du personnel nommé ayant interrompu sa carrière professionnelle sans avoir droit à une interruption de carrière sur la base d'une décision du directeur du bureau de chômage ou sur la base des dispositions du présent arrêté, est converti d'office en une [4 absence pour prestations réduites]4.]2
[2 Dans ce cas]2, il est possible de dépasser la durée de [3 l'absence pour prestations réduites]3 à laquelle le membre du personnel concerné peut prétendre en vertu des dispositions réglementaires applicables à lui en la matière. Cette [3 absence]3 prend en tout cas fin à l'expiration de la période en cours faisant l'objet de la demande d'interruption de carrière.
Art. 21. § 1. [2 Om uitzonderlijke familiale redenen kan het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft, van de inrichtende macht de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van loopbaanonderbreking is verstreken.
De opzegging moet worden gericht aan de inrichtende macht. Voor de personeelsleden van de inspectie wordt deze opzegging via hiërarchische weg gericht aan de Vlaamse Regering.]2

§ 2. Stopzetting van de loopbaanonderbreking om uitzonderlijke familiale redenen is niet mogelijk na 1 mei van het school- of dienstjaar, met uitzondering voor de personeelsleden, vermeld in artikel 12, § 2.
§ 3. Naast de mogelijkheid voorzien in paragraaf 1 en 2, kunnen de personeelsleden met een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van [1 55 jaar of de leeftijd van vijftig jaar, indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is]1 hun ambt pas opnieuw volledig uitoefenen met ingang van 1 september. Ze moeten hun voornemen meedelen aan de inrichtende macht vóór 1 mei.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [2 ...]2
Art. 21. § 1er. [2 Pour des raisons familiales exceptionnelles le membre du personnel ayant interrompu sa carrière peut être autorisé par le pouvoir organisateur à reprendre sa fonction ou à l'exercer à nouveau entièrement avant l'expiration de la période d'interruption de carrière.
Le préavis correspondant doit être adressé au pouvoir organisateur. Pour les membres du personnel de l'inspection, ce préavis est adressé par voie hiérarchique au Gouvernement flamand.]2

§ 2. L'arrêt de l'interruption de carrière pour des raisons familiales exceptionnelles n'est pas possible après le 1er mai de l'année scolaire ou de service, sauf pour les membres du personnel, visés à l'article 12, § 2.
§ 3. Outre la possibilité prévue aux paragraphes 1er et 2, les membres du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière partielle à partir [1 de l'âge de 55 ans ou à partir de l'âge de 50 ans si l'article 9, § 3, § 4 ou § 5 est d'application]1, ne peuvent exercer leurs fonctions à nouveau complètement qu'à partir du 1er septembre. Ils doivent communiquer leur intention au pouvoir organisateur avant le 1er mai.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [2 ...]2
HOOFDSTUK 3. - Specifieke stelsels
CHAPITRE 3. - Régimes spécifiques
Afdeling 1. - Loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof
Section 1re. - Interruption de carrière pour congé parental
Art. 22. [1 [2 De personeelsleden hebben bij de geboorte of adoptie van hun kind of in het kader van langdurige pleegzorg recht op ouderschapsverlof om voor hun kind of voor het pleegkind te zorgen. Langdurige pleegzorg is pleegzorg waarvan bij de aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouder of dezelfde pleegouders zal verblijven.]2
[2 De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, hebben een van de volgende opties om voor hun kind of voor het pleegkind te zorgen:
hun beroepsloopbaan volledig onderbreken in periodes van een maand of een veelvoud daarvan, met een maximumduur van vier maanden;
hun beroepsloopbaan halftijds onderbreken in periodes van twee maanden of een veelvoud daarvan, met een maximumduur van acht maanden;
hun beroepsloopbaan met een vijfde onderbreken, in periodes van vijf maanden of een veelvoud daarvan, met een maximumduur van twintig maanden;
hun beroepsloopbaan met een tiende onderbreken, in periodes van tien maanden of een veelvoud daarvan, met een maximumduur van veertig maanden, na akkoord van de inrichtende macht. Als de inrichtende macht weigert, deelt de inrichtende macht die gemotiveerde beslissing schriftelijk mee aan het personeelslid.]2

De personeelsleden hebben de mogelijkheid om bij het opnemen van hun ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende opnamevormen, vermeld in het [2 tweede]2 lid. Bij een wijziging van opnamevorm wordt rekening gehouden met het principe dat één maand volledige loopbaanonderbreking overeenstemt met twee maanden halftijdse loopbaanonderbreking of met vijf maanden loopbaanonderbreking met een vijfde of met tien maanden loopbaanonderbreking met een tiende.
Als een periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof eindigt binnen een periode van zeven kalenderdagen voor een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of eindigt gedurende een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie, en het personeelslid neemt een nieuwe periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof gedurende diezelfde vakantie of binnen een periode van 7 kalenderdagen na diezelfde vakantie, dan wordt de tussenliggende vakantieperiode of een deel ervan, beschouwd als een afwezigheid voor verminderde prestaties. In dat geval mag de duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties van zestig maanden overschreden worden waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op dat personeelslid. Met behoud van de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden ze niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van afwezigheid voor verminderde prestaties waarop het personeelslid nog recht heeft.]1

Art. 22. [1 [2 En cas de naissance ou d'adoption de leur enfant, ou dans le cadre d'un placement familial de longue durée, les membres du personnel ont droit au congé parental afin de s'occuper de leur enfant ou de l'enfant placé. Le placement familial de longue durée est le placement d'accueil dont il est clair dès le départ que l'enfant restera dans la même famille d'accueil avec le(s) même(s) parent(s) d'accueil pendant au moins six mois. ]2
[2 Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, disposent de l'une des options suivantes afin de s'occuper de leur enfant ou de l'enfant placé :
interrompre complètement leur carrière professionnelle par périodes d'un mois ou d'un multiple d'un mois, avec une durée maximale de quatre mois ;
interrompre leur carrière professionnelle à mi-temps par périodes de deux mois ou d'un multiple de deux mois, avec une durée maximale de huit mois ;
interrompre leur carrière professionnelle à 1/5 temps par périodes de cinq mois ou d'un multiple de cinq mois, avec une durée maximale de vingt mois ;
interrompre leur carrière professionnelle à 1/10 temps par périodes de dix mois ou d'un multiple de dix mois, avec une durée maximale de quarante mois, moyennant accord du pouvoir organisateur. Si le pouvoir organisateur refuse, ce dernier notifie par écrit au membre du personnel sa décision motivée. ]2

Pour le congé parental, les membres du personnel disposent des différentes formes de prise visées [2 à l'alinéa 2]2. En cas de changement de forme de prise, il est tenu compte du principe selon lequel un mois d'interruption de carrière complète correspond à deux mois d'interruption de carrière à mi-temps, cinq mois d'interruption de carrière à 1/5 temps ou dix mois d'interruption de carrière à 1/10 temps.
Si une période d'interruption de carrière pour congé parental se termine au cours d'une période de sept jours civils avant les vacances d'automne, de Noël, de printemps ou de Pâques, ou se termine au cours des vacances d'automne, de Noël, de printemps ou de Pâques, et que le membre du personnel prend une nouvelle période d'interruption de carrière pour congé parental au cours de ces mêmes vacances ou d'une période de sept jour civils après ces mêmes vacances, la période de vacances intermédiaire ou une partie de celle-ci est considérée comme une absence pour prestations réduites. Dans ce cas la durée de l'absence pour prestations réduites de soixante mois, à laquelle le membre du personnel concerné a droit en vertu des dispositions réglementaires lui étant applicables, peut être dépassée. Sans préjudice du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaires ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptés pour déterminer la durée de la période d'absence pour prestations réduites à laquelle le membre du personnel a encore droit.]1

Art. 22/1. [1 In afwijking van [2 artikel 22, tweede lid, 1°]2, kan de periode van vier maanden, na akkoord van de inrichtende macht van de instelling of instellingen of het centrum of de centra waar hij werkt, volledig of gedeeltelijk worden opgesplitst in periodes van een week of een veelvoud daarvan. De inrichtende macht kan die opnamevorm weigeren. De inrichtende macht deelt die gemotiveerde beslissing schriftelijk mee aan het personeelslid. Als in geval van een gedeeltelijke opsplitsing in weken, het resterende gedeelte minder dan vier weken bedraagt, heeft het personeelslid het recht om dat saldo zonder akkoord van de inrichtende macht op te nemen.
In afwijking van [2 artikel 22, tweede lid, 2°]2, kan de periode van acht maanden, na akkoord van de inrichtende macht volledig of gedeeltelijk worden opgesplitst in periodes van een maand of een veelvoud daarvan. De inrichtende macht kan die opnamevorm weigeren. De inrichtende macht deelt die gemotiveerde beslissing schriftelijk mee aan het personeelslid. Als in geval van een gedeeltelijke opsplitsing in maanden, het resterende gedeelte een maand bedraagt, heeft het personeelslid het recht om dat saldo zonder akkoord van de inrichtende macht op te nemen.]1

Art. 22/1. [1 Par dérogation à [2 l'article 22, alinéa 2, 1°]2, la période de quatre mois peut, avec l'accord du pouvoir organisateur du ou des établissements ou du ou des centres où il travaille, être divisée en tout ou partie en périodes d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine. Le pouvoir organisateur peut refuser cette forme de prise. Le pouvoir organisateur notifie par écrit au membre du personnel cette décision motivée. Si, en cas de subdivision partielle en semaines, la partie restante est inférieure à quatre semaines, le membre du personnel a le droit de prendre ce solde sans l'accord du pouvoir organisateur.
Par dérogation à [2 l'article 22, alinéa 2, 2°]2, la période de huit mois peut, avec l'accord du pouvoir organisateur, être entièrement ou partiellement divisée en périodes d'un mois ou d'un multiple d'un mois. Le pouvoir organisateur peut refuser cette forme de prise. Le pouvoir organisateur notifie par écrit au membre du personnel cette décision motivée. Si, en cas de subdivision partielle en mois, la partie restante s'élève à un mois, le membre du personnel a le droit de prendre ce solde sans l'accord du pouvoir organisateur.]1

Art. 23. § 1. [3 ...]3
[1 § 2. In afwijking van artikel 22 kan een personeelslid dat al voor 1 september 2012 [2 een volledige of halftijdse]2 loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof genomen heeft, een bijkomende ononderbroken periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof opnemen :
gedurende maximum één maand bij een volledige loopbaanonderbreking;
gedurende maximum twee maanden bij een halftijdse loopbaanonderbreking;
gedurende maximum vijf maanden bij een loopbaanonderbreking met een vijfde.".
[2 § 2/1. In afwijking van artikel 22 kan een personeelslid dat al voor 1 september 2012 loopbaanonderbreking met een vijfde voor ouderschapsverlof genomen heeft, een bijkomende ononderbroken periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof opnemen :
gedurende maximaal één maand bij een volledige loopbaanonderbreking;
gedurende maximaal twee maanden bij een halftijdse loopbaanonderbreking;
gedurende maximaal veertien maanden bij een loopbaanonderbreking met een vijfde.]2

§ 3. [3 ...]3
[2 § 4. [3 ...]3]2
Art. 23. [1 § 1er.]1 [3 ...]3
[1 § 2. Par dérogation à l'article 22, un membre du personnel ayant déjà pris une interruption de carrière pour congé parental avant le 1er septembre 2012, peut prendre une période ininterrompue supplémentaire d'interruption de carrière [2 à temps entier ou à mi-temps]2 pour congé parental :
pendant au maximum 1 mois en cas d'interruption de carrière complète;
pendant au maximum 2 mois en cas d'interruption de carrière à mi-temps;
pendant au maximum 5 mois en cas d'interruption de carrière d'un cinquième. ".
[2 § 2/1. Par dérogation à l'article 22, un membre du personnel ayant déjà pris une interruption de carrière pour congé parental d'un cinquième avant le 1er septembre 2012, peut prendre une période ininterrompue supplémentaire d'interruption de carrière pour congé parental :
pendant au maximum un mois en cas d'interruption de carrière complète;
pendant au maximum deux mois en cas d'interruption de carrière à mi-temps;
pendant au maximum quatorze mois en cas d'interruption de carrière d'un cinquième.]2

§ 3. [3 ...]3
[2 § 4. [3 ...]3]2
Art. 24. Het personeelslid heeft recht op het ouderschapsverlof :
vanaf de geboorte van zijn kind tot op de vooravond van de dag waarop het kind twaalf jaar wordt;
in het kader van de adoptie van een kind, gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft, uiterlijk tot op de vooravond van de dag waarop het kind twaalf jaar wordt.
[2 3° in het kader van langdurige pleegzorg, gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft, uiterlijk tot op de vooravond van de dag waarop het kind twaalf jaar wordt. Het personeelslid kan dit recht uitoefenen voor zover en zo lang het betrokken kind bij hem geplaatst is in het kader van langdurige pleegzorg.]2
Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag, [1 of dat ten minste negen punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving over de kinderbijslag,]1 geldt de leeftijdsgrens van 21 jaar in plaats van 12 jaar.
Art. 24. Le membre du personnel a droit au congé parental :
à partir de la naissance de son enfant jusqu'à la veille du jour auquel l'enfant atteint l'âge de douze ans;
dans le cadre de l'adoption d'un enfant, pendant une période qui court à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage, au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où le membre du personnel a sa résidence, et ce, jusqu'à la veille du jour auquel l'enfant atteint l'âge de douze ans.
[2 3° dans le cadre d'un placement familial de longue durée, pendant une période qui court à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage, au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où le membre du personnel a sa résidence, au plus tard la veille du jour où l'enfant atteint l'âge de douze ans. Le membre du personnel peut exercer ce droit dans la mesure où et aussi longtemps que l'enfant concerné est placé chez lui dans le cadre d'un placement familial de longue durée. ]2
Lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection résultant en l'octroi d'au moins 4 points au pilier I sur l'échelle médico-sociale au sens du régime des allocations familiales, [1 ou en l'octroi d'au moins neuf points dans chacun des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens du régime des allocations familiales,]1 la limite d'âge applicable est 21 ans au lieu de 12 ans.
Art. 25. Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken om voor zijn kind [2 of voor het pleegkind]2 te zorgen in het kader van ouderschapsverlof, deelt dat mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie, die dat meedelen aan de Vlaamse Regering. Bij die mededeling moeten de begin- en einddatum van het ouderschapsverlof worden vermeld.
Het personeelslid verstrekt uiterlijk op het ogenblik dat het ouderschapsverlof ingaat, naar gelang van het geval, de volgende bewijsstukken :
[1 ...]1
een attest waaruit de adoptie blijkt;
een attest waaruit blijkt dat het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag [1 , of dat ten minste negen punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving over de kinderbijslag]1;
[2 4° een attest waaruit de langdurige pleegzorg blijkt.]2
[2 Bij de documenten, vermeld in het tweede lid, 2° en 4°,]2 moet altijd een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister worden gevoegd, waaruit de samenstelling van het gezin blijkt.
Art. 25. Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière afin de s'occuper de son enfant [2 ou de l'enfant placé]2 dans le cadre du congé parental, en avise le pouvoir organisateur de l'(des) établissement(s) ou du/des centre(se) où il travaille, à l'exception des membres du personnel de l'inspection, qui en avisent le Gouvernement flamand. Cette communication doit mentionner la date de début et de fin du congé parental.
Le membre du personnel fournit, au plus tard au moment que le congé parental commence, selon le cas, les pièces justificatives suivantes :
[1 ...]1
une attestation démontrant l'adoption;
une attestation démontrant que l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection résultant en l'octroi d'au moins 4 points au pilier I sur l'échelle médico-sociale au sens du régime des allocations familiales [1 , ou en l'octroi d'au moins neuf points dans chacun des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens du régime des allocations familiales]1.
[2 4° une attestation démontrant le placement familial de longue durée. ]2
[2 Les documents, visés à l'alinéa 2, 2° et 4]2, doivent toujours s'accompagner d'un extrait du registre de la population ou du registre des étrangers, démontrant la composition de la famille.
Art. 25/1. [1 De personeelsleden die voor 1 september 2020 een loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof hebben opgenomen, blijven voor de opname van ouderschapsverlof voor datzelfde kind ressorteren onder de regelgeving die van kracht was voor die datum, met uitzondering van de periodes die genomen werden op basis van artikel 25/5, § 3.]1
Art. 25/1. [1 Les membres du personnel ayant pris une interruption de carrière pour congé parental avant le 1 septembre 2020 restent soumis, aux fins de la prise de congé parental pour le même enfant, à la réglementation en vigueur avant cette date, à l'exception des périodes prises sur la base de l'article 25/5, § 3.]1
Afdeling 1/1. [1 - Loopbaanonderbreking voor corona-ouderschapsverlof]1
Section 1.1. [1 - Interruption de carrière pour congé parental corona]1
Art. 25/2. [1 Tijdens de periode die loopt van 1 mei 2020 tot en met 30 [2 september]2 2020 kan een personeelslid corona-ouderschapsverlof opnemen om voor zijn kind te zorgen. Het personeelslid kan:
ofwel zijn loopbaan gedeeltelijk onderbreken tot een halftijdse betrekking, op voorwaarde dat het personeelslid belast is met een of meer betrekkingen die samen ten minste 75% van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties;
ofwel zijn loopbaan gedeeltelijk onderbreken door hun prestaties te verminderen met een vijfde, op voorwaarde dat het personeelslid een ambt met volledige prestaties uitoefent.
In afwijking van het eerste lid kunnen nieuwe aanvragen voor corona-ouderschapsverlof ingaan vanaf 11 mei 2020.
[2 Tijdens de periode die loopt van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 kan een personeelslid voltijds corona-ouderschapsverlof opnemen om voor zijn kind te zorgen:
als het kind een gehandicapt kind is als bedoeld in artikel 14/2, tweede of derde lid, of,
als de ouder van het kind alleenwonend is. Onder alleenwonende ouder wordt verstaan, de persoon die uitsluitend samenwoont met één of meerdere kinderen die hij ten laste heeft.]2

Het corona-ouderschapsverlof kan enkel worden opgenomen met akkoord van de inrichtende macht van de instelling of instellingen of het centrum of de centra waar hij werkt.]1

Art. 25/2. [1 Pendant la période du 1 mai 2020 au 30 [2 septembre]2 2020, un membre du personnel peut prendre un congé parental corona pour s'occuper de son enfant. Le membre du personnel peut :
soit interrompre partiellement sa carrière jusqu'à un emploi à mi-temps, à condition qu'il ait la charge d'un ou plusieurs emplois qui, ensemble, représentent au moins 75 % du nombre d'unités de prestation requises pour une fonction à prestations complètes ;
soit interrompre sa carrière partiellement en réduisant ses prestations d'un cinquième, à condition que le membre du personnel exerce une fonction à prestations complètes.
Par dérogation au premier alinéa, les nouvelles demandes de congé parental corona peuvent prendre effet à partir du 11 mai 2020.
[2 Pendant la période du 1 juillet 2020 au 30 septembre 2020, un membre du personnel peut prendre un congé parental corona à temps plein pour s'occuper de son enfant :
si l'enfant est un enfant handicapé tel que visé à l'article 25/3, deuxième ou troisième alinéa, ou,
si le parent de l'enfant est isolé. Par parent isolé on entend une personne qui vit exclusivement avec un ou plusieurs enfants à charge.]2

Le congé parental corona ne peut être pris qu'avec l'accord du pouvoir organisateur du ou des établissements ou du ou des centres où il travaille.]1

Art. 25/3. [1 Het corona-ouderschapsverlof kan worden genomen:
naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;
naar aanleiding van de adoptie van zijn kind, gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft, en dit uiterlijk tot het kind twaalf jaar wordt.
door een pleegouder aangesteld als pleegouder door de rechtbank of door een door de gemeenschap erkende dienst, en dit uiterlijk tot het kind twaalf jaar wordt.
De leeftijdsgrens wordt vastgesteld op 21 jaar als het kind een gehandicapt kind is.
In afwijking van het vorige lid, is er geen leeftijdsgrens als een kind of volwassene met een handicap opgevangen wordt door zijn ouders indien hij geniet van een intramurale of extramurale dienstverlening of behandeling georganiseerd of erkend door de Gemeenschappen.]1

Art. 25/3. [1 Le congé parental corona peut être pris :
à l'occasion de la naissance de son enfant, jusqu'à ce que ce dernier atteigne l'âge de douze ans ;
à l'occasion de l'adoption de son enfant, pendant une période qui court à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage, au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où le membre du personnel a sa résidence, et ce jusqu'à ce que l'enfant atteigne l'âge de douze ans ;
par un parent d'accueil désigné comme tel par le tribunal ou par un service reconnu par la communauté, et ce jusqu'à ce que l'enfant atteigne l'âge de douze ans.
L'âge limite est fixé à 21 ans si l'enfant est un enfant handicapé.
Par dérogation à l'alinéa précédent, il n'y a pas de limite d'âge pour un enfant ou adulte handicapé pris en charge par ses parents s'il bénéficie de services ou de traitements intra ou extra muros, organisés ou reconnus par les Communautés.]1

Art. 25/4. [1 De opname van het corona-ouderschapsverlof gebeurt met een periode van één kalendermaand of een veelvoud daarvan. Als de opname van een corona-ouderschapverlof met een kalendermaand niet mogelijk is, dan kan het personeelslid de resterende duur corona-ouderschapsverlof opnemen, met een week of een veelvoud ervan.]1
Art. 25/4. [1 Le congé parental corona est pris en une période d'un mois civil ou d'un multiple d'un mois civil. S'il n'est pas possible de prendre le congé parental corona en un mois civil, le membre du personnel peut prendre la période restante de congé parental corona en une semaine ou un multiple d'une semaine.]1
Art. 25/5. [1 § 1 . Een personeelslid dat conform afdeling 1, 2 of 3 van hoofdstuk 3 van dit besluit of conform hoofdstuk 3, afdeling 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet zijn loopbaan onderbreekt tot een halftijdse betrekking of zijn loopbaan gedeeltelijk onderbreekt door zijn prestaties te verminderen met een vijfde, kan, met akkoord van zijn inrichtende macht die loopbaanonderbreking of dat zorgkrediet omzetten in het corona-ouderschapsverlof .
Als de loopbaanonderbreking of het zorgkrediet conform artikel 1, 2 of 3 van hoofdstuk 3 van dit besluit of conform hoofdstuk 3, afdeling 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet een voorziene duurtijd heeft die langer is dan die van het corona-ouderschapsverlof, dan wordt de loopbaanonderbreking of het zorgkrediet onmiddellijk na afloop van het corona-ouderschapsverlof hernomen tot de oorspronkelijk aangevraagde einddatum.
§ 2. Een personeelslid dat conform afdeling 1, 2 of 3 van hoofdstuk 3 van dit besluit of conform hoofdstuk 3, afdeling 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet zijn loopbaan volledig onderbreekt of zijn loopbaan gedeeltelijk onderbreekt tot een halftijdse betrekking of zijn loopbaan gedeeltelijk onderbreekt door zijn prestaties te verminderen met een vijfde, kan, met akkoord van zijn inrichtende macht, die loopbaanonderbreking of dat zorgkrediet schorsen met het oog op het opnemen van het corona-ouderschapsverlof.
Als de loopbaanonderbreking of het zorgkrediet een voorziene duurtijd heeft die langer is dan die van het corona-ouderschapsverlof, dan wordt die loopbaanonderbreking of dat zorgkrediet onmiddellijk na afloop van het corona-ouderschapsverlof hernomen tot de oorspronkelijk aangevraagde einddatum.
§ 3. De periode waarin de loopbaanonderbreking wordt omgezet in een corona-ouderschapsverlof volgens de paragrafen 1 of 2, wordt niet aangerekend voor de maximale duur van de loopbaanonderbreking.]1

Art. 25/5. [1 § 1. Le membre du personnel qui, conformément aux sections 1, 2 ou 3 du chapitre 3 du présent arrêté ou au chapitre 3, section 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, interrompt sa carrière jusqu'à un emploi à mi-temps ou l'interrompt partiellement en réduisant ses prestations d'un cinquième, peut, avec l'accord de son pouvoir organisateur, convertir cette interruption de carrière ou ce crédit-soins en congé parental corona.
Si l'interruption de carrière ou le crédit-soins conformément aux sections 1, 2 ou 3 du chapitre 3 du présent arrêté ou au chapitre 3, section 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins a une durée prévue plus longue que celle du congé parental corona, l'interruption de carrière ou le crédit-soins sera repris immédiatement après la fin du congé parental corona jusqu'à la date de fin initialement demandée.
§ 2. Le membre du personnel qui, conformément aux sections 1, 2 ou 3 du présent arrêté ou au chapitre 3, section 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, interrompt sa carrière soit complètement, soit partiellement jusqu'à un emploi à mi-temps, soit en réduisant ses prestations d'un cinquième, peut, avec l'accord de son pouvoir organisateur, suspendre cette interruption de carrière ou ce crédit-soins en vue de prendre le congé parental corona.
Si l'interruption de carrière ou le crédit-soins a une durée prévue plus longue que celle du congé parental corona, l'interruption de carrière ou le crédit-soins reprend immédiatement après la fin du congé parental corona jusqu'à la date de fin initialement demandée.
§ 3. La période pendant laquelle l'interruption de carrière est convertie en congé parental corona conformément aux paragraphes 1 ou 2 n'est pas prise en compte pour la durée maximale de l'interruption de carrière.]1

Art. 25/6. [1 § 1. Het personeelslid dat gebruik wenst te maken van het corona-ouderschapsverlof, doet een aanvraag bij zijn inrichtende macht overeenkomstig de volgende bepalingen:
het personeelslid brengt ten minste drie werkdagen op voorhand zijn inrichtende macht hiervan schriftelijk op de hoogte;
de kennisgeving gebeurt door middel van een aangetekend schrijven of de overhandiging van het in 1° van deze paragraaf bedoelde geschrift waarvan het duplicaat voor ontvangst wordt ondertekend door de inrichtende macht, hetzij op elektronische wijze mits ontvangstbevestiging van het bericht door de inrichtende macht;
het in 1° van deze paragraaf bedoelde geschrift vermeldt de begin- en einddatum van het ouderschapsverlof.
§ 2. De inrichtende macht geeft het personeelslid schriftelijk zijn akkoord binnen een termijn van maximaal drie werkdagen na aanvraag en in ieder geval ten laatste voor de aanvang van het corona-ouderschapsverlof. Hij geeft binnen dezelfde termijn zijn akkoord met, naar gelang het geval, de omzetting van de loopbaanonderbreking in corona-ouderschapsverlof of met de schorsing van de loopbaanonderbreking in toepassing van artikel 25/5
§ 3. De onderbrekingsuitkering wordt aangevraagd met toepassing van de ter zake geldende federale regels.
De omzetting van de loopbaanonderbreking en de schorsing van de loopbaanonderbreking, zoals voorzien in artikel 25/5, worden schriftelijk meegedeeld aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.]1

Art. 25/6. [1 § 1. Un membre du personnel souhaitant bénéficier d'un congé parental corona en fait la demande auprès de son pouvoir organisateur conformément aux dispositions suivantes :
le membre du personnel informe par écrit son pouvoir organisateur au moins trois jours ouvrables à l'avance ;
la notification est faite par lettre recommandée ou par remise de l'écrit visé au 1° du présent paragraphe, dont le double est signé pour réception par le pouvoir organisateur, ou par voie électronique moyennant accusé de réception du pouvoir organisateur ;
l'écrit visé au 1° du présent paragraphe mentionne les dates de début et de fin du congé parental.
§ 2. Le pouvoir organisateur donne son accord écrit au membre du personnel dans un délai maximum de trois jours ouvrables après la demande et, en tout état de cause, au plus tard avant le début du congé parental corona. Dans ce même délai, il donne son accord à la conversion de l'interruption de carrière en congé parental corona ou à la suspension de l'interruption de carrière en application de l'article 25/5, selon le cas.
§ 3. L'allocation d'interruption est demandée conformément aux règles fédérales applicables.
La conversion de l'interruption de carrière et la suspension de l'interruption de carrière, prévues à l'article 25/5, sont notifiées par écrit à l'Office national de l'emploi.]1

Afdeling 2. - Loopbaanonderbreking voor medische bijstand
Section 2. - Interruption de carrière pour assistance médicale
Art. 26. De personeelsleden hebben recht op loopbaanonderbreking om bijstand of verzorging te verlenen aan een familielid tot de tweede graad of aan een gezinslid dat lijdt aan een zware ziekte. Ze kunnen :
ofwel hun beroepsloopbaan volledig onderbreken;
ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken tot een halftijdse betrekking;
ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken door hun prestaties te verminderen met een vijfde, op voorwaarde dat het personeelslid aangesteld is in een ambt met volledige prestaties.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder :
gezinslid : elke persoon die samenwoont met het personeelslid
familielid : zowel de bloed- als de aanverwanten;
zware ziekte : elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging noodzakelijk is voor het herstel.
Art. 26. Les membres du personnel ont droit à l'interruption de carrière pour porter assistance ou pour dispenser des soins à un membre de la famille jusqu'au deuxième degré ou à un membre du ménage gravement malade. Ils peuvent :
soit interrompre leur carrière complètement;
soit interrompre leur carrière partiellement jusqu'à un emploi à mi-temps;
soit interrompre leur carrière partiellement en réduisant leurs prestations d'un cinquième, à condition que le membre du personnel exerce une fonction à prestations complètes.
Pour l'application ce l'alinéa premier, on entend par :
membre du ménage : toute personne cohabitant avec le membre du personnel;
membre de la famille : tout parent ou allié;
maladie grave : toute maladie ou intervention médicale considérée comme telle par le médecin traitant, dont le processus de guérison nécessite à son avis toute forme d'assistance sociale, familiale ou affective ou de prestation de soins.
Art. 27. [1 § 1.]1 De volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking kan alleen opgenomen worden in periodes van minimaal één en maximaal drie maanden, al dan niet aaneensluitend, tot een maximumperiode van twaalf maanden per patiënt bij een volledige loopbaanonderbreking of vierentwintig maanden per patiënt voor een gedeeltelijke loopbaanonderbreking.
[2 [4 ...]4]2
[1 § 2. Voor het personeelslid dat alleenstaand is, wordt, in geval van zware ziekte van zijn kind dat ten hoogste 16 jaar is, de maximumperiode van 12 maanden per patiënt, vermeld in paragraaf 1, voor de volledige loopbaanonderbreking uitgebreid naar 24 maanden per patiënt en wordt de maximumperiode van 24 maanden per patiënt, vermeld in paragraaf 1, voor de gedeeltelijke loopbaanonderbreking uitgebreid naar 48 maanden per patiënt.
Onder alleenstaande wordt het personeelslid verstaan dat uitsluitend en effectief samenwoont met een of meer van zijn of haar kinderen. Voor de toepassing van het eerste lid moet het personeelslid het bewijs leveren van de samenstelling van het gezin met een attest van de gemeentelijke overheid waaruit blijkt dat het personeelslid op het moment van de aanvraag van de loopbaanonderbreking uitsluitend en effectief samenwoont met een of meer van zijn kinderen. Voor iedere verlenging van een periode van volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking moet het personeelslid het vereiste attest indienen.]1

[4 § 3. In afwijking van paragraaf 1 kan bij opname van een volledige loopbaanonderbreking de minimumduur van de onderbrekingsperiodes, na akkoord van de inrichtende macht, ingekort worden tot één van de volgende periodes:
één week;
twee weken;
drie weken.
Als het resterende gedeelte van de maximumperiode van de onderbreking na de toepassing van het eerste lid minder bedraagt dan één maand, heeft het personeelslid het recht om het saldo zonder akkoord van de inrichtende macht op te nemen.]4

[4 § 4. Als een periode van loopbaanonderbreking voor medische bijstand eindigt binnen een periode van zeven kalenderdagen voor een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of eindigt gedurende een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie, en het personeelslid neemt een nieuwe periode van loopbaanonderbreking voor medische bijstand gedurende diezelfde vakantie of binnen een periode van zeven kalenderdagen na diezelfde vakantie, dan wordt de tussenliggende vakantieperiode of een deel ervan, beschouwd als een afwezigheid voor verminderde prestaties. In dat geval mag de duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties van zestig maanden overschreden worden waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op dat personeelslid. Met behoud van de toepassing van de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden ze niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van afwezigheid voor verminderde prestaties waarop het personeelslid nog recht heeft.]4
Art. 27. [1 § 1er.]1 L'interruption complète ou partielle de la carrière ne peuvent être prises que par périodes d'un mois au minimum et de trois mois au maximum, consécutives ou non, jusqu'à une période maximale de 12 mois par patient pour une interruption complète de la carrière ou de 24 mois par patient pour une interruption partielle de la carrière professionnelle.
[2 [4 ...]4]2
[1 § 2. Pour le membre du personnel vivant seul et ayant un enfant de 16 ans au plus souffrant d'une maladie grave, la période maximale de 12 mois par patient, telle que visée au paragraphe 1er, est portée à 24 mois par patient en cas d'interruption complète de la carrière, et la période maximale de 24 mois par patient, visée au paragraphe 1er, est portée à 48 mois par patient en cas d'interruption partielle de la carrière.
Par 'vivant seul' il faut entendre le membre du personnel vivant exclusivement et effectivement avec un ou plusieurs de ses enfants. Pour l'application de l'alinéa premier, le membre du personnel doit livrer la preuve de la composition de la famille par une attestation des autorités communales prouvant que le membre du personnel vit, au moment de la demande d'interruption de la carrière professionnelle, exclusivement et effectivement avec un ou plusieurs de ses enfants. Pour chaque prolongement d'une période d'interruption de carrière complète ou partielle, le membre du personnel doit produire l'attestation requise.]1

[4 § 3. Par dérogation au paragraphe 1, en cas d'interruption complète de carrière, la durée minimale des périodes d'interruption peut être ramenée à l'une des périodes suivantes, avec l'accord du pouvoir organisateur :
une semaine ;
deux semaines ;
trois semaines.
Si la partie restante de la période maximale d'interruption est inférieure à un mois à la suite de l'application du premier alinéa, le membre du personnel a le droit de prendre le solde sans l'accord du pouvoir organisateur.]4

[4 § 4. Si une période d'interruption de carrière pour assistance médicale se termine au cours d'une période de sept jours civils avant les vacances d'automne, de Noël, de printemps ou de Pâques, ou se termine au cours des vacances d'automne, de Noël, de printemps ou de Pâques, et que le membre du personnel prend une nouvelle période d'interruption de carrière pour assistance médicale au cours de ces mêmes vacances ou d'une période de sept jour civils après ces mêmes vacances, la période de vacances intermédiaire ou une partie de celle-ci est considérée comme une absence pour prestations réduites. Dans ce cas la durée de l'absence pour prestations réduites de soixante mois, à laquelle le membre du personnel concerné a droit en vertu des dispositions réglementaires lui étant applicables, peut être dépassée. Sans préjudice de l'application du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaires ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptés pour déterminer la durée de la période d'absence pour prestations réduites à laquelle le membre du personnel a encore droit.]4
Art. 27/1. [1 § 1. In afwijking van de duur van minimum één maand, vermeld in artikel 27, kan het personeelslid voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte, zijn beroepsloopbaan volledig onderbreken voor een duur van één week, eventueel verlengbaar met één week.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder zware ziekte, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of psychologische bijstand of verzorging noodzakelijk is.
§ 2. De mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, zoals vermeld in paragraaf 1, staat open voor :
het personeelslid dat bloed- of aanverwant is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en ermee samenwoont;
het personeelslid dat samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.
Als de personeelsleden vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, zoals vermeld in paragraaf 1, dan kunnen ook de volgende personeelsleden op die mogelijkheid een beroep doen :
het personeelslid dat bloed- of aanverwant is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en er niet mee samenwoont;
als het personeelslid vermeld onder 1° geen gebruik kan maken van de mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, een bloed- of aanverwant van het zwaar zieke kind tot de tweede graad. ".
§ 3. Als het personeelslid aansluitend op de mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, zoals vermeld in paragraaf 1, zijn recht uitoefent op loopbaanonderbreking voor medische bijstand zoals vermeld in artikel 26 voor datzelfde zwaar zieke kind, kan de minimale periode voor de opname van de volledige onderbreking van de beroepsloopbaan korter zijn dan één maand.]1

Art. 27/1. [1 § 1er. En dérogation de la durée d'un mois au minimum visée à l'article 27, le membre du personnel peut interrompre sa carrière professionnelle de manière complète pour la durée d'une semaine, éventuellement renouvelable d'une semaine, pour l'assistance ou prestation de soins d'un enfant mineur, pendant ou immédiatement après l'hospitalisation de l'enfant suite à une maladie grave.
Pour l'application du présent article, il faut entendre par 'maladie grave' toute maladie ou intervention médicale considérée comme telle par le médecin traitant de l'enfant gravement malade, dont le processus de guérison nécessite à son avis toute forme d'assistance sociale, familiale ou psychologique ou de prestation de soins.
§ 2. La possibilité d'interruption de la carrière professionnelle pour la durée d'une semaine, telle que visée au paragraphe 1er, est ouverte pour :
le membre du personnel qui est un parent ou allié au premier degré de l'enfant gravement malade et qui cohabite avec lui;
le membre du personnel qui cohabite avec l'enfant gravement malade et est chargée de l'éducation quotidienne.
Si les membres du personnel visés à l'alinéa premier, 1° et 2° ne peuvent pas utiliser la possibilité d'interrompre leur carrière professionnelle pour la durée d'une semaine telle que visée au paragraphe 1er, les membres du personnel suivants peuvent également faire appel à cette possibilité :
le membre du personnel qui est un parent ou allié au premier degré de l'enfant gravement malade et qui ne cohabite pas avec celui-ci;
si le membre du personnel visé sous 1° ne peut pas utiliser la possibilité d'interruption de la carrière professionnelle pour la durée d'une semaine, un membre de famille de l'enfant gravement malade jusqu'au deuxième degré. ".
§ 3. Si le membre du personnel exerce le droit d'interruption de la carrière pour assistance médicale telle que visée à l'article 26 pour le même enfant gravement malade, immédiatement après possibilité d'interruption de la carrière professionnelle, la période minimale pour la prise de l'interruption complète de la carrière professionnelle peut être inférieure à un mois.]1

Art. 28. Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken voor de verzorging van een zwaar ziek gezinslid of zwaar ziek familielid deelt dat mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waarbij hij tewerkgesteld is, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie, die dit meedelen aan de Vlaamse Regering. Hij voegt bij deze mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek gezins- of familielid, waaruit blijkt dat het personeelslid bereid is bijstand of verzorging te verlenen aan de zwaar zieke persoon. [1 In geval van hospitalisatie van het kind wordt het bewijs van hospitalisatie geleverd door een attest van het betrokken ziekenhuis.]1
De loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin voornoemde mededeling is gedaan of op een vroeger tijdstip, na akkoord van de inrichtende macht of van de Vlaamse Regering voor de personeelsleden van de inspectie.
[1 In geval van hospitalisatie van een zwaar ziek kind, kan worden afgeweken van de termijn voor de aanvraag bij de inrichtende macht wanneer de hospitalisatie van het kind onvoorzienbaar is. In dat geval bezorgt het personeelslid zo spoedig mogelijk een attest van de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind waaruit het onvoorzienbare karakter van de hospitalisatie blijkt. Deze mogelijkheid geldt ook als de onderbreking van de beroepsloopbaan verlengd wordt met één week.]1
Art. 28. Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière pour la prestation de soins à un membre du ménage ou de la famille souffrant d'une maladie grave, en avise le pouvoir organisateur de l'(des) établissement(s) ou du/des centre(s) où il travaille, à l'exception des membres du personnel de l'inspection et du service d'études, qui en avisent le Gouvernement flamand. Il assortit cette notification d'un certificat délivré par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille gravement malade, dont il ressort que le membre du personnel est disposé à porter de l'assistance ou de prester des soins à la personne gravement malade. [1 Au cas d'hospitalisation de l'enfant, la preuve d'hospitalisation est fournie par une attestation de l'hôpital en question.]1
L'interruption de carrière pour la prestation de soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade prend cours le premier jour de la semaine qui suit la semaine dans laquelle la notification a été faite ou plus tôt, moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou du Gouvernement flamand pour les membres du personnel de l'inspection.
[1 Au cas d'une hospitalisation d'un enfant gravement malade, il peut être dérogé du délai pour la demande auprès du pouvoir organisateur lorsque l'hospitalisation de l'enfant est imprévisible. Dans ce cas, le membre du personnel remet le plus tôt possible une attestation du médecin traitant démontrant le caractère imprévisible de l'hospitalisation. Cette possibilité s'applique également si l'interruption de la carrière professionnelle est prolongée d'une semaine.]1
Afdeling 3. - Loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen
Section 3. - Interruption de carrière pour la prestation de soins palliatifs
Art. 29. De personeelsleden hebben het recht op loopbaanonderbreking om palliatieve verzorging te verstrekken aan een persoon krachtens de bepalingen van artikel 100bis en 102bis van de wet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. Ze kunnen :
ofwel hun loopbaan volledig onderbreken;
ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken tot een halftijdse betrekking;
ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken door hun prestaties te verminderen met een vijfde, op voorwaarde dat het personeelslid aangesteld is in een ambt met volledige prestaties.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder palliatieve verzorging elke vorm van bijstand verstaan, in het bijzonder medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand en verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden.
Art. 29. Les membres du personnel ont le droit à une interruption de carrière pour la prestation de soins palliatifs à une personne en vertu des dispositions des articles 100bis et 102bis de la loi du 22 janvier 1985 portant dispositions sociales. Ils peuvent :
soit interrompre leur carrière complètement;
soit interrompre leur carrière partiellement jusqu'à un emploi à mi-temps;
soit interrompre leur carrière partiellement en réduisant leurs prestations d'un cinquième, à condition que le membre du personnel exerce une fonction à prestations complètes.
Pour l'application de l'alinéa premier, on entend par soins palliatifs chaque forme d'assistance et notamment d'assistance médicale, sociale, administrative et psychologique et de soins fournis à des personnes souffrant d'une maladie incurable et se trouvant en phase terminale.
Art. 30. [1 De onderbrekingsperiode voor een volledige of een gedeeltelijke loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen kan alleen opgenomen worden in een periode van één maand. Die periode kan twee keer worden verlengd met één maand.]1
Art. 30. [1 La période d'interruption de carrière complète ou partielle pour soins palliatifs ne peut être prise qu'en une période d'un mois. Ce période peut être prolongée deux fois d'un mois.]1
Art. 31. Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken om palliatieve verzorging te verstrekken, deelt dit mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie, die dat meedelen aan de Vlaamse Regering. Hij voegt bij die mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve verzorging nodig heeft en waaruit blijkt dat het personeelslid bereid is de palliatieve verzorging te verstrekken, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
De loopbaanonderbreking voor het verstrekken van palliatieve verzorging begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin de mededeling is gebeurd of op een vroeger tijdstip, na akkoord van de inrichtende macht of van de Vlaamse Regering voor de personeelsleden van de inspectie.
De inrichtende macht vult het formulier, vermeld in artikel 16, § 2 van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991 in en overhandigt het aan het personeelslid.
Art. 31. Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière pour la prestation de soins palliatifs, en avise le pouvoir organisateur de l'(des) établissement(s) ou du/des centre(s) où il travaille, à l'exception des membres du personnel de l'inspection, qui en avisent le Gouvernement flamand. Il joint à cette notification une attestation délivrée par le médecin traitant de la personne nécessitant des soins palliatifs, dont il ressort que le membre du personnel est disposé à prester les soins palliatifs, sans révéler l'identité du patient.
L'interruption de carrière pour la prestation de soins palliatifs prend cours le premier jour de la semaine qui suit la semaine dans laquelle la notification a été faite ou plus tôt, moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou du Gouvernement flamand pour les membres du personnel de l'inspection.
Le pouvoir organisateur remplit le formulaire, visé à l'article 16, § 2, de l'arrêté royal précité du 12 août 1991 et le transmet au membre du personnel.
Afdeling 3/1. [1 - Loopbaanonderbreking voor mantelzorg]1
Section 3/1. [1 - Interruption de carrière pour aide de proximité]1
Art. 31/1. [1 Personeelsleden die erkend mantelzorger zijn van een zorgbehoevende persoon, hebben recht op loopbaanonderbreking voor mantelzorg conform artikel 100ter en 102ter van de wet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. Ze hebben daarvoor een van de volgende opties:
hun loopbaan volledig onderbreken [3 in periodes van een maand of een veelvoud daarvan]3;
hun loopbaan [3 halftijds onderbreken in periodes van twee maanden of een veelvoud daarvan,]3 [2 op voorwaarde dat het personeelslid in een ambt met volledige prestaties is aangesteld]2;
hun loopbaan [3 met een vijfde onderbreken, in periodes van twee maanden of een veelvoud daarvan]3, op voorwaarde dat het personeelslid aangesteld is in een ambt met volledige prestaties.
In het eerste lid wordt verstaan onder erkend mantelzorger: de persoon van wie de hoedanigheid van mantelzorger erkend is conform hoofdstuk 3 van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger.]1

Art. 31/1. [1 Les membres du personnel qui sont aidant proche reconnu d'une personne dépendante ont droit à l'interruption de carrière pour aide de proximité, conformément aux articles 100ter et 102ter de la loi du 22 janvier 1985 portant dispositions sociales. Ils disposent notamment des options suivantes :
interrompre complètement leur carrière [3 par périodes d'un mois ou d'un multiple d'un mois]3;
[3 interrompre leur carrière à mi-temps par périodes de deux mois ou d'un multiple de deux mois]3 [2 à condition que le membre du personnel soit désigné dans une fonction à prestations complètes]2 ;
[3 interrompre leur carrière à 1/5 temps par périodes de deux mois ou d'un multiple de deux mois]3, à condition que le membre du personnel soit désigné dans une fonction à prestations complètes.
Au premier alinéa, on entend par aidant proche reconnu la personne dont la qualité d'aidant proche est reconnue conformément au chapitre 3 de la loi du 12 mai 2014 relative à la reconnaissance de l'aidant proche.]1

Art. 31/2. [1 Een personeelslid heeft recht op [2 drie maanden]2 voltijdse loopbaanonderbreking per zorgbehoevende persoon of [2 zes]2 maanden gedeeltelijke loopbaanonderbreking per zorgbehoevende persoon.
Het recht op volledige loopbaanonderbreking voor mantelzorg bedraagt maximaal zes maanden over de gehele beroepsloopbaan. Het recht op gedeeltelijke loopbaanonderbreking voor mantelzorg bedraagt maximaal twaalf maanden over de gehele beroepsloopbaan.
Voor de toepassing van dit artikel moet rekening gehouden worden met het principe dat één maand volledige loopbaanonderbreking overeenkomt met twee maanden gedeeltelijke loopbaanonderbreking.]1

Art. 31/2. [1 Le membre du personnel a droit à [2 trois mois]2 d'interruption de carrière à temps plein pour chaque personne dépendante ou à [2 six]2 mois d'interruption de carrière partielle pour chaque personne dépendante.
Le droit à une interruption de carrière complète pour l'aide de proximité est limité à un maximum de six mois sur l'ensemble de la carrière professionnelle. Le droit à une interruption de carrière partielle pour l'aide de proximité est limité à un maximum de douze mois sur l'ensemble de la carrière professionnelle.
Aux fins du présent article, il convient de tenir compte du principe selon lequel un mois d'interruption de carrière complète correspond à deux mois d'interruption de carrière partielle.]1

Art. 31/3. [1 Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken om mantelzorg te verstrekken, deelt dat mee aan de inrichtende macht van de instelling of instellingen of het centrum of de centra waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie, die dat meedelen aan de Vlaamse Regering .
De loopbaanonderbreking voor het verstrekken van mantelzorg begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin de mededeling is gebeurd of op een vroeger tijdstip, na akkoord van de inrichtende macht of van de Vlaamse Regering voor de personeelsleden van de inspectie.
De inrichtende macht vult het formulier, vermeld in artikel 16, § 2 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, in en overhandigt het aan het personeelslid.]1

Art. 31/3. [1 Le membre du personnel qui souhaite interrompre sa carrière pour la prestation d'aide de proximité, le notifie au pouvoir organisateur de l'établissement ou du centre où il travaille, à l'exception des membres du personnel de l'inspection, qui le notifient au Gouvernement flamand.
L'interruption de carrière pour la prestation d'aide de proximité prend cours le premier jour de la semaine qui suit la semaine dans laquelle la notification a été faite, ou plus tôt moyennant accord du pouvoir organisateur ou du Gouvernement flamand pour les membres du personnel de l'inspection.
Le pouvoir organisateur remplit le formulaire visé à l'article 16, § 2 de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, et le remet au membre du personnel.]1

Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section 4. - Dispositions communes
Art. 32. [1 De loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand, voor palliatieve zorgen en voor mantelzorg is een recht.
De volgende vormen van loopbaanonderbreking zijn geen recht:
de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof met een tiende;
de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof die wordt opgenomen conform artikel 22/1;
de loopbaanonderbreking voor medische bijstand die wordt opgenomen conform artikel 27, § 3.]1

Art. 32. [1 L'interruption de carrière pour congé parental, assistance médicale, soins palliatifs ou aide de proximité constitue un droit.
Les formes d'interruption de carrière suivantes ne constituent pas un droit :
l'interruption de carrière pour congé parental à 1/10 temps ;
l'interruption de carrière pour congé parental prise conformément à l'article 22/1 ;
l'interruption de carrière pour assistance médicale prise conformément à l'article 27, § 3.]1

Art. 33. [1 [2 De volledige loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand, voor palliatieve zorgen of voor mantelzorg]2 omvat al de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding.
[2 De gedeeltelijke loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand, voor palliatieve zorgen of voor mantelzorg]2 moet gebeuren overeenkomstig de voorwaarden vermeld in artikel 5, 2°, artikel 6, 4°, artikel 7, 2° en 3° en artikel 8, 4° en 5°.]1

[2 De gedeeltelijke loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof met een tiende kan worden genomen op voorwaarde dat het personeelslid:
aangesteld is in een ambt met volledige prestaties;
een of meer betrekkingen blijft uitoefenen die samen negen tiende van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties moeten altijd worden afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
Voor de toepassing van het derde lid, 2°, wordt het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, ook in aanmerking genomen. Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het een gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgt, worden voor de loopbaanonderbreking eerst die prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is.]2

Art. 33. [1 [2 L'interruption complète de carrière pour congé parental, assistance médicale, soins palliatifs ou aide de proximité]2 comprend toutes les fonctions financées et subventionnées par la Communauté flamande que le membre du personnel exerce dans l'enseignement et dans les centres d'encadrement des élèves.
[2 L'interruption partielle de carrière pour congé parental, assistance médicale, soins palliatifs ou aide de proximité ]2 doit avoir lieu conformément aux conditions visées à l'article 5, 2°, l'article 6, 4°, l'article 7, 2° et 3°, et l'article 8, 4° et 5°.]1

[2 L'interruption partielle de carrière pour congé parental à 1/10 temps peut être prise à condition que le membre du personnel :
soit désigné dans une fonction à prestations complètes ;
continue à exercer un ou plusieurs emplois qui, ensemble, représentent neuf dixièmes du nombre d'unités de prestations requises pour une fonction à prestations complètes. Les prestations restant à accomplir doivent toujours être arrondies à l'unité supérieure, le cas échéant, à une période de cours ou une heure complète.
Pour l'application de l'alinéa trois, 2°, le nombre d'unités de prestations pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lequel il n'a pas été réaffecté ou remis au travail, est également pris en compte. Si le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut partiel d'emploi au moment où une interruption de carrière partielle lui est accordée, les unités de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas été réaffecté ou remis au travail sont prises en compte en premier pour l'interruption de carrière.]2

Art. 34. Voor de berekening van de termijn van [1 60 maanden]1 voorzien in artikel 15 en artikel 16 wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking [2 voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand, voor palliatieve zorgen of voor mantelzorg]2.
Art. 34. Pour le calcul du délai de [1 60 mois]1 prévu aux articles 15 et 16, il n'est pas tenu compte des périodes d'interruption de carrière [2 pour congé parental, assistance médicale, soins palliatifs ou aide de proximité]2.
Art. 35. Voor tijdelijke personeelsleden die hun beroepsloopbaan onderbreken [1 voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand, voor palliatieve zorgen of voor mantelzorg]1, eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als hun aanstelling eindigt.
Art. 35. Pour les membres du personnel temporaires interrompant leur carrière [1 pour congé parental, assistance médicale, soins palliatifs ou aide de proximité]1, l'interruption de carrière prend en tout cas fin lorsque leur désignation prend fin.
Art. 36. [1 § 1. [2 Om uitzonderlijke familiale redenen kan het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft, van de inrichtende macht de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van loopbaanonderbreking is verstreken.
De opzegging moet worden gericht aan de inrichtende macht. Voor de personeelsleden van de inspectie wordt deze opzegging via hiërarchische weg gericht aan de Vlaamse Regering.]2

§ 2. Het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft voor het verstrekken van palliatieve verzorging of voor medische bijstand, kan evenwel, na het overlijden van de persoon die de verzorging genoot, van de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waarbij hij tewerkgesteld is, de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verstreken is.]1

Art. 36. [1 § 1er. [2 Pour des raisons familiales exceptionnelles le membre du personnel ayant interrompu sa carrière peut être autorisé par le pouvoir organisateur à reprendre sa fonction ou à l'exercer à nouveau entièrement avant l'expiration de la période d'interruption de carrière.
Le préavis correspondant doit être adressé au pouvoir organisateur. Pour les membres du personnel de l'inspection, ce préavis est adressé par voie hiérarchique au Gouvernement flamand.]2

§ 2. Le membre du personnel ayant interrompu sa carrière pour la prestation de soins palliatifs ou pour assistance médicale peut toutefois, après le décès de la personne qui bénéficiait des soins, être autorisé par le pouvoir organisateur de l'(des) établissement(s) ou du/des centre(s) où il travaille, à reprendre ses fonctions ou à les exercer à nouveau complètement avant l'expiration de la période d'interruption de carrière.]1

Art. 36/1. [1 Voor het bepalen van het opdrachtvolume waarvoor loopbaanonderbreking kan worden genomen krachtens [2 artikel 22, 26, 29 en 31/1]2 wordt eveneens rekening gehouden met de prestaties, verstrekt door de personeelsleden belast met een opdracht aan een hogeschool.]1
Art. 36/1. [1 Pour la détermination du volume de la charge pour lequel une interruption de la carrière professionnelle peut être prise en vertu [2 des articles 22, 26, 29 et 31/1]2, il est également tenu compte des prestations fournies par les membres du personnel investis d'une charge auprès d'un institut supérieur.]1
Art. 36/2. [1 Voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie worden de maximumperiodes van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof en voor medische bijstand verminderd met de overeenstemmende periodes toegestaan op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het verlof voor onderbreking of vermindering van de arbeidsprestaties voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie.]1
Art. 36/2. [1 Pour ce qui est des membres du personnel des centres d'éducation de base, les périodes maximales d'interruption de carrière pour congé parental et pour assistance médicale sont réduites des périodes correspondantes accordées sur la base de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 concernant le congé pour interruption ou réduction des prestations de travail pour certains membres du personnel des Centres d'Education de Base.]1
HOOFDSTUK 4. - Administratieve en geldelijke toestand
CHAPITRE 4. - Position administrative et pécuniaire
Art. 37. Tijdens de onderbreking van zijn beroepsloopbaan is het personeelslid met verlof. Dat verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Voor het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid zijn beroepsloopbaan onderbreekt, krijgt het noch een salaris of salaristoelage noch een wachtgeld of wachtgeldtoelage. Het personeelslid krijgt wel een onderbrekingsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991.
Art. 37. Pendant l'interruption de sa carrière, le membre du personnel est en congé. Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
Le membre du personnel ne perçoit ni de traitement ou allocation de traitement, ni de traitement d'attente ou subvention-traitement d'attente pour le nombre d'unités de prestations pour lesquelles il interrompt sa carrière. Il perçoit par ailleurs une allocation d'interruption conformément aux dispositions de l'arrêté royal précité du 12 août 1991.
HOOFDSTUK 4/1. [1 Specifieke bepalingen voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie]1
CHAPITRE 4/1. [1 Dispositions spécifiques pour les membres du personnel des centres d'éducation de base]1
Art. 37/1. [1 Voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie wordt het maximum van 60 maanden volledige en 60 maanden gedeeltelijke loopbaanonderbreking verminderd met de overeenstemmende periode van loopbaanonderbreking toegestaan op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het verlof voor onderbreking of vermindering van de arbeidsprestaties voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie.]1
Art. 37/1. [1 Pour ce qui est des membres du personnel des centres d'éducation de base, le maximum de 60 mois d'interruption de carrière complète et de 60 mois d'interruption de carrière partielle est réduit de la période correspondante accordée sur la base de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 concernant le congé pour interruption ou réduction des prestations de travail pour certains membres du personnel des Centres d'Education de Base.]1
Art. 37/2. [1 Het [2 Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]2 vult, indien nodig, het bedrag van de aanmoedigingspremie voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie aan tot het bedrag conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2002 tot instelling van de aanmoedigingspremies in de Vlaamse private sociale profit-sector.]1
[3 Het eerste lid is alleen van toepassing op aanvragen die uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.]3
Art. 37/2. [1 Si nécessaire, l'[2 Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]2 complète le montant de la primes d'encouragement prévue pour les membres du personnel des centres d'éducation de base jusqu'au montant prévu conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 2002 instituant les primes d'encouragement dans le secteur non marchand privé flamand.]1
[3 L'alinéa 1er s'applique uniquement aux demandes prenant cours le 1er septembre 2016 au plus tard.]3
Art. 37/3. [1 Het [2 Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]2 vult, indien nodig, het bedrag van de onderbrekingsuitkeringen, toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, voor de personeelsleden van de centra voor basiseducatie aan tot een bedrag dat toegekend wordt, naargelang van het opgenomen stelsel, overeenkomstig de bepalingen van :
het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking voor de onderbreking van de beroepsloopbaan of de vermindering van de arbeidsprestaties;
het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen;
het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid;
het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan.]1

[3 Het eerste lid is alleen van toepassing op aanvragen die uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.]3
Art. 37/3. [1 Si nécessaire, [2 l'Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]2 complète le montant des allocations d'interruption accordées par l'" Office national de l'Emploi " pour les membres du personnel des centres d'éducation de base jusqu'à un montant accordé en fonction du système repris, conformément aux dispositions de :
l'arrêté royal du 12 août 1991 pris en exécution du chapitre IV de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie concernant le système du crédit-temps, la diminution de carrière et la réduction des prestations de travail à mi-temps;
l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption;
l'arrêté royal du 10 août 1998 instaurant un droit à l'interruption de carrière pour l'assistance ou l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade;
l'arrêté royal du 29 octobre 1997 relatif à l'introduction d'un droit au congé parental dans le cadre d'une interruption de la carrière professionnelle.]1

[3 L'alinéa 1er s'applique uniquement aux demandes prenant cours le 1er septembre 2016 au plus tard.]3
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 38. De personeelsleden die op 31 augustus 2011 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking genieten op basis van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, kunnen op 1 september 2011 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking nemen zoals vermeld in artikel 9, § 1, eerste lid, 2° van dit besluit.
Art. 38. Les membres du personnel bénéficiant le 31 août 2011 d'une interruption de carrière partielle sur la base de l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 1997 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, peuvent prendre, le 1er septembre 2011, une interruption de carrière partielle telle que visée à l'article 9, § 1er, alinéa premier, 2°, du présent arrêté.
Art. 39. Het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 mei 1999, 7 september 2001, 21 september 2007 en 1 oktober 2010, wordt opgeheven.
Art. 39. L'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 1997 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 25 mai 1999, 7 septembre 2001, 21 septembre 2007 et 1er octobre 2010, est abrogé.
Art. 40. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2011.
Art. 40. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2011.
Art. 41. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 41. Le Ministre flamand qui a l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.