Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
25 APRIL 2014. - Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen [...]. (Aangehaald als : Bankwet) (Opschrift gewijzigd door W2016-10-25/05, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016) <Opschrift gewijzigd door W2022-07-20/40, art. 292, 031; Inwerkingtreding : 06-10-2022> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-05-2014 en tekstbijwerking tot 06-10-2025)
Titre
25 AVRIL 2014. - Loi relative au statut et au contrôle des établissements de crédit [...] (Citée comme : loi bancaire) (Intitulé modifié par L2016-10-25/05, art. 2, 009; En vigueur : 01-12-2016) <Intitulé modifié par L2022-07-20/40, art. 292, 031; En vigueur : 06-10-2022> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 07-05-2014 et mise à jour au 06-10-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
BOEK I. - TOEPASSINGSGEBIED - DEFINITIES - ALG... TITEL I. - Toepassingsgebied TITEL II. - Definities TITEL III. - Gereserveerde namen HOOFDSTUK I. - Benaming van de kredietinstellingen HOOFDSTUK II. - Kredietinstellingen die covered... BOEK II. - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT TITEL I. - Toegang tot het bedrijf HOOFDSTUK I. - Vergunning Afdeling I. - Vergunningsplicht Afdeling II. - Procedure HOOFDSTUK II. - Vergunningsvoorwaarden Afdeling I. - Algemene bepalingen Afdeling II. - Vennootschapsvorm Afdeling III. - Aanvangskapitaal Afdeling IV. - Aandeelhouders of vennoten Afdeling V. - Leiding Afdeling VI. - Organisatie Onderafdeling I. - Algemene beginselen Onderafdeling II. - Vennootschapsorganen Onderafdeling III. - Oprichting van comités bin... Onderafdeling IV. - Operationele onafhankelijke... Onderafdeling V. [1 - Specifieke organisatie vo... Afdeling VII. - Hoofdbestuur Afdeling VIII. - Depositobescherming TITEL II. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de kapitaalstruc... HOOFDSTUK III. - Algemene werkingsvoorwaarden Afdeling I. - Minimum eigen vermogen Afdeling II. - Leiding en leiders Onderafdeling I. - Toezicht en beoordeling door... Onderafdeling II. - Door het directiecomité te ... Onderafdeling III. - Benoemingen, ontslagen en ... Afdeling III. - Risicobeheer Onderafdeling I. - Behandeling van risico's Onderafdeling II. - Beheer van risico's in verb... Afdeling IV. - Uitbesteding Afdeling V. - Het beloningsbeleid en de tenuitv... Onderafdeling I. - Beginselen Onderafdeling II. - Kredietinstellingen die uit... Afdeling VI. [1 - Verrichtingen van kredietinst... Onderafdeling I. [1 - Verrichtingen met entitei... Onderafdeling II. - Gebruik van gelden en waarden Afdeling VI/1. [1 - Verrichtingen van kredietin... Afdeling VII. - Mededeling van informatie over ... Afdeling VIII. [1 - Transparantie met betrekkin... HOOFDSTUK IV. - Bijzondere verrichtingen Afdeling I. - Wijzigingen in het programma van ... Afdeling II. - Strategische beslissingen, beleg... Afdeling III. - Bepalingen over de uitgifte van... Afdeling IV. - Opening of verwerving van dochte... Afdeling V. - Uitoefening van werkzaamheden in ... Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren in h... Onderafdeling II. - Vrij verrichten van bankdie... Onderafdeling III. - Uitoefening van bankwerkza... Onderafdeling IV. - Uitoefening van werkzaamhed... HOOFDSTUK V. - Reglementaire normen en verplich... Afdeling I. - Prospectief beheer van eigen verm... Afdeling II. - Globaal vereiste van een tier 1-... Afdeling II/1 TOEKOMSTIG RECHT.1 - Hefboomratio... Afdeling III. - Macroprudentieel of systeemrisico Afdeling IV. - Reglementeringsbevoegdheid van d... Afdeling V. [1 - Maatregelen strekkende tot wed... Onderafdeling I. [1 - Beperkingen op uitkeringe... Onderafdeling I/1 TOEKOMSTIG RECHT.1 - Beperkin... Onderafdeling I/2. [1 - Gemeenschappelijke bepa... Onderafdeling II. - Kapitaalconserveringsplan HOOFDSTUK VI. - Periodieke informatieverstrekki... HOOFDSTUK VII. - Herstelplannen Afdeling I. - Opmaak van herstelplannen Afdeling II. - Beoordeling van herstelplannen HOOFDSTUK VIII. - Structuur van de activiteiten Afdeling I. - Toepassingsgebied en definities Afdeling II. - Verbod van handelsactiviteiten v... Afdeling III. - Betrekkingen met handelsentiteiten Afdeling IV. - Diverse bepalingen TITEL III. - Toezicht op de kredietinstellingen HOOFDSTUK I. - Toezicht door de toezichthouder ... HOOFDSTUK II. - Procedure van prudentieel toezicht Afdeling I. - Programma voor prudentieel toezicht Afdeling II. - Procedure van prudentiële toetsi... Afdeling III. - Onderzoek van de interne benade... Afdeling IV. - Stresstests Afdeling V. - Prudentiële maatregelen Afdeling VI. HOOFDSTUK III. - Toezicht op in een andere lids... Afdeling I. - Definities Afdeling II. - Toezicht op de werkzaamheden Afdeling III. - Uitzonderingsmaatregelen Afdeling IV. - Samenwerking Afdeling V. - Significante bijkantoren Afdeling VI. - Controle ter plaatse Afdeling VII. - Situaties waarin een Belgische ... HOOFDSTUK IV. - Groepstoezicht Afdeling I. - Definities Afdeling II. [1 - Toezicht op geconsolideerde b... Onderafdeling I. - Toepassingsgebied Onderafdeling II. [1 - Maatregelen om het toezi... Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen Afdeling III. - Aanvullend conglomeraatstoezicht Onderafdeling I. - Toepassingsgebied Onderafdeling II. - Maatregelen om het aanvulle... Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen Afdeling IV. - Gemeenschappelijke bepalingen Onderafdeling I. - Beginselen Onderafdeling II. [1 - Moederondernemingen]1 Onderafdeling II/1. [1 - Goedkeuring van en toe... A. [1 Verplichting tot goedkeuring]1 B. [1 Goedkeuringsprocedure]1 C. [1 Voorwaarden voor goedkeuring]1 D. [1 Toezicht en toezichtsmaatregelen]1 Onderafdeling II/2. [1 - Goedkeuring van en toe... Onderafdeling II/3. [1 - Goedkeuring van en toe... Onderafdeling III. - Maatregelen om het groepst... Onderafdeling IV. [1 - Moederondernemingen die ... HOOFDSTUK V. - Revisoraal toezicht TITEL IV. - Afwikkelingsplannen HOOFDSTUK I. - Opmaak van afwikkelingsplannen HOOFDSTUK II. - Beoordeling van afwikkelingspla... Afdeling I. - Beoordeling van afwikkelbaarheid ... Afdeling I/1. [1 - Bevoegdheid tot het verbiede... Afdeling II. - Vermindering of opheffing van be... TITEL V. - Intrekking van de vergunning TITEL VI. - Herstelmaatregelen HOOFDSTUK I. - Dwingende maatregelen HOOFDSTUK II. - Uitvoering van het herstelplan HOOFDSTUK III. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen TITEL VII. - Federaties van kredietinstellingen TITEL VIII. - Afwikkeling van kredietinstellingen HOOFDSTUK I. - Definities HOOFDSTUK II. - Doelstellingen, voorwaarden en ... Afdeling I. - Doelstellingen van de afwikkeling Afdeling II. - Voorwaarden voor het initiëren v... Afdeling II/1. [1 - Bevoegdheid tot opschorting... Afdeling III. - Algemene beginselen inzake afwi... HOOFDSTUK III. - Waardering HOOFDSTUK IV. [1 - Afschrijving of omzetting va... HOOFDSTUK V. - Afwikkelingsinstrumenten Afdeling I. - Beginselen Afdeling II. - Instrument van verkoop van de on... Afdeling III. - Instrument van de overbruggings... Afdeling IV. - Instrument van afsplitsing van a... Afdeling IV/1. [1 - Instrument van interne vers... Onderafdeling 1. [1 - Doel en toepassingsgebied]1 Onderafdeling 2. [1 - Minimumvereiste inzake ei... Onderafdeling 3. [1 - Tenuitvoerlegging van het... Afdeling V. - Gemeenschappelijke bepalingen bet... HOOFDSTUK VI. - Afwikkelingsbevoegdheden Afdeling I. - Algemene bevoegdheden Afdeling II. - Aanvullende bevoegdheden Afdeling III. - Bevoegdheid om het verstrekken ... Afdeling IV. - Bevoegdheid om [1 betalings- en ... Afdeling V. - Uitoefening van de afwikkelingsbe... Afdeling VI. - [1 Bevoegdheid met betrekking to... HOOFDSTUK VI/1. - [1 Bevoegdheid tot handhaving... HOOFDSTUK VII. - Vrijwaringsmaatregelen Afdeling I. - [1 Bescherming van de aandeelhoud... Afdeling II. - Bescherming voor zekerheidsregel... Afdeling III. - Bescherming voor gestructureerd... Afdeling IV. - Uitsluiting van bepaalde contrac... Afdeling V. - Bescherming van betalings- en afw... Afdeling VI. - Bescherming van werknemers HOOFDSTUK VIII. - Procedurele vereisten [1 en u... HOOFDSTUK IX. - Gerechtelijke controle Afdeling I. Afdeling II. - Beroep HOOFDSTUK X. - Afwikkeling van grensoverschrijd... BOEK III. - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BUITENLAND... TITEL I. - Bijkantoren en werkzaamheden in het ... HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in België HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening HOOFDSTUK III. - Periodieke informatieverstrekk... HOOFDSTUK IV. - Toezicht op de bijkantoren Afdeling I. - De toezichthouder in zijn hoedani... Afdeling II. - Significante bijkantoren Afdeling III. - Controle ter plaatse HOOFDSTUK V. - Uitzonderingsmaatregelen HOOFDSTUK VI. - Situaties waarin de werkzaamhed... HOOFDSTUK VII. - Gespecialiseerde dochterondern... TITEL II. - Bijkantoren in België van kredietin... HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in België HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening HOOFDSTUK III. - Toezicht HOOFDSTUK IV. - Intrekking, uitzonderingsmaatre... TITEL III. - Vertegenwoordingskantoren BOEK IV. - DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN BOEK V. - SANCTIES TITEL I. - Administratieve boetes TITEL II. - Strafrechtelijke sancties BOEK VI. - REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAA... TITEL I. - Saneringsmaatregelen HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkennin... HOOFDSTUK II. - Overleg en informatie HOOFDSTUK III. - Bijkantoren van kredietinstell... TITEL II. - Liquidatieprocedures HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkennin... HOOFDSTUK II. - Procedures ten aanzien van de k... Afdeling I. - Overleg en informatie-uitwisseling Afdeling II. - Procedure-elementen - Toepasseli... Afdeling III. - Intrekking van de vergunning TITEL III. - Regels die zowel voor de sanerings... HOOFDSTUK I. - Vrijwillige vereffening of veref... HOOFDSTUK II. - Uitzonderingen op of nuancering... HOOFDSTUK III. - Saneringscommissarissen en liq... Afdeling I. - Erkenning van buitenlandse maatre... Afdeling II. - Belgische saneringscommissarisse... TITEL IV. [1 Aanvullende bepaling ]1 BOEK VII. - MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN BOEK VIII. [1 - BELEGGERS- EN DEPOSITO- BESCHER... TITEL I. [1 - Depositobeschermingsregeling]1 Titel II. - [1 Beleggersbeschermingsregeling"]1 BOEK IX. - SLOT-, WIJZIGINGS-, TITEL I. - Slotbepalingen en diverse bepalingen TITEL II. - Wijzigingsbepalingen TITEL III. - Overgangsbepalingen Art.421. De wet van 22 maart 1993 op het statuu... Art.422.Deze wet treedt in werking de dag waaro... BOEK XI. [1 - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN]1 Art.423.[1 Onverminderd de in artikel 3 bedoeld... Art.424.[1 In de mate en op de wijze bepaald in... HOOFDSTUK I. [1 - Opmaak van groepsherstelplann... Art.425. [1 § 1. Elke Belgische EER-moederonder... Afdeling I. [1 - Beoordeling van groepsherstelp... Art.430. [1 § 1. Het wettelijk bestuursorgaan v... Art.436.[1 § 1. In zijn hoedanigheid van bevoeg... Art.437. [1 De EBA kan de bevoegde autoriteiten... HOOFDSTUK I. [1 - Opmaak van groepsafwikkelings... Afdeling I. [1 - Afwikkelingsplannen van Belgis... Art.439.[1 § 1. [2 In haar hoedanigheid van afw... Art.446.[1 § 1. In haar hoedanigheid van autori... Afdeling I. [1 - Beoordeling van de afwikkelbaa... Art.448.[1 § 1. Bij de opstelling en actualiser... Art.449.[1 Indien de afwikkelingsautoriteit, na... Art.451.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit, in h... Art.452. [1 Bij het uitblijven van een gezamenl... HOOFDSTUK I. [1 - Toepassingsgebied]1 Art.453. [1 Onder voorbehoud van de bepalingen ... HOOFDSTUK II. [1 - Doelstellingen, voorwaarden ... Art.454.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit kan e... Art.455. [1 Bij het nemen van besluiten of het ... Art.457.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit oefen... Afdeling I. [1 - Procedure voor het bepalen van... Art.459.[1 Het minimumvereiste voor eigen vermo... Art.463. [1 Binnen een maand na de toepassing v... Art.464. [1 Indien de afwikkelingsautoriteit ze... HOOFDSTUK VI. [1 - Afwikkeling van grensoversch... Art.465. [1 § 1. Wanneer met toepassing van dit... Art.468.[1 § 1. [3 Onverminderd artikel 470 ric... Art.471.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit werkt... Onderafdeling I. [1 - Groepsafwikkeling waarbij... Art.472.[1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautorite... Art.473. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautorit... Art.474. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautorit... Art.475. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautorit... Art.476. [1 § 1. Indien de afwikkelingsautorite... Art.477. [1 Wanneer een buitenlandse afwikkelin... Art.478. [1 Dit Hoofdstuk is van toepassing op ... Titel I. HOOFDSTUK I. HOOFDSTUK I. HOOFDSTUK II. HOOFDSTUK I. Afdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling II. Onderafdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling II. Onderafdeling III. Onderafdeling IV. Onderafdeling V. Onderafdeling VI. Onderafdeling VII. Onderafdeling VIII. Afdeling I. Afdeling I. Afdeling II. Onderafdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling II. Onderafdeling III. Onderafdeling IV. Onderafdeling V. Onderafdeling VI. Onderafdeling VII. Onderafdeling VIII. Onderafdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling II. Onderafdeling III. Onderafdeling IV. Onderafdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling II. Onderafdeling III. Onderafdeling IV. Onderafdeling V. Afdeling VI. Afdeling VII. HOOFDSTUK III. Afdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling II. Onderafdeling III. Onderafdeling IV. Onderafdeling V. Onderafdeling VI. Onderafdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling II. Onderafdeling III. Onderafdeling IV. Onderafdeling V. Onderafdeling VI. Onderafdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling II. Afdeling V. HOOFDSTUK IV. HOOFDSTUK V. Afdeling I. Afdeling I. Afdeling II. Afdeling III. HOOFDSTUK VII. HOOFDSTUK I. HOOFDSTUK I. Afdeling I. Afdeling I. Afdeling II. Afdeling III. Onderafdeling I. Onderafdeling I. Onderafdeling II. Onderafdeling III. Afdeling V. Afdeling VI. HOOFDSTUK III. Afdeling I. Afdeling II. Afdeling III. Afdeling IV. Art.608. HOOFDSTUK I. HOOFDSTUK I. HOOFDSTUK II. Art.611. Art.612. Titel VIII. Art.618. Art.619. Art. N1. Bijlage 1. - BEHANDELING VAN RISICO'S
Inhoud
LIVRE Ier. - CHAMP D'APPLICATION - DEFINITIONS... TITRE Ier. - Champ d'application TITRE II. - Définitions TITRE III. - Des dénominations réservées CHAPITRE Ier. - Des dénominations des établisse... CHAPITRE II. - Des établissements de crédit aut... LIVRE II. - DES ETABLISSEMENTS DE CREDIT DE DRO... TITRE Ier. - De l'accès à l'activité CHAPITRE Ier. - L'agrément Section Ire. - Obligation d'agrément Section II. - Procédure CHAPITRE II. - Des conditions d'agrément Section Ire. - Généralités Section II. - Forme sociétaire Section III. - Capital initial Section IV. - Détenteurs du capital Section V. - Dirigeants Section VI. - Organisation Sous-section Ire. - Principes généraux Sous-section II. - Organes sociétaires Sous-section III. - Mise en place de comités au... Sous-section IV. - Fonctions de contrôle indépe... Sous-section V. [1 - Organisation spécifique li... Section VII. - Administration centrale Section VIII. - Protection des dépôts TITRE II. - Des conditions d'exercice de l'acti... CHAPITRE Ier. - Généralités CHAPITRE II. - Des modifications dans la struct... CHAPITRE III. - Des conditions générales de fon... Section Ire. - Des fonds propres minimums Section II. - De la direction et des dirigeants Sous-section Ire. - Du contrôle et de l'évaluat... Sous-section II. - Des mesures à prendre par le... Sous-section III. - Nominations, démissions et ... Section III. - De la gestion des risques Sous-section Ire. - Du traitement des risques Sous-section II. - De la gestion des risques re... Section IV. - Du recours à la sous-traitance Section V. - De la politique de rémunération et... Sous-section Ire. - Principes Sous-section II. - Des établissements de crédit... Section VI. [1 - Des opérations des établisseme... Sous-section Ire. [1 - Des opérations avec des ... Sous-section II. - De l'usage des fonds et valeurs Section VI/1. [1 - Des opérations des établisse... Section VII. - De la communication d'informatio... Section VIII. [1 - De la transparence en matièr... CHAPITRE IV. - Des opérations particulières Section Ire. - Des modifications du programme d... Section II. - Des décisions stratégiques, des d... Section III. - Dispositions relatives à l'émiss... Section IV. - De l'ouverture ou de l'acquisitio... Section V. - De l'exercice d'activités à l'étra... Sous-section Ire. - De l'ouverture de succursal... Sous-section II. - Exercice de la libre prestat... Sous-section III. - De l'exercice dans un autre... Sous-section IV. - Des situations où l'exercice... CHAPITRE V. - Des normes et obligations régleme... Section Ire. - Gestion prospective des fonds pr... Section II. - Exigence globale de coussin de fo... Section II/1 DROIT FUTUR.1 - Exigence de coussi... Section III. - Risque macroprudentiel ou systém... Section IV. - Pouvoir réglementaire de la Banque Section V. [1 - Des mesures visant à reconstitu... Sous-section Ire. [1 - Des restrictions applica... Sous-section Ire/1 DROIT FUTUR.- Des restrictio... Sous-section Ire/2. [1 - Disposition commune]1 Sous-section II. - Du plan de conservation des ... CHAPITRE VI. - Des informations périodiques et ... CHAPITRE VII. - Plans de redressement Section Ire. - Etablissement des plans de redre... Section II. - Evaluation des plans de redressement CHAPITRE VIII. - De la structure des activités Section Ire. - Champ d'application et définitions Section II. - Interdiction d'activités de négoc... Section III. - Relations avec des entités de né... Section IV. - Dispositions diverses TITRE III. - Contrôle des établissements de crédit CHAPITRE Ier. - Contrôle exercé par l'autorité ... CHAPITRE II. - Processus de surveillance pruden... Section Ire. - Programme de contrôle prudentiel Section II. - Procédure de contrôle et d'évalua... Section III. - Examen des approches et des méth... Section IV. - Tests de résistance Section V. - Mesures prudentielles Section VI. CHAPITRE III. - Contrôle des activités exercées... Section Ire. - Définitions Section II. - Contrôle des activités Section III. - Mesures exceptionnelles Section IV. - Coopération Section V. - Succursales d'importance significa... Section VI. - Contrôle sur place Section VII. - Des situations où un établisseme... CHAPITRE IV. - surveillance du groupe Section Ire. - Définitions Section II. - Contrôle sur base consolidée des ... Sous-section Ire. - Champ d'application Sous-section II. - Mesures visant à faciliter l... Sous-section III. - Autres cas d'application Section III. - Surveillance complémentaire des ... Sous-section Ire. - Champ d'application Sous-section II. - Mesures visant à faciliter l... Sous-section III. - Autres cas d'application Section IV. - Dispositions communes Sous-section Ire. - Principes Sous-section II. [1 - Les entreprises mères]1 Sous-section II/1. [1 - Approbation et supervis... A. [1 Obligation d'approbation]1 B. [1 Procédure d'approbation]1 C. [1 Conditions d'approbation]1 D. [1 Supervision et mesures de surveillance]1 Sous-section II/2. [1 - Approbation et supervis... Sous-section II/3. [1 - Approbation et supervis... Sous-section III. - Mesures visant à faciliter ... Sous-section IV. [1 - Les entreprises mères qui... CHAPITRE V. - Du contrôle révisoral TITRE IV. - Plans de résolution CHAPITRE Ier. - Etablissement des plans de réso... CHAPITRE II. - Evaluation des plans de résolution Section Ire. -Evaluation de la résolvabilité de... Section I/1. [1 - Pouvoir d'interdire certaines... Section II. - Réduction ou suppression des obst... TITRE V. - De la radiation de l'agrément TITRE VI. - Des mesures de redressement CHAPITRE Ier. - Des mesures contraignantes CHAPITRE II. - De la mise en oeuvre du plan de ... CHAPITRE III. - Des mesures de redressement exc... TITRE VII. - Des fédérations d'établissements d... TITRE VIII. - Résolution des défaillances des é... CHAPITRE Ier. - Définitions CHAPITRE II. - Objectifs, conditions et princip... Section Ire. - Objectifs de la résolution Section II. - Conditions de déclenchement d'une... Section II/1. [1 - Pouvoir de suspendre les obl... Section III. - Principes généraux régissant la ... CHAPITRE III. - Valorisation CHAPITRE IV. [1 - Dépréciation ou conversion de... CHAPITRE V. - Instruments de résolution Section Ire. - Principes Section II. - Instrument de cession d'activités Section III. - Instrument de l'établissement-re... Section IV. - Instrument de séparation des actifs Section IV/1. [1 - Instrument de renflouement i... Sous-section 1ère. [1 - Objectif et champ d'app... Sous-section 2. [1 - Exigence minimale de fonds... Sous-section 3. [1 - Mise en oeuvre de l'instru... Section V. - Dispositions communes aux instrume... CHAPITRE VI. - Pouvoirs de résolution Section Ire. - Pouvoirs généraux Section II. - Pouvoirs auxiliaires Section III. - Pouvoir d'imposer la fourniture ... Section IV. - Pouvoir de suspendre [1 des oblig... Section V. - Exercice des pouvoirs de résolution Section VI. - [1 Pouvoir concernant les actifs,... CHAPITRE VI/1. - [1 Pouvoir de faire appliquer ... CHAPITRE VII. - Mesures de sauvegarde Section Ire. - [1 Protection des actionnaires e... Section II. - Protection relative aux contrats ... Section III. - Protection relative aux contrats... Section IV. - Exclusion de certains droits cont... Section V. - Protection relative aux systèmes d... Section VI. - Protection des travailleurs CHAPITRE VIII. - Exigences de procédure [1 et e... CHAPITRE IX. - Contrôle judiciaire Section Ire. Section II. - Recours CHAPITRE X. - Résolution de groupes transfronta... LIVRE III. - DES ETABLISSEMENTS DE CREDIT DE DR... TITRE Ier. - Des Succursales et des activités e... CHAPITRE Ier. - De l'accès à l'activité en Belg... CHAPITRE II. - De l'exercice de l'activité CHAPITRE III. - Informations périodiques et règ... CHAPITRE IV. - Du contrôle des succursales Section Ire. - L'autorité de contrôle en sa qua... Section II. - Des succursales significatives Section III. - Du contrôle sur place CHAPITRE V. - Des mesures exceptionnelles CHAPITRE VI. - Des situations où l'exercice des... CHAPITRE VII. - Des filiales spécialisées d'éta... TITRE II. - Succursales en Belgique d'établisse... CHAPITRE Ier. - De l'accès à l'activité en Belg... CHAPITRE II. - De l'exercice de l'activité CHAPITRE III. - Du contrôle CHAPITRE IV. - Radiation, mesures exceptionnell... TITRE III. - Des bureaux de représentation LIVRE IV. - DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES CO... LIVRE V. - DES SANCTIONS TITRE Ier. - Des amendes administratives TITRE II. - Des sanctions pénales LIVRE VI. - REGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVE... TITRE Ier. - Des mesures d'assainissement CHAPITRE Ier. - Règle de compétence et réceptio... CHAPITRE II. - Concertation et information CHAPITRE III. - Des succursales d'établissement... TITRE II. - Des procédures de liquidation CHAPITRE Ier. - Règle de compétence et réceptio... CHAPITRE II. - Procédures relatives aux établis... Section Ire. - Concertation et information Section II. - Eléments de procédure - Loi appli... Section III. - Radiation de l'agrément TITRE III. - Des règles communes aux mesures d'... CHAPITRE Ier. - De la liquidation volontaire ou... CHAPITRE II. - Des exceptions ou tempéraments à... CHAPITRE III. - Des commissaires à l'assainisse... Section Ire. - Réception des mesures et procédu... Section II. - Des commissaires à l'assainisseme... TITRE IV. [1 Disposition complémentaire ]1 LIVRE VII. - ASPECTS DE DROIT MATERIEL LIVRE VIII. [1 - DES SYSTEMES DE PROTECTION DES... TITRE Ier. [1 - Du Système de protection des dé... Titre II. - [1 Du Système de protection des inv... LIVRE IX. - DISPOSITIONS FINALES, TITRE Ier. - Dispositions finales et diverses TITRE II. - Dispositions modificatives TITRE III. - Dispositions transitoires TITRE IV. - Disposition abrogatoire LIVRE X. - ENTREE EN VIGUEUR LIVRE XI. [1 - DU REDRESSEMENT ET DE LA RESOLUT... TITRE Ier. [1 - Définitions]1 TITRE II. [1 - Champ d'application]1 TITRE III. [1 - Plans de redressement de groupe]1 CHAPITRE Ier. [1 - Etablissement des plans de r... CHAPITRE II. [1 - Evaluation des plans de redre... Section Ire. [1 - Evaluation des plans de redre... Section II. [1 - Evaluation des plans de redres... Section III. [1 - Dispositions communes]1 TITRE III/1. - [1 Soutien financier intragroupe]1 TITRE III/2. - [1 Coordination des mesures de r... TITRE IV. [1 - Plans de résolution de groupe]1 CHAPITRE Ier. [1 - Etablissement des plans de r... Section Ire. [1 - Plans de résolution des group... Section II. [1 - Plans de résolution des groupe... CHAPITRE II. [1 - Evaluation des plans de résol... Section Ire. [1 - Evaluation de la résolvabilit... Section II. [1 - Réduction ou suppression des o... Section III. [1 - Réduction ou suppression des ... Section IV. [1 - Disposition commune]1 TITRE V. [1 - Résolution des défaillances des g... CHAPITRE Ier. [1 - Champ d'application]1 CHAPITRE II. [1 - Objectifs, conditions et prin... Section Ire. [1 - Conditions de déclenchement d... Section II. [1 - Principes généraux régissant l... CHAPITRE III. [1 - Dépréciation ou conversion d... CHAPITRE IV. [1 - Instruments de résolution]1 Section Ire. [1 - Procédure de détermination de... Section II. [1 - Mise en oeuvre de l'instrument... CHAPITRE V. [1 - Exigences de procédure]1 CHAPITRE VI. [1 - Résolution des groupes transf... Section Ire. [1 - Principes généraux]1 Section II. [1 - Collèges d'autorités de résolu... Section III. [1 - Echange d'informations]1 Section IV. [1 - Exigences de procédure pour la... Sous-section Ire. [1 - Résolution de groupes im... Sous-section II. [1 - Résolution de groupe en p... Sous-section III. [1 - Résolution de groupe en ... Sous-section IV. [1 - Résolution de groupe en p... Sous-section V. [1 - Résolution de groupe en pr... Sous-section VI. [1 - Résolution de groupe en p... CHAPITRE VII. [1 - Relations avec des pays tiers]1 Livre XII. Titre Ier. CHAPITRE Ier. CHAPITRE II. Titre II. CHAPITRE Ier. Section Ire. Sous-section Ire. Sous-section II. Section II. Sous-section Ire. Sous-section II. Sous-section III. Sous-section IV. Sous-section V. Sous-section VI. Sous-section VII. Sous-section VIII. CHAPITRE II. Section Ire. Section II. Section III. Sous-section Ire. Sous-section II. Sous-section III. Sous-section IV. Sous-section V. Sous-section VI. Sous-section VII. Sous-section VIII. Section IV. Sous-section Ire. Sous-section II. Sous-section III. Sous-section IV. Section V. Sous-section Ire. Sous-section II. Sous-section III. Sous-section IV. Sous-section V. Section VI. Section VII. CHAPITRE III. Section Ire. Section II. Sous-section Ire. Sous-section II. Sous-section III. Sous-section IV. Sous-section V. Sous-section VI. Section III. Sous-section Ire. Sous-section II. Sous-section III. Sous-section IV. Sous-section V. Sous-section VI. Section IV. Sous-section Ire. Sous-section II. Section V. CHAPITRE IV. CHAPITRE V. CHAPITRE VI. Section Ire. Section II. Section III. CHAPITRE VII. TITRE III. CHAPITRE Ier. CHAPITRE II. Section Ire. Section II. Section III. Section IV. Sous-section Ire. Sous-section II. Sous-section III. Section V. Section VI. CHAPITRE III. Section Ire. Section II. Section III. Section IV. Titre IV. Titre V. CHAPITRE Ier. CHAPITRE II. Titre VI. Titre VII. Titre VIII. Titre IX. Titre X. ANNEXES.
Tekst (1128)
Texte (1128)
BOEK I. - TOEPASSINGSGEBIED - DEFINITIES - ALGEMENE BEPALINGEN
LIVRE Ier. - CHAMP D'APPLICATION - DEFINITIONS - GENERALITES
TITEL I. - Toepassingsgebied
TITRE Ier. - Champ d'application
Artikel 1. § 1. De artikelen 242, 15° tot 19° en 296 tot 310, 378 en 379 van deze wet regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
  De overige bepalingen van deze wet, met inbegrip van de Bijlagen ervan, regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
  § 2. [5 Om het spaarderspubliek, de beleggers en de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te beschermen, regelt deze wet de vestiging en de werkzaamheden van, alsook het toezicht op in België werkzame kredietinstellingen, en hun eventuele afwikkeling.
   Hiertoe bepaalt zij de toezichtsopdracht van de Nationale Bank van België, in haar hoedanigheid van nationale bevoegde autoriteit, met name in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme.
   De Boeken I tot XI en de Bijlagen I tot VI bij deze wet zorgen voor de gedeeltelijke, tot de kredietinstellingen beperkte omzetting
   - van Richtlijn 2013/36/EU;
   - van richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat ("FICOD I"-Richtlijn), hierna "de FICOD I-Richtlijn" genoemd;
   - van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad, hierna "Richtlijn 2014/59/EU" genoemd;
   - van Richtlijn 2014/65/EU;
   - van richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels, hierna "Richtlijn 2014/49/EU" genoemd; evenals
   - van richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels, hierna "Richtlijn 97/9/EG" genoemd.]5

  § 3. [5 Onder "kredietinstelling" wordt verstaan:
   1° een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening; en
   2° een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het verrichten van beleggingsdiensten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, indien:
   a) de onderneming is geen grondstoffen- en emissierechtenhandelaar, instelling voor collectieve belegging, alternatieve instelling voor collectieve belegging of verzekeringsonderneming;
   b) aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
   (i) de totale waarde van de geconsolideerde activa van de onderneming is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard euro;
   (ii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard euro, maar de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen die groep, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard euro aan totale activa bezitten, en die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of meer dan 30 miljard euro bedraagt; of
   (iii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard euro, maar de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen de groep die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of meer dan 30 miljard euro bedraagt, wanneer de consoliderende toezichthouder in overleg met het college van bevoegde autoriteiten daartoe beslist om potentiële risico's van omzeiling van de regelgeving en potentiële risico's voor de financiële stabiliteit van de Europese Unie aan te pakken; en
   c) de onderneming valt niet onder de vrijstellingen bedoeld in artikel 4, § 1 van de wet van 25 oktober 2016.
   Voor de toepassing van punt 2°, b), onder (ii) en (iii), worden, wanneer de onderneming deel uitmaakt van een groep uit een derde land, de totale activa van ieder bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan een vergunning is verleend in de Europese Unie in de zin van artikel 218/1, § 2, 2° meegerekend in de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen van de groep.
   Voor de toepassing van deze wet worden diensten die bestaan in het in ontvangst nemen van terugbetaalbare geldmiddelen en het verlenen van kredieten en die uitsluitend worden aangeboden of verstrekt aan Amerikaanse onderdanen die tewerkgesteld zijn in de militaire bases, of bij de ondersteunende diensten ervan, van het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa (SHAPE) die aanwezig zijn op het Belgische grondgebied in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), of bij de vertegenwoordiging van de regering van de Verenigde Staten op het Belgische grondgebied, evenals aan dergelijke personen die gepensioneerd zijn, en aan personen die deel uitmaken van het gezin van de voornoemde Amerikaanse onderdanen, beschouwd als diensten die niet aan het publiek in België worden aangeboden of verstrekt.]5

  
Article 1er. § 1er. Les articles 242, 15° à 19° et 296 à 310, 378 et 379 de la présente loi règlent une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
  Les autres dispositions de la présente loi, en ce compris ses Annexes, règlent une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
  § 2. [5 La présente loi a pour objet de régler, dans un but de protection de l'épargne publique, des investisseurs et de la solidité et du bon fonctionnement du système financier, l'établissement, l'activité et le contrôle des établissements de crédit opérant en Belgique, ainsi que leur résolution éventuelle.
   A cet égard, elle précise la mission de contrôle de la Banque nationale de Belgique, en sa qualité d'autorité compétente nationale, notamment dans le cadre du Mécanisme de surveillance unique.
   Les Livres Ier à XI ainsi que les Annexes I à VI de la présente loi assurent la transposition partielle, limitée aux établissements de crédit,
   - de la Directive 2013/36/UE ;
   - de la directive 2011/89/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant les directives 98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce qui concerne la surveillance complémentaire des entités financières des conglomérats financiers (Directive "FICOD I"), ci-après "la Directive FICOD I" ;
   - de la directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) N° 1093/2010 et (UE) N° 648/2012, ci-après "la Directive 2014/59/UE" ;
   - de la Directive 2014/65/UE ;
   - de la directive 2014/49/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relative aux systèmes de garantie des dépôts, ci-après "la Directive 2014/49/UE" ; ainsi que
   - de la directive 97/9/CE du Parlement européen et du Conseil du 3 mars 1997 relative aux systèmes d'indemnisation des investisseurs, ci-après "la Directive 97/9/CE".]5

  § 3. [5 Sont définies comme établissement de crédit :
   1° les entreprises belges ou étrangères dont l'activité consiste à recevoir du public des dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables et à octroyer des crédits pour leur propre compte ; et
   2° les entreprises belges ou étrangères dont l'activité consiste à exercer des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, lorsque :
   a) l'entreprise ne qualifie pas comme un négociant en matières premières et quotas d'émission, un organisme de placement collectif, un organisme de placement collectif alternatif ou une entreprise d'assurance ;
   b) l'une des conditions suivantes est remplie :
   (i) la valeur totale des actifs consolidés de l'entreprise atteint ou dépasse 30 milliards d'euros ;
   (ii) la valeur totale des actifs de l'entreprise est inférieure à 30 milliards d'euros mais l'entreprise fait partie d'un groupe dans lequel la valeur totale des actifs consolidés de toutes les entreprises de ce groupe, qui chacunes prises individuellement ont un actif total inférieur à 30 milliards d'euros, et qui exercent des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros ; ou
   (iii) la valeur totale des actifs de l'entreprise est inférieure à 30 milliards d'euros mais l'entreprise fait partie d'un groupe dans lequel la valeur totale des actifs consolidés de toutes les entreprises du groupe qui exercent des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros, lorsque l'autorité de surveillance sur base consolidée, en concertation avec le collège d'autorités compétentes, prend une décision en ce sens afin de remédier à des risques possibles de contournement de la réglementation et à d'éventuels risques pour la stabilité financière de l'Union européenne ; et
   c) l'entreprise n'est pas visée par les cas d'exemption prévus à l'article 4, § 1er de la loi du 25 octobre 2016.
   Aux fins des points 2°, b), (ii) et (iii), lorsque l'entreprise fait partie d'un groupe de pays tiers, le total des actifs de chaque succursale du groupe de pays tiers agréée dans l'Union européenne au sens de l'article 218/1, § 2, 2° doit être compris dans la valeur totale combinée des actifs de toutes les entreprises du groupe.
   Pour les besoins de la présente loi, les services de réception de fonds remboursables et d'octroi de crédits offerts ou fournis exclusivement aux ressortissants américains affectés aux bases militaires, ou leurs services de support, du Grand Quartier général des puissances alliées en Europe (Shape) présentes sur le territoire belge dans le cadre de l'Organisation du Traité de l'Atlantique Nord (OTAN) ou à la représentation du gouvernement des Etats-Unis sur le territoire belge ainsi qu'à de telles personnes retraitées et aux personnes faisant partie du ménage des ressortissants précités, sont considérés comme n'étant pas offerts ou fournis au public en Belgique.]5

  
Art.2. Voor de toepassing van deze wet worden niet als kredietinstellingen beschouwd :
  1° de Nationale Bank van België, de Europese Centrale Bank en de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
  2° de ondernemingen die kapitalisatieverrichtingen uitvoeren [1 die geregeld zijn bij de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.]1
  
Art.2. Pour l'application de la présente loi, ne sont pas considérées comme établissements de crédit :
  1° la Banque nationale de Belgique, la Banque centrale européenne et la société anonyme de droit public bpost;
  2° les entreprises qui effectuent des opérations de capitalisation [1 régies par la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance.]1
  
TITEL II. - Definities
TITRE II. - Définitions
Art.3. Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder :
  1° de Nationale Bank van België : de instelling bedoeld in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, hierna "de Bank" genoemd;
  2° GTM-verordening : Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
  3° Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme : het toezichtsmechanisme ingesteld bij de GTM-verordening;
  4° [18 de toezichthouder: de Bank of de Europese Centrale Bank, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens de GTM-verordening, voor wat betreft het toezicht op de kredietinstellingen;]18
  5° deelnemende lidstaat : een lidstaat die de euro als munt heeft of een lidstaat die niet de euro als munt heeft maar die een nauwe samenwerking is aangegaan in de zin van artikel 7 van de GTM-verordening;
  6° niet-deelnemende lidstaat : een lidstaat die niet de euro als munt heeft en die geen nauwe samenwerking is aangegaan in de zin van artikel 7 van de GTM-verordening;
  7° Richtlijn 2013/36/EU : de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen [19 ...]19, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG;
  8° Verordening nr. 575/2013 : Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen [19 ...]19 en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
  [7 8° /1 Richtlijn 2014/65/EU : de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU;]7
  [7 8° /2 Verordening nr. 600/2014 : Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;]7
  [9 8° /3 Verordening 2017/565: Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn;]9
  [8 8° /4. Verordening nr. 537/2014: de Verordening (EU) Nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;]8
  [10 8° /5 Verordening nr. 648/2012 : Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;]10
  [12 8° /6 Verordening 2015/2365: Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;]12
  [13 8° /7 [19 Verordening 2017/2402]19: Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;]13
  [15 8° /8 Richtlijn 2015/849/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie;]15
  [17 8° /9 Richtlijn 2019/2162/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG en 2014/59/EU;]17
  [21 8° /10 Verordening 2022/2554: Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011;]21
  9° lidstaat : een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);
  10° [18 bevoegde autoriteit: een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van Richtlijn 2013/36/EU officieel erkend is door het nationaal recht van een lidstaat en die op grond van dat nationaal recht gemachtigd is toezicht uit te oefenen op kredietinstellingen in het kader van het toezichtstelsel van die staat, evenals, in voorkomend geval, de Europese Centrale Bank, uit hoofde van haar bevoegdheden in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme;]18
  [1 10° /1 Verordening nr. 806/2014 : Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010;]1
  [1 10° /2 gemeenschappelijke afwikkelingsraad : de raad opgericht bij artikel 42 van Verordening nr. 806/2014;]1
  11° derde land : een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
  12° [18 autoriteit van een derde land: een autoriteit die belast is met het toezicht op de kredietinstellingen in een derde land;]18
  13° [20 consoliderende toezichthouder: een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU;]20
  14° Verordening nr. 1093/2010 : Verordening nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie;
  15° Europese Bankautoriteit : de Europese Bankautoriteit opgericht bij Verordening nr. 1093/2010, hierna ook de "EBA" genoemd;
  16° Verordening nr. 1092/2010 : Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's;
  17° ESRB : het Europees Comité voor Systeemrisico's opgericht bij Verordening (EU) nr. 1092/2010;
  18° stabiliteit van het financiële stelsel : situatie waarin de kans op discontinuïteit of verstoring van de werking van het financiële stelsel gering is of, indien zich dergelijke verstoringen zouden voordoen, waarin de gevolgen voor de economie beperkt zouden zijn;
  19° Europese Autoriteit voor Effecten en Markten : de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten opgericht bij Verordening nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie;
  20° wet van 2 augustus 2002 : de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  [9 20° /1 wet van 21 november 2017 : de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van Richtlijn 2014/65/EU;]9
  [13 20° /2 wet van 11 maart 2018: de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;]13
  21° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten : de instelling bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002, hierna "de FSMA" genoemd;
  22° [5 Garantiefonds, het Garantiefonds voor financiële diensten opgericht bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor financiële diensten;]5
  23° wet van 22 februari 1998 : de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;
  24° wet van 6 april 1995 : de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;
  [7 24° /1 wet van 25 oktober 2016 : de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;]7
  [15 24° /2 wet van 18 september 2017: de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;]15
  25° financiële instrumenten : de instrumenten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002;
  [7 25° /1 verbonden agent : een verbonden agent in de zin van artikel 2, 25° van de wet van 25 oktober 2016;]7
  26° [14 de begrippen controle, deelneming, deelnemingsverhouding, moederonderneming, dochteronderneming, consortium en verbonden onderneming: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, waarbij deze begrippen ook de in het genoemde Wetboek bedoelde situaties met verenigingen omvatten, wanneer de juridische aard van de vereniging dit toelaat;]14
  27° nauwe banden :
  a) een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat of
  b) een situatie waarin ondernemingen verbonden ondernemingen zijn of
  c) een band van dezelfde aard als bedoeld in bovenstaande litterae a) en b) tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;
  [1 27° /1 verbonden personen : echtgenoten, partners die volgens hun nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in de eerste graad;]1
  28° gekwalificeerde deelneming : het recht-streeks of onrechtstreeks bezit van ten minste 10 pct. van het kapitaal van een vennootschap of van de stemrechten die zijn verbonden aan de door deze vennootschap uitgegeven effecten, dan wel elke andere mogelijkheid om een invloed van betekenis uit te oefenen op het beleid van de vennootschap waarin wordt deelgenomen; de stemrechten worden berekend conform de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, alsook conform de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten; er wordt geen rekening gehouden met stemrechten of aandelen die worden gehouden als gevolg van het vast overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, tenzij die rechten worden uitgeoefend of anderszins worden gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na hun verwerving worden overgedragen;
  29° systeemrelevante kredietinstelling : een [2 instelling]2 als bedoeld in artikel 12 van Bijlage IV bij deze wet;
  30° [15 significante kredietinstelling: een kredietinstelling die voldoet aan minstens een van de volgende voorwaarden:
   a) een systeemrelevante kredietinstelling;
   b) een kredietinstelling die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staat;
   c) een kredietinstelling waarvan de waarde van de activa bepaald op grond van artikel 24 van Verordening nr. 575/2013 gemiddeld en op individuele basis, of, indien niet beschikbaar, op geconsolideerde basis, meer dan 5 miljard euro bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar.
   De toezichthouder kan beslissen dat een kredietinstelling die voldoet aan de voorwaarde onder b) en die de onder c) bepaalde drempel niet overschrijdt als niet significante kredietinstelling wordt aangemerkt wegens haar omvang, haar interne organisatie en de aard, de omvang, de complexiteit en het grensoverschrijdende karakter van haar werkzaamheden;]15

  31° [4 verzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]4
  32° [4 herverzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]4
  33° [7 beleggingsonderneming : een beleggings-onderneming in de zin van artikel 3, § 1 van de wet van 25 oktober 2016]7;
  [18 33° /1 beursvennootschap: een beleggingsonderneming naar Belgisch of buitenlands recht waarvan de werkzaamheden met name bestaan in het verrichten:
   a) van beleggingsdiensten die bestaan in:
   - het handelen voor eigen rekening;
   - het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie;
   - het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie;
   - het uitbaten van multilaterale handelsfaciliteiten; of
   - het uitbaten van georganiseerde handelsfaciliteiten; en/of;
   b) van nevendiensten die bestaan in:
   - bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarnemingsdiensten en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer en met uitzondering van het centraal aanhouden van effectenrekeningen op het hoogste niveau;
   - het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een transactie in één of meer financiële instrumenten te verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt, betrokken is;
   - valutawisseldiensten voor zover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten; of
   - diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten;
   voor zover aan geen enkele van de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, b) is voldaan;]18

  34° collectieve beleggingsonderneming : een collectieve beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, 1° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  35° beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging : een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  36° alternatieve instellingen voor collectieve belegging of "AICB's" : instellingen voor collectieve belegging, met inbegrip van hun beleggingscompartimenten,
  a) die bij een aantal beleggers kapitaal aantrekken om het te beleggen overeenkomstig een welomschreven beleggingsbeleid, in het belang van deze beleggers; en
  b) die niet voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's);
  37° beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging : een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13° van de wet van 19 april 2014 betreffende alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, hierna ook "AICB-beheerder" genoemd;
  38° [15 financiële holding: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, en die geen gemengde financiële holding is. De dochterondernemingen van een financiële instelling zijn hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen indien ten minste één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is en indien meer dan 50 % van het eigen vermogen, de geconsolideerde activa, de inkomsten, het personeel van de financiële instelling of een andere indicator die als relevant wordt beschouwd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding is gevestigd, en, indien dit een andere autoriteit is, in overleg met de consoliderende toezichthouder, verbonden is met dochterondernemingen die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;]15
  39° gemengde financiële holding : een moederonderneming die geen gereglementeerde onderneming is en die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat;
  40° gemengde holding : een moederonderneming die geen kredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één kredietinstelling telt;
  41° [15 financiële instelling: een onderneming die geen kredietinstelling en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot 12 en punt 15 van de in artikel 4 opgenomen lijst;]15
  42° gereglementeerde onderneming : een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging;
  43° [4 verzekeringsholding: een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]4
  44° [4 gemengde verzekeringsholding: een gemengde verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 6°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]4
  45° uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan : een lid van het wettelijk bestuursorgaan dat deelneemt aan de effectieve leiding van de instelling; onder meer de volgende personen zijn uitvoerende leden : het lid van het wettelijk bestuursorgaan dat lid is van het directiecomité of aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen [14 in de zin van de artikelen 6:67, tweede lid of 7:121, tweede lid van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]14;
  46° [18 kritieke functies: de werkzaamheden, diensten of verrichtingen van een kredietinstelling waarvan het waarschijnlijk is dat de onderbreking tot een verstoring leidt, in België of in een of meer andere lidstaten, van diensten die essentieel zijn voor de reële economie, of de financiële stabiliteit verstoort, wegens de omvang, het marktaandeel, de verwevenheid met entiteiten binnen en buiten de groep, de complexiteit of de grensoverschrijdende werkzaamheden van de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt, met bijzondere aandacht voor de vervangbaarheid van die werkzaamheden, diensten of verrichtingen;]18
  47° onafhankelijke controlefuncties : de [19 interne auditfunctie]19, de compliancefunctie of de risicobeheerfunctie als bedoeld in artikel 35;
  48° reglementaire eigenvermogensvereisten : de eigenvermogensvereisten die vastgesteld zijn in artikel 92 van Verordening nr. 575/2013;
  49° tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1-kapitaal en tier 2-kapitaal : de reglementaire eigenvermogensbestanddelen die respectievelijk zijn vastgesteld in Deel 2, Titel I, Hoofdstukken 2, 3 en 4 van Verordening nr. 575/2013;
  [3 49/1° Richtlijn 2014/59/EU : de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad;]3
  50° [18 herstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 108 wordt opgesteld door een kredietinstelling;]18
  [3 50/1° [19 groepsherstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 425 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 7 van richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een EER-moederonderneming;]19]3
  51° [18 afwikkelingsplan: een plan dat overeenkomstig artikel 226 voor een kredietinstelling wordt opgesteld door de afwikkelingsautoriteit;]18
  [3 51/1° groepsafwikkelingsplan : een plan dat overeenkomstig artikel 439 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een buitenlandse afwikkelingsautoriteit;]3
  52° [1 afwikkelingsautoriteit : de Bank of de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010;]1
  [3 52/1° buitenlandse afwikkelingsautoriteit : een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU officieel erkend is door het nationaal recht van een andere lidstaat en gemachtigd om afwikkelingsinstrumenten toe te passen en de afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen, evenals, in voorkomend geval, de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening nr. 806/2014;]3
  [3 52/2° afwikkelingsautoriteit van een derde land : een autoriteit die in een derde land verantwoordelijk is voor de toepassing van instrumenten of de uitoefening van bevoegdheden die vergelijkbaar zijn met de afwikkelingsinstrumenten en afwikkelingsbevoegdheden bedoeld in deze wet;]3
  53° [18 afwikkelbaarheid: de mogelijkheid voor een afwikkelingsautoriteit om een kredietinstelling, een groep als bedoeld in artikel 423, 12° of een entiteit als bedoeld in artikel 424 af te wikkelen;]18
  54° afwikkelingsinstrument : het instrument van verkoop van de onderneming, het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa, naargelang het geval;
  55° afwikkeling : de toepassing van een afwikkelingsinstrument om een of meer van de in artikel 243 bepaalde doelstellingen te verwezenlijken;
  [6 55/1° Afwikkelingsfonds : het fonds voor de afwikkeling als bedoeld in artikel 2 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds;]6
  56° [18 saneringsmaatregelen: de maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen en van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen bestaan deze maatregelen in:
   a) de afwikkelingsinstrumenten en de desbetreffende afwikkelingsbevoegdheden als bedoeld in Boek II, Titel VIII;
   b) de in artikel 236, § 1, 1° bedoelde aanstelling van een speciaal commissaris;
   c) de schorsing of het verbod tot uitoefening van alle of een deel van de werkzaamheden, als bedoeld in artikel 236, § 1, 4° ;]18

  57° [18 saneringsautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van saneringsmaatregelen. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen zijn dit de afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder wat hun respectieve bevoegdheid inzake saneringsmaatregelen betreft;]18
  58° saneringscommissaris : elke persoon of elk orgaan aangesteld door een saneringsautoriteit om saneringsmaatregelen te beheren;
  59° [18 liquidatieprocedure: een collectieve procedure die door administratieve of rechterlijke autoriteiten wordt ingeleid en gecontroleerd teneinde de activa van een kredietinstelling onder toezicht van deze autoriteiten te gelde te maken. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen stemt een dergelijke procedure overeen met een faillissement als geregeld bij Boek XX van het wetboek van economisch recht;]18
  60° [18 vereffening: de tegeldemaking van de activa van een kredietinstelling volgens een liquidatieprocedure;]18
  61° [18 liquidatieautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen is dit de insolventierechtbank wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen betreft;]18
  62° liquidateur : elke persoon of elk orgaan, waaronder de curator, aangesteld door een liquidatieautoriteit om liquidatieprocedures te beheren;
  63° [15 strategische beslissing:
   1) een beslissing genomen door een kredietinstelling of door een entiteit waarover zij controle heeft, wanneer deze beslissing een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de instelling, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de instelling, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de instelling, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere instelling, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing, of in de mate dat zij leidt tot de initiële toelating van de kapitaalvertegenwoordigende effecten tot de handel op een handelsplatform. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de instellingen, of, in voorkomend geval, de groep waartoe ze behoren. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar;
   2) elke beslissing die gelijkaardige gevolgen heeft voor de kredietinstelling en die genomen wordt door een aandeelhouder die controle uitoefent over de instelling;]15

  64° [18 bijkantoor: een bedrijfszetel die een deel zonder rechtspersoonlijkheid vormt en rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, handelingen verricht die specifiek zijn voor de werkzaamheden van een kredietinstelling; verschillende bedrijfszetels in eenzelfde staat van een kredietinstelling met maatschappelijke zetel in een andere staat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;]18
  65° significant bijkantoor : een bijkantoor dat overeenkomstig artikel 51, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU in een lidstaat als significant wordt aangemerkt;
  66° [9 systematische internaliseerder: een kredietinstelling [19 ...]19 die de activiteit als omschreven in artikel 3, 29°, van de wet van 21 november 2017 uitoefent;]9
  67° [18 uitzonderlijke overheidssteun: elke staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die aan een kredietinstelling wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit van deze kredietinstelling te vrijwaren of te herstellen;]18
  68° gewaarborgde deposito's : de deposito's [5 , waaronder de op naam gestelde kasbonnen en de gedematerialiseerde en op nominatieve rekeningen geregistreerde kasbonnen,]5 die gedekt zijn door de Belgische depositobeschermingsregeling bedoeld in artikel 380, ten belope van het niveau van dekking bepaald in artikel 382;
  69° in aanmerking komende deposito's : de deposito's [5 , waaronder de op naam gestelde kasbon-nen en de gedematerialiseerde en op nominatieve rekeningen geregistreerde kasbonnen,]5 die niet op grond van de toepasselijke Europese richtlijn omwille van hun aard of de hoedanigheid van de deposant zijn uitgesloten van terugbetaling door een depositogarantiestelsel;
  70° werkdag : een dag die noch een zaterdag, noch een zondag, en noch een wettelijke feestdag is;
  [7 71° beleggingsdiensten en -activiteiten : de diensten en activiteiten bedoeld in artikel 2, 1° van de wet van 25 oktober 2016;]7
  [7 72° nevendiensten : de nevendiensten als omschreven in artikel 2, 2° van de wet van 25 oktober 2016;]7
  [7 73° handelen voor eigen rekening : met eigen kapitaal handelen in één of meer financiële instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties;]7
  [7 74° multilaterale handelsfaciliteit (Multilateral trading facility - MTF) : een door een beursvennootschap, een kredietinstelling of een marktonderneming geëxploiteerd multilateraal systeem dat verschillende koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten - binnen dit systeem en volgens niet-discretionaire regels - samenbrengt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit [9 overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk II van Titel II van de wet van 21 november 2017]9;]7
  [9 74° /1 [19 ...]19]9
  [7 75° [18 derde bemiddelaar: een bemiddelaar als bedoeld in artikel 65/1 waarbij een kredietinstelling tegoeden van cliënten deponeert;]18]7
  [7 76° financieel instrument : een financieel instrument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002;]7
  [9 77° gereglementeerde markt: een gereglementeerde markt in de zin van artikel 3, 7°, van de wet van 21 november 2017;";
   78° algoritmische handel: de algoritmische handel in de zin van artikel 2, 59°, van de wet van 25 oktober 2016;
   79° directe elektronische toegang: de directe elektronische toegang in de zin van artikel 2, 61°, van de wet van 25 oktober 2016;
   80° gestructureerde deposito: een deposito in de zin van artikel 2, 62°, van de wet van 25 oktober 2016]9
.
  [11 81° financiële contracten : de volgende contracten en overeenkomsten :
   a) effectencontracten, met inbegrip van :
   1° contracten voor de aankoop, verkoop of lening van een effect of een groep of index van effecten;
   2° opties op een effect of een groep of index van effecten;
   3° retrocessie- of omgekeerde retrocessietransacties met betrekking tot een dergelijk effect of een dergelijke groep of index;
   b) grondstoffencontracten, met inbegrip van :
   1° contracten voor de aankoop, verkoop of lening van een grondstof of een groep of index van grondstoffen voor de levering ervan in de toekomst;
   2° opties op een grondstof of een groep of index van grondstoffen;
   3° retrocessie- of omgekeerde retrocessietransacties met betrekking tot een dergelijke grondstof, groep of index;
   c) future- en termijncontracten, met inbegrip van contracten (die geen grondstoffencontracten zijn) voor de aankoop, verkoop of overdracht van een grondstof of eigendom van enigerlei andere aard, dienst, recht of belang tegen een vastgestelde prijs op een tijdstip in de toekomst;
   d) swapovereenkomsten, met inbegrip van
   1° swaps en opties met betrekking tot rentetarieven, spot- of andere overeenkomsten met betrekking tot wisselkoersen, valuta's, een aandelenindex of aandelen, een schuldindex of schuld, grondstoffenindexen of grondstoffen, weer, emissies of inflatie;
   2° totale opbrengsten-, kredietspreidings- of kredietswaps;
   3° overeenkomsten of transacties die vergelijkbaar zijn met een in 1° of 2° bedoelde overeenkomst die herhaaldelijk op de swaps- of derivatenmarkten wordt verhandeld;
   e) interbancaire leningsovereenkomsten indien de leningstermijn ten hoogste drie maanden bedraagt;
   f) raamovereenkomsten met betrekking tot de onder a) tot en met e) bedoelde contracten of overeenkomsten;]11

  [13 82° insolventierechtbank: de insolventierechtbank als bedoeld in artikel I.22, 4°, van het Wetboek van economisch recht;]13
  [14 83° [18 onafhankelijk bestuurder of onafhankelijk lid van het wettelijk bestuursorgaan: personen die voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Bankautoriteit, in voorkomend geval samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, en aan de volgende criteria:
   a) gedurende een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan hun benoeming, noch in de kredietinstelling, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, een mandaat van uitvoerend lid van het bestuursorgaan, een functie van lid van de directieraad of van het directiecomité of van persoon belast met het dagelijks bestuur hebben uitgeoefend;
   b) niet meer dan drie opeenvolgende mandaten als niet uitvoerend lid in het bestuursorgaan hebben uitgeoefend, zonder dat dit tijdvak langer mag zijn dan twaalf jaar;
   c) gedurende een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan hun benoeming, geen deel hebben uitgemaakt van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
   d) geen vergoeding of ander belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen of hebben ontvangen van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, buiten de tantièmes en de vergoeding die zij eventueel ontvangen of hebben ontvangen als niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of als lid van het toezichthoudend orgaan;
   e) [19 i) geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de aandelen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de kredietinstelling;
   ii) indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen:
   - mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde kredietinstelling worden aangehouden door vennootschappen waarover de betrokken bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten, van de aandelen of van een soort aandelen van de kredietinstelling; of
   - mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het betrokken lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan;
   iii) in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;]19

   f) geen significante zakelijke relatie hebben of in het voorbije boekjaar hebben gehad met de kredietinstelling of met een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen of Verenigingen, noch rechtstreeks noch als vennoot, aandeelhouder, lid van het bestuursorgaan of lid van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van een vennootschap of persoon die een dergelijke relatie onderhoudt;
   g) in de voorbije drie jaar geen vennoot of werknemer zijn geweest van de huidige of vorige commissaris van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
   h) geen uitvoerend lid zijn van het bestuursorgaan van een andere vennootschap waarin een uitvoerend lid van het bestuursorgaan van de kredietinstelling zitting heeft in de hoedanigheid van niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of lid van het toezichthoudend orgaan, en geen andere belangrijke banden hebben met de uitvoerende leden van het bestuursorgaan van de kredietinstelling uit hoofde van functies bij andere vennootschappen of organen;
   i) geen echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwanten tot de tweede graad hebben die in de kredietinstelling of in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, een mandaat van lid van het bestuursorgaan, lid van de directieraad, lid van het directiecomité, persoon belast met het dagelijks bestuur of lid van het leidinggevend personeel, in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, uitoefenen, of die zich in een van de andere in de punten a) tot h) beschreven gevallen bevinden.
   Het benoemingsbesluit maakt melding van de motieven op grond waarvan de hoedanigheid van onafhankelijk bestuurder wordt toegekend. De Koning, alsook de statuten, kunnen in bijkomende of strengere criteria voorzien.
   Mits hiervoor een terdege onderbouwde rechtvaardiging wordt verstrekt en onder voorbehoud van een andersluidende beoordeling door de toezichthouder, die de gegrondheid van deze rechtvaardiging verifieert, kan een kredietinstelling van de voornoemde criteria afwijken;]18
]14

  [15 84° grondstoffen- en emissierechtenhandelaar: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten met betrekking tot grondstoffenderivaten of grondstofgerelateerde derivatencontracten als bedoeld in de punten e), f), g), i en j) van artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002 of emissierechtengerelateerde derivatencontracten als bedoeld in punt d) van dat artikel, of emissierechten als bedoeld in punt k) van dat artikel;]15
  [15 85° groep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling is en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;
   86° groep uit een derde land: een groep waarvan de moederonderneming onder een derde land ressorteert;
   87° [19 genderneutraal beloningsbeleid: een beloningsbeleid dat gebaseerd is op gelijke beloning van werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, ongeacht hun gender;]19
   88° MSI: een mondiaal systeemrelevante kredietinstelling als bedoeld in artikel 12, tweede lid van Bijlage IV;
   89° BSI: een binnenlandse systeemrelevante instelling als bedoeld in artikel 12, derde lid van Bijlage IV;
   90° risico van buitensporige hefboomwerking: het risico dat voortvloeit uit de kwetsbaarheid van een instelling als gevolg van een hefboomwerking of mogelijke hefboomwerking die onbedoelde corrigerende maatregelen in haar bedrijfsplan kan vereisen, met inbegrip van noodverkopen van activa die in verliezen of waarderingsaanpassingen in haar resterende activa kunnen resulteren;
   91° hefboomratio: het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, d) van Verordening nr. 575/2013;
   92° hefboomratiobuffer: het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013;
   93° niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling of niet-EU MSI: een mondiaal systeemrelevante kredietinstelling of bankgroep (MSB) die geen MSI is en is opgenomen in de lijst met MSB's die wordt bekendgemaakt door de Raad voor financiële stabiliteit;]15

  [16 94° make-whole-clausule: een bepaling die tot doel heeft de belegger te beschermen door ervoor te zorgen dat, in geval van vervroegde aflossing van een obligatie, de emittent aan de houder van de obligatie een bedrag moet betalen dat gelijk is aan de som van de netto contante waarde van de resterende couponbetalingen die tot de vervaldatum worden verwacht, en de hoofdsom van de af te lossen obligatie.]16
  
Art.3. Pour l'application de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre par :
  1° la Banque nationale de Belgique, l'organisme visé par la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, ci-après désignée "la Banque";
  2° Règlement MSU, le Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière de contrôle prudentiel des établissements de crédit;
  3° Mécanisme de surveillance unique, le mécanisme de surveillance mis en place par le Règlement MSU;
  4° [19 l'autorité de contrôle, la Banque ou la Banque centrale européenne selon les répartitions de compétences prévues par ou en vertu du Règlement MSU en matière de contrôle des établissements de crédit ;]19
  5° Etat membre participant, un Etat membre dont la monnaie est l'euro ou un Etat membre dont la monnaie n'est pas l'euro mais qui a établi une coopération rapprochée au sens de l'article 7 du Règlement MSU;
  6° Etat membre non-participant, un Etat membre dont la monnaie n'est pas l'euro et qui n'a pas établi de coopération rapprochée au sens de l'article 7 du Règlement MSU;
  7° Directive 2013/36/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l'accès des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit [18 ...]18 modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE;
  8° Règlement n° 575/2013, le Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit [18 ...]18 et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012;
  [7 8° /1 Directive 2014/65/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d'instruments financiers et modifiant la directive 2002/92/CE et la directive 2011/61/UE;]7
  [7 8° /2 Règlement n° 600/2014, le règlement (UE) n° 600/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d'instruments financiers et modifiant le règlement (UE) n ° 648/2012;]7
  [9 8° /3 Règlement 2017/565: le Règlement délégué (UE) 2017/565 de la Commission du 25 avril 2016 complétant la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les exigences organisationnelles et les conditions d'exercice applicables aux entreprises d'investissement et la définition de certains termes aux fins de ladite directive;]9
  [8 8° /4. Règlement n° 537/2014: le Règlement (UE) N° 537/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux exigences spécifiques applicables au contrôle légal des comptes des entités d'intérêt public et abrogeant la décision 2005/909/CE de la Commission;]8
  [10 8° /5 Règlement n° 648/2012, le Règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux;]10
  [12 8° /6 Règlement n° 2015/2365, le Règlement (UE) 2015/2365 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2015 relatif à la transparence des opérations de financement sur titres et de la réutilisation et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012;]12
  [13 8° /7 [18 Règlement 2017/2402]18, le Règlement (UE) 2017/2402 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 créant un cadre général pour la titrisation ainsi qu'un cadre spécifique pour les titrisations simples, transparentes et standardisées, et modifiant les Directives 2009/65/CE, 2009/138/CE et 2011/61/UE et les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 648/2012 ;]13
  [15 8° /8 Directive 2015/849/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la directive 2006/70/CE de la Commission ;]15
  [17 8° /9 Directive 2019/2162/UE : la directive du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant l'émission d'obligations garanties et la surveillance publique des obligations garanties et modifiant les directives 2009/65/CE et 2014/59/UE;]17
  [21 8° /10 règlement 2022/2554, le règlement (UE) 2022/2554 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2022 sur la résilience opérationnelle numérique du secteur financier et modifiant les règlements (CE) n° 1060/2009, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 909/2014 et (UE) 2016/1011 ;]21
  9° Etat membre, un Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen (EEE);
  10° [19 autorité compétente, une autorité publique ou un organisme officiellement reconnu par le droit national d'un Etat membre en application de la Directive 2013/36/UE, qui est habilité en vertu de ce droit national à surveiller les établissements de crédit dans le cadre du système de surveillance de cet Etat ainsi que, le cas échéant, la Banque centrale européenne au titre de ses compétences dans le cadre du Mécanisme de surveillance unique ;]19
  [1 10° /1 Règlement n° 806/2014, le Règlement (UE) n° 806/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 juillet 2014 établissant des règles et une procédure uniformes pour la résolution des établissements de crédit et de certaines entreprises d'investissement dans le cadre d'un mécanisme de résolution unique et d'un Fonds de résolution bancaire unique, et modifiant le règlement (UE) n° 1093/2010;]1
  [1 10° /2 Conseil de résolution unique, le Conseil institué par l'article 42 du Règlement n° 806/2014;]1
  11° pays tiers, un Etat qui n'est pas partie à l'Accord sur l'Espace économique européen;
  12° [19 autorité de pays tiers, une autorité en charge du contrôle des établissements de crédit au sein d'un pays tiers ;]19
  13° [20 autorité de surveillance sur base consolidée, une autorité compétente chargée d'exercer la surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la directive 2013/36/UE ;]20
  14° Règlement n° 1093/2010, le règlement n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission;
  15° Autorité bancaire européenne, l'Autorité bancaire européenne instituée par le Règlement n° 1093/2010, ci-après, également l'"ABE";
  16° Règlement n° 1092/2010, le Règlement (UE) n° 1092/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relatif à la surveillance macroprudentielle du système financier dans l'Union européenne et instituant un Comité européen du risque systémique;
  17° CERS, le Comité européen du risque systémique créé par le Règlement (UE) n° 1092/2010;
  18° stabilité du système financier, une situation dans laquelle la probabilité de discontinuité ou de perturbation du fonctionnement du système financier est faible ou, si de telles perturbations devaient survenir, leurs conséquences sur l'économie seraient limitées;
  19° Autorité européenne des marchés financiers, l'Autorité européenne des marchés financiers instituée par le règlement n° 1095/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des marchés financiers), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/77/CE de la Commission;
  20° loi du 2 août 2002, la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
  [9 20°/1loi du 21 novembre 2017: la loi du 21 novembre 2017 relative aux infrastructures des marchés d'instruments financiers et portant transposition de la Directive 2014/65/UE;]9
  [13 20° /2 loi du 11 mars 2018 : la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement ;]13
  21° l'Autorité des services et marchés financiers, l'organisme visé à l'article 44 de la loi du 2 août 2002, ci-après désignée "la FSMA";
  22° [5 Fonds de garantie, le Fonds de garantie pour les services financiers créé par l'article 3 de l'arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution des mesures anti-crise prévues dans la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, en ce qui concerne la création du Fonds de garantie pour les services financiers;]5
  23° loi du 22 février 1998, la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique;
  24° loi du 6 avril 1995, la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement;
  [7 24° /1 loi du 25 octobre 2016, la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement;]7
  [15 24° /2 loi du 18 septembre 2017, la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ;]15
  25° instruments financiers, les instruments visés à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 2 août 2002;
  [7 25° /1 agent lié, un agent lié au sens de l'article 2, 25° de la loi du 25 octobre 2016;]7
  26° [14 les notions de contrôle, participation, lien de participation, entreprise-mère, filiale, consortium et entreprise liée, le sens qui leur est conféré par le Code des sociétés et des associations, ces notions incluant également les situations visées par ledit Code avec des associations lorsque la nature juridique de l'association le permet;]14
  27° liens étroits :
  a) une situation dans laquelle il existe un lien de participation ou
  b) une situation dans laquelle des entreprises sont des entreprises liées ou
  c) une relation de même nature que sous les litterae a) et b) ci-dessus entre une personne physique et une personne morale;
  [1 27° /1 personnes apparentées : conjoints, partenaires qui, selon leur droit national, sont considérés comme l'équivalent d'un conjoint et les parents au premier degré;]1
  28° participation qualifiée, la détention, directe ou indirecte, de 10 p.c. au moins du capital d'une société ou des droits de vote attachés aux titres émis par cette société, ou toute autre possibilité d'exercer une influence notable sur la gestion de la société dans laquelle est détenue une participation; le calcul des droits de vote s'établit conformément aux dispositions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, ainsi qu'à celles de ses arrêtés d'exécution; il n'est pas tenu compte des droits de vote ou des actions détenues à la suite de la prise ferme d'instruments financiers et/ou du placement d'instruments financiers avec engagement ferme, pour autant que, d'une part, ces droits ne soient pas exercés ni utilisés autrement pour intervenir dans la gestion de l'émetteur et que, d'autre part, ils soient cédés dans un délai d'un an après leur acquisition;
  29° [2 établissement]2 d'importance systémique, un établissement de crédit visé à l'article 12 de l'Annexe IV à la présente loi;
  30° [15 établissement de crédit d'importance significative, un établissement de crédit qui répond au moins à l'une des conditions suivantes :
   a) un établissement de crédit d'importance systémique ;
   b) un établissement de crédit soumis à la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphes 4 et 5, point b), du règlement MSU ;
   c) un établissement de crédit dont la valeur des actifs déterminée conformément à l'article 24 du Règlement n° 575/2013 dépasse en moyenne et sur base individuelle ou, si cette donnée n'est pas disponible, sur base consolidée, 5 milliards d'euros au cours de la période de quatre ans précédant immédiatement l'exercice en cours.
   L'autorité de contrôle peut décider qu'un établissement de crédit répondant à la condition visée sous le b) et qui ne dépasse pas le seuil fixé au point c) ne revêt pas la qualité d'établissement de crédit d'importance significative, en raison de sa taille, de son organisation interne ainsi que de la nature, de l'ampleur, de la complexité et du caractère transfrontalier de ses activités ;]15

  31° [4 entreprise d'assurance, une entreprise visée à l'article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;]4
  32° [4 entreprise de réassurance, une entreprise visée à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;]4
  33° [7 entreprise d'investissement, une entreprise d'investissement au sens de l'article 3, § 1er de la loi du 25 octobre 2016]7;
  [19 33° /1 société de bourse, une entreprise d'investissement de droit belge ou de droit étranger dont l'activité consiste notamment à fournir :
   a) des services d'investissement consistant dans :
   - la négociation pour compte propre ;
   - la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme ;
   - le placement d'instruments financiers sans engagement ferme ;
   - l'exploitation d'un système multilatéral de négociation ; ou
   - l'exploitation d'un système organisé de négociation ; et/ou ;
   b) des services auxiliaires consistant dans :
   - la conservation et l'administration d'instruments financiers pour le compte de clients, y compris les services de garde et les services connexes, comme la gestion de trésorerie/de garanties, et à l'exclusion de la tenue centralisée de comptes de titres au plus haut niveau ;
   - l'octroi d'un crédit ou d'un prêt à un investisseur pour lui permettre d'effectuer une transaction sur un ou plusieurs instruments financiers, dans laquelle intervient l'entreprise qui octroie le crédit ou le prêt ;
   - les services de change lorsque ces services sont liés à la fourniture de services d'investissement ; ou
   - les services liés à la prise ferme,
   pour autant qu'aucune des conditions de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, b), ne soit remplie.]19

  34° organisme de placement collectif, un organisme de placement collectif au sens de l'article 3, 1° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances;
  35° société de gestion d'organismes de placement collectif, une société de gestion d'organismes de placement collectif au sens de l'article 3, 12° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances;
  36° organismes de placement collectif alternatifs ou "OPCA", des organismes de placement collectif, y compris leurs compartiments d'investissement,
  a) qui lèvent des capitaux auprès d'un certain nombre d'investisseurs en vue de les investir, conformément à une politique d'investissement définie, dans l'intérêt de ces investisseurs; et
  b) qui ne répondent pas aux conditions de la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM);
  37° gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs, un gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs au sens de l'article 3, 13° de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, ci-après également "gestionnaire d'OPCA";
  38° [15 compagnie financière, un établissement financier dont les filiales sont exclusivement ou principalement un ou plusieurs établissements de crédit ou établissements financiers, et qui n'est pas une compagnie financière mixte. Les filiales d'un établissement financier sont principalement des établissements de crédit ou des établissements financiers lorsqu'au moins l'une d'elles est un établissement de crédit et lorsque plus de 50 % des fonds propres, ou des actifs consolidés, ou des recettes ou du personnel de l'établissement financier, ou de tout autre indicateur jugé pertinent par l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière est établie, et, lorsqu'il s'agit d'une autorité différente, en concertation avec l'autorité de surveillance sur base consolidée, [18 concernent]18 des filiales qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers ;]15
  39° compagnie financière mixte, une entreprise mère, autre qu'une entreprise réglementée, qui est à la tête d'un conglomérat financier;
  40° compagnie mixte, une entreprise mère autre qu'un établissement de crédit, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte, qui compte parmi ses filiales au moins un établissement de crédit;
  41° [15 établissement financier, une entreprise autre qu'un établissement de crédit et autre qu'une compagnie holding purement industrielle, dont l'activité principale consiste à prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à l'article 4 ;]15
  42° entreprise réglementée, un établissement de crédit, une entreprise d'assurance, une entreprise de réassurance, une entreprise d'investissement, une société de gestion d'organismes de placement collectif, un gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs;
  43° [4 société holding d'assurance, une société holding d'assurance au sens de l'article 338, 5°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;]4
  44° [4 société holding mixte d'assurance, une société holding mixte d'assurance au sens de l'article 338, 6°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;]4
  45° membre exécutif de l'organe légal d'administration, un membre de l'organe légal d'administration qui participe à la direction effective de l'établissement; est notamment membre exécutif, le membre de l'organe légal d'administration qui est membre du comité de direction ou qui s'est vu déléguer la gestion journalière [14 au sens des articles 6:67, alinéa 2 ou 7:121, alinéa 2 du Code des sociétés et des associations]14;
  46° [19 fonctions critiques, les activités, services ou opérations d'un établissement de crédit dont l'interruption est susceptible, en Belgique ou dans un ou plusieurs autres Etats membres, d'entraîner des perturbations de services essentiels à l'économie réelle ou de perturber la stabilité financière, en raison de la taille, de la part de marché, de l'interdépendance interne et externe, de la complexité ou des activités transfrontalières de l'établissement de crédit ou du groupe dont il fait partie, une attention particulière étant accordée à la substituabilité de ces activités, services ou opérations ;]19
  47° fonctions de contrôle indépendantes, la fonction d'audit interne, la fonction de conformité (compliance) ou la fonction de gestion des risques visées à l'article 35;
  48° exigences de fonds propres réglementaires, les exigences de fonds propres prévues par l'article 92 du Règlement n° 575/2013;
  49° fonds propres de base de catégorie 1, fonds propres additionnels de catégorie 1 et fonds propres de catégorie 2, les composantes de fonds propres réglementaires prévues respectivement à la deuxième Partie, Titre I, Chapitres 2, 3 et 4 du Règlement n° 575/2013;
  [3 49/1° directive 2014/59/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 1093/2010 et (UE) n° 648/2012;]3
  50° [19 plan de redressement, un plan élaboré par un établissement de crédit conformément à l'article 108 ;]19
  [3 50/1° plan de redressement de groupe, un plan établi conformément à l'article 425 ou un plan au sens de l'article 7 de la directive 2014/59/UE établi par une entreprise mère dans l'EEE;]3
  51° [19 plan de résolution, un plan élaboré par l'autorité de résolution pour un établissement de crédit, conformément à l'article 226 ;]19
  [3 51/1° plan de résolution de groupe, un plan établi conformément à l'article 439 ou un plan au sens de l'article 12 de la directive 2014/59/UE établi par une autorité de résolution étrangère;]3
  52° [1 autorité de résolution : la Banque ou le Conseil de résolution unique, selon les répartitions de compétences prévues par ou en vertu du Règlement (UE) n° 806/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 juillet 2014 établissant des règles et une procédure uniformes pour la résolution des établissements de crédit et de certaines entreprises d'investissement dans le cadre d'un mécanisme de résolution unique et d'un Fonds de résolution bancaire unique, et modifiant le règlement (UE) n° 1093/2010;]1
  [3 52/1° autorité de résolution étrangère, une autorité publique ou un organisme officiellement reconnu par le droit national d'un autre Etat membre en application de l'article 3 de la directive 2014/59/UE, qui est habilité à appliquer les instruments de résolution et à exercer les pouvoirs de résolution, ainsi que, le cas échéant, le Conseil de résolution unique, selon les répartitions de compétences prévues par ou en vertu du règlement n° 806/2014;]3
  [3 52/2° autorité de résolution d'un pays tiers, une autorité qui, au sein d'un pays tiers, est responsable de l'application d'instruments ou de l'exercice de pouvoirs qui sont comparables aux instruments et pouvoirs de résolution visés dans la présente loi ;]3
  53° [19 résolvabilité, la possibilité pour une autorité de résolution de résoudre la défaillance d'un établissement de crédit, d'un groupe visé à l'article 423, 12°, ou d'une entité visée à l'article 424 ;]19
  54° instrument de résolution, l'instrument de cession des activités, l'instrument de l'établissement-relais ou l'instrument de séparation des actifs, selon le cas;
  55° résolution, l'application d'un instrument de résolution dans le but d'atteindre un ou plusieurs des objectifs énoncés à l'article 243;
  [6 55/1° Fonds de résolution, le fonds pour la résolution visé à l'article 2 de la loi du 28 décembre 2011 relative au du Fonds de résolution;]6
  56°[19 mesures d'assainissement, les mesures destinées à préserver ou à rétablir la situation financière d'un établissement de crédit et susceptibles d'affecter les droits préexistants des tiers. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, ces mesures correspondent :
   a) aux instruments de résolution et aux pouvoirs de résolution y afférents visés au Livre II, Titre VIII ;
   b) à la désignation d'un commissaire spécial visée à l'article 236, § 1er, 1° ;
   c) à la suspension ou l'interdiction de tout ou partie des activités, visée à l'article 236, § 1er, 4° ;]19

  57° [19 autorités d'assainissement, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de mesures d'assainissement. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, ces autorités sont l'autorité de résolution et l'autorité de contrôle en ce qui concerne leur compétence respective en matière de mesures d'assainissement ;]19
  58° commissaire à l'assainissement, toute personne ou organe nommé par une autorité d'assainissement en vue de gérer des mesures d'assainissement;
  59° [19 procédure de liquidation, une procédure collective ouverte et contrôlée par des autorités administratives ou judiciaires dans le but de la réalisation des biens d'un établissement de crédit sous la surveillance de ces autorités. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, une telle procédure correspond à la faillite régie par le Livre XX du Code de droit économique ;]19
  60° [19 liquidation, la réalisation des actifs d'un établissement de crédit selon une procédure de liquidation ;]19
  61° [19 autorités de liquidation, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de procédure de liquidation. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, une telle autorité correspond au tribunal de l'insolvabilité en ce qui concerne sa compétence en matière de faillite ;]19
  62° liquidateur, toute personne ou organe, dont le curateur, nommé par une autorité de liquidation en vue de gérer des procédures de liquidation;
  63° [15 décision stratégique :
   1) une décision prise par un établissement de crédit ou par une entité sous son contrôle, dès lors qu'une telle décision est d'une certaine importance et dès lors susceptible d'avoir un impact plus global sur l'établissement, dans la mesure où différentes fonctions de l'établissement seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinvestissement, participation ou relation de coopération stratégique de l'établissement, notamment, une décision d'acquisition ou de constitution d'un autre établissement, de constitution d'une joint-venture, d'établissement dans un autre Etat, de conclusion d'accords de coopération, d'apport ou d'acquisition d'une branche d'activité, de fusion ou de scission, ou encore dans la mesure où elle conduit à l'admission initiale à la négociation des titres représentatifs de capital sur une plateforme de négociation. La Banque, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente disposition en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des établissements, ou, le cas échéant, le groupe auxquels ils appartiennent. Elle publie ces précisions ;
   2) tout type de décision produisant des effets similaires dans le chef de l'établissement de crédit, prise par un actionnaire qui exerce le contrôle sur l'établissement ;]15

  64° [19 succursale, un siège d'exploitation qui constitue une partie dépourvue de personnalité juridique et qui effectue directement, en tout ou en partie, les opérations inhérentes à l'activité d'établissement de crédit; plusieurs sièges d'exploitation créés dans le même Etat par un établissement de crédit ayant son siège social dans un autre Etat sont considérés comme une seule succursale ;]19
  65° succursale d'importance significative, une succursale considérée comme ayant une importance significative dans un Etat membre conformément à l'article 51, paragraphe 1 de la Directive 2013/36/UE;
  66° [9 internalisateur systématique: un établissement de crédit [18 ...]18 qui exerce l'activité définie à l'article 3, 29°, de la loi du 21 novembre 2017;]9
  67° [19 soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, toute aide d'Etat, au sens de l'article 107, paragraphe 1er, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, qui est accordée à un établissement de crédit dans le but de préserver ou de rétablir la viabilité, la liquidité ou la solvabilité de cet établissement de crédit ;]19
  68° dépôts assurés, les dépôts [5 , dont les bons de caisse nominatifs et les bons de caisse dématérialisés et enregistrés à des comptes nominatifs,]5 qui sont couverts par le système belge de protection des dépôts visé à l'article 380, à concurrence du niveau de couverture prévu à l'article 382;
  69° dépôts éligibles, les dépôts [5 , dont les bons de caisse nominatifs et les bons de caisse dématérialisés et enregistrés à des comptes nominatifs,]5 qui, en vertu de la directive européenne applicable, ne sont pas exclus de tout remboursement par un système de garantie de dépôts en raison de leur nature ou de la qualité du déposant;
  70° jour ouvrable, un jour qui n'est ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié légal;
  [7 71° services et activités d'investissement, les services et activités qui sont visés à l'article 2, 1° de la loi du 25 octobre 2016;]7
  [7 72° services auxiliaires, les services auxiliaires tels que définis à l'article 2, 2° de la loi du 25 octobre 2016;]7
  [7 73° négociation pour compte propre, le fait de négocier, en engageant ses propres capitaux, un ou plusieurs instruments financiers en vue de conclure des transactions;]7
  [7 74° système multilatéral de négociation (Multilateral trading facility - MTF), un système multilatéral, exploité par une société de bourse, un établissement de crédit ou une entreprise de marché, qui assure la rencontre - en son sein même et selon des règles non discrétionnaires - de multiples intérêts acheteurs et vendeurs exprimés par des tiers pour des instruments financiers, d'une manière qui aboutisse à la conclusion de contrats [9 conformément au Chapitre II du Titre II de la loi du 21 novembre 2017]9;]7
  [9 74° /1 [18 ...]18]9
  [7 75° [19 intermédiaire tiers, un intermédiaire, visé à l'article 65/1 auprès duquel un établissement de crédit dépose des avoirs de clients ;]19]7
  [7 76° instrument financier, un instrument financier visé à l'article 2, alinéa 1er, 1° de la loi du 2 août 2002.]7
  [9 77° marché réglementé, un marché réglementé au sens de l'article 3, 7°, de la loi du 21 novembre 2017;
  78° trading algorithmique, le trading algorithmique au sens de l'article 2, 59°, de la loi du 25 octobre 2016;
  79° accès électronique direct: l'accès électronique direct au sens de l'article 2, 61°, de la loi du 25 octobre 2016;
  80° dépôt structuré: un dépôt au sens de l'article 2, 62°, de la loi du 25 octobre 2016;]9

  [11 81° contrats financiers : les contrats et accords suivants :
   a) les contrats sur titres, y compris :
   1° les contrats d'achat, de vente ou de prêt d'un titre ou d'un groupe ou indice de titres;
   2° les options sur un titre ou sur un groupe ou indice de titres;
   3° les opérations de mise en pension ou de prise en pension sur un tel titre, un tel groupe ou un tel indice;
   b) les contrats sur matières premières, y compris :
   1° les contrats d'achat, de vente ou de prêt d'une matière première ou d'un groupe ou indice de matières premières [18 en vue de leur livraison à une date ultérieure]18;
   2° les options sur une matière première ou sur un groupe ou un indice de matières premières;
   3° les opérations de mise en pension ou de prise en pension sur une telle matière première, un tel groupe ou un tel indice;
   c) les contrats à terme, y compris les contrats (autres qu'un contrat sur matières premières) d'achat, de vente ou de transfert, à une date ultérieure, d'une matière première ou de biens de toute autre nature, d'un service, d'un droit ou d'une garantie pour un prix spécifié;
   d) les accords de swap, notamment
   1° les swaps et les options relatifs aux taux d'intérêt, les accords au comptant ou autres accords sur devises, les swaps sur monnaies, les indices d'actions ou les actions, les indices de dettes ou les dettes, les indices de matières premières ou les matières premières, le climat, les émissions ou l'inflation;
   2° les swaps sur rendement total, sur spreads de crédit et swaps de crédits;
   3° tout accord ou toute opération similaire à un accord visé au point 1° ou 2° qui fait l'objet d'opérations récurrentes sur les marchés des swaps ou des produits dérivés;
   e) les accords d'emprunt interbancaire dont l'échéance est inférieure ou égale à trois mois;
   f) les accords-cadres relatifs à tous les types de contrats et d'accords visés aux points a) à e);]11

  [13 82° tribunal de l'insolvabilité, le tribunal de l'insolvabilité visé à l'article I.22, 4°, du Code de droit économique;]13
  [14 83° [19 administrateur indépendant ou membre indépendant de l'organe légal d'administration, les personnes qui répondent aux critères définis par l'Autorité bancaire européenne, le cas échéant conjointement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, et aux critères suivants :
   a) durant une période de cinq années précédant leur nomination, ne pas avoir exercé un mandat de membre exécutif de l'organe d'administration, ou une fonction de membre du conseil de direction ou du comité de direction ou de délégué à la gestion journalière, ni auprès de l'établissement de crédit, ni auprès d'une société ou personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
   b) ne pas avoir siégé au sein de l'organe d'administration en tant que membre non exécutif pendant plus de trois mandats successifs, sans que cette période ne puisse excéder douze ans;
   c) durant une période de trois années précédant leur nomination, ne pas avoir fait partie du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, de l'établissement de crédit ou d'une société ou personne liée à celui-ci ou celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations;
   d) ne pas recevoir, ni avoir reçu, de rémunération ou un autre avantage significatif de nature patrimoniale de l'établissement de crédit ou d'une société ou personne liée à celui-ci ou celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en dehors des tantièmes et honoraires éventuellement perçus comme membre non exécutif de l'organe d'administration ou membre de l'organe de surveillance ;
   e) i) ne détenir aucun droit social représentant un dixième ou plus du capital, des capitaux propres ou d'une classe d'actions ou des droits de vote de l'établissement de crédit ;
   ii) s'ils détiennent des droits sociaux qui représentent une quotité inférieure à 10 % :
   - par l'addition des droits sociaux avec ceux détenus dans le même établissement de crédit par des sociétés dont l'administrateur indépendant a le contrôle, ces droits sociaux ne peuvent pas atteindre un dixième du capital, des capitaux propres, des droits de vote ou d'une classe d'actions de l'établissement de crédit ; ou
   - les actes de disposition relatifs à ces actions ou l'exercice des droits y afférents ne peuvent pas être soumis à des stipulations conventionnelles ou à des engagements unilatéraux auxquels le membre indépendant de l'organe légal d'administration a souscrit ;
   iii) ne pas représenter en aucune manière un actionnaire rentrant dans les conditions du présent point ;
   f) ne pas entretenir, ni avoir entretenu au cours du dernier exercice social, une relation d'affaires significative avec l'établissement de crédit ou une société ou personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni directement ni en qualité d'associé, d'actionnaire, de membre de l'organe d'administration ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, d'une société ou personne entretenant une telle relation ;
   g) ne pas avoir été au cours des trois dernières années, associé ou salarié du commissaire, actuel ou précédent, de l'établissement de crédit ou d'une société ou personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
   h) ne pas être membre exécutif de l'organe d'administration d'une autre société dans laquelle un membre exécutif de l'organe d'administration de l'établissement de crédit siège en tant que membre non exécutif de l'organe de d'administration ou membre de l'organe de surveillance, ni entretenir d'autres liens importants avec les membres exécutifs de l'organe d'administration de l'établissement de crédit du fait de fonctions occupées dans d'autres sociétés ou organes ;
   i) n'avoir, ni au sein de l'établissement de crédit, ni au sein d'une société ou d'une personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni conjoint ni cohabitant légal, ni parents ni alliés jusqu'au deuxième degré exerçant un mandat de membre de l'organe d'administration, de membre conseil de direction, de membre du comité de direction, de délégué à la gestion journalière ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, ou se trouvant dans un des autres cas définis aux points a) à h).
   La décision de nomination fait mention des motifs sur la base desquels est octroyée la qualité d'administrateur indépendant. Le Roi, de même que les statuts, peuvent prévoir des critères additionnels ou plus sévères.
   Moyennant justification dûment motivée et sous réserve d'une appréciation contraire de l'autorité de contrôle, qui vérifie le bien-fondé de cette justification, un établissement de crédit peut déroger aux critères précités ;]19
]14

  [15 84° négociant en matières premières et quotas d'émission, une entreprise dont l'activité principale consiste exclusivement à fournir des services d'investissement ou à exercer des activités d'investissement portant sur les instruments dérivés sur matières premières ou les contrats dérivés sur matières premières visés aux points e), f), g), i et j) de l'article 2, alinéa 1er, 1° de la loi du 2 août 2002 ou les contrats dérivés de quotas d'émission visés au point d) dudit article ou les quotas d'émission visés au point k) dudit article ;]15
  [15 85° groupe : un ensemble d'entreprises dont l'une au moins est un établissement de crédit et qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et des entreprises contrôlées par ces dernières ;
   86° groupe de pays tiers, un groupe dont l'entreprise mère relève du droit d'un pays tiers ;
   87° [18 politique de rémunération neutre du point de vue du genre, une politique de rémunération fondée sur le principe de l'égalité des rémunérations entre travailleurs pour un travail identique ou équivalent, et ce quel que soit leur genre ;]18
   88° EISm, un établissement d'importance systémique mondiale visé à l'article 12, alinéa 2 de l'Annexe IV ;
   89° EIS domestique, un établissement d'importance systémique domestique visé à l'article 12, alinéa 3 de l'Annexe IV ;
   90° risque de levier excessif, le risque de vulnérabilité d'un établissement, résultant d'un levier ou d'un levier éventuel pouvant nécessiter la prise de mesures correctives non prévues au plan d'entreprise, y compris une vente en urgence d'actifs pouvant se solder par des pertes ou une réévaluation des actifs restants ;
   91° ratio de levier, l'exigence de fonds propres prévue à l'article 92, paragraphe 1er, d) du Règlement n° 575/2013 ;
   92° coussin lié au ratio de levier, l'exigence de fonds propres prévue à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlement n° 575/2013 ;
   93° établissement d'importance systémique mondiale de pays tiers ou un EISm de pays tiers, un établissement de crédit ou un groupe bancaire d'importance systémique mondiale (BISm) qui n'est pas un EISm et qui figure sur la liste de BISm publiée par le Conseil de stabilité financière;]15

  [16 94° clause de remboursement make-whole, une clause qui vise à protéger les investisseurs en veillant à ce que, en cas de remboursement anticipé d'une obligation, l'émetteur soit tenu de verser à l'investisseur détenant l'obligation un montant égal à la somme de la valeur actuelle nette des paiements de coupons restants attendus jusqu'à la date d'échéance et du montant principal de l'obligation à rembourser.]16
  
Art.4. [4 De volgende werkzaamheden komen in aanmerking voor wederzijdse erkenning zoals geregeld bij de artikelen 86, 90 en 92 en bij Boek III, Titel I, voor de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° :]4
  1) In ontvangst nemen van deposito's of andere terugbetaalbare gelden;
  2) Verstrekken van leningen, inclusief consumentenkrediet, hypothecair krediet, factoring met of zonder verhaal en financiering van handelstransacties (inclusief forfaitering);
  3) Leasing;
  4) Betalingsdiensten [2 in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 11 maart 2018 [3 ...]3]2;
  5) Uitgifte en beheer van andere betaalmiddelen (bijvoorbeeld reischeques en kredietbrieven), voor zover deze werkzaamheid niet valt onder punt 4);
  6) Verlenen van garanties en stellen van borgtochten;
  7) Transacties voor eigen rekening van de instelling of voor rekening van cliënten met betrekking tot :
  a) geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositobewijzen, enz.)
  b) valuta's
  c) financiële futures en opties
  d) swaps en soortgelijke financieringsinstrumenten
  e) effecten;
  8) Deelnemingen aan effectenemissies en dienstverrichtingen in verband daarmee;
  9) Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen;
  10) Bemiddeling op de interbankenmarkten;
  11) Vermogensbeheer of -advisering;
  12) Bewaarneming en beheer van effecten;
  13) Commerciële inlichtingen;
  14) Verhuur van safes;
  15) Uitgifte van elektronisch geld.
  Wanneer in het eerste lid wordt verwezen naar de financiële instrumenten, vallen [1 de diensten en activiteiten vermeld in artikel 2, 1° en 2° van de wet van 25 oktober 2016]1 onder de regeling voor wederzijdse erkenning van deze wet.
  [4 Enkel de beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten bedoeld in artikel 3, 71° en 72° komen in aanmerking voor wederzijdse erkenning zoals geregeld bij de artikelen 86, 90 en 92 en Boek III, Titel I, voor de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°.]4
  
Art.4. [4 Pour la reconnaissance mutuelle organisée par les articles 86, 90 et 92 et par le Livre III, Titre Ier en ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, sont prises en considération les activités suivantes :]4
  1) Réception de dépôts ou d'autres fonds remboursables;
  2) Prêts y compris le crédit à la consommation, le crédit hypothécaire, l'affacturage avec ou sans recours et le financement des transactions commerciales (forfaitage inclus);
  3) Crédits-bails;
  4) Services de paiement [2 au sens de l'article 2, 1°, de la loi du 11 mars 2018 [3 ...]3]2;
  5) Emission et gestion d'autres moyens de paiement (par exemple, chèques de voyages et lettres de crédit) dans la mesure où cette activité n'est pas couverte par le point 4);
  6) Octroi de garanties et souscription d'engagements;
  7) Transactions pour le compte propre de l'établissement ou pour le compte de sa clientèle sur :
  a) les instruments du marché monétaire (chèques, effets, certificats de dépôts, etc.)
  b) les marchés des changes
  c) les instruments financiers à terme et options
  d) les instruments sur devises ou sur taux d'intérêts
  e) les valeurs mobilières;
  8) Participation aux émissions de titres et prestations de services y afférents;
  9) Conseil aux entreprises en matière de structure du capital, de stratégie industrielle et des questions connexes et conseils ainsi que services dans le domaine de la fusion et du rachat d'entreprises;
  10) Intermédiation sur les marchés interbancaires;
  11) Gestion ou conseil en gestion de patrimoine;
  12) Conservation et administration de valeurs mobilières;
  13) Renseignements commerciaux;
  14) Location de coffres;
  15) Emission de monnaie électronique.
  Lorsque l'alinéa 1er renvoie aux instruments financiers, [1 les services et activités mentionnés à l'article 2, 1° et 2° de la loi du 25 octobre 2016]1 tombent dans le champ d'application du régime de reconnaissance mutuelle prévu par la présente loi.
  [4 Pour la reconnaissance mutuelle organisée par les articles 86, 90 et 92 et par le Livre III, Titre Ier en ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, sont seulement pris en considération les services d'investissement, les activités d'investissement et les services auxiliaires visés à l'article 3, 71° et 72°.]4
  
TITEL III. - Gereserveerde namen
TITRE III. - Des dénominations réservées
HOOFDSTUK I. - Benaming van de kredietinstellingen
CHAPITRE Ier. - Des dénominations des établissements de crédit
Art.5. In België mogen alleen de volgende instellingen publiekelijk [3 gebruikmaken]3 van de termen "kredietinstelling", "bank", "bancair", "spaarbank", "spaarkas" of "effectenbank" of meer in het algemeen van de termen die verwijzen naar het statuut van kredietinstelling, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of reclame :
  1° de in België gevestigde kredietinstellingen;
  2° de in België overeenkomstig artikel 313 werkzame kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren;
  3° de vertegenwoordigingskantoren als bedoeld in artikel 341;
  4° de kredietinstellingen die onder een derde land ressorteren en die, zonder in België te zijn gevestigd, aldaar beleggingsdiensten leveren [1 op grond van de wet van 25 oktober 2016 en haar uitvoeringsbesluiten]1.
  Evenwel,
  1° geldt het eerste lid, wat de termen "bank" en "bancair" betreft, niet voor de Nationale Bank van België, de Europese Centrale Bank en de bankinstellingen naar internationaal publiek recht waarbij een of meer lidstaten zijn aangesloten;
  2° geldt het eerste lid, wat de termen "kredietinstelling", "bank", "spaarbank", "spaarkas" en "effectenbank" betreft, niet voor kredietinstellingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die in België geen bankverrichtingen mogen uitvoeren en die openbaar beleggingsinstrumenten aanbieden of die verzoeken om belegginginstrumenten toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van [2 de wet van 11 juli 2018]2 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, voor wat de voornoemde openbare aanbiedingen of verzoeken tot toelating van beleggingsinstrumenten betreft;
  3° mogen de financiële holdings evenzeer gebruik maken van de term "bank" in de uitdrukking "bankholding" of in soortgelijke uitdrukkingen, en mogen ook de gemengde financiële holdings van de term "bank" [3 gebruikmaken]3 in de uitdrukking "bankverzekeringsholding" of in soortgelijke uitdrukkingen.
  Bij gevaar voor verwarring kan de Bank van kredietinstellingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die gerechtigd zijn om in België de in het eerste lid bedoelde termen te gebruiken, eisen dat er aan hun naam een verklarende vermelding wordt toegevoegd.
  
Art.5. Peuvent seuls faire usage public en Belgique des termes "établissement de crédit", "banque", "bancaire", "banque d'épargne", "caisse d'épargne" ou "banque de titres" ou plus généralement des termes faisant référence au statut d'établissement de crédit, notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité :
  1° les établissements de crédit établis en Belgique;
  2° les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre opérant en Belgique conformément à l'article 313;
  3° les bureaux de représentation visés à l'article 341;
  4° les établissements de crédit relevant du droit d'un pays tiers qui, sans être établis en Belgique, y fournissent des services d'investissement [1 sur base de la loi du 25 octobre 2016 et de ses arrêtés d'exécution]1.
  Toutefois,
  1° l'alinéa 1er n'est pas applicable, en ce qui concerne les termes "banque" et "bancaire", à la Banque nationale de Belgique, à la Banque centrale européenne et aux organisations de droit international public de nature bancaire dont un ou plusieurs des Etats membres sont membres;
  2° l'alinéa 1er n'est pas applicable, en ce qui concerne les termes "établissement de crédit", "banque", "banque d'épargne", "caisse d'épargne" et "banque de titres", aux établissements de crédit relevant d'un droit étranger et non autorisés à effectuer des opérations bancaires en Belgique et qui procèdent à des offres publiques d'instruments de placement ou à des admissions d'instruments de placement à la négociation sur un marché réglementé au sens [2 de la loi du 11 juillet 2018]2 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur un marché réglementé, et ce, pour les besoins des offres et admissions d'instruments de placement précitées;
  3° les compagnies financières peuvent, de même, faire usage du terme "bancaire" dans l'expression "holding bancaire" ou dans des expressions similaires, et les compagnies financières mixtes peuvent, de leur côté, faire usage du terme "banque" dans l'expression "holding de bancassurance" ou dans des expressions similaires.
  Dans les cas où il y aurait un risque de confusion, la Banque peut imposer aux établissements de crédit relevant d'un droit étranger habilités à user en Belgique des termes prévus à l'alinéa 1er, l'adjonction à leur dénomination d'une mention explicative.
  
HOOFDSTUK II. - Kredietinstellingen die covered bonds mogen uitgeven
CHAPITRE II. - Des établissements de crédit autorisés à émettre des covered bonds
Art.6. § 1. De termen "Belgische covered bond" en "covered bond belge" mogen enkel worden gebruikt voor effecten die uitgegeven zijn overeenkomstig de bepalingen van Boek II, Titel II, Hoofdstuk 4, Afdeling 3.
  § 2. De termen "Belgische pandbrief" en "lettre de gage belge" mogen enkel worden gebruikt voor effecten die voldoen aan de voorwaarden die vastgesteld zijn op grond van artikel 2, § 1 van Bijlage III.
  [1 § 3. Evenzo mogen de termen "Europese gedekte obligatie", "obligation garantie européenne" en "European covered bond" enerzijds en "Europese gedekte obligatie (premium)", "obligation garantie européenne (de qualité supérieure)" en "European covered bond (premium)" anderzijds enkel worden gebruikt voor effecten die respectievelijk voldoen aan de voorwaarden van de paragrafen 1 en 2.]1
  
Art.6. § 1er. Les dénominations "covered bond belge" et "Belgische covered bond" ne peuvent être utilisées que pour les titres émis conformément aux dispositions du Livre II, Titre II, Chapitre 4, Section 3.
  § 2. Les dénominations "lettre de gage belge" et "Belgische pandbrief" ne peuvent être utilisées que pour les titres qui satisfont aux conditions déterminées en vertu de l'article 2, § 1er de l'Annexe III.
  [1 § 3. De même, les dénominations "obligation garantie européenne", "Europese gedekte obligatie" et "European covered bond", d'une part, et les dénominations "obligation garantie européenne (de qualité supérieure)", "Europese gedekte obligatie (premium)" et "European covered bond (premium)" d'autre part, ne peuvent être utilisées que pour les titres qui satisfont, respectivement, aux conditions visées aux paragraphes 1er et 2.]1
  
BOEK II. - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT
LIVRE II. - DES ETABLISSEMENTS DE CREDIT DE DROIT BELGE
TITEL I. - Toegang tot het bedrijf
TITRE Ier. - De l'accès à l'activité
HOOFDSTUK I. - Vergunning
CHAPITRE Ier. - L'agrément
Afdeling I. - Vergunningsplicht
Section Ire. - Obligation d'agrément
Art.7. Iedere kredietinstelling naar Belgisch recht die haar werkzaamheden in België wenst uit te oefenen, moet, vooraleer deze aan te vatten een vergunning verkrijgen, ongeacht waar elders zij haar werkzaamheden uitoefent.
Art.7. Les établissements de crédit de droit belge qui entendent exercer leur activité en Belgique sont tenus, avant de commencer leurs opérations, de se faire agréer, quels que soient les autres lieux d'exercice de leurs activités.
Afdeling II. - Procedure
Section II. - Procédure
Art.8. [1 Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de toezichthouder gestelde voorwaarden en waarin met name het programma van werkzaamheden is opgenomen, in het bijzonder de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen alsook de organisatiestructuur van de instelling, inzonderheid een beschrijving van de in artikel 21, § 1 bedoelde regelingen, processen en mechanismen, en de nauwe banden die zij heeft met andere personen, waarbij met name de moederondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings binnen de groep worden vermeld. In de aanvraag wordt ook vermeld of de voorgenomen werkzaamheden de in de punten 1° of 2° van artikel 1, § 3, eerste lid bedoelde werkzaamheden zijn. De aanvragers moeten bovendien alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.]1
  Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden houdt de toezichthouder rekening met de voorwaarden die de FSMA stelt aangaande de organisatie en de procedures waarop zij overeenkomstig artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 toezicht houdt.
  
Art.8. [1 La demande d'agrément est soumise à la Banque, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions fixées par l'autorité de contrôle et dans lequel sont notamment indiqués le programme d'activités, en particulier la nature et le volume des opérations envisagées ainsi que la structure de l'organisation de l'établissement, en particulier une description des dispositifs, processus et mécanismes visés à l'article 21, § 1er, et ses liens étroits avec d'autres personnes, indiquant notamment les entreprises mères, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes au sein du groupe. La demande précise également si les activités envisagées concernent celles visées au 1° ou au 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er. Les demandeurs doivent en outre fournir tous renseignements nécessaires à l'appréciation de leur demande.]1
  L'autorité de contrôle fixe les conditions visées à l'alinéa 1er en tenant compte des conditions que la FSMA impose en ce qui concerne l'organisation et les procédures dont elle assure le contrôle conformément à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002.
  
Art.9. De aanvrager stelt de Bank tevens in kennis van de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, alleen of in onderling overleg handelend, rechtstreeks of onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende gekwalificeerde deelneming bezitten in het kapitaal van de kredietinstelling. De kennisgeving moet vermelden welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze personen bezitten. [1 ...]1.
  [1 Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.]1
  
Art.9. Le requérant communique également à la Banque l'identité des personnes physiques ou morales qui, directement ou indirectement, agissant seules ou de concert avec d'autres, détiennent dans le capital de l'établissement de crédit une participation qualifiée, conférant ou non le droit de vote. La communication doit comporter l'indication des quotités du capital et des droits de vote détenues par ces personnes. [1 ...]1.
  [1 A défaut de participation qualifiée, la communication visée à l'alinéa 1er porte sur l'identité des vingt principaux actionnaires et leur quotité dans le capital.]1
  
Art.10. De Bank raadpleegt de FSMA vooraleer te beslissen over een vergunningsaanvraag die uitgaat van een instelling die hetzij de dochteronderneming is van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, van een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, van een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die de controle hebben over een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht.
  Wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van een instelling die hetzij de dochteronderneming is van een andere kredietinstelling, van een verzekeringsonderneming, een herverzekerings-onderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een andere kredietinstelling, van een verzekeringsonderneming, een herverzekerings-onderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die de controle hebben over een andere kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, raadpleegt de Bank, vooraleer te beslissen over de aanvraag, de bevoegde autoriteiten die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, herverzekerings-ondernemingen, beleggingsondernemingen, AICB-beheerders of beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging.
  [1 De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoordelen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiding en de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 35, wanneer deze aandeelhouder een onderneming is als respectievelijk bedoeld in het eerste of tweede lid of de persoon die deelneemt aan de leiding van de kredietinstelling eveneens deelneemt aan de leiding van een van de in respectievelijk het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen of van een onderneming die tot dezelfde groep behoort, of wanneer de persoon die verantwoordelijk is voor een onafhankelijke controlefunctie deze functie uitoefent bij de in respectievelijk het eerste of tweede lid bedoelde onderneming of bij een onderneming die tot dezelfde groep behoort. De Bank pleegt overleg met deze autoriteiten om ervoor te zorgen dat alle informatie die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders, personen die deelnemen aan de leiding en personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, gedeeld wordt.]1
  
Art.10. La Banque consulte la FSMA avant de se prononcer sur la demande d'agrément sollicité par un établissement qui est soit la filiale d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif de droit belge, soit la filiale de l'entreprise mère d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif de droit belge, soit encore contrôlé par les mêmes personnes physiques ou morales que celles qui contrôlent une société de gestion de portefeuille et de conseil en placement, un gestionnaire d'OPCA ou une société de gestion d'organismes de placement collectif de droit belge.
  Lorsque l'agrément est sollicité par un établissement qui est soit la filiale d'un autre établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance, d'une entreprise de réassurance, d'une entreprise d'investissement, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif, agréé conformément au droit d'un autre Etat membre, soit la filiale de l'entreprise mère d'un autre établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance, d'une entreprise de réassurance, d'une entreprise d'investissement, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif, agréé conformément au droit d'un autre Etat membre, soit encore contrôlé par les mêmes personnes physiques ou morales que celles qui contrôlent un autre établissement de crédit, une entreprise d'assurance, une entreprise de réassurance, une entreprise d'investissement, un gestionnaire d'OPCA ou une société de gestion d'organismes de placement collectif, agréé conformément au droit d'un autre Etat membre, avant de se prononcer sur la demande, la Banque consulte les autorités compétentes de ces autres Etats membres qui contrôlent les établissements de crédit, les entreprises d'assurance, les entreprises de réassurance, les entreprises d'investissement, les gestionnaires d'OPCA ou les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif.
  [1 De même, la Banque consulte préalablement les autorités visées à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2, aux fins d'évaluer les qualités requises des actionnaires, des dirigeants et des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes conformément aux articles 18, 19 en 35, lorsque l'actionnaire est une entreprise respectivement visée à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou que la personne participant à la direction de l'établissement de crédit prend part également à la direction de l'une des entreprises visées respectivement à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou d'une entreprise qui appartient au même groupe, ou que la personne responsable d'une fonction de contrôle indépendante exerce une telle fonction au sein des entreprises visées respectivement à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou au sein d'une entreprise qui appartient au même groupe. La Banque se concerte avec ces autorités en vue d'assurer une communication mutuelle de toute information utile pour l'évaluation des qualités requises des actionnaires et des personnes participant à la direction ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes visés au présent alinéa.]1
  
Art.11. § 1. Op advies van de FSMA beslist de toezichthouder over de vergunningsaanvraag, voor wat betreft :
  1° het passend karakter van de organisatie van de kredietinstelling, met name van haar integriteitsbeleid, [2 als bedoeld met name in de artikelen 21 tot 42, 64, 65/2 en 65/3]2, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002;
  2° de professionele betrouwbaarheid van de personen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling, van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen die belast zijn met de effectieve leiding, evenals van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van de GTM-verordening of van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de toezichthouder.
  De FSMA verstrekt haar advies over voornoemde aangelegenheden binnen een termijn van veertien dagen te rekenen vanaf de ontvangst door de Bank van het dossier bedoeld in artikel 8 en uiterlijk binnen een maand na ontvangst van de adviesaanvraag. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken.
  § 2. [1 Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in haar beslissing om de vergunning te weigeren of in de ontwerpbeslissing die zij met toepassing van de GTM-verordening aan de Europese Centrale Bank meedeelt. Het voornoemde advies van de FSMA over punt 1° van paragraaf 1, eerste lid wordt gevoegd bij de kennisgeving van de beslissing tot weigering van de Bank of bij haar ontwerpbeslissing over de vergunningsaanvraag, alsook bij de eindbeslissing van de Europese Centrale Bank.]1
  
Art.11. § 1er. L'autorité de contrôle se prononce sur la demande d'agrément sur avis de la FSMA en ce qui concerne :
  1° le caractère adéquat de l'organisation de l'établissement de crédit, notamment de sa politique d'intégrité, [2 telle que visée, notamment, aux articles 21 à 42, 64, 65/2 et 65/3]2, sous l'angle du respect des règles visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002;
  2° l'honorabilité professionnelle des personnes appelées à être membres de l'organe légal d'administration de l'établissement de crédit, du comité de direction ou, en l'absence de comité de direction, des personnes appelées à être chargées de la direction effective, ainsi que des personnes appelées à être responsables des fonctions de contrôle indépendantes, si ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction dans une entreprise relevant du contrôle de l'autorité de contrôle par application du Règlement MSU ou de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998.
  La FSMA rend son avis sur les questions précitées dans un délai de quatorze jours à compter de la réception du dossier visé à l'article 8, qui lui aura été transmis par la Banque, et au plus tard dans le mois de la réception de la demande d'avis. L'absence d'avis dans ce délai est considérée comme un avis positif. Avant l'expiration du délai d'un mois, la FSMA peut cependant informer la Banque qu'elle communiquera son avis au plus tard dans les 15 jours qui suivent l'expiration dudit délai.
  § 2. [1 Si la Banque ne tient pas compte de l'avis de la FSMA sur les questions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, elle en fait état et en mentionne les raisons dans sa décision de refuser l'agrément ou dans le projet de décision qu'elle notifie à la Banque centrale européenne en application du Règlement MSU. L'avis précité de la FSMA relatif au point 1° du paragraphe 1er, alinéa 1er est joint à la notification de la décision de refus de la Banque ou à son projet de décision relative à la demande d'agrément ainsi qu'à la décision finale adoptée par la Banque centrale européenne.]1
  
Art.12. [1 De toezichthouder spreekt zich uit over de vergunningsaanvraag binnen zes maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen twaalf maanden na ontvangst van de aanvraag.
   Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden [2 van Hoofdstuk II]2 vervuld zijn, deelt zij een ontwerpbeslissing mee aan de aanvrager en aan de Europese Centrale Bank, zodat deze laatste zich binnen de in het eerste lid bedoelde termijnen kan uitspreken met toepassing van de GTM-verordening. De Bank kan, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid, in haar ontwerpbeslissing bepalen dat de vergunning voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden onderworpen is aan voorwaarden.
   Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden [2 van Hoofdstuk II]2 niet vervuld zijn, weigert zij de vergunning.
   De Bank brengt haar beslissing tot weigering van de vergunning of de eindbeslissing van de Europese Centrale Bank binnen vijftien dagen ter kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het eerste lid.]1

  [3 Indien de vergunning wordt verleend, wordt in de beslissing over de vergunning vermeld of de kredietinstelling een vergunning verkrijgt als kredietinstelling in de zin van punt 1° of punt 2° van artikel 1, § 3, eerste lid.]3
  
Art.12. [1 L'autorité de contrôle se prononce sur la demande d'agrément dans les six mois de l'introduction d'un dossier complet et, au plus tard, dans les douze mois de la réception de la demande.
   Lorsqu'elle considère que les conditions fixées [2 au Chapitre II]2 sont remplies, la Banque communique un projet de décision au requérant et à la Banque centrale européenne en vue de permettre à celle-ci de se prononcer dans les délais visés à l'alinéa 1er en application du Règlement MSU. Le projet décision de la Banque peut, en vue d'une gestion saine et prudente, prévoir que l'agrément soit assorti de conditions relatives à l'exercice de certaines des activités projetées.
   Lorsqu'elle considère que les conditions fixées [2 au Chapitre II]2 ne sont pas remplies, la Banque refuse l'agrément.
   Sans excéder les délais visés à l'alinéa 1er, la Banque notifie sa décision de refus d'agrément ou la décision finale de la Banque centrale européenne dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception.]1

  [3 Lorsque l'agrément est octroyé, la décision d'agrément mentionne si l'établissement de crédit est agréé en tant qu'établissement de crédit au sens du 1° ou du 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er.]3
  
Art.13. Wanneer een kredietinstelling een vergunning verkrijgt, stelt de Bank de gegevens bedoeld in artikel 8 en de eventuele wijzigingen daarin ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen.
Art.13. Lorsqu'un établissement de crédit est agréé, la Banque met à la disposition de la FSMA, de manière à lui permettre d'exercer les compétences visées à l'article 45, § 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002, les informations visées à l'article 8, ainsi que toute modification apportée à ces informations.
Art.14. [1 De toezichthouders stellen een lijst op van de kredietinstellingen waaraan krachtens dit Boek een vergunning is verleend, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2° van artikel 1, § 3, eerste lid. Die lijst alsook de bijlage bedoeld in het tweede lid en alle daarin aangebrachte wijzigingen, worden op hun website bekendgemaakt en ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.]1
  Een bijlage bij deze lijst vermeldt de financiële holdings en de gemengde financiële holdings bedoeld in artikel 218. Deze bijlage en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op de website van de toezichthouders bekendgemaakt en overgemaakt overeenkomstig artikel 218, tweede lid.
  
Art.14. [1 Les autorités de contrôle établissent une liste des établissements de crédit agréés en vertu du présent Livre, en distinguant les catégories visées au 1° et au 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er. Cette liste ainsi que l'annexe visée à l'alinéa 2 et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur leur site internet et notifiées à l'Autorité bancaire européenne.]1
  A la liste est annexée la mention des compagnies financières et des compagnies financières mixtes visées à l'article 218. Cette annexe et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur le site internet des autorités de contrôle et notifiées conformément à l'article 218, alinéa 2.
  
Art. 14/1. [1 Wanneer een onderneming die een vergunning als beursvennootschap heeft verkregen, voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moet zij overeenkomstig artikel 8 een vergunningsaanvraag indienen uiterlijk op de dag waarop:
   1° het gemiddelde van haar maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, gelijk is aan of meer bedraagt dan 30 miljard euro; of
   2° hoewel het gemiddelde van haar maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, minder bedraagt dan 30 miljard euro, de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen in de groep waartoe de beursvennootschap behoort, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard euro aan totale activa bezitten en die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard euro, beide berekend als gemiddelde over een periode van twaalf opeenvolgende maanden.
   De artikelen 9 tot 14 zijn van toepassing op deze aanvraag, met dien verstande dat de toezichthouder garandeert dat de vergunningsprocedure zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie die in het kader van het vorige toezichtsstatuut is verkregen.
   De in het eerste lid bedoelde ondernemingen mogen de in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, bedoelde activiteiten blijven uitoefenen totdat de overeenkomstig het eerste lid gevraagde vergunning wordt verkregen of geweigerd, met dien verstande dat zij tot op die datum onderworpen blijven aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van [2 de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen]2 en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan.]1

  
Art. 14/1. [1 Lorsqu'une entreprise agréée en tant que société de bourse satisfait aux conditions visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, elle doit introduire une demande d'agrément conformément à l'article 8, au plus tard le jour où :
   1° la moyenne de son actif total mensuel, calculée sur une période de douze mois consécutifs, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros ; ou
   2° alors même que la moyenne de son actif total mensuel, calculée sur une période de douze mois consécutifs, est inférieure à 30 milliards d'euros, la valeur totale des actifs consolidés de toutes les entreprises du groupe dont la société de bourse fait partie, qui chacunes prises individuellement ont un actif total inférieur à 30 milliards d'euros et qui exercent des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros, les deux étant calculés en moyenne sur une période de douze mois consécutifs.
   Les articles 9 à 14 sont applicables à cette demande, étant entendu que l'autorité de contrôle veille à ce que la procédure d'agrément soit aussi rationalisée que possible et à ce que les informations obtenues sous le statut de contrôle antérieur soient prises en compte.
   Les entreprises visées à l'alinéa 1er peuvent continuer d'exercer les activités visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, jusqu'à ce que l'agrément demandé conformément à l'alinéa 1er soit octroyé ou refusé, étant entendu que, jusqu'à cette date, elles restent soumises aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions [2 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses]2 et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci.]1

  
HOOFDSTUK II. - Vergunningsvoorwaarden
CHAPITRE II. - Des conditions d'agrément
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Section Ire. - Généralités
Art.15. [1 Behalve met de voorwaarden van dit Hoofdstuk houdt de toezichthouder ook rekening met het vermogen van de aanvragende instelling om te voldoen aan de in Titel II bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken:
   1° op een wijze die een gezond, doeltreffend en voorzichtig beleid van de instelling garandeert;
   2° onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het bank- en financiële stelsel en voor de veiligheid van de deposanten; alsook
   3° op een wijze die adequaat rekening houdt met de belangen van haar cliënten en de integriteit van de markt, wanneer de instelling beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten verleent of verricht.]1

  
Art.15. [1 Outre les conditions prévues par le présent Chapitre, l'autorité de contrôle tient également compte de l'aptitude de l'établissement requérant à satisfaire aux conditions d'exercice de l'activité visées au Titre II ainsi qu'à réaliser ses objectifs de développement:
   1° de manière à garantir la gestion saine, efficace et prudente de l'établissement;
   2° dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du système bancaire et financier et la sécurité des déposants; ainsi que
   3° de manière à prendre en compte adéquatement l'intérêt de ses clients et l'intégrité du marché, lorsque l'établissement fournit des services d'investissement et/ou exerce des activités d'investissement et services auxiliaires.]1

  
Afdeling II. - Vennootschapsvorm
Section II. - Forme sociétaire
Art.16. [1 Iedere kredietinstelling naar Belgisch recht moet worden opgericht in een van de volgende vennootschapsvormen: coöperatieve vennootschap, naamloze vennootschap, Europese vennootschap of Europese coöperatieve vennootschap, met inachtneming van de specifieke vereisten die neergelegd zijn in deze wet of in de Europese regelgeving.]1
  
Art.16. [1 Les établissements de crédit de droit belge doivent être constitués sous la forme d'une société parmi les formes sociétaires suivantes : la société coopérative, la société anonyme, la société européenne et la société coopérative européenne, moyennant le respect des exigences spécifiques prévues par la présente loi ou par la réglementation européenne.]1
  
Afdeling III. - Aanvangskapitaal
Section III. - Capital initial
Art.17. Om een vergunning te kunnen verkrijgen is een kapitaal vereist van ten minste 6 200 000 euro.
  Het kapitaal moet volgestort zijn ten belope van het in het eerste lid bepaalde minimumbedrag.
  Voor bestaande vennootschappen die een vergunning aanvragen, worden de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitzondering van de herwaarderingsmeerwaarden, gelijkgesteld met kapitaal. Op zich moet het kapitaal evenwel ten minste 2 500 000 euro bedragen en voor dit bedrag zijn gestort.
  [2 In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere kredietinstelling die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte, dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.]2
  
Art.17. L'agrément est subordonné à l'existence d'un capital de 6 200 000 euros au moins.
  Le capital doit être entièrement libéré à concurrence du montant minimum fixé par l'alinéa 1er.
  En cas de préexistence de la société demanderesse, les primes d'émission, les réserves et le résultat reporté, à l'exclusion faite des plus-values de réévaluation, sont assimilés au capital. Celui-ci seul doit cependant s'élever à 2 500 000 euros au moins et être libéré à concurrence de ce montant.
  [2 Par dérogation à l'article 6:4 et aux dispositions du Livre 6 du Code des sociétés et associations, les établissements de crédit constitués sous la forme d'une société coopérative doivent être dotés d'un capital dont la partie fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure au montant visé à l'alinéa 1er, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7:6 dudit Code étant d'application par analogie.]2
  
Afdeling IV. - Aandeelhouders of vennoten
Section IV. - Détenteurs du capital
Art.18. De vergunning wordt geweigerd wanneer de toezichthouder niet overtuigd is van de geschiktheid van de in artikel 9 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te garanderen.
  De beoordeling van de geschiktheid om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te garanderen, gebeurt aan de hand van de volgende criteria :
  a) de betrouwbaarheid van de in artikel 9 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen;
  b) de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van elke in artikel 19 bedoelde persoon die het bedrijf van de kredietinstelling feitelijk gaat leiden;
  c) de financiële soliditeit van de in artikel 9 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, met name in het licht van de aard van de uitgeoefende en voorgenomen werkzaamheden binnen de kredietinstelling;
  d) of de kredietinstelling zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële voorschriften op grond van deze wet en haar uitvoeringsreglementen evenals van Verordening nr. 575/2013, met name of de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald;
  e) of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat in hoofde van de in artikel 9 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren, of dat hun hoedanigheid van aandeelhouder van de kredietinstelling het risico daarop zou kunnen vergroten.
Art.18. L'agrément est refusé si l'autorité de contrôle a des raisons de considérer que les personnes physiques ou morales visées à l'article 9 ne présentent pas les qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit.
  L'appréciation des qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit s'effectue au regard des critères suivants :
  a) l'honorabilité des personnes physiques ou morales visées à l'article 9;
  b) l'honorabilité professionnelle et l'expertise de toute personne visée à l'article 19 qui assurera la direction des activités de l'établissement de crédit;
  c) la solidité financière des personnes physiques ou morales visées à l'article 9, au regard notamment du type d'activités exercées et envisagées au sein de l'établissement de crédit;
  d) la capacité de l'établissement de crédit de satisfaire et de continuer à satisfaire aux obligations prudentielles découlant de la présente loi et des règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que du Règlement n° 575/2013, en particulier le point de savoir si le groupe auquel il appartiendra possède une structure qui permet d'exercer une surveillance effective, d'échanger réellement des informations entre les autorités compétentes et de déterminer le partage des responsabilités entre les autorités compétentes;
  e) l'existence de motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative d'opération de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou aurait été commise dans le chef des personnes physiques ou morales visées à l'article 9 ou que leur qualité d'actionnaire de l'établissement de crédit pourrait en augmenter le risque.
Afdeling V. - Leiding
Section V. - Dirigeants
Art.19. § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling, de personen belast met de effectieve leiding evenals de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, zijn uitsluitend natuurlijke personen.
  De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. [2 Deze personen moeten in het bijzonder eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest handelen. Wat de leden van het wettelijk bestuursorgaan betreft, moet dit hen in staat stellen om daadwerkelijk de besluiten van de effectieve leiding te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming.]2
  [1 De toezichthouder gaat met name na of aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan als hij goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met die kredietinstelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop.]1
  § 2. De effectieve leiding van de kredietinstelling moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen.
  
Art.19. § 1er. Les membres de l'organe légal d'administration des établissements de crédit, les personnes chargées de la direction effective ainsi que les responsables des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement des personnes physiques.
  Les personnes visées à l'alinéa 1er doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction. [2 En particulier, ces personnes doivent faire preuve d'une honnêteté, d'une intégrité et d'une indépendance d'esprit qui, s'agissant des membres de l'organe légal d'administration, permettent d'évaluer et de remettre en question effectivement, si nécessaire, les décisions de la direction effective et d'assurer la supervision et le suivi effectifs des décisions prises en matière de gestion.]2
  [1 L'autorité de contrôle vérifie en particulier s'il est satisfait aux exigences énoncées à l'alinéa 2 lorsqu'elle a des motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu ou que le risque d'une telle opération ou tentative pourrait être renforcé en lien avec l'établissement de crédit concerné.]1
  § 2. La direction effective des établissements de crédit doit être confiée à deux personnes physiques au moins.
  
Art.20. § 1. De functie van lid van het wettelijk bestuursorgaan, persoon belast met de effectieve leiding of verantwoordelijke voor een onafhankelijke controlefunctie mag niet worden uitgeoefend door personen die werden veroordeeld :
  1° tot een straf voor een misdrijf als bedoeld in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen;
  2° tot een straf wegens overtreding van :
  a) artikel 348 van deze wet;
  b) de artikelen 42 tot 45 van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten of artikel 104 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;
  c) de artikelen 31 tot 35 van de bepalingen betreffende de controle op de private spaarkassen, gecoördineerd op 23 juni 1967;
  d) de artikelen 13 tot 16 van de wet van 10 juni 1964 op het openbaar aantrekken van spaargelden;
  e) de artikelen 100 tot 112ter van Titel V van Boek I van het Wetboek van Koophandel of de artikelen 75, 76, 78, 150, 175, 176, 213 en 214 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten;
  f) artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 41 van 15 december 1934 tot bescherming van het gespaard vermogen door reglementering van de verkoop op afbetaling van premie-effecten;
  g) de artikelen 18 tot 23 van het koninklijk besluit nr. 43 van 15 december 1934 betreffende de controle op de kapitalisatieondernemingen;
  h) de artikelen 200 tot 209 van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935;
  i) de artikelen 67 tot 72 van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, artikel 34 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet of de artikelen XV.87, 3°, XV.90, 18° en 19°, XV.91, XV.126 en XV.126/1 van Boek XV van het Wetboek van Economisch Recht;
  j) de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit nr. 71 van 30 november 1939 betreffende het leuren met roerende waarden en demarchage met roerende waarden en goederen of eetwaren;
  k) artikel 31 van het koninklijk besluit nr. 72 van 30 november 1939 tot regeling van de beurzen voor de termijnhandel in goederen en waren, van het beroep van de makelaars en tussenpersonen die zich met deze termijnhandel inlaten en van het regime van de exceptie van spel;
  l) artikel 29 van de wet van 9 juli 1957 tot regeling van de verkoop op afbetaling en van zijn financiering, artikel 101 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet of de artikelen XV.87, 2°, XV.90, 1° tot 16°, XV.91, XV.126 en XV.126/1 van Boek XV van het Wetboek van Economisch Recht;
  m) artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 64 van 10 november 1967 tot regeling van het statuut van de portefeuillemaatschappijen;
  n) [1 de artikelen 83 en 87 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;]1
  o) de artikelen 11, 15, § 4 en 18 van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen;
  p) artikel 139 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;
  q) artikel 15 van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen;
  r) de artikelen 148 en 149 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;
  [2 r/1) artikel 107 van de wet van 25 oktober 2016;]2
  s) de artikelen 345 tot 349, 387 tot 389, 433, 434, 647 tot 653, 773, 788, 872, 873, 946 en 948 van het Wetboek van Vennootschappen;
  t) de artikelen 38 tot 43 van de wet van 2 augustus 2002;
  u) artikel 25 van de wet van 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten;
  v) de artikelen 286 tot 292 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, voor wat betreft de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  w) artikel 14 van de wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van effecten aan toonder;
  x) de artikelen 151 tot 153 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
  y) artikel 69 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;
  z) artikel 21 van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten;
  z/1) artikel 38 van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen;
  z/2) artikel 26 van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen;
  z/3) artikel 75 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf;
  z/4) de artikelen 368 tot 375 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
  [1 z/5) artikel 605 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]1
  [5 z/6) artikel 51 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;]5
  [5 z/7) de artikelen 304 tot en met 308 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;]5
  [5 z/8) artikel 231 van de wet van 11 maart 2018 op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;]5
  [6 z/9) artikel 33 van de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;]6
  [7 z/10 de artikelen 1:36, 2:108, 3:43, 3:44, 3:45, 3:96, 3:97, 5:158, 6:128, 7:232 en 16:32 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;]7
  [8 z/11) artikel 239 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen;]8
  3° [3 [4 ...]4]3
  4° door een buitenlandse [3 ...]3 rechtbank [3 ...]3 voor soortgelijke misdrijven [3 ...]3 als die bedoeld in [3 1° en 2°]3.
  De Koning kan de bepalingen van deze paragraaf aanpassen om ze in overeenstemming te brengen met de wetten die de erin opgesomde teksten wijzigen.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde verbodsbepalingen gelden voor een termijn
  a) van twintig jaar ingeval de gevangenisstraf meer dan twaalf maanden bedraagt;
  b) van tien jaar voor de overige gevangenisstraffen of geldboetes, alsook in geval van een veroordeling met uitstel.
  
Art.20. § 1er. Ne peuvent exercer les fonctions de membre de l'organe légal d'administration, de personne chargée de la direction effective ou de responsable d'une fonction de contrôle indépendante, les personnes qui ont été condamnées :
  1° à une peine pour une infraction visée par l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et faillis d'exercer certaines professions ou activités;
  2° à une peine pour infraction :
  a) à l'article 348 de la présente loi;
  b) aux articles 42 à 45 de l'arrêté royal n° 185 du 9 juillet 1935 sur le contrôle des banques et le régime des émissions de titres ou à l'article 104 de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit;
  c) aux articles 31 à 35 des dispositions relatives au contrôle des caisses d'épargne privées, coordonnées le 23 juin 1967;
  d) aux articles 13 à 16 de la loi du 10 juin 1964 sur les appels publics à l'épargne;
  e) aux articles 100 à 112ter du Titre V du Livre Ier du Code de commerce ou aux articles 75, 76, 78, 150, 175, 176, 213 et 214 de la loi du 4 décembre 1990 relative aux opérations financières et aux marchés financiers;
  f) à l'article 4 de l'arrêté royal n° 41 du 15 décembre 1934 protégeant l'épargne par la réglementation de la vente à tempérament de valeurs à lots;
  g) aux articles 18 à 23 de l'arrêté royal n° 43 du 15 décembre 1934 relatif au contrôle des sociétés de capitalisation;
  h) aux articles 200 à 209 des lois sur les sociétés commerciales, coordonnées le 30 novembre 1935;
  i) aux articles 67 à 72 de l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le contrôle des entreprises de prêts hypothécaires, à l'article 34 de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire ou aux articles XV.87, 3°, XV.90, 18° et 19°, XV.91, XV.126 et XV.126/1 du Livre XV du Code de droit économique;
  j) aux articles 4 et 5 de l'arrêté royal n° 71 du 30 novembre 1939 relatif au colportage des valeurs mobilières et au démarchage sur valeurs mobilières et sur marchandises et denrées;
  k) à l'article 31 de l'arrêté royal n° 72 du 30 novembre 1939 réglementant les bourses et les marchés à terme de marchandises et denrées, la profession des courtiers et intermédiaires s'occupant de ces marchés et le régime de l'exception de jeu;
  l) à l'article 29 de la loi du 9 juillet 1957 réglementant les ventes à tempérament et leur financement, à l'article 101 de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation ou aux articles XV.87, 2°, XV.90, 1° à 16°, XV.91, XV.126 et XV.126/1 du Livre XV du Code de droit économique;
  m) à l'article 11 de l'arrêté royal n° 64 du 10 novembre 1967 organisant le statut des sociétés à portefeuille;
  n) [1 aux articles 83 et 87 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances;]1
  o) aux articles 11, 15, § 4, et 18 de la loi du 2 mars 1989 relative à la publicité des participations importantes dans les sociétés cotées en bourse et réglementant les offres publiques d'acquisition;
  p) à l'article 139 de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre;
  q) à l'article 15 de la loi du 27 mars 1995 relative à l'intermédiation en assurances et en réassurances et à la distribution d'assurances;
  r) aux articles 148 et 149 de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement;
  [2 r/1) à l'article 107 de la loi du 25 octobre 2016;]2
  s) aux articles 345 à 349, 387 à 389, 433, 434, 647 à 653, 773, 788, 872, 873, 946 et 948 du Code des sociétés;
  t) aux articles 38 à 43 de la loi du 2 août 2002;
  u) à l'article 25 de la loi du 22 avril 2003 relative aux offres publiques de titres;
  v) aux articles 286 à 292 de la loi du 3 août 2012 relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement, en ce qui concerne les organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et les organismes de placement en créances;
  w) l'article 14 de loi du 14 décembre 2005 portant suppression des titres au porteur;
  x) aux articles 151 à 153 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;
  y) à l'article 69 de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés;
  z) à l'article 21 de la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en service d'investissement et à la distribution d'instruments financiers;
  z/1) à l'article 38 de la loi du 1er avril 2007 relative aux offres publiques d'acquisition;
  z/2) à l'article 26 de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes dans des émetteurs dont les actions sont admises à la négociation sur un marché réglementé et portant des dispositions diverses;
  z/3) à l'article 75 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance;
  z/4) aux articles 368 à 375 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires;
  [1 z/5) à l'article 605 de la loi du 13 mars 2016 relative au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;]1
  [5 z/6) à l'article 51 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement;]5
  [5 aux articles 304 à 308 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances;]5
  [5 z/8) à l'article 231 de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement;]5
  [6 z/9) à l'article 33 de la loi du 11 juillet 2018 relative aux offres au public d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés ;]6
  [7 z/10 aux articles 1:36, 2:108, 3:43, 3:44, 3:45, 3:96, 3:97, 5:158, 6:128, 7:232 et 16:32 du Code des sociétés et des associations;]7
  [8 z/11) l'article 239 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses ;]8
  3° [3 [4 ...]4]3
  4° par une juridiction [3 ...]3 étrangère pour une infraction [3 ...]3 similaire [3 à celle prévue aux 1° et 2°]3.
  Le Roi peut adapter les dispositions du présent paragraphe pour les mettre en concordance avec les lois qui modifient les textes qui y sont énumérés.
  § 2. Les interdictions mentionnées au paragraphe 1er ont une durée
  a) de vingt ans pour les peines d'emprisonnement supérieure à douze mois;
  b) de dix ans pour les autres peines d'emprisonnement ou d'amende ainsi qu'en cas de condamnation assortie d'un sursis.
  
Afdeling VI. - Organisatie
Section VI. - Organisation
Onderafdeling I. - Algemene beginselen
Sous-section Ire. - Principes généraux
Art.21. § 1. Iedere kredietinstelling beschikt over een solide en passende regeling voor de bedrijfsorganisatie, waaronder toezichtsmaatregelen, om een doeltreffend en voorzichtig beleid van de instelling te garanderen, die met name berust op :
  1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de instelling en, anderzijds, het toezicht [4 op die leiding, en die]4 binnen de instelling voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden;
  2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waaronder met name een [4 controlesysteem]4 dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiëleverslaggevingsproces;
  [5 2° /1 netwerk- en informatiesystemen die worden opgezet en beheerd overeenkomstig Verordening 2022/2554;]5
  3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de risico's die de instelling kan lopen, met inbegrip van de voorkoming van belangenconflicten;
  4° een passende onafhankelijke [4 interne auditfunctie]4, risicobeheerfunctie en compliancefunctie;
  5° een passend integriteitsbeleid;
  6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert en dat voorkomt dat de mate waarin er risico's worden genomen, het door de instelling vastgestelde tolerantieniveau te boven gaat;
  7° [1 controle- en beveiligingsmechanismen op informaticagebied die afgestemd zijn op de werkzaamheden van de instelling en die voldoende deugdelijk zijn om de beveiliging en authenticatie van de middelen voor de informatieoverdracht te garanderen, het risico op datacorruptie en ongeoorloofde toegang tot een minimum te beperken en te voorkomen dat informatie uitlekt door de vertrouwelijkheid van de gegevens te allen tijde te bewaren;]1
  8° [4 een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de instelling;]4
  9° de invoering van passende maatregelen op het vlak van de bedrijfscontinuïteit om te garanderen dat de kritieke functies kunnen worden behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden hersteld, en, onverminderd de bijzondere vereisten voor beleggingsdiensten en -activiteiten, dat de normale dienstverlening en activiteit binnen een redelijke tijdspanne kan worden hervat.
  [2 § 1/1. In het bijzonder is het de kredietinstellingen verboden een bijzonder mechanisme in te stellen.
   Onder "bijzonder mechanisme" wordt een procedé verstaan dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
   1° het heeft als doel of gevolg fiscale fraude door derden mogelijk te maken of te bevorderen;
   2° het initiatief ertoe wordt door de kredietinstelling zelf genomen of de kredietinstelling neemt er duidelijk actief aan deel, of het is het gevolg van een grove nalatigheid van de kredietinstelling;
   3° het bestaat uit een reeks gedragingen of onthoudingen;
   4° het heeft een bijzonder karakter, wat betekent dat de kredietinstelling weet of zou moeten weten dat het mechanisme afwijkt van de normen en de normale praktijken inzake bancaire en financiële verrichtingen.]2

  [1 [2 § 1/2.]2 Wanneer de kredietinstelling beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten verleent of verricht, alsook wanneer zij gestructureerde deposito's verkoopt of advies verstrekt aan cliënten in verband met dergelijke producten, behartigt de kredietinstelling de belangen van haar cliënten en bevordert zij de integriteit van de markt. Paragraaf 1 is hiertoe van toepassing.]1
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde organisatieregeling is uitputtend uitgewerkt en is passend voor de aard, schaal en complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en aan de werkzaamheden van de instelling.
  § 3. Iedere kredietinstelling stelt een governancememorandum op dat voor de betrokken instelling en, in voorkomend geval, de groep of subgroep waarvan zij de uiteindelijke moederonderneming is, [1 de volledige interne organisatieregeling bevat als bedoeld in paragraaf 1 en, in voorkomend geval, in de artikelen 41 tot 42/2]1.
  Indien de kredietinstelling deel uitmaakt van een groep die onder het toezicht staat van de toezichthouder, kan het memorandum dat op het niveau van de kredietinstelling wordt opgesteld, deel uitmaken van het memorandum van die groep.
  § 4. In de Onderafdelingen II tot V, in de artikelen 67 tot 70 en in de Bijlagen I en II wordt bepaald welke de reikwijdte is van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde algemene verplichtingen in specifieke domeinen.
  [3 § 5. Wanneer aan een kredietinstelling ontheffing is verleend met toepassing van artikel 7 van Verordening nr. 575/2013, bepaalt de toezichthouder in welke mate en op welke wijze de kredietinstelling ook kan worden vrijgesteld van de verplichtingen van dit artikel.]3
  
Art.21. § 1er. Tout établissement de crédit doit disposer d'un dispositif solide et adéquat d'organisation d'entreprise, dont des mesures de surveillance, en vue de garantir une gestion efficace et prudente de l'établissement, reposant notamment sur :
  1° une structure de gestion adéquate basée, au plus haut niveau, sur une distinction claire entre la direction effective de l'établissement d'une part, et le contrôle sur cette direction d'autre part, et prévoyant, au sein de l'établissement, une séparation adéquate des fonctions et un dispositif d'attribution des responsabilités qui est bien défini, transparent et cohérent;
  2° une organisation administrative et comptable et un contrôle interne adéquats, impliquant notamment un système de contrôle procurant un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier;
  [5 2° /1 des réseaux et des systèmes d'information qui sont mis en place et gérés conformément au règlement 2022/2554 ;]5
  3° des procédures efficaces d'identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques auxquels l'établissement est susceptible d'être exposé, y compris la prévention des conflits d'intérêts;
  4° des fonctions d'audit interne, de gestion des risques et de conformité (compliance) indépendantes adéquates;
  5° une politique d'intégrité adéquate;
  6° une politique de rémunération assurant une gestion saine et efficace des risques, prévenant la prise de risques excédant le niveau de tolérance fixé par l'établissement;
  7° des mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique appropriés aux activités de l'établissement [1 et suffisamment solides pour garantir la sécurité et l'authentification des moyens de transfert de l'information, réduire au minimum le risque de corruption des données et d'accès non autorisé et empêcher les fuites d'informations afin de maintenir en permanence la confidentialité des données]1;
  8° [4 un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite applicables à l'établissement ;]4
  9° la mise en place de mesures adéquates de continuité de l'activité afin d'assurer le maintien des fonctions critiques ou leur rétablissement le plus rapidement possible ainsi que, sans préjudice des exigences particulières en matière de services et activités d'investissement, la reprise dans un délai raisonnable de la fourniture des services habituels et de l'exercice des activités normales.
  [2 § 1er/1. En particulier, il est interdit aux établissements de crédit de mettre en place un mécanisme particulier.
   Par "mécanisme particulier", on entend un procédé qui remplit cumulativement les conditions suivantes :
   1° il a pour but ou pour effet de rendre possible ou de favoriser la fraude fiscale par des tiers ;
   2° son initiative procède de l'établissement de crédit lui-même ou implique de toute évidence la coopération active de l'établissement de crédit ou, encore, procède d'une négligence manifeste de l'établissement de crédit ;
   3° il implique un ensemble de comportements ou d'omissions ;
   4° il présente un caractère particulier, c'est-à-dire que l'établissement de crédit sait ou devrait savoir que le mécanisme s'écarte des normes et des usages normaux en matière d'opérations bancaires et financières.]2

  [1 [2 § 1er/2.]2 Lorqu'il fournit des services d'investissement et/ou exerce des activités d'investissement et fournit des services auxiliaires, ainsi que lorsqu'il commercialise des dépôts structurés ou fournit des conseils aux clients sur de tels produits, l'établissement de crédit promeut l'intérêt de ses clients et l'intégrité du marché. Le paragraphe 1er est applicable à cette fin.]1
  § 2. Les dispositifs organisationnels visés au paragraphe 1er présentent un caractère exhaustif et sont appropriés à la nature, à l'échelle et à la complexité des risques inhérents au modèle d'entreprise et aux activités de l'établissement.
  § 3. Chaque établissement de crédit établit un mémorandum de gouvernance qui inclut pour l'établissement concerné et, le cas échéant, le groupe ou sous-groupe dont il est l'entreprise mère faîtière, l'ensemble du dispositif d'organisation interne visé au paragraphe 1er [1 et, le cas échéant, visé aux articles 41 à 42/2]1.
  Si l'établissement de crédit fait partie d'un groupe soumis au contrôle de l'autorité de contrôle, le mémorandum établi au niveau de l'établissement de crédit peut faire partie du mémorandum de ce groupe.
  § 4. Les dispositions des Sous-sections II à V, des articles 67 à 70 et des Annexes I et II précisent, dans des domaines particuliers, la portée des obligations générales visées aux paragraphes 1er et 2.
  [3 § 5. Lorsqu'un établissement de crédit bénéficie d'une exemption en application de l'article 7 du Règlement n° 575/2013, l'autorité de contrôle détermine dans quelle mesure et selon quelles modalités l'établissement de crédit peut de même être exempté des obligations prévues au présent article.]3
  
Art.22. Indien de kredietinstelling nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, of indien de kredietinstelling deel uitmaakt van een groep, mogen die banden of de juridische structuur van de groep geen belemmering vormen voor een individueel of geconsolideerd prudentieel toezicht op de instelling.
  Indien de kredietinstelling nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of hun tenuitvoerlegging, geen belemmering vormen voor een individueel of geconsolideerd prudentieel toezicht op de instelling.
Art.22. S'il existe des liens étroits entre l'établissement de crédit et d'autres personnes physiques ou morales, ou si l'établissement de crédit fait partie d'un groupe, ces liens ou la structure juridique du groupe ne peuvent entraver l'exercice d'un contrôle prudentiel individuel ou sur base consolidée de l'établissement.
  Si l'établissement de crédit a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d'un pays tiers, les dispositions législatives, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en oeuvre ne peuvent entraver l'exercice d'un contrôle prudentiel individuel ou sur base consolidée de l'établissement.
Onderafdeling II. - Vennootschapsorganen
Sous-section II. - Organes sociétaires
Art.23. [3 Het wettelijk bestuursorgaan is een collegiaal orgaan. In dit verband kan de kredietinstelling artikel 7:101, § 1, tweede lid van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen niet toepassen. Het wettelijk bestuursorgaan draagt de algemene verantwoordelijkheid voor de kredietinstelling.]3
  Hiertoe bepaalt en controleert het wettelijk bestuursorgaan met name
  1° de strategie en de doelstellingen van de instelling;
  2° het risicobeleid, met inbegrip van de in artikel 57 bedoelde risicotolerantie;
  [1 3° de organisatie van de instelling voor het verlenen of verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies aan cliënten in verband met dergelijke producten, met inbegrip van de organisatieregeling bedoeld in artikel 41, § 1, 1° tot 3°, evenals de vereiste kennis, vaardigheden en ervaring van het personeel, de middelen, procedures en regelingen voor het verlenen van die diensten en het verrichten van die activiteiten door de instelling.]1
  [2 4° het in artikel 21, § 1, 5°, bedoelde integriteitsbeleid.]2
  Het wettelijk bestuursorgaan keurt het in artikel 21, § 3 bedoelde governancememorandum van de kredietinstelling goed.
  
Art.23. [3 L'organe légal d'administration est un organe collégial. A cet égard, l'établissement de crédit ne peut pas faire application de l'article 7:101, § 1er, alinéa 2 du Code des sociétés et des associations. L'organe légal d'administration assume la responsabilité globale de l'établissement de crédit.]3
  A cette fin, l'organe légal d'administration définit, et supervise, notamment
  1° la stratégie et les objectifs de l'établissement;
  2° la politique en matière de risques, y compris le niveau de tolérance au risque visé à l'article 57;
  [1 3° l'organisation de l'établissement pour la fourniture de services d'investissement, l'exercice d'activités d'investissement, la fourniture de services auxiliaires, la commercialisation de dépôts structurés et la fourniture de conseils aux clients sur de tels produits, y compris les dispositifs d'organisation visés à l'article 41, § 1er, 1° à 3°, ainsi que les compétences, les connaissances et l'expertise requises du personnel, les ressources, les procédures et les mécanismes avec ou selon lesquels l'établissement fournit ces services et exerce ces activités.]1
  [2 4° la politique d'intégrité visée à l'article 21, § 1er, 5°.]2
  L'organe légal d'administration approuve le mémorandum de gouvernance de l'établissement de crédit visé à l'article 21, § 3.
  
Art.24. § 1. [4 Iedere kredietinstelling die als naamloze vennootschap is opgericht, richt een collegiaal orgaan op, "directiecomité" genaamd, waaraan alle bevoegdheden van de directieraad als bedoeld in artikel 7:110 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen worden overgedragen, zonder afbreuk te doen aan het bepaalde in deze wet, en dat uitsluitend is samengesteld uit leden van de raad van bestuur. De aldus overgedragen bevoegdheden mogen niet gelijktijdig door de raad van bestuur worden uitgeoefend.
   Onverminderd de bepalingen van deze wet of de rechtstreeks toepasselijke normen van het Europees recht, dient het juridisch statuut van de leden van het directiecomité te voldoen aan de vereisten die voor de leden van de in artikel 7:107 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen bedoelde directieraad zijn vastgesteld, inzonderheid het tweede lid van dat artikel 7:107.]4

  § 2. De meerderheid van de bestuurders van de raad van bestuur zijn geen lid van het directiecomité.
  § 3. [1 De functie van voorzitter van de raad van bestuur wordt uitgeoefend door een persoon die geen lid is van het directiecomité.]1
  § 4. Het dagelijks bestuur [4 als bedoeld in artikel 7:121 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]4 mag niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid van de raad van bestuur.
  
Art.24. § 1er. [4 Les établissements de crédit constitués sous la forme de société anonyme mettent en place un organe collégial, dénommé "comité de direction", auquel sont transférés l'ensemble des pouvoirs du conseil de direction visés à l'article 7:110 du Code des sociétés et des associations sans préjudice des dispositions de la présente loi, et qui est exclusivement composé de membres du conseil d'administration. Les compétences ainsi transférées ne peuvent être exercées concurremment par le conseil d'administration.
   Sans préjudice des dispositions prévues par la présente loi ou par les normes de droit européen directement applicables, le statut juridique des membres du comité de direction répond aux exigences prévues pour les membres du conseil de direction visé à l'article 7:107 du Code des sociétés et des associations, en particulier l'alinéa 2 dudit article 7:107.]4

  § 2. Le conseil d'administration compte une majorité d'administrateurs qui ne sont pas membres du comité de direction.
  § 3. [1 La fonction de président du conseil d'administration est exercée par une personne qui n'est pas membre du comité de direction.]1
  § 4. La gestion journalière [4 visée à l'article 7:121 du Code des sociétés et des associations]4 ne peut être confiée à un membre non exécutif du conseil d'administration.
  
Art.25. § 1. [2 De statuten van de kredietinstellingen die anders dan als naamloze vennootschap zijn opgericht, voorzien in de oprichting, binnen het wettelijk bestuursorgaan, van een collegiaal orgaan dat uitsluitend is samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan, "directiecomité" genaamd, waaraan alle bestuurs- en beheersbevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan worden overgedragen, met uitsluiting van de vaststelling van het algemeen beleid en van de handelingen die bij het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen of bij deze wet zijn voorbehouden aan het wettelijk bestuursorgaan. De aldus overgedragen bevoegdheden mogen niet gelijktijdig door het wettelijk bestuursorgaan worden uitgeoefend.
   Onverminderd de bepalingen van deze wet of de rechtstreeks toepasselijke normen van het Europees recht, dient het juridisch statuut van de leden van het directiecomité te voldoen aan de vereisten die voor de leden van de in artikel 7:107 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen bedoelde directieraad zijn vastgesteld, inzonderheid het tweede lid van dat artikel 7:107.]2

  § 2. De meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn geen lid van het in paragraaf 1 bedoelde directiecomité.
  § 3. [1 De functie van voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan wordt uitgeoefend door een persoon die geen lid is van het directiecomité.]1
  § 4. Wanneer het [2 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2 voor de betrokken vennootschapsvorm in een dagelijks bestuur voorziet, mag dat niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan.
  
Art.25. § 1er. [2 Les statuts des établissements de crédit constitués sous une autre forme que celle de société anonyme prévoient la constitution, au sein de l'organe légal d'administration, d'un organe collégial, exclusivement composé de membres de l'organe légal d'administration, dénommé "comité de direction", auquel sont transférés l'ensemble des pouvoirs de gestion et d'administration de l'organe légal d'administration à l'exclusion de la détermination de la politique générale, des actes réservés à l'organe légal d'administration par le Code des sociétés et des associations ou par la présente loi. Les compétences ainsi transférées ne peuvent être exercées concurremment par l'organe légal d'administration.
   Sans préjudice des dispositions prévues par la présente loi ou par les normes de droit européen directement applicables, le statut juridique des membres du comité de direction répond aux exigences prévues pour les membres du conseil de direction visé à l'article 7:107 du Code des sociétés et des associations, en particulier l'alinéa 2 dudit article 7:107.]2

  § 2. L'organe légal d'administration compte une majorité de membres qui ne sont pas membres du comité de direction visé au paragraphe 1er.
  § 3. [1 La fonction de président de l'organe légal d'administration est exercée par une personne qui n'est pas membre du comité de direction.]1
  § 4. La gestion journalière, lorsqu'elle est prévue par [2 le Code des sociétés et des associations]2 pour la forme sociétaire concernée, ne peut être confiée à un membre non exécutif de l'organe légal d'administration.
  
Art.26. De toezichthouder kan op grond van de omvang en het risicoprofiel van een kredietinstelling toestaan dat geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichtingen van de artikelen 24 en 25.
  De afwijking kan met name betrekking hebben op :
  1° de verplichting om een directiecomité op te richten, onverminderd de naleving van artikel 19, § 2;
  2° de samenstelling van het directiecomité, door toe te staan dat personen die geen lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, lid zijn van het directiecomité; in dit geval zijn de artikelen 19, 20 en 60 evenals 14 tot 18 van Bijlage II op hen van toepassing;
  3° het combineren van de functies van [1 lid van het directiecomité]1 en voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan.
  
Art.26. L'autorité de contrôle peut, en fonction de la taille et du profil de risques d'un établissement de crédit, autoriser celui-ci à déroger, en tout ou en partie, aux obligations prévues par les articles 24 et 25.
  La dérogation peut notamment porter :
  1° sur l'obligation de constituer un comité de direction, sans préjudice du respect de l'article 19, § 2;
  2° sur la composition du comité de direction, en autorisant que soient membres des personnes qui ne sont pas membres de l'organe légal d'administration; dans ce cas, les articles 19, 20 et 60 ainsi que 14 à 18 de l'Annexe II leur sont applicables;
  3° sur un cumul des fonctions de [1 membre du comité de direction]1 et de président de l'organe légal d'administration.
  
Art. 26/1. [1 Het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité zijn zodanig samengesteld dat deze organen in hun geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om inzicht te hebben in alle bedrijfsactiviteiten van de instelling, met inbegrip van de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld.]1
  
Art. 26/1. [1 La composition de l'organe légal d'administration et du comité de direction assure que ces organes disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension de l'ensemble des activités de l'établissement, y compris des principaux risques auxquels il est exposé.]1
  
Onderafdeling III. - Oprichting van comités binnen het wettelijk bestuursorgaan
Sous-section III. - Mise en place de comités au sein de l'organe légal d'administration
Art.27. [1 Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan richt iedere kredietinstelling binnen dit orgaan de volgende comités op:
   1° een auditcomité;
   2° een risicocomité;
   3° een remuneratiecomité;
   4° een benoemingscomité,
   die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn; een lid mag niet in meer dan drie van de voornoemde comités zetelen.
   De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 3, 83°. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.
   Het risico-, remuneratie- en benoemingscomité hebben elk ten minste één onafhankelijk lid in de zin van artikel 3, 83°.]1

  
Art.27. [1 Sans préjudice des missions de l'organe légal d'administration, les établissements de crédit constituent, au sein de cet organe, les comités suivants :
   1° un comité d'audit ;
   2° un comité des risques ;
   3° un comité de rémunération ;
   4° un comité de nomination,
   exclusivement composés de membres de l'organe légal d'administration qui n'en sont pas membres exécutifs, un membre ne pouvant pas siéger dans plus de trois des comités précités.
   Les membres du comité d'audit sont en majorité indépendants au sens de l'article 3, 83° et son président est désigné par ses membres.
   Les comités des risques, de rémunération et de nomination comprennent au moins un membre indépendant au sens de l'article 3, 83°.]1

  
Art.28. § 1. Naast de vereisten van artikel 27 beschikken de leden van het auditcomité over een collectieve deskundigheid op het gebied van de werkzaamheden van de betrokken kredietinstelling en op het gebied van boekhouding en audit en [3 beschikt minstens één lid van het auditcomité]3 over deskundigheid op het gebied van boekhouding en/of audit.
  § 2. [2 Het auditcomité heeft minstens de in artikel 7:99, § 4 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen [3 bepaalde taken]3]2.
  Het auditcomité brengt bij het wettelijk bestuursorgaan geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, en ten minste wanneer het wettelijk bestuursorgaan de in artikel 106 bedoelde jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening en de periodieke staten opstelt die de kredietinstelling respectievelijk aan het einde van het boekjaar en aan het einde van het eerste halfjaar overmaakt.
  De Bank kan, bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, [1 de in deze paragraaf bedoelde elementen]1 [3 ...]3 preciseren en aanvullen.
  § 3. [2 De [3 ...]3 commissaris is belast met de in artikel 7:99, § 7 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen opgenomen opdrachten.]2
  
Art.28. § 1er. Outre les exigences prévues à l'article 27, les membres du comité d'audit disposent d'une compétence collective dans le domaine d'activités de l'établissement de crédit concerné et en matière de comptabilité et d'audit et au moins un membre du comité d'audit est compétent en matière de comptabilité et/ou d'audit.
  § 2. [2 Le comité d'audit est au moins chargé des [3 missions prévues par]3 l'article 7:99, § 4 du Code des sociétés et des associations.]2
  Le comité d'audit fait régulièrement rapport à l'organe légal d'administration sur l'exercice de ses missions, au moins lors de l'établissement par celui-ci des comptes annuels et consolidés et des états périodiques visés à l'article 106 respectivement transmis par l'établissement de crédit à la fin de l'exercice social et à la fin du premier semestre social.
  La Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, préciser et compléter [3 ...]3 les éléments [1 visés au présent paragraphe]1.
  § 3. [2 Le commissaire [3 ...]3 est chargé des missions reprises sous l'article 7:99, § 7 du Code des sociétés et des associations.]2
  
Art.29. § 1. De leden van het risicocomité bezitten individueel de nodige kennis, deskundigheid, ervaring en vaardigheden om de strategie en de risicotolerantie van de instelling te begrijpen en te bevatten.
  § 2. Het risicocomité verstrekt advies aan het wettelijk bestuursorgaan over de huidige en toekomstige risicotolerantie en risicostrategie. Het staat het wettelijk bestuursorgaan bij in de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van deze strategie door het directiecomité.
  Het risicocomité waakt erover dat de prijzen van de activa en passiva en van de categorieën van producten die niet in de balans zijn opgenomen en die aan de cliënten worden aangeboden, rekening houden met de risico's die de instelling loopt, gelet op haar bedrijfsmodel en haar strategie inzake risico's, met name de risico's, inzonderheid reputatierisico's, die kunnen voortvloeien uit de types van producten die aan de cliënten worden aangeboden. Wanneer dit niet het geval is, legt het een actieplan voor aan het wettelijk bestuursorgaan.
  § 3. Onverminderd de in artikel 57, § 3 bedoelde informatie bepaalt het risicocomité de aard, omvang, vorm en frequentie van de informatie over de risico's die [1 aan het comité]1 moet worden overgemaakt. Het heeft rechtstreeks toegang tot de risicobeheerfunctie van de instelling en tot het advies van externe deskundigen.
  § 4. Ter bevordering van gezonde beloningspraktijken en een gezond beloningsbeleid, onderzoekt het risicocomité, onverminderd de taken van het remuneratiecomité, of de prikkels die uitgaan van het beloningssysteem op passende wijze rekening houden met de risicobeheersing, de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie van de instelling, evenals met de waarschijnlijkheid en de spreiding in de tijd van de winst.
  
Art.29. § 1er. Les membres du comité des risques disposent individuellement des connaissances, des compétences, de l'expérience et des aptitudes nécessaires pour leur permettre de comprendre et d'appréhender la stratégie et le niveau de tolérance au risque de l'établissement.
  § 2. Le comité des risques conseille l'organe légal d'administration pour les aspects concernant la stratégie et le niveau de tolérance en matière de risques, tant actuels que futurs. Il assiste l'organe légal d'administration lorsque celui-ci supervise la mise en oeuvre de cette stratégie par le comité de direction.
  Le comité des risques s'assure que les prix des actifs et passifs et catégories de produits hors bilan qui sont proposés aux clients, tiennent compte des risques supportés par l'établissement eu égard à son modèle d'entreprise et à sa stratégie en matière de risques, notamment les risques, en particulier de réputation, susceptibles de résulter des types de produits proposés à la clientèle. Il présente un plan d'action à l'organe légal d'administration lorsque ce n'est pas le cas.
  § 3. Sans préjudice de l'information visée à l'article 57, § 3, le comité des risques détermine la nature, le volume, la forme et la fréquence des informations concernant les risques à lui transmettre. Il dispose d'un accès direct à la fonction de gestion des risques de l'établissement et aux conseils d'experts extérieurs.
  § 4. Afin de favoriser des pratiques et politiques de rémunération saines, le comité des risques, sans préjudice des tâches du comité de rémunération, examine si les incitants prévus par le système de rémunération tiennent compte de manière appropriée de la maîtrise des risques, des besoins en fonds propres et de la position de liquidité de l'établissement, ainsi que de la probabilité et de l'échelonnement dans le temps des bénéfices.
Art.30. § 1. Het remuneratiecomité is zodanig samengesteld dat het een gedegen en onafhankelijk oordeel kan geven over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor de risicobeheersing, de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie.
  § 2. Het remuneratiecomité verstrekt een advies over het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan moet worden vastgesteld en over elke wijziging die erin wordt aangebracht.
  § 3. Het remuneratiecomité is belast met het voorbereiden van beslissingen over beloning, met name beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken kredietinstelling en waarover het wettelijk bestuursorgaan zich moet uitspreken. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt het remuneratiecomité rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de kredietinstelling, alsook met het algemeen belang.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing op beslissingen over de beloning van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties. Bovendien oefent het remuneratiecomité rechtstreeks toezicht uit op de beloning van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
Art.30. § 1er. Le comité de rémunération est composé de manière à lui permettre d'exercer un jugement pertinent et indépendant sur les politiques et les pratiques de rémunération et sur les incitants créés au regard de la maîtrise des risques, des besoins en fonds propres et de la position de liquidité.
  § 2. Le comité de rémunération émet un avis sur la politique de rémunération à adopter par l'organe légal d'administration ainsi que sur toute modification qui y est apportée.
  § 3. Le comité de rémunération est chargé de préparer les décisions concernant les rémunérations, notamment celles qui ont des répercussions sur le risque et la gestion des risques dans l'établissement de crédit concerné et sur lesquelles l'organe légal d'administration est appelé à se prononcer. Lors de la préparation de ces décisions, le comité de rémunération tient compte des intérêts à long terme des actionnaires, des investisseurs et des autres parties prenantes de l'établissement de crédit ainsi que de l'intérêt public.
  L'alinéa 1er est également d'application pour les décisions concernant les rémunérations des personnes en charge des fonctions de contrôle indépendantes. Le comité de rémunération assure, en outre, une supervision directe en ce qui concerne les rémunérations allouées aux responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
Art.31. § 1. Het benoemingscomité is zodanig samengesteld dat het een gedegen en onafhankelijk oordeel kan geven over de samenstelling en de werking van de bestuurs- en beleidsorganen van de instelling, in het bijzonder over de individuele en collectieve deskundigheid van hun leden, en over hun integriteit, reputatie, onafhankelijkheid van geest en beschikbaarheid.
  § 2. Het benoemingscomité is belast met :
  1° het aanwijzen en aanbevelen, voor goedkeuring door de algemene vergadering, of, in voorkomend geval, door het wettelijk bestuursorgaan, van kandidaten voor het invullen van vacatures in het wettelijk bestuursorgaan, het nagaan hoe de kennis, vaardigheden, diversiteit en ervaring in het wettelijk bestuursorgaan zijn verdeeld, en het opstellen van een beschrijving van de taken en bekwaamheden die voor een bepaalde benoeming zijn vereist, alsmede het beoordelen [2 van]2 hoeveel tijd er aan de functie moet worden besteed.
  Verder stelt het benoemingscomité een streefcijfer vast voor de vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het wettelijk bestuursorgaan en stippelt het een beleid uit om het aantal vertegenwoordigers van dit geslacht in het wettelijk bestuursorgaan te vergroten en op die manier het streefcijfer te halen. Het streefcijfer, de beleidslijn en de tenuitvoerlegging ervan worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 435, lid 2, onder c) van Verordening nr. 575/2013 [1 en worden meegedeeld aan de toezichthouder, zodat hij de nodige vergelijkende analyses kan uitvoeren van de praktijken op het gebied van diversiteit. De toezichthouder geeft deze informatie door aan de Europese Bankautoriteit]1;
  2° het periodiek, en minimaal jaarlijks, evalueren van de structuur, omvang, samenstelling en prestaties van het wettelijk bestuursorgaan en het formuleren van aanbevelingen aan het wettelijk bestuursorgaan met betrekking tot eventuele wijzigingen;
  3° het periodiek, en minimaal jaarlijks, beoordelen van de kennis, vaardigheden, ervaring, mate van betrokkenheid, met name de regelmatige aanwezigheid, van de individuele leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het wettelijk bestuursorgaan als geheel, en daar verslag over uitbrengen aan dit orgaan;
  4° het periodiek toetsen van het beleid van het wettelijk bestuursorgaan voor de selectie en benoeming van de uitvoerende leden ervan, en het formuleren van aanbevelingen aan het wettelijk bestuursorgaan.
  [2 Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ziet het benoemingscomité erop toe dat één persoon of een kleine groep van personen de besluitvorming van de besluitvormingsorganen niet domineert op een wijze die de collegialiteit van die organen aantast of die de belangen van de instelling in haar geheel schaadt.]2
  Het benoemingscomité kan [2 gebruikmaken]2 van alle vormen van hulpmiddelen die het geschikt acht voor de uitvoering van zijn opdracht, zoals het inwinnen van extern advies, en ontvangt hiertoe toereikende financiële middelen.
  
Art.31. § 1er. Le comité de nomination est composé de manière à lui permettre d'exercer un jugement pertinent et indépendant sur la composition et le fonctionnement des organes d'administration et de gestion de l'établissement, en particulier sur l'expertise individuelle et collective de leurs membres et sur l'intégrité, la réputation, l'indépendance d'esprit et la disponibilité de ceux-ci.
  § 2. Le comité de nomination :
  1° identifie et recommande, pour approbation par l'assemblée générale ou, le cas échéant, par l'organe légal d'administration, des candidats aptes à occuper des sièges vacants au sein de l'organe légal d'administration, évalue l'équilibre de connaissances, de compétences, de diversité et d'expérience au sein de l'organe légal d'administration, élabore une description des missions et des qualifications liées à une nomination donnée et évalue le temps à consacrer à ces fonctions.
  Le comité de nomination fixe également un objectif à atteindre en ce qui concerne la représentation du sexe sous-représenté au sein de l'organe légal d'administration et élabore une politique destinée à y accroître le nombre de représentants de ce sexe afin d'atteindre cet objectif. L'objectif et le plan, ainsi que les modalités de sa mise en oeuvre sont rendus publics conformément à l'article 435, paragraphe 2, point c) du Règlement n° 575/2013 [1 et sont communiqués à l'autorité de contrôle afin qu'elle procède à des analyses comparatives des pratiques en matière de diversité. L'autorité de contrôle transmet ces informations à l'Autorité bancaire européenne]1;
  2° évalue périodiquement, et à tout le moins une fois par an, la structure, la taille, la composition et les performances de l'organe légal d'administration et lui soumet des recommandations en ce qui concerne des changements éventuels;
  3° évalue périodiquement, et à tout le moins une fois par an, les connaissances, les compétences, l'expérience, le degré d'implication, notamment l'assiduité, des membres de l'organe légal d'administration, tant individuellement que collectivement, et en rend compte à cet organe;
  4° examine périodiquement les politiques de l'organe légal d'administration en matière de sélection et de nomination des membres exécutifs de celui-ci, et formule des recommandations à l'intention de l'organe légal d'administration.
  [2 Dans l'exercice de ses attributions, le comité de nomination veille à ce que la prise de décision au sein des organes décisionnels ne soit pas dominée par une personne ou un petit groupe de personnes, d'une manière qui porte atteinte à la collégialité de ces organes ou qui soit préjudiciable aux intérêts de l'établissement dans son ensemble.]2
  Le comité de nomination peut recourir à tout type de ressource qu'il considère comme étant appropriée à l'exercice de sa mission, y compris à des conseils externes, et reçoit les moyens financiers appropriés à cet effet.
  
Art.32. [1 De artikelen 27, 28 en 30 doen geen afbreuk aan de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen over het auditcomité en het remuneratiecomité in genoteerde vennootschappen in de zin van artikel 1:11 van dit Wetboek.]1
  
Art.32. [1 Les articles 27, 28 et 30 sont sans préjudice des dispositions du Code des sociétés et des associations relatives au comité d'audit et au comité de rémunération au sein de sociétés cotées au sens de l'article 1:11 de ce Code.]1
  
Art.33. § 1. [3 Kredietinstellingen die niet significant zijn, zijn vrijgesteld van de verplichting om binnen hun wettelijk bestuursorgaan de twee comités als bedoeld in de artikelen 30 en 31 op te richten en kunnen bovendien bepalen dat één enkel comité instaat voor de taken van de comités bedoeld in de artikelen 28 en 29.]3
  § 2. De toezichthouder kan toestaan dat een kredietinstelling die een dochteronderneming of een kleindochteronderneming is van een gemengde financiële holding, van een verzekeringsholding, van een financiële holding, van een andere kredietinstelling, van een verzekeringsonderneming, van een herverzekeringsonderneming, van een beleggingsonderneming [1 , van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of van een beheervennootschap van alternatieve instellingen voor collectieve belegging]1, geheel of gedeeltelijk afwijkt van de bepalingen van deze Onderafdeling en kan specifieke voorwaarden vastleggen voor het verlenen van deze afwijkingen, voor zover er binnen de betrokken groepen of subgroepen één of meer comités zijn opgericht in de zin van de artikelen 28 tot 31, die bevoegd zijn voor de kredietinstelling en voldoen aan de vereisten van deze wet.
  [2 Ongeacht de voorwaarden bepaald door de toezichthouder in toepassing van het eerste lid, maakt de erkend commissaris jaarlijks de in artikel 11 van verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over aan de bestemmelingen voorzien in artikel 225/1.
   Wanneer de voorwaarden bepaald door de toezichthouder in toepassing van het eerste lid aanleiding geven tot de oprichting van een auditcomité, zijn de in artikel 16, lid 5, van verordening nr. 537/2014 bedoelde modaliteiten van het voorstel van benoeming van een erkend commissaris van toepassing.
   De in artikel 28, § 3, opgenomen opdrachten van de erkend commissaris blijven van toepassing, maar worden uitgeoefend ten aanzien van het wettelijk bestuursorgaan wanneer de voorwaarden bepaald door de toezichthouder geen oprichting van een auditcomité opleggen.]2

  
Art.33. § 1er. [3 Les établissements de crédit qui ne sont pas d'importance significative sont dispensés de constituer, au sein de leur organe légal d'administration, les deux comités visés aux articles 30 et 31 et peuvent, en outre, prévoir qu'un seul comité assure les missions dévolues aux comités visés aux articles 28 et 29.]3
  § 2. L'autorité de contrôle peut, à l'égard des établissements de crédit qui sont filiales ou sous-filiales d'une compagnie financière mixte, d'une société holding d'assurance, d'une compagnie financière, d'un autre établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance, d'une entreprise de réassurance, d'une entreprise d'investissement [1 , d'une société de gestion d'organismes de placement collectif ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs]1, accorder, en tout ou en partie, des dérogations aux dispositions de la présente Sous-section et fixer des conditions spécifiques à l'octroi de ces dérogations, pour autant qu'aient été constitués au sein des groupes ou sous-groupes concernés un ou plusieurs des comités au sens des articles 28 à 31 dont les attributions s'étendent à l'établissement de crédit [1 , et répondant aux exigences de la présente loi]1.
  [2 Quelles que soient les conditions fixées par l'autorité de contrôle en application de l'alinéa 1er, le commissaire agréé transmet chaque année le rapport complémentaire visé à l'article 11 du règlement n° 537/2014 aux destinataires prévus à l'article 225/1.
   Lorsque les conditions fixées par l'autorité de contrôle en application de l'alinéa 1er conduisent à la constitution d'un comité d'audit, les modalités de proposition de désignation d'un commissaire agréé visées à l'alinéa 5 de l'article 16 du règlement n° 537/2014 sont applicables.
   Les missions du commissaire agréé reprises sous l'article 28, § 3, restent applicables mais le sont à l'égard de l'organe légal d'administration lorsque les conditions fixées par l'autorité de contrôle n'imposent pas la création d'un comité d'audit.]2

  
Art.34. Indien er met toepassing van artikel 33, § 1 geen comités worden opgericht als bedoeld in de artikelen 30 en 31, moeten de aan die comités toegewezen taken worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel. Wanneer de voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan ingevolge een met toepassing van artikel 26 toegestane afwijking, een uitvoerend lid is, neemt hij het voorzitterschap van het wettelijk bestuursorgaan niet waar als dit optreedt in de hoedanigheid van één van de in artikel 27 bedoelde comités.
Art.34. Si, en application de l'article 33, § 1er, les comités visés à aux articles 30 et 31 ne sont pas constitués, les fonctions attribuées à ces comités doivent alors être exercées par l'organe légal d'administration dans son ensemble. Lorsque, suite à une dérogation accordée en application de l'article 26, le président de l'organe légal d'administration est un membre exécutif, il ne préside pas l'organe légal d'administration lorsque celui-ci agit en qualité d'un des comités visés à l'article 27.
Onderafdeling IV. - Operationele onafhankelijke controlefuncties
Sous-section IV. - Fonctions de contrôle indépendantes opérationnelles
Art.35. § 1. Iedere kredietinstelling neemt de nodige maatregelen om blijvend te beschikken over de volgende passende onafhankelijke controlefuncties :
  a) compliance;
  b) risicobeheer;
  c) interne audit,
  die worden uitgeoefend door personen die onafhankelijk zijn van de bedrijfseenheden van de instelling en over de nodige bevoegdheden beschikken om hun functie naar behoren te kunnen uitoefenen. De beloning van deze personen wordt vastgesteld volgens de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun functie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de werkzaamheden waarop toezicht wordt gehouden.
  § 2. Bij zijn beoordeling van het passende karakter van de in paragraaf 1 bedoelde functies houdt de toezichthouder rekening met de bepalingen van artikel 21, § 2.
Art.35. § 1er. Les établissements de crédit prennent les mesures nécessaires pour disposer en permanence des fonctions de contrôle indépendantes adéquates suivantes :
  a) conformité (compliance);
  b) gestion des risques;
  c) audit interne,
  dont les personnes qui en assurent l'exercice sont indépendantes des unités opérationnelles de l'établissement et disposent des prérogatives nécessaires au bon accomplissement de leurs fonctions. La rémunération de ces personnes est fixée en fonction de la réalisation des objectifs liés à leurs fonctions, indépendamment des performances des domaines d'activités contrôlés.
  § 2. Dans son évaluation du caractère adéquat des fonctions visées au paragraphe 1er, l'autorité de contrôle tient compte des dispositions de l'article 21, § 2.
Art.36. § 1. Iedere kredietinstelling beschikt over een compliancefunctie om de naleving door de instelling, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en verbonden agenten te verzekeren van de wettelijke en reglementaire regels inzake integriteit en gedrag die van toepassing zijn op de bankactiviteit.
  Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002.
  § 2. De personen die belast zijn met de compliancefunctie brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan.
  [1 Het wettelijk bestuursorgaan bezorgt aan de toezichthouder jaarlijks een verslag over de beoordeling van de compliancefunctie die [2 het]2 met toepassing van artikel 56, § 3, verricht.]1
  
Art.36. § 1er. Les établissements de crédit disposent d'une fonction de conformité (compliance) destinée à assurer le respect, par l'établissement, les membres de son organe légal d'administration, ses dirigeants effectifs, ses salariés, ses mandataires et agents liés, des règles légales et réglementaires d'intégrité et de conduite qui s'appliquent à l'activité bancaire.
  L'alinéa 1er ne porte pas préjudice aux dispositions de l'article 87bis de la loi du 2 août 2002.
  § 2. Les personnes qui assurent la fonction de conformité (compliance) font rapport à l'organe légal d'administration au moins une fois par an.
  [1 L'organe légal d'administration transmet annuellement à l'autorité de contrôle un rapport relatif à l'évaluation qu'il effectue de la fonction de conformité en application de l'article 56, § 3.]1
  
Art.37. § 1. Iedere kredietinstelling beschikt over een passende risicobeheerfunctie die onafhankelijk is van de operationele functies en die voldoende gezag, status en middelen heeft en rechtstreeks toegang heeft tot het wettelijk bestuursorgaan.
  § 2. De personen die belast zijn met de risicobeheerfunctie zorgen ervoor dat alle significante risico's worden gedetecteerd en gemeten en naar behoren worden gemeld. Zij zijn actief betrokken bij de uitstippeling van de risicostrategie van de instelling en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico's en [1 zijn]1 in staat een volledig beeld te geven van het hele scala van risico's die de instelling loopt.
  § 3. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een lid van het directiecomité waarvoor de risicobeheerfunctie de enige functie is waarvoor hij individueel verantwoordelijk is. Indien de kredietinstelling niet significant is in de zin van artikel 3, 30°, kan de toezichthouder toestaan dat een lid van het hoger kaderpersoneel binnen de instelling deze functie vervult, mits er in hoofde van deze persoon geen belangenconflict bestaat.
  In afwijking van het eerste lid, eerste zin, kan de toezichthouder, met het oog op de versterking van de autonomie en de onafhankelijkheid van de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie als bedoeld in artikel 36, toestaan dat het lid van het directiecomité dat verantwoordelijk is voor de risicobeheerfunctie, ook verantwoordelijk is voor de compliancefunctie, op voorwaarde dat de twee betrokken functies los van elkaar worden uitgeoefend.
  
Art.37. § 1er. Les établissements de crédit disposent d'une fonction de gestion des risques adéquate, indépendante des fonctions opérationnelles et qui dispose d'une autorité, d'un statut et de ressources suffisants, ainsi que d'un accès direct à l'organe légal d'administration.
  § 2. Les personnes qui assurent la fonction de gestion des risques veillent à ce que tous les risques significatifs soient détectés, mesurés et correctement déclarés. Elles participent activement à l'élaboration de la stratégie en matière de risque de l'établissement ainsi qu'à toutes les décisions de gestion ayant une incidence significative en matière de risque et peut fournir une vue complète de toute la gamme des risques auxquels est exposé l'établissement.
  § 3. La fonction de gestion des risques est dirigée par un membre du comité de direction dont c'est la seule fonction particulière pour laquelle il est individuellement responsable. Lorsque l'établissement de crédit n'est pas d'importance significative au sens de l'article 3, 30°, l'autorité de contrôle peut autoriser qu'un membre du personnel de l'établissement faisant partie de l'encadrement supérieur assume cette fonction à condition qu'il n'existe dans son chef aucun conflit d'intérêts.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, première phrase, l'autorité de contrôle peut, en vue de renforcer l'autonomie et l'indépendance des fonctions de gestion des risques et de conformité (compliance) visée à l'article 36, autoriser que le membre du comité de direction responsable de la fonction de gestion des risques assure également la responsabilité de la fonction de conformité, à la condition que l'exercice des deux fonctions concernées demeure assuré distinctement.
Art.38. De verantwoordelijken voor de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie kunnen onafhankelijk van het directiecomité rechtstreeks rapporteren, in voorkomend geval via het risicocomité, aan het wettelijk bestuursorgaan, en het over hun bezorgdheid inlichten en in voorkomend geval waarschuwen indien specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de instelling hebben of zouden kunnen hebben, met name haar reputatie zouden kunnen schaden.
  Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheden van het wettelijk bestuursorgaan krachtens deze wet en Verordening nr. 575/2013.
Art.38. Les responsables des fonctions de gestion des risques et de conformité (compliance) peuvent rendre directement compte, le cas échéant via le comité des risques, à l'organe légal d'administration, sans en référer au comité de direction, et peuvent lui faire part de préoccupations et l'avertir, le cas échéant, en cas d'évolution des risques affectant ou susceptible d'affecter l'établissement, notamment de porter atteinte à sa réputation.
  L'alinéa 1er ne porte pas préjudice aux responsabilités de l'organe légal d'administration en vertu de la présente loi et du Règlement n° 575/2013.
Art.39. § 1. Iedere kredietinstelling waarborgt in een auditcharter ten minste dat de [1 interne auditfunctie]1 onafhankelijk is [1 dat zij een onbeperkt recht op toegang tot informatie heeft]1 en dat haar taken betrekking hebben op alle werkzaamheden en entiteiten van de instelling, ook in geval van uitbesteding.
  § 2. De [1 interne auditfunctie]1 bezorgt aan het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité een onafhankelijke beoordeling van de kwaliteit en de doeltreffendheid van de interne controle, het risicobeheer en de governanceregeling van de kredietinstelling.
  § 3. De [1 interne auditfunctie]1 rapporteert rechtstreeks aan het wettelijk bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, en licht het directiecomité in.
  
Art.39. § 1er. Les établissements de crédit garantissent dans une charte d'audit, au minimum, l'indépendance de la fonction d'audit interne [1 , ses prérogatives illimitées d'accès à l'information]1 et l'étendue de ses missions à toute activité et entité de l'établissement, y compris en cas de sous-traitance.
  § 2. La fonction d'audit interne a pour objet de fournir à l'organe légal d'administration et au comité de direction une évaluation indépendante de la qualité et de l'efficience du contrôle interne, de la gestion des risques et du dispositif de gouvernance de l'établissement de crédit.
  § 3. La fonction d'audit interne fait directement rapport à l'organe légal d'administration, le cas échéant via le comité d'audit, avec information du comité de direction.
  
Art.40. [1 Onverminderd het bepaalde bij de artikelen 19 tot 21 [2 , 26/1]2 en 35 tot 39, kan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke interne auditfunctie, een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie en, op advies van de FSMA, een passende onafhankelijke compliancefunctie, en nadere regels opstellen conform de Europese regelgeving, met name regels waarin de minimumvoorwaarden worden vastgesteld die moeten worden vervuld wat betreft het in artikel 19, § 1, tweede lid bedoelde vereiste om over passende deskundigheid te beschikken, met inbegrip van de modaliteiten met betrekking tot de procedure voor de beoordeling van dat vereiste.]1
  
Art.40. [1 La Banque peut, sans préjudice des dispositions des articles 19 à 21 [2 , 26/1]2 et 35 à 39, préciser, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, ce qu'il y a lieu d'entendre par structure de gestion adéquate, contrôle interne adéquat, fonction d'audit interne indépendante adéquate, fonction de gestion des risques indépendante adéquate et, sur avis de la FSMA, fonction de conformité (compliance) indépendante adéquate, et élaborer des règles plus précises conformément à la réglementation européenne, notamment des règles précisant les conditions minimales auxquelles il doit être satisfait en ce qui concerne l'exigence d'expertise adéquate visée à l'article 19, § 1er, alinéa 2, en ce compris les modalités de la procédure d'évaluation de cette exigence. ]1
  
Onderafdeling V. [1 - Specifieke organisatie voor het verlenen van beleggingsdiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies aan cliënten in verband met dergelijke producten]1
Sous-section V. [1 - Organisation spécifique liée à la fourniture de services d'investissement, à la commercialisation de dépôts structurés et à la fourniture de conseils aux clients sur de tels produits]1
Art.41. § 1. [1 Iedere kredietinstelling legt de in artikel 21 bedoelde beleidslijnen en procedures vast om de naleving van de wettelijke en reglementaire voorschriften inzake beleggingsdiensten en -activiteiten door de instelling, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en verbonden agenten op adequate wijze te verzekeren.
   Deze beleidslijnen en procedures omvatten met name:
   1° onverminderd de artikelen 67 tot 70, een vergoedingsbeleid voor de personen die bij de dienstverlening aan cliënten betrokken zijn, dat verantwoord ondernemerschap en een billijke behandeling van cliënten aanmoedigt en belangenconflicten in de betrekkingen met de cliënten voorkomt;
   2° een beleid op het gebied van diensten, activiteiten, producten en operaties die worden aangeboden of verstrekt, in overeenstemming met de in artikelen 23, tweede lid, 2° en 57, § 1, bedoelde risicotolerantieniveau van de instelling en de kenmerken en behoeften van de cliënten van de instelling waaraan deze worden aangeboden of verstrekt, in voorkomend geval, met inbegrip van de uitvoering van passende stresstests;
   3° passende regels voor de rechtstreekse en onrechtstreekse persoonlijke verrichtingen in financiële instrumenten die worden uitgevoerd door de in het eerste lid bedoelde personen.]1

  § 2. Op advies van de FSMA en de Bank [1 kan de Koning de in paragraaf 1 bedoelde regels en verplichtingen bepalen]1. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op :
  - [2 de personen op wie]2 deze regels en verplichtingen van toepassing zijn;
  - de persoonlijke verrichtingen die in strijd worden geacht met de wet;
  - de modaliteiten [2 waaronder de betrokken personen]2 hun persoonlijke verrichtingen dienen mee te delen aan de kredietinstelling;
  - de wijze waarop de kredietinstellingen gegevens over de persoonlijke verrichtingen dienen te bewaren.
  
Art.41. § 1er. [1 Les établissements de crédit précisent les politiques et procédures visées à l'article 21 afin d'assurer adéquatement le respect par l'établissement, les membres de son organe légal d'administration, ses dirigeants effectifs, ses salariés, ses mandataires et agents liés, des dispositions légales et réglementaires relatives aux services et activités d'investissements.
   A cette fin, ces politiques et procédures comprennent notamment:
   1° sans préjudice des articles 67 à 70, une politique de rémunération des personnes participant à la fourniture de services aux clients qui vise à encourager un comportement professionnel responsable et un traitement équitable des clients ainsi qu'à éviter les conflits d'intérêts dans les relations avec les clients;
   2° une politique relative aux services, activités, produits et opérations proposés ou fournis, conformément au niveau de tolérance au risque visé aux articles 23, alinéa 2, 2° et 57, § 1er, de l'établissement et aux caractéristiques et besoins des clients de l'établissement auxquels ils seront proposés ou fournis, y compris en effectuant, au besoin, des simulations de crise appropriées;
   3° des règles appropriées applicables aux transactions personnelles, directes et indirectes, effectuées sur des instruments financiers par les personnes visées à l'alinéa 1er.]1

  § 2. Le Roi [1 peut préciser, sur avis de la FSMA et de la Banque,]1 les règles et obligations visées au paragraphe 1er. Ces règles et obligations peuvent notamment porter sur :
  - [2 les personnes auxquelles]2 ces règles et obligations sont applicables;
  - les transactions personnelles qui sont réputées contraires à la loi;
  - les modalités selon lesquelles les personnes concernées sont tenues de notifier leurs transactions personnelles à l'établissement de crédit;
  - la manière dont les établissements de crédit doivent conserver un enregistrement des transactions personnelles.
  
Art.42. § 1. Iedere kredietinstelling neemt passende organisatorische en administratieve maatregelen om te voorkomen dat belangenconflicten inzake beleggingsdiensten en -activiteiten tussen de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden en verbonden agenten, of een met haar verbonden onderneming, enerzijds, en haar cliënteel anderzijds, of tussen haar cliënten onderling, de belangen van deze laatsten zouden schaden.
  § 2. Op advies van de FSMA en de Bank [1 kan de Koning de nadere regels en verplichtingen ter zake bepalen]1. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op de organisatorische regels die in acht moeten worden genomen om belangenconflicten te vermijden en wanneer de kredietinstelling onderzoek op beleggingsgebied produceert en verspreidt.
  
Art.42. § 1er. Les établissements de crédit prennent des mesures organisationnelles et administratives adéquates pour empêcher que des conflits d'intérêts portant sur des services et activités d'investissement et survenant entre l'établissement, ses administrateurs, ses dirigeants effectifs, ses salariés et ses mandataires et agents liés, ou toute entreprise qui lui est liée, d'une part, et sa clientèle, d'autre part, ou entre ses clients eux-mêmes, ne portent atteinte aux intérêts de ces derniers.
  § 2. Le Roi [1 peut préciser, sur avis de la FSMA et de la Banque,]1 les règles et obligations en la matière. Ces règles et obligations peuvent notamment porter sur les règles organisationnelles à respecter afin d'empêcher la survenance de conflits d'intérêts, ainsi que lorsque l'établissement de crédit produit et diffuse des travaux de recherche en investissements.
  
Art. 42/1. [1 Iedere instelling die beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten verleent of verricht, duidt een persoon aan die over voldoende vaardigheden en gezag beschikt en verantwoordelijk is voor de naleving door de instelling van haar verplichtingen met betrekking tot de vrijwaring van de financiële instrumenten van cliënten overeenkomstig de artikelen 65 en 65/1 en de reglementaire bepalingen die ter uitvoering van deze artikelen zijn vastgesteld. In voorkomend geval kan deze persoon andere verantwoordelijkheden hebben, voor zover deze geen afbreuk doen aan de uitoefening van de in dit artikel bedoelde verantwoordelijkheid.]1
  [2 De persoon die verantwoordelijk is voor de naleving door de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° van haar verplichtingen met betrekking tot de vrijwaring van de financiële instrumenten van haar cliënten, is eveneens verantwoordelijk voor de naleving door de kredietinstelling van haar verplichtingen betreffende de vrijwaring van geldmiddelen van haar cliënten overeenkomstig de artikelen 65 en 74/1 en de reglementaire bepalingen die met toepassing van die artikelen zijn vastgesteld.]2
  
Art. 42/1. [1 Les établissements qui fournissent des services d'investissement et/ou exercent des activités d'investissement et fournissent des services auxiliaires, désignent une personne, disposant des compétences et de l'autorité nécessaires, responsable du respect par l'établissement de ses obligations concernant la sauvegarde des instruments financiers de clients conformément aux articles 65 et 65/1 et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles. Le cas échéant, cette personne peut exercer d'autres responsabilités pour autant que celles-ci ne soient pas de nature à porter atteinte à l'exercice de la responsabilité visée au présent article.]1
  [2 La personne responsable du respect par l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2° de ses obligations concernant la sauvegarde des instruments financiers de ses clients est également responsable du respect par cette établissement de ses obligations concernant la sauvegarde des fonds de ses clients conformément aux articles 65 et 74/1 et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles.]2
  
Art. 42/2. [1 De artikelen 41, 42, 64, eerste lid en 65/2 zijn van toepassing op de kredietinstellingen die gestructureerde deposito's verkopen of advies verstrekken aan cliënten in verband met dergelijke producten.]1
  
Art. 42/2. [1 Les articles 41, 42, 64, alinéa 1er et 65/2 sont applicables aux établissements de crédit qui commercialisent des dépôts structurés ou fournissent des conseils sur ces produits à des clients.]1
  
Afdeling VII. - Hoofdbestuur
Section VII. - Administration centrale
Art.43. Het hoofdbestuur van een kredietinstelling moet in België zijn gevestigd.
Art.43. L'administration centrale de l'établissement de crédit doit être établie en Belgique.
Afdeling VIII. - Depositobescherming
Section VIII. - Protection des dépôts
Art.44. [1 Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, moeten aansluiten bij een collectieve depositobeschermingsregeling overeenkomstig artikel 380 van deze wet. Wanneer deze kredietinstellingen beleggingsdiensten en/of -activiteiten verrichten moeten zij bovendien aansluiten bij een collectieve beleggersbeschermingsregeling overeenkomstig artikel 384/2 van deze wet.
   Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moeten aansluiten bij een collectieve beleggersbeschermingsregeling overeenkomstig artikel 384/2 van deze wet.]1

  
Art.44. [1 Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, doivent adhérer à un système collectif de protection des dépôts conformément à l'article 380 de la présente loi. Ces mêmes établissements de crédit, lorsqu'ils fournissent des services et/ou des activités d'investissement, doivent en outre adhérer à un système collectif de protection des investisseurs conformément à l'article 384/2 de la présente loi.
   Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, doivent adhérer à un système collectif de protection des investisseurs conformément à l'article 384/2 de la présente loi.]1

  
TITEL II. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
TITRE II. - Des conditions d'exercice de l'activité
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Généralités
Art.45. Iedere kredietinstelling moet blijvend voldoen aan de door of krachtens de artikelen 15 tot 44 van deze wet vastgelegde voorwaarden.
Art.45. Les établissements de crédit doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu des articles 15 à 44 de la présente loi.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de kapitaalstructuur
CHAPITRE II. - Des modifications dans la structure du capital
Art.46. Onverminderd [1 de artikelen 9 en 18]1 en onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling naar Belgisch recht te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de kredietinstelling zijn dochteronderneming zou worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk kennis geven met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in het tweede lid bedoelde relevante informatie.
  De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding staat tot en is afgestemd op de aard van de kandidaat-verwerver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt.
  
Art.46. Sans préjudice [1 des articles 9 et 18]1 et de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique ou morale agissant seule ou de concert avec d'autres, qui a pris la décision soit d'acquérir, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans un établissement de crédit de droit belge, soit de procéder, directement ou indirectement, à une augmentation de cette participation qualifiée dans un établissement de crédit de droit belge, de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse les seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 % ou que l'établissement de crédit devienne sa filiale, est tenue de notifier par écrit au préalable à la Banque le montant envisagé de sa participation et les informations pertinentes visées à l'alinéa 2.
  La Banque publie sur son site internet une liste spécifiant les informations pertinentes, proportionnées et adaptées à la nature du candidat acquéreur et de l'acquisition envisagée, qui sont nécessaires pour procéder à l'évaluation et qui doivent lui être communiquées au moment de la notification visée à l'alinéa 1er.
  
Art.47. [1 De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving en van alle in artikel 46 bedoelde informatie, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in het derde lid bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging. Zij vermeldt daarin de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt. De Bank licht tegelijkertijd de Europese Centrale Bank in.
   De beoordelingsperiode waarover de Europese Centrale Bank beschikt om de [4 in artikel 48]4 bedoelde beslissing te nemen, bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn conform de in artikel 46, tweede lid bedoelde lijst.
   De Bank kan, uit eigen beweging of wanneer de Europese Centrale Bank daarom verzoekt, tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is. De Bank deelt aan de Europese Centrale Bank onmiddellijk de aldus ontvangen aanvullende informatie mee.
   De beoordelingsperiode wordt onderbroken vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver. De onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Hoewel het de Bank na het verstrijken van de uiterste datum vastgelegd conform het vorige lid, vrij staat om ter vervollediging of verduidelijking bijkomende verzoeken om informatie te formuleren, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank, hebben deze verzoeken geen onderbreking van de beoordelingsperiode tot gevolg.
   De Bank kan de in het vierde lid bedoelde onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig werkdagen :
   a) indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet-communautaire reglementering onderworpen is; of
   b) indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechtspersoon is die niet aan toezicht onderworpen is ingevolge Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010, Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)[2 of Richtlijn 2014/65/EU.]2]1

  [3 Onverminderd het vierde en vijfde lid wordt, wanneer de voorgenomen wijzigingen in de kapitaalstructuur leiden tot de gelijktijdige indiening van een aanvraag tot goedkeuring van een financiële holding of een gemengde financiële holding overeenkomstig artikel 212/1 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert, de in het tweede lid bedoelde beoordelingsperiode opgeschort tot het einde van de in die artikelen bedoelde goedkeuringsprocedure.]3
  
Art.47. [1 Diligemment, et en toute hypothèse dans un délai de deux jours ouvrables après la réception de la notification et des informations complètes visées à l'article 46, ainsi qu'après l'éventuelle réception ultérieure des informations visées à l'alinéa 3, la Banque en accuse réception par écrit au candidat acquéreur. L'accusé de réception indique la date d'expiration de la période d'évaluation. La Banque en informe simultanément la Banque centrale européenne.
   La période d'évaluation dont dispose la Banque centrale européenne pour rendre sa décision concernant l'évaluation visée [4 à l'article 48]4 est de maximum soixante jours ouvrables à compter de la date de l'accusé de réception de la notification et de tous les documents requis sur la base de la liste visée à l'article 46, alinéa 2.
   La Banque, d'initiative ou lorsque la Banque centrale européenne le requiert, peut, pendant la période d'évaluation, au plus tard le cinquantième jour ouvrable de la période d'évaluation, demander un complément d'information nécessaire pour mener à bien l'évaluation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires. La Banque communique immédiatement à la Banque centrale européenne les informations complémentaires ainsi reçues.
   Pendant la période comprise entre la date de la demande d'information par la Banque et la réception d'une réponse du candidat acquéreur à cette demande, la période d'évaluation est suspendue. Cette suspension ne peut excéder vingt jours ouvrables. Le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne, la Banque peut formuler, au-delà de la date limite déterminée conformément à l'alinéa précédent, d'autres demandes visant à recueillir des informations complémentaires ou des clarifications, sans que ces demandes ne donnent toutefois lieu à une suspension de la période d'évaluation.
   La Banque peut porter la suspension visée à l'alinéa 4, à trente jours ouvrables :
   a) si le candidat acquéreur est établi hors de l'Espace économique européen ou relève d'une réglementation non communautaire; ou
   b) si le candidat acquéreur est une personne physique ou morale qui n'est pas soumise à une surveillance en vertu des directives 2013/36/UE, 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM), directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d'investissement alternatifs et modifiant les directives 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010, 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice (solvabilité II) [2 , ou 2014/65/UE]2.]1

  [3 Sans préjudice des alinéas 4 et 5, lorsque les modifications dans la structure du capital envisagées conduisent à l'introduction en même temps d'une demande d'approbation d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte conformément à l'article 212/1 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 1er de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte, la période d'évaluation visée à l'alinéa 2 est suspendue jusqu'au terme de la procédure d'approbation visée auxdits articles.]3
  
Art.48. [1 Bij de beoordeling van de in artikel 46 bedoelde kennisgeving en informatie, en van de in artikel 47 bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling die het doelwit is van de voorgenomen verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed van de kandidaat-verwerver op de kredietinstelling, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving aan alle in artikel 18, tweede lid bedoelde criteria.
   In de loop van de beoordelingsperiode bedoeld in artikel 47 en uiterlijk 15 werkdagen vóór het einde van die periode, richt de Bank aan de Europese Centrale Bank een ontwerp van gemotiveerde beslissing om zich al dan niet te verzetten tegen de voorgenomen verwerving. Het verzet mag enkel berusten op gegronde redenen om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 18, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te waarborgen, of op het feit dat de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt onvolledig is.
   Indien de Europese Centrale Bank naar aanleiding van het voorstel van de Bank besluit zich te verzetten tegen de voorgenomen verwerving, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis binnen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden. Op verzoek van de kandidaat-verwerver kan een passende motivering van het besluit voor het publiek toegankelijk worden gemaakt.
   Indien de Europese Centrale Bank zich binnen de beoordelingsperiode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.
   De Europese Centrale Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze termijn in voorkomend geval verlengen.]1

  
Art.48. [1 En procédant à l'évaluation de la notification et des informations visées à l'article 46 et des informations complémentaires visées à l'article 47, la Banque apprécie, afin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit visé par l'acquisition envisagée et en tenant compte de l'influence probable du candidat acquéreur sur l'établissement de crédit, le caractère approprié du candidat acquéreur et la solidité financière de l'acquisition envisagée en appliquant l'ensemble des critères visés à l'article 18, alinéa 2.
   La Banque formule, dans le courant de la période d'évaluation visée à l'article 47 et au plus tard 15 jours ouvrables avant la fin de cette période, à l'attention de la Banque centrale européenne, un projet de décision motivée de s'opposer ou non à la réalisation de l'acquisition. L'opposition ne peut reposer que sur des motifs raisonnables de considérer, sur la base des critères fixés à l'article 18, alinéa 2, que le candidat acquéreur ne présente pas les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit ou sur le fait que les informations fournies par le candidat acquéreur sont incomplètes.
   Si la Banque centrale européenne décide, à la suite de la proposition de la Banque, de s'opposer à l'acquisition envisagée, elle le notifie par écrit au candidat acquéreur, dans un délai de deux jours ouvrables et sans dépasser la période d'évaluation. Un exposé approprié des motifs de la décision peut être rendu accessible au public à la demande du candidat acquéreur.
   Si, au terme de la période d'évaluation, la Banque centrale européenne ne s'est pas opposée à l'acquisition envisagée, celle-ci est réputée approuvée.
   La Banque centrale européenne peut fixer un délai maximal pour la conclusion de l'acquisition envisagée et, le cas échéant, le proroger.]1

  
Art.49. [1 Voor het verrichten van de in artikel 48 bedoelde beoordeling werkt de Bank in nauw overleg samen met iedere andere betrokken bevoegde autoriteit of, al naargelang het geval, in overleg met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen of instellingen is :
   a) een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend volgens het recht van een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA;
   b) de moederonderneming van een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen;
   c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen.
   Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en uit eigen beweging alle essentiële informatie. In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar ontwerpbesluit steeds de eventuele standpunten of bedenkingen van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA. Deze standpunten of bedenkingen worden ook vermeld in het besluit van de Europese Centrale Bank.]1

  [2 In het geval bedoeld in artikel 47, zesde lid zorgt de Bank, voor zover nodig en voor zover het een andere bevoegde autoriteit is, voor passende coördinatie met de consoliderende toezichthouder die met toepassing van artikel 171 is aangewezen en/of met de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.]2
  
Art.49. [1 La Banque procède à l'évaluation visée à l'article 48 en consultation étroite avec toute autre autorité compétente concernée, ou, selon le cas, en concertation avec la FSMA, si le candidat acquéreur est :
   a) un établissement de crédit, une entreprise d'assurances, une entreprise de réassurance, une entreprise d'investissement, un gestionnaire d'OPCA ou une société de gestion d'organismes de placement collectif agréés selon le droit d'un autre Etat membre, ou, selon le cas, par la FSMA;
   b) l'entreprise mère d'une entreprise ayant une des qualités visées au a);
   c) une personne physique ou morale contrôlant une entreprise ayant une des qualités visées au a).
   A cette fin, la Banque échange, dans les meilleurs délais, avec ces autorités toute information essentielle ou pertinente pour l'évaluation. Dans ce cadre, elle communique sur demande toute information pertinente et, de sa propre initiative, toute information essentielle. Dans les cas visés à l'alinéa 1er, tout projet de décision de la Banque mentionne les éventuels avis ou réserves formulés par l'autorité compétente responsable du candidat acquéreur ou, selon le cas, par la FSMA. La décision de la Banque centrale européenne indique également ces mêmes avis ou réserves.]1

  [2 Dans le cas visé à l'article 47, alinéa 6, la Banque se coordonne, pour autant que de besoin et dans la mesure où il s'agit d'une autorité compétente différente, avec l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée en application de l'article 171 et/ou avec l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie la compagnie financière ou compagnie financière mixte.]2
  
Art.50. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die heeft besloten om niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te bezitten, stelt de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis met vermelding van het bedrag van de voorgenomen deelneming. Een dergelijke persoon stelt de Bank evenzo in kennis van zijn beslissing om de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van 20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de kredietinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.
Art.50. Toute personne physique ou morale qui a pris la décision de cesser de détenir, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans un établissement de crédit le notifie par écrit au préalable à la Banque et lui communique le montant envisagé de sa participation. Une telle personne notifie de même à la Banque sa décision de diminuer sa participation qualifiée de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue descende en dessous des seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 %, ou que l'établissement de crédit cesse d'être sa filiale.
Art.51. Indien de bij de artikelen 46 of 50 voorgeschreven voorafgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in artikel 48 bedoelde verzet, kan de voorzitter van de [1 ondernemingsrechtbank]1 van het rechtsgebied waar de kredietinstelling haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, [2 de in artikel 7:84, § 1 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen bedoelde maatregelen]2 nemen.
  De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank.
  [2 Artikel 7:84, § 3 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is van toepassing.]2
  
Art.51. En cas d'abstention de procéder aux notifications préalables prescrites par les articles 46 ou 50 ou en cas d'acquisition ou d'accroissement d'une participation en dépit de l'opposition visée à l'article 48, le président du [1 tribunal de l'entreprise]1 dans le ressort duquel l'établissement de crédit a son siège, statuant comme en référé, peut prendre les mesures [2 visées à l'article 7:84, § 1er du Code des sociétés et des associations]2.
  La procédure est engagée par citation émanant de la Banque.
  [2 L'article 7:84, § 3 du Code des sociétés et des associations est d'application.]2
  
Art.52. Onverminderd [1 de artikelen 9 en 18]1 en onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming heeft verworven in een kredietinstelling naar Belgisch recht, dan wel zijn deelneming in een kredietinstelling naar Belgisch recht rechtstreeks of onrechtstreeks heeft vergroot, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 5 % van de stemrechten of het kapitaal bereikt of overschrijdt zonder dat hij aldus een gekwalificeerde deelneming verkrijgt, de Bank daarvan schriftelijk kennis geven binnen een termijn van tien werkdagen na de verwerving of de vergroting van de deelneming.
  Iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming bezit van meer dan 5 % van de stemrechten of het kapitaal in een kredietinstelling, die geen gekwalificeerde deelneming was, dient binnen een termijn van tien werkdagen eenzelfde kennisgeving te verrichten.
  De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid vermelden de exacte identiteit van de verwerver of verwervers, het aantal verworven of vervreemde aandelen en het percentage van de stemrechten en van het kapitaal van de kredietinstelling die na de verwerving of vervreemding worden gehouden, alsook de vereiste informatie als opgegeven in de lijst die de Bank [1 conform artikel 46, tweede lid,]1 op haar website publiceert.
  
Art.52. Sans préjudice [1 des articles 9 et 18]1 et de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique ou morale agissant seule ou de concert avec d'autres, qui a acquis, directement ou indirectement, une participation dans un établissement de crédit de droit belge, ou qui a procédé, directement ou indirectement, à une augmentation de sa participation dans un établissement de crédit de droit belge, de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse le seuil de 5 % des droits de vote ou du capital, sans pour autant détenir une participation qualifiée, est tenue de le notifier par écrit à la Banque dans un délai de dix jours ouvrables après l'acquisition ou l'augmentation de la participation.
  La même notification est requise dans un délai de dix jours ouvrables de toute personne physique ou morale qui a cessé de détenir, directement ou indirectement, seul ou agissant de concert avec d'autres personnes, une participation de plus de 5 % du capital ou des droits de vote d'un établissement de crédit, qui ne constituait pas une participation qualifiée.
  Les notifications visées aux alinéas 1er et 2 indiquent l'identité précise du ou des acquéreurs, le nombre de titres acquis ou cédés et le pourcentage des droits de vote et du capital de l'établissement de crédit détenus postérieurement à l'acquisition ou à la cession, ainsi que les informations nécessaires dont la liste est publiée par la Banque sur son site internet [1 conformément à l'article 46, alinéa 2]1.
  
Art.53. [1 Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de kredietinstellingen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in artikel 46 tot gevolg hebben.
   Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 18, tweede lid bedoelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 9 bedoelde personen. De Bank deelt deze informatie mee aan de Europese Centrale Bank.
   Onder dezelfde voorwaarden delen zij de Bank [3 minstens eenmaal]3 per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten. [2 ...]2]1

  
Art.53. [1 Les établissements de crédit communiquent à la Banque, dès qu'ils en ont connaissance, les acquisitions ou aliénations de leurs titres ou parts qui font franchir vers le haut ou vers le bas l'un des seuils visés à l'article 46.
   De même, ils communiquent immédiatement à la Banque toutes informations dont ils ont connaissance et de nature à influencer la situation de leurs actionnaires ou associés au regard des critères d'appréciation visés à l'article 18, alinéa 2. La même obligation d'information incombe aux personnes visées à l'article 9. La Banque communique ces informations à la Banque centrale européenne.
   Dans les mêmes conditions, ils communiquent à la Banque, une fois par an au moins, l'identité des actionnaires ou associés qui possèdent, directement ou indirectement, agissant seuls ou de concert, des participations qualifiées dans leur capital, ainsi que la quotité du capital et celle des droits de vote ainsi détenus. [2 ...]2]1

  
Art. 53/1. [1 De in de artikelen 46, 50, 52 en 53 bedoelde kennisgevingsverplichtingen gelden ook ingeval het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de in die bepalingen bedoelde drempels zou bereiken of overschrijden of, in voorkomend geval, zou worden verlaagd tot onder voornoemde drempels als gevolg van een situatie die een wijziging van het niveau van een deelneming inhoudt die niet voortvloeit uit een verwerving of overdracht, met name het bestaan van meervoudige stemrechten of een verwerving van eigen aandelen door de kredietinstelling.
   Ingeval een in artikel 46 bedoelde drempel wordt bereikt of overschreden als gevolg van de toepassing van het eerste lid, is de in de artikelen 47 tot en met 49 bedoelde beoordeling van toepassing, met dien verstande dat de in die bepalingen bedoelde verwerving in dat geval moet worden opgevat als een wijziging van het niveau van deelneming.]1

  
Art. 53/1. [1 Les obligations de notification visées aux article 46, 50, 52 et 53 sont également applicables dans les cas où la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteint, dépasse ou, le cas échéant, est réduite en-deçà des seuils visés à ces dispositions à la suite d'une situation impliquant une modification du niveau d'une participation qui n'est pas la conséquence d'une acquisition ou d'une cession, notamment de l'existence de droits de vote multiples ou encore d'une acquisition d'actions propres par l'établissement de crédit.
   Dans le cas où un seuil visé à l'article 46 est atteint ou dépassé à la suite de l'application de l'alinéa 1er, l'évaluation prévue aux articles 47 à 49 est applicable étant entendu que l'acquisition prévue auxdites dispositions vise alors la modification du niveau de participation.]1

  
Art.54. [1 Indien de toezichthouder grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een kredietinstelling, een gezond en voorzichtig beleid van deze kredietinstelling kan belemmeren, kan hij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen :
   1° de uitoefening schorsen van de stemrechten verbonden aan de aandelen die in het bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot; hij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door hem bevolen maatregelen worden opgeheven; zijn beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zijn beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de toezichthouder kan zijn beslissing openbaar maken;
   2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die hij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.
   Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de toezichthouder bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die hij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de kredietinstelling die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning.
   Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester. [2 ...]2
   [2 De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de toezichthouder en betaald door de voornoemde houder.]2 Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen.
   Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de [3 ondernemingsrechtbank]3 van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de toezichthouder, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt.]1

  
Art.54. [1 Lorsque l'autorité de contrôle a des raisons de considérer que l'influence exercée par une personne physique ou morale détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans un établissement de crédit est de nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle peut :
   1° suspendre l'exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l'actionnaire ou l'associé en question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est notifiée de la manière la plus appropriée à l'actionnaire ou à l'associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu'elle a été notifiée; l'autorité de contrôle peut rendre sa décision publique;
   2° donner injonction à l'actionnaire ou à l'associé en cause de céder, dans le délai qu'elle fixe, les droits d'associé qu'il détient.
   A défaut de cession dans le délai fixé, l'autorité de contrôle peut ordonner la mise sous séquestre des droits d'associés auprès de telle institution ou personne qu'elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à l'établissement de crédit qui modifie en conséquence le registre des actions ou parts d'associés nominatives et qui n'accepte l'exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l'intérêt d'une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit et dans celui du détenteur des droits d'associés ayant fait l'objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d'associés. Les sommes encaissées par lui au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°.
   La souscription à des augmentations de capital ou à d'autres titres conférant ou non le droit de vote, l'option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d'acquisition ou d'échange et la libération de titres non entièrement libérés sont subordonnés à l'accord du détenteur précité. Les droits d'associés acquis en vertu de ces opérations font, de plein droit, l'objet du séquestre prévu ci-dessus.
   La rémunération du séquestre est fixée par l'autorité de contrôle et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer cette rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur précité aux fins ou comme conséquence des opérations visées ci-dessus.
   Lorsque des droits de vote ont été exercés par le détenteur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur après l'échéance du délai fixé conformément à l'alinéa 1er, 2°, première phrase, nonobstant une suspension de leur exercice prononcée conformément à l'alinéa 1er, 1°, le [2 tribunal de l'entreprise]2 dans le ressort duquel la société a son siège peut, sur requête de l'autorité de contrôle, prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations de l'assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les quorums de présence ou de majorité requis par lesdites délibérations n'auraient pas été réunis.]1

  
HOOFDSTUK III. - Algemene werkingsvoorwaarden
CHAPITRE III. - Des conditions générales de fonctionnement
Afdeling I. - Minimum eigen vermogen
Section Ire. - Des fonds propres minimums
Art.55. [2 § 1.]2[1 Onverminderd de artikelen 77 en 78 van Verordening nr. 575/2013 mag het eigen vermogen van kredietinstellingen niet dalen onder het bedrag van het overeenkomstig artikel 17, eerste en derde lid vastgestelde minimumkapitaal.]1
  [2 § 2. Elke verhoging van het in artikel 17, lid 4 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing.
   De artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van genoemd wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van dit vast gedeelte, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de toezichthouder.]2

  
Art.55. [2 § 1er.]2[1 Sans préjudice des articles 77 et 78 du Règlement n° 575/2013, les fonds propres des établissements de crédit ne peuvent devenir inférieurs au montant du capital minimum fixé conformément à l'article 17, alinéas 1er et 3.]1
  [2 § 2. Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 13, alinéa 4 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.
   Les articles 7:208, 7:209 et 7:210 dudit Code sont applicables, par analogie, à toute réduction de cette part fixe, qui requiert l'accord préalable de l'autorité de contrôle.]2

  
Afdeling II. - Leiding en leiders
Section II. - De la direction et des dirigeants
Onderafdeling I. - Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan
Sous-section Ire. - Du contrôle et de l'évaluation par l'organe légal d'administration
Art.56. § 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van de in artikel 21 bedoelde organisatieregeling van de instelling [1 , met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I [2 en in de artikelen 64 tot 66]2,]1 en de overeenstemming ervan met de wettelijke en reglementaire bepalingen. Het ziet erop toe dat het directiecomité de nodige maatregelen neemt om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
  [2 Aldus monitort en beoordeelt het wettelijk bestuursorgaan periodiek de adequaatheid en de implementatie van de strategische doelstellingen van de instelling bij het verlenen en verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies in verband met dergelijke producten, en de adequaatheid van de beleidsregels voor het verlenen van diensten aan cliënten, en onderneemt het passende stappen om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
   De leden van het wettelijk bestuursorgaan hebben passende toegang tot alle informatie en documenten die nodig zijn om de opdrachten uit te voeren waarmee ze belast zijn met toepassing van de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en de rechtstreeks toepasbare Europese regelgeving.]2

  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op het directiecomité en is verantwoordelijk voor het toezicht op de beslissingen die door het directiecomité en door de effectieve leiding van de instelling worden genomen.
  § 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bijzonder de goede werking van de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties.
  [2 Het ziet er ook op toe dat de instelling voldoende personele en financiële middelen wijdt aan de permanente opleiding van de leden van het wettelijk bestuursorgaan.]2
  § 4. In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuursorgaan wordt de individuele en collectieve deskundigheid van de leden van de in de artikelen 27 tot 31 bedoelde comités gerechtvaardigd.
  § 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene beginselen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt deze regelmatig, en minstens eenmaal per jaar, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Voor die beoordeling [3 doet het een beroep]3 op de onafhankelijke controlefuncties.
  § 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat het in artikel 21, § 3, bedoelde governancememorandum geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde governancememorandum aan de toezichthouder wordt overgemaakt.
  
Art.56. § 1er. L'organe légal d'administration évalue périodiquement, et au moins une fois par an, l'efficacité des dispositifs d'organisation de l'établissement visés à l'article 21 [1 , en ce compris les dispositions d'organisation spécifique visées à la Sous-section V de la Section VI du Chapitre II du Titre Ier [2 et visées aux articles 64 à 66]2,]1 et leur conformité aux obligations légales et réglementaires. Il veille à ce que le comité de direction prenne les mesures nécessaires pour remédier aux éventuels manquements.
  [2 L'organe légal d'administration contrôle et évalue ainsi périodiquement la pertinence et la mise en oeuvre des objectifs stratégiques de l'établissement en rapport avec la fourniture de services d'investissement, l'exercice d'activités d'investissement, la fourniture de services auxiliaires, la commercialisation de dépôts structurés et la fourniture de conseils sur de tels produits, et l'adéquation des politiques relatives à la fourniture de services aux clients et prend les mesures appropriées pour remédier à toute déficience.
   Les membres de l'organe légal d'administration disposent d'un accès adéquat aux informations et documents nécessaires pour assurer les missions dont ils sont chargés en application des dispositions de la présente loi, des arrêtés pris pour son exécution et de la réglementation européenne directement applicable.]2

  § 2. L'organe légal d'administration exerce un contrôle effectif sur le comité de direction et assure la surveillance des décisions prises par le comité de direction et les dirigeants effectifs de l'établissement.
  § 3. L'organe légal d'administration évalue en particulier le bon fonctionnement des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 35.
  [2 Il s'assure également que l'établissement consacre des ressources humaines et financières adéquates à la formation continue des membres de l'organe légal d'administration.]2
  § 4. Le rapport annuel de l'organe légal d'administration justifie la compétence individuelle et collective des membres des comités visés aux articles 27 à 31.
  § 5. L'organe légal d'administration adopte et évalue régulièrement, et au moins une fois par an, les principes généraux de la politique de rémunération et assure la surveillance de sa mise en oeuvre. Dans le cadre de cette évaluation, il [3 recourt]3 aux fonctions de contrôle indépendantes.
  § 6. L'organe légal d'administration s'assure de la mise à jour du mémorandum de gouvernance visé à l'article 21, § 3, et de la transmission à l'autorité de contrôle du mémorandum de gouvernance actualisé.
  
Art.57. § 1. In het kader van zijn taken als bedoeld in artikel 23 stelt het wettelijk bestuursorgaan de risicotolerantie van de kredietinstelling vast voor al haar werkzaamheden.
  In dit verband hecht het wettelijk bestuursorgaan zijn goedkeuring aan en gaat het regelmatig over tot de toetsing van de strategieën en beleidslijnen voor het aangaan, beheren, opvolgen en beperken van de risico's waaraan de kredietinstelling is blootgesteld of blootgesteld kan zijn, met inbegrip van de risico's die voortvloeien uit de macro-economische context waarin de kredietinstelling actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.
  De risicotolerantie van de instelling voor alle betrokken werkzaamheden wordt meegedeeld aan de toezichthouder, die op de hoogte wordt gehouden van de wijzigingen op dit vlak.
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan wijdt een groot deel van zijn activiteiten aan het toezicht op het beheer van alle significante risico's, in het bijzonder die welke onder Verordening nr. 575/2013 vallen, aan de waardering van de activa en het gebruik van externe ratings en interne modellen die met deze risico's verband houden, en waakt erover dat voldoende middelen worden toegewezen aan deze aspecten.
  § 3. [1 ...]1
  § 4. Bij het vastleggen van zijn risicobeheerbeleid legt het wettelijk bestuursorgaan de criteria vast die bepalen of het krediet- en wederpartijrisico dat voortvloeit uit verrichtingen, als belangrijk moet worden beschouwd, waardoor vereist is dat uitdrukkelijk kennis wordt gegeven van deze verrichtingen en van belangrijke beslissingen in dit verband, binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich er in voorkomend geval tegen te verzetten.
  § 5. Het wettelijk bestuursorgaan hecht zijn goedkeuring aan het liquiditeitsherstelplan als bedoeld in artikel 8, § 8 van Bijlage I bij deze wet en waakt erover dat de interne beleidslijnen en de procedures van de instelling dienovereenkomstig worden aangepast.
  
Art.57. § 1er. Dans le cadre de ses missions visées à l'article 23, l'organe légal d'administration fixe le niveau de tolérance au risque de l'établissement de crédit pour toutes les activités exercées.
  A cette fin, l'organe légal d'administration approuve et revoit régulièrement les stratégies et politiques régissant la prise, la gestion, le suivi et l'atténuation des risques auxquels l'établissement de crédit est ou pourrait être exposé, y compris les risques générés par l'environnement macroéconomique dans lequel il opère, eu égard à l'état du cycle économique.
  Le niveau de tolérance au risque de l'établissement pour toutes les activités concernées est communiqué à l'autorité de contrôle, qui est tenue informée des modifications le concernant.
  § 2. L'organe légal d'administration consacre une part significative de ses activités à la surveillance de la gestion de l'ensemble des risques significatifs, en particulier ceux relevant du Règlement n° 575/2013, à l'évaluation des actifs et l'utilisation des notations de crédit externes et des modèles internes liés à ces risques, et s'assure que des ressources adéquates sont consacrées à ces aspects.
  § 3. [1 ...]1
  § 4. L'organe légal d'administration veille, dans la définition de sa politique de gestion des risques, à préciser les critères à partir desquels le risque de crédit et de contrepartie découlant d'opérations doit être considéré comme majeur, requérant que ces opérations et les décisions importantes y afférentes fassent l'objet d'une information expresse, dans un délai permettant à l'organe légal d'administration, le cas échéant, de s'y opposer.
  § 5. L'organe légal d'administration approuve le plan de rétablissement de la liquidité visé à l'article 8, § 8, de l'Annexe I à la présente loi et s'assure que les politiques internes et les procédures de l'établissement sont adaptées en conséquence.
  
Art.58. § 1. Het wettelijk bestuursorgaan ziet toe op de integriteit van de boekhoud- en financiëleverslaggevingssystemen, met inbegrip van de regelingen voor de operationele en financiële controle. Het beoordeelt de werking van de interne controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiëleverslaggevingsproces, zodat de jaarrekening en de financiële informatie [1 in overeenstemming zijn]1 met de geldende boekhoudreglementering.
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht op de procedure voor het bekendmaken en het meedelen van gegevens die door of krachtens deze wet of Verordening nr. 575/2013 is vereist.
  
Art.58. § 1er. L'organe légal d'administration veille à l'intégrité des systèmes de comptabilité et de déclaration d'information financière, en ce compris les dispositifs de contrôle opérationnel et financier. Il évalue le fonctionnement du contrôle interne au moins une fois par an et s'assure que ce contrôle procure un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier, de manière à ce que les comptes annuels et l'information financière soient conformes à la réglementation comptable en vigueur.
  § 2. L'organe légal d'administration supervise le processus de publication et de communication requis par ou en vertu de la présente loi ou du Règlement n° 575/2013.
Onderafdeling II. - Door het directiecomité te nemen maatregelen
Sous-section II. - Des mesures à prendre par le comité de direction
Art.59. § 1. [5 Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 21, met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I, en in de artikelen 64 tot 66, evenals, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de specifieke organisatieregeling bedoeld in de artikelen 65, § 3, tweede lid, 65/1 en 74/1.]5
  § 2. Het directiecomité rapporteert [4 ...]4 aan het wettelijk bestuursorgaan, de erkend commissaris en de toezichthouder, over de beoordeling van de doeltreffendheid van de in artikel 21 bedoelde organisatieregeling [1 , met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I [2 en in de artikelen 64 tot 66]2]1 [5 , evenals, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de specifieke organisatieregeling bedoeld in de artikelen 65, § 3, tweede lid, 65/1 en 74/1]5,en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. Het verslag rechtvaardigt waarom deze maatregelen voldoen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen.
  [4 Voor de kredietinstellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan, vindt de rapportering ten minste eenmaal per jaar plaats.
   Voor de overige kredietinstellingen vindt de rapportering ten minste om de twee jaar plaats. In het jaar waarin geen volledige rapportering plaatsvindt als bedoeld in het eerste lid van deze paragraaf, dient alsnog een beknopte samenvatting te worden gerapporteerd, waarvan de minimale inhoud wordt bepaald in de door de toezichthouder vastgelegde richtsnoeren.]4

  § 3. Onverminderd zijn andere taken, ziet het directiecomité er in het bijzonder op toe dat het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt vastgelegd, correct ten uitvoer wordt gelegd.
  § 4. Het directiecomité neemt ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kredietinstelling de risico's bedoeld in de artikelen 1 tot 9 van Bijlage I bij deze wet beheerst.
  [6 § 5. Voor de toepassing van artikel 57 delen het directiecomité en de personen die belast zijn met de effectieve leiding aan het wettelijk bestuursorgaan passende informatie mee over alle significante risico's en over alle beleidslijnen inzake beheer en beheersing van de significante risico's van de instelling en de wijzigingen daarin.]6
  
Art.59. § 1er. [5 Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l'organe légal d'administration et sous sa surveillance, le comité de direction prend les mesures nécessaires pour assurer le respect et la mise en oeuvre des dispositions de l'article 21, en ce compris les dispositions d'organisation spécifique visées à la Sous-section V de la Section VI du Chapitre II du Titre Ier, et les articles 64 à 66, ainsi que, pour les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les dispositions d'organisation spécifique visées aux articles 65, § 3, alinéa 2, 65/1 et 74/1.]5
  § 2. Le comité de direction fait rapport [4 ...]4 à l'organe légal d'administration, au commissaire agréé et à l'autorité de contrôle concernant l'évaluation de l'efficacité des dispositifs d'organisation visés à l'article 21 [1 , en ce compris les dispositions d'organisation spécifique visées à la Sous-section V de la Section VI du Chapitre II du Titre Ier [2 et aux articles 64 à 66]2]1 [5 ainsi que, pour les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les dispositions d'organisation spécifique visées aux articles 65, § 3, alinéa 2, 65/1 et 74/1]5 , et les mesures prises le cas échéant pour remédier aux déficiences qui auraient été constatées. Le rapport justifie en quoi ces mesures satisfont aux dispositions légales et réglementaires.
  [4 Pour les établissements de crédit soumis à la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphes 4 et 5, point b), du Règlement MSU, le reporting s'opère au moins une fois par an.
   Pour les autres établissements de crédit, le reporting doit s'opérer au moins tous les deux ans. L'année au cours de laquelle il n'y a pas de reporting complet tel que visé à l'alinéa 1er du présent paragraphe, il y a lieu de transmettre un résumé concis, dont le contenu minimum est déterminé dans les lignes directrices établies par l'autorité de contrôle.]4

  § 3. Sans préjudice de ses autres tâches, il veille à ce que la politique de rémunération adoptée par l'organe légal d'administration soit correctement mise en oeuvre.
  § 4. Le comité de direction met également en oeuvre les mesures nécessaires pour assurer la maîtrise des risques, visées aux articles 1er à 9 de l'Annexe I à la présente loi, par l'établissement de crédit.
  [6 § 5. Aux fins de l'article 57, le comité de direction et les personnes chargées de la direction effective communiquent à l'organe légal d'administration les informations appropriées portant sur l'ensemble des risques significatifs, des politiques de gestion et de maîtrise des risques significatifs de l'établissement et des modifications apportées à celles-ci.]6
  
Art. 59/1. [1 § 1. Wanneer een lid van het directiecomité een rechtstreeks of onrechtstreeks belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met het belang van de kredietinstelling [2 in het kader van]2 een beslissing of een verrichting die tot de bevoegdheid behoort van het directiecomité, moet het betrokken lid dit mededelen aan de andere leden vóór het directiecomité een besluit neemt. Zijn verklaring en toelichting over de aard van dit strijdig belang worden opgenomen in de notulen van de vergadering van het directiecomité dat de beslissing moet nemen. Het directiecomité mag deze beslissing niet delegeren.
   Het directiecomité omschrijft in de notulen de aard van de in het eerste lid bedoelde beslissing of verrichting en de vermogensrechtelijke gevolgen ervan voor de kredietinstelling en verantwoordt het genomen besluit, en bezorgt een kopie van deze notulen aan de raad van bestuur tijdens zijn volgende vergadering. In het jaarverslag als bedoeld in artikel 3:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt dit deel van de notulen in zijn geheel opgenomen.
   De notulen van de vergadering van het directiecomité worden aan de commissaris meegedeeld. In het in artikel 3:74 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde verslag beoordeelt de commissaris, in een afzonderlijke sectie, de vermogensrechtelijke gevolgen voor de kredietinstelling van de besluiten van het directiecomité, zoals door hem omschreven, waarvoor een strijdig belang als bedoeld in het eerste lid bestaat.
   Het lid met een belangenconflict als bedoeld in het eerste lid mag niet deelnemen aan de beraadslagingen van het directiecomité over deze verrichtingen of beslissingen, noch aan de stemming in dat verband. Wanneer alle leden een belangenconflict hebben, wordt de beslissing of de verrichting aan de raad van bestuur voorgelegd; ingeval de raad van bestuur de beslissing of de verrichting goedkeurt, kan het directiecomité ze uitvoeren.
   § 2. Onverminderd het recht voor de in de artikelen 2:44 en 2:46 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen genoemde personen om de nietigheid of de opschorting van het besluit van het directiecomité te vorderen, kan de kredietinstelling de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de in dit artikel bepaalde regels, indien de wederpartij bij die beslissingen of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.
   § 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing wanneer de beslissingen of verrichtingen die tot de bevoegdheid behoren van het directiecomité, betrekking hebben op beslissingen of verrichtingen die tot stand zijn gekomen tussen vennootschappen, waaronder de kredietinstelling, waarvan de ene rechtstreeks of onrechtstreeks ten minste 95 % bezit van de stemmen verbonden aan het geheel van de door de andere uitgegeven effecten, dan wel tussen vennootschappen, waaronder de kredietinstelling, waarvan ten minste 95 % van de stemmen verbonden aan het geheel van de door elk van hen uitgegeven effecten in het bezit zijn van een andere vennootschap.
   Bovendien is paragraaf 1 niet van toepassing wanneer de beslissingen van het directiecomité betrekking hebben op gebruikelijke verrichtingen die plaatshebben onder de voorwaarden en tegen de zekerheden die op de markt gewoonlijk gelden voor soortgelijke verrichtingen.]1

  
Art. 59/1. [1 § 1er. Lorsque le comité de direction est appelé à prendre une décision ou se prononcer sur une opération relevant de sa compétence à propos de laquelle un membre du comité de direction a un intérêt direct ou indirect de nature patrimoniale qui est opposé à l'intérêt de l'établissement de crédit, ce membre doit en informer les autres membres avant que le comité de direction ne prenne une décision. Sa déclaration et ses explications sur la nature de cet intérêt opposé doivent figurer dans le procès-verbal de la réunion du comité de direction qui doit prendre cette décision. Le comité de direction ne peut pas déléguer cette décision.
   Le comité de direction décrit, dans le procès-verbal, la nature de la décision ou de l'opération visée à l'alinéa 1er et les conséquences patrimoniales pour l'établissement de crédit et justifie la décision qui a été prise, et transmet une copie du procès-verbal au conseil d'administation lors de sa prochaine réunion. Cette partie du procès-verbal est reprise dans son intégralité dans le rapport annuel visé à l'aricle 3:5 du Code des sociétés et associations.
   Le procès-verbal de la réunion du comité de direction est communiqué au commissaire. Dans son rapport visé à l'article 3:74 du Code des sociétés et associations, le commissaire évalue dans une section séparée, les conséquences patrimoniales pour l'établissement de crédit des décisions du comité de direction telles que décrites par celui-ci, pour lesquelles il existe un intérêt opposé au sens de l'alinéa 1er.
   Le membre ayant un conflit d'intérêts au sens de l'alinéa 1er ne peut prendre part aux délibérations du comité de direction concernant ces opérations ou ces décisions, ni prendre part au vote. Si tous les membres ont un [2 conflit d'intérêts]2, la décision ou l'opération est soumise au conseil d'administration; en cas d'approbation de la décision par celui-ci, le comité de direction peut l'exécuter.
   § 2. Sans préjudice du droit des personnes mentionnées aux articles 2:44 et 2:46 du Code des sociétés et associations de demander la nullité ou la suspension de la décsion du comité de direction, l'établissement de crédit peut demander la nullité des décisions prises ou des opérations accomplies en violation des règles prévues au présent article, si l'autre partie à ces décisions ou opérations avait ou devait avoir connaissance de cette violation.
   § 3. Le paragraphe 1er n'est pas applicable lorsque les décisions ou les opérations relevant du comité de direction concernent des décisions ou des opérations conclues entre sociétés, dont l'établissement de crédit, et dont l'une détient directement ou indirectement 95 % au moins des voix attachées à l'ensemble des titres émis par l'autre ou entre sociétés, dont l'établissement de crédit, et dont 95 % au moins des voix attachées à l'ensemble des titres émis par chacune d'elles sont détenus par une autre société.
   De même, le paragraphe 1er ne s'applique pas lorsque les décisions du comité de direction concernent des opérations habituelles conclues dans des conditions et sous les garanties normales du marché pour des opérations de même nature.]1

  
Onderafdeling III. - Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies
Sous-section III. - Nominations, démissions et exercice de fonctions extérieures
Art.60. § 1. De kredietinstellingen brengen de toezichthouder voorafgaandelijk op de hoogte van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast met de effectieve leiding, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
  [2 In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de kredietinstellingen aan de toezichthouder alle documenten en informatie mee die hem toelaten te beoordelen of:
   - de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 19 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken;
   - het profiel van de betrokken personen zodanig is dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve bekwaamheid van artikel 26/1;
   - de voorgestelde benoemingen stroken met het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 31, § 2, 1° heeft vastgesteld, met name wat de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht betreft.]2

  Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag.
  § 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthouder. [2 De goedkeuring van de toezichthouder wordt enkel verleend indien de betrokken benoeming waarborgt dat de betrokken persoon voldoet aan de vereisten van artikel 19 en de kredietinstelling aan die van artikel 26/1. Bij de goedkeuring wordt ook rekening gehouden met de mate waarin het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 31, § 2, 1°, heeft vastgesteld, worden nageleefd, met name wat betreft de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht.]2
  Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 of van de GTM-verordening onder het toezicht staat van de toezichthouder, raadpleegt de Bank eerst de FSMA.
  De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
  § 3. De kredietinstellingen informeren de toezichthouder over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan, tussen de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, tussen de personen belast met de effectieve leiding.
  Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2.
  [1 § 4. Naast het bepaalde bij paragraaf 1 brengen kredietinstellingen en de in paragraaf 1 bedoelde personen de toezichthouder onverwijld op de hoogte van elk feit of element dat een wijziging inhoudt van de bij de benoeming verstrekte informatie en een invloed kan hebben op de voor de uitoefening van de betrokken functie vereiste professionele betrouwbaarheid of passende deskundigheid.
   Overeenkomstig de artikelen 45, 134 en 135, kan de toezichthouder, wanneer hij in het kader van de uitvoering van zijn toezichtsopdracht op de hoogte is van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het eerste lid is verkregen, de naleving van de in artikel 19, § 1, tweede lid bedoelde vereisten herbeoordelen.]1

  
Art.60. § 1er. Les établissements de crédit informent préalablement l'autorité de contrôle de la proposition de nomination des membres de l'organe légal d'administration et des membres du comité de direction ou, en l'absence de comité de direction, des personnes chargées de la direction effective, ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
  [2 Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les établissements de crédit communiquent à l'autorité de contrôle tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si :
   - les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 19 ;
   - le profil des personnes concernées permet de satisfaire à l'exigence de compétence collective prévue par l'article 26/1 ;
   - les nominations proposées s'inscrivent dans le cadre de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 31, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent.]2

  L'alinéa 1er est également applicable à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes qui y sont visées ainsi qu'au non-renouvellement de leur nomination, à leur révocation ou à leur démission.
  § 2. La nomination des personnes visées au paragraphe 1er est soumise à l'approbation préalable de l'autorité de contrôle. [2 L'approbation de l'autorité de contrôle n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect de l'article 19 dans le chef de la personne concernée et de l'article 26/1 dans le chef de l'établissement de crédit. L'approbation tient également compte du respect de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 31, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent.]2
  Lorsqu'il s'agit de la nomination d'une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée au paragraphe 1er auprès d'une entreprise relevant du contrôle de l'autorité de contrôle par application de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998 ou du Règlement MSU, la Banque consulte préalablement la FSMA.
  La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis.
  § 3. Les établissements de crédit informent l'autorité de contrôle de la répartition éventuelle des tâches entre les membres de l'organe légal d'administration, entre les membres du comité de direction ou, en l'absence de comité de direction, entre les personnes chargées de la direction effective.
  Les modifications importantes intervenues dans la répartition des tâches visée à l'alinéa 1er, donnent lieu à l'application des paragraphes 1er et 2.
  [1 § 4. Outre les dispositions du § 1er, les établissements de crédit et les personnes visées au § 1er communiquent sans délai à l'autorité de contrôle tout fait ou élément qui implique une modification des informations fournies lors de la nomination et qui pourrait avoir une incidence sur l'honorabilité professionnelle nécessaire ou l'expertise adéquate à l'exercice de la fonction concernée.
   Conformément aux articles 45, 134 et 135, lorsque l'autorité de contrôle, dans le cadre de l'exercice de sa mission de contrôle, a connaissance d'un tel fait ou élément, obtenu ou non en application de l'alinéa 1er, elle peut effectuer une réévaluation du respect des exigences visées à l'article 19, § 1er, alinéa 2.]1

  
Art.61. [1 § 1. De personen die verantwoordelijk zijn voor de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties besteden de nodige tijd aan de uitoefening van hun functies in de instelling.
   De in artikel 62, § 3 bedoelde interne regels moeten ervoor zorgen dat een externe functie die door een in het eerste lid bedoelde persoon wordt uitgeoefend, geen afbreuk kan doen aan de beschikbaarheid die vereist is voor de uitoefening van zijn onafhankelijke controlefunctie en moeten voorkomen dat er belangenconflicten ontstaan met de uitoefening van die functie.]1

   [1 § 2.]1 De personen die verantwoordelijk zijn voor de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen niet zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuursorgaan uit hun functie worden verwijderd.
  De kredietinstelling stelt de toezichthouder voorafgaandelijk in kennis hiervan.
  
Art.61. [1 § 1er. Les personnes qui sont responsables des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 35 consacrent le temps nécessaire à l'exercice de leurs fonctions au sein de l'établissement.
   Les règles internes visées à l'article 62, § 3 doivent veiller à ce qu'une fonction extérieure exercée par une personne visée à l'alinéa 1er ne puisse pas porter atteinte à la disponibilité requise pour l'exercice de sa fonction de contrôle indépendante et prévenir tout conflit d'intérêts avec l'exercice de cette fonction.]1

   [1 § 2.]1 Les personnes qui sont responsables des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 35 ne peuvent être démises de leur fonction sans l'accord préalable de l'organe légal d'administration.
  L'établissement de crédit en informe préalablement l'autorité de contrôle.
  
Art.62. § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan [3 en de leden van het directiecomité]3 en, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, besteden de nodige tijd aan de uitoefening van hun functies in de instelling.
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 21 mogen de leden van de organen van de kredietinstelling en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling, al dan niet ter vertegenwoordiging van de kredietinstelling, op de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid [3 van een vennootschap]3, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buitenlandse openbare instelling met industriële, commerciële of financiële werkzaamheden [4 , of een vereniging]4.
  § 3. De externe functies bedoeld in paragraaf 2 worden beheerst door de interne regels die de kredietinstelling moet invoeren en doen naleven teneinde :
  1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de kredietinstelling, door de uitoefening van die functies niet langer voldoende beschikbaar zouden zijn om de effectieve leiding waar te nemen;
  2° te voorkomen dat bij de kredietinstelling belangenconflicten zouden optreden alsook risico's die gepaard gaan met de uitoefening van die functies, onder andere op het vlak van transacties van ingewijden;
  3° te zorgen voor een passende openbaarmaking van die functies.
  [4 De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 hoe die verplichtingen ten uitvoer worden gelegd.]4
  § 4. De mandatarissen van een vennootschap die worden benoemd op voordracht van de kredietinstelling, moeten leden van het directiecomité van de kredietinstelling zijn, dan wel personen die door het directiecomité zijn aangewezen.
  § 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen lid zijn van het directiecomité van de kredietinstelling, mogen geen mandaat uitoefenen in een vennootschap waarin de instelling een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap. Wanneer de kredietinstelling significant is in de zin van artikel 3, 30° zijn de in paragraaf 2 bedoelde [1 externe functies [4 ...]4]1 onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt, tenzij het mandaat in de kredietinstelling wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat, tot het volgend aantal mandaten :
  - hetzij drie mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren; of
  - een mandaat dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert en een mandaat dat geen deelname aan het dagelijks bestuur mag impliceren.
  § 6. [1 De leden van het directiecomité, of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de kredietinstelling, mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in een vennootschap als bedoeld in artikel 89, lid 1 van Verordening nr. 575/2013, waarmee de kredietinstelling nauwe banden heeft, in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van [2 Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, of]2 [3 in een patrimoniumvennootschap]3 waarin zij of met hen verbonden personen een significant belang bezitten. Wanneer de kredietinstelling significant is in de zin van artikel 3, 30° zijn de in paragraaf 2 bedoelde externe functies [4 ...]4 onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt tot twee mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren, tenzij het mandaat in de kredietinstelling wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat.]1
  § 7. In individuele gevallen kan de toezichthouder een afwijking toestaan voor het maximum aantal mandaten waarin voorzien is in de [1 paragraaf 5, tweede zin, en paragraaf 6, tweede zin]1, door toe te staan dat een bijkomend mandaat wordt uitgeoefend dat geen deelname aan het dagelijks bestuur impliceert. De toezichthouder stelt de Europese Bankautoriteit regelmatig op de hoogte van het gebruik dat hij van deze afwijkingsbevoegdheid maakt.
  § 8. De kredietinstellingen brengen de functies die door de in paragraaf 2 bedoelde personen buiten de kredietinstelling worden uitgeoefend, zonder uitstel ter kennis van de toezichthouder, ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit artikel.
  § 9. Voor de toepassing van paragraaf 5, tweede zin, en paragraaf 6, tweede zin, wordt de uitoefening van verschillende mandaten, die al dan niet een deelname aan het dagelijks bestuur impliceren, in ondernemingen die deel uitmaken van de groep waartoe de kredietinstelling behoort of van [1 een andere groep]1, als één enkel mandaat beschouwd.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "groep" een geheel van ondernemingen verstaan dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26° van deze wet, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26° van deze wet.
  [4 ...]4
  
Art.62. § 1er. Les membres de l'organe légal d'administration [3 et les membres du comité de direction]3 et, en l'absence de comité de direction, les personnes en charge de la direction effective consacrent le temps nécessaire à l'exercice de leurs fonctions au sein de l'établissement.
  § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er et de l'article 21, les membres des organes de l'établissement de crédit et toutes personnes qui, sous quelque dénomination et en quelque qualité que ce soit, prennent part à son administration ou sa gestion peuvent, en représentation ou non de l'établissement de crédit, exercer des mandats d'administrateur ou de gérant ou prendre part à l'administration ou à la gestion [3 au sein d'une société]3, d'une entreprise d'une autre forme de droit belge ou étranger ou d'une institution publique belge ou étrangère, ayant une activité industrielle, commerciale ou financière, [4 ou encore d'une association]4 aux conditions et dans les limites prévues au présent article.
  § 3. Les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 sont régies par des règles internes que l'établissement de crédit doit adopter et faire respecter en vue de poursuivre les objectifs suivants :
  1° éviter que l'exercice de ces fonctions par des personnes participant à la direction effective de l'établissement de crédit ne porte atteinte à la disponibilité requise pour l'exercice de la direction effective;
  2° prévenir dans le chef de l'établissement de crédit la survenance de conflits d'intérêts ainsi que les risques qui s'attachent à l'exercice de ces fonctions, notamment sur le plan des opérations d'initiés;
  3° assurer une publicité adéquate de ces fonctions.
  La Banque fixe les modalités de ces obligations par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
  § 4. Les mandataires sociaux nommés sur présentation de l'établissement de crédit doivent être des membres du comité de direction de l'établissement de crédit ou des personnes désignées par le comité de direction.
  § 5. Les membres de l'organe légal d'administration qui ne sont pas membres du comité de direction de l'établissement de crédit ne peuvent exercer un mandat dans une société dans laquelle l'établissement détient une participation que s'ils ne participent pas à la gestion courante de cette société. En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, lorsque l'établissement de crédit est d'importance significative au sens de l'article 3, 30°, les [1 fonctions extérieures visées au paragraphe 2 [4 ...]4 sont limitées, sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de l'établissement de crédit est exercé en représentation d'un Etat membre, au nombre de mandats suivants :
  - soit à trois mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante; ou
  - soit à un mandat impliquant une participation à la gestion courante et un mandat ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante.
  § 6. [1 Les membres du comité de direction ou, en l'absence de comité de direction, les personnes qui participent à la direction effective de l'établissement de crédit ne peuvent exercer un mandat comportant une participation à la gestion courante que s'il s'agit d'une société visée à l'article 89, paragraphe 1er, du règlement n° 575/2013, avec laquelle l'établissement de crédit a des liens étroits, d'un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de [2 la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ou d'un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires,]2 ou [3 d'une société patrimoniale]3 dans laquelle de telles personnes ou des personnes apparentées détiennent un intérêt significatif. En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, lorsque l'établissement de crédit est d'importance significative au sens de l'article 3, 30°, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 [4 ...]4 sont limitées à deux mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de l'établissement de crédit est exercé en représentation d'un Etat membre.]1

  § 7. L'autorité de contrôle peut, dans des cas individuels, accorder une dérogation au nombre de mandats maximum prévus aux [1 paragraphe 5, deuxième phrase, et paragraphe 6, deuxième phrase]1, en autorisant la possibilité d'exercer un mandat supplémentaire n'impliquant pas une participation à la gestion courante. L'autorité de contrôle informe, sur une base régulière, l'Autorité bancaire européenne de l'usage qu'elle fait de ce pouvoir de dérogation.
  § 8. Les établissements de crédit notifient sans délai à l'autorité de contrôle les fonctions exercées en dehors de l'établissement de crédit par les personnes visées au paragraphe 2 aux fins du contrôle du respect des dispositions prévues au présent article.
  § 9. Pour l'application des paragraphes 5, deuxième phrase, et 6, deuxième phrase, sont considérés comme un seul mandat l'exercice de plusieurs mandats, impliquant ou non une participation à la gestion courante, dans des entreprises faisant partie du groupe dont fait partie l'établissement de crédit ou [1 d'un autre groupe]1.
  Aux fins du présent article, on entend par "groupe", un ensemble d'entreprises constitué par une entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles l'entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte au sens de l'article 3, 26° de la présente loi, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation au sens de l'article 3, 26° de la présente loi.
  [4 ...]4
  
Art. 62/1. [1 De leden van het wettelijk bestuursorgaan en de leden van het directiecomité mogen geen functie als loontrekkende uitoefenen in de kredietinstelling of in een vennootschap waarin de kredietinstelling een deelneming heeft.
   De toezichthouder kan per geval toestaan dat een kredietinstelling voor de leden van haar wettelijk bestuursorgaan afwijkt van de in het eerste lid bedoelde verplichting wanneer zij voornemens is in haar wettelijk bestuursorgaan personen te benoemen die loontrekkende en werknemersvertegenwoordiger zijn in bijkantoren die gevestigd zijn in een lidstaat waar de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk is verankerd of in entiteiten waarin de kredietinstelling een deelneming heeft, vanwege haar internationale dimensie of omdat zij deel uitmaakt van een groep waartoe entiteiten behoren die onderworpen zijn aan een ander rechtsstelsel waarin de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk verankerd is, indien deze afwijking naar het oordeel van de toezichthouder geen afbreuk doet aan het passende karakter van het governancesysteem van de kredietinstelling, en met name niet aan de adequaatheid van het toezicht op de effectieve leiding. De toezichthouder kan aan een op grond van dit lid verleende afwijking voorwaarden verbinden om het passende karakter van de governance van de instelling te waarborgen.]1

  
Art. 62/1. [1 Les membres de l'organe légal d'administration et les membres du comité de direction ne peuvent pas exercer de fonction en qualité de salarié au sein de l'établissement de crédit ou d'une société dans laquelle l'établissement de crédit détient une participation.
   L'autorité de contrôle peut, au cas par cas, autoriser un établissement de crédit à déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er en ce qu'elle concerne les membres de son organe légal d'administration, lorsque cet établissement entend procéder à la nomination au sein de son organe légal d'administration de personnes ayant la qualité de salarié et de représentant du personnel auprès de succursales situées dans un Etat au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée ou d'entités dans laquelle l'établissement de crédit détient une participation, en raison de sa dimension internationale ou de son appartenance à un groupe dont des entités relèvent d'un autre ordre juridique au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée si, à l'appréciation de l'autorité de contrôle, une telle dérogation ne porte pas atteinte au caractère adéquat du système de gouvernance de l'établissement de crédit, en particulier l'adéquation de la surveillance de la direction effective. L'autorité de contrôle peut assortir une dérogation accordée en application du présent alinéa de conditions visant à assurer le caractère adéquat de la gouvernance de l'établissement.]1

  
Afdeling III. - Risicobeheer
Section III. - De la gestion des risques
Onderafdeling I. - Behandeling van risico's
Sous-section Ire. - Du traitement des risques
Art.63. Iedere kredietinstelling zorgt ervoor dat haar risico's worden beheerst met inachtneming van het bepaalde in Bijlage I bij deze wet.
Art.63. Les établissements de crédit assurent la maîtrise de leurs risques dans le respect des dispositions prévues à l'Annexe I à la présente loi.
Onderafdeling II. - Beheer van risico's in verband met het verrichten van beleggingsdiensten
Sous-section II. - De la gestion des risques relatifs à la fourniture de services d'investissement
Art.64. [1 Iedere kredietinstelling houdt de gegevens bij over alle door haar verleende of verrichte beleggingsdiensten en -activiteiten en over alle door haar uitgevoerde transacties om de toezichthouder en de FSMA in staat te stellen elk van hun kant, na te gaan of de instelling voldoet aan de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen bepalingen, aan Verordening nr. 600/2014 en Verordening 2017/565, evenals aan de wettelijke en reglementaire bepalingen waarvoor de FSMA moet toezien op de naleving ervan, en inzonderheid of de instelling haar verplichtingen tegenover haar cliënteel of potentieel cliënteel en betreffende de integriteit van de markt nakomt.
   Het bijhouden van gegevens omvat het opnemen van telefoongesprekken of elektronische communicatie die ten minste met in het kader van handel voor eigen rekening gesloten transacties en het verstrekken van diensten betreffende het ontvangen, doorgeven en uitvoeren van cliëntenorders verband houden.
   Daartoe neemt iedere kredietinstelling alle redelijke maatregelen voor de opname van de voornoemde gesprekken en elektronische communicatie die tot stand zijn gekomen met, verstuurd zijn vanaf of ontvangen zijn door apparatuur die door de kredietinstelling ter beschikking van een werknemer of onderaannemer is gesteld of waarvan het gebruik door haar is toegestaan.
   Cliënten kunnen hun orders langs andere kanalen plaatsen; deze mededelingen moeten evenwel gebeuren door gebruikmaking van duurzame dragers, zoals brieven, faxen, e-mails, of documentatie betreffende orders die tijdens bijeenkomsten door de betrokken cliënten zijn geplaatst. In het bijzonder kan de inhoud van rechtstreekse gesprekken met een cliënt worden geregistreerd door middel van notulen of een notitie. Aldus geplaatste orders worden gelijkgesteld met telefonisch ontvangen orders.
   Iedere kredietinstelling neemt alle redelijke maatregelen om te voorkomen dat een werknemer of onderaannemer de voornoemde telefoongesprekken en elektronische communicatie tot stand brengt, verstuurt of ontvangt op privéapparatuur waarvan de instelling geen gegevens kan opnemen of kopiëren.
   De in dit artikel bedoelde opnames worden vijf jaar bewaard en, indien de toezichthouder daarom verzoekt, tot maximaal zeven jaar.]1

  
Art.64. [1 Les établissements de crédit conservent un enregistrement de tout service d'investissement fourni, de toute activité d'investissement exercée et de toute transaction effectuée afin de permettre à l'autorité de contrôle et à la FSMA de vérifier, chacune en ce qui la concerne, si l'établissement se conforme aux dispositions de la présente loi ou prises pour son exécution, au Règlement n° 600/2014 et au Règlement 2017/565, ainsi qu'aux dispositions légales et réglementaires au respect desquelles la FSMA est chargée de veiller et, en particulier, s'il respecte ses obligations à l'égard de ses clients ou clients potentiels, et concernant l'intégrité du marché.
   Ces enregistrements incluent l'enregistrement des conversations téléphoniques et des communications électroniques en rapport, au moins, avec les transactions conclues dans le cadre d'une négociation pour compte propre et la prestation de services relatifs aux ordres de clients qui concernent la réception, la transmission et l'exécution d'ordres de clients.
   A ces fins, les établissements de crédit prennent toutes les mesures raisonnables pour enregistrer les conversations et communications précitées qui sont effectuées, envoyées ou reçues au moyen d'un équipement fourni par l'établissement à un employé ou à un sous-traitant ou dont il a autorisé l'utilisation.
   Les clients peuvent passer des ordres par d'autres voies, à condition que ces communications soient effectuées au moyen d'un support durable, tels qu'un courrier, une télécopie, un courrier électronique ou des documents relatifs aux ordres d'un client établis lors de réunions. En particulier, le contenu des conversations en tête-à-tête avec un client peut être consigné par écrit dans un compte rendu ou dans une note. De tels ordres sont considérés comme équivalents à un ordre transmis par téléphone.
   Les établissements de crédit prennent toutes les mesures raisonnables pour empêcher un employé ou un sous-traitant d'effectuer, d'envoyer ou de recevoir les conversations et communications précitées au moyen d'un équipement privé [2 à propos duquel l'établissement est incapable d'effectuer un enregistrement ou une copie]2.
   Les enregistrements visés au présent article sont conservés pendant cinq ans et, lorsque l'autorité de contrôle le demande, pendant une durée pouvant aller jusqu'à sept ans.]1

  
Art.65. [1 § 1. Een kredietinstelling mag op om het even welke wijze [3 gebruikmaken]3 van financiële instrumenten die aan een cliënt toebehoren mits deze hier vooraf zijn uitdrukkelijke toestemming voor heeft verleend. De financiële instrumenten van de cliënt mogen uitsluitend worden gebruikt onder de voorwaarden waarmee de cliënt instemt.]1
  [1 § 2. De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de voorwaarden en regels vaststellen waaraan de door cliënten bij kredietinstellingen verrichte deponeringen van financiële instrumenten moeten voldoen, evenals de voorwaarden en regels voor de handelingen die de kredietinstellingen mogen verrichten met betrekking tot deze financiële instrumenten, met name wat de in paragraaf 1 bedoelde instemming betreft. De Koning kan meer bepaald de nadere regels vaststellen voor het verlenen van de in paragraaf 1 bedoelde instemming. Daarnaast kan de Koning tevens regels uitwerken voor de organisatie, de bescherming van en informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze financiële instrumenten door de kredietinstellingen en hun deponering bij andere bemiddelaars betreft.]1
  [1 § 3.]1 Wanneer een kredietinstelling financiële instrumenten aanhoudt die aan haar cliënteel toebehoren, neemt zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren [3 , met name wanneer er tegen haar een liquidatieprocedure is geopend]3. [1 Zij neemt ook passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de paragrafen 1 en 2 worden nageleefd]1.
  [2 Wanneer een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geldmiddelen aanhoudt die aan een cliënt toebehoren, treft zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren en om te voorkomen dat de geldmiddelen die aan de cliënt toebehoren voor haar eigen rekening gebruikt worden.]2
  
Art.65. [1 § 1er. Tout usage par un établissement de crédit d'instruments financiers appartenant à un client requiert l'autorisation expresse et préalable de celui-ci. L'utilisation est limitée aux conditions auxquelles il a consenti.]1
  [1 § 2. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions et modalités auxquelles doivent répondre les dépôts d'instruments financiers effectués par des clients auprès d'établissements de crédit et les actes que peuvent poser les établissements de crédit concernant ces instruments financiers, notamment au regard du consentement visé au paragraphe 1er. Plus particulièrement, le Roi peut définir les modalités selon lesquelles le consentement prévu par le paragraphe 1er doit être donné. Le Roi peut encore déterminer les règles d'organisation et les règles de protection et d'information des clients afférentes à la réception d'instruments financiers par les établissements de crédit et leur dépôt auprès d'autres intermédiaires.]1
  [1 § 3.]1 Lorsqu'un établissement de crédit détient des instruments financiers appartenant à des clients, il prend des mesures adéquates pour sauvegarder les droits de ses clients [3 en particulier en cas de procédure de liquidation d'établissement]3. [1 Il prend également des mesures adéquates pour veiller au respect des paragraphes 1er et 2]1.
  [2 Lorsqu'un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, détient des fonds appartenant à des clients, il prend des mesures adéquates pour sauvegarder les droits de ses clients et pour empêcher l'utilisation pour son propre compte des fonds appartenant à des clients.]2
  
Art. 65/1. [1 § 1. De kredietinstellingen moeten alle gegevens en rekeningen bijhouden die noodzakelijk zijn om hen op elk ogenblik in staat te stellen de tegoeden die voor een cliënt worden aangehouden onmiddellijk te onderscheiden van de tegoeden die voor andere cliënten worden aangehouden, en van hun eigen tegoeden.
   Deze gegevens en rekeningen moeten op zodanige wijze worden bijgehouden dat zij steeds accuraat zijn en inzonderheid de voor cliënten aangehouden financiële instrumenten en gelden weerspiegelen.
   § 2. De kredietinstellingen moeten op gezette tijden nagaan of hun interne rekeningen en gegevens overeenstemmen met die van eventuele derde bemiddelaars die deze tegoeden aanhouden.
   § 3. De Koning kan, na advies van de Bank, de voorwaarden en nadere regels vaststellen voor de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van financiële instrumenten bij kredietinstellingen.]1

  
Art. 65/1. [1 § 1er. Les établissements de crédit doivent établir toutes les données et tenir tous les comptes nécessaires pour permettre de distinguer à tout moment et sans délai les avoirs détenus pour un client déterminé de ceux détenus pour d'autres clients ainsi que de leurs propres avoirs.
   Ces données et comptes doivent être établis et tenus d'une manière assurant la fidélité et en particulier leur correspondance avec les instruments financiers et les fonds détenus pour les clients.
   § 2. Les établissements de crédit doivent effectuer régulièrement des rapprochements entre leurs comptes et données internes et ceux de tout intermédiaire tiers auprès duquel ces avoirs seraient détenus.
   § 3. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque, les conditions et modalités des exigences prévues aux paragraphes 1er et 2 ainsi que, plus généralement, les exigences en matière d'organisation comptable et de règles comptables afférentes aux dépôts d'instruments financiers effectués auprès d'établissements de crédit.]1

  
Art. 65/2. [1 § 1. Iedere kredietinstelling die financiële instrumenten ontwikkelt voor verkoop aan cliënten zorgt voor het onderhoud, de exploitatie en de toetsing van een proces voor de goedkeuring van elk financieel instrument en significante aanpassingen van bestaande financiële instrumenten vóór het in de handel wordt gebracht of onder cliënten in omloop wordt gebracht.
   In het kader van dit goedkeuringsproces wordt een geïdentificeerde doelgroep van eindcliënten binnen de relevante categorie van cliënten voor elk financieel instrument gespecificeerd en wordt gewaarborgd dat alle desbetreffende risico's voor een dergelijke doelgroep geëvalueerd zijn en dat de geplande distributiestrategie is afgestemd op die doelgroep.
  [2 De kredietinstellingen worden vrijgesteld van de vereisten als bedoeld in het eerste en het tweede lid indien de beleggingsdienst die zij verlenen, betrekking heeft op obligaties zonder andere ingebedde derivaten dan een make-whole-clausule, of indien de financiële instrumenten uitsluitend onder in aanmerking komende tegenpartijen als bepaald ter uitvoering van artikel 26, achtste lid, van de wet van 2 augustus 2002 worden verhandeld of verspreid.]2
   § 2. Iedere kredietinstelling die financiële instrumenten aanbiedt of aanbeveelt die zij niet zelf ontwikkelt, treft de nodige regelingen om van de ontwikkelaars ervan alle nuttige informatie over die financiële instrumenten en over de procedure voor de goedkeuring ervan te verkrijgen, en om de kenmerken van de doelgroep van die financiële instrumenten te identificeren en te begrijpen.
   De in dit artikel bedoelde processen en regelingen doen geen afbreuk aan de wet van 2 augustus 2002 en aan Verordening nr. 600/2014, met inbegrip van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46°, van de wet van 25 oktober 2016.
   § 3. De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de regels vaststellen voor de uitvoering van de in dit artikel bedoelde organisatorische regels, met name om te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 9 en 10 van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593 van de Commissie van 7 april 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het vrijwaren van financiële instrumenten en geldmiddelen die aan cliënten toebehoren, productgovernanceverplichtingen en de regels die van toepassing zijn op het betalen of het ontvangen van provisies, commissies en geldelijke of niet-geldelijke tegemoetkomingen.]1

  
Art. 65/2. [1 § 1er. Les établissements de crédit qui conçoivent des instruments financiers destinés à la vente aux clients maintiennent, appliquent et révisent un processus de validation de chaque instrument financier et des adaptations notables des instruments financiers existants avant leur commercialisation ou leur distribution aux clients.
   Ledit processus de validation détermine un marché cible défini de clients finaux au sein de la catégorie de clients concernée pour chaque instrument financier et permet de s'assurer que tous les risques pertinents pour ledit marché sont évalués et que la stratégie de distribution prévue convient bien à celui-ci.
  [2 Les établissement de crédit sont exemptés des obligations énoncées aux alinéas 1er et 2 lorsque le service d'investissement qu'ils fournissent porte sur des obligations qui n'incorporent pas d'instrument dérivé autre qu'une clause de remboursement make-whole ou lorsque les instruments financiers sont commercialisés exclusivement à des contreparties éligibles, telles que définies en exécution de l'article 26, alinéa 8, de la loi du 2 août 2002 ou distribués exclusivement à des contreparties éligibles.]2
   § 2. Les établissements de crédit qui proposent ou recommandent des instruments financiers qu'ils ne conçoivent pas, se dotent de dispositifs appropriés pour obtenir de leurs concepteurs tous les renseignements utiles relatifs à ces instruments financiers et à leur processus de validation et pour identifier et comprendre les caractéristiques de leur marché cible.
   Les processus et dispositifs visés au présent article sont sans préjudice de la loi du 2 août 2002 et du Règlement n° 600/2014, y compris des règles de conduite visées à l'article 2, 46°, de la loi du 25 octobre 2016.
   § 3. Le Roi, sur avis de la Banque et de la FSMA, peut préciser les règles d'exécution des règles organisationnelles visées au présent article, notamment aux fins de satisfaire aux dispositions prévues aux articles 9 et 10 de la [3 directive déléguée]3 (UE) 2017/593 de la Commission du 7 avril 2016 complétant la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne la sauvegarde des instruments financiers et des fonds des clients, les obligations applicables en matière de gouvernance des produits et les règles régissant l'octroi ou la perception de droits, de commissions ou de tout autre avantage pécuniaire ou non pécuniaire.]1

  
Art. 65/3. [1 De Koning kan, na advies van de FSMA en de Bank, de specifieke organisatorische vereisten vastleggen die van toepassing zijn op de kredietinstellingen die in het kader van hun beleggingsactiviteiten en/of -diensten:
   1° zich bezighouden met algoritmische handel, ook ter uitvoering van een market-makingstrategie;
   2° directe elektronische toegang tot een handelsplatform aanbieden; en/of
   3° optreden als clearinglid als omschreven in artikel 2, punt 14, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters.
   Het toezicht op de naleving van de verplichtingen die zijn vastgesteld op grond van het eerste lid, 1°, behoort tot de bevoegdheid van de FSMA, onverminderd de prerogatieven van de toezichthouder in geval van niet-naleving van de verplichtingen van artikel 21.
   Voor de uitoefening van die bevoegdheid beschikt de FSMA over de prerogatieven bedoeld in de artikelen 34, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.]1

  
Art. 65/3. [1 Le Roi peut déterminer, sur avis de la FSMA et de la Banque, les exigences organisationnelles spécifiques applicables aux établissements de crédit qui, dans le cadre de leur activité d'investissement et/ou de fourniture de services d'investissement:
   1° recourent au trading algorithmique, y compris lorsqu'ils y recourent pour la mise en oeuvre d'une stratégie de tenue de marché;
   2° fournissent un accès électronique direct à une plateforme de négociation; et/ou
   3° agissent comme membre compensateur au sens de l'article 2, 14), du Règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, contreparties centrales et les référentiels centraux.
   Le contrôle du respect des obligations prévues sur la base de l'alinéa 1er, 1°, relève de la compétence de la FSMA, sans préjudice des prérogatives de l'autorité de contrôle en cas de non-respect des obligations prévues à l'article 21.
   Pour l'exercice de cette compétence, la FSMA dispose des prérogatives visées aux articles 34, 35, §§ 1er et 2, 36, 36bis et 37 de la loi du 2 août 2002.]1

  
Afdeling IV. - Uitbesteding
Section IV. - Du recours à la sous-traitance
Art.66. Wanneer een kredietinstelling operationele taken die van kritiek belang zijn voor een continue en bevredigende dienstverlening, met name inzake beleggingsdiensten en -activiteiten, aan derden uitbesteedt, neemt zij passende maatregelen om het hiermee gepaard gaande operationeel risico te beperken.
  De in het eerste lid bedoelde uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan het passende karakter van de internecontroleprocedures van de instelling of aan het vermogen van de toezichthouder om na te gaan of de instelling haar wettelijke en reglementaire verplichtingen nakomt.
  De Bank publiceert op advies van de FSMA, een beleidsverklaring waarin zij het door haar gevoerde beleid inzake uitbestedingen van diensten van beheer van vermogen van niet-professionele cliënten uiteenzet.
Art.66. Lorsqu'un établissement de crédit confie à un tiers l'exécution de tâches opérationnelles essentielles pour assurer la fourniture de ses services, notamment de ses services d'investissement et l'exercice de ses activités d'investissement, de manière continue et satisfaisante, il prend des mesures adéquates pour limiter le risque opérationnel y afférent.
  L'externalisation visée à l'alinéa 1er ne peut s'effectuer d'une manière qui nuise sensiblement au caractère adéquat des procédures de contrôle interne de l'établissement ou qui empêcherait l'autorité de contrôle de vérifier si l'établissement respecte ses obligations légales et réglementaires.
  La Banque publie, sur avis de la FSMA, une communication dans laquelle elle expose la politique qu'elle suit en matière d'externalisation de services de gestion de portefeuille fournis à des clients de détail.
Afdeling V. - Het beloningsbeleid en de tenuitvoerlegging ervan
Section V. - De la politique de rémunération et de sa mise en oeuvre
Onderafdeling I. - Beginselen
Sous-section Ire. - Principes
Art.67. [1 Het beloningsbeleid dat conform artikel 56, § 5 en artikel 41, § 1, 1°, wordt vastgelegd, strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling, en omvat maatregelen om belangenconflicten te vermijden. Het beloningsbeleid dient genderneutraal te zijn. Bij de opstelling en de toepassing van hun beloningsbeleid nemen de instellingen de vereisten van Bijlage II in acht op een wijze die aansluit bij de omvang en de interne organisatie van de instelling en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van haar werkzaamheden.
   Het beloningsbeleid heeft betrekking op de categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling.
   Voor de toepassing van het tweede lid, omvatten categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling, ten minste:
   1° alle leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding;
   2° personeelsleden met leidinggevende verantwoordelijkheid over de controlefuncties of de essentiële bedrijfseenheden van de instelling;
   3° personeelsleden die in het voorgaande boekjaar recht hadden op een significante beloning, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
   a) de beloning van het personeelslid is gelijk aan of hoger dan 500 000 euro en gelijk aan of hoger dan de gemiddelde beloning die wordt toegekend aan de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding van de instelling, als bedoeld in 1° ;
   b) het personeelslid verricht de beroepswerkzaamheid in een essentiële bedrijfseenheid en de werkzaamheden zijn van dien aard dat zij een aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van de betrokken bedrijfseenheid.]1

  
Art.67. [1 La politique de rémunération adoptée conformément à l'article 56, § 5 et à l'article 41, § 1er, 1°, est conforme à la stratégie économique, aux objectifs, aux valeurs et aux intérêts à long terme de l'établissement et comprend des mesures visant à éviter les conflits d'intérêts. La politique de rémunération doit être neutre du point de vue du genre. Lors de l'établissement et de l'application de leur politique de rémunération, les établissements observent les exigences énoncées à l'Annexe II, d'une manière qui correspond à la taille et l'organisation interne de l'établissement et à la nature, la portée et la complexité de ses activités.
   La politique de rémunération couvre les catégories de membres du personnel dont les activités professionnelles ont une incidence significative sur le profil de risque de l'établissement.
   Aux fins de l'alinéa 2, les catégories de personnel dont les activités professionnelles ont une [2 incidence significative]2 sur le profil de risque de l'établissement comprennent au moins :
   1° tous les membres de l'organe légal d'administration et de la haute direction ;
   2° les membres du personnel exerçant une responsabilité hiérarchique sur les fonctions de contrôle ou les unités opérationnelles essentielles de l'établissement ;
   3° les membres du personnel qui ont eu droit à une rémunération significative au cours de l'exercice précédent, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
   a) la rémunération du membre du personnel est égale ou supérieure à 500 000 euros et égale ou supérieure à la rémunération moyenne accordée aux membres de l'organe légal d'administration et de la haute direction de l'établissement, telle que visée au 1° ;
   b) le membre du personnel exerce l'activité professionnelle dans une unité opérationnelle essentielle et la nature de l'activité est telle qu'elle a une incidence considérable sur le profil de risque de l'unité opérationnelle concernée.]1

  
Art.68. Het beloningsbeleid heeft betrekking op alle beloningen, met inbegrip van variabele beloningen en uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, van de in artikel 67, tweede lid bedoelde personen en maakt overeenkomstig de voorschriften van Bijlage II, een duidelijk onderscheid om de criteria te bepalen ter vastlegging van :
  - de vaste basisbeloning, die in de eerste plaats de relevante beroepservaring en organisatorische verantwoordelijkheden dient te weerspiegelen, zoals uiteengezet in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden, en
  - de variabele beloning, die afhankelijk is van prestatiecriteria, die een duurzaam en aan de risico's aangepast rendement dient te weerspiegelen, alsook extra prestaties die geleverd worden naast de prestaties die beschreven zijn in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden.
Art.68. La politique de rémunération couvre toutes les rémunérations, en ce compris les rémunérations variables et les prestations de pension discrétionnaires, des personnes visées à l'article 67, alinéa 2 et opère, en conformité avec le prescrit de l'Annexe II, une distinction claire pour déterminer les critères de fixation :
  - de la rémunération de base fixe, qui doit refléter au premier chef une expérience professionnelle pertinente et les responsabilités organisationnelles telles que définies dans la description de fonctions qui fait partie des conditions de travail, et
  - de la rémunération variable qui est fonction de critères de performance qui doit refléter un rendement durable et adapté aux risques, ainsi que des prestations supplémentaires fournies en plus de celles décrites dans la description de fonctions qui fait partie des [1 conditions de travail]1.
  
Art.69. Bijlage II van deze wet legt de criteria, regels en verplichtingen vast waaraan het beloningsbeleid van de kredietinstellingen en de tenuitvoerlegging ervan moeten voldoen, in het bijzonder de voorwaarden voor de vaststelling en de betaling van de variabele beloning.
Art.69. L'Annexe II de la présente loi définit les critères, modalités et obligations auxquels doivent satisfaire la politique de rémunération des établissements de crédit et sa mise en oeuvre, en particulier les conditions relatives à la fixation et au paiement de la rémunération variable.
Art.70. De beloningspraktijken met betrekking tot de in artikel 67, tweede lid bedoelde personen strookt met het door de instelling vastgestelde beloningsbeleid en voldoet aan de verplichtingen van Bijlage II. Deze beloningspraktijken worden regelmatig beoordeeld om na te gaan of de bepalingen van Bijlage II te allen tijde worden nageleefd, rekening houdend met de ontwikkeling van de situatie van de instelling.
Art.70. Les pratiques de rémunération relatives aux personnes visées à l'article 67, alinéa 2 respectent la politique de rémunération arrêtée par l'établissement et les obligations énoncées à l'Annexe II. Ces pratiques font l'objet d'une évaluation régulière afin de vérifier si, compte tenu de l'évolution de la situation de l'établissement, les dispositions prévues à l'Annexe II sont en permanence respectées.
Onderafdeling II. - Kredietinstellingen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen
Sous-section II. - Des établissements de crédit ayant reçu un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics
Art.71. De kredietinstellingen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen, passen hun beloningsbeleid en beloningspraktijken aan conform de vereisten van Bijlage II.
Art.71. Les établissements de crédit qui ont reçu un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics adaptent leurs politiques et pratiques de rémunération conformément aux exigences prévues à l'Annexe II.
Afdeling VI. [1 - Verrichtingen van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° ,die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard.]1
Section VI. [1 - Des opérations des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, sujettes à limitations ou à interdiction et des paiements sujets à nullité.]1
Onderafdeling I. [1 - Verrichtingen met entiteiten van de groep, met leiders en met verbonden personen]1
Sous-section Ire. [1 - Des opérations avec des entités du groupe, avec des dirigeants et des personnes apparentées]1
Art.72. [1 § 1. [4 kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°]4 mogen rechtstreeks of onrechtstreeks overeenkomsten sluiten of verrichtingen uitvoeren, met name leningen, kredieten of borgstellingen, op welke wijze of in welke vorm ook, met name de uitvoering ervan op rekening-courant, met:
   1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan en de leden van hun directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, evenals de effectieve leiders van hun bijkantoren;
   2° de in artikel 9, eerste lid bedoelde personen evenals de leden van hun verschillende organen en de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding;
   3° de ondernemingen of instellingen waarover de [4 kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°,]4 of haar moederonderneming controle uitoefent;
   4° [3 de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° en 5° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten, een invloed van betekenis kunnen uitoefenen of een functie uitoefenen als bedoeld in 1° ;]3
   5° de personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde personen,
   onder de marktvoorwaarden of, in voorkomend geval, op basis van de onderzoeksprocedures en onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de waarborgen die gelden voor hun cliënteel.
   Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, niet deelnemen aan de beraadslagingen van het wettelijk bestuursorgaan over deze verrichtingen, noch aan de stemming in dat verband. Deze leningen, kredieten en borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met uitzondering van deze die gesloten zijn met ondernemingen of instellingen waarover de [4 kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°,]4 of haar moederonderneming controle uitoefent, [3 worden behoorlijk gedocumenteerd en ter kennis gebracht]3 van de toezichthouder volgens de frequentie en de regels die hij bepaalt.
   Wanneer deze verrichtingen niet worden gesloten tegen de normale marktvoorwaarden of tegen de voorwaarden die voor hun cliënteel gelden, kan de toezichthouder eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de instelling hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil.
   De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan en de toezichthouder dienen niet plaats te vinden wanneer het geheel van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met een bepaalde persoon, onderneming of instelling niet meer bedraagt dan [3 500 000 euro]3.
   De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, aan ondernemingen of instellingen waarover de [4 kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°,]4 of haar moederonderneming controle uitoefent dienen evenmin plaats te vinden indien deze leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, vallen binnen de limieten van een kaderovereenkomst die het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid bedoelde kennisgeving.
   § 2. De in § 1 vervatte regeling doet geen afbreuk aan de regels die in dit verband op basis van het [2 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2 gelden.]1

  
Art.72. [1 § 1er. Les [4 établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°]4 ne peuvent, directement ou indirectement, conclure des contrats ou effectuer des opérations, notamment des prêts, crédits ou garanties, et ce quelles que soient les modalités ou formes, notamment leur exécution en compte courant, avec :
   1° les membres de leur organe légal d'administration et les membres de leur comité de direction ou, en l'absence de comité de direction, les personnes chargées de la direction effective ainsi qu'avec les dirigeants effectifs de leurs succursales ;
   2° les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, ainsi que les membres de leurs différents organes et avec les personnes participant à leur direction effective ;
   3° les entreprises ou établissements sur lesquels l'[4 établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°]4 ou son entreprise mère exerce le contrôle ;
   4° [3 les entreprises ou établissements dans lesquels les personnes visées au 1° et au 5° détiennent une participation qualifiée, peuvent exercer une influence notable ou exercent une fonction visée au 1° ;]3
   5° les personnes apparentées aux personnes visées au 1°,
   qu'aux conditions de marché ou, le cas échéant, sur la base des procédures d'examen et aux conditions, à concurrence des montants et moyennant les garanties applicables à leur clientèle.
   Les prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, visés à l'alinéa 1er doivent faire l'objet d'une information expresse, dans un délai permettant à l'organe légal d'administration de s'y opposer. Quel que soit l'organe appelé à statuer, les membres ayant un intérêt personnel ou fonctionnel direct ou indirect ne peuvent assister aux délibérations de l'organe légal d'administration relatives à ces opérations, ni prendre part au vote. Ces prêts, crédits et garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, à l'exception de ceux conclus avec des entreprises ou établissements sur lesquels l'[4 établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°]4 ou son entreprise mère exerce le contrôle, [3 sont dûment documentés et notifiés]3 à l'autorité de contrôle selon la périodicité et les modalités que celle-ci détermine.
   L'autorité de contrôle peut, si ces opérations n'ont pas été conclues aux conditions normales du marché ou applicables à la clientèle, exiger l'adaptation des conditions convenues à la date où ces opérations ont sorti leurs effets. A défaut, les membres de l'organe légal d'administration qui ont pris la décision sont solidairement responsables de la différence envers l'établissement.
   Les notifications à l'organe légal d'administration et à l'autorité de contrôle visées à l'alinéa 2 ne doivent pas avoir lieu si l'ensemble des prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, avec une personne, une entreprise ou un établissement donné ne dépasse pas [3 500 000 euros]3.
   Les notifications à l'organe légal d'administration, visées à l'alinéa 2, de prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, à des entreprises ou établissements sur lesquels l'[4 établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°]4 ou son entreprise mère exerce le contrôle ne doivent pas davantage être opérées si ces prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, relèvent d'un contrat-cadre qui a fait l'objet d'une notification visée à l'alinéa 2.
   § 2. Le régime prévu au § 1er ne porte pas préjudice aux règles applicables à cet égard sur la base du [2 Code des sociétés et des associations]2.]1

  
Art. 72/1. [1 In afwijking van de bepalingen van het [2 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2 en niettegenstaande artikel 72, mogen rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, worden verleend aan personen om hen in staat te stellen rechtstreeks of onrechtstreeks in te schrijven op aandelen of andere effecten die recht geven op dividenden van de [3 kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°,]3 of van een vennootschap waarmee er een nauwe band bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere effecten te verwerven.]1
  
Art. 72/1. [1 Par dérogation aux dispositions du [2 Code des sociétés et des associations]2 et nonobstant l'article 72, aucun prêt, crédit ou garantie, quelles que soient leurs modalités ou formes, ne peut être consenti, directement ou indirectement, à une personne en vue de lui permettre, directement ou indirectement, d'acquérir ou de souscrire des actions ou parts ou tous autres titres conférant un droit aux dividendes, de l'[3 établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°]3 ou d'une société avec laquelle il existe un lien étroit, ou conférant le droit d'acquérir de tels titres.]1
  
Art.73. In geval van faillissement van een [2 kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°,]2 zijn, met betrekking tot de boedel, alle betalingen nietig en zonder gevolg die deze instelling, hetzij in contanten, hetzij anderszins, heeft gedaan aan de leden van haar wettelijk bestuursorgaan in de vorm van tantièmes of andere winstdeelnemingen, tijdens de twee jaren die het tijdstip voorafgaan dat door [1 de insolventierechtbank]1 is vastgesteld als het ogenblik waarop zij haar betalingen heeft gestaakt.
  Het eerste lid is niet van toepassing wanneer [1 de insolventierechtbank]1 erkent dat geen enkele door deze personen begane kennelijk grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen.
  
Art.73. En cas de faillite d'un [2 établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°]2, sont nuls et sans effet relativement à la masse, les paiements effectués par cet établissement, soit en espèces, soit autrement, à ses membres de l'organe légal d'administration, à titre de tantièmes ou autres participations aux bénéfices, au cours des deux années qui précèdent l'époque déterminée par [1 le tribunal de l'insolvabilité]1 comme étant celle de la cessation de ses paiements.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas si [1 le tribunal de l'insolvabilité]1 reconnaît qu'aucune faute grave et caractérisée de ces personnes n'a contribué à la faillite.
  
Onderafdeling II. - Gebruik van gelden en waarden
Sous-section II. - De l'usage des fonds et valeurs
Art.74. Kredietinstellingen mogen de gelden en waarden waarover zij beschikken, niet aanwenden om de publieke opinie rechtstreeks of onrechtstreeks ten eigen bate te beïnvloeden.
  Dit verbod geldt niet voor openlijk gevoerde handelsreclame.
Art.74. Il est interdit aux établissements de crédit de se servir des fonds et valeurs dont ils disposent pour exercer, directement ou indirectement, une influence intéressée sur l'opinion publique.
  Cette interdiction ne s'applique pas à une publicité commerciale faite ouvertement.
Afdeling VI/1. [1 - Verrichtingen van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard en aanhouden van tegoeden van cliënten.]1
Section VI/1. [1 - Des opérations des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, sujettes à limitations ou à interdiction et des paiements sujets à nullité et de la détention des avoirs des clients.]1
Art. 74/1. [1 § 1. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, mogen van hun cliënten geen gelddeposito's ontvangen, met uitzondering van zichtdeposito's en vernieuwbare termijndeposito's op ten hoogste drie maanden, die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen. De duur van vernieuwde termijndeposito's mag niet langer zijn dan één jaar, tenzij voor de betrokken deposito's een langere duur noodzakelijk is in het kader van een met de cliënt gesloten overeenkomst voor vermogensbeheer.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde deposito's dienen te worden geplaatst bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van:
   1° centrale bank;
   2° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die onder een andere lidstaat ressorteert;
   3° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, die onder een derde land ressorteert;
   4° erkend geldmarktfonds.
   De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor onmiddellijk opeisbare geldmiddelen, noch voor binnen een maximumtermijn van drie werkdagen opeisbare geldmiddelen of voor geldmiddelen die ter dekking van verplichtingen van cliënten zijn verstrekt.
   De in het eerste lid bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die op een gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.
   § 3. [2 In geval van een tegen een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geopende liquidatieprocedure of van de vereffening van die kredietinstelling in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden de geldmiddelen die met toepassing van paragraaf 2 zijn geplaatst op een gezamenlijke cliëntenrekening of op een geïndividualiseerde rekening die de identificatie van individuele cliënten toelaat, met uitzondering van de geldmiddelen die door hun titularis konden worden teruggevorderd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen bedoeld in paragraaf 1, met uitsluiting van de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde geldmiddelen.
   In afwijking van de artikelen XX.155, § 1, XX.156, eerste en tweede lid en XX.165 van het Wetboek van Economisch Recht, vereist de invordering van de geldmiddelen in toepassing van het eerste lid geen individuele aangifte van schuldvordering van de cliënten die hiervan de titularissen zijn. De liquidateur of de vereffenaar informeert de betrokken cliënten schriftelijk van het bedrag van de geldmiddelen waarop zij recht hebben, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de aan de toewijzing van het voorwerp van het bijzonder voorrecht verbonden kosten, en nodigt hen uit om hem, door middel van een vooraf opgesteld formulier dat een bijlage vormt aan zijn schrijven of toegankelijk is via een door de liquidateur of de vereffenaar ter beschikking gesteld elektronisch platform voor het delen van informatie, in kennis te stellen van de noodzakelijke informatie die hem zal toelaten over te gaan tot de terugbetaling van dit bedrag in het kader van het proces van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het boek XX van het Wetboek van Economisch Recht of, in voorkomend geval, de afwikkeling van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bij gebreke aan mededeling aan de liquidateur of de vereffenaar van het voormelde formulier of van een equivalent verzoek volgens de door de liquidateur of de vereffenaar voorziene modaliteiten binnen een termijn van zes maanden vanaf zijn schrijven aan de betrokken cliënten, verliezen deze het voordeel van het in het eerste lid bedoelde voorrecht alsook het recht om opname te vorderen van hun schuldvordering.]2

   § 4. De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de voorwaarden en modaliteiten vaststellen waaraan de door cliënten bij kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geplaatste deposito's moeten voldoen, evenals de voorwaarden en modaliteiten voor de beleggingen die kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, met deze geldmiddelen mogen verrichten, met name de risicoconcentratielimieten met betrekking tot de belegging van deze geldmiddelen. Deze voorwaarden en modaliteiten hebben tevens betrekking op de regels inzake de organisatie, de bescherming van en de informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze geldmiddelen door de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, en hun belegging bij derden betreft.
   Om de tegoeden van de cliënten te vrijwaren, kan de Koning, na advies van de Bank en de FSMA, in uitzonderlijke omstandigheden organisatorische vereisten opleggen in aanvulling op de vereisten van de artikelen 65 en 65/1 en van dit artikel. Deze vereisten moeten objectief gerechtvaardigd en evenredig zijn teneinde specifieke risico's voor de bescherming van de belegger of voor de integriteit van de markt die van bijzonder belang zijn in de omstandigheden die eigen zijn aan de Belgische marktstructuur, te ondervangen. Indien van deze machtiging gebruik wordt gemaakt, wordt de Europese Commissie daarvan in kennis gesteld overeenkomstig artikel 16, lid 11, van Richtlijn 2014/65/EU.]1

  
Art. 74/1. [1 § 1er. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent recevoir de dépôts de fonds, à l'exception des dépôts à vue et des dépôts à terme renouvelables à trois mois maximum de leurs clients, en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers, en attente d'investissement en dépôts structurés ou en attente de restitution. La durée des dépôts à terme renouvelés ne peut excéder un an, sauf si une durée plus longue s'avère nécessaire pour ces dépôts dans le cadre d'un contrat de gestion de fortune conclu avec le client.
   § 2. Les dépôts visés au paragraphe 1er, doivent être déposés auprès d'une ou plusieurs entités ayant la qualité :
   1° de banque centrale ;
   2° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° relevant du droit d'un Etat membre ;
   3° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, relevant du droit d'un pays tiers ;
   4° de fonds du marché monétaire qualifié.
   L'obligation de placement visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux espèces immédiatement exigibles ou exigibles dans un délai maximum de trois jours ouvrables ainsi qu'aux espèces données en couverture d'engagements de clients.
   Les entités visées à l'alinéa 1er ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte clients global ou individualisé, faire valoir de droit résultant de créances propres sur l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°.
   § 3. [2 En cas de procédure de liquidation ouverte à l'encontre de l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ou de sa liquidation au sens du Code des sociétés et des associations, les fonds déposés, en application du paragraphe 2, sur un compte clients global ou sur un compte individualisé permettant l'identification de clients individuels, sont, à l'exception des fonds ayant pu être recouvrés par leurs titulaires, affectés par privilège spécial au remboursement des fonds visés au paragraphe 1er autres que ceux visés au paragraphe 2, alinéa 2.
   Par dérogation aux articles XX.155, § 1er, XX.156, alinéas 1er et 2 et XX.165 du Code de droit économique, le recouvrement des fonds en application de l'alinéa 1er ne requiert pas de déclaration de créance individuelle des clients qui en sont les titulaires. Le liquidateur informe les clients concernés par écrit du montant des fonds auquel ils ont droit, le cas échéant, déduit du montant des frais relatifs à l'affectation de l'assiette du privilège spécial, et les invite à lui communiquer, par le biais d'un formulaire préétabli joint à son courrier ou accessible via une plateforme électronique de partage d'informations mise à disposition par le liquidateur, les informations nécessaires lui permettant de procéder au remboursement de ce montant dans le cadre du processus de liquidation conformément aux dispositions applicables du livre XX du Code de droit économique ou, le cas échéant, du déroulement de la liquidation conformément aux dispositions applicables du livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations. A défaut de communication au liquidateur du formulaire précité ou d'une demande équivalente selon les modalités prévues par le liquidateur dans un délai de six mois à dater de son courrier aux clients concernés, ceux-ci perdent le bénéfice du privilège prévu à l'alinéa 1er et leur droit d'agir en admission de leur créance.]2

   § 4. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions et modalités auxquelles doivent répondre les dépôts de fonds effectués par des clients auprès des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, et les conditions et modalités des placements que peuvent effectuer les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, concernant ces fonds, notamment les limites en matière de concentration des risques relatives au placement de ces fonds. Ces conditions et modalités couvrent également les règles d'organisation et les règles de protection et d'information des clients afférentes à la réception de ces fonds par les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, et à leur placement auprès de tiers.
   Dans des circonstances exceptionnelles, le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, imposer des exigences organisationnelles supplémentaires à celles prévues aux articles 65 et 65/1 et au présent article, en vue d'assurer la sauvegarde des avoirs des clients. Ces exigences doivent être objectivement justifiées et proportionnées afin de répondre à des risques spécifiques pesant sur la protection des investisseurs ou l'intégrité du marché qui revêtent une importance particulière étant donné la structure de marché belge. L'usage de cette habilitation fait l'objet des notifications à la Commission européenne prévues par l'article 16, paragraphe 11, de la Directive 2014/65/UE.]1

  
Art. 74/2. [1 Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks leningen of kredieten verstrekken, met uitzondering van:
   1° leningen en kredieten in de zin van artikel 2, 2°, 2 van de wet van 25 oktober 2016;
   2° voorschotten aan ondernemingen waarin de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, een deelneming bezit, als wederbelegging van haar eigen vermogen;
   3° het lenen van financiële instrumenten;
   4° leningen aan de effectenbeursvennootschappen en de vennootschappen die de gereglementeerde markten besturen, op voorwaarde dat ze er vennoot of lid van zijn.]1

  
Art. 74/2. [1 Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent consentir, directement ou indirectement, des prêts ou des crédits, à l'exception des seuls prêts et crédits suivants :
   1° les prêts et crédits au sens de l'article 2, 2°, 2, de la loi du 25 octobre 2016 ;
   2° les avances consenties, en remploi de ses fonds propres, aux entreprises dans lesquelles l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, détient une participation ;
   3° les prêts d'instruments financiers ;
   4° les prêts consentis aux sociétés des bourses de valeurs mobilières et aux sociétés chargées de l'administration des marchés réglementés, à condition qu'elles en soient associées ou membres.]1

  
Art. 74/3. [1 De artikelen 72, 72/1 en 73 zijn van toepassing op kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°.]1
  
Art. 74/3. [1 Les articles 72, 72/1 et 73 sont applicables aux établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°.]1
  
Afdeling VII. - Mededeling van informatie over de situatie van de kredietinstelling
Section VII. - De la communication d'informations sur la situation de l'établissement de crédit
Art.75. § 1. Onverminderd de verplichtingen die in voorkomend geval gelden voor genoteerde vennootschappen, [1 kan de toezichthouder bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 bepalen]1 welke minimuminformatie de kredietinstellingen publiek moeten maken over hun solvabiliteit, liquiditeit, risicoconcentratie en andere risicoposities, over hun beleid inzake [1 eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften]1, onder verwijzing naar de vereisten bedoeld in artikel 94 tot 98 en 149 tot 152. Hij bepaalt tevens de minimale frequentie en de wijze van bekendmaking van die informatie.
  De kredietinstellingen publiceren op hun website de relevante informatie van het governancememorandum als bedoeld in artikel 21, § 3 en artikel 56, § 6. Deze informatie omvat minstens de aandeelhoudersstructuur en de structuur van het toezicht op de instelling of de structuur van de groep waartoe zij behoort, de beleidsorganen, de organisatiestructuur, met inbegrip van de onafhankelijke operationele controlefuncties, evenals de doelstellingen en de bedrijfswaarden van de instelling, de krachtlijnen van haar beleid inzake risicobeheer, voorkoming van belangenconflicten, integriteit en continuïteit van de werkzaamheden, evenals de informatie over haar beloningsbeleid en -praktijken, overeenkomstig Verordening nr. 575/2013.
  Bovendien vermelden de kredietinstellingen in hun jaarverslag het rendement van hun activa, dat zij berekenen door hun nettowinst te delen door hun balanstotaal.
  § 2. De kredietinstellingen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures om te voldoen aan de informatieverplichtingen bedoeld in paragraaf 1. Zij evalueren het passend karakter van hun publiciteitsmaatregelen, daarin begrepen de controle van de gepubliceerde gegevens alsook de frequentie van de informatieverschaffing.
  § 3. De kredietinstellingen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures teneinde te evalueren of de informatie die zij publiceren over hun organisatie, hun financiële positie en hun risicostaat aan de marktdeelnemers een volledig inzicht in hun risicoprofiel verschaft.
  § 4. In bijzondere gevallen kan de toezichthouder binnen de perken van de Europese wetgeving afwijkingen toestaan van de bepalingen die door of krachtens dit artikel zijn vastgelegd.
  
Art.75. § 1er. Sans préjudice des obligations, le cas échéant, applicables aux sociétés cotées, l'autorité de contrôle [1 peut déterminer, par]1 voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les informations minimales que les établissements de crédit doivent publier en matière de solvabilité, de liquidité, de concentration de risques et d'autres positions de risques, sur leur politique de besoins en fonds propres [1 et de liquidité]1 par référence aux exigences visées à l'article 94 à 98 et 149 à 152. Elle définit également la fréquence minimale et les modalités de publication de ces informations.
  Les établissements de crédit publient sur leur site internet les informations pertinentes du memorandum de gouvernance visé aux articles 21, § 3 et 56, § 6. Ces informations couvrent, au minimum, la structure de l'actionnariat et de contrôle de l'établissement ou la structure du groupe dont il fait partie, les organes de gestion, la structure organisationnelle, y compris les fonctions de contrôle opérationnelles indépendantes, ainsi que les finalités et les valeurs d'entreprise de l'établissement, les lignes de force de ses politiques en matière de gestion des risque, de prévention des conflits d'intérêts, d'intégrité et de continuité des activités et les informations relatives à ses politique et pratiques de rémunération, conformément au Règlement n° 575/2013.
  Les établissements de crédit indiquent, en outre, dans leur rapport annuel le rendement de leurs actifs, calculé en divisant leur bénéfice net par le total de leur bilan.
  § 2. Les établissements de crédit prévoient les règles et procédures nécessaires pour se conformer aux exigences de publication prévues au paragraphe 1er. Ils évaluent l'adéquation de leurs mesures de publication, en ce compris le contrôle des données publiées et la fréquence de publication.
  § 3. Les établissements de crédit prévoient les règles et procédures nécessaires afin d'évaluer si les informations qu'ils publient sur leur organisation, leur situation financière et l'état de leurs risques fournissent aux acteurs du marché des informations complètes sur leur profil de risque.
  § 4. L'autorité de contrôle peut, dans des cas spéciaux, autoriser, dans les limites de la législation européenne, des dérogations aux dispositions prévues par ou en vertu du présent article.
  
Afdeling VIII. [1 - Transparantie met betrekking tot het betrokkenheidsbeleid]1
Section VIII. [1 - De la transparence en matière de politique d'engagement]1
Art. 75/1. [1 § 1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
   1° "institutionele beleggers": verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die respectievelijk werkzaamheden verrichten op het gebied van levensverzekering of levensverzekeringsverplichtingen dekken in de zin van artikel 15, 17°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, of instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
   2° "betrokkenheidsactiviteiten": activiteiten die met name diensten omvatten die verband houden met beleggingen in aandelen van op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschappen en/of de uitoefening van rechten die uit het bezit van dergelijke aandelen voortvloeien.
   § 2. Kredietinstellingen die voor rekening van institutionele beleggers in op een gereglementeerde markt genoteerde aandelen beleggen, voldoen aan de vereisten van paragraaf 3 of maken bekend waarom zij hebben besloten een of meer van die vereisten niet ten uitvoer te leggen.
   § 3. De in paragraaf 2 bedoelde kredietinstellingen ontwikkelen een betrokkenheidsbeleid dat zij op hun website gratis openbaar maken en waarin zij het volgende beschrijven:
   - hoe zij het betrokkenheidsbeleid van de institutionele beleggers voor rekening van wie zij beleggen, in hun beleggingsstrategie integreren en hoe zij feitelijke en potentiële belangenconflicten beheersen, met name in verband met het betrokkenheidsbeleid van deze laatsten en in situaties waarin zij zelf belangrijke zakenrelaties hebben met de vennootschappen waarin is belegd; en/of
   - hoe zij toezicht uitoefenen op de vennootschappen waarin is belegd, met name ten aanzien van de strategie, de financiële en niet-financiële prestaties en risico's, de kapitaalstructuur, maatschappelijke en ecologische effecten en corporate governance, interageren met de vennootschappen waarin is belegd, stemrechten en andere aan aandelen verbonden rechten uitoefenen, samenwerken met andere aandeelhouders, communiceren met relevante belanghebbenden van de vennootschappen waarin is belegd, en feitelijke en potentiële belangenconflicten in verband met hun betrokkenheid beheersen.
   Kredietinstellingen maken jaarlijks openbaar hoe hun betrokkenheidsbeleid is uitgevoerd, met onder meer een algemene beschrijving van hun stemgedrag, een toelichting bij de belangrijkste stemmingen en het gebruik van de diensten van volmachtadviseurs. In voorkomend geval maken zij openbaar hoe zij hebben gestemd op de algemene vergaderingen van vennootschappen waarvan zij aandelen bezitten. Stemmingen die wegens het onderwerp van de stemming of [2 het niveau van de deelneming]2 in de vennootschappen waarin is belegd onbetekenend zijn, mogen uit deze openbaarmaking worden weggelaten.
   § 4. De bepalingen van artikel 27, § 4, van de wet van 2 augustus 2002, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en de overeenkomstige gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig richtlijn 2014/65/EU, zijn eveneens van toepassing op betrokkenheidsactiviteiten die hetzij namens cliënten die institutionele beleggers zijn, hetzij in eigen naam voor rekening van dergelijke cliënten worden verricht door de kredietinstellingen.]1

  
Art. 75/1. [1 § 1er. Aux fins de la présente section, on entend par:
   1° "investisseurs institutionnels": les entreprises d'assurance ou de réassurance qui, respectivement, exercent des activités d'assurance-vie ou couvrent des obligations d'assurance-vie au sens de l'article 15, 17°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ou les institutions de retraite professionnelle visées à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;
   2° "activités d'engagement": des activités comprenant, notamment, des services en lien avec les investissements dans des actions de sociétés cotées sur un marché réglementé et/ou l'exercice de droits découlant de la détention de ces actions.
   § 2. Les établissements de crédit qui investissent dans des actions cotées sur un marché réglementé pour le compte d'investisseurs institutionnels respectent les exigences énoncées au paragraphe 3 ou publient les raisons pour lesquelles ils ont décidé de ne pas mettre en oeuvre une ou plusieurs de ces exigences.
   § 3. Les établissements de crédit visés au paragraphe 2 élaborent et publient sur leur site internet une politique d'engagement, accessible gratuitement, dans laquelle ils décrivent:
   - la manière dont ils intègrent, dans leur stratégie d'investissement, les politiques d'engagement des investisseurs institutionnels pour le compte desquels ils investissent et la manière dont ils gèrent leurs conflits d'intérêts réels ou potentiels, notamment, par rapport aux politiques d'engagement de ceux-ci et dans les cas où ils ont, eux-mêmes, d'importantes relations commerciales avec les sociétés détenues; et/ou
   - la manière dont ils assurent le suivi des sociétés détenues notamment en ce qui concerne la stratégie, les performances financières et non financières ainsi que le risque, la structure du capital, l'impact social et environnemental et la gouvernance d'entreprise, interagissent avec les sociétés détenues, exercent les droits de vote et d'autres droits attachés aux actions, coopèrent avec les autres actionnaires, communiquent avec les acteurs pertinents des sociétés détenues et gèrent les conflits d'intérêts réels ou potentiels par rapport à leur engagement.
   Chaque année, les établissements de crédit publient la manière dont leur politique d'engagement a été mise en oeuvre, y compris une description générale de leur comportement de vote, une explication des votes les plus importants et le recours à des services de conseillers en vote. Ils publient, le cas échéant, la manière dont ils ont exprimé leurs votes lors des assemblées générales des sociétés dont ils détiennent des actions. Cette communication peut exclure les votes qui sont insignifiants en raison de l'objet du vote ou [2 du niveau]2 de la participation dans les sociétés détenues.
   § 4. Les dispositions de l'article 27, § 4, de la loi du 2 août 2002, des arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi que des actes délégués correspondants adoptés en vertu de la directive 2014/65/UE, sont également d'application en ce qui concerne les activités d'engagement prestées par les établissements de crédit au nom de leurs clients, investisseurs institutionnels, ou en leur propre nom mais pour le compte de ces clients.]1

  
Art. 75/2. [1 § 1. De in artikel 75/1, § 2, bedoelde kredietinstellingen maken aan de institutionele beleggers waarmee zij regelingen zijn aangegaan als bedoeld in artikel 101/2, § 2, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of in artikel 95, § 3, tweede lid, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, jaarlijks bekend hoe hun beleggingsstrategie en de uitvoering daarvan in overeenstemming zijn met deze regelingen en bijdragen aan de middellange- tot langetermijnprestaties van de activa van de betrokken institutionele beleggers. Die bekendmaking omvat ook [2 rapportering]2 over de voornaamste materiële middellange- tot langetermijnrisico's die aan de beleggingen zijn verbonden, de samenstelling, de omloopsnelheid en de aan de omloopsnelheid van de portefeuille verbonden kosten, het gebruik van volmachtadviseurs voor de uitoefening, in voorkomend geval, van de betrokkenheidsactiviteiten en hun beleid inzake effectenleningen en hoe dat in voorkomend geval wordt toegepast ten behoeve van de betrokkenheidsactiviteiten, met name tijdens de algemene vergadering van de vennootschappen waarin is belegd. Ten slotte bevat die bekendmaking ook informatie over of en zo ja, hoe kredietinstellingen beleggingsbeslissingen nemen op basis van een beoordeling van de middellange- tot langetermijnprestaties, waaronder de niet-financiële prestaties, van de vennootschap waarin is belegd, en over of en zo ja, welke belangenconflicten er in verband met betrokkenheidsactiviteiten zijn ontstaan en hoe daarmee is omgegaan.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt samen met de periodieke mededelingen als bedoeld in artikel 27ter, § 7, van de wet van 2 augustus 2002 openbaar gemaakt.
   Indien de ingevolge paragraaf 1 bekendgemaakte informatie reeds voor het publiek beschikbaar is, hoeft de kredietinstelling die informatie niet rechtstreeks aan de institutionele belegger te verstrekken.]1

  
Art. 75/2. [1 § 1er. Les établissements de crédit visés à l'article 75/1, § 2, communiquent, une fois par an, aux investisseurs institutionnels avec lesquels ils ont conclu les accords visés à l'article 101/2, § 2, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ou à l'article 95, § 3, alinéa 2, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, la manière dont leur stratégie d'investissement et sa mise en oeuvre respectent ces accords et contribuent aux performances à moyen et long terme des actifs des investisseurs institutionnels concernés. Cette communication comprend également des informations sur les principaux risques importants à moyen et long terme liés aux investissements, sur la composition, la rotation et les coûts de rotation du portefeuille, sur le recours à des conseillers en vote aux fins de l'exercice, le cas échéant, des activités d'engagement et leur politique en matière de prêts de titres et la manière dont celle-ci est appliquée pour l'exercice des activités d'engagement le cas échéant, en particulier lors de l'assemblée générale des sociétés détenues. Cette communication comprend enfin également des informations indiquant si, et dans l'affirmative, comment les établissements de crédit prennent des décisions d'investissement fondées sur une évaluation des performances à moyen et à long terme de la société détenue, y compris les performances non financières, et si des conflits d'intérêts sont apparus en lien avec les activités d'engagement et, dans l'affirmative, lesquels et comment ils ont été traités.
   § 2. Les informations visées au paragraphe 1er sont communiquées en même temps que les communications périodiques visées à l'article 27ter, § 7, de la loi du 2 août 2002.
   Lorsque les informations communiquées en vertu du paragraphe 1er sont déjà à la disposition du public, l'établissement de crédit n'est pas tenu de fournir ces informations directement à l'investisseur institutionnel.]1

  
HOOFDSTUK IV. - Bijzondere verrichtingen
CHAPITRE IV. - Des opérations particulières
Afdeling I. - Wijzigingen in het programma van werkzaamheden
Section Ire. - Des modifications du programme d'activités
Art.76. Elke wijziging in de werkzaamheden van de instelling moet voorafgaandelijk, vóór de tenuitvoerlegging ervan, worden meegedeeld aan de toezichthouder.
  [1 Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden te beperken tot de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing.
   Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2 °, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden uit te breiden om de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, te kunnen uitoefenen, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing.]1

  
Art.76. Toute modification des activités exercées par l'établissement doit être préalablement communiquée à l'autorité de contrôle avant sa mise en oeuvre.
  [1 Sans préjudice de l'alinéa 1er, lorsque les modifications des activités visent à réduire les activités d'un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, à celles visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, l'établissement de crédit introduit une demande de modification de son agrément conformément à l'article 8. Les articles 10 à 14 sont applicables.
   Sans préjudice de l'alinéa 1er, lorsque les modifications des activités visent à étendre les activités d'un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, en vue d'exercer les activités visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, l'établissement de crédit introduit une demande de modification de son agrément conformément à l'article 8. Les articles 10 à 14 sont applicables.]1

  
Afdeling II. - Strategische beslissingen, beleggingsbeslissingen en fusies van en overdrachten tussen kredietinstellingen
Section II. - Des décisions stratégiques, des décisions d'investissement et des fusions et cessions entre établissements de crédit
Art.77. Voor de volgende beslissingen is de voorafgaande toestemming van de toezichthouder vereist :
  1° strategische beslissingen [2 ...]2;
  2° beslissingen om kapitaalvertegenwoordigende [1 of stemrechtverlenende]1 effecten te verwerven van een onderneming waarvan de werkzaamheden niet zijn opgenomen in artikel 4, voor een bedrag van minstens 250 000 000 euro of een bedrag van 5 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling;
  3° fusies van kredietinstellingen of van dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, evenals splitsingen van kredietinstellingen;
  4° wanneer tussen kredietinstellingen of tussen dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, het bedrijf of het net integraal of gedeeltelijk wordt overgedragen.
  De toezichthouder moet beslissen binnen twee maanden na ontvangst van een volledig dossier van het project. Hij mag zijn toestemming enkel weigeren om redenen die verband houden met het vermogen van de instelling om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgelegd of die verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als hij niet binnen de voornoemde termijn optreedt, dan wordt de toestemming geacht te zijn verkregen.
  
Art.77. Sont soumises à l'autorisation préalable de l'autorité de contrôle :
  1° les décisions stratégiques [2 ...]2;
  2° les décisions d'acquérir des titres représentatifs du capital [1 ou du droit de vote]1 d'une entreprise dont l'activité n'est pas visée à l'article 4 pour un montant d'au moins 250 000 000 euros ou un montant qui atteint 5 % des fonds propres de l'établissement de crédit;
  3° les fusions entre établissements de crédit ou entre de tels établissements et d'autres institutions financières ainsi que les scissions d'établissements de crédit;
  4° la cession entre établissements de crédit ou entre de tels établissements et d'autres institutions financières de l'ensemble ou d'une partie de leur activité ou de leur réseau.
  L'autorité de contrôle doit se prononcer dans les deux mois de la réception d'un dossier complet du projet. Elle ne peut refuser son autorisation que pour des motifs tenant à la capacité de l'établissement à satisfaire aux dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi ou tenant à la gestion saine et prudente de l'établissement ou si la décision est susceptible d'affecter de façon significative la stabilité du système financier. Si elle n'intervient pas dans le délai fixé ci-dessus, l'autorisation est réputée acquise.
  
Art.78. Iedere gehele of gedeeltelijke overdracht tussen kredietinstellingen of tussen dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, van rechten en verplichtingen die voortkomen uit verrichtingen van de betrokken instellingen of ondernemingen, waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 77, [3 is tegenstelbaar aan derden, met inbegrip van iedere derde die een recht van voorkoop heeft of de begunstigde is van een goedkeuringsclausule ten aanzien van een actief dat het voorwerp uitmaakt van een dergelijke overdracht, ongeacht of dit recht of deze clausule is vastgelegd in een overeenkomst, in statuten of in de wet,]3 [1 zodra die toestemming is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad]1.
  Het is niet mogelijk om de overdrachten [1 waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig]1 artikel 77, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren [3 , met name]3 krachtens artikel [4 5.243]4 van het Burgerlijk Wetboek of [2 de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht]2.
  [3 Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mogen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de kredietinstelling en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de kredietinstelling opeisbaar maken.]3
  
Art.78. Toute cession totale ou partielle entre établissements de crédit ou entre de tels établissements et d'autres institutions financières des droits et obligations résultant des opérations des établissements ou entreprises concernés et autorisée conformément à l'article 77 est opposable aux tiers [3 , en ce compris tout tiers titulaire d'un droit de préemption ou bénéficiaire d'une clause d'agrément à l'égard d'un actif faisant l'objet d'une telle cession et ce, que ce droit ou cette clause trouve sa source dans un contrat, dans des statuts ou dans la loi]3 dès [1 la publication au Moniteur belge de cette autorisation]1.
  Les cessions autorisées [1 conformément à]1 l'article 77 ne peuvent faire l'objet d'une nullité ou inopposabilité [3 , notamment]3 en vertu de l'article [4 5.243]4 du Code civil ou [2 des articles XX.111, XX.112 ou XX.114 du Code de droit économique]2.
  [3 Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les cessions totales ou partielles visées à l'alinéa 1er ne peuvent avoir pour effet de justifier une modification des termes d'une convention conclue entre l'établissement de crédit et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement ou encore de rendre exigible une dette de l'établissement de crédit.]3
  
Afdeling III. - Bepalingen over de uitgifte van Belgische covered bonds
Section III. - Dispositions relatives à l'émission de covered bonds belges
Art.79. [2 Belgische covered bonds mogen enkel worden uitgegeven door kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, en mits de toezichthouder hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven.]2
  [1 Deze voorafgaande toestemmingen hebben enerzijds betrekking op]1 de organisatorische capaciteit van de instelling om Belgische covered bonds uit te geven en op te volgen, en anderzijds op de mate waarin voor een bepaalde uitgifte of een bepaald uitgifteprogramma wordt voldaan aan de door of op grond van deze Afdeling en Bijlage III vastgestelde bepalingen.
  
Art.79. [2 Une émission de covered bonds belges ne peut être effectuée que par un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, et requiert l'autorisation préalable de l'autorité de contrôle.]2
  [1 Ces autorisations préalables portent]1 d'une part, sur la capacité organisationnelle de l'établissement à émettre des covered bonds belges et à en assurer le suivi, et d'autre part, sur le respect pour une émission ou programme d'émissions donné, des dispositions prévues par ou en vertu de la présente Section et de l'Annexe III.
  
Art.80. § 1. Om van de toezichthouder de toestemming te verkrijgen met betrekking tot haar organisatorische capaciteit om Belgische covered bonds uit te geven en op te volgen, moet de kredietinstelling die van plan is Belgische covered bonds uit te geven, voorafgaandelijk een dossier voorleggen aan de toezichthouder met [1 haar programma van werkzaamheden waarin de uitgifte van Belgische covered bonds wordt beschreven, en]1 informatie over de wijze waarop zij de voorgenomen verrichtingen zal omkaderen. Deze informatie heeft minstens betrekking op :
  1° een beschrijving van de financiële positie van de instelling en met name van haar kredietvooruitzichten, waaruit blijkt dat zij voldoende solvabel is om de belangen van andere schuldeisers dan houders van Belgische covered bonds te vrijwaren;
  2° een beschrijving van de langetermijnstrategie van de instelling, met bijzondere aandacht voor de liquiditeit van de instelling en voor de plaats die de Belgische covered bonds in die strategie innemen;
  3° een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden binnen de instelling met betrekking tot de uitgifte van Belgische covered bonds;
  4° een beschrijving van het risicobeheerbeleid dat de instelling met betrekking tot de Belgische covered bonds voert, met bijzondere aandacht voor het renterisico, het wisselkoersrisico, het krediet- en wederpartijrisico, het liquiditeitsrisico en het operationeel risico;
  5° een beschrijving van de betrokkenheid van de interne audit bij de procedure voor de uitgifte van Belgische covered bonds, met inbegrip van de frequentie van de controle en de toepasselijke controleprocedures;
  6° een beschrijving van de besluitvormings- en rapporteringsprocedures met betrekking tot de uitgifte van Belgische covered bonds;
  7° een beschrijving van de informaticasystemen die nodig zijn voor de uitgifte van Belgische covered bonds.
  [1 ...]1
  § 2. [1 De in paragraaf 1 bedoelde algemene toestemming met betrekking tot de capaciteit om Belgische covered bonds uit te geven wordt enkel verleend als de toezichthouder van oordeel is dat:
   1° de instelling over een administratieve en boekhoudkundige organisatie beschikt die haar in staat stelt te voldoen aan de door of op grond van deze Afdeling en Bijlage III vastgestelde bepalingen, en inzonderheid te voldoen aan het in artikel 6 van Bijlage III bedoelde vereiste om de dekkingsactiva af te zonderen;
   2° de financiële positie van de instelling, inzonderheid haar solvabiliteit, voldoende is om de belangen van andere schuldeisers dan de houders van Belgische covered bonds te vrijwaren; en
   3° de persoon die binnen de effectieve leiding van de instelling verantwoordelijk is voor de uitgifte en het beheer van de Belgische covered bonds over de vereiste deskundigheid beschikt en voldoende beschikbaar is om deze verantwoordelijkheid uit te oefenen en de instelling de nodige middelen toewijst om het goede verloop van de uitgifte en het beheer van deze covered bonds te verzekeren.
   Vooraleer hij zijn toestemming verleent als bedoeld in paragraaf 1, vraagt de toezichthouder van de erkend commissaris een verslag over de organisatorische capaciteit van de instelling met betrekking tot haar verplichtingen die voortvloeien uit deze Afdeling en uit Bijlage III van deze wet.]1

  § 3. [1 De toezichthouder spreekt zich uit over een aanvraag binnen 4 maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag.
   De beslissing van de toezichthouder wordt binnen tien dagen met een aangetekende brief ter kennis gebracht van de kredietinstelling.]1

  
Art.80. § 1er. En vue d'obtenir l'autorisation de l'autorité de contrôle sur la capacité organisationnelle à émettre des covered bonds belges et à en assurer le suivi, l'établissement de crédit qui entend émettre des covered bonds belges doit au préalable soumettre à l'autorité de contrôle un dossier contenant [1 son programme d'activité en matière d'émission de covered bonds belges et]1 les informations relatives à la manière dont il va encadrer les opérations projetées. Ces informations portent au moins sur les aspects suivants :
  1° une description de la situation financière de l'établissement et notamment de ses perspectives de crédit, démontrant que sa solvabilité permet de sauvegarder les intérêts des créanciers autres que les titulaires de covered bonds belges;
  2° une description de la stratégie à long terme de l'établissement, avec une attention particulière concernant la liquidité et la place des covered bonds belges dans cette stratégie;
  3° une description des tâches et des responsabilités au sein de l'établissement en relation avec l'émission de covered bonds belges;
  4° une description de la politique de gestion des risques de l'établissement en ce qui concerne les covered bonds belges, en particulier le risque de taux d'intérêt, le risque de change, le risque de crédit et de contrepartie, le risque de liquidité et le risque opérationnel;
  5° une description de l'implication de l'audit interne dans le processus d'émission de covered bonds belges, en ce compris la fréquence et les procédures de contrôle applicables;
  6° une description des processus de décisions et de reporting relatifs à l'émission de covered bonds belges;
  7° une description des systèmes informatiques nécessaires à l'émission de covered bonds belges.
  [1 ...]1
  § 2. [1 L'autorisation générale visée au paragraphe 1er concernant la capacité à émettre des covered bonds belges n'est donnée que si l'autorité de contrôle considère que :
   1° l'établissement présente l'organisation administrative et comptable permettant de respecter les dispositions prévues par ou en vertu de la présente Section et de l'Annexe III et, en particulier, de respecter l'exigence de ségrégation des actifs de couverture prévue par l'article 6 de l'Annexe III ;
   2° la situation financière de l'établissement, notamment sa solvabilité, permet de sauvegarder les intérêts des créanciers autres que les titulaires de covered bonds belges; et
   3° la personne responsable de l'émission et de la gestion des covered bonds belges, au sein de la direction effective de l'établissement, dispose de l'expertise requise et de la disponibilité suffisante aux fins de l'exercice de cette responsabilité et que l'établissement alloue les ressources nécessaires afin de pourvoir au bon exercice de l'émission et de la gestion desdits covered bonds.
   Avant de donner son autorisation visée au paragraphe 1er, l'autorité de contrôle demande au commissaire agréé un rapport sur la qualité organisationnelle de l'établissement au regard de ses obligations découlant de la présente Section et de l'Annexe III à la présente loi.]1

  § 3. [1 L'autorité de contrôle statue sur la demande dans les 4 mois de l'introduction d'un dossier complet et, au plus tard, dans les 6 mois de la réception de la demande.
   La décision de l'autorité de contrôle est notifiée à l'établissement de crédit dans les dix jours par lettre recommandée.]1

  
Art.81. [1 § 1. Om de toestemming te verkrijgen van de Bank voor een bepaalde uitgifte of een bepaald uitgifteprogramma, moet de instelling die van plan is Belgische covered bonds uit te geven, voorafgaandelijk een dossier voorleggen aan de Bank met informatie over de voorgenomen verrichting. De Bank bepaalt welke informatie verstrekt moet worden bij de indiening van de aanvraag. Deze informatie heeft minstens betrekking op:
   1° de impact van de uitgifte of van het programma op de liquiditeitspositie van de instelling;
   2° de kwaliteit van de dekkingsactiva, in het bijzonder met betrekking tot de aard van de schuldenaars van deze activa en van de zakelijke of persoonlijke zekerheden, waarborgen of voorrechten waardoor deze activa gedekt zijn, de beleidslijnen, processen en methodes die gevolgd worden voor de goedkeuring, wijziging, verlenging en herfinanciering van de kredieten die deel uitmaken van de dekkingsactiva, evenals de diversificatie van de dekkingsactiva en hun looptijden;
   3° de mate waarin de looptijden van de Belgische covered bonds overeenstemmen met die van de dekkingsactiva en het eventuele bestaan van een verlengbare-looptijdstructuur in de zin van artikel 1, 12°, van Bijlage III; en
   4° de identificatie van de portefeuillesurveillant die de instelling voorstelt aan te stellen met toepassing van artikel 16 van Bijlage III.
   Het in het eerste lid bedoelde dossier mag enkel worden ingediend door instellingen die de in artikel 80, § 1, bedoelde algemene toestemming hebben verkregen.
   § 2. De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld in paragraaf 1 en laat de instelling uiterlijk vijftien werkdagen na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat aanvullende informatie moet worden verstrekt.
   § 3. De specifieke toestemming om Belgische covered bonds uit te geven of om een uitgifteprogramma voor Belgische covered bonds te lanceren, wordt maar verleend als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° de instelling beschikt over de in artikel 80, § 1, bedoelde algemene toestemming;
   2° de dekkingsactiva die de instelling voornemens is ter beschikking te stellen om haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan de Belgische covered bonds te waarborgen, voldoen aan de door of krachtens deze wet vastgestelde vereisten;
   3° zij beschikt over een passende organisatie om de naleving te waarborgen van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de uitgifte van Belgische covered bonds.
   § 4. De Koning bepaalt bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad:
   1° de minimumvoorwaarden waaraan de dekkingsactiva moeten voldoen, in het bijzonder voor wat betreft:
   a) de criteria voor de beleenbaarheid van de dekkingsactiva, zoals:
   - de aard van de schuldenaar van de dekkingsactiva en de plaats waar hij zich bevindt, evenals de munteenheid waarin de dekkingsactiva zijn uitgedrukt;
   - de aard en de geografische ligging van de zekerheden ter waarborging van de dekkingsactiva, in voorkomend geval met inbegrip van het percentage van het krediet dat door een dergelijke zekerheid moet worden gedekt, de rang ervan en de voorwaarden met betrekking tot de waardering van het voorwerp ervan;
   b) de methodes en de criteria voor de waardering van de dekkingsactiva die bepalen tot beloop van welk bedrag de dekkingsactiva in aanmerking mogen worden genomen;
   2° voor elk betrokken bijzonder vermogen, de vereisten inzake de overeenstemming tussen de looptijden van de dekkingsactiva en de door de uitgevende kredietinstelling uitgegeven Belgische covered bonds;
   3° de beperkingen tot een of meer categorieën van dekkingsactiva waaraan een uitgifte van Belgische covered bonds moet voldoen en, in voorkomend geval, de na te leven verhouding tussen de verschillende categorieën van dekkingsactiva;
   4° de maatregelen die door de uitgevende kredietinstelling moeten worden genomen om het kredietrisico, liquiditeitsrisico en het wisselkoers- en renterisico die verbonden zijn aan de uitgifte van Belgische covered bonds, alsook de risico's die verbonden zijn aan de vervroegde terugbetaling van de dekkingsactiva, te identificeren en te beheren; en
   5° de criteria waarop de Bank zich kan baseren om aan elke uitgevende kredietinstelling een maximumpercentage aan Belgische covered bonds op te leggen dat zij mag uitgeven ten opzichte van haar balanstotaal.
   § 5. De Bank spreekt zich uit over een aanvraag voor de uitgifte van Belgische covered bonds binnen 3 maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen 9 maanden na ontvangst van de aanvraag.
   De beslissing van de Bank wordt binnen tien dagen met een aangetekende zending ter kennis gebracht van de instelling.]1

  
Art.81. [1 § 1er. En vue d'obtenir l'autorisation de la Banque sur une émission ou un programme d'émission donné, l'établissement qui entend émettre des covered bonds belges doit au préalable soumettre à la Banque un dossier contenant les informations relatives à l'opération projetée. La Banque détermine les informations requises dans le cadre de l'introduction de la demande. Ces informations portent au moins sur les aspects suivants :
   1° l'impact de l'émission ou du programme sur la situation de l'établissement en matière de liquidité ;
   2° la qualité des actifs de couverture, notamment en ce qui concerne la nature des débiteurs de ces actifs et des sûretés réelles ou personnelles, garanties ou privilèges dont sont assortis ces actifs, les politiques, processus et méthodes suivies en ce qui concerne l'autorisation, la modification, le renouvellement et le refinancement des crédits compris dans les actifs de couverture, ainsi que la diversification des actifs de couverture et leurs échéances ;
   3° la mesure dans laquelle les échéances des covered bonds belges correspondent à celles des actifs de couverture et l'éventuelle existence d'une structure d'échéance prorogeable au sens de l'article 1er, 12°, de l'Annexe III; et
   4° l'identification du surveillant de portefeuille que l'établissement propose de désigner en application de l'article 16 de l'Annexe III.
   L'introduction d'un dossier visé à l'alinéa 1er ne peut être effectuée que par un établissement disposant de l'autorisation générale visée à l'article 80, § 1er.
   § 2. La Banque accuse réception du dossier visé au paragraphe 1er et, au plus tard quinze jours ouvrables après la réception du dossier, indique à l'établissement si le dossier est complet en vue de son examen ou si des informations complémentaires sont requises.
   § 3. L'autorisation particulière de procéder à une émission ou un programme d'émission de covered bonds belges n'est donnée que si les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'établissement dispose de l'autorisation générale visée à l'article 80, § 1er;
   2° les actifs de couverture que l'établissement propose de fournir en vue de garantir ses obligations de paiement relatives aux covered bonds belges répondent aux exigences prévues par ou en vertu de la présente loi;
   3° il présente une organisation adéquate en vue de permettre le respect des dispositions légales et réglementaires régissant les émissions de covered bonds belges.
   § 4. Le Roi détermine par un arrêté délibéré en Conseil des ministres :
   1° les conditions minimales auxquelles doivent répondre les actifs de couverture, notamment en ce qui concerne :
   a) les critères d'éligibilité des actifs de couverture tels que :
   - la nature et la localisation géographique du débiteur des actifs de couverture, ainsi que la devise dans laquelle ils sont libellés ;
   - la nature et la localisation géographique des sûretés garantissant les actifs de couverture, y compris, le cas échéant, la quotité de crédit qui doit être couverte par une telle sûreté, son rang et les conditions d'évaluation de son assiette ;
   b) les méthodes et critères de valorisation des actifs de couverture déterminant à concurrence de quel montant ils peuvent être pris en compte ;
   2° par patrimoine spécial concerné, les exigences de correspondance des échéances des actifs de couverture et des covered bonds belges émis par l'établissement émetteur ;
   3° les limitations à une ou plusieurs catégories d'actifs de couverture auxquelles doit satisfaire une émission de covered bonds belges et, le cas échéant, la proportion à respecter entre les différentes catégories d'actifs de couverture ;
   4° les mesures nécessaires à prendre par l'établis-sement de crédit émetteur en vue d'identifier et gérer le risque de crédit, le risque de liquidité, les risques de change et de taux liés à l'émission de covered bonds belges ainsi que les risques liés aux remboursements anticipés des actifs de couverture ; et
   5° les critères sur base desquels la Banque peut imposer, par établissement de crédit émetteur, le pourcentage maximal de covered bonds belges pouvant être émis par l'établissement concerné au regard du total de son bilan.
   § 5. La Banque statue sur la demande d'émission de covered bonds belges dans les 3 mois de l'introduction d'un dossier complet et au plus tard dans les 9 mois de la réception de la demande.
   La décision de la Banque est notifiée à l'établissement dans les dix jours par envoi recommandé.]1

  
Art.82. [1 De Bank stelt een lijst op van de kredietinstellingen die met toepassing van artikel 80 de toestemming hebben verkregen om Belgische covered bonds uit te geven.
   Zij stelt ook een lijst op waarin voor elke instelling die met toepassing van artikel 80 de toestemming heeft verkregen om Belgische covered bonds uit te geven, de uitgiften van Belgische covered bonds en de uitgifteprogramma's zijn opgenomen waarvoor een bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 81 werd verleend. Deze lijst is nog verder onderverdeeld op basis van de in artikel 6 bedoelde termen.
   Deze lijsten worden op de website van de Bank gepubliceerd en geactualiseerd, en worden jaarlijks aan de EBA meegedeeld.]1

  
Art.82. [1 La Banque établit une liste des établissements de crédit autorisés, en application de l'article 80, à émettre des covered bonds belges.
   Elle établit également une liste qui précise, par établissement autorisé à émettre des covered bonds belges en application de l'article 80, les émissions de covered bonds belges et les programmes d'émission pour lesquels l'autorisation particulière visée à l'article 81 a été donnée. Cette liste est encore subdivisée selon les dénominations visées à l'article 6.
   Ces listes sont publiées et tenues à jour sur le site internet de la Banque et communiquées annuellement à l'ABE.]1

  
Art.83. [1 De lijsten bedoeld in artikel 82 en de wijzigingen die erin worden aangebracht, worden door de Bank meegedeeld]1 aan de Europese Commissie, met het oog op de toepassing van artikel 52, § 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten, zoals gewijzigd.
  
Art.83. [1 La Banque communique les listes visées à l'article 82]1, ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées, à la Commission européenne, aux fins de l'application de l'article 52, § 4, de la Directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières, telle que modifiée.
  
Art.84. Bijlage III bij deze wet bevat met name de samenstelling en het juridisch stelsel van de [1 dekkingsactiva]1, de rechten van de houders van covered bonds, de voorwaarden voor de uitgifte van die effecten en de verplichtingen die gelden voor emittenten van covered bonds.
  
Art.84. L'Annexe III à la présente loi précise notamment la composition et le régime juridique des actifs de couverture, les droits des titulaires de covered bonds, les conditions d'émissions de ces titres et les obligations incombant aux émetteurs de covered bonds.
Art. 84/1. [1 Iedere instelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven moet blijvend voldoen aan de door of krachtens de bepalingen van deze afdeling vastgelegde voorwaarden.]1
  
Art. 84/1. [1 Les établissements ayant émis des covered bonds belges doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu des dispositions de la présente section.]1
  
Afdeling IV. - Opening of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland
Section IV. - De l'ouverture ou de l'acquisition de filiales à l'étranger
Art.85. Iedere kredietinstelling die voornemens is om rechtstreeks of via de tussenkomst van een financiële holding of van een gemengde financiële holding in het buitenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten die een werkzaamheid als bedoeld in artikel 4 uitoefent, stelt de toezichthouder daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt informatie gevoegd over de werkzaamheden, de organisatie, de aandeelhoudersstructuur en de leiding van de betrokken onderneming.
Art.85. L'établissement de crédit qui projette d'acquérir ou de créer, directement ou par l'intermédiaire d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte, une filiale à l'étranger exerçant une activité visée à l'article 4 notifie son intention à l'autorité de contrôle. Cette notification est assortie d'une information sur les activités, l'organisation, l'actionnariat et les dirigeants de l'entreprise concernée.
Afdeling V. - Uitoefening van werkzaamheden in het buitenland
Section V. - De l'exercice d'activités à l'étranger
Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren in het buitenland
Sous-section Ire. - De l'ouverture de succursales à l'étranger
Art.86. Iedere kredietinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te openen om er alle of een deel van de in artikel 4 opgesomde werkzaamheden te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de toezichthouder daarvan in kennis.
  [2 Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen werkzaamheden wordt vermeld, evenals gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor, alsook, voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de financiële instrumenten, de beleggingsdiensten en/of -activiteiten en de nevendiensten die het bijkantoor voornemens is te verrichten, en of het bijkantoor van plan is een beroep te doen op verbonden agenten.]2
  De effectieve leiders van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. De artikelen 60 en 61 zijn van overeenkomstige toepassing op de benoeming van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor.
  De toezichthouder kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de kredietinstelling.
  De beslissing van de toezichthouder moet [1 uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier]1 met alle in het tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de kredietinstelling. Indien de toezichthouder zijn beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt hij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de instelling.
  De toezichthouder geeft de Europese Commissie en de Europese Bankautoriteit, volgens de frequentie die de laatstgenoemden bepalen, kennis van het aantal en de motivering van de krachtens het vierde lid genomen definitieve beslissingen tot verzet tegen de geplande opening van een bijkantoor in een lidstaat of tegen wijzigingen in de in het tweede lid bedoelde gegevens.
  Dit artikel geldt, met uitzondering van het zesde lid, voor de opening van bijkantoren in een derde land.
  
Art.86. L'établissement de crédit qui projette d'ouvrir une succursale sur le territoire d'un autre Etat membre en vue d'exercer tout ou partie des activités énumérées à l'article 4 et qui lui sont autorisées en Belgique notifie son intention à l'autorité de contrôle.
  [2 Cette notification est assortie d'un programme d'activités dans lequel sont notamment indiqués les catégories d'opérations envisagées, la structure de l'organisation de la succursale, la domiciliation de la correspondance dans l'Etat concerné et le nom des dirigeants effectifs de la succursale et, le cas échéant, de ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes, ainsi que, en ce qui concerne les établissements de crédit visés à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les instruments financiers, les services et/ou activités d'investissement et les services auxiliaires que la succursale envisage de fournir ou d'exercer et si la succursale prévoit de recourir à des agents liés.]2
  Les dirigeants effectifs de la succursale ainsi que ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction. Les articles 60 et 61 sont applicables par analogie à la nomination des dirigeants effectifs de la succursale et, le cas échéant, de ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
  L'autorité de contrôle peut s'opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de l'ouverture de la succursale sur l'organisation, la situation financière ou le contrôle de l'établissement de crédit.
  La décision de l'autorité de contrôle doit être notifiée à l'établissement de crédit par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception [1 au plus tard trois mois après la réception du dossier]1 complet comprenant les informations prévues à l'alinéa 2. Si l'autorité de contrôle n'a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s'opposer au projet de l'établissement.
  L'autorité de contrôle communique à la Commission européenne et à l'Autorité bancaire européenne, selon la périodicité fixée par celles-ci, le nombre et les motifs des décisions définitives d'opposition adoptées en vertu de l'alinéa 4 sur des projets de création de succursales dans les Etats membres ou sur des modifications d'informations visées à l'alinéa 2.
  Le présent article, à l'exception de l'alinéa 6, s'applique à l'ouverture de succursales dans un pays tiers.
  
Art.87. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, deelt de toezichthouder, indien hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 86, vierde of vijfde lid, aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat, binnen drie maanden na ontvangst van alle door artikel 86, tweede lid vereiste gegevens, de overeenkomstig deze bepalingen ontvangen gegevens mee, alsook het peil en de samenstelling van het eigen vermogen van de kredietinstelling, [1 het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening nr. 575/2013]1, de identiteit van haar leiders en de regels voor eventuele tegemoetkoming, ten gunste van de spaarders bij het bijkantoor, van de voor de kredietinstelling geldende depositobeschermingsregeling.
  De Bank brengt de FSMA binnen dezelfde termijn op de hoogte van deze kennisgeving, voor zover de werkzaamheden in het buitenland betrekking hebben op het verrichten van beleggingsdiensten.
  
Art.87. Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale est un Etat membre, l'autorité de contrôle, si elle ne s'est pas opposée à la réalisation du projet conformément à l'article 86, alinéa 4 ou 5, communique à l'autorité compétente de l'Etat concerné dans les trois mois de la réception de toutes les informations requises par l'article 86, alinéa 2, les informations reçues en vertu de cette disposition, le niveau et la composition des fonds propres de l'établissement de crédit [1 et les montants totaux d'exposition au risque calculés conformément à l'article 92, paragraphes 3 et 4, du Règlement n° 575/2013]1 ainsi que l'identité de ses dirigeants et les modalités d'intervention éventuelles, à l'égard des épargnants de la succursale, du système de protection des dépôts compétent pour l'établissement de crédit.
  La Banque avise la FSMA dans le même délai de cette communication d'informations, pour autant que les activités exercées à l'étranger concernent la fourniture de services d'investissement.
  
Art.88. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor geen lidstaat is, kan de toezichthouder in overleg met de betrokken autoriteit van een derde land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, in voorkomend geval met naleving van het bepaalde in Hoofdstuk IV/1, afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998.
Art.88. Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale n'est pas un Etat membre, l'autorité de contrôle peut convenir avec l'autorité de pays tiers concernée, des modalités d'ouverture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges d'informations souhaitables, le cas échéant, dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, section 4, de la loi du 22 février 1998.
Art. 88/1. [1 Indien de kredietinstelling een beroep wenst te doen op verbonden agenten die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gevestigd, om in die lidstaat beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, stelt zij de toezichthouder daarvan in kennis en verstrekt zij hem een programma van werkzaamheden, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat, de identiteitsgegevens van de verbonden agenten waarop zij van plan is een beroep te doen, evenals een beschrijving van het beoogde gebruik van die verbonden agenten en van de organisatiestructuur, waarbij wordt aangegeven hoe de verbonden agenten hierin passen, met opgave van de rapportagelijnen en de namen van de personen die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de verbonden agenten.
   Artikel 86, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
   Tenzij de toezichthouder zich verzet tegen de uitvoering van het project, deelt hij alle in het eerste lid bedoelde gegevens mee aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met de in het eerste lid bedoelde gegevens. De bepalingen van Titel I van Boek III van deze wet die betrekking hebben op de bijkantoren, zijn op de verbonden agenten van toepassing.]1

  
Art. 88/1. [1 Lorsque l'établissement de crédit souhaite recourir à des agents liés établis sur le territoire d'un autre Etat membre pour fournir des services et/ou des activités d'investissement et des services auxiliaires dans cet Etat membre, il en informe l'autorité de contrôle et lui communique un programme d'activité, la domiciliation de la correspondance dans l'Etat concerné, l'identité des agents liés auxquels il entend recourir, ainsi qu'une description du recours prévu à ces agents liés et de la structure organisationnelle dans laquelle ils s'insèrent, notamment les voix hiérarchiques, en ce compris le nom des personnes directement responsables des agents liés.
   L'article 86, alinéas 4 et 5, est applicable.
   Sauf si l'autorité de contrôle s'oppose à la réalisation du projet, elle communique toutes les informations visées à l'alinéa 1er à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné dans les trois mois de la réception du dossier complet comprenant les informations visées à l'alinéa 1er. Les agents liés sont soumis aux dispositions du Titre Ier du Livre III de la présente loi relatives aux succursales.]1

  
Art.89. Iedere kredietinstelling die in het buitenland een bijkantoor heeft geopend, stelt de toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de staat van ontvangst ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de conform artikel 86, tweede lid verstrekte gegevens.
  Artikel 86, vierde en vijfde lid, is in voorkomend geval van toepassing, alsook artikel 87, naar gelang van de wijzigingen in de in artikel 86, tweede lid bedoelde gegevens of in de geldende depositobeschermingsregeling.
  [1 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de wijzigingen in de gegevens bedoeld in artikel 88/1, eerste lid.]1
  
Art.89. L'établissement de crédit qui a ouvert une succursale à l'étranger informe l'autorité de contrôle et les autorités compétentes de l'Etat d'accueil, au moins un mois à l'avance, des modifications affectant les informations communiquées en vertu de l'article 86, alinéa 2.
  L'article 86, alinéas 4 et 5, est applicable s'il y a lieu, ainsi que l'article 87, en fonction des modifications relatives aux informations visées à l'article 86, alinéa 2 ou au système de protection des dépôts applicable.
  [1 L'alinéa 1er est applicable par analogie, en ce qui concerne des modifications aux informations visées à l'article 88/1, alinéa 1er.]1
  
Onderafdeling II. - Vrij verrichten van bankdiensten in het buitenland
Sous-section II. - Exercice de la libre prestation de services bancaires à l'étranger
Art.90. [2 § 1.]2 Iedere kredietinstelling die voornemens is op het grondgebied van een andere lidstaat, zonder er een bijkantoor te vestigen, alle of een deel van de in artikel 4 opgesomde werkzaamheden te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de toezichthouder hiervan in kennis en geeft op welke werkzaamheden zij wenst uit te oefenen en op welke wijze zij de uitoefening van deze werkzaamheden zal omkaderen.
  De toezichthouder kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de grensoverschrijdende dienstverlening op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de kredietinstelling.
  De beslissing van de toezichthouder moet uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het volledige dossier met alle in het eerste lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de kredietinstelling. Indien de toezichthouder zijn beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt hij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de instelling.
  [2 § 2. Indien de kredietinstelling van plan is een beroep te doen op in België gevestigde verbonden agenten om op het grondgebied van een andere lidstaat beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, deelt zij de identiteitsgegevens van deze agenten mee aan de Bank.
   De Bank deelt deze gegevens uiterlijk een maand na ontvangst ervan mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.]2

  [2 § 3.]2 [1 Dit artikel is van toepassing op de uitoefening van werkzaamheden in een derde land.]1
  
Art.90. [2 § 1.]2 L'établissement de crédit qui projette d'exercer sur le territoire d'un autre Etat membre, sans y établir de succursale, tout ou partie des activités énumérées à l'article 4 et qui lui sont autorisées en Belgique, notifie son intention à l'autorité de contrôle et précise celles de ces activités qu'il envisage d'exercer et la manière dont il entend encadrer l'exercice de ces activités.
  L'autorité de contrôle peut s'opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de la prestation transfrontalière de services sur l'organisation, la situation financière ou le contrôle de l'établissement de crédit.
  La décision de l'autorité de contrôle doit être notifiée à l'établissement de crédit par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard dans le mois de la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l'alinéa 1er. Si l'autorité de contrôle n'a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s'opposer au projet de l'établissement.
  [2 § 2. Si l'établissement de crédit envisage de recourir à des agents liés établis en Belgique, pour fournir des services et/ou des activités d'investissement et des services auxiliaires sur le territoire d'un autre Etat membre, il communique l'identité de ces agents liés à la Banque.
   La Banque communique cette information à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil dans le mois suivant la réception de cette information.]2

  [2 § 3.]2 [1 Le présent article est applicable à l'exercice d'activités dans un pays tiers.]1
  
Art.91. Indien hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 90, deelt de toezichthouder aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat van ontvangst onverwijld de in dit artikel bedoelde kennisgeving mee.
  Binnen dezelfde termijn doet de Bank tevens mededeling van de betrokken informatie aan de FSMA, voor zover de werkzaamheden in het buitenland betrekking hebben op het verrichten van beleggingsdiensten.
Art.91. Si elle ne s'est pas opposée à la réalisation du projet conformément à l'article 90, l'autorité de contrôle communique sans délai, la notification prévue par cet article à l'autorité compétente de l'Etat d'accueil considéré.
  La Banque communique, dans le même délai, la notification en question à la FSMA, pour autant que les activités exercées à l'étranger concernent la fourniture de services d'investissement.
Onderafdeling III. - Uitoefening van bankwerkzaamheden door gespecialiseerde dochterondernemingen van kredietinstellingen in een andere lidstaat
Sous-section III. - De l'exercice dans un autre Etat membre d'une activité bancaire par les filiales spécialisées d'établissements de crédit
Art.92. Financiële instellingen naar Belgisch recht die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een dochteronderneming zijn van een of meer kredietinstellingen naar Belgisch recht en ertoe gerechtigd zijn in België geregeld de werkzaamheden uit te oefenen zoals opgesomd in punt 2 en volgende van de lijst in artikel 4, mogen voor de uitoefening van deze werkzaamheden bijkantoren vestigen in andere lidstaten volgens de bij de artikelen 86, 87 en 89 bepaalde regels of er hun bedrijf uitoefenen zonder vestiging van een bijkantoor volgens de bij de artikelen 90 en 91 bepaalde regels, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° aan de kredietinstelling(en) die moeder-onderneming(en) is (zijn) van deze financiële instellingen is overeenkomstig dit Boek een vergunning verleend als kredietinstelling;
  2° de financiële instellingen oefenen de voornoemde werkzaamheden daadwerkelijk uit op het Belgische grondgebied;
  3° de kredietinstelling(en) die de moeder-onderneming(en) is (zijn) van deze financiële instellingen bezit(ten) ten minste 90 pct. van de aan de aandelen van deze financiële instellingen verbonden stemrechten;
  4° de moederondernemingen moeten de toezichthouder aantonen dat het beleid van de financiële instellingen gezond en voorzichtig is;
  5° de moederondernemingen moeten zich volgens de door de toezichthouder goedgekeurde regels hoofdelijk borg stellen voor de verplichtingen van de financiële instellingen;
  6° de financiële instellingen worden opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis op de moederinstellingen, overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II van dit Boek, inzonderheid wat de geldende vereisten betreft voor het eigen vermogen, het toezicht op de grote risico's en de beperking van het aandelenbezit, als bepaald in Verordening nr. 575/2013.
  Vooraleer de in de artikelen 86 of 90 bedoelde beslissing te nemen, gaat de toezichthouder na of deze voorwaarden zijn vervuld. Daartoe voegt hij een attest bij de bij de artikelen 87 of 90 voorgeschreven mededeling. [1 In afwijking van deze bepalingen deelt de toezichthouder mee welk het eigenvermogenspeil van de betrokken financiële instelling is, alsook het bedrag van de geconsolideerde solvabiliteitscoëfficiënt en het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening nr. 575/2013 van de kredietinstelling(en) waarvan de financiële instelling een dochteronderneming is.]1.
  Indien de in dit artikel bedoelde financiële instelling niet langer aan de hierin gestelde voorwaarden voldoet, meldt de toezichthouder dit onmiddellijk aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de lidstaten waar deze financiële instelling bedrijvig is via een bijkantoor of een vorm van dienstverrichting.
  De in deze Afdeling bedoelde financiële instellingen worden vermeld in een bijlage bij de lijst van de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 14.
  
Art.92. Les établissements financiers de droit belge qui sont, directement ou indirectement, filiales d'un ou de plusieurs établissements de crédit de droit belge et qui sont habilités à effectuer habituellement en Belgique des activités mentionnées sous les points 2 et suivants de la liste prévue à l'article 4 peuvent, pour l'exercice de ces activités, implanter des succursales dans d'autres Etats membres selon les règles fixées aux articles 86, 87 et 89 ou y exercer leurs activités, sans implanter de succursales, selon les règles fixées aux articles 90 et 91, s'ils remplissent les conditions suivantes :
  1° l'établissement de crédit ou les établissements de crédit qui sont les entreprises-mères de ces établissements financiers sont agréés conformément au présent Livre;
  2° les établissements financiers exercent effectivement les activités précitées sur le territoire belge;
  3° l'établissement ou les établissements de crédit qui constituent les entreprises-mères de ces établissements financiers détiennent 90 p.c. au moins des droits de vote attachés aux actions ou parts émises par ces établissements financiers;
  4° les entreprises-mères justifient auprès de l'autorité de contrôle de la gestion saine et prudente des établissements financiers;
  5° les entreprises-mères garantissent solidairement, selon des modalités approuvées par l'autorité de contrôle, les engagements des établissements financiers;
  6° les établissements financiers sont compris dans le contrôle sur base consolidée des établissements de crédit-mères, conformément au Titre III, Chapitre IV, section II du présent Livre, notamment pour les exigences applicables, sur cette base, en matière de fonds propres, de contrôle des grands risques et de limitations mises à la détention de droits d'associés tel que prévu par le Règlement n° 575/2013.
  L'autorité de contrôle vérifie, avant de prendre la décision visée aux articles 86 ou 90, la réalisation de ces conditions. Elle délivre, à cet égard, une attestation jointe à la communication prévue à l'article 87 ou 91. [1 Par dérogation à ces dispositions, l'autorité de contrôle communique le niveau des fonds propres de l'établissement financier concerné ainsi que le montant du coefficient de solvabilité consolidé et la somme des expositions aux risques calculés conformément à l'article 92, paragraphes 3 et 4, du règlement n° 575/2013 de l'établissement ou des établissements de crédit dont l'établissement financier est la filiale.]1.
  Si l'établissement financier visé par le présent article ne remplit plus les conditions prévues par celui-ci, l'autorité de contrôle en informe sans délai les autorités compétentes de l'Etat ou des Etats membres où cet établissement financier exerce ses activités par voie de succursale ou de prestation de services.
  Les établissements financiers visés par la présente Section sont repris en annexe à la liste des établissements de crédit visée à l'article 14.
  
Onderafdeling IV. - Uitoefening van werkzaamheden in een deelnemende lidstaat
Sous-section IV. - Des situations où l'exercice des activités s'effectue au sein d'un Etat membre participant
Art.93. Voor wat betreft de aangelegenheden die aan de Europese Centrale Bank zijn toevertrouwd met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, zijn de bepalingen met betrekking tot de procedures tussen de bevoegde autoriteiten en de desbetreffende bevoegdheden niet van toepassing ingeval de kredietinstelling of haar gespecialiseerde dochteronderneming als bedoeld in artikel 92 voornemens is op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat een bijkantoor te vestigen of werkzaamheden uit te oefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten.
Art.93. Pour les matières qui sont confiées à la Banque centrale européenne en application de l'article 4 du Règlement MSU, dans les cas où l'établissement de crédit ou sa filiale spécialisée visée à l'article 92 projette d'établir une succursale ou d'exercer des activités en libre prestation de services sur le territoire d'un autre Etat membre participant, les dispositions relatives aux procédures entre autorités compétentes et les compétences y afférentes ne sont pas applicables.
HOOFDSTUK V. - Reglementaire normen en verplichtingen
CHAPITRE V. - Des normes et obligations réglementaires
Afdeling I. - Prospectief beheer van eigen vermogen en liquiditeit
Section Ire. - Gestion prospective des fonds propres et de la liquidité
Art.94. § 1. Elke kredietinstelling moet over een voor haar werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passend beleid inzake eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften beschikken.
  § 2. Daartoe legt het wettelijk bestuursorgaan een beleid vast voor het prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten en van de liquiditeit van de kredietinstelling, dat de huidige en toekomstige eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften van de instelling identificeert en bepaalt.
  Dit beleid houdt rekening met de aard, de omvang en de kenmerken van de werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden van de instelling, met de daaraan verbonden risico's en met het risicobeheerbeleid van de instelling.
  § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beleid wordt uitgevoerd door het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan. Het wordt regelmatig geëvalueerd door het wettelijk bestuursorgaan, dat het zo nodig actualiseert.
  De toezichthouder kan de frequentie en de modaliteiten van deze evaluatie nader bepalen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
Art.94. § 1er. Les établissements de crédit doivent disposer d'une politique concernant leurs besoins en fonds propres et en liquidité qui soit appropriée aux activités qu'ils exercent ou entendent exercer.
  § 2. A cette fin, l'organe légal d'administration définit une politique de gestion prospective des besoins en fonds propres et de la liquidité de l'établissement de crédit, qui identifie et détermine les besoins en fonds propres et de liquidité actuels et futurs de l'établissement.
  Cette politique tient compte de la nature, du volume et des caractéristiques des activités exercées par l'établissement ou qu'il entend exercer, des risques y afférents et de la politique de gestion des risques de l'établissement.
  § 3. La politique visée au paragraphe 1er est mise en oeuvre par le comité de direction, sous la surveillance de l'organe légal d'administration. Elle fait l'objet d'une évaluation régulière par l'organe légal d'administration, qui procède si nécessaire à sa mise à jour.
  L'autorité de contrôle peut préciser la fréquence et les modalités de cette évaluation, le cas échéant, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
Afdeling II. - Globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer
Section II. - Exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1
Art.95. [2 Onverminderd de naleving van het reglementair eigenvermogensvereiste bepaald in artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013, van het vereiste bepaald door of krachtens de artikelen 98, 149, en 150 en 150/5 voor andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, van de norm inzake totale verliesabsorptiecapaciteit bepaald in de artikelen 92bis en 92ter van Verordening nr. 575/2013 en van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bepaald in artikel 267/3, moet een kredietinstelling door middel van tier 1-kernkapitaalbestanddelen voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, zoals dit vereiste bepaald is in artikel 96. Een moederkredietinstelling voldoet bovendien aan dit vereiste op basis van haar geconsolideerde positie, volgens de modaliteiten bepaald in Deel 1, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013.]2
  Een financiële holding naar Belgisch recht of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht, die een kredietinstelling bezit, voldoet op geconsolideerde basis aan de voorschriften van het eerste lid, volgens de modaliteiten bepaald in [1 Deel 1, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013]1.
  
Art.95. [2 Sans préjudice du respect de l'exigence en fonds propres réglementaires prévue à l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c) du Règlement n° 575/2013, de l'exigence prévue par ou en vertu des articles 98, 149, 150 et 150/5 pour des risques autres que le risque de levier excessif, de la norme de capacité totale d'absorption des pertes prévue aux articles 92bis et 92ter du Règlement n° 575/2013 et de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles prévue à l'article 267/3, un établissement de crédit est tenu de satisfaire au moyen d'éléments de fonds propres de base de catégorie 1 à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, telle que cette exigence est déterminée à l'article 96. Un établissement de crédit mère respecte, en outre, cette exigence sur base de sa situation consolidée, selon les modalités prévues à la première Partie, Titre 2, Chapitre 2 du Règlement n° 575/2013.]2
  Une compagnie financière de droit belge ou une compagnie financière mixte de droit belge, qui détient un établissement de crédit respecte les dispositions de l'alinéa 1er sur base consolidée, selon les modalités de la [1 première Partie, Titre 2, Chapitre 2 du Règlement n° 575/2013]1.
  
Art.96. § 1. Onverminderd de in de paragrafen 3 tot 6 bepaalde modaliteiten is het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer gelijk aan de som van de volgende vereisten van een tier 1-kernkapitaalbuffer :
  1° de in artikel 1 van Bijlage IV bedoelde tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer;
  2° de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in de artikelen 3 tot 10 van Bijlage IV;
  3° de tier 1-kernkapitaalbuffer voor mondiaal systeemrelevante [1 instellingen]1 (MSI's) of voor binnenlandse systeemrelevante [1 instellingen]1 (BSI's), als bedoeld in de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV;
  4° de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's, als bedoeld in de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV.
  [6 De tier 1-kernkapitaal die worden gebruikt om te voldoen aan een van de in de punten 1°, tot en met 4° van deze paragraaf bedoelde vereisten, worden niet in aanmerking genomen om te voldoen aan een van de andere van deze vereisten.]6
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde vereisten worden verduidelijkt in Bijlage IV van deze wet.
  § 3. [2 Een moederkredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, op geconsolideerde basis, die tegelijkertijd onderworpen is aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) aan te houden en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante instellingen (BSI's) aan te houden overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van Bijlage IV, moet enkel voldoen aan het hoogste vereiste.]2
  § 4. [6 Een kredietinstelling, een moederkredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, die tegelijkertijd onderworpen is aan het met toepassing van paragraaf 3 geldende vereiste en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, moet voldoen aan de som van deze vereisten.]6
  § 5. [6 ...]6
  § 6. [6 ...]6
  
Art.96. § 1er. Sans préjudice des modalités prévues aux paragraphes 3 à 6, l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 équivaut à la somme des exigences suivantes de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 :
  1° le coussin de conservation des fonds propres de base de catégorie 1 visé à l'article 1er de l'Annexe IV;
  2° le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à l'établissement de crédit concerné, visé aux articles 3 à 10 de l'Annexe IV;
  3° le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour [1 établissement]1 d'importance systémique mondiale (EISm) ou pour [1 établissement]1 d'importance systémique domestique (EIS domestique), visé aux articles 11 à 15 de l'Annexe IV;
  4° le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel, visé aux articles 16 à 22 de l'Annexe IV.
  [6 Les fonds propres de base de catégorie 1 utilisés pour couvrir l'une des exigences visées aux points 1° à 4° du présent paragraphe ne sont pas pris en compte pour la couverture d'une autre de ces exigences.]6
  § 2. Les exigences visées au paragraphe 1er sont précisées à l'Annexe IV de la présente loi.
  § 3. [2 Un établissement de crédit-mère, une compagnie financière mère de droit belge ou une compagnie financière mixte mère de droit belge, sur base consolidée, qui est à la fois soumis à une exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour établissement d'importance systémique mondiale (EISm) et à une exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour établissement d'importance systémique domestique (EIS domestique) conformément aux articles 13 et 14 de l'Annexe IV, n'est tenu de respecter que l'exigence la plus élevée.]2
  § 4. [6 Un établissement de crédit, un établissement de crédit-mère, une compagnie financière mère de droit belge ou une compagnie financière mixte mère de droit belge, qui est à la fois soumis à l'exigence applicable en application du paragraphe 3 et à une exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macro-prudentiel conformément aux articles 16 à 22 de l'Annexe IV, est tenu de respecter la somme de ces exigences.]6
  § 5. [6 ...]6
  § 6. [6 ...]6
  
Afdeling II/1 TOEKOMSTIG RECHT.1 - Hefboomratiobuffervereiste]1&nbsp;&nbsp;
Section II/1 DROIT FUTUR.1 - Exigence de coussin lié au ratio de levier]1&nbsp;&nbsp;
Art. 96/1. [1 Onverminderd de naleving van het hefboomratiovereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 moet een MSI voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste volgens de modaliteiten bepaald in artikel 92, lid; 1bis van die Verordening.]1
  
Art. 96/1. [1 Sans préjudice du respect de l'exigence de ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013, un EISm est tenu de satisfaire à l'exigence de coussin liée au ratio de levier conformément aux modalités prévues par l'article 92, paragraphe 1bis, de ce Règlement.]1
  
Afdeling III. - Macroprudentieel of systeemrisico
Section III. - Risque macroprudentiel ou systémique
Art.97. [1 De Bank is de nationale autoriteit die belast is met de toepassing van artikelen 124, lid 2, 164, lid 6 en 458 van Verordening nr. 575/2013.]1
  Naast de voorwaarden gesteld in artikel 458 van Verordening nr. 575/2013, moeten de reglementen van de Bank die met toepassing van het genoemde artikel 458 worden aangenomen, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden goedgekeurd.
  
Art.97. [1 La Banque est l'autorité nationale chargée de l'application des articles 124, paragraphe 2, 164, paragraphe 6 et 458 du Règlement n° 575/2013.]1
  Outre les conditions prévues par l'article 458 du Règlement n° 575/2013, les règlements de la Banque adoptés en application dudit article 458 requièrent une approbation par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
  
Afdeling IV. - Reglementeringsbevoegdheid van de Bank
Section IV. - Pouvoir réglementaire de la Banque
Art.98. Onverminderd de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, bepaalt de Bank bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 :
  a) de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie en andere begrenzingsnormen die door alle kredietinstellingen of per categorie van kredietinstellingen moeten worden nageleefd, wanneer deze normen niet bepaald zijn in Verordening nr. 575/2013;
  b) de toepassingsmodaliteiten van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie bepaald in Verordening nr. 575/2013, met inbegrip van de toepassingsmodaliteiten van de verschillende opties die door deze Verordening worden geboden aan de lidstaten en aan de Bank als bevoegde autoriteit, rekening houdend met de richtsnoeren die worden bepaald door de Europese Bankautoriteit in verband met de genoemde Verordening en de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie worden vastgesteld met toepassing van die Verordening;
  c) de waarderingsregels die gelden voor de waardering van de activa, de passiva en de posten die niet in de balans zijn opgenomen voor de controle van de naleving van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit of risicoconcentratie.
  De in dit artikel bedoelde normen kunnen zowel van kwantitatieve als van kwalitatieve aard zijn.
Art.98. Sans préjudice des dispositions du Règlement n° 575/2013, la Banque détermine par un règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998 :
  a) les normes en matière de solvabilité, de liquidité et de concentration des risques et les autres normes de limitation à respecter par tous les établissements de crédit ou par catégorie d'établissements de crédit, lorsque ces normes ne sont pas définies par le Règlement n° 575/2013;
  b) les modalités d'application des normes de solvabilité, de liquidité et de concentration des risques prévues par le Règlement n° 575/2013, y inclus les modalités d'application des différentes options offertes par ce Règlement aux Etats membres et à la Banque en tant qu'autorité compétente, tenant compte des lignes directrices définies par l'Autorité bancaire européenne en relation avec ledit Règlement et les normes techniques de réglementation adoptées par la Commission européenne en application dudit Règlement;
  c) les règles d'évaluation applicables à la valorisation des actifs, des passifs et des éléments hors bilan pour la vérification du respect des normes de solvabilité, de liquidité ou de concentration des risques.
  Les normes visées au présent article peuvent aussi bien être de nature quantitative que de nature qualitative.
Afdeling V. [1 - Maatregelen strekkende tot wedersamenstelling van het eigen vermogen]1
Section V. [1 - Des mesures visant à reconstituer les fonds propres]1
Onderafdeling I. [1 - Beperkingen op uitkeringen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen in geval van niet-naleving van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer]1
Sous-section Ire. [1 - Des restrictions applicables aux distributions portant sur un des éléments constitutifs des fonds propres de base de catégorie 1 en cas de non-respect de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1]1
Art. 98/1. [1 Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een kredietinstelling geacht niet te voldoen aan het globaal vereiste van een tier1-kernkapitaalbuffer als zij over onvoldoende eigen vermogen van voldoende hoge kwaliteit beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96 en aan elk van de vereisten van artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.]1
  
Art. 98/1. [1 Pour les besoins de la présente Sous-section, il est considéré qu'un établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 s'il ne dispose pas de fonds propres en quantité suffisante et de la qualité requise pour satisfaire, en même temps, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96 et à chacune des exigences énoncées à l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c) du Règlement n° 575/2013, ainsi qu'à l'exigence spécifique de fonds propres imposée en vertu des articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif.]1
  
Art.99. Een kredietinstelling mag slechts uitkeringen doen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen indien zij [1 overeenkomstig artikel 98/1]1 voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96.
  Bovendien mogen deze uitkeringen niet tot gevolg hebben dat het tier 1-kernkapitaal daalt tot een niveau dat niet langer voldoet aan het voormeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
  
Art.99. Un établissement de crédit ne peut procéder à une distribution portant sur un des éléments constitutifs des fonds propres de base de catégorie 1 que s'il satisfait [1 , conformément à l'article 98/1,]1 à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, visée à l'article 96.
  En outre, cette distribution ne peut avoir pour effet de réduire les fonds propres de base de catégorie 1 à un niveau ne respectant plus l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catéorie 1 précitée.
  
Art.100. In afwijking van artikel 99, eerste lid, kan een kredietinstelling die niet voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer niettemin een uitkering met betrekking tot tier 1-kernkapitaalbestanddelen verrichten indien zij voldoet aan de in de [1 artikelen 101, 102 en 103]1 bepaalde voorwaarden. Te dien einde berekent de kredietinstelling vooraf het maximaal uitkeerbare bedrag of "MUB" en deelt zij dit bedrag mee aan de toezichthouder.
  De berekeningsmodaliteiten van het MUB die in acht moeten worden genomen door de instelling worden bepaald in artikel 1 van Bijlage V bij deze wet.
  
Art.100. Par dérogation à l'article 99, alinéa 1er, un établissement de crédit qui ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 peut néanmoins procéder à une distribution portant sur des éléments constitutifs de fonds propres de base de catégorie 1 s'il satisfait aux conditions prévues aux [1 articles 101, 102 et 103]1. A cette fin, l'établissement de crédit calcule préalablement le montant maximal distribuable, ou "MMD", et communique ce montant à l'autorité de contrôle.
  Les modalités de calcul du MMD à respecter par l'établissement sont précisées à l'article 1er de l'annexe V de la présente loi.
  
Art.101. § 1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 100 mag de volgende handelingen slechts verrichten ten belope van het MUB :
  a) een uitkering verrichten als bezoldiging of een betaling verrichten als terugbetaling of wederinkoop van tier 1-kernkapitaalbestanddelen;
  b) betalingen verrichten die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaalbestanddelen;
  c) zich verbinden tot de betaling van variabele beloningen of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen.
  § 2. Bovendien mag een kredietinstelling als bedoeld in artikel 100 slechts een variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen betalen ten belope van het MUB, zelfs indien de betalingsverplichting werd aangegaan op een moment dat de instelling voldeed aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
  § 3. Wanneer zij voornemens is een van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde handelingen te verrichten, brengt de instelling haar voornemen ter kennis van de toezichthouder en verstrekt zij de in artikel 2 van Bijlage V vermelde informatie, met een rechtvaardiging voor de inachtneming van de niet-overschrijding van het MUB.
Art.101. § 1er. Un établissement de crédit visé à l'article 100 ne peut effectuer les opérations suivantes qu'à concurrence du MMD :
  a) procéder à une distribution en rémunération ou un paiement en remboursement ou rachat d'éléments constitutifs de fonds propres de base de catégorie 1;
  b) effectuer des paiements liés à des éléments constitutifs de fonds propres additionnels de catégorie 1;
  c) s'engager à verser des rémunérations variables ou des prestations de pension discrétionnaires.
  § 2. Un établissement de crédit visé à l'article 100 ne peut, en outre, verser de rémunération variable ou des prestations de pension discrétionnaires qu'à concurrence du MMD, même si l'obligation de versement est née à un moment où l'établissement satisfaisait à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
  § 3. Lorsqu'il prévoit de réaliser l'une des opérations visées aux paragraphes 1er et 2, l'établissement notifie son intention à l'autorité de contrôle et fournit les informations mentionnées à l'article 2 de l'Annexe V en justifiant le respect du non-dépassement du MMD.
Art.102. De kredietinstellingen passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en, in voorkomend geval, het MUB, nauwkeurig worden berekend. Zij zijn in staat de nauwkeurigheid van deze berekening aan te tonen aan de toezichthouder indien hij hierom verzoekt.
Art.102. Les établissements de crédit se dotent de dispositifs garantissant que les montants des bénéfices distribuables et, le cas échéant, le MMD, sont calculés avec exactitude. Ils sont en mesure de démontrer cette exactitude à l'autorité de contrôle si elle en fait la demande.
Onderafdeling I/1 TOEKOMSTIG RECHT.1 - Beperkingen op uitkeringen die betrekking hebben op een van de kernkapitaalbestanddelen in geval van niet-naleving van het hefboomratiobuffervereiste]1&nbsp;&nbsp;
Sous-section Ire/1 DROIT FUTUR.- Des restrictions applicables aux distributions portant sur un des éléments constitutifs des fonds propres de base en cas de non-respect de l'exigence de coussin lié au ratio de levier
Art. 102/1. TOEKOMSTIG RECHT. [1 Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een MSI geacht niet te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als zij over onvoldoende kernkapitaal beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013 en aan het vereiste van artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.]1
  
Art. 102/1. DROIT FUTUR. [1 Pour les besoins de la présente Sous-section, il est considéré qu'un ElLm ne satisfait pas à l'exigence de coussin lié au ratio de levier s'il ne dispose pas de fonds propres de base en quantité suffisante pour satisfaire, en même temps, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence énoncée à l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013, ainsi qu'à l'exigence spécifique de fonds propres imposée en vertu des articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif.]1
  
Art. 102/2. TOEKOMSTIG RECHT. [1 Een MSI mag slechts uitkeringen doen die betrekking hebben op een van de kernkapitaalbestanddelen indien zij voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013.
   Bovendien mogen deze uitkeringen niet tot gevolg hebben dat het kernkapitaal daalt tot een niveau dat niet langer voldoet aan het voormeld hefboomratiobuffervereiste.]1

  
Art. 102/2. DROIT FUTUR. [1 Un EISm ne peut procéder à une distribution portant sur un des éléments constitutifs des fonds propres de base que s'il satisfait à l'exigence de coussin lié au ratio de levier, visée à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlement n° 575/2013.
   En outre, cette distribution ne peut avoir pour effet de réduire les fonds propres de base à un niveau ne respectant plus l'exigence de coussin lié au ratio de levier précitée.]1

  
Art. 102/3. TOEKOMSTIG RECHT. [1 In afwijking van artikel 102/2, eerste lid, kan een MSI die niet voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste niettemin een uitkering met betrekking tot kernkapitaalbestanddelen verrichten indien zij voldoet aan de in de artikelen 102/4, 102/5 en tot 103 bepaalde voorwaarden. Te dien einde berekent de MSI vooraf het met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag of "H-MUB" en deelt zij dit bedrag mee aan de toezichthouder.
   De berekeningsmodaliteiten van het H-MUB die in acht moeten worden genomen door de instelling worden bepaald in artikel 1/1 van Bijlage V bij deze wet.]1

  
Art. 102/3. DROIT FUTUR. [1 Par dérogation à l'article 102/2, alinéa 1er, un EISm qui ne satisfait pas à l'exigence de coussin lié au ratio de levier peut néanmoins procéder à une distribution portant sur des éléments constitutifs de fonds propres de base s'il satisfait aux conditions prévues aux articles 102/4, 102/5 et 103. A cette fin, l'EISm calcule préalablement le montant maximal distribuable lié au ratio de levier, ou "L-MMD", et communique ce montant à l'autorité de contrôle.
   Les modalités de calcul du L-MMD à respecter par l'établissement sont précisées à l'article 1er/1 de l'Annexe V de la présente loi.]1

  
Art. 102/4. TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. Een MSI als bedoeld in artikel 102/3 mag de volgende handelingen slechts verrichten ten belope van het H-MUB:
   a) een uitkering verrichten als bezoldiging of een betaling verrichten als terugbetaling of wederinkoop van tier 1-kernkapitaalbestanddelen;
   b) betalingen verrichten die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaalbestanddelen;
   c) zich verbinden tot de betaling van variabele beloningen of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen.
   § 2. Bovendien mag een MSI als bedoeld in artikel 102/3 slechts een variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen betalen ten belope van het H-MUB, zelfs indien de betalingsverplichting werd aangegaan op een moment dat de instelling voldeed aan het hefboomratiobuffervereiste.
   § 3. Wanneer zij voornemens is een van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde handelingen te verrichten, brengt de MSI haar voornemen ter kennis van de toezichthouder en verstrekt zij de in artikel 2/1 van Bijlage V vermelde informatie, met een rechtvaardiging voor de inachtneming van de niet-overschrijding van het H-MUB.]1

  
Art. 102/4. DROIT FUTUR. [1 § 1er. Un EISm visé à l'article 102/3 ne peut effectuer les opérations suivantes qu'à concurrence du L-MMD :
   a) procéder à une distribution en rémunération ou un paiement en remboursement ou rachat d'éléments constitutifs de fonds propres de base de catégorie 1 ;
   b) effectuer des paiements liés à des éléments constitutifs de fonds propres additionnels de catégorie 1 ;
   c) s'engager à verser des rémunérations variables ou des prestations de pension discrétionnaires.
   § 2. Un EISm visé à l'article 102/3 ne peut, en outre, verser de rémunération variable ou des prestations de pension discrétionnaires qu'à concurrence du L-MMD, même si l'obligation de versement est née à un moment où l'établissement satisfaisait à l'exigence de coussin liée au ratio de levier.
   § 3. Lorsqu'il prévoit de réaliser l'une des opérations visées aux paragraphes 1er et 2, l'EISm notifie son intention à l'autorité de contrôle et fournit les informations mentionnées à l'article 2/1 de l'Annexe V en justifiant le respect du non-dépassement du L-MMD.]1

  
Art. 102/5. [1 De MSI's passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en, in voorkomend geval, het H-MUB, nauwkeurig worden berekend, en verstrekken de bewijsstukken hiervoor. Zij zijn in staat de nauwkeurigheid van deze berekening aan te tonen aan de toezichthouder indien hij hierom verzoekt.]1
  
Art. 102/5. [1 Les EISm se dotent de dispositifs garantissant que les montants des bénéfices distribuables et, le cas échéant, le L-MMD, sont calculés avec exactitude et fournissent les éléments justificatifs. Ils sont en mesure de démontrer cette exactitude à l'autorité de contrôle si elle en fait la demande.]1
  
Onderafdeling I/2. [1 - Gemeenschappelijke bepaling]1
Sous-section Ire/2. [1 - Disposition commune]1
Art.103. De door [2 de Onderafdelingen I en I/1]2 opgelegde beperkingen zijn slechts van toepassing in zoverre de opschorting van de betalingen die eruit zou voortvloeien niet de voorwaarden voor de opening van een liquidatieprocedure tot gevolg heeft met toepassing van de bepalingen [1 van Boek XX van het Wetboek van economisch recht]1.
  
Art.103. Les restrictions [2 imposées par les Sous-sections Ire et Ire/1]2 ne s'appliquent que dans la mesure où la suspension des versements qui en résulterait n'entraîne pas les conditions d'ouverture d'une procédure de liquidation en application des dispositions [1 du Livre XX du Code de droit économique]1.
  
Onderafdeling II. - Kapitaalconserveringsplan
Sous-section II. - Du plan de conservation des fonds propres
Art.104. Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan het in artikel 96 bedoeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, informeert zij de toezichthouder hiervan en stelt zij een kapitaalconserveringsplan op dat strekt tot verhoging van het eigen vermogen of, in voorkomend geval, dat maatregelen bevat die de verlaging van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer van de instelling tot gevolg hebben, door de verlaging van haar risicoprofiel.
  De instelling legt dit plan uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling dat zij niet aan het voormeld vereiste voldeed, ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. De toezichthouder kan een langere termijn vastleggen, die ten hoogste tien werkdagen mag bedragen, op basis van de bijzondere situatie van een kredietinstelling, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van haar werkzaamheden.
Art.104. Lorsqu'un établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96, il en informe l'autorité de contrôle et établit un plan de conservation des fonds propres visant à augmenter ceux-ci ou, le cas échéant, prévoyant des mesures ayant pour effet de diminuer l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement, par la réduction de son profil de risque.
  L'établissement soumet ce plan, pour approbation, à l'autorité de contrôle au plus tard cinq jours ouvrables après avoir constaté qu'il ne satisfaisait pas à l'exigence précitée. L'autorité de contrôle peut fixer un délai supplémentaire pouvant aller jusqu'à dix jours ouvrables sur base de la situation particulière d'un établissement de crédit, tenant compte de l'ampleur et de la complexité de ses activités.
Art. 104 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan het in artikel 96 bedoeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of, in het geval van een MSI, aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, informeert zij de toezichthouder hiervan en stelt zij een kapitaalconserveringsplan op dat strekt tot verhoging van het eigen vermogen of, in voorkomend geval, dat maatregelen bevat die de verlaging van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of van het hefboomratiobuffervereiste van de instelling tot gevolg hebben, door de verlaging van haar risicoprofiel.]1
  De instelling legt dit plan uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling dat zij niet aan het voormeld vereiste voldeed, ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. De toezichthouder kan een langere termijn vastleggen, die ten hoogste tien werkdagen mag bedragen, op basis van de bijzondere situatie van een kredietinstelling, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van haar werkzaamheden.
  [1 De in het kapitaalconserveringsplan te verstrekken informatie is opgenomen in artikel 4 van Bijlage V bij deze wet.]1  
Art. 104 DROIT FUTUR.    [1 Lorsqu'un établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96 et/ou, s'il s'agit d'un EISm, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlement n° 575/2013, il en informe l'autorité de contrôle et établit un plan de conservation des fonds propres visant à augmenter ceux-ci ou, le cas échéant, prévoyant des mesures ayant pour effet de diminuer l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 et/ou l'exigence de coussin lié au ratio de levier de l'établissement, par la réduction de son profil de risque.]1
  L'établissement soumet ce plan, pour approbation, à l'autorité de contrôle au plus tard cinq jours ouvrables après avoir constaté qu'il ne satisfaisait pas à l'exigence précitée. L'autorité de contrôle peut fixer un délai supplémentaire pouvant aller jusqu'à dix jours ouvrables sur base de la situation particulière d'un établissement de crédit, tenant compte de l'ampleur et de la complexité de ses activités.
  [1 Les informations à fournir dans le plan de conservation des fonds propres sont précisées à l'article 4 de l'Annexe V de la présente loi.]1  
Art.105. § 1. De toezichthouder keurt het kapitaalconserveringsplan goed indien hij van oordeel is dat de uitvoering ervan de instelling redelijkerwijze zou moeten toelaten, binnen de termijn die hij gepast acht, daadwerkelijk te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer [1 en/of aan het hefboomratiobuffervereiste]1.
  § 2. Indien hij van oordeel is dat de uitvoering van het plan niet redelijkerwijze kan voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer [1 en/of aan het hefboomratiobuffervereiste]1 binnen voormelde termijn, kan de toezichthouder
  - eisen dat de betrokken instelling tot een verhoging van haar eigen vermogen overgaat tot het niveau dat hij noodzakelijk acht, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die hij bepaalt; en/of
  - striktere beperkingen opleggen aan de uitkeringen dan deze die zijn bepaald met toepassing van artikel 101 [1 en/of artikel 102/4]1.
  
Art.105. § 1er. L'autorité de contrôle approuve le plan de conservation des fonds propres si elle considère que sa mise en oeuvre devrait raisonnablement permettre à l'établissement de satisfaire de manière effective, dans le délai qu'elle juge approprié, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 [1 et/ou à l'exigence de coussin lié au ratio de levier]1.
  § 2. Si elle estime que la mise en oeuvre du plan n'est pas de nature à raisonnablement satisfaire à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 [1 et/ou à l'exigence de coussin lié au ratio de levier]1 dans le délai précité, l'autorité de contrôle peut
  - requérir que l'établissement concerné procède à l'augmentation de ses fonds propres jusqu'au niveau qu'elle estime nécessaire, dans le délai et selon les modalités qu'elle détermine; et/ou
  - imposer des restrictions aux distributions plus strictes que celles prévues par application de l'article 101 [1 et/ou de l'article 102/4]1.
  
HOOFDSTUK VI. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
CHAPITRE VI. - Des informations périodiques et des règles comptables
Art.106. § 1. De kredietinstellingen leggen hun jaarrekening neer bij de Bank.
  De Koning bepaalt, op advies van de Bank :
  1° volgens welke regels de kredietinstellingen hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken;
  2° de regels die door de kredietinstellingen moeten worden nageleefd voor het opmaken, controleren en openbaar maken van hun geconsolideerde jaarrekening, alsook voor het opmaken en openbaar maken van het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening.
  De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de toepassingsmodaliteiten vastleggen van de regels bepaald in de in het tweede lid bedoelde koninklijke besluiten.
  § 2. De kredietinstellingen leggen aan de toezichthouder periodiek een gedetailleerde financiële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de toezichthouder, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de toezichthouder voorschrijven dat hem geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of van Verordening nr. 575/2013 zijn nageleefd.
  Het directiecomité verklaart aan de toezichthouder dat de voornoemde periodieke staten die de instelling hem aan het einde van het eerste halfjaar en aan het einde van het boekjaar overmaakt, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe moeten de periodieke staten
  - volledig zijn; zij bevatten alle gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij worden opgesteld, en
  - juist zijn; zij stemmen exact overeen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld.
  Het directiecomité bevestigt het nodige te hebben gedaan opdat de voornoemde staten opgemaakt zijn volgens de richtlijnen van de toezichthouder en met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
  § 3. De leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn zowel jegens de vennootschap als jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van de overtreding van de ter uitvoering van paragraaf 1, tweede lid [1 vastgestelde]1 bepalingen.
  Wat de overtredingen betreft waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de leden van het wettelijk bestuursorgaan slechts van de in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid ontheven indien hen geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen hebben aangeklaagd, naargelang het geval, op de eerste algemene vergadering of de eerstkomende zitting van het wettelijk bestuursorgaan nadat zij er kennis van hebben gekregen.
  § 4. Voor bepaalde categorieën van kredietinstellingen of in bijzondere gevallen kan de toezichthouder afwijkingen toestaan van de in paragraaf 1, tweede lid en paragraaf 2, eerste lid bedoelde regels.
  § 5. De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de kredietinstellingen via hun representatieve beroepsverenigingen.
  
Art.106. § 1er. Les établissements de crédit déposent leurs comptes annuels à la Banque.
  Le Roi détermine, sur avis de la Banque :
  1° les règles selon lesquelles les établissements de crédit tiennent leur comptabilité, procèdent aux évaluations d'inventaire et établissent leurs comptes annuels;
  2° les règles à respecter par les établissements de crédit pour l'établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l'établissement et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés.
  La Banque peut, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités d'application des règles définies par les arrêtés royaux visés à l'alinéa 2.
  § 2. Les établissements de crédit communiquent périodiquement à l'autorité de contrôle une situation financière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux règles fixées par l'autorité de contrôle, qui en détermine également la fréquence. L'autorité de contrôle peut, en outre, prescrire la transmission régulière d'autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci ou du Règlement n° 575/2013.
  Le comité de direction déclare à l'autorité de contrôle que les états périodiques précités qui lui sont transmis par l'établissement à la fin du premier semestre social et à la fin de l'exercice social, sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. A cet effet, les états périodiques sont
  - complets; ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et
  - corrects; ils concordent exactement avec la comptabilité et les inventaires sur la base desquels ils sont établis.
  Le comité de direction confirme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les instructions de l'autorité de contrôle, ainsi qu'en application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels, ou, s'agissant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fin de l'exercice, par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice.
  § 3. Les membres de l'organe légal d'administration sont solidairement responsables aussi bien envers la société qu'envers les tiers, de tous dommages et intérêts résultant d'infractions aux dispositions prises en exécution du paragraphe 1er alinéa 2.
  En ce qui concerne les infractions auxquelles ils n'ont pas pris part, les membres de l'organe légal d'administration ne sont déchargés de la responsabilité visée à l'alinéa 1er que si aucune faute ne leur est imputable et s'ils ont dénoncé ces infractions selon le cas, lors de la première assemblée générale ou lors de la première séance de l'organe légal d'administration suivant le moment où ils en ont eu connaissance.
  § 4. L'autorité de contrôle peut, pour certaines catégories d'établissements de crédit ou dans des cas particuliers, autoriser des dérogations aux règles prévues aux paragraphe 1er, alinéa 2 et paragraphe 2, alinéa 1er.
  § 5. Les arrêtés et règlements prévus au présent article sont pris après consultation des établissements de crédit représentés par leurs associations professionnelles.
Art. 106/1. [1 Onverminderd artikel 106, stellen de kredietinstellingen bedoeld in artikel 17, § 2, van de wet van 20 december 2024 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU, de toezichthouder tweemaal per jaar in kennis van ten minste de in voormeld artikel 17, § 2, bedoelde informatie.
   De toezichthouder kan voorschrijven dat de in het eerste lid bedoelde kredietinstellingen de in dat lid bedoelde informatie op kwartaalbasis verstrekken wanneer zij dat nodig acht, ook om beter toezicht te houden op een groot aantal overdrachten die tijdens een crisisperiode kunnen plaatsvinden.
   Tenzij de kredietnemer in België woont of er zijn statutaire zetel heeft gevestigd, bezorgt de toezichthouder de FSMA de informatie die haar is meegedeeld overeenkomstig het eerste en tweede lid.
   Dit artikel wordt toegepast in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) en Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG.]1

  
Art. 106/1. [1 Sans préjudice de l'article 106, les établissements de crédit visés à l'article 17, § 2, de la loi du 20 décembre 2024 transposant la directive (UE) 2021/2167 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2021 sur les gestionnaires de crédits et les acheteurs de crédits, et modifiant les directives 2008/48/CE et 2014/17/UE, communiquent semestriellement à l'autorité de contrôle au moins les informations visées à l'article 17, § 2, précité.
   L'autorité de contrôle peut exiger des établissements de crédit visés à l'alinéa 1er qu'ils lui communiquent trimestriellement les informations visées dans ledit alinéa, chaque fois que cela lui semblera nécessaire, notamment pour mieux surveiller les nombreux transferts qui peuvent avoir lieu en période de crise.
   Sauf dans le cas où l'emprunteur est domicilié ou a son siège statutaire établi en Belgique, l'autorité de contrôle transmet à la FSMA les informations qui lui sont communiquées conformément aux alinéas 1er et 2.
   Le présent article s'applique conformément au règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) et au règlement (UE) 2018/1725 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2018 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel par les institutions, organes et organismes de l'Union et à la libre circulation de ces données, et abrogeant le règlement (CE) n° 45/2001 et la décision n° 1247/2002/CE.]1

  
Art.107. De Bank publiceert periodiek en ten minste viermaal per jaar een totaalstaat voor de kredietinstellingen volgens de regels die zij vaststelt na raadpleging van de kredietinstellingen via hun representatieve beroepsverenigingen.
Art.107. La Banque publie périodiquement et au moins quatre fois par an une situation globale des établissements de crédit selon les règles qu'elle arrête après consultation des établissements de crédit représentés par leurs associations professionnelles.
HOOFDSTUK VII. - Herstelplannen
CHAPITRE VII. - Plans de redressement
Afdeling I. - Opmaak van herstelplannen
Section Ire. - Etablissement des plans de redressement
Art.108. [1 § 1. De kredietinstelling waarvoor geen groepsherstelplan wordt opgesteld, stelt een herstelplan op met maatregelen die door de instelling kunnen worden uitgevoerd voor het herstel van haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan, en actualiseert dit plan. [2 Het herstelplan vermeldt ook de mogelijke maatregelen die de kredietinstelling moet nemen als aan de voorwaarden bedoeld in artikel 234, § 1, voor het opleggen van herstelmaatregelen is voldaan.]2
   De kredietinstelling deelt het herstelplan mee aan de toezichthouder.
   § 2. Kredietinstellingen waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld, dienen een herstelplan op individuele basis op te stellen indien de bevoegde autoriteiten daartoe besloten hebben overeenkomstig artikel 435, § 1 of § 3, artikel 436, § 3 of in de zin van artikel 8, lid 2 of lid 4 van Richtlijn 2014/59/EU.]1

  
Art.108. [1 § 1er. L'établissement de crédit pour lequel il n'est pas établi de plan de redressement de groupe établit et tient à jour un plan de redressement prévoyant les mesures susceptibles d'être mises en oeuvre par l'établissement afin de rétablir sa situation financière à la suite d'une détérioration significative de celle-ci. [2 Le plan de redressement prévoit également les mesures susceptibles d'être prises par l'établissement de crédit dès lors que les conditions visées à l'article 234, § 1er, pour l'adoption de mesures de redressement sont réunies.]2
   L'établissement de crédit communique le plan de redressement à l'autorité de contrôle.
   § 2. Les établissements de crédit pour lesquels il est établi un plan de redressement de groupe doivent établir un plan de redressement individuel conformément aux articles 435, § 1er ou § 3, 436, § 3, ou tel que visé à l'article 8, paragraphes 2 ou 4, de la directive 2014/59/UE si les autorités compétentes en ont ainsi disposé.]1

  
Art.109. Het herstelplan houdt rekening met verschillende scenario's van ernstige macro-economische of financiële crisis, waaronder systeembrede gebeurtenissen, crises die specifiek zijn aan de kredietinstelling, en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt, betrokken zijn.
  Het herstelplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun maar bevat in voorkomend geval een analyse van hoe en wanneer de kredietinstelling een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken. Het plan bepaalt welke activa van de kredietinstelling daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen.
Art.109. Le plan de redressement envisage différents scénarios de crise macro-économique ou financière grave, y compris des événements d'ampleur systémique, des crises spécifiques à l'établissement de crédit et, le cas échéant, des crises impliquant des entités du groupe dont l'établissement de crédit fait partie.
  Le plan de redressement n'envisage aucun soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics mais comporte, le cas échéant, une analyse indiquant comment et à quel moment l'établissement de crédit pourrait recourir aux facilités des banques centrales. Le plan répertorie les actifs de l'établissement de crédit qui pourraient être éligibles comme sûreté à cet effet.
Art.110. § 1. Het herstelplan bevat een raamwerk van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de kredietinstelling, met aanduiding van de momenten waarop de instelling onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.
  Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde indicatoren omvatten een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa van de kredietinstelling, die door de toezichthouder wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid. Het herstelplan vermeldt de corrigerende maatregelen die moeten worden overwogen bij overschrijding van elk van de drempels.
  Teneinde te zorgen voor een toereikend voorwerp voor de uitoefening van het voorrecht bedoeld in artikel 389 en terzelfder tijd de toegang van de kredietinstelling tot haar bronnen van financiering te vrijwaren, bepaalt de toezichthouder voor iedere kredietinstelling een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van haar bezwaarde activa, volgens de definities van de technische uitvoeringsnorm bedoeld in artikel 100, tweede alinea, van Verordening nr. 575/2013.
  Bij de vaststelling van de schaal bedoeld in het tweede lid houdt de toezichthouder rekening met het niveau van de in artikel 389 bedoelde deposito's van de kredietinstelling, met de aard van haar werkzaamheden en met de structuur van haar balans.
  Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 en goedgekeurd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, stelt de Bank de minimum- en maximumdrempels vast waartussen de schalen bedoeld in het tweede lid zich moeten situeren, rekening houdend met de internationale ontwikkelingen in deze materie en de benchmarks die zich daarbij aftekenen.
  § 3. De kredietinstelling kan, wanneer haar wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht :
  1° maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;
  2° geen maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald.
  De kredietinstelling stelt de toezichthouder onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van haar herstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald.
  § 4. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet hem toekent, kan de toezichthouder de kredietinstelling opdragen om een of meer in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de instelling nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen.
Art.110. § 1er. Le plan de redressement comporte une matrice d'indicateurs quantitatifs et qualitatifs d'une détérioration potentielle de la situation financière de l'établissement de crédit, avec indication des moments auxquels l'établissement examine si des mesures correctrices prévues dans le plan doivent être mises en oeuvre.
  A cet effet, le plan de redressement définit des procédures appropriées pour le suivi régulier de l'évolution des indicateurs visés à l'alinéa 1er ainsi que pour l'examen des mesures correctrices à envisager, en ce compris l'éventuel processus d'escalade à suivre.
  § 2. Les indicateurs visés au paragraphe 1er comprennent une échelle progressive de seuils indiquant la proportion des actifs grevés de l'établissement de crédit, déterminée par l'autorité de contrôle conformément à l'alinéa 2. Le plan de redressement indique les mesures correctrices à envisager en cas de dépassement de chacun des seuils.
  En vue d'assurer une assiette adéquate pour l'exercice du privilège visé à l'article 389 et également de préserver l'accès de l'établissement de crédit à ses sources de financement, l'autorité de contrôle détermine, pour chaque établissement de crédit, une échelle progressive de seuils pour la proportion des actifs grevés de celui-ci, selon les définitions de la norme technique d'exécution visée à l'article 100, alinéa 2, du Règlement n° 575/2013.
  Pour déterminer l'échelle visée à l'alinéa 2, l'autorité de contrôle tient compte du niveau des dépôts visés à l'article 389 de l'établissement de crédit, de la nature de ses activités et de la structure de son bilan.
  Par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998 et approuvé par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, la Banque détermine les seuils minimum et maximum dans lesquels doivent s'inscrire les échelles visées à l'alinéa 2, en tenant compte des développements internationaux en la matière et des niveaux de référence qui s'en dégagent.
  § 3. L'établissement de crédit peut, lorsque son organe légal d'administration le juge approprié au vu des circonstances :
  1° prendre des mesures au titre de son plan de redressement alors qu'il n'est pas satisfait à l'indicateur correspondant;
  2° s'abstenir de prendre une mesure au titre de son plan de redressement alors qu'il est satisfait à l'indicateur correspondant.
  L'établissement de crédit informe l'autorité de contrôle sans délai de toute décision de prendre une mesure dans le cadre de la mise en oeuvre de son plan de redressement ou de s'abstenir de prendre une telle mesure alors qu'il est satisfait à l'indicateur correspondant.
  § 4. Sans préjudice des autres pouvoirs qui lui sont conférés par la présente loi, l'autorité de contrôle peut enjoindre à l'établissement de crédit de prendre une ou plusieurs mesures correctrices prévues dans son plan de redressement si l'établissement reste en défaut de prendre les mesures adéquates de sa propre initiative.
Art.111. De kredietinstelling actualiseert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in haar juridische of organisatiestructuur, haar werkzaamheden of haar financiële positie die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.
  [2 In afwijking op het eerste lid, dienen de kredietinstellingen het herstelplan ten minste om de twee jaar te actualiseren indien hen vereenvoudigde verplichtingen werden toegestaan ingevolge de door de toezichthouder gemaakte analyse met toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2019/348 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria voor het beoordelen van het effect van het falen van een instelling op de financiële markten, op andere instellingen en op de financieringsvoorwaarden.]2
  [2 De toezichthouder kan, wanneer de omstandigheden dit vereisen, van de kredietinstelling eisen dat zij haar herstelplan vaker actualiseert dan bepaald in de vorige leden. In elk geval eist de toezichthouder een actualisering van het herstelplan indien de hypotheses die in het herstelplan zijn beschreven anders zijn dan de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het nemen van maatregelen bedoeld in artikel 234, § 2.]2
  
Art.111. L'établissement de crédit actualise le plan de redressement au moins une fois par an et en toute hypothèse après toute modification de sa structure juridique ou organisationnelle, de ses activités ou de sa situation financière susceptible d'avoir un impact significatif sur le plan ou qui impose de le modifier.
  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, les établissements de crédit sont tenus d'actualiser le plan de redressement au moins tous les deux ans s'ils ont été autorisés à bénéficier d'obligations simplifiées à la suite de l'analyse opérée par l'autorité de contrôle en application du règlement délégué (UE) n° 2019/348 de la Commission du 25 octobre 2018 complétant la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de réglementation précisant les critères à appliquer pour évaluer l'impact de la défaillance d'un établissement sur les marchés financiers, sur d'autres établissements et sur les conditions de financement.]2
  [2 L'autorité de contrôle peut, lorsque les circonstances le requièrent, exiger que l'établissement de crédit actualise le plan de redressement plus fréquemment que ce qui est prévu aux alinéas précédents. L'autorité de contrôle exige en tout état de cause de l'établissement de crédit qu'il actualise le plan de redressement lorsque les hypothèses établies dans ledit plan de redressement diffèrent des circonstances ayant conduit à prendre les mesures visées à l'article 234, § 2.]2]1
  
Art.112. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 [1 kan de Bank de nadere regels bepalen inzake :]1
  1° de minimuminhoud van het herstelplan;
  2° de informatie die door de kredietinstellingen aan de toezichthouder moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.
  [2 De toezichthouder kan de kredietinstellingen verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden aangaande financiële contracten waarbij zij partij zijn.]2
  
Art.112. Par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque [1 peut préciser]1 :
  1° le contenu minimal du plan de redressement;
  2° les informations à transmettre par les établissements de crédit à l'autorité de contrôle et la fréquence à laquelle celles-ci lui sont transmises.
  [2 L'autorité de contrôle peut exiger des établissements de crédit qu'ils tiennent des registres détaillés des contrats financiers auxquels ils sont parties.]2
  
Art.113. [1 § 1. De toezichthouder kan de volgende instellingen vrijstellen van de verplichtingen krachtens deze Afdeling :
   1° de instellingen die lid zijn van een institutioneel beschermingsstelsel, waaronder wordt verstaan een door bepaalde kredietinstellingen op vrijwillige basis ingestelde onderlinge waarborgregeling;
   2° de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1.
   § 2. Wanneer de toezichthouder een vrijstelling verleent met toepassing van paragraaf 1, past hij de in deze Afdeling bepaalde vereisten toe op basis van de algemene situatie van respectievelijk het institutioneel beschermingsstelsel en de vrijgestelde leden ervan, of de centrale instelling en de bij deze instelling aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 239.
   § 3. De instellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan of de instellingen waarvan de werkzaamheden een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uitmaken, kunnen niet worden vrijgesteld uit hoofde van paragraaf 1. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de werkzaamheden van een instelling geacht een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uit te maken indien voldaan is aan een van de volgende voorwaarden :
   1° de totale waarde van haar activa is groter dan 30.000.000.000 EUR; of
   2° de verhouding tussen haar totale activa en het bruto binnenlands product is groter dan 20 %.
   § 4. De toezichthouder kan een kredietinstelling toestaan af te wijken van de verplichtingen van deze Afdeling inzake de inhoud van het herstelplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling alsmede van de termijn bepaald in artikel 114, § 2, of in artikel 416, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de kredietinstelling in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de [4 financieringsvoorwaarden]4 en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de toezichthouder in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten. [3 De toezichthouder verricht deze beoordeling na raadpleging, indien passend, van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiële autoriteit.]3
   De toezichthouder kan een afwijking toegekend met toepassing van het eerste lid te allen tijde weer intrekken. Hij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de betrokken kredietinstelling.
   § 5. De met toepassing van paragraaf 4 toegekende afwijkingen mogen in geen geval betrekking hebben op de verplichtingen inzake de progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa, als bedoeld in artikel 110, § 2, tweede en derde lid.]1

  [2 § 6. De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de wijze waarop hij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.]2
  
Art.113. [1 § 1er. L'autorité de contrôle peut exempter les établissements suivants des obligations en vertu de la présente Section :
   1° les établissements membres d'un système de protection institutionnelle, entendu comme un système de garantie mutuelle institué sur une base volontaire par certains établissements de crédit;
   2° les établissements de crédit visés à l'article 239, § 1er.
   § 2. Lorsqu'elle accorde une exemption en application du paragraphe 1er, l'autorité de contrôle applique les exigences prévues par la présente Section sur la base de la situation globale, respectivement, du système de protection institutionnelle et de ses membres exemptés, ou de l'organisme central et de ses établissements de crédit affiliés visés à l'article 239.
   § 3. Les établissements soumis à la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphes 4 et 5, b), du Règlement MSU ou les établissements dont les activités constituent une part importante du système financier belge ne peuvent être exemptés au titre du paragraphe 1er. Aux fins du présent paragraphe, les activités d'un établissement sont réputées constituer une part importante du système financier belge si l'une des conditions suivantes est remplie :
   1° la valeur totale de ses actifs dépasse 30.000.000.000 EUR; ou
   2° le ratio entre ses actifs totaux et le produit intérieur brut est supérieur à 20 %.
   § 4. L'autorité de contrôle peut autoriser un établissement de crédit à déroger aux obligations prévues par la présente Section en matière de contenu du plan de redressement, de fréquence d'actualisation du plan ou d'informations à fournir par l'établissement de crédit ainsi qu'au délai prévu à l'article 114, § 2, ou à l'article 416, dans la mesure où une telle dérogation se justifie au regard de l'impact que la défaillance et la liquidation de l'établissement de crédit dans le cadre d'une procédure de liquidation sont susceptibles d'avoir sur les marchés financiers, sur d'autres établissements de crédit, sur les conditions de financement ou plus généralement sur l'économie. A cet effet, l'autorité de contrôle tient compte notamment de la nature des activités de l'établissement de crédit, de la structure de son actionnariat, de sa forme juridique, de son profil de risque, de sa taille et de son statut juridique, de son interconnexion avec d'autres établissements de crédit ou l'ensemble du système financier, du périmètre et de la complexité de ses activités et de son exercice éventuel de services ou d'activités d'investissement. [3 L'autorité de contrôle réalise cette évaluation après consultation, le cas échéant, de la Banque en sa qualité d'autorité macroprudentielle.]3
   L'autorité de contrôle peut à tout moment retirer le bénéfice d'une dérogation accordée en application de l'alinéa 1er. Elle évalue la nécessité et l'opportunité de maintenir les dérogations accordées au moins une fois par an et après une modification de la structure juridique ou organisationnelle, des activités ou de la situation financière de l'établissement de crédit concerné.
   § 5. Les dérogations accordées en application du paragraphe 4 ne peuvent en aucun cas porter sur les obligations en matière d'échelle progressive de seuils pour la proportion des actifs grevés, tel que visé à l'article 110, § 2, alinéas 2 et 3.]1

  [2 § 6. L'autorité de contrôle informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions de cet article.]2
  
Afdeling II. - Beoordeling van herstelplannen
Section II. - Evaluation des plans de redressement
Art.114. § 1. Het herstelplan wordt door het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling onderzocht en goedgekeurd alvorens het aan de toezichthouder wordt voorgelegd.
  § 2. De kredietinstelling legt haar eerste herstelplan aan de toezichthouder voor binnen zes maanden vanaf de datum van haar vergunning.
  Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de kredietinstelling aan de toezichthouder een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de toezichthouder deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.
  Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de kredietinstelling die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de kredietinstelling de toezichthouder hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de toezichthouder wordt meegedeeld.
  § 3. De toezichthouder bezorgt het herstelplan en elk geactualiseerd plan aan de afwikkelingsautoriteit.
  De afwikkelingsautoriteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van het plan aanbevelingen richten aan de toezichthouder over de maatregelen bepaald in het plan die de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling negatief kunnen beïnvloeden.
Art.114. § 1er. Le plan de redressement est examiné et approuvé par l'organe légal d'administration de l'établissement de crédit avant qu'il ne soit soumis à l'autorité de contrôle.
  § 2. L'établissement de crédit soumet son premier plan de redressement à l'autorité de contrôle dans les six mois à compter de la date de son agrément.
  Sous réserve de ce qui est prévu à l'alinéa 3, l'établissement de crédit soumet un plan actualisé à l'autorité de contrôle dans les deux mois qui suivent le fait ayant donné naissance à l'obligation de mise à jour du plan, étant entendu que l'autorité de contrôle peut étendre ce délai jusqu'à six mois.
  Dans l'hypothèse où le fait ayant donné naissance à l'obligation de mise à jour du plan est une modification de la situation financière de l'établissement de crédit susceptible d'avoir un impact significatif sur le plan, celui-ci en informe l'autorité de contrôle sans délai et soumet un plan actualisé dans le délai que lui communique l'autorité de contrôle.
  § 3. L'autorité de contrôle transmet le plan de redressement et chaque plan actualisé à l'autorité de résolution.
  L'autorité de résolution peut, dans les trente jours de la réception du plan, formuler à l'intention de l'autorité de contrôle des recommandations sur les mesures prévues par le plan qui sont susceptibles d'avoir une incidence négative sur la résolvabilité de l'établissement de crédit.
Art.115. § 1. Binnen zes maanden na ontvangst van het herstelplan, onderzoekt de toezichthouder dit plan en beoordeelt hij of het voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens de artikelen 108 tot 113.
  Hierbij evalueert de toezichthouder inzonderheid of het herstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat :
  1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt, in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de instelling heeft getroffen of voornemens is te treffen;
  2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere instellingen.
  Bij zijn evaluatie van het herstelplan besteedt de toezichthouder bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de instelling in verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisatiestructuur en tot haar risicoprofiel.
  § 2. Indien de toezichthouder oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt hij de kredietinstelling daarvan in kennis en, nadat hij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt hij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De toezichthouder kan voornoemde termijn van twee maanden met maximum één maand verlengen.
  § 3. Indien de toezichthouder oordeelt dat de door hem geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene plan, kan hij de kredietinstelling gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding aan de instelling, specifieke wijzigingen in het herstelplan aan te brengen.
Art.115. § 1er. Dans les six mois de la réception du plan de redressement, l'autorité de contrôle examine ce plan et évalue s'il satisfait aux exigences prévues par ou en vertu des articles 108 à 113.
  A cet effet, l'autorité de contrôle évalue notamment si le plan de redressement permet de raisonnablement s'attendre à ce que :
  1° la mise en oeuvre des mesures prévues dans le plan est de nature à maintenir ou rétablir la viabilité et la position financière de l'établissement de crédit ou du groupe dont il fait partie, compte tenu des mesures préparatoires que l'établissement a prises ou a prévu de prendre;
  2° le plan et les différentes options qui y sont prévues sont susceptibles d'être mis en oeuvre rapidement et de manière efficace dans des situations de crise financière, en évitant, dans toute la mesure du possible, des effets négatifs significatifs sur le système financier, en ce compris dans des scénarios impliquant la mise en oeuvre concomitante de plans de redressement d'autres établissements.
  Dans son évaluation du plan de redressement, l'autorité de contrôle porte une [1 attention particulière à l'adéquation]1 de la structure du capital et du financement de l'établissement de crédit par rapport au degré de complexité de sa structure organisationnelle et à son profil de risque.
  § 2. Si l'autorité de contrôle considère que le plan de redressement présente des lacunes importantes, ou qu'il existe des obstacles significatifs à sa mise en oeuvre, elle en informe l'établissement de crédit et, après lui avoir donné l'opportunité d'exprimer son point de vue, l'invite à soumettre, dans les deux mois, un plan révisé dans lequel il est remédié à ces lacunes ou obstacles. L'autorité de contrôle peut prolonger le délai précité de deux mois de maximum un mois.
  § 3. Si l'autorité de contrôle considère que le plan révisé conformément au paragraphe 2 ne permet pas de remédier efficacement aux lacunes ou obstacles qu'elle a identifiés, elle peut enjoindre à l'établissement de crédit d'apporter, dans les trente jours de la notification de ce constat à cet établissement, des modifications spécifiques au plan de redressement.
  
Art.116. § 1. Indien de kredietinstelling binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in artikel 115, § 2, of indien de toezichthouder oordeelt dat het herziene herstelplan dat werd ingediend overeenkomstig artikel 115, § 2, de door hem geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt en het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig artikel 115, § 3, stelt de toezichthouder de kredietinstelling daarvan in kennis en vereist hij dat zij binnen dertig dagen bepaalt welke wijzigingen zij in haar werkzaamheden kan aanbrengen om deze tekortkomingen of belemmeringen te verhelpen.
  § 2. Indien de toezichthouder oordeelt dat de wijzigingen voorgesteld door de kredietinstelling met toepassing van paragraaf 1, de door hem geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpen, kan hij, onverminderd andere maatregelen bepaald door of krachtens deze wet, de kredietinstelling gelasten elke maatregel te treffen die hij noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen.
  De toezichthouder kan de kredietinstelling inzonderheid gelasten om :
  1° haar risicoprofiel, met inbegrip van het liquiditeitsrisico, te verminderen;
  2° snelle herkapitalisatiemaatregelen mogelijk te maken;
  3° haar strategie en haar structuur te herzien;
  4° wijzigingen in haar financieringsstrategie aan te brengen om de robuustheid van haar kernactiviteiten en haar kritieke functies te vergroten;
  5° wijzigingen in haar governancestructuur aan te brengen.
  De beslissing van de toezichthouder wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de kredietinstelling.
Art.116. § 1er. Si l'établissement de crédit ne donne pas suite, dans le délai imparti, à l'invitation visée à l'article 115, § 2, ou si l'autorité de contrôle considère que le plan de redressement révisé soumis conformément à l'article 115, § 2, ne permet pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu'elle a identifiés et qu'il n'est pas possible d'y remédier efficacement par une injonction donnée conformément à l'article 115, § 3, l'autorité de contrôle en informe l'établissement de crédit et requiert de celui-ci qu'il détermine, dans les trente jours, les changements qu'il peut apporter à ses activités afin de remédier à ces lacunes ou obstacles.
  § 2. Si l'autorité de contrôle considère que les changements proposés par l'établissement de crédit en application du paragraphe 1er ne permettent pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu'elle a identifiés, elle peut, sans préjudice d'autres mesures prévues par ou en vertu de la présente loi, enjoindre à l'établissement de crédit de prendre toute mesure qu'elle juge nécessaire et proportionnée pour mettre fin à ces lacunes ou obstacles.
  L'autorité de contrôle peut notamment enjoindre à l'établissement de crédit de :
  1° réduire son profil de risque, en ce compris le risque de liquidité;
  2° permettre des mesures de recapitalisation rapides;
  3° revoir sa stratégie et sa structure;
  4° modifier sa stratégie de financement afin d'accroître la robustesse de ses activités fondamentales et de ses fonctions critiques;
  5° modifier sa structure de gouvernance.
  La décision de l'autorité de contrôle est notifiée par écrit à l'établissement de crédit.
HOOFDSTUK VIII. - Structuur van de activiteiten
CHAPITRE VIII. - De la structure des activités
Afdeling I. - Toepassingsgebied en definities
Section Ire. - Champ d'application et définitions
Art.117. [1 Dit Hoofdstuk is van toepassing op kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, die deposito's aantrekken of schuldinstrumenten uitgeven die gedekt zijn door de Belgische depositobeschermingsregeling bedoeld in artikel 380.]1
  
Art.117. [1 Le présent Chapitre s'applique aux établissements de crédit de droit belge au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, qui récoltent des dépôts ou émettent des titres de créance qui sont couverts par le système belge de protection des dépôts visé à l'article 380.]1
  
Art.118. § 1. Voor de toepassing van dit Hoofdstuk en van de besluiten en reglementen vastgesteld ter uitvoering ervan, dient te worden verstaan onder :
  1° handel voor eigen rekening : de handel in financiële instrumenten met gebruik van eigen kapitaal, in het kader van de handelsportefeuille zoals bepaald in artikel 4, lid 1, 86) van Verordening nr. 575/2013;
  2° op geconsolideerde basis : op basis van de geconsolideerde toestand van de groep of subgroep gevormd door een kredietinstelling en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen;
  3° consolidatieperimeter : de groep of subgroep gevormd door een kredietinstelling en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen;
  4° handelsentiteit : elke onderneming verbonden met een kredietinstelling, buiten haar consolidatieperimeter, waarvan de handelsactiviteiten voor eigen rekening de drempels overschrijden die bepaald zijn in een reglement vastgesteld door de Bank met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
  § 2. Voor de aangelegenheden die onder dit Hoofdstuk vallen, wordt over elk koninklijk besluit bedoeld in artikel 12bis, § 2, derde lid van de wet van 22 februari 1998 beraadslaagd in de Ministerraad.
Art.118. § 1er. Pour l'application du présent Chapitre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre par :
  1° négociation pour compte propre, la négociation d'instruments financiers en engageant ses propres capitaux, dans le cadre du portefeuille de négociation tel que défini à l'article 4, paragraphe 1, 86) du Règlement n° 575/2013;
  2° sur une base consolidée, sur la base de la situation consolidée du groupe ou sous-groupe constitué par un établissement de crédit et ses filiales belges et étrangères;
  3° périmètre de consolidation, le groupe ou sous-groupe constitué par un établissement de crédit et ses filiales belges et étrangères;
  4° entité de négociation, toute entreprise liée à un établissement de crédit, en dehors de son périmètre de consolidation, dont les activités de négociation pour compte propre dépassent les seuils fixés dans un règlement pris par la Banque en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
  § 2. Dans les matières relevant du présent Chapitre, tout arrêté royal visé à l'article 12bis, § 2, alinéa 3, de la loi du 22 février 1998 est délibéré en Conseil des ministres.
Afdeling II. - Verbod van handelsactiviteiten voor eigen rekening
Section II. - Interdiction d'activités de négociation pour compte propre
Art.119. Vanaf 1 januari 2015 mag geen enkele kredietinstelling handelsactiviteiten voor eigen rekening uitoefenen, noch rechtstreeks noch via Belgische of buitenlandse dochterondernemingen.
Art.119. A partir du 1er janvier 2015, il est interdit à tout établissement de crédit d'exercer des activités de négociation pour compte propre, que ce soit directement ou par l'intermédiaire de filiales belges ou étrangères.
Art.120. Voor de toepassing van dit Hoofdstuk worden met handelsactiviteiten voor eigen rekening gelijkgesteld de verrichtingen en verbintenissen voor eigen rekening, zonder toereikende zekerheden, aangegaan met :
  a) [1 AICB's die in aanzienlijke mate met hefboomfinanciering werken zoals bedoeld in artikel 111 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 van de Commissie van 19 december 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van vrijstellingen, algemene voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening, bewaarders, hefboomfinanciering, transparantie en toezicht]1 of soortgelijke beleggingsvehikels die beantwoorden aan de karakteristieken bepaald in een reglement van de FSMA; of
  b) instellingen voor collectieve belegging met beleggingen in of blootstelling aan één of meer instellingen of vehikels als bedoeld in punt a) boven een drempel bepaald in een reglement vastgesteld door de Bank met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
  
Art.120. Pour l'application du présent Chapitre, sont assimilées à des activités de négociation pour compte propre les opérations et engagements pour compte propre, non assortis de sûretés adéquates, conclus avec :
  a) [1 des OPCA recourant à l'effet de levier de manière substantielle tels que visés à l'article 111 du règlement délégué (UE) n° 231/2013 de la Commission du 19 décembre 2012 complétant la directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les dérogations, les conditions générales d'exercice, les dépositaires, l'effet de levier, la transparence et la surveillance]1 ou des véhicules d'investissement similaires répondant aux caractéristiques fixées dans un règlement de la FSMA; ou
  b) des organismes de placement collectif ayant investi ou étant exposés dans un ou plusieurs des organismes ou véhicules visés au point a) au-delà d'un seuil fixé dans un règlement pris par la Banque en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
  
Art.121. § 1. Onder voorbehoud van artikel 123, geldt het verbod bepaald in artikel 119 niet voor verrichtingen in financiële instrumenten die een onderdeel vormen van de volgende activiteiten, voor zover die verrichtingen voldoen aan de voorwaarden bepaald in paragraaf 2 :
  1° het verlenen aan cliënten van beleggingsdiensten en nevendiensten, zoals bepaald [1 in artikel 2, 1°, 2 en 4 tot 8, en 2° van de wet van 25 oktober 2016]1, die erop gericht zijn om te voldoen aan de financierings-, indekkings- of beleggingsbehoeften van de cliënten;
  2° de activiteiten van marketmaking die bestaan in de regelmatige en doorlopende aanwezigheid, op een gereglementeerde markt of in een multilaterale handelsfaciliteit waarvan hij lid is, van een marktdeelnemer die vaste bied- en laatkoersen aanbiedt voor financiële instrumenten, met een verbintenis van zijn kant om tegen deze prijzen als tegenpartij op te treden voor minimumhoeveelheden, teneinde liquiditeit te scheppen in de betrokken markt, voor zover deze marktdeelnemer door de marktonderneming of de beleggingsonderneming die de betrokken markt of de multilaterale handelsfaciliteit exploiteert, wordt geattesteerd als marketmaker;
  3° de activiteiten tot indekkings van de eigen risico's van de kredietinstelling of van haar dochterondernemingen, met inbegrip van de risico's verbonden aan de activiteiten bedoeld in 1°, 2°, 4° en 5° ;
  4° het gezond en voorzichtig beheer van de liquide middelen van de kredietinstelling en haar dochterondernemingen;
  5° de aan- en verkoop van financiële instrumenten verworven met het oogmerk om op duurzame wijze te worden aangehouden.
  § 2. Om vrijgesteld te zijn van het verbod bepaald in artikel 119 moeten de verrichtingen in financiële instrumenten bedoeld in paragraaf 1 aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° zij moeten worden uitgevoerd binnen de risicolimieten en met inachtneming van de omkaderingsmaatregelen bepaald met toepassing van artikel 122;
  2° wat de verrichtingen in het kader van de activiteiten bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3°, betreft, moet de kredietinstelling aantonen dat zij voor haar noodzakelijk zijn om haar intermediërende rol voor haar cliënten te kunnen vervullen;
  3° wat de verrichtingen in het kader van de activiteiten bedoeld in paragraaf 1, 4° en 5°, betreft, moet de kredietinstelling aantonen dat zij noodzakelijk zijn met het oog op een gezond en voorzichtig beheer van de betrokken liquiditeiten of investeringen.
  
Art.121. § 1er. Sous réserve de l'article 123, l'interdiction prévue à l'article 119 ne s'applique pas aux opérations sur instruments financiers qui font partie des activités suivantes, pour autant que ces opérations répondent aux conditions prévues au paragraphe 2 :
  1° la fourniture aux clients de services d'investissement et services auxiliaires, tels que définis [1 à l'article 2, 1°, 2 et 4 à 8, et 2° de la loi du 25 octobre 2016]1, visant à répondre aux besoins de financement, de couverture ou d'investissement des clients;
  2° les activités de tenue de marché consistant en la présence régulière et continue, sur un marché réglementé ou dans un système multilatéral de négociation dont il est membre, d'un intervenant qui offre des prix d'achat et de vente fermes pour des instruments financiers, assortis d'un engagement de sa part de se porter contrepartie à ces prix sur des quantités minimales, aux fins d'apporter de la liquidité au marché concerné, pour autant que cet intervenant soit certifié en tant que teneur de marché par l'entreprise de marché ou l'entreprise d'investissement qui exploite le marché ou le système multilatéral de négociation en question;
  3° les activités de couverture des risques propres de l'établissement de crédit ou de ses filiales, en ce compris les risques liés aux activités visées aux 1°, 2°, 4° et 5° ;
  4° la gestion saine et prudente des liquidités de l'établissement de crédit et de ses filiales;
  5° l'achat et la vente d'instruments financiers acquis dans l'intention de les conserver durablement.
  § 2. Pour être exemptées de l'interdiction prévue à l'article 119, les opérations sur instruments financiers visées au paragraphe 1er doivent répondre aux conditions suivantes :
  1° elles doivent s'effectuer à l'intérieur des limites de risque et dans le respect des mesures d'encadrement fixées en application de l'article 122;
  2° s'agissant des opérations effectuées dans le cadre des activités visées au paragraphe 1er, 1° à 3°, l'établissement de crédit doit démontrer qu'elles sont nécessaires pour qu'il puisse remplir son rôle d'intermédiaire auprès de ses clients;
  3° s'agissant des opérations effectuées dans le cadre des activités visées au paragraphe 1er, 4° et 5°, l'établissement de crédit doit démontrer qu'elles sont nécessaires en vue d'une gestion saine et prudente des liquidités ou investissements en question.
  
Art.122. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 bepaalt de Bank de risicolimieten en de maatregelen voor de omkadering van de verrichtingen in financiële instrumenten bedoeld in artikel 121, § 1.
  Het reglement bedoeld in het eerste lid bepaalt eveneens :
  1° de regels inzake governance en risicobeheer voor elke categorie van verrichtingen bedoeld in artikel 121, § 1;
  2° de specifieke internecontroleprocedures die de kredietinstellingen moeten invoeren om de naleving van de voorwaarden en limieten bepaald door of krachtens de artikelen 121 tot 124 te verzekeren;
  3° de specifieke periodieke rapporteringsverplichtingen van de kredietinstellingen die de toezichthouder in staat stellen om de naleving van voornoemde voorwaarden en limieten te controleren.
Art.122. Par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque fixe les limites de risque et les mesures d'encadrement pour les opérations sur instruments financiers visées à l'article 121, § 1er.
  Le règlement visé à l'alinéa 1er définit également :
  1° les règles de gouvernance et de gestion des risques pour chaque catégorie d'opérations visée à l'article 121, § 1er;
  2° les procédures de contrôle interne spécifiques à mettre en oeuvre par les établissements de crédit en vue d'assurer le respect des conditions et limites fixées par ou en vertu des articles 121 à 124;
  3° les obligations de reporting périodique spécifiques des établissements de crédit permettant à l'autorité de contrôle de contrôler le respect desdites conditions et limites.
Art.123. § 1. De verrichtingen in financiële instrumenten bedoeld in artikel 121, § 1, die niet binnen de risicolimieten blijven die zijn vastgelegd met toepassing van de artikelen 121 en 122, worden beschouwd als verboden handelsactiviteiten voor eigen rekening wanneer de marktrisico's verbonden aan die verrichtingen op individuele basis of op geconsolideerde basis de drempel vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2 overschrijden.
  § 2. De drempel bedoeld in paragraaf 1 wordt vastgesteld als de ratio tussen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's verbonden aan de verrichtingen bedoeld in paragraaf 1 en het totaal van het reglementair eigen vermogen van de kredietinstelling, op individuele of geconsolideerde basis, naargelang het geval.
  De ratio bedoeld in het eerste lid mag niet hoger zijn dan één percent. Bij een in Ministerraad overlegd besluit kan de Koning deze limiet aanpassen volgens de evolutie van de noden van de reële economie.
  Met inachtneming van de maximumratio bedoeld in het tweede lid bepaalt de toezichthouder de drempel bedoeld in paragraaf 1 voor iedere kredietinstelling afzonderlijk, rekening houdend inzonderheid met de werkzaamheden en het risicoprofiel van de kredietinstelling en met de impact van de drempel op de mogelijkheid voor de kredietinstelling om haar ondersteunende rol voor de reële economie te spelen.
  § 3. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, bepaalt de Bank de nadere regels voor de berekening van de ratio bedoeld in paragraaf 2.
  Dit reglement kan, onder de voorwaarden die het bepaalt :
  1° de eigenvermogensvereisten die voortvloeien uit overdrachten binnen de groep die erop gericht zijn om het risicobeheer te centraliseren op het niveau van de kredietinstelling, uitsluiten van de berekening van voornoemde ratio;
  2° toestaan dat de toezichthouder aan de kredietinstelling een termijn verleent om haar toestand te regulariseren in uitzonderlijke omstandigheden die deels aan haar controle ontsnappen.
Art.123. § 1er. Les opérations sur instruments financiers visées à l'article 121, § 1er, qui ne restent pas à l'intérieur des limites de risque fixées en application des articles 121 et 122, sont considérées comme des activités de négociation pour compte propre interdites lorsque, sur une base individuelle ou sur une base consolidée, les risques de marché liés à ces opérations dépassent le seuil fixé conformément au paragraphe 2.
  § 2. Le seuil visé au paragraphe 1er est fixé en termes de ratio d'exigences de fonds propres pour risques de marché liés aux opérations visées au paragraphe 1er sur le total des fonds propres réglementaires de l'établissement de crédit, sur une base individuelle ou sur une base consolidée, selon le cas.
  Le ratio visé à l'alinéa 1er ne peut être supérieur à un pourcent. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi peut adapter cette limite en fonction de l'évolution des besoins de l'économie réelle.
  Dans le respect du ratio maximum visé à l'alinéa 2, l'autorité de contrôle fixe le seuil visé au paragraphe 1er séparément pour chaque établissement de crédit, en tenant compte notamment des activités et du profil de risque de l'établissement de crédit et de l'impact du seuil sur la faculté de l'établissement de crédit de jouer son rôle de soutien à l'économie réelle.
  § 3. Par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque définit les modalités de calcul du ratio visé au paragraphe 2.
  Ce règlement peut, aux conditions qu'il définit :
  1° exclure du calcul du ratio précité les exigences de fonds propres générées par des transferts intra-groupe visant à centraliser la gestion de risques de marché au niveau de l'établissement de crédit;
  2° permettre à l'autorité de contrôle d'accorder à l'établissement de crédit un délai pour régulariser sa situation en cas de circonstances exceptionnelles qui échappent pour partie à sa maîtrise.
Art.124. In afwijking van artikel 119 kan de toezichthouder een kredietinstelling toestaan om, onder de voorwaarden die hij bepaalt, het uitdovend beheer verder te zetten van portefeuilles van financiële instrumenten die op deze manier worden beheerd sedert een datum vóór 1 januari 2014.
Art.124. Par dérogation à l'article 119, l'autorité de contrôle peut autoriser un établissement de crédit, aux conditions qu'elle définit, à poursuivre la gestion extinctive de portefeuilles d'instruments financiers qui ont été gérés de cette façon depuis une date antérieure au 1er janvier 2014.
Art.125. De kredietinstelling draagt de bewijslast om aan de toezichthouder aan te tonen dat haar werkzaamheden of die van haar dochterondernemingen, naargelang het geval, voldoen aan de voorwaarden en limieten bepaald door of krachtens de artikelen 121 tot 124.
Art.125. L'établissement de crédit assume la charge de la preuve pour démontrer à l'autorité de contrôle que ses activités ou celles de ses filiales, selon le cas, répondent aux conditions et limites fixées par ou en vertu des articles 121 à 124.
Art.126. § 1. Binnen dertig dagen vanaf de vaststelling dat de drempel bedoeld in artikel 123 is overschreden, legt de kredietinstelling aan de toezichthouder een plan ter goedkeuring voor met een gedetailleerde beschrijving van hoe zij haar handelsactiviteiten of die van haar dochterondernemingen zal verminderen, stopzetten of overdragen met het oog op de naleving van de bepalingen van dit Hoofdstuk.
  § 2. Te dien einde mogen de handelsactiviteiten voor eigen rekening van de kredietinstelling of haar dochterondernemingen geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan één of meer verbonden ondernemingen buiten de consolidatieperimeter van de kredietinstelling.
  [2 Wanneer aldus handelsactiviteiten voor eigen rekening aan een verbonden onderneming naar Belgisch recht worden overgedragen, dient deze een vergunning als kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° of als beursvennootschap te hebben verkregen overeenkomstig de wet van 25 oktober 2016.]2
  
Art.126. § 1er. Dans les trente jours du constat du franchissement du seuil visé à l'article 123, l'établissement de crédit soumet à l'approbation de l'autorité de contrôle un plan qui décrit de manière détaillée comment il entend diminuer, arrêter ou céder ses activités de négociation ou celles de ses filiales en vue de se conformer aux dispositions du présent Chapitre.
  § 2. A cet effet, les activités de négociation pour compte propre de l'établissement de crédit ou de ses filiales peuvent être transférées en tout ou en partie à une ou plusieurs entreprises liées, en dehors du périmètre de consolidation de l'établissement de crédit.
  [2 Lorsque des activités de négociation pour compte propre sont ainsi transférées à une entreprise liée de droit belge, celle-ci doit être agréée en qualité d'établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ou de société de bourse conformément à la loi du 25 octobre 2016.]2
  
Art.127. § 1. Indien een kredietinstelling nalaat een plan als bedoeld in artikel 126, § 1 voor te leggen, of indien de toezichthouder van oordeel is dat dit plan er niet voor zorgt dat de bepalingen van dit Hoofdstuk op duurzame wijze worden nageleefd, kan de toezichthouder de kredietinstelling gelasten om de corrigerende maatregelen te nemen die hij noodzakelijk acht, met inbegrip van de stopzetting of de overdracht van de betrokken handelsactiviteiten voor eigen rekening.
  § 2. Bij zijn beoordeling van het plan bedoeld in artikel 126, § 1, houdt de toezichthouder rekening met de gevolgen van dit plan voor de stabiliteit van het financiële stelsel en voor de werking van de reële economie.
  § 3. In geval van overdracht van handelsactiviteiten voor eigen rekening aan een onderneming die verbonden is met de kredietinstelling, kan de toezichthouder zijn goedkeuring van het plan bedoeld in artikel 126, § 1 onderwerpen aan voorwaarden die erop gericht zijn om de risico's verbonden aan de uitoefening van die activiteiten door deze onderneming af te schermen.
  § 4. Zodra de toezichthouder het plan bedoeld in artikel 126, § 1, heeft goedgekeurd, brengt hij zijn beslissing ter kennis van de betrokken kredietinstelling en maakt hij die bekend op zijn website.
Art.127. § 1er. Lorsqu'un établissement de crédit reste en défaut de soumettre le plan visé à l'article 126, § 1er, ou si l'autorité de contrôle considère que ce plan ne permet pas d'assurer de manière durable le respect des dispositions du présent Chapitre, l'autorité de contrôle peut enjoindre à l'établissement de crédit de prendre les mesures correctrices qu'elle juge nécessaires, en ce compris l'arrêt ou la cession des activités de négociation pour compte propre concernées.
  § 2. Dans son appréciation du plan visé à l'article 126, § 1er, l'autorité de contrôle tient compte des effets de ce plan sur la stabilité du système financier et sur le fonctionnement de l'économie réelle.
  § 3. En cas de transfert d'activités de négociation pour compte propre à une entreprise liée à l'établissement de crédit, l'autorité de contrôle peut subordonner son approbation du plan visé à l'article 126, § 1er, à des conditions visant à cantonner les risques liés à l'exercice de ces activités par cette entreprise.
  § 4. Dès l'approbation du plan visé à l'article 126, § 1er, par l'autorité de contrôle, celle-ci notifie sa décision à l'établissement de crédit concerné et la publie sur son site internet.
Afdeling III. - Betrekkingen met handelsentiteiten
Section III. - Relations avec des entités de négociation
Art.128. Elke handelsentiteit naar Belgisch recht moet zich voegen naar de prudentiële vereisten die op haar van toepassing zijn op individuele basis en, in voorkomend geval, op basis van de geconsolideerde toestand van de groep of de subgroep gevormd door de entiteit en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen, zonder dat zij een vrijstelling of afwijking kan genieten ingevolge haar opname in de geconsolideerde toestand van een grotere groep die één of meer kredietinstellingen omvat.
Art.128. Toute entité de négociation de droit belge doit se conformer aux exigences prudentielles qui lui sont applicables sur une base individuelle et, le cas échéant, sur la base de la situation consolidée du groupe ou du sous-groupe constitué par l'entité et ses filiales belges et étrangères, sans qu'elle ne puisse bénéficier d'une exemption ou dérogation en raison de son inclusion dans la situation consolidée d'un groupe plus large comprenant un ou plusieurs établissements de crédit.
Art.129. § 1. Voor de toepassing van de reglementaire eigenvermogensvereisten en limieten voor grote risicoblootstellingen, worden de blootstellingen van kredietinstellingen aan verbonden handelsentiteiten behandeld als blootstellingen aan derden.
  De blootstellingen bedoeld in het eerste lid kunnen noch volledig noch gedeeltelijk worden vrijgesteld van de limieten voor grote risicoblootstellingen krachtens artikel 400, lid 2, onder c) of f) van Verordening nr. 575/ 2013.
  § 2. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank de blootstellingen bedoeld in paragraaf 1 onderwerpen aan een groterisicoblootstellingslimiet van minder dan 25 percent overeenkomstig artikel 395, lid 6 van Verordening nr. 575/2003 en eisen dat zij het voorwerp uitmaken van een toereikende kredietbescherming.
Art.129. § 1er. Pour l'application des exigences de fonds propres réglementaires et de limites aux grands risques, les expositions des établissements de crédit sur des entités de négociation liées sont traitées comme des expositions sur des tiers.
  Les expositions visées à l'alinéa 1er ne peuvent être exemptées en tout ou en partie des limites aux grands risques en vertu de l'article 400, paragraphe 2, c) ou f) du Règlement n° 575/2013.
  § 2. Par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut soumettre les expositions visées au paragraphe 1er à une limite pour les grands risques inférieure à 25 pourcents conformément à l'article 395, paragraphe 6, du Règlement n° 575/2003 et exiger qu'elles fassent l'objet d'une protection de crédit adéquate.
Art.130. Een kredietinstelling mag slechts rechtstreeks of onrechtstreeks gekwalificeerde deelnemingen in handelsentiteiten verwerven of aanhouden op voorwaarde dat het bedrag van deze deelnemingen in mindering wordt gebracht op het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen en dat de toezichthouder hiervoor vooraf zijn toestemming heeft gegeven.
Art.130. Un établissement de crédit ne peut acquérir ou détenir, directement ou indirectement, des participations qualifiées dans des entités de négociation qu'à condition que le montant de ces participations soit porté en déduction du montant de ses éléments de fonds propres de base de catégorie 1 et moyennant l'autorisation préalable de l'autorité de contrôle.
Art.131. § 1. De leden van het directiecomité of, bij gebrek aan een dergelijk comité, de personen belast met het effectieve leiding van een kredietinstelling, mogen binnen een handelsentiteit geen enkel mandaat noch enige uitvoerende functie uitoefenen.
  § 2. [1 Onverminderd artikel 7:97 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen telt de raad van bestuur van een handelsentiteit naar Belgisch recht ten minste één onafhankelijke bestuurder in de zin van artikel 3, 83°.]1
  Ten minste de helft van de niet-uitvoerende leden van de raad van bestuur van een handelsentiteit naar Belgisch recht oefenen geen enkel mandaat noch enige uitvoerende functie uit binnen een onderneming verbonden met een handelsentiteit.
  
Art.131. § 1er. Les membres du comité de direction ou, en l'absence d'un tel comité, les personnes chargées de la direction effective d'un établissement de crédit ne peuvent exercer aucun mandat ni aucune fonction exécutive au sein d'une entité de négociation.
  § 2. [1 Sans préjudice de l'article 7:97 du Code des sociétés et des associations, le conseil d'administration d'une entité de négociation de droit belge compte au moins un administrateur indépendant au sens de l'article 3, 83°.]1
  Au moins la moitié des membres non exécutifs du conseil d'administration d'une entité de négociation de droit belge n'exercent aucun mandat ni aucune fonction exécutive au sein d'une entreprise liée à l'entité de négociation.
  
Afdeling IV. - Diverse bepalingen
Section IV. - Dispositions diverses
Art.132. De bepalingen van dit Hoofdstuk gelden onverminderd de andere maatregelen die door de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit kunnen worden opgelegd met toepassing van deze wet.
Art.132. Les dispositions du présent Chapitre sont sans préjudice des autres mesures qui peuvent être imposées par l'autorité de contrôle ou l'autorité de résolution en application de la présente loi.
Art.133. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de Bank, alle nuttige maatregelen treffen voor de omzetting van de bepalingen die voortvloeien uit internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen, voor de aangelegenheden die door de bepalingen van dit Hoofdstuk worden geregeld.
  De in de eerste lid aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.
  De besluiten genomen krachtens dit artikel kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  Deze besluiten worden van rechtswege opgeheven indien zij niet bij wet worden bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art.133. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de la Banque, prendre toutes les mesures utiles en vue d'assurer la transposition des dispositions résultant de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ceux-ci, dans les matières réglées par les dispositions du présent Chapitre.
  Les pouvoirs accordés au Roi par l'alinéa 1er expirent le 31 décembre 2015.
  Les arrêtés pris en vertu du présent article peuvent modifier, compléter, remplacer ou abroger les dispositions légales en vigueur.
  Ces arrêtés sont abrogés de plein droit lorsqu'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois qui suivent leur publication au Moniteur belge.
TITEL III. - Toezicht op de kredietinstellingen
TITRE III. - Contrôle des établissements de crédit
HOOFDSTUK I. - Toezicht door de toezichthouder en de FSMA
CHAPITRE Ier. - Contrôle exercé par l'autorité de contrôle et par la FSMA
Art.134. § 1. Overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling waarin de GTM-verordening voorziet, waakt de toezichthouder erover dat elke kredietinstelling werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, onverminderd de bevoegdheden toegekend aan de FSMA op grond van artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 [1 , ook voor wat betreft de vereisten die op grond van artikel 65/3, eerste lid, 1°, zijn vastgesteld]1.
  [2 § 1/1. [3 ...]3]2
  § 2. De toezichthouder neemt bij de uitoefening van zijn algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die zijn besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie.
  
Art.134. § 1er. Conformément à la répartition de compétence prévue par le Règlement MSU, l'autorité de contrôle veille à ce que chaque établissement de crédit opère conformément aux dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que des règlements européens directement applicables, sans préjudice des compétences dévolues à la FSMA en vertu de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002 [1 , y compris en ce qui concerne les exigences prévues sur la base de l'article 65/3, alinéa 1er, 1°]1.
  [2 § 1er/1. [3 ...]3]2
  § 2. Dans l'exercice de ses missions générales, l'autorité de contrôle tient dûment compte de l'incidence potentielle de ses décisions sur la stabilité du système financier de tous les autres Etats membres concernés, en particulier dans les situations d'urgence et ce, en se fondant sur les informations disponibles au moment considéré.
  
Art.135. Met het oog op zijn opdracht kan de toezichthouder zich alle inlichtingen doen verstrekken over de organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de kredietinstellingen [1 , evenals alle opnames van telefoongesprekken of elektronische communicatie of andere overzichten van dataverkeer die in het bezit zijn van de kredietinstelling]1.
  Hij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de instelling,
  1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen en de bepalingen van de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen die betrekking hebben op het statuut van de kredietinstellingen, zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de hem door de instelling voorgelegde staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
  2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie, de interne controle en het beleid van de instelling inzake het prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeit van de instelling;
  3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de instelling gezond en voorzichtig is en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
  De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda's en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de instelling en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen.
  
Art.135. Aux fins de sa mission, l'autorité de contrôle peut se faire communiquer toutes informations relatives à l'organisation, au fonctionnement, à la situation et aux opérations des établissements de crédit [1 , ainsi que tous enregistrements de communications téléphoniques, toutes communications électroniques ou tous autres échanges informatiques, détenus par l'établissement de crédit]1.
  Elle peut procéder à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par l'établissement, en vue
  1° de vérifier le respect des dispositions légales et réglementaires et des règlements européens directement applicables, relatives au statut des établissements de crédit, ainsi que l'exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels ainsi que des états et autres informations qui lui sont transmis par l'établissement;
  2° de vérifier le caractère adéquat des structures de gestion, de l'organisation administrative et comptable, du contrôle interne et de la politique en matière de gestion prospective des besoins en fonds propres et de la liquidité de l'établissement;
  3° de s'assurer que la gestion de l'établissement est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité.
  Les prérogatives visées aux alinéas 1er et 2 couvrent également l'accès aux ordres du jour et aux procès-verbaux des réunions des différents organes de l'établissement et de leurs comités internes, ainsi qu'aux documents y afférents et aux résultats de l'évaluation interne et/ou externe du fonctionnement desdits organes.
  
Art.136. [1 In het kader van het toezicht en met name van de inspecties]1 zijn de personeelsleden van de toezichthouder gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de kredietinstelling alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uivoering van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde gesprekken eisen met leiders of personeelsleden van de instelling die zij aanduiden.
  
Art.136. [1 Dans le cadre du contrôle et notamment des inspections]1, les agents de l'autorité de contrôle sont habilités à recevoir des dirigeants et des employés de l'établissement de crédit toutes informations et explications qu'ils estiment nécessaires pour l'exercice de leurs missions et peuvent, à cette fin, requérir la tenue d'entretiens avec des dirigeants ou membres du personnel de l'établissement qu'ils désignent.
  
Art. 136/1. [1 Onverminderd artikel 66, tweede lid kan de toezichthouder in geval van uitbesteding ook zijn inspectieprerogatieven uitoefenen als bedoeld in artikel 135, tweede lid, bij de ondernemingen waarop de kredietinstellingen een beroep doen in hun hoedanigheid van dienstverleners (uitbesteding - outsourcing) [2 , met inbegrip van derde aanbieders van ICT-diensten als bedoeld in hoofdstuk V van Verordening 2022/2554]2, om na te gaan of de voorwaarden waaronder die diensten worden verricht, geen afbreuk kunnen doen aan de naleving door de kredietinstellingen van hun wettelijke en reglementaire verplichtingen. De in de artikelen 136 en 140 bedoelde prerogatieven kunnen, naar analogie, ook worden uitgeoefend ten aanzien van die dienstverleners.
   De bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waarvan de kredietinstellingen die onder hun toezichtsbevoegdheid vallen, een beroep doen op in België gevestigde dienstverlenende ondernemingen (uitbesteding - outsourcing), mogen ten aanzien van die dienstverleners de in het eerste lid bedoelde prerogatieven uitoefenen, in voorkomend geval met inschakeling van personen die zij daartoe machtigen. Wanneer zij daarom verzoeken kan de toezichthouder zijn prerogatieven namens die autoriteiten uitoefenen.]1

  
Art. 136/1. [1 Sans préjudice de l'article 66, alinéa 2, en cas de recours à la sous-traitance, l'autorité de contrôle peut également exercer ses prérogatives d'inspection visées à l'article 135, alinéa 2, auprès des entreprises auxquelles les établissements de crédit recourent en qualité de prestataires de services (sous-traitance - outsourcing) [2 , y compris les prestataires tiers de services TIC visés au chapitre V du règlement 2022/2554,]2 afin de vérifier si les conditions dans lesquelles ces prestations sont fournies ne sont pas de nature à porter atteinte au respect par les établissements de crédit de leurs obligations légales et réglementaires. Les prérogatives visées aux articles 136 et 140 peuvent également, par analogie, être exercées à l'égard de ces prestataires de services.
   Les autorités compétentes d'un autre Etat membre dont les établissements de crédit qui ressortissent de leurs compétences de contrôle recourent à des entreprises en qualité de prestataires de services (sous-traitance - outsourcing) situées en Belgique peuvent exercer à l'égard de ces prestataires de services les prérogatives prévues à l'alinéa 1er, le cas échéant par l'intermédiaire des personnes qu'elles mandatent à cet effet. A leur demande, l'autorité de contrôle peut exercer ces prérogatives pour le compte de ces autorités.]1

  
Art. 136/2. [1 De inspectieverslagen en meer in het algemeen alle documenten die uitgaan van de toezichthouder, waarvan hij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door de kredietinstellingen zonder uitdrukkelijke toestemming van de toezichthouder.
   De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek.]1

  
Art. 136/2. [1 Les rapports d'inspection et plus généralement tous les documents émanant de l'autorité de contrôle dont elle indique qu'ils sont confidentiels ne peuvent être divulgués par les établissements de crédit sans le consentement exprès de l'autorité de contrôle.
   Le non-respect de cette obligation est puni des peines prévues par l'article 458 du Code pénal.]1

  
Art.137. De kredietinstellingen dienen de FSMA en de toezichthouder onverwijld in te lichten wanneer zij de diensten van systematische interne afhandeling in de zin van artikel 3, 66° aanvatten of stopzetten.
Art.137. Les établissements de crédit sont tenus d'informer sans délai la FSMA et l'autorité de contrôle lorsqu'ils entament des services d'internalisateur systématique au sens de l'article 3, 66°, ou qu'ils y mettent fin.
Art.138. [2 § 1.]2 Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden die aan de Europese Centrale Bank zijn toegewezen krachtens de GTM-verordening, sluiten de Bank en de FSMA een overeenkomst met het oog op een efficiënt en gecoördineerd toezicht op de kredietinstellingen. Zij maken deze overeenkomst bekend op hun respectieve websites.
  Deze overeenkomst bepaalt de modaliteiten van de samenwerking tussen de Bank en de FSMA in alle gevallen waar de wet voorziet in een advies, raadpleging, informatie of ander contact tussen de twee instellingen of waar overleg tussen beide instellingen noodzakelijk is om een eenvormige toepassing van de wetgeving te verzekeren.
  [1 De samenwerking tussen de Bank en de FSMA houdt met name de mogelijkheid in voor de Bank om het advies van de FSMA te vragen in het kader van de beoordeling van de naleving van de door of krachtens deze wet opgelegde vereisten die krachtens artikel 45, § 1, eerste lid, 3° en § 2, van de wet van 2 augustus 2002 tot de bevoegdheid van de FSMA behoren, met name met betrekking tot de passende inaanmerkingneming door de instelling van de belangen van haar cliënten en de integriteit van de markt en met betrekking tot het verlenen door de instelling aan haar cliënten van directe elektronisch toegang tot een handelsplatform.]1
  [2 § 2. De toezichthouder werkt nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten en raadpleegt deze autoriteiten wanneer deze wet of Verordening nr. 575/2013 dit vereist, en onder meer bij de opmaak van afwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 226.]2
  
Art.138. [2 § 1er.]2 Sans préjudice des compétences dévolues à la Banque centrale européenne en vertu du Règlement MSU, la Banque et la FSMA concluent un protocole en vue d'assurer un contrôle efficace et coordonné des établissements de crédit. Elles publient ce protocole sur leur site internet respectif.
  Ce protocole détermine les modalités de la collaboration entre la Banque et la FSMA dans tous les cas où la loi prévoit un avis, une consultation, une information ou tout autre contact entre les deux institutions, ainsi que dans les cas où une concertation entre les deux institutions est nécessaire pour assurer une application uniforme de la législation.
  [1 La collaboration entre la Banque et la FSMA comprend notamment la possibilité pour la Banque de demander l'avis de la FSMA en vue de l'appréciation du respect d'exigences prévues par ou en vertu de la présente loi et qui s'inscrivent dans le cadre des compétences de la FSMA en vertu de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002, notamment en ce qui concerne la prise en compte adéquate, par l'établissement de l'intérêt de ses clients et de l'intégrité du marché et en ce qui concerne la fourniture par l'établissement, à ses clients, d'un accès électronique direct à une plateforme de négociation.]1
  [2 § 2. L'autorité de contrôle coopère étroitement avec les autorités de résolution et consulte celles-ci lorsque la présente loi ou le règlement n° 575/2013 le requiert et, notamment, lors de l'établissement des plans de résolution visé à l'article 226.]2
  
Art.139. Relaties tussen een kredietinstelling en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de toezichthouder tenzij het toezicht op de instelling dit vergt.
Art.139. L'autorité de contrôle ne connaît des relations entre l'établissement de crédit et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de l'établissement.
Art.140. De toezichthouder kan bij de bijkantoren van kredietinstellingen naar Belgisch recht die in een andere lidstaat zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten van die staat, de in artikel 135, tweede lid bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de kredietinstelling kunnen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van de liquiditeit, solvabiliteit, [1 deposito- en beleggersbescherming]1, beperking van grote risico's, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
  Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan hij een deskundige die hij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling gedragen.
  Evenzo kan hij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten.
  
Art.140. L'autorité de contrôle peut procéder auprès des succursales des établissements de crédit de droit belge établies dans un autre Etat membre, moyennant l'information préalable des autorités compétentes de cet Etat, aux inspections visées à l'article 135, alinéa 2, ainsi qu'à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifier sur place les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de l'établissement de crédit, spécialement en matière de liquidité, de solvabilité, [1 de protection des dépôts et des investisseurs]1, de limitation des grands risques, d'organisation administrative et comptable et de contrôle interne.
  Elle peut, aux mêmes fins, et après en avoir avisé les autorités visées à l'alinéa 1er, charger un expert, qu'elle désigne, d'effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de l'expert sont à charge de l'établissement.
  Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder aux vérifications et expertises visées à l'alinéa 1er qu'elle leur précise.
  
HOOFDSTUK II. - Procedure van prudentieel toezicht
CHAPITRE II. - Processus de surveillance prudentielle
Afdeling I. - Programma voor prudentieel toezicht
Section Ire. - Programme de contrôle prudentiel
Art.141. § 1. Naargelang van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie van de kredietinstellingen die met toepassing van artikel 142 wordt uitgevoerd, stelt de toezichthouder jaarlijks zijn toezichtsprogramma op. Dit toezichtsprogramma bepaalt :
  1° de wijze waarop de toezichthouder voornemens is zijn taken uit te voeren en zijn middelen toe te wijzen;
  2° welke kredietinstellingen aan verscherpt toezicht zullen worden onderworpen en welke maatregelen hiervoor zullen worden genomen overeenkomstig paragraaf 3;
  3° het programma voor de controles ter plaatse, ook voor de bijkantoren en dochterondernemingen van de instellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, respectievelijk overeenkomstig artikel 140 en/of 162, 183, § 2 en 214;
  § 2. Het toezichtsprogramma wordt opgesteld voor de kredietinstellingen waarvoor de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure, of de resultaten van de stresstests bedoeld in de artikelen 143, § 1, 1° [1 en 7°, ]1 en 148, duiden op significante risico's voor hun financiële soliditeit of op inbreuken op de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of -reglementen of de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen.
  Het toezichtsprogramma geldt ook voor mondiaal systeemrelevante kredietinstellingen (MSI's) of binnenlandse systeemrelevante kredietinstellingen (BSI's) als bedoeld in artikel 12 van Bijlage IV.
  De toezichthouder kan te allen tijde in zijn toezichtsprogramma ook alle andere kredietinstellingen opnemen waarvoor hij het noodzakelijk acht de naleving door die instelling van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, specifiek op te volgen.
  § 3. De maatregelen bedoeld in paragraaf 1, 2° kunnen met name het volgende inhouden
  1° het aantal of de frequentie van de inspecties ter plaatse bij een kredietinstelling verhogen;
  2° thematische inspecties verrichten voor specifieke risico's;
  3° aanvullende of frequentere rapportering eisen;
  4° aanvullende of frequentere toetsingen verrichten van de operationele, strategische of ontwikkelingsplannen van een kredietinstelling;
  5° zijn permanente aanwezigheid bij een kredietinstelling opleggen.
  § 4. Wanneer de omstandigheden zulks vereisen, past de toezichthouder de inhoud van zijn toezichtsprogramma als bedoeld in paragraaf 1 aan.
  
Art.141. § 1er. En fonction des résultats de la procédure de contrôle et d'évaluation des établissements de crédit menée en application de l'article 142, l'autorité de contrôle établit son programme de contrôle sur une base annuelle. Ce programme de contrôle indique :
  1° la manière dont l'autorité de contrôle entend mener ses missions et allouer ses ressources;
  2° les établissements de crédit qui feront l'objet d'un contrôle renforcé et les mesures qui seront arrêtées à cette fin conformément au paragraphe 3;
  3° le programme des contrôles sur place, y compris dans les succursales et filiales des établissements établies dans un autre Etat membre, respectivement conformément à l'article 140 et/ou 162, 183, § 2 et 214;
  § 2. Le programme de contrôle est établi pour les établissements de crédit pour lesquels la procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 142, ou les résultats des tests de résistance visés aux articles 143, § 1er, 1° [1 et 7°, ]1 et 148, ont fait apparaître des risques significatifs affectant leur solidité financière ou des manquements aux dispositions de la présente loi, des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ou des règlements européens directement applicables.
  Le programme de contrôle couvre, en outre, les établissements de crédit d'importance systémique mondiale (EISm) ou d'importance systémique domestique (EIS domestiques) visés à l'article 12 de l'Annexe IV.
  L'autorité de contrôle peut, à tout moment, ajouter à son programme de contrôle tout autre établissement de crédit à l'égard duquel elle estime qu'un suivi particulier s'avère nécessaire au regard du respect, par cet établissement, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que des règlements européens directement applicables.
  § 3. Les mesures visées au paragraphe 1er, 2° peuvent notamment consister à :
  1° augmenter le nombre ou la fréquence des inspections sur place auprès d'un établissement de crédit;
  2° effectuer des inspections thématiques portant sur des risques spécifiques;
  3° réquérir la transmission d'un reporting additionnel ou plus fréquent;
  4° effectuer un examen supplémentaire ou plus fréquent des plans opérationnels, stratégiques ou de développement d'un établissement de crédit;
  5° imposer sa présence permanente au sein d'un établissement de crédit.
  § 4. Lorsque les circonstances le requièrent, l'autorité de contrôle adapte le contenu de son programme de contrôle tel que visé au paragraphe 1er.
  
Afdeling II. - Procedure van prudentiële toetsing en evaluatie
Section II. - Procédure de contrôle et d'évaluation prudentiels
Art.142. [1 Aan de hand van de criteria van artikel 143 gaat de toezichthouder na of de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en van Verordening nr. 575/2013 zijn nageleefd. Hij evalueert de risico's waaraan de kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn, de risico's die in voorkomend geval aan het licht zijn gekomen tijdens stresstests die met toepassing van artikel 148 zijn uitgevoerd [2 en tijdens tests van digitale operationele weerbaarheid die met toepassing van hoofdstuk IV van Verordening 2022/2554 zijn uitgevoerd]2, en het passende karakter, in het licht van de genoemde risico's, van het prospectieve beheer van het eigen vermogen en van de liquiditeit, als bedoeld in artikel 94.]1
  De toezichthouder stelt de frequentie en de reikwijdte van die evaluatie vast, rekening houdend met de omvang en de systeemrelevantie van de betrokken instelling, evenals met de aard, de omvang en de complexiteit van haar werkzaamheden. Voor de instellingen die met toepassing van artikel 141 onder zijn toezichtsprogramma vallen, wordt de evaluatie minstens eenmaal per jaar geactualiseerd.
  De toezichthouder brengt de Europese Bankautoriteit onverwijld op de hoogte van de resultaten van de in het eerste lid bedoelde evaluatie, indien uit die evaluatie blijkt dat een kredietinstelling een systeemrisico kan opleveren, met toepassing van de criteria bedoeld in artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010.
  [1 Bij die evaluatie houdt de toezichthouder rekening met het evenredigheidsbeginsel volgens de criteria die overeenkomstig artikel 36/6, § 2, 2°, van de wet van 22 februari 1998 zijn bekendgemaakt.]1
  
Art.142. [1 Sur base des critères de l'article 143, l'autorité de contrôle vérifie le respect des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci et du Règlement n° 575/2013. Elle évalue les risques auxquels l'établissement de crédit est ou pourrait être exposé, les risques mis en évidence, le cas échéant, par les tests de résistance effectués en application de l'article 148 [2 et par les tests de résilience opérationnelle numérique effectués en application du chapitre IV du règlement 2022/2554,]2 et le caractère adéquat, par rapport auxdits risques, de la gestion prospective des fonds propres et de la liquidité telle que visée à l'article 94.]1
  L'autorité de contrôle détermine la fréquence et l'ampleur de cette évaluation, en tenant compte de la taille et de l'importance systémique de l'établissement concerné, de la nature, du volume et de la complexité de ses activités. Pour les établissements visés par son programme de contrôle en application de l'article 141, l'évaluation est actualisée au moins une fois par an.
  L'autorité de contrôle informe sans délai l'Autorité bancaire européenne des résultats de l'évaluation prévue à l'alinéa 1er, si celle-ci fait apparaître qu'un établissement de crédit est susceptible de faire naître un risque systémique, par application des critères visés à l'article 23 du Règlement n° 1093/2010.
  [1 Lorsqu'elle procède à l'évaluation précitée, l'autorité de contrôle tient compte du principe de proportionnalité conformément aux critères publiés conformément à l'article 36/6, § 2, 2°, de la loi du 22 février 1998.]1
  
Art. 142/1. [1 De toezichthouder kan de in artikel 142 bedoelde evaluatieprocedure aanpassen voor kredietinstellingen die een vergelijkbaar risicoprofiel hebben doordat hun bedrijfsmodellen of de geografische locatie van hun risicoblootstellingen vergelijkbaar zijn. Bij deze aanpassing, die kan inhouden dat gebruik wordt gemaakt van risicogeoriënteerde referentie-indicatoren en kwantitatieve indicatoren, dient niettemin rekening te worden gehouden met de specifieke risico's waaraan elke kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn en wordt geen afbreuk gedaan aan het bijzondere karakter van de betrokken instelling wat de krachtens artikel 149 opgelegde maatregelen betreft.
   Wanneer de toezichthouder gebruik maakt van de in het eerste lid bepaalde mogelijkheid, stelt hij de EBA daarvan in kennis.]1

  
Art. 142/1. [1 L'autorité de contrôle peut adapter la procédure de l'évaluation visée à l'article 142 pour des établissements de crédit présentant un profil de risque analogue en raison de la similitude de leurs modèles d'entreprise ou de la localisation géographique de leurs expositions au risque. Cette adaptation, qui peut consister à utiliser des indicateurs de référence orientés sur les risques et des indicateurs quantitatifs, doit néanmoins tenir compte des risques spécifiques auxquels chaque établissement de crédit est ou pourrait être exposé et préserve la particularité de l'établissement concerné s'agissant des mesures imposées en application de l'article 149.
   L'autorité de contrôle informe l'ABE lorsqu'elle fait usage de la faculté visée à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 142/2. [1 Wanneer de toezichthouder op grond van de in artikel 142 bedoelde toetsing en evaluatie, in het bijzonder van de governanceregeling, het bedrijfsmodel en de werkzaamheden, goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met de kredietinstelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop, stelt hij de EBA en, wanneer de toezichthouder niet de Bank is, de Bank in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op de naleving door de kredietinstelling van de wet van 18 september 2017, onverwijld in kennis daarvan.
   In geval van een mogelijk verhoogd risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme, stellen de toezichthouder en, in voorkomend geval, de Bank, zich met elkaar in verbinding en stellen zij de EBA onverwijld in kennis van hun gemeenschappelijke beoordeling, onverminderd de toepassing van om het even welke maatregel waarin deze wet of de wet van 18 september 2017 voorziet.]1

  
Art. 142/2. [1 Lorsque l'autorité de contrôle, sur base de la procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 142, en particulier du dispositif de gouvernance, du modèle d'entreprise et des activités, a des motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme impliquant l'établissement de crédit est en cours, ou a eu lieu, ou qu'il y a un risque accru d'une telle opération ou tentative, elle en informe sans délai l'ABE et lorsque l'autorité de contrôle n'est pas la Banque, la Banque en sa capacité d'autorité chargée d'assurer le respect par l'établissement de crédit de la loi du 18 septembre 2017.
   En cas de risque potentiel aggravé de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme, l'autorité de contrôle et, le cas échéant, la Banque, se concertent et communiquent sans délai leur évaluation commune à l'ABE, sans préjudice de l'application de toute mesure prévue par la présente loi ou par la loi du 18 septembre 2017.]1

  
Art.143. § 1. De toetsing en de evaluatie die met toepassing van artikel 142 door de toezichthouder worden verricht, hebben niet alleen tot doel na te gaan of de krediet- en marktrisico's en de operationele risico's als bedoeld in de artikelen 5 tot 7 van Bijlage I worden beheerst, maar hebben met name ook betrekking op de volgende aspecten :
  1° de resultaten van de stresstests die overeenkomstig artikel 177 van Verordening nr. 575/2013 zijn uitgevoerd door de kredietinstelling die de interneratingbenadering toepast;
  2° de blootstelling aan en de beheersing door de instelling van het concentratierisico, met inbegrip van de naleving van de vereisten die vastgelegd zijn in artikel 3 van Bijlage I, in Deel 4 van Verordening nr. 575/2013 en in de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98;
  3° de degelijkheid, het passende karakter en de wijze van toepassing van de beleidslijnen en procedures die door de instelling worden gevolgd met het oog op de beheersing van het restrisico dat verbonden is aan het gebruik van erkende kredietrisicomatigingstechnieken;
  4° de mate waarin het eigen vermogen dat de kredietinstelling aanhoudt met betrekking tot de activa die zij geëffectiseerd heeft, toereikend is in het licht van het economische belang van de transactie, met inbegrip van de mate waarin er sprake is van risico-overdracht.
  De toezichthouder gaat na of de betrokken instelling, door stilzwijgende steun te verlenen, een deel behoudt van het risico dat verbonden is aan de actiefbestanddelen die het voorwerp uitmaken van een effectiseringsverrichting. Indien blijkt dat een instelling meer dan eens stilzwijgende steun heeft verleend, kan de toezichthouder de maatregelen nemen die hij nodig acht, rekening houdend met het feit dat de kans in dit geval groter is dat de instelling ook in de toekomst dergelijke steun zal verlenen in het kader van een effectiseringsverrichting;
  5° de blootstelling aan en de meting en de beheersing van het liquiditeitsrisico door de instelling, met inbegrip van :
  - het opstellen van analyses op grond van andere scenario's dan deze waarin voorzien is door Verordening nr. 575/2013 en door de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98;
  - het beheer van de factoren die het liquiditeitsrisico kunnen matigen (met name de omvang, samenstelling en kwaliteit van de liquiditeitsbuffers);
  - de invoering van doeltreffende noodplannen.
  De toezichthouder onderwerpt het globale liquiditeitsrisicobeheer van de instelling regelmatig aan een grondige evaluatie en ziet erop toe dat de interne methodes voor de evaluatie van het liquiditeitsrisico solide zijn. De toezichthouder houdt daarbij rekening met de rol die de instelling op de financiële markten speelt en met de impact die zijn beslissingen kunnen hebben op de stabiliteit van het financiële stelsel in de andere betrokken lidstaten;
  6° de impact van de diversificatie-effecten van de risico's en/of risicoblootstellingen en de wijze waarop die effecten in het risico-evaluatiesysteem worden verwerkt;
  7° de resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de instelling die een intern model gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico, overeenkomstig Deel 3, Titel IV, Hoofdstuk 5 van Verordening nr. 575/2013, en de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 5, § 5 van Bijlage I;
  8° de geografische locatie van de blootstellingen van de instelling;
  9° het bedrijfsmodel van de instelling;
  10° [1 ...]1
  11° het passende en voorzichtige karakter van de evaluatieregels die door de kredietinstelling worden gebruikt. De waardeverminderingen die overeenkomstig artikel 105 van Verordening nr. 575/2013 worden doorgevoerd, moeten de instelling in staat stellen haar posities in normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat zij significante verliezen lijdt;
  12° [1 de blootstelling van de instelling aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille.
   Onverminderd artikel 149 legt de toezichthouder ten minste in de volgende gevallen maatregelen op om de vastgestelde situatie te verhelpen:
   - indien de in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde economische waarde van het eigen vermogen met meer dan 15 % van het tier 1-kapitaal van de instelling afneemt ten gevolge van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de zes op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld;
   - indien een instelling te maken heeft met een grote daling van haar in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde nettorentebaten als gevolg van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de twee op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld.
   Niettegenstaande het tweede lid is de toezichthouder niet verplicht prudentiële of herstelmaatregelen te nemen als hij op basis van de in deze paragraaf bedoelde toetsing en evaluatie van oordeel is dat de instelling het renterisico voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de instelling niet overmatig is blootgesteld aan dit risico.
   Voor de toepassing van dit punt 12° beschikt de toezichthouder ook over de mogelijkheid tot het nader bepalen van hypothesen voor modellering en parameters, behalve die welke zijn vastgelegd door de EBA op grond van artikel 98, lid 5bis, onder b), van Richtlijn 2013/36/EU, die de instellingen in aanmerking moeten nemen bij hun berekening van de economische waarde van het eigen vermogen krachtens artikel 6, paragraaf 1 van Bijlage I;]1

  13° de blootstelling van de instelling aan het risico van hefboomwerking, zoals weergegeven door indicatoren van buitensporige hefboomwerking, in het bijzonder de overeenkomstig artikel 429 van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde hefboomratio;
  Bij zijn beoordeling van de adequaatheid van de hefboomratio van de instelling en van het passende karakter van de voorschriften, strategieën, procedures en mechanismen die met het oog op de beheersing van het hefboomrisico worden toegepast, houdt de toezichthouder rekening met het bedrijfsmodel van de betrokken instelling;
  14° de organisatieregeling van de kredietinstelling als bedoeld in artikel 21 en het vermogen van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het directiecomité om hun taken te vervullen.
  § 2. De toezichthouder kan de kwantitatieve en kwalitatieve criteria vaststellen waarop hij zich baseert voor de beoordeling van de omvang van de risico's en van het passende karakter van hun behandeling door de kredietinstellingen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
  
Art.143. § 1er. En plus de la vérification de la maîtrise des risques de crédit et de marché et des risques opérationnels visés aux articles 5 à 7 de l'Annexe I, le contrôle et l'évaluation effectués par l'autorité de contrôle en application de l'article 142 portent, notamment, sur les aspects suivants :
  1° les résultats des tests de résistance effectués conformément à l'article 177 du Règlement n° 575/2013 par l'établissement de crédit qui applique l'approche fondée sur les notations internes;
  2° l'exposition au risque de concentration et la maîtrise de ce risque par l'établissement, y compris le respect des exigences définies à l'article 3 de l'Annexe I et par le Règlement n° 575/2013, quatrième Partie et par les règlements pris par la Banque en application de l'article 98;
  3° la solidité, le caractère approprié et les modalités d'application des politiques et procédures mises en oeuvre par l'établissement pour maîtriser le risque résiduel lié à l'utilisation de techniques reconnues d'atténuation du risque de crédit;
  4° le caractère adéquat des fonds propres détenus par l'établissement de crédit au regard des actifs titrisés, tenant compte de la substance économique de la transaction, en ce compris le degré du transfert de risque réalisé.
  L'autorité de contrôle examine si l'établissement concerné conserve, par un soutien implicite, une partie du risque afférent aux éléments d'actifs faisant l'objet d'une opération de titrisation. Lorsqu'il est établi qu'un établissement a apporté un tel soutien implicite plus d'une fois, l'autorité de contrôle peut prendre les mesures qu'elle estime nécessaires tenant compte de ce que cet établissement présente, dans ce cas, une probabilité accrue de fournir un tel soutien dans le cadre d'une opération de titrisation ultérieure;
  5° l'exposition au risque de liquidité ainsi que la mesure et la maîtrise de ce risque par l'établissement, en ce compris :
  - l'élaboration d'analyses sur base d'autres scénarios que ceux prévus par le Règlement n° 575/2013 et par les règlements pris par la Banque en application de l'article 98;
  - la gestion des éléments d'atténuation du risque de liquidité (notamment le niveau, la composition et la qualité des coussins de liquidité);
  - la mise en place de plans d'urgence efficaces.
  L'autorité de contrôle effectue à intervalles réguliers une évaluation approfondie de la gestion globale du risque de liquidité par l'établissement et s'assure que les méthodes internes d'évaluation du risque de liquidité sont saines. L'autorité de contrôle tient compte du rôle joué par l'établissement sur les marchés financiers et de l'impact potentiel de ses décisions sur la stabilité du système financier dans les autres Etats membres concernés;
  6° l'impact des effets de diversification des risques et/ou des expositions au risque, et la façon dont ces effets sont intégrés au système d'évaluation des risques;
  7° les résultats des tests de résistance effectués par l'établissement qui utilise un modèle interne pour le calcul des exigences en fonds propres pour le risque de marché, conformément au Règlement n° 575/2013, troisième Partie, Titre IV, Chapitre 5 et aux règlements pris par la Banque en application de l'article 5, § 5 de l'Annexe I;
  8° la localisation géographique des expositions de l'établissement;
  9° le modèle d'entreprise de l'établissement;
  10° [1 ...]1
  11° le caractère approprié et prudent des règles d'évaluation utilisées par l'établissement de crédit. Les corrections de valeur effectuées, conformément à l'article 105 du Règlement n° 575/2013, doivent permettre à l'établissement, dans des conditions de marché normales, de vendre ou de couvrir rapidement ses positions sans s'exposer à des pertes significatives;
  12° [1 l'exposition de l'établissement au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation.
   Sans préjudice de l'article 149, des mesures visant à remédier à la situation constatée sont à tout le moins requises par l'autorité de contrôle dans les cas suivants :
   - lorsque la valeur économique des fonds propres visée à l'article 6, § 1er de l'Annexe I diminue de plus de 15 % des fonds propres de catégorie 1 de l'établissement en raison d'une variation soudaine et inattendue des taux d'intérêt ainsi qu'il est prévu dans l'un des six scénarios de crise appliqués aux taux d'intérêt définis conformément aux normes techniques de l'ABE ;
   - lorsque les produits d'intérêts nets d'un établissement visés à l'article 6, § 1er de l'Annexe I, subissent une baisse importante en raison d'une variation soudaine et inattendue des taux d'intérêt ainsi qu'il est prévu dans l'un des deux scénarios de crise appliqués aux taux d'intérêt définis conformément aux normes techniques de l'ABE.
   Nonobstant l'alinéa 2, l'autorité de contrôle n'est pas tenue d'adopter des mesures prudentielles ou de redressement lorsqu'elle estime, sur la base du contrôle et de l'évaluation visés au présent paragraphe, que la gestion par l'établissement du risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation est adéquate et que l'établissement n'est pas excessivement exposé audit risque.
   Aux fins du présent 12°, l'autorité de contrôle dispose également de la possibilité de définir des hypothèses de modélisation et des hypothèses paramétriques, autres que celles déterminées par l'ABE en vertu de l'article 98, paragraphe 5bis, point b) de la Directive 2013/36/UE, que les établissements sont tenus de prendre en compte pour le calcul de la valeur économique de leurs fonds propres en application de l'article 6, paragraphe 1er de l'Annexe I;]1

  13° l'exposition de l'établissement au risque de levier, tel qu'il ressort des indicateurs de levier excessif, en particulier le ratio de levier déterminé conformément à l'article 429 du Règlement n° 575/2013.
  Lorsqu'elle apprécie l'adéquation du ratio de levier de l'établissement et le caractère approprié des dispositions, stratégies, procédures et mécanismes mis en oeuvre pour maîtriser le risque de levier, l'autorité de contrôle tient compte du modèle d'entreprise de l'établissement concerné;
  14° le dispositif d'organisation de l'établissement de crédit visé à l'article 21 et la capacité des membres de l'organe légal d'administration et du comité de direction à exercer leurs attributions.
  § 2. L'autorité de contrôle peut préciser les critères quantitatifs et qualitatifs qu'elle prend en compte pour évaluer le niveau des risques et le caractère adéquat de leur traitement par les établissements de crédit, le cas échéant par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
  
Afdeling III. - Onderzoek van de interne benaderingen en methodes
Section III. - Examen des approches et des méthodes internes
Art.144. § 1. De toezichthouder onderzoekt regelmatig en minstens om de drie jaar, of de interne benaderingen voor de berekening van de reglementaire eigenvermogensvereisten voldoen aan Verordening nr. 575/2013 en aan de reglementen die met toepassing van de artikelen 1, § 6 en 5, § 5 van Bijlage I zijn vastgesteld. Hij onderzoekt ook of de kredietinstellingen die de toestemming hebben verkregen om deze benaderingen te gebruiken, voldoen aan de voorwaarden voor dit gebruik die voorafgaandelijk werden vastgesteld door de toezichthouder. Hij houdt in het bijzonder rekening met veranderingen in de werkzaamheden van de instelling en met de toepassing van deze benaderingen op nieuwe producten.
  § 2. De toezichthouder toetst en evalueert met name of de instellingen die interne benaderingen gebruiken als bedoeld in paragraaf 1, [1 gebruikmaken]1 van goed ontwikkelde technieken en praktijken die geactualiseerd worden.
  
Art.144. § 1er. L'autorité de contrôle examine à intervalles réguliers, et au moins tous les trois ans, la conformité au Règlement n° 575/2013 et aux règlements pris en application des articles 1er, § 6 et 5, § 5 de l'Annexe I des approches internes pour le calcul des exigences en fonds propres réglementaires. Elle examine en outre si les établissements de crédit autorisés à utiliser ces approches respectent les conditions préalablement posées par l'autorité de contrôle pour cette utilisation. Elle tient compte, en particulier, de l'évolution des activités de l'établissement et de l'application de ces approches à de nouveaux produits.
  § 2. L'autorité de contrôle vérifie et évalue, notamment, si les établissements qui utilisent des approches internes visées au paragraphe 1er, recourent à des techniques et des pratiques élaborées de façon adéquate et qui sont mises à jour.
Art.145. § 1. Wanneer de toezichthouder vaststelt dat de interne benadering die door een kredietinstelling wordt gebruikt, wezenlijke tekortkomingen vertoont in het vatten van de risico's, eist hij dat de instelling de passende maatregelen neemt om deze situatie te verhelpen en de gevolgen ervan te beperken, en legt hij in voorkomend geval een verhoging van de vermenigvuldigingscoëfficiënten op, of van de specifieke eigenvermogensvereisten met toepassing van artikel 149.
  § 2. Indien een groot aantal overschrijdingen, in de zin van artikel 366 van Verordening nr. 575/2013, erop wijst dat een intern model voor het marktrisico onvoldoende accuraat is, kan de toezichthouder de toestemming om dit interne model te gebruiken intrekken of concrete maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat dit model zo spoedig mogelijk wordt verbeterd.
  § 3. Wanneer hij vaststelt dat een kredietinstelling die de toestemming heeft verkregen om een interne benadering te gebruiken voor de berekening van de reglementaire eigenvermogensvereisten, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor het gebruik van deze benadering, eist de toezichthouder dat de instelling een plan voorlegt om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden, met een tijdschema, of dat de instelling aantoont dat het effect van de niet-naleving van de voorwaarden te verwaarlozen is, gelet op Verordening nr. 575/2013.
  De toezichthouder eist dat het plan om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden wordt gewijzigd indien hij van oordeel is dat de uitvoering ervan niet kan leiden tot de naleving van de voorwaarden of indien hij van oordeel is dat de termijn om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden die door de kredietinstelling wordt voorgesteld, inadequaat of irrealistisch is. Indien de toezichthouder van oordeel is dat de instelling niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik van de interne benadering binnen de termijn die hij passend acht, trekt hij de toestemming om de genoemde interne benadering te gebruiken in of beperkt hij dit gebruik tot de domeinen waarvoor wel voldaan is aan de voorwaarden of eraan voldaan kan worden binnen een termijn die de toezichthouder passend acht.
Art.145. § 1er. Lorsque l'autorité de contrôle constate que l'approche interne utilisée par un établissement de crédit présente des déficiences matérielles dans l'appréhension des risques, elle requiert que l'établissement prenne les mesures appropriées pour remédier à cette situation et en atténuer les conséquences, et impose, le cas échéant, une augmentation des coefficients multiplicateurs, ou des exigences spécifiques en fonds propres en application de l'article 149.
  § 2. Si de nombreux dépassements, au sens de l'article 366 du Règlement n° 575/2013, indiquent qu'un modèle interne de risque de marché n'est pas suffisamment précis, l'autorité de contrôle peut révoquer l'autorisation d'utilisation de ce modèle interne ou imposer des mesures concrètes afin que ce modèle soit amélioré dans les meilleurs délais.
  § 3. Lorsqu'elle constate qu'un établissement de crédit, qui a été autorisé à utiliser une approche interne pour le calcul des exigences en fonds propres réglementaires ne satisfait plus aux conditions posées pour l'utilisation de cette approche, l'autorité de contrôle requiert que l'établissement présente un plan de mise en conformité intégrant un échéancier, ou que l'établissement démontre que les effets de la non-conformité sont négligeables, eu égard au Règlement n° 575/2013.
  L'autorité de contrôle requiert que le plan de mise en conformité soit modifié si elle estime que sa réalisation ne pourra pas conduire au respect des conditions applicables ou si elle estime que le délai de mise en conformité présenté par l'établissement de crédit est inadéquat ou irréaliste. Si l'autorité de contrôle estime que l'établissement ne parviendra pas à satisfaire, endéans le délai qu'elle estime approprié, aux conditions d'utilisation de l'approche interne, elle révoque l'autorisation d'utilisation de ladite approche interne ou limite cette utilisation aux domaines pour lesquels la conformité est assurée, ou est en mesure de l'être dans un délai que l'autorité de contrôle estime approprié.
Art.147. § 1. De kredietinstellingen die de toestemming hebben verkregen om interne benaderingen te gebruiken voor de berekening van het risicovolume of van de eigenvermogensvereisten, met uitzondering van het operationeel risico, delen jaarlijks, of op verzoek van de toezichthouder, de resultaten mee van de berekeningen betreffende hun interne benaderingen voor hun in de benchmarkportefeuilles opgenomen blootstellingen of posities. Bij deze gegevens voegen zij uitleg over de gebruikte methodes.
  § 2. Voor de in paragraaf 1 bedoelde mededeling maken de kredietinstellingen gebruik van het door de Europese Bankautoriteit opgestelde model, behalve voor de mededeling van de resultaten van de berekeningen voor specifieke portefeuilles die de toezichthouder in voorkomend geval kan vragen, die apart worden meegedeeld.
  [1 § 2/1. De toezichthouder controleert, op basis van de informatie die de kredietinstellingen overeenkomstig paragraaf 1 hebben ingediend, het bereik van de risicogewogen posten of, in voorkomend geval, van de eigenvermogensvereisten, behalve voor operationeel risico, voor de blootstellingen of transacties die het resultaat zijn van de interne benaderingen van de betrokken kredietinstellingen.
   Aan de hand van het verslag dat op grond van artikel 78, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU door de EBA wordt opgesteld, wordt ten minste eenmaal per jaar een vergelijkende analyse van de kwaliteit van deze benaderingen uitgevoerd, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan:
   1° benaderingen die significante verschillen in de eigenvermogensvereisten voor dezelfde blootstelling vertonen;
   2° benaderingen met een bijzonder hoge of bijzonder lage diversificatie, alsook benaderingen met een significante en systematische onderwaardering van de eigenvermogensvereisten.]1

  § 3. [1 De toezichthouder eist corrigerende maatregelen indien hij vaststelt dat de interne benadering die door een kredietinstelling wordt gebruikt, significant afwijkt van de andere benaderingen waarvan gebruik wordt gemaakt in de sector en indien hij aantoont dat deze benadering tot onderwaardering leidt van de eigenvermogensvereisten voor de betrokken instelling, die niet toegeschreven kan worden aan verschillen in de onderliggende risico's waaraan deze instelling is blootgesteld.]1
  [1 4. De toezichthouder ziet erop toe dat de in paragraaf 3 bedoelde corrigerende maatregelen niet leiden tot standaardisering of een neiging om bepaalde methoden te gebruiken, geen ongerechtvaardigde prikkels creëren en geen imitatiegedrag uitlokken.]1
  
Art.147. § 1er. Les établissements de crédit autorisés à utiliser des approches internes pour le calcul des montants d'exposition au risque ou des exigences en fonds propres, en dehors du risque opérationnel, communiquent une fois par an, ou sur demande de l'autorité de contrôle, les résultats des calculs fondés sur leurs approches internes pour leurs expositions ou positions incluses dans les portefeuilles de référence. Ces informations sont accompagnées d'une explication concernant les méthodes utilisées.
  § 2. Pour la communication visée au paragraphe 1er, les établissements de crédit utilisent le modèle défini par l'Autorité bancaire européenne, excepté pour la communication des résultats des calculs pour des portefeuilles spécifiques demandés, le cas échéant, par l'autorité de contrôle, qui fait l'objet d'une transmission séparée.
  [1 § 2/1. Sur la base des informations communiquées par les établissements de crédit conformément au paragraphe 1er, l'autorité de contrôle surveille l'éventail des montants pondérés d'exposition ou, le cas échéant, des exigences en fonds propres, en dehors du risque opérationnel, pour les expositions ou les opérations incluses dans le portefeuille de référence résultant des approches internes des établissements de crédit concernés.
   A l'aide du rapport établi par l'ABE en application de l'article 78, paragraphe 3 de la Directive 2013/36/UE, une analyse comparative de la qualité de ces approches est effectuée au moins une fois par an, en veillant particulièrement :
   1° aux approches qui affichent des différences significatives quant aux exigences de fonds propres pour une même exposition ;
   2° aux approches qui affichent une diversification particulièrement faible ou particulièrement élevée, de même qu'une sous-évaluation significative et systématique des exigences de fonds propres.]1

  § 3. [1 L'autorité de contrôle requiert des mesures correctrices si elle constate que l'approche utilisée par un établissement de crédit s'écarte de manière significative des autres approches utilisées par le secteur et si elle établit que cette approche a pour conséquence une sous-estimation des exigences en fonds propres pour l'établissement concerné, qui n'est pas imputable à des différences de risques sous-jacents auxquels cet établissement est exposé.]1
  [1 § 4. L'autorité de contrôle veille à ce que les mesures correctrices visées au paragraphe 3 ne débouchent pas sur une standardisation ou une propension pour l'utilisation de certaines méthodes, ne créent pas d'incitations injustifiées et ne provoquent pas un comportement d'imitation.]1
  
Afdeling IV. - Stresstests
Section IV. - Tests de résistance
Art.148. Indien hij van oordeel is dat de stresstests die overeenkomstig artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010 worden uitgevoerd, onvoldoende resultaten opleveren, onderwerpt de toezichthouder de kredietinstellingen aan specifieke prudentiële stresstests, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de [1 bank- en financiële sector]1 in België, om de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure te vergemakkelijken.
  
Art.148. Si elle estime que les tests de résistance effectués conformément à l'article 23 du Règlement n° 1093/2010 ne fournissent pas des résultats suffisants, l'autorité de contrôle soumet les établissements de crédit à des tests de résistance prudentiels spécifiques prenant en compte les particularités du secteur bancaire [1 et financier]1 en Belgique, aux fins de faciliter la procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 142.
  
Afdeling V. - Prudentiële maatregelen
Section V. - Mesures prudentielles
Art.149. [1 Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht, alsook in geval van toepassing van artikel 143, § 1, 11° of 12° of artikel 145, § 3 kan de toezichthouder volgens de in artikel 150 bepaalde modaliteiten aan de betrokken kredietinstelling een specifiek eigenvermogensvereiste opleggen bovenop de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens Verordening nr. 575/2013, de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en artikel 95, om rekening te houden met de risico's waaraan die kredietinstelling blootgesteld is of kan zijn. De toezichthouder bepaalt hoe de betrokken kredietinstelling aan dit specifiek eigenvermogensvereiste moet voldoen.
   Daartoe kan de toezichthouder ook alle andere in artikel 234, § 2 bedoelde maatregelen opleggen.
   Onverminderd artikel 18 van Verordening nr. 575/2013 kan de toezichthouder bovendien eisen dat een gereglementeerde of niet-gereglementeerde onderneming in de consolidatieperimeter wordt opgenomen wanneer het risicoprofiel van de kredietinstelling op geconsolideerde of, in voorkomend geval, gesubconsolideerde basis, zoals dat uit de consolidatieperimeter blijkt, niet adequaat is.]1

  
Art.149. [1 Sur la base des résultats de la procédure de contrôle et d'évaluation effectuée conformément à l'article 142, de même qu'en cas d'application de l'article 143, § 1er, 11° ou 12° ou de l'article 145, § 3, et afin de tenir compte des risques auxquels l'établissement de crédit concerné est ou pourrait être exposé, l'autorité de contrôle peut, selon les modalités déterminées à l'article 150, imposer à cet établissement de crédit une exigence spécifique de fonds propres, qui s'ajoute aux exigences de fonds propres requises par ou en vertu du Règlement n° 575/2013, des règlements pris en application de l'article 98 et de l'article 95. L'autorité de contrôle précise selon quelles modalités l'établissement de crédit concerné doit couvrir cette exigence spécifique de fonds propres.
   Aux fins précitées, l'autorité de contrôle peut également imposer toutes autres mesures prévues à l'article 234, § 2.
   En outre, sans préjudice de l'article 18 du Règlement n° 575/2013, l'autorité de contrôle peut requérir l'inclusion dans le périmètre de consolidation de toute entreprise réglementée ou non réglementée lorsque le profil de risque de l'établissement de crédit sur une base consolidée ou, le cas échéant, sous-consolidée, tel qu'il résulte du périmètre de consolidation, n'est pas adéquat.]1

  
Art.150. [1 § 1. Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht en van het in de artikelen 144 en 145 bedoelde onderzoek van de interne benaderingen legt de toezichthouder in de volgende gevallen het in artikel 149, eerste lid bedoeld specifiek eigenvermogensvereiste op:
   1° de kredietinstelling houdt risico's in die niet of onvoldoende gedekt zijn door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, zoals gespecificeerd in artikel 150/1, in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en in artikel 95;
   2° de in artikel 143, § 1, 11° bedoelde waardeverminderingen zijn onvoldoende om de kredietinstelling in staat te stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden;
   3° uit het overeenkomstig artikel 145, § 3 verrichte onderzoek blijkt dat de niet-naleving van de voorwaarden voor de toepassing van een toegestane interne benadering als gevolg kan hebben dat de betrokken instelling niet langer voldoet aan de toepasselijke reglementaire eigenvermogensvereisten;
   4° de kredietinstelling heeft herhaaldelijk nagelaten een toereikend niveau van aanvullend eigen vermogen vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 150/5, § 3 meegedeelde aanbevelingen voor aanvullend eigen vermogen;
   5° elke andere kredietinstellingsspecifieke situatie die volgens de beoordeling van de toezichthouder aanleiding geeft tot materiële risico's.
   § 2. De in artikel 149, eerste lid bedoelde maatregel wordt alleen opgelegd ter dekking van de risico's die de betrokken kredietinstelling door haar activiteiten loopt, met inbegrip van het effect van veranderingen in de economische situatie en ontwikkelingen op de financiële markten op haar risicoprofiel.]1

  
Art.150. [1 § 1er. Sur la base des résultats de la procédure de contrôle et d'évaluation effectuée conformément à l'article 142 et de l'examen des approches internes visé aux articles 144 et 145, l'autorité de contrôle impose l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er dans les cas suivants :
   1° l'établissement de crédit présente des risques non couverts ou insuffisamment couverts, par les exigences en fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlement n° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402 ainsi qu'il est précisé à l'article 150/1, aux règlements pris en application de l'article 98, et à l'article 95 ;
   2° les corrections de valeur visées à l'article 143, § 1er, 11° sont insuffisantes pour permettre à l'établissement de crédit, dans des conditions de marché normales, de vendre ou de couvrir ses positions à bref délai sans s'exposer à des pertes significatives ;
   3° l'examen effectué en application de l'article 145, § 3 fait apparaître que le non-respect des conditions posées pour l'utilisation d'une approche interne autorisée risque d'avoir pour conséquence que l'établissement concerné ne respecte plus les exigences applicables en matière de fonds propres réglementaires ;
   4° à plusieurs reprises, l'établissement de crédit n'a pas établi ou conservé un niveau suffisant de fonds propres supplémentaires pour couvrir les recommandations de fonds propres supplémentaires communiquées conformément à l'article 150/5, § 3 ;
   5° tout autre situation spécifique à l'établissement de crédit donnant lieu selon l'estimation de l'autorité de contrôle à des risques matériels.
   § 2. La mesure visée à l'article 149, alinéa 1er n'est imposée que pour couvrir les risques encourus par l'établissement de crédit concerné en raison de ses activités, y compris l'impact de l'évolution de la situation économique et des marchés financiers sur son profil de risque.]1

  
Art. 150/1. [1 § 1. Voor de toepassing van artikel 150, § 1, 1°, worden risico's of aspecten van risico's alleen geacht niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 te zijn gedekt, wanneer de bedragen, de categorieën, de verdeling en/of de kwaliteit van het eigen vermogen dat nodig is om aan deze eigenvermogensvereisten te voldoen, van een lager niveau zijn dan deze die de toezichthouder toereikend acht, rekening houdend met het in artikel 94 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten.
   Het eigen vermogen dat door de toezichthouder toereikend wordt geacht dekt alle risico's of aspecten van risico's die op grond van de in paragraaf 2 bedoelde beoordeling als wezenlijk zijn aangemerkt en die niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 zijn gedekt.
   § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 beoordeelt de toezichthouder, rekening houdend met het risicoprofiel van elke individuele instelling, de risico's waaraan de kredietinstelling is blootgesteld, met inbegrip van:
   1° de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die uitdrukkelijk niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 of die niet uitdrukkelijk aan bod komen in deze vereisten;
   2° de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die wellicht worden onderschat niettegenstaande het feit dat de toepasselijke vereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 worden nageleefd, en dit onverminderd het genot van door of krachtens deze wet en door de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen vastgestelde overgangsbepalingen waarbij vroegere bepalingen van toepassing worden verklaard of nieuwe bepalingen van deze wet of van de voornoemde verordeningen geleidelijk van toepassing worden verklaard.
   § 3. Uit activiteiten buiten de handelsportefeuille voortvloeiende renterisico's kunnen wezenlijk worden geacht, ten minste in de gevallen bedoeld in [2 artikel 143, § 1, 12°]2, tenzij de toezichthouder na de overeenkomstig artikel 142 verrichte procedure van toetsing en evaluatie tot de conclusie komt dat de kredietinstelling het renterisico voortvloeiend uit haar activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de kredietinstelling niet overmatig is blootgesteld aan het renterisico dat zij loopt bij activiteiten buiten de handelsportefeuille.]1

  
Art. 150/1. [1 § 1er. Pour l'application de l'article 150, § 1er, 1°, des risques ou des éléments de risque ne sont considérés comme non couverts ou insuffisamment couverts par les exigences de fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlement n° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402, que si le montant, les catégories, la répartition et/ou la qualité des fonds propres nécessaires pour respecter lesdites exigences de fonds propres sont de niveau moins élevé que ceux que l'autorité de contrôle estime adéquats, compte tenu de la gestion prospective des fonds propres visée à l'article 94.
   Les fonds propres que l'autorité de contrôle estime adéquats couvrent tous les risques ou éléments de risque qui sont considérés comme significatifs en vue de l'évaluation visée au paragraphe 2 et qui ne sont pas couverts ou sont insuffisamment couverts par les exigences de fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402.
   § 2. Aux fins du paragraphe 1er, l'autorité de contrôle évalue, compte tenu du profil de risque de chaque établissement, les risques auxquels l'établissement de crédit est exposé, y compris :
   1° les risques ou éléments de risques spécifiques à l'établissement de crédit qui sont explicitement non pris en compte pour le calcul des exigences de fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402, ou que lesdites exigences ne visent pas explicitement ;
   2° les risques ou éléments de risques spécifiques à l'établissement de crédit susceptibles d'être sous-estimés malgré le respect des exigences applicables énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402 et ce, sans préjudice du bénéfice de dispositions transitoires prévues par ou en vertu de la présente loi et par les règlements européens directement applicables, conférant le bénéfice de dispositions antérieures ou une application graduelle de dispositions nouvelles de la présente loi ou desdits règlements.
   § 3. Le risque de taux d'intérêt inhérent aux activités hors portefeuille de négociation peut être considéré comme significatif au moins dans les cas visés à [2 l'article 143, § 1er, 12°]2, sauf si l'autorité de contrôle, à l'issue de la procédure de contrôle et d'évaluation effectués conformément à l'article 142, conclut que la gestion par l'établissement de crédit du risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation est adéquate et que l'établissement de crédit n'est pas excessivement exposé au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation.]1

  
Art. 150 //2. [1 Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, bepaalt de toezichthouder het niveau van het aanvullend eigen vermogen dat vereist is om aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste te voldoen in de in artikel 150, § 1, 1°, bedoelde situaties, als het verschil tussen het eigen vermogen dat de toezichthouder toereikend acht overeenkomstig artikel 150/1, § 1 en het eigen vermogen dat voortvloeit uit de vereisten die van toepassing zijn op grond van de delen drie en vier van Verordening nr. 575/2013 en Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402.
   Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen dat niet voldoende wordt gedekt door het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste, bepaalt de toezichthouder het niveau van het aanvullend eigen vermogen zoals dat vereist is om te voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste in de in artikel 150, § 1, 1°, bedoelde situaties, als het verschil tussen het eigen vermogen dat de toezichthouder toereikend acht op grond van artikel 150/1, § 1 en het eigen vermogen dat voortvloeit uit de eigenvermogensvereisten die van toepassing zijn op grond van de delen drie en zeven van Verordening nr. 575/2013.]1

  
Art. 150/2. [1 Lorsque des fonds propres supplémentaires sont requis pour faire face aux risques autres que le risque de levier excessif, l'autorité de contrôle fixe le niveau des fonds propres supplémentaires requis pour satisfaire à l'exigence spécifique prévue à l'article 149, alinéa 1er dans des situations visées à l'article 150, § 1er, 1°, comme étant la différence entre les fonds propres que l'autorité de contrôle estime adéquats conformément à l'article 150/1, § 1er, et les fonds propres résultant des exigences applicables conformément à la troisième et la quatrième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402.
   Lorsque des fonds propres supplémentaires sont requis pour faire face au risque de levier excessif insuffisamment couvert par l'exigence du ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlementn° 575/2013, l'autorité de contrôle fixe le niveau des fonds propres supplémentaires requis pour satisfaire à l'exigence spécifique prévue à l'article 149, alinéa 1er dans des situations prévues à l'article 150, § 1er, 1°, comme étant la différence entre les fonds propres que l'autorité de contrôle estime adéquats conformément à l'article 150/1, § 1er et les fonds propres résultant des exigences de fonds propres applicables conformément à la troisième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013.]1

  
Art. 150/3. [1 § 1. Een kredietinstelling moet voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek- eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen met een eigen vermogen dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1° ten minste drie vierde van het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan met tier 1-kapitaal;
   2° ten minste drie vierde van het in punt 1°, bedoelde tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal.
   Een kredietinstelling moet voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek- eigenvermogensvereiste met het oog op het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking met tier 1-kapitaal.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de toezichthouder eisen dat met een hoger percentage tier 1-kapitaal of tier 1-kernkapitaal aan het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan, indien hij dit nodig acht gelet op de specifieke omstandigheden van een kredietinstelling.
   § 3. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
   1° de eigenvermogensvereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening nr. 575/2013;
   2° het globaal kapitaalbuffervereiste bedoeld in artikel 96;
   3° de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5 wanneer die richtsnoeren andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking ondervangen.
   § 4. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid wordt opgelegd met het oog op het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking dat niet voldoende door het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste wordt gedekt, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
   1° het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013;
   2° het hefboomratiobuffervereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis, van Verordening nr. 575/2013;
   3° de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5 wanneer die richtsnoeren het risico van buitensporige hefboomwerking ondervangen.]1

  
Art. 150/3. [1 § 1er. Un établissement de crédit est tenu de satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres prévue par l'article 149, alinéa 1er pour couvrir des risques autres que le risque de levier excessif au moyen de fonds propres répondant aux conditions suivantes :
   1° l'exigence spécifique de fonds propres est satisfaite pour les trois quarts au moins au moyen de fonds propres de catégorie 1 ;
   2° les fonds propres de catégorie 1 visés au 1°, sont constitués pour les trois quarts au moins de fonds propres de base de catégorie 1.
   Un établissement de crédit est tenu de satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres prévue par l'article 149, alinéa 1er pour faire face au risque de levier excessif au moyen de fonds propres de catégorie 1.
   § 2. Lorsqu'elle l'estime nécessaire compte tenu de circonstances spécifiques propres à un établissement de crédit, l'autorité de contrôle peut, par dérogation au paragraphe 1er, imposer qu'il soit satisfait à l'exigence spécifique de fonds propres par une proportion plus élevée de fonds propres de catégorie 1 ou de fonds propres de base de catégorie 1.
   § 3. Un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er destinée à faire face aux risques autres que le risque de levier excessif, afin de répondre :
   1° aux exigences de fonds propres énoncées à l'article 92, paragraphe 1er, points a), b) et c), du Règlement n° 575/2013 ;
   2° à l'exigence globale de coussin de fonds propres visée à l'article 96 ;
   3° aux recommandations de fonds propres supplémentaires visées à l'article 150/5 lorsque celles-ci concernent des risques autres que le risque de levier excessif.
   § 4. Un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er destinée à faire face au risque de levier excessif insuffisamment couvert par l'exigence du ratio de levier prévue à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement no 575/2013, afin de répondre :
   1° à l'exigence de fonds propres énoncée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlementn° 575/2013 ;
   2° à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visé à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlementn° 575/2013 ;
   3° aux recommandations de fonds propres supplémentaires visées à l'article 150/5 lorsque celles-ci concernent le risque de levier excessif.]1

  
Art. 150/4. [1 In het kader van zijn motiveringsplicht motiveert de toezichthouder het besluit om overeenkomstig artikel 149, eerste lid een specifiek eigenvermogensvereiste op te leggen schriftelijk, ten minste door duidelijk de volledige beoordeling van de in de artikelen 150 tot 150/3 bedoelde gegevens uiteen te zetten. In de situatie bedoeld in artikel 150, § 1, 4° omvat dit document een specifieke opgave van de redenen waarom de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen niet langer toereikend worden geacht.]1
  
Art. 150/4. [1 Dans l'accomplissement de son obligation de motivation, l'autorité de contrôle justifie par écrit la décision d'imposer une exigence spécifique de fonds propres conformément à l'article 149, alinéa 1er en communiquant au minimum un compte rendu clair de l'évaluation complète des éléments visés aux articles 150 à 150/3. Ce document comprend, dans la situation visée à l'article 150, § 1er, 4°, un exposé particulier des raisons pour lesquelles des recommandations sur les fonds propres supplémentaires ne sont plus considérées comme suffisantes.]1
  
Art. 150/5. [1 § 1. Op grond van het in artikel 94 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten stelt een kredietinstelling haar intern eigen vermogen vast op een passend niveau dat voldoende hoog ligt om alle risico's waaraan zij blootstaat te dekken en om de potentiële verliezen ten gevolge van crisisscenario's te absorberen, met inbegrip van die welke in het kader van de in artikel 148 bedoelde prudentiële stresstests zijn aangewezen.
   § 2. De toezichthouder toetst regelmatig het niveau van het in paragraaf 1 bedoeld intern eigen vermogen als onderdeel van de procedure van prudentiële toetsing en evaluatie en van de onderzoeken die overeenkomstig de artikelen 142, 144 en 145 worden uitgevoerd, met inbegrip van de resultaten van de in artikel 148 bedoelde stresstests.
   § 3. Op grond van dat onderzoek bepaalt de toezichthouder voor elke kredietinstelling het algemene niveau van eigen vermogen dat hij passend vindt.
   Hij deelt aan de betrokken instelling de daaruit voortvloeiende richtsnoeren inzake het bedrag aan aanvullend eigen vermogen dat vereist is om dit algemene niveau te bereiken mee.
   § 4. Het bedrag aan aanvullend eigen vermogen als bedoeld in paragraaf 3, tweede lid is het bedrag aan eigen vermogen boven het bedrag aan eigen vermogen dat is vereist op grond van de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, de artikelen 96 en 149, eerste lid, en, naargelang het geval, op grond van artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, dat nodig is om het algemene niveau van eigen vermogen te bereiken dat de toezichthouder passend vindt op grond van paragraaf 3, eerste lid.
   § 5. De richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen bedoeld in paragraaf 3, tweede lid zijn kredietinstellingsspecifiek. Deze richtsnoeren kunnen betrekking hebben op risico's die worden ondervangen door het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid is opgelegd voor zover zij betrekking hebben op aspecten van die risico's die nog niet ondervangen worden door dat specifiek eigenvermogensvereiste.
   § 6. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
   1° de eigenvermogensvereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening nr. 575/2013;
   2° het specifiek vereiste dat op grond van artikel 149 wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen;
   3° het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96.
   § 7. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen die bedoeld zijn om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
   1° het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013;
   2° het specifiek vereiste dat op grond van artikel 149 wordt opgelegd om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen;
   3° in voorkomend geval, het hefboomratiobuffervereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis, van Verordening nr. 575/2013.
   § 8. Indien de kredietinstelling voldoet aan de toepasselijke eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, in artikel 149, eerste lid, in artikel 96 en, in voorkomend geval, aan het vereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, geeft de niet-naleving van de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen geen aanleiding tot de in artikel 99 of 102/2 bedoelde beperkingen.]1

  
Art. 150/5. [1 § 1er. Conformément à la gestion prospective des besoins en fonds propres visée à l'article 94, un établissement de crédit fixe ses fonds propres internes à un niveau adéquat qui soit suffisant pour couvrir tous les risques auxquels il est exposé et pour pouvoir absorber les pertes potentielles résultant de scénarios de crise, y compris celles identifiées dans le cadre des tests de résistance prudentiels visés à l'article 148.
   § 2. L'autorité de contrôle revoit régulièrement le niveau des fonds propres internes visé au paragraphe 1er dans le cadre de la procédure de contrôle et d'évaluation prudentiels et des examens effectués conformément aux articles 142, 144 et 145, en ce compris les résultats des tests de résistance visés à l'article 148.
   § 3. Sur la base de cet examen, l'autorité de contrôle détermine pour chaque établissement de crédit le niveau global de fonds propres qu'elle juge approprié.
   Elle communique à l'établissement concerné les recommandations qui en découlent quant au montant de fonds propres supplémentaires qui permettrait d'atteindre ce niveau global.
   § 4. Le montant de fonds propres supplémentaires visé au paragraphe 3, alinéa 2 est le montant des fonds propres excédant celui des fonds propres requis conformément à la troisième, quatrième et septième Partie du Règlementn° 575/2013, au Chapitre 2 du Règlement n 2017/2402, aux articles 96 et 149, alinéa 1er, ainsi que, selon le cas, à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlementn° 575/2013, qui est nécessaire pour atteindre le niveau global de fonds propres que l'autorité de contrôle estime approprié en application du paragraphe 3, alinéa 1er.
   § 5. Les recommandations de fonds propres supplémentaires visées au paragraphe 3, alinéa 2 sont spécifiques à un établissement de crédit. Ces recommandations ne peuvent couvrir les risques visés par l'exigence spécifique de fonds propres imposée en vertu de l'article 149, alinéa 1er que dans la mesure où elles couvrent des aspects de ces risques qui ne sont pas déjà couverts par ladite exigence spécifique de fonds propres.
   § 6. Un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire aux recommandations de fonds propres supplémentaires destinées à faire face aux risques autres que le risque de levier excessif, afin de répondre :
   1° aux exigences de fonds propres énoncées à l'article 92, paragraphe 1er, points a), b) et c), du Règlementn° 575/2013 ;
   2° à l'exigence spécifique énoncée à l'article 149 pour faire face aux risques autres que le risque de levier excessif ;
   3° à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96.
   § 7. En outre, un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire aux recommandations de fonds propres supplémentaires destinées à faire face au risque de levier excessif, afin de répondre :
   1° à l'exigence de fonds propres énoncée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlementn° 575/2013 ;
   2° à l'exigence spécifique énoncée à l'article 149, pour faire face au risque de levier excessif ;
   3° le cas échéant, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlementn° 575/2013.
   § 8. Le non-respect des recommandations de fonds propres supplémentaires ne donne pas lieu aux restrictions visées aux articles 99 ou 102/2 lorsque l'établissement de crédit satisfait aux exigences de fonds propres applicables énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402, à l'article 149, alinéa 1er, à l'article 96 et, le cas échéant, à l'exigence visée à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlement no 575/2013.]1

  
Art. 150/6. [1 De toezichthouder stelt de betrokken afwikkelingsautoriteiten in kennis van het op grond van artikel 149, eerste lid aan een kredietinstelling opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste en van de overeenkomstig artikel 150/5, § 3, tweede lid aan een instelling meegedeelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen.]1
  
Art. 150/6. [1 L'autorité de contrôle notifie aux autorités de résolution concernées l'exigence spécifique de fonds propres imposée à un établissement de crédit en vertu de l'article 149, alinéa 1er et les recommandations de fonds propres supplémentaires communiquées à un établissement conformément à l'article 150/5, § 3, alinéa 2.]1
  
Art.151. Wanneer hij van oordeel is dat het liquiditeitsrisico waaraan een kredietinstelling blootgesteld is of kan zijn, dit rechtvaardigt, kan de toezichthouder aan die instelling specifieke liquiditeitsnormen opleggen bovenop de liquiditeitsnormen die zijn vastgesteld in Verordening nr. 575/2013 en in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen. De toezichthouder houdt daarbij rekening met het volgende :
  1° het bedrijfsmodel van de instelling;
  2° het resultaat van de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure, met name wanneer de toezichthouder besluit dat de minimumliquiditeitsvereisten die zijn vastgesteld in Verordening nr. 575/2013 en in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen, of die door de instelling zelf zijn vastgesteld met toepassing van artikel 94, de werkelijke risico's die de instelling loopt of waarvan gevreesd kan worden dat ze zich zullen voordoen, onderschatten;
  3° de organisatieregeling en de maatregelen die de instelling heeft ingevoerd om te garanderen dat de risico's worden beheerst, in het bijzonder het liquiditeitsrisico bedoeld in artikel 8 van Bijlage I;
  4° [1 ...]1
  
Art.151. Lorsqu'elle estime que le risque de liquidité auquel est, ou est susceptible d'être exposé un établissement de crédit le justifie, l'autorité de contrôle peut imposer à cet établissement des normes spécifiques de liquidité qui s'ajoutent à celles définies par le Règlement n° 575/2013 et les règlements pris en application de l'article 98. L'autorité de contrôle tient compte :
  1° du modèle d'entreprise de l'établissement;
  2° du résultat de la procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 142, notamment lorsque l'autorité de contrôle conclut que les exigences minimales de liquidité déterminées par le Règlement n° 575/2013 et les règlements pris en application de l'article 98, ou fixées par l'établissement lui-même en application de l'article 94, sous-estiment les risques réels encourus par celui-ci ou dont on peut craindre la survenance;
  3° du dispositif d'organisation et des mesures mises en place par l'établissement pour assurer la maîtrise des risques, en particulier du risque de liquidité visé à l'article 8 de l'Annexe Ire;
  4° [1 ...]1
  
Art.152. De toezichthouder kan beslissen om voor de maatregelen die overeenkomstig de artikelen 149 en 151 worden opgelegd, een termijn vast te leggen. De toepassing van deze bepalingen doet geen afbreuk aan de toepassing van andere bepalingen van deze wet, met name artikel 234 [1 , noch aan de toepassing van maatregelen die in andere wetten, besluiten of reglementen zijn vastgelegd]1.
  
Art.152. L'autorité de contrôle peut décider d'assortir d'un délai les mesures imposées conformément aux articles 149 à 151. L'application de ces dispositions ne porte pas préjudice à l'application d'autres dispositions de la présente loi, notamment son article 234 [1 et à l'application de mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements]1.
  
Art.153. De toezichthouder informeert de Europese Bankautoriteit over :
  1° de werking van zijn toetsings- en evaluatieprocedure als bedoeld in artikel 142;
  2° de methode die gebruikt wordt om ervoor te zorgen dat de beslissingen die met toepassing van de artikelen 143 tot 151, en 234 worden genomen, gebaseerd zijn op de toetsings- en evaluatieprocedure die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht.
Art.153. L'autorité de contrôle informe l'Autorité bancaire européenne :
  1° du fonctionnement de sa procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 142;
  2° de la méthode utilisée pour que les décisions prises en application des articles 143 à 151, et 234 soient basées sur la procédure de contrôle et l'évaluation effectuée conformément à l'article 142.
Afdeling VI.
Section VI.
HOOFDSTUK III. - Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende werkzaamheden
CHAPITRE III. - Contrôle des activités exercées dans un autre Etat membre
Afdeling I. - Definities
Section Ire. - Définitions
Art.155. Voor de toepassing van dit Hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° lidstaat van herkomst : de lidstaat waarin aan een kredietinstelling een vergunning is verleend, in casu België;
  2° lidstaat van ontvangst : de lidstaat waarin een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;
  3° de toezichthouder : de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.
Art.155. Pour l'application du présent Chapitre, il y a lieu d'entendre par :
  1° Etat membre d'origine, l'Etat membre dans lequel un agrément est octroyé à un établissement de crédit, in casu la Belgique;
  2° Etat membre d'accueil, l'Etat membre dans lequel un établissement de crédit a une succursale ou fournit des services;
  3° l'autorité de contrôle, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre d'origine.
Afdeling II. - Toezicht op de werkzaamheden
Section II. - Contrôle des activités
Art.156. § 1. Het toezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthouder overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk I [1 omvat eveneens de werkzaamheden]1 die de kredietinstellingen uitoefenen via de vestiging van [1 bijkantoren of het vrij verrichten van diensten in andere lidstaten]1.
  Het toezicht bedoeld in het eerste lid laat het toezicht op geconsolideerde basis onverlet.
  § 2. De toezichthouder neemt bij de uitoefening van zijn taak naar behoren de gevolgen in overweging die zijn beslissingen, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie.
  
Art.156. § 1er. Le contrôle exercé par l'autorité de contrôle conformément au Titre III, Chapitre Ier, [1 appréhende également les activités]1 que les établissements de crédit exercent par voie de [1 succursales ou de libre prestation de services dans d'autres Etats membres]1.
  Le contrôle visé à l'alinéa 1er ne porte pas préjudice au contrôle sur base consolidée.
  § 2. Dans l'exercice de sa mission, l'autorité de contrôle tient dûment compte de l'incidence potentielle de ses décisions sur la stabilité du système financier de tous les autres Etats membres concernés, en particulier dans les situations d'urgence, en se fondant sur les informations disponibles au moment considéré.
  
Afdeling III. - Uitzonderingsmaatregelen
Section III. - Mesures exceptionnelles
Art.157. § 1. [1 Wanneer de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waar een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden uitoefent als bedoeld in artikel 4, in het kader van het vrij verrichten van diensten, de toezichthouder ervan in kennis stellen dat de Belgische wettelijke bepalingen vastgesteld met toepassing van Richtlijn 2013/36/EU of Verordening nr. 575/2013, niet worden nageleefd of er een wezenlijk risico bestaat van niet-naleving, treft de toezichthouder zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen, met name deze bedoeld in de artikelen 234 tot 236, of doet hij deze maatregelen treffen, om ervoor te zorgen dat deze onregelmatige situatie wordt verholpen.
   De toezichthouder deelt deze maatregelen onverwijld mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.]1

  § 2. Indien de toezichthouder de vergunning intrekt van de kredietinstelling die werkzaamheden uitoefent in een andere lidstaat via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten, stelt hij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan onverwijld in kennis.
  § 3. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in een noodsituatie bewarende maatregelen heeft getroffen in afwachting dat de toezichthouder passende maatregelen of saneringsmaatregelen neemt, kan deze laatste een maatregel waartegen hij bezwaar maakt, voorleggen aan de Europese Bankautoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 en haar om bijstand verzoeken.
  
Art.157. § 1er. [1 Lorsque les autorités compétentes d'un autre Etat membre dans lequel un établissement de crédit belge a établi une succursale, ou y exerce des activités visées à l'article 4 dans le cadre de la libre prestation de services, informent l'autorité de contrôle que les dispositions légales belges définies en application de la directive 2013/36/UE ou du Règlement n° 575/2013 ne sont pas respectées, ou qu'il existe un risque significatif de non-respect, l'autorité de contrôle prend ou fait prendre, sans délai, toute mesure appropriée, notamment celles visées aux articles 234 à 236, pour veiller à ce qu'il soit remédié à la situation de manquement.
   L'autorité de contrôle communique sans délai ces mesures à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.]1

  § 2. Si l'autorité de contrôle retire l'agrément de l'établissement de crédit qui exerce des activités dans un autre Etat membre par voie de succursale ou de libre prestation de services, elle en informe sans délai l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.
  § 3. Lorsque, dans une situation d'urgence, l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil a pris des mesures conservatoires dans l'attente de mesures adéquates ou de redressement prises par l'autorité de contrôle, cette dernière peut saisir l'Autorité bancaire européenne et solliciter son assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010 à propos d'une mesure à l'égard de laquelle elle émet des objections.
  
Afdeling IV. - Samenwerking
Section IV. - Coopération
Art.158. [1 § 1. Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van kredietinstellingen die in andere lidstaten worden uitgeoefend via een bijkantoor, werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst. De toezichthouder verstrekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst alle gegevens betreffende het bestuur en [2 de aandeelhoudersstructuur]2 van de betrokken kredietinstellingen die het toezicht op deze kredietinstellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die kredietinstellingen kunnen vergemakkelijken, alsmede alle gegevens die de monitoring van deze kredietinstellingen, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door hen gevormde systeemrisico, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, kunnen vergemakkelijken.
   § 2. De toezichthouder verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk alle inlichtingen en bevindingen met betrekking tot het liquiditeitstoezicht dat overeenkomstig de artikelen 412 tot 414 van Verordening nr. 575/2013, de artikelen 149, 151, 234, § 2 en artikel 8 van Bijlage I bij deze wet, wordt uitgeoefend op de werkzaamheden die een Belgische kredietinstelling via haar bijkantoren verricht, voor zover die inlichtingen en bevindingen relevant zijn voor de bescherming van de deposanten of beleggers in de betrokken lidstaat van ontvangst.
   § 3. De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk in kennis indien er zich [2 een ernstig liquiditeitsprobleem]2 voordoet of indien redelijkerwijze mag worden verwacht dat er zich een [2 een ernstig liquiditeitsprobleem]2 zal voordoen. Bij deze kennisgeving worden ook nadere bijzonderheden verstrekt over de planning en uitvoering van een herstelplan en over alle in dat verband genomen prudentiële toezichtsmaatregelen.
   § 4. Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst deelt de toezichthouder mee en legt hij uit hoe met de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst meegedeelde inlichtingen en bevindingen rekening werd gehouden.
   Indien de toezichthouder het niet eens is met de maatregelen die door een bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst moeten worden getroffen om verdere [2 tekortkomingen]2 te voorkomen teneinde de belangen van deposanten, beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren, kan hij de zaak aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
   § 5. De toezichthouder kan eveneens situaties waarin een verzoek om samenwerking, met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.]1

  
Art.158. [1 § 1er. En vue de surveiller l'activité des établissements exercée dans d'autres Etats membres par voie d'une succursale, l'autorité de contrôle collabore étroitement avec l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil. L'autorité de contrôle communique à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil toutes les informations relatives à la gestion et à [2 l'actionnariat]2 des établissements de crédit concernés susceptibles de faciliter leur surveillance et l'examen des conditions de leur agrément, ainsi que toutes les informations susceptibles de faciliter leur suivi, en particulier en matière de liquidité, de solvabilité, de garantie des dépôts, de limitation des grands risques, d'autres facteurs susceptibles d'influer sur le risque systémique qu'ils représentent, d'organisation administrative et comptable et de mécanismes de contrôle interne.
   § 2. L'autorité de contrôle communique immédiatement à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil toutes informations et constatations relatives à la surveillance de la liquidité, conformément aux articles 412 à 414 du Règlement n° 575/2013 et aux articles 149, 151, 234, § 2 et à l'article 8 de l'Annexe I de la présente loi, concernant les activités exercées par un établissement de crédit belge par voie de ses succursales, dans la mesure où ces informations et constatations sont pertinentes pour la protection des déposants ou des investisseurs dans l'Etat membre d'accueil concerné.
   § 3. L'autorité de contrôle informe immédiatement l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil qu'[2 un problème grave de liquidité]2 est survenue ou que l'on peut raisonnablement s'attendre à ce qu'elle survienne. Cette information inclut aussi des éléments détaillés sur la planification et la mise en oeuvre d'un plan de redressement et sur toute mesure de surveillance prudentielle prise dans ce contexte.
   § 4. A la demande de l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil, l'autorité de contrôle communique et explique comment les informations et constatations fournies par les premières ont été prises en considération.
   Si l'autorité de contrôle s'oppose aux mesures à prendre par une autorité compétente de l'Etat membre d'accueil afin de prévenir [2 de nouveaux manquements]2 en vue de protéger les intérêts des déposants, des investisseurs et d'autres personnes pour lesquelles des services sont fournis, ou de préserver la stabilité du système financier, elle peut saisir l'Autorité bancaire européenne conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
   § 5. De même, l'autorité de contrôle peut, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, saisir l'Autorité bancaire européenne dans les situations où une demande de coopération, en particulier d'échange d'informations, a été rejetée ou n'a pas été suivie d'effet dans un délai raisonnable.]1

  
Afdeling V. - Significante bijkantoren
Section V. - Succursales d'importance significative
Art.159. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst de toezichthouder verzoekt om een bijkantoor van een kredietinstelling naar Belgisch recht in een andere lidstaat als significant aan te merken in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU, stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en met de consoliderende toezichthouder, indien de toezichthouder zelf deze hoedanigheid niet heeft, tot een gezamenlijk besluit te komen over het aanmerken van het bijkantoor als significant.
  De gezamenlijke besluiten, als bedoeld in het eerste lid, worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en worden aan de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst toegezonden.
  Indien binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, geen gezamenlijk besluit wordt genomen, dient de toezichthouder het besluit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst dat binnen een bijkomende termijn van twee maanden wordt genomen aangaande het al dan niet significant karakter van het bijkantoor, als definitief te erkennen en toe te passen.
Art.159. Si l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil demande à l'autorité de contrôle qu'une succursale d'un établissement de crédit de droit belge établie dans un autre Etat membre soit considérée comme ayant une importance significative au sens de l'article 51 de la Directive 2013/36/UE, l'autorité de contrôle met tout en oeuvre pour parvenir, de concert avec les autorités compétentes des Etats membres d'accueil et l'autorité de surveillance sur base consolidée, si l'autorité de contrôle n'a pas cette qualité, à une décision commune sur la désignation de la succursale en tant que succursale d'importance significative.
  Les décisions communes visées à l'alinéa 1er sont présentées dans un document dûment motivé et sont communiquées aux autorités compétentes concernées des Etats membres d'accueil.
  Si aucune décision commune n'est prise dans un délai de deux mois à compter de la réception d'une demande visée à l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle doit reconnaître la décision de l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil, prise au plus tard dans un délai supplémentaire de deux mois sur la désignation de la succursale en tant que succursale d'importance significative, comme définitive, et l'appliquer.
Art.160. § 1. De toezichthouder zendt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar een significant bijkantoor is gevestigd, de in artikel 180, § 2, tweede lid, 3° en 4° bedoelde informatie toe en voert de in artikel 172, § 1 bedoelde taken uit in samenwerking met die bevoegde autoriteiten .
  § 2. Indien de toezichthouder kennis krijgt van een noodsituatie in de zin van artikel 36/14, § 1, 1°, tweede lid van de wet van 22 februari 1998, waarschuwt hij onverwijld de in datzelfde artikel bedoelde autoriteiten.
  § 3. De toezichthouder deelt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd, de resultaten mee van de in artikel 142 en, in voorkomend geval, in artikel 174, § 2 bedoelde risicobeoordelingen van instellingen met dergelijke bijkantoren. Hij deelt ook de besluiten uit hoofde van de artikelen 146, 149, 150, 151 en 234 mee, voor zover die beoordelingen en besluiten voor die bijkantoren relevant zijn.
  § 4. Indien dit relevant is voor de liquiditeitsrisico's in de valuta van de betrokken lidstaat, raadpleegt de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd over de krachtens artikel 57, § 5 vereiste operationele maatregelen.
Art.160. § 1er. L'autorité de contrôle communique aux autorités compétentes des Etats membres d'accueil dans lesquels une succursale d'importance significative est établie, les informations visées à l'article 180, § 2, alinéa 2, 3° et 4°, et exécute les tâches visées à l'article 172, § 1er, en coopération avec ces autorités compétentes.
  § 2. Si l'autorité de contrôle vient à avoir connaissance d'une situation d'urgence au sens de l'article 36/14, § 1er, 1°, alinéa 2 de la loi du 22 février 1998, elle alerte sans délai les autorités visées au même article.
  § 3. L'autorité de contrôle communique aux autorités compétentes des Etats membres dans lesquels des succursales d'importance significative sont établies, les résultats de l'évaluation des risques visée à l'article 142 et, le cas échéant, à l'article 174, § 2, à laquelle elle soumet les établissements ayant de telles succursales. Elle communique également les décisions prises en vertu des articles 146, 149, 150, 151 et 234, dans la mesure où ces évaluations et décisions intéressent ces succursales.
  § 4. L'autorité de contrôle consulte les autorités compétentes des Etats membres dans lesquels des succursales d'importance significative sont établies sur les mesures opérationnelles requises au titre de l'article 57, § 5, lorsque cela est pertinent eu égard aux risques de liquidité dans la monnaie de l'Etat membre concerné.
Art.161. § 1. Indien er geen college van bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 178 werd opgericht, richt de toezichthouder voor een kredietinstelling met significante bijkantoren in andere lidstaten een door hem voorgezeten college van bevoegde autoriteiten op, [1 om de samenwerking uit hoofde van de artikelen 158 en 160 te vergemakkelijken]1. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst stelt de toezichthouder de regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast. De toezichthouder beslist welke bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst aan een vergadering of activiteit van het college deelnemen.
  § 2. Bij zijn beslissing aangaande de deelname aan het college houdt de toezichthouder rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit voor de betrokken bevoegde autoriteiten en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten [1 als bedoeld in de artikelen 134, § 2 en 156, § 2 alsook met de in artikel 160 bedoelde verplichtingen]1.
  § 3. De toezichthouder informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. Hij informeert alle leden van het college tevens volledig en tijdig over de tijdens deze vergaderingen genomen maatregelen of over de acties ondernomen ter uitvoering ervan.
  
Art.161. § 1er. Lorsqu'il n'a pas été établi de collège d'autorités compétentes au sens de l'article 178, l'autorité de contrôle établit et préside, pour un établissement de crédit ayant des succursales d'importance significative dans d'autres Etats membres, un collège d'autorités compétentes [1 afin de faciliter la collaboration en application des articles 158 et 160]1. L'établissement et le fonctionnement du collège sont fondés sur des dispositions écrites définies par l'autorité de contrôle après consultation des autorités compétentes concernées des Etats membres d'accueil. L'autorité de contrôle décide quelles autorités compétentes des Etats membres d'accueil participent à une réunion ou à une activité du collège.
  § 2. Dans sa décision concernant la participation au collège, l'autorité de contrôle tient compte de la pertinence de l'activité de surveillance à planifier ou à coordonner pour les autorités compétentes concernées, notamment de l'incidence potentielle sur la stabilité du système financier des Etats membres concernés [1 qui est visée aux articles 134, § 2 et 156, § 2, et des obligations énoncées à l'article 160]1.
  § 3. L'autorité de contrôle informe pleinement et à l'avance tous les membres du collège de l'organisation des réunions, des principales questions à aborder et des activités à examiner. Elle informe également pleinement et en temps utile tous les membres du collège des mesures prises lors de ces réunions ou des actions menées pour leur mise en oeuvre.
  
Afdeling VI. - Controle ter plaatse
Section VI. - Contrôle sur place
Art.162. § 1. De toezichthouder kan bij kredietinstellingen die in een andere lidstaat hun werkzaamheden uitoefenen via een bijkantoor, na voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, in voorkomend geval met inschakeling van een deskundige die hij aanstelt, ter plaatse de in artikel 158 bedoelde informatie controleren en dergelijke bijkantoren inspecteren.
  § 2. De toezichthouder kan voor de inspectie van de bijkantoren ook gebruik maken van een van de andere in artikel 214 bedoelde procedures.
  § 3. Bij de opstelling van zijn programma voor prudentieel toezicht als bedoeld in artikel 141 houdt de toezichthouder naar behoren rekening met de informatie en bevindingen die hij heeft verkregen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, en let hij ook op de stabiliteit van het financiële stelsel van de lidstaten waar bijkantoren van de betrokken kredietinstelling gevestigd zijn.
  § 4. De controles ter plaatse en inspecties van bijkantoren door de toezichthouder geschieden overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de controle of inspectie plaatsvindt.
Art.162. § 1er. Dans le cas d'établissements de crédit qui exercent leur activité dans un autre Etat membre par voie de succursale, l'autorité de contrôle peut, après en avoir informé l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil, procéder elle-même ou via un expert qu'elle désigne à un contrôle sur place des informations visées à l'article 158 et inspecter de telles succursales.
  § 2. L'autorité de contrôle peut également recourir, pour l'inspection des succursales, à l'une des autres procédures visées à l'article 214.
  § 3. L'autorité de contrôle tient dûment compte des informations et constatations obtenues de l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil dans l'établissement de son programme de contrôle prudentiel, visé à l'article 141, eu égard également à la stabilité du système financier des Etats membres dans lesquels sont établies des succursales de l'établissement de crédit concerné.
  § 4. Les contrôles sur place et les inspections de succursales par l'autorité de contrôle sont conduits conformément au droit de l'Etat membre où le contrôle ou l'inspection a lieu.
Afdeling VII. - Situaties waarin een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft gevestigd in een deelnemende lidstaat
Section VII. - Des situations où un établissement de crédit belge a établi une succursale dans un Etat membre participant
Art.163. Voor de taken die zijn toevertrouwd aan de Europese Centrale Bank met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, in de gevallen waar zij de toezichthouder is van een kredietinstelling die één of meerdere bijkantoren gevestigd heeft op het grondgebied van één of meerdere deelnemende lidstaten, zijn de bepalingen aangaande samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten niet van toepassing wanneer de Europese Centrale Bank de enige betrokken bevoegde autoriteit is.
Art.163. Pour les matières qui sont confiées à la Banque centrale européenne en application de l'article 4 du Règlement MSU, dans les cas où celle-ci est l'autorité de contrôle d'un établissement de crédit qui a établi une ou plusieurs succursales sur le territoire d'un ou plusieurs Etats membres participants, les dispositions en matière de coopération et d'échange d'informations entre autorités compétentes ne sont pas d'application lorsque la Banque centrale européenne est la seule autorité compétente impliquée.
HOOFDSTUK IV. - Groepstoezicht
CHAPITRE IV. - surveillance du groupe
Afdeling I. - Definities
Section Ire. - Définitions
Art.164. § 1. [3 Onverminderd de definities die opgenomen zijn in artikel 3 van deze wet, wordt voor de toepassing van dit Hoofdstuk, van de artikelen 95 en 96 en van Bijlage IV bij deze wet, evenals van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:]3
  1° [3 ...]3
  2° financieel conglomeraat : [3 een groep in de zin van paragraaf 4, of een subgroep]3 waarvan ten minste één van de dochterondernemingen een gereglementeerde onderneming is en die aan de volgende voorwaarden voldoet :
  a) wanneer een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van de groep of subgroep staat :
  i) is deze onderneming een moederonderneming van een onderneming in de financiële sector, een onderneming die houder is van een deelneming in een onderneming in de financiële sector, dan wel een onderneming die met een onderneming in de financiële sector verbonden is onder de vorm van een consortium;
  ii) is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de verzekeringssector en is ten minste één van de entiteiten in de groep een onderneming uit de banksector of de beleggingsdienstensector, en
  iii) zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel 186, § 3 van deze wet; of
  b) wanneer aan het hoofd van de groep of subgroep geen gereglementeerde onderneming staat :
  i) vinden de activiteiten van de groep of subgroep in hoofdzaak plaats in de financiële sector in de zin van artikel 186, § 2;
  ii) is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de verzekeringssector en ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep is een onderneming uit de banksector of de beleggingsdienstensector, en
  iii) zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en de beleggingsdienstensectorsignificant in de zin van artikel 186, § 3;
  3° de financiële sector : de sector die bestaat uit een of meer van de volgende ondernemingen :
  a) een gereglementeerde onderneming die een kredietinstelling is, een financiële instelling, een onderneming die nevendiensten verricht; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die de "banksector" wordt genoemd;
  b) een gereglementeerde onderneming die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is, een verzekeringsholding; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die de "verzekeringssector" wordt genoemd;
  c) [2 een gereglementeerde onderneming die een beleggingsonderneming is, een onderneming die nevendiensten verricht in de zin van artikel 2, 2° van de wet van 25 oktober 2016, een financiële instelling [3 ...]3; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die de "beleggingsdienstensector" wordt genoemd]2;
  4° onderneming die nevendiensten verricht : een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten of het beheren van onroerend goed, het beheren van gegevensverwerkingsdiensten of een andere soortgelijke activiteit die ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;
  [3 5° goedgekeurde financiële holding of gemengde financiële holding een financiële holding of gemengde financiële holding waaraan goedkeuring is verleend overeenkomstig artikel 212/1 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;
   6° aangewezen kredietinstelling: een kredietinstelling die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/2, § 1, 3° of artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4, punt c) of lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;
   7° aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding: een financiële holding of gemengde financiële holding die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/2, § 1, 3° of artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4, punt c) of lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;
   8° vrijgestelde financiële holding of gemengde financiële holding: een financiële holding of gemengde financiële holding die is vrijgesteld overeenkomstig artikel 212/2 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de betrokken financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert.]3

  § 2. [2 Onverminderd artikel 3 van deze wet en paragraaf 1 van dit artikel worden voor de toepassing van [3 het toezicht op geconsolideerde basis]3 zoals opgenomen in de Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder :
   [3 1° moederkredietinstelling in een lidstaat: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een kredietinstelling die een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
   2° Belgische moederkredietinstelling: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een kredietinstelling naar Belgisch recht die een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
   3° EER-moederkredietinstelling: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
   4° Belgische EER-moederkredietinstelling: een Belgische kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een Belgische moederkredietinstelling die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
   5° financiële moederholding in een lidstaat: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
   6° Belgische financiële moederholding: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
   7° financiële EER-moederholding: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
   8° Belgische financiële EER-moederholding: een Belgische financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een Belgische financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, of van een andere financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
   9° gemengde financiële moederholding in een lidstaat: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een gemengde financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
   10° Belgische gemengde financiële moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een gemengde financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
   11° gemengde financiële EER-moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een gemengde financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;]3
]2

  [3 12° Belgische gemengde financiële EER-moederholding: een Belgische gemengde financiële holding die overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een Belgische gemengde financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
   13° moederbeleggingsonderneming in een lidstaat: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een beleggingsonderneming die een kredietinstelling als dochteronderneming heeft en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
   14° EER-moederbeleggingsonderneming: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert.]3

  § 3. Onverminderd artikel 3 van deze wet en paragraaf 1 van deze bepaling, worden voor de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht zoals opgenomen in de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder :
  1° bevoegde autoriteiten : de nationale autoriteiten van de lidstaten die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen gemachtigd zijn om toezicht uit te oefenen op gereglementeerde ondernemingen, hetzij op individuele, hetzij op groepswijde basis;
  2° relevante bevoegde autoriteiten :
  a) de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor [3 het sectorale toezicht op geconsolideerde basis]3 op gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat, en met name op de moederonderneming die aan het hoofd van een sector staat;
  b) de coördinator, indien deze niet behoort tot de onder a) bedoelde autoriteiten;
  c) andere betrokken bevoegde autoriteiten, die, naar het oordeel van de onder a) en onder b) bedoelde autoriteiten, relevant zijn.
  Tot de inwerkingtreding van overeenkomstig artikel 21bis, lid 1, onder b) van Richtlijn 2002/87/EG vast te stellen technische reguleringsnormen, wordt in het in punt c), bedoelde oordeel in het bijzonder rekening gehouden met het marktaandeel dat de gereglementeerde ondernemingen van het financieel conglomeraat in andere lidstaten hebben, inzonderheid indien dit meer dan 5 % bedraagt, en met het belang van iedere in een andere lidstaat gevestigde gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat.
  3° coördinator : de bevoegde autoriteit die belast is met het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht;
  4° het Europees Comité voor Financiële Conglomeraten : het Comité ingesteld bij artikel 21 van Richtlijn 2002/87/EG;
  5° Gemengd Comité : het comité bedoeld in artikel 54 van respectievelijk Verordening nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie, en Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie;
  6° [3 ...]3
  7° sectorale regelgeving : deze wet [1 , de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,]1 [2 de wet van 25 oktober 2016, de wet van 19 april 2014 betreffende alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders,]2 [1 ...]1 de wet van 3 augustus 2012 [3 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen]3, evenals de uitvoeringsbesluiten en -reglementen van deze wetten, met uitsluiting van de bepalingen inzake het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat; de vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in andere landen;
  8° Richtlijn 2002/87/EG : Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad;
  9° intragroepsverrichtingen : verrichtingen die rechtstreeks of onrechtstreeks worden uitgevoerd, al dan niet tegen betaling, tussen gereglementeerde ondernemingen en andere ondernemingen in een financieel conglomeraat of met die ondernemingen door nauwe banden verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, en die al dan niet betrekking hebben op de uitvoering van een contractuele verplichting;
  10° risicoconcentratie : het geheel van de posities ingenomen door ondernemingen in een financieel conglomeraat, die potentieel tot verlies aanleiding kunnen geven en die groot genoeg zijn om de financiële positie in het algemeen en de solvabiliteit in het bijzonder van de gereglementeerde ondernemingen in het financieel conglomeraat in gevaar te brengen, en die voortvloeien uit tegenpartij- /kredietrisico, beleggingsrisico, verzekeringsrisico, marktrisico's, eventuele andere belangrijke risico's, of een combinatie of wisselwerking van deze risico's.
  [3 § 4. In afwijking van artikel 3 van deze wet wordt voor de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht zoals opgenomen in de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan onder "groep" verstaan het geheel van ondernemingen dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden.]3
  
Art.164. § 1er. [3 Sans préjudice des définitions visées à l'article 3 de la présente loi, pour l'application du présent Chapitre, des articles 95 et 96 et de l'Annexe IV de la présente loi, et des arrêtés et règlements pris pour leur son exécution, il y a lieu d'entendre par :]3
  1° [3 ...]3
  2° conglomérat financier, [3 un groupe au sens du paragraphe 4, ou un sous-groupe]3 dans lequel l'une au moins des filiales est une entreprise réglementée et qui satisfait aux conditions suivantes :
  a) lorsqu'une entreprise réglementée est à la tête du groupe ou du sous-groupe :
  i) cette entreprise est l'entreprise mère d'une entreprise du secteur financier, ou d'une entreprise qui détient une participation dans une entreprise du secteur financier, ou d'une entreprise liée à une entreprise du secteur financier sous la forme d'un consortium;
  ii) l'une au moins des entités du groupe ou du sous-groupe est une entreprise du secteur de l'assurance et l'une au moins des entités du groupe est une entreprise du secteur bancaire ou du secteur des services d'investissement; et
  iii) les activités consolidées et/ou agrégées des entités du groupe ou du sous-groupe qui font partie du secteur de l'assurance, et des entités du secteur bancaire et du secteur des services d'investissement sont importantes au sens de l'article 186, § 3 de la présente loi; ou
  b) lorsqu'il n'y a pas d'entreprise réglementée à la tête du groupe ou du sous-groupe :
  i) les activités du groupe ou du sous-groupe s'exercent principalement dans le secteur financier au sens de l'article 186, § 2;
  ii) l'une au moins des entités du groupe ou du sous-groupe est une entreprise du secteur de l'assurance et l'une au moins des entités du groupe ou du sous-groupe est une entreprise du secteur bancaire ou du secteur des services d'investissement; et
  iii) les activités consolidées et/ou agrégées des entités du groupe ou du sous-groupe qui font partie du secteur de l'assurance, et des entités du secteur bancaire et du secteur des services d'investissement sont importantes au sens de l'article 186, § 3;
  3° le secteur financier, le secteur composé d'une ou de plusieurs des entreprises suivantes :
  a) une entreprise réglementée ayant le statut d'établissement de crédit, un établissement financier, une entreprise de services auxiliaires; ces entreprises font toutes partie du même secteur financier qualifié de "secteur bancaire";
  b) une entreprise réglementée ayant le statut d'entreprise d'assurance ou de réassurance, une société holding d'assurance; ces entreprises font toutes partie du même secteur financier qualifié de "secteur des assurances";
  c) [2 une entreprise réglementée ayant le statut d'entreprise d'investissement, une entreprise qui fournit des services auxiliaires au sens de l'article 2, 2° de la loi du 25 octobre 2016, un établissement financier [3 ...]3; ces entreprises font toutes partie du même secteur financier qualifié de "secteur des services d'investissement"]2;
  4° entreprise de services auxiliaires, une entreprise dont l'activité principale consiste en la détention ou la gestion d'immeubles, en la gestion de services informatiques ou en une activité similaire ayant un caractère auxiliaire par rapport à l'activité principale d'un ou de plusieurs établissements de crédit;
  [3 5° compagnie financière ou compagnie financière mixte approuvée, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée conformément à l'article 212/1 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 1er de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte ;
   6° établissement de crédit désigné, un établissement de crédit désigné conformément à l'article 212/2, § 1er, 3° ou l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4, c) ou paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ;
   7° compagnie financière ou compagnie financière mixte désignée, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte désignée conformément à l'article 212/2, § 1er, 3° ou l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4, c) ou paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ;
   8° compagnie financière ou compagnie financière mixte exemptée, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte exemptée conformément à l'article 212/2 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4 de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte concernée.]3

  § 2. [2 Sans préjudice de l'article 3 de la présente loi et du paragraphe 1er du présent article, il y a lieu d'entendre pour l'application du contrôle sur base consolidée tel que prévu aux Sections II et IV du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour leur exécution, par :
   [3 1° établissement de crédit mère dans un Etat membre, un établissement de crédit faîtier dans un Etat membre, c.-à-d. un établissement de crédit qui a comme filiale un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
   2° établissement de crédit mère belge, un établissement de crédit faîtier en Belgique, c.-à-d. un établissement de crédit de droit belge qui a comme filiale un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
   3° établissement de crédit mère dans l'EEE, un établissement de crédit faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
   4° établissement de crédit mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit belge faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
   5° compagnie financière mère dans un Etat membre, une compagnie financière faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
   6° compagnie financière mère belge, une compagnie financière faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
   7° compagnie financière mère dans l'EEE, une compagnie financière faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
   8° compagnie financière mère belge dans l'EEE, une compagnie financière belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
   9° compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, une compagnie financière mixte faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière mixte qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
   10° compagnie financière mixte mère belge, une compagnie financière mixte faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière mixte de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
   11° compagnie financière mixte mère dans l'EEE, une compagnie financière mixte faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;]3
]2

  [3 12° compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mixte belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
   13° entreprise d'investissement mère dans un Etat membre, une entreprise d'investissement faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une entreprise d'investissement qui a comme filiale un établissement de crédit, et qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
   14° entreprise d'investissement mère dans l'EEE, une entreprise d'investissement faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre.]3

  § 3. Sans préjudice de l'article 3 de la présente loi et du paragraphe 1er du présent article, il y a lieu d'entendre pour l'application de la surveillance complémentaire du conglomérat telle que prévue aux Sections III et IV du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour leur exécution, par :
  1° autorités compétentes : les autorités nationales des Etats membres habilitées, en vertu de dispositions légales ou réglementaires, à surveiller les entreprises réglementées, que ce soit sur une base individuelle ou à l'échelle du groupe;
  2° autorités compétentes relevantes :
  a) les autorités compétentes responsables de la surveillance sectorielle consolidée applicable aux entreprises réglementées qui font partie d'un conglomérat financier, et en particulier à l'entreprise mère à la tête d'un secteur;
  b) le coordinateur, s'il ne figure pas parmi les autorités visées au point a);
  c) le cas échéant, d'autres autorités compétentes concernées qui, de l'avis des autorités visées aux points a) et b), sont relevantes.
  Jusqu'à l'entrée en vigueur de normes techniques de réglementation adoptées conformément à l'article 21bis, paragraphe 1, point b) de la Directive 2002/87/CE, l'avis visé au point c) tient compte en particulier de la part de marché détenue par les entreprises réglementées du conglomérat financier dans les autres Etats membres, en particulier si elle dépasse 5 %, ainsi que de l'importance au sein du conglomérat financier de toute entreprise réglementée établie dans un autre Etat membre.
  3° coordinateur : l'autorité compétente chargée d'assurer la surveillance complémentaire des conglomérats;
  4° comité européen des conglomérats financiers : le comité institué par l'article 21 de la Directive 2002/87/CE;
  5° comité mixte : le comité visé à l'article 54 respectivement du Règlement n° 1093/2010, du Règlement (UE) n° 1094/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/77/CE de la Commission et du Règlement (UE) n° 1095/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des marchés financiers), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/77/CE de la Commission;
  6° [3 ...]3
  7° réglementation sectorielle : la présente loi [1 , la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance,]1 [2 la loi du 25 octobre 2016, la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires,]2 [1 ...]1 [3 la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances]3, ainsi que les arrêtés et règlements pris en exécution de ces lois, à l'exception des dispositions relatives à la surveillance complémentaire des entreprises réglementées faisant partie d'un conglomérat; les réglementations et pratiques de contrôle nationales comparables en vigueur dans d'autres Etats;
  8° Directive 2002/87/CE : la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2002 relative à la surveillance complémentaire des établissements de crédit, des entreprises d'assurance et des entreprises d'investissement appartenant à un conglomérat financier, et modifiant les directives 73/239/CEE, 79/267/CEE, 92/49/CEE, 92/96/CEE, 93/6/CEE et 93/22/CEE du Conseil et les directives 98/78/CE et 2000/12/CE du Parlement européen et du Conseil;
  9° opérations intragroupe : les opérations effectuées directement ou indirectement, à titre onéreux ou non, entre des entreprises réglementées et d'autres entreprises faisant partie du même conglomérat financier ou des personnes physiques ou morales liées à ces entreprises par des liens étroits, que ces opérations concernent ou non l'exécution d'une obligation contractuelle;
  10° concentration des risques : l'ensemble des positions qui ont été prises par des entreprises d'un conglomérat financier, qui sont susceptibles de donner lieu à des pertes, qui sont suffisamment importantes pour compromettre la situation financière en général et la solvabilité en particulier des entreprises réglementées faisant partie dudit conglomérat financier, et qui résultent de risques de contrepartie/de crédit, d'investissement, d'assurance, de marché ou d'autres risques importants, ou d'une combinaison ou d'une interaction de ces risques.
  [3 § 4. Par dérogation à l'article 3 de la présente loi, pour l'application de la surveillance complémentaire du conglomérat telle que prévue aux Sections III et IV du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour leur exécution, il y a lieu d'entendre par groupe, l'ensemble des entreprises constitué par l'entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles l'entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte, ainsi que les entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation.]3
  
Afdeling II. [1 - Toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen]1
Section II. - Contrôle sur base consolidée des établissements de crédit
Onderafdeling I. - Toepassingsgebied
Sous-section Ire. - Champ d'application
Art.165. [1 § 1. In de mate en op de wijze bepaald door Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn kredietinstellingen naar Belgisch recht:
   1° die een Belgische moederkredietinstelling zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
   2° met als moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederkredietinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.
   De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
   § 2. In de mate en op de wijze bepaald door Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht:
   1° die een Belgische financiële moederholding of gemengde financiële moederholding zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
   2° met als moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederkredietinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.
   De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.]1

  
Art.165. [1 § 1er. Dans la mesure et selon les modalités requises par les Sections II et IV du présent Chapitre et leurs arrêtés et règlements d'exécution, les établissements de crédit de droit belge :
   1° qui sont un établissement de crédit mère belge, sont soumis à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
   2° ayant comme entreprise mère un établissement de crédit mère dans un Etat membre, une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, sont soumis à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'établissement de crédit mère, de la compagnie financière mère ou de la compagnie financière mixte mère.
   Les points 1° et 2°, sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
   § 2. Dans la mesure et selon les modalités requises par les Sections II et IV du présent Chapitre et leurs arrêtés et règlements d'exécution, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes de droit belge :
   1° qui sont une compagnie financière ou une compagnie financière mixte mère belge, sont soumises à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
   2° ayant comme entreprise mère un établissement de crédit mère dans un Etat membre, une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, sont soumises à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'établissement de crédit mère, de la compagnie financière mère ou de la compagnie financière mixte mère.
   Les points 1° et 2°, sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.]1

  
Art.166. Onverminderd de artikelen 167 tot 169, worden de niveaus van [2 het toezicht op geconsolideerde basis]2, hun verhouding met het toezicht op individuele kredietinstellingen, het voorwerp en de reikwijdte van [2 het toezicht op geconsolideerde basis]2 vastgelegd in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013 [1 ...]1.
  
Art.166. Sans préjudice des articles 167 à 169, les niveaux du contrôle sur base consolidée, leur rapport au contrôle des établissements de crédit individuels, l'objet et la portée du contrôle sur base consolidée sont déterminés dans la première Partie, Titre II, Chapitre 2, du Règlement n° 575/2013 [1 ...]1.
  
Art.167. § 1. Belgische moederkredietinstellingen [2 , aangewezen kredietinstellingen, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht,]2 voldoen op geconsolideerde basis aan de in artikel 94 neergelegde verplichtingen in de mate en op de wijze als bepaald in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk 2, Afdelingen 2 en 3 van Verordening nr. 575/2013.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 Kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van artikel 94 toe op gesubconsolideerde basis als deze kredietinstellingen zelf, of hun moederonderneming, als deze een financiële holding of gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht is, een kredietinstelling of een financiële instelling als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.]2
  
Art.167. § 1er. Les établissements de crédit mères belges [2 , les établissements de crédit désignés, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge]2 satisfont sur base consolidée aux obligations énoncées à l'article 94 dans la mesure et selon les modalités prévues dans la première Partie, Titre II, Chapitre 2, Sections 2 et 3, du Règlement n° 575/2013.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 Les établissements de crédit de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge qui sont une filiale appliquent les exigences énoncées à l'article 94 sur une base sous-consolidée lorsqu'eux-mêmes, ou leur entreprise mère s'il s'agit d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte de droit belge, comptent un établissement de crédit, ou un établissement financier comme filiale dans un pays tiers ou y détiennent une participation.]2
  
Art.168. [1 § 1. Belgische moederkredietinstellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht dienen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de artikelen 21, 27 tot 42, 56 tot 59 en 63 tot 71 te voldoen, zodat hun bij deze bepalingen vereiste regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de in de geconsolideerde positie opgenomen ondernemingen op andere ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij passen die regelingen, procedures en mechanismen eveneens toe in hun niet onder deze wet vallende dochterondernemingen, met inbegrip van vestigingen in offshore financiële centra. Ook deze regelingen, processen en mechanismen zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken. Dochterondernemingen van de groep of subgroep die zelf niet onder deze wet vallen of onder de wetgeving tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder ze ressorteren, voldoen aan de sectorspecifieke vereisten die op individuele basis op hen van toepassing zijn.
   De verplichtingen van paragraaf 1 zijn bovendien van toepassing op gesubconsolideerde basis in de situaties bedoeld in artikel 11, lid 6 van Verordening nr. 575/2013 of in artikel 167, § 2.
   § 2. De verplichtingen die voor dochterondernemingen uit derde landen voortvloeien uit de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde artikelen, zijn niet van toepassing indien de Belgische EER-moederkredietinstelling, de aangewezen kredietinstelling naar Belgisch recht, de goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht aan de toezichthouder kan aantonen dat de toepassing ervan onrechtmatig is volgens de wetten van dat land.
   § 3. De in paragraaf 1 bedoelde Belgische moederkredietinstellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, publiceren jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur en van hun regeling voor de bedrijfsorganisatie die van toepassing is op geconsolideerd of, in voorkomend geval, gesubconsolideerd niveau, met inbegrip van de inlichtingen bedoeld in artikel 18 en in paragraaf 1 van dit artikel, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar reeds gepubliceerde gelijkwaardige informatie.]1

  
Art.168. [1 § 1er. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit désignés de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge doivent satisfaire sur base consolidée ou sous-consolidée aux articles 21, 27 à 42, 56 à 59 et 63 à 71, de manière à assurer la cohérence et la bonne intégration des dispositifs, processus et mécanismes requis par ces dispositions, à évaluer l'influence des entreprises incluses dans la situation consolidée sur d'autres entreprises et à obtenir toutes les données et informations utiles à la surveillance. Ils mettent en oeuvre ces dispositifs, processus et mécanismes également dans leurs filiales qui ne relèvent pas de la présente loi, y compris celles établies dans des centres financiers extraterritoriaux (offshore financial centres). Lesdits dispositifs, processus et mécanismes sont cohérents et bien intégrés et lesdites filiales doivent être en mesure de fournir toute donnée et toutes informations utiles à la surveillance. Les filiales du groupe ou du sous-groupe qui ne relèvent pas elles-mêmes de la présente loi ou de la législation prise en vue de la transposition de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont elles relèvent, respectent les exigences sectorielles qui leurs sont applicables sur base individuelle.
   Les obligations prévues au paragraphe 1er sont en outre applicables sur base sous-consolidée dans les situations visées à l'article 11, paragraphe 6 du Règlement n° 575/2013 ou à l'article 167, § 2.
   § 2. Les obligations découlant des articles visés au paragraphe 1er, alinéa 1er pour les filiales de pays tiers ne s'appliquent pas si l'établissement de crédit mère belge dans l'EEE, l'établissement de crédit désigné de droit belge, la compagnie financière ou la compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge peut démontrer à l'autorité de contrôle que leur application est illégale en vertu du droit de ce pays.
   § 3. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit désignés de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge visés au paragraphe 1er publient annuellement soit intégralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes publiées par ailleurs, une description de leur structure juridique et du dispositif d'organisation d'entreprise applicable au niveau consolidé ou sous-consolidé le cas échéant, en ce compris les informations visées à l'article 18 et au paragraphe 1er du présent article.]1

  
Art. 168/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 168, § 1, zijn de artikelen 27, eerste lid, 3° en 67 tot 70, met inbegrip van Bijlage II, niet van toepassing op geconsolideerde basis op de dochterondernemingen binnen de groep die:
   1° onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die onderworpen zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere Europese wetgeving dan Richtlijn 2013/36/EU;
   2° onder het recht van een derde land ressorteren en die, indien ze onder het recht van een lidstaat zouden ressorteren, onderworpen zouden zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere Europese wetgeving dan Richtlijn 2013/36/EU.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, en om te voorkomen dat de wettelijke voorschriften inzake beloningsbeleid worden omzeild, zijn de artikelen 27, eerste lid, 3° en 67 tot 70, met inbegrip van Bijlage II, van toepassing op personeelsleden van dochterondernemingen die niet op individuele basis onder Richtlijn 2013/36/EU vallen indien:
   1° de dochteronderneming een vermogensbeheerder is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 19 van Verordening nr. 575/2013 of een onderneming die beleggingsdiensten en activiteiten aanbiedt als bedoeld in artikel 2, 1°, punten 2, 3, 4, 6 en 7 van de wet van 25 oktober 2016; en
   2° de personeelsleden gemachtigd zijn om beroepsactiviteiten uit te oefenen die het risicoprofiel of de bedrijfsactiviteiten van de kredietinstellingen binnen de groep, op individuele of geconsolideerde basis, rechtstreeks wezenlijk beïnvloeden.
   § 3. In afwijking van paragraaf 1, zijn de hierin vermelde dochterondernemingen overeenkomstig artikel 168, § 1 op geconsolideerde basis onderworpen aan de bepalingen van Afdeling VI van Bijlage II wanneer de in artikel 71 bedoelde uitzonderlijke overheidssteun werd verkregen.]1

  
Art. 168/1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 168, § 1er, les articles 27, alinéa 1er, 3°, et 67 à 70, y compris l'Annexe II, ne sont pas applicables sur base consolidée aux filiales du groupe qui :
   1° relèvent du droit d'un autre Etat membre et sont soumises à des obligations spécifiques en matière de rémunération conformément à une législation européenne autre que la Directive 2013/36/UE ;
   2° relèvent du droit d'un pays tiers et qui, si elles relevaient du droit d'un Etat membre, seraient soumises à des obligations spécifiques en matière de rémunération conformément à une législation européenne autre que la Directive 2013/36/UE.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, afin d'éviter que les exigences légales en matière de politique de rémunération soient contournées, les articles 27, alinéa 1er, 3°, et 67 à 70, y compris l'Annexe II, sont applicables aux membres du personnel des filiales qui ne relèvent pas sur base individuelle de la Directive 2013/36/UE lorsque :
   1° la filiale est une société de gestion de portefeuille au sens de l'article 4, paragraphe 1er, 19), du Règlement n° 575/2013 ou une entreprise qui fournit des services et activités d'investissement répertoriés à l'article 2, 1°, points 2, 3, 4, 6 et 7, de la loi du 25 octobre 2016 ; et
   2° les membres du personnel ont été chargés d'exercer des activités professionnelles qui ont une incidence matérielle directe sur le profil de risque ou les activités des établissements de crédit au sein du groupe, sur base individuelle ou consolidée.
   § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les filiales qui y sont mentionnées sont, conformément à l'article 168, paragraphe 1er, soumises sur une base consolidée aux dispositions de la section VI de l'Annexe II lorsque l'aide d'Etat exceptionnelle visée à l'article 71 a été obtenue.]1

  
Art.169. [1 Wanneer de toezichthouder belast is met het toezicht op geconsolideerde basis, past hij op de kredietinstellingen naar Belgisch recht en op de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht de in de artikelen 142 tot 148 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure en de in de artikelen 149 tot 152 en 234 tot 236 bedoelde prudentiële maatregelen toe, in overeenstemming met de in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk II, van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde mate van toepassing van de vereisten van genoemde Verordening en de in de artikelen 167 en 168 vastgestelde mate en wijze van toepassing van de vereisten inzake het proces voor de interne beoordeling van de kapitaaltoereikendheid en de regelingen, processen en mechanismen van kredietinstellingen.
   Voor de uitoefening van het in het eerste lid bedoelde toezicht op geconsolideerde basis, dienen de betrokken instellingen op geconsolideerde en/of, in voorkomend geval, gesubconsolideerde basis aan artikel 106, § 2, te voldoen, met dien verstande dat de daarin bedoelde informatie dient opgesteld te worden met toepassing van de boekings- en waarderingsregels bepaald in het in uitvoering van artikel 106, § 1, 2°, getroffen koninklijk besluit, of, in voorkomend geval, overeenkomstig gelijkwaardige regels van buitenlands recht.]1

  
Art.169. [1 L'autorité de contrôle, lorsqu'elle est chargée du contrôle sur base consolidée, applique aux établissements de crédit de droit belge, ainsi qu'aux compagnies financières et aux compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge le processus de contrôle et d'évaluation visé aux articles 142 à 148 et les mesures prudentielles visées aux articles 149 à 152 et 234 à 236 conformément au niveau d'application des exigences du Règlement n° 575/2013 spécifié à la première Partie, Titre II, Chapitre II, dudit Règlement, ainsi que dans la mesure et selon les modalités d'application des exigences en matière de processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne, et des dispositifs, processus et mécanismes des établissements de crédit telles que fixées aux articles 167 et 168.
   Afin de permettre l'exercice du contrôle sur base consolidée visé à l'alinéa 1er, les établissements concernés doivent satisfaire sur base consolidée et/ou, le cas échéant, sous-consolidée, à l'article 106, § 2, étant entendu que les informations y visées doivent être établies en application des règles de comptabilisation et d'évaluation prévues par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 106, § 1er, 2°, ou, le cas échéant, selon des règles équivalentes de droit étranger.]1

  
Art.170. [1 § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 49 van Verordening nr. 575/2013, is elke bepaling van deze Afdeling die van toepassing is op basis van de geconsolideerde positie van de financiële holding naar Belgisch recht ook van toepassing op het niveau van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht voor zover:
   1° de banksector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat;
   2° minstens één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is;
   3° de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis zowel het toezicht op geconsolideerde basis als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omvang van de banksector gemeten overeenkomstig artikel 186, § 3.
   Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de betrokken bevoegde autoriteit in haar hoedanigheid van consoliderende toezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.
   § 1/1. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, indien een kredietinstelling naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van dit Hoofdstuk die enerzijds betrekking hebben op het toezicht op geconsolideerde basis, anderzijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis besluiten op deze kredietinstelling of gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen.
   § 2. Wanneer een kredietinstelling deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de banksector de belangrijkste sector is en de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis ook het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan zij beslissen, na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn:
   1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 167 tot 169, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep zoals gedefinieerd in artikel 164, § 4 en die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht op geconsolideerde basis;
   2° voor de naleving van de artikelen 191 tot 194 worden de groepsrisico's die voortvloeien uit intragroepsverrichtingen en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld voor de toepassing van Bijlage I. Deze risico's worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezichthoudende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de voornoemde artikelen;
   3° voor de naleving van artikel 195 kunnen de bedoelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die vereist zijn op basis van artikel 148.
   § 3. De praktische modaliteiten voor de toepassing van paragraaf 2 worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatieregeling met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 164, § 3 binnen het college in de samenstelling die vereist is op basis van artikel 199.
   § 4. De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis stelt de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het krachtens paragraaf 1/1 genomen besluit en de krachtens § 3 getroffen coördinatieregeling.]1

  
Art.170. [1 § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 49 du Règlement n° 575/2013, toute disposition de la présente Section qui s'applique sur la base de la situation consolidée de la compagnie financière de droit belge s'applique également au niveau d'une compagnie financière mixte de droit belge pour autant que :
   1° le secteur bancaire soit le principal secteur au sein du conglomérat financier ;
   2° l'une des filiales au moins soit un établissement de crédit ;
   3° l'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidée exerce aussi bien le contrôle sur base consolidée que la surveillance complémentaire du conglomérat.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, l'importance du secteur bancaire est mesurée conformément à l'article 186, § 3.
   Pour l'application du présent paragraphe, l'autorité compétente concernée, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, obtient l'accord des autorités compétentes concernées chargées du contrôle des filiales et du contrôleur du groupe dans le secteur de l'assurance.
   § 1er/1. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, lorsqu'un établissement de crédit à la tête d'un conglomérat financier ou une compagnie financière mixte de droit belge sont soumis à des dispositions équivalentes du présent Chapitre qui portent d'une part sur le contrôle sur base consolidée et d'autre part sur la surveillance complémentaire des conglomérats, et plus particulièrement lorsque ces dispositions portent sur le contrôle fondé sur les risques, l'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidée peut décider de n'appliquer à cet établissement de crédit ou cette compagnie financière mixte que les dispositions pertinentes qui portent sur la surveillance complémentaire des conglomérats.
   § 2. Lorsqu'un établissement de crédit fait partie d'un conglomérat financier dans lequel le secteur bancaire est le principal secteur et que l'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidée exerce également la surveillance complémentaire du conglomérat, elle peut décider, après concertation avec les autorités compétentes concernées, que les mesures suivantes sont d'application :
   1° en ce qui concerne les obligations et compétences relatives au contrôle fondé sur les risques, telles que décrites aux articles 167 à 169, ou des parties de ceux-ci, le groupe, tel que défini à l'article 164, § 4, et qui constitue le conglomérat financier, sera, par dérogation, pris en considération au titre de la portée pertinente pour le contrôle sur base consolidée ;
   2° pour le respect des articles 191 à 194, les risques de groupe qui découlent des opérations intragroupes et de la concentration des risques au sein du conglomérat financier sont traités comme une catégorie de risques supplémentaires aux fins de l'Annexe I. Ces risques sont traités de façon suffisamment spécifique, tout en respectant les directives ou normes édictées par les Autorités européennes de surveillance, ainsi que les mesures quantitatives et qualitatives auxquelles il est fait référence dans les articles précités ;
   3° pour le respect de l'article 195, les simulations de crise visées peuvent être intégrées au niveau du conglomérat financier dans les simulations de crise requises sur la base de l'article 148.
   § 3. Les modalités pratiques relatives à l'application du paragraphe 2 sont consignées par écrit dans un règlement de coordination avec les autorités compétentes relevantes au sens de l'article 164, § 3, au sein du collège constitué de la manière requise sur la base de l'article 199.
   § 4. L'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidé informe l'ABE et l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles de l'accord obtenu en vertu du paragraphe 1er, alinéa 3, de la décision arrêtée en vertu du paragraphe 1er/1, et du règlement de coordination pris en vertu du § 3.]1

  
Onderafdeling II. [1 - Maatregelen om het toezicht op geconsolideerde basis te vergemakkelijken]1
Sous-section II. - Mesures visant à faciliter le contrôle sur base consolidée
Art.171. [1 § 1. Het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling naar Belgisch recht, als bedoeld in artikel 165, § 1 wordt uitgeoefend als volgt:
   1° indien zij een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling is, door de toezichthouder;
   2° indien haar moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat en/of een EER-moederkredietinstelling is, door de bevoegde autoriteit van de moederkredietinstelling in die lidstaat en, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit van de EER-moederkredietinstelling;
   3° indien haar moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EER-moederbeleggingsonderneming is, die geen andere dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de toezichthouder;
   4° indien haar moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EER-moederbeleggingsonderneming is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
   5° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die geen andere dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de toezichthouder;
   6° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
   De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
   § 2. Onverminderd paragraaf 1, 3°, 4°, 5° en 6°, wanneer de Belgische kredietinstelling op grond van artikel 18, leden 3 en 6 van Verordening nr. 575/2013 onder een toezicht op geconsolideerde basis valt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend:
   1° door de toezichthouder indien de groep geen andere kredietinstellingen in de EER omvat;
   2° door de bevoegde toezichthouder van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien de groep verschillende kredietinstellingen in de EER omvat.
   § 3. Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van paragraaf 1, 4° en 6°, en paragraaf 2, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt uitgeoefend.
   § 4. In bijzondere gevallen kunnen de toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis, af te zien van de criteria in de paragrafen 1 en 2 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de betrokken lidstaten.
   In dergelijke gevallen heeft de EER-moederkredietinstelling, de betrokken financiële EER-holding of gemengde financiële EER-holding, of de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
   Voor de toepassing van het eerste lid sluit de toezichthouder met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, in voorkomend geval overeenkomstig het bepaalde bij artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
   Indien de toezichthouder met toepassing van deze paragraaf overeenkomsten heeft gesloten, brengt hij de Europese Commissie en de EBA daar onverwijld van op de hoogte.
   Wanneer de toezichthouder belast wordt met het toezicht op geconsolideerde basis brengt hij de betrokken financiële holdings of gemengde financiële holdings of de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal van de groep hiervan op de hoogte.
   Deze paragraaf is niet van toepassing in de in paragraaf 1, 5° bedoelde gevallen wanneer de groep waartoe de betrokken kredietinstelling behoort, geen enkele dochterbeleggingsonderneming in de EER heeft.]1

  
Art.171. [1 § 1er. Le contrôle sur base consolidée d'un établissement de crédit de droit belge, tel que visé à l'article 165, § 1er, est exercé comme suit :
   1° s'il s'agit d'un établissement de crédit mère belge ou d'un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
   2° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère dans un Etat membre et/ou un établissement de crédit mère dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'Etat membre et, le cas échéant, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'EEE ;
   3° si son entreprise mère est une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre ou une entreprise d'investissement mère dans l'EEE, ne détenant pas d'autre établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
   4° si son entreprise mère est une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre ou une entreprise d'investissement mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
   5° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ne détenant pas d'autre établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
   6° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
   Les points 1° et 2°, sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
   § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, 3°, 4°, 5° et 6°, lorsque l'établissement de crédit belge relève d'un contrôle sur base consolidée en vertu de l'article 18, paragraphes 3 et 6 du Règlement n° 575/2013, le contrôle sur base consolidée est exercé :
   1° par l'autorité de contrôle si le groupe ne comprend pas d'autre établissement de crédit dans l'EEE ;
   2° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé si le groupe comprend plusieurs établissements de crédit dans l'EEE.
   § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, 4° et 6° et au paragraphe 2, lorsqu'une autorité compétente assure le contrôle sur base individuelle de plus d'un établissement de crédit au sein d'un groupe, l'autorité de surveillance sur base consolidée est l'autorité compétente assurant le contrôle sur base individuelle d'un ou de plusieurs établissements de crédit au sein du groupe lorsque la somme du total des bilans des établissements de crédit est supérieure à celle des établissements de crédit contrôlés sur base individuelle par toute autre autorité compétente.
   § 4. Dans des cas particuliers, l'autorité de contrôle et les autorités compétentes concernées peuvent, d'un commun accord, en vue d'une organisation efficace de la surveillance sur base consolidée, déroger aux critères définis aux paragraphes 1er et 2 et charger une autre autorité compétente d'exercer la surveillance sur base consolidée lorsque l'application de ces critères serait inappropriée eu égard aux établissements de crédit et entreprises d'investissement concernées et à l'importance relative de leurs activités dans les différents Etats membres.
   Dans ces cas, l'établissement de crédit mère dans l'EEE, la compagnie financière dans l'EEE ou la compagnie financière mixte dans l'EEE concernée ou l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé, le cas échéant, dispose d'un droit d'être entendu avant que les autorités compétentes concernées ne prennent cette décision.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle conclut des accords avec les autorités compétentes concernées, le cas échéant conformément aux dispositions de l'article 36/16, § 2, de la loi du 22 février 1998.
   L'autorité de contrôle notifie sans délai à la Commission européenne et à l'ABE tout accord conclu en application du présent paragraphe.
   Lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée, elle en informe les compagnies financières ou compagnies financières mixtes concernées ou l'établissement de crédit du groupe dont le total bilantaire est le plus élevé.
   Le présent paragraphe n'est pas applicable dans les situations visées au paragraphe 1er, 5° lorsque le groupe dont fait partie l'établissement de crédit concerné ne détient aucune entreprise d'investissement filiale dans l'EEE.]1

  
Art. 171/1. [1 Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling, een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, kan deze autoriteit ten aanzien van deze entiteiten naar eigen goeddunken gebruikmaken van alle rechtsinstrumenten en prerogatieven waarin deze wet voorziet, met name de artikelen 212/7, 234, en 236, onder de daarin vastgestelde toepassingsvoorwaarden.]1
  
Art. 171/1. [1 Lorsqu'une autorité compétente d'un autre Etat membre est chargée du contrôle sur base consolidée d'un établissement de crédit, d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte de droit belge conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE, cette autorité peut, à son entière discrétion, faire usage à l'égard desdites entités de l'ensemble des instruments juridiques et prérogatives prévus par la présente loi, notamment ses articles 212/7, 234 et 236 et ce, dans les conditions d'application y prévues.]1
  
Art.172. § 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die hem zijn toegewezen door of krachtens deze wet en door Verordening nr. 575/2013, neemt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de volgende taken op zich :
  1° de coördinatie van de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in het kader van zijn toezicht, in normale bedrijfsomstandigheden en in noodsituaties;
  2° de planning en coördinatie, in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten, van de toezichtsactiviteiten in normale bedrijfsomstandigheden, waaronder de in deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk bedoelde activiteiten, voor zover deze activiteiten, wat Afdeling IV betreft, betrekking hebben op [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1;
  3° de planning en coördinatie van de toezichtsactiviteiten, in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten en zo nodig met de centrale banken van het Europees stelsel van centrale banken, bij de voorbereiding op en in noodsituaties, met inbegrip van ongunstige ontwikkelingen in kredietinstellingen en op de financiële markten, indien mogelijk met gebruikmaking van bestaande communicatiekanalen voor de facilitering van crisisbeheersing. De voornoemde planning en coördinatie omvat ook buitengewone maatregelen, gezamenlijke evaluaties, de uitvoering van rampenplannen en de communicatie met het publiek.
  § 2. Indien een betrokken bevoegde autoriteit onvoldoende samenwerkt met de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, om de in paragraaf 1 bedoelde taken uit te voeren, mag deze laatste de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
  
Art.172. § 1er. Sans préjudice des autres compétences et tâches qui lui sont dévolues par ou en vertu de la présente loi ainsi que par le Règlement n° 575/2013, l'autorité de contrôle assure, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, les tâches suivantes :
  1° la coordination de la collecte et de la diffusion des informations pertinentes ou essentielles dans le cadre de son contrôle, en continuité d'exploitation comme dans les situations d'urgence;
  2° la planification et la coordination, en coopération avec les autorités compétentes concernées, des activités de surveillance en continuité d'exploitation, y compris en ce qui concerne les activités visées par la présente Section et la Section IV du présent Chapitre, pour autant, en ce qui concerne la Section IV, que ces activités portent sur le contrôle consolidé;
  3° la planification et la coordination des activités de surveillance en coopération avec les autorités compétentes concernées et, au besoin, avec les banques centrales du Système européen de banques centrales, en préparation des situations d'urgence et au cours de celles-ci, notamment en cas d'évolution négative de la situation des établissements de crédit ou des marchés financiers, en recourant, si possible, aux voies de communication existantes pour faciliter la gestion des crises. La planification et la coordination susvisées comprennent l'adoption de mesures exceptionnelles, l'élaboration d'évaluations conjointes, la mise en oeuvre de plans d'urgence et la communication d'informations au public.
  § 2. Lorsqu'une autorité compétente concernée ne coopère pas avec l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, dans la mesure exigée aux fins de l'exécution des tâches visées au paragraphe 1er, cette dernière peut saisir l'ABE et demander son assistance en vertu de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Art.173. Indien een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, in haar hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, nalaat de in artikel 112 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken uit te voeren, mag de toezichthouder de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
Art.173. Lorsqu'une autorité compétente d'un autre Etat membre, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, ne s'acquitte pas des tâches visées à l'article 112 de la Directive 2013/36/UE, l'autorité de contrôle peut saisir l'ABE et demander son assistance en vertu de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Art.174. [1 § 1. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de dochterondernemingen zijn gevestigd van een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling, van een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis, en, in voorkomend geval, met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd en die geen dochteronderneming in die lidstaat heeft, tot een gezamenlijk besluit te komen over:
   1° de toepassing van de artikelen 94 en 142, om uit te maken of het geconsolideerde eigen vermogen op geconsolideerd niveau toereikend is voor haar financiële situatie en risicoprofiel en hoeveel eigen vermogen noodzakelijk is voor de toepassing van de artikelen 149, eerste lid en 150/3, voor elke entiteit binnen het geconsolideerd geheel en op geconsolideerde basis;
   2° de maatregelen voor het aanpakken van belangrijke aangelegenheden en materiële bevindingen in verband met het liquiditeitstoezicht, met inbegrip van die welke verband houden met de passendheid van de organisatie en de behandeling van risico's, als vereist overeenkomstig artikel 8 van Bijlage I en met de behoefte aan instellingsspecifieke liquiditeitsvereisten overeenkomstig artikel 151 van deze wet;
   3° de aanbevelingen inzake bijkomend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5, § 3, tweede lid.
   De bepalingen van paragraaf 1 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.
   § 2. De gezamenlijke besluiten als bedoeld in paragraaf 1 worden genomen:
   1° voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de risicobeoordeling op geconsolideerde basis, overeenkomstig de artikelen 94, 142, 149 en 150;
   2° voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, , binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 151 en artikel 8 van Bijlage I bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel op geconsolideerde basis;
   3° voor de toepassing van paragraaf 1, 3°, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 150/5 bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de beoordeling van het risicoprofiel van de groep.
   In de gezamenlijke besluiten worden naar behoren de risicobeoordelingen in aanmerking genomen die de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 73, 97, 104bis en 104ter van Richtlijn 2013/36/EU hebben verricht met betrekking tot dochterondernemingen.
   Bij verschil van mening raadpleegt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, op verzoek van een betrokken bevoegde autoriteit of op eigen initiatief de EBA. In dat geval houdt hij rekening met het advies van de EBA en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, legt hij uit waarom.
   De in paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde gezamenlijke besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder doet de toezichthouder dit document aan de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding toekomen
   § 3. Als de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten niet binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijnen tot een gezamenlijk besluit komen, is het volgende van toepassing:
   1° wat betreft het geconsolideerde niveau, wordt het besluit over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° tot 3° van paragraaf 1 door de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder genomen nadat hij de door de betrokken bevoegde autoriteiten verrichte risicobeoordeling van de dochterondernemingen naar behoren in overweging heeft genomen. Indien een van deze betrokken bevoegde autoriteiten binnen één van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA;
   2° wat betreft het individueel of gesubconsolideerd niveau, formuleert de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden alvorens de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen van de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding hun besluit nemen over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° tot 3° van paragraaf 1 voor die niveaus. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder tot aan het einde van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.
   In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder voegt de toezichthouder besluiten genomen op individueel of gesubconsolideerd niveau toe aan het besluit op geconsolideerd niveau en doet het volledige document toekomen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en aan de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding.
   § 4. Onverminderd artikel 176, 2°, kunnen de besluiten betreffende de toepassing van de artikelen 149, eerste lid, 150/3, 150/5 en 151 in uitzonderlijke gevallen worden geactualiseerd indien een betrokken bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op een dochteronderneming van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, richt aan de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder.
   De actualisering kan op bilaterale basis verricht worden tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteit.]1

  
Art.174. [1 § 1er. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités compétentes des Etats membres où sont établies les filiales d'un établissement de crédit mère belge ou mère belge dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, concernées par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce, et, le cas échéant, avec l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée sans filiale dans ledit Etat membre, à une décision commune :
   1° sur l'application des articles 94 et 142 afin de déterminer l'adéquation du niveau consolidé de l'ensemble consolidé au regard de sa situation financière et de son profil de risque et le niveau de fonds propres exigés aux fins de l'application des articles 149, alinéa 1er et 150/3 à chaque entité de l'ensemble consolidé et sur base consolidée ;
   2° sur les mesures à prendre face à toute question significative et constatation matérielle ayant une incidence sur le contrôle de la liquidité, y compris sur l'adéquation de l'organisation et du traitement des risques exigée conformément à l'article 8 de l'Annexe I, et sur la nécessité de disposer d'exigences de liquidité spécifiques à l'établissement conformément à l'article 151 de la présente loi ;
   3° sur les recommandations de fonds propres supplémentaires visées à l'article 150/5, § 3, alinéa 2.
   Les dispositions du paragraphe 1er sont applicables par analogie lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée par application de l'article 171, §§ 2 et 4.
   § 2. Les décisions communes visées au paragraphe 1er sont prises :
   1° aux fins du paragraphe 1er, 1°, dans un délai de quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, remet aux autorités compétentes concernées un rapport contenant l'évaluation des risques sur base consolidée conformément aux articles 94, 142, 149 et 150 ;
   2° aux fins du paragraphe 1er, 2°, dans un délai de quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, remet aux autorités compétentes concernées un rapport contenant l'évaluation du profil de risque de liquidité sur base consolidée conformément à l'article 151 et à l'article 8 de l'Annexe I ;
   3° aux fins du paragraphe 1er, 3°, dans un délai de quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, remet aux autorités compétentes concernées un rapport contenant l'évaluation du profil de risque du groupe conformément à l'article 150/5.
   Les décisions communes prennent dûment en considération les évaluations de risques relatives aux filiales réalisées par les autorités compétentes concernées conformément aux articles 73, 97, 104bis et 104ter de la Directive 2013/36/UE.
   En cas de désaccord, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, consulte l'ABE à la demande d'une autorité compétente concernée ou de sa propre initiative. Dans ce cas, elle tient compte de l'avis de l'ABE et, en cas de dérogation manifeste à cet avis, elle en explique les raisons.
   Les décisions communes visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, sont fixées dans un document contenant la décision dûment motivée. Ce document est communiqué par l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, à l'établissement de crédit mère dans l'EEE, à la compagnie financière mère dans l'EEE ou à la compagnie financière mixte mère dans l'EEE.
   § 3. Si l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes concernées ne parviennent pas à une décision commune dans les délais visés au paragraphe 2, les modalités suivantes s'appliquent :
   1° en ce qui concerne le niveau consolidé, la décision relative à l'application des articles visés aux points 1° à 3° du paragraphe 1er est prise par l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée après un examen approprié de l'évaluation du risque des filiales réalisée par les autorités compétentes concernées. Si, dans un des délais visés au paragraphe 2, l'une de ces autorités compétentes concernées a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, diffère sa décision et attend toute décision que l'ABE peut arrêter. Elle se prononce conformément à la décision de l'ABE ;
   2° en ce qui concerne le niveau individuel ou sous-consolidé, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée formule ses points de vue et réserves avant que les autorités compétentes concernées chargées du contrôle des filiales de l'établissement de crédit mère dans l'EEE, de la compagnie financière mère dans l'EEE ou de la compagnie financière mixte mère dans l'EEE prennent leur décision quant à l'application des articles visés aux points 1° à 3° du paragraphe 1er pour ces niveaux. L'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée peut saisir l'ABE jusqu'au terme des délais visés au paragraphe 2 et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
   L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, intègre les décisions prises au niveau individuel ou sous-consolidé à la décision prise au niveau consolidé et fait parvenir l'intégralité du document à toutes les autorités compétentes concernées, ainsi qu'à l'établissement de crédit mère dans l'EEE, à la compagnie financière mère dans l'EEE ou à la compagnie financière mixte mère dans l'EEE.
   § 4. Sans préjudice de l'article 176, 2°, les décisions relatives à l'application des articles 149, alinéa 1er, 150/3, 150/5 et 151 peuvent être mises à jour dans des cas exceptionnels, si une autorité compétente concernée chargée du contrôle d'une filiale d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, adresse à cet effet une demande écrite dûment motivée à l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée.
   La mise à jour peut s'effectuer sur une base bilatérale entre l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et l'autorité compétente concernée.]1

  
Art.175. § 1. [1 Wanneer hij niet als consoliderende toezichthouder is aangewezen met toepassing van artikel 171, stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de consoliderende toezichthouder tot een gezamenlijk besluit te komen over de toepassingen en maatregelen bedoeld in artikel 174, § 1.]1
  De toezichthouder maakt voor de dochteronderneming als bedoeld in het eerste lid zijn krachtens de artikelen 94 en 142 opgestelde risicobeoordeling over aan de consoliderende toezichthouder.
  Bij verschil van mening kan hij de consoliderende toezichthouder verzoeken om de EBA te raadplegen. [1 De toezichthouders houden rekening met het advies van de EBA en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, leggen ze uit waarom.]1
  § 2. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, is het volgende van toepassing :
  1° in zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, neemt de toezichthouder het besluit over de toepassing van de bepalingen vermeld in artikel 174, § 1 op individuele of gesubconsolideerde basis voor de dochterondernemingen waarvoor hij de bevoegde autoriteit is. Hij neemt daarbij naar behoren de door de consoliderende toezichthouder geuite standpunten en voorbehouden in overweging en stelt zijn besluit uit indien de consoliderende toezichthouder of een andere bevoegde autoriteit de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd. In dat geval neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
  2° In zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, maakt de toezichthouder aan de consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat deze consoliderende toezichthouder zal nemen over de toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 174, § 1 voor het geconsolideerde niveau. De toezichthouder kan tot aan het einde van de in artikel 174, § 2 bedoelde termijnen en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.
  § 3. [1 Onverminderd artikel 176, 2°, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, in uitzonderlijke gevallen vragen dat de besluiten over de toepassing van de artikelen 149, eerste lid, 150/3, 150/5 en 151 worden geactualiseerd. Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, aan de consoliderende toezichthouder.]1
  De actualisering kan op bilaterale basis verricht worden tussen de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder.
  
Art.175. § 1er. [1 L'autorité de contrôle, lorsqu'elle n'est pas désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application de l'article 171, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec l'autorité de surveillance sur base consolidée, à une décision commune sur les applications et mesures visées à l'article 174, § 1er.]1
  L'autorité de contrôle transmet à l'autorité de surveillance sur base consolidée son évaluation des risques qu'elle a réalisée en vertu des articles 94 et 142 pour la filiale telle que visée à l'alinéa 1er.
  En cas de désaccord, elle peut demander à l'autorité de surveillance sur base consolidée de consulter l'ABE. [1 Les autorités de contrôle tiennent compte de l'avis de l'ABE et, en cas de dérogation manifeste à cet avis, elles en expliquent les raisons.]1
  § 2. A défaut de décision commune visée au paragraphe 1er, les modalités suivantes s'appliquent :
  1° l'autorité de contrôle en sa qualité visée au paragraphe 1er prend la décision quant à l'application des dispositions mentionnées à l'article 174, § 1er sur une base individuelle ou sous-consolidée pour les filiales pour lesquelles elle est l'autorité compétente. Elle tient à cet égard dûment compte des points de vue et réserves émis par l'autorité de surveillance sur base consolidée et diffère sa décision si l'autorité de surveillance sur base consolidée ou une autre autorité compétente a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010. Dans ce cas, elle se prononce conformément à la décision de l'ABE.
  2° L'autorité de contrôle en sa qualité visée au paragraphe 1er transmet à l'autorité de surveillance sur base consolidée ses points de vue et réserves concernant la décision que cette autorité de surveillance sur base consolidée prendra quant à l'application des dispositions visées à l'article 174, § 1er, pour le niveau consolidé. L'autorité de contrôle peut saisir l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, jusqu'au terme des délais visés à l'article 174, § 2, et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise.
  § 3. [1 Sans préjudice de l'article 176, 2°, l'autorité de contrôle en sa qualité visée au paragraphe 1er peut demander, dans des cas exceptionnels, de mettre à jour les décisions concernant l'application des articles 149, alinéa 1er, 150/3, 150/5 et 151. Elle adresse à cet effet une demande écrite dûment motivée à l'autorité de surveillance sur base consolidée.]1
  La mise à jour peut s'effectuer sur une base bilatérale entre l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée.
  
Art.176. De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in de artikelen 174 en 175 :
  1° worden door de toezichthouder erkend als definitief en in voorkomend geval toegepast binnen België;
  2° worden jaarlijks geactualiseerd.
Art.176. Les décisions communes et les décisions prises en l'absence d'une décision commune, telles que visées aux articles 174 et 175 :
  1° sont reconnues comme définitives par l'autorité de contrôle et appliquées, le cas échéant, en Belgique;
  2° sont mises à jour tous les ans.
Art.177. Om een doeltreffend toezicht te faciliteren en tot stand te brengen, sluit de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, met de betrokken bevoegde autoriteiten de nodige schriftelijke coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten. Daarin kan zijn geregeld dat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder extra taken krijgt, en kunnen de procedures voor de besluitvorming en voor de samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten zijn vastgelegd.
  [1 Met name wanneer de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, niet de bevoegde autoriteit is van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, worden de in het eerste lid bedoelde coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten gesloten met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.]1
  
Art.177. En vue de promouvoir et d'instaurer une surveillance efficace, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée et les autorités compétentes concernées concluent les accords écrits de coordination et de coopération nécessaires. Ces accords peuvent confier des tâches supplémentaires à l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée et peuvent prévoir des procédures organisant le processus décisionnel et la coopération avec les autorités compétentes concernées.
  [1 En particulier, lorsque l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, n'est pas l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie une compagnie financière holding ou une compagnie financière holding mixte approuvée ou désignée, les accords de coordination et de coopération visés à l'alinéa 1er sont conclus avec l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte approuvée ou désignée mère est établie.]1
  
Art.178. § 1. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder richt de toezichthouder colleges van bevoegde autoriteiten op om [2 het toezicht op geconsolideerde basis]2 en meer in het bijzonder de uitoefening van de in de artikelen 172 tot 176 van deze wet en in artikel 114 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken te vergemakkelijken, en zorgt hij indien nodig voor een passende coördinatie en samenwerking met de bevoegde autoriteiten van derde landen.
  De EBA wordt voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als bevoegde autoriteit.
  Binnen de colleges van bevoegde autoriteiten verricht de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, samen met de betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken :
  1° zij wisselen onderling en, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1093/2010, met de EBA informatie uit;
  2° zij komen in voorkomend geval tot overeenstemming over een toewijzing van taken en overdracht van verantwoordelijkheden op basis van vrijwilligheid;
  3° zij stellen op basis van een overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU verrichte risicobeoordeling van de groep programma's voor prudentieel toezicht vast als bedoeld in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU;
  4° zij vergroten de efficiëntie van het toezicht door onnodige duplicatie van toezichtvereisten te vermijden, hetgeen zich onder meer kan voordoen bij de informatieverzoeken als bedoeld in artikel 114 en artikel 117, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU;
  5° zij passen de prudentiële vereisten van Richtlijn 2013/36/EU en van Verordening nr. 575/2013 consequent toe op alle entiteiten in een groep van kredietinstellingen;
  6° zij houden bij de toepassing van artikel 172, § 1, 3° van deze wet rekening met het werk van andere fora die eventueel op dit gebied zijn opgericht.
  [2 § 1/1. Teneinde de taken bedoeld in de artikelen 172, § 1 en 177, § 1, en in artikel 36/14, § 1 van de wet van 22 februari 1998 te vergemakkelijken stelt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder colleges van bevoegde autoriteiten in wanneer de hoofdbesturen van alle dochterondernemingen van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding in derde landen zijn gevestigd, op voorwaarde dat de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken derde landen gebonden zijn aan geheimhoudingsvereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van Hoofdstuk 1, Afdeling II, van Richtlijn 2013/36/EU en, in voorkomend geval, de artikelen 76 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU.]2
  § 2. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van bevoegde autoriteiten en de EBA, werken nauw samen. De oprichting en werking van colleges doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van Richtlijn 2013/36/EU [1 , van Verordening nr. 575/2013 en van [2 Richtlijn 2019/2034/EU]2]1.
  § 3. Na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder in de in artikel 177 bedoelde schriftelijke overeenkomsten de regeling voor de oprichting en werking van de colleges vast.
  § 4. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder de volgende autoriteiten uitnodigingen tot deelname aan een door hem opgericht college :
  1° [2 de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling of een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht;]2
  2° de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU;
  3° in voorkomend geval, centrale banken van het Europees stelsel van centrale banken;
  4° de autoriteiten van derde landen, voor zover voldaan is aan de vereisten, met name inzake gelijkwaardigheid, die voortvloeien uit de beroepsgeheimregeling waarin voorzien is in Richtlijn 2013/36/EU [2 en in Richtlijn 2019/2034/EU]2;
  [2 5° de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd die betrokken is bij het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis.
   6° de andere betrokken bevoegde autoriteiten wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.]2

  § 5. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder zit de toezichthouder de vergaderingen van het college voor en beslist hij welke bevoegde autoriteiten deelnemen aan een vergadering of activiteit van het college. Hij informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. Hij informeert alle leden van het college tevens tijdig over de tijdens deze vergaderingen genomen maatregelen of over de acties ondernomen ter uitvoering ervan.
  § 6. Bij zijn beslissing houdt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder met toepassing van paragraaf 5, rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit voor die autoriteiten, en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten, als bedoeld in artikel 134, § 2, alsook met de in artikel 160 bedoelde verplichtingen.
  § 7. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder de EBA in kennis van de activiteiten van het college van bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt deze autoriteit alle informatie mee die voor de convergentie van het toezicht van relevant is.
  § 8. Bij verschil van mening tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten over de werking van de colleges van bevoegde autoriteiten, mag hij de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
  
Art.178. § 1er. L'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée établit des collèges d'autorités compétentes afin de faciliter [2 le contrôle sur base consolidée]2, et plus particulièrement l'exercice des tâches visées aux articles 172 à 176 de la présente loi et à l'article 114 de la Directive 2013/36/UE, et elle veille à une coordination et à une coopération appropriées avec les autorités compétentes de pays tiers, si nécessaire.
  L'ABE est considérée comme une autorité compétente pour l'application de la présente disposition.
  Au sein des collèges d'autorités compétentes, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, exerce, avec les autorités compétentes concernées, les tâches suivantes :
  1° elles échangent des informations entre elles et avec l'ABE, conformément à l'article 21 du Règlement n° 1093/2010;
  2° elles conviennent de confier des tâches et de déléguer des compétences à titre volontaire, s'il y a lieu;
  3° elles définissent des programmes de contrôle prudentiel tels que visés à l'article 99 de la Directive 2013/36/UE sur la base d'une évaluation du risque du groupe réalisée conformément à l'article 97 de la Directive 2013/36/UE;
  4° elles renforcent l'efficacité du contrôle en évitant la duplication inutile des exigences à des fins de surveillance, notamment en ce qui concerne les demandes d'informations visées aux articles 114 et 117, § 3 de la Directive 2013/36/UE;
  5° elles appliquent les exigences prudentielles prévues par la Directive 2013/36/UE et le Règlement n° 575/2013 de manière cohérente à l'ensemble des entités d'un groupe d'établissements de crédit;
  6° elles tiennent compte, dans l'application de l'article 172, § 1er, 3° de la présente loi, des travaux d'autres enceintes susceptibles d'exister dans ce domaine.
  [2 § 1er/1. En vue de faciliter l'exécution des tâches visées aux articles 172, § 1er et 177, § 1er, et à l'article 36/14, § 1er de la loi du 22 février 1998, l'autorité de contrôle en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée établit des collèges d'autorités compétentes lorsque les administrations centrales de toutes les filiales d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE sont situées dans des pays tiers, à condition que les autorités de surveillance des pays tiers concernés soient soumises à des exigences de secret professionnel équivalentes à celles énoncées au Chapitre 1er, Section II, de la Directive 2013/36/UE et, le cas échéant, aux articles 76 et 81 de la Directive 2014/65/UE.]2
  § 2. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, les autorités compétentes concernées qui participent aux collèges d'autorités compétentes et l'ABE collaborent étroitement. La constitution et le fonctionnement des collèges ne portent pas préjudice aux droits et responsabilités des autorités compétentes au titre de la Directive 2013/36/UE [1 , du Règlement n° 575/2013 et de la [2 Directive 2019/2034/UE]2]1.
  § 3. Après concertation avec les autorités compétentes concernées, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, fixe par les accords écrits visés à l'article 177 les règles de constitution et de fonctionnement des collèges.
  § 4. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, peut inviter à participer à l'un des collèges qu'elle a constitués :
  1° [2 les autorités compétentes chargées du contrôle de filiales d'un établissement de crédit mère belge ou mère belge dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, concernées par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce ;]2
  2° les autorités compétentes d'un Etat membre d'accueil dans lequel sont établies des succursales d'importance significative au sens de l'article 51 de la Directive 2013/36/UE;
  3° le cas échéant, les banques centrales du Système européen de banques centrales;
  4° les autorités de pays tiers, pour autant que soient respectées les exigences, notamment en matière d'équivalence, découlant du régime de secret professionnel prévu par la Directive 2013/36/UE [2 et par la Directive 2019/2034/EU]2;
  [2 5° les autorités compétentes de l'Etat membre où est établie une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée concernée par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce.
   6° les autres autorités compétentes concernées lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée par application de l'article 171, §§ 2 et 4.]2

  § 5. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, préside les réunions du collège et décide quelles autorités compétentes participent à une réunion ou à une activité du collège. Elle informe pleinement à l'avance tous les membres du collège de l'organisation de réunions, des principales questions à aborder et des activités à examiner. Elle informe également en temps utile tous les membres du collège des mesures prises lors de ces réunions ou des actions menées.
  § 6. La décision prise par l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application du paragraphe 5, tient compte de la pertinence de l'activité de surveillance à planifier et à coordonner pour ces autorités, notamment de l'incidence potentielle sur la stabilité du système financier des Etats membres concernés visée à l'article 134, § 2, ainsi que des obligations visées à l'article 160.
  § 7. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, informe l'ABE des activités du collège d'autorités compétentes, y compris des activités dans les situations d'urgence, et lui communique toutes les informations pertinentes aux fins de la convergence en matière de surveillance.
  § 8. En cas de désaccord entre l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes concernées sur le fonctionnement des collèges d'autorités compétentes, elle peut saisir l'ABE et demander son assistance, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
  
Art.179. [2 In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een Belgische financiële EER-moederholding of gemengde financiële EER-moederholding is gevestigd, neemt de toezichthouder deel aan de colleges van bevoegde autoriteiten die opgericht zijn door de consoliderende toezichthouder.]2
  Bij verschil van mening tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid bedoeld in het eerste lid, en de consoliderende toezichthouder of andere betrokken bevoegde autoriteiten, over de werking van de colleges van toezichthouders, mag hij de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
  
Art.179. [2 L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE ou en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre où une compagnie financière mère belge dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE est établie, participe aux collèges d'autorités compétentes établis par l'autorité de surveillance sur base consolidée.]2
  En cas de désaccord entre l'autorité de contrôle, en sa qualité visée à l'alinéa 1er, et l'autorité de surveillance sur base consolidée ou d'autres autorités compétentes concernées, sur le fonctionnement des collèges d'autorités de contrôle, elle peut saisir l'ABE et lui demander assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
  
Art.180. § 1. [2 De toezichthouder werkt voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis nauw samen met de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan de entiteiten die in het toezicht op geconsolideerde basis zijn opgenomen. Hij kan aan deze bevoegde autoriteiten vertrouwelijke informatie meedelen of vragen, wanneer ze van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichtstaken waarmee hij of deze bevoegde autoriteiten krachtens Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 575/2013 en Richtlijn 2014/65/EU zijn belast. Daartoe verstrekken zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en delen elkaar uit eigen beweging alle essentiële informatie mee.
   In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder verstrekt de toezichthouder aan de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een Belgische moederkredietinstelling of Belgische EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht, en, in voorkomend geval, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, die geen dochteronderneming in die lidstaat heeft. Bij het bepalen van de hoeveelheid toe te zenden informatie wordt rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel in die lidstaten.
   De bepalingen van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.]2

  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt als essentieel beschouwd als die de beoordeling van de financiële soliditeit van een kredietinstelling [2 ...]2 of een financiële instelling wezenlijk zou kunnen beïnvloeden.
  Voor de toepassing van paragraaf 1 dient als essentiële informatie te worden beschouwd, informatie over :
  1° de juridische structuur en de regeling voor de bedrijfsorganisatie van de groep, met inbegrip van de beleidsstructuur, overeenkomstig de artikelen 22 en 168, § 1, die gelden voor alle gereglementeerde entiteiten, niet-gereglementeerde entiteiten, niet-gereglementeerde dochterondernemingen, significante bijkantoren die tot de groep behoren en moederondernemingen, en over de autoriteiten die bevoegd zijn voor de gereglementeerde entiteiten in de groep;
  2° de procedures voor de verzameling van informatie bij de [1 entiteiten die deel uitmaken van het geconsolideerd geheel]1, alsmede voor de toetsing van deze informatie;
  3° ongunstige ontwikkelingen bij [1 entiteiten die deel uitmaken van het geconsolideerd geheel]1, die ernstige nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kredietinstellingen [2 ...]2 in de groep;
  4° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU hebben getroffen, met inbegrip van het opleggen van een specifiek eigenvermogensvereiste of van restricties aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten krachtens artikel 312, lid 2, van Verordening nr. 575/2013.
  § 3. [2 Voor de toepassing van dit artikel treedt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is gevestigd, waar mogelijk in contact met de consoliderende toezichthouder als hij informatie nodig heeft over de toepassing van benaderingen en methodieken als beschreven in Richtlijn 2013/36/EU en in Verordening nr. 575/2013, en deze informatie eventueel al beschikbaar is voor de consoliderende toezichthouder.]2
  § 4. De toezichthouder kan de volgende situaties aan de EBA voorleggen :
  1° een bevoegde autoriteit heeft essentiële informatie niet verstrekt;
  2° een verzoek om samenwerking, met name om uitwisseling van relevante informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn gehonoreerd.
  
Art.180. § 1er. [2 L'autorité de contrôle coopère étroitement, pour l'exercice du contrôle sur base consolidée, avec les autorités compétentes qui ont octroyé un agrément aux entités relevant du contrôle sur base consolidée. Elle peut communiquer ou demander à ces autorités compétentes des informations confidentielles, lorsque celles-ci sont d'une importance essentielle ou pertinentes pour l'exercice des tâches de surveillance qui lui sont confiées ou à ces autorités compétentes en vertu de la Directive 2013/36/UE, du Règlement n° 575/2013 et de la Directive 2014/65/UE. A cet effet, elles se communiquent mutuellement, sur demande, toute information pertinente et, de leur propre initiative, toute information essentielle.
   En sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, l'autorité de contrôle transmet toutes les informations pertinentes aux autorités compétentes chargées du contrôle de filiales d'un établissement de crédit mère belge ou mère belge dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, concernées par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce, et, le cas échéant, à l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée sans filiale dans ledit Etat membre. La portée des informations pertinentes est déterminée compte tenu de l'importance de ces filiales dans le système financier de ces Etats membres.
   Les dispositions de l'alinéa 1er sont applicables par analogie lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée par application de l'article 171, §§ 2 et 4.]2

  § 2. Les informations visées au paragraphe 1er sont considérées comme essentielles si elles peuvent avoir une incidence significative sur l'évaluation de la solidité financière d'un établissement de crédit [2 ...]2 ou d'un établissement financier.
  Pour l'application du paragraphe 1er doit être considérée comme essentielle toute information concernant :
  1° la structure juridique du groupe, ainsi que son dispositif d'organisation d'entreprise en ce compris la structure de gestion, conformément aux articles 22 et 168, § 1er, englobant toutes les entités réglementées, les entités non réglementées, les filiales non réglementées, les succursales d'importance significative appartenant au groupe et les entreprises mères, ainsi que de l'identification des autorités compétentes dont relèvent les entités réglementées du groupe;
  2° les procédures régissant la collecte d'informations auprès des [1 entités faisant partie de l'ensemble consolidé]1, ainsi que la vérification de ces informations;
  3° les évolutions négatives que connaissent les [1 entités faisant partie de l'ensemble consolidé]1, et qui sont de nature à nuire gravement aux établissements de crédit [2 ...]2 qui font partie du groupe;
  4° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles décidées par les autorités compétentes conformément à la Directive 2013/36/UE, en ce compris l'imposition d'une exigence spécifique de fonds propres ou d'une limitation à l'application de l'approche par mesure avancée pour le calcul des exigences de fonds propres en vertu de l'article 312, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013.
  § 3. [2 Pour l'application du présent article, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE ou en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre où une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge est établie, contacte si possible l'autorité de surveillance sur base consolidée lorsqu'elle a besoin d'informations, dont l'autorité de surveillance sur base consolidée pourrait déjà disposer, concernant la mise en oeuvre d'approches et de méthodologies telles que décrites dans la Directive 2013/36/UE et dans le Règlement n° 575/2013.]2
  § 4. L'autorité de contrôle peut saisir l'ABE dans les cas suivants :
  1° une autorité compétente n'a pas fourni des informations essentielles;
  2° une demande de coopération, en particulier d'échange d'informations pertinentes, a été rejetée ou n'a pas été honorée dans un délai raisonnable.
  
Art.181. De toezichthouder raadpleegt de andere bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij [2 het toezicht op geconsolideerde basis]2, alvorens een beslissing te nemen over :
  1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur of de organisatie- of bestuursstructuur van kredietinstellingen in een groep, die overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU een goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;
  2° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU hebben getroffen, met inbegrip van het opleggen van een specifiek eigenvermogensvereiste of van restricties aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten krachtens artikel 312, lid 2 van Verordening nr. 575/2013.
  De toezichthouder mag evenwel besluiten andere bevoegde autoriteiten niet te raadplegen in noodsituaties of als zijn besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dergelijke gevallen brengt hij de andere bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld op de hoogte na het nemen van zijn besluit.
  [2 In afwijking van het tweede lid moet de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is gevestigd, steeds de consoliderende toezichthouder raadplegen als hij een beslissing als bedoeld in het eerste lid, 2°, overweegt te nemen.]2
  
Art.181. L'autorité de contrôle consulte les autres autorités compétentes impliquées dans le contrôle sur base consolidée, avant de prendre une décision sur les points suivants :
  1° des changements dans la structure de l'actionnariat, la structure organisationnelle ou de direction d'établissements de crédit qui font partie d'un groupe, et nécessitant une approbation ou un agrément des autorités compétentes conformément aux dispositions de la Directive 2013/36/UE;
  2° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles décidées par les autorités compétentes conformément à la Directive 2013/36/UE, en ce compris l'imposition d'une exigence spécifique de fonds propres, ou d'une limitation à l'utilisation de l'approche par mesure avancée pour le calcul des exigences de fonds propres en vertu de l'article 312, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013.
  L'autorité de contrôle peut néanmoins décider de ne pas consulter d'autres autorités compétentes en cas d'urgence ou lorsqu'une telle consultation pourrait compromettre l'efficacité de ses décisions. Dans ce cas, elle en informe sans délai les autres autorités compétentes après avoir pris sa décision.
  [2 Par dérogation à l'alinéa 2, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ou en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre où une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge est établie doit toujours consulter l'autorité de surveillance sur base consolidée lorsqu'elle envisage de prendre une décision telle que visée à l'alinéa 1er, 2°.]2
  
Art. 181/1. [1 De bevoegde autoriteiten, de financiële-inlichtingeneenheden en de autoriteiten waaraan het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1) en 2) van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2015/849/EU is opgedragen met het oog op de naleving van die richtlijn, werken nauw met elkaar samen binnen hun respectieve bevoegdheden en verstrekken elkaar de informatie die relevant is voor hun respectieve taken krachtens Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 575/2013 en Richtlijn 2015/849/EU, op voorwaarde dat die samenwerking en informatie-uitwisseling geen inbreuk maken op een lopend onderzoek of een lopende procedure in overeenstemming met het strafrecht of bestuursrecht van de lidstaat waar de bevoegde autoriteit, de financiële-inlichtingeneenheid of de autoriteit waaraan het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1) en 2) van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2015/849/EU is opgedragen, is gevestigd.]1
  
Art. 181/1. [1 Les autorités compétentes, les cellules de renseignement financier et les autorités investies de la mission de surveillance des entités assujetties énumérées à l'article 2, paragraphe 1er, points 1) et 2), de la Directive 2015/849/UE aux fins du respect de ladite directive coopèrent étroitement dans le cadre de leurs compétences respectives et se communiquent les informations pertinentes pour leurs tâches respectives au titre de la Directive 2013/36/UE, du Règlement no 575/2013 et de la Directive 2015/849/UE, pour autant que cette coopération et cet échange d'informations n'empiètent pas sur une enquête ou une procédure en cours conformément au droit pénal ou administratif de l'Etat membre dans lequel est située l'autorité compétente, la cellule de renseignement financier ou l'autorité investie de la mission de surveillance des entités assujetties énumérées à l'article 2, paragraphe 1er, points 1) et 2), de la Directive 2015/849/UE.]1
  
Art.182. [2 § 1.]2 Indien een kredietinstelling, [2 ...]2 een financiële holding, een gemengde financiële holding of een gemengde holding naar Belgisch recht moederonderneming is van één of meer ondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of van andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningstelsel geldt, werkt de toezichthouder nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de toezichthouder alle inlichtingen vragen of verstrekken aan deze autoriteiten waardoor de vervulling van hun respectieve taken kan worden vergemakkelijkt en toezicht op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.
  [2 § 2. Wanneer de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder van een groep met een gemengde financiële moederholding op grond van artikel 171 verschillend is van de overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG aangewezen coördinator, werken de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder en de coördinator samen voor de toepassing van deze wet en Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis. Om een doeltreffende samenwerking mogelijk te maken, sluit de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, met de coördinator schriftelijke coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten.]2
  
Art.182. [2 § 1er.]2 Lorsqu'un établissement de crédit, [2 ...]2 une compagnie financière, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge est l'entreprise mère d'une ou de plusieurs entreprises qui sont des entreprises d'assurance ou d'autres entreprises fournissant des services d'investissement soumises à agrément, l'autorité de contrôle collabore étroitement avec les autorités investies de la mission publique de surveillance des entreprises d'assurance ou d'autres entreprises fournissant des services d'investissement. Sans préjudice de leurs compétences respectives, l'autorité de contrôle peut demander ou fournir à ces autorités toutes les informations susceptibles de faciliter l'exercice de leurs tâches respectives et de permettre la surveillance de l'activité et de la situation financière de l'ensemble des entreprises soumises à leur surveillance.
  [2 § 2. Lorsque, conformément à l'article 171, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée d'un groupe comprenant une compagnie financière mixte mère est différente du coordinateur désigné conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée et le coordinateur coopèrent aux fins de l'application de la présente loi et du Règlementn° 575/2013 sur base consolidée. En vue de permettre une coopération efficace, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée et le coordinateur mettent en place des accords écrits de coordination et de coopération.]2
  
Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen
Sous-section III. - Autres cas d'application
Art.183. § 1. Indien een gemengde holding één of meer dochterondernemingen heeft die kredietinstellingen naar Belgisch recht zijn, kan de toezichthouder de gegevens en inlichtingen vragen die hij dienstig acht voor zijn toezicht op vennootschappelijke en geconsolideerde basis op deze kredietinstellingen, hetzij rechtstreeks van de gemengde holding, hetzij door toedoen van de genoemde dochterondernemingen. In dit laatste geval blijft de gemengde holding samen met de rapporterende kredietinstelling verantwoordelijk voor de juistheid en stipte mededeling van de verstrekte informatie.
  Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde holding een onderneming naar Belgisch recht is, beschikt deze over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, teneinde de juistheid en conformiteit met de geldende regels te waarborgen van de te verstrekken gegevens en inlichtingen.
  § 2. De toezichthouder kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse controleren.
  Indien de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen in een andere lidstaat is gevestigd dan België, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie in overeenstemming met de procedure die vervat is in artikel 214. Indien die gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 182 worden gevolgd.
  Wanneer de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen hun zetel buiten de Europese Economische Ruimte hebben, worden de modaliteiten voor de uitvoering van het bepaalde bij paragraaf 1 vastgelegd in overeenkomsten tussen de toezichthouder en de betrokken buitenlandse bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
  § 3. De toezichthouder kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen laten verifiëren op hun juistheid en volledigheid :
  1° wanneer de rapporterende onderneming een vennootschap naar Belgisch recht is, door de erkende commissaris van deze onderneming;
  2° wanneer de rapporterende onderneming haar zetel buiten België heeft, door de erkende commissaris van de kredietinstelling naar Belgisch recht die een dochteronderneming van de gemengde holding is.
  Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan van gemengde holdings en hun dochterondernemingen, is voor de erkende commissarissen het recht bedoeld in artikel 211 op overeenkomstige wijze van toepassing.
  § 4. De in paragraaf 1 bedoelde gegevens en inlichtingen moeten de toezichthouder inzonderheid in staat stellen de volgende aspecten te beoordelen : de soliditeit van de kredietinstellingen naar Belgisch recht, de invloed van de gemengde holding op het beleid van deze kredietinstellingen, en de transacties tussen de kredietinstellingen met de gemengde holding en haar dochterondernemingen, onverminderd het bepaalde in Deel 4 van Verordening nr. 575/2013.
  § 5. De in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen beschikken over passende risicobeheerprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen, met het oog op een passende herkenning, meting, bewaking en controle van transacties met hun gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. Zij moeten tevens, naast de transacties bedoeld in artikel 394 van Verordening nr. 575/2013, alle andere belangrijke transacties met deze entiteiten rapporteren. Deze procedures en belangrijke transacties worden door de toezichthouder gecontroleerd.
  § 6. Indien de aard en de omvang van de in paragraaf 5 bedoelde transacties een bedreiging vormen voor de financiële positie van de betrokken kredietinstelling naar Belgisch recht, neemt de toezichthouder passende maatregelen. Hij past daarbij de beginselen onderliggend aan de artikelen 205 tot 207 omtrent de verenigbaarheid met het algemeen geldende vennootschapsrecht op overeenkomstige wijze toe. Onverminderd eventuele andere maatregelen kan hij eisen dat deze verrichtingen worden stopgezet.
Art.183. § 1er. Si une compagnie mixte possède une ou plusieurs filiales qui sont des établissements de crédit de droit belge, l'autorité de contrôle peut demander toutes les données et informations qu'elle juge utiles pour l'exercice de son contrôle, sur base sociale et consolidée, de ces établissements de crédit, soit directement à la compagnie mixte, soit par l'intermédiaire des filiales citées. Dans ce dernier cas, la compagnie mixte demeure, avec l'établissement de crédit faisant rapport, responsable du caractère correct et de la communication ponctuelle des informations fournies.
  Si la compagnie mixte visée à l'alinéa 1er est une entreprise de droit belge, elle dispose d'une organisation administrative et comptable et d'un contrôle interne adéquats, afin de garantir que les informations et renseignements à fournir soient corrects et conformes aux règles applicables.
  § 2. L'autorité de contrôle peut contrôler sur place les données et informations fournies en application du paragraphe 1er.
  Si la compagnie mixte ou une de ses filiales est établie dans un Etat membre autre que la Belgique, le contrôle sur place des informations se fait selon la procédure énoncée à l'article 214. Si cette compagnie mixte ou une de ses filiales est une entreprise d'assurance, la procédure énoncée à l'article 182 peut également être appliquée.
  Lorsque la compagnie mixte ou une de ses filiales a son siège social en dehors de l'Espace économique européen, les modalités d'exécution des dispositions du paragraphe 1er sont fixées dans des accords conclus entre l'autorité de contrôle et les autorités étrangères compétentes concernées, le cas échéant conformément à l'article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998.
  § 3. L'autorité de contrôle peut faire vérifier le caractère correct et complet des informations et renseignements communiqués en application du paragraphe 1er :
  1° lorsque l'entreprise faisant rapport est une société de droit belge, par le commissaire agréé de cette entreprise;
  2° lorsque l'entreprise faisant rapport a établi son siège social en dehors de la Belgique, par le commissaire agréé de l'établissement de crédit de droit belge que la compagnie mixte a pour filiale.
  En ce qui concerne les informations et renseignements émanant de compagnies mixtes et de leurs filiales, le droit visé à l'article 211 s'applique par analogie aux commissaires agréés.
  § 4. Les informations et renseignements visés au paragraphe 1er doivent permettre à l'autorité de contrôle d'apprécier notamment les aspects suivants : la solidité des établissements de crédit de droit belge, l'influence de la compagnie mixte sur la gestion de ces établissements de crédit, et les opérations des établissements de crédit avec la compagnie mixte et ses filiales, sans préjudice des dispositions de la quatrième Partie du Règlement n° 575/2013.
  § 5. Les établissements de crédit visés au paragraphe 1er disposent de processus de gestion des risques, ainsi que de mécanismes de contrôle interne adéquats, y compris de procédures saines d'information et de comptabilité, afin de détecter, de mesurer, de suivre et de contrôler de manière appropriée les transactions effectuées avec leur compagnie mixte mère et ses filiales. Outre les transactions visées à l'article 394 du Règlement n° 575/2013, elles doivent également déclarer toutes les autres transactions d'importance significative effectuées avec ces entités. Ces procédures et transactions d'importance significative font l'objet d'un contrôle par l'autorité de contrôle.
  § 6. Si la nature et l'ampleur des transactions visées au paragraphe 5 compromettent la situation financière de l'établissement de crédit de droit belge concerné, l'autorité de contrôle prend des mesures appropriées. Dans ce cadre, elle applique, par analogie, les principes sous-jacents aux articles 205 à 207 concernant la compatibilité avec le droit des sociétés en vigueur. Sans préjudice d'autres mesures éventuelles, elle peut exiger qu'il soit mis fin à ces opérations.
Art. 183/1. [1 Een kredietinstelling naar Belgisch recht die een consortium vormt met een of meer andere ondernemingen, valt onder [2 een toezicht op geconsolideerde basis]2 dat geldt voor alle ondernemingen van het consortium en hun dochterondernemingen. De bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in [3 artikel 165, § 1, 2°]3, zijn van toepassing.]1
  
Art. 183/1. [1 Un établissement de crédit de droit belge qui constitue un consortium avec une ou plusieurs autres entreprises relève d'un contrôle sur base consolidée qui s'applique à l'ensemble des entreprises du consortium ainsi qu'à leurs filiales. Les dispositions applicables aux établissements de crédit visés à [2 l'article 165, § 1er, 2°]2, trouvent à s'appliquer en l'espèce.]1
  
Art.184. De bepalingen op het vlak van samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten voor de toepassing [1 van het toezicht op geconsolideerde basis]1 op basis van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 zijn niet van toepassing wanneer de Europese Centrale Bank krachtens de GTM-verordening de enige betrokken bevoegde autoriteit is.
  
Art.184. Les dispositions en matière de coopération et d'échanges d'informations entre les autorités compétentes des différents Etats membres pour l'exercice du contrôle sur base consolidée en application de la présente loi et du Règlement n° 575/2013 ne sont pas applicables lorsqu'en vertu du Règlement MSU, la Banque centrale européenne est la seule autorité compétente impliquée.
Afdeling III. - Aanvullend conglomeraatstoezicht
Section III. - Surveillance complémentaire des conglomérats
Onderafdeling I. - Toepassingsgebied
Sous-section Ire. - Champ d'application
Art.185. In de mate en op de wijze bepaald in de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn kredietinstellingen naar Belgisch recht
  1° die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat; of
  2° met als moederonderneming een gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat
  onderworpen aan een aanvullend conglomeraatstoezicht.
  Indien meerdere gereglementeerde ondernemingen dochteronderneming zijn van de in het eerste lid, 2° bedoelde gemengde financiële holding, is het aanvullende conglomeraatstoezicht alleen van toepassing op de kredietinstelling naar Belgisch recht voor zover de toezichthouder, met toepassing van artikel 196, bevoegd is voor het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Art.185. Dans la mesure et selon les modalités prévues par les Sections III et IV du présent Chapitre et leurs arrêtés et règlements d'exécution, les établissements de crédit de droit belge
  1° qui sont à la tête d'un conglomérat financier; ou
  2° dont l'entreprise mère est une [1 compagnie financière mixte]1 ayant son siège dans un Etat membre
  sont soumis à une surveillance complémentaire des conglomérats.
  Si plusieurs entreprises réglementées sont des filiales de la compagnie financière mixte visée à l'alinéa 1er, 2°, la surveillance complémentaire du conglomérat s'applique uniquement à l'établissement de crédit de droit belge, pour autant que l'autorité de contrôle soit compétente pour la surveillance complémentaire du conglomérat en application de l'article 196.
  
Art.186. § 1. Voor het bepalen of een groep een financieel conglomeraat is in de zin van artikel 164 § 1, 2°, zijn de in de hierna volgende paragrafen bepaalde drempels van toepassing.
  § 2. De activiteiten van een groep worden geacht in hoofdzaak in de financiële sector plaats te vinden in de zin van artikel 164 § 1, 2°, punt b) i), indien de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van de tot de financiële sector behorende ondernemingen in de groep, en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen groter is dan 40 %.
  § 3. De activiteiten van de tot een groep behorende ondernemingen uit eenzelfde financiële sector worden geacht significant te zijn in de zin van artikel 164, § 1, 2°, punt a) iii) of punt b) iii), indien,
  1° hetzij het gemiddelde van de volgende twee verhoudingen groter is dan 10 % : de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector, en de verhouding tussen de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector en de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector;
  2° hetzij het gezamenlijke balanstotaal van de ondernemingen die behoren tot de kleinste financiële sector in de groep groter is dan 6 miljard euro;
  Voor de toepassing van het eerste lid :
  1° worden de banksector en de beleggingsdienstensector samengenomen en beschouwd als behorende tot eenzelfde financiële sector;
  2° wordt onder de kleinste financiële sector in een financieel conglomeraat verstaan, de financiële sector met het kleinste gemiddelde en onder de belangrijkste financiële sector in een financieel conglomeraat, de sector met het grootste gemiddelde.
  § 4. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen bij onderlinge overeenkomst besluiten een groep niet als een financieel conglomeraat aan te merken of kunnen ook besluiten de bepalingen van de artikelen 7, 8, 9 en 9bis van Richtlijn 2002/87/EG niet toe te passen, indien zij oordelen dat het onder de werkingssfeer van het aanvullende conglomeraatstoezicht brengen van de groep of de toepassing van die bepalingen in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht onnodig, dan wel ongepast of misleidend is, in de hierna volgende gevallen :
  1° indien de groep de in paragraaf 3, eerste lid, punt 2° bedoelde drempel bereikt, maar het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde onder de 10 % blijft;
  2° indien de groep het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde bereikt, maar de kleinste sector onder het in paragraaf3, eerste lid, 2° bedoelde bedrag van 6 miljard EUR blijft.
  Besluiten genomen met toepassing van het eerste lid worden aan de andere bevoegde autoriteiten meegedeeld, en deze worden, behoudens buitengewone omstandigheden, door de bevoegde autoriteiten openbaar gemaakt.
  § 5. Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 kunnen de relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk beslissen om :
  1° voor de berekening van de drempels een onderneming buiten beschouwing te laten, om dezelfde reden als zij met toepassing van artikel 190, § 2, tweede lid, kunnen worden weggelaten voor de berekening van de aanvullende solvabiliteitsvereisten, tenzij de entiteit van een lidstaat naar een derde land verhuisd is en er aanwijzingen zijn dat de entiteit haar locatie veranderd heeft om zich aan regulering te onttrekken;
  2° een groep die niet meer voldoet aan de drempels van paragrafen 2 tot 4, maar die er gedurende drie vorige opeenvolgende jaren aan voldaan heeft, als een financieel conglomeraat aan te merken teneinde een plotse verandering van toezichtsregime te voorkomen, dan wel anders te beslissen of een eerder genomen beslissing te herzien omwille van blijvende significante wijzigingen in de structuur van de groep;
  3° één of meer deelnemingen in de kleinste sector buiten beschouwing laten indien deze deelnemingen bepalend zijn voor de identificatie van een groep als financieel conglomeraat en samengenomen van te verwaarlozen belang zijn gelet op de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Indien een groep overeenkomstig de paragrafen 2 tot 4 als financieel conglomeraat wordt aangemerkt, worden de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beslissingen genomen op basis van een voorstel van de toezichthouder indien deze coördinator is.
  § 6. Voor de toepassing van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, 1° kunnen de relevante bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke gevallen bij onderlinge overeenkomst het gezamenlijke balanstotaal als parameter vervangen door, of aanvullen met, één of meer van de hierna volgende andere parameters, indien zij van oordeel zijn dat deze andere parameters in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht een betere weergave zijn van het bedrijf van de groep; deze andere parameters zijn : de inkomensstructuur, activiteiten buiten balanstelling van de groep en totaal beheerd vermogen. De toezichthouder bepaalt in zijn hoedanigheid van coördinator hoe deze parameters dienen te worden berekend.
  § 7. Indien een aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen financieel conglomeraat niet meer voldoet aan een of meerdere van de in de paragrafen 2 tot 4 bepaalde drempels, worden de drempels gedurende de drie volgende jaren als volgt vervangen : 40 % wordt 35 %, 10 % wordt 8 % en 6 miljard EUR wordt 5 miljard EUR, om plotse regimeverschuivingen te voorkomen.
  In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, na instemming van de andere relevante bevoegde autoriteiten, beslissen deze lagere drempels niet of niet meer toe te passen in de voornoemde periode van drie jaar, rekening houdend met de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 8. De in dit artikel bedoelde berekeningen inzake het gezamenlijke balanstotaal worden gemaakt op basis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende ondernemingen, uitgaande van hun meest recente jaarrekening, volgens de voorschriften bepaald door de toezichthouder, indien deze coördinator is. Ondernemingen waarin de groep deelnemingen heeft, worden in aanmerking genomen voor het bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geaggregeerde proportionele aandeel van de groep. Indien voor een bepaalde groep of delen van de groep geconsolideerde jaarrekeningen worden opgesteld, worden deze gebruikt voor de berekeningen.
  De in dit artikel bedoelde solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens de bepalingen van de sectorale regelgeving die op de betreffende gereglementeerde ondernemingen van toepassing is.
  § 9. De bevoegde autoriteiten herbeoordelen op jaarbasis de ontheffingen op de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht en evalueren de kwantitatieve indicatoren waarin dit artikel voorziet, alsmede de risicobeoordelingen van financiële groepen.
Art.186. § 1er. Pour déterminer si un groupe est un conglomérat financier au sens de l'article 164, § 1er, 2°, les seuils définis dans les paragraphes suivants sont d'application.
  § 2. Les activités d'un groupe sont réputées s'exercer principalement dans le secteur financier au sens de l'article 164, § 1er, 2°, point b), i), si le rapport entre le total du bilan commun des entreprises du groupe appartenant au secteur financier et le total du bilan commun de l'ensemble des entreprises du groupe dépasse 40 %.
  § 3. Les activités des entreprises d'un groupe qui font partie du même secteur financier sont réputées importantes au sens de l'article 164, § 1er, 2°, point a), iii) ou point b), iii) si :
  1° soit la moyenne des deux rapports suivants est supérieure à 10 % : le rapport entre le total du bilan commun de l'ensemble des entreprises du groupe qui font partie dudit même secteur financier et le total du bilan commun de l'ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier, et le rapport entre les exigences de solvabilité communes de l'ensemble des entreprises du groupe qui font partie dudit même secteur financier et les exigences de solvabilité communes de l'ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier;
  2° soit le total du bilan commun des entreprises qui font partie du secteur financier le moins important au sein du groupe est supérieur à 6 milliards d'euros.
  Pour l'application de l'alinéa 1er :
  1° le secteur bancaire et le secteur des services d'investissement sont agrégés et considérés comme faisant partie du même secteur financier;
  2° le secteur financier le moins important au sein d'un conglomérat financier s'entend du secteur financier qui présente la moyenne la plus basse et le secteur financier le plus important au sein d'un conglomérat financier s'entend du secteur qui présente la moyenne la plus élevée.
  § 4. Les autorités compétentes relevantes peuvent décider, d'un commun accord, de ne pas considérer un groupe comme un conglomérat financier ou de ne pas appliquer les dispositions des articles 7, 8 et 9 et 9bis de la Directive 2002/87/CE, si elles estiment que l'inclusion du groupe dans le champ d'application de la surveillance complémentaire des conglomérats ou l'application de ces dispositions n'est pas nécessaire, ou inappropriée ou source de confusion eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats et ce, dans les cas suivants :
  1° si le groupe atteint le seuil visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, mais que la moyenne visée au paragraphe 3, alinéa 1er, 1° ne dépasse pas les 10 %;
  2° si le groupe atteint la moyenne visée au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, mais que le secteur le moins important reste sous le montant de 6 milliards d'euros visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 2°.
  Les décisions qui sont prises en application de l'alinéa 1er sont communiquées aux autres autorités compétentes, et celles-ci sont publiées, sauf circonstances exceptionnelles, par les autorités compétentes.
  § 5. Pour l'application des paragraphes 2 à 4, les autorités compétentes relevantes peuvent décider d'un commun accord :
  1° de ne pas inclure une entreprise dans le calcul des seuils, pour la même raison que cette entreprise peut, en application de l'article 190, § 2, alinéa 2, ne pas être incluse dans le calcul des exigences complémentaires de solvabilité, sauf dans le cas où l'entité a été transférée d'un Etat membre dans un pays tiers et où il est démontré qu'elle a changé d'implantation à seule fin d'éviter la réglementation;
  2° de considérer comme un conglomérat financier un groupe qui ne satisfait plus aux seuils prévus aux paragraphes 2 à 4, mais qui y a satisfait pendant trois années consécutives, de manière à éviter un brusque changement de régime de surveillance, ou de prendre une autre décision, voire de reconsidérer une décision antérieure, en cas de modification importante et durable de la structure du groupe;
  3° d'exclure une ou plusieurs participations dans le secteur le moins important si ces participations sont déterminantes pour l'identification d'un groupe en tant que conglomérat financier et si, collectivement, elles présentent un intérêt négligeable au regard des objectifs de la surveillance complémentaire.
  Si un groupe est qualifié de conglomérat financier conformément aux paragraphes 2 à 4, les décisions visées à l'alinéa 1er du présent paragraphe sont prises sur la base d'une proposition de l'autorité de contrôle si elle est coordinateur.
  § 6. Pour l'application du paragraphe 2 et du paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, les autorités compétentes relevantes peuvent, dans des cas exceptionnels et d'un commun accord, remplacer ou compléter le critère fondé sur le total du bilan commun par l'un des paramètres suivants ou par plusieurs d'entre eux, si elles estiment que ces paramètres, eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats, reproduisent mieux l'activité du groupe; ces paramètres sont la structure des revenus, les activités hors bilan du groupe et les actifs totaux sous gestion. L'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, définit le mode de calcul de ces paramètres.
  § 7. Si un conglomérat financier soumis à la surveillance complémentaire ne satisfait plus à un ou plusieurs des seuils fixés aux paragraphes 2 à 4, ces seuils sont remplacés pour les trois années suivantes, par les seuils suivants : 40 % devient 35 %, 10 % devient 8 % et 6 milliards d'euros devient 5 milliards d'euros, afin d'éviter de brusques changements de régime.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, peut décider, avec l'accord des autres autorités compétentes relevantes, de ne pas ou de ne plus appliquer ces seuils inférieurs durant la période de trois ans précitée, en tenant compte des objectifs de la surveillance complémentaire du conglomérat.
  § 8. Les calculs relatifs au total du bilan commun, tels que visés dans le présent article, sont effectués sur la base du total du bilan agrégé des entreprises faisant partie du groupe, en partant de leurs comptes annuels les plus récents, selon les règles définies par l'autorité de contrôle si elle est coordinateur. Les entreprises dans lesquelles le groupe détient des participations sont prises en compte à concurrence du montant de leur total de bilan qui correspond à la part proportionnelle agrégée détenue par le groupe. Si, pour un groupe déterminé ou des parties du groupe, des comptes consolidés sont établis, les calculs sont effectués à partir de ces comptes.
  Les exigences de solvabilité visées dans le présent article sont calculées selon les dispositions de la réglementation sectorielle qui est applicable aux entreprises réglementées concernées.
  § 9. Les autorités compétentes réévaluent sur une base annuelle les dispenses à l'application de la surveillance complémentaire du conglomérat et examinent les indicateurs quantitatifs prévus au présent article ainsi que les évaluations, fondées sur les risques, des groupes financiers.
Art.187. § 1. De toezichthouder gaat na of kredietinstellingen die overeenkomstig het Belgisch recht een bedrijfsvergunning hebben verkregen, deel uitmaken van een financieel conglomeraat. Daartoe werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteiten van andere tot die groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een bedrijfsvergunning hebben verkregen. Indien de toezichthouder van oordeel is dat de betrokken groep een financieel conglomeraat is en niet reeds aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen is, dan deelt hij dit mee aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten en aan het Gemengd Comité.
  § 2. In zijn hoedanigheid van coördinator stelt de toezichthouder de moederonderneming van de groep, of bij ontstentenis van een moederonderneming, de gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector in de groep, in kennis van de identificatie van de groep als een financieel conglomeraat, alsmede van zijn aanwijzing als coördinator. Hij informeert hierover eveneens de bevoegde autoriteiten van andere tot de groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een bedrijfsvergunning hebben verkregen, de bevoegde autoriteiten van het land waar de gemengde financiële holding haar hoofdkantoor heeft, het Gemengd Comité, alsook, zo hij dit noodzakelijk acht in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht, de autoriteiten van derde landen.
Art.187. § 1er. L'autorité de contrôle vérifie si les établissements de crédit agréés conformément au droit belge, font partie d'un conglomérat financier. Elle opère à cet effet en étroite collaboration avec les autres autorités compétentes d'autres entreprises réglementées appartenant à ce groupe qui sont agrées conformément au droit européen. Si l'autorité de contrôle estime que le groupe en question est un conglomérat financier et que ce dernier n'est pas déjà soumis à une surveillance complémentaire du conglomérat, elle en avise les autres autorités compétentes relevantes et le comité mixte.
  § 2. L'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, informe l'entreprise mère du groupe ou, à défaut d'entreprise mère, l'entreprise réglementée qui affiche le total du bilan le plus élevé dans le secteur financier le plus important du groupe, du fait que le groupe a été identifié comme conglomérat financier et qu'elle a été désignée comme coordinateur. Elle en informe également les autorités compétentes des entreprises réglementées appartenant à ce groupe qui sont agrées conformément au droit européen, les autorités compétentes de l'Etat dans lequel la compagnie financière mixte a son siège social, le comité mixte, ainsi que, si elle le juge nécessaire eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats, les autorités de pays tiers.
Art.188. De in artikel 185 bedoelde kredietinstellingen voldoen aan de vereisten van de artikelen 191 tot 195 op het niveau van het financieel conglomeraat. Deze reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht stemt overeen met alle ondernemingen, hetzij gereglementeerd, hetzij ongereglementeerd, die deel uitmaken van de groep als gedefinieerd in artikel 164, § 3, vertrekkende vanuit de kredietinstelling aan het hoofd van het financieel conglomeraat dan wel vanuit de gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte.
Art.188. Les établissements de crédit visés à l'article 185 répondent aux exigences visées aux articles 191 à 195 au niveau du conglomérat financier. Cette portée de la surveillance complémentaire des conglomérats correspond à toutes les entreprises, réglementées ou non, qui font partie du groupe tel que défini à l'article 164, § 3, en prenant comme point de départ l'établissement de crédit qui se situe à la tête du conglomérat financier ou la compagnie financière mixte dont le siège est établi dans l'Espace économique européen.
Art.189. Wanneer een financieel conglomeraat zelf deel uitmaakt van een ander financieel conglomeraat dat aan een aanvullend conglomeraatstoezicht is onderworpen, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, de in artikel 185 bedoelde kredietinstellingen die deel uitmaken van de subgroep geheel of gedeeltelijk vrijstellen van het aanvullende conglomeraatstoezicht indien de doelstellingen ervan in voldoende mate bereikt worden door het aanvullende conglomeraatstoezicht met betrekking tot het ander financieel conglomeraat.
Art.189. Lorsqu'un conglomérat financier fait lui-même partie d'un autre conglomérat financier soumis à une surveillance complémentaire des conglomérats, l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, peut exempter, en tout ou en partie, les établissements de crédit visés à l'article 185 qui font partie du sous-groupe, de la surveillance complémentaire du conglomérat si les objectifs de cette dernière sont atteints de manière suffisante par la surveillance complémentaire exercée sur l'autre conglomérat financier.
Art.190. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 49 van Verordening nr. 575/2013, zijn de in artikel 185 bedoelde kredietinstellingen onderworpen aan een aanvullend solvabiliteitstoezicht op het niveau van de groep. Het aanvullende toezicht slaat op :
  1° de naleving van de vereiste dat er steeds eigen vermogen beschikbaar is op het niveau van het financieel conglomeraat dat minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten; het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat worden berekend volgens een van de methoden bepaald in Bijlage VI;
  2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de solvabiliteitspositie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in artikel 194;
  3° het passend karakter van de strategieën inzake eigen vermogen.
  De in het eerste lid bedoelde voorschriften worden gecontroleerd door de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, overeenkomstig Onderafdeling II. Hij zorgt ervoor dat de in het eerste lid bedoelde berekening ten minste eenmaal per jaar wordt uitgevoerd. De resultaten van de berekening en de voor de berekening benodigde gegevens worden aan hem voorgelegd door de kredietinstelling, door de gemengde financiële holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de toezichthouder na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen.
  § 2. In afwijking van de reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht bepaald in artikel 188 worden voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 1° alle ondernemingen in de groep die tot de financiële sector behoren, in het aanvullende solvabiliteitstoezicht opgenomen.
  In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder in zijn hoedanigheid van coördinator besluiten in onderstaande gevallen een bepaalde onderneming buiten de reikwijdte van het aanvullend solvabiliteitstoezicht van paragraaf 1, eerste lid, 1° te laten :
  1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd de sectorale regelgeving die betrekking heeft op de voor de bevoegde autoriteiten geldende verplichting om de vergunning te weigeren indien de doeltreffende uitoefening van hun toezichthoudende taken wordt belemmerd;
  2° indien de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullend conglomeraatstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat van te verwaarlozen betekenis is;
  3° indien het in aanmerking nemen van de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullend conglomeraatstoezicht ongepast of misleidend zou zijn.
  Indien in het onder het tweede lid, 2° bedoelde geval het voornemen zou bestaan om verscheidene ondernemingen niet bij de berekening in aanmerking te nemen, moeten deze toch in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.
  In het onder het tweede lid, 3° bedoelde geval worden, behoudens in spoedeisende gevallen, de andere relevante bevoegde autoriteiten door de toezichthouder in zijn hoedanigheid van coördinator geraadpleegd voordat hij een besluit neemt.
Art.190. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 49 du Règlement n° 575/2013, les établissements de crédit visés à l'article 185 sont soumis à une surveillance complémentaire de la solvabilité au niveau du groupe. La surveillance complémentaire porte sur :
  1° le respect de l'exigence que les fonds propres soient en permanence disponibles au niveau du conglomérat financier et au moins égaux aux exigences de solvabilité; les fonds propres et les exigences de solvabilité au niveau du conglomérat financier sont calculés selon l'une des méthodes définies à l'Annexe VI;
  2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne relatifs à la solvabilité du groupe, conformément aux dispositions de l'article 194;
  3° le caractère adéquat des stratégies en matière de fonds propres.
  Les prescriptions visées à l'alinéa 1er relèvent du contrôle de l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, conformément à la Sous-section II. Elle veille à ce que le calcul visé à l'alinéa 1er soit effectué au moins une fois par an. Les résultats du calcul et les données pertinentes sur lesquelles il est fondé lui sont soumis par l'établissement de crédit, par la compagnie financière mixte, ou par une entreprise réglementée faisant partie du conglomérat financier désignée par l'autorité de contrôle après consultation des autres autorités compétentes relevantes et du conglomérat financier.
  § 2. Par dérogation à la portée de la surveillance complémentaire des conglomérats visée à l'article 188, toutes les entreprises du groupe, faisant partie du secteur financier, relèvent de la surveillance complémentaire de la solvabilité pour l'application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, peut décider, dans les cas suivants, de ne pas inclure une entreprise donnée dans la portée de la surveillance complémentaire de la solvabilité visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° :
  1° si l'entreprise est située dans un pays tiers où des obstacles juridiques empêchent le transfert des informations nécessaires, sans préjudice des règles sectorielles faisant obligation aux autorités compétentes de refuser l'agrément lorsque l'exercice effectif de leur fonction de surveillance est empêché;
  2° si l'entreprise présente un intérêt négligeable au regard des objectifs que poursuit la surveillance complémentaire des entreprises réglementées appartenant à un conglomérat financier;
  3° si son inclusion est inappropriée ou risque d'induire une confusion, au regard des objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats.
  Cependant, si plusieurs entreprises sont à exclure dans le cas visé à l'alinéa 2, 2°, il y a lieu toutefois de les inclure dès lors que, collectivement, elles présentent un intérêt non négligeable.
  Dans le cas visé à l'alinéa 2, 3°, l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, consulte, sauf en cas d'urgence, les autres autorités compétentes relevantes avant d'arrêter une décision.
Art.191. § 1. De kredietinstellingen bedoeld in artikel 185 zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de risicoconcentratie.
  Het aanvullende toezicht slaat op :
  1° de identificatie en de rapportering van significante risicoconcentraties;
  2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de risicoconcentratie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in artikel 194.
  Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan de volgende aspecten : het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de risicoconcentratie.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1°, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging van het financieel conglomeraat, de drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van elke significante risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat. Hij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters : het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.
  Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden risicoconcentraties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 10 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat.
  § 3. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1 kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtsmaatregelen opleggen ter beheersing van de risicoconcentratie op het niveau van een financieel conglomeraat. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake risicoconcentratie tegen te gaan, kan hij ook beslissen, overeenkomstig artikel 170, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Hij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.
Art.191. § 1er. Les établissements de crédit visés à l'article 185 sont soumis à une surveillance complémentaire en matière de concentration des risques.
  La surveillance complémentaire porte sur :
  1° l'identification et le reporting des concentrations de risques importantes;
  2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne en matière de concentration des risques du groupe, conformément aux dispositions de l'article 194.
  La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants : le risque dit de contagion au sein du groupe, l'existence de conflits d'intérêts, les contournements de la réglementation sectorielle, ainsi que le niveau et l'ampleur de la concentration des risques.
  § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, l'autorité de contrôle fixe, en sa qualité de coordinateur, en concertation avec les autres autorités compétentes relevantes et après consultation du conglomérat financier, les seuils pour l'identification et le reporting de chaque concentration de risques importante au sein du conglomérat financier. Elle détermine les seuils sur la base des deux paramètres suivants ou de l'un de ces paramètres seulement : les fonds propres réglementaires et les provisions techniques.
  Si aucun seuil n'a été fixé, les concentrations de risques sont réputées importantes si elles excèdent 10 % de l'exigence de solvabilité du conglomérat financier en question.
  § 3. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 1er, l'autorité de contrôle peut, en sa qualité de coordinateur, imposer des normes de limitation ou d'autres mesures de surveillance équivalentes pour la maîtrise de la concentration des risques au niveau d'un conglomérat financier. Afin de s'opposer au contournement de la réglementation sectorielle en matière de concentration des risques, elle peut également décider, conformément à l'article 170, d'appliquer, par analogie, les dispositions sectorielles en la matière au niveau du conglomérat financier. Elle consulte préalablement les autres autorités compétentes relevantes.
Art.192. § 1. De kredietinstellingen bedoeld in artikel 185 zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de intragroepsverrichtingen.
  Het aanvullende toezicht slaat op :
  1° de identificatie en de rapportering van significante intragroepsverrichtingen;
  2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures m.b.t. intragroepsverrichtingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 194.
  Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan volgende aspecten : het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de intragroepsverrichtingen.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1° stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging het financieel conglomeraat, passende drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van significante intragroepsverrichtingen. Hij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters : het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.
  Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden intragroepsverrichtingen geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 5 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat.
  § 3. Onverminderd het bepaalde in § 1 kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtsmaatregelen opleggen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht inzake intragroepsverrichtingen. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake intragroepsverrichtingen tegen te gaan, kan hij ook beslissen, overeenkomstig artikel 170, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Hij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.
Art.192. § 1er. Les établissements de crédit visés à l'article 185 sont soumis à une surveillance complémentaire des opérations intragroupes.
  La surveillance complémentaire porte sur :
  1° l'identification et le reporting des opérations intragroupes importantes;
  2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne en matière d'opérations intragroupes, conformément aux dispositions de l'article 194.
  La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants : le risque dit de contagion au sein du groupe, l'existence de conflits d'intérêts, les contournements de la réglementation sectorielle, ainsi que le niveau et l'ampleur des opérations intragroupes.
  § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, l'autorité de contrôle fixe, en sa qualité de coordinateur, en concertation avec les autres autorités compétentes relevantes et après consultation du conglomérat financier, des seuils adéquats pour l'identification et le reporting de toute opération intragroupe importante. Elle détermine les seuils sur la base des deux paramètres suivants ou de l'un de ces paramètres seulement : les fonds propres réglementaires et les provisions techniques.
  Si aucun seuil n'a été fixé, les opérations intragroupes sont réputées importantes si elles excèdent 5 % de l'exigence de solvabilité du conglomérat financier en question.
  § 3. Sans préjudice des dispositions du § 1er, l'autorité de contrôle peut, en sa qualité de coordinateur, imposer des normes de limitation ou d'autres mesures de surveillance équivalentes pour la réalisation des objectifs de la surveillance complémentaire du conglomérat en matière d'opérations intragroupes. Afin de s'opposer au contournement de la réglementation sectorielle en matière d'opérations intragroupes, elle peut également décider, conformément à l'article 170, d'appliquer, par analogie, les dispositions sectorielles en la matière au niveau du conglomérat financier. Elle consulte préalablement les autres autorités compétentes relevantes.
Art.193. § 1. Voor het in de artikelen 190 tot 192 geregelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, volgens de modaliteiten die deze bepaalt en minstens tweemaal per jaar, de volgende staten voorgelegd :
  1° een boekhoudstaat die betrekking heeft op de financiële positie van het financieel conglomeraat en die minstens bestaat uit de balans en de resultatenrekening;
  2° een staat waaruit de naleving blijkt van de normen bepaald bij of in uitvoering van artikel 190, § 1, eerste lid, 1°, artikel 191, § 3, en artikel 192, § 3, en een staat met opgave van de significante risicoconcentraties en significante intragroepsverrichtingen bedoeld in artikel 191, § 1, tweede lid, 1°, en artikel 192, § 1, tweede lid, 1°.
  Te dien einde bepaalt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, de categorieën verrichtingen, risico's en posities die voor de opvolging van de risicoconcentratie en de significante intragroepsverrichtingen moeten worden gerapporteerd; hij kan daarbij rekening houden met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van het betrokken financieel conglomeraat.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde staten worden gerapporteerd door de kredietinstelling, door de gemengde financiële holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming, die de toezichthouder na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen.
Art.193. § 1er. Pour la surveillance complémentaire du conglomérat réglée par les articles 190 à 192, les états suivants sont soumis à l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, selon les modalités qu'elle détermine, et au moins deux fois par an :
  1° un état comptable portant sur la situation financière du conglomérat financier et comprenant au moins le bilan et le compte de résultats.
  2° un état constatant le respect des normes définies par ou en exécution de l'article 190, § 1er, alinéa 1er, 1°, de l'article 191, § 3, et de l'article 192, § 3, ainsi qu'un état indiquant les concentrations de risques importantes et les opérations intragroupes importantes visées à l'article 191, § 1er, alinéa 2, 1°, et à l'article 192, § 1er, alinéa 2, 1°.
  A cette fin, l'autorité de contrôle détermine, en sa qualité de coordinateur, en concertation avec les autres autorités compétentes relevantes, les catégories d'opérations, de risques et de positions qui doivent être notifiées pour le suivi de la concentration des risques et des opérations intragroupes importantes; elle peut à cet égard tenir compte des spécificités de la structure de groupe et de la gestion des risques du conglomérat financier concerné.
  § 2. Les états visés au paragraphe 1er sont notifiés par l'établissement de crédit, la compagnie financière mixte, ou une entreprise réglementée faisant partie du conglomérat financier désignée par l'autorité de contrôle après consultation des autres autorités compétentes relevantes et du conglomérat financier.
Art.194. § 1. De kredietinstellingen bedoeld in artikel 185 zorgen ervoor dat het financieel conglomeraat beschikt over passende risicobeheer- en internecontroleprocedures en over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie.
  Inzonderheid dienen deze risicobeheer- en internecontroleprocedures aanwezig te zijn op geconsolideerd en gesubconsolideerd niveau bij de in artikel 185 bedoelde moederondernemingen, ongeacht of het om de kredietinstelling gaat of om de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat, en bij alle gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat, zodat de risicobeheer- en internecontroleprocedures samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de tot de groep behorende ondernemingen op de gereglementeerde ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het aanvullende conglomeraatstoezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Deze moederondernemingen passen die risicobeheer- en internecontroleprocedures eveneens toe in hun niet-gereglementeerde dochterondernemingen. Ook deze risicobeheer- en internecontroleprocedures zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken.
  § 2. De risicobeheerprocedures omvatten :
  1° een passend bestuur en beheer, met goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategie en het beleid door de bevoegde organen, met betrekking tot alle belangrijke risico's die op het niveau van het financieel conglomeraat zijn aangegaan;
  2° een passend solvabiliteitsbeleid, dat met name de toekomstige gevolgen anticipeert voor de groep van de gevolgde bedrijfsstrategie op het risicoprofiel van de groep en de solvabiliteitsvereisten bedoeld in artikel 190;
  3° passende procedures die waarborgen dat de risicobeheer- en opvolgingssystemen voldoende zijn geïntegreerd in de organisatie van de groep en dat de in de ondernemingen van de groep gehanteerde systemen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat op het niveau van het financieel conglomeraat de risico's correct worden geïdentificeerd, opgevolgd en beheerst;
  4° [1 regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en -plannen.]1
  § 3. De internecontroleprocedures omvatten :
  1° passende procedures voor het opvolgen van de solvabiliteit op het niveau van de groep, zodat alle belangrijke risico's correct worden geïdentificeerd en opgevolgd en het eigen vermogen voldoende is in het licht van de gelopen risico's;
  2° het passend karakter van de procedures en systemen voor de identificatie, meting, opvolging en beheersing van de intragroepsverrichtingen en risicoconcentraties.
  § 4. De kredietinstellingen beschikken over een passende boekhoudkundige en administratieve organisatie die de juistheid en conformiteit met de geldende regels waarborgt van de voor het aanvullende conglomeraatstoezicht verstrekte gegevens en inlichtingen en de opstelling van de jaarrekeningen.
  De kredietinstellingen zorgen voor een transparante groepsstructuur. De kredietinstelling, de gemengde financiële holding of een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen, doen daartoe het volgende :
  1° zij delen aan de toezichthouder regelmatig bijzonderheden mee omtrent hun juridische structuur, hun regeling voor de bedrijfsorganisatie en hun beleidsstructuur, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en significante bijkantoren;
  2° zij maken op het niveau van het financieel conglomeraat jaarlijks een beschrijving van de juridische structuur, van de regeling voor de bedrijfsorganisatie en van de beleidsstructuur voor het publiek openbaar en zorgen ervoor dat alle gereglementeerde ondernemingen deze informatie ook openbaar maken, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.
  
Art.194. § 1er Les établissements de crédit visés à l'article 185 doivent veiller à ce que le conglomérat financier dispose de procédures de gestion des risques et de dispositifs de contrôle interne, ainsi que d'une organisation administrative et comptable, qui soient adéquats.
  En particulier, ces procédures de gestion des risques et ces dispositifs de contrôle interne doivent être présents au niveau consolidé et sous-consolidé dans les entreprises mères visées à l'article 185, qu'il s'agisse de l'établissement de crédit ou de la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat financier, ainsi que dans toutes les entreprises réglementées faisant partie du conglomérat financier, de telle sorte que les procédures de gestion des risques et les dispositifs de contrôle interne soient cohérents et bien intégrés, que l'influence exercée par les entreprises du groupe sur les entreprises réglementées puisse être évaluée et que toutes les données et informations importantes pour la surveillance complémentaire du conglomérat puissent être obtenues. Ces entreprises mères appliquent ces procédures de gestion des risques et dispositifs de contrôle interne également dans leurs filiales non réglementées. Ces procédures de gestion des risques et dispositifs de contrôle interne sont également cohérents et bien intégrés, et ces filiales doivent aussi pouvoir fournir les données et informations pertinentes pour la surveillance.
  § 2. Les procédures de gestion des risques comprennent :
  1° une administration et une gestion adéquates, avec approbation et évaluation périodique de la stratégie et de la politique par les organes compétents, et portant sur tous les risques importants encourus au niveau du conglomérat financier;
  2° une politique de solvabilité adéquate, qui veille notamment à anticiper pour le groupe les conséquences futures de la stratégie d'exploitation suivie sur le profil de risque du groupe et les exigences de solvabilité visées à l'article 190;
  3° des procédures adéquates garantissant que les systèmes de gestion et de suivi des risques sont suffisamment intégrés à l'organisation du groupe et que les systèmes utilisés dans les entreprises du groupe concordent entre eux, de telle sorte qu'au niveau du conglomérat financier, les risques fassent l'objet d'une identification, d'un suivi et d'une maîtrise corrects.
  4° des dispositifs régulièrement mis à jour pour participer à la réalisation et, le cas échéant, au développement de mécanismes et de plans de redressement et de résolution des défaillances appropriés.
  § 3. Les dispositifs de contrôle interne comprennent :
  1° des procédures adéquates pour le suivi de la solvabilité au niveau du groupe, de telle sorte que tous les risques importants fassent l'objet d'une identification et d'un suivi corrects et que les fonds propres soient suffisants au regard des risques encourus;
  2° l'examen du caractère adéquat des procédures et des systèmes pour l'identification, la mesure, le suivi et la maîtrise des opérations intragroupes et des concentrations de risques.
  § 4. Les établissements de crédit doivent disposer d'une organisation administrative et comptable qui garantisse le caractère correct et conforme aux règles en vigueur des renseignements et informations communiqués pour la surveillance complémentaire du conglomérat et de l'établissement des comptes annuels.
  Les établissements de crédit doivent veiller à la transparence de la structure du groupe. L'établissement de crédit, la compagnie financière mixte ou une entreprise réglementée faisant partie du conglomérat financier que l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, a désignée après concertation avec les autres autorités compétentes relevantes et avec le conglomérat financier, procèdent à cet égard comme suit :
  1° ils communiquent régulièrement à l'autorité de contrôle les particularités de leur structure juridique, de leur dispositif d'organisation d'entreprise et de leur structure de gestion englobant toutes les entreprises réglementées, les filiales non réglementées et les succursales d'importance significative;
  2° ils publient une fois par an au niveau du conglomérat financier une description de la structure juridique, du dispositif d'organisation d'entreprise et de leur structure de gestion destinée au public et veillent à ce que toutes les entreprises réglementées publient également ces informations soit intégralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes.
Art.195. In zijn hoedanigheid van coördinator beoordeelt de toezichthouder minstens jaarlijks de noodzaak van stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat. Hij stemt zijn beoordeling af op de stresstest die worden georganiseerd voor de grootste financiële sector vertegenwoordigd in het financieel conglomeraat en overlegt met de andere relevante bevoegde autoriteiten.
  Voor het toepassen van deze stresstests houdt de toezichthouder rekening met parameters die specifieke risico's verbonden aan financiële conglomeraten kunnen identificeren.
  De toezichthouder deelt de resultaten van de stresstests mee aan het Gemengd Comité.
Art.195. L'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, évalue au moins une fois par an la nécessité de simulations de crise au niveau du conglomérat financier. A cette fin, elle aligne son évaluation sur les simulations de crise qui sont organisées pour le secteur financier le plus important représenté au sein du conglomérat financier et se concerte avec les autres autorités compétentes relevantes.
  Pour l'application de ces simulations de crise, l'autorité de contrôle prend en considération des paramètres qui tiennent compte des risques spécifiques associés aux conglomérats financiers.
  L'autorité de contrôle communique les résultats des simulations de crise au comité mixte.
Onderafdeling II. - Maatregelen om het aanvullende conglomeraatstoezicht te vergemakkelijken
Sous-section II. - Mesures visant à faciliter la surveillance complémentaire du conglomérat
Art.196. § 1. Teneinde een passend aanvullend conglomeraatstoezicht te verzekeren, wordt uit de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, met inbegrip van die van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar hoofdkantoor heeft, één enkele coördinator aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 2. Het aanvullende conglomeraatstoezicht op de in artikel 185, eerste lid bedoelde kredietinstellingen wordt als volgt uitgeoefend :
  1° door de toezichthouder in het in artikel 185, eerste lid, 1° bedoelde geval;
  2° indien aan het hoofd van het financieel conglomeraat een Belgische gemengde financiële holding staat, door de toezichthouder, onverminderd de punten 3° tot 7° ;
  3° indien naast een Belgische kredietinstelling ten minste één andere Belgische gereglementeerde onderneming eenzelfde Belgische gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat hebben, door [2 de bevoegde autoriteit die belast is met]2 het prudentiële toezicht op de Belgische gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal;
  4° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat een dochteronderneming heeft die een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit [2 van die lidstaat]2;
  5° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat ten minste twee dochterondernemingen heeft die een gereglementeerde onderneming zijn, met elk een verschillende bevoegde autoriteit, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector;
  6° indien meerdere gemengde financiële holdings, met zetel in verschillende lidstaten, aan het hoofd staan van het financieel conglomeraat, en er in elk van deze lidstaten een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal indien de activiteiten van deze ondernemingen plaatsvinden in dezelfde financiële sector, of door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector;
  7° indien ten minste twee gereglementeerde ondernemingen met zetel in een lidstaat dezelfde gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend in het land waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector.
  § 3. De toezichthouder en de andere relevante bevoegde autoriteiten kunnen in bijzondere gevallen in gemeen overleg overeenkomen om van de [1 paragraaf 2]1 bepaalde bevoegdheidsregeling af te wijken, indien de toepassing ervan, gelet op de structuur van het financieel conglomeraat en het relatieve belang van het bedrijf van de groep in de verschillende lidstaten, niet passend zou zijn, en een andere bevoegde autoriteit belasten met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij consulteren het financieel conglomeraat alvorens hierover een beslissing te nemen.
  [1 Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen als coördinator voor het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht op een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een andere gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die op individuele basis aan het toezicht van de toezichthouder is onderworpen, aanwezig is in de groep die het financieel conglomeraat vormt, zijn de bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 185, eerste lid, 2°, van overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding, behoudens afwijkende regelingen in de overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2002/87/EG.]1
  
Art.196. § 1er. Afin de garantir une surveillance complémentaire appropriée du conglomérat, il est procédé à la désignation, parmi les autorités compétentes des Etats membres concernés, en ce compris celles de l'Etat membre où la compagnie financière mixte a son siège social, d'un coordinateur unique qui est responsable de la coordination et de l'exercice de la surveillance complémentaire du conglomérat.
  § 2. La surveillance complémentaire du conglomérat exercée sur les établissements de crédit visés à l'article 185, alinéa 1er, est exercée comme suit :
  1° par l'autorité de contrôle dans le cas visé à l'article 185, alinéa 1er, 1° ;
  2° si le conglomérat financier est chapeauté par une compagnie financière mixte belge, par l'autorité de contrôle, sans préjudice des points 3° à 7° ;
  3° si, outre un établissement de crédit belge, au moins une autre entreprise réglementée belge a une même compagnie financière mixte belge à la tête du conglomérat financier, par l'[1 autorité compétente chargée du contrôle]1 prudentiel de l'entreprise réglementée belge dont le total de bilan est le plus élevé;
  4° si la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat financier a son siège social dans un autre Etat membre que la Belgique et qu'elle a dans cet Etat membre une filiale qui est une entreprise réglementée, par l'autorité compétente [3 de cet Etat membre]3;
  5° si la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat financier a son siège social dans un autre Etat membre que la Belgique [1 et a dans cet Etat membre]1 au moins deux filiales qui sont des entreprises réglementées, avec chacune une autorité compétente différente, par l'autorité compétente de l'entreprise réglementée du secteur financier le plus important;
  6° si plusieurs compagnies financières mixtes ayant leur siège social dans différents Etats membres sont à la tête du conglomérat financier, et qu'il y a une entreprise réglementée dans chacun de ces Etats membres, par l'autorité compétente de l'entreprise réglementée ayant le total de bilan le plus élevé si les activités de ces entreprises se situent dans le même secteur financier, ou par l'autorité compétente de l'entreprise réglementée du secteur financier le plus important;
  7° si au moins deux entreprises réglementées ayant leur siège social dans un Etat membre ont comme entreprise mère la même compagnie financière mixte et qu'aucune de ces entreprises ne dispose d'un agrément dans l'Etat où la compagnie financière mixte a son siège social, par l'autorité compétente de l'entreprise réglementée dont le total de bilan est le plus élevé dans le secteur financier le plus important;
  § 3. L'autorité de contrôle et les autres autorités compétentes relevantes peuvent, dans des cas particuliers, convenir de commun accord de déroger aux règles de compétence définies au [2 paragraphe 2]2, si leur application, compte tenu de la structure du conglomérat financier et l'importance relative de l'activité du groupe dans les différents Etats membres, n'est pas adéquate, et charger une autre autorité compétente de la surveillance complémentaire du conglomérat. Elles consultent le conglomérat financier avant de prendre une décision en la matière.
  [2 Lorsque l'autorité de contrôle est désignée, en vertu de l'article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/CE, comme coordinateur pour l'exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats à l'égard d'un établissement de crédit qui relève d'un autre Etat membre et dont l'entreprise mère est une compagnie financière mixte de droit belge, sans qu'un établissement de crédit de droit belge ou une autre entreprise réglementée de droit belge soumise sur une base individuelle au contrôle de l'autorité de contrôle figure dans le groupe constituant le conglomérat, les dispositions applicables aux établissements de crédit visés à l'article 185, alinéa 1er, 2°, sont applicables par analogie à la compagnie précitée, sauf dispositions dérogatoires dans l'accord entre autorités compétentes visé à l'article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/CE.]2
  
Art.197. § 1. De taken van de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, omvatten :
  1° het coördineren van de vergaring en de verspreiding van relevante en essentiële informatie, in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een bevoegde autoriteit krachtens de sectorale regelgeving;
  2° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de financiële positie van het financieel conglomeraat;
  3° het toezicht op de naleving van de bepalingen van de artikelen 190 tot 192 inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroepsverrichtingen, en op de naleving van de rapporteringsverplichtingen bedoeld in artikel 193;
  4° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de structuur, de organisatie en de internecontroleprocedures van het financieel conglomeraat, als bedoeld in artikel 194;
  5° het plannen en coördineren van toezichtsactiviteiten, in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de andere relevante bevoegde autoriteiten;
  6° het nemen van maatregelen en sancties ten aanzien van de gemengde financiële holding;
  7° andere taken, maatregelen en beslissingen die hem zijn toegewezen door of krachtens de bepalingen van deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk, voor zover deze bepalingen, wat betreft Afdeling IV, betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en van Richtlijn 2002/87/EG.
  § 2. De relevante bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval in overleg met andere bevoegde autoriteiten, kunnen overeenkomen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, andere toezichtstaken toe te vertrouwen, buiten de in paragraaf 1 bedoelde taken.
  § 3. Wanneer de toezichthouder optreedt als bevoegde autoriteit, zonder coördinator te zijn, werkt hij, onverminderd de bepalingen van Afdeling IV van dit Hoofdstuk voor zover deze betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht, samen met de andere bevoegde autoriteiten en met de coördinator, met het oog op de uitvoering van de in artikel 11 van Richtlijn 2002/87/EG bedoelde taken.
Art.197. § 1er. Les tâches de l'autorité de contrôle en sa qualité de coordinateur comprennent :
  1° la coordination de la collecte et de la diffusion des informations pertinentes et essentielles, en continuité d'exploitation comme dans les situations d'urgence, en ce compris la diffusion des informations importantes pour la surveillance par une autorité compétente en vertu de la réglementation sectorielle;
  2° le contrôle, en ce compris l'évaluation, de la situation financière du conglomérat financier;
  3° le contrôle du respect des dispositions des articles 190 à 192 en matière de solvabilité, de concentration des risques et d'opérations intragroupes, ainsi que du respect des obligations de reporting visées à l'article 193;
  4° le contrôle, en ce compris l'évaluation, de la structure, de l'organisation et des dispositifs de contrôle interne du conglomérat financier, tels que visés à l'article 194;
  5° la planification et la coordination d'activités de surveillance, en continuité d'exploitation comme dans les situations d'urgence, en coopération avec les autres autorités compétentes relevantes;
  6° la prise de mesures et de sanctions à l'égard de la compagnie financière mixte;
  7° d'autres tâches, mesures et décisions qui lui sont dévolues par ou en vertu des dispositions de la présente Section et de la Section IV du présent Chapitre, pour autant, en ce qui concerne la Section IV, que ces dispositions portent sur la surveillance complémentaire du conglomérat ainsi que de la Directive 2002/87/CE.
  § 2. Les autorités compétentes relevantes peuvent, le cas échéant en concertation avec d'autres autorités compétentes, convenir de confier à l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, d'autres tâches de surveillance que celles prévues au paragraphe 1er.
  § 3. Lorsque l'autorité de contrôle agit en qualité d'autorité compétente, sans être coordinateur, elle collabore, sans préjudice des dispositions de la Section IV du présent Chapitre pour autant que ces dispositions portent sur la surveillance complémentaire du conglomérat, avec les autres autorités compétentes ainsi qu'avec le coordinateur, en vue de l'exécution des tâches visées à l'article 11 de la Directive 2002/87/CE.
Art.198. § 1. Onverminderd de samenwerkingsovereenkomsten en coördinatieregelingen bedoeld in de overige bepalingen van deze Afdeling, sluit de toezichthouder, als coördinator, met andere bevoegde autoriteiten de overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald bij deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk. Deze overeenkomsten regelen waar nodig de modaliteiten van uitoefening van dit toezicht, met inbegrip van de modaliteiten van samenwerking en informatie-uitwisseling onder bevoegde autoriteiten. Zij kunnen inzonderheid de procedures regelen van de besluitvorming tussen de relevante bevoegde autoriteiten.
  § 2. Onverminderd de delegatie van specifieke toezichtsbevoegdheden en -verantwoordelijkheden overeenkomstig de sectorale regelgeving, doet de aanwijzing van de toezichthouder als coördinator geen afbreuk aan de in de sectorale regelgeving bepaalde taken en verantwoordelijkheden van de betrokken bevoegde autoriteiten.
Art.198. § 1er. Sans préjudice des accords de coopération et de coordination visés dans les autres dispositions de la présente Section, l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, conclut avec d'autres autorités compétentes les accords qui sont nécessaires à la réalisation de la surveillance complémentaire du conglomérat telle que définie dans la présente Section et dans la Section IV du présent Chapitre. Ces accords règlent au besoin les modalités de l'exercice de ce contrôle, en ce compris les modalités de coopération et d'échange d'informations entre autorités compétentes. Ils peuvent en particulier régler les procédures de prise de décision entre les autorités compétentes relevantes.
  § 2. Sans préjudice de la délégation de compétences et de responsabilités de surveillance spécifiques conformément à la réglementation sectorielle, la désignation de l'autorité de contrôle en sa qualité de coordinateur ne porte pas préjudice aux tâches et responsabilités des autorités compétentes concernées telles que définies par la réglementation sectorielle.
Art.199. § 1. In zijn hoedanigheid van coördinator richt de toezichthouder voor het aanvullende conglomeraatstoezicht een college op om vorm te geven aan de uit hoofde van deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk vereiste samenwerking en de uitoefening van de taken als coördinator en, onder voorbehoud van vertrouwelijkheidsvereisten en van de wetgeving van de Unie, de passende coördinatie en samenwerking met de relevante toezichthoudende autoriteiten van derde landen.
  § 2. Wanneer relevante bevoegde autoriteiten reeds deelnemen aan een college opgericht krachtens artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU of artikel 248, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG, dan zal het college op het niveau van het financieel conglomeraat functioneren binnen het college opgericht voor de belangrijkste financiële sector. De banksector en de beleggingsdienstensector worden voor dit doeleinde samen beschouwd.
  De regels voor de in paragraaf 1 bedoelde coördinatie worden apart opgenomen in de schriftelijke coördinatieregeling die wordt ingesteld voor het sectorale college. In zijn hoedanigheid van coördinator beslist de toezichthouder, als voorzitter van dit sectorale college, welke andere bevoegde autoriteiten aan een vergadering of een activiteit van dat college deelnemen.
Art.199. § 1er. L'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, établit un collège pour la surveillance complémentaire d'un conglomérat pour concrétiser la coopération prévue à la présente Section et à la Section IV du présent Chapitre et l'accomplissement des missions de coordinateur et, s'il y a lieu, la coordination et la coopération appropriées avec les autorités de surveillance concernées des pays tiers, dans le respect des exigences de confidentialité et du droit de l'Union.
  § 2. Lorsque des autorités compétentes relevantes participent déjà à un collège établi en vertu de l'article 116 de la Directive 2013/36/UE ou de l'article 248, paragraphe 2, de la Directive 2009/138/CE, le collège fonctionnera au niveau du conglomérat financier au sein du collège établi pour le secteur financier le plus important. Le secteur bancaire et le secteur des services d'investissement sont agrégés à cette fin.
  Les modalités de la coordination évoquée au paragraphe 1er sont établies de manière distincte dans des accords de coordination écrits constitués pour le collège sectoriel. L'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, décide, en tant que président de ce collège sectoriel, quelles autres autorités compétentes participent à une réunion ou à toute activité dudit collège.
Art.200. § 1. De toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten werken nauw samen met elkaar.
  Zij wisselen onderling de vertrouwelijke informatie uit die dienstig is voor de uitoefening van het toezicht krachtens de sectorale regelgeving en van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 2. Onverminderd hun verantwoordelijkheden als omschreven in de sectorale regelgeving, verstrekken de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde autoriteiten elkaar, ongeacht of zij in dezelfde lidstaat zijn gevestigd, alle informatie die essentieel of relevant is voor de uitoefening van de toezichthoudende taken krachtens de sectorale regelgeving en Richtlijn 2002/87/EG. In dit verband delen zij desgevraagd alle relevante informatie mee en verstrekken zij uit eigen beweging alle essentiële informatie.
  Deze samenwerking betreft ten minste de vergaring en uitwisseling van informatie met betrekking tot de volgende aspecten :
  1° het in kaart brengen van de juridische structuur, de regeling voor de bedrijfsorganisatie en de beleidsstructuur van de groep, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en significante bijkantoren in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU die tot het financieel conglomeraat behoren, de houders van gekwalificeerde deelnemingen op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming, alsmede van de bevoegde autoriteiten voor de gereglementeerde ondernemingen in de groep;
  2° de door het financieel conglomeraat gevolgde strategie;
  3° de financiële positie van het financieel conglomeraat, in het bijzonder de toereikendheid van het eigen vermogen, de intragroepsverrichtingen, de risicoconcentratie en de winstgevendheid;
  4° de belangrijkste aandeelhouders en de leiding van het financieel conglomeraat;
  5° de organisatie en de risicobeheer- en internecontroleprocedures op het niveau van het financieel conglomeraat;
  6° de procedures voor de vergaring van informatie bij de ondernemingen in een financieel conglomeraat en de verificatie van deze informatie;
  7° ongunstige ontwikkelingen bij gereglementeerde ondernemingen of bij andere ondernemingen van het financieel conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen voor de gereglementeerde ondernemingen kunnen hebben;
  8° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met de sectorale regelgeving of Richtlijn 2002/87/EG hebben getroffen.
  De toezichthouder kan tevens informatie uitwisselen met het 'ESRB wat betreft de uitoefening van het toezicht op Belgische kredietinstellingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat.
  § 3. Onverminderd zijn verantwoordelijkheden als omschreven in de sectorale regelgeving, pleegt de toezichthouder, voordat hij een besluit neemt in verband met de hierna vermelde aangelegenheden, overleg indien dat besluit van belang is voor de toezichthoudende taken van andere bevoegde autoriteiten :
  1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur of de organisatie- of bestuursstructuur van gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat, die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;
  2° voorgenomen belangrijke sancties of buitengewone maatregelen.
  De toezichthouder kan besluiten geen overleg te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid van zijn besluiten in gevaar kan brengen. In dat geval stelt de toezichthouder de andere bevoegde autoriteiten daar onverwijld van in kennis.
Art.200. § 1er. L'autorité de contrôle et les autres autorités compétentes coopèrent étroitement entre elles.
  Elles s'échangent les informations confidentielles utiles pour l'exercice de la surveillance en vertu de la réglementation sectorielle et de la surveillance complémentaire du conglomérat.
  § 2. Sans préjudice de leurs responsabilités telles qu'elles sont définies par la réglementation sectorielle, les autorités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, qu'elles soient ou non établies dans le même Etat membre, échangent toute information essentielle ou pertinente pour l'accomplissement de leurs missions prudentielles au titre de la réglementation sectorielle et de la Directive 2002/87/CE. A cette fin, elles communiquent sur demande toute information pertinente et, de leur propre initiative, toute information essentielle.
  Cette coopération recouvre au moins la collecte et l'échange d'informations sur les éléments suivants :
  1° la structure juridique du groupe, son dispositif d'organisation d'entreprise et sa structure de gestion englobant toutes les entreprises réglementées, les filiales non réglementées et les succursales d'importance significative au sens de l'article 51 de la Directive 2013/36/UE appartenant au conglomérat financier, les détenteurs de participations qualifiées au niveau de l'entreprise mère faîtière, ainsi que les autorités compétentes pour les entreprises réglementées dudit groupe;
  2° les stratégies du conglomérat financier;
  3° la situation financière du conglomérat financier, notamment en ce qui concerne l'adéquation des fonds propres, les transactions intragroupes, la concentration des risques et la rentabilité;
  4° les principaux actionnaires et la direction du conglomérat financier;
  5° l'organisation, la gestion des risques et les systèmes de contrôle interne à l'échelle du conglomérat financier;
  6° les procédures de collecte d'informations auprès des entreprises du conglomérat financier et de vérification desdites informations;
  7° les évolutions négatives que connaissent des entreprises réglementées ou d'autres entreprises du conglomérat financier et qui sont de nature à nuire gravement auxdites entreprises réglementées;
  8° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles décidées par les autorités compétentes conformément à la réglementation sectorielle ou à la Directive 2002/87/CE.
  L'autorité de contrôle peut également échanger des informations avec le CERS en ce qui concerne l'exercice du contrôle des établissements de crédit qui font partie d'un conglomérat financier.
  § 3. Sans préjudice de ses responsabilités telles qu'elles sont définies par la réglementation sectorielle, l'autorité de contrôle procède à une concertation sur les points figurant ci-après, avant de prendre une décision intéressant les missions de contrôle exercées par d'autres autorités compétentes :
  1° une modification structurelle de l'actionnariat, de l'organisation ou de la direction des entreprises réglementées faisant partie d'un conglomérat financier requérant l'approbation ou l'autorisation des autorités compétentes;
  2° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles envisagées.
  L'autorité de contrôle peut décider de ne pas se concerter avec ses homologues en cas d'urgence ou lorsque cette concertation risque de compromettre l'efficacité des décisions. En pareil cas, l'autorité de contrôle informe sans délai les autres autorités compétentes.
Art.201. Wanneer voor de toepassing van artikel 213 wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht de gevraagde informatie in uitvoering van de sectorale regelgeving reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit, richt de toezichthouder, in zijn bevoegdheid van coördinator, zich in de mate van het mogelijke tot die autoriteit voor het verkrijgen van die informatie.
Art.201. Lorsque, pour l'application de l'article 213 en ce qui concerne la surveillance complémentaire des conglomérats, les informations demandées en exécution de la réglementation sectorielle ont déjà été communiquées à une autre autorité compétente, l'autorité de contrôle, en sa qualité de coordinateur, s'adressera dans la mesure du possible à cette autorité pour obtenir ces informations.
Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen
Sous-section III. - Autres cas d'application
Art.202. Indien in andere dan de in de artikel 185 bedoelde gevallen een onderneming een deelneming of een andere kapitaalbinding heeft met één of meer andere ondernemingen, of, buiten een deelneming of andere kapitaalbinding, op dergelijke ondernemingen invloed van betekenis uitoefent, en een van de voormelde ondernemingen een kredietinstelling naar Belgisch recht is, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van relevante bevoegde autoriteit, samen met de andere relevante bevoegde autoriteiten van landen, in gemeenschappelijk overleg beslissen een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen op de gereglementeerde ondernemingen in de groep. De relevante bevoegde autoriteiten bepalen gezamenlijk de modaliteiten van dit aanvullende conglomeraatstoezicht, en meer in het bijzonder welke artikelen van deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk betreffende het aanvullende conglomeraatstoezicht van toepassing zijn. Zij nemen hun beslissing met inachtneming van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald in deze Afdeling en houden daarbij rekening met de internationale beginselen inzake aanvullend conglomeraatstoezicht.
  [1 De bevoegde autoriteit die belast is met]1 het aanvullende conglomeraatstoezicht op de groep wordt aangeduid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 196. Indien het financieel conglomeraat een groep is zonder moederonderneming aan het hoofd van de groep, of in de andere dan de voormelde gevallen, wordt het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector.
  Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid is vereist dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 164, § 1, 2°, a), ii) en iii) of b), ii) en iii).
  Indien met toepassing van het eerste lid beslist wordt tot aanvullend conglomeraatstoezicht, is het bepaalde bij artikel 187, § 2 op overeenkomstige wijze van toepassing.
  
Art.202. Si, dans des cas autres que ceux visés à l'article 185, une entreprise a une participation dans, ou un autre lien en capital avec, une ou plusieurs autres entreprises, ou, en dehors de toute participation ou de tout autre lien en capital, exerce une influence notable sur de telles entreprises, et que l'une des entreprises précitées est un établissement de crédit de droit belge, l'autorité de contrôle peut, en sa qualité d'autorité compétente relevante, décider en concertation avec les autres autorités compétentes relevantes d'exercer une surveillance complémentaire du conglomérat sur les entreprises réglementées du groupe. Les autorités compétentes relevantes définissent conjointement les modalités de cette surveillance complémentaire du conglomérat, et déterminent en particulier les articles de la présente Section et de la Section IV du présent Chapitre concernant la surveillance complémentaire des conglomérats qui sont applicables. Elles prennent leur décision dans le respect des objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats tels que définis par la présente Section, et tiennent compte dans ce cadre des principes internationaux en matière de surveillance complémentaire des conglomérats.
  L'autorité compétente chargée de la surveillance complémentaire du conglomérat est désignée par application analogue des dispositions de l'article 196. Si le conglomérat financier est un groupe sans entreprise mère à la tête du groupe, ainsi que dans les cas autres que les cas précités, la surveillance complémentaire du conglomérat est exercée par l'autorité compétente chargée du contrôle de l'entreprise réglementée dont le total de bilan est le plus élevé dans le secteur financier le plus important.
  Pour l'application des dispositions de l'alinéa 1er, il doit être satisfait aux conditions de l'article 164, § 1er, 2°, a), ii) et iii) ou b), ii) et iii).
  Si, par application de l'alinéa 1er, il est décidé de procéder à une surveillance complémentaire du conglomérat, les dispositions de l'article 187, § 2 sont applicables par analogie.
Afdeling IV. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section IV. - Dispositions communes
Onderafdeling I. - Beginselen
Sous-section Ire. - Principes
Art.203. § 1. De toezichthouder kan, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de praktische modaliteiten [1 van het toezicht op geconsolideerde basis]1, zoals opgenomen in Afdeling II van dit Hoofdstuk en in deze Afdeling, of van het aanvullende conglomeraatstoezicht, zoals opgenomen in Afdeling III van dit Hoofdstuken in deze Afdeling nader bepalen.
  § 2. Met het oog op een zo efficiënt [1 mogelijk toezicht op geconsolideerde basis]1 en aanvullend conglomeraatstoezicht, kan de toezichthouder individuele afwijkingen toestaan op de bepalingen van, naargelang het geval, Afdeling II en III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling en op de in voorkomend geval met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 genomen reglementen voor zover deze in lijn blijven met de ter zake relevante bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU en Richtlijn 2002/87/EG. In dat geval stelt hij de Europese Commissie en, wat [1 betreft het toezicht op geconsolideerde basis]1 ook de EBA, daarvan in kennis.
  
Art.203. § 1er. L'autorité de contrôle peut, le cas échéant par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités pratiques du contrôle sur base consolidée telles qu'elles figurent dans la Section II du présent Chapitre et dans la présente Section ou de la surveillance complémentaire des conglomérats telle qu'elles figurent dans la Section III du présent Chapitre et dans la présente Section.
  § 2. En vue d'un contrôle sur base consolidée et d'une surveillance complémentaire des conglomérats aussi efficace que possible, l'autorité de contrôle peut autoriser des dérogations individuelles aux dispositions, selon le cas, des Sections II et III du présent Chapitre et de la présente Section, ainsi que, le cas échéant, aux règlements pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, pour autant qu'elles restent conformes aux dispositions pertinentes en la matière de la Directive 2013/36/UE et de la Directive 2002/87/CE. Dans ce cas, elle en informe la Commission européenne et, en ce qui concerne le contrôle sur base consolidée, aussi l'ABE.
Art.204. [1 Onverminderd de in de artikelen 212/1 tot 212/11 bepaalde goedkeuringsregeling hebben het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht niet tot gevolg dat op een financiële holding of gemengde financiële holding en op elke andere in de reikwijdte van deze toezichten opgenomen ondernemingen individueel toezicht wordt uitgeoefend.
   Het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht doen niettemin geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde onderneming die binnen de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht valt. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op kredietinstellingen.]1

  
Art.204. [1 Sans préjudice du régime d'approbation prévu par les articles 212/1 à 212/11, le contrôle sur base consolidée et la surveillance complémentaire des conglomérats n'entraînent pas l'exercice d'un contrôle individuel sur une compagnie financière ou une compagnie financière mixte, ni sur toute autre entreprise reprise dans la portée de ces contrôles.
   Le contrôle sur base consolidée et la surveillance complémentaire des conglomérats ne portent pas davantage préjudice au contrôle individuel de toute entreprise réglementée qui relève de la portée du contrôle bancaire sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats. Il peut toutefois être tenu compte des implications du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle individuel des établissements de crédit.]1

  
Onderafdeling II. [1 - Moederondernemingen]1
Sous-section II. [1 - Les entreprises mères]1
Art.205. [1 § 1. Belgische moederkrediet-instellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het toezicht op geconsolideerde basis.
   Kredietinstellingen naar Belgisch recht en goedgekeurde gemengde financiële holdings naar Belgisch recht die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat, zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.
   Wanneer de banksector de grootste sector binnen het financieel conglomeraat is, met toepassing van de criteria van artikel 186, zijn de aangewezen kredietinstellingen en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht in een financieel conglomeraat ook verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.
   § 2. Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waarmee zij belast zijn vaardigen de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel dan wel het financieel conglomeraat met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht en op het verzekeren van de stabiliteit van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het toezicht op individuele basis op kredietinstellingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat.
   § 3. In het krachtens artikel 21, § 3 vereiste internal governancememorandum wordt neergelegd, wat betreft het geconsolideerde niveau dan wel het niveau van het financieel conglomeraat, hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in paragraaf 2.
   § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke ondernemingen de krachtens artikel 106, § 1 en § 2 eerste lid en artikel 193 van deze wet vereiste rapportering, evenals, op verzoek van de toezichthouder, alle bijkomende inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht. Artikel 106, § 3 is van overeenkomstige toepassing.
   § 5. Wanneer de toezichthouder krachtens artikel 171 of artikel 196 het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan hij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
   § 6. Onverminderd Onderafdeling II/1 van deze Afdeling raadpleegt de toezichthouder waar nodig, voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5, de andere bevoegde autoriteiten.]1

  
Art.205. [1 § 1er. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit désignés de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge sont responsables du respect des obligations relatives au contrôle sur base consolidée.
   Les établissements de crédit de droit belge et les compagnies financières mixtes approuvées de droit belge à la tête d'un conglomérat financier sont responsables du respect des obligations relatives à la surveillance complémentaire du conglomérat.
   Lorsque le secteur bancaire est le secteur plus important au sein du conglomérat financier en application des critères prévus à l'article 186, les établissements de crédit et les compagnies financières mixtes désignés de droit belge faisant partie d'un conglomérat financier sont également responsables du respect des obligations relatives à la surveillance complémentaire du conglomérat.
   § 2. Dans l'exercice de la coordination et du contrôle qui leur incombent, les entreprises visées au paragraphe 1er édictent des directives pour les entreprises qui font partie de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier en vue du respect des obligations qui découlent du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats et de l'obligation d'assurer la stabilité de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier. Ces directives ne peuvent pas être contraires au Code des sociétés et des associations et ses arrêtes d'exécution et ne peuvent porter préjudice au contrôle exercé sur base individuelle sur les établissements de crédit qui font partie de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier.
   § 3. Dans le mémorandum de gouvernance interne requis en vertu de l'article 21, § 3, il est établi, en ce qui concerne le niveau consolidé ou le niveau du conglomérat financier, comment il est satisfait aux principes figurant au paragraphe 2.
   § 4. Dans les cas visés au paragraphe 1er, les entreprises responsables concernées fournissent, conformément à l'article 106, § 1er, et § 2, alinéa 1er et à l'article 193 de la présente loi, le reporting requis ainsi que, à la demande de l'autorité de contrôle, toutes les informations complémentaires utiles pour l'exercice du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats. L'article 106, § 3 est applicable par analogie.
   § 5. Lorsque l'autorité de contrôle exerce, en vertu de l'article 171 ou de l'article 196 respectivement, le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats dans des cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, elle peut préciser au cas par cas comment les principes visés aux paragraphes 1er à 4 s'appliquent par analogie.
   § 6. Sans préjudice de la Sous-section II/1 de la présente Section, pour l'application des paragraphes 1er, 2 et 5, l'autorité de contrôle consulte, là où cela s'avère nécessaire, les autres autorités compétentes.]1

  
Art.206. [1 Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een kredietinstelling naar Belgisch recht, dient deze kredietinstelling na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis waaraan deze kredietinstelling is onderworpen.]1
  
Art.206. [1 Lorsqu'une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle exerce le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats sur un établissement de crédit de droit belge, il incombe à cet établissement de crédit de vérifier si l'influence de son entreprise mère n'est pas contraire au Code des sociétés et des associations et ses arrêtés d'exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle auquel cet établissement de crédit est soumis.]1
  
Art.207. Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een kredietinstelling die dochteronderneming is van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, gaat de toezichthouder na, wanneer hij daartoe het verzoek krijgt van die bevoegde autoriteit, hoe hij medewerking kan verlenen voor het toepassen van de maatregelen die zouden bestaan in de lidstaat van die bevoegde autoriteit met het oog op het betrekken van financiële holdings en gemengde financiële holdings in [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 of aanvullende conglomeraatstoezicht.
  
Art.207. Lorsqu'une autorité compétente d'un autre Etat membre exerce le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats sur un établissement de crédit qui est filiale d'une compagnie financière ou une compagnie financière mixte de droit belge, l'autorité de contrôle vérifie, lorsque cette autorité compétente le lui demande, comment elle peut prêter sa coopération pour l'application des mesures qui existeraient dans l'Etat membre de l'autorité compétente en vue de l'inclusion des compagnies financières et des compagnies financières mixtes dans le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire.
Art.208. § 1. [1 Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de ondernemingen bedoeld in artikel 205, § 1,]1 verklaart dat de rapporteringen bedoeld in artikel 205, § 4 in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de staten volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juist zijn, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende regels opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor de rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
  § 2. Artikel 59, § 2 is van overeenkomstige toepassing op het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de [1 ondernemingen]1 bedoeld in paragraaf 1 wat betreft de maatregelen zoals opgenomen in :
  1° artikel 21 wat betreft het geconsolideerde geheel;
  2° artikel 194 wat betreft het financieel conglomeraat.
  
Art.208. § 1er. [1 Le comité de direction, le cas échéant, la direction effective des entreprises visées à l'article 205, § 1er,]1 déclare que les reportings visés à l'article 205, § 4 sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. Il est à cette effet requis que les états soient complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils soient corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Le comité de direction, le cas échéant la direction effective, confirme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les instructions en vigueur, ainsi que par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes consolidés, ou, s'agissant des états qui ne se rapportent pas à la fin de l'exercice comptable, par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes consolidés afférents au dernier exercice.
  § 2. L'article 59, § 2 est applicable par analogie au comité de direction, le cas échéant à la direction effective, des [1 entreprises]1 visées au paragraphe 1er en ce qui concerne les mesures figurant à :
  1° l'article 21 en ce qui concerne l'ensemble consolidé;
  2° l'article 194 en ce qui concerne le conglomérat financier.
  
Art.209. [1 Het bepaalde bij artikel 225 van deze wet betreffende de opdracht van erkend commissaris bij een kredietinstelling is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot ondernemingen bedoeld in artikel 205, § 1 voor respectievelijk het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht waaraan deze kredietinstellingen zijn onderworpen.]1
  
Art.209. [1 Les dispositions de l'article 225 de la présente loi concernant [2 la mission]2 de commissaire agréé d'un établissement de crédit sont applicables par analogie en ce qui concerne les entreprises visées à l'article 205, § 1er pour, respectivement, le contrôle consolidé et la surveillance complémentaire des conglomérats dont font l'objet les établissements de crédit.]1
  
Art.210. § 1. De opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen wordt :
  1° [2 in een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, met het oog op het toezicht op geconsolideerde basis]2 toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer revisorenvennootschappen, die, overeenkomstig artikel 223 van deze wet, door de Bank erkend zijn voor de opdracht van commissaris bij een kredietinstelling. De artikelen 220, 221, 222, derde lid, 223, 224 en 225, tweede tot vijfde lid van deze wet zijn van overeenkomstige toepassing.
  2° [2 in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht bedoeld in artikel 205, § 1, tweede of derde lid, met het oog op het aanvullende conglomeraatstoezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthouder,]2 toevertrouwd aan een of meer revisoren of revisorenvennootschappen die door de Bank erkend zijn overeenkomstig, [1 naargelang het geval, de artikelen 222 en 578 van deze wet, voor zover dat laatste artikel 222 van toepassing verklaart op de beursvennootschappen, of artikel 327 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.]1 Het college van revisoren of de revisorenvennootschappen, aangesteld bij een gemengde financiële holding, moeten zo zijn samengesteld dat zij, hetzij individueel, hetzij tezamen, erkend zijn in elk van de financiële sectoren waarin het financieel conglomeraat een significante activiteit heeft. De Bank kan met verwijzing naar de drempels bedoeld in artikel 186 bepalen wat onder betekenisvolle activiteit moet worden verstaan. De bepalingen van de sectorale regelgeving inzake revisoraal toezicht zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 2. De commissarissen aangesteld bij de in paragraaf 1 bedoelde holdings verlenen hun medewerking aan naargelang het geval, [2 het toezicht op geconsolideerde basis]2 of het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee de toezichthouder is belast, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de toezichthouder. Daartoe :
  1° beoordelen zij het passend karakter van de internecontrolemaatregelen als bedoeld in de artikelen 21, § 1, 2° tot 9°, 41 en 66, voor [2 het toezicht op geconsolideerde basis]2 of het passend karakter van de risicobeheerprocedures, de internecontroleprocedures en de administratieve en boekhoudkundige organisatie als bedoeld in artikel 194 voor het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij delen hun bevindingen ter zake mee aan de toezichthouder;
  2° brengen zij verslag uit bij de toezichthouder over :
  a) de resultaten van het beperkt nazicht van de staten die de financiële holding of gemengde financiële holding voor haar geconsolideerde positie, of van de in artikel 193 bedoelde staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de toezichthouder bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de toezichthouder kan de hier bedoelde staten nader bepalen;
  b) de resultaten van de controle van de staten die de financiële holding of gemengde financiële holding voor haar geconsolideerde positie of van de in artikel 193 bedoelde staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het boekjaar aan de toezichthouder bezorgt, waarin bevestigd wordt dat deze staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening; de toezichthouder kan de hier bedoelde staten nader bepalen.
  3° brengen zij bij de toezichthouder op zijn verzoek een bijzonder verslag uit over :
  a) wat betreft [2 het toezicht op geconsolideerde basis]2 : de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van het geconsolideerde geheel;
  b) wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht : de in de punten 1° en 2° van deze paragraaf en de in de artikelen 190 tot 192 bedoelde aspecten.
  De kosten voor de opstelling van deze verslagen worden door de financiële holding of de gemengde financiële holding, door de kredietinstelling naar Belgisch recht of door beide samen gedragen;
  4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij de financiële holding of gemengde financiële holding, of een revisorale opdracht bij een met de financiële holding of gemengde financiële holding verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de toezichthouder zodra zij kennis krijgen van :
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de in 3° bedoelde aspecten op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
  b) beslissingen of feiten met betrekking tot de financiële holding of gemengde financiële holding die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten of deze wet;
  c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.
  § 3. [2 Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 171 of artikel 196, respectievelijk het toezicht op geconsolideerde basis of het conglomeraatstoezicht uitoefent op een kredietinstelling naar Belgisch recht waarvan de moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding is die in een andere lidstaat is gevestigd, wordt de opdracht bepaald bij paragraaf 2 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld bij:]2
  a) de kredietinstelling naar Belgisch recht die een dochteronderneming is van de bedoelde financiële holding of gemengde financiële holding voor [2 het toezicht op geconsolideerde basis]2, of
  b) een gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die onder toezicht van de toezichthouder staat en dochteronderneming is van de bedoelde gemengde financiële holding voor het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  
Art.210. § 1er. [3 La mission de commissaire visée au Code des sociétés est :]3
  1° [2 dans une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge aux fins du contrôle sur base consolidée,]2 confiées à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs, qui, conformément à l'article 223 de la présente loi, sont agréés par la Banque pour [3 la mission]3 de commissaire auprès d'un établissement de crédit. Les articles 220, 221, 222, alinéa 3, 223, 224 et 225, alinéa 2 à 5 de la présente loi sont applicables par analogie.
  2° [2 dans une compagnie financière mixte de droit belge visée à l'article 205, § 1er alinéa 2 ou 3, aux fins de la surveillance complémentaire]2 des conglomérats exercée par l'autorité de contrôle, confiées à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs, qui sont agréés par la Banque conformément, [1 selon le cas, aux articles 222 et 578 de la présente loi, dans la mesure où ce dernier rend l'article 222 applicable aux sociétés de bourse, ou à l'article 327 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance]1. Le collège de réviseurs ou les sociétés de réviseurs, désignés auprès d'une compagnie financière mixte, doit être constitué de manière à ce que ceux-ci soient agréés, soit individuellement, soit conjointement, dans chacun des secteurs financiers dans lesquels le conglomérat financier exerce une activité importante. La Banque peut, par référence aux seuils visés à l'article 186, déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par activité significative. Les dispositions de la réglementation sectorielle en matière de contrôle révisoral sont applicables par analogie.
  § 2. Les commissaires désignés auprès des compagnies financières visées au paragraphe 1er prêtent leur coopération, selon le cas, au contrôle sur base consolidée ou à la surveillance complémentaire des conglomérats, dont est chargée l'autorité de contrôle, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de l'autorité de contrôle. A cet effet :
  1° ils évaluent le caractère adéquat des mesures de contrôle interne visées aux articles 21, § 1er, 2° à 9°, 41 et 66 pour le contrôle consolidé, ou des procédures de gestion des risques, des dispositifs de contrôle interne et de l'organisation administrative et comptable, visés à l'article 194 pour la surveillance complémentaire des conglomérats. Ils communiquent leurs conclusions en la matière à l'autorité de contrôle;
  2° ils font rapport à l'autorité de contrôle sur :
  a) les résultats de l'examen limité des états transmis par la compagnie financière ou la compagnie financière mixte pour sa situation consolidée, ou des états transmis par la compagnie financière mixte conformément à l'article 193 à l'autorité de contrôle à la fin du premier semestre, confirmant qu'ils n'ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états arrêtés en fin de semestre, n'ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de l'autorité de contrôle. Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également ne pas avoir connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n'ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice; l'autorité de contrôle peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés;
  b) les résultats du contrôle des états transmis par la compagnie financière ou la compagnie financière mixte pour sa situation consolidée, ou des états visés à l'article 193 transmis par la compagnie financière mixte à l'autorité de contrôle à la fin de l'exercice comptable, confirmant qu'ils ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de l'autorité de contrôle. Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin d'exercice comptable sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également ne pas avoir connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice comptable ont été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels consolidés; l'autorité de contrôle peut préciser les états visés ici;
  3° ils font à l'autorité de contrôle, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur :
  a) en ce qui concerne le contrôle sur base consolidée : l'organisation, les activités et la structure financière de l'ensemble consolidé;
  b) en ce qui concerne la surveillance complémentaire des conglomérats : les aspects visés aux points 1° et 2° du présent paragraphe et aux articles 190 à 192.
  Les frais pour l'établissement de ces rapports sont pris en charge par la compagnie financière ou la compagnie financière mixte, par l'établissement de crédit de droit belge ou par les deux ensemble;
  4° dans le cadre de leur mission auprès de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte, ou d'une mission révisorale auprès d'une entreprise liée à la compagnie financière ou à la compagnie financière mixte, ils font spontanément rapport à l'autorité de contrôle dès qu'ils constatent :
  a) des décisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative les aspects visés au point 3° ;
  b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer une violation du Code des sociétés, des statuts ou de la présente loi en ce qui concerne la compagnie financière ou la compagnie financière mixte;
  c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes annuels consolidés.
  § 3. [2 Lorsque l'autorité de contrôle exerce, en vertu de l'article 171 ou de l'article 196, respectivement le contrôle sur base consolidée ou la surveillance des conglomérats, sur un établissement de crédit de droit belge dont l'entreprise mère est une compagnie financière ou une compagnie financière mixte établie dans un autre Etat membre, la mission définie au paragraphe 2 est exercée par analogie par le commissaire désigné avec une tâche comparable auprès de cette compagnie financière. A défaut d'un tel commissaire, la mission visée est exercée par le commissaire désigné auprès :]2
  a) de l'établissement de crédit de droit belge qui est une filiale de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte visée, pour le contrôle sur base consolidée, ou
  b) d'une entreprise réglementée de droit belge qui se trouve sous le contrôle de l'autorité de contrôle et est une filiale de la compagnie financière mixte visée, pour la surveillance complémentaire des conglomérats.
  
Art.211. De commissarissen aangesteld bij kredietinstellingen, financiële holdings of een gemengde financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig artikel 209 en 210, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in de geconsolideerde positie of in het financieel conglomeraat opgenomen dochterondernemingen, als van de in artikel 213 § 1, tweede lid bedoelde ondernemingen.
  Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.
Art.211. Les commissaires désignés auprès d'établissements de crédit, de compagnies financières ou de compagnies financières mixtes de droit belge conformément aux articles 209 et 210, ont, pour l'exercice de leur mission, telle que visée à ces articles, accès à et peuvent prendre connaissance de tous les documents et pièces émanant tant des filiales reprises dans la situation consolidée ou dans le conglomérat financier que des entreprises visées à l'article 213, § 1er, alinéa 2.
  Les dispositions de l'article 35 de la loi du 22 février 1998 s'appliquent en ce qui concerne les informations dont ils ont pris connaissance en exécution de l'alinéa 1er.
Art.212. [1 Onverminderd het beginsel vervat in artikel 204, eerste lid zijn de volgende artikelen van deze wet op overeenkomstige wijze van toepassing op alle financiële holdings of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht: de artikelen 18, 19, 20, 24, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en 4, 25 en 26, 46 tot 54, 59/1, [3 60 en 62, §§ 1 tot 4, § 5, eerste zin, en §§ 6 tot 9, 62/1, 71]3, 77, 234 en 236, § 1, 1° tot 5° [2 , en § 7]2.
   Bovendien is artikel 61 van overeenkomstige toepassing op alle financiële holdings of gemengde financiële holdings wanneer de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties binnen de financiële holding of gemengde financiële holding zijn opgezet om aan artikel 168, § 1 te voldoen.]1

  
Art.212. [1 Sans préjudice du principe figurant à l'article 204, alinéa 1er, les articles suivants de la présente loi sont applicables par analogie à toute compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge : les articles 18, 19, 20, 24 § 1er, étant entendu qu'au moins trois membres du comité de direction sont membres de l'organe légal d'administration, et §§ 3 et 4, 25 et 26, 46 à 54, 59/1, [3 60 et 62, §§ 1er à 4, § 5, première phrase, et §§ 6 à 9, 62/1, 71]3, 77, 234 et 236, § 1er, 1° à 5° [2 , et § 7]2.
   En outre, l'article 61 est applicable par analogie à toute compagnie financière ou à toute compagnie financière mixte lorsque les fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 35 ont été établies au sein de la compagnie financière ou la compagnie financière mixte aux fins de satisfaire à l'article 168, § 1er.]1

  
Onderafdeling II/1. [1 - Goedkeuring van en toezicht op financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings naar Belgisch recht wanneer de toezichthouder overeenkomstig artikel 171 als consoliderende toezichthouder is aangewezen]1
Sous-section II/1. [1 - Approbation et supervision des compagnies financières mères et des compagnies financières mixtes mères de droit belge lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée conformément à l'article 171]1
A. [1 Verplichting tot goedkeuring]1
A. [1 Obligation d'approbation]1
Art. 212/1. [1 Onverminderd de andere bepalingen van deze wet moeten Belgische financiële moederholdings, Belgische gemengde financiële moederholdings, Belgische financiële EER-moederholdings en Belgische gemengde financiële EER-moederholdings goedgekeurd worden.
   Financiële holdings naar Belgisch recht en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht die niet onder het eerste lid vallen, moeten goedgekeurd worden wanneer de bepalingen van deze wet of van Verordening nr. 575/2013 van toepassing zijn op gesubconsolideerde basis.]1

  
Art. 212/1. [1 Sans préjudice des autres dispositions de la présente loi, les compagnies financières mères belges, les compagnies financières mixtes mères belges, les compagnies financières mères belges dans l'EEE et les compagnies financières mixtes mères belges dans l'EEE sont tenues de se faire approuver.
   Les compagnies financières de droit belge et les compagnies financières mixtes de droit belge, qui ne sont pas visées par l'alinéa 1er, sont tenues de se faire approuver lorsque les dispositions de la présente loi ou du Règlement n° 575/2013 sont applicables sur base sous-consolidée.]1

  
Art. 212/2. [1 § 1. Financiële holdings en gemengde financiële holdings als bedoeld in artikel 212/1 kunnen om een vrijstelling van de toepassing van deze onderafdeling verzoeken wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° de hoofdactiviteit van de financiële holding of gemengde financiële holding beperkt zich tot het houden van deelnemingen in dochterondernemingen. In het geval van een gemengde financiële holding heeft dit criterium enkel betrekking op de dochterondernemingen die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;
   2° de financiële holding of gemengde financiële holding is niet aangewezen als een af te wikkelen entiteit, noch voor de groep als geheel, noch voor een of meer delen van de groep;
   3° een dochterkredietinstelling of een financiële holding of gemengde financiële holding waaraan met toepassing van artikel 212/1 of overeenkomstig artikel 21bis van Richtlijn 2013/36/EU goedkeuring is verleend, is aangewezen als verantwoordelijke voor het waarborgen van de naleving door de groep van de prudentiële vereisten op geconsolideerde basis en krijgt de beschikking over alle benodigde prerogatieven om deze verplichtingen op effectieve wijze te vervullen;
   4° de financiële holding of gemengde financiële holding houdt zich niet bezig met het nemen van bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die een invloed hebben op de groep of op de dochterondernemingen ervan die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;
   5° er is geen belemmering voor het doeltreffende toezicht op de groep op geconsolideerde basis.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling doet geen afbreuk aan de naleving van de andere bepalingen van deze wet.
   Financiële holdings of gemengde financiële holdings die in overeenstemming met dit artikel zijn vrijgesteld van goedkeuring, worden niet buiten de werkingssfeer van de consolidatie, of in voorkomend geval van de subconsolidatie gehouden die in Verordening nr. 575/2013 en in deze wet is bepaald.]1

  
Art. 212/2. [1 § 1er. Les compagnies financières et les compagnies financières mixtes visées à l'article 212/1 peuvent solliciter une exemption de l'application de la présente sous-section lorsque les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'activité principale de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte se limite à détenir des participations dans des filiales. Dans le cas d'une compagnie financière mixte, ce critère porte seulement sur les filiales qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers ;
   2° la compagnie financière ou la compagnie financière mixte n'est pas désignée comme entité de résolution, que ce soit pour le groupe dans son ensemble ou pour une ou plusieurs parties du groupe ;
   3° soit un établissement de crédit filiale soit une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée en application de l'article 212/1 ou conformément à l'article 21bis de la Directive 2013/36/UE, a été désigné comme étant responsable du respect par le groupe des exigences prudentielles sur base consolidée et est doté de toutes les prérogatives nécessaires pour s'acquitter efficacement de ces obligations ;
   4° la compagnie financière ou la compagnie financière mixte ne prend pas part à la prise de décisions de gestion, opérationnelles ou financières qui concernent le groupe ou ses filiales qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers ;
   5° il n'y a pas d'entrave à l'exercice effectif du contrôle du groupe sur base consolidée.
   § 2. L'exemption visée au paragraphe 1er ne porte pas préjudice au respect des autres dispositions prévues par la présente loi.
   Les compagnies financières ou les compagnies financières mixtes exemptées de l'approbation conformément au présent article ne sont pas exclues du périmètre de consolidation, ou de sous-consolidation le cas échéant, défini dans le Règlement n° 575/2013 et dans la présente loi.]1

  
B. [1 Goedkeuringsprocedure]1
B. [1 Procédure d'approbation]1
Art. 212/3. [1 Financiële holdings en gemengde financiële holdings als bedoeld in de artikelen 212/1 en 212/2 verstrekken aan de toezichthouder alle voor de beoordeling van de aanvraag benodigde informatie en met name:
   1° de organisatiestructuur van de groep waarvan de financiële holding of de gemengde financiële holding deel uitmaakt, met duidelijke vermelding van de dochterondernemingen en, in voorkomend geval, de moederondernemingen ervan, en de locatie en het type van de activiteit van elk van de entiteiten in de groep;
   2° informatie over de personen die belast zijn met de effectieve leiding van de financiële holding of de gemengde financiële holding en over de naleving van de vereisten die op hen van toepassing zijn;
   3° informatie over de naleving van de vereisten die gelden voor de aandeelhouders en vennoten van de dochterkredietinstellingen van de financiële holding of gemengde financiële holding;
   4° de interne organisatie en de verdeling van de taken binnen de groep;
   5° informatie over de naleving door de financiële holding of gemengde financiële holding van de bepalingen van artikel 212.]1

  
Art. 212/3. [1 Les compagnies financières et les compagnies financières mixtes visées aux articles 212/1 et 212/2 communiquent à l'autorité de contrôle toutes informations nécessaires à l'appréciation de leur demande, et notamment :
   1° la structure d'organisation du groupe dont la compagnie financière ou la compagnie financière mixte fait partie, avec une indication précise de ses filiales et, le cas échéant, des entreprises mères, ainsi que de la localisation et du type d'activités de chaque entité au sein du groupe ;
   2° des informations concernant les personnes appelées à exercer la direction effective de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte et le respect des exigences qui leur sont applicables ;
   3° des informations relatives au respect des exigences applicables aux actionnaires et associés des établissements de crédit filiales de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte ;
   4° l'organisation interne et la répartition des tâches sein du groupe ;
   5° des informations relatives au respect par la compagnie financière ou la compagnie financière mixte des dispositions prévues à l'article 212]1

  
Art. 212/4. [1 De toezichthouder beslist over de in artikel 212/1 bedoelde goedkeuringsaanvragen en over de in artikel 212/2 bedoelde vrijstellingsaanvragen.
   De toezichthouder stelt de financiële holding of de gemengde financiële holding in kennis van zijn beslissing.
   De toezichthouder stelt de aanvrager in kennis van zijn beslissing binnen vier maanden na indiening van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen vier maanden na ontvangst van een volledig dossier, doch uiterlijk zes maanden na indiening van de aanvraag.]1

  
Art. 212/4. [1 L'autorité de contrôle décide sur les demandes d'approbation visées à l'article 212/1 et sur les demandes d'exemption visées à l'article 212/2.
   L'autorité de contrôle notifie sa décision à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte.
   L'autorité de contrôle notifie sa décision au demandeur dans un délai de quatre mois à compter de l'introduction de la demande ou, lorsque la demande est incomplète, dans un délai de quatre mois à compter de la réception d'un dossier complet, sans que ce délai ne puisse dépasser un délai de six mois à compter de l'introduction de la demande.]1

  
C. [1 Voorwaarden voor goedkeuring]1
C. [1 Conditions d'approbation]1
Art. 212/5. [1 De goedkeuring kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de interne regelingen en de verdeling van de taken binnen de groep zijn adequaat met het oog op de naleving van de vereisten van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis en zijn, in het bijzonder, doeltreffend om:
   a) alle dochterondernemingen van de financiële holding of de gemengde financiële holding te coördineren en er toezicht op te houden, waaronder, waar nodig, middels een adequate verdeling van taken tussen de dochterkredietinstellingen;
   b) conflicten binnen de groep te voorkomen of te beheren; en
   c) de door de financiële moederholding of gemengde financiële moederholding vastgestelde groepsbrede beleidsmaatregelen in de gehele groep te handhaven;
   2° de organisatiestructuur van de groep waarvan de financiële holding of de gemengde financiële holding deel uitmaakt, vormt geen belemmering voor de uitoefening van een doeltreffend toezicht op individuele of geconsolideerde basis en, in voorkomend geval, op gesubconsolideerde basis, op de dochterkredietinstellingen of moederkredietinstellingen.
   Bij de beoordeling van dat criterium wordt met name rekening gehouden met:
   a) de positie van de financiële holding of de gemengde financiële holding in een meerlagige groep;
   b) de aandeelhoudersstructuur; en
   c) de rol van de financiële holding of gemengde financiële holding binnen de groep;
   3° de naleving van de vereisten die gelden voor de aandeelhouders en vennoten van de dochterkredietinstellingen van de financiële holding of gemengde financiële holding;
   4° de naleving van de bepalingen van artikel 212.]1

  
Art. 212/5. [1 L'approbation ne peut être accordée que s'il est satisfait aux conditions suivantes :
   1° les dispositifs internes et la répartition des tâches au sein du groupe sont adaptés à l'objectif de respect des exigences de la présente loi et du Règlement n° 575/2013 sur base consolidée ou sous-consolidée et sont notamment efficaces pour :
   a) coordonner et contrôler toutes les filiales de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte y compris, lorsque c'est nécessaire, par une répartition des tâches adéquate entre les établissements de crédit filiales ;
   b) prévenir et gérer les conflits internes au sein du groupe et
   c) appliquer dans l'ensemble du groupe les politiques définies à l'échelle du groupe par la compagnie financière mère ou la compagnie financière mixte mère ;
   2° la structure d'organisation du groupe dont la compagnie financière ou la compagnie financière mixte fait partie n'entrave pas l'exercice effectif du contrôle individuel ou sur base consolidée, et, le cas échéant, sous-consolidée, des établissements de crédit filiales ou des établissements de crédit mères.
   L'examen de ce critère tient compte, notamment :
   a) du positionnement de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte dans un groupe à plusieurs niveaux ;
   b) de la structure de l'actionnariat; et
   c) du rôle de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte au sein du groupe ;
   3° le respect des exigences applicables aux actionnaires et associés des établissements de crédit filiales de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte ;
   4° le respect des dispositions prévues à l'article 212.]1

  
D. [1 Toezicht en toezichtsmaatregelen]1
D. [1 Supervision et mesures de surveillance]1
Art. 212/6. [1 De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de voorwaarden van artikel 212/5 of, in voorkomend geval, van artikel 212/2, § 1 en van de andere vereisten van deze wet of van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis.
   Financiële holdings en gemengde financiële holdings verstrekken de toezichthouder de informatie die nodig is om doorlopend toezicht te houden op de organisatiestructuur van de groep en op de naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 212/5 of, in voorkomend geval, artikel 212/2, § 1.]1

  
Art. 212/6. [1 L'autorité de contrôle assure le contrôle du respect des conditions prévues à l'article 212/5 ou, le cas échéant, à l'article 212/2, § 1er et des autres exigences prévues par la présente loi ou par le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée.
   Les compagnies financières et les compagnies financières mixtes communiquent à l'autorité de contrôle les informations requises pour assurer en continu le suivi de la structure d'organisation du groupe et le respect des conditions visées à l'article 212/5 ou, le cas échéant, à l'article 212/2, § 1er.]1

  
Art. 212/7. [1 § 1. Indien een financiële holding of een gemengde financiële holding niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 212/5 of aan alle andere vereisten die door of krachtens deze wet of door Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis zijn vastgelegd, legt de toezichthouder passende toezichtsmaatregelen op teneinde de naleving van deze vereisten en de continuïteit en de integriteit van het toezicht op geconsolideerde basis te waarborgen of te herstellen. In het geval van een gemengde financiële holding wordt rekening gehouden met de effecten van die maatregelen op het financieel conglomeraat.
   Onverminderd de andere in deze wet vastgestelde maatregelen kunnen de toezichtsmaatregelen met name het volgende omvatten:
   1° de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen in de dochterinstellingen waarvan de financiële holding of gemengde financiële holding de houder is, opschorten;
   2° aanmaningen richten aan en maatregelen nemen tegen de financiële holding, de gemengde financiële holding of de leden van het leidinggevend orgaan en de effectieve leiding, met inbegrip van dwangsommen en sancties, met inachtneming van de artikelen 345 tot 347;
   3° de financiële holding of gemengde financiële holding aanmanen om aan haar eigen aandeelhouders de deelnemingen in haar dochterinstellingen over te dragen;
   4° op tijdelijke basis een andere financiële holding, gemengde financiële holding of kredietinstelling binnen de groep aanwijzen als verantwoordelijke voor de naleving van de vereisten van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis;
   5° dividenduitkeringen of betalingen, met name van rente, aan aandeelhouders beperken of verbieden;
   6° van financiële holdings of gemengde financiële holdings vereisen dat zij hun deelnemingen in entiteiten uit de financiële sector in de zin van Verordening nr. 575/2013 geheel of gedeeltelijk afstoten;
   7° van financiële holdings of gemengde financiële holdings vereisen dat zij met een plan komen om de naleving van de regels onverwijld te herstellen.
   De toezichthouder kan in voorkomend geval beslissen om voor het opleggen van de in deze paragraaf bedoelde maatregelen een termijn vast te leggen.
   § 2. Indien een financiële holding of een gemengde financiële holding niet langer voldoet aan de voorwaarden van artikel 212/2, eist de toezichthouder dat de financiële holding of gemengde financiële holding goedkeuring aanvraagt in overeenstemming met artikel 212/1.]1

  
Art. 212/7. [1 § 1er. Lorsqu'une compagnie financière ou une compagnie financière mixte ne satisfait pas aux conditions prévues à l'article 212/5 ou à toutes autres exigences prévues par ou en vertu de la présente loi ou par le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée, l'autorité de contrôle impose les mesures de surveillance appropriées pour assurer ou restaurer le respect de ces exigences ainsi que la continuité et l'intégrité de la surveillance sur base consolidée. Dans le cas d'une compagnie financière mixte, il est tenu compte des effets de ces mesures sur le conglomérat financier.
   Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, les mesures de surveillance peuvent, notamment consister à :
   1° suspendre l'exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues dans les établissements filiales par la compagnie financière ou la compagnie financière mixte ;
   2° adresser des injonctions et prendre toutes mesures à l'encontre de la compagnie financière, de la compagnie financière mixte ou des membres de l'organe de direction et des dirigeants effectifs, y compris des astreintes et sanctions dans le respect des articles 345 à 347 ;
   3° donner injonction à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte de céder à ses propres actionnaires les participations dans ses établissements filiales ;
   4° désigner à titre temporaire une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte ou un autre établissement de crédit au sein du groupe comme responsable du respect des exigences prévues par la présente loi et le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée ;
   5° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d'intérêts, aux actionnaires ;
   6° exiger des compagnies financières ou des compagnies financières mixtes qu'elles cèdent tout ou partie de leurs participations dans des entités du secteur financier au sens du Règlement n° 575/2013 ;
   7° exiger des compagnies financières ou des compagnies financières mixtes qu'elles présentent un plan de remise en conformité sans tarder.
   L'autorité de contrôle peut, le cas échéant, décider d'assortir d'un délai l'imposition des mesures visées au présent paragraphe.
   § 2. Lorsqu'une compagnie financière ou une compagnie financière mixte ne satisfait plus aux conditions de l'article 212/2, l'autorité de contrôle requiert que la compagnie financière ou la compagnie financière mixte sollicite une approbation conformément à l'article 212/1.]1

  
Onderafdeling II/2. [1 - Goedkeuring van en toezicht op financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings naar Belgisch recht wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU als consoliderende toezichthouder is aangewezen en wanneer een andere bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG als coördinator is aangewezen]1
Sous-section II/2. [1 - Approbation et supervision des compagnies financières mères et des compagnies financières mixtes mères de droit belge lorsqu'une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE et lorsqu'une autre autorité compétente est désignée coordinateur conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE]1
Art. 212/8. [1 § 1. Wanneer de toezichthouder niet als consoliderende toezichthouder is aangewezen met toepassing van artikel 171, werken de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen, nauw samen en plegen ze overleg om beslissingen te nemen over de financiële holding of de gemengde financiële holding in de vorm van gezamenlijke beslissingen, waaronder de beslissingen als bedoeld in de artikelen 212/1, 212/2 en 212/7. Hiertoe moeten de verwijzingen naar de toezichthouder in de artikelen 212/3, 212/4, eerste lid en, onverminderd artikel 171/1, 212/7, worden gelezen als verwijzingen naar de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen en de verwijzingen in de artikelen 212/4, tweede en derde lid en 212/6 als verwijzingen naar de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen.
   § 2. Zodra de beoordeling van de situatie van de financiële holding of de gemengde financiële holding en de voorgenomen beslissing zijn meegedeeld door de consoliderende toezichthouder, in voorkomend geval met toepassing van de bijzondere modaliteiten die eventueel zijn overeengekomen tussen de betrokken autoriteiten om het overleg te vergemakkelijken, stellen de twee autoriteiten alles in het werk om tot een gezamenlijke beslissing als bedoeld in paragraaf 1 te komen binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van de beoordeling die door de consoliderende toezichthouder is opgesteld.
   Als er geen overeenstemming wordt bereikt die het mogelijk maakt een gezamenlijk beslissing vast te stellen, nemen de betrokken autoriteiten geen beslissing en leggen zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voor.
   De betrokken autoriteiten nemen een gezamenlijke beslissing in overeenstemming met de beslissing van de EBA.
   De zaak kan niet meer aan de EBA worden voorgelegd na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode van twee maanden.
   § 3. Indien noch de toezichthouder, noch de consoliderende toezichthouder de coördinator is die in overeenstemming met artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen, is bovendien de instemming van de coördinator vereist voor het nemen van de in dit artikel bedoelde beslissingen.
   Geschillen worden al naargelang aan de EBA of aan de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voorgelegd.
   Overeenkomstig deze paragraaf genomen beslissingen laten de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG of Richtlijn 2009/138/EG onverlet.]1

  
Art. 212/8. [1 § 1er. Lorsqu'elle n'est pas désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application de l'article 171, l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE travaillent en étroite collaboration et se concertent en vue d'adopter les décisions relatives à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte sous la forme de décisions communes, notamment les décisions visées aux articles 212/1, 212/2 et 212/7. A ces fins, les références à l'autorité de contrôle dans les articles 212/3, 212/4, alinéa 1er et, sans préjudice de l'article 171/1, 212/7 doivent être lues comme des références à l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE et celles dans les articles 212/4, alinéas 2 et 3 et 212/6 doivent être lues comme des références à l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE.
   § 2. Pour l'adoption des décisions communes visées au paragraphe 1er, une fois l'évaluation de la situation de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte et la décision envisagée communiquée par l'autorité de surveillance sur base consolidée, moyennant le cas échéant, les modalités particulières éventuellement convenues entre les autorités concernées en vue de rendre la concertation plus effective, les deux autorités mettent tout en oeuvre pour parvenir à une décision commune, dans un délai de deux mois suivant la réception de l'évaluation établie par l'autorité de surveillance sur base consolidée.
   En cas d'absence d'accord permettant d'établir une décision commune, les autorités concernées s'abstiennent de prendre une décision et saisissent l'ABE, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
   Les autorités concernées prennent une décision commune en conformité avec la décision de l'ABE.
   L'ABE ne peut plus être saisie après l'expiration du délai de deux mois visé à l'alinéa 1er.
   § 3. Lorsque l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée, sont différentes du coordinateur désigné conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, l'accord du coordinateur est, en outre, requis en vue de prendre les décisions visées au présent article.
   Les cas de désaccord sont portés, selon le cas, devant l'ABE ou l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles.
   Toute décision prise conformément au présent paragraphe est sans préjudice des obligations au titre de la Directive 2002/87/CE ou de la Directive 2009/138/CE.]1

  
Onderafdeling II/3. [1 - Goedkeuring van en toezicht op financiële holdings en gemengde financiële holdings die onder een andere lidstaat ressorteren wanneer de toezichthouder overeenkomstig artikel 171 als consoliderende toezichthouder is aangewezen]1
Sous-section II/3. [1 - Approbation et supervision des compagnies financières et des compagnies financières mixtes relevant du droit d'un autre Etat membre lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée conformément à l'article 171]1
Art. 212/9. [1 § 1. Wanneer de toezichthouder met toepassing van artikel 171 als consoliderende toezichthouder is aangewezen voor het toezicht op een groep waartoe een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding behoort die in een andere lidstaat is gevestigd, werken de toezichthouder en de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, nauw samen en plegen ze overleg om beslissingen te nemen over de financiële holding of de gemengde financiële holding in de vorm van gezamenlijke beslissingen, waaronder de beslissingen als bedoeld in de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, leden 3, 4, 6 en 7 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd.
   Bij de uitoefening van zijn toezichtsopdracht, met toepassing van de bijzondere modaliteiten die eventueel zijn overeengekomen tussen de betrokken autoriteiten om het overleg te vergemakkelijken, zendt de toezichthouder zijn beoordeling van de situatie van de financiële holding of de gemengde financiële holding en de voorgenomen beslissing naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd.
   De twee autoriteiten stellen alles in het werk om tot een gezamenlijke beslissing te komen binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van de beoordeling die door de toezichthouder is opgesteld.
   De gezamenlijke beslissing wordt door de toezichthouder ter kennis gebracht van de financiële holding of de gemengde financiële holding.
   De beslissing over de goedkeuringsaanvraag wordt door de toezichthouder ter kennis gebracht van de aanvrager binnen vier maanden na indiening van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen vier maanden na ontvangst van een volledig dossier, doch uiterlijk zes maanden na indiening van de aanvraag.
   § 2. Als er geen overeenstemming wordt bereikt die het mogelijk maakt een gezamenlijke beslissing vast te stellen, nemen de betrokken autoriteiten geen beslissing en leggen zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voor.
   De betrokken autoriteiten nemen een gezamenlijke beslissing in overeenstemming met de beslissing van de EBA.
   De zaak kan niet meer aan de EBA worden voorgelegd na afloop van de in paragraaf 1, derde lid bedoelde periode van twee maanden.
   § 3. Indien noch de toezichthouder, noch de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, de coördinator is die in overeenstemming met artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen, is bovendien de instemming van de coördinator vereist voor het nemen van beslissingen als bedoeld in dit artikel.
   Geschillen worden al naargelang aan de EBA of aan de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voorgelegd.
   Overeenkomstig deze paragraaf genomen beslissingen laten de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG of Richtlijn 2009/138/EG onverlet.]1

  
Art. 212/9. [1 § 1er. Lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application de l'article 171 pour la surveillance d'un groupe comprenant une compagnie financière mère ou d'une compagnie financière mixte mère établie dans un autre Etat membre, l'autorité de contrôle et l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie travaillent en étroite collaboration et se concertent en vue d'adopter les décisions relatives à ladite compagnie financière ou compagnie financière mixte sous la forme de décisions communes, notamment les décisions visées dans la législation de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphes 3, 4, 6 et 7 de la Directive 2013/36/UE.
   Dans l'exercice de sa mission de surveillance, moyennant les modalités particulières éventuellement convenues entre les autorités concernées en vue de rendre la concertation plus effective, l'autorité de contrôle communique son évaluation de la situation de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte et la décision envisagée à l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie.
   Les deux autorités mettent tout en oeuvre pour parvenir à une décision commune, dans un délai de deux mois suivant la réception de l'évaluation établie par l'autorité de contrôle.
   La décision commune est notifiée par l'autorité de contrôle à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte.
   S'agissant de la décision relative à la demande d'approbation, l'autorité de contrôle notifie sa décision au demandeur dans un délai de quatre mois à compter de l'introduction de la demande ou, lorsque la demande est incomplète, dans un délai de quatre mois à compter de la réception d'un dossier complet, sans que ce délai ne puisse dépasser un délai de six mois à compter de l'introduction de la demande.
   § 2. En cas d'absence d'accord permettant d'établir une décision commune, les autorités concernées s'abstiennent de prendre une décision et saisissent l'ABE, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
   Les autorités concernées prennent une décision commune en conformité avec la décision de l'ABE.
   L'ABE ne peut plus être saisie après l'expiration du délai de deux mois visé au paragraphe 1er, alinéa 3.
   § 3. Lorsque l'autorité de contrôle et l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie sont différentes du coordinateur désigné conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, l'accord du coordinateur est, en outre, requis aux fins des décisions visées au présent article.
   Les cas de désaccord, sont portés, selon le cas, devant l'ABE ou l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles.
   Toute décision prise conformément au présent paragraphe est sans préjudice des obligations au titre de la Directive 2002/87/CE ou de la Directive 2009/138/CE.]1

  
Art. 212/10. [1 De toezichthouder deelt de van een financiële holding of gemengde financiële holding verkregen informatie met de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.]1
  
Art. 212/10. [1 L'autorité de contrôle partage les informations obtenues d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte avec l'autorité compétente de l'Etat membre où celle-ci est établie.]1
  
Art. 212/11. [1 De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de voorwaarden waarin voorzien is in de wetgeving van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd voor het verkrijgen van goedkeuring of om vrijgesteld te worden van goedkeuring en van alle andere vereisten die op geconsolideerde basis zijn vastgelegd in deze wetgeving tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU of in Verordening nr. 575/2013.
   In geval van niet-naleving van deze vereisten nemen de betrokken autoriteiten, volgens de in artikel 212/9 vervatte procedure en regels, de maatregelen voorgeschreven door de wetgeving van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd, teneinde de naleving van deze vereisten en de continuïteit en de integriteit van het toezicht op geconsolideerde basis te waarborgen of te herstellen. In het geval van een gemengde financiële holding wordt rekening gehouden met de effecten van die maatregelen op het financieel conglomeraat.]1

  
Art. 212/11. [1 L'autorité de contrôle effectue le suivi du respect des conditions prévues par la législation de l'Etat où est située la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte concernant l'approbation ou la dispense d'approbation et de toutes autres exigences prévues par cette législation en vue de transposer la Directive 2013/36/UE ou par le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée.
   En cas de non-respect de ces exigences, les autorités concernées adoptent, selon la procédure et les modalités énoncées à l'article 212/9, les mesures prévues par la législation de l'Etat où est située la compagnie financière ou la compagnie financière mixte, pour assurer ou restaurer le respect de ces exigences ainsi que la continuité et l'intégrité de la surveillance sur base consolidée. Dans le cas d'une compagnie financière mixte, il est tenu compte des effets de ces mesures sur le conglomérat financier.]1

  
Onderafdeling III. - Maatregelen om het groepstoezicht te vergemakkelijken
Sous-section III. - Mesures visant à faciliter la surveillance du groupe
Art.213. § 1. Onverminderd de toepasselijke periodieke rapportering, dient de toezichthouder toegang te krijgen, door de betrokken kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings, hun dochterondernemingen en alle andere in het geconsolideerde geheel of in het financieel conglomeraat opgenomen ondernemingen, hetzij direct hetzij indirect te benaderen, tot alle inlichtingen die nuttig zijn, naargelang het geval, voor het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht of aanvullende conglomeraatstoezicht.
  De overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 575/2013 buiten de consolidatie gelaten dochterondernemingen, of de overeenkomstig artikel 190, § 2 buiten het aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen, moeten de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder of van coördinator, alle gegevens en inlichtingen verstrekken die deze dienstig acht voor zijn geconsolideerde toezicht of zijn aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere ondernemingen de controle hebben over een kredietinstelling naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van deze ondernemingen moeten, indien die ondernemingen niet vallen onder het toepassingsgebied van [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 of het aanvullende conglomeraatstoezicht, de toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn voor het toezicht op deze kredietinstelling.
  § 2. De toezichthouder kan eisen dat de inlichtingen bedoeld in paragraaf 1 omtrent ondernemingen met zetel in een andere lidstaat dan België hem worden meegedeeld door de naar Belgisch recht opgerichte kredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding, of dat inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in een derde land hem worden meegedeeld door een kredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat.
  § 3. Indien een kredietinstelling naar Belgisch recht buiten het geconsolideerde geheel of buiten het financieel conglomeraat wordt gelaten door een andere bevoegde autoriteit die optreedt als consoliderende toezichthouder of coördinator, kan de toezichthouder eisen dat de moederonderneming aan het hoofd van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat hem de gegevens en inlichtingen moet bezorgen die hij dienstig acht voor zijn toezicht op die kredietinstelling.
  
Art.213. § 1er. Sans préjudice du reporting périodique applicable, l'autorité de contrôle doit avoir accès, dans ses contacts directs ou indirects avec les établissements de crédit, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes concernés, leurs filiales et toutes les autres entreprises incluses dans l'ensemble consolidé ou dans le conglomérat financier, à toute information utile pour l'exercice selon le cas, de son contrôle sur base consolidée ou de sa surveillance complémentaire des conglomérats.
  Les filiales qui sont laissées en dehors de la consolidation conformément à l'article 19 du Règlement n° 575/2013 ou les entreprises qui ne sont pas incluses dans la surveillance complémentaire du conglomérat conformément à l'article 190, § 2, sont tenues de communiquer à l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée ou de coordinateur, tous les renseignements et informations que celle-ci estime nécessaires pour son contrôle sur base consolidée ou sa surveillance complémentaire du conglomérat.
  Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou conjointement avec d'autres, un établissement de crédit de droit belge, ainsi que les filiales de ces entreprises, sont tenues, si ces entreprises [1 ...]1 ne tombent pas dans le champ d'application du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire du conglomérat, de communiquer à l'autorité de contrôle et aux autres autorités compétentes les informations et renseignements utiles à l'exercice du contrôle de cet établissement de crédit.
  § 2. L'autorité de contrôle peut exiger que les informations visées au paragraphe 1er concernant les entreprises dont le siège social est établi dans un Etat membre autre que la Belgique lui soient communiquées par l'établissement de crédit, la compagnie financière ou la compagnie financière mixte constitué(e) selon le droit belge, ou que les informations relatives aux entreprises dont le siège social est établi dans un pays tiers lui soient communiquées par un établissement de crédit, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte ayant leur siège social dans un Etat membre.
  § 3. Si un établissement de crédit de droit belge est laissé en dehors de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier par une autre autorité compétente qui agit en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée ou de coordinateur, l'autorité de contrôle peut exiger que l'entreprise mère qui chapeaute l'ensemble consolidé ou le conglomérat financier lui communique les informations et renseignements qu'elle juge utiles pour l'exercice de son contrôle de cet établissement de crédit.
  
Art.214. § 1. De toezichthouder kan de naleving van de verplichtingen bepaald bij de Afdelingen II en III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, en de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse nagaan in de in artikel 213, § 1 bedoelde ondernemingen, en wat betreft [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 ook in de ondernemingen als bedoeld in artikel 182, de gemengde holding en haar dochterondernemingen en de ondernemingen die nevendiensten verrichten. Hij kan op kosten van deze ondernemingen commissarissen of door hem daartoe erkende buitenlandse deskundigen hiermee belasten.
  § 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een andere lidstaat hebben, verzoekt de toezichthouder de bevoegde autoriteit van die lidstaat om deze controle uit te voeren. De toezichthouder verricht deze controle zelf als hij daarvoor de toestemming krijgt van de bevoegde autoriteit van die lidstaat. Wanneer deze laatste de controle zelf wenst te doen, of een erkend revisor of een deskundige daartoe aanstelt, kan de toezichthouder niettemin aan de controle deelnemen indien hij dat wenst.
  § 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse, geregeld in samenwerkingsovereenkomsten die de toezichthouder met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten of die de Europese Commissie met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 48 van Richtlijn 2013/36/EU.
  
Art.214. § 1er. L'autorité de contrôle peut procéder à la vérification sur place du respect des obligations visées par les Sections II et III du présent Chapitre et par la présente Section, ainsi que du caractère correct et complet des informations et renseignements communiqués, dans les entreprises visées à l'article 213, § 1er, et, en ce qui concerne le contrôle sur base consolidée, également dans les entreprises visées à l'article 182, dans la compagnie financière mixte et ses filiales et dans les entreprises qui fournissent des services auxiliaires. Elle peut, aux frais de ces entreprises, charger des commissaires ou des experts étrangers agréés par elle à cet effet, de procéder à ces vérifications.
  § 2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er ont leur siège social dans un autre Etat membre, l'autorité de contrôle demande à l'autorité compétente de cet Etat membre d'effectuer ce contrôle. L'autorité de contrôle procède elle-même à ce contrôle si elle en a reçu l'autorisation de la part de l'autorité compétente de cet Etat membre. Lorsque cette dernière souhaite effectuer elle-même ce contrôle, ou désigne un réviseur agréé ou un expert à cet effet, l'autorité de contrôle peut néanmoins, si elle le souhaite, y être associée.
  § 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er ont leur siège social dans un pays tiers, les modalités de la vérification sur place sont réglées dans des accords de coopération que l'autorité de contrôle a conclus avec les autorités étrangères concernées ou que la Commission européenne a conclus avec les autorités étrangères concernées, conformément aux dispositions de l'article 48 de la Directive 2013/36/UE.
Art.215. Zonder dat zij beperkingen van privaatrechtelijke aard kunnen tegenwerpen, met name betreffende geheimhoudingsverbintenissen of de aard van hun banden, delen de volgende ondernemingen elkaar de gegevens en inlichtingen mee die nodig zijn :
  1° voor [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 : de in [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 opgenomen ondernemingen, alsook de overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 575/2013 buiten de consolidatie gelaten dochterondernemingen van kredietinstellingen, financiële holdings of gemengde financiële holdings, en de gemengde holdings en hun dochterondernemingen;
  2° voor het aanvullende conglomeraatstoezicht : de in het aanvullende conglomeraatstoezicht opgenomen ondernemingen, alsook de overeenkomstig artikel 190, § 2, tweede lid buiten het aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen die tot een financieel conglomeraat behoren.
  
Art.215. Sans pouvoir y opposer d'objections tirées du droit privé, tenant notamment à des engagements de confidentialité ou à la nature de leurs liens, les entreprises suivantes se communiquent mutuellement les informations et renseignements utiles :
  1° pour le contrôle sur base consolidée : les entreprises incluses dans le contrôle sur base consolidée, ainsi que les filiales d'établissements de crédit, de compagnies financières ou de compagnies financières mixtes écartées de la consolidation conformément à l'article 19 du Règlement n° 575/2013, et les compagnies financières mixtes et leurs filiales;
  2° pour la surveillance complémentaire du conglomérat : les entreprises incluses dans la surveillance complémentaire du conglomérat, ainsi que les entreprises appartenant à un conglomérat financier écartées de la surveillance complémentaire du conglomérat conformément à l'article 190 § 2, alinéa 2.
Art.216. § 1. Indien een moederonderneming en een of meer kredietinstellingen die dochterondernemingen daarvan zijn, in verschillende lidstaten zijn gelegen, wisselen de toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten onderling alle dienstige inlichtingen uit die voor [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 of het aanvullende conglomeraatstoezicht nodig zijn of die dat toezicht kunnen vergemakkelijken.
  Het inwinnen, uitwisselen of bezitten van informatie door de toezichthouder en de bevoegde autoriteiten met het oog op het faciliteren van [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1, of het aanvullende conglomeraatstoezicht met betrekking tot de ondernemingen genoemd in artikel 214, betekent geenszins dat de toezichthouder een afzonderlijk toezicht uitoefent op deze ondernemingen.
  § 2. Indien de toezichthouder in het geval van een moederonderneming naar Belgisch recht niet zelf op grond van artikel 171 of artikel 196 [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, mogen de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten hem vragen om bij de moederonderneming de inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hen door te geven.
  § 3. Indien de toezichthouder op grond van artikel 171 of artikel 196 [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent en de moederonderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, kan de toezichthouder aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat vragen om bij die moederonderneming alle inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hem door te geven.
  § 4. Wanneer de toezichthouder voor het toezicht op individuele basis op een kredietinstelling informatie wenst te verkrijgen die reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit die optreedt als consoliderend toezichthouder of coördinator, zal hij zich in de mate van het mogelijke tot die autoriteit richten voor het verkrijgen van die informatie.
  § 5. Indien de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderend toezichthouder of coördinator informatie nodig heeft die al aan een andere bevoegde autoriteit is verstrekt, treedt hij zo mogelijk met deze autoriteit in contact zodat de andere bij het toezicht betrokken autoriteiten niet tweemaal worden geïnformeerd.
  [1 § 6. Dit artikel doet geen afbreuk aan de artikelen 212/9 tot 212/11.]1
  
Art.216. § 1er. Lorsqu'une entreprise mère et une ou plusieurs de ses filiales qui sont des établissements de crédit sont situées dans des Etats membres différents, l'autorité de contrôle et les autres autorités compétentes échangent toutes les informations pertinentes de nature à permettre ou à faciliter l'exercice du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire du conglomérat.
  La collecte, l'échange ou la détention d'informations par l'autorité de contrôle et les autorités compétentes en vue de faciliter le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire du conglomérat en ce qui concerne les entreprises citées à l'article 214, ne signifient pas que l'autorité de contrôle exerce une fonction de contrôle sur ces entreprises prises individuellement.
  § 2. Lorsque l'autorité de contrôle, dans le cas d'une entreprise mère de droit belge, n'exerce pas elle-même le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats en vertu, respectivement de l'article 171 ou de l'article 196, elle peut être invitée, par les autorités compétentes chargées d'exercer ce contrôle, à demander à l'entreprise mère toute information pertinente pour l'exercice de ce contrôle, et à la leur transmettre.
  § 3. Lorsqu'en vertu de l'article 171 ou de l'article 196, l'autorité de contrôle exerce respectivement, le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire du conglomérat et que l'entreprise mère a son siège social dans un Etat membre autre que la Belgique, l'autorité de contrôle peut inviter l'autorité compétente de cet Etat membre à demander à cette entreprise mère toute information pertinente pour l'exercice de ce contrôle, et à la lui transmettre.
  § 4. Lorsque l'autorité de contrôle sur base individuelle d'un établissement de crédit souhaite obtenir des informations qui ont déjà été communiquées à une autre autorité compétente qui agit en qualité d'autorité de contrôle sur base consolidée ou de coordinateur, elle s'adresse dans la mesure du possible à l'autorité en question pour obtenir ces informations.
  § 5. Lorsque l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de contrôle sur base consolidée ou de coordinateur, a besoin d'informations qui ont déjà été communiquées à une autre autorité compétente, elle s'adresse, si possible, à cette autorité en vue d'éviter la duplication des communications aux autres autorités associées au contrôle.
  [1 § 6. Le présent article ne porte pas préjudice aux articles 212/9 à 212/11.]1
  
Art.217. § 1. De kredietinstellingen, de financiële holdings en gemengde financiële holdings en hun dochterondernemingen en de gemengde holdings en hun dochterondernemingen, opgericht naar Belgisch recht, verstrekken een andere toezichtsautoriteit de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor [1 het toezicht op geconsolideerde basis]1 of het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee deze is belast, hetzij direct, hetzij indirect.
  Wanneer het om een bevoegde autoriteit gaat, is het eerste lid van toepassing in het kader van haar toezicht als bepaald conform de Europese wetgeving.
  Wanneer deze autoriteit ressorteert onder een derde land en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de toezichthouder met de betrokken buitenlandse autoriteit heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
  § 2. Toezichtsautoriteiten zijn in het kader van hun geconsolideerd toezicht of aanvullend conglomeraatstoezicht gerechtigd om ter plaatse in de in artikel 213, § 1 bedoelde ondernemingen, met zetel in België, de gegevens en inlichtingen te toetsen die zij hebben ontvangen, of kunnen erkende commissarissen of door hen erkende deskundigen hiermee belasten, onder de volgende voorwaarden :
  1° wanneer het om een bevoegde autoriteit gaat, is de regeling van artikel 214, § 2 van overeenkomstige toepassing;
  2° wanneer deze autoriteit ressorteert onder een derde land, is de regeling van artikel 214, § 3 van overeenkomstige toepassing.
  
Art.217. § 1er. Les établissements de crédit, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes et leurs filiales, [1 ainsi que les compagnies mixtes et leurs filiales]1 de droit belge communiquent à une autre autorité de contrôle les informations et renseignements que celle-ci juge utiles pour l'exercice du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats dont elle est chargée, soit directement, soit indirectement :
  Lorsqu'il s'agit d'une autorité compétente, l'alinéa 1er est applicable dans le cadre de son contrôle tel que défini conformément à la législation européenne.
  Lorsque cette autorité relève du droit d'un pays tiers et que l'obligation d'information découle d'accords de coopération conclus par l'autorité de contrôle avec l'autorité étrangère concernée, l'alinéa 1er est applicable par analogie.
  § 2. Dans le cadre de leur contrôle sur base consolidée ou de leur surveillance complémentaire des conglomérats, les autorités de contrôle sont habilitées à procéder sur place dans les entreprises visées à l'article 213 § 1er ayant leur siège social en Belgique, à la vérification des informations et renseignements qu'elles ont reçus, ou peuvent charger des commissaires agréés ou des experts agréés par elles d'y procéder, aux conditions suivantes :
  1° lorsqu'il s'agit d'une autorité compétente, les dispositions de l'article 214, § 2 sont applicables par analogie;
  2° lorsque cette autorité relève du droit d'un pays tiers, les dispositions de l'article 214, § 3 sont applicables par analogie.
  
Art.218. [1 In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder of coördinator stelt de toezichthouder lijsten op van respectievelijk de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings die betrokken zijn in het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht, en van de gemengde financiële holdings die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht.
   De toezichthouder stelt eveneens lijsten op van de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en de gemengde financiële holdings naar Belgisch recht voor dewelke een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder is aangewezen respectievelijk als de consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU en als de coördinator overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG.
   Hij maakt deze lijsten over aan de betrokken bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, aan de EBA voor het toezicht op geconsolideerde basis en aan de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voor het aanvullende conglomeraatstoezicht, en aan de Europese Commissie.]1

  
Art.218. [1 L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de contrôle sur base consolidée ou de coordinateur, établit des listes respectivement des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées incluses dans le contrôle sur base consolidée exercé par elle, et des compagnies financières mixtes concernées par la surveillance complémentaire du conglomérat exercée par elle.
   L'autorité de contrôle établit également des listes des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées de droit belge pour lesquelles une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle est respectivement désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE et coordinateur conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE.
   Elle communique ces listes aux autorités compétentes concernées des autres Etats membres, à l'ABE pour le contrôle sur base consolidée ou à l'ABE et à l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles pour la surveillance complémentaire du conglomérat, et à la Commission européenne.]1

  
Onderafdeling IV. [1 - Moederondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren]1
Sous-section IV. [1 - Les entreprises mères qui relèvent du droit d'un pays tiers]1
Art. 218/1. [1 § 1. Kredietinstellingen naar Belgisch recht waarvan de moederonderneming onder het recht van een derde land ressorteert, moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
   1° de kredietinstelling is in handen van een intermediaire EER-moederonderneming;
   2° de kredietinstelling is zelf een intermediaire EER-moederonderneming;
   3° de kredietinstelling behoort tot een groep uit een derde land die geen andere EER-dochterondernemingen heeft die een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding of gemengde financiële holding zijn;
   4° de kredietinstelling behoort tot een groep uit een derde land waarvan de totale waarde van de activa in de EER minder bedraagt dan 40 miljard euro.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel is de totale waarde van de activa in de EER van een groep uit een derde land de som van het volgende:
   1° de totale waarde van de activa van elke kredietinstelling en -beleggingsonderneming in de EER die deel uitmaakt van de groep uit een derde land, zoals die blijkt uit haar geconsolideerde balans of, bij ontstentenis daarvan, zoals die blijkt uit haar afzonderlijke balansen; en
   2° de totale waarde van de activa van elk bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 600/2014 of Richtlijn 2014/65/EU.]1

  
Art. 218/1. [1 § 1er. Tout établissement de crédit de droit belge, dont l'entreprise mère relève du droit d'un pays tiers, doit répondre à l'une des conditions suivantes :
   1° l'établissement de crédit est détenu par une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
   2° l'établissement de crédit est lui-même une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
   3° l'établissement de crédit appartient à un groupe de pays tiers ne détenant pas d'autres filiales dans l'EEE qui sont un établissement de crédit, une entreprise d'investissement, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée ;
   4° l'établissement de crédit appartient à un groupe de pays tiers dont la valeur totale des actifs dans l'EEE est inférieure à 40 milliards d'euros.
   § 2. Pour l'application du présent article, la valeur totale des actifs dans l'EEE d'un groupe de pays tiers est la somme des éléments suivants :
   1° la valeur totale des actifs de chaque établissement de crédit et entreprise d'investissement dans l'EEE faisant partie du groupe de pays tiers, telle qu'elle ressort du bilan consolidé ou, en son absence, des bilans individuels ; et
   2° la valeur totale des actifs de chaque succursale du groupe de pays tiers ayant reçu un agrément dans un Etat membre conformément à la Directive 2013/36/UE, au Règlement n° 600/2014 ou à la Directive 2014/65/UE.]1

  
Art. 218/2. [1 § 1. Kredietinstellingen als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 1° moeten in handen zijn van een intermediaire EER-moederonderneming die alle dochterondernemingen in de EER van de groep uit een derde land bezit die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings zijn.
   Kredietinstellingen als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 2°, bezitten alle dochterondernemingen in de EER van de groep uit een derde land die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, goedgekeurde en aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings zijn.
   § 2. De toezichthouder, in voorkomend geval bij onderlinge overeenkomst met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, kan toestaan dat een groep uit een derde land twee intermediaire EER-moederondernemingen opricht, wanneer de oprichting van slechts een enkele intermediaire EER-moederonderneming:
   1° niet in overeenstemming zou zijn met een verplicht voorschrift inzake scheiding van activiteiten dat wordt opgelegd bij reglementaire bepalingen of door de toezichthouder van het derde land waar de uiteindelijke moederonderneming van de groep uit een derde land haar hoofdbestuur heeft; of
   2° volgens de afwikkelingsautoriteit die bevoegd is voor de intermediaire EER-moederonderneming, de afwikkelbaarheid minder doeltreffend zou maken dan wanneer er twee intermediaire EER-moederondernemingen zouden zijn.
   Bij verschil van mening kan de toezichthouder de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken.
   § 3. De intermediaire EER-moederonderneming als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 1°, dient overeenkomstig artikel 7 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning als kredietinstelling te hebben verkregen of moet een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding zijn.
   Wanneer er overeenkomstig paragraaf 2, 1°, een tweede intermediaire EER-moederonderneming mag worden opgericht, mag, in afwijking van het eerste lid, een van de intermediaire moederondernemingen een beleggingsonderneming zijn die overeenkomstig artikel 6 van de wet van 25 oktober 2016 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning heeft verkregen en die onderworpen is aan Richtlijn 2014/59/EU.
   § 4. De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende elke groep uit een derde land die in België actief is:
   1° de naam en de totale waarde van de activa van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht en de naam van de Belgische goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings, die behoren tot een groep uit een derde land;
   2° de naam van de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die een bijkantoor hebben waaraan in België een vergunning is verleend overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 of Verordening nr. 600/2014, en de totale waarde van hun activa in België evenals de activiteiten die zij op grond van hun vergunning mogen uitoefenen;
   3° de naam en het wettelijk toezichtsstatuut van de intermediaire EER-moederondernemingen naar Belgisch recht in het licht van de criteria van paragraaf 3 en de naam van de groep uit een derde land waar zij deel van uitmaken.]1

  
Art. 218/2. [1 § 1er. Chaque établissement de crédit visé à l'article 218/1, § 1er, 1°, doit être détenu par une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE, détenant l'ensemble des filiales dans l'EEE du groupe de pays tiers qui sont des établissements de crédit, des entreprises d'investissement, des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées.
   Chaque établissement de crédit visé à l'article 218/1, § 1er, 2°, détient l'ensemble des filiales dans l'EEE du groupe de pays tiers qui sont des établissements de crédit, des entreprises d'investissement, des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées.
   § 2. L'autorité de contrôle, le cas échéant en commun accord avec les autres autorités compétentes concernées, peut autoriser un groupe de pays tiers à constituer deux entreprises mère intermédiaires établies dans l'EEE, si l'établissement d'une entreprise mère intermédiaire unique dans l'EEE :
   1° serait incompatible avec une obligation de séparation des activités imposée par les dispositions réglementaires ou par l'autorité de surveillance du pays tiers où l'entreprise mère ultime du groupe de pays tiers a son administration centrale ; ou
   2° rendrait, à l'estime de l'autorité de résolution compétente pour l'entreprise mère intermédiaire dans l'EEE, la résolvabilité moins efficace que s'il y avait deux entreprises mères intermédiaires dans l'EEE.
   En cas de désaccord, autorité de contrôle peut saisir l'ABE et demander son assistance en vertu de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
   § 3. L'entreprise mère intermédiaire dans l'EEE visée à l'article 218/1, § 1er, 1°, doit être agréée en qualité d'établissement de crédit conformément à l'article 7 ou à la législation d'un autre Etat membre, ou être une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsqu'une deuxième entreprise mère intermédiaire dans l'EEE peut être établie conformément au paragraphe 2, 1°, l'une des entreprises mère intermédiaires peut être une entreprise d'investissement qui est agréée conformément à l'article 6 de la loi du 25 octobre 2016 ou à la législation d'un autre Etat membre, et qui est soumise à la Directive 2014/59/UE.
   § 4. L'autorité de contrôle notifie à l'ABE les informations suivantes concernant tout groupe de pays tiers qui opère en Belgique :
   1° la dénomination et la valeur totale des actifs des établissements de crédit et des entreprises d'investissement de droit belge ainsi que la dénomination des compagnies financières et des compagnies financières mixtes belges approuvées ou désignées, appartenant à un groupe de pays tiers ;
   2° la dénomination des établissements de crédit et entreprise d'investissement ayant une succursale agréée en Belgique conformément à la présente loi, à la loi du 25 octobre 2016 ou au Règlement no 600/2014, et la valeur totale de leurs actifs en Belgique ainsi que les activités autorisées en vertu de leur agrément ;
   3° la dénomination et le statut légal de contrôle des entreprises mères intermédiaires dans l'EEE de droit belge au regard des critères du paragraphe 3, ainsi que la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel elles appartiennent.]1

  
Art.219. [1 § 1. Kredietinstellingen naar Belgisch recht met als moederonderneming
   - een moederkredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding, of
   - een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een financieel conglomeraat,
   die onder een derde land ressorteert, die niet reeds onderworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis, overeenkomstig Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling of het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, uitgeoefend door de toezichthouder of een andere bevoegde autoriteit, worden, naargelang het geval, onverminderd de artikelen 218/1 en 218/2, aan een geconsolideerd toezicht of een aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen volgens de bepalingen van dit artikel.
   § 2. De toezichthouder verifieert of de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen onder een door een autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht vallen dat gelijkwaardig is met:
   1° het toezicht op geconsolideerde basis uit hoofde van de bepalingen van Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, of
   2° het aanvullende conglomeraatstoezicht uit hoofde van de bepalingen van Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling.
   Hij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de in paragraaf 1 bedoelde moederondernemingen of van de kredietinstelling naar Belgisch recht.
   Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de toezichthouder de andere eventueel betrokken bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaardigheid van het bedoelde toezicht en, voor wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis, ook de EBA.
   Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de toezichthouder rekening met:
   1° de richtsnoeren die het Europees Comité voor het Bankwezen uitbrengt voor het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU en Verordening nr. 575/2013;
   2° de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité overeenkomstig de artikelen 16 en 56 van Verordening nr. 1093/2010, Verordening nr. 1094/2010 of Verordening nr. 1095/2010, over het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG.
   § 3. Indien een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder op grond van de overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU of artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG als consoliderende toezichthouder of coördinator zou aangewezen zijn, geschieden de in paragraaf 2 bedoelde verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde autoriteit en kan de toezichthouder zijn bevindingen en zienswijze over de in paragraaf 1 bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen.
   Wanneer, wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht, de toezichthouder van mening verschilt over een door een andere bevoegde autoriteit uit hoofde van het eerste lid genomen besluit, is artikel 19, naargelang het geval, van Verordening nr. 1093/2010, van Verordening nr. 1094/2010 of van Verordening nr. 1095/2010 van toepassing.
   § 4. Indien de procedure in paragrafen 2 en 3 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, worden de betrokken kredietinstellingen naar Belgisch recht onderworpen aan een geconsolideerd toezicht of aanvullend conglomeraatstoezicht dat gelijkwaardig is aan dat van de Afdelingen II en III van dit Hoofdstuk en van deze Afdeling, en dat door de toezichthouder wordt uitgeoefend indien hij de bevoegde autoriteit is die zou belast zijn met het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van, respectievelijk, artikel 171 of artikel 196.
   Bovendien kan de toezichthouder, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, ook beslissen een andere passende toezichtsmethode toe te passen die de doelstellingen achter de bepalingen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid dient te verwezenlijken.
   De toezichthouder kan meer bepaald eisen dat de kredietinstellingen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemingen opgericht naar het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een financiële holding of gemengde financiële holding opgericht naar het recht van een lidstaat, en dat de volgende wetgeving van toepassing is:
   1° de wetgeving tot omzetting van Titel VII, Hoofdstuk III van Richtlijn 2013/36/EU op geconsolideerde basis, in het recht van de lidstaat waar de financiële holding is gevestigd, of
   2° de wetgeving tot omzetting van Hoofdstuk II van Richtlijn 2002/87 in het recht van de lidstaat waar de gemengde financiële holding is gevestigd op het niveau van het financiële conglomeraat met aan het hoofd die gemengde financiële holding.
   In dat geval stelt de toezichthouder, wanneer hij belast is met het toezicht op geconsolideerde basis of met het aanvullende conglomeraatstoezicht, de andere betrokken bevoegde autoriteiten, de Europese Commissie en, wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis, ook de EBA, in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het tweede en het derde lid.
   Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid sluit de toezichthouder de nodige overeenkomsten met de betrokken bevoegde autoriteiten.]1

  
Art.219. [1 § 1er. Sans préjudice des articles 218/1 et 218/2, les établissements de crédit de droit belge dont l'entreprise mère est
   - un établissement de crédit mère, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte, ou
   - une entreprise réglementée à la tête d'un conglomérat financier,
   qui relève du droit d'un pays tiers, et qui ne font pas déjà l'objet ou ne relèvent pas encore de la portée du contrôle sur base consolidée conformément à la Section II du présent Chapitre et à la présente Section ou de la surveillance complémentaire des conglomérats conformément à la Section III du présent Chapitre et à la présente Section, exercé par l'autorité de contrôle ou par une autre autorité compétente, sont soumis, selon le cas, à un contrôle sur base consolidée ou à une surveillance complémentaire des conglomérats conformément aux dispositions du présent article.
   § 2. L'autorité de contrôle vérifie si les établissements de crédit visés au paragraphe 1er sont inclus dans le périmètre du contrôle exercé par une autorité d'un pays tiers, équivalent :
   1° au contrôle sur base consolidée conformément aux dispositions de la Section II du présent Chapitre et de la présente Section, ou
   2° à la surveillance complémentaire des conglomérats conformément aux dispositions de la Section III du présent Chapitre et de la présente Section.
   Elle le fait de sa propre initiative ou à la demande des entreprises mères visées au paragraphe 1er ou de l'établissement de crédit de droit belge.
   Avant de prendre sa décision, l'autorité de contrôle consulte les autres autorités compétentes le cas échéant concernées sur l'équivalence ou non du contrôle visé et, en ce qui concerne le contrôle sur base consolidée, aussi l'ABE.
   En ce qui concerne cette équivalence, l'autorité de contrôle tient compte :
   1° des directives émises par le Comité bancaire européen concernant le contrôle sur base consolidée conformément à la Directive 2013/36/UE et au Règlement n° 575/2013 ;
   2° des directives établies par le comité mixte conformément aux articles 16 et 56 du Règlement 1093/2010, du Règlement 1094/2010 ou du Règlement 1095/2010, relatives à la surveillance complémentaire des conglomérats conformément à la Directive 2002/87/CE.
   § 3. Si, sur base d'une application par analogie des dispositions de l'article 111 de la Directive 2013/36/UE ou de l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle était désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée ou de coordinateur, la vérification et la consultation visées au paragraphe 2 doivent être effectuées par cette autre autorité compétente, l'autorité de contrôle pouvant lui communiquer ses constatations et son point de vue sur l'équivalence visée au paragraphe 1er.
   Lorsque, en ce qui concerne la surveillance complémentaire du conglomérat, l'autorité de contrôle a un avis différent quant à une décision prise par une autre autorité compétente conformément à l'alinéa 1er, l'article 19, selon le cas, du Règlement n° 1093/2010, du Règlement n° 1094/2010 ou du Règlement n° 1095/2010 s'applique.
   § 4. Si la procédure prévue aux paragraphes 2 et 3 permet de conclure à l'absence d'équivalence, les établissements de crédit de droit belge concernés sont soumis à un contrôle sur base consolidée ou à une surveillance complémentaire des conglomérats analogue à celui des Sections II et III du présent Chapitre et de la présente Section, qui est effectué par l'autorité de contrôle si elle est l'autorité compétente qui serait chargée du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire du conglomérat par application par analogie des dispositions respectivement, de l'article 171 ou de l'article 196.
   En outre, l'autorité de contrôle peut, après concertation avec les autres autorités compétentes concernées, également décider d'appliquer une autre méthode de contrôle adéquate, laquelle doit réaliser les objectifs des dispositions visées au paragraphe 2, alinéa 1er.
   L'autorité de contrôle peut en particulier exiger que les établissements de crédit de droit belge et les éventuelles autres entreprises réglementées constituées selon le droit d'un Etat membre, soient inclus dans un groupe ayant à sa tête une compagnie financière ou une compagnie financière mixte constituée selon le droit d'un Etat membre, et que soient applicables :
   1° la législation de l'Etat membre où la compagnie financière est établie, prise en vue de la transposition du Titre VII, Chapitre III de la Directive 2013/36/UE sur la base de la situation consolidée, ou
   2° la législation de l'Etat membre où la compagnie financière mixte est établie prise en vue de la transposition du Chapitre II de la Directive 2002/87 au niveau du conglomérat financier ayant à sa tête cette compagnie financière mixte.
   Dans ce cas, lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire du conglomérat, elle avise les autres autorités compétentes concernées, la Commission européenne et, en ce qui concerne le contrôle sur base consolidée, aussi l'ABE, de toute décision prise en application des alinéas 2 et 3.
   Pour l'application des alinéas 1er à 4, l'autorité de contrôle conclut les accords nécessaires avec les autorités compétentes concernées.]1

  
HOOFDSTUK V. - Revisoraal toezicht
CHAPITRE V. - Du contrôle révisoral
Art.220. De opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen mag in kredietinstellingen naar Belgisch recht enkel worden toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer revisorenvennootschappen die daartoe zijn erkend door de Bank overeenkomstig artikel 222.
  In kredietinstellingen die met toepassing van het voornoemde Wetboek geen commissaris moeten hebben, stelt de algemene vergadering van de vennoten een of meer erkende revisoren of een of meer revisorenvennootschappen aan als bedoeld in het eerste lid. Zij nemen de taak waar van commissaris en dragen die titel. De voorschriften van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot de commissarissen-revisoren van naamloze vennootschappen zijn van toepassing op de aanstelling en de opdracht van commissaris in deze instellingen. Voor de toepassing van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot wat voorafgaat, vervangt de algemene vergadering van vennoten de algemene vergadering van aandeelhouders in vennootschappen waar de wet die niet instelt.
  Kredietinstellingen mogen plaatsvervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 221 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.
  De overeenkomstig dit artikel aangestelde erkende commissarissen certificeren de geconsolideerde jaarrekening van de kredietinstelling.
Art.220. [1 La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les établissements de crédit de droit belge, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 222.]1
  Dans les établissements de crédit qui ne sont pas tenus d'avoir un commissaire en application dudit Code, l'assemblée générale des associés nomme un ou plusieurs reviseurs ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréés comme prévu à l'alinéa 1er. Ceux-ci exercent [1 la mission]1 et portent le titre de commissaire. Les dispositions du Code des sociétés relatives aux commissaires-reviseurs de sociétés anonymes sont applicables à la désignation et [1 à la mission de commissaire exercée]1 dans ces établissements. Pour l'application du Code des sociétés relativement à ce qui précède, l'assemblée générale des associés remplace l'assemblée générale des actionnaires dans les sociétés où la loi n'organise pas celle-ci.
  Les établissements de crédit peuvent désigner des commissaires suppléants qui exercent [1 la mission]1 de commissaire en cas d'empêchement durable de leur titulaire. Les dispositions du présent article et de l'article 221 sont applicables à ces suppléants.
  Les commissaires agréés désignés conformément au présent article certifient les comptes annuels consolidés de l'établissement de crédit.
  
Art.221. [1 Erkende revisorenvennootschappen doen voor de uitoefening van de opdracht van commissaris als bedoeld in artikel 220 een beroep op een erkende revisor die zij aanduiden overeenkomstig artikel 3:60 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.]1 De voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de opdracht, de verplichtingen en verbodsbepalingen voor commissarissen alsmede de voor hen geldende, andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de revisorenvennootschappen als voor de erkende revisoren die hen vertegenwoordigen.
  Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.
  
Art.221. Les sociétés de reviseurs agréées exercent [1 la mission de commissaire prévue]1 à l'article 220 par l'intermédiaire d'un reviseur agréé qu'elles désignent [1 conformément à l'article 3:60 du Code des sociétés et des associations]1. Les dispositions de la présente loi et des arrêtés pris pour son exécution et qui sont relatives à la désignation, [1 à la mission]1, aux obligations et aux interdictions des commissaires ainsi qu'aux sanctions, autres que pénales, qui sont applicables à ces derniers sont applicables simultanément aux sociétés de reviseurs et aux reviseurs agréés qui les représentent.
  Une société de reviseurs agréée peut désigner un représentant suppléant parmi ses membres remplissant les conditions pour être désignés.
  
Art.222. De Bank legt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het reglement vast voor de erkenning van revisoren en revisorenvennootschappen.
  Het erkenningsreglement wordt uitgevaardigd na raadpleging van de erkende revisoren via hun representatieve beroepsvereniging.
  [1 Het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren dat opgericht is bij artikel 32 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, brengt de Bank op de hoogte telkens als een procedure wordt ingeleid of een maatregel en/of sanctie wordt genomen door dit College tegen een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn of haar opdracht, met opgave van de motivering, en telkens als een verslag wordt opgesteld met toepassing van artikel 56, § 1 van de voornoemde wet van 7 december 2016. Het College brengt de Bank ook op de hoogte van alle soortgelijke procedures, maatregelen en/of sancties die in het buitenland worden opgelegd aan een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap en waarvan het College kennis heeft.]1
  
Art.222. La Banque arrête, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le règlement d'agrément des reviseurs et des sociétés de reviseurs.
  Le règlement d'agrément est pris après consultation des reviseurs agréés représentés par leur organisation professionnelle.
  [1 Le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises créé par l'article 32 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises informe la Banque de toute procédure ouverte et de toute mesure et/ou sanction prise par ledit Collège à l'encontre d'un réviseur agréé ou d'une société de réviseurs agréée pour manquement commis dans l'exercice de [2 sa mission]2 ainsi que de ses motifs, y compris de tout rapport rédigé en application de l'article 56, § 1er de la loi précitée du 7 décembre 2016. Le Collège informe également la Banque de toute procédure, mesure et/ou sanction similaire dont un réviseur agréé ou une société de réviseurs agréée fait l'objet à l'étranger dont le Collège a connaissance.]1
  
Art.223. Voor de aanstelling van erkende commissarissen en plaatsvervangende erkende commissarissen bij kredietinstellingen is de voorafgaande instemming vereist van de toezichthouder. Deze instemming moet worden gevraagd door het vennootschapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisorenvennootschap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger.
  Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht.
  Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de wet geschiedt door de voorzitter van de [1 ondernemingsrechtbank]1 of het hof van beroep, kiest hij uit een lijst van erkende revisoren waaraan de toezichthouder zijn goedkeuring heeft gehecht.
  
Art.223. La désignation des commissaires agréés et des commissaires agréés suppléants auprès des établissements de crédit est subordonnée à l'accord préalable de l'autorité de contrôle. Cet accord doit être recueilli par l'organe social qui fait la proposition de désignation. En cas de désignation d'une société de reviseurs agréée, l'accord porte conjointement sur la société et son représentant.
  Le même accord est requis pour le renouvellement du mandat.
  Lorsque, en vertu de la loi, la nomination du commissaire est faite par le Président du [1 tribunal de l'entreprise]1 ou la cour d'appel, ceux-ci font leur choix sur une liste de reviseurs agréés sur laquelle de l'autorité de contrôle a donné son accord.
  
Art.224. De toezichthouder kan zijn instemming overeenkomstig artikel 223 met een erkende commissaris, plaatsvervangend erkende commissaris, een erkende revisorenvennootschap of vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoordiger van een dergelijke vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die is gemotiveerd door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkende revisor of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van commissaris.
  Vooraleer een erkende commissaris ontslag neemt, worden de toezichthouder en de kredietinstelling hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering.
  Het erkenningsreglement regelt de procedure.
  Bij afwezigheid van een plaatsvervangende erkende commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt de kredietinstelling of de erkende revisorenvennootschap, met inachtneming van artikel 223, binnen twee maanden voor zijn vervanging.
  Het voorstel om een erkende commissaris in een kredietinstelling van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij [1 de artikelen 3:66 en 3:67 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]1, wordt ter advies voorgelegd aan de toezichthouder. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering.
  
Art.224. L'autorité de contrôle peut, en tout temps, révoquer, par décision motivée par des raisons tenant à leur statut ou à l'exercice de [2 leur mission]2 de reviseur agréé ou de société de reviseurs agréée, tels que prévus par ou en vertu de la présente loi, l'accord donné, conformément à l'article 223, à un commissaire agréé, un commissaire agréé suppléant, une société de reviseurs agréée ou un représentant ou représentant suppléant d'une telle société. Cette révocation met fin [2 à la mission]2 de commissaire.
  En cas de démission d'un commissaire agréé, l'autorité de contrôle et l'établissement de crédit en sont préalablement informés, ainsi que des motifs de la démission.
  Le règlement d'agrément règle, pour le surplus, la procédure.
  En l'absence d'un commissaire agréé suppléant ou d'un représentant suppléant d'une société agréée, l'établissement de crédit ou la société de reviseurs agréée pourvoit, dans le respect de l'article 223, au remplacement dans les deux mois.
  La proposition de révocation des mandats de commissaire agréé dans les établissements de crédit, telle que réglée par les [1 articles 3:66 et 3:67 du Code des sociétés et des associations]1, est soumise à l'avis de l'autorité de contrôle. Cet avis est communiqué à l'assemblée générale.
  
Art.225. De erkende commissarissen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de toezichthouder, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig dit artikel, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de toezichthouder. Daartoe :
  1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de kredietinstellingen hebben getroffen als bedoeld in artikel 21, § 1, 2°, en met toepassing van de artikelen 21, § 1, 9°, 42 en 66, en delen zij hun bevindingen ter zake mee aan de toezichthouder;
  2° brengen zij verslag uit bij de toezichthouder over :
  a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de kredietinstellingen aan het einde van het eerste halfjaar aan de toezichthouder bezorgen, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
  b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de kredietinstellingen aan het einde van het boekjaar aan de toezichthouder bezorgen, waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
  3° brengen zij bij de toezichthouder op zijn verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de kredietinstelling; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de kredietinstelling gedragen;
  4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij de kredietinstelling of een revisorale opdracht bij een met de kredietinstelling verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de toezichthouder, zodra zij kennis krijgen van :
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de kredietinstelling financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beïnvloeden;
  b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, [5 deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen]5 [6 of Europese verordeningen]6;
  c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud;
  5° [4 brengen zij de toezichthouder minstens eens per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de maatregelen die de kredietinstelling heeft getroffen ter vrijwaring van de tegoeden van de cliënten met toepassing van de artikelen 65 en 65/1 en, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, van artikel 74/1, en van de op grond van deze bepalingen door de Koning genomen uitvoeringsmaatregelen;]4
  [3 6° maken zij jaarlijks aan de toezichthouder een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 21, § 1/1, hebben vastgesteld.]3
  Volgens de modaliteiten bepaald in artikel 138 stelt de Bank de informatie bedoeld in de bepalingen onder 5° van het eerste lid ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen.
  Tegen erkende commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  [2 De erkende commissarissen delen aan de kredietinstellingen de verslagen mee die zij aan de toezichthouder richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. De in dit artikel bedoelde verslagen die aan de kredietinstelling werden meegedeeld, mogen door deze laatste slechts aan derden worden meegedeeld mits de toezichthouder hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven en onder de door hem vastgestelde voorwaarden. Mededelingen die in strijd met dit lid worden verricht, wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek De erkend commissarissen bezorgen de toezichthouder een kopie van de mededelingen die zij aan de kredietinstelling richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat hij uitoefent.]2
  De erkende commissarissen en de erkende revisorenvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de instelling waarop zij toezicht houden, [5 de controles en onderzoeken verrichten]5 die bij hun opdracht horen.
  Zij kunnen door de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, worden gelast te bevestigen dat de gegevens die deze kredietinstellingen aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende regels zijn opgesteld.
  
Art.225. Les commissaires agréés collaborent au contrôle exercé par l'autorité de contrôle, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent article, aux règles de la profession et aux instructions de l'autorité de contrôle. A cette fin :
  1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les établissements de crédit conformément à l'article 21, § 1er, 2°, et par application des articles 21, § 1er, 9°, 42 et 66, et ils communiquent leurs conclusions en la matière à l'autorité de contrôle;
  2° ils font rapport à l'autorité de contrôle sur :
  a) les résultats de l'examen limité des états périodiques transmis par les établissements de crédit à l'autorité de contrôle à la fin du premier semestre social, confirmant qu'ils n'ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n'ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de l'autorité de contrôle. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également n'avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n'ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice; l'autorité de contrôle peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés;
  b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les établissements de crédit à l'autorité de contrôle à la fin de l'exercice social, confirmant que ces états périodiques ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de l'autorité de contrôle. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels; l'autorité de contrôle peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés;
  3° ils font à l'autorité de contrôle, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière de l'établissement de crédit, rapports dont les frais d'établissement sont supportés par l'établissement en question;
  4° dans le cadre de leur mission auprès de l'établissement de crédit ou d'une mission révisorale auprès d'une entreprise liée à l'établissement de crédit, ils font d'initiative rapport à l'autorité de contrôle dès qu'ils constatent :
  a) des décisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de l'établissement de crédit sous l'angle financier ou sous l'angle de son organisation administrative et comptable ou son contrôle interne;
  b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations du Code des sociétés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution [6 ou des règlements européens]6;
  c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes;
  5° [4 ils font rapport au moins tous les ans à l'autorité de contrôle sur l'adéquation des dispositions prises par les établissements de crédit pour préserver les avoirs des clients en application des articles 65 et 65/1 et, pour les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, de l'article 74/1, et des mesures d'exécution prises par le Roi en vertu desdites dispositions;]4
  [3 6° ils transmettent chaque année à l'autorité de contrôle une déclaration précisant s'ils ont (ou non) constaté des mécanismes particuliers au sens de l'article 21, § 1er/1.]3
  Selon les modalités prévues à l'article 138, la Banque met à la disposition de la FSMA les informations visées au 5° de l'alinéa 1er de manière à lui permettre d'exercer les compétences visées à l'article 45, § 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002.
  Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 4° de l'alinéa 1er.
  [2 Les commissaires agréés communiquent aux établissements de crédit les rapports qu'ils adressent à l'autorité de contrôle conformément à l'alinéa 1er, 3°. Les rapports visés au présent article dont la communication a été effectuée à l'établissement de crédit ne peuvent être communiqués à des tiers par ce dernier que moyennant l'accord préalable de l'autorité de contrôle et ce, aux conditions fixées par celle-ci. Toute communication effectuée en violation du présent alinéa est punie des peines prévues par l'article 458 du Code pénal. Les commissaires agréés transmettent à l'autorité de contrôle copie des communications qu'ils adressent à l'établissement de crédit et qui portent sur des questions de nature à présenter un intérêt pour son contrôle.]2
  Les commissaires agréés et les sociétés de reviseurs agréées peuvent effectuer les vérifications et expertises relevant de [5 leur mission]5 auprès des succursales à l'étranger de l'établissement qu'ils contrôlent.
  Ils peuvent être chargés par l'autorité de contrôle, le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne en sa qualité d'autorité monétaire, de confirmer que les informations que les établissements de crédit sont tenus de communiquer à ces autorités sont complètes, correctes et établies selon les règles qui s'y appliquent.
  
Art. 225/1. [1 De erkend commissaris maakt jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is opgericht, en aan het wettelijk bestuursorgaan, anderzijds, de in artikel 11 van verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over. Deze verklaring heeft met name betrekking op belangrijke zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald de ernstige tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot de financiële verslaggeving. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van de indiening [2 van het in de artikelen 3:75 en 3:80 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2 en in artikel 10 van verordening nr. 537/2014 bedoelde controleverslag.
   Op verzoek van de toezichthouder, maakt het auditcomité of, in voorkomend geval, het wettelijk bestuursorgaan, de in het eerste lid bedoelde aanvullende verklaring over.]1

  
Art. 225/1. [1 Le commissaire agréé adresse sur une base annuelle au comité d'audit, d'une part, si un tel comité a été constitué, et à l'organe légal d'administration, d'autre part, le rapport complémentaire visé à l'article 11 du règlement n° 537/2014. Ce rapport traite notamment des questions importantes apparues dans l'exercice de sa mission de contrôle légal des comptes, et en particulier les faiblesses significatives du contrôle interne au regard du processus d'information financière. Ce rapport complémentaire est adressé au plus tard à la date de présentation [2 du rapport visé aux articles 3:75 et 3:80 du Code des sociétés et des associations]2 et à l'article 10 du règlement n° 537/2014.
   Sur demande de l'autorité de contrôle, le comité d'audit ou, le cas échéant, l'organe légal d'administration transmet le rapport complémentaire visé à l'alinéa 1er.]1

  
TITEL IV. - Afwikkelingsplannen
TITRE IV. - Plans de résolution
HOOFDSTUK I. - Opmaak van afwikkelingsplannen
CHAPITRE Ier. - Etablissement des plans de résolution
Art.226. § 1. [1 Na overleg met de toezichthouder stelt de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsplan op voor elke kredietinstelling die geen deel uitmaakt van een groep waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld.]1
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan van de kredietinstelling eisen dat zij assistentie verleent bij het opstellen en actualiseren van het afwikkelingsplan, en dat zij haar alle daarvoor noodzakelijke informatie verstrekt. [2 De afwikkelingsautoriteit kan de kredietinstelling in het bijzonder verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden aangaande financiële contracten waarbij zij partij is. Indien alle of een deel van deze informatie reeds beschikbaar is bij de toezichthouder, maakt deze die informatie over aan de afwikkelingsautoriteit.]2
  § 3. De afwikkelingsautoriteit deelt een samenvatting van de sleutelelementen van het afwikkelingsplan mee aan de kredietinstelling.
  [2 § 4. De afwikkelingsautoriteit schort de opmaak van het afwikkelingsplan op zolang de maatregelen tot vermindering of opheffing van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 231 [3 , 231/1]3 en 232.
   § 5. De afwikkelingsautoriteit maakt het afwikkelingsplan en eventuele wijzigingen daarvan over aan de toezichthouder.]2

  
Art.226. § 1er. [1 L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, établit un plan de résolution pour chaque établissement de crédit qui ne fait pas partie d'un groupe pour lequel il est établi un plan de redressement de groupe.]1
  § 2. L'autorité de résolution peut exiger de l'établissement de crédit qu'il l'assiste dans l'élaboration et la mise à jour du plan de résolution et qu'il lui fournisse toutes les informations nécessaires à cet effet. [2 L'autorité de résolution a en particulier le pouvoir d'exiger de l'établissement de crédit qu'il tienne des registres détaillés des contrats financiers auxquels il est partie. Lorsque l'autorité de contrôle dispose, en tout ou en partie, de ces informations, elle les communique à l'autorité de résolution.]2
  § 3. L'autorité de résolution communique à l'établissement de crédit un résumé des éléments-clés du plan de résolution.
  [2 § 4. L'autorité de résolution suspend l'élaboration du plan de résolution aussi longtemps que les mesures visant la réduction ou la suppression des obstacles à la résolvabilité ne sont pas approuvées conformément aux articles 231 [3 , 231/1]3 et 232.
   § 5. L'autorité de résolution communique les plans de résolution et les éventuelles modifications apportées à ceux-ci à l'autorité de contrôle.]2

  
Art.227. § 1. Het afwikkelingsplan bepaalt de maatregelen die door de afwikkelingsautoriteit ten aanzien van de kredietinstelling kunnen worden genomen indien de voorwaarden bepaald in artikel 244, § 1, voor deze instelling zijn vervuld, inzonderheid teneinde de continuïteit van haar kritieke functies te waarborgen, te vermijden dat de stabiliteit van het Belgische en het internationale financiële stelsel wordt aangetast en de gewaarborgde deposito's te beschermen.
  In het afwikkelingsplan wordt rekening gehouden met verschillende scenario's, waaronder de mogelijkheid dat het in gebreke blijven van de kredietinstelling idiosyncratisch is dan wel zich voordoet in een context van algemene financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen.
  Het afwikkelingsplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun, [1 onverminderd de interventies van het Afwikkelingsfonds,]1 en evenmin met enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden. Het plan bevat niettemin een analyse van hoe en wanneer de kredietinstelling een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken, en geeft aan welke activa daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen.
  § 2. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning het volgende nader bepalen :
  1° de minimuminhoud van het afwikkelingsplan; en
  2° de informatie die door de kredietinstellingen aan de afwikkelingsautoriteit moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.
  
Art.227. § 1er. Le plan de résolution définit les mesures susceptibles d'être prises par l'autorité de résolution à l'égard d'un établissement de crédit lorsque les conditions prévues à l'article 244, § 1er, sont remplies dans le chef de cet établissement, afin notamment d'assurer la continuité de ses fonctions critiques, d'éviter de porter atteinte à la stabilité des systèmes financiers belge et international et de protéger les dépôts assurés.
  Le plan de résolution envisage différents scénarios, y compris une défaillance de l'établissement de crédit individuelle et circonscrite ou survenant dans un contexte d'instabilité financière générale ou d'événement systémique.
  Le plan de résolution n'envisage aucun soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, [1 sans préjudice des interventions du Fonds de résolution,]1 ni aucun soutien exceptionnel à la liquidité des banques centrales ou recours à d'autres facilités de liquidité des banques centrales à des conditions spéciales en matière de sûretés, de durée ou d'intérêt. Le plan comporte toutefois une analyse indiquant comment et à quel moment l'établissement de crédit pourrait recourir aux facilités des banques centrales et répertorie les actifs qui pourraient être éligibles comme sûreté à cet effet.
  § 2. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut préciser :
  1° le contenu minimal du plan de résolution; et
  2° les informations à transmettre par les établissements de crédit à l'autorité de résolution et la fréquence à laquelle celles-ci lui sont transmises.
  
Art.228. De afwikkelingsautoriteit actualiseert het afwikkelingsplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in de juridische of organisatiestructuur van de kredietinstelling, haar werkzaamheden of haar financiële positie, die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.
  [1 Met het oog op de toepassing van het eerste lid brengen de kredietinstellingen en de toezichthouder de afwikkelingsautoriteit onverwijld op de hoogte van alle veranderingen die een actualisering of een herziening van het afwikkelingsplan nodig maken.]1
  [2 De in het eerste lid bedoelde actualisering wordt tevens verricht na het uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel of het uitoefenen van de in de artikel 250 bedoelde bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.]2
  
Art.228. L'autorité de résolution actualise le plan de résolution au moins une fois par an et en toute hypothèse après toute modification de la structure juridique ou organisationnelle de l'établissement de crédit, de ses activités ou de sa situation financière susceptible d'avoir un impact significatif sur le plan ou qui impose de le modifier.
  [1 En vue de l'application de l'alinéa premier, les établissements de crédit et l'autorité de contrôle informent sans délai l'autorité de résolution de toute modification qui impose une révision ou actualisation du plan de résolution.]1
  [2 L'actualisation visée à l'alinéa 1er est également effectuée après la mise en oeuvre d'une mesure de résolution ou l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles visé à l'article 250.]2
  
Art.229. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit kan de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1, vrijstellen van de verplichtingen van dit Hoofdstuk.
   § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit een vrijstelling verleent met toepassing van paragraaf 1, past zij de in dit Hoofdstuk bepaalde vereisten toe op basis van de algemene situatie van de centrale instelling en de bij deze instelling aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 239.
   § 3. De instellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan of waarvan de werkzaamheden een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uitmaken, kunnen niet worden vrijgesteld uit hoofde van paragraaf 1. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de werkzaamheden van een instelling geacht een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uit te maken indien voldaan is aan een van de volgende voorwaarden :
   1° de totale waarde van haar activa is groter dan 30.000.000.000 EUR; of
   2° de verhouding tussen haar totale activa en het bruto binnenlands product is groter dan 20 %.
   § 4. De afwikkelingsautoriteit kan afwijken van de verplichtingen krachtens dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het afwikkelingsplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de kredietinstelling in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de [2 afwikkelingsautoriteit]2 in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten.]1
[4 De afwikke-lingsautoriteit verricht deze beoordeling na raadpleging, indien passend, van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiële autoriteit.]4
  [3 § 5. De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.]3
  
Art.229. [1 § 1er. L'autorité de résolution peut exempter les établissements de crédit visés à l'article 239, § 1er, des obligations prévues au présent Chapitre.
   § 2. Lorsqu'elle accorde une exemption en application du paragraphe 1er, l'autorité de résolution applique les exigences prévues au présent Chapitre sur la base de la situation globale de l'organisme central et de ses établissements de crédit affiliés visés à l'article 239.
   § 3. Les établissements soumis à la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphes 4 et 5, b) du Règlement MSU ou dont les activités constituent une part importante du système financier belge ne peuvent être exemptés au titre du paragraphe 1er. Aux fins du présent paragraphe, les activités d'un établissement sont réputées constituer une part importante du système financier belge si l'une des conditions suivantes est remplie :
   1° la valeur totale de ses actifs dépasse 30.000.000.000 EUR; ou
   2° le ratio entre ses actifs totaux et le produit intérieur brut est supérieur à 20 %.
   § 4. L'autorité de résolution peut déroger aux obligations en vertu du présent Chapitre en matière de contenu du plan de résolution, de fréquence d'actualisation du plan ou d'informations à fournir par l'établissement de crédit, dans la mesure où une telle dérogation se justifie au regard de l'impact que la défaillance et la liquidation de l'établissement de crédit dans le cadre d'une procédure de liquidation sont susceptibles d'avoir sur les marchés financiers, sur d'autres établissements de crédit, sur les conditions de financement ou plus généralement sur l'économie. A cet effet, l'autorité de résolution tient compte notamment de la nature des activités de l'établissement de crédit, de la structure de son actionnariat, de sa forme juridique, de son profil de risque, de sa taille et de son statut juridique, de son interconnexion avec d'autres établissements de crédit ou l'ensemble du système financier, du périmètre et de la complexité de ses activités et de son exercice éventuel de services ou d'activités d'investissement.]1
[3 L'autorité de résolution réalise cette évaluation après consultation, le cas échéant, de la Banque en sa qualité d'autorité macroprudentielle.]3
  [2 § 5. L'autorité de résolution informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions de cet article.]2
  
HOOFDSTUK II. - Beoordeling van afwikkelingsplannen
CHAPITRE II. - Evaluation des plans de résolution
Afdeling I. - Beoordeling van afwikkelbaarheid van kredietinstellingen
Section Ire. -Evaluation de la résolvabilité des établissements de crédit
Art.230. Bij de opstelling en actualisering van het afwikkelingsplan beoordeelt de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de toezichthouder, de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling.
  De kredietinstelling wordt geacht afwikkelbaar te zijn indien de afwikkelingsautoriteit op geloofwaardige wijze hetzij de kredietinstelling in vereffening kan stellen, hetzij haar kan afwikkelen door toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden, waarbij in de mate van het mogelijke significante nadelige gevolgen voor de financiële stelsels van België of andere lidstaten worden vermeden, mede in geval van algemene financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen, en met als doelstelling om de continuïteit van de kritieke functies van de kredietinstelling te waarborgen.
  Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning de elementen nader bepalen die de afwikkelingsautoriteit dient te onderzoeken om de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling overeenkomstig dit artikel te beoordelen.
  Bij de beoordeling van de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling gaat de afwikkelingsautoriteit niet uit van enige uitzonderlijke overheidssteun, [1 onverminderd de interventies van het Afwikkelingsfonds,]1 noch van enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden.
  
Art.230. Lors de l'établissement et de la mise à jour du plan de résolution, l'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue la résolvabilité de l'établissement de crédit.
  La résolution de la défaillance d'un établissement de crédit est réputée possible si l'autorité de résolution peut, de manière crédible, soit le mettre en liquidation, soit procéder à la résolution de la défaillance de cet établissement de crédit en lui appliquant un ou plusieurs instruments de résolution et pouvoirs de résolution, en évitant, dans toute la mesure du possible, des effets négatifs importants sur les systèmes financiers belge ou d'autres Etats membres, en ce compris en cas d'instabilité financière générale ou d'événement systémique, et en ayant pour objectif d'assurer la continuité des fonctions critiques de l'établissement de crédit.
  Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut préciser les éléments que l'autorité de résolution doit examiner pour évaluer la résolvabilité d'un établissement de crédit conformément au présent article.
  Dans cette évaluation, l'autorité de résolution écarte l'hypothèse d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics [1 sans préjudice des interventions du Fonds de résolution,]1 ainsi que celle d'un soutien exceptionnel à la liquidité des banques centrales ou d'un recours à d'autres facilités de liquidité des banques centrales à des conditions spéciales en matière de sûretés, de durée ou d'intérêt.
  
Afdeling I/1. [1 - Bevoegdheid tot het verbieden van bepaalde uitkeringen]1
Section I/1. [1 - Pouvoir d'interdire certaines distributions]1
Art. 230/1. [1 § 1. Indien een kredietinstelling zich in een situatie bevindt waarin zij volgens de modaliteiten van artikel 98/1 voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 95, maar niet voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 267/3, § 2, 1°, is de afwikkelingsautoriteit bevoegd die kredietinstelling te verbieden uitkeringen, voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag, berekend overeenkomstig artikel 230/4, te verrichten door:
   1° uitkeringen te verrichten in verband met tier 1- kernkapitaal;
   2° een verplichting aan te gaan tot het betalen van variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, of tot het betalen van variabele beloning als de verplichting tot betalen werd aangegaan of dient te worden uitgevoerd op het ogenblik dat de kredietinstelling niet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voldeed; of
   3° betalingen te verrichten op aanvullend tier 1- instrumenten.
   § 2. Een kredietinstelling meldt onverwijld aan de afwikkelingsautoriteit dat zij zich in de in dit artikel bedoelde situatie bevindt.]1

  
Art. 230/1. [1 § 1er. Lorsqu'un établissement de crédit se trouve dans une situation où il satisfait, selon les modalités de l'article 98/1, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 95 mais ne satisfait pas à cette exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 lorsque celle-ci est considérée en sus des exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2, calculées conformément à l'article 267/3, § 2, 1°, l'autorité de résolution a le pouvoir d'interdire à cet établissement de crédit de distribuer un montant supérieur au montant maximal distribuable calculé conformément à l'article 230/4, au moyen de l'une des opérations suivantes :
   1° procéder à une distribution en relation avec les fonds propres de base de catégorie 1 ;
   2° créer une obligation de verser une rémunération variable ou des prestations de retraite discrétionnaires, ou de verser une rémunération variable si l'obligation de versement a été créée ou doit être exécutée à un moment où l'établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ; ou
   3° effectuer des paiements liés à des instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1.
   § 2. Un établissement de crédit informe immédiatement l'autorité de résolution lorsqu'il se trouve dans la situation visée par cet article.]1

  
Art. 230/2. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt zonder vertraging en na raadpleging van de toezichthouder, of zij de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid zal uitoefenen, rekening houdend met elk van de volgende elementen:
   1° de reden, de duur en de omvang van de niet-naleving en de gevolgen ervan voor de afwikkelbaarheid;
   2° de wijze waarop de financiële situatie van de kredietinstelling evolueert en de waarschijnlijkheid dat zij aan de in artikel 244, § 1, 1°, bedoelde voorwaarde voldoet;
   3° het vooruitzicht dat de kredietinstelling in staat zal zijn binnen een redelijke termijn de in artikel 230/1 bedoelde vereisten na te leven;
   4° indien de kredietinstelling niet in staat is te zorgen voor vervanging van schulden die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72ter en 72quater van Verordening nr. 575/2013, of in artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, indien dat onvermogen eigen aan de kredietinstelling is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring;
   5° of de uitoefening van die bevoegdheid het meest geschikte en evenredige middel is om de situatie van de kredietinstelling aan te pakken, gelet op de mogelijke gevolgen ervan voor zowel de financieringsvoorwaarden als de afwikkelbaarheid van de betrokken kredietinstelling.
   § 2. Zolang de kredietinstelling zich in de in artikel 230/1 bedoelde situatie bevindt, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit op zijn minst iedere maand opnieuw of zij de in dat artikel bedoelde bevoegdheid uitoefent.]1

  
Art. 230/2. [1 § 1er. L'autorité de résolution examine sans retard et après consultation de l'autorité de contrôle, s'il convient d'exercer le pouvoir visé à l'article 230/1 en prenant en considération chacun des éléments suivants :
   1° le motif, la durée et l'ampleur de l'absence de conformité, ainsi que son incidence sur la résolvabilité ;
   2° l'évolution de la situation financière de l'établissement de crédit et la probabilité qu'il remplisse la condition visée à l'article 244, § 1er, 1° ;
   3° la perspective que l'établissement de crédit soit en mesure d'assurer le respect des exigences visées à l'article 230/1 dans un délai raisonnable ;
   4° lorsque l'établissement de crédit n'est pas en mesure de remplacer les dettes qui ne respectent plus les critères d'éligibilité ou d'échéance visés aux articles 72ter et 72quater du Règlement n° 575/2013, ou à l'article 267/5 ou 267/5/4, § 2, la question de savoir si cette impossibilité est circonscrite et individuelle ou si elle est due à une perturbation à l'échelle du marché ;
   5° la question de savoir si l'exercice de ce pouvoir constitue le moyen le plus adéquat et proportionné pour remédier à la situation de l'établissement de crédit, en tenant compte de son incidence potentielle tant sur les conditions de financement de l'établissement de crédit concerné que sur sa résolvabilité.
   § 2. Tant que l'établissement de crédit demeure dans la situation visée à l'article 230/1, l'autorité de résolution réévalue, au moins chaque mois, s'il y a lieu d'exercer le pouvoir visé à cet article.]1

  
Art. 230/3. [1 § 1. Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de kredietinstelling zich negen maanden nadat zij de in artikel 230/1 bedoelde situatie heeft gemeld, nog steeds in die situatie bevindt, oefent de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid uit, behalve indien de afwikkelingsautoriteit na een beoordeling vaststelt dat ten minste twee van de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° de niet-naleving is toe te schrijven aan een ernstige verstoring van de werking van de financiële markten, die aanleiding geeft tot algemene spanning in verschillende segmenten van de financiële markten;
   2° de in punt 1°, bedoelde verstoring leidt niet alleen tot de grotere prijsvolatiliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aan-merking komende schulden van de kredietinstelling of hogere kosten, maar ook tot een gehele of gedeeltelijke sluiting van de markten, die de kredietinstelling belet eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schulden uit te geven op die markten;
   3° de in punt 2°, bedoelde sluiting van de markt valt niet alleen voor de betrokken kredietinstelling, maar ook voor diverse andere kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424 waar te nemen;
   4° de in punt 1°, bedoelde verstoring belet de betrokken kredietinstelling eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schulden uit te geven die toereikend zijn om de niet-naleving te verhelpen; of
   5° de uitoefening van de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid kan tot negatieve spillover-effecten leiden voor de gehele of een deel van de bankensector, die de financiële stabiliteit dreigen te ondermijnen.
   § 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde uitzondering van toepassing is, brengt de afwikkelingsautoriteit haar besluit ter kennis van de toezichthouder en licht zij haar oordeel schriftelijk toe. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt elke maand opnieuw of de in para-graaf 1 genoemde uitzondering van toepassing is.]1

  
Art. 230/3. [1 § 1er. Si l'autorité de résolution constate que l'établissement de crédit se trouve toujours dans la situation visée à l'article 230/1 neuf mois après que celui-ci a notifié cette situation, l'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, exerce le pouvoir visé à l'article 230/1, sauf si elle constate qu'au moins deux des conditions suivantes sont remplies :
   1° l'absence de conformité est due à de graves perturbations du fonctionnement des marchés financiers qui entraînent d'importantes tensions sur plusieurs segments des marchés financiers ;
   2° les perturbations visées au point 1°, ont pour conséquence une plus grande volatilité des prix des instruments de fonds propres et de dettes éligibles de l'établissement de crédit ou un accroissement de ses coûts, ainsi qu'une fermeture totale ou partielle des marchés qui empêche l'établissement de crédit d'émettre des instruments de fonds propres et de dettes éligibles sur ces marchés ;
   3° la fermeture des marchés visée au point 2°, est observée non seulement pour l'établissement de crédit concerné, mais aussi pour plusieurs autres établissements de crédit ou entités visées à l'article 424 ;
   4° les perturbations visées au point 1°, empêchent l'établissement de crédit concerné d'émettre des instruments de fonds propres et de dettes éligibles suffisants pour remédier à l'absence de conformité ; ou
   5° l'exercice du pouvoir visé à l'article 230/1 peut entraîner des effets de contagion négatifs pour tout ou partie du secteur bancaire, qui sont dès lors susceptibles de nuire à la stabilité financière.
   § 2. Lorsque l'exception visée au paragraphe 1er s'applique, l'autorité de résolution notifie sa décision à l'autorité de contrôle et explique son appréciation par écrit. Chaque mois, l'autorité de résolution procède à une réévaluation afin de déterminer si l'exception visée au paragraphe 1er s'applique.]1

  
Art. 230/4. [1 § 1. Het maximaal uitkeerbare bedrag met betrekking tot het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt berekend door het overeenkomstig paragraaf 2 berekende bedrag te vermenigvuldigen met de overeenkomstig paragraaf 3 bepaalde factor. Het maximaal uitkeerbare bedrag met betrekking tot het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt verminderd met ieder bedrag dat voortvloeit uit elk van de in artikel 230/1 bedoelde handelingen.
   § 2. Het in paragraaf 1 bedoelde te vermenigvuldigen bedrag bestaat uit:
   1° alle tussentijdse winsten die niet in het tier 1- kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in artikel 230/1 bedoelde handelingen;
   vermeerderd met
   2° alle eindejaarswinsten die niet in het tier 1- kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening nr. 575/2013 zijn op-genomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in artikel 230/1 bedoelde handelingen;
   en verminderd met
   3° bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn als de in de punten 1° en 2°, genoemde elementen werden ingehouden.
   § 3. De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:
   1° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in ar-tikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het eerste (dat wil zeggen het laagste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0;
   2° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in ar-tikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het tweede kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,2;
   3° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het derde kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1 -kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,4;
   4° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,6.
   De ondergrens en de bovengrens van elk kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer worden als volgt berekend:
   ondergrens van kwartiel = (globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer / 4) x (Qn - 1);
   bovengrens van kwartiel = (globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer / 4) x Qn;
   waarbij "Qn" = het volgnummer van het desbetreffende kwartiel.]1

  
Art. 230/4. [1 § 1er. Le montant maximal distribuable relatif à l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles est calculé en multipliant le montant obtenu conformément au paragraphe 2 par le facteur déterminé conformément au paragraphe 3. Le montant maximal distribuable relatif à l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles est réduit de tout montant résultant de l'une quelconque des mesures visées à l'article 230/1.
   § 2. Le montant à multiplier conformément au paragraphe 1er est constitué :
   1° de tous bénéfices intermédiaires non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des mesures visées à l'article 230/1 ;
   plus
   2° tous les bénéfices de fin d'exercice non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des mesures visées à l'article 230/1 ;
   moins
   3° les montants qui seraient à acquitter au titre de l'impôt si les éléments visés aux points 1° et 2°, du présent paragraphe n'étaient pas distribués.
   § 3. Le facteur visé au paragraphe 1er est déterminé comme suit :
   1° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences visées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le premier quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 (autrement dit son quartile le plus bas), le facteur est de 0 (zéro) ;
   2° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le deuxième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, le facteur est de 0,2 ;
   3° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le troisième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, le facteur est de 0,4 ;
   4° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le quatrième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 (autrement dit son quartile le plus élevé), le facteur est de 0,6.
   Les limites haute et basse de chacun des quartiles de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 sont calculées comme suit :
   limite inférieure du quartile = (exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 / 4) x (Qn - 1) ;
   limite supérieure du quartile = (exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 / 4) x Qn ;
   où "Qn" est le numéro d'ordre du quartile concerné.]1

  
Afdeling II. - Vermindering of opheffing van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de kredietinstellingen
Section II. - Réduction ou suppression des obstacles à la résolvabilité des établissements de crédit
Art.231. Indien na beoordeling van de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling overeenkomstig artikel 230, de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de toezichthouder, oordeelt dat er belangrijke belemmeringen bestaan voor de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling, stelt zij de betrokken kredietinstelling [1 , de afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn]1 en de toezichthouder daarvan schriftelijk in kennis, met beschrijving van de vastgestelde belemmeringen. [2 De afwikkelingsautoriteit stelt bovendien de EBA tijdig in kennis hiervan.]2
  Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stelt de kredietinstelling aan de afwikkelingsautoriteit maatregelen voor om de vastgestelde belemmeringen te verminderen of op te heffen.
  
Art.231. Si, à l'issue d'une évaluation de la résolvabilité d'un établissement de crédit effectuée conformément à l'article 230, l'autorité de résolution considère, après consultation de l'autorité de contrôle, qu'il existe d'importants obstacles à la résolvabilité de l'établissement de crédit, elle en informe l'établissement de crédit concerné [1 , les autorités de résolution dont relèvent des succursales d'importance significative]1 et l'autorité de contrôle par écrit, en décrivant les obstacles constatés. [2 De plus, l'autorité de résolution en informe l'ABE en temps utile.]2
  Dans les quatre mois suivant la date de réception de la notification visée à l'alinéa 1er, l'établissement de crédit propose à l'autorité de résolution des mesures visant à réduire ou supprimer les obstacles constatés.
  
Art. 231/1. [1 Binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig artikel 231 gedane kennisgeving, deelt de kredietinstelling aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen en het tijdpad ter uitvoering ervan mee om te verzekeren dat de kredietinstelling voldoet aan artikel 267/5/3 of 267/5/4 en aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, indien een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een van de volgende situaties:
   1° de kredietinstelling bevindt zich in de situatie bedoeld in artikel 230/1; of
   2° de kredietinstelling voldoet niet aan de in de artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten, noch aan de in de artikelen 267/5/1 en artikel 267/5/2 bedoelde vereisten.
   In het tijdpad voor de uitvoering van de in het eerste lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering.
   De afwikkelingsautoriteit beoordeelt, na raadpleging van de toezichthouder, of de krachtens dit artikel voorgestelde maatregelen de betrokken wezenlijke belemmering daadwerkelijk aanpakken of wegnemen.]1

  
Art. 231/1. [1 Dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception d'une notification effectuée conformément à l'article 231, l'établissement de crédit communique à l'autorité de résolution les mesures susceptibles d'être prises afin de garantir que l'établissement de crédit respecte l'article 267/5/3 ou 267/5/4 et l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, ainsi que le calendrier de mise en oeuvre, lorsqu'un obstacle important à la résolvabilité est imputable à l'une ou l'autre des situations suivantes :
   1° l'établissement de crédit se trouve dans la situation visée à l'article 230/1 ; ou
   2° l'établissement de crédit ne satisfait pas aux exigences visées aux articles 92bis et 494 du Règlement n° 575/2013 ou aux exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2.
   Le calendrier de mise en oeuvre des mesures proposées en vertu de l'alinéa 1er tient compte des raisons qui expliquent l'existence de l'obstacle important.
   L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue si les mesures proposées dans le cadre de cet article offrent une réponse effective à ou suppriment l'obstacle important en question.]1

  
Art.232. Indien de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de toezichthouder, oordeelt dat de maatregelen voorgesteld door de kredietinstelling overeenkomstig artikel 231, tweede lid, [2 of artikel 231/1]2 de voor de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling vastgestelde belemmeringen niet opheffen of deze onvoldoende verminderen, eist zij van de kredietinstelling dat zij andere maatregelen neemt. [1 Bij het vaststellen van die andere maatregelen toont de afwikkelingsautoriteit aan waarom de door de kredietinstelling voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet zouden kunnen wegnemen en waarom de andere maatregelen voor het wegnemen van de belemmeringen evenredig zijn. De afwikkelingsautoriteit houdt rekening met de bedreiging welke van die belemmeringen voor de afwikkelbaarheid uitgaat voor de financiële stabiliteit, en met de gevolgen van de maatregelen voor de bedrijfsactiviteiten van de kredietinstelling, haar stabiliteit en haar vermogen om een bijdrage te leveren aan de economie. Na raadpleging van de toezichthouder en van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiële autoriteit, houdt de afwikkelingsautoriteit daarenboven rekening met het potentiële effect van die maatregelen op de betreffende kredietinstelling, op de interne markt voor financiële diensten en op de financiële stabiliteit in andere lidstaten en in de Unie als geheel.]1
  De afwikkelingsautoriteit kan inzonderheid van de kredietinstelling eisen dat zij :
  1° akkoorden van financiële steunverlening binnen de groep aanpast, het ontbreken van dergelijke akkoorden evalueert, of dienstverleningsovereenkomsten sluit, binnen de groep of met derden, om de uitoefening of de levering van een of meer kritieke functies te waarborgen;
  2° het maximumbedrag van haar individuele en totale risicoblootstellingen beperkt;
  3° op ad-hoc of regelmatige basis bijkomende informatie meedeelt die relevant is voor de afwikkeling;
  4° bepaalde activa overdraagt;
  5° bepaalde bestaande of voorgenomen activiteiten beperkt, opschort of staakt;
  6° de ontwikkeling van bepaalde activiteiten of de verkoop van bepaalde producten vermindert of stopzet;
  7° haar juridische of operationele structuren of deze van een of meer entiteiten waarover zij rechtstreeks of onrechtstreeks controle heeft, wijzigt om de complexiteit ervan te verminderen en ervoor te zorgen dat kritieke functies juridisch en operationeel van de andere functies kunnen worden afgesplitst door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten;
  8° zorgt voor de oprichting van een financiële holding die de controle neemt over de betrokken kredietinstelling of, in geval deze een dochteronderneming is van een gemengde financiële holding, ervoor zorgt dat deze laatste een afzonderlijke financiële holding opricht om de controle over de kredietinstelling uit te oefenen, indien dit noodzakelijk is om haar afwikkeling te vergemakkelijken en te vermijden dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden een negatieve weerslag hebben op het niet-financiële gedeelte van de groep;
  9° de voorwaarden heronderhandelt van de door haar uitgegeven aanvullend-tier 1-instrumenten of aanvullend-tier 2-instrumenten om ervoor te zorgen dat een beslissing van de afwikkelingsautoriteit om deze instrumenten af te schrijven of om te zetten, uitvoerbaar is volgens het op deze instrumenten toepasselijke recht;
  10° [2 een plan indient om de naleving te herstellen van de vereisten van de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, en, waar van toepassing, aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en aan de vereisten bedoeld in de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013;
   11° in aanmerking komende schulden in de zin van artikel 242, 10/1°, uitgeeft om aan de vereisten van de artikelen 267/5/3 of artikel 267/5/4 te voldoen;
   12° andere maatregelen neemt om aan de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden te voldoen overeenkomstig de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, en er met name naar streeft opnieuw te onderhandelen over elk daarvoor in aanmerking komend passief, aanvullend-tier 1-kapitaalinstrument of tier 2-kapitaalinstrument dat zij heeft uitgegeven, om ervoor te zorgen dat een eventueel besluit van de afwikkelingsautoriteit om dat passief of kapitaalinstrument af te schrijven of om te zetten, wordt uitgevoerd krachtens het recht van het rechtsgebied dat op dat passi[00d0][00b5]f of kapitaalinstrument van toepassing is;
   13° om de voortdurende naleving van de artikelen 267/5/3 of 267/5/4 te waarborgen, het looptijdprofiel wijzigt van:
   - de aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten of tier 2-kapitaalinstrumenten, na de instemming van de toezichthouder te hebben verkregen, en
   - de in aanmerking komende schulden, bedoeld in de artikelen 267/5 en 267/5/4, § 2, 1°.]2

  [1 De beslissing van de afwikkelingsautoriteit wordt afdoende gemotiveerd, in het bijzonder wat betreft de toepassing van de in het eerste lid bedoelde vereiste van evenredigheid, en schriftelijk ter kennis gebracht van de kredietinstelling. Deze dient binnen een maand een plan in voor de uitvoering van die beslissing.]1
  
Art.232. Si l'autorité de résolution considère, après consultation de l'autorité de contrôle, que les mesures proposées par l'établissement de crédit conformément à l'article 231, alinéa 2, [2 ou à l'article 231/1]2 ne permettent pas de supprimer ou de suffisamment réduire les obstacles constatés à la résolvabilité de l'établissement de crédit, elle requiert de celui-ci qu'il prenne d'autres mesures. [1 Lorsqu'elle définit ces autres mesures, l'autorité de résolution doit expliquer la raison pour laquelle les mesures proposées par l'établissement de crédit ne permettraient pas de supprimer les obstacles à la résolvabilité, et en quoi les autres mesures sont proportionnées pour y remédier. L'autorité de résolution tient compte de la menace de ces obstacles à la résolvabilité pour la stabilité financière et de l'incidence des mesures sur l'activité de l'établissement de crédit, sa stabilité et sa capacité de contribuer à l'économie. Après consultation de l'autorité de contrôle et de la Banque en sa qualité d'autorité macroprudentielle, l'autorité de résolution tient dûment compte de l'effet potentiel de ces mesures sur l'établissement de crédit en question, sur le marché intérieur des services financiers et sur la stabilité financière dans les autres Etats membres et dans l'Union dans son ensemble.]1
  L'autorité de résolution peut notamment requérir de l'établissement de crédit qu'il :
  1° adapte des accords de soutien financier intra-groupe, évalue l'absence de tels accords, ou conclue des contrats de services, au sein du groupe ou avec des tiers, pour assurer l'exercice ou la fourniture d'une ou plusieurs fonctions critiques;
  2° limite le montant maximal individuel et agrégé de ses expositions au risque;
  3° communique ponctuellement ou régulièrement des informations additionnelles pertinentes aux fins de la résolution;
  4° cède certains actifs;
  5° limite, suspende ou cesse certaines activités en cours ou en projet;
  6° réduise ou mette fin au développement de certaines activités ou à la vente de certains produits;
  7° modifie ses structures juridiques ou opérationnelles ou celles d'une ou plusieurs entités sous son contrôle direct ou indirect afin d'en réduire la complexité et de faire en sorte que les fonctions critiques puissent être juridiquement et opérationnellement séparées des autres fonctions par l'application des instruments de résolution;
  8° veille à la constitution d'une compagnie financière qui prenne le contrôle de l'établissement de crédit concerné ou, si celui-ci est une filiale d'une compagnie financière mixte, veille à ce que celle-ci crée une compagnie financière distincte pour le contrôler si cela est nécessaire pour faciliter sa résolution et éviter que l'application des instruments de résolution et l'exercice des pouvoirs de résolution aient des effets négatifs sur la partie non financière du groupe;
  9° renégocie les conditions des instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou instruments de fonds propres additionnels de catégorie 2 qu'il a émis afin d'assurer que toute décision de l'autorité de résolution de déprécier ou convertir ces instruments puisse être exécutée conformément au droit applicable régissant ces instruments;
  10° [2 présente un plan de mise en conformité avec les exigences des articles 267/5/3 ou 267/5/4, exprimées en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 et, le cas échéant, avec l'exigence globale du coussin de fonds propres de base de catégorie1 et avec les exigences visées aux articles 267/5/3 ou 267/5/4, exprimées en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visée aux articles 429 et 429bis du Règlement n° 575/2013 ;
   11° émette des dettes éligibles, au sens de l'article 242, 10/1°, afin de satisfaire aux exigences visées aux articles 267/5/3 ou 267/5/4 ;
   12° prenne d'autres mesures afin de satisfaire aux exigences minimales pour les fonds propres et les dettes éligibles au titre des articles 267/5/3 ou 267/5/4, y compris en particulier pour s'efforcer de renégocier tout engagement éligible, instrument de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou instrument de fonds propres de catégorie 2 qu'il a émis, de telle sorte que toute décision de l'autorité de résolution de déprécier ou convertir cet engagement ou instrument soit arrêtée en vertu du droit applicable régissant cet engagement ou instrument ;
   13° afin de garantir à tout moment le respect des articles 267/5/3 ou 267/5/4, modifie la structure des échéances :
   - des instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou de catégorie 2, après avoir obtenu l'accord de l'autorité de contrôle, et
   - des engagements éligibles visés aux articles 267/5 et 267/5/4, § 2, 1°.]2

  [1 La décision de l'autorité de résolution doit être suffisamment motivée, en particulier en ce qui concerne l'exigence d'application proportionnée visée à l'alinéa 1er, et est notifiée par écrit à l'établissement de crédit. Celui-ci soumet dans le mois un plan pour la mise en oeuvre de cette décision.]1
  
Art. 232/1. [1 Indien de afwikkelingsautoriteit, wanneer zij de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, beoordeelt, of op ongeacht welk ander tijdstip vaststelt dat binnen een categorie verplichtingen die in aanmerking komende schulden omvat, het bedrag aan schulden zonder het contractueel beding bedoeld in artikel 267/15, § 1, samen met de schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van het instrument van interne versterking overeenkomstig artikel 242, 10°, of die waarschijnlijk zullen worden uitgesloten overeenkomstig artikel 267/2, § 2, meer bedraagt dan 10 % van die categorie, beoordeelt zij onmiddellijk welke gevolgen dit bijzondere feit heeft voor de afwikkelbaarheid van die kredietinstelling of entiteit, waaronder de gevolgen voor de afwikkelbaarheid die voortvloeien uit het risico op inbreuken op de in artikel 282, § 2 geregelde waarborgen voor schuldeisers bij de uitoefening van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op in aanmerking komende schulden.
   Indien de afwikkelingsautoriteit op basis van de in het voorgaande lid bedoelde beoordeling concludeert dat de schulden die overeenkomstig artikel 267/15, § 2, eerste lid niet de contractuele bepaling bedoeld in artikel 267/15, § 1 bevatten, een substantiële belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen, past zij in voorkomend geval de in de artikelen 231 tot 232 en 449 tot 451 bedoelde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen.]1

  
Art. 232/1. [1 Lorsque l'autorité de résolution, dans le cadre de l'évaluation de la résolvabilité d'un établissement de crédit ou d'une entité visée à l'article 424, 2°, à 4°, ou à tout autre moment, constate que, au sein d'une catégorie de dettes comprenant des dettes éligibles, le montant des dettes qui n'intègrent pas la clause contractuelle visée à l'article 267/15, § 1er, ainsi que des dettes qui sont exclues de l'application des pouvoirs de renflouement interne conformément à l'article 242, 10°, ou qui sont susceptibles d'en être exclues conformément à l'article 267/2, § 2, correspond à plus de 10 % de cette catégorie, elle évalue immédiatement l'incidence de cette circonstance sur la résolvabilité de cet établissement de crédit ou de cette entité, y compris l'impact sur la résolvabilité découlant du risque qu'il soit porté atteinte aux mesures de sauvegarde des créanciers prévues à l'article 282, § 2 lorsqu'elle applique les pouvoirs de dépréciation et de conversion aux dettes éligibles.
   Lorsque l'autorité de résolution conclut, sur la base de l'évaluation visée à l'alinéa précédent, que les dettes qui, conformément à l'article 267/15, § 2, alinéa 1er, n'intègrent pas la clause contractuelle visée à l'article 267/15, § 1er, créent un obstacle important à la résolvabilité, elle applique les pouvoirs prévus aux articles 231 à 232 et 449 à 451, le cas échéant, afin de supprimer cet obstacle à la résolvabilité.]1

  
TITEL V. - Intrekking van de vergunning
TITRE V. - De la radiation de l'agrément
Art.233. Bij beslissing die met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, trekt de [1 Europese Centrale Bank]1 de vergunning in van kredietinstellingen die hun werkzaamheden niet binnen twaalf maanden na het verlenen van de vergunning hebben aangevat, die uitdrukkelijk afstand doen van hun vergunning, die failliet zijn verklaard of die hun werkzaamheden sedert meer dan 6 maanden hebben stopgezet.
  [2 Evenzo trekt de Europese Centrale Bank de vergunning in van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° wanneer hun gemiddelde totale activa gedurende vijf opeenvolgende jaren onder de in dat artikel bedoelde drempels ligt.]2
  De beslissing tot intrekking en de redenen daarvoor worden door de [1 Europese Centrale Bank]1 ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.
  
Art.233. [1 La Banque centrale européenne]1 radie par décision notifiée par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception, l'agrément des établissements de crédit qui n'ont pas entamé leurs activités dans les douze mois de l'agrément, qui renoncent expressément à l'agrément, qui ont été déclarés en faillite ou qui ont cessé d'exercer leurs activités depuis plus de 6 mois.
  [2 De la même manière, la Banque centrale européenne radie également l'agrément des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2° lorsque leur actif total moyen sur une période de cinq années consécutives est inférieur aux seuils prévus dans ledit article.]2
  La décision de radiation et ses motifs sont notifiés par [1 la Banque centrale européenne]1 à l'Autorité bancaire européenne.
  
TITEL VI. - Herstelmaatregelen
TITRE VI. - Des mesures de redressement
HOOFDSTUK I. - Dwingende maatregelen
CHAPITRE Ier. - Des mesures contraignantes
Art.234. § 1. [6 Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer hij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze instelling in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
   1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   2° de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [7 of Verordening 2022/2554,]7 of [7 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]7;
   3° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
   4° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 3° bedoelde gedelegeerde handelingen,
   stelt hij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.]6

  § 2. Zolang de kredietinstelling de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de toezichthouder te allen tijde :
  1° eigenvermogensvereisten opleggen die strenger zijn of een aanvulling vormen op deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of van de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;
  2° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing in het kader van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;
  3° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare winst opleggen;
  4° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van de bepalingen [4 van Boek XX van het Wetboek van economisch recht]4;
  5° eisen dat de variabele beloning beperkt wordt tot een percentage van de winst;
  6° [6 specifieke liquiditeitsvereisten]6 opleggen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld, waaronder beperkingen ten aanzien van mismatches tussen activa en passiva van de instelling;
  7° eisen dat de instelling het risico dat verbonden is aan bepaalde werkzaamheden of producten of aan haar organisatie, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;
  8° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter beperking van de blootstellingen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;
  9° een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens artikel 106, met name voor de rapportering over risico's, eigen vermogen of liquiditeitsposities;
  10° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 75 of Verordening nr. 575/2013;
  [1 11° de maatregelen [6 opleggen]6 als bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid, 3° en 5° ;
   12° eisen dat de instelling een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met schuldeisers over de herstructurering van de schulden, in voorkomend geval overeenkomstig het herstelplan.]1

  [5 § 2/1. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd artikel 150, § 1, legt de toezichthouder de in paragraaf 2, 1°, bedoelde maatregel op indien de kredietinstelling niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 21 en 94 van deze wet of van artikel 393 van Verordening nr. 575/2013 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen voldoende zouden zijn om te waarborgen dat binnen een passende termijn aan deze vereisten kan worden voldaan.
   In dat geval zijn de artikelen 150, § 2, 150/3 en 150/4 van toepassing.]5

  [5 § 2/2. De in paragraaf 2, 9° bedoelde maatregel kan alleen worden opgelegd indien deze verplichting passend en evenredig is wat betreft het doel waarvoor de informatie nodig is, en de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering.
   Voor de toepassing van paragraaf 2, 9° en van de Afdelingen II tot IV van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II wordt alle informatie die in wezen identiek is aan informatie die reeds met toepassing van een andere wettelijke of reglementaire bepaling aan de toezichthouder is meegedeeld of die door de toezichthouder kan worden geproduceerd, geacht tot duplicering te leiden.
   De toezichthouder vereist niet dat reeds ontvangen informatie in een ander formaat of ander niveau van granulariteit wordt meegedeeld voor zover dit verschil de toezichthouder niet belet informatie te produceren die van dezelfde kwaliteit en betrouwbaarheid is als de informatie die zou worden vereist.]5

  § 3. Wanneer de toezichthouder van oordeel is dat de maatregelen die de instelling binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredigend zijn, heft hij volgens de modaliteiten die hij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe hij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten.
  § 4. De toezichthouder stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de methode die gebruikt wordt ter staving van de vaststelling dat er een gevaar bestaat dat een instelling in de komende 12 maanden niet meer werkt overeenkomstig de in paragraaf 1 bedoelde bepalingen.
  [1 § 5. De toezichthouder stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis zodra zij vaststelt dat voor een kredietinstelling aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden is voldaan.]1
  
Art.234. § 1er. [6 § 1er. Lorsque l'autorité de contrôle constate qu'un établissement de crédit ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions suivantes ou lorsqu'il dispose d'éléments indiquant que cet établissement risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des 12 prochains mois :
   1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   2° les dispositions du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014 [7 , du règlement 2017/565, du règlement 2022/2554]7 ou [7 les articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]7 ;
   3° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
   4° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 3°,
   l'autorité de contrôle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation.]6

  § 2. Aussi longtemps qu'il n'a pas été remédié par l'établissement de crédit à la situation visée au paragraphe 1er, l'autorité de contrôle peut, à tout moment :
  1° imposer des exigences de fonds propres plus sévères que, ou complémentaires à, celles prévues par ou en vertu de l'article 92 du Règlement n° 575/2013 ou des règlements pris en application de l'article 98;
  2° imposer l'application de règles particulières en matière d'évaluation ou d'ajustement de valeur pour les besoins des exigences de fonds propres prévues par ou en vertu de l'article 92, du Règlement n° 575/2013 ou des règlements pris en application de l'article 98;
  3° imposer la mise en réserve totale ou partielle de bénéfices distribuables;
  4° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d'intérêts, [6 aux actionnaires et titulaires]6 d'instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1, dans la mesure où la suspension des versements qui en résulterait n'entraîne pas les conditions d'ouverture d'une procédure de liquidation en application des dispositions [4 du Livre XX du Code de droit économique]4;
  5° imposer de limiter la rémunération variable à un pourcentage du bénéfice;
  6° imposer des [6 exigences spécifiques de liquidité]6 plus contraignantes que celles définies par ou en vertu du Règlement n° 575/2013 ou des règlements pris en application de l'article 98, en ce compris des limitations aux asymétries d'échéance entre actifs et passifs de l'établissement;
  7° imposer que l'établissement diminue le risque inhérent à certaines activités ou produits ou à son organisation, le cas échéant en imposant la cession de tout ou partie de ses activités ou de son réseau;
  8° imposer des normes en matière de concentration des risques ou de limitations des expositions plus contraignantes que celles définies par ou en vertu du Règlement n° 575/2013 ou des règlements pris en application de l'article 98;
  9° imposer une obligation d'information (reporting) supplémentaire ou imposer une fréquence d'information (reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de l'article 106, notamment en matière de risques, de fonds propres ou de positions de liquidité;
  10° imposer la publication d'informations plus complètes et plus fréquentes que celles prévues par ou en vertu de l'article 75 ou du Règlement n° 575/2013;
  [1 11° imposer les mesures visées à l'article 116, § 2, alinéa 2, 3° et 5° ;
   12° exiger de l'établissement qu'il établisse un plan pour négocier la restructuration de ses dettes, le cas échéant conformément au plan de redressement.]1

  [5 § 2/1. Nonobstant les conditions d'application des paragraphes 1er et 2, et sans préjudice de l'article 150, § 1er, l'autorité de contrôle impose la mesure visée au paragraphe 2, 1°, si l'établissement de crédit ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 21 et 94 de la présente loi ou à l'article 393 du Règlement n° 575/2013 et s'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance sont de nature à garantir le respect de ces exigences dans un délai approprié.
   Dans ce cas, les articles 150, § 2, 150/3 et 150/4 sont applicables.]5

  [5 § 2/2. La mesure visée au paragraphe 2, 9°, ne peut être imposée que lorsque cette obligation est appropriée et proportionnée au regard de la finalité à laquelle les informations sont requises et lorsque les informations demandées ne font pas double emploi.
   Pour l'application du paragraphe 2, 9° et des Sections II à IV du Chapitre II du Titre III du Livre II, est considérée comme faisant double emploi, toute information qui est en substance identique à une information déjà communiquée à l'autorité de contrôle en application d'une autre disposition légale ou réglementaire ou susceptible d'être produite par l'autorité de contrôle.
   L'autorité de contrôle n'impose pas la communication d'informations déjà reçues dans un format ou à un niveau de granularité différents dans la mesure où cette différence n'empêche pas l'autorité de contrôle de produire des informations de même qualité et fiabilité que celles dont la communication serait requise.]5

  § 3. Lorsque l'autorité de contrôle estime que les mesures prises par l'établissement dans le délai fixé en application du paragraphe 1er pour remédier à la situation constatée sont satisfaisantes, elle lève, selon les modalités qu'elle détermine, tout ou partie des mesures décidées en application du paragraphe 2.
  § 4. L'autorité de contrôle informe l'Autorité bancaire européenne de la méthode utilisée pour justifier le constat selon lequel un établissement risque, au cours des 12 prochains mois, de ne plus fonctionner en conformité avec les dispositions visées au paragraphe 1er.
  [1 § 5. L'autorité de contrôle notifie sans retard à l'autorité de résolution qu'il a été déterminé que les conditions énoncées au paragraphe 1er étaient réunies en ce qui concerne un établissement de crédit.]1
  
HOOFDSTUK II. - Uitvoering van het herstelplan
CHAPITRE II. - De la mise en oeuvre du plan de redressement
Art.235. Zolang de instelling de toestand bedoeld in artikel 234, § 1 niet heeft verholpen, en onverminderd de maatregelen bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel, kan de toezichthouder te allen tijde en volgens de modaliteiten die hij bepaalt, eisen dat de instelling het [1 herstelplan]1 bedoeld in artikel 108 geheel of gedeeltelijk uitvoert.
  
Art.235. Aussi longtemps qu'il n'a pas été remédié par l'établissement à la situation visée à l'article 234, § 1er, et sans préjudice des mesures visées au paragraphe 2 de cet article, l'autorité de contrôle peut à tout moment, et selon les modalités qu'elle détermine, requérir que l'établissement mette en oeuvre tout ou partie du plan de redressement visé à l'article 108.
HOOFDSTUK III. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen
CHAPITRE III. - Des mesures de redressement exceptionnelles
Art.236. § 1. Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 234, § 2 genomen maatregelen, of dat de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 234, § 1 vastgestelde termijn niet is verholpen, kan de toezichthouder, onverminderd de andere bepalingen van deze wet,
  1° een speciaal commissaris aanstellen.
  In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de toezichthouder kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken.
  De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht voorleggen aan alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering.
  De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de instelling of voor derden.
  Indien de toezichthouder de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
  De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de toezichthouder en gedragen door de instelling.
  De toezichthouder kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;
  2° [11 de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de kredietinstelling, binnen een termijn die hij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de instelling ontslaan, of in de plaats van een deel van of van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De toezichthouder maakt zijn beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
   Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de toezichthouder een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de instelling.
   Mits de toezichthouder hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
   Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de toezichthouder om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De kredietinstelling vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
   De toezichthouder kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de kredietinstelling ten aanzien waarvan hij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
   De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de toezichthouder en gedragen door de betrokken instelling.
   De toezichthouder kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;]11

  3° de instelling gelasten binnen de door hem vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan hij de agenda vaststelt;
  4° voor de duur die hij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de instelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de toezichthouder bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de instelling of voor derden.
  Indien de toezichthouder de schorsing of het verbod in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;
  5° een kredietinstelling gelasten de aandelen over te dragen die zij bezit, overeenkomstig de artikelen 89 en 90 van [11 Verordening nr. 575/2013. In dat geval is artikel 54, tweede lid van toepassing]11;
  [2 5° /1 de instelling gelasten om een deel of het geheel van haar bedrijf of haar net over te dragen. In dat geval zijn de artikelen 77, [11 eerste lid]11, 4°, en 78 van toepassing als de overdracht plaatsvindt tussen kredietinstellingen of tussen een dergelijke instelling en andere financiële instellingen [5 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365]5;]2
  6° [9 de vergunning herroepen. De Europese Centrale Bank kan de vergunning echter niet herroepen wanneer de tekortkoming van de kredietinstelling uitsluitend bestaat in het niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 92bis of 92ter van Verordening nr. 575/2013. De beslissing tot herroeping en de redenen daarvoor worden door de Europese Centrale Bank ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.]9
  [12 Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een kredietinstelling tot de exclusieve bevoegdheid van de toezichthouder.]12
  § 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van paragraaf 1, kan de toezichthouder in uiterst spoedeisende gevallen [2 of wanneer de ernst van de feiten dit rechtvaardigt]2 de maatregelen als bedoeld in de genoemde paragraaf 1 treffen zonder vooraf een termijn op te leggen.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de toezichthouder hebben voor de instelling uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1.
  § 4. De toezichthouder kan de in dit artikel bedoelde maatregelen ook nemen wanneer een kredietinstelling een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze.
  [3 § 4/1. [10 Wanneer de in dit artikel bedoelde maatregelen worden opgelegd wegens niet-naleving van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld ter omzetting van Richtlijn 2014/65/EU en Richtlijn 2019/2162/EU, maakt de toezichthouder de oplegging van die maatregelen bekend overeenkomstig, respectievelijk, de artikelen 71 en 24 van die richtlijnen.
   Overeenkomstig de voornoemde artikelen 71 en 24 kan de toezichthouder, wanneer tegen beslissingen tot oplegging van dergelijke maatregelen beroep wordt ingesteld, deze beslissingen bekendmaken rekening houdend met de omstandigheden. In dat geval maakt hij tevens onverwijld de status en het resultaat van het beroep bekend.
   In gevallen waarin de toezichthouder dergelijke beslissingen zonder vermelding van namen bekendmaakt, kunnen de geanonimiseerde gegevens openbaar worden gemaakt zodra de redenen die de anonimiteit rechtvaardigen, ophouden te bestaan.]10
]3

  § 5. Wanneer de toezichthouder kennis heeft van het feit dat een kredietinstelling [7 een bijzonder mechanisme heeft ingesteld in de zin van artikel 21, § 1/1]7, zijn artikel 234, §§ 1 en 2, evenals paragraaf 1, [11 ...]11 1°, 2°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel van toepassing.
  [4 § 5/1. Artikel 234, § 1, en paragraaf 1, eerste lid, 2°, 3°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel zijn van toepassing wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012.]4
  § 6. Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, of § 2 van de wet van 2 augustus 2002, kan de [1 Europese Centrale Bank]1 de vergunning herroepen, in voorkomend geval op verzoek van de Bank, ingevolge een verzoek van de FSMA, volgens de procedure en de regels bepaald bij artikel 36bis van diezelfde wet.
  § 7. [12 Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een persoon die een in artikel 19, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefent of heeft uitgeoefend, niet langer voldoet aan het wettelijke vereiste om over de nodige professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid te beschikken, kan de toezichthouder aan deze persoon een verbod opleggen om functies bij kredietinstellingen uit te oefenen, waarvan de duur niet meer dan vijf jaar mag bedragen.
   De Bank kan een krachtens het eerste lid genomen verbodsbeslissing aanvullen met een verbod om functies uit te oefenen in andere instellingen bedoeld in artikel 36/2, § 1, van de wet van 22 februari 1998.
   De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen vermelden de aard van de verboden functies.
   De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen worden ter kennis gebracht van de betrokken persoon en van de kredietinstelling waar deze persoon een in artikel 19, § 1, eerste lid bedoelde functie uitoefende. De Bank stelt de FSMA van deze beslissingen in kennis.]12

  § 8. De [6 ondernemingsrechtbank]6 spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° en 4°.
  De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de instelling. Indien verantwoord om ernstige redenen kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing werden bekendgemaakt, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt.
  Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van de instelling heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding.
  De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn.
  
Art.236. § 1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues par la présente loi, lorsque l'autorité de contrôle constate qu'un établissement de crédit ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux mesures adoptées en application de l'article 234, § 2, ou qu'à l'issue du délai fixé en application de l'article 234, § 1er, il n'a pas été remédié à la situation, l'autorité de contrôle peut :
  1° désigner un commissaire spécial.
  Dans ce cas, l'autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion; l'autorité de contrôle peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation.
  Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, toute proposition qu'il juge opportune.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en résulte pour l'établissement ou les tiers.
  Si l'autorité de contrôle a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute décision de l'assemblée générale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
  La rémunération du commissaire spécial est fixée par l'autorité de contrôle et supportée par l'établissement.
  L'autorité de contrôle peut désigner un commissaire suppléant;
  2° [11 enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'établissement de crédit, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'établissement de crédit ou substituer à une partie ou à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. L'autorité de contrôle publie sa décision au Moniteur Belge.
   Lorsque les circonstances le justifient, l'autorité de contrôle peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'établissement.
   Moyennant l'autorisation de l'autorité de contrôle, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
   Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de l'autorité de contrôle substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'établissement de crédit accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
   L'autorité de contrôle peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'établissement de crédit faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
   La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par l'autorité de contrôle et supportée par l'établissement concerné.
   L'autorité de contrôle peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;]11

  3° enjoindre à l'établissement de convoquer, dans le délai qu'elle fixe, une assemblée générale des actionnaires, dont elle établit l'ordre du jour;
  4° suspendre pour la durée qu'elle détermine l'exercice direct ou indirect de tout ou partie de l'activité de l'établissement ou interdire cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par l'autorité de contrôle, impliquer la suspension totale ou partielle de l'exécution des contrats en cours.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension ou de l'interdiction sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement ou les tiers.
  Si l'autorité de contrôle a publié la suspension ou l'interdiction au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus en contravention à celle-ci sont nuls;
  5° enjoindre à un établissement de crédit de céder des droits d'associés qu'il détient conformément aux articles 89 et 90 du Règlement n° 575/2013; l'article 54, alinéa 2, est applicable;
  [2 5° /1 enjoindre à l'établissement de céder l'ensemble ou une partie de son activité ou de son réseau. En ce cas, les articles 77, alinéa 1er, 4° et 78 sont applicables si la cession a lieu entre établissements de crédit ou entre un tel établissement et d'autres institutions financières;]2
  6° [9 révoquer l'agrément. Toutefois, la Banque centrale européenne ne peut pas révoquer l'agrément lorsque le manquement de l'établissement de crédit ne consiste que dans le seul défaut de se conformer aux exigences prévues aux articles 92bis ou 92ter du Règlement n° 575/2013. La décision de révocation et ses motifs sont notifiés par la Banque centrale européenne à l'Autorité bancaire européenne.]9
  [12 Outre et sans préjudice de l'article XX.1er du Code de droit économique, la nomination d'un commissaire spécial ou d'un administrateur provisoire, quelle qu'en soit l'appellation, auprès d'un établissement de crédit relève de la compétence exclusive de l'autorité de contrôle.]12
  § 2. Nonobstant les conditions d'application du paragraphe 1er, en cas d'extrême urgence [2 ou lorsque la gravité des faits le justifie]2, l'autorité de contrôle peut adopter les mesures visées audit paragraphe 1er sans qu'un délai soit préalablement fixé.
  § 3. Les décisions de l'autorité de contrôle visées au paragraphe 1er sortissent leurs effets à l'égard de l'établissement à dater de leur notification à celui-ci par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception et, à l'égard des tiers, à dater de leur publication conformément aux dispositions du paragraphe 1er.
  § 4. L'autorité de contrôle peut également adopter les mesures visées au présent article dans le cas où un établissement de crédit a obtenu un agrément au moyen de fausses déclarations ou par tout autre moyen irrégulier.
  [3 § 4/1. [10 Lorsque les mesures visées au présent article sont adoptées pour non-respect des obligations prévues par ou en vertu de la présente loi en vue de la transposition des directives 2014/65/UE et 2019/2162/UE, l'autorité de contrôle publie l'adoption de ces mesures, respectivement, conformément, aux articles 71 et 24 desdites directives.
   Conformément aux articles 71 et 24 précités, lorsque les décisions imposant de telles mesures font l'objet d'un recours, l'autorité de contrôle peut, tenant compte des circonstances, les publier. Dans ce cas, elle publie également l'état d'avancement et le résultat du recours sans retard injustifié.
   Dans les cas où l'autorité de contrôle publie de telles décisions de manière anonyme, les données anonymisées peuvent être rendues publiques dès lors que les raisons justifiant l'anonymat cessent d'exister.]10
]3

  § 5. L'article 234, §§ 1er et 2, ainsi que le paragraphe 1er, [11 ...]11 1°, 2°, 4° et 6° et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont applicables au cas où l'autorité de contrôle a connaissance du fait qu'un établissement de crédit a mis en place [7 un mécanisme particulier au sens de l'article 21, § 1er/1]7.
  [4 § 5/1. L'article 234, § 1er, ainsi que le § 1er, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° et 6° et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont applicables dans les cas où l'autorité de contrôle constate qu'un établissement de crédit ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions du Titre II du Règlement n° 648/2012 [5 ou les articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365]5.]4
  § 6. En cas d'infraction grave et systématique aux règles visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, ou § 2, de la loi du 2 août 2002, [1 la Banque centrale européenne]1 peut révoquer l'agrément, le cas échéant, sur demande de la Banque faisant suite à une demande de la FSMA selon la procédure et les modalités fixées par l'article 36bis de cette même loi.
  § 7. [12 Dans les cas où l'autorité de contrôle constate qu'une personne qui exerce ou a exercé une fonction visée à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, ne satisfait plus à l'exigence légale d'honorabilité professionnelle nécessaire ou d'expertise adéquate, l'autorité de contrôle peut imposer une interdiction à cette personne d'exercer des fonctions dans des établissements de crédit, sans que cette interdiction puisse excéder une durée de cinq ans.
   La Banque peut compléter une décision d'interdiction adoptée en vertu de l'alinéa 1er par une interdiction d'exercer des fonctions dans d'autres établissements visés à l'article 36/2, § 1er, de la loi du 22 février 1998.
   Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 précisent la nature des fonctions interdites.
   Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 sont notifiées à la personne concernée et à l'établissement de crédit au sein duquel cette personne concernée exerçait une fonction visée à l'article 19, § 1er, alinéa 1er. La Banque informe la FSMA de ces décisions.]12

  § 8. Le [6 tribunal de l'entreprise]6 prononce à la requête de tout intéressé, les nullités prévues au paragraphe 1er, alinéa 2, 1° et 4°.
  L'action en nullité est dirigée contre l'établissement. Si des motifs graves le justifient, le demandeur en nullité peut solliciter en référé la suspension provisoire des actes ou décisions attaqués. L'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité produisent leurs effets à l'égard de tous. Au cas où l'acte ou la décision suspendus ou annulés ont fait l'objet d'une publication, l'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité sont publiés en extrait dans les mêmes formes.
  Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte aux droits acquis de bonne foi par un tiers à l'égard de l'établissement, le tribunal peut déclarer sans effet la nullité à l'égard de ces droits, sans préjudice du droit du demandeur à des dommages et intérêts s'il y a lieu.
  L'action en nullité ne peut plus être intentée après l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date à laquelle les actes ou décisions intervenus sont opposables à celui qui invoque la nullité ou sont connus de lui.
  
Art. 236/1. [1 § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 236, § 1 dragen voor rekening van de toezichthouder bij aan de uitoefening van zijn wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
   - handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2 vastgelegde doel;
   - volgen zij de instructies van de toezichthouder met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
   - zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de toezichthouder vereist;
   - brengen zij op verzoek van de toezichthouder, volgens de modaliteiten die hij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
   § 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de toezichthouder, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
   De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de kredietinstelling door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 236, § 1, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de kredietinstelling in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de toezichthouder, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.]1

  
Art. 236/1. [1 § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 236, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de l'autorité de contrôle, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
   - ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 ;
   - ils suivent les instructions de l'autorité de contrôle quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
   - ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de l'autorité de contrôle ;
   - ils font, à la requête de l'autorité de contrôle, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'établissement et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
   § 2. Leur qualité d'auxiliaire de l'autorité de contrôle précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
   La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement de crédit par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 236, § 1er, 2° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'établissement de crédit de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de l'autorité de contrôle exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.]1

  
Art.237. [1 § 1.]1 De Bank stelt de FSMA in kennis van de [3 maatregelen]3 genomen overeenkomstig de artikelen 233 tot 236 en houdt de FSMA op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze [3 maatregelen]3.
  Zij brengt hiervan tevens de bevoegde autoriteiten op de hoogte die toezicht houden op de kredietinstellingen van de andere lidstaten waar een kredietinstelling naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 4 in het kader van het vrij verrichten van diensten.
  [4 Wanneer de Bank met toepassing van de bepalingen van het eerste lid een maatregel oplegt wegens niet-naleving van de door of krachtens Richtlijn 2019/2162/EU vastgestelde verplichtingen, stelt zij de Europese Bankautoriteit daarvan in kennis, evenals van de status en de uitkomst van eventuele beroepsprocedures.]4
  [1 § 2. Voorts brengt de toezichthouder de afwikkelingsautoriteit op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van de artikelen 234 tot 236 zijn getroffen evenals van de vaststelling dat de in de artikelen 234, § 1, en 236, § 1, bedoelde omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot de toepassing van de maatregelen waarin deze bepalingen voorzien, zich hebben voorgedaan.]1
  [2 § 3. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, op basis van de in paragraaf 2 bedoelde informatie, van de betrokken kredietinstelling te eisen dat zij met potentiële overnemers contact opneemt om de afwikkeling van de kredietinstelling voor te bereiden, met inachtneming van de voorwaarden bepaald in artikel 257, § 1.]2
  
Art.237. [1 § 1er.]1 La Banque informe la FSMA des [3 mesures]3 prises conformément aux articles 233 à 236 et tient la FSMA informée des suites données aux recours pris contre ces [3 mesures]3.
  Elle en informe également les autorités de compétentes des établissements de crédit des autres Etats membres dans lesquels un établissement de crédit de droit belge a établi des succursales ou exerce des activités visées à l'article 4, sous le régime de la libre prestation de services.
  [4 Lorsque la Banque impose une mesure en application des dispositions visées à l'alinéa 1er pour non-respect des obligations prévues par ou en vertu de la directive 2019/2162/UE, elle en informe l'Autorité bancaire européenne, ainsi que de l'état d'avancement et du résultat des recours éventuels.]4
  [1 § 2. L'autorité de contrôle informe également l'autorité de résolution des mesures prises en application des articles 234 à 236 ainsi que du constat de la survenance des circonstances visées aux articles 234, § 1er, et 236, § 1er, susceptibles de donner lieu à l'application des mesures prévues à ces dispositions.]1
  [2 § 3. L'autorité de résolution a le pouvoir, sur la base des informations visées au paragraphe 2, d'exiger de l'établissement de crédit concerné qu'il prenne contact avec des repreneurs potentiels afin de préparer la résolution de l'établissement de crédit, conformément aux conditions énoncées à l'article 257, § 1er.]2
  
Art.238. [2 § 1.]2 [2 Kredietinstellingen waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen met toepassing van de artikelen 233, eerste lid en 236 blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan
   1° tot de van het publiek ontvangen gelden en de aan de cliënten verschuldigde financiële instrumenten zijn terugbetaald, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° ; of
   2° tot de verbintenissen die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten vereffend of terugbetaald zijn, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°,
   tenzij de toezichthouder hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.]2

  Dit artikel is niet van toepassing bij de intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde kredietinstelling.
  [2 § 2. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, waarvan de vergunning is ingetrokken met toepassing van artikel 233, tweede lid, blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan, tot op de datum waarop zij op grond van artikel 491 een vergunning verkrijgen.
   Indien de in artikel 491 bedoelde vergunning wordt geweigerd, blijven zij onderworpen aan die bepalingen en normen tot de verbintenissen die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten vereffend of terugbetaald zijn.]2

  
Art.238. [2 § 1er.]2 [2 Les établissements de crédit dont l'agrément a été radié ou révoqué en application des articles 233, alinéa 1er et 236 restent soumis aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions de la présente loi et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci
   1° jusqu'au remboursement des fonds reçus du public et à la restitution des instruments financiers dus aux clients, pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° ; ou
   2° jusqu'à la liquidation des engagements résultant de fonds et d'instruments financiers dus aux clients ou la restitution de ceux-ci, pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°,
   à moins que l'autorité de contrôle ne les en dispense pour certaines dispositions.]2

  Le présent article n'est pas applicable en cas de radiation de l'agrément d'un établissement de crédit déclaré en faillite.
  [2 § 2. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, dont l'agrément est radié en application de l'article 233, alinéa 2 restent soumis aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions de la présente loi et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci, jusqu'à la date à laquelle un agrément leur est octroyé en vertu de l'article 491.
   Si l'agrément visé à l'article 491 leur est refusé, ils restent soumis auxdites dispositions et normes, jusqu'à la liquidation des engagements résultant de fonds et d'instruments financiers dus aux clients ou la restitution de ceux-ci.]2

  
TITEL VII. - Federaties van kredietinstellingen
TITRE VII. - Des fédérations d'établissements de crédit
Art.239. § 1. In dit artikel worden de kredietinstellingen bedoeld [3 in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°,]3 die hun bedrijf uitoefenen in de volgende omstandigheden :
  1° zij zijn vast aangesloten bij een centrale instelling waarvoor de bepalingen van de Titels I tot VI van dit Boek gelden en waarmee zij een federatie vormen op grond van door de [1 Europese Centrale Bank]1 goedgekeurde aansluitingsregels;
  2° de verplichtingen van de aangesloten instellingen en van de centrale instelling vormen hoofdelijke verplichtingen;
  3° voor de verrichtingen en de organisatie van de aangesloten instellingen geldt een uniforme interne reglementering van de federatie;
  4° de centrale instelling oefent rechtstreeks toezicht uit op de aangesloten instellingen en is bevoegd om hen instructies te geven voor hun beleid, hun verrichtingen en hun organisatie.
  § 2. Onverminderd de naleving van de overige bepalingen van dit Boek, van Boek III, Titel III en van Boeken IV, V, VI et VIII, zijn de hierna vermelde bepalingen als volgt van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen :
  1° over de vergunning wordt beslist nadat de centrale instelling haar standpunt heeft meegedeeld aan de Bank over de naleving door de instelling van de aansluitingsvoorwaarden en van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden. De aangesloten instellingen vermelden hun aansluiting in hun statuten, op hun aandelen, effecten, stukken, correspondentie en in hun reclame. De vergunning vervalt bij het stopzetten van de aansluiting overeenkomstig de geldende regels voor de federatie; die brengt dit ten minste een maand vooraf ter kennis van de toezichthouder, die alle nodige maatregelen kan eisen voor de bescherming van de rechten van de schuldeisers. Beslissingen inzake vergunning hoeven niet te worden bekendgemaakt op de lijst van de kredietinstellingen;
  2° het in artikel 17 bedoelde minimumbedrag van het kapitaal is vereist op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  3° artikel 19 is niet van toepassing op de leiders van de aangesloten instellingen;
  4° artikel 55 is van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  5° artikel 72, § 1 wordt uitgebreid tot alle aangesloten instellingen voor leningen, kredieten en borgstellingen aan bestuurders of zaakvoerders van de centrale instelling; het is niet van toepassing op leningen, kredieten en borgstellingen vanwege de centrale instelling of een andere aangesloten instelling, aan bestuurders van aangesloten instellingen die geen functie van dagelijks bestuur uitoefenen, indien deze leningen, kredieten of borgstellingen voldoen aan de voorwaarden die voor de federatie gelden en die door de [1 Europese Centrale Bank]1 zijn goedgekeurd;
  6° de artikelen 86 tot 92 en artikel 89 van Verordening nr. 575/2013 zijn van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  7° de artikelen 94 tot 107, 149 tot 152 en de krachtens artikel 98 vastgestelde reglementen evenals de artikelen 92, 412 en 413 van Verordening nr. 575/2013 zijn van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  8° onverminderd de naleving van deze bepalingen door de centrale instelling wat haar betreft, zijn paragraaf 2 van artikel 106 en artikel 107, waarbij diverse kennisgevingen en bekendmakingen worden voorgeschreven, van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  9° de centrale instelling staat ervoor in dat de bepalingen van deze Titel en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen worden nageleefd door de aangesloten instellingen; zij staat eveneens in voor hun beleid, hun administratieve en boekhoudkundige organisatie en hun interne controle;
  10° Hoofdstuk IV van Titel III van dit Boek is niet van toepassing op de aangesloten instellingen afzonderlijk. De opdrachten en plichten van de bij de centrale instelling werkzame erkende commissarissen slaan op de gezamenlijke positie en werking van de federatie. Deze commissarissen kunnen ter plaatse bij de aangesloten instellingen het toezicht uitoefenen dat zij noodzakelijk achten. Zij brengen verslag uit aan de organen van de centrale instelling. De aangesloten instellingen mogen aan de erkende commissarissen geen leningen, kredieten of borgstellingen toestaan noch hen om het even welke vergoeding of voordelen toekennen;
  11° de bij de centrale instelling werkzame erkende commissarissen hebben op het vlak van de gezamenlijke periodieke staten en de gezamenlijke jaarrekening van de federatie dezelfde plichten als op het vlak van de periodieke staat en de jaarrekening van de centrale instelling;
  12° [2 in afwijking van artikel 3:73 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn de aangesloten instellingen met de rechtsvorm van een coöperatieve vennootschap niet verplicht om een of meer commissarissen te benoemen, ongeacht hun omvang. Wanneer zij geen commissaris hebben benoemd, zijn de artikelen 3:100 en 3:101 van hetzelfde Wetboek van toepassing. Van de aangesloten instellingen wordt niet vereist dat zij afzonderlijk hun jaarrekening neerleggen zoals vereist door artikel 106, § 1. De vennoten van de aangesloten instellingen en iedere belanghebbende hebben in elk geval het recht om, ter plaatse, kennis te nemen van de laatste jaarrekening van deze instellingen;]2
  13° [2 in afwijking van artikel 2:5, § 1, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen kunnen de aangesloten instellingen met de rechtsvorm van een coöperatieve vennootschap]2 bij bijzondere openbare of particuliere akte worden opgericht. De akten tot wijziging van de statuten kunnen, ongeacht de vorm van de oprichtingsakte, eveneens bij bijzondere openbare of particuliere akte opgesteld worden.
  
Art.239. § 1er. Sont visés par le présent article, les établissements de crédit [3 au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°,]3 qui exercent leurs activités dans les conditions suivantes :
  1° ils sont affiliés de façon permanente à un organisme central soumis aux dispositions des Titres Ier à VI du présent Livre, avec lequel ils forment une fédération selon des règles d'affiliation approuvées par [1 la Banque centrale européenne]1;
  2° les engagements des établissements affiliés et de l'organisme central constituent des engagements solidaires;
  3° les opérations et l'organisation des établissements affiliés sont soumises à une réglementation uniforme interne de la fédération;
  4° l'organisme central exerce un contrôle direct sur les établissements affiliés et a le pouvoir de donner à ceux-ci des instructions relatives à leur gestion, à leurs opérations et à leur organisation.
  § 2. Sans préjudice du respect des autres dispositions du présent Livre, du Livre III, Titre III et des Livres IV, V, VI et VIII, les dispositions qui suivent s'appliquent de la manière indiquée ci-après aux établissements de crédit visés au paragraphe 1er :
  1° l'agrément est décidé sur l'avis donné à la Banque par l'organisme central concernant le respect par l'établissement des conditions d'affiliation et des conditions visées au paragraphe 1er du présent article. Les établissements affiliés mentionnent leur affiliation dans leurs statuts et dans leurs titres, effets, documents, correspondance et publicité. L'agrément prend fin par suite de la cessation de l'affiliation conformément aux règles applicables à la fédération; celle-ci donne un avis un mois à l'avance au moins à l'autorité de contrôle qui peut exiger toutes mesures nécessaires à la protection des droits des créanciers. Les décisions en matière d'agrément ne doivent pas être publiées à la liste des établissements de crédit;
  2° le montant minimum du capital prévu à l'article 17 est exigé sur base de la situation globale de l'organisme central et de ses établissements affiliés;
  3° l'article 19 n'est pas applicable aux dirigeants des établissements affiliés;
  4° l'article 55 s'applique sur base de la situation globale de l'organisme central et de ses établissements affiliés;
  5° l'article 72, § 1er est étendu aux établissements affiliés pour l'octroi de prêts, crédits et garanties aux administrateurs ou gérants de l'organisme central; il ne s'applique pas aux prêts, crédits et garanties octroyés par l'organisme central ou un autre établissement affilié à des administrateurs des établissements affiliés n'exerçant pas de fonctions de gestion courante si ces prêts, crédits ou garanties répondent aux conditions fixées par des règles applicables à la fédération et approuvées par [1 la Banque centrale européenne]1;
  6° les articles 86 à 92 ainsi que l'article 89 du Règlement n° 575/2013 s'appliquent sur base de la situation globale de l'organisme central et des établissements affiliés;
  7° les articles 94 à 107, 149 à 152 et les règlements pris en vertu de l'article 98 ainsi que les articles 92, 412 et 413 du Règlement n° 575/2013 s'appliquent sur base de la situation globale de l'organisme central et des établissements affiliés;
  8° sans préjudice du respect de ces dispositions par l'organisme central pour ce qui le concerne, le paragraphe 2 de l'article 106 et l'article 107 prescrivant diverses communications et publications s'appliquent sur la base de la situation globale de l'organisme central et des établissements affiliés;
  9° l'organisme central répond du respect par les établissements affiliés des dispositions du présent Titre et de celles qui sont prises en exécution de celui-ci; il répond également de leur gestion, de leur organisation administrative et comptable et de leur contrôle interne;
  10° le Chapitre IV du Titre III du présent Livre n'est pas applicable aux établissements affiliés pris isolément. La mission et les devoirs des commissaires agréés en fonction auprès de l'organisme central s'étendent à la situation et au fonctionnement d'ensemble de la fédération. Ces commissaires peuvent effectuer sur place les contrôles qu'ils jugent nécessaires auprès des établissements affiliés. Ils font rapport aux organes de l'organisme central. Les établissements affiliés ne peuvent consentir de prêts, de crédits ou de garanties aux commissaires agréés ni leur accorder une rémunération ou des avantages quelconques;
  11° les commissaires agréés en fonction auprès de l'organisme central assurent à l'égard des situations périodiques globales et des comptes annuels globaux de la fédération les mêmes devoirs qu'à l'égard des situations périodiques et des comptes annuels de l'organisme central;
  12° [2 par dérogation à l'article 3:73 du Code des sociétés et des associations, les établissements affiliés qui ont la forme de société coopérative ne sont pas tenus de nommer un ou plusieurs commissaires, quelle que soit leur taille. Lorsqu'ils n'ont pas nommé de commissaire, les articles 3:100 et 3:101 du même Code sont applicables. Le dépôt des comptes annuels prescrit par l'article 106, § 1er n'est pas requis isolément des établissements affiliés. Les associés des établissements affiliés et tous intéressés ont, en tout cas, le droit de prendre, sans déplacement, connaissance des derniers comptes annuels de ces établissements;]2
  13° [2 par dérogation à l'article 2:5, § 1er, alinéa 2, du Code des sociétés et des associations, les établissements affiliés qui ont la forme de société coopérative]2 peuvent être formés par des actes spéciaux publics ou sous signature privée. Les actes modifiant les statuts peuvent également, quelle que soit la forme de leur acte constitutif, être des actes spéciaux publics ou sous signature privée.
  
Art.240. De door Crelan nv erkende kredietkassen vormen met haar een federatie van kredietinstellingen in de zin van artikel 239. De raad van bestuur van Crelan nv erkent de kredietkas die voldoet aan de voorwaarden opgenomen in de aansluitingsregels die vastgesteld zijn door de raad van bestuur overeenkomstig artikel 239, § 1, 1°.
  Het directiecomité stelt de uniforme interne reglementering op van de federatie van kredietinstellingen, overeenkomstig artikel 239, § 1, 3°, en oefent, ten aanzien van deze kassen, de in artikel 239, § 1, 4°, bedoelde bevoegdheden uit.
Art.240. Les caisses de crédit affiliées par le Crelan S.A. forment avec celui-ci une fédération d'établissements de crédit au sens de l'article 239. L'affiliation d'une caisse de crédit est décidée par le Conseil d'administration du Crelan S.A. lorsque cette caisse remplit les conditions prévues par les règles d'affiliation adoptées par le conseil d'administration conformément à l'article 239, § 1er, 1°.
  Le comité de direction établit la réglementation uniforme interne de la fédération d'établissements de crédit, conformément à l'article 239, § 1er, 3°, et exerce, à l'égard de ces caisses, les compétences visées à l'article 239, § 1er, 4°.
Art.241. § 1. De aansluitingsregels van de in artikel 240 bedoelde bankfederatie zullen de nodige bepalingen inhouden tot uitvoering en implementering van artikel 239. Onverminderd de aan de toezichthouder krachtens artikel 239, § 2, 1°, toevertrouwde bevoegdheden, kan de afstand van erkenning of de vrijwillige stopzetting van bankactiviteiten door een erkende vereniging aan geen enkele andere voorwaarde worden onderworpen dan het eerbiedigen van een opzegtermijn die eindigt op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de kennisgeving van de afstand van erkenning of van de stopzetting van krediet en depositoactiviteiten aan de centrale instelling wordt gedaan. De raad van bestuur van Crelan nv kan nochtans, bij een gemotiveerde beslissing, toelaten dat de afstand van erkenning of de vrijwillige stopzetting van krediet en depositoactiviteiten op een vroeger tijdstip uitwerking krijgt.
  § 2. De erkende kredietkassen kunnen tezamen of met derden de controle verwerven over de centrale instelling. Een erkende kredietkas kan de exclusieve of gezamenlijke controle over deze instelling niet verwerven zonder eerst aan de andere erkende kredietkassen te hebben voorgesteld aan deze controle deel te nemen in verhouding tot volgende boekhoudkundige elementen, zoals zij op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de datum van de verwerving, na de verwerking van het resultaat zijn geboekt en zoals zij zijn omschreven door de reglementering op de jaarrekeningen van de kredietinstellingen : de reserves, de herwaarderingsmeerwaarden, de voorzorgsfondsen voor toekomstige risico's en het overgedragen negatieve resultaat.
Art.241. § 1er. Les règles d'affiliation de la fédération visée à l'article 240 contiendront les dispositions nécessaires à l'exécution et à la mise en oeuvre de l'article 239. Sans préjudice des pouvoirs conférés à l'autorité de contrôle en vertu de l'article 239, § 2, 1°, la renonciation à l'affiliation ou la cessation volontaire des activités bancaires par une caisse affiliée ne pourra être soumise à d'autre condition que celle de respecter un préavis expirant le 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle la déclaration de renonciation ou de cessation des activités de dépôt et de crédit est notifiée à l'organisme central. Le conseil d'administration du Crelan S.A. pourra toutefois, par décision motivée, autoriser que la renonciation à l'affiliation ou la cessation volontaire des activités de dépôt et de crédit produise ses effets à une date plus rapprochée.
  § 2. Les caisses de crédit affiliées peuvent acquérir ensemble ou avec des tiers le contrôle de l'organisme central. Une caisse de crédit affiliée ne peut en acquérir le contrôle exclusif ou contrôle conjoint sans avoir préalablement proposé aux autres caisses de crédit affiliées de participer à ce contrôle en proportion des éléments comptables suivants, tels qu'ils ont été comptabilisés au 31 décembre de l'année précédant la date de l'acquisition, après affectation du résultat et tels que définis par la réglementation relative aux comptes annuels des établissements de crédit : les réserves, les plus-values de réévaluation, les fonds de prévoyance pour risques futurs et le résultat positif ou négatif reporté.
TITEL VIII. - Afwikkeling van kredietinstellingen
TITRE VIII. - Résolution des défaillances des établissements de crédit
HOOFDSTUK I. - Definities
CHAPITRE Ier. - Définitions
Art.242. [5 Voor de toepassing van Boek II, Titel IV en Titel VIII en van Boek XI, evenals van de besluiten en reglementen vastgesteld ter uitvoering ervan, dient te worden verstaan onder:]5
  1° afwikkelingsmaatregel : de beslissing van de afwikkelingsautoriteit [3 om de kapitaalinstrumenten [5 en in aanmerking komende schulden]5 van een kredietinstelling om te zetten of af te schrijven of]3 om een afwikkelingsinstrument toe te passen op een kredietinstelling of om ten aanzien van een dergelijke instelling een afwikkelingsbevoegdheid uit te oefenen;
  2° afwikkelingsbevoegdheid : een bevoegdheid bedoeld [3 in artikel 276, 277, 279, 280, 281, 281/1 of 281/2]3;
  3° instrument van verkoop van de onderneming : het mechanisme dat de afwikkelingsautoriteit toelaat om aandelen of andere eigendoms-instrumenten uitgegeven door een kredietinstelling in afwikkeling, of activa, rechten of verbintenissen van een dergelijke kredietinstelling, te doen overdragen aan een overnemer overeenkomstig artikel 256;
  4° instrument van de overbruggingsinstelling : het mechanisme dat de afwikkelingsautoriteit toelaat om aandelen of andere eigendoms-instrumenten uitgegeven door een kredietinstelling in afwikkeling, of activa, rechten of verbintenissen van een dergelijke kredietinstelling, te doen overdragen aan een overbruggingsinstelling overeenkomstig artikel 260;
  5° instrument van afsplitsing van activa : het mechanisme dat de afwikkelingsautoriteit toelaat om activa, rechten of verbintenissen van een kredietinstelling in afwikkeling te doen overdragen aan een vehikel voor activabeheer overeenkomstig artikel 265;
  [1 5° /1 instrument van interne versterking : het mechanisme voor het verrichten van de uitoefening door de afwikkelingsautoriteit van de bevoegdheden voor het afschrijven of omzetten van de passiva van een kredietinstelling in afwikkeling, overeenkomstig artikel 267/1;
   5° /2 derivaat : een derivaat in de zin van artikel 2, lid 5 van Verordening nr. 648/2012;
   5° /3 Verordening nr. 648/2012 : Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;]1

  6° ontvanger : een overnemer, een overbruggingsinstelling of een vehikel voor activabeheer, naargelang het geval;
  7° overnemer : een rechtspersoon die geen overbruggingsinstelling of vehikel voor activabeheer is, aan wie aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van een kredietinstelling in afwikkeling worden overgedragen;
  8° overbruggingsinstelling : een rechtspersoon die geheel of gedeeltelijk wordt aangehouden door een of meer overheden, die wordt gecontroleerd door de afwikkelingsautoriteit, en die is opgericht voor het verwerven van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van een of meer kredietinstellingen in afwikkeling, met het oog op het voortzetten van alle of een deel van de werkzaamheden en diensten van die instellingen;
  9° vehikel voor activabeheer : een rechtspersoon die geheel of gedeeltelijk wordt aangehouden door een of meer overheden, die wordt gecontroleerd door de afwikkelingsautoriteit, en die is opgericht voor het verwerven van activa, rechten of verbintenissen van een of meer kredietinstellingen in afwikkeling of van een of meer overbruggingsinstellingen;
  10° [5 bail-inbare schulden: verbintenissen of schulden en kapitaalinstrumenten van een kredietinstelling, die geen tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullend-tier 1-instrumenten of aanvullend-tier 2-instrumenten zijn en die tot geen van de volgende categorieën behoren:
   a) gewaarborgde deposito's;
   b) door zekerheid gedekte verplichtingen, met inbegrip van covered bonds;
   c) verplichtingen die ontstaan door het aanhouden van activa of gelden van cliënten, voor zover de aanspraken van deze cliënten worden erkend onder het faillissementsrecht;
   d) verplichtingen die ontstaan ingevolge een fiduciaire relatie tussen de kredietinstelling als fiduciaris en een andere persoon als begunstigde, voor zover de aanspraken van deze begunstigde worden erkend onder het faillissementsrecht of het burgerlijk recht;
   e) verplichtingen jegens niet-verbonden kredietinstellingen of beleggingsondernemingen met een looptijd van minder dan zeven dagen;
   f) verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen ten aanzien van systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, of ten aanzien van de deelnemers daarin, en die voortvloeien uit de deelneming aan een dergelijk systeem, of ten aanzien van vergunde of erkende centrale tegenpartijen overeenkomstig de artikelen 14 of 25 van Verordening nr. 648/2012;
   g) verplichtingen ten aanzien van werknemers met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele component van de bezoldiging en van de variabele component van de bezoldiging van personen die risiconemende functies uitoefenen;
   h) verplichtingen ten aanzien van schuldeisers die voortvloeien uit de levering aan de kredietinstelling van informaticadiensten en nutsvoorzieningen, de huur, het onderhoud en het herstel van kantoorruimte of andere goederen of diensten die onontbeerlijk zijn voor de dagelijkse werkzaamheden van de instelling;
   i) schulden ten aanzien van belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, voor zover de corresponderende schuldvorderingen voorrang genieten volgens het toepasselijke recht;
   j) schulden ten aanzien van depositogarantiestelsels voor de betaling van de bijdragen verschuldigd overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake depositogarantiestelsels; en
   k) schulden ten aanzien van kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 1° /1 tot en met 4°, die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, ongeacht de looptijd ervan, behalve indien die verplichtingen in de crediteurenrangorde volgens het nationaal recht inzake liquidatieprocedures, lager gerangschikt zijn dan gewone ongedekte verplichtingen;]5

  [5 10/1° in aanmerking komende schulden: bail-inbare schulden die, voor zover van toepassing, aan de voorwaarden van artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, 1°, voldoen, evenals tier 2-instrumenten die aan de voorwaarden van artikel 72bis, lid 1, punt b) van Verordening nr. 575/2013 voldoen;
   10/2° achtergestelde in aanmerking komende instrumenten: instrumenten die voldoen aan alle in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met uitzondering van artikel 72ter, leden 3 tot en met 5 van die verordening;]5

  11° door zekerheid gedekte verplichting : een verplichting waarbij het recht van de schuldeiser op betaling of een andere vorm van tenuitvoerlegging wordt gedekt door een recht, een pand, een voorrecht of een zekerheidsregeling, met inbegrip van verplichtingen die voortvloeien uit cessie-retrocessietransacties (repos) en andere zekerheidsovereenkomsten met eigendomsoverdracht;
  12° relevante kapitaalinstrumenten : aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 52, lid 1, en artikel 63 van Verordening nr. 575/2013;
  [5 12/1° dochteronderneming:
   a) een dochteronderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 16) van Verordening nr. 575/2013, en
   b) voor de toepassing van de artikelen 250 tot 254, 267/3 tot 267/5/9, 418, 425 tot 429, 439 tot 447, 449 tot 451, 458, 465 tot 467 en 472 tot 477, op af te wikkelen groepen als bedoeld in punt 13° /2, b) van dit artikel, kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centrale instelling, de centrale instelling zelf en hun respectieve dochterondernemingen, zoals aangeduid door de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 267/5/3, § 3;
   12/2° dochteronderneming van wezenlijk belang: een dochteronderneming van wezenlijk belang als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 135 van Verordening nr. 575/2013;]5

  13° groep : de groep gevormd door een kredietinstelling naar Belgisch recht en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen, die als dusdanig is onderworpen aan een toezicht op geconsolideerde basis.
  [5 13/1° af te wikkelen entiteit: een in de EER gevestigde rechtspersoon die door de afwikkelingsautoriteit wordt aangemerkt als een entiteit ten aanzien waarvan het groepsafwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet, of een kredietinstelling die geen deel uitmaakt van een groep die aan geconsolideerd toezicht is onderworpen en ten aanzien waarvan het overeenkomstig artikel 226 opgestelde afwikkelingsplan voorziet in afwikkelingsmaatregelen;
   13/2° af te wikkelen groep:
   a) een af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen voor zover die dochterondernemingen zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, geen dochterondernemingen zijn van andere af te wikkelen entiteiten of geen in een derde land gevestigde entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 die volgens het afwikkelingsplan geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep en de dochterondernemingen daarvan; of
   b) kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centrale instelling en de centrale instelling zelf, indien ten minste een van deze kredietinstellingen of het centrale orgaan een af te wikkelen entiteit is, en hun respectieve dochterondernemingen;]5

  [6 L'autorité de résolution informe l'ABE de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles qui a été fixée conformément à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4, y compris les décisions prises en vertu de l'article 267/5/4, § 1er, alinéa 4, pour chaque entité relevant de sa compétence.]6
  14° Richtlijn 98/26/EG : Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;
  15° rechtbank : de [4 ondernemingsrechtbank]4 te Brussel.
  16° het hof van beroep : het hof van beroep te Brussel;
  17° [1 beschikkingsbeslissing : de beslissing van de afwikkelingsautoriteit om aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen te doen overgaan, de afschrijving of de omzetting van passiva met toepassing van een afwikkelingsinstrument of de beslissing om de bevoegdheden bedoeld in artikel 250 of in artikel 276, § 2, 2°, 3°, 4°, 4° /1, 4° /2, 4° /3, 4° /4 en 5° uit te oefenen;]1
  18° eigenaars : natuurlijke of rechtspersonen die, op de datum van de afwikkelingsmaatregel, eigenaars zijn van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten of activa, of houders zijn van vorderingen of andere rechten, die het voorwerp uitmaken van een daad van beschikking bevolen door de afwikkelingsautoriteit in het kader van een afwikkelingsmaatregel;
  19° compensatoir bedrag : de som van de bedragen die de eigenaars van eenzelfde categorie effectief hebben gerecupereerd, of die zij redelijkerwijze kunnen verwachten te recupereren, op hun aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, vorderingen of andere rechten in het kader van een afwikkelingsprocedure, zoals berekend of geraamd volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning, met inbegrip van, naargelang het geval, het deel van de prijs dat de aandeelhouders toekomt krachtens de artikelen 256, § 3, 1°, of 260, § 4, 1°, hun deel van de netto-opbrengst van de vereffening van de kredietinstelling en, in voorkomend geval, het prijssupplement bedoeld in artikel 248, § 2, en de compensatie bedoeld in artikel 284;
  [2 20° beëindigingsrecht : een recht om een contract te beëindigen, een recht om een verplichting te versnellen, voortijdig te beëindigen of te verrekenen, dan wel een soortgelijke bepaling die een verplichting van een partij bij het contract opschort, wijzigt of nietig verklaart of een bepaling die het ontstaan belet van een verplichting uit hoofde van het contract die anders zou zijn ontstaan;
   21° schuldinstrumenten : voor de toepassing van artikel 276, § 2, 4° /3 en 4° /4, obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld, instrumenten die een schuld creëren of erkennen en instrumenten die recht geven op het verwerven van schuldinstrumenten.]2

  
Art.242. [5 Pour l'application du Livre II, Titre IV et Titre VIII et du Livre XI, ainsi que des arrêtés et règlements pris pour leur exécution, il y a lieu d'entendre par :]5
  1° mesure de résolution, la décision de l'autorité de résolution [3 de déprécier ou convertir les instruments de fonds propres [5 et les dettes éligibles]5 d'un établissement de crédit ou]3 de mettre en oeuvre un instrument de résolution à l'égard d'un établissement de crédit ou d'exercer un pouvoir de résolution à l'encontre d'un tel établissement;
  2° pouvoir de résolution, un pouvoir visé [3 à l'article 276, 277, 279, 280, 281, 281/1 ou 281/2]3;
  3° instrument de cession des activités, le mécanisme permettant à l'autorité de résolution, conformément à l'article 256, de transférer à un repreneur des actions ou autres titres de propriété émis par un établissement de crédit soumis à une procédure de résolution ou des actifs, droits ou engagements d'un tel établissement de crédit;
  4° instrument de l'établissement-relais, le mécanisme permettant à l'autorité de résolution de transférer à un établissement-relais, conformément à l'article 260, des actions ou autres titres de propriété émis par un établissement de crédit soumis à une procédure de résolution ou des actifs, droits ou engagements d'un tel établissement de crédit;
  5° instrument de séparation des actifs, le mécanisme permettant à l'autorité de résolution, conformément à l'article 265, de transférer à une structure de gestion des actifs, des actifs, droits ou engagements d'un établissement de crédit soumis à une procédure de résolution;
  [1 5° /1 instrument de renflouement interne, le mécanisme permettant l'exercice par l'autorité de résolution, conformément à l'article 267/1, des pouvoirs de dépréciation et de conversion à l'égard d'éléments de passif d'un établissement de crédit soumis à une procédure de résolution;
   5° /2 produit dérivé, un produit dérivé au sens de l'article 2, point 5) du Règlement n° 648/2012;
   5° /3 Règlement n° 648/2012, le règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux;]1

  6° entité réceptrice, un repreneur, un établissement-relais ou une structure de gestion des actifs, selon le cas;
  7° repreneur, une entité juridique, autre qu'un établissement-relais ou une structure de gestion des actifs, à laquelle sont transférés des actions, autres titres de propriété, actifs, droits ou engagements d'un établissement de crédit soumis à une procédure de résolution;
  8° établissement-relais, une entité juridique qui est entièrement ou partiellement détenue par une ou plusieurs autorités publiques, est contrôlée par l'autorité de résolution, et a été créée dans le but de recevoir des actions, autres titres de propriété, actifs, droits ou engagements d'un ou plusieurs établissements de crédit soumis à une procédure de résolution, en vue de poursuivre tout ou partie des activités et services de ces établissements;
  9° structure de gestion des actifs, une entité juridique qui est entièrement ou partiellement détenue par une ou plusieurs autorités publiques, est contrôlée par l'autorité de résolution, et a été créée dans le but de recevoir des actifs, droits ou engagements d'un ou plusieurs établissements de crédit soumis à une procédure de résolution ou d'un ou plusieurs établissements-relais;
  10° [5 dettes utilisables pour un renflouement interne, les engagements ou éléments de passif et les instruments de capital d'un établissement de crédit qui ne sont pas des instruments de fonds propres de base de catégorie 1 ou des fonds propres additionnels de catégorie 1 ou de catégorie 2 et ne relèvent d'aucune des catégories suivantes :
   a) les dépôts assurés ;
   b) les engagements garantis, en ce compris les covered bonds ;
   c) les engagements résultant de la détention d'actifs ou de liquidités de clients, pour autant que les droits de ces clients soient reconnus en droit des faillites ;
   d) les engagements résultant d'une relation de fiducie entre l'établissement de crédit en tant que fiduciaire et une autre personne en tant que bénéficiaire, pour autant que les droits de ce bénéficiaire soient reconnus en droit des faillites ou en droit civil ;
   e) les engagements envers des établissements de crédit ou entreprises d'investissement non liés qui ont une échéance de moins de sept jours;
   f) les engagements d'une échéance résiduelle de moins de sept jours envers les systèmes ou opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE ou leurs participants et résultant de la participation à un tel système, ou envers des contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 ou à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 ;
   g) les engagements envers des travailleurs en liaison avec les salaires, allocations de retraite ou toute autre rémunération fixe, à l'exception de la composante variable de la rémunération qui n'est pas réglementée par une convention collective de travail et de la composante variable de la rémunération des personnes qui occupent une fonction impliquant une prise de risques ;
   h) les engagements envers des créanciers commerciaux en liaison avec la fourniture à l'établissement de crédit de services informatiques et de services d'utilité publique, la location, l'entretien et la maintenance des locaux ou d'autres biens ou services qui sont indispensables pour les activités quotidiennes de l'établissement ;
   i) les dettes envers les autorités fiscales et de sécurité sociale, pour autant que les créances correspondantes aient priorité selon droit applicable ;
   j) les dettes envers des systèmes de garantie des dépôts pour les contributions dues conformément à la Directive 2014/49/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relative aux systèmes de garantie des dépôts ; et
   k) les dettes envers des établissements de crédit ou des entités visées à l'article 424, 1° /1 à 4°, qui font partie du même groupe de résolution sans être eux-mêmes des entités de résolution, indépendamment de leur échéance, sauf lorsque ces engagements ont un rang inférieur aux engagements ordinaires non garantis conformément au droit national régissant la procédure de liquidation;]5

  [5 10/1° dettes éligibles, les dettes utilisables pour un renflouement interne qui remplissent, selon le cas, les conditions de l'article 267/5 ou de l'article 267/5/4, § 2, 1° et les instruments de fonds propres de catégorie 2 qui remplissent les conditions de l'article 72bis, paragraphe 1er, point b), du Règlement n° 575/2013 ;
   10/2° instruments éligibles subordonnés, les instruments qui remplissent toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013 autres que les paragraphes 3 à 5 de l'article 72ter dudit règlement ;]5

  11° engagement garanti, un engagement ou un élément de passif pour lequel le droit au paiement du créancier ou toute autre forme d'exécution est garanti par un droit, un nantissement, un privilège ou un dispositif de constitution de sûretés, en ce compris les engagements qui résultent d'opérations de cession-rétrocession (repos) et d'autres contrats de garantie avec transfert de propriété;
  12° instruments de fonds propres pertinents, les instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 et les instruments de fonds propres de catégorie 2 qui remplissent les conditions prévues respectivement aux articles 52, paragraphe 1 et 63 du Règlement n° 575/2013;
  [5 12/1° filiale,
   a) une filiale au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 16), du Règlement n° 575/2013 ; et
   b) aux fins de l'application des articles 250 à 254, 267/3 à 267/5/9, 418, 425 à 429, 439 à 447, 449 à 451, 458, 465 à 467 et 472 à 477, aux groupes de résolution visés au point 13° /2, b) du présent article, les établissements de crédit affiliés de manière permanente à un organisme central, l'organisme central lui-même et leurs filiales respectives qui sont désignés par l'autorité de résolution conformément à l'article 267/5/3, § 3 ;
   12/2° filiale importante, une filiale importante au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 135 du Règlement n° 575/2013 ;]5

  13° groupe, le groupe constitué par un établissement de crédit de droit belge et ses filiales belges et étrangères, soumis en tant que tel à une surveillance sur base consolidée;
  [5 13/1° entité de résolution, une personne morale établie dans l'EEE, que l'autorité de résolution désigne comme une entité pour laquelle le plan de résolution de groupe prévoit une mesure de résolution; ou un établissement de crédit qui ne fait pas partie d'un groupe soumis à la surveillance sur base consolidée et pour lequel le plan de résolution établi conformément à l'article 226 prévoit une mesure de résolution ;
   13/2° groupe de résolution,
   a) une entité de résolution et ses filiales pour autant que ces filiales ne sont pas des entités de résolution elles-mêmes, des filiales d'autres entités de résolution ou des entités visées à l'article 424 établies dans un pays tiers qui ne sont pas comprises dans le groupe de résolution au sens du plan de résolution et leurs filiales ; ou
   b) des établissements de crédit qui sont affiliés de manière permanente à un organisme central et l'organisme central lui-même, lorsqu'au moins un de ces établissements de crédit ou l'organisme central est une entité de résolution, et leurs filiales respectives ;]5

  [6 13/3° entité de liquidation, une personne morale établie dans l'EEE dont le plan de résolution de groupe ou, pour les entités ne faisant pas partie d'un groupe, le plan de résolution, prévoit la liquidation selon une procédure de liquidation, ou une entité au sein d'un groupe de résolution autre qu'une entité de résolution, à l'égard de laquelle le plan de résolution de groupe ne prévoit pas l'exercice des pouvoirs de dépréciation et de conversion ;]6
  14° Directive 98/26/CE, la Directive 98/26/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 1998 concernant le caractère définitif du règlement dans les systèmes de paiement et de règlement des opérations sur titres;
  15° tribunal, le [4 tribunal de l'entreprise]4 de Bruxelles;
  16° la cour d'appel, la cour d'appel de Bruxelles;
  17° [1 décision de disposition, la décision de l'autorité de résolution d'ordonner le transfert d'actions, d'autres titres de propriété, d'actifs, de droits ou d'engagements, la dépréciation ou la conversion d'éléments de passif par application d'un instrument de résolution ou la décision de mettre en oeuvre les pouvoirs visés à l'article 250 ou à l'article 276, § 2, 2°, 3°, 4°, 4° /1, 4° /2, 4° /3, 4° /4 et 5° ;]1
  18° propriétaires, les personnes physiques ou morales qui, à la date de la mesure de résolution, sont propriétaires des actions, autres titres de propriété ou actifs, ou titulaires des créances ou autres droits, qui font l'objet d'un acte de disposition ordonné par l'autorité de résolution dans le cadre d'une mesure de résolution;
  19° montant compensatoire, la somme des montants que les propriétaires d'une même catégorie ont effectivement récupérés, ou qu'ils peuvent raisonnablement s'attendre à récupérer, sur leurs actions, autres titres de propriété, actifs, créances ou autres droits dans le cadre d'une procédure de résolution, tels que calculés ou estimés selon les modalités définies par le Roi, en ce compris, selon le cas, la quote-part du prix revenant aux propriétaires en vertu des articles 256, § 3, 1°, ou 260, § 4, 1°, leur quote-part du produit net de la liquidation de l'établissement de crédit, et, le cas échéant, le supplément de prix visé à l'article 248, § 2, et la compensation visée à l'article 284;
  [2 20° droit de résiliation, le droit de résilier un contrat, le droit d'anticiper l'exigibilité, de liquider ou de compenser des obligations, ainsi que toute disposition similaire prévoyant la suspension, la modification ou l'extinction d'une obligation imposée à une partie au contrat ou une disposition empêchant la survenance d'une obligation résultant du contrat qui surviendrait en l'absence de cette disposition;
   21° instruments de dette, pour l'application de l'article 276, § 2, 4° /3 et 4° /4, les obligations et autres formes de dette négociables et les instruments créant ou reconnaissant une dette ou conférant le droit d'acquérir des instruments de dette.]2

  
HOOFDSTUK II. - Doelstellingen, voorwaarden en algemene beginselen van de afwikkeling
CHAPITRE II. - Objectifs, conditions et principes généraux de la résolution
Afdeling I. - Doelstellingen van de afwikkeling
Section Ire. - Objectifs de la résolution
Art.243. § 1. De afwikkeling is de herstructurering van een in gebreke blijvende kredietinstelling met toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten, met als doel, naargelang het geval :
  1° de continuïteit van de kritieke functies van de kredietinstelling te waarborgen;
  2° ernstige nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit te vermijden, inzonderheid door het voorkomen van besmetting, inclusief van de marktinfrastructuren, en daarbij de marktdiscipline te handhaven;
  3° de overheidsmiddelen te beschermen door het beroep op uitzonderlijke overheidssteun zoveel mogelijk te beperken; en
  4° de gewaarborgde deposito's en de gelden en activa van de cliënten van de kredietinstelling te beschermen.
  [1 Bij het nastreven van deze doelstellingen tracht de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingskosten zoveel mogelijk te beperken en waardevernietiging te vermijden, tenzij die noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.]1
  § 2. Onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald in deze wet, staan de in paragraaf 1 bedoelde doelstellingen op gelijke voet en bepaalt de afwikkelingsautoriteit het juiste evenwicht tussen deze doelstellingen volgens de aard en de omstandigheden van elk geval.
  
Art.243. § 1er. La résolution est la restructuration d'un établissement de crédit défaillant par l'application d'un ou plusieurs instruments de résolution dans le but, selon le cas :
  1° d'assurer la continuité des fonctions critiques de l'établissement de crédit;
  2° d'éviter des effets négatifs sérieux sur la stabilité financière, notamment en prévenant la contagion, en ce compris des infrastructures de marché, et en maintenant la discipline de marché;
  3° de protéger les ressources de l'Etat par une réduction maximale du recours au soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics; et
  4° de protéger les dépôts assurés et les fonds et actifs des clients de l'établissement de crédit.
  [1 Dans la poursuite des objectifs susvisés, l'autorité de résolution s'efforce de réduire autant que possible le coût de la résolution et d'éviter la destruction de valeur, à moins que la réalisation desdits objectifs ne l'exige.]1
  § 2. Sous réserve des exceptions prévues par la présente loi, les objectifs visés au paragraphe 1er sont de même importance et l'autorité de résolution décide du juste équilibre entre ces objectifs en fonction de la nature et des circonstances propres à chaque cas.
  
Afdeling II. - Voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure
Section II. - Conditions de déclenchement d'une procédure de résolution
Art.244. § 1. De afwikkelingsautoriteit past een afwikkelingsinstrument enkel toe op een kredietinstelling wanneer zij oordeelt dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de toezichthouder, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit, of de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, heeft vastgesteld dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dat dit nakend is;
  2° gezien de timing en andere ter zake doende omstandigheden valt het redelijkerwijze niet te verwachten dat enige andere private of prudentiële maatregel ten aanzien van de kredietinstelling, inzonderheid maatregelen bedoeld in artikel 232 of de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten [2 en in aanmerking komende schulden]2 overeenkomstig Hoofdstuk IV, binnen een redelijk tijdsbestek voorkomt dat de kredietinstelling in gebreke blijft; en
  3° een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang.
  Voor de toepassing van 1° dient de toezichthouder op verzoek van de afwikkelingsautoriteit na te gaan of een kredietinstelling in gebreke blijft of dit nakend is.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1° wordt een kredietinstelling geacht in gebreke te blijven of wordt dit geacht nakend te zijn indien zij zich in een of meer van de volgende omstandigheden bevindt :
  1° de kredietinstelling maakt op zodanige wijze inbreuk op de vereisten voor het behoud van de vergunning, of er bestaan objectieve aanwijzingen dat zij dit in de nabije toekomst zal doen, dat intrekking van de vergunning door de toezichthouder gerechtvaardigd is, inzonderheid omwille van het feit dat de kredietinstelling verliezen heeft geleden of kan lijden die haar eigen vermogen in aanzienlijke mate aantasten;
  2° het nettoactief van de kredietinstelling is negatief, of er bestaan objectieve aanwijzingen dat dit in de nabije toekomst het geval zal zijn;
  3° de kredietinstelling is niet in staat haar schulden te voldoen wanneer deze opeisbaar worden, of er bestaan objectieve aanwijzingen dat dit in de nabije toekomst het geval zal zijn; of
  4° er is uitzonderlijke overheidssteun aan de kredietinstelling nodig.
  § 3. Voor de toepassing van paragraaf 1, 3° wordt een afwikkelingsmaatregel geacht noodzakelijk te zijn in het algemeen belang indien zij noodzakelijk is om een of meer van de in artikel 243, § 1, vermelde doelstellingen te verwezenlijken en indien deze met een vereffening van de kredietinstelling niet in dezelfde mate zouden worden bereikt.
  § 4. Voor de toepassing van paragraaf 2, 4° wordt, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, geen rekening gehouden met steunmaatregelen ten gunste van solvabele kredietinstellingen teneinde een ernstige verstoring van de economie te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren.
  [1 § 5. Het nemen van herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 234 of 236 is geen voorwaarde voor het nemen van een afwikkelingsmaatregel.]1
  
Art.244. § 1er. L'autorité de résolution applique un instrument de résolution à l'encontre d'un établissement de crédit uniquement lorsqu'elle considère que chacune des conditions suivantes est remplie :
  1° l'autorité de contrôle, après consultation de l'autorité de résolution, ou l'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, a établi que la défaillance de l'établissement de crédit est avérée ou prévisible;
  2° compte tenu des délais requis et d'autres circonstances pertinentes, il n'existe aucune perspective raisonnable qu'une autre action de nature privée ou prudentielle prise à l'égard de l'établissement de crédit, notamment des mesures visées à l'article 232 ou la dépréciation ou la conversion d'instruments de fonds propres [2 et de dettes éligibles]2 conformément au Chapitre IV, empêche la défaillance de l'établissement de crédit dans un délai raisonnable; et
  3° une mesure de résolution est nécessaire dans l'intérêt public.
  Pour l'application du 1°, l'autorité de contrôle est tenue d'examiner si la défaillance d'un établissement de crédit est avérée ou prévisible sur demande de l'autorité de résolution.
  § 2. Aux fins du paragraphe 1er, 1°, la défaillance d'un établissement de crédit est réputée avérée ou prévisible si celui-ci se trouve dans l'une ou plusieurs des situations suivantes :
  1° l'établissement de crédit enfreint les exigences qui conditionnent le maintien de l'agrément, ou des éléments objectifs permettent de conclure qu'il les enfreindra dans un proche avenir, dans des proportions justifiant un retrait de l'agrément par l'autorité de contrôle, notamment du fait que l'établissement de crédit a subi ou est susceptible de subir des pertes qui absorbent une partie substantielle de ses fonds propres;
  2° l'actif net de l'établissement de crédit est négatif, ou il existe des éléments objectifs permettant de conclure que cela se produira dans un proche avenir;
  3° l'établissement de crédit n'est pas en mesure de s'acquitter de ses engagements à l'échéance, ou il existe des éléments objectifs permettant de conclure que cela se produira dans un proche avenir; ou
  4° un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics en faveur de l'établissement de crédit est requis.
  § 3. Aux fins du paragraphe 1er, 3°, une mesure de résolution est considérée comme étant nécessaire dans l'intérêt public si elle est nécessaire pour atteindre un ou plusieurs des objectifs visés à l'article 243, § 1er, alors qu'une liquidation de l'établissement de crédit ne le permettrait pas dans la même mesure.
  § 4. Aux fins du paragraphe 2, 4°, il n'est pas tenu compte, dans les conditions définies par le Roi, des mesures de soutien en faveur d'établissements de crédit solvables en vue de remédier à une perturbation grave de l'économie et de préserver la stabilité financière.
  [1 § 5. L'adoption d'une mesure de redressement telle que visée à l'article 234 ou 236 n'est pas indispensable pour prendre une mesure de résolution.]1
  
Art. 244/1. [1 De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsmaatregel nemen ten aanzien van een in artikel 239, § 1 bedoelde centrale instelling en één of meer van de daarbij blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, indien die af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de in artikel 244, § 1 gestelde voorwaarden.]1
  
Art. 244/1. [1 L'autorité de résolution peut prendre une mesure de résolution à l'égard d'un organisme central et d'un ou plusieurs établissements de crédit affiliés de manière permanente visés à l'article 239, § 1er qui font partie du même groupe de résolution, si le groupe de résolution dans son ensemble satisfait aux conditions prévues à l'article 244, § 1er.]1
  
Afdeling II/1. [1 - Bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen voorafgaand aan afwikkeling of vereffening]1
Section II/1. [1 - Pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison avant la résolution ou la liquidation]1
Art. 244/2. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, die tijdig antwoorden, betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van elke overeenkomst waarbij een kredietinstelling partij is, op te schorten indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° er is overeenkomstig artikel 244, § 1, 1°, vastgesteld dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dat dit nakend is;
   2° er is geen onmiddellijk beschikbare private maatregel voorhanden als bedoeld in artikel 244, § 1, 2°, die het in gebreke blijven van de kredietinstelling zou voorkomen;
   3° de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid wordt noodzakelijk geacht om te voorkomen dat de financiële toestand van de kredietinstelling verder verslechtert; en
   4° de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid is:
   - noodzakelijk om tot de in artikel 244, § 1, 3°, bedoelde vaststelling te komen; of
   - noodzakelijk om de passende afwikkelingsmaatregelen te bepalen of om de doeltreffende toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te waarborgen.
   § 2. De opschortingsbevoegdheid is niet van toepassing op betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van (i) systemen en exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, (ii) overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en (iii) centrale banken.
   De afwikkelingsautoriteit bepaalt de reikwijdte van de opschortingsbevoegdheid, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteit gaat met name zorgvuldig na of de toepassing van de opschorting naar in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's gepast is.
   § 3. Indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.
   § 4. De periode van opschorting is zo kort mogelijk en niet langer dan de minimumperiode die de afwikkelingsautoriteit noodzakelijk acht voor de in paragraaf 1, onder 3° en 4° genoemde doeleinden, en duurt in ieder geval niet langer dan de tijdspanne vanaf de bekendmaking van een bericht tot opschorting uit hoofde van paragraaf 8 tot middernacht aan het eind van de werkdag die volgt op de dag van de bekendmaking.
   § 5. Bij de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de gevolgen die de uitoefening van die bevoegdheid kan hebben voor het ordelijke functioneren van de financiële markten. Wanneer de opschorting noodzakelijk is om tot de vaststelling te komen bedoeld in artikel 244, § 1, 3° houdt zij eveneens rekening met de toepasselijke regels ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers en de gelijke behandeling van schuldeisers in liquidatieprocedures. De afwikkelingsautoriteit houdt met name rekening met de mogelijke toepassing van liquidatieprocedures op de kredietinstelling of entiteit als gevolg van de vaststelling in artikel 244, § 1, 3°, en treft de regelingen die zij passend acht voor een adequate coördinatie met de rechterlijke instanties, in voorkomend geval overeenkomstig de artikelen 273, 273/1 en 291/1.
   § 6. Indien betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van een contract worden opgeschort, worden de uit hoofde van dat contract voor de tegenpartijen geldende betalings- of leveringsverplichtingen voor dezelfde periode opgeschort.
   § 7. Een betalings- of leveringsverplichting die tijdens de periode van opschorting had moeten worden nagekomen, moet onmiddellijk na het verstrijken van die periode worden nagekomen.
   § 8. De afwikkelingsautoriteit brengt de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstelling en de in artikel 292, 1° tot en met 6° bedoelde autoriteiten onverwijld op de hoogte wanneer zij de opschortingsbevoegdheid uitoefent nadat op grond van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat de kredietinstelling gebreke blijft of dat dit nakend is, en voordat een afwikkelingsmaatregel wordt genomen.
   De afwikkelingsautoriteit maakt de maatregel of het instrument door middel waarvan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel worden opgeschort en de voorwaarden voor en de periode van opschorting bekend of laat deze bekendmaken op de wijze bedoeld in artikel 295.
   § 9. Dit artikel geldt onverminderd artikel 236, § 1, 4° en de andere bepalingen waarbij bevoegdheden tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen worden verleend voordat uit hoofde van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat die kredietinstellingen in gebreke blijven of dit nakend is, of tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in paragraaf 1 die volgens een liquidatieprocedure moeten worden vereffend, en de in dit artikel bepaalde omvang en duur overschrijden. Dergelijke bevoegdheden worden uitgeoefend overeenkomstig de in die bepalingen vastgelegde omvang, duur en voorwaarden. De in dit artikel bepaalde voorwaarden laten de voorwaarden in verband met die bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen onverlet.
   § 10. Wanneer de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van een kredietinstelling bedoeld in paragraaf 1 uitoefent, kan de afwikkelingsautoriteit gedurende die opschorting ook de bevoegdheid uitoefenen om:
   1° schuldeisers met een zekerheid van die kredietinstelling of entiteit te beperken in de tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot ongeacht welke activa van die kredietinstelling voor dezelfde duur, onder voorbehoud van de beperkingen bedoeld in artikel 280, § 2, 2° ; en
   2° beëindigingsrechten van ongeacht welke partij bij een contract met die kredietinstelling op te schorten voor dezelfde duur, in welk geval artikel 280 van toepassing is.
   § 11. Indien de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen heeft uitgeoefend overeenkomstig dit artikel, en indien vervolgens ten aanzien van die kredietinstelling afwikkelingsmaatregelen worden genomen, ziet de afwikkelingsautoriteit af van uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 280, § 1 ten aanzien van die kredietinstelling.]1

  
Art. 244/2. [1 § 1er. L'autorité de résolution, après avoir consulté les autorités compétentes, qui répondent en temps utile, a le pouvoir de suspendre toute obligation de paiement ou de livraison découlant d'un contrat auquel un établissement de crédit est partie, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
   1° il a été constaté, conformément à l'article 244, § 1er, 1°, que la défaillance de l'établissement de crédit est avérée ou prévisible ;
   2° il n'existe aucune mesure de nature privée immédiatement disponible visée à l'article 244, § 1er, 2°, susceptible d'empêcher la défaillance de l'établissement ;
   3° l'exercice du pouvoir de suspension est jugé nécessaire pour éviter une nouvelle détérioration de la situation financière de l'établissement de crédit ; et
   4° l'exercice du pouvoir de suspension est :
   - soit nécessaire pour procéder au constat prévu à l'article 244, § 1er, 3° ; ou
   - soit nécessaire pour définir les mesures de résolution appropriées ou pour garantir l'application effective d'un ou de plusieurs instruments de résolution.
   § 2. Le pouvoir de suspension ne s'applique pas aux obligations de paiement et de livraison envers (i) les systèmes ou les opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE, (ii) les contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 et à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 et (iii) les banques centrales.
   L'autorité de résolution détermine le champ d'application du pouvoir de suspension eu égard aux circonstances propres à chaque cas. En particulier, l'autorité de résolution apprécie soigneusement l'opportunité d'appliquer la suspension aux dépôts éligibles et en particulier aux dépôts assurés.
   § 3. Lorsque le pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison est exercé à l'égard de dépôts éligibles, et en particulier de dépôts assurés, l'autorité de résolution veille à ce que les déposants aient accès à un montant quotidien approprié au titre de ces dépôts.
   § 4. La période de suspension est aussi courte que possible et n'excède pas la durée minimale que l'autorité de résolution estime nécessaire aux fins indiquées au paragraphe 1er, sous 3° et 4° ; en tout état de cause, elle n'excède pas la période allant de la publication d'un avis de suspension en application du paragraphe 8 jusqu'à minuit à la fin du jour ouvrable suivant le jour de ladite publication.
   § 5. Lorsqu'elle exerce le pouvoir de suspension, l'autorité de résolution prend en considération l'incidence que l'exercice de ce pouvoir est susceptible d'avoir sur le bon fonctionnement des marchés financiers. Lorsque la suspension est nécessaire pour procéder au constat prévu à l'article 244, § 1er, 3°, elle tient aussi compte des règles en vigueur afin de garantir les droits des créanciers et l'égalité de traitement des créanciers dans une procédure de liquidation. L'autorité de résolution tient compte en particulier de l'application éventuelle d'une procédure de liquidation à l'établissement de crédit à la suite du constat prévu à l'article 244, § 1er, 3°, et prend les dispositions qu'elle juge nécessaires pour assurer une coordination adéquate avec les autorités judiciaires, le cas échéant conformément aux articles 273, 273/1 et 291/1.
   § 6. Lorsque les obligations de paiement ou de livraison en vertu d'un contrat sont suspendues, les obligations de paiement ou de livraison de toute contrepartie à ce contrat sont suspendues pour la même durée.
   § 7. Une obligation de paiement ou de livraison qui aurait été exigible au cours de la période de suspension est immédiatement exigible à l'expiration de ladite période.
   § 8. L'autorité de résolution informe sans retard l'établissement de crédit ou l'entité visé au paragraphe 1er et les autorités visées à l'article 292, 1° à 6° lorsqu'elle exerce le pouvoir de suspension après qu'il a été constaté que la défaillance de l'établissement de crédit est avérée ou prévisible conformément à l'article 244, § 1er, 1°, et avant qu'une mesure de résolution ne soit adoptée.
   L'autorité de résolution publie ou veille à ce que soit publié(e) l'instruction ou l'acte par lequel des obligations sont suspendues en application du présent article, ainsi que les conditions et la durée de la suspension, par les moyens visés à l'article 295.
   § 9. Le présent article est sans préjudice de l'article 236, § 1er, 4° et d'autres dispositions accordant des pouvoirs permettant de suspendre des obligations de paiement ou de livraison des établissements de crédit et des entités visés au paragraphe 1er avant qu'il ait été constaté que la défaillance de ces établissements de crédit est avérée ou prévisible conformément à l'article 244, § 1er, 1°, ou de suspendre les obligations de paiement ou de livraison des établissements de crédit visées au paragraphe 1er qui doivent être liquidés dans le cadre d'une procédure de liquidation, et qui excèdent le champ d'application et la durée prévus au présent article. Ces pouvoirs sont exercés en conformité avec le champ, la durée et les conditions prévues par ces dispositions. Les conditions prévues au présent article s'entendent sans préjudice des conditions relatives à un tel pouvoir de suspension des obligations de paiement ou de livraison.
   § 10. Lorsque l'autorité de résolution exerce le pouvoir de suspendre des obligations de paiement ou de livraison à l'égard d'un établissement de crédit visé au paragraphe 1er, l'autorité de résolution peut aussi, pendant la durée de la suspension, exercer le pouvoir de :
   1° restreindre le droit des créanciers garantis de cet établissement de crédit ou de cette entité de faire valoir les sûretés liées aux actifs dudit établissement de crédit pour la même durée, sous réserve des restrictions prévues à l'article 280, § 2, 2° ; et
   2° suspendre les droits de résiliation de toute partie à un contrat conclu avec ledit établissement de crédit pour la même durée, auquel cas l'article 280 s'applique.
   § 11. Dans le cas où l'autorité de résolution a exercé le pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison conformément à cet article, et si une mesure de résolution est prise par la suite à l'égard de cet établissement de crédit, l'autorité de résolution ne peut exercer les pouvoirs prévus à l'article 280, § 1er à l'égard dudit établissement de crédit ou de ladite entité.]1

  
Afdeling III. - Algemene beginselen inzake afwikkeling
Section III. - Principes généraux régissant la résolution
Art.245. § 1. De afwikkelingsautoriteit neemt bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden alle passende maatregelen opdat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming is met de volgende beginselen :
  1° de aandeelhouders van de kredietinstelling staan in eerste lijn om de verliezen te dragen;
  2° de schuldeisers van de kredietinstelling dragen verliezen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen in geval van samenloop van schuldeisers, onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald door deze wet;
  3° het wettelijk bestuursorgaan en de leiding van de kredietinstelling worden vervangen, tenzij in de gevallen waarin de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat het aanblijven van het volledige bestuursorgaan of de volledige directie of een deel ervan, naargelang de omstandigheden, noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen;
  4° het wettelijk bestuursorgaan en de directie van de kredietinstelling verstrekken alle vereiste bijstand voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoeleinden;
  5° de oorzaken van en de verantwoordelijkheid voor het in gebreke blijven van de kredietinstelling worden onderzocht;
  6° overeenkomstig de beginselen van eerlijke rechtsbedeling, geven de personen en entiteiten rekenschap voor het in gebreke blijven van de kredietinstelling binnen de grenzen van hun verantwoordelijkheid;
  7° onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald door deze wet, worden schuldeisers van dezelfde categorie van de kredietinstelling op gelijke voet behandeld;
  8° geen enkele schuldeiser lijdt grotere verliezen dan hij zou hebben geleden indien de kredietinstelling zou zijn vereffend volgens een liquidatieprocedure;
  9° de gewaarborgde deposito's worden volledig beschermd; en
  10° de afwikkelingsmaatregel wordt genomen met inachtneming van de vrijwaringsmaatregelen bepaald in Hoofdstuk VII.
  § 2. Het onderzoek bedoeld in paragraaf 1, 5° wordt uitgevoerd door een college van deskundigen aangesteld door de rechtbank op verzoek van de afwikkelingsautoriteit.
  De artikelen 972 tot 976, 978, 984 en 987 tot 991bis van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op het onderzoek, met dien verstande dat :
  1° de afwikkelingsautoriteit en de betrokken kredietinstelling worden geacht de partijen te zijn bij de onderzoeksprocedure; en
  2° de kosten en erelonen van de deskundigen afwikkelingskosten zijn als bedoeld in artikel 272.
  § 3. [1 Bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden waakt de afwikkelingsautoriteit erover dat de werknemersvertegenwoordigers ingelicht en geraadpleegd worden.]1
  [1 § 4. In de besluiten die zij overeenkomstig deze titel nemen, houden de afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder rekening met de mogelijke gevolgen van het besluit in alle lidstaten waar de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt actief is en beperken zij zoveel mogelijk de negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit en negatieve economische en sociale gevolgen in die lidstaten.]1
  
Art.245. § 1er. Lorsque l'autorité de résolution applique les instruments de résolution et exerce les pouvoirs de résolution, elle prend toute mesure appropriée afin que la mesure de résolution soit conforme aux principes suivants :
  1° les actionnaires de l'établissement de crédit supportent les pertes en première ligne;
  2° les créanciers de l'établissement de crédit supportent les pertes après les actionnaires, en fonction de l'ordre de priorité de leurs créances en cas de concours de créanciers, sous réserve des exceptions prévues par la présente loi;
  3° l'organe légal d'administration et la direction de l'établissement de crédit sont remplacés, sauf dans les cas où l'autorité de résolution juge le maintien de l'organe ou de la direction, en totalité ou en partie, selon les circonstances, nécessaire pour atteindre les objectifs de la résolution;
  4° l'organe légal d'administration et la direction de l'établissement de crédit fournissent toute l'assistance requise pour atteindre les objectifs de la résolution;
  5° les causes et la responsabilité dans la défaillance de l'établissement de crédit font l'objet d'une enquête;
  6° dans le respect des garanties d'ordre juridictionnel, les personnes et les entités sont tenues de rendre des comptes au sujet de la défaillance de l'établissement de crédit dans les limites de leur responsabilité;
  7° sous réserve des exceptions prévues par la présente loi, les créanciers de même catégorie de l'établissement de crédit sont traités sur un pied d'égalité;
  8° aucun créancier n'encourt des pertes plus importantes que celles qu'il aurait subies si l'établissement de crédit avait été liquidé selon une procédure de liquidation;
  9° les dépôts assurés sont pleinement protégés; et
  10° la mesure de résolution est prise dans le respect des mesures de sauvegarde prévues au Chapitre VII.
  § 2. L'enquête visée au paragraphe 1er, 5°, est réalisée par un collège d'experts nommé par le tribunal à la requête de l'autorité de résolution.
  Les articles 972 à 976, 978, 984 et 987 à 991bis du Code judiciaire s'appliquent à l'enquête, étant entendu que :
  1° l'autorité de résolution et l'établissement de crédit concerné sont considérés comme les parties à la procédure d'enquête; et
  2° les frais et honoraires des experts constituent des frais de la résolution visés à l'article 272.
  § 3. [1 Lorsque l'autorité de résolution applique les instruments de résolution et exerce les pouvoirs de résolution, elle veille à ce que les représentants des travailleurs soient informés et consultés.]1
  [1 § 4. Les décisions prises par l'autorité de résolution et l'autorité de contrôle conformément au présent titre tiennent compte de l'incidence potentielle de la décision dans tous les Etats membres où l'établissement de crédit ou le groupe dont il fait partie est présent et réduisent au minimum les effets négatifs sur la stabilité financière ainsi que les retombées dommageables sur le plan économique et social dans ces Etats membres.]1
  
HOOFDSTUK III. - Waardering
CHAPITRE III. - Valorisation
Art.246. § 1. Vóór het nemen van een afwikkelingsmaatregel of het uitoefenen van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten [2 en in aanmerking komende schulden]2 af te schrijven of om te zetten met toepassing van Hoofdstuk IV, ziet de afwikkelingsautoriteit erop toe dat een faire, voorzichtige en realistische waardering van de activa en passiva van de kredietinstelling wordt verricht door een persoon die onafhankelijk is zowel van enige overheid, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit, als van de kredietinstelling.
  § 2. De waardering heeft tot doel :
  1° gegevens te verzamelen voor de vaststelling of aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure of voor de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten [2 en in aanmerking komende schulden]2 is voldaan;
  2° indien aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure is voldaan, gegevens te verzamelen voor de keuze tussen de passende afwikkelingsmaatregelen;
  3° wanneer wordt overwogen om de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten [2 en in aanmerking komende schulden]2 uit te oefenen, de berekeningsbasis te vormen voor de afschrijving die nodig is om verliezen aan te zuiveren, en voor de omvang van de omzetting die nodig is om de kredietinstelling te herkapitaliseren;
  [1 3° /1 wanneer wordt overwogen om het instrument van interne versterking toe te passen, gegevens te verzamelen zodat een beslissing kan worden genomen over het bedrag van de afschrijving of de omzetting van [2 bail-inbare schulden]2;]1
  4° wanneer de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming wordt overwogen, gegevens te verzamelen om uit te maken welke aandelen of andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen moeten worden overgedragen, en om te bepalen wat commerciële voorwaarden zijn voor de toepassing van artikel 256, § 2;
  5° wanneer de toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa wordt overwogen, gegevens te verzamelen om uit te maken welke aandelen of andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen moeten worden overgedragen, alsook om de waarde te bepalen van elke vergoeding die aan de kredietinstelling of, in voorkomend geval, aan de eigenaars van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten dient te worden betaald;
  6° ervoor te zorgen dat met ieder verlies op de activa van de kredietinstelling ten volle rekening wordt gehouden op het ogenblik dat het afwikkelingsinstrument wordt toegepast of op het ogenblik dat de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van de kapitaalinstrumenten [2 en in aanmerking komende schulden]2 wordt uitgeoefend.
  
Art.246. § 1er. Avant de prendre une mesure de résolution, ou d'exercer le pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents [2 et des dettes éligibles]2 en application du Chapitre IV, l'autorité de résolution veille à ce qu'une valorisation juste, prudente et réaliste de l'actif et du passif de l'établissement de crédit soit effectuée par une personne indépendante de toute autorité publique, y compris de l'autorité de résolution, ainsi que de l'établissement de crédit.
  § 2. La valorisation a les objectifs suivants :
  1° rassembler des informations permettant de déterminer si les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution ou de la dépréciation ou de la conversion d'instruments de fonds propres [2 et de dettes éligibles]2 sont réunies;
  2° si les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution sont réunies, rassembler des informations permettant de faire le choix des mesures de résolution appropriées;
  3° lorsqu'il est envisagé d'exercer le pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents [2 et des dettes éligibles]2, constituer la base du calcul de la dépréciation à appliquer afin d'absorber les pertes et du niveau de conversion à appliquer afin de recapitaliser l'établissement de crédit;
  [1 3° /1 lorsqu'il est envisagé d'appliquer l'instrument de renflouement interne, rassembler des informations permettant de prendre une décision sur le montant de la dépréciation ou de la conversion de [2 dettes utilisables pour un renflouement interne]2;]1
  4° lorsqu'il est envisagé d'appliquer l'instrument de cession des activités, rassembler des informations permettant de déterminer les actions ou autres titres de propriété ou les actifs, droits ou engagements à transférer, et de déterminer ce qui constitue des conditions commerciales aux fins de l'article 256, § 2;
  5° lorsqu'il est envisagé d'appliquer l'instrument de l'établissement-relais ou de séparation des actifs, rassembler des informations permettant de déterminer les actions ou autres titres de propriété ou les actifs, droits ou engagements à transférer ainsi que la valeur de toute contrepartie à payer à l'établissement de crédit ou, le cas échéant, aux propriétaires des actions ou autres titres de propriété;
  6° veiller à ce que toute perte subie sur les actifs de l'établissement de crédit soit pleinement prise en compte au moment où l'instrument de résolution est appliqué ou au moment où le pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres [2 et des dettes éligibles]2 est exercé.
  
Art.247. § 1. De waardering is gebaseerd op voorzichtige hypothesen, onder meer met betrekking tot wanbetalingspercentages en de ernst van de verliezen. Zij houdt geen rekening met enige toekomstige uitzonderlijke overheidssteun, noch met enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden.
  [1 Daarnaast wordt bij de waardering in aanmerking genomen dat, indien een afwikkelingsinstrument wordt toegepast :
   1° de afwikkelingsautoriteit en het Afwikkelingsfonds alle redelijke en op rechtmatige wijze gemaakte kosten kunnen terugvorderen van de kredietinstelling in afwikkeling, overeenkomstig artikel 272;
   2° de financieringsregeling voor de afwikkeling kan voorzien in rente of vergoedingen voor elke aan de kredietinstelling in afwikkeling toegekende lening of waarborg, overeenkomstig artikel 6/1 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds.]1

  § 2. De waardering wordt aangevuld met de volgende informatie :
  1° een geactualiseerde balans en een verslag over de financiële positie van de kredietinstelling;
  2° een analyse van de boekwaarde van de activa;
  3° de lijst van de opeisbare passiva, met inbegrip van passiva buiten balans, met vermelding van de schuldeisers en hun rangorde in geval van samenloop van schuldeisers.
  § 3. Indien nodig wordt, teneinde gegevens te verzamelen om de beslissingen bedoeld in artikel 246, § 2, 4° en 5°, te onderbouwen, de informatie bedoeld in paragraaf 2, 2°, aangevuld met een schatting en een analyse van de marktwaarde van de activa en passiva van de kredietinstelling.
  § 4. Het waarderingsverslag geeft de onderverdeling van de schuldeisers in verschillende categorieën aan overeenkomstig hun rangorde in geval van samenloop van schuldeisers, en geeft een inschatting van de behandeling die elke categorie van aandeelhouders en schuldeisers naar verwachting zou hebben gekregen indien de kredietinstelling zou zijn vereffend volgens een liquidatieprocedure.
  
Art.247. § 1er. La valorisation se fonde sur des hypothèses prudentes, en ce compris concernant les taux de défaut et la sévérité des pertes. Elle n'intègre aucun futur soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, ni aucun soutien exceptionnel à la liquidité des banques centrales ou recours à d'autres facilités de liquidité des banques centrales à des conditions spéciales en matière de sûretés, de durée ou d'intérêt.
  [1 Par ailleurs, la valorisation tient compte du fait que, si l'un des instruments de résolution est appliqué :
   1° l'autorité de résolution et le Fonds de résolution peuvent recouvrer auprès de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution toute dépense raisonnable exposée à bon escient, conformément à l'article 272;
   2° le dispositif de financement pour la résolution peut imputer des intérêts ou des frais en ce qui concerne tout prêt ou toute garantie fournie à l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution, conformément à l'article 6/1 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution.]1

  § 2. La valorisation est complétée par les informations suivantes :
  1° un bilan à jour et un rapport sur la situation financière de l'établissement de crédit;
  2° une analyse de la valeur comptable de ses actifs;
  3° la liste de ses passifs exigibles, en ce compris des passifs hors bilan, avec indication des créanciers et de leur ordre de priorité en cas de concours de créanciers.
  § 3. Au besoin, afin de rassembler les informations permettant de prendre les décisions visées à l'article 246, § 2, 4° et 5°, les informations visées au paragraphe 2, 2°, sont complétées par une estimation et une analyse de la valeur de marché des actifs et passifs de l'établissement de crédit.
  § 4. Le rapport de valorisation précise la répartition des créanciers en différentes catégories selon leur ordre de priorité en cas de concours de créanciers et évalue le traitement que chaque catégorie d'actionnaires et de créanciers aurait été susceptible de recevoir si l'établissement de crédit avait été liquidé selon une procédure de liquidation.
  
Art.248. § 1. [3 ...]3 indien aan alle vereisten bepaald in de artikelen 246 en 247 is voldaan, wordt de waardering geacht definitief te zijn.
  § 2. Indien het wegens spoedeisende omstandigheden onmogelijk is om een waardering te verrichten die voldoet aan alle vereisten bepaald in de artikelen 246 en 247, laat de afwikkelingsautoriteit overgaan tot een voorlopige waardering van de activa en passiva van de kredietinstelling.
  De voorlopige waardering voldoet, voor zover dit, in acht genomen de omstandigheden, redelijkerwijze mogelijk is, aan de vereisten van de artikelen 246 en 247. Zij omvat een buffer voor bijkomende verliezen, waarvan het bedrag wordt gemotiveerd.
  De voorlopige waardering verricht overeenkomstig deze paragraaf volstaat voor de afwikkelingsautoriteit om afwikkelingsmaatregelen te nemen of om de bevoegdheid tot het afschrijven of omzetten van relevante kapitaalinstrumenten [3 en in aanmerking komende schulden]3 uit te oefenen.
  § 3. De voorlopige waardering wordt zo spoedig mogelijk gevolgd door een definitieve waardering die ten volle voldoet aan alle voorwaarden bepaald in de artikelen 246 en 247. Deze waardering wordt los van of samen met de in artikel 283 bedoelde waardering verricht.
  Ingeval uit de definitieve waardering een waarde blijkt die hoger is dan deze volgens de voorlopige waardering, bepaalt de afwikkelingsautoriteit in voorkomend geval het prijssupplement dat de overbruggingsinstelling of het vehikel voor activabeheer aan de kredietinstelling of, naargelang het geval, aan de eigenaars dient te betalen als vergoeding voor de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa of rechten overgedragen met toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa [1 of oefent zij in voorkomend geval haar bevoegdheid uit om de waarde te verhogen van relevante kapitaalinstrumenten of [3 bail-inbare schulden]3 die met toepassing van het instrument van interne versterking zijn afgeschreven]1.
  [2 § 4. De waardering vormt een integraal onderdeel van het besluit om een afwikkelingsmaatregel te nemen of om de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten [3 en in aanmerking komende schulden]3 af te schrijven of om te zetten uit te oefenen. De waardering zelf is niet vatbaar voor een afzonderlijk beroep maar kan vatbaar zijn voor een beroep samen met dat besluit, in toepassing van het bepaalde in Hoofdstuk IX van deze Titel.]2
  
Art.248. § 1er. [3 ...]3 lorsque toutes les exigences énoncées aux articles 246 et 247 sont satisfaites, la valorisation est considérée comme définitive.
  § 2. Lorsqu'il n'est pas possible, en raison de l'urgence de la situation, d'effectuer une valorisation qui satisfait à toutes les exigences énoncées aux articles 246 et 247, l'autorité de résolution fait procéder à une valorisation provisoire de l'actif et du passif de l'établissement de crédit.
  La valorisation provisoire respecte, dans la mesure où cela est raisonnablement possible compte tenu des circonstances, les exigences des articles 246 et 247. Elle intègre un coussin pour pertes supplémentaires, assorti d'une justification de son montant.
  La valorisation provisoire effectuée conformément au présent paragraphe permet à l'autorité de résolution de prendre des mesures de résolution ou d'exercer le pouvoir de dépréciation ou de conversion des [3 instruments de fonds propres pertinents et dettes éligibles]3.
  § 3. La valorisation provisoire est suivie, dans les meilleurs délais, d'une valorisation définitive qui respecte pleinement toutes les exigences énoncées aux articles 246 et 247. Cette valorisation est effectuée séparément ou conjointement avec celle visée à l'article 283.
  Au cas où il résulte de la valorisation définitive une valeur supérieure à celle résultant de la valorisation provisoire, l'autorité de résolution détermine, s'il y a lieu, le supplément de prix que l'établissement-relais ou la structure de gestion des actifs doit verser à l'établissement de crédit ou aux propriétaires, selon le cas, en contrepartie des actions, autres titres de propriété, actifs ou droits transférés en application de l'instrument de l'établissement-relais ou de l'instrument de séparation des actifs [1 , ou exerce, le cas échéant, son pouvoir d'accroître la valeur des instruments de fonds propres pertinents ou des [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 qui ont été dépréciés en application de l'instrument de renflouement interne]1.
  [2 § 4. La valorisation fait partie intégrante de la décision de prendre une mesure de résolution ou d'exercer le pouvoir de dépréciation ou de conversion des [3 instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles]3. La valorisation ne fait pas elle-même l'objet d'un droit de recours distinct mais peut faire l'objet d'un recours en conjonction avec cette décision, en application du chapitre IX du présent titre.]2
  
Art.249. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning :
  1° de voorwaarden bepalen volgens dewelke een persoon wordt geacht onafhankelijk te zijn in de zin van artikel 246, § 1;
  2° de methode of methoden bepalen die moeten worden aangewend voor het waarderen van de marktwaarde van de activa en passiva van de kredietinstelling voor de toepassing van artikel 247, § 3; en
  3° de methode of methoden bepalen die moeten worden aangewend voor de berekening van de buffer voor bijkomende verliezen bedoeld in artikel 248, § 2, tweede lid.
Art.249. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut définir :
  1° les conditions dans lesquelles une personne est considérée comme indépendante au sens de l'article 246, § 1er;
  2° la méthode ou les méthodes à utiliser pour évaluer la valeur de marché des actifs et passifs de l'établissement de crédit pour l'application de l'article 247, § 3; et
  3° la méthode ou les méthodes à utiliser pour calculer le coussin pour pertes supplémentaires visé à l'article 248, § 2, alinéa 2.
HOOFDSTUK IV. [1 - Afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden]1
CHAPITRE IV. [1 - Dépréciation ou conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles]1
Art.250. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in paragraaf 2 af te schrijven of ze om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van de kredietinstelling overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
   Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend hetzij afzonderlijk van enige afwikkelingsmaatregel, hetzij, indien de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in de artikelen 244, § 1, 244/1 of 454 zijn vervuld, in combinatie met een afwikkelingsmaatregel.
   Indien relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden indirect door de af te wikkelen entiteit zijn aangekocht via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, wordt de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid uitgeoefend ten aanzien van die relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden samen met dezelfde bevoegdheid op het niveau van de moederonderneming van de betrokken entiteit of op het niveau van andere moederondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, zodat de verliezen daadwerkelijk worden doorgeschoven naar, en de betrokken entiteit wordt geherkapitaliseerd door, de af te wikkelen entiteit.
   Nadat de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen is uitgeoefend, wordt de in artikel 283 bedoelde waardering uitgevoerd, en is artikel 284 van toepassing.
   § 2. De bevoegdheid om in aanmerking komende schulden, onafhankelijk van het nemen van afwikkelingsmaatregelen, af te schrijven of om te zetten kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende schulden die voldoen aan de in artikel 267/5/4, § 2, 1°, genoemde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde betreffende de resterende looptijd van schulden als bepaald in artikel 72quater, lid 1, van Verordening nr. 575/2013.
   Indien die bevoegdheid wordt uitgeoefend, wordt de afschrijving of omzetting verricht overeenkomstig het in artikel 245, § 1, 8°, bedoelde beginsel.
   § 3. Indien een afwikkelingsmaatregel wordt genomen ten aanzien van een af te wikkelen entiteit of, in uitzonderlijke omstandigheden, in afwijking van het afwikkelingsplan, ten aanzien van een entiteit die geen af te wikkelen entiteit is, wordt het bedrag dat overeenkomstig artikel 252 op het niveau van een dergelijke entiteit is verminderd, afgeschreven of omgezet, meegeteld voor de drempels die op de betrokken entiteit van toepassing zijn overeenkomstig artikel 255, § 6, 3° en van artikel 6/1, § 2, eerste lid, 1°, en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds.
   § 4. De afwikkelingsautoriteit oefent de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1 onverwijld uit van zodra een of meer van de volgende voorwaarden zijn vervuld:
   1° de afwikkelingsautoriteit heeft vastgesteld dat de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, verenigd zijn, vooraleer enige afwikkelingsmaatregel is genomen;
   2° de afwikkelingsautoriteit stelt vast dat de kredietinstelling niet langer levensvatbaar zal zijn tenzij zij die bevoegdheid uitoefent; of
   3° de kredietinstelling vraagt uitzonderlijke overheidssteun aan.
   § 5. Voor de toepassing van paragraaf 4, 3° wordt onder de voorwaarden bepaald door de Koning geen rekening gehouden met steunmaatregelen ten gunste van solvabele kredietinstellingen teneinde een ernstige verstoring van de economie te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren.]1

  
Art.250. [1 § 1er. L'autorité de résolution a le pouvoir de déprécier les instruments de fonds propres pertinents et les dettes éligibles visées au paragraphe 2 ou de les convertir en actions ou autres titres de propriété de l'établissement de crédit conformément aux dispositions du présent chapitre.
   Ce pouvoir peut être exercé soit indépendamment de toute mesure de résolution, soit, lorsque les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution visées aux articles 244, § 1er, 244/1 ou 454 sont remplies, en combinaison avec une mesure de résolution.
   Lorsque des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles ont été achetés par l'entité de résolution indirectement par l'intermédiaire d'autres entités au sein du même groupe de résolution, le pouvoir de déprécier ou de convertir ces instruments de fonds propres pertinents et ces dettes éligibles est exercé conjointement avec l'exercice du même pouvoir au niveau de l'entreprise-mère de l'entité concernée ou au niveau d'autres entreprises-mères qui ne sont pas des entités de résolution, de manière à ce que les pertes soient effectivement répercutées sur l'entité de résolution et que l'entité concernée soit recapitalisée par celle-ci.
   Après que le pouvoir de déprécier ou de convertir des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles a été exercé indépendamment d'une mesure de résolution, il est procédé à la valorisation prévue à l'article 283 et l'article 284 s'applique.
   § 2. Le pouvoir de déprécier ou de convertir des dettes éligibles indépendamment d'une mesure de résolution peut être exercé uniquement en ce qui concerne les dettes éligibles qui remplissent les conditions visées à l'article 267/5/4, § 2, 1°, excepté la condition liée à l'échéance résiduelle des engagements, conformément à l'article 72quater, paragraphe 1er du Règlement n° 575/2013.
   Lorsque ce pouvoir est exercé, la dépréciation ou la conversion est effectuée conformément au principe énoncé à l'article 245, § 1er, 8°.
   § 3. Lorsqu'une mesure de résolution est prise à l'égard d'une entité de résolution ou, dans des circonstances exceptionnelles, par dérogation au plan de résolution, à l'égard d'une entité qui n'est pas une entité de résolution, le montant qui est réduit, déprécié ou converti conformément à l'article 252 au niveau d'une telle entité est comptabilisé dans les seuils applicables à l'entité concernée et établis conformément à l'article 255, § 6, 3° et à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er, 1°, et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution.
   § 4. L'autorité de résolution exerce le pouvoir visé au paragraphe 1er sans délai dès qu'une ou plusieurs des conditions suivantes sont remplies :
   1° l'autorité de résolution a établi que les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution visées à l'article 244, § 1er, sont réunies, avant qu'une mesure de résolution n'ait été prise ;
   2° l'autorité de résolution constate que l'établissement de crédit ne sera plus viable à moins qu'elle n'exerce ce pouvoir ; ou
   3° l'établissement de crédit demande un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics.
   § 5. Aux fins du paragraphe 4, 3°, il n'est pas tenu compte, dans les conditions définies par le Roi, des mesures de soutien en faveur d'établissements de crédit solvables en vue de remédier à une perturbation grave de l'économie et de préserver la stabilité financière.]1

  
Art.251. Voor de toepassing van [1 artikel 250, § 4, 2°]1 wordt een kredietinstelling of haar groep enkel geacht niet langer levensvatbaar te zijn indien de twee volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1° de kredietinstelling of haar groep blijft in gebreke of dit is nakend; en
  2° gezien de timing en andere ter zake doende omstandigheden valt het redelijkerwijze niet te verwachten dat een andere maatregel dan de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten [1 en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2]1, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met een afwikkelingsmaatregel of een of meer van de maatregelen bedoeld in Titel VII, binnen een redelijk tijdsbestek voorkomt dat de kredietinstelling of haar groep in gebreke blijft.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 1° :
  1° wordt een kredietinstelling geacht in gebreke te blijven of wordt dit geacht nakend te zijn indien zij zich in een van de in artikel 244, § 2, bedoelde omstandigheden bevindt;
  2° wordt een groep geacht in gebreke te blijven of wordt dit geacht nakend te zijn indien hij de geconsolideerde prudentiële vereisten op zodanige wijze overtreedt, of er objectieve aanwijzingen bestaan dat hij dat in de nabije toekomst zal doen, dat een optreden door de toezichthouder gerechtvaardigd is, inzonderheid omwille van het feit dat de groep verliezen heeft geleden of kan lijden die haar eigen vermogen in aanzienlijke mate aantasten.
  
Art.251. Aux fins de [1 l'article 250, § 4, 2°]1 un établissement de crédit ou son groupe est réputé ne plus être viable uniquement si les deux conditions suivantes sont remplies :
  1° la défaillance de l'établissement de crédit ou de son groupe est avérée ou prévisible; et
  2° compte tenu des délais requis et d'autres circonstances pertinentes, il n'existe aucune perspective raisonnable qu'une action autre que la dépréciation ou la conversion des instruments de fonds propres pertinents [1 et des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2]1, mise en oeuvre séparément ou en combinaison avec une mesure de résolution ou l'une ou plusieurs des mesures visées au Titre VII, empêche la défaillance de l'établissement de crédit ou de son groupe dans un délai raisonnable.
  Aux fins de l'alinéa 1er, 1° :
  1° la défaillance d'un établissement de crédit est réputée avérée ou prévisible si celui-ci se trouve dans l'une des situations visées à l'article 244, § 2;
  2° la défaillance d'un groupe est réputée avérée ou prévisible si celui-ci enfreint les exigences prudentielles consolidées ou si des éléments objectifs permettent de conclure qu'il les enfreindra dans un proche avenir, dans des proportions justifiant une intervention de l'autorité de contrôle, notamment du fait que le groupe a subi ou est susceptible de subir des pertes qui absorbent une partie substantielle de ses fonds propres.
  
Art.252. De afwikkelingsautoriteit gaat over tot de afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten [1 en in aanmerking komende schulden]1 met inachtneming van hun rangorde in een liquidatieprocedure, in dier voege dat :
  1° de tier 1-kernkapitaalbestanddelen eerst worden verlaagd in verhouding tot de verliezen en tot de volledige omvang ervan; en
  2° de hoofdsom van de relevante kapitaalinstrumenten vervolgens wordt afgeschreven of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten voor zover noodzakelijk en tot de volledige omvang van de relevante kapitaalinstrumenten;
  [1 3° de hoofdsom van de in artikel 250, § 2, bedoelde in aanmerking komende schulden afgeschreven of omgezet wordt in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, of beide, voor zover dat nodig is om de in artikel 243 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of tot de volledige omvang van de relevante in aanmerking komende schulden, indien die lager is.]1
  
Art.252. L'autorité de résolution procède à la dépréciation ou à la conversion des instruments de fonds propres pertinents [1 et des dettes éligibles]1 en fonction de leur ordre de priorité dans une procédure de liquidation, de sorte que :
  1° les éléments constitutifs de fonds propres de base de catégorie 1 sont réduits en premier lieu en proportion des pertes et jusqu'à la limite de leur capacité; et
  2° le montant principal des instruments de fonds propres pertinents est ensuite déprécié ou converti en instruments de fonds propres de base de catégorie 1 dans la mesure requise et jusqu'à la limite de la capacité des instruments de fonds propres pertinents;
  [1 3° le montant principal des engagements éligibles visés à l'article 250, § 2 est déprécié ou converti en instruments de fonds propres de base de catégorie 1, ou les deux, dans la mesure requise pour atteindre les objectifs de la résolution énoncés à l'article 243 ou dans la mesure de la capacité des dettes éligibles pertinentes, le montant à retenir étant le plus faible des deux.]1
  
Art.253. [1 Bij afschrijving van de hoofdsom van de relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2:
   1° is de uitwerking van de verlaging permanent, behoudens een opwaardering overeenkomstig artikel 267/6, § 3;
   2° blijft tegenover de houder van het relevante kapitaalinstrument of de in aanmerking komende schuld geen enkele verplichting bestaan uit hoofde van of in verband met het afgeschreven bedrag, met uitzondering van de reeds opeisbare verplichtingen en de aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid;
   3° wordt aan de houders van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden geen compensatie betaald buiten hetgeen is bepaald in artikel 254.]1

  
Art.253. [1 Lorsque le montant principal des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, est déprécié :
   1° les effets de la réduction sont permanents, sous réserve d'une réévaluation conformément à l'article 267/6, § 3 ;
   2° aucune obligation vis-à-vis du détenteur de l'instrument de fonds propres pertinents ou de la dette éligible ne subsiste dans le cadre dudit instrument ou en lien avec le montant déprécié, à l'exception des obligations déjà échues et des responsabilités pouvant découler d'un contrôle juridictionnel de la légalité de l'exercice du pouvoir de dépréciation ;
   3° aucune compensation n'est payée aux détenteurs des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles à l'exception de celle prévue à l'article 254.]1

  
Art.254. § 1. [1 Met het oog op de omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2, overeenkomstig artikel 252, 2° en 3°, kan de afwikkelingsautoriteit van de kredietinstelling eisen dat zij tier 1-kernkapitaalinstrumenten uitgeeft ten behoeve van de houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.]1
  § 2. [1 De relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden kunnen enkel worden omgezet in tier 1-kernkapitaal-instrumenten indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
   1° deze tier 1-kernkapitaalinstrumenten zijn door de kredietinstelling of door haar moederonderneming uitgegeven met de instemming van de afwikkelingsautoriteit;
   2° deze instrumenten zijn uitgegeven voordat de kredietinstelling enige aandelen of andere eigendomsinstrumenten heeft uitgegeven met het oog op een kapitaalinbreng door de Staat of een overheidsentiteit;
   3° zij worden onverwijld na de uitoefening van de omzettingsbevoegdheid aan de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden toegekend en overgedragen;
   4° de omzettingskoers wordt bepaald met inachtneming van de volgende beginselen:
   a) de koers vertegenwoordigt een gepaste schadeloosstelling voor de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden; en
   b) de koers toepasselijk op de niet-achtergestelde schulden is hoger dan deze op de achtergestelde schulden.]1

  § 3. Voor de toepassing van paragraaf 1, kan de afwikkelingsautoriteit van de kredietinstellingen eisen dat zij te allen tijde over de vereiste voorafgaande machtiging beschikken voor de uitgifte van het gepaste aantal tier 1-kernkapitaalinstrumenten.
  
Art.254. § 1er. [1 En vue de procéder à une conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, conformément à l'article 252, 2° et 3°, l'autorité de résolution peut exiger de l'établissement de crédit qu'il émette des instruments de fonds propres de base de catégorie 1 en faveur des détenteurs des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles.]1
  § 2. [1 Les instruments de fonds propres pertinents et les dettes éligibles ne peuvent être convertis en instruments de fonds propres de base de catégorie 1 que si les conditions suivantes sont remplies :
   1° ces instruments de fonds propres de base de catégorie 1 sont émis par l'établissement de crédit ou par son entreprise-mère avec l'accord de l'autorité de résolution ;
   2° ces instruments sont émis avant toute émission d'actions ou d'autres titres de propriété par l'établissement de crédit en vue d'un apport de capitaux par l'Etat ou une entité publique ;
   3° ils sont attribués et transférés aux détenteurs concernés des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles sans délai après l'exercice du pouvoir de conversion ;
   4° le taux de conversion est établi dans le respect des principes suivants :
   a) le taux représente une indemnisation appropriée pour les détenteurs concernés des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles ; et
   b) le taux applicable aux dettes non subordonnées est supérieur à celui applicable aux dettes subordonnées.]1

  § 3. Aux fins du paragraphe 1er, l'autorité de résolution peut exiger des établissements de crédit qu'ils maintiennent en permanence l'autorisation préalable nécessaire à l'émission d'un nombre adéquat d'instruments de fonds propres de base de catégorie 1.
  
HOOFDSTUK V. - Afwikkelingsinstrumenten
CHAPITRE V. - Instruments de résolution
Afdeling I. - Beginselen
Section Ire. - Principes
Art.255. § 1. De afwikkelingsinstrumenten zijn :
  1° het instrument van verkoop van de onderneming;
  2° het instrument van de overbruggingsinstelling;
  3° het instrument van afsplitsing van activa;
  [1 4° het instrument van interne versterking (bail-in).]1
  § 2. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning alle nodige maatregelen nemen om uitvoering te geven aan de dwingende bepalingen van internationale verdragen, of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen, voor de aanvulling van de afwikkelingsinstrumenten met een instrument van interne versterking (bail-in) dat de afwikkelingsautoriteit toelaat om alle of een deel van de [4 bail-inbare schulden]4 van een kredietinstelling af te schrijven of om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten.
  Te dien einde kan dit besluit de kredietinstellingen verplichten om te allen tijde een minimumniveau aan eigen vermogen en in aanmerking komende schulden te handhaven om een geordende afwikkeling mogelijk te maken.
  De in de eerste lid aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.
  Het besluit genomen krachtens deze paragraaf kan de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  Dit besluit mag niet in werking treden vóór 1 januari 2016. Het wordt van rechtswege opgeheven indien het niet bij wet wordt bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  [2 De afschrijving of omzetting van schulden van een kredietinstelling verricht met toepassing van het instrument van interne versterking, komt de medeschuldenaars en de derden die een persoonlijke of zakelijke zekerheid hebben gesteld, niet ten goede.]2
  § 3. De afwikkelingsautoriteit mag de afwikkelingsinstrumenten zowel afzonderlijk als in combinatie toepassen.
  Zij mag evenwel het instrument van afsplitsing van activa uitsluitend samen met een ander afwikkelingsinstrument toepassen.
  § 4. Indien de in paragraaf 1, 1° of 2° bedoelde afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt om slechts een deel van de activa, rechten of verbintenissen van de kredietinstelling over te dragen, wordt de kredietinstelling vereffend volgens een liquidatieprocedure.
  De vereffening geschiedt binnen een redelijke termijn waarbij ermee rekening wordt gehouden dat het eventueel noodzakelijk kan zijn dat de kredietinstelling diensten verleent uit hoofde van artikel 279 om de ontvanger in staat te stellen de overgedragen activiteiten of diensten te verrichten, en met andere redenen die het voortbestaan van de kredietinstelling nodig maken om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of aan de beginselen bepaald in artikel 245 te voldoen.
  § 5. [3 Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, of uit eigen beweging na advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning buitengewone openbare financiële steun verlenen door middel van instrumenten voor financiële stabilisatie om in de afwikkeling van een kredietinstelling te participeren, waaronder door rechtstreeks in te grijpen om de vereffening van deze instelling te voorkomen, teneinde de in artikel 243, § 1 bedoelde afwikkelings-doelstellingen te verwezenlijken.
   De overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie zijn de volgende :
   1° het instrument voor publieke kapitaalsteun, waarmee een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geherkapitaliseerd wordt in ruil voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten of aanvullende tier 1- of tier 2-instrumenten;
   2° het instrument voor tijdelijke overheidseigendom, waarmee de aandelen van een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid worden overgedragen naar een onderneming die volledig in eigendom van de Staat is of naar een gevolmachtigde van de Koning.]3

  [3 § 6. De overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie worden als laatste redmiddel gebruikt, teneinde de financiële stabiliteit te vrijwaren, en enkel nadat de afwikkelingsinstrumenten als bedoeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 zijn beoordeeld en zoveel mogelijk zijn benut. Deze beoordeling wordt door de Koning verricht na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit. De overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie kunnen slechts gebruikt worden indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° de afwikkelingsautoriteit heeft vastgesteld dat de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure vervuld zijn in hoofde van de betrokken kredietinstelling;
   2° na raadpleging van de Bank, in haar hoedanigheid van centrale bank, en van de toezichthouder, stellen de Koning en de afwikkelingsautoriteit vast
   - dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten niet volstaat om aanzienlijke negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit te voorkomen; of
   - dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten niet volstaat om het algemeen belang te beschermen; of
   - enkel voor wat betreft het instrument voor tijdelijke overheidseigendom, dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten niet volstaat om het algemeen belang te beschermen, indien de instelling eerder al kapitaalsteun heeft gekregen via het instrument voor kapitaalsteun;
   3° de waarde van de instrumenten die met toepassing van het instrument van interne versterking of het instrument van afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten [4 en in aanmerking komende schulden]4 worden omgezet of afgeschreven, bedraagt meer dan 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de instelling in afwikkeling, gemeten aan de hand van de waardering die met toepassing van de artikelen 246 tot 249 werd verricht; en
   4° de regels van de Europese Unie inzake staatssteun worden nageleefd.
   § 7. De Bank, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit, oefent op verzoek van de Koning alle haar verleende afwikkelingsbevoegdheden uit indien de uitoefening van die bevoegdheden noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van de overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie.
   De Koning ziet erop toe dat de ondernemingen die de Staat rechtstreeks of onrechtstreeks bezit met toepassing van een overheidsinstrument voor financiële stabilisatie, op commerciële en professionele wijze worden beheerd.
   Zodra de commerciële en financiële omstandigheden dat toelaten, worden de deelnemingen die met toepassing van een overheidsinstrument voor financiële stabilisatie rechtstreeks of onrechtstreeks worden aangehouden door de Staat, overgedragen aan de privésector.]3

  
Art.255. § 1er. Les instruments de résolution sont les suivants :
  1° la cession des activités de l'établissement de crédit;
  2° le recours à un établissement-relais;
  3° la séparation des actifs;
  [1 4° le renflouement interne (bail-in).]1
  § 2. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut prendre toutes les mesures utiles en vue de mettre en oeuvre des dispositions obligatoires de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ceux-ci visant à compléter les instruments de résolution avec un instrument de renflouement interne (bail-in) permettant à l'autorité de résolution de procéder à la dépréciation de tout ou partie des [4 dettes utilisables pour un renflouement interne]4 d'un établissement de crédit ou à la conversion de ces dettes en actions ou autres titres de propriété.
  A cet effet, cet arrêté peut imposer aux établissements de crédit de maintenir à tout moment un niveau minimum de fonds propres et de dettes éligibles en vue de permettre une résolution ordonnée.
  Les pouvoirs accordés au Roi par l'alinéa 1er expirent le 31 décembre 2015.
  L'arrêté pris en vertu du présent paragraphe peut modifier, compléter, remplacer ou abroger les dispositions légales en vigueur.
  Cet arrêté ne peut entrer en vigueur avant le 1er janvier 2016. Il est abrogé de plein droit lorsqu'il n'a pas été confirmé par la loi dans les douze mois qui suivent sa publication au Moniteur belge.
  [2 La dépréciation ou la conversion de dettes d'un établissement de crédit effectuée en application de l'instrument de renflouement interne ne profite pas aux codébiteurs ni aux tiers qui ont constitué des sûretés personnelles ou réelles.]2
  § 3. L'autorité de résolution peut appliquer les instruments de résolution séparément ou en combinaison.
  Elle ne peut toutefois appliquer l'instrument de séparation des actifs que simultanément avec un autre instrument de résolution.
  § 4. Lorsque les instruments de résolution visés au paragraphe 1er, 1° ou 2°, sont utilisés pour transférer une partie seulement des actifs, droits ou engagements de l'établissement de crédit, celui-ci est liquidé selon une procédure de liquidation.
  La liquidation intervient dans un délai raisonnable compte tenu de la nécessité éventuelle pour l'établissement de crédit de fournir des services au titre de l'article 279 en vue de permettre à l'entité réceptrice d'exercer les activités ou les services transférés, et de toute autre raison pour laquelle le maintien de l'établissement de crédit est nécessaire pour atteindre les objectifs de la résolution ou se conformer aux principes énoncés à l'article 245.
  § 5. [3 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, ou d'initiative après avis de l'autorité de résolution, fournir un soutien financier public exceptionnel au moyen d'instruments de stabilisation financière, afin de participer à la résolution de la défaillance d'un établissement de crédit, y compris en intervenant directement afin d'éviter sa liquidation, en vue d'atteindre les objectifs de la résolution visés à l'article 243, § 1er.
   Les instruments de stabilisation financière de l'Etat sont les suivants :
   1° l'instrument de soutien public en fonds propres, par lequel un établissement de crédit visé à l'alinéa 1er est recapitalisé en échange d'instruments de fonds propres de base de catégorie 1 ou d'instrument de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou 2;
   2° l'instrument de placement temporaire en propriété publique, par lequel les actions d'un établissement de crédit visé à l'alinéa 1er sont transférées vers une entreprise entièrement détenue par l'Etat ou vers une personne agréée par le Roi.]3

  [3 § 6. Les instruments de stabilisation financière de l'Etat sont utilisés en dernier ressort, avec l'objectif de préserver la stabilité financière, et uniquement après qu'ont été évalués et exploités dans toute la mesure du possible les instruments de résolution visés aux paragraphes 1er et 2. Cette évaluation est conduite par le Roi, après consultation de l'autorité de résolution. Les instruments de stabilisation financière de l'Etat ne peuvent être utilisés que lorsqu'il est satisfait aux conditions suivantes :
   1° l'autorité de résolution a établi que les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution visées à l'article 244 § 1er sont réunies dans le chef de l'établissement de crédit concerné;
   2° le Roi et l'autorité de résolution constatent, après consultation de la Banque, en sa qualité de banque centrale, et de l'autorité de contrôle, que
   - l'application des instruments de résolution ne permet pas d'éviter des effets négatifs importants sur la stabilité financière; ou
   - l'application des instruments de résolution ne permet pas de protéger l'intérêt public; ou
   - uniquement en ce qui concerne l'instrument de placement temporaire en propriété publique, l'application des instruments de résolution ne permet pas de protéger l'intérêt public bien qu'une aide en fonds propres ait été accordée précédemment à l'établissement par le biais de l'instrument d'aide en fonds propres;
   3° la valeur des instruments convertis ou dépréciés en application de l'instrument de renflouement interne ou de l'instrument de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres [4 et des dettes éligibles]4, est supérieure à 8 % du total des passifs, fonds propres compris, de l'établissement en résolution, tel qu'il résulte de la valorisation effectuée en application des articles 246 à 249; et
   4° les règles de l'Union européenne en matière d'aides d'Etat sont respectées.
   § 7. La Banque, en sa qualité d'autorité de résolution, exerce, à la demande du Roi, les pouvoirs de résolution qui lui sont conférés si leur exercice est nécessaire à la mise en oeuvre des instruments de stabilisation financière de l'Etat.
   Le Roi veille à ce que les entreprises détenues directement ou indirectement par l'Etat en application d'un instrument de stabilisation financière de l'Etat, soient gérées sur une base commerciale et professionnelle.
   Dès que les conditions commerciales et financières le permettent, les participations détenues directement ou indirectement par l'Etat en application d'un instrument de stabilisation financière de l'Etat sont cédées au secteur privé.]3

  
Afdeling II. - Instrument van verkoop van de onderneming
Section II. - Instrument de cession d'activités
Art.256. § 1. Indien de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit, ten voordele van elke overnemer, elke daad van beschikking bevelen, inzonderheid elke verkoop, overdracht of inbreng, met betrekking tot de aandelen of andere eigendomsinstrumenten uitgegeven door de kredietinstelling of alle of een deel van haar activa, rechten of verbintenissen.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit neemt alle redelijke maatregelen om voor de overdracht commerciële voorwaarden te bedingen die in overeenstemming zijn met de waardering gedaan met toepassing van Hoofdstuk III, rekening houdend met de concrete omstandigheden en met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie.
  § 3. Onder voorbehoud van artikel 272, valt elke door de overnemer betaalde vergoeding toe aan :
  1° de eigenaars van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten, indien de verkoop van de onderneming is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van hun aandelen of effecten;
  2° de kredietinstelling, indien de verkoop van de onderneming is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van haar activa.
Art.256. § 1er. Lorsque les conditions visées à l'article 244, § 1er sont satisfaites, l'autorité de résolution peut ordonner, au bénéfice de tout repreneur, tout acte de disposition, notamment tout acte de vente, de cession ou d'apport, portant sur les actions ou autres titres de propriété émis par l'établissement de crédit ou sur tout ou partie des actifs, droits ou engagements de celui-ci.
  § 2. L'autorité de résolution prend toutes les mesures raisonnables pour obtenir que le transfert ait lieu à des conditions commerciales qui correspondent à la valorisation effectuée en application du Chapitre III, eu égard aux circonstances de l'espèce et dans le respect des règles de l'Union européenne en matière d' aides d'Etat.
  § 3. Sous réserve de l'article 272, toute contrepartie versée par le repreneur revient :
  1° aux propriétaires des actions ou autres titres de propriété, lorsque la cession d'activités a été réalisée par le transfert de tout ou partie de leurs actions ou titres;
  2° à l'établissement de crédit, lorsque la cession d'activités a été réalisée par le transfert de tout ou partie de ses actifs.
Art.257. § 1. Bij de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming ziet de afwikkelingsautoriteit erop toe dat de verkoopprocedure :
  1° zo transparant mogelijk is, rekening houdend met de omstandigheden en inzonderheid met de noodzaak om de financiële stabiliteit te vrijwaren;
  2° geen enkele kandidaat-koper bevoordeelt;
  3° vrij is van belangenconflicten;
  4° rekening houdt met de noodzaak van een snelle afwikkelingsmaatregel, met inachtneming van de doelstellingen van de afwikkeling;
  5° beoogt om in de mate van het mogelijke de vergoeding bekomen voor de overgedragen aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa of rechten te maximaliseren, met inachtneming van de doelstellingen van de afwikkeling.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit mag van de in paragraaf 1 bedoelde vereisten afwijken wanneer zij besluit dat de naleving daarvan een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen in het gedrang zou brengen, en in het bijzonder indien zij van oordeel is dat :
  1° het in gebreke blijven of potentieel in gebreke blijven van de kredietinstelling een wezenlijke bedreiging van de financiële stabiliteit vormt of een dergelijkebedreiging verergert; en
  2° het waarschijnlijk is dat de naleving van de betreffende vereisten afbreuk zou doen aan de doelmatigheid van het instrument van verkoop van de onderneming voor het wegnemen van de in 1° bedoelde bedreiging of het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen.
  [1 § 3. Elke openbaarmaking van de verkoop van de kredietinstelling die op grond van artikel 17, lid 1 van Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik zou zijn voorgeschreven, mag overeenkomstig artikel 17, lid 4 of 5 van die verordening worden uitgesteld.]1
  
Art.257. § 1er. Lorsqu'elle applique l'instrument de cession des activités, l'autorité de résolution veille à ce que le processus de vente :
  1° soit aussi transparent que possible eu égard aux circonstances et notamment à la nécessité de maintenir la stabilité financière;
  2° ne favorise aucun des candidats-acquéreurs;
  3° ne soit entaché d'aucun conflit d'intérêt;
  4° tienne compte de la nécessité de mener une action de résolution rapide, en ayant égard aux objectifs de la résolution;
  5° vise à maximiser, dans la mesure du possible, la contrepartie obtenue pour les actions, autres titres de propriété, actifs ou droits transférés, en ayant égard aux objectifs de la résolution.
  § 2. L'autorité de résolution peut déroger aux exigences visées au paragraphe 1er lorsqu'elle conclut que le respect de celles-ci serait de nature à compromettre la réalisation d'un ou de plusieurs des objectifs de la résolution, et en particulier si elle considère que :
  1° la défaillance ou la défaillance potentielle de l'établissement de crédit fait peser une menace importante sur la stabilité financière, ou aggrave une telle menace; et
  2° il est probable que le respect des exigences en question nuirait à l'efficacité de l'instrument de cession des activités en limitant sa capacité de parer à la menace visée au 1° ou d'atteindre les objectifs de la résolution.
  [1 § 3. Toute annonce publique de la mise en vente de l'établissement de crédit, qui serait requise en vertu de l'article 17, paragraphe 1, du règlement (UE) n° 596/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 sur les abus de marché, peut être différée conformément à l'article 17, paragraphe 4 ou 5, dudit règlement.]1
  
Art.258. De overnemer moet in het bezit zijn van de nodige vergunning voor de uitoefening van de activiteiten en de levering van de diensten die aan hem worden overgedragen. De betrokken autoriteiten, in voorkomend geval de toezichthouder, onderzoeken een dergelijke vergunningsaanvraag tijdig.
Art.258. Le repreneur doit posséder l'agrément nécessaire pour exercer les activités et fournir les services qui lui sont transférés. Les autorités concernées, le cas échéant l'autorité de contrôle, étudient une telle demande d'agrément en temps utile.
Art.259. § 1. [1 Indien de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, is artikel 269/1 van toepassing.]1
  § 2. Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, regelt de Koning de rechtsgevolgen van de overdracht van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten bedoeld in paragraaf 1 en de uitoefening van de daaraan verbonden rechten tijdens de periode van beoordeling van de overnemer door de toezichthouder alsook de gevolgen van een eventueel verzet van deze overheid tegen de overdracht. Het besluit genomen krachtens deze paragraaf mag afwijken van artikel 51 voor zover toegelaten door de dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.
  
Art.259. § 1er. [1 Si l'application de l'instrument de cession d'activités aboutit à l'acquisition d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit ou à l'augmentation d'une telle participation faisant atteindre ou dépasser l'un des seuils prévus à l'article 46, l'article 269/1 est d'application.]1
  § 2. Par arrêté pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi règle les effets juridiques du transfert des actions ou autres titres de propriété visé au paragraphe 1er et l'exercice des droits y afférents pendant la période d'évaluation du repreneur par l'autorité de contrôle ainsi que les conséquences d'une éventuelle opposition par celle-ci au transfert. L'arrêté pris en vertu du présent paragraphe peut déroger à l'article 51 dans la mesure permise par les dispositions obligatoires de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ceux-ci.
  
Afdeling III. - Instrument van de overbruggingsinstelling
Section III. - Instrument de l'établissement-relais
Art.260. § 1. Indien de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit, ten voordele van elke overbruggingsinstelling, elke daad van beschikking bevelen, inzonderheid elke verkoop, overdracht of inbreng, met betrekking tot de aandelen of andere eigendomsinstrumenten uitgegeven door de kredietinstelling of alle of een deel van haar activa, rechten of verbintenissen. [2 Elke overbruggingsinstelling functioneert met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie en de afwikkelingsautoriteit kan haar dienovereenkomstig operationele beperkingen opleggen.]2
  § 2. De afwikkelingsautoriteit ziet erop toe dat de totale waarde van de aan de overbruggingsinstelling overgedragen verbintenissen niet hoger is dan deze van de rechten en activa overgedragen door de kredietinstelling of afkomstig uit andere bronnen.
  § 3. Onder voorbehoud van artikel 272, valt elke vergoeding betaald door de overbruggingsinstelling toe aan :
  1° de eigenaars van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten indien de overdracht aan de overbruggingsinstelling is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van deze aandelen of eigendomsinstrumenten;
  2° de kredietinstelling indien de overdracht is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van haar activa.
  [1 § 4. Het wettelijk bestuursorgaan en de effectieve leiding van de overbruggingsinstelling houden de toegang tot kritieke functies in stand met het oog op de toepassing van het bepaalde in artikel 261, 263 of 264.]1
  
Art.260. § 1er. Lorsque les conditions visées à l'article 244, § 1er sont satisfaites, l'autorité de résolution peut ordonner, au bénéfice de tout établissement-relais, tout acte de disposition, notamment tout acte de vente, de cession ou d'apport, portant sur les actions ou autres titres de propriété émis par l'établissement de crédit ou sur tout ou partie des actifs, droits ou engagements de celui-ci. [2 Tout établissement-relais fonctionne dans le respect des règles de l'Union européenne en matière d'aides d'Etat et l'autorité de résolution peut préciser les restrictions s'appliquant à son activité, de manière appropriée.]2
  § 2. L'autorité de résolution veille à ce que la valeur totale des engagements transférés à l'établissement-relais ne soit pas supérieure à celle des droits et actifs transférés de l'établissement de crédit ou provenant d'autres sources.
  § 3. Sous réserve de l'article 272, toute contrepartie versée par l'établissement-relais revient :
  1° aux propriétaires des actions ou autres titres de propriété, lorsque le transfert à l'établissement-relais a été réalisé par le transfert de tout ou partie de ces actions ou titres de propriété;
  2° à l'établissement de crédit, lorsque le transfert a été réalisé par le transfert de tout ou partie de ses actifs.
  [1 § 4. L'organe légal d'administration et la direction effective de l'établissement-relais maintiennent l'accès aux fonctions critiques en vue de l'application de l'article 261, 263 ou 264.]1
  
Art.261. § 1. Na de toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling, kan de afwikkelingsautoriteit bevelen dat alle of een deel van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling aan een derde worden overgedragen.
  § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit beslist om de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling te verkopen, worden deze in de markt gezet volgens een open en transparante procedure, zonder een van de kandidaat-kopers te bevoordelen.
  Deze verkoop geschiedt tegen marktvoorwaarden, rekening houdend met de omstandigheden en met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie.
Art.261. § 1er. Après avoir appliqué l'instrument de l'établissement-relais, l'autorité de résolution peut ordonner que tout ou partie des actions ou autres titres de propriété ou des actifs, droits ou engagements de l'établissement-relais soient transférés à une tierce partie.
  § 2. Lorsque l'autorité de résolution décide de vendre les actions, autres titres de propriété, actifs, droits ou engagements de l'établissement-relais, ceux-ci sont mis sur le marché selon un processus ouvert et transparent, sans favoriser aucun des candidats-acquéreurs.
  Cette vente est effectuée aux conditions de marché, eu égard aux circonstances et dans le respect des règles de l'Union européenne en matière d'aides d'Etat.
Art.262. § 1. De afwikkelingsautoriteit verleent haar goedkeuring aan :
  1° de statuten van de overbruggingsinstelling;
  2° de samenstelling van haar wettelijk bestuursorgaan en haar effectieve leiding;
  3° de identiteit, de verantwoordelijkheden en de bezoldiging van de personen belast met haar effectieve leiding; en
  4° haar strategie en risicoprofiel.
  § 2. De overbruggingsinstelling moet in het bezit zijn van de nodige vergunning voor de uitoefening van de activiteiten en de levering van de diensten die aan haar worden overgedragen.
  Niettegenstaande het eerste lid, mag de afwikkelingsautoriteit, voor zover toegelaten door de dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen, de overbruggingsinstelling tijdens een overgangsperiode en onder de door haar bepaalde voorwaarden, ontheffen van de vergunning bedoeld in het eerste lid.
  § 3. De overbruggingsinstelling, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan en de leden van haar effectieve leiding zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun handelen of niet-handelen in het kader van de uitvoering van de opdracht van de overbruggingsinstelling, behalve in geval van bedrog of zware fout.
Art.262. § 1er. L'autorité de résolution approuve :
  1° les statuts de l'établissement-relais;
  2° la composition de son organe légal d'administration et de sa direction effective;
  3 l'identité, les responsabilités et la rémunération des personnes chargées de sa direction effective; et
  4° sa stratégie et son profil de risque.
  § 2. L'établissement-relais doit posséder l'agrément nécessaire pour exercer les activités et fournir les services qui lui sont transférés.
  Nonobstant l'alinéa 1er, l'autorité de résolution peut, dans la mesure permise par les dispositions obligatoires de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ceux-ci, dispenser l'établissement-relais, pendant une période transitoire et dans les conditions qu'elle détermine, de l'agrément visé à l'alinéa 1er.
  § 3. L'établissement-relais, les membres de son organe légal d'administration et les membres de sa direction effective n'encourent aucune responsabilité civile en raison de leurs actes ou omissions dans l'exécution de la mission de l'établissement-relais, sauf en cas de dol ou de faute lourde.
Art.263. § 1. De afwikkelingsautoriteit beslist dat de overbruggingsinstelling niet langer dit statuut heeft, zo spoedig mogelijk zodra een van de volgende situaties zich voordoet :
  1° de overbruggingsinstelling fuseert met een andere entiteit;
  2° de instelling voldoet niet langer aan de criteria bepaald in artikel 242, 8° ;
  3° alle of het wezenlijk deel van de activa, rechten en verbintenissen van de overbruggingsinstelling worden verkocht of overgedragen aan een derde;
  4° de termijn bedoeld artikel 264, § 1, of, in voorkomend geval, artikel 264, § 2, is verstreken;
  5° de activa van de overbruggingsinstelling zijn volledig vereffend en haar verbintenissen zijn volledig voldaan.
  § 2. Wanneer een einde wordt gesteld aan het statuut van overbruggingsinstelling met toepassing van paragraaf 1, 3° of 4°, wordt de overbruggingsinstelling ontbonden en vereffend.
  Na betaling of consignatie van de sommen nodig voor de betaling van de schulden van de overbruggingsinstelling, en onder voorbehoud van artikel 272, vallen alle opbrengsten die voortvloeien uit de vereffening van de overbruggingsinstelling, toe aan haar aandeelhouders.
Art.263. § 1er. L'autorité de résolution décide que l'établissement-relais cesse d'avoir ce statut dès que possible à la première des occasions suivantes :
  1° l'établissement-relais est fusionné avec une autre entité;
  2° l'établissement cesse de répondre aux critères prévus à l'article 242, 8° ;
  3° la totalité ou l'essentiel des actifs, droits et engagements de l'établissement-relais sont vendus ou cédés à un tiers;
  4° la période prévue à l'article 264, § 1er, ou, le cas échéant, à l'article 264, § 2, est venue à son terme;
  5° les actifs de l'établissement-relais sont intégralement liquidés et ses engagements sont totalement acquittés.
  § 2. Lorsqu'il est mis fin au statut d'établissement-relais en application du paragraphe 1er, 3° ou 4°, il est procédé à la dissolution et à la liquidation de l'établissement-relais.
  Après le paiement, ou la consignation des sommes nécessaires au paiement, des dettes de l'établissement-relais, et sous réserve de l'article 272, tout produit net qui résulte de la liquidation de l'établissement-relais revient aux actionnaires de celui-ci.
Art.264. § 1. Indien geen van de situaties bedoeld in artikel 263, § 1, 1°, 2°, 3° of 5° zich voordoet, beëindigt de afwikkelingsautoriteit de werkzaamheden van de overbruggingsinstelling zo spoedig mogelijk en uiterlijk aan het einde van een termijn van vierentwintig maanden volgend op de datum waarop de laatste overdracht vanuit een kredietinstelling uit hoofde van het instrument van de overbruggingsinstelling plaatsvond.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan de termijn bedoeld in paragraaf 1 met een of meer bijkomende termijnen van twaalf maanden verlengen indien deze verlenging :
  1° in de hand werkt dat een van de situaties bedoeld in artikel 263, § 1, 1°, 2°, 3° of 5° zich voordoet; of
  2° noodzakelijk is om de continuïteit van de kritieke functies te verzekeren.
  Elke beslissing van de afwikkelingsautoriteit om de periode bedoeld in paragraaf 1 te verlengen, bevat een gedetailleerde beoordeling van de situatie, inclusief de marktomstandigheden en -vooruitzichten, die de verlenging rechtvaardigt.
Art.264. § 1er. Si aucune des situations visées à l'article 263, § 1er, 1°, 2°, 3° ou 5°, ne se produit, l'autorité de résolution met fin à l'activité de l'établissement-relais dès que possible et au plus tard au terme d'une période de vingt-quatre mois suivant la date du dernier transfert depuis un établissement de crédit effectué dans le cadre de l'instrument de l'établissement-relais.
  § 2. L'autorité de résolution peut prolonger la période visée au paragraphe 1er d'une ou de plusieurs périodes supplémentaires de douze mois lorsque cette prolongation :
  1° favorise la survenance de l'une des situations visées à l'article 263, § 1er, 1°, 2°, 3° ou 5° ; ou
  2° est nécessaire pour assurer la continuité des fonctions critiques.
  Toute décision de l'autorité de résolution de prolonger la période visée au paragraphe 1er contient une évaluation détaillée de la situation, y compris des conditions et perspectives du marché, justifiant la prolongation.
Afdeling IV. - Instrument van afsplitsing van activa
Section IV. - Instrument de séparation des actifs
Art.265. § 1. De afwikkelingsautoriteit mag de overdracht van alle of een deel van de activa, rechten of verbintenissen van een kredietinstelling of van een overbruggingsinstelling aan een of meer vehikels voor activabeheer enkel bevelen in een van de volgende gevallen :
  1° de situatie op de specifieke markt voor die activa is van die aard dat een vereffening van die activa in het kader van een liquidatieprocedure een risico meebrengt van nadelige gevolgen voor een of meer financiële markten;
  2° de overdracht is noodzakelijk om de goede werking van de kredietinstelling of de overbruggingsinstelling te verzekeren; of
  3° de overdracht is noodzakelijk om de opbrengsten van de vereffening te maximaliseren.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit bepaalt de waarde van de vergoeding, die in voorkomend geval nominaal of negatief kan zijn, waartegen alle of een deel van de activa, rechten en verbintenissen aan het vehikel voor activabeheer worden overgedragen, overeenkomstig de beginselen bepaald in de artikelen 246 tot 248 en met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie.
  [1 § 3. Onverminderd artikel 272, § 1, valt elke door het vehikel voor activabeheer met betrekking tot de rechtstreeks van de kredietinstelling in afwikkeling verworven activa, rechten of verbintenissen betaalde vergoeding, toe aan de kredietinstelling in afwikkeling. Vergoedingen kunnen betaald worden in de vorm van door het vehikel voor activabeheer uitgegeven schuldpapier.
   § 4. Indien het instrument van een overbruggingsinstelling is toegepast, kan een vehikel voor activabeheer, ten vervolge van de toepassing van het instrument van een overbruggingsinstelling, activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling verwerven.]1

  
Art.265. § 1er. L'autorité de résolution peut ordonner le transfert de tout ou partie des actifs, droits ou engagements d'un établissement de crédit ou d'un établissement-relais à une ou plusieurs structures de gestion des actifs uniquement dans un des cas suivants :
  1° la situation sur le marché des actifs en question est telle qu'une liquidation de ces actifs dans le cadre d'une procédure de liquidation risquerait d'avoir un effet négatif sur un ou plusieurs marchés financiers;
  2° ce transfert est nécessaire pour assurer le bon fonctionnement de l'établissement de crédit ou de l'établissement-relais; ou
  3° ce transfert est nécessaire pour maximiser le produit de la liquidation.
  § 2. L'autorité de résolution détermine la contrepartie, le cas échéant nominale ou négative, pour le transfert de tout ou partie des actifs, droits et engagements à la structure de gestion des actifs, conformément aux principes énoncés aux articles 246 à 248 et dans le respect des règles de l'Union européenne en matière d'aides d'Etat.
  [1 § 3. Sans préjudice de l'article 272, § 1er, toute contrepartie versée par la structure de gestion des actifs pour les actifs, droits ou engagements acquis auprès de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution revient à l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution. La contrepartie peut être versée sous la forme d'un instrument de dette émis par la structure de gestion des actifs.
   § 4. Lorsque l'instrument de l'établissement-relais a été appliqué, une structure de gestion des actifs peut, après l'application de l'instrument de l'établissement-relais, acquérir des actifs, droits ou engagements auprès de l'établissement-relais.]1

  
Art.266. § 1. De afwikkelingsautoriteit verleent haar goedkeuring aan :
  1° de statuten van het vehikel voor activabeheer;
  2° de samenstelling van zijn wettelijk bestuursorgaan en zijn effectieve leiding;
  3° de identiteit, de verantwoordelijkheden en de bezoldiging van de personen belast met zijn effectieve leiding; en
  4° zijn strategie en risicoprofiel.
  § 2. Het vehikel voor activabeheer, de leden van zijn wettelijk bestuursorgaanen de leden van zijn effectieve leiding zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun handelen of niet-handelen in het kader van de uitvoering van de opdracht van het vehikel voor activabeheer, behalve in geval van bedrog of zware fout.
Art.266. § 1er. L'autorité de résolution approuve :
  1° les statuts de la structure de gestion des actifs;
  2° la composition de son organe légal d'administration et de sa direction effective;
  3° l'identité, les responsabilités et la rémunération des personnes chargées de sa direction effective; et
  4° sa stratégie et son profil de risque.
  § 2. La structure de gestion des actifs, les membres de son organe légal d'administration et les membres de sa direction effective n'encourent aucune responsabilité civile en raison de leurs actes ou omissions dans l'exécution de la mission de la structure de gestion des actifs, sauf en cas de dol ou de faute lourde.
Art.267. Het vehikel voor activabeheer beheert de overgedragen activa met het doel de waarde ervan te maximaliseren door verkoop of ordelijke vereffening.
  Onder voorbehoud van artikel 272 vallen alle opbrengsten die voortvloeien uit de vereffening van het vehikel voor activabeheer, toe aan de aandeelhouders van dat vehikel.
Art.267. La structure de gestion des actifs gère les actifs qui lui sont transférés de manière à maximiser leur valeur par le biais d'une vente ou d'une liquidation ordonnée.
  Sous réserve de l'article 272, tout produit net qui résulte de la liquidation de la structure de gestion des actifs revient aux actionnaires de ladite structure.
Afdeling IV/1. [1 - Instrument van interne versterking]1
Section IV/1. [1 - Instrument de renflouement interne]1
Onderafdeling 1. [1 - Doel en toepassingsgebied]1
Sous-section 1ère. [1 - Objectif et champ d'application]1
Art. 267/1. [1 § 1. Indien de voorwaarden van artikel 244, § 1 zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit alle of een deel van de [2 bail-inbare schulden]2 van een kredietinstelling afschrijven of omzetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten, om een van de volgende doelstellingen te verwezenlijken :
   1° de herkapitalisatie van een kredietinstelling die voldoet aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure, om ervoor te zorgen dat zij weer aan de vergunningsvoorwaarden voldoet en de werkzaamheden kan blijven uitoefenen waarvoor zij een vergunning heeft verkregen, alsook om voldoende marktvertrouwen te handhaven;
   2° de afschrijving van schuldinstrumenten of de omzetting ervan in aandelen of andere eigendomsinstrumenten, wanneer ze worden overgedragen :
   a) aan een overbruggingsinstelling, teneinde kapitaal aan die overbruggingsinstelling te verschaffen; of
   b) met toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of van het instrument van afsplitsing van activa.
   § 2. Het instrument van interne versterking kan slechts ter verwezenlijking van de in paragraaf 1, 1° bedoelde doelstellingen worden toegepast indien redelijkerwijze te verwachten valt dat de toepassing van dat instrument, in combinatie met andere relevante maatregelen, waaronder maatregelen die overeenkomstig het bij artikel 267/11 voorgeschreven bedrijfssaneringsplan zijn genomen, niet alleen tot de verwezenlijking van de relevante afwikkelingsdoelstellingen leidt, maar ook de financiële soliditeit en de levensvatbaarheid op lange termijn van de betrokken kredietinstelling herstelt.
   Indien de voorwaarden van het vorige lid niet vervuld zijn, kunnen alle in artikel 255, § 1, 1°, 2° en 3° bedoelde afwikkelingsinstrumenten evenals het in paragraaf 1, 2° van dit artikel bedoelde instrument van interne versterking in voorkomend geval worden toegepast.
   § 3. De [2 bail-inbare schulden]2 kunnen worden afgeschreven of in aandelen of andere eigendomsinstrumenten worden omgezet ongeacht de rechtsvorm van de kredietinstelling. Indien nodig kan de afwikkelingsautoriteit beslissen de rechtsvorm van de kredietinstelling voorafgaandelijk te wijzigen. Deze beslissing heeft van rechtswege de wijziging van de rechtsvorm van de kredietinstelling tot gevolg.]1

  
Art. 267/1. [1 § 1er. Lorsque les conditions visées à l'article 244, § 1er sont satisfaites, l'autorité de résolution peut procéder à la dépréciation de tout ou partie des [2 dettes utilisables pour un renflouement interne]2 d'un établissement de crédit ou à la conversion de ces dettes en actions ou autres titres de propriété, en vue de la poursuite de l'un ou l'autre des objectifs suivants :
   1° recapitaliser l'établissement de crédit remplissant les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution afin de rétablir sa capacité à respecter les conditions de son agrément, à poursuivre les activités pour lesquelles il est agréé et à maintenir un niveau de confiance suffisant de la part des marchés;
   2° déprécier les instruments de dette, ou les convertir en actions ou autres titres de propriété, lorsqu'ils sont transférés :
   a) à un établissement-relais afin de lui apporter des capitaux; ou
   b) en application de l'instrument de cession des activités ou de l'instrument de la séparation des actifs.
   § 2. L'instrument de renflouement interne ne peut être appliqué aux fins visées au paragraphe 1, 1° que s'il existe une perspective raisonnable que l'application de cet instrument, conjuguée à d'autres mesures utiles, y compris les mesures mises en oeuvre conformément au plan de réorganisation des activités requis par l'article 267/11, permette, outre d'atteindre des objectifs pertinents de la résolution, de rétablir la bonne santé financière et la viabilité à long terme de l'établissement de crédit concerné.
   Lorsque les conditions définies à l'alinéa précédent ne sont pas remplies, tout instrument de résolution visé à l'article 255, § 1er, 1°, 2° et 3° ainsi que l'instrument de renflouement interne aux fins du paragraphe 1er, 2° du présent article sont applicables le cas échéant.
   § 3. La dépréciation ou la conversion des [2 dettes utilisables pour un renflouement interne]2 en actions ou autres titres de propriété peut être mise en oeuvre quelle que soit la forme juridique de l'établissement de crédit. En cas de nécessité, l'autorité de résolution peut décider de modifier préalablement la forme juridique de l'établissement de crédit. Une telle décision emporte de plein droit modification de la forme juridique de l'établissement de crédit.]1

  
Art. 267/2. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit zorgt ervoor dat alle activa die aangewend worden ter dekking van door zekerheid gedekte verplichtingen onaangeroerd en gescheiden blijven en op toereikende wijze gefinancierd worden.
   De in artikel 242, 10° vermelde uitsluitingen beletten niet om, in voorkomend geval, het deel van een door een zekerheid of anderszins gedekte verplichting dat de waarde van de activa die het voorwerp uitmaken van de dekking, het pandrecht of de zakelijke zekerheid, overschrijden, af te schrijven of om te zetten. Hetzelfde geldt voor het deel van een deposito dat het niveau van de in artikel 382 of in een soortgelijke regeling bepaalde dekking overschrijdt.
   § 2. Wanneer het instrument van interne versterking wordt toegepast, mogen in uitzonderlijke omstandigheden bepaalde [3 bail-inbare schulden]3 bovendien geheel of gedeeltelijk van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsmaatregelen worden uitgesloten, inzonderheid indien :
   1° niet binnen een redelijke termijn tot afschrijving of omzetting kan worden overgegaan;
   2° het strikt noodzakelijk is en evenredig is aan het doel om de continuïteit van kritieke functies en kernbedrijfsonderdelen van een kredietinstelling in afwikkeling te garanderen;
   3° het strikt noodzakelijk is en evenredig is aan het doel om te voorkomen dat een wijdverbreide besmetting ontstaat, met name in verband met in aanmerking komende deposito's van natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen, die de werking van de financiële markten ernstig zou verstoren op een wijze die de nationale economie, die van een andere lidstaat of die van de gehele Unie ernstig kan ontwrichten;
   4° de toepassing van het instrument van interne versterking op deze [3 bail-inbare schulden]3 een zodanige waardevernietiging tot gevolg zou hebben dat het door andere schuldeisers geleden verlies groter zou zijn dan wanneer deze verplichtingen van de toepassing van de maatregel van interne versterking waren uitgesloten.
   [3 De afwikkelingsautoriteit gaat zorgvuldig na of verplichtingen ten aanzien van kredietinstellingen, die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn en die niet zijn uitgesloten van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid op grond van artikel 242, 10°, k), moeten worden uitgesloten of deels worden uitgesloten uit hoofde van de punten 1° tot en met 4° om een doeltreffende uitvoering van de afwikkelingsstrategie te garanderen.
   Indien de afwikkelingsautoriteit besluit een bail-inbare schuld of een categorie van bail-inbare schulden op grond van het voorgaande lid geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de interne versterking, mag het niveau van afschrijving of omzetting dat op de andere bail-inbare schulden wordt toegepast, worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden, met inachtneming van het in artikel 245, § 1, 8° vervatte beginsel.]3

   § 3. De afwikkelingsautoriteit stelt de Europese Commissie in kennis van de ontwerpbeslissingen die zij met toepassing van § 2 wil nemen.
   Wanneer een bijdrage van [2 het Afwikkelingsfonds]2 wordt overwogen, stelt de afwikkelingsautoriteit haar beslissing uit in afwachting van het besluit dat de Europese Commissie overeenkomstig artikel 44, § 12 van Richtlijn 2014/59/EU zal nemen. Bij haar beslissing houdt zij rekening met de eventuele voorwaarden waaraan voldaan moet zijn opdat de Europese Commissie haar goedkeuring verleent.]1

  
Art. 267/2. [1 § 1er. L'autorité de résolution veille à ce que, dans leur intégralité, les éléments d'actif venant en couverture des engagements garantis ne soient pas affectés, restent séparés et fassent l'objet d'un financement suffisant.
   Les exclusions mentionnées à l'article 242, 10° ne font pas obstacle, le cas échéant, à la dépréciation ou à la conversion de la partie d'un engagement garanti ou couvert par une sûreté qui excède la valeur des actifs faisant l'objet de la garantie, du privilège ou de la sûreté. Il en va de même de la partie d'un dépôt qui excède le niveau de couverture prévu à l'article 382 ou tout dispositif équivalent.
   § 2. Dans des circonstances exceptionnelles, lorsque l'instrument de renflouement interne est appliqué, certaines [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 peuvent en outre être exclues en tout ou partie des mesures de dépréciation ou de conversion, en particulier :
   1° lorsqu'il n'est pas possible de procéder à la dépréciation ou à la conversion dans un délai raisonnable;
   2° lorsque c'est nécessaire et proportionné pour assurer la continuité des fonctions critiques et des activités fondamentales d'un établissement de crédit soumis à une procédure de résolution;
   3° lorsque c'est nécessaire et proportionné pour éviter une vaste contagion, notamment en ce qui concerne les dépôts éligibles de personnes physiques et de micro, petites et moyennes entreprises, de nature à ébranler le fonctionnement des marchés financiers d'une manière susceptible de causer une perturbation grave de l'économie nationale, de celle d'un autre Etat membre ou de celle de l'Union dans son ensemble;
   4° lorsque l'application de l'instrument de renflouement interne à ces [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 provoquerait une destruction de valeur telle que les pertes subies par d'autres créanciers seraient supérieures à celles qu'entraînerait l'exclusion de ces engagements de l'application de la mesure de renflouement interne.
  [3 L'autorité de résolution évalue soigneusement si les engagements envers des établissements de crédit qui font partie du même groupe de résolution sans être eux- mêmes des entités de résolution et qui ne sont pas exclus de l'application des pouvoirs de dépréciation ou de conversion en vertu du de l'article 242, 10°, k), devraient être exclus en tout ou en partie en vertu des points 1° à 4° pour assurer la mise en oeuvre effective de la stratégie de résolution.
   Si l'autorité de résolution décide, sur base de l'alinéa précédent, de totalement ou partiellement exclure du renflouement interne une dette utilisable pour un renflouement interne ou une catégorie de dettes utilisables pour un renflouement interne, le taux de réduction de valeur ou de conversion appliqué aux autres dettes utilisables pour un renflouement interne peut être accru pour tenir compte de ces exclusions, dans le respect du principe posé à l'article 245, § 1er, 8°.]3

   § 3. L'autorité de résolution notifie à la Commission européenne les projets de décision qu'elle envisage de prendre en application du § 2.
   Dans l'hypothèse où une contribution [2 du Fonds de résolution]2 est envisagée, l'autorité de résolution diffère sa décision dans l'attente de la décision de la Commission européenne prise conformément à l'article 44, § 12 de la Directive 2014/59/UE. Sa décision tient compte des éventuelles conditions auxquelles la Commission européenne a subordonné son accord.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden]1
Sous-section 2. [1 - Exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles]1
Art. 267/3. [1 De kredietinstellingen voldoen te allen tijde aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling.
   Deze vereiste wordt overeenkomstig artikel 267/5/1, § 3, § 4 of § 6, voor zover van toepassing, berekend als het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden en uitgedrukt als percentage van:
   1° het totaal van de risicoposten van de betrokken kredietinstelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013; en
   2° de totale risicoblootstellingsmaatstaf van de kredietinstelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013.]1

  
Art. 267/3. [1 Les établissements de crédit, satisfont, à tout moment, aux exigences de fonds propres et de dettes éligibles conformément aux dispositions de cette sous-section.
   Cette exigence est calculée conformément à l'article 267/5/1, § 3, § 4 ou § 6, selon le cas, comme étant le montant de fonds propres et de dettes éligibles et est exprimée en pourcentage :
   1° du montant total d'exposition au risque de l'établissement de crédit ou de l'entité, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ; et
   2° de la mesure de l'exposition totale de l'établissement de crédit ou de l'entité, calculée conformément aux articles 429 et 429bis du Règlement n° 575/2013.]1

  
Art. 267/4. [1 De afwikkelingsautoriteit stelt door gedekte obligaties gefinancierde instellingen voor hypothecair krediet die geen deposito's mogen ontvangen, vrij van het vereiste in artikel 267/3, mits het afwikkelingsplan voorziet in de vereffening van dergelijke instelling.
   Instellingen die van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste zijn vrijgesteld, mogen geen deel uitmaken van de in artikel 267/5/3, § 1, bedoelde consolidatie.]1

  
Art. 267/4. [1 L'autorité de résolution dispense de l'exigence définie à l'article 267/3 les établissements de crédit hypothécaire financés par l'émission d'obligations garanties qui ne sont pas autorisés à recevoir des dépôts, pour autant que le plan de résolution prévoit une liquidation de l'établissement.
   Les établissements dispensés de l'exigence définie à l'article 267/3, ne sont pas inclus dans le périmètre de consolidation visé à l'article 267/5/3, § 1er.]1

  
Art. 267/5. [1 § 1. Schulden worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van af te wikkelen entiteiten opgenomen als ze aan de voorwaarden voldoen van de artikelen 72bis, 72ter, met uitzondering van lid 2, punt d) en 72quater van Verordening nr. 575/2013:
   In afwijking van het eerste lid worden, wanneer in deze wet wordt verwezen naar de vereisten in artikel 92bis of artikel 92ter van Verordening nr. 575/2013 voor het bepalen van het bedrag van het eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, voor de toepassing van die artikelen als in aanmerking komende schulden beschouwd, degene die voldoen aan de omschrijving in artikel 72duodecies van die verordening en zijn vastgesteld overeenkomstig titel I, deel twee, hoofdstuk 5bis, van die verordening.
   § 2. Schulden die voortvloeien uit schuldinstrumenten met verankerde derivaten, zoals gestructureerde obligaties ("structured notes"), die voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, eerste lid, met uitzondering van artikel 72bis, lid 2, punt l), van Verordening nr. 575/2013, worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden opgenomen indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de hoofdsom van de schulden die voortvloeien uit het schuldinstrument is op het moment van uitgifte bekend, ligt vast of is stijgend, en wordt niet door een verankerd derivaatelement beïnvloed, en het totaalbedrag van de schulden die voortvloeien uit het schuldinstrument, met inbegrip van het verankerde derivaat, kan op dagbasis worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve en liquide vraag- en aanbodmarkt voor een gelijkwaardig instrument zonder kredietrisico, overeenkomstig de artikelen 104 en 105 van Verordening nr. 575/2013; of
   2° het schuldinstrument bevat een beding dat bepaalt dat de waarde van de vordering in het geval van de insolventie of de afwikkeling van de uitgever vast ligt of stijgt en het initieel gestorte bedrag van de schulden niet overschrijdt.
   Schuldinstrumenten bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van hun verankerde derivaten, zijn niet onderworpen aan een verrekeningsovereenkomst en de waardering van dergelijke instrumenten is niet onderworpen aan artikel 267/9, § 1, derde lid.
   Van de in de eerste lid van deze paragraaf bedoelde schulden wordt alleen het deel van de schuld dat overeenkomt met de in punt 1°, van dat lid bedoelde hoofdsom of het in punt 2°, van dat lid bedoelde vaste of stijgende bedrag opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden.
   § 3. Indien schulden door een in de EER gevestigde en van dezelfde af te wikkelen groep als de af te wikkelen entiteit deel uitmakende dochteronderneming zijn uitgegeven aan een bestaande aandeelhouder die niet van dezelfde af te wikkelen groep deel uitmaakt, worden die schulden opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van die af te wikkelen entiteit, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de schulden worden uitgegeven overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, 1° ;
   2° de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden met betrekking tot die schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 458 doet geen afbreuk aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
   3° die schulden overschrijden niet het bedrag dat verkregen wordt door de som van de schulden die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, en het bedrag van het overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, 2°, uitgegeven eigen vermogen, af te trekken van het bedrag dat vereist is overeenkomstig artikel 267/5/4, § 1.
   § 4. Onverminderd het minimumvereiste in artikel 267/5/1, § 4, of artikel 267/5/2, § 1, 1°, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan een deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste, gelijk aan 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden. De afwikkelingsautoriteit kan toestaan dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan een niveau dat lager ligt dan 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, maar hoger dan het bedrag dat resulteert uit de toepassing van de formule (1-(X1/X2)) x 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, mits aan alle in artikel 72ter, lid 3 van Verordening nr. 575/2013 vastgelegde voorwaarden wordt voldaan, gelet op de krachtens artikel 72ter, lid 3, van die verordening toegestane vermindering:
   X1 = 3,5 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten; en
   X2 = de som van 18 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten en het bedrag van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
   Indien de toepassing van het eerste lid van deze paragraaf voor af te wikkelen entiteiten die onder artikel 267/5/1, § 4, vallen, leidt tot een vereiste van meer dan 27 % van het totaal van de risicoposten, beperkt de afwikkelingsautoriteit, voor de betrokken af te wikkelen entiteit, het deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, tot een bedrag dat gelijk is aan 27 % van het totaal van de risicoposten, indien de afwikkelingsautoriteit tot het oordeel is gekomen dat:
   1° toegang tot de financieringsregeling voor de afwikkeling niet wordt beschouwd als een optie om die af te wikkelen entiteit af te wikkelen in het afwikkelingsplan; of
   2° indien punt 1°, niet van toepassing is, het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste die af te wikkelen entiteit in staat stelt te voldoen aan, naar gelang het geval, de vereisten bedoeld in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
   Bij de in het voorgaande lid bedoelde beoordeling houdt de afwikkelingsautoriteit ook rekening met het risico dat een vereiste in toepassing van het eerste lid op onevenredige wijze gevolgen heeft voor het bedrijfsmodel van de betrokken af te wikkelen entiteit.
   Op af te wikkelen entiteiten die onder artikel 267/5/1, § 5, vallen, is het tweede lid van deze paragraaf niet van toepassing.
   § 5. Ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die geen MSI's zijn en niet onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat aan een deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste dat ofwel 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit niet overstijgt, ofwel, wanneer dit hoger is, het bedrag van de in paragraaf 7 bedoelde formule niet overstijgt, moet worden voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde niet-achtergestelde schulden hebben dezelfde prioriteit in geval van samenloop van schuldeisers als bepaalde schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2;
   2° het risico bestaat dat als gevolg van een voorgenomen toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid op niet-achtergestelde schulden die niet van de toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, zijn uitgesloten, schuldeisers van die vorderingen, grotere verliezen lijden dan de verliezen die zij in een liquidatieprocedure zouden lijden;
   3° het vereiste bedrag van het eigen vermogen en andere achtergestelde schulden is niet hoger dan het bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat de door de in punt 2°, bedoelde schuldeisers geleden verliezen kleiner zijn dan de verliezen die ze in een liquidatieprocedure zouden hebben geleden.
   Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat, binnen een categorie van schulden die in aanmerking komende schulden omvat, het bedrag van de schulden die worden uitgesloten of redelijk waarschijnlijk worden uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, hoger is dan 10 % van die categorie, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit het in het eerste lid, punt 2°, bedoelde risico.
   § 6. Voor de toepassing van de paragrafen 4, 5 en 7 vormen uit derivaten voortvloeiende schulden een onderdeel van de totale schulden op de basis dat de salderingsrechten ("netting rights") van tegenpartijen volledig worden erkend.
   Het eigen vermogen van een af te wikkelen entiteit dat wordt gebruikt om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer komt in aanmerking om te voldoen aan de in de paragrafen 4, 5 en 7 bedoelde vereisten.
   § 7. In afwijking van paragraaf 4 kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste moeten voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, voor zover, uit hoofde van de verplichting van de af te wikkelen entiteit om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en de in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013, artikel 267/5/1, § 4, en artikel 267/5/3, bedoelde vereisten, de som van dat eigen vermogen, die instrumenten en schulden niet hoger is dan het hoogste bedrag van ofwel:
   1° 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit; ofwel
   2° het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de formule A x 2 + B x 2 + C, waarbij A, B en C de volgende bedragen zijn:
   A = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013;
   B = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 149, eerste lid;
   C = het bedrag dat voortvloeit uit het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
   § 8. De afwikkelingsautoriteit kan de in paragraaf 7 bedoelde bevoegdheid uitoefenen ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen en die aan één van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoen, tot een limiet van 30 % van de totale hoeveelheid van alle af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste bepaalt.
   De afwikkelingsautoriteit neemt de voorwaarden als volgt in overweging:
   1° in de voorgaande afwikkelbaarheidsbeoordeling zijn wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid vastgesteld en:
   - geen van de door de afwikkelingsautoriteit in toepassing van artikel 232 vereiste maatregelen zijn toegepast binnen het door de afwikkelingsautoriteit opgelegde tijdpad, of
   - de vastgestelde wezenlijke belemmeringen kunnen niet door gebruik van de in artikel 232 bedoelde maatregelen worden aangepakt, en het uitoefenen van de in paragraaf 7 van dit artikel bedoelde bevoegdheid zou de negatieve gevolgen van de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de af te wikkelen entiteit ten dele of geheel ongedaan maken;
   2° de afwikkelingsautoriteit is van oordeel dat de haalbaarheid en geloofwaardigheid van de voorkeursafwikkelingsstrategie van de af te wikkelen entiteit beperkt is, rekening houdend met de omvang, de verwevenheid, de aard, de reikwijdte, het risico en de complexiteit van de activiteiten, de juridische status en de aandelenstructuur van de entiteit; of
   3° het in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste weerspiegelt het feit dat de af te wikkelen entiteit, in termen van risico, bij de top 20 % instellingen hoort waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste bepaalt.
   Voor het bepalen van de in het eerste en het tweede lid bedoelde percentages rondt de afwikkelingsautoriteit het uit de berekening resulterende cijfer naar boven af tot het dichtstbijzijnde gehele getal.
   § 9. De afwikkelingsautoriteit neemt de in de paragrafen 5 of 7 bedoelde besluiten na raadpleging van de toezichthouder. Bij het nemen van die besluiten houdt de afwikkelingsautoriteit tevens rekening met:
   1° de diepte van de markt voor eigenvermogensinstrumenten en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van de af te wikkelen entiteit, de prijsstelling van die instrumenten indien voorhanden, en de tijd die nodig is om eventuele transacties te verrichten die nodig zijn om te voldoen aan het besluit;
   2° de hoeveelheid in aanmerking komende schuldinstrumenten die voldoen aan alle in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met een resterende looptijd van minder dan één jaar vanaf de datum van het besluit, zodat kwantitatieve aanpassingen kunnen worden aangebracht in de in de paragrafen 5 en 7 bedoelde vereisten;
   3° de beschikbaarheid en de hoeveelheid van instrumenten die voldoen aan alle voorwaarden van artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013, anders dan artikel 72ter, lid 2, punt d), van die verordening;
   4° wanneer het bedrag van de schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, en die in een liquidatieprocedure een gelijke of lagere rang hebben dan de hoogst gerangschikte in aanmerking komende schulden, meer bedraagt dan 5 % van de hoeveelheid eigen vermogen en in aanmerking komende schulden van de af te wikkelen entiteit, het relatief belang van die schulden ten opzichte van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van de af te wikkelen entiteit, zoals beoordeeld door de afwikkelingsautoriteit;
   5° het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit, alsmede haar stabiliteit en haar vermogen om bij te dragen aan de economie; en
   6° de gevolgen van eventuele herstructureringskosten voor de herkapitalisatie van de af te wikkelen entiteit.]1

  
Art. 267/5. [1 § 1er. Les dettes sont inclues dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles des entités de résolution si elles satisfont aux conditions énoncées aux articles 72bis, 72ter, à l'exception du paragraphe 2, point d), et 72quater du Règlement n° 575/2013.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la présente loi renvoie aux exigences de l'article 92bis ou de l'article 92ter du Règlement n° 575/2013 pour la détermination du montant de fonds propres et de dettes éligibles, les dettes éligibles sont constituées, aux fins desdits articles, des dettes éligibles définies à l'article 72duodecies dudit règlement et déterminées conformément à la deuxième partie, titre I, chapitre 5bis, dudit règlement.
   § 2. Les dettes résultant d'instruments de dette comportant des dérivés incorporés, comme les obligations structurées, qui satisfont aux conditions énoncées au paragraphe 1er, alinéa 1er, à l'exception de l'article 72bis, paragraphe 2, point l), du Règlement n° 575/2013, ne sont inclues dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles que si l'une des conditions suivantes est remplie :
   1° le montant principal de la dette résultant de l'instrument de dette est connu au moment de l'émission, est fixe ou augmente et n'est pas affecté par une composante dérivée incorporée, et le montant total de la dette résultante de l'instrument de dette, y compris le dérivé incorporé, peut être évalué quotidiennement par référence à un marché liquide et actif, à double sens pour un instrument équivalent sans risque de crédit conformément aux articles 104 et 105 du Règlement n° 575/2013 ; ou
   2° l'instrument de dette comporte une clause contractuelle précisant que la valeur de la créance, en cas d'insolvabilité ou de résolution de l'émetteur, est fixe ou augmente et n'excède pas le montant de l'engagement initialement payé.
   Les instruments de dette visés à l'alinéa 1er, y compris leurs dérivés incorporés, ne font l'objet d'aucun accord de compensation (netting) et la valorisation de tels instruments ne relève pas de l'article 267/9, § 1er, alinéa 3.
   Les engagements visés à l'alinéa 1er de ce paragraphe ne sont inclus dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles qu'au regard de la part de la dette correspondant au montant principal visé au point 1° dudit alinéa, ou au montant fixe ou croissant visé au point 2°, dudit alinéa.
   § 3. Lorsque des dettes sont émises par une filiale établie dans l'EEE en faveur d'un actionnaire existant qui ne fait pas partie du même groupe de résolution, et que cette filiale fait partie du même groupe de résolution que l'entité de résolution, ces dettes sont inclues dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles de cette entité de résolution si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° les dettes sont émises conformément à l'article 267/5/4, § 2, 1° ;
   2° l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion à l'égard de ces dettes conformément aux articles 250 ou 458 n'affecte pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution ;
   3° ces dettes ne dépassent pas le montant obtenu en soustrayant la somme des dettes émises en faveur de l'entité de résolution et achetées par celle-ci directement ou indirectement par l'intermédiaire d'autres entités du même groupe de résolution et du montant des fonds propres émis conformément à l'article 267/5/4, § 2, 2°, du montant exigé conformément à l'article 267/5/4, § 1er.
   § 4. Sans préjudice de l'exigence minimale prévue à l'article 267/5/1, § 4, et à l'article 267/5/2, § 1er, 1°, l'autorité de résolution veille à ce qu'une partie de l'exigence visée à l'article 267/5/3, égale à 8 % du total des passifs, fonds propres compris, soit remplie par les entités de résolution qui sont des EISm ou des entités de résolution relevant de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article. L'autorité de résolution peut autoriser qu'un niveau inférieur à 8 % du total des passifs, fonds propres compris, mais supérieur au montant résultant de l'application de la formule (1-(X1/X2)) x 8 % du total des passifs, fonds propres compris, soit atteint par les entités de résolution qui sont des EISm ou des entités de résolution qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article, pour autant que l'ensemble des conditions énoncées à l'article 72ter, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 soient remplies, compte tenu de la réduction autorisée en vertu de l'article 72ter, paragraphe 3, dudit règlement :
   X1 = 3,5 % du montant total d'exposition au risque, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du règlement (UE) n° 575/2013 ; et
   X2 = la somme des 18 % du montant total d'exposition au risque, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, et du montant correspondant à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
   Pour les entités de résolution qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4, lorsque l'application de l'alinéa 1er de ce paragraphe entraîne une exigence supérieure à 27 % du montant total d'exposition au risque, l'autorité de résolution limite, pour l'entité de résolution concernée, la partie de l'exigence visée à l'article 267/5/3 qui doit être remplie au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés, ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article à un montant égal à 27 % du montant total d'exposition au risque si l'autorité de résolution a évalué que :
   1° l'accès au dispositif de financement pour la résolution n'est pas considéré comme une option pour procéder à la résolution de cette entité de résolution dans le plan de résolution ; ou
   2° lorsque le point 1°, ne s'applique pas, l'exigence visée à l'article 267/5/3 permet à cette entité de résolution de satisfaire aux exigences visées à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er ou § 3 de la loi du 28 décembre 2011 sur le Fonds de résolution et à l'article 27, paragraphe 7, a) du Règlement n° 806/2014, selon le cas.
   Lorsqu'elle procède à l'appréciation visée à l'alinéa précédent, l'autorité de résolution prend également en compte le risque qu'une exigence résultant de l'application de l'alinéa 1er affecte de manière disproportionnée le modèle d'entreprise de l'entité de résolution concernée.
   L'alinéa 2 de ce paragraphe ne s'applique pas aux entités de résolution qui relèvent de l'article 267/5/1, § 5.
   § 5. Pour les entités de résolution qui ne sont ni des EISm ni des entités de résolution relevant de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, l'autorité de résolution peut décider qu'une partie de l'exigence visée à l'article 267/5/3 n'excédant pas 8 % du total des passifs, fonds propres compris, de l'entité ou le montant résultant de l'application de la formule visée au paragraphe 7 lorsque celui-ci est plus élevé, est remplie au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés, ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
   1° les dettes non subordonnées visées aux paragraphes 1er et 2 ont le même niveau de priorité en cas de concours de créancier que certaines dettes exclues de l'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2 ;
   2° à la suite de l'application prévue des pouvoirs de dépréciation et de conversion aux dettes non subordonnées qui ne sont pas exclues de l'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, les créanciers de ces dettes risquent de subir des pertes plus importantes que celles qu'ils auraient subies dans le cadre d'une procédure de liquidation ;
   3° le montant des fonds propres et d'autres dettes subordonnées requis n'excède pas le montant permettant de garantir que les pertes subies par les créanciers visés au point 2°, restent inférieures aux pertes qu'ils auraient dû supporter dans le cadre d'une procédure de liquidation.
   Lorsque l'autorité de résolution constate que, à l'intérieur d'une catégorie de dettes comprenant des dettes éligibles, le montant des dettes qui sont exclues ou raisonnablement susceptibles d'être exclues du champ d'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, est supérieur à 10 % de cette catégorie, l'autorité de résolution évalue le risque visé à l'alinéa 1er, point 2°.
   § 6. Aux fins des paragraphes 4, 5 et 7, les dettes résultant de produits dérivés sont inclues dans le total des dettes, sur la base d'une pleine reconnaissance des droits de compensation ("netting rights") des contreparties.
   Les fonds propres d'une entité de résolution utilisés pour satisfaire à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 sont éligibles aux fins du respect des exigences visées aux paragraphes 4, 5 et 7.
   § 7. Par dérogation au paragraphe 4, l'autorité de résolution peut décider que l'exigence visée à l'article 267/5/3 est remplie par les entités de résolution qui sont des EISm ou des entités de résolution relevant de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés, ou de dettes visées au paragraphe 3, dans la mesure où, en raison de l'obligation pour l'entité de résolution de se conformer à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 et aux exigences visées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et à l'article 267/5/1, § 4, et à l'article 267/5/3, la somme de ces fonds propres, instruments et dettes n'excède pas la plus élevée des valeurs suivantes :
   1° 8 % du total des passifs, fonds propres compris, de l'entité ; ou
   2° le montant résultant de l'application de la formule A x 2 + B x 2 + C, où A, B et C représentent les montants suivants :
   A = le montant résultant de l'exigence visée à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 ;
   B = le montant résultant de l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er ;
   C = le montant résultant de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
   § 8. L'autorité de résolution peut exercer le pouvoir visé au paragraphe 7 à l'égard des entités de résolution qui sont des EISm ou qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, et qui remplissent l'une des conditions énoncées à l'alinéa 2 jusqu'à une limite de 30 % du nombre total des entités de résolution qui sont des EISm ou qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, pour lesquelles l'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/5/3.
   L`autorité de résolution prend en considération les conditions comme suit :
   1° des obstacles importants à la résolvabilité ont été identifiés lors de la précédente évaluation de la résolvabilité et :
   - aucune des mesures requises par l'autorité de résolution conformément à l'article 232 n'a été mise en oeuvre dans le délai imposé par l'autorité de résolution, ou
   - il ne peut être remédié aux obstacles importants identifiés au moyen de l'une des mesures visées à l'article 232, et l'exercice du pouvoir visé au paragraphe 7 du présent article compenserait en tout ou partie l'impact négatif des obstacles importants sur la résolvabilité de l'entité de résolution ;
   2° l'autorité de résolution considère que la faisabilité et la crédibilité de la stratégie de résolution privilégiée de l'entité de résolution sont limitées, compte tenu de la taille et de l'interconnexion de l'entité, de la nature, de la portée, du risque et de la complexité de ses activités, de son statut juridique et de la structure de son actionnariat ; ou
   3° l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er fait apparaître que l'entité de résolution, figure, en termes de profil de risque, parmi les premiers 20 % des établissements pour lesquels l'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3.
   Aux fins de la détermination des pourcentages visés à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2, l'autorité de résolution arrondit le résultat du calcul effectué au nombre entier le plus proche.
   § 9. L'autorité de résolution prend les décisions visées au paragraphe 5 ou 7 après consultation de l'autorité de contrôle. Lorsqu'elle prend ces décisions, l'autorité de résolution prend également en considération :
   1° la profondeur du marché pour les instruments de fonds propres de l'entité de résolution et ses instruments éligibles subordonnés, la détermination du prix de tels instruments lorsqu'ils existent, et le temps requis pour exécuter toute transaction nécessaire pour se conformer à la décision ;
   2° le montant des instruments d'engagements éligibles remplissant toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013 qui ont une échéance résiduelle inférieure à un an à la date de la décision en vue d'apporter des ajustements quantitatifs aux exigences visées aux paragraphes 5 et 7 ;
   3° la disponibilité et le montant des instruments remplissant toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013, autre que l'article 72ter, paragraphe 2, point d), dudit règlement ;
   4° lorsque le montant des dettes exclues de l'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, et qui, en cas de procédure de liquidation, ont le même rang ou un rang inférieur aux dettes éligibles ayant le rang le plus élevé, excède 5 % du montant des fonds propres et des dettes éligibles de l'entité de résolution, l'importance relative de ces dettes par rapport aux fonds propres et aux dettes éligibles de l'entité de résolution, tel qu'appréciée par l'autorité de résolution ;
   5° le modèle d'entreprise, le modèle de financement et le profil de risque de l'entité de résolution, ainsi que sa stabilité et sa capacité à contribuer à l'économie ; et
   6° l'incidence des éventuels coûts de restructuration sur la recapitalisation de l'entité de résolution.]1

  
Art. 267/5/1. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit stelt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste vast, na raadpleging van de toezichthouder, op basis van de volgende criteria:
   1° de noodzaak om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten op de af te wikkelen entiteit, indien passend met inbegrip van het instrument van interne versterking, kan worden afgewikkeld op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen;
   2° de noodzaak om er, waar passend, voor te zorgen dat de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, over voldoende eigen vermogen en in aanmerking komende schulden beschikken om te waarborgen dat, indien het instrument van interne versterking of de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op hen zou worden toegepast, de verliezen zouden kunnen worden geabsorbeerd en dat het mogelijk is de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio van de betrokken entiteiten weer op het niveau te brengen dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;
   3° de noodzaak om ervoor te zorgen dat, indien er in het afwikkelingsplan rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat bepaalde categorieën in aanmerking komende schulden van het instrument van interne versterking worden uitgesloten op grond van de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, of volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, de af te wikkelen entiteit voldoende eigen vermogen en andere in aanmerking komende schulden heeft om de verliezen te absorberen en de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio weer op het niveau te brengen dat nodig is om aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor haar overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;
   4° de grootte, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit;
   5° de mate waarin het falen van de af te wikkelen entiteit nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, onder meer via besmetting van andere kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° wegens de verwevenheid van de af te wikkelen entiteit met die andere kredietinstellingen of entiteiten of met de rest van het financiële stelsel.
   § 2. Indien het afwikkelingsplan in één van de scenario's bedoeld in artikel 227, § 1, tweede lid of 440, § 2 bepaalt dat een afwikkelingsmaatregel moet worden genomen of dat de in artikel 250 of 457 bedoelde bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten moet worden uitgeoefend, is het in artikel 267/3 bedoelde vereiste gelijk aan een bedrag dat volstaat om te verzekeren dat:
   1° de verliezen die de af te wikkelen entiteit naar verwachting zal lijden, volledig worden geabsorbeerd ("verliesabsorptie");
   2° de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten, als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, worden geherkapitaliseerd tot een niveau dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet, de wet van 2 augustus 2002 of een gelijkwaardige wetgevingshandeling een vergunning is verleend verder uit te oefenen voor een toereikende periode van maximaal één jaar ("herkapitalisatie").
  [2 ...]2.
  [2 § 2/1. De afwikkelingsautoriteit stelt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet vast voor liquidatie-entiteiten.
   In afwijking van het eerste lid beoordeelt de afwikkelingsautoriteit of het gerechtvaardigd is om het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een liquidatie-entiteit op individuele basis vast te stellen op een bedrag dat groter is dan het bedrag dat nodig is om de verliezen te absorberen in overeenstemming met paragraaf 2. De afwikkelingsautoriteit houdt bij haar beoordeling met name rekening met eventuele gevolgen van het in gebreke blijven van de liquidatie-entiteit voor de financiële stabiliteit en voor het risico van besmetting van het financiële stelsel, onder meer met betrekking tot de beschikbare financiële middelen van het Garantiefonds. Indien de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste vaststelt, voldoet de liquidatie-entiteit aan dat vereiste met een of meer van de volgende elementen:
   1° eigen vermogen;
   2° schulden die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen zoals bedoeld in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013, met uitzondering van artikel 72ter, lid 2, punten b) en d), van die verordening;
   3° schulden bedoeld in artikel 267/5, § 2.
   Artikel 77, lid 2, en artikel 78bis van Verordening nr. 575/2013 zijn niet van toepassing op liquidatie-entiteiten waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet heeft vastgesteld.
   Bezit van eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schuldinstrumenten uitgegeven door dochterinstellingen die liquidatie-entiteiten zijn waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet heeft vastgesteld, wordt niet afgetrokken uit hoofde van artikel 72sexies, lid 5, van Verordening nr. 575/2013.
   In afwijking van het vierde lid trekt een kredietinstelling of een entiteit zoals bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° die zelf geen af te wikkelen entiteit is, maar een dochteronderneming is van een af te wikkelen entiteit of van een entiteit uit een derde land die een af te wikkelen entiteit zou zijn indien zij in de Unie zou zijn gevestigd, haar bezit van eigenvermogensinstrumenten in dochterinstellingen die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren en die liquidatie-entiteiten zijn waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet heeft vastgesteld, af indien het totaalbedrag van dat bezit gelijk is aan of groter is dan 7 % van het totale bedrag van haar eigen vermogen en schulden die voldoen aan de in artikel 267/5/4, § 2 bedoelde criteria om in aanmerking te komen, jaarlijks berekend op 31 december als een gemiddelde over de voorgaande twaalf maanden.]2

   § 3. Voor af te wikkelen entiteiten is het in paragraaf 2 [2 ...]2 bedoelde bedrag het volgende:
   1° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:
   - een verliesabsorptiebedrag dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
   - een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde totale kapitaalratio-vereiste en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;
   gedeeld door het totaal van de risicoposten; en
   2° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:
   - een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
   - een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;
   gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.
   Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
   Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:
   1° maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde afwikkelingsmaatregelen; en
   2° stelt de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het geldende in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat na de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie van toepassing is op de af te wikkelen entiteit.
   De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje, bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat, na afwikkeling, de entiteit voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.
   Indien het voorgaande lid van deze paragraaf van toepassing is, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.
   Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:
   - zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na uitvoering van de afwikkelingsstrategie, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of
   - zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014.
   § 4. Voor af te wikkelen entiteiten die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 vallen en die deel uitmaken van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa meer dan 100 miljard euro bedragen, is het niveau van het in paragraaf 3 bedoelde vereiste ten minste gelijk aan:
   1° 13,5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 1° ; en
   2° 5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 2°.
   In afwijking van artikel 267/5 voldoen de in het eerste lid bedoelde af te wikkelen entiteiten aan het in dat lid bedoelde vereiste, met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of van in artikel 267/5, § 3, bedoelde schulden.
   § 5. De afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de toezichthouder, besluiten het in paragraaf 4 vastgestelde vereiste toe te passen op een af te wikkelen entiteit die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 valt en die deel uitmaakt van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa minder dan 100 miljard euro bedragen wanneer zij oordeelt dat diens in gebreke blijven redelijk waarschijnlijk een systeemrisico oplevert.
   Bij het nemen van een in het voorgaande lid bedoeld besluit houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:
   1° het overwicht van deposito's, en het ontbreken van schuldinstrumenten, in het financieringsmodel;
   2° de mate waarin de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden beperkt is;
   3° de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.
   Het ontbreken van een besluit op grond van het eerste lid laat een besluit uit hoofde van artikel 267/5, § 5, onverlet.
   § 6. Voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, is het in paragraaf 2 [2 ...]2 bedoelde bedrag het volgende:
   1° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld inartikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:
   - een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met de in artikel 92, lid 1, punt c) van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de entiteit; en
   - een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereiste inzake totale kapitaalratio en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste;
   gedeeld door het totaal van de risicoposten; en
   2° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:
   - een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de entiteit; en
   - een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste;
   gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.
   Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
   Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:
   1° maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele veranderingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen; en
   2° stelt de afwikkelingsautoriteit na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het huidige in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat van toepassing is op de betrokken entiteit na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep.
   De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat de entiteit, na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457, voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.
   Wanneer de afwikkelingsautoriteit het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhoogt in overeenstemming met het voorgaande lid van deze paragraaf, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de uitoefening van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.
   Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:
   - zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na het uitoefenen van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of
   - zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot 10 van Verordening nr. 806/2014.
   § 7. Indien de afwikkelingsautoriteit verwacht dat bepaalde categorieën van in aanmerking komende schulden met een redelijke waarschijnlijkheid geheel of gedeeltelijk van het instrument van interne versterking zullen worden uitgesloten op grond van artikel 267/2, § 2, of mogelijk volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, wordt aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voldaan met gebruik van eigen vermogen of andere in aanmerking komende schulden die volstaan om:
   1° het bedrag van die in aanmerking komende schulden te dekken;
   2° te verzekeren dat aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden is voldaan.
   § 8. Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van dit artikel een minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op te leggen, wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 149, eerste lid.
   § 9. Voor de toepassing van de paragrafen 3 en 6 van dit artikel worden de kapitaalvereisten geïnterpreteerd in overeenstemming met de toepassing door de toezichthouder van de overgangsbepalingen die zijn neergelegd in deel tien, titel I, hoofdstukken 1, 2 en 4 van Verordening nr. 575/2013 en in de reglementen van de toezichthouder waarbij de door die verordening verleende opties worden uitgeoefend.]1

  
Art. 267/5/1. [1 § 1er. L'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3, après consultation de l'autorité de contrôle, sur la base des critères suivants :
   1° la nécessité de faire en sorte que l'application des instruments de résolution à l'entité de résolution, dont, le cas échéant, l'instrument de renflouement interne, permette la résolution du groupe de résolution d'une manière qui réponde aux objectifs de la résolution ;
   2° la nécessité de faire en sorte, le cas échéant, que l'entité de résolution et ses filiales qui sont des établissements ou des entités visées à l'article 424, 2° à 4°, mais ne sont pas des entités de résolution, disposent de fonds propres et de dettes éligibles suffisantes pour garantir que, si l'instrument de renflouement interne ou les pouvoirs de dépréciation et de conversion devaient leur être appliqués, les pertes puissent être absorbées et que le ratio de fonds propres total et, le cas échéant, le ratio de levier des entités concernées peuvent être ramenés au niveau nécessaire pour leur permettre de continuer à remplir les conditions d'agrément et à exercer les activités pour lesquelles elles ont été agréées en vertu de la présente loi ou de la loi du 2 août 2002 ;
   3° la nécessité de faire en sorte que, si le plan de résolution prévoit la possibilité pour certaines catégories de dettes éligibles d'être exclues du renflouement interne en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, ou d'être intégralement transférées à une entité réceptrice dans le cadre d'un transfert partiel, l'entité de résolution dispose d'un montant suffisant de fonds propres et d'autres dettes éligibles pour absorber les pertes et ramener son ratio de fonds propres total et, le cas échéant, son ratio de levier au niveau nécessaire pour lui permettre de continuer à remplir les conditions d'agrément et à exercer les activités pour lesquelles elle a été agréée en vertu de la présente loi ou de la loi du 2 août 2002 ;
   4° la taille, le modèle d'entreprise, le modèle de financement et le profil de risque de l'entité de résolution ;
   5° la mesure dans laquelle la défaillance de l'entité de résolution aurait un effet négatif sur la stabilité financière, notamment par un effet de contagion à d'autres établissements de crédit ou entités visées à l'article 424, 2° à 4°, en raison de l'interconnexion de l'entité de résolution avec ces autres établissements de crédit ou entités ou avec le reste du système financier.
   § 2. Lorsque, dans l'un des scénarios visés à l'article 227, § 1er, alinéa 2 ou à l'article 440, § 2, le plan de résolution prévoit qu'une mesure de résolution doit être prise ou que le pouvoir de dépréciation et de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visé aux articles 250 ou 457 doit être exercé, l'exigence visée à l'article 267/3 correspond à un montant suffisant pour garantir que :
   1° les pertes que l'entité de résolution devrait subir sont entièrement absorbées ("absorption des pertes") ;
   2° l'entité de résolution et ses filiales qui sont des établissements de crédit ou des entités visées à l'article 424, 2° à 4°, mais ne sont pas des entités de résolution sont recapitalisées jusqu'au niveau nécessaire pour leur permettre de continuer à remplir les conditions d'agrément et à exercer les activités pour lesquelles elles ont été agréées en vertu de la présente loi, de la loi du 2 août 2002 ou d'un acte législatif équivalent pour une durée appropriée qui n'excède pas un an ("recapitalisation").
  [2 ...]2
  [2 § 2/1. L'autorité de résolution ne détermine pas l'exigence visée à l'article 267/3 pour les entités de liquidation.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité de résolution évalue s'il est justifié de fixer sur base individuelle l'exigence visée à l'article 267/3, pour une entité de liquidation à un montant supérieur au montant nécessaire pour absorber les pertes conformément au paragraphe 2. L'autorité de résolution tient compte dans son évaluation, en particulier, de toute incidence éventuelle de la défaillance de l'entité de liquidation sur la stabilité financière et sur le risque de contagion au système financier, y compris en ce qui concerne les moyens financiers disponibles du Fonds de garantie. Lorsque l'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3, l'entité de liquidation utilise un ou plusieurs des éléments suivants pour se conformer à ladite exigence :
   1° fonds propres ;
   2° dettes remplissant les critères d'éligibilité visés à l'article 72bis du règlement n° 575/2013 autres que ceux de l'article 72ter, paragraphe 2, points b) et d) dudit règlement ;
   3° dettes visées à l'article 267/5, § 2.
   L'article 77, paragraphe 2, et l'article 78bis du règlement n° 575/2013 ne s'appliquent pas aux entités de liquidation pour lesquelles l'autorité de résolution n'a pas déterminé l'exigence visée à l'article 267/3.
   Les détentions d'instruments de fonds propres et d'instruments de dette éligibles émis par des établissements filiales qui sont des entités de liquidation pour lesquelles l'autorité de résolution n'a pas déterminé l'exigence visée à l'article 267/3, ne sont pas déduites au titre de l'article 72sexies, paragraphe 5, du règlement n° 575/2013.
   Par dérogation à l'alinéa 4, un établissement de crédit ou une entité visée à l'article 424, 2° à 4° qui n'est pas elle-même une entité de résolution mais qui est une filiale d'une entité de résolution ou d'une entité d'un pays tiers qui serait une entité de résolution si elle était établie dans l'Union, déduit les détentions d'instruments de fonds propres dans des établissements filiales qui appartiennent au même groupe de résolution et qui sont des entités de liquidation pour lesquelles l'autorité de résolution n'a pas déterminé l'exigence visée à l'article 267/3, lorsque le montant cumulé de ces détentions est égal ou supérieur à 7 % du montant total de ses fonds propres et dettes qui satisfont aux critères d'éligibilité visés à l'article 267/5/4, § 2, calculés chaque année au 31 décembre sous la forme d'une moyenne sur les douze mois précédents.]2

   § 3. Pour les entités de résolution, le montant visé au paragraphe 2 [2 ...]2 correspond aux montants suivants :
   1° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage du montant total d'exposition au risque visé à l'article 267/3, alinéa 2, 1°, la somme :
   - d'un montant d'absorption des pertes correspondant aux exigences visées à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et à l'article 149, alinéa 1er concernant l'entité de résolution au niveau consolidé du groupe de résolution ; et
   - d'un montant de recapitalisation permettant au groupe de résolution résultant de la résolution de rétablir la conformité avec son exigence de ratio de fonds propres total visée à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et son exigence visée à l'article 149, alinéa 1er au niveau consolidé du groupe de résolution après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution privilégiée ; et
   divisé par le montant total d'exposition au risque ; et
   2° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visé à l'article 267/3, alinéa 2, 2°, la somme :
   - d'un montant d'absorption des pertes correspondant à l'exigence de ratio de levier de l'entité de résolution visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 au niveau consolidé du groupe de résolution ; et
   - d'un montant de recapitalisation permettant au groupe de résolution résultant de la résolution de rétablir la conformité avec l'exigence de ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 au niveau consolidé du groupe de résolution après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution privilégiée ;
   divisé par la mesure de l'exposition totale.
   Lorsqu'elle fixe l'exigence individuelle exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale prévue à l'alinéa précédent point 2°, l'autorité de résolution tient compte des exigences visées à l'article 255, § 6, 3° et 4°, à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er ou § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution et à l'article 27, paragraphe 7, a) du Règlement n° 806/2014.
   Lorsqu'elle fixe les montants de recapitalisation visés aux alinéas précédents, l'autorité de résolution :
   1° utilise les valeurs les plus récentes déclarées pour le montant total d'exposition au risque ou la mesure de l'exposition totale, ajustés en fonction de toute modification résultant des mesures de résolution fixées dans le plan de résolution ; et
   2° après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant correspondant à l'exigence en vigueur visée à l'article 149, alinéa 1er à la baisse ou à la hausse afin de déterminer l'exigence qui doit s'appliquer à l'entité de résolution après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution privilégiée.
   L'autorité de résolution peut renforcer l'exigence prévue à l'alinéa 1er, point 1°, deuxième tiret, au moyen d'un montant approprié nécessaire pour garantir, à la suite d'une résolution, un niveau de confiance suffisant de la part des marchés à l'égard de l'entité pendant une durée appropriée qui n'excède pas un an.
   Lorsque l'alinéa précédent du présent paragraphe s'applique, le montant visé à cet alinéa est fixé à un niveau égal au montant de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 qui doit s'appliquer après l'application des instruments de résolution, diminué du montant du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à l'établissement de crédit visé à l'article 16 de l'Annexe IV.
   L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant visé à l'alinéa 4 :
   - à la baisse lorsqu'elle constate qu'un montant inférieur est suffisant pour maintenir de manière crédible la confiance des marchés pendant une période qui n'excède pas un an après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution, pour assurer la continuité des fonctions critiques exercées par l'établissement ou l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement en l'absence d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014 ; ou
   - à la hausse lorsqu'elle constate qu'un montant supérieur est nécessaire pour maintenir de manière crédible une confiance suffisante des marchés pendant une période qui n'excède pas un an, pour assurer la continuité des fonctions critiques de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement sans recours à un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014.
   § 4. Pour les entités de résolution qui ne relèvent pas de l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et qui font partie d'un groupe de résolution dont la valeur totale des actifs dépasse 100 milliards d'euros, le niveau de l'exigence visée au paragraphe 3 est au moins égal à :
   1° 13,5 % lorsqu'il est calculé conformément à l'article 267/3, alinéa 2, 1° ; et
   2° 5 % lorsqu'il est calculé conformément à l'article 267/3, alinéa 2, 2°.
   Par dérogation à l'article 267/5, les entités de résolution visées à l'alinéa 1er respectent le niveau de l'exigence visée à l'alinéa 1er, au moyen de fonds propres, de dettes éligibles subordonnées, ou de dettes visées à l'article 267/5, § 3.
   § 5. L'autorité de résolution peut, après consultation de l'autorité de contrôle, décider d'appliquer les exigences prévues au paragraphe 4 à une entité de résolution qui ne relève pas de l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et qui fait partie d'un groupe de résolution dont la valeur totale des actifs est inférieure à 100 milliards d'euros lorsqu'elle estime que sa défaillance peut raisonnablement présenter un risque systémique.
   Lorsqu'elle prend une décision en application de l'alinéa précédent, l'autorité de résolution tient compte :
   1° de la prévalence des dépôts et de l'absence d'instruments de dette dans le modèle de financement ;
   2° de la mesure dans laquelle l'accès aux marchés des capitaux pour les dettes éligibles est limité ;
   3° de la mesure dans laquelle l'entité de résolution s'appuie sur les fonds propres de base de catégorie 1 pour respecter l'exigence visée à l'article 267/5/3.
   L'absence de décision en application de l'alinéa 1er est sans préjudice de toute décision prise en vertu de l'article 267/5, § 5.
   § 6. Pour les entités qui ne sont pas elles-mêmes des entités de résolution, le montant visé au paragraphe 2 [2 ...]2 correspond aux montants suivants :
   1° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage du montant total d'exposition au risque visée à l'article 267/3, alinéa 2, 1°, la somme :
   - d'un montant d'absorption des pertes correspondant aux exigences visées à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et à l'article 149, alinéa 1er concernant l'entité ; et
   - d'un montant de recapitalisation permettant à l'entité de rétablir la conformité avec l'exigence de ratio de fonds propres total visée à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution ;
   divisé par le montant total d'exposition au risque ; et
   2° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visée à l'article 267/3, alinéa 2, 2°, la somme :
   - d'un montant d'absorption des pertes correspondant à l'exigence de ratio de levier de l'entité visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 ; et
   - d'un montant de recapitalisation permettant à l'entité de rétablir la conformité avec l'exigence de ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution ;
   divisé par la mesure de l'exposition totale.
   Lorsqu'elle fixe l'exigence individuelle exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale prévue à l'alinéa précédent point 2°, l'autorité de résolution tient compte des exigences visées à l'article 255, § 6, 3° et 4°, à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er ou § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution et à l'article 27, paragraphe 7, a) du Règlement n° 806/2014.
   Lorsqu'elle fixe les montants de recapitalisation visés aux alinéas précédents, l'autorité de résolution :
   1° utilise les valeurs les plus récentes déclarées pour le montant total d'exposition au risque pertinent ou la mesure de l'exposition totale pertinente, ajustés en fonction de toute modification résultant des mesures visées dans le plan de résolution ; et
   2° après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant correspondant à l'exigence en vigueur visée à l'article 149, alinéa 1er à la baisse ou à la hausse afin de déterminer l'exigence qui doit s'appliquer à l'entité concernée après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution.
   L'autorité de résolution a la possibilité de renforcer l'exigence prévue à l'alinéa 1er, point 1°, deuxième tiret du présent paragraphe, au moyen d'un montant approprié nécessaire pour garantir que, après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457, l'entité est apte à maintenir une confiance suffisante des marchés à son égard pendant une durée appropriée qui n'excède pas un an.
   Lorsque l'autorité de résolution renforce l'exigence prévue à l'alinéa 1er, point 1°, deuxième tiret du présent paragraphe conformément à l'alinéa précédent du présent paragraphe, le montant visé à cet alinéa est fixé à un niveau égal au montant de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 qui doit s'appliquer après l'exercice du pouvoir visé aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution, diminué du montant du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à un établissement de crédit visé à l'article 16 de l'Annexe IV.
   L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant visé à l'alinéa 4 :
   - à la baisse lorsqu'elle constate qu'un montant inférieur est suffisant, après l'exercice du pouvoir visé aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution, pour maintenir de manière crédible la confiance des marchés pendant une période qui n'excède pas un an après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution, pour assurer la continuité des fonctions critiques exercées par l'établissement de crédit ou l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement en l'absence d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014 ; ou
   - à la hausse lorsqu'elle constate qu'un montant supérieur est nécessaire pour maintenir de manière crédible une confiance suffisante des marchés pendant une période qui n'excède pas un an, pour assurer la continuité des fonctions critiques de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement sans recours à un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014.
   § 7. Lorsque l'autorité de résolution prévoit que certaines catégories de dettes éligibles sont raisonnablement susceptibles d'être exclues totalement ou partiellement du renflouement interne en vertu de l'article 267/2, § 2, ou qu'elles pourraient être intégralement transférées à une entité réceptrice dans le cadre d'un transfert partiel, l'exigence visée à l'article 267/3, est respectée au moyen de fonds propres ou d'autres dettes éligibles qui sont suffisants pour :
   1° couvrir le montant de telles dettes éligibles ;
   2° garantir le respect des conditions énoncées au paragraphe 2.
   § 8. Toute décision de l'autorité de résolution visant à imposer une exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles en vertu du présent article est réexaminée par l'autorité de résolution sans retard injustifié afin de tenir compte de toute modification du niveau de l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er.
   § 9. Aux fins des paragraphes 3 et 6 du présent article, les exigences de fonds propres sont interprétées conformément à l'application par l'autorité de contrôle des dispositions transitoires prévues à la dixième partie, titre I, chapitres 1, 2 et 4, du Règlement n° 575/2013 et dans les règlements de l'autorité de contrôle adoptés en vertu dudit Règlement.]1

  
Art. 267/5/2. [1 § 1. Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit die een MSI of een deel van een MSI is, bestaat uit het volgende:
   1° de in artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en
   2° eventuele aanvullende vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden die door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die entiteit zijn vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3.
   § 2. Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU MSI in de EER, bestaat uit:
   1° de in de artikelen 92ter en 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en
   2° een eventueel aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden dat door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die dochteronderneming van wezenlijk belang is vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3 en waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen en schulden die de voorwaarden van artikel 267/5/4 en artikel 470, § 2, vervullen.
   § 3. De afwikkelingsautoriteit legt een in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 2, 2° bedoeld aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op:
   1° indien het vereiste als bedoeld in paragraaf 1, 1°, of paragraaf 2, 1°, niet volstaat om aan de in artikel 267/5/1 gestelde voorwaarden te voldoen; en
   2° voor zover dit ervoor zorgt dat de voorwaarden van artikel 267/5/1 zijn vervuld.
   § 4. [2 Voor de toepassing van artikel 460, § 2, indien twee of meer MSI-entiteiten die onderdeel zijn van dezelfde MSI af te wikkelen entiteiten zijn of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien ze in de Unie waren gevestigd, berekenen de betrokken afwikkelingsautoriteiten het in paragraaf 3 bedoelde bedrag:
   1° voor elke af te wikkelen entiteit en voor elke entiteit uit een derde land die een af te wikkelen entiteit zou zijn indien zij in de Europese Unie was gevestigd;
   2° voor de EER-moederonderneming alsof ze de enige af te wikkelen entiteit van de MSI was.]2

   § 5. Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van paragraaf 1, 2°, of paragraaf 2, 2° een aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op te leggen, wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 149, eerste lid dat op de af te wikkelen groep of de dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EER MSI in de EER van toepassing is.]1

  
Art. 267/5/2. [1 § 1er. L'exigence visée à l'article 267/3 pour une entité de résolution qui est un EISm ou qui fait partie d'un EISm est constituée :
   1° des exigences visées aux articles 92bis et 494 du Règlement n° 575/2013 ; et
   2° de toute exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire qui a été déterminée par l'autorité de résolution spécifiquement en rapport avec cette entité conformément au paragraphe 3.
   § 2. L'exigence visée à l'article 267/3 à l'égard d'une filiale importante dans l'EEE d'un EISm de pays tiers est constituée :
   1° des exigences visées aux articles 92ter et 494 du Règlement n° 575/2013 ; et
   2° de toute exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire qui a été déterminée par l'autorité de résolution spécifiquement en rapport avec cette filiale importante conformément au paragraphe 3, qui doit être remplie au moyen de fonds propres et de dettes respectant les conditions énoncées à l'article 267/5/4 et à l'article 470, § 2.
   § 3. L'autorité de résolution impose une exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire, telle qu'elle est visée au paragraphe 1er, 2°, et au paragraphe 2, 2° :
   1° si l'exigence visée au paragraphe 1er, 1°, ou au paragraphe 2, 1°, n'est pas suffisante pour satisfaire aux conditions énoncées à l'article 267/5/1 ; et
   2° dans une mesure qui garantit que les conditions énoncées à l'article 267/5/1 sont remplies.
   § 4. [2 Aux fins de l'article 460, § 2, lorsque plusieurs entités d'EISm faisant partie du même EISm sont des entités de résolution ou des entités de pays tiers qui seraient des entités de résolution si elles étaient établies dans l'Union, les autorités de résolution concernées calculent le montant visé au paragraphe 3 :
   1° pour chaque entité de résolution ou entité de pays tiers qui serait une entité de résolution si elle était établie dans l'Union européenne ;
   2° pour l'entreprise mère dans l'EEE comme si celle-ci était la seule entité de résolution de l'EISm.]2

   § 5. Toute décision de l'autorité de résolution visant à imposer une exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire en vertu du paragraphe 1er, 2°, ou du paragraphe 2, 2° est réexaminée par l'autorité de résolution sans retard injustifié afin de tenir compte de toute modification du niveau de l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er qui s'applique au groupe de résolution ou à la filiale importante dans l'EEE d'un EISm de pays tiers.]1

  
Art. 267/5/3. [1 § 1. Af te wikkelen entiteiten voldoen op geconsolideerde basis op het niveau van de af te wikkelen groep aan de in de artikelen 267/5 tot en met 267/5/2 neergelegde vereisten.
   § 2. De afwikkelingsautoriteit bepaalt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 460 op basis van de in de artikelen 267/5 tot en met 267/5/2 neergelegde vereisten en op basis van de vraag of de in derde landen gevestigde dochterondernemingen van de groep volgens het afwikkelingsplan afzonderlijk moeten worden afgewikkeld.
   § 3. Voor overeenkomstig artikel 242, 13° /2, b) aangewezen af te wikkelen groepen, besluit de afwikkelingsautoriteit, afhankelijk van de kenmerken van het solidariteitsmechanisme en de voorkeursafwikkelingsstrategie, welke entiteiten van de af te wikkelen groep aan artikel 267/5/1, § 3 en § 4, en artikel 267/5/2, § 1, moeten voldoen om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep in haar geheel voldoet aan de paragrafen 1 en 2, en hoe dergelijke entiteiten dat dienen te doen overeenkomstig het afwikkelingsplan.]1

  
Art. 267/5/3. [1 § 1er. Les entités de résolution respectent les exigences définies aux articles 267/5 à 267/5/2 sur une base consolidée au niveau du groupe de résolution.
   § 2. L'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3 pour une entité de résolution au niveau consolidé du groupe de résolution conformément à l'article 460 en se fondant sur les exigences définies aux articles 267/5 à 267/5/2 et sur la question de savoir si les filiales de pays tiers du groupe font ou non l'objet d'une résolution distincte dans le cadre du plan de résolution.
   § ° 3. Pour les groupes de résolution identifiés conformément à l'article 242, 13° /2, b), l'autorité de résolution décide, en fonction des caractéristiques du mécanisme de solidarité et de la stratégie de résolution privilégiée, quelles entités au sein du groupe de résolution sont tenues de respecter l'article 267/5/1, § 3 et § 4, et l'article 267/5/2, § 1er, afin de garantir que le groupe de résolution dans son ensemble respecte les dispositions des paragraphes 1er et 2, et comment ces entités sont tenues de le faire en conformité avec le plan de résolution.]1

  
Art. 267/5/4. [1 § 1. Kredietinstellingen die dochterondernemingen van een af te wikkelen entiteit of een entiteit van een derde land zijn maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen op individuele basis aan de in artikel 267/5/1 neergelegde vereisten.
   De afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de toezichthouder, besluiten om het in het voorgaande lid neergelegde vereiste toe te passen op een in artikel 424, 2°, tot en met 4° bedoelde entiteit die een dochteronderneming van een af te wikkelen entiteit is maar zelf geen af te wikkelen entiteit is.
   De voorgaande alinea is niet van toepassing op EER-moederondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, maar die dochterondernemingen van entiteiten van derde landen zijn. Deze moederondernemingen voldoen op geconsolideerde basis aan de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 neergelegde vereisten.
  [2 In afwijking van het eerste en het tweede lid kan een afwikkelingsautoriteit besluiten om het in artikel 267/5/1 bedoelde vereiste op geconsolideerde basis te bepalen voor een in deze paragraaf bedoelde dochteronderneming indien de afwikkelingsautoriteit besluit dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de dochteronderneming voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
   a) de dochteronderneming is direct in handen van de af te wikkelen entiteit en
   - de af te wikkelen entiteit is een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding,
   - de dochteronderneming en de af te wikkelen entiteit zijn in dezelfde lidstaat gevestigd en maken deel uit van dezelfde af te wikkelen groep,
   - de af te wikkelen entiteit heeft behalve de betrokken dochteronderneming geen andere dochterinstelling of dochterentiteit direct in bezit die onderworpen is aan de vereisten van dit artikel of aan het in artikel 267/5/1 bedoelde vereiste, en
   - de dochteronderneming zou onevenredig zwaar getroffen worden door de op grond van artikel 72sexies, lid 5, van Verordening nr. 575/2013 voorgeschreven aftrekkingen;
   b) de dochteronderneming is uitsluitend op geconsolideerde basis onderworpen aan het in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste en de vaststelling op geconsolideerde basis van het in artikel 267/5/1 bedoelde vereiste zou er niet toe leiden dat de herkapitalisatiebehoeften, voor de toepassing van artikel 267/5/1, § 1, 2°, van de subgroep bestaande uit entiteiten binnen de betrokken consolidatieperimeter worden overschat, met name wanneer er binnen dezelfde consolidatieperimeter sprake is van een prevalentie van liquidatie-entiteiten;
   2° de naleving van het in artikel 267/5/1 neergelegde vereiste op geconsolideerde basis ter vervanging van de naleving van dat vereiste op individuele basis, doet geen wezenlijke afbreuk aan een van de volgende elementen:
   a) de geloofwaardigheid en haalbaarheid van de afwikkelingsstrategie van de groep;
   b) het vermogen van de dochteronderneming om aan haar eigenvermogensvereiste te voldoen na uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid; en
   c) de toereikendheid van het interne verliesoverdracht- en herkapitalisatiemechanisme, met inbegrip van de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden van de betrokken dochteronderneming of van andere entiteiten in de af te wikkelen groep.]2

   Voor overeenkomstig artikel 242, 13° /2, b), aangewezen af te wikkelen groepen, voldoen blijvend bij een centrale instelling aangesloten kredietinstellingen maar die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, een centrale instelling die zelf geen af te wikkelen entiteit is, en af te wikkelen entiteiten die niet onder een vereiste uit hoofde van artikel 267/5/3, § 3, vallen, op individuele basis aan artikel 267/5/1, § 6.
   Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een in deze paragraaf bedoelde entiteit wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 459, 460 en, waar toepasselijk, 470, § 2, en op basis van de in artikel 267/5/1 neergelegde vereisten.
   § 2. Aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor in paragraaf 1 bedoelde entiteiten wordt voldaan met een of meer van de volgende elementen:
   1° schulden:
   a) die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, of zijn uitgegeven aan en gekocht door een bestaande aandeelhouder die geen deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
   b) die voldoen aan de in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 genoemde criteria om in aanmerking te komen, met uitzondering van artikel 72ter, lid 2, punten b), c), k), l) en m), en artikel 72ter, leden 3, 4 en 5, van die verordening;
   c) die in liquidatieprocedures van lagere rang zijn dan schulden die niet voldoen aan de in onder a) bedoelde voorwaarde en niet in aanmerking komen voor eigenvermogensvereisten;
   d) die onderworpen zijn aan afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie van de af te wikkelen groep, met name door de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming niet nadelig te beïnvloeden;
   e) waarvan de verwerving direct noch indirect gefinancierd wordt door de entiteit waarop dit artikel van toepassing is;
   f) waarvan in de geldende bepalingen expliciet noch impliciet vermeld wordt dat de schulden door de onder dit artikel vallende entiteit zouden worden opgevraagd, afgelost, vervroegd terugbetaald of opnieuw ingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van die entiteit, en die entiteit dit niet anderszins vermeldt;
   g) waarvan de geldende bepalingen de houder ervan niet het recht geven de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve in het geval van de insolventie of liquidatie van de onder dit artikel vallende entiteit;
   h) waarvoor het niveau van de daarover verschuldigde rentebetalingen of dividenduitkeringen, naargelang het geval, niet wijzigt op basis van de kredietwaardigheid van de entiteit waarop dit artikel van toepassing is of van de moederonderneming daarvan;
   2° eigen vermogen, als volgt:
   a) tier 1-kernkapitaal, en
   b) ander eigen vermogen dat (i) is uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, of (ii) is uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming.
  [2 § 2/1. Indien een entiteit zoals bedoeld in paragraaf 1 op geconsolideerde basis voldoet aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste, omvat het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende schulden van die entiteit de volgende schulden die overeenkomstig paragraaf 2, 1° zijn uitgegeven door een in de EER gevestigde dochteronderneming die in de consolidatie van die entiteit is opgenomen:
   1° schulden die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, hetzij direct, hetzij indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, die niet zijn opgenomen in de consolidatie van de entiteit die op geconsolideerde basis voldoet aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste;
   2° schulden die zijn uitgegeven aan een bestaande aandeelhouder die geen deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep.
   § 2/2. De in paragraaf 2/1, 1° en 2° bedoelde schulden bedragen niet meer dan het bedrag dat wordt vastgesteld door het bedrag van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste dat van toepassing is op de in de consolidatie opgenomen dochteronderneming, te verminderen met het totaal van alle volgende elementen:
   1° de schulden die zijn uitgegeven aan en gekocht door de entiteit die op geconsolideerde basis voldoet aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste, hetzij direct, hetzij indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, die in de consolidatie van die entiteit zijn opgenomen;
   2° het bedrag aan eigen vermogen dat is uitgegeven overeenkomstig paragraaf 2, 2°.]2

   § 3. Indien een dochteronderneming geen af te wikkelen entiteit is, kan de afwikkelingsautoriteit afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:
   1° zowel de dochteronderneming als de af te wikkelen entiteit in België zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;
   2° de af te wikkelen entiteit voldoet aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste;
   3° er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van schulden door de af te wikkelen entiteit aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, in het bijzonder indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen;
   4° de af te wikkelen entiteit de toezichthouder ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de toezichthouder, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen belang zijn;
   5° de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de af te wikkelen entiteit wordt betrokken;
   6° de af te wikkelen entiteit meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan de aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan.
   § 4. Indien een dochteronderneming geen af te wikkelen entiteit is, kan de afwikkelingsautoriteit eveneens afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:
   1° zowel de dochteronderneming als haar moederonderneming in België zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;
   2° de moederonderneming voldoet op geconsolideerde basis aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste;
   3° er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van schulden door de moederonderneming aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, met name indien ten aanzien van de moederonderneming afwikkelingsmaatregelen worden genomen of de bevoegdheid als bedoeld in artikel 250, § 1, wordt uitgeoefend;
   4° de moederonderneming de toezichthouder ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de toezichthouder, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen betekenis zijn;
   5° de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming wordt betrokken;
   6° de moederonderneming meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming, of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan.
   § 5. Indien de in paragraaf 3, punten 1° en 2°, neergelegde voorwaarden zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit van een dochteronderneming toestaan dat aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste geheel of gedeeltelijk wordt voldaan met een door de af te wikkelen entiteit verstrekte garantie, die aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1° de garantie wordt verstrekt voor een bedrag dat op zijn minst gelijk is aan het bedrag van het vereiste dat ze vervangt;
   2° de garantie wordt geactiveerd ingeval de dochteronderneming niet in staat is haar schulden of andere verplichtingen te betalen op het moment dat deze opeisbaar worden of ingeval ten aanzien van de dochteronderneming een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, indien dat eerder is;
   3° de garantie voor ten minste 50 % van haar bedrag wordt gedekt door middel van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst als gedefinieerd in artikel 3, 3° van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten en gevestigd overeenkomstig die wet;
   4° de zekerheid bedoeld in 3° voldoet aan de vereisten van artikel 197 van Verordening nr. 575/2013 en volstaat, na gepaste conservatieve "haircuts", om het met zekerheden gedekte bedrag als bedoeld in punt 3° te dekken;
   5° de zekerheid bedoeld in 3°, evenals de activa die er het voorwerp van maken, is onbezwaard en wordt met name niet gebruikt als zekerheid om een andere garantie te dekken;
   6° de zekerheid bedoeld in 3° heeft een effectieve looptijd die aan de looptijdvoorwaarde in artikel 72quater, lid 1, van Verordening nr. 575/2013 voldoet; en
   7° er zijn geen wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen voor de overdracht van de activa die het voorwerp zijn de zekerheid bedoeld in 3° van de af te wikkelen entiteit aan de desbetreffende dochteronderneming, ook niet indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen.
   Voor de toepassing van het eerste lid, punt 7°, verstrekt de af te wikkelen entiteit op verzoek van de afwikkelingsautoriteit een onafhankelijk schriftelijk en met redenen omkleed juridisch advies of toont ze anderszins op een bevredigende wijze aan dat er geen dergelijke wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen zijn.]1

  
Art. 267/5/4. [1 § 1er. Les établissements de crédit qui sont des filiales d'une entité de résolution ou d'une entité d'un pays tiers mais qui ne sont pas eux-mêmes des entités de résolution respectent les exigences énoncées à l'article 267/5/1 sur base individuelle.
   Après consultation de l'autorité de contrôle, l'autorité de résolution peut décider d'appliquer l'exigence énoncée à l'alinéa précédent à une entité visée à l'article 424, 2°, à 4°, qui est une filiale d'une entité de résolution et qui n'est pas elle-même une entité de résolution.
   L'alinéa précédent ne s'applique pas aux entreprises mères dans l'EEE qui ne sont pas elles- mêmes des entités de résolution mais qui sont des filiales d'entités de pays tiers. Ces entreprises mères respectent les exigences énoncées aux articles 267/5/1 et 267/5/2 sur base consolidée.
  [2 Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'autorité de résolution peut déterminer l'exigence visée à l'article 267/5/1 sur une base consolidée pour une filiale visée au présent paragraphe lorsque l'autorité de résolution conclut que toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° la filiale remplit l'une des conditions suivantes :
   a) elle est détenue directement par l'entité de résolution et
   - l'entité de résolution est une compagnie financière mère dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère dans l'EEE,
   - tant la filiale que l'entité de résolution sont établies dans le même Etat membre et font partie du même groupe de résolution,
   - hormis la filiale concernée, l'entité de résolution ne détient directement aucun établissement filiale ni aucune entité filiale soumise aux exigences visées au présent article ou à l'exigence visée à l'article 267/5/1, et
   - la filiale serait affectée de manière disproportionnée par les déductions requises en vertu de l'article 72sexies, paragraphe 5, du règlement n° 575/2013 ;
   b) la filiale est soumise à l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er sur une base consolidée uniquement, et la détermination de l'exigence visée à l'article 267/5/1 sur base consolidée ne conduirait pas à surestimer les besoins de recapitalisation, aux fins de l'article 267/5/1, § 1er, 2°, du sous-groupe constitué d'entités inclues dans le périmètre de consolidation concerné, en particulier lorsqu'il existe une prédominance d'entités de liquidation au sein du même périmètre de consolidation ;
   2° le respect de l'exigence prévue à l'article 267/5/1 sur une base consolidée en lieu et place du respect de cette exigence sur base individuelle ne porte pas atteinte de manière substantielle à l'un des éléments suivants :
   a) la crédibilité et la faisabilité de la stratégie de résolution de groupe ;
   b) la capacité de la filiale à se conformer à son exigence de fonds propres après l'exercice des pouvoirs de dépréciation ou de conversion ; et
   c) l'adéquation du mécanisme de transferts internes de pertes et de recapitalisation, y compris la dépréciation ou la conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles de la filiale concernée ou d'autres entités du groupe de résolution.]2

   Pour les groupes de résolution identifiés conformément à l'article 242, 13° /2, b), les établissements de crédit qui sont affiliés de manière permanente à un organisme central et qui ne sont pas eux-mêmes des entités de résolution, un organisme central qui n'est pas lui-même une entité de résolution, ainsi que toute entité de résolution qui n'est pas soumise à une exigence au titre de 267/5/3, § 3, respectent les dispositions de l'article 267/5/1, § 6 sur base individuelle.
   L'exigence visée à l'article 267/3, pour une entité visée au présent paragraphe, est déterminée conformément aux articles 459, 460 et, le cas échéant, 470, § 2, ainsi que sur la base des exigences prévues à l'article 267/5/1.
   § 2. L'exigence visée à l'article 267/3, pour les entités visées au paragraphe 1er, est remplie au moyen d'un ou plusieurs des éléments suivants :
   1° des dettes :
   a) qui sont émises en faveur de l'entité de résolution et achetées par celle-ci directement ou indirectement par l'intermédiaire d'autres entités au sein du même groupe de résolution, ou sont émises en faveur d'un actionnaire existant ne faisant pas partie du même groupe de résolution et achetées par celui-ci pour autant que l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion conformément aux articles 250 à 254 et 458 n'affecte pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution ;
   b) qui remplissent les critères d'éligibilité énoncés à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013, à l'exception de l'article 72ter, paragraphe 2, points b), c), k), l) et m), et paragraphes 3 à 5, dudit règlement ;
   c) dont le rang, dans une procédure de liquidation, est inférieur aux dettes qui ne remplissent pas la condition visée au point a) et qui ne sont pas éligibles pour les exigences de fonds propres ;
   d) qui sont soumises à un pouvoir de dépréciation ou de conversion en vertu des articles 250 à 254 et 458 d'une manière qui est conforme à la stratégie de résolution du groupe de résolution, en particulier en n'affectant pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution ;
   e) dont l'acquisition n'est pas financée, directement ou indirectement, par l'entité relevant du présent article ;
   f) dont les dispositions qui les régissent ne prévoient ni explicitement ni implicitement que les dettes seraient rachetées, remboursées ou remboursées anticipativement, selon le cas, par l'entité relevant du présent article dans des circonstances autres que l'insolvabilité ou la liquidation de cette entité, et cette entité ne donne aucune indication en ce sens ;
   g) dont les dispositions qui les régissent ne donnent pas au détenteur le droit de percevoir des intérêts ou le principal de manière anticipée par rapport au calendrier initial, dans des circonstances autres que l'insolvabilité ou la liquidation de l'entité qui relève du présent article ;
   h) dont le niveau des intérêts ou des dividendes, selon le cas, à payer n'est pas modifié sur la base de la qualité de crédit de l'entité relevant du présent article ou de son entreprise mère ;
   2° des fonds propres, comme suit :
   a) des fonds propres de base de catégorie 1, et
   b) d'autres fonds propres qui (i) sont émis en faveur d'entités faisant partie du même groupe de résolution et achetés par celles-ci, ou (ii) sont émis en faveur d'entités ne faisant pas partie du même groupe de résolution et achetés par celles-ci tant que l'exercice des pouvoirs de dépréciation ou de conversion conformément aux articles 250 à 254 et 458 n'affecte pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution.
  [2 § 2/1. Lorsqu'une entité visée au paragraphe 1er satisfait à l'exigence visée à l'article 267/3 sur une base consolidée, le montant de ses fonds propres et de ses dettes éligibles inclut les dettes suivants, émises conformément au paragraphe 2, 1° par une filiale établie dans l'EEE et incluse dans le périmètre de consolidation de ladite entité :
   1° les dettes émises en faveur de l'entité de résolution et achetés par celle-ci, soit directement, soit indirectement par l'intermédiaire d'autres entités du même groupe de résolution qui ne sont pas incluses dans le périmètre de consolidation de l'entité satisfaisant à l'exigence visée à l'article 267/3 sur une base consolidée ;
   2° les dettes émises en faveur d'un actionnaire existant qui ne fait pas partie du même groupe de résolution.
   § 2/2. Les dettes visées au paragraphe 2/1, 1° et 2° ne dépassent pas le montant obtenu en soustrayant du montant de l'exigence visée à l'article 267/3 qui est applicable à la filiale incluse dans le périmètre de consolidation, la somme de tous les éléments suivants :
   1° les dettes émises en faveur de l'entité satisfaisant à l'exigence visée à l'article 267/3 sur une base consolidée et achetés par celle-ci, soit directement, soit indirectement par l'intermédiaire d'autres entités du même groupe de résolution incluses dans le périmètre de consolidation de ladite entité ;
   2° le montant des fonds propres émis conformément au paragraphe 2, 2°.]2

   § 3. Lorsqu'une filiale n'est pas une entité de résolution, l'autorité de résolution peut exempter cette filiale de l'application du présent article lorsque :
   1° tant la filiale que l'entité de résolution sont établies en Belgique et font partie du même groupe de résolution ;
   2° l'entité de résolution respecte l'exigence prévue à l'article 267/5/3 ;
   3° il n'existe, en droit ou en fait, aucun obstacle significatif, actuel ou prévu, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement rapide de dettes par l'entité de résolution à la filiale au sujet de laquelle une constatation a été effectuée conformément à l'article 250, § 1er en combinaison avec l'article 457, notamment lorsque l'entité de résolution fait l'objet d'une mesure de résolution ;
   4° soit l'entité de résolution donne toute garantie à l'autorité compétente en ce qui concerne la gestion prudente de la filiale et a déclaré, avec le consentement de l'autorité de contrôle, se porter garante des engagements contractés par la filiale, soit les risques de la filiale sont négligeables ;
   5° les procédures d'évaluation, de mesure et de contrôle des risques de l'entité de résolution couvrent la filiale ;
   6° l'entité de résolution détient plus de 50 % des droits de vote attachés à la détention d'actions ou de parts dans le capital de la filiale ou a le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l'organe légal d'administration de la filiale.
   § 4. Lorsqu'une filiale n'est pas une entité de résolution, l'autorité de résolution peut également exempter cette filiale de l'application du présent article lorsque :
   1° tant la filiale que son entreprise mère sont établies en Belgique et font partie du même groupe de résolution ;
   2° l'entreprise mère respecte, sur une base consolidée, l'exigence visée à l'article 267/3 ;
   3° il n'existe, en droit ou en fait, aucun obstacle significatif, actuel ou prévu, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement rapide de dettes par l'entreprise mère à la filiale au sujet de laquelle une constatation a été faite conformément à l'article 250, § 1er en combinaison avec l'article 457, notamment lorsque l'entreprise mère fait l'objet d'une mesure de résolution ou de l'exercice du pouvoir visé à l'article 250, § 1er ;
   4° soit l'entreprise mère donne toute garantie à l'autorité de contrôle en ce qui concerne la gestion prudente de la filiale et a déclaré, avec le consentement de l'autorité de contrôle, se porter garante des dettes contractées par la filiale, soit les risques de la filiale sont négligeables ;
   5° les procédures d'évaluation, de mesure et de contrôle des risques de l'entreprise mère couvrent la filiale ;
   6° l'entreprise mère détient plus de 50 % des droits de vote attachés à la détention d'actions ou de parts dans le capital de la filiale ou a le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l'organe légal d'administration de la filiale.
   § 5. Lorsque les conditions énoncées au paragraphe 3, points 1° et 2°, sont remplies, l'autorité de résolution d'une filiale peut autoriser que l'exigence visée à l'article 267/3 soit remplie complètement ou en partie au moyen d'une garantie accordée par l'entité de résolution, qui satisfait aux conditions suivantes :
   1° la garantie est accordée pour un montant équivalent au montant de l'exigence qu'elle remplace ;
   2° la garantie est déclenchée soit lorsque la filiale n'est pas en mesure de s'acquitter de ses dettes ou d'autres engagements à l'échéance, soit lorsqu'une constatation a été faite conformément à l'article 250, § 1er en combinaison avec l'article 457, en ce qui concerne la filiale, selon ce qui intervient en premier ;
   3° la garantie est couverte par des sûretés à hauteur d'au moins 50 % de son montant dans le cadre d'une convention constitutive d'une sûreté réelle telle qu'elle est définie à l'article 3, 3° de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés financières et portant des dispositions fiscales diverses en matière de conventions constitutives de sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments financiers et constituée conformément à cette loi ;
   4° les sûretés visées au 3° remplissent les exigences prévues à l'article 197 du Règlement n° 575/2013, ce qui, après l'application de décotes suffisamment prudentes, est suffisant pour couvrir le montant garanti visé au point 3° ;
   5° les sûretés visées au 3°, ainsi que les actifs qui en font l'objet, ne sont pas grevés et, en particulier, ne sont pas utilisés comme sûretés pour couvrir une autre garantie ;
   6° les sûretés visées au 3° ont une échéance effective qui respecte la même condition relative à l'échéance que celle visée à l'article 72quater, paragraphe 1er, du Règlement n° 575/2013 ; et
   7° il n'existe pas d'obstacles juridiques, réglementaires ou opérationnels s'opposant au transfert des actifs faisant l'objet des sûretés visées au 3° de l'entité de résolution vers la filiale concernée, y compris lorsque l'entité de résolution fait l'objet d'une mesure de résolution.
   Aux fins de l'alinéa 1er, point 7°, à la demande de l'autorité de résolution, l'entité de résolution fournit par écrit un avis juridique indépendant et motivé ou démontre autrement, de manière satisfaisante, qu'il n'existe pas de tels obstacles juridiques, réglementaires ou opérationnels.]1

  
Art. 267/5/5. [1 De afwikkelingsautoriteit kan een centrale instelling of een kredietinstelling die blijvend bij een centrale instelling is aangesloten, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van artikel 267/5/4 indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de kredietinstelling en de centrale instelling vallen onder het toezicht van de toezichthouder, zijn gevestigd in België en maken deel uit van dezelfde af te wikkelen groep;
   2° de verplichtingen van de centrale instelling en zijn blijvend aangesloten kredietinstellingen zijn hoofdelijke verplichtingen, of de verplichtingen van de blijvend aangesloten kredietinstellingen worden volledig door de centrale instelling gegarandeerd;
   3° het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, en de solvabiliteit en liquiditeit van de centrale instelling en van alle blijvend aangesloten kredietinstellingen worden in hun totaliteit gemonitord op basis van de geconsolideerde jaarrekening van die instellingen;
   4° in het geval van een ontheffing voor een blijvend bij een centrale instelling aangesloten kredietinstelling, is de leiding van de centrale instelling bevoegd om instructies te geven aan de leiding van de blijvend aangesloten instelling;
   5° de betrokken af te wikkelen groep voldoet aan het in artikel 267/5/3, § 3, bedoelde vereiste; en
   6° er is geen bestaande of voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van schulden tussen de centrale instelling en de blijvend aangesloten kredietinstellingen in geval van afwikkeling.]1

  
Art. 267/5/5. [1 L'autorité de résolution peut exempter, en tout ou partie, de l'application de l'article 267/5/4 un organisme central ou un établissement de crédit qui est affilié de manière permanente à un organisme central, si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'établissement de crédit et l'organisme central relèvent de la supervision de l'autorité de contrôle, sont établis en Belgique et font partie du même groupe de résolution ;
   2° les engagements de l'organisme central et des établissements de crédit affiliés de manière permanente constituent des engagements solidaires, ou les engagements des établissements affiliés de manière permanente sont entièrement garantis par l'organisme central ;
   3° l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles, et la solvabilité et la liquidité de l'organisme central et de tous les établissements de crédit affiliés de manière permanente sont contrôlées dans leur globalité sur la base des comptes consolidés de ces établissements ;
   4° dans le cas d'une exemption accordée à un établissement de crédit affilié de manière permanente à un organisme central, la direction de l'organisme central est habilitée à donner des instructions à la direction des établissements affiliés de manière permanente ;
   5° le groupe de résolution concerné respecte l'exigence visée à l'article 267/5/3, § 3 ; et
   6° il n'existe, en droit ou en fait, aucun obstacle significatif, actuel ou prévu, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement rapide de dettes entre l'organisme central et les établissements de crédit affiliés de manière permanente en cas de résolution.]1

  
Art. 267/5/6. [1 § 1. De kredietinstellingen en in artikel 424, 2° tot en met 4° bedoelde entiteiten waarop het in artikel 267/3 bedoelde vereiste van toepassing is, rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten over het volgende:
   1° de bedragen aan eigen vermogen dat waar toepasselijk voldoet aan de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 2° en de bedragen aan in aanmerking komende schulden en diezelfde bedragen in percentage, uitgedrukt overeenkomstig artikel 267/3, lid 2, na enige toepasselijke inhoudingen overeenkomstig de artikelen 72sexies tot en met 72undecies van Verordening nr. 575/2013;
   2° de bedragen van andere bail-inbare schulden;
   3° voor de in de punten 1° en 2°, bedoelde bestanddelen:
   - hun samenstelling, waaronder hun looptijdprofiel,
   - de rang ervan in liquidatieprocedures, en
   - of de in aanmerking komende schulden onder de wetgeving van een derde land vallen, en of zij de in artikel 267/15, § 1 van deze wet en in artikel 52, lid 1, punten p) en q) en artikel 63, punten n) en o), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde contractuele voorwaarden bevatten.
   De verplichting om verslag uit te brengen over de in punt 2°, van het eerste lid bedoelde bedragen aan andere bail-inbare schulden is niet van toepassing op entiteiten die op de datum van de rapportage van die informatie bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende schulden aanhouden die minstens 150 % bedragen van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste, als berekend overeenkomstig punt 1°, van het eerste lid.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten rapporteren ten minste halfjaarlijks de informatie, bedoeld in paragraaf 1, punt 1°, en ten minste jaarlijks de informatie, bedoeld in paragraaf 1, punten 2° en 3°. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten rapporteren echter de in die paragraaf bedoelde informatie frequenter indien de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit daarom verzoekt.
   § 3. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten maken de volgende informatie ten minste jaarlijks publiek beschikbaar:
   1° de bedragen aan eigen vermogen dat, waar toepasselijk, voldoet aan de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 2°, en in aanmerking komende schulden;
   2° de samenstelling van de in punt 1°, bedoelde bestanddelen, met inbegrip van hun looptijdprofiel en rang in een liquidatieprocedure;
   3° het toepasselijke vereiste als bedoeld in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, uitgedrukt in percentage overeenkomstig artikel 267/3, § 2.
   § 4. [2 Paragrafen 1 en 3 zijn niet van toepassing op een liquidatie-entiteit tenzij de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor die entiteit heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 267/5/1, § 2/1, tweede lid. In dat geval bepaalt de afwikkelingsautoriteit de inhoud en frequentie van de rapportage- en openbaarmakingsverplichtingen voor die entiteit. De afwikkelingsautoriteit deelt die rapportage- en openbaarmakingsverplichtingen mee aan de betrokken liquidatie-entiteit. Die rapportage- en openbaarmakingsverplichtingen gaan niet verder dan wat nodig is voor het toezicht op de naleving van het op grond van artikel 267/5/1, § 2/1, tweede lid vastgestelde vereiste]2.
   § 5. Indien afwikkelingsmaatregelen zijn uitgevoerd of de in de artikelen 250 of 457 bedoelde afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, gelden de in paragraaf 3 bedoelde openbaarmakingsvereisten vanaf de in artikel 418 bedoelde datum waarop aan de vereisten van artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 moet zijn voldaan.]1

  
Art. 267/5/6. [1 § 1er. Les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, qui sont soumis à l'exigence visée à l'article 267/3, transmettent des déclarations à leurs autorités compétentes et à leurs autorités de résolution sur les points suivants :
   1° les montants des fonds propres qui, le cas échéant, satisfont aux conditions énoncées à l'article 267/5/4, § 2, 2°, et les montants des dettes éligibles, ainsi que l'expression de ces montants en pourcentage conformément à l'article 267/3, alinéa 2, après, le cas échéant, les déductions prévues conformément aux articles 72sexies à 72undecies du Règlement n° 575/2013 ;
   2° les montants des autres dettes utilisables pour un renflouement interne ;
   3° pour les éléments visés aux points 1° et 2° :
   - leur composition, y compris la structure de leurs échéances,
   - leur rang dans le cadre d'une procédure de liquidation, et
   - si les dettes éligibles sont régies par le droit d'un pays tiers et si elles contiennent les clauses contractuelles visées à l'article 267/15, § 1er de cette loi et, à l'article 52, paragraphe 1er, points p) et q), et à l'article 63, points n) et o), du Règlement n° 575/2013.
   L'obligation de notifier les montants d'autres dettes utilisables pour un renflouement interne visés au point 2° de l'alinéa 1er ne s'applique pas aux entités qui, à la date de la notification de ladite information, détiennent des montants de fonds propres et de dettes éligibles d'au moins 150 % de l'exigence visée à l'article 267/3, calculés conformément au point 1°, de l'alinéa 1er.
   § 2. Les entités visées au paragraphe 1er communiquent au moins une fois par semestre les informations visées au paragraphe 1er, point 1° et au moins une fois par an les informations visées au paragraphe 1er, points 2° et 3°. Toutefois, à la demande de l'autorité de contrôle ou de l'autorité de résolution, les entités visées au paragraphe 1er communiquent les informations visées audit paragraphe à une plus grande fréquence.
   § 3. Les entités visées au paragraphe 1er rendent publiques les informations suivantes au moins une fois par an :
   1° les montants des fonds propres qui, le cas échéant, satisfont aux conditions énoncées à l'article 267/5/4, § 2, 2°, et des dettes éligibles ;
   2° la composition des éléments visés au point 1°, y compris la structure de leurs échéances et leur rang dans le cadre d'une procédure de liquidation ;
   3° l'exigence applicable visée à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4, exprimée en pourcentage conformément à l'article 267/3, § 2.
   § 4. [2 Les paragraphes 1er et 3 ne s'appliquent pas à une entité de liquidation, à moins que l'autorité de résolution n'ait déterminé l'exigence visée à l'article 267/3 pour une telle entité, conformément à l'article 267/5/1, § 2/1, alinéa 2. Dans ce cas, l'autorité de résolution détermine pour cette entité le contenu et la fréquence des obligations de déclaration et de publication. L'autorité de résolution communique ces obligations de déclaration et de publication à l'entité de liquidation concernée. Ces obligations de déclaration et de publication n'excèdent pas ce qui est nécessaire pour pouvoir s'assurer du respect de l'exigence déterminée en vertu de l'article 267/5/1, § 2/1, alinéa 2]2.
   § 5. Lorsque des mesures de résolution ont été mises en oeuvre ou que les pouvoirs de dépréciation ou de conversion visés aux articles 250 ou 457 ont été exercés, les obligations en matière de publication visées au paragraphe 3 s'appliquent à partir de la date limite fixée pour le respect des exigences énoncées à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4, visée à l'article 418.]1

  
Art. 267/5/7. [1 De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van het overeenkomstig artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 vastgestelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, met inbegrip van op grond van artikel 267/5/4, § 1, vierde lid genomen besluiten, voor elke entiteit in hun rechtsgebied.]1
  
Art. 267/5/7. [1 L'autorité de résolution informe l'ABE de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles qui a été fixée conformément à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4, y compris les décisions prises en vertu de l'article 267/5/4, § 1er, alinéa 4, pour chaque entité relevant de sa compétence.]1
  
Art. 267/5/8. [1 § 1. Elke schending van het in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt door de afwikkelingsautoriteit of de toezichthouder aangepakt met behulp van ten minste één van het volgende:
   1° de bevoegdheid om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen overeenkomstig de artikelen 231 tot en met 232, en 449 tot en met 451;
   2° de bevoegdheden tot het verbieden van bepaalde uitkeringen bedoeld in de artikelen 230/1 tot en met 230/4;
   3° herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen 234 en 236;
   4° de maatregelen en sancties bedoeld in de artikelen 345 tot en met 347.
   De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder kunnen ook beoordelen of de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, in gebreke blijft of dit nakend is, overeenkomstig artikel 244, 244/1, of 454, naar gelang het geval.
   § 2. De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder raadplegen elkaar wanneer ze hun respectieve in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden uitoefenen.]1

  
Art. 267/5/8. [1 § 1er. L'autorité de contrôle ou l'autorité de résolution remédient à tout non-respect de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles visée à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4 en s'appuyant sur l'un des moyens suivants au moins :
   1° le pouvoir de réduire ou de supprimer les obstacles à la résolvabilité conformément aux articles 231 à 232, et 449 à 451 ;
   2° les pouvoirs d'interdire certaines distributions visées aux article 230/1 à 230/4 ;
   3° les mesures de redressement conformément aux articles 234 et 236 ;
   4° les mesures et les sanctions visées aux articles 345 à 347.
   Les autorités concernées peuvent aussi évaluer si la défaillance de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, est avérée ou prévisible, conformément à l'article 244, 244/1 ou 454, selon le cas.
   § 2. L'autorité de résolution et l'autorité de contrôle se consultent lorsqu'elles exercent leurs pouvoirs respectifs visés au paragraphe 1er.]1

  
Art. 267/5/9. [1 De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder verlenen de EBA bijstand bij het voorbereiden en indienen van het jaarlijks verslag bedoeld in artikel 45terdecies, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU.]1
  
Art. 267/5/9. [1 L'autorité de contrôle et l'autorité de résolution assistent l'ABE dans la préparation et la présentation du rapport annuel visé à l'article 45terdecies, paragraphe 1er, de la Directive 2014/59/UE.]1
  
Onderafdeling 3. [1 - Tenuitvoerlegging van het instrument van interne versterking]1
Sous-section 3. [1 - Mise en oeuvre de l'instrument de renflouement interne]1
Art. 267/6. [1 § 1. Wanneer zij het instrument van interne versterking toepast, raamt de afwikkelingsautoriteit op basis van een waardering die aan de artikelen 246 tot 248 voldoet, het totaal van :
   1° indien van toepassing, het bedrag waarvoor de [3 bail-inbare schulden]3 moeten worden afgeschreven om ervoor te zorgen dat de nettowaarde van de activa van de kredietinstelling in afwikkeling gelijk is aan nul; en
   2° in voorkomend geval, het bedrag waarvoor de [3 bail-inbare schulden]3 in aandelen of andere kapitaalinstrumenten moeten worden omgezet om de tier 1-kernkapitaalratio van de kredietinstelling in afwikkeling te herstellen of om een overbruggingsinstelling in staat te stellen eraan te voldoen.
   § 2. Bij de in § 1 bedoelde raming wordt rekening gehouden met de inbreng van kapitaal door [2 het Afwikkelingsfonds]2. Het in § 1 bedoelde totaal moet het mogelijk maken voldoende marktvertrouwen in de kredietinstelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling te handhaven en moet haar in staat stellen gedurende ten minste een jaar aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor zij een vergunning heeft verkregen.
   Indien de afwikkelingsautoriteit voornemens is gebruik te maken van het instrument van afsplitsing van activa als bedoeld in artikel 265, houdt het bedrag waarmee de [3 bail-inbare schulden]3 moeten worden verminderd voor zover nodig rekening met een prudente raming van de kapitaalbehoeften van het vehikel voor activabeheer.
   § 3. Indien de relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig de artikelen 250 tot 254 zijn afgeschreven en het instrument van interne versterking overeenkomstig artikel 267/1, § 1 is toegepast en als gebleken is dat het niveau van de afschrijvingen op basis van de voorlopige waardering krachtens artikel 248, § 2 hoger is dan de vereisten wanneer dit niveau wordt vergeleken met dat van de definitieve waardering krachtens artikel 248, § 3, worden regelingen getroffen om de schuldeisers en vervolgens de aandeelhouders voor zover dat nodig is terug te betalen.
   § 4. De afwikkelingsautoriteit stelt regelingen vast en houdt deze in stand om ervoor te zorgen dat de beoordeling en de waardering gebaseerd zijn op informatie over de activa en passiva van de kredietinstelling in afwikkeling die zo actueel en zo uitvoerig is als redelijkerwijs mogelijk is.]1

  
Art. 267/6. [1 § 1er. Lorsqu'elle applique l'instrument de renflouement interne, l'autorité de résolution évalue, sur la base d'une valorisation conforme aux articles 246 à 248, le montant cumulé :
   1° lorsqu'il y a lieu, du montant à hauteur duquel les [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 doivent être dépréciées afin que la valeur de l'actif net de l'établissement de crédit soumis à la procédure de résolution soit égale à zéro; et
   2° le cas échéant, du montant à hauteur duquel les [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 doivent être converties en actions ou en d'autres instruments de fonds propres, afin de rétablir le ratio de fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement de crédit soumis à la procédure de résolution ou pour permettre à un établissement-relais d'y satisfaire.
   § 2. L'évaluation visée au § 1er tient compte de toute contribution au capital par [2 le Fonds de résolution]2. Le montant cumulé visé au § 1er doit permettre de maintenir un niveau de confiance suffisant de la part des marchés à l'égard de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution ou de l'établissement-relais et lui permettre de continuer, pendant au moins un an, à remplir les conditions de l'agrément et à continuer à exercer les activités pour lesquelles il a été agréé.
   Si l'autorité de résolution a l'intention de recourir à l'instrument de séparation des actifs visé à l'article 265, le montant dont les [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 doivent être réduites tient compte d'une estimation prudente des besoins en fonds propres de la structure de gestion des actifs dans la mesure nécessaire.
   § 3. Si les instruments de fonds propres pertinents ont été dépréciés conformément aux articles 250 à 254, que l'instrument de renflouement interne a été appliqué conformément à l'article 267/1, § 1er, et que le niveau de dépréciation sur la base de la valorisation préliminaire en vertu de l'article 248, § 2 dépasse les exigences lorsqu'il est comparé à la valorisation définitive en vertu de l'article 248, § 3, des dispositions sont prises afin de rembourser les créanciers puis les actionnaires dans la mesure nécessaire.
   § 4. L'autorité de résolution établit et maintient en place des mécanismes garantissant que l'évaluation et la valorisation se fondent sur des informations aussi récentes et complètes que possible relatives aux actifs et aux passifs de l'établissement de crédit soumis à la résolution.]1

  
Art. 267/7. [1 § 1. Wanneer de afwikkelings-autoriteit het instrument van interne versterking toepast of kapitaalinstrumenten afschrijft of omzet, treft zij ten aanzien van de aandeelhouders en houders van andere eigendomsinstrumenten een of beide van de volgende maatregelen :
   1° het intrekken van bestaande aandelen of andere eigendomsinstrumenten, of de overdracht ervan op schuldeisers waarop het instrument van interne versterking is toegepast;
   2° mits de nettowaarde van de kredietinstelling in afwikkeling volgens de waardering krachtens de artikelen 246 tot 248 positief is, het doen verwateren van bestaande aandelenpakketten en andere eigendomsinstrumenten als gevolg van de omzetting in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van :
   a) relevante kapitaalinstrumenten die door de kredietinstelling zijn uitgegeven op grond van de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid; of
   b) [2 bail-inbare schulden]2 die door de kredietinstelling in afwikkeling zijn uitgegeven op grond van de in artikel 276, § 2, 4° /2 vermelde bevoegdheid.
   Voor de toepassing van punt 2° hanteert de afwikkelingsautoriteit een omzettingskoers die bestaande aandelenpakketten of andere eigendomsinstrumenten sterk verwatert.
   § 2. De in § 1 bedoelde maatregelen worden ook genomen ten aanzien van aandeelhouders en houders van andere eigendomsinstrumenten wier aandelen of andere eigendomsinstrumenten in de volgende omstandigheden werden uitgegeven of aan hen werden toegekend :
   1° naar aanleiding van de omzetting van schuldinstrumenten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten overeenkomstig de contractuele voorwaarden waaraan deze schuldinstrumenten onderworpen zijn, bij een gebeurtenis die voorafging aan of zich tezelfdertijd voordeed als de beoordeling door de afwikkelingsautoriteit waarbij deze heeft vastgesteld dat de kredietinstelling voldeed aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure;
   2° naar aanleiding van de omzetting van relevante kapitaalinstrumenten in tier 1-kernkapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 250.
   § 3. Wanneer de afwikkelingsautoriteit overweegt welke maatregelen krachtens § 1 moeten worden genomen, houdt zij rekening met :
   1° de waardering krachtens de artikelen 246 tot 248;
   2° het bedrag waarmee de nominale waarde van tier 1-kernkapitaalinstrumenten verminderd moet worden en waarmee relevante kapitaalinstrumenten afgeschreven of omgezet moeten worden; en
   3° het met toepassing van artikel 267/6 vastgestelde totaal.
   § 4. [2 Indien de toepassing van het instrument van interne versterking leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, is artikel 269/1 van toepassing.]2
   § 5. Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit regelt de Koning de rechtsgevolgen van de toepassing van het instrument van interne versterking en van de omzetting van kapitaal als bedoeld in paragraaf 1 en de uitoefening van de rechten verbonden aan de toegewezen aandelen of andere eigendomsinstrumenten tijdens de periode van beoordeling van de overnemer door de toezichthouder, alsook de gevolgen van een eventueel verzet door de toezichthouder. Het besluit dat krachtens deze paragraaf wordt genomen, mag afwijken van artikel 51 voor zover toegelaten door de dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.]1

  
Art. 267/7. [1 § 1er. Lorsqu'elle applique l'instrument de renflouement interne ou la dépréciation ou la conversion des instruments de fonds propres, l'autorité de résolution prend à l'égard des actionnaires et des détenteurs d'autres titres de propriété l'une des mesures suivantes, ou les deux :
   1° annuler les actions existantes ou les autres titres de propriété ou les transférer aux créanciers du renflouement interne;
   2° sous réserve que, conformément à la valorisation effectuée en vertu des articles 246 à 248, la valeur nette de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution soit positive, procéder à la dilution des actions et des autres titres de propriété existants à la suite de la conversion en actions ou d'autres instruments de propriété :
   a) des instruments de fonds propres pertinents émis par l'établissement de crédit en vertu du pouvoir visé à l'article 250, § 1er; ou
   b) des [2 dettes utilisables pour un renflouement interne]2 émises par l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution en vertu du pouvoir mentionné à l'article 276, § 2, 4° /2.
   Pour l'application du 2°, l'autorité de résolution retient un taux de conversion qui permet de diluer fortement les actions et autres titres de propriété existants.
   § 2. Les mesures visées au § 1er s'appliquent également aux actionnaires et aux détenteurs d'autres titres de propriété dont les actions ou autres titres de propriété concernés ont été émis ou leur ont été attribués dans les circonstances suivantes :
   1° à la suite de la conversion d'instruments de dette en actions ou autres titres de propriété conformément aux clauses contractuelles régissant ces instruments de dette du fait d'un événement qui a précédé, ou coïncidé avec l'évaluation de l'autorité de résolution dans laquelle elle a constaté que l'établissement de crédit remplissait les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution;
   2° à la suite de la conversion d'instruments de fonds propres pertinents en instruments de fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 250.
   § 3. Lorsqu'elle examine les mesures à prendre en vertu du § 1er, l'autorité de résolution tient compte :
   1° de l'évaluation effectuée conformément aux articles 246 à 248;
   2° du montant à hauteur duquel la valeur nominale des instruments de fonds propres de base de catégorie 1 doit être réduite et les instruments de capital pertinents doivent être dépréciés ou convertis; et
   3° du montant cumulé évalué en application de l'article 267/6.
   § 4. [2 Si l'application de l'instrument de renflouement interne aboutit à l'acquisition d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit ou à l'augmentation d'une telle participation faisant atteindre ou dépasser l'un des seuils prévus à l'article 46, l'article 269/1 est d'application.]2
   § 5. Par arrêté pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi règle les effets juridiques de l'application de l'instrument de renflouement interne et de la conversion de fonds propres visés au paragraphe 1er et l'exercice des droits afférents aux actions ou autres titres de propriété affectés pendant la période d'évaluation du repreneur par l'autorité de contrôle ainsi que les conséquences d'une éventuelle opposition par celle-ci. L'arrêté pris en vertu du présent paragraphe peut déroger à l'article 51 dans la mesure permise par les dispositions obligatoires de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ceux-ci.]1

  
Art. 267/8. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking toepast, oefent zij de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit onder voorbehoud van de uitsluitingen bedoeld in artikel 242, 10° en in artikel 267/2, § 2, met inachtneming van de volgende vereisten :
   1° tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden verlaagd overeenkomstig artikel 252, 1° ;
   2° indien de verlaging overeenkomstig punt 1° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van de aanvullend-tier 1-instrumenten;
   3° indien de verlaging overeenkomstig de punten 1° en 2° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van de tier 2-instrumenten;
   4° indien de vermindering overeenkomstig de punten 1°, 2° en 3° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit, met inachtneming van de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, de hoofdsom van de achtergestelde vorderingen die geen aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten zijn;
   5° [2 indien de vermindering overeenkomstig de punten 1° tot en met 4° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van, of het verschuldigde bedrag met betrekking tot, de rest van de bail-inbare schulden, met inbegrip van de schuldinstrumenten bedoeld in artikel 389/1, 2°, met inachtneming van de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, in de mate die noodzakelijk is om de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° bedoelde bedragen te verkrijgen.]2
   § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden uitoefent, verdeelt zij de verliezen die vertegenwoordigd worden door de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen over elke categorie van kapitaal en [2 bail-inbare schulden]2 naargelang van hun rang in de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, en binnen elke categorie naar evenredigheid van de nominale waarde van die instrumenten en schulden of van het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot die instrumenten en schulden, onverminderd een andere verdeling van de verliezen over [2 bail-inbare schulden]2 van dezelfde rang, met toepassing van artikel 267/2, § 2.
   § 3. Een afschrijvings- of omzettingsmaatregel als vermeld in § 1 wordt in voorkomend geval onder dezelfde voorwaarden toegepast op de restwaarde van een in § 1, 2° tot 4° vermeld instrument waarop reeds een afschrijving werd toegepast op grond van contractuele bepalingen.
   § 4. Onverminderd de in de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2 bedoelde uitsluitingen mag de afwikkelingsautoriteit een verplichting niet afschrijven of omzetten terwijl andere verplichtingen die aan die verplichting zijn achtergesteld, grotendeels niet worden omgezet of afgeschreven.]1

  
Art. 267/8. [1 § 1er. Lorsqu'elle applique l'instrument de renflouement interne, l'autorité de résolution exerce les pouvoirs de dépréciation et de conversion, sous réserve des exclusions visées à l'article 242, 10° et à l'article 267/2, § 2, en respectant les exigences suivantes :
   1° les instruments de fonds propres de base de catégorie 1 sont réduits conformément à l'article 252, 1° ;
   2° si la réduction opérée en application du 1° ci-dessus est inférieure à la somme des montants mentionnés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3°, l'autorité de résolution réduit le montant en principal des instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1;
   3° si la réduction opérée en application des 1° et 2° ci-dessus est inférieure à la somme des montants mentionnés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3°, l'autorité de résolution réduit le montant en principal des instruments de fonds propres de catégorie 2;
   4° si la réduction opérée en application des 1°, 2° et 3° ci-dessus est inférieure à la somme des montants mentionnés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3°, l'autorité de résolution réduit le montant en principal des créances subordonnées autres que les instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 et les instruments de fonds propres de catégorie 2 dans le respect de la hiérarchie des créances appliquée dans le cadre d'une procédure de liquidation;
   5° [2 si la réduction opérée en application des 1° à 4° ci-dessus est inférieure à la somme des montants mentionnés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3°, l'autorité de résolution réduit le montant en principal des dettes utilisables pour un renflouement interne, ou les sommes dues à leur titre, y inclus les instruments de dette visés à l'article 389/1, 2°, dans le respect de la hiérarchie des créances appliquée dans le cadre d'une procédure de liquidation dans la mesure nécessaire pour obtenir la somme des montants visés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3.]2
   § 2. Lorsque l'autorité de résolution exerce les pouvoirs de dépréciation ou de conversion, elle répartit les pertes représentées par la somme des montants mentionnés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3° entre chaque catégorie de fonds propres et de [2 dettes utilisables pour un renflouement interne]2 en fonction de leur rang dans la hiérarchie des créances appliquée dans le cadre d'une procédure de liquidation et au sein de chaque catégorie de manière proportionnelle à la valeur nominale de ces instruments et dettes ou au montant des sommes dues à leur titre, sans préjudice d'une répartition différente des pertes entre [2 dettes utilisables pour un renflouement interne]2 de même rang en application de l'article 267/2, § 2.
   § 3. Une mesure de dépréciation ou de conversion mentionnée au § 1er s'applique le cas échéant dans les mêmes conditions à la valeur résiduelle d'un instrument mentionné au § 1er, 2° à 4° ayant déjà fait l'objet d'une dépréciation en application de stipulations contractuelles.
   § 4. Sans préjudice des exclusions visées aux articles 242, 10° et 267/2, § 2, l'autorité de résolution ne déprécie ou ne convertit pas un engagement dès lors que d'autres engagements lui sont subordonnés et demeurent pour une large part non convertis ou non dépréciés.]1

  
Art. 267/9. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit oefent de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden met betrekking tot een verplichting die uit derivaten voortvloeit uit wanneer de derivatenposities gesloten zijn. Bij de opening van de afwikkelingsprocedure kan de afwikkelingsautoriteit de derivatencontracten opzeggen of de derivatenposities sluiten.
   Indien een uit derivaten voortvloeiende verplichting van de toepassing van de maatregel van interne versterking met toepassing van artikel 267/2, § 2, is uitgesloten, is de afwikkelingsautoriteit niet verplicht de voornoemde derivatencontracten te beëindigen of de derivatenposities te sluiten.
   In het kader van de waardering krachtens de artikelen 246 tot 248 houdt de afwikkelingsautoriteit of de onafhankelijke persoon rekening met de bestaande verrekeningsovereenkomsten en bepaalt zij de respectieve verplichtingen van de partijen op nettobasis overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomsten.
   § 2. De afwikkelingsautoriteit bepaalt de waarde van uit derivaten voortvloeiende verplichtingen op basis van het volgende :
   1° passende methodes voor het bepalen van de waarde van de categorieën van derivaten, met inbegrip van de transacties die aan salderingsovereenkomsten zijn onderworpen;
   2° beginselen voor het bepalen van het tijdstip waarop de waarde van een derivatenpositie moet worden vastgelegd; en
   3° passende methodologieën voor het vergelijken van de waardevernietiging die het gevolg zou zijn van het afsluiten van de derivatenposities en de interne versterking voor derivaten, met het bedrag van de verliezen die door deze derivaten zouden worden gedragen in geval van interne versterking.]1

  
Art. 267/9. [1 § 1er. L'autorité de résolution exerce les pouvoirs de dépréciation et de conversion à l'égard d'un engagement résultant de produits dérivés dès la liquidation des positions relatives à ces produits. A l'ouverture de la procédure de résolution, l'autorité de résolution peut résilier les contrats de produits dérivés ou liquider les positions relatives à ceux-ci.
   Lorsqu'un engagement dérivé a été exclu de l'application d'une mesure de renflouement interne en application de l'article 267/2, § 2, l'autorité de résolution n'est pas tenue de résilier les contrats dérivés précités ou de liquider les positions y afférentes.
   Dans le cadre de la valorisation menée en application des articles 246 à 248, l'autorité de résolution ou la personne indépendante prend en compte les accords de compensation existants et détermine les obligations respectives des parties sur une base nette conformément aux stipulations de ces accords.
   § 2. L'autorité de résolution détermine la valeur des engagements résultant de produits dérivés sur la base :
   1° de méthodes adéquates pour déterminer la valeur des catégories de produits dérivés, y compris les transactions faisant l'objet d'un accord de compensation;
   2° de principes établissant l'instant dans le temps où la valeur d'une position sur produits dérivés devrait être établie; et
   3° de méthodologies appropriées pour comparer la destruction de valeur qui résulterait de la liquidation et du renflouement interne de produits dérivés avec le montant de pertes que supporteraient ces produits dérivés dans un renflouement interne.]1

  
Art. 267/10. [1 Bij het uitoefenen van de omzettingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 250, § 2 en in artikel 276, § 2, 4° /2, mag de afwikkelingsautoriteit verschillende omzettingskoersen op verschillende categorieën van kapitaalinstrumenten en verplichtingen toepassen. Bij de bepaling van deze omzettingskoersen wordt rekening gehouden met de rangorde van de categorieën van passiva die in een liquidatieprocedure wordt toegepast.
   De omzettingskoers biedt de getroffen schuldeiser een passende vergoeding voor het als gevolg van de uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden geleden verlies.]1

  
Art. 267/10. [1 Lorsque l'autorité de résolution exerce le pouvoir de conversion visé à l'article 250, § 2 et à l'article 276, § 2, 4° /2, elle peut appliquer des taux de conversion différents selon les diverses catégories d'instruments de fonds propres et d'engagements. Ces taux de conversion sont déterminés en tenant compte de la hiérarchie des catégories d'instruments de passifs appliquée dans le cadre d'une procédure de liquidation.
   Le taux de conversion représente une indemnisation appropriée pour le créancier affecté par toute perte liée à l'exercice des pouvoirs de dépréciation et de conversion.]1

  
Art. 267/11. [1 § 1. Binnen een maand na de toepassing van het instrument van interne versterking op een kredietinstelling om de doelstellingen vermeld in artikel 267/1, § 1, 1° te verwezenlijken, moet het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de met toepassing van artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen voor de betrokken kredietinstelling een bedrijfssaneringsplan opstellen en ter goedkeuring aan de afwikkelingsautoriteit voorleggen.
   § 2. In buitengewone omstandigheden en indien dit nodig is voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen, of indien het bedrijfssaneringsplan in het kader van de toepassing van de regels van de Europese Unie inzake staatssteun moet worden ingediend, kan de afwikkelingsautoriteit de in § 1 vermelde termijn van een maand verlengen met ten hoogste een maand.
   § 3. In het bedrijfssaneringsplan worden overeenkomstig de doelstellingen en de richtsnoeren van de afwikkelingsautoriteit maatregelen vastgelegd die erop gericht zijn de levensvatbaarheid op lange termijn van de kredietinstelling of een deel van haar werkzaamheden binnen een redelijk tijdsbestek te herstellen. Het bevat ten minste de volgende elementen :
   1° een gedetailleerde diagnose van de factoren en problemen waardoor de kredietinstelling in gebrek blijft of waarschijnlijk in gebreke zal blijven, en de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de moeilijkheden waarmee de kredietinstelling te kampen heeft;
   2° een beschrijving van de te nemen maatregelen die gericht zijn op het herstellen van de levensvaatbaarheid op lange termijn van de kredietinstelling;
   3° een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van die maatregelen.
   In het bedrijfssaneringsplan wordt onder meer rekening gehouden met de actuele stand van en toekomstige vooruitzichten voor de financiële markten, op basis van optimistische en pessimistische hypothesen, zoals een combinatie van situaties op grond waarvan de belangrijkste zwakke punten van de kredietinstelling kunnen worden vastgesteld. De hypothesen worden vergeleken met passende sectorbrede benchmarks.
   Dit plan moet in voorkomend geval verenigbaar zijn met het herstructureringsplan dat in het kader van de toepassing van de regels van de Europese Unie inzake staatssteun wordt opgesteld.
   § 4. Maatregelen gericht op het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn als bedoeld in paragraaf 3 zijn onder meer :
   1° de reorganisatie van de werkzaamheden van de kredietinstelling;
   2° wijzigingen in de operationele systemen en de infrastructuur in de kredietinstelling;
   3° het staken van verliesgevende activiteiten;
   4° de herstructurering van bestaande activiteiten die winstgevend kunnen worden gemaakt;
   5° de verkoop van activa of van bedrijfsonderdelen.]1

  
Art. 267/11. [1 § 1er. Dans un délai d'un mois à dater de l'application de l'instrument de renflouement interne à l'égard d'un établissement de crédit aux fins indiquées à l'article 267/1, § 1er, 1°, l'organe légal d'administration de l'établissement de crédit ou la ou les personnes nommées en application de l'article 281, § 2 établissent et soumettent à l'approbation de l'autorité de résolution un plan de réorganisation des activités de l'établissement de crédit en cause.
   § 2. Dans des circonstances exceptionnelles et si cela s'avère nécessaire pour atteindre les objectifs de la résolution, ou lorsque le plan de réorganisation des activités doit être notifié dans le cadre de l'application des règles de l'Union européenne en matière d'aides d'Etat, l'autorité de résolution peut prolonger le délai d'un mois mentionné au § 1er d'une durée maximale d'un mois.
   § 3. Le plan de réorganisation des activités définit, conformément aux objectifs et aux orientations adoptés par l'autorité de résolution, des mesures destinées à rétablir dans un délai raisonnable la viabilité à long terme de l'établissement de crédit ou d'une partie de ses activités et comprend au moins les éléments suivants :
   1° un diagnostic détaillé des facteurs et problèmes qui ont causé, ou risquent de causer, la défaillance de l'établissement de crédit et des circonstances qui ont abouti à ses difficultés;
   2° une description des mesures visant à rétablir la viabilité à long terme de l'établissement de crédit qui doivent être adoptées;
   3° un calendrier de mise en oeuvre de ces mesures.
   Le plan de réorganisation des activités tient compte, entre autres, de la situation du moment et des perspectives sur les marchés financiers, et intègre à la fois hypothèses optimistes et pessimistes, y compris une conjonction d'événements permettant d'identifier les principales vulnérabilités de l'établissement de crédit. Les hypothèses sont comparées à des indicateurs sectoriels appropriés.
   Ce plan doit être compatible, le cas échéant, avec le plan de restructuration établi dans le cadre de l'application des règles de l'Union européenne en matière d'aides d'Etat.
   § 4. Les mesures visant à rétablir la viabilité à long terme visées au paragraphe 3 peuvent comprendre :
   1° la réorganisation des activités de l'établissement de crédit;
   2° des modifications des systèmes opérationnels et des infrastructures au sein de l'établissement de crédit;
   3° le désengagement des activités déficitaires;
   4° la restructuration des activités existantes dont la compétitivité peut être rétablie;
   5° la cession d'actifs ou de branches d'activité.]1

  
Art. 267/12. [1 § 1. Binnen een maand te rekenen vanaf de datum van voorlegging van het in artikel 267/11 vermelde bedrijfssaneringsplan beoordeelt de afwikkelingsautoriteit de geschiktheid van dat plan om de levensvatbaarheid op lange termijn van de betrokken kredietinstelling te herstellen. Deze beoordeling wordt in overleg met de bevoegde autoriteit verricht.
   Indien de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit van oordeel zijn dat die doelstelling kan worden verwezenlijkt met de uitvoering van het plan, keurt de afwikkelingsautoriteit het plan goed.
   § 2. Indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de in § 1 bedoelde doelstelling niet kan worden verwezenlijkt met de uitvoering van het plan, stelt zij in overleg met de bevoegde autoriteit het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen in kennis van de door haar vastgestelde tekortkomingen en eist zij dat het plan zodanig wordt gewijzigd dat deze tekortkomingen worden verholpen.
   § 3. Binnen twee weken te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de in § 2 bedoelde kennisgeving legt het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen aan de afwikkelingsautoriteit een gewijzigd plan ter goedkeuring voor. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt het gewijzigde plan en laat het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen binnen een week weten of zij van oordeel is dat de vastgestelde tekortkomingen verholpen zijn of dat verdere wijzigingen zijn vereist.
   § 4. Het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen voeren het saneringsplan zoals goedgekeurd door de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit uit en leggen ten minste om de zes maanden een verslag voor aan de afwikkelingsautoriteit over de gemaakte vorderingen bij de uitvoering van het plan.
   § 5. Het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen herzien het plan indien dat naar het inzicht van de afwikkelingsautoriteit, met de instemming van de bevoegde autoriteit, nodig is om de in artikel 267/11, § 3 bedoelde doelstelling te verwezenlijken, en leggen elke wijziging van dit plan ter goedkeuring voor aan de afwikkelingsautoriteit.]1

  
Art. 267/12. [1 § 1er. Dans un délai d'un mois à compter de la date de transmission du plan de réorganisation des activités mentionné à l'article 267/11, l'autorité de résolution évalue la capacité de ce plan à rétablir la viabilité à long terme de l'établissement de crédit concerné. Cette évaluation est réalisée en accord avec l'autorité compétente.
   L'autorité de résolution approuve le plan si elle-même et l'autorité compétente estiment qu'il permettra d'atteindre cet objectif.
   § 2. Si l'autorité de résolution estime que le plan ne permettra pas d'atteindre l'objectif visé au § 1er, elle notifie à l'organe légal d'administration de l'établissement de crédit ou à la ou les personnes nommées conformément à l'article 281, § 2, en accord avec l'autorité compétente, les insuffisances qu'elle a relevées et leur demande de modifier le plan afin d'y remédier.
   § 3. Dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception de la notification visée au § 2, l'organe légal d'administration de l'établissement de crédit ou la ou les personnes nommées conformément à l'article 281, § 2, soumettent un plan modifié à l'approbation de l'autorité de résolution. Après avoir évalué le plan modifié, l'autorité de résolution notifie à l'organe légal d'administration de l'établissement de crédit ou à la ou les personnes nommées conformément à l'article 281, § 2, dans un délai d'une semaine, si elle estime qu'il a été remédié aux insuffisances relevées ou si d'autres modifications sont nécessaires.
   § 4. L'organe légal d'administration de l'établissement de crédit ou la ou les personnes nommées conformément à l'article 281, § 2, mettent en oeuvre le plan de réorganisation approuvé par l'autorité de résolution et par l'autorité compétente, et soumettent un rapport à l'autorité de résolution, au moins tous les six mois, sur les progrès accomplis dans sa mise en oeuvre.
   § 5. L'organe légal d'administration de l'établissement de crédit ou la ou les personnes nommées conformément à l'article 281, § 2, révisent le plan si, selon l'autorité de résolution en accord avec l'autorité compétente, cela est nécessaire pour atteindre l'objectif visé à l'article 267/11, § 3 et soumettent toute modification de ce plan à l'approbation de l'autorité de résolution.]1

  
Art. 267/13. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 267, § 2, 4° /1 bedoelde bevoegdheid tot nul verlaagt, worden die verplichting en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet vorderbaar waren op het moment waarop de maatregel ten uitvoer werd gelegd, als tenietgegaan beschouwd in hoofdsom en in rente en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de kredietinstelling in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie.
   § 2. Indien de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 276, § 2, 4° /1 bedoelde bevoegdheid gedeeltelijk verlaagt :
   1° wordt de verplichting als tenietgedaan beschouwd ten belope van het verminderde bedrag;
   2° blijft het instrument of de overeenkomst waarop de oorspronkelijke verplichting is gebaseerd, van toepassing op het resterende bedrag van de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van de verplichting, behoudens een eventuele wijziging van het verschuldigde rentebedrag om rekening te houden met de verlaging van het bedrag van de hoofdsom, en een eventuele verdere wijziging van de voorwaarden die de afwikkelingsautoriteit zou kunnen aanbrengen met toepassing van artikel 276, § 2, 4° /4.]1

  
Art. 267/13. [1 § 1. Lorsque l'autorité de résolution réduit à zéro le principal ou les sommes dues au titre d'un élément de passif en vertu du pouvoir visé à l'article 276, § 2, 4° /1, cet élément de passif, ainsi que toute obligation ou créance en découlant qui n'est pas échue au moment où la mesure est mise en oeuvre, est réputé éteint en capital et intérêts et ne peut être opposable dans quelque procédure ultérieure relative à l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution ou à toute entité lui ayant succédé dans le cadre d'une liquidation ultérieure.
   § 2. Lorsque l'autorité de résolution réduit en partie le principal ou les sommes dues au titre d'un élément de passif en vertu du pouvoir visé à l'article 276, § 2, 4° /1 :
   1° l'élément de passif est éteint à concurrence du montant réduit;
   2° l'instrument ou le contrat dont résulte l'engagement initial continue de s'appliquer pour ce qui concerne le montant résiduel du principal ou l'encours exigible de l'engagement, sous réserve d'une éventuelle modification de la charge d'intérêts payable pour tenir compte de la réduction opérée du principal et de toute autre modification des conditions que l'autorité de résolution peut décider en application de l'article 276, § 2, 4° /4.]1

  
Art. 267/14. [1 De omzetting van [2 bail-inbare schulden]2 of van aanvullend-tier 1- of -tier 2-instrumenten van een kredietinstelling in aandelen of andere eigendomsinstrumenten heeft van rechtswege uitwerking overeenkomstig artikel [2 295/1]2, niettegenstaande enige wettelijke of contractuele bepaling of enig andersluidend beding in haar statuten of in haar oprichtingsakte, met inbegrip van enig voorkeurrecht voor aandeelhouders of enig beding dat inhoudt dat aandeelhouders toestemming moeten verlenen voor een kapitaalverhoging.]1
  
Art. 267/14. [1 La conversion des [2 dettes utilisables pour un renflouement interne]2 ou des instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou de catégorie 2 d'un établissement de crédit en actions ou en autres titres de propriété produit ses effets de plein droit conformément à l'article [2 295/1]2, nonobstant toute disposition légale, stipulation contractuelle ou clause contraire de ses statuts ou de son acte constitutif, en ce compris tout droit de préférence en faveur des actionnaires ou toute clause requérant leur consentement pour une augmentation de capital.]1
  
Art. 267/15. [1 § 1. Kredietinstellingen en entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° nemen in de overeenkomsten waarbij bail-inbare schulden worden aangegaan, een bepaling op waarbij de schuldeiser erkent dat de schuld onderworpen is aan de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden en er in toestemt gebonden te zijn door elke door de afwikkelingsautoriteit krachtens haar bevoegdheden uitgeoefende maatregel tot omzetting of tot verlaging van de hoofdsom of van het uitstaande verschuldigde bedrag, mits die schulden:
   - niet uitgesloten zijn op grond van artikel 242, 10° ;
   - onderworpen zijn aan de wetgeving van een derde land;
   - geen deposito vormen als vermeld in artikel 389, § 2; en
   - zijn aangegaan vanaf 1 januari 2016.
   De afwikkelingsautoriteit kan verlangen dat de betrokken kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° haar een juridisch advies verstrekt over de afdwingbaarheid en de doeltreffendheid van een dergelijke clausule.
   De afwikkelingsautoriteit kan besluiten dat de verplichting bedoeld in het eerste lid niet van toepassing is op kredietinstellingen of entiteiten waarvoor het vereiste op grond van artikel 267/3 gelijk is aan het verliesabsorptiebedrag als gedefinieerd in artikel 267/5/1, § 2, 1°, mits schulden die voldoen aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, en ten aanzien waarvan het in dat lid bedoelde contractuele beding niet is opgenomen, niet nodig zijn om aan dit vereiste te voldoen.
   Het eerste lid is niet van toepassing indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de verplichtingen of instrumenten onderworpen kunnen zijn aan haar afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden krachtens de wetgeving van een derde land of een met dat derde land gesloten bindende overeenkomst.
   Het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde bepaling in de overeenkomst belet niet dat de afwikkelingsautoriteit haar prerogatieven uitoefent.
   § 2. Indien een kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, tot de vaststelling komt dat het onuitvoerbaar is om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding op te nemen in de contractuele bepalingen, stelt die kredietinstelling of entiteit de afwikkelingsautoriteit daarvan in kennis, samen met de vermelding van de categorie schulden en de rechtvaardiging van die vaststelling. De kredietinstelling of entiteit verstrekt de afwikkelingsautoriteit alle informatie waarom de afwikkelingsautoriteit binnen een redelijke termijn na ontvangst van de kennisgeving verzoekt, zodat de afwikkelingsautoriteit kan beoordelen welke gevolgen die vastgestelde onuitvoerbaarheid heeft op de afwikkelbaarheid van die kredietinstelling of entiteit.
   In geval van een kennisgeving op grond van het voorgaande lid, wordt de verplichting om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding in de contractuele bepalingen op te nemen, automatisch opgeschort zodra de afwikkelingsautoriteit de kennisgeving heeft ontvangen.
   Indien de afwikkelingsautoriteit besluit dat het niet onuitvoerbaar is om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding op te nemen in de voor een betrokken verplichting geldende contractuele bepalingen, mag zij eisen, rekening houdend met de plicht om de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling of entiteit te waarborgen, dat een dergelijk contractueel beding binnen een redelijke termijn na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt opgenomen. De afwikkelingsautoriteit mag eisen dat de kredietinstelling of entiteit haar praktijken inzake de toepassing van de vrijstelling van de contractuele erkenning van het instrument van interne versterking wijzigt.
   De schulden bedoeld in het eerste lid omvatten geen aanvullend-tier 1-instrumenten, tier 2- instrumenten en schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 242, 21°, indien die instrumenten ongedekte schulden zijn. Bovendien zijn de in het eerste lid bedoelde schulden van een hogere rang dan de schulden bedoeld in artikel 389/1, 2°.
   De schulden waarvoor de kredietinstelling of entiteit nalaat het overeenkomstig paragraaf 1 vereiste beding in de contractuele bepalingen op te nemen of waarvoor dat vereiste overeenkomstig de huidige paragraaf niet geldt, worden niet meegerekend voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden.
   § 3. De afwikkelingsautoriteit vermeldt, indien zij dat noodzakelijk acht, de categorieën schulden ten aanzien waarvan een kredietinstelling of entiteit tot de vaststelling kan komen dat het onuitvoerbaar is om het in paragraaf 1 bedoelde contractueel beding op te nemen op basis van de krachtens artikel 55, lid 6 van Richtlijn 2014/59/EU nader bepaalde voorwaarden.]1

  
Art. 267/15. [1 § 1er. Les établissements de crédit, ainsi que les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, introduisent dans les contrats par lesquels des dettes utilisables pour un renflouement interne sont contractées, une clause stipulant que le créancier reconnaît que la dette est soumise aux pouvoirs de réduction ou de conversion et accepte d'être lié par toute mesure de conversion ou de réduction du principal ou de l'encours restant dû effectuée par l'autorité de résolution dans l'exercice de ses prérogatives, à condition que ces dettes
   - ne sont pas exclues au titre de l'article 242, 10° ;
   - sont régies par la législation d'un pays tiers ;
   - ne constituent pas un dépôt mentionné à l'article 389, § 2 ; et
   - sont contractées à partir du 1er janvier 2016.
   L'autorité de résolution peut exiger de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4° concerné de lui fournir un avis juridique concernant le caractère exécutoire et l'efficacité d'une telle clause.
   L'autorité de résolution peut décider que l'obligation figurant à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux établissements de crédit ou entités pour lesquels l'exigence au titre de l'article 267/3 correspond au montant d'absorption des pertes, tel qu'il est défini à l'article 267/5/1, § 2, 1°, à condition que ces dettes qui sont conformes aux conditions visées à l'alinéa 1er et qui n'incluent pas la clause contractuelle visée à cet alinéa ne soient pas nécessaires pour satisfaire cette exigence.
   L'alinéa 1er ne s'applique pas dans le cas où l'autorité de résolution estime que les engagements ou instruments peuvent être soumis à ses pouvoirs de dépréciation et de conversion en application de la législation d'un pays tiers ou d'un accord contraignant conclu avec lui.
   L'absence de la clause requise à l'alinéa 1er ne fait pas obstacle à l'exercice par l'autorité de résolution de ses prérogatives.
   § 2. Lorsqu'un établissement de crédit ou une entité visée à l'article 424, 2° à 4°, constate qu'il est impossible d'intégrer dans les dispositions contractuelles une clause requise en vertu du paragraphe 1er, cet établissement de crédit ou cette entité notifie à l'autorité de résolution son constat, en précisant la catégorie à laquelle appartient la dette et en justifiant ce constat. L'établissement de crédit ou l'entité fournit à l'autorité de résolution toutes les informations que celle-ci demande dans un délai raisonnable suivant la réception de la notification, afin que l'autorité de résolution évalue l'effet que peut avoir une telle impossibilité constatée sur la résolvabilité de cet établissement de crédit ou de cette entité.
   Lorsqu'une notification a été effectuée en application de l'alinéa précédent, l'obligation d'intégrer dans les dispositions contractuelles une clause requise en vertu du paragraphe 1er est suspendue de plein droit dès la réception de la notification par l'autorité de résolution.
   Dans le cas où l'autorité de résolution conclut qu'il n'est pas impossible d'intégrer dans les dispositions contractuelles une clause requise en vertu du paragraphe 1er, compte tenu de la nécessité d'assurer la résolvabilité de l'établissement de crédit ou de l'entité, elle peut exiger, dans un délai raisonnable après la notification effectuée en application de l'alinéa 1er, qu'une telle clause contractuelle soit intégrée. L'autorité de résolution peut en outre imposer à l'établissement de crédit ou à l'entité de modifier ses pratiques concernant le recours à l'exemption à la reconnaissance contractuelle du renflouement interne.
   Les dettes visées à l'alinéa 1er n'incluent pas les instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1, les instruments de fonds propres de catégorie 2 et les instruments de dette visés à l'article 242, 21°, lorsque ces instruments sont des dettes non garanties. De plus, les dettes visées à l'alinéa 1er ont un rang supérieur aux dettes visées à l'article 389/1, 2°.
   Les dettes pour lesquelles l'établissement de crédit ou l'entité omet d'intégrer dans les dispositions contractuelles la clause requise en vertu du paragraphe 1er, ou pour lesquelles, conformément au présent paragraphe, cette exigence ne s'applique pas, ne sont pas comptabilisées aux fins de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles.
   § 3. L'autorité de résolution précise, si elle le juge nécessaire, les catégories de dettes pour lesquelles un établissement de crédit ou une entité peut constater qu'il est impossible d'intégrer la clause contractuelle visée au paragraphe 1er, sur la base des conditions précisées en application de l'article 55, paragraphe 6 de la Directive 2014/59/UE.]1

  
Afdeling V. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de afwikkelingsinstrumenten
Section V. - Dispositions communes aux instruments de résolution
Art.268. § 1. [1 Onverminderd enige andersluidende bepaling van deze wet, is de toepassing van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden niet onderworpen aan:
   1° de goedkeuring van enige publieke of private persoon, met inbegrip van het wettelijk bestuursorgaan of de algemene vergadering van de aandeelhouders van de kredietinstelling of van een derde die geen ontvanger is, niettegenstaande elke strijdige wettelijke, statutaire of contractuele bepaling;
   2° de inachtneming van enige procedurele vereisten van economisch, vennootschaps- of effectenrecht andere dan deze die voorvloeien uit dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.]1

  § 2. De afwikkelingsautoriteit stelt de minister van Financiën in kennis van elke beschikkingsbeslissing die zij van plan is te nemen. De minister kan zich hiertegen verzetten gedurende een termijn van achtenveertig uur indien hij oordeelt dat de beoogde handeling een rechtstreeks fiscaal effect of systemische gevolgen heeft.
  
Art.268. § 1er. [1 Sans préjudice de toute disposition contraire de cette loi, l'application de mesures de résolution ou l'exercice de pouvoirs de résolution n'est pas subordonné :
   1° à l'approbation de toute personne publique ou privée, y inclus l'organe légal d'administration ou l'assemblée générale des actionnaires de l'établissement de crédit ou d'une quelconque tierce partie autre que l'entité réceptrice, nonobstant toute disposition légale, statutaire ou contractuelle contraire ;
   2° au respect de quelconques exigences de procédure en vertu de la législation économique, sur les sociétés ou sur les valeurs mobilières autres que celles résultant de dispositions obligatoires de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ceux-ci.]1

  § 2. L'autorité de résolution notifie au ministre des Finances toute décision de disposition qu'elle envisage de prendre. Le ministre peut s'y opposer dans un délai de quarante-huit heures s'il considère que l'acte envisagé a un impact fiscal direct ou des implications systémiques.
  
Art.269. § 1. [2 Bij de toepassing van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden, mag de afwikkelingsautoriteit de overdrachtsbevoegdheid meerdere malen uitoefenen om aanvullende overdrachten van aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen aan de ontvanger te verrichten.]2
  § 2. Onder de voorwaarden bepaald door de Koning op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de afwikkelingsautoriteit de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die aan een ontvanger werden overgedragen met toepassing van een van de afwikkelingsinstrumenten bedoeld in paragraaf 1, opnieuw aan de kredietinstelling of aan hun oorspronkelijke eigenaars, naargelang het geval, doen overdragen.
  [1 § 3. Bij toepassing van de afwikkelingsinstrumenten bedoeld in paragraaf 1, en onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk VII van deze Titel, hebben aandeelhouders of schuldeisers van de kredietinstelling in afwikkeling en andere derden wier activa, rechten of verbintenissen niet zijn overgedragen, geen rechten op of met betrekking tot de overdragen activa, rechten of verbintenissen.]1
  
Art.269. § 1er. [2 Lorsqu'elle applique les mesures de résolution ou exerce les pouvoirs de résolution, l'autorité de résolution peut exercer plus d'une fois le pouvoir de transfert afin d'effectuer des transferts supplémentaires d'actions, d'autres titres de propriété, d'actifs, de droits ou d'engagements à l'entité réceptrice.]2
  § 2. Dans les conditions définies par le Roi sur avis de l'autorité de résolution, celle-ci peut ordonner que les actions, autres titres de propriété, actifs, droits ou engagements qui ont été transférés à une entité réceptrice en application de l'un des instruments de résolution visés au paragraphe 1er soient retransférés à l'établissement de crédit ou à leurs propriétaires initiaux, selon le cas.
  [1 § 3. Lorsqu'ils appliquent les instruments de résolution visés au paragraphe 1er, et sans préjudice du chapitre VII du présent titre, les actionnaires ou créanciers de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution et autres tiers dont les actifs, droits ou engagements ne sont pas transférés n'ont aucun droit sur les actifs, droits ou engagements transférés.]1
  
Art. 269/1. [1 § 1. Indien de toepassing van een afwikkelingsmaatregel leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, stellen de kandidaat-overnemers of aandeelhouders de toezichthouder daarvan in kennis zoals bepaald in artikel 46, meteen nadat zij zich van dit feit bewust zijn geworden, zelfs wanneer zij voornemens zijn het niveau van hun deelneming te verlagen zodat deze weer onder de drempelwaarde valt.
   Op basis van de kennisgeving bedoeld in artikel 46, gaat de toezichthouder zo snel mogelijk over tot de beoordeling bedoeld in artikel 48, eerste lid, om de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel niet te vertragen en om niet te verhinderen dat met deze maatregel de doelstellingen van de afwikkeling worden verwezenlijkt. De afwikkelingsautoriteit past de afwikkelingsmaatregel toe in afwachting van de beoordeling door de toezichthouder.
   § 2. De toezichthouder zendt de in paragraaf 1 bedoelde kandidaat-verwerver of aandeelhouder een geschreven ontvangstbevestiging, zo snel mogelijk na ontvangst van de kennisgeving en de informatie bedoeld in artikel 46, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in paragraaf 3 bedoelde informatie.
   § 3. De toezichthouder kan bij de kandidaat-verwerver of de aandeelhouder in geval van onvrijwillige verwerving aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is.
   § 4. Voor het verrichten van de in artikel 48, lid 1 bedoelde beoordeling, is de samenwerking en informatie-uitwisseling als bedoeld in artikel 49 van toepassing.
   § 5. De toezichthouder neemt zo snel mogelijk een gemotiveerd besluit en brengt dit ter kennis van (i) de in paragraaf 1 bedoelde kandidaat-verwerver of aandeelhouder en (ii) de afwikkelingsautoriteit. Het verzet van de toezichthouder mag enkel berusten op gegronde redenen om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 18, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver of aandeelhouder niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te waarborgen.]1

  
Art. 269/1. [1 § 1er. Si l'application d'une mesure de résolution aboutit à l'acquisition d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit ou à l'augmentation d'une telle participation faisant atteindre ou dépasser l'un des seuils prévus à l'article 46, les candidats acquéreurs ou les actionnaires concernés en informent l'autorité de contrôle conformément à l'article 46 immédiatement après en avoir eu connaissance, même s'ils ont l'intention de diminuer le niveau de leur participation afin qu'il retombe en dessous du seuil de référence.
   L'autorité de contrôle procède à l'évaluation visée à l'article 48, alinéa 1er sur la base de la notification visée à l'article 46 et dans les plus brefs délais de manière à ne pas retarder la mise en oeuvre de la mesure de résolution et à ne pas empêcher ladite mesure d'atteindre les objectifs de la résolution. L'autorité de résolution applique la mesure de résolution en attendant l'évaluation par l'autorité de contrôle.
   § 2. L'autorité de contrôle envoie dans les meilleurs délais après réception de la notification et des informations visées à l'article 46, ainsi que de toute réception ultérieure des informations visées au paragraphe 3, un accusé de réception écrite au candidat acquéreur ou à l'actionnaire visés au paragraphe 1er.
   § 3. L'autorité de contrôle peut demander au candidat acquéreur ou à l'actionnaire en cas d'acquisition involontaire un complément d'information nécessaire pour mener à bien l'évaluation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires.
   § 4. Aux fins de l'évaluation visée à l'article 48, alinéa 1er, la coopération et l'échange d'informations visés à l'article 49 s'appliquent.
   § 5. L'autorité de contrôle prend une décision motivée dans les meilleurs délais et la notifie (i) au candidat acquéreur ou à l'actionnaire visés au paragraphe 1er et (ii) à l'autorité de résolution. L'objection de l'autorité de contrôle ne peut être fondée que sur des raisons fondées de supposer, sur la base des critères de l'article 18, alinéa 2, que le candidat acquéreur ou l'actionnaire n'est pas apte à garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit.]1

  
Art.270. Onverminderd artikel 278 en de bepalingen van Hoofdstuk VII en niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling, kunnen de overdrachten bevolen door de afwikkelingsautoriteit [1 ...]1 geen wijziging tot gevolg hebben van de bepalingen van overeenkomsten met betrekking tot de overgedragen activiteiten, of een einde stellen aan dergelijke overeenkomsten, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen, de uitvoering ervan op te schorten, over te gaan tot schuldvergelijking van de daaruit voortvloeiende vorderingen en schulden of ontbindende voorwaarden of verval van de termijnbepaling in te roepen.
  
Art.270. Sans préjudice de l'article 278 et des dispositions du Chapitre VII et nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les transferts ordonnés par l'autorité de résolution [1 ...]1 ne peuvent avoir pour effet de modifier les termes de conventions afférentes aux activités transférées, ou de mettre fin à de telles conventions, ni de donner à aucune partie le droit de les résilier unilatéralement, d'en suspendre l'exécution, de procéder à une compensation des créances et dettes qui en découlent ou d'invoquer des conditions résolutoires ou de déchéance du terme.
  
Art.271. De ontvanger wordt geacht de voortzetting te zijn van de kredietinstelling en mag alle rechten blijven uitoefenen die door de kredietinstelling werden uitgeoefend met betrekking tot de overgedragen activa, rechten of verbintenissen, inclusief de rechten van lidmaatschap van en toegang tot betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen, tot gereglementeerde markten en tot beleggerscompensatiestelsels en depositogarantiestelsels.
  De toegang tot de in het eerste lid bedoelde systemen en markten mag de ontvanger niet worden geweigerd omdat hij niet over een rating van een kredietratingbureau beschikt, of omdat die rating niet overeenstemt met de ratingniveaus die zijn vereist om toegang tot de betreffende systemen en markten te krijgen.
  Indien de ontvanger niet voldoet aan de lidmaatschaps- of deelnemingscriteria van een betalings-, clearing- of afwikkelingssysteem, een gereglementeerde markt of een depositogarantiestelsel, bepaalt de afwikkelingsautoriteit de overgangsperiode tijdens dewelke hij de rechten bedoeld in het eerste lid kan uitoefenen. Deze periode mag niet langer zijn dan 24 maanden doch kan door de afwikkelingsautoriteit worden verlengd op verzoek van de ontvanger.
Art.271. L'entité réceptrice est réputée constituer une continuation de l'établissement de crédit et peut continuer d'exercer tout droit qu'exerçait cet établissement à l'égard des actifs, droits ou engagements transférés, y compris les droits conférés par la qualité de membre et l'accès aux systèmes de paiement, de compensation et de règlement, aux marchés réglementés et aux systèmes d'indemnisation des investisseurs et de garantie des dépôts.
  L'accès aux systèmes et marchés visés à l'alinéa 1er ne peut pas être refusé à l'entité réceptrice au motif que celle-ci ne dispose pas d'une notation émise par une agence de notation de crédit ou que sa notation ne correspond pas au niveau requis pour se voir accorder l'accès aux systèmes et marchés en question.
  Lorsque l'entité réceptrice ne remplit pas les critères pour être membre d'un système de paiement, de compensation et de règlement, d'un marché réglementé ou d'un système de garantie des dépôts ou pour y participer, l'autorité de résolution définit la période transitoire durant laquelle elle peut exercer les droits visés à l'alinéa 1er. Cette période ne peut excéder 24 mois mais peut être prolongée par l'autorité de résolution à la demande de l'entité réceptrice.
Art.272. § 1. [1 De afwikkelingsautoriteit en het Afwikkelingsfonds kunnen redelijke uitgaven die zij rechtmatig hebben gedaan bij het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten, bij de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden, bij de interventies van het Afwikkelingsfonds of bij het gebruik van overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie, verhalen op een of meer van de volgende wijzen :]1
  1° van de kredietinstelling in afwikkeling;
  2° door het bedrag af te houden op de vergoedingen die een ontvanger aan de kredietinstelling of, in voorkomend geval, aan de eigenaars van aandelen of andere eigendomsinstrumenten betaalt;
  3° door het bedrag af te houden op de opbrengsten die voortvloeien uit de beëindiging van de activiteiten van de overbruggingsinstelling of van het vehikel voor activabeheer.
  § 2. [1 De vorderingen van de afwikkelingsautoriteit en het Afwikkelingsfonds ten aanzien van de kredietinstelling voor kosten die zij hebben opgelopen in het kader van de procedure voor de afwikkeling van een kredietinstelling, zijn bevoorrecht op alle roerende goederen van deze kredietinstelling.]1
  Het in het eerste lid bedoelde voorrecht neemt rang onmiddellijk na het voorrecht bepaald in artikel 19, 1° van de hypotheekwet van 16 december 1851.
  
Art.272. § 1er. [1 L'autorité de résolution et le Fonds de résolution peuvent recouvrer toute dépense raisonnable qu'ils ont exposée à bon escient en liaison avec l'application des instruments de résolution, avec l'exercice des pouvoirs de résolution, avec les interventions du Fonds de résolution ou avec l'application des instruments de stabilisation financière de l'Etat, selon une ou plusieurs des modalités suivantes :]1
  1° auprès de l'établissement de crédit soumis à la procédure de résolution;
  2° en déduction de toute contrepartie payée par une entité réceptrice à l'établissement de crédit ou aux propriétaires des actions ou autres titres de propriété, selon le cas; ou
  3° en déduction de tout produit qui résulte de la cessation des activités de l'établissement-relais ou de la structure de gestion des actifs.
  § 2. [1 Les créances de l'autorité de résolution et du Fonds de résolution sur l'établissement de crédit pour les frais encourus par ceux-ci dans le contexte de la procédure de résolution de la défaillance d'un établissement de crédit sont privilégiées sur la généralité des biens meubles de celui-ci.]1
  Le privilège visé à l'alinéa 1er prend rang immédiatement après le privilège prévu à l'article 19, 1°, de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.
  
Art.273. § 1. Elke kredietinstelling die is onderworpen aan de toepassing van een afwikkelingsinstrument of waarvoor de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, kan enkel failliet worden verklaard op verzoek of met toestemming van de afwikkelingsautoriteit.
  § 2. De griffie van [1 de bevoegde insolventierechtbank]1 stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis van elke aanvraag tot opening van een faillissementsprocedure met betrekking tot een kredietinstelling.
  Over een dergelijke aanvraag kan enkel worden beslist indien de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig het eerste lid in kennis werd gesteld en indien, binnen een termijn van zeven dagen na deze kennisgeving, de afwikkelingsautoriteit [1 de bevoegde insolventierechtbank]1 niet heeft gemeld dat zij een afwikkelingsinstrument toepast op de betreffende kredietinstelling of oordeelt dat de kredietinstelling voldoet aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure.
  
Art.273. § 1er. Tout établissement de crédit soumis à l'application d'un instrument de résolution ou pour lequel l'autorité de résolution considère que les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution visées à l'article 244, § 1er, sont remplies, ne peut être déclaré en faillite qu'à la demande ou avec l'accord de l'autorité de résolution.
  § 2. Le greffe du [1 tribunal de l'insolvabilité]1 compétent informe sans délai l'autorité de résolution de toute demande d'ouverture d'une procédure de faillite à l'égard d'un établissement de crédit.
  Il ne peut être statué sur une telle demande que si l'autorité de résolution a été informée conformément à l'alinéa 1er et si, dans un délai de sept jours suivant cette notification, l'autorité de résolution n'a pas informé le [1 tribunal de l'insolvabilité]1 compétent qu'elle a mis en oeuvre un instrument de résolution à l'égard de l'établissement de crédit en question ou qu'elle considère que celui-ci remplit les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution.
  
Art. 273/1. [1 Onverminderd een krachtens artikel 280, § 1, 2° opgelegde maatregel, kan de afwikkelingsautoriteit de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt verzoeken om gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstellingen passende termijn opschorting te verlenen van een gerechtelijke maatregel of procedure waarbij een kredietinstelling in afwikkeling partij is of wordt, indien zulks voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden noodzakelijk is.]1
  
Art. 273/1. [1 Sans préjudice d'une mesure imposée en vertu de l'article 280, § 1er, 2°, l'autorité de résolution peut demander au tribunal saisi, si cela est nécessaire à la bonne application des instruments et des pouvoirs de résolution, de surseoir à statuer pour une période appropriée conformément à l'objectif poursuivi, dans toute action ou procédure judiciaire à laquelle un établissement de crédit faisant l'objet de la résolution est ou devient partie.]1
  
Art.274. De daden van beschikking bevolen door de afwikkelingsautoriteit in het kader van een afwikkelingsmaatregel kunnen niet op grond van [1 de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht]1 of artikel [2 5.243]2 van het Burgerlijk Wetboek niet-tegenstelbaar worden verklaard aan de schuldeisers.
  
Art.274. Les actes de disposition ordonnés par l'autorité de résolution dans le cadre d'une mesure de résolution ne peuvent être tenus inopposables aux créanciers en vertu [1 des articles XX.111, XX.112 ou XX.114 du Code de droit économique]1 ou de l'article [2 5.243]2 du Code civil.
  
HOOFDSTUK VI. - Afwikkelingsbevoegdheden
CHAPITRE VI. - Pouvoirs de résolution
Afdeling I. - Algemene bevoegdheden
Section Ire. - Pouvoirs généraux
Art.276. § 1. De afwikkelingsautoriteit kan van een kredietinstelling, indien nodig door inspecties ter plaatse, eisen dat zij alle informatie overlegt die de afwikkelingsautoriteit nodig heeft om te beslissen over een afwikkelingsmaatregel of om haar bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten uit te oefenen.
  § 2. Zodra de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling voldoet aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, heeft zij de volgende afwikkelingsbevoegdheden die zij, met inachtneming van artikel 255, § 3, tweede lid, afzonderlijk of in combinatie met elkaar kan uitoefenen :
  1° de bevoegdheid om de controle over de kredietinstelling over te nemen en alle rechten en bevoegdheden van de algemene vergadering van aandeelhouders en van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling uit te oefenen, overeenkomstig artikel 281;
  2° de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van door de kredietinstelling uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan een overnemer of een overbruggingsinstelling, met diens toestemming, overeenkomstig artikel 256 of 260;
  3° de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van alle of een deel van de rechten, activa en verbintenissen van de kredietinstelling aan een ontvanger, met diens toestemming, overeenkomstig artikel 256, 260 of 265;
  4° de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van alle of een deel van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling aan een derde, overeenkomstig artikel 261;
  [1 4° /1 de bevoegdheid om de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot [3 bail-inbare schulden]3 van een kredietinstelling (tot nul) te verlagen;
   4° /2 de bevoegdheid om de [3 bail-inbare schulden]3 van een kredietinstelling om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van die kredietinstelling, haar moederonderneming of een overbruggingsinstelling;
   4° /3 de bevoegdheid om door een kredietinstelling uitgegeven schuldinstrumenten in te trekken, tenzij het gaat om door zekerheid gedekte verplichtingen als bedoeld in artikel 242, 10°, b);
   4° /4 de bevoegdheid om de looptijd van de schuldinstrumenten en andere [3 bail-inbare schulden]3 van een kredietinstelling te wijzigen of het bedrag van de in het kader van deze schuldinstrumenten en [3 bail-inbare schulden]3 verschuldigde rente of de datum waarop de rente moet worden betaald te wijzigen, met inbegrip van een tijdelijke opschorting van betaling, tenzij het gaat om door zekerheid gedekte verplichtingen als bedoeld in artikel 242, 10°, b);
   4° /5 de bevoegdheid om [2 financiële contracten of]2 derivatencontracten overeenkomstig artikel 267/9 te vereffenen of te beëindigen;]1

  5° de bevoegdheid om de nominale waarde van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten van een kredietinstelling te verminderen of tot nul te herleiden en deze aandelen of andere eigendomsinstrumenten te vernietigen;
  6° de bevoegdheid om een kredietinstelling of haar moederonderneming te verplichten tot uitgifte van nieuwe aandelen, andere eigendomsinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten, met inbegrip van preferente aandelen en voorwaardelijk converteerbare instrumenten, overeenkomstig de artikelen 232, tweede lid, 10° en 254, § 1;
  7° de bevoegdheid om de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de effectieve leiding van de kredietinstelling uit hun functies te ontheffen of te vervangen; en
  8° [1 de bevoegdheid om de toezichthouder opdracht te geven de verwerver van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling tijdig en in overeenstemming met artikel 259, § 1 en artikel 267/7, § 4 te beoordelen, in voorkomend geval in afwijking van de in de artikelen 47 en 48 vastgestelde termijnen.]1
  
Art.276. § 1er. L'autorité de résolution peut exiger de tout établissement de crédit, si nécessaire au moyen d'inspections sur place, qu'il fournisse les informations requises pour que l'autorité de résolution puisse décider de l'adoption d'une mesure de résolution ou exercer son pouvoir de dépréciation ou de conversion d'instruments de fonds propres.
  § 2. Dès qu'elle a déterminé qu'un établissement de crédit remplit les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution visées à l'article 244, § 1er, l'autorité de résolution dispose des pouvoirs de résolution suivants, qu'elle peut exercer séparément ou conjointement, sous réserve de l'article 255, § 3, alinéa 2 :
  1° le pouvoir de prendre le contrôle de l'établissement de crédit et d'exercer tous les droits et pouvoirs conférés à l'assemblée générale de ses actionnaires et à son organe légal d'administration, conformément à l'article 281;
  2° le pouvoir d'ordonner le transfert à un repreneur ou un établissement-relais, avec l'accord de celui-ci, des actions ou autres titres de propriété émis par l'établissement de crédit, conformément à l'article 256 ou 260;
  3° le pouvoir d'ordonner le transfert à une entité réceptrice, avec l'accord de celle-ci, de tout ou partie des droits, actifs ou engagements de l'établissement de crédit, conformément à l'article 256, 260 ou 265;
  4° le pouvoir d'ordonner le transfert de tout ou partie des actions, autres titres de propriété, actifs, droits ou engagements de l'établissement-relais à une tierce partie, conformément à l'article 261;
  [1 4° /1 le pouvoir de réduire, y compris jusqu'à zéro, le principal ou l'encours exigible des [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 d'un établissement de crédit;
   4° /2 le pouvoir de convertir les [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 d'un établissement de crédit en actions ou autres titres de propriété de cet établissement de crédit, de son entreprise-mère ou d'un établissement-relais;
   4° /3 le pouvoir d'annuler les instruments de dette émis par un établissement de crédit, à l'exception des engagements garantis visés à l'article 242, 10°, b);
   4° /4 le pouvoir de modifier l'échéance des instruments de dette et des autres [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 d'un établissement de crédit, le montant des intérêts payables au titre de ces instruments de dette et [3 dettes utilisables pour un renflouement interne]3 ou la date d'exigibilité des intérêts, y compris en suspendant provisoirement les paiements, à l'exception des engagements garantis visés à l'article 242, 10°, b);
   4° /5 le pouvoir de liquider ou de résilier [2 des contrats financiers ou]2 des contrats de produits dérivés conformément à l'article 267/9;]1

  5° le pouvoir de réduire, y compris jusqu'à zéro, la valeur nominale des actions ou autres titres de propriété d'un établissement de crédit ou d'annuler ces actions ou autres titres de propriété;
  6° le pouvoir d'exiger d'un établissement de crédit ou de son entreprise-mère qu'il émette de nouvelles actions ou de nouveaux autres titres de propriété ou autres instruments de fonds propres, y compris des actions préférentielles et des instruments convertibles conditionnels, conformément aux articles 232, alinéa 2, 10°, et 254, § 1er;
  7° le pouvoir de révoquer ou de remplacer les membres de l'organe légal d'administration et de la direction effective de l'établissement de crédit; et
  8° [1 le pouvoir d'exiger de l'autorité de contrôle qu'elle évalue l'acquéreur d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit en temps utile conformément à l'article 259, § 1er et à l'article 267/7, § 4, le cas échéant, par dérogation aux délais prévus aux articles 47 et 48.]1
  
Afdeling II. - Aanvullende bevoegdheden
Section II. - Pouvoirs auxiliaires
Art.277. Met inachtneming van de beperkingen bepaald in Hoofdstuk VII, beschikt de afwikkelingsautoriteit, in het kader van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, over de bevoegdheid om :
  1° maatregelen te nemen om overgedragen aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen vrij te maken van rechten of zekerheden;
  2° rechten op te heffen van aandeelhouders of derden om aandelen of andere eigendomsinstrumenten uitgegeven door de kredietinstelling te verwerven;
  3° [1 de betrokken autoriteit op te dragen om de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of de officiële notering van financiële instrumenten uitgegeven door een kredietinstelling in te trekken of op te schorten;]1
  [1 3° /1 de betrokken autoriteit op te dragen om nieuw uitgegeven financiële instrumenten toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of een officiële notering;
   3° /2 de betrokken autoriteit op te dragen om afgeschreven financiële instrumenten van een kredietinstelling opnieuw toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of een officiële notering, zonder dat een prospectus moet worden uitgegeven;]1

  4° maatregelen te nemen opdat de ontvanger wordt behandeld als de kredietinstelling voor de uitoefening van haar rechten en verplichtingen, met inbegrip van rechten of verplichtingen verbonden aan de deelneming in een marktinfrastructuur;
  5° de kredietinstelling of de ontvanger te verplichten de andere partij informatie en bijstand te verstrekken;
  6° de bedingen van een overeenkomst waarbij de kredietinstelling partij is, te annuleren of te wijzigen;
  7° alle nodige en nuttige maatregelen te nemen om de continuïteit van de door de kredietinstelling aangegane overeenkomsten te verzekeren overeenkomstig artikel 270, en om de ontvanger toe te laten de rechten en verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten en financiële instrumenten verbonden aan de activiteiten die hem werden overgedragen, volledig uit te oefenen; en
  8° te bevelen dat de ontvanger de kredietinstelling vervangt als partij bij de overeenkomsten en financiële instrumenten verbonden aan de activiteiten die hem werden overgedragen, en in elke gerechtelijke procedure betreffende enige overgedragen activa of passiva, overeenkomsten of rechten of verbintenissen.
  
Art.277. Sous réserve des restrictions prévues au Chapitre VII, l'autorité de résolution dispose, dans le cadre de l'exercice des pouvoirs de résolution, du pouvoir :
  1° de prendre des mesures en vue de libérer de tout engagement ou de toute sûreté les actions, autres titres de propriété, actifs, droits ou engagements transférés;
  2° de supprimer les droits d'acquisition d'actionnaires ou de tiers sur des actions ou autres titres de propriété émis par l'établissement de crédit;
  3° [1 d'exiger de l'autorité concernée qu'elle retire ou suspende l'admission à la négociation sur un marché réglementé ou à la cote officielle des instruments financiers émis par l'établissement de crédit ;]1
  [1 3° /1 d'exiger de l'autorité concernée qu'elle admette des instruments financiers nouvellement émis à la négociation sur un marché réglementé ou à la cote officielle ;
   3° /2 d'exiger de l'autorité concernée qu'elle réadmette à la négociation sur un marché réglementé ou à la cote officielle des instruments financiers d'un établissement de crédit dépréciés, sans obligation de publier un prospectus ;]1

  4° de prendre des mesures pour que l'entité réceptrice soit traitée comme si elle était l'établissement de crédit aux fins de l'exercice des droits ou obligations de celui-ci, en ce compris tout droit ou obligation lié à la participation à une infrastructure de marché;
  5° d'imposer à l'établissement de crédit ou à l'entité réceptrice de fournir à l'autre partie des informations et une assistance;
  6° d'annuler ou de modifier les clauses d'un contrat auquel l'établissement de crédit est partie;
  7° de prendre toute mesure nécessaire ou utile en vue de garantir la continuité des contrats conclus par l'établissement de crédit conformément à l'article 270 et de permettre à l'entité réceptrice de pleinement exercer les droits et obligations afférents aux contrats et instruments financiers liés aux activités qui lui ont été transférés; et
  8° d'ordonner que l'entité réceptrice soit substituée à l'établissement de crédit en tant que partie aux contrats et instruments financiers liés aux activités qui lui ont été transférées et à toute procédure judiciaire concernant l'un des actifs ou passifs, contrats ou droits ou obligations transférés.
  
Art.278. De bevoegdheden bedoeld in artikel 277 doen geen afbreuk :
  1° aan het recht van een werknemer van de kredietinstelling om zijn arbeidscontract te beëindigen;
  2° onder voorbehoud van artikel 280, § 1, aan het recht van een partij bij een overeenkomst om rechten op grond van de overeenkomst uit te oefenen, met inbegrip van het recht tot beëindiging, wegens een handeling of nalatigheid van de kredietinstelling vóór de overdracht of van de ontvanger na de overdracht.
Art.278. Les pouvoirs visés à l'article 277 ne portent pas atteinte :
  1° au droit d'un travailleur de l'établissement de crédit de résilier son contrat de travail;
  2° sous réserve de l'article 280, § 1er, au droit d'une partie à un contrat d'exercer les droits prévus par celui-ci, y compris le droit de résiliation, en raison d'un acte ou d'une omission commis soit par l'établissement de crédit avant le transfert, soit par l'entité réceptrice après le transfert.
Afdeling III. - Bevoegdheid om het verstrekken van diensten en faciliteiten op te leggen
Section III. - Pouvoir d'imposer la fourniture de services et d'infrastructures
Art.279. § 1. Onder voorbehoud van de beperkingen bepaald in Hoofdstuk VII, mag de afwikkelingsautoriteit, in het kader van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, de kredietinstelling of een enige entiteit van haar groep ertoe verplichten om aan de ontvanger alle diensten en operationele faciliteiten, met uitzondering van elke vorm van financiële bijstand, te verstrekken die nodig zijn om hem in staat te stellen de aan hem overgedragen activiteiten effectief uit te oefenen.
  [1 De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de nakoming af te dwingen van de verplichtingen die met toepassing van artikel 65, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU door afwikkelingsautoriteiten in andere lidstaten zijn opgelegd aan in België gevestigde groepsentiteiten.]1
  § 2. Indien de diensten en faciliteiten bedoeld in paragraaf 1 in het kader van een overeenkomst aan de kredietinstelling werden verstrekt onmiddellijk voordat de afwikkelingsmaatregel is genomen, verstrekt de kredietinstelling deze diensten en faciliteiten onder dezelfde voorwaarden en voor de duur van die overeenkomst. Bij gebrek daaraan verstrekt zij deze onder redelijke voorwaarden.
  § 3. De afwikkelingsautoriteit kan de minimumlijst van diensten en operationele faciliteiten nader bepalen die nodig zijn om de ontvanger in staat te stellen de aan hem overgedragen activiteiten uit te oefenen.
  
Art.279. § 1er. Sous réserve des restrictions prévues au Chapitre VII, l'autorité de résolution peut, dans le cadre de l'exercice des pouvoirs de résolution, imposer à l'établissement de crédit ou à toute entité de son groupe de fournir à l'entité réceptrice tous services et infrastructures d'exploitation, à l'exclusion de toute forme de soutien financier, qui lui sont nécessaires pour exercer effectivement les activités qui lui ont été transférées.
  [1 L'autorité de résolution dispose du pouvoir de faire respecter par les entités du groupe établies en Belgique les obligations imposées, en vertu de l'article 65, paragraphe 1 de la directive 2014/59/UE, par les autorités de résolution d'autres Etats membres.]1
  § 2. Si les services et infrastructures visés au paragraphe 1er étaient fournis à l'établissement de crédit aux termes d'un contrat immédiatement avant que la mesure de résolution n'ait été prise, l'établissement de crédit fournit ces services et infrastructures aux mêmes conditions et pour la durée de ce contrat. A défaut, il les fournit à des conditions raisonnables.
  § 3. L'autorité de résolution peut préciser la liste minimale des services ou infrastructures d'exploitation nécessaires pour permettre à l'entité réceptrice d'exercer les activités qui lui ont été transférées.
  
Afdeling IV. - Bevoegdheid om [1 betalings- en leveringsverplichtingen]1 op te schorten, de tegenstelbaarheid van zekerheidsrechten te beperken en beëindigingsrechten op te schorten
Section IV. - Pouvoir de suspendre [1 des obligations de paiement et de livraison]1, de restreindre l'opposabilité des sûretés et de suspendre les droits de résiliation
Art.280. § 1. Onder voorbehoud van de beperkingen bepaald in Hoofdstuk VII, kan de afwikkelingsautoriteit, in het kader van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden :
  1° elke betalings- of leveringsverplichting ingevolge een overeenkomst waarbij de kredietinstelling partij is, opschorten vanaf de bekendmaking vereist door artikel 295, 1° tot middernacht op de werkdag volgend op die bekendmaking, met dien verstande dat de betalings- of leveringsverplichtingen van de tegenpartijen van de kredietinstelling ingevolge dezelfde overeenkomst voor dezelfde periode worden opgeschort;
  2° het recht van schuldeisers van de kredietinstelling tot uitwinning van hun zekerheden te beperken voor de duur bepaald in 1° ;
  3° de beëindigingsrechten van een partij bij een overeenkomst met de kredietinstelling of, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, met een dochteronderneming van de kredietinstelling, opschorten voor de duur bepaald in 1° [1 , voor zover de essentiële verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst, inzonderheid de betalings- en leveringsverplichtingen en de zekerheidsstelling, verder worden nageleefd]1.
  § 2. [3 Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 1°, zijn niet van toepassing op betalings- en leveringsverplichtingen ten aanzien van betalings- of leveringsverplichtingen aan systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, aan overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en aan centrale banken.]3
  § 3. [3 De bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 2°, kan niet worden uitgeoefend met betrekking tot een zekerheidsrecht van systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, jegens overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en jegens centrale banken wat betreft activa die bij wijze van margestorting of zekerheid verstrekt zijn.]3
  § 4. [3 Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 3°, zijn niet van toepassing ten aanzien van de systemen en de entiteiten bedoeld in paragraaf 2.]3
  [2 § 5. In geval van opschorting uit hoofde van paragraaf 1, 3° kan een beëindigingsrecht worden uitgeoefend voor het einde van de termijn bepaald in paragraaf 1, 1° indien de afwikkelingsautoriteit een bericht heeft bekendgemaakt dat de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen niet aan een andere entiteit worden overgedragen, of dat deze, bij toepassing van het instrument van interne versterking op grond van artikel 267/1, § 1, 1°, niet aan afschrijving of omzetting onderworpen zijn.
   § 6. Indien de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 3° uitoefent en geen bericht heeft bekendgemaakt als bedoeld in paragraaf 5, mogen de beëindigingsrechten na afloop van de termijn bedoeld in paragraaf 1, 1° als volgt worden uitgeoefend :
   1° indien de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen aan een andere entiteit zijn overgedragen, mag een tegenpartij die beëindigingsrechten alleen uitoefenen indien zich aan de zijde van de ontvanger een afdwingingsgrond blijft voordoen of zich later voordoet;
   2° indien de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen bij de kredietinstelling in afwikkeling blijven en de afwikkelingsautoriteit ten aanzien van deze instelling niet overeenkomstig artikel 267/1, § 1, 1° het instrument van interne versterking op dat contract heeft toegepast, kan een tegenpartij bij het verstrijken van de opschorting beëindigingsrechten uitoefenen volgens de voorwaarden van die overeenkomst.]2

  [3 § 7. De afwikkelingsautoriteit bepaalt de reikwijdte van de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 1°, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteit gaat met name zorgvuldig na of de uitbreiding van de opschorting tot in aanmerking komende deposito's, en in het bijzonder gewaarborgde deposito's, passend is.
   Indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende deposito's, en in het bijzonder gewaarborgde deposito's, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.]3

  
Art.280. § 1er. Sous réserve des restrictions prévues au Chapitre VII, l'autorité de résolution peut, dans le cadre de l'exercice des pouvoirs de résolution :
  1° suspendre toute obligation de paiement ou de livraison découlant d'un contrat auquel l'établissement de crédit est partie, à compter de la publication requise par l'article 295, 1°, jusqu'à minuit le jour ouvrable suivant ladite publication, étant entendu que les obligations de paiement ou de livraison des contreparties de l'établissement de crédit en vertu du même contrat sont suspendues pour la même durée;
  2° restreindre le droit des créanciers de l'établissement de crédit de faire valoir des sûretés pour la durée définie au 1° ;
  3° suspendre les droits de résiliation de toute partie à un contrat conclu avec l'établissement de crédit ou, aux conditions déterminées par le Roi, avec une filiale de celui-ci, pour la durée définie au 1° [1 , pour autant que les obligations essentielles au titre du contrat, notamment les obligations de paiement et de livraison, ainsi que la fourniture d'une garantie, continuent d'être assurées]1.
  § 2. [3 Aucune suspension décidée en vertu du paragraphe 1er, 1°, , ne s'applique aux obligations de paiement et de livraison dans les systèmes ou dues aux opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE, aux contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 et à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 et aux banques centrales.]3
  § 3. [3 Le pouvoir visé au paragraphe 1er, 2°, ne peut être exercé à l'égard d'une sûreté de systèmes ou opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE, à l'égard de contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 et à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 et à l'égard de banques centrales en ce qui concerne des actifs fournis à titre de marge ou de garantie.]3
  § 4. [3 Aucune suspension décidée en vertu du paragraphe 1er, 3°, ne s'applique aux systèmes et entités visés au paragraphe 2.]3
  [2 § 5. En cas de suspension découlant du paragraphe 1er, 3°, un droit de résiliation peut être exercé avant la fin de la période visée au paragraphe 1er, 1°, si l'autorité de résolution a publié un avis selon lequel les droits et engagements couverts par le contrat ne sont pas transférés à une autre entité, ou selon lequel ils ne sont pas soumis à dépréciation ou conversion sur application de l'instrument de renflouement interne en vertu de l'article 267/1, § 1er, 1°.
   § 6. Lorsque l'autorité de résolution exerce le pouvoir visé au paragraphe 1er, 3°, et en l'absence d'avis au titre du paragraphe 5, les droits de résiliation peuvent être exercés à l'expiration de la période visée au paragraphe 1er, 1°, dans les conditions suivantes :
   1° si les droits et obligations couverts par le contrat ont été transférés à une autre entité, une contrepartie ne peut exercer ces droits de résiliation que lors de la poursuite ou de la survenance ultérieure d'un fait entraînant l'exécution à l'encontre de l'entité réceptrice;
   2° si l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution conserve les droits et obligations couverts par le contrat, et que l'autorité de résolution n'a pas appliqué à ce contrat l'instrument de renflouement interne conformément à l'article 267/1, § 1er, 1°, une contrepartie peut exercer les droits de résiliation conformément aux clauses de ce contrat à l'expiration de la période de suspension.]2

  [3 § 7. L'autorité de résolution détermine le champ d'application du pouvoir visé au paragraphe 1er, 1°, eu égard aux circonstances propres à chaque cas. En particulier, l'autorité de résolution apprécie soigneusement l'opportunité d'étendre la suspension aux dépôts éligibles et en particulier aux dépôts assurés.
   Lorsque le pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison est exercé à l'égard de dépôts éligibles, et en particulier à l'égard des dépôts assurés, les autorités de résolution veillent à ce que les déposants aient accès à un montant quotidien approprié au titre de ces dépôts.]3

  
Art. 280/1. [1 § 1. De kredietinstellingen en de entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, nemen in ieder financieel contract dat onder het recht van een derde land valt, een contractuele bepaling op dat het financieel contract onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 244/2 en 280, en erkennen dat zij gebonden zijn aan de vereisten van artikel 287.
   § 2. Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit kan de Koning eisen dat EER-moederondernemingen ervoor zorgen dat hun dochterondernemingen in derde landen in de in paragraaf 1 bedoelde financiële contracten bepalingen opnemen die uitsluiten dat de uitoefening door de afwikkelingsautoriteit van de bevoegdheid tot opschorting of tot beperking van rechten en verplichtingen van de EER-moederonderneming overeenkomstig paragraaf 1, een geldige reden vormt voor vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot die contracten. Dit besluit bepaalt tevens ten aanzien van welke dochterondernemingen in derde landen dit vereiste geldt.
   § 3. Paragraaf 1 geldt voor elk financieel contract dat:
   1° een nieuwe verplichting creëert, of een bestaande verplichting wezenlijk verandert na inwerkingtreding van de Belgische wet tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG, en
   2° voorziet in de uitoefening van een of meer beëindigingsrechten of rechten tot tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten waarop artikel 244/2, 280 of 287 van toepassing zou zijn indien het financiële contract onder Belgisch recht zou vallen.
   § 4. Indien een kredietinstelling of entiteit de krachtens paragraaf 1 vereiste contractuele bepaling niet opneemt, belet dat de afwikkelingsautoriteit niet de in de artikelen 244/2, 280 of 287 bedoelde bevoegdheden toe te passen met betrekking tot dat financiële contract.]1

  
Art. 280/1. [1 § 1er. Les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, insèrent dans tout contrat financier qu'ils concluent et qui relève du droit d'un pays tiers des clauses en vertu desquelles les parties reconnaissent que le contrat financier peut être soumis à l'exercice des pouvoirs dont dispose l'autorité de résolution de suspendre ou restreindre des droits et obligations en vertu des articles 244/2 et 280, et acceptent d'être liées par les exigences prévues à l'article 287.
   § 2. Par arrêté pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut exiger que les entreprises mères dans l'EEE veillent à ce que leurs filiales établies dans un pays tiers insèrent, dans les contrats financiers visés au paragraphe 1er, des clauses excluant que l'exercice du pouvoir de l'autorité de résolution de suspendre ou restreindre des droits et obligations de l'entreprise mère dans l'EEE, conformément au paragraphe 1er, constitue un motif valide d'exercer tout droit de résiliation anticipée, de suspension, de modification, de compensation ou de compensation réciproque ou d'exécution de sûretés sur ces contrats. Cet arrêté détermine également à l'égard de quelles filiales de pays tiers cette exigence s'applique.
   § 3. Le paragraphe 1er s'applique à tout contrat financier qui :
   1° crée une nouvelle obligation, ou modifie substantiellement une obligation existante après l'entrée en vigueur de la loi belge assurant la transposition la Directive (UE) 2019/879 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019 modifiant la Directive 2014/59/UE en ce qui concerne la capacité d'absorption des pertes et de recapitalisation des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et la Directive 98/26/CE, et
   2° prévoit l'exercice d'un ou de plusieurs droits de résiliation ou droits d'exécution de sûretés auxquels l'article 244/2, 280 ou 287 s'appliquerait si le contrat financier était régi par le droit belge.
   § 4. Lorsqu'un établissement de crédit ou une entité n'inclut pas la clause contractuelle requise en vertu du paragraphe 1er, cela n'empêche pas l'autorité de résolution d'appliquer les pouvoirs visés aux articles 244/2, 280 ou 287 à l'égard du contrat financier concerné.]1

  
Afdeling V. - Uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden
Section V. - Exercice des pouvoirs de résolution
Art.281. § 1. Teneinde een of meer afwikkelingsmaatregelen te nemen, kan de afwikkelingsautoriteit controle uitoefenen over de kredietinstelling die haar toelaat :
  1° te beschikken over alle bevoegdheden van de algemene vergadering van de aandeelhouders, het wettelijk bestuursorgaan en de directie van de kredietinstelling; en
  2° de activa en het patrimonium van de kredietinstelling te beheren en vervreemden.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan de in paragraaf 1 bedoelde controle rechtstreeks uitoefenen dan wel onrechtstreeks door tussenkomst van een of meer door haar aangewezen personen.
  Aldus kan de afwikkelingsautoriteit bij de kredietinstelling een bijzondere bestuurder benoemen, die beschikt over alle bevoegdheden van de algemene vergadering van de aandeelhouders, het wettelijk bestuursorgaan en de directie, en deze bevoegdheden uitoefent onder het toezicht van de afwikkelingsautoriteit en binnen de grenzen die zij bepaalt.
  De opdracht van de bijzondere bestuurder bestaat erin om de afwikkelingsmaatregelen te nemen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de afwikkelingsdoelstellingen bepaald in artikel 243, en om de beslissingen van de afwikkelingsautoriteit uit te voeren.
  De duur van het mandaat van de bijzondere bestuurder mag twaalf maanden niet te boven gaan maar mag uitzonderlijk worden verlengd door de afwikkelingsautoriteit. Deze kan de bijzondere bestuurder te allen tijde ontslaan.
  § 3. De afwikkelingsautoriteit kan de afwikkelingsmaatregelen nemen hetzij via een bestuursmaatregel, hetzij door uitoefening van de controle over de kredietinstelling overeenkomstig paragraaf 1. Zij kiest de methode van geval tot geval, rekening houdend met de afwikkelingsdoelstellingen en algemene afwikkelingsbeginselen, de specifieke omstandigheden van de betrokken kredietinstelling en de noodzaak om een doeltreffende afwikkeling van grensoverschrijdende groepen te vergemakkelijken.
Art.281. § 1er. Afin de prendre une ou plusieurs mesures de résolution, l'autorité de résolution est en mesure d'exercer un contrôle sur l'établissement de crédit lui permettant :
  1° de disposer de tous les pouvoirs de l'assemblée générale des actionnaires, de l'organe légal d'administration et de la direction de l'établissement de crédit; et
  2° de gérer les actifs et le patrimoine de l'établissement de crédit, ainsi que d'en disposer.
  § 2. L'autorité de résolution peut exercer le contrôle prévu au paragraphe 1er directement ou indirectement par l'intermédiaire d'une ou plusieurs personnes qu'elle nomme.
  Ainsi, l'autorité de résolution peut nommer un administrateur spécial auprès de l'établissement de crédit qui dispose de tous les pouvoirs de l'assemblée générale des actionnaires, de l'organe légal d'administration et de la direction et exerce ces pouvoirs sous le contrôle de l'autorité de résolution et dans les limites définies par celle-ci.
  La mission de l'administrateur spécial est de mettre en oeuvre les mesures de résolution nécessaires en vue de promouvoir les objectifs de la résolution visés à l'article 243 et d'exécuter les décisions de l'autorité de résolution.
  La durée du mandat de l'administrateur spécial ne peut dépasser douze mois mais peut exceptionnellement être prolongée par l'autorité de résolution. Celle-ci peut révoquer l'administrateur spécial à tout moment.
  § 3. L'autorité de résolution peut prendre les mesures de résolution soit par voie d'ordonnance, soit en exerçant le contrôle sur l'établissement de crédit conformément au paragraphe 1er. Elle fait le choix de la méthode au cas par cas, compte tenu des objectifs de la résolution et de ses principes généraux, des circonstances propres à l'établissement de crédit concerné et de la nécessité de faciliter une résolution effective dans le cas de groupes transfrontaliers.
Afdeling VI. - [1 Bevoegdheid met betrekking tot activa, rechten, verbintenissen, aandelen en andere eigendomsinstrumenten die zich in derde landen bevinden]1
Section VI. - [1 Pouvoir concernant les actifs, droits, engagements, actions et autres titres de propriété situés dans un pays tiers]1
Art. 281/1. [1 § 1. Wanneer bij een afwikkelingsmaatregel actie wordt ondernomen ten aanzien van activa die zich in een derde land bevinden of ten aanzien van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, rechten of verbintenissen die onder het recht van een derde land vallen, kan de afwikkelingsautoriteit verlangen dat :
  1° de curator of andere persoon die zeggenschap over de kredietinstelling in afwikkeling uitoefent en de ontvanger verplicht zijn alle noodzakelijke stappen te nemen om ervoor te zorgen dat de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel van kracht wordt;
  2° de curator of andere persoon die zeggenschap over de kredietinstelling in afwikkeling uitoefent, verplicht is de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa of rechten te houden of de verbintenissen namens de ontvanger te voldoen totdat de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel van kracht wordt;
  3° de redelijke uitgaven die de ontvanger bij het uitvoeren van een overeenkomstig 1° en 2° vereiste maatregel rechtmatig heeft gemaakt, op een van de manieren als bedoeld in artikel 272 worden vergoed.
  § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat het, ondanks alle noodzakelijke, door de curator of andere persoon genomen maatregelen als bedoeld in paragraaf 1, 1° uiterst twijfelachtig is of de overdracht, de omzetting of de maatregel met betrekking tot bepaalde activa in een derde land of bepaalde aandelen, andere eigendomsinstrumenten, rechten of verbintenissen die onder het recht van een derde land vallen, van kracht wordt, gaat de afwikkelingsautoriteit niet over tot de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel in kwestie. Indien de afwikkelingsautoriteit reeds opdracht tot de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel heeft gegeven, is deze opdracht met betrekking tot de desbetreffende activa, aandelen, eigendomsinstrumenten of verbintenissen nietig.]1

  
Art. 281/1. [1 § 1er. Dans les cas où une mesure de résolution implique de prendre des mesures à l'égard d'actifs situés dans un pays tiers ou d'actions, d'autres titres de propriété, de droits ou d'engagements régis par le droit d'un pays tiers, l'autorité de résolution peut exiger que :
  1° le curateur ou toute autre personne exerçant le contrôle de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution et l'entité réceptrice prennent toutes les mesures nécessaires pour que le transfert, la dépréciation, la conversion ou la mesure prenne effet;
  2° le curateur ou toute autre personne exerçant le contrôle de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution détienne les actions, autres titres de propriété, actifs ou droits d'acquitter l'engagement pour le compte de l'entité réceptrice jusqu'à la prise d'effet du transfert, de la dépréciation, de la conversion ou de la mesure;
  3° les dépenses raisonnables engagées à bon escient par l'entité réceptrice en rapport avec la réalisation d'une des mesures requises par les points 1° et 2° sont couvertes selon l'une des modalités visées à l'article 272.
  § 2. Si l'autorité de résolution estime, bien que les mesures nécessaires aient été prises par le curateur ou toute autre personne, conformément au paragraphe 1er, 1°, qu'il est très peu probable que le transfert, la conversion ou la mesure prenne effet concernant certains biens situés dans un pays tiers ou certaines actions, autres titres de propriété, droits ou engagements régis par le droit d'un pays tiers, l'autorité de résolution ne réalise pas le transfert, la dépréciation, la conversion ou la mesure. Si l'autorité de résolution a déjà donné l'ordre de réaliser le transfert, la dépréciation, la conversion ou la mesure, cet ordre est tenu pour nul pour ce qui est des biens, actions, titres de propriété ou engagements concernés.]1

  
HOOFDSTUK VI/1. - [1 Bevoegdheid tot handhaving van door andere lidstaten genomen maatregelen]1
CHAPITRE VI/1. - [1 Pouvoir de faire appliquer des mesures par d'autres Etats membres]1
Art. 281/2. [1 § 1. Wanneer een overdracht van aandelen, andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen uitgevoerd met toepassing van Richtlijn 2014/59/EU door de afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat, activa omvat die zich in België bevinden, dan wel rechten of verbintenissen naar Belgisch recht, heeft deze overdracht uitwerking in België of krachtens het Belgische recht.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit verleent aan de afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat bedoeld in paragraaf 1 die de overdracht heeft uitgevoerd of voornemens is uit te voeren, alle redelijke bijstand om te waarborgen dat de aandelen of andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen overeenkomstig alle toepasselijke vereisten aan de ontvanger worden overgedragen.
  § 3. De aandeelhouders, schuldeisers en derden die door de in paragraaf 1 bedoelde overdracht van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen worden getroffen, zijn niet gerechtigd de overdracht te verhinderen, te betwisten of te vernietigen, zelfs indien in een dergelijk recht voorzien is door het op de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, rechten of verbintenissen toepasselijk recht, onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk IX.
  § 4. Wanneer de afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden uitoefent, onder meer met betrekking tot kapitaalinstrumenten in overeenstemming met artikel 59 van Richtlijn 2014/59/EU, en de [2 bail-inbare schulden]2 of relevante kapitaalinstrumenten van de instelling in afwikkeling instrumenten of verbintenissen omvatten die vallen onder het Belgische recht of verbintenissen die verschuldigd zijn aan in België gevestigde schuldeisers, wordt de hoofdsom van deze verbintenissen of instrumenten verlaagd of worden deze verbintenissen of instrumenten omgezet op grond van de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit van de andere lidstaat.
  § 5. De schuldeisers die getroffen worden door de in paragraaf 4 bedoelde uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden, zijn niet gerechtigd om de verlaging van de hoofdsom van het instrument of de verbintenissen dan wel, al naar gelang het geval, de omzetting ervan te betwisten, onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk IX.
  § 6. In geval van overdracht van aandelen, andere eigendomsinstrumenten of activa, van rechten of verbintenissen die activa omvatten die zich in een andere lidstaat bevinden of van rechten of verbintenissen die onder het recht van een andere lidstaat vallen, of in geval van uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden, met name ten aanzien van aanvullende kapitaalinstrumenten met toepassing van artikel 250, en wanneer de [2 bail-inbare schulden]2 of relevante kapitaalinstrumenten van de instelling onderworpen zijn aan een afwikkelingsprocedure die instrumenten of verbintenissen omvat die vallen onder het recht van een andere lidstaat of verbintenissen omvat jegens schuldeisers die gevestigd zijn in een andere lidstaat, wordt het volgende bepaald door het Belgisch recht :
  1° het recht voor aandeelhouders, schuldeisers en derden om door het instellen van een beroep op grond van artikel 305 de hierboven bedoelde overdracht van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen te betwisten;
  2° het recht voor schuldeisers om door het instellen van een beroep op grond van artikel 305 de verlaging van de hoofdsom of de omzetting van een instrument of verbintenis als bedoeld in paragraaf 4 te betwisten;
  3° de in Hoofdstuk VII bedoelde waarborgen voor de hierboven bedoelde gedeeltelijke overdrachten van activa, rechten of verbintenissen.]1

  
Art. 281/2. [1 § 1er. Lorsqu'un transfert d'actions, d'autres titres de propriété, ou d'actifs, de droits ou d'engagements opéré en vertu de la Directive 2014/59/UE par l'autorité de résolution d'un autre Etat membre comprend des actifs situés en Belgique ou des droits ou engagements relevant du droit belge, ce transfert produit ses effets en Belgique ou en vertu du droit belge.
  § 2. L'autorité de résolution prête à l'autorité de résolution d'un autre Etat membre visée au paragraphe 1er qui a procédé, ou entend procéder, au transfert, toute l'assistance raisonnablement nécessaire pour garantir que le transfert des actions ou autres titres de propriété ou des actifs, droits ou engagements à l'entité réceptrice respecte toutes les exigences applicables.
  § 3. Les actionnaires, les créanciers et les tiers affectés par le transfert d'actions, d'autres titres de propriété, d'actifs, de droits ou d'engagements visé au paragraphe 1er ne peuvent pas empêcher, contester ou annuler le transfert même si un tel droit est prévu sous la loi applicable à ces actions, autres titres de propriété, droits ou engagements, sans préjudice du Chapitre IX.
  § 4. Lorsque l'autorité de résolution d'un autre Etat membre exerce les pouvoirs de dépréciation ou de conversion, notamment à l'égard des instruments de fonds propres conformément à l'article 59 de la Directive 2014/59/UE, et que les [2 dettes utilisables pour un renflouement interne]2 ou les instruments de fonds propres pertinents de l'établissement soumis à une procédure de résolution comprennent des instruments ou des engagements régis par le droit belge ou des engagements envers des créanciers établis en Belgique, le montant du principal de ces engagements ou instruments est réduit, ou ces engagements ou instruments sont convertis, comme à la suite de l'exercice des pouvoirs de dépréciation ou de conversion par l'autorité de résolution de l'autre Etat membre.
  § 5. Les créanciers affectés par l'exercice des pouvoirs de dépréciation ou de conversion visés au paragraphe 4 n'ont pas le droit de contester la réduction du montant du principal de l'instrument ou de l'engagement ou, selon le cas, la conversion de l'instrument ou de l'engagement, sans préjudice du Chapitre IX.
  § 6. En cas de transfert d'actions, d'autres titres de propriété, ou d'actifs, de droits ou d'engagements comprenant des actifs situés dans un autre Etat membre ou des droits ou engagements relevant du droit d'un autre Etat membre, ou en cas d'exercice des pouvoirs de dépréciation ou de conversion, notamment à l'égard d'instruments de fonds propres additionnels conformément à l'article 250, et dans le cas où les [2 dettes utilisables pour un renflouement interne]2 ou les instruments de fonds propres pertinents de l'établissement soumis à une procédure de résolution comprennent des instruments ou des engagements régis par la législation d'un autre Etat membre ou des engagements envers des créanciers établis dans un autre Etat membre, les éléments suivants sont déterminés conformément au droit belge :
  1° le droit des actionnaires, des créanciers et des tiers de contester le transfert, visé ci-dessus d'actions, d'autres titres de propriété, d'actifs, de droits ou d'engagements, en introduisant un recours en vertu de l'article 305;
  2° le droit des créanciers de contester la réduction du montant principal, ou la conversion, d'un instrument ou d'un engagement visé au paragraphe 4, en introduisant un recours en vertu de l'article 305;
  3° les mesures de sauvegarde visées au Chapitre VII pour les transferts partiels d'actifs, de droits ou d'engagements susmentionnés.]1

  
HOOFDSTUK VII. - Vrijwaringsmaatregelen
CHAPITRE VII. - Mesures de sauvegarde
Afdeling I. - [1 Bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers bij gedeeltelijke overdracht en bij toepassing van het instrument van interne versterking]1
Section Ire. - [1 Protection des actionnaires et créanciers en cas de transfert partiel et d'application de l'instrument de renflouement interne]1
Art.282. [1 § 1.]1 Indien de afwikkelingsmaatregel slechts een gedeeltelijke overdracht van de activa, rechten en verbintenissen van de kredietinstelling meebrengt, ontvangen de aandeelhouders en de schuldeisers van wie de vorderingen niet zijn overgedragen, ter voldoening van hun effecten of vorderingen ten minste evenveel als het bedrag dat zij zouden hebben ontvangen mocht de kredietinstelling onmiddellijk vóór de overdracht volgens een liquidatieprocedure zijn vereffend.
  [1 § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking toepast, mogen de aandeelhouders en de schuldeisers waarvan de effecten of de vorderingen afgeschreven of in aandelen of andere eigendomsinstrumenten zijn omgezet, geen grotere verliezen lijden dan zij zouden hebben geleden indien de kredietinstelling onmiddellijk vóór de beslissing van de afwikkelingsautoriteit om het instrument van interne versterking toe te passen, in het kader van een liquidatieprocedure was vereffend.]1
  
Art.282. [1 § 1er.]1 Lorsque la mesure de résolution ne comporte qu'un transfert partiel des actifs, droits et engagements de l'établissement de crédit, les actionnaires et les créanciers dont les créances n'ont pas été transférées reçoivent en règlement de leurs titres ou créances un montant au moins égal à celui qu'ils auraient reçu si l'établissement de crédit avait été liquidé, immédiatement avant le transfert, dans le cadre d'une procédure de liquidation.
  [1 § 2. Lorsque l'autorité de résolution applique l'instrument de renflouement interne, les actionnaires et les créanciers dont les titres ou les créances ont été dépréciés ou convertis en actions ou autres titres de propriété ne subissent pas de pertes plus importantes que celles qu'ils auraient subies si l'établissement de crédit avait été liquidé, immédiatement avant la décision de l'autorité de résolution d'appliquer l'instrument de renflouement interne, dans le cadre d'une procédure de liquidation.]1
  
Art.283. § 1. Om te beoordelen of de aandeelhouders en de schuldeisers beter zouden zijn behandeld indien de kredietinstelling zou zijn vereffend in het kader van een liquidatieprocedure, laat de afwikkelingsautoriteit een waardering uitvoeren door een onafhankelijk expert na de uitoefening van de betrokken afwikkelingsmaatregel. Deze waardering staat los van de waardering bedoeld in Hoofdstuk III.
  § 2. [1 Bij de waardering bedoeld in paragraaf 1 wordt het volgende bepaald :
   1° de behandeling die aandeelhouders en schuldeisers, of de desbetreffende depositogarantiestelsels, zouden hebben genoten, mocht op het moment dat het in artikel 293 bedoelde besluit werd genomen een liquidatieprocedure zijn geopend ten aanzien van de kredietinstelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden;
   2° de daadwerkelijke behandeling die aandeelhouders en schuldeisers hebben genoten bij de afwikkeling van de kredietinstelling in afwikkeling; en
   3° of er sprake is van een verschil tussen de onder 1° bedoelde behandeling en de onder 2° bedoelde behandeling.]1

  [1 § 3. Bij de waardering wordt :
   1° aangenomen dat tegen de kredietinstelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden, op het moment dat het in artikel 293 bedoelde besluit werd genomen, een liquidatieprocedure zou zijn geopend;
   2° aangenomen dat de afwikkelingsmaatregelen niet hadden plaatsgevonden;
   3° geen rekening gehouden met de toekenning van uitzonderlijke overheidssteun aan de kredietinstelling in afwikkeling.]1

  
Art.283. § 1er. Afin de déterminer si les actionnaires et les créanciers auraient bénéficié d'un meilleur traitement si l'établissement de crédit avait été liquidé dans le cadre d'une procédure de liquidation, l'autorité de résolution fait procéder à une valorisation par un expert indépendant après l'exécution de la mesure de résolution concernée. Cette valorisation est distincte de celle visée au Chapitre III.
  § 2. [1 La valorisation visée au paragraphe 1er établit :
   1° le traitement dont auraient bénéficié les actionnaires et les créanciers, ou le système de garantie des dépôts, si l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution par rapport auquel des mesures de résolution ont été exécutées avait été soumis à une procédure de liquidation au moment où la décision visée à l'article 293 a été prise;
   2° le traitement réel dont les actionnaires et les créanciers ont bénéficié dans la résolution de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution; et
   3° s'il existe une différence entre le traitement visé au point 1° et celui visé au point 2°.]1

  [1 § 3. La valorisation :
   1° pose l'hypothèse que l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution par rapport auquel des mesures de résolution ont été exécutées aurait été soumis à une procédure de liquidation au moment où la décision visée à l'article 293 a été prise;
   2° pose l'hypothèse que les mesures de résolution n'ont pas été exécutées;
   3° ne tient pas compte de l'apport éventuel d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics à l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution.]1

  
Art.284. Indien uit de waardering verricht overeenkomstig artikel 283 blijkt dat een aandeelhouder of een schuldeiser bedoeld in artikel 282 of het Garantiefonds grotere verliezen heeft geleden dan deze die zij zouden hebben geleden bij een vereffening, heeft hij recht op betaling van het verschil door de afwikkelingsautoriteit, ten laste van [1 het Afwikkelingsfonds]1. De nadere regels voor deze betaling worden vastgesteld door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  
Art.284. Lorsqu'il ressort de la valorisation effectuée conformément à l'article 283 qu'un actionnaire ou un créancier visé à l'article 282 ou le Fonds de garantie a subi des pertes plus importantes que celles qu'il aurait subies dans le cadre d'une liquidation, il a droit au paiement de la différence de la part de l'autorité de résolution, à charge [1 du Fonds de résolution]1. Les modalités de ce paiement sont fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
  
Afdeling II. - Bescherming voor zekerheidsregelingen
Section II. - Protection relative aux contrats de garantie
Art.285. § 1. De afwikkelingsautoriteit kan niet de overdracht bevelen van :
  1° activa waardoor een verplichting is gedekt, tenzij die verplichting en het voordeel van de zekerheid ook worden overgedragen;
  2° een door zekerheid gedekte verplichting, tenzij het voordeel van de zekerheid ook wordt overgedragen;
  3° het voordeel van de zekerheid, tenzij de door zekerheid gedekte verplichting ook wordt overgedragen.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan geen wijziging of beëindiging van een zekerheidsovereenkomst bevelen indien deze wijziging of beëindiging tot gevolg heeft dat de verplichting niet langer wordt gedekt.
  Voor de toepassing van het eerste lid dient onder "zekerheidsovereenkomst" te worden verstaan, elke overeenkomst op grond waarvan een persoon bij wijze van zekerheid een actueel of voorwaardelijk belang heeft in de over te dragen activa of rechten, ongeacht of dat belang door specifieke activa of rechten, dan wel door een pand op een handelszaak of een andere vlottende zekerheid of soortgelijke regeling is gedekt.
  § 3. De in de voorgaande paragrafen bedoelde bescherming is niet van toepassing op de overdracht, wijziging of beëindiging van de activa, rechten en passiva verbonden aan gewaarborgde deposito's.
Art.285. § 1er. L'autorité de résolution ne peut ordonner le transfert :
  1° des actifs au moyen desquels un engagement est garanti, sauf si cet engagement et le bénéfice de la sûreté sont également transférés;
  2° d'un engagement garanti, sauf si le bénéfice de la sûreté est également transféré;
  3° du bénéfice de la sûreté, sauf si l'engagement garanti est également transféré.
  § 2. L'autorité de résolution ne peut ordonner la modification ou la résiliation d'un contrat de garantie si cette modification ou résiliation a pour effet de mettre un terme à la garantie de l'engagement.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, il y a lieu d'entendre par "contrat de garantie", tout contrat en vertu duquel une personne dispose, à titre de garantie, d'un intérêt actuel ou éventuel dans des actifs ou des droits pouvant faire l'objet d'un transfert, que cet intérêt soit garanti par des actifs ou droits spécifiques ou par un gage sur fonds de commerce ou autre gage flottant ou un arrangement similaire.
  § 3. Les protections visées aux paragraphes précédents ne s'appliquent pas au transfert, à la modification ou à la résiliation des actifs, droits et engagements liés à des dépôts assurés.
Afdeling III. - Bescherming voor gestructureerde financierings- contracten, financiële zekerheden en verrekeningsovereenkomsten
Section III. - Protection relative aux contrats de financement structuré, aux contrats de garantie financière et aux accords de compensation
Art.286. § 1. De afwikkelingsautoriteit kan niet de gedeeltelijke overdracht, de wijziging of beëindiging bevelen van :
  1° activa, rechten en verbintenissen die een gestructureerde financieringsregeling of een onderdeel ervan vormen waarbij de kredietinstelling partij is, met inbegrip van covered bonds en effectisering;
  2° rechten en verbintenissen uit een overeenkomst tot eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid, met inbegrip van een cessie-retrocessieverrichting (repo);
  3° rechten en verbintenissen uit een overeenkomst tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking, met inbegrip van een nettingovereenkomst of een overeenkomst tot schuldvergelijking bij vroegtijdige beëindiging (close-out netting).
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde bescherming is niet van toepassing op de overdracht, wijziging of beëindiging van de activa, rechten en verbintenissen verbonden aan gewaarborgde deposito's.
  § 3. [1 De bepalingen van Titel VIII hebben voorrang op de bepalingen van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke zekerheids-overeenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten.]1
  
Art.286. § 1er. L'autorité de résolution ne peut ordonner le transfert partiel, la modification ou la résiliation :
  1° des actifs, droits et engagements qui constituent tout ou partie d'un mécanisme de financement structuré, en ce compris les covered bonds et les titrisations, auquel l'établissement de crédit est partie;
  2° des droits et engagements résultant d'une convention de transfert de propriété à titre de garantie, en ce compris une opération de cession-rétrocession (repo);
  3° des droits et engagements résultant d'une convention de novation ou de compensation bilatérale ou multilatérale, en ce compris d'une convention de netting ou d'une convention de compensation avec déchéance du terme (close-out netting).
  § 2. La protection visée au paragraphe 1er ne s'applique pas au transfert, à la modification ou à la résiliation des actifs, droits et engagements liés à des dépôts assurés.
  § 3. [1 Les dispositions du Titre VIII prévalent sur les dispositions de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés financières et portant des dispositions fiscales diverses en matière de conventions constitutives de sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments financiers.]1
  
Afdeling IV. - Uitsluiting van bepaalde contractuele rechten
Section IV. - Exclusion de certains droits contractuels
Art.287. [1 § 1. Voor zover de essentiële verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien, inzonderheid de betalings- en leveringsverplichtingen en de zekerheidsstelling, verder worden nageleefd, en onverminderd paragraaf 2, mag de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden [2 , de opschorting van een verplichting op grond van artikel 244/2]2, of het nemen van maatregelen als bedoeld in de artikelen 116, § 2, 232, tweede lid, 234, 235, 236 en 250 in verband met een kredietinstelling, zelfs krachtens een door die kredietinstelling gesloten overeenkomst,
   1° niet beschouwd worden als een wanprestatie in de zin van de voornoemde wet van 15 december 2004 of als een insolventie-procedure in de zin van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;
   2° niet toelaten verval van termijnbepaling in te roepen, noch enig recht van beëindiging, opschorting of verrekening uit te oefenen, noch enige zakelijke zekerheid op de activa van de kredietinstelling te gelde te maken.
   De in de eerste lid bedoelde beperkingen zijn ook van toepassing op overeenkomsten gesloten door dochterondernemingen van de kredietinstelling, die verplichtingen bevatten die door de kredietinstelling of door een entiteit van dezelfde groep als de kredietinstelling, worden gewaarborgd of anderszins ondersteund, en op overeenkomsten gesloten door een entiteit van de groep die "cross default"-clausules bevatten.
   § 2. [2 Een opschorting of een beperking uit hoofde van artikel 244/2 of artikel 280, § 1, 1° of 2° maakt voor de toepassing van paragraaf 1 van dit artikel en artikel 280, § 1, 3° geen wanprestatie uit, in het bijzonder in de zin van de voornoemde wet van 15 december 2004.]2
   § 3. De bepalingen van dit artikel worden beschouwd als bepalingen van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad.]1

  
Art.287. [1 § 1er. Pour autant que les obligations essentielles découlant du contrat, notamment les obligations de paiement et de livraison et la fourniture d'une garantie, continuent d'être assurées, et sans préjudice du paragraphe 2, l'application des instruments de résolution, l'exercice des pouvoirs de résolution [2 , la suspension d'une obligation au titre de l'article 244/2]2 ou la prise de toute mesure visée aux articles 116, § 2, 232, alinéa 2, 234, 235, 236 et 250 en rapport avec un établissement de crédit, ne peut, même en vertu d'un contrat conclu par cet établissement de crédit,
   1° être considéré comme un défaut d'exécution au sens de la loi précitée du 15 décembre 2004 ou comme une procédure d'insolvabilité au sens de la loi du 28 avril 1999 visant à transposer la Directive 98/26/CE du 19 mai 1998 concernant le caractère définitif du règlement dans les systèmes de paiement et d'opérations sur titres;
   2° permettre d'exercer tout droit d'invoquer la déchéance du terme, tout droit de résiliation, de suspension ou de compensation ou de réaliser toute sûreté réelle sur les actifs de l'établissement de crédit.
   Les restrictions prévues à l'alinéa 1er s'appliquent également aux contrats conclus par des filiales de l'établissement de crédit, qui comprennent des obligations qui sont garanties ou autrement soutenues par l'établissement de crédit ou par une entité du même groupe que l'établissement de crédit et aux contrats conclus par une entité du groupe comportant des dispositions en matière de défauts croisés (cross default).
   § 2. [2 Une suspension ou une restriction au titre de l'article 244/2 ou de l'article 280, § 1er ne constitue pas un défaut d'exécution d'une obligation contractuelle, en particulier au sens de la loi précitée du 15 décembre 2004, aux fins du paragraphe 1er du présent article et de l'article 280, § 1er, 3°.]2
   § 3. Les dispositions du présent article sont considérées comme des lois de police au sens de l'article 9 du règlement (CE) n° 593/2008 du Parlement européen et du Conseil.]1

  
Afdeling V. - Bescherming van betalings- en afwikkelingssystemen, centrale tegenpartijen en centrale banken
Section V. - Protection relative aux systèmes de paiement et règlement, contreparties centrales et banques centrales
Art.288. § 1. De afwikkelingsautoriteit ziet erop toe dat de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden geen afbreuk doet aan de werking en de reglementering van de betalings- en afwikkelingssystemen.
  In het bijzonder mogen overdrachten, annuleringen of wijzigingen opgelegd door de afwikkelingsautoriteit niet tot gevolg mogen hebben dat :
  1° een overboekingsopdracht wordt herroepen in strijd met artikel 4 van de wet van 28 april 1999 tot omzetting van richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;
  2° overboekingsopdrachten en verrekeningen overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet worden gewijzigd of niet-tegenstelbaar gemaakt;
  3° het gebruik van gelden, effecten of kredietfaciliteiten overeenkomstig artikel 3 van dezelfde wet wordt verhinderd;
  4° de zekerheden gesteld overeenkomstig artikel 8 van dezelfde wet worden aangetast.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan de volgende maatregelen niet opleggen ten aanzien van betalings- en afwikkelingssystemen of hun exploitanten, centrale tegenpartijen of centrale banken :
  1° de opschorting van een door een kredietinstelling uit te voeren betalings- of leveringsverplichting;
  2° de opschorting of beperking van het recht tot uitwinning van zakelijke zekerheden die zij hebben op activa van een kredietinstelling; of
  3° de opschorting van enig recht dat zij hebben om een overeenkomst gesloten met de kredietinstelling of met een dochteronderneming daarvan te beëindigen.
Art.288. § 1er. L'autorité de résolution veille à ce que l'exercice des pouvoirs de résolution n'affecte pas le fonctionnement et la réglementation des systèmes de paiement et règlement.
  En particulier, les transferts, annulations ou modifications imposés par l'autorité de résolution ne peuvent avoir pour effet de :
  1° révoquer un ordre de transfert en violation de l'article 4 de la loi du 28 avril 1999 visant à transposer la Directive 98/26/CE du 19 mai 1998 concernant le caractère définitif du règlement dans les systèmes de paiement et d'opérations sur titres;
  2° modifier ou rendre inopposables des ordres de transfert et des compensations conformément aux articles 3 et 4 de la même loi;
  3° empêcher l'utilisation de fonds, de titres ou de facilités de crédit conformément à l'article 3 de la même loi;
  4° affecter les garanties constituées conformément à l'article 8 de la même loi.
  § 2. L'autorité de résolution ne peut imposer aux systèmes de paiement et règlement ou leurs opérateurs, aux contreparties centrales ou aux banques centrales :
  1° la suspension d'une obligation de paiement ou de livraison due par un établissement de crédit;
  2° la suspension ou la restriction du droit de faire valoir des sûretés réelles dont ils bénéficient sur les actifs d'un établissement de crédit; ou
  3° la suspension de tout droit dont ils bénéficient de résilier un contrat conclu avec l'établissement de crédit ou avec une filiale de celui-ci.
Afdeling VI. - Bescherming van werknemers
Section VI. - Protection des travailleurs
Art.289. De uitoefening van een afwikkelingsbevoegdheid doet geen afbreuk aan het recht van een werknemer van de kredietinstelling om de arbeidsovereenkomst die hem met deze instelling verbindt, te beëindigen.
Art.289. L'exercice d'un pouvoir de résolution ne porte pas préjudice au droit d'un travailleur de l'établissement de crédit de résilier tout contrat de travail le liant à cet établissement.
Art.290. Voor de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis gesloten op 7 juni 1985 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement, worden de afwikkelingsmaatregelen beschouwd als handelingen gesteld door de kredietinstelling zelf.
Art.290. Pour l'application de la convention collective de travail n° 32bis conclue le 7 juin 1985 au sein du Conseil national du travail, concernant le maintien des droits des travailleurs en cas de changement d'employeur du fait d'un transfert conventionnel d'entreprise et réglant les droits des travailleurs repris en cas de reprise de l'actif après faillite, les mesures de résolution sont considérées comme des actes accomplis par l'établissement de crédit lui-même.
HOOFDSTUK VIII. - Procedurele vereisten [1 en uitwerking van afwikkelingsmaatregelen]1
CHAPITRE VIII. - Exigences de procédure [1 et effets des mesures de résolution]1
Art.291. Het wettelijk bestuursorgaan van een kredietinstelling is ertoe gehouden aan de toezichthouder en de afwikkelingsautoriteit te melden indien hij van oordeel is dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dit nakend is in de zin van artikel 244, § 2.
Art.291. L'organe légal d'administration d'un établissement de crédit est tenu d'informer l'autorité de contrôle et l'autorité de résolution lorsqu'il considère que la défaillance de l'établissement de crédit est avérée ou prévisible au sens de l'article 244, § 2.
Art. 291/1. [1 Wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden van artikel 244, § 1, 1° en 2°, vervuld zijn, maar de voorwaarde van artikel 244, § 1, 3° niet, maakt de afwikkelingsautoriteit, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig bij de insolventierechtbank.]1
  
Art. 291/1. [1 Lorsqu'il est constaté que les conditions prévues à l'article 244, § 1er, 1° et 2°, sont remplies mais pas la condition prévue à l'article 244, § 1er, 3°, l'autorité de résolution saisit d'initiative, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.]1
  
Art.292. [3 Indien de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit vaststelt voor een kredietinstelling dat aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, 1° en 2°, is voldaan, stelt hij of zij de volgende autoriteiten hiervan onverwijld in kennis:]3
  1° [3 de afwikkelingsautoriteit of de toezichthouder, al naargelang het geval;]3
  2° de bevoegde autoriteit [2 en de afwikkelingsautoriteit]2 van elk bijkantoor van de kredietinstelling;
  3° het Garantiefonds [2 indien zulks noodzakelijk is voor het vervullen van de functies van het Garantiefonds]2;
  [2 3° /1 het Afwikkelingsfonds indien zulks noodzakelijk is voor het vervullen van de functies van het Afwikkelingsfonds;]2
  4° in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau;
  5° de minister van Financiën;
  6° indien de kredietinstelling onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis, de consoliderende toezichthouder; en
  7° het ESRB;
  [1 8° de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank, de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen en de Europese Bankautoriteit;
   9° indien de instelling in afwikkeling een instelling is in de zin van artikel 2, onder b) van Richtlijn 98/26/EG, de exploitanten van de systemen waaraan zijn deelnemen.]1

  
Art.292. [3 Lorsque l'autorité de contrôle ou l'autorité de résolution constate que les conditions visées à l'article 244, § 1er, 1° et 2°, sont remplies en ce qui concerne un établissement de crédit, elle communique sans délai cette évaluation aux autorités suivantes :]3
  1° [3 l'autorité de résolution ou l'autorité de contrôle, selon le cas ;]3
  2° l'autorité compétente [2 et l'autorité de résolution]2 pour toute succursale de l'établissement de crédit;
  3° le Fonds de garantie [2 lorsque cela est nécessaire pour permettre au Fonds de garantie de remplir ses fonctions]2;
  [2 3° /1 le Fonds de résolution lorsque cela est nécessaire pour permettre au Fonds de résolution de remplir ses fonctions;]2
  4° le cas échéant, l'autorité de résolution au niveau du groupe;
  5° le ministre des Finances;
  6° lorsque l'établissement de crédit fait l'objet d'une surveillance sur base consolidée, le superviseur sur base consolidée; et
  7° le CERS;
  [1 8° la Commission européenne, la Banque centrale européenne, l'Autorité européenne des marchés financiers, l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles et l'Autorité bancaire européenne;
   9° lorsque l'établissement soumis à la procédure de résolution répond à la définition d'une institution au sens de l'article 2, point b), de la directive 98/26/CE, les opérateurs des systèmes auxquels il participe.]1

  
Art.293. De beslissing van de afwikkelingsautoriteit die bepaalt dat voor een kredietinstelling aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, is voldaan, vermeldt de redenen voor dit besluit [1 evenals de maatregel die de afwikkelingsautoriteit voornemens is te treffen, met inbegrip van, in voorkomend geval, de benoeming van een bijzondere bestuurder]1 .
  
Art.293. La décision de l'autorité de résolution déterminant que les conditions visées à l'article 244, § 1er, sont remplies en ce qui concerne un établissement de crédit expose les motifs de cette décision [1 ainsi que la mesure que l'autorité de résolution a l'intention de prendre, y compris, le cas échéant, la nomination d'un administrateur spécial]1 .
  
Art.294. § 1. De afwikkelingsautoriteit stelt de kredietinstelling en de instanties bedoeld in artikel 292 onverwijld in kennis van elke voor haar getroffen afwikkelingsmaatregel. [1 Deze kennisgeving bevat een kopie van elke maatregel of van elk instrument door middel waarvan de betrokken bevoegdheden worden uitgeoefend en geeft de datum aan vanaf wanneer elke afwikkelingsmaatregel van kracht is.]1
  
Art.294. § 1er. L'autorité de résolution notifie sans délai à l'établissement de crédit et aux instances visées à l'article 292 toute mesure de résolution prise à son encontre. [1 Cette notification inclut une copie de l'instruction ou de l'acte par lequel les pouvoirs en question sont exercés et indique la date à partir de laquelle la mesure de résolution prend effet.]1
  
Art.295. Elke afwikkelingsmaatregel wordt onverwijld bekendgemaakt [3 ...]3 :
  1° op de website van de afwikkelingsautoriteit;
  2° op de website van de kredietinstelling;
  3° [1 wanneer de aandelen of andere eigendoms- of schuldinstrumenten van de kredietinstelling tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, op de website van de FSMA; en]1
  4° bij uittreksel, met vermelding van de overgedragen activiteiten en de effectieve datum van overdracht, in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.
  [2 Indien de aandelen of andere eigendoms- of schuldinstrumenten van de kredietinstelling niet voor verhandeling op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat de documenten die als bewijsstuk van de afwikkelingsmaatregel dienen, worden toegezonden aan de aandeelhouders en schuldeisers van de kredietinstelling in afwikkeling die bekend zijn ingevolge de registers of de gegevensbanken van de kredietinstelling in afwikkeling die ter beschikking staan van de afwikkelingsautoriteit.]2
  
Art.295. Toute mesure de résolution est publiée sans délai [3 ...]3 :
  1° sur le site internet de l'autorité de résolution;
  2° sur le site internet de l'établissement de crédit;
  3° [1 lorsque les actions, autres titres de propriété ou instruments de dette de l'établissement de crédit sont admis à la négociation sur un marché réglementé, sur le site internet de la FSMA; et]1
  4° par extrait, en identifiant les activités transférées et la date effective du transfert, dans les Annexes du Moniteur belge, selon les modalités définies par le Roi.
  [2 Lorsque les actions ou autres titres de propriété ou instruments de dette de l'établissement de crédit ne sont pas admis à la négociation sur un marché réglementé, l'autorité de résolution veille à ce que les documents attestant l'existence de la mesure de résolution soient transmis aux actionnaires et créanciers de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution qui sont recensés dans les registres ou bases de données de l'établissement de crédit concerné qui se trouvent à la disposition de l'autorité de résolution.]2
  
Art. 295/1. [1 § 1. [2 De afwikkelingsmaatregelen en beschikkingsbeslissingen van de afwikkelingsautoriteit hebben van rechtswege uitwerking en zijn van toepassing op de kredietinstelling in afwikkeling evenals op de getroffen schuldeisers en aandeelhouders op de datum vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit, en zijn tegenstelbaar aan derden onder de voorwaarden bepaald in artikel 2:18 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.
   Deze maatregelen en beslissingen hebben uitwerking niettegenstaande elke andersluidende bepaling van in het bijzonder, doch niet uitsluitend, het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.
   Deze rechtsuitwerking heeft eveneens betrekking op de accessoires van de overgedragen vorderingen en de zakelijke of persoonlijke zekerheden als waarborg daarvan.]2

   § 2. De beschikkingsbeslissingen van de afwikkelingsautoriteit gelden als akte van eigendomsoverdracht van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die het voorwerp uitmaken van de beschikkingsbeslissing, evenwel onder voorbehoud van de vereiste toelatingen van overheden en alle andere opschortende voorwaarden waaraan de beschikkingsbeslissing is onderworpen.
   § 3. De afwikkelingsautoriteit ziet erop toe dat in het Belgisch Staatsblad een bericht wordt bekendgemaakt waarin wordt bevestigd dat de opschortende voorwaarden bedoeld in de voorgaande paragraaf zijn vervuld.]1

  
Art. 295/1. [1 § 1er. [2 Les mesures de résolution et les décisions de disposition de l'autorité de résolution prennent effet de plein droit et s'imposent à l'établissement de crédit soumis à la résolution ainsi qu'aux créanciers et actionnaires affectés à la date fixée par l'autorité de résolution, et sont opposables aux tiers aux conditions prévues à l'article 2:18 du Code des sociétés et des associations.
   Ces mesures et décisions prennent effet nonobstant toute disposition contraire, en particulier, mais pas exclusivement, du Code des sociétés et des associations.
   Ces effets portent également sur les accessoires des créances cédées et les sûretés réelles ou personnelles les garantissant.]2

   § 2. Les décisions de disposition de l'autorité de résolution sont translatives de la propriété des actions, autres titres de propriété, actifs, droits ou engagements faisant l'objet de la décision de disposition, sous réserve cependant des autorisations d'autorités publiques requises et toutes les autres conditions suspensives auxquelles la décision de disposition est subordonnée.
   § 3. Un avis confirmant la réalisation des conditions suspensives visées au paragraphe précédent, est publié au Moniteur belge par les soins de l'autorité de résolution.]1

  
HOOFDSTUK IX. - Gerechtelijke controle
CHAPITRE IX. - Contrôle judiciaire
Afdeling I.
Section Ire.
Afdeling II. - Beroep
Section II. - Recours
Art.305. Tegen elke beschikkingsbeslissing of afwikkelingsmaatregel kan beroep worden ingesteld bij het hof van beroep overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling.
Art.305. Toute décision de disposition ou mesure de résolution peut faire l'objet d'un recours devant la cour d'appel conformément aux dispositions de la présente Section.
Art.306. § 1. [1 Het verzoek wordt, op straffe van verval, ingediend binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de bekendmaking van het uittreksel bedoeld in artikel 295, 4°, in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.]1
  § 2. Het indienen van het verzoek heeft geen invloed op het uitvoerend karakter van de maatregel bedoeld in artikel 305. Het hof van beroep kan enkel beslissen om de gevolgen van die maatregel op te schorten indien de verzoeker aantoont dat deze opschorting in het algemeen belang is.
  
Art.306. § 1er. [1 La demande est introduite, à peine de déchéance, dans un délai de deux mois à compter de la publication de l'extrait visé à l'article 295, 4°, dans les Annexes du Moniteur belge.]1
  § 2. L'introduction de la demande est sans effet sur le caractère exécutoire de la mesure visée à l'article 305. La cour d'appel ne peut décider de suspendre les effets de cette mesure que si le demandeur établit que cette suspension est conforme à l'intérêt général.
  
Art.307. Het verzoek heeft betrekking op de conformiteit van de maatregel bedoeld in artikel 305 met de wet en, in voorkomend geval, op de toereikendheid van het compensatoir bedrag van de categorie van de betrokken eigenaars en van de sleutels voor de verdeling onder hen.
  Indien het verzoek betrekking heeft op de toereikendheid van een compensatoir bedrag, baseert het hof van beroep zich op de waarderingen overeenkomstig Hoofdstuk III en artikel 283 [1 ...]1. [1 Het Hof van beroep houdt rekening met de daadwerkelijke situatie van de kredietinstelling op het ogenblik dat de beschikkingsbeslissing of afwikkelingsmaatregel is genomen, inzonderheid met de financiële positie zoals die was of zou zijn geweest indien de uitzonderlijke overheidssteun of de dringende liquiditeitsvoorschotten door de centrale banken die zij rechtstreeks of onrechtstreeks heeft genoten, niet zouden zijn verleend.]1
  
Art.307. La demande porte sur la conformité de la mesure visée à l'article 305 à la loi et, le cas échéant, sur l'adéquation du montant compensatoire de la catégorie de propriétaires concernés et de la clef de répartition entre ceux-ci.
  Lorsque la demande vise l'adéquation d'un montant compensatoire, la cour d'appel se base sur les valorisations effectuées conformément au Chapitre III et à l'article 283 [1 ...]1. [1 La Cour d'appel tient compte de la situation concrète de l'établissement de crédit au moment de l'adoption de la décision de disposition ou de la mesure de résolution, et notamment de sa situation financière telle qu'elle était ou aurait été si les soutiens financiers exceptionnels des pouvoirs publics ou les avances de liquidités d'urgence des banques centrales dont il a bénéficié directement ou indirectement n'avaient pas été consentis.]1
  
Art.308. Het arrest van het hof van beroep heeft geen invloed op de geldigheid van de maatregel bedoeld in artikel 305, met inbegrip van de eigendomsoverdracht van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die het voorwerp uitmaken van de beschikkingsbeslissing.
Art.308. L'arrêt de la cour d'appel est sans effet sur la validité de la mesure visée à l'article 305, en ce compris le transfert de propriété des actions, autres titres de propriété, actifs, droits ou engagements faisant l'objet de la décision de disposition.
Art.309. Het verzoekschrift wordt voor het overige geregeld door het Gerechtelijk Wetboek.
Art.309. La demande est, pour le surplus, régie par le Code judiciaire.
Art.310. Alle geschillen die uit de maatregelen bedoeld in artikel 305 of de aansprakelijkheid bedoeld in artikel 12ter, § 3 van de wet van 22 februari 1998 kunnen ontstaan, vallen onder de uitsluitende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken.
Art.310. Tous les litiges auxquels les mesures visée à l'article 305 ou la responsabilité visée à l'article 12ter, § 3 de la loi du 22 février 1998 pourraient donner lieu relèvent de la compétence exclusive des tribunaux belges.
HOOFDSTUK X. - Afwikkeling van grensoverschrijdende groepen
CHAPITRE X. - Résolution de groupes transfrontaliers
Art.311. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning alle nuttige maatregelen nemen tot regeling van :
  1° de toepassing van de bepalingen van deze Titel op de kredietinstellingen die deel uitmaken van grensoverschrijdende groepen;
  2° de uitvoering in België van preventie-, herstel- en afwikkelingsmaatregelen genomen door de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten of derde landen;
  3° de toepassing van afwikkelingsmaatregelen op goederen die zich buiten België bevinden, en op overeenkomsten en financiële instrumenten beheerst door buitenlands recht;
  4° de betreffende uitwisselingen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en derde landen.
  De in de eerste lid aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.
  De besluiten genomen krachtens dit artikel kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  Deze besluiten worden van rechtswege opgeheven indien zij niet bij wet worden bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art.311. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut prendre toutes les mesures utiles en vue de régler :
  1° l'application des dispositions du présent Titre aux établissements de crédit faisant partie de groupes transfrontaliers;
  2° la mise en oeuvre en Belgique des mesures de prévention, de redressement et de résolution prises par les autorités compétentes d'autres Etats membres ou de pays tiers;
  3° l'application des mesures de résolution à des biens situés en dehors de la Belgique et à des contrats et instruments financiers régis par un droit étranger;
  4° les échanges y relatifs avec les autorités compétentes d'autres Etats membres et de pays tiers.
  Les pouvoirs accordés au Roi par l'alinéa 1er expirent le 31 décembre 2015.
  Les arrêtés pris en vertu du présent article peuvent modifier, compléter, remplacer ou abroger les dispositions légales en vigueur.
  Ces arrêtés sont abrogés de plein droit lorsqu'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois qui suivent leur publication au Moniteur belge.
BOEK III. - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT
LIVRE III. - DES ETABLISSEMENTS DE CREDIT DE DROIT ETRANGER
TITEL I. - Bijkantoren en werkzaamheden in het kader van het vrij verrichten van diensten in België van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren
TITRE Ier. - Des Succursales et des activités en libre prestation de services en Belgique des établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre
HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in België
CHAPITRE Ier. - De l'accès à l'activité en Belgique
Art.312. § 1. De kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht werkzaamheden in hun staat van herkomst mogen verrichten die voorkomen op de lijst van artikel 4, mogen deze werkzaamheden aanvatten via de vestiging van een bijkantoor zodra de toezichthouder hen met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs in kennis heeft gesteld van hun registratie als bijkantoor van een kredietinstelling van een lidstaat.
  Deze kennisgeving geschiedt uiterlijk twee maanden nadat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instelling het op grond van de Europeesrechtelijke regels ter zake vereiste informatiedossier heeft meegedeeld. Indien de instelling binnen de vastgestelde termijn geen kennisgeving ontvangt, mag zij het bijkantoor desalniettemin openen en de voornoemde werkzaamheden aanvatten, mits zij de toezichthouder hiervan in kennis stelt.
  § 2. [5 De Bank stelt de lijst op van de overeenkomstig paragraaf 1 geregistreerde bijkantoren, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.]5
  § 3. [2 De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de elementen in het informatiedossier die relevant zijn voor het toezicht op de naleving van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46°, van de wet van 25 oktober 2016.]2
  § 4. De kredietinstelling dient aan de toezichthouder elke wijziging mee te delen die zij van plan is aan te brengen in de informatie die opgenomen is in het informatiedossier bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, en dit minstens één maand voor het aanbrengen van deze wijziging.
  [1 § 5. Wanneer een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, een beroep wenst te doen op in België gevestigde verbonden agenten om er beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, zijn de paragrafen 1, 2 en 4 van overeenkomstige toepassing. [3 Voor de toepassing van de artikelen 315, 316, 317, 320, 321, 326 en 329 worden deze verbonden agenten gelijkgesteld met een bijkantoor van de kredietinstelling, met dien verstande dat wanneer de kredietinstelling in België een bijkantoor heeft, de in België gevestigde verbonden agenten waarop zij een beroep wenst te doen, gelijkgesteld worden aan dit bijkantoor voor de toepassing van artikel 326]3.
  [2 De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de elementen die relevant zijn voor het toezicht op de naleving van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46°, van de wet van 25 oktober 2016 en van de regels met betrekking tot verbonden agenten.]2]1

  
Art.312. § 1er. Les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont habilités en vertu de leur droit national à exercer dans leur Etat d'origine des activités bancaires reprises à la liste prévue à l'article 4 peuvent, par voie d'installation de succursales, entamer ces activités dès que l'autorité de contrôle leur a notifié, par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception, leur enregistrement comme succursale d'établissement de crédit d'un Etat membre.
  Cette notification doit être faite au plus tard deux mois après que l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'établissement aura communiqué le dossier d'information requis par les dispositions du droit de l'Union européenne en la matière. En l'absence de notification dans le délai fixé, l'établissement peut toutefois ouvrir la succursale et entamer les activités précitées moyennant un avis donné à l'autorité de contrôle.
  § 2. [5 La Banque établit la liste des succursales enregistrées conformément au paragraphe 1er, en distinguant les catégories visées au 1° et au 2°, de l'article 1er, § 3, alinéa 1er. Cette liste ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet.]5
  § 3. La Banque communique à la FSMA les éléments du dossier d'information qui sont pertinents pour le contrôle du respect des règles de conduite [2 visées à l'article 2, 46°, de la loi du 25 octobre 2016]2.
  § 4. L'établissement de crédit doit notifier à l'autorité de contrôle toute modification qu'il entend apporter aux informations contenues dans le dossier d'information visé au paragraphe 1er, alinéa 2 et ce, un mois au moins avant que cette modification ne soit effectuée.
  [1 § 5. Lorsqu'un établissement de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre souhaite recourir à des agents liés établis en Belgique pour y fournir des services d'investissement et/ou exercer des activités d'investissement et proposer des services auxiliaires, les paragraphes 1er, 2 et 4 sont applicables par analogie. [3 Pour les besoins des articles 315, 316, 317, 320, 321, 326 et 329, ces agents liés sont assimilés à une succursale de l'établissement de crédit, étant entendu que lorsque l'établissement de crédit a établi une succursale en Belgique, les agents liés établis en Belgique [4 auxquels il souhaite recourir]4 sont assimilés à cette succursale pour l'application de l'article 326.]3.
   La Banque communique à la FSMA les éléments du dossier d'information qui sont pertinents pour le contrôle du respect des règles de conduite [2 visées à l'article 2, 46°, de la loi du 25 octobre 2016]2 et des règles relatives aux agents liés.]1

  
Art.313. § 1. De kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht in hun staat van herkomst werkzaamheden mogen verrichten die voorkomen op de lijst van artikel 4, mogen deze werkzaamheden in België aanvatten in het kader van het vrij verrichten van diensten zodra de toezichthouder de betrokken instellingen ervan in kennis heeft gesteld dat hij de mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze instellingen heeft ontvangen, met opgave van de in de lijst van artikel 4 bedoelde werkzaamheden die deze instellingen in België wensen uit te oefenen.
  Binnen drie werkdagen na ontvangst van de mededeling stelt de toezichthouder de betrokken instelling hiervan in kennis. Bij gebrek aan kennisgeving binnen deze termijn mag de instelling de voorgenomen werkzaamheden aanvatten, na de toezichthouder hiervan op de hoogte te hebben gebracht.
  § 2. [4 De Bank maakt op haar website de lijst bekend van de in dit artikel bedoelde instellingen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid, evenals de daarin aangebrachte wijzigingen.]4
  [1 § 3. Wanneer een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, in België beleggingsdiensten of -activiteiten alsmede nevendiensten wil verrichten met inschakeling van in die andere lidstaat gevestigde verbonden agenten, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing.
   De Bank maakt op haar website de identiteitsgegevens bekend van de verbonden agenten waarop de kredietinstelling van plan is een beroep te doen.]1

  
Art.313. § 1er. Les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont habilités en vertu de leur droit national à exercer dans leur Etat d'origine des activités bancaires reprises à la liste prévue à l'article 4, peuvent entamer ces activités en Belgique sous le régime de la libre prestation de services dès que l'autorité de contrôle a notifié à ces établissements la réception de la communication qui lui a été faite par l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de ces établissements portant sur les activités visées à la liste prévue à l'article 4 que ces établissements envisagent d'exercer en Belgique.
  La notification est adressée par l'autorité de contrôle à l'établissement intéressé dans les trois jours ouvrables de la réception de la communication. A défaut de notification dans ce délai, l'établissement peut entamer les activités annoncées, moyennant un avis donné à l'autorité de contrôle.
  § 2. [4 La Banque publie sur son site internet la liste des établissements visés au présent article, en distinguant les catégories visées au 1° et au 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, ainsi que les modifications qui y sont apportées.]4
  [1 § 3. Lorsqu'un établissement de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre souhaite fournir des services d'investissement ou exercer des activités d'investissement et proposer des services auxiliaires en Belgique par l'intermédiaire d'agents liés établis dans cet autre Etat membre, le paragraphe 1er est applicable par analogie.
   [3 La Banque]3 publie sur son site internet l'identité des agents liés auxquels l'établissement de crédit entend recourir.]1

  
Art.314. De in de artikelen 312 en 313 bedoelde kredietinstellingen moeten bij de uitoefening van hun bedrijf in België, naast hun naam, hun staat van herkomst vermelden en in het geval bedoeld in artikel 313, hun maatschappelijke zetel.
Art.314. Les établissements de crédit visés aux articles 312 et 313 font, dans l'exercice de leur activité en Belgique, accompagner leur dénomination de la mention de leur Etat d'origine et, dans le cas de l'article 313, de leur siège social.
HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening
CHAPITRE II. - De l'exercice de l'activité
Art.315. § 1. De bepalingen van deze Titel doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van de werkzaamheden die voorkomen in de lijst van artikel 4, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op de kredietinstellingen en hun verrichtingen, om redenen van algemeen belang.
  De Bank deelt aan de in artikel 312 bedoelde kredietinstellingen mee welke bepalingen naar haar weten van algemeen belang zijn. Zij wint hiervoor het advies in van de FSMA.
  De bepalingen van deze Titel doen evenmin afbreuk aan de naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op andere werkzaamheden dan deze vermeld in de lijst van artikel 4.
  § 2. [2 Artikel 64 is van toepassing op de in artikel 312 bedoelde bijkantoren.]2
  
Art.315. § 1er. Les dispositions du présent Titre ne portent pas préjudice au respect, dans l'exercice des activités reprises à la liste prévue à l'article 4, des dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux établissements de crédit et à leurs opérations pour des raisons d'intérêt général.
  La Banque donne aux établissements de crédit visés à l'article 312 communication des dispositions qui, à sa connaissance, ont ce caractère. Elle recueille à cet effet l'avis de la FSMA.
  Les dispositions du présent Titre ne portent pas davantage préjudice au respect des dispositions légales et réglementaires applicables, en Belgique, aux activités autres que celles reprises à la liste prévue à l'article 4.
  § 2. [2 L'article 64 est applicable aux succursales visées à l'article 312.]2
  
Art.316. [1 De leiders van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren brengen minstens om de twee jaar verslag uit aan de Bank en de erkende revisor of revisorenvennootschap over de naleving van artikel 315 en over de genomen passende maatregelen.
   Leiders van significante bijkantoren brengen het in het eerste lid bedoelde verslag minstens eenmaal per jaar uit.]1

  
Art.316. [1 Les dirigeants des succursales visées à l'article 312 font rapport au moins une fois tous les deux ans à la Banque et au réviseur agréé ou à la société de réviseurs agréée sur le respect de l'article 315 et sur les mesures adéquates prises.
   Lorsqu'il s'agit de succursales d'importance significative, leurs dirigeants effectuent le rapport visé à l'alinéa 1er au moins une fois par an.]1

  
HOOFDSTUK III. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
CHAPITRE III. - Informations périodiques et règles comptables
Art.317. De in artikel 312 bedoelde kredietinstellingen bezorgen de toezichthouder, in de vorm en volgens de frequentie die hij bepaalt, periodieke verslagen over de verrichtingen in België, die hun aldaar gevestigde bijkantoren uitvoeren. Het bepaalde bij artikel 106, § 2 is van overeenkomstige toepassing.
  Deze verslagen mogen enkel worden gebruikt voor statistische doeleinden of om de toezichthouder toe te laten zijn toezichtstaken als bedoeld in deze Titel, uit te voeren.
  De toezichthouder kan in het bijzonder informatie verlangen van de kredietinstellingen bedoeld in het eerste lid om te kunnen beoordelen of hun in België gevestigd bijkantoor significant is in de zin van artikel 322.
Art.317. Les établissements de crédit visés à l'article 312 transmettent à l'autorité de contrôle, dans les formes et selon la périodicité que celle-ci détermine, des rapports périodiques relatifs aux opérations effectuées en Belgique par leurs succursales y établies. Les dispositions de l'article 106, § 2, s'appliquent par analogie.
  Ces rapports peuvent seulement être utilisés à des fins statistiques ou pour permettre à l'autorité de contrôle d'exercer ses missions de contrôle visées au présent Titre.
  L'autorité de contrôle peut, en particulier, exiger des établissements de crédit visés à l'alinéa 1er des informations permettant d'évaluer si leur succursale établie en Belgique revêt une importance significative au sens de l'article 322.
Art.318. De Koning bepaalt, na advies van de Bank, volgens welke regels de in artikel 312 bedoelde bijkantoren :
  1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen verrichten;
  2° hun jaarrekening opmaken;
  3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband met hun verrichtingen openbaar maken.
Art.318. Le Roi détermine, sur avis de la Banque, les règles selon lesquelles les succursales visées à l'article 312 :
  1° tiennent leur comptabilité et procèdent aux évaluations d'inventaire;
  2° établissent des comptes annuels;
  3° publient des informations comptables annuelles relatives à leurs opérations.
HOOFDSTUK IV. - Toezicht op de bijkantoren
CHAPITRE IV. - Du contrôle des succursales
Afdeling I. - De toezichthouder in zijn hoedanigheid van autoriteit van de lidstaat van ontvangst
Section Ire. - L'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de l'Etat membre d'accueil
Art.319. De in artikel 312 bedoelde bijkantoren staan onder het toezicht van de toezichthouder voor wat betreft de naleving van de artikelen 315, 317 en 318, voor zover de in deze bepalingen voorkomende aspecten onder de bevoegdheid vallen van de toezichthouder. [1 De artikelen 134 tot 136, 136/2 en 139 zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  
Art.319. Les succursales visées à l'article 312 sont soumises au contrôle de l'autorité de contrôle en ce qui concerne le respect des articles 315, 317 et 318 dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de l'autorité de contrôle. [1 Les articles 134 à 136, 136/2 et 139 sont applicables dans cette mesure.]1
  
Art.320. Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de instellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die in België of in andere lidstaten werkzaam zijn, met name via een bijkantoor, werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten.
  Daartoe verstrekt de toezichthouder, voor zover hij daarover beschikt, alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken instellingen die het toezicht op die instellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kunnen vergemakkelijken, alsmede alle gegevens die de monitoring van deze instellingen, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door de instelling gevormde systeemrisico, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen kunnen vergemakkelijken.
Art.320. En vue de surveiller l'activité des établissements relevant du droit d'un autre Etat membre opérant, notamment par le moyen d'une succursale, en Belgique ou dans d'autres Etats membres, l'autorité de contrôle collabore étroitement avec les autorités compétentes des autres Etats membres concernés.
  A cet effet, l'autorité de contrôle communique, pour autant qu'elle en dispose, toutes les informations relatives à la gestion et à la propriété de ces établissements susceptibles de faciliter leur surveillance et l'examen des conditions de leur agrément, ainsi que toutes les informations susceptibles de faciliter leur suivi, en particulier en matière de liquidité, de solvabilité, de garantie des dépôts, de limitation des grands risques, d'autres facteurs susceptibles d'influer sur le risque systémique représenté par l'établissement, d'organisation administrative et comptable et de mécanismes de contrôle interne.
Art.321. In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, kan de toezichthouder de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst vragen dat zij hem meedeelt en uitlegt hoe rekening werd gehouden met de inlichtingen en bevindingen die met toepassing van artikel 320 werden meegedeeld.
  Indien de toezichthouder na de mededeling van de inlichtingen en bevindingen van oordeel blijft dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen, kan hij, na de Europese Bankautoriteit en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst te hebben ingelicht, en zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor deze laatste om de zaak voor te leggen aan de Europese Bankautoriteit met toepassing van artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010, passende maatregelen treffen om verdere inbreuken te voorkomen om de belangen van deposanten, beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht, te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren.
Art.321. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil, peut requérir de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine qu'elle communique et explique comment les informations et constatations fournies en application de l'article 320 ont été prises en considération.
  Lorsque, à la suite de la communication d'informations et de constatations, l'autorité de contrôle considère que l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine n'a pas pris les mesures appropriées, elle peut, après en avoir informé l'Autorité bancaire européenne et l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, sans préjudice de la possibilité pour cette dernière de saisir l'Autorité bancaire européenne en application de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, prendre les mesures appropriées pour prévenir de nouvelles infractions afin de protéger l'intérêt des déposants, des investisseurs ou d'autres personnes à qui des services sont fournis ou de préserver la stabilité du système financier.
Afdeling II. - Significante bijkantoren
Section II. - Des succursales significatives
Art.322. § 1. De toezichthouder kan ofwel aan de consoliderende toezichthouder, ofwel aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst vragen om een in België gelegen bijkantoor als significant aan te merken in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU.
  Het verzoek vermeldt de redenen waarom het bijkantoor als significant moet worden aangemerkt, en met name :
  a) of het marktaandeel in deposito's van het bijkantoor in België meer dan 2 % bedraagt;
  b) wat de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beëindiging van de werkzaamheden van de instelling voor de liquiditeit van het systeem en de betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen in België zullen zijn;
  c) de omvang en het belang van het bijkantoor, wat het aantal cliënten betreft, binnen het Belgische bank- of financiële stelsel.
  § 2. Indien binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in paragraaf 1 geen gezamenlijk besluit wordt genomen, beslist de toezichthouder binnen een bijkomende termijn van twee maanden zelf of het in België gelegen bijkantoor significant is. Bij deze beslissing houdt de toezichthouder rekening met de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder of van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.
  Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en wordt aan de betrokken bevoegde autoriteiten toegezonden.
Art.322. § 1er. L'autorité de contrôle peut demander soit à l'autorité de surveillance sur base consolidée soit à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine qu'une succursale située en Belgique soit considérée comme d'importance significative au sens de l'article 51 de la Direcive 2013/36/UE.
  Cette demande est motivée, notamment au regard des éléments suivants :
  a) le fait que la part de marché détenue par la succursale en Belgique en termes de dépôts est supérieure à 2 %;
  b) l'incidence probable d'une suspension ou de l'arrêt des activités de l'établissement sur la liquidité systémique et les systèmes de paiement, de compensation et de règlement en Belgique;
  c) la taille et l'importance de la succursale du point de vue du nombre de clients, dans le contexte du système bancaire ou financier belge.
  § 2. Si aucune décision commune n'est prise dans un délai de deux mois à compter de la réception de la demande visée paragraphe 1er, l'autorité de contrôle se prononce elle-même dans un délai supplémentaire de deux mois sur l'importance significative de la succursale située en Belgique. L'autorité de contrôle prend sa décision en tenant compte des avis et réserves exprimés par l'autorité de surveillance sur base consolidée ou par l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine.
  La décision visée à l'alinéa 1er est dûment motivée et est communiquée aux autorités compétentes concernées.
Art.323. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, niet heeft geraadpleegd over de operationele maatregelen met betrekking tot liquiditeitsherstelplannen, of indien de toezichthouder na deze raadpleging van oordeel blijft dat de vereiste operationele maatregelen niet adequaat zijn, kan de toezichthouder de zaak voorleggen aan de Europese Bankautoriteit en haar overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 om bijstand verzoeken.
Art.323. Lorsque l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil d'une succursale significative, n'a pas été consultée par l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine sur les mesures opérationnelles en matière de plans de rétablissement de la liquidité, ou lorsque, après cette consultation, l'autorité de contrôle considère que les mesures opérationnelles requises en la matière ne sont pas adéquates, elle peut saisir l'Autorité bancaire européenne et demander son assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Afdeling III. - Controle ter plaatse
Section III. - Du contrôle sur place
Art.324. Na de toezichthouder daarvan in kennis te hebben gesteld, kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in voorkomend geval met inschakeling van door haar daartoe gemachtigde personen controles en inspecties ter plaatse uitvoeren bij de bijkantoren bedoeld in artikel 312, met het oog op het verzamelen of controleren van inlichtingen betreffende het bestuur en de leiding van het bijkantoor, alsook alle inlichtingen die het toezicht op de kredietinstelling, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, kunnen vergemakkelijken.
  De toezichthouder mag op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de kredietinstelling, als een vorm van bijstand aan deze autoriteit, bij deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het eerste lid als op de in artikel 319 bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten voor deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die daarom verzoekt.
Art.324. Moyennant l'information de l'autorité de contrôle, l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine est habilitée, le cas échéant par l'intermédiaire de personnes qu'elle mandate, à procéder à des contrôles et inspections sur place auprès des succursales visées à l'article 312 en vue de recueillir ou de vérifier les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de l'établissement de crédit, spécialement en matière de liquidité, de solvabilité, de garantie des dépôts, de limitation des grands risques, d'organisation administrative et comptable et de contrôle interne.
  L'autorité de contrôle peut accepter de se charger, à la demande de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'établissement de crédit, d'effectuer auprès de ces succursales des inspections dans un but d'assistance à cette autorité, portant tant sur les matières visées à l'alinéa 1er que sur celles visées à l'article 319. Les frais entraînés par ces inspections et vérifications sont à la charge de l'autorité requérante.
Art.325. [1 Na raadpleging van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan de toezichthouder, geval per geval, controles en inspecties ter plaatse uitvoeren met betrekking tot de werkzaamheden van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren en, voor toezichtsdoeleinden, van de bijkantoren informatie verlangen over hun werkzaamheden, indien hij dit om redenen van stabiliteit van het Belgische financiële stelsel relevant acht. Na deze controles en inspecties stelt de toezichthouder de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de verkregen informatie en de bevindingen die relevant zijn voor de beoordeling van de risico's van de instelling of voor de stabiliteit van het Belgische financiële stelsel.]1
  
Art.325. [1 Moyennant consultation de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, l'autorité de contrôle peut effectuer, au cas par cas, des contrôles et des inspections sur place des activités exercées par les succursales visées à l'article 312 et exiger d'elles des informations sur ses activités à des fins de surveillance, lorsqu'elle l'estime pertinent aux fins de la stabilité du système financier en Belgique. Après ces contrôles et inspections, l'autorité de contrôle communique à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine les informations obtenues et les constatations établies qui sont pertinentes pour l'évaluation des risques de l'établissement ou pour la stabilité du système financier belge.]1
  
Art.326. § 1. De leiders van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren stellen voor een hernieuwbare termijn van drie jaar een of meer door de Bank erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan.
  De artikelen 223 en 224, eerste tot vierde lid, zijn van toepassing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van zijn of haar opdracht te ontslaan, moet het advies van de toezichthouder worden ingewonnen.
  § 2. De overeenkomstig paragraaf 1 aangestelde erkende revisoren of revisorenvennootschappen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de toezichthouder, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de toezichthouder. Daartoe :
  1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen tot naleving van de wetten, besluiten en reglementen die op grond van artikel 315 van toepassing zijn op de bijkantoren, en delen zij hun bevindingen mee aan de toezichthouder;
  2° brengen zij verslag uit bij de toezichthouder over :
  a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de in artikel 312 bedoelde bijkantoren aan het einde van het eerste halfjaar aan de toezichthouder bezorgen waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze exact overeenstemmen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
  b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de in artikel 312 bedoelde bijkantoren aan het einde van het boekjaar aan de toezichthouder bezorgen waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen.
  Zij kunnen door de toezichthouder, al dan niet op verzoek van de Europese Centrale Bank in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, worden gelast de gegevens te bevestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken, met name met toepassing van artikel 317;
  3° brengen zij bij de toezichthouder, op zijn verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de bijkantoren met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de toezichthouder bevoegd is;
  4° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de toezichthouder, inzake aspecten waarvoor hij bevoegd is alsook in het kader van de samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, zodra zij kennis krijgen van :
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van het bijkantoor financieel of op het vlak van zijn administratieve en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beïnvloeden;
  b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de voorschriften van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in België van toepassing zijn, voor zover de in deze voorschriften bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid van de toezichthouder behoren;
  5° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden;
  [2 6° maken zij jaarlijks aan de toezichthouder een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 21, § 1/1, hebben vastgesteld.]2
  Tegen erkende revisoren die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de verslagen mee die zij aan de toezichthouder richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht als geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de toezichthouder een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op aspecten waarvoor de toezichthouder toezichtsbevoegdheid heeft.
  In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren en revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.
  [2 ...]2
  Op verzoek en op kosten van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van het bijkantoor, mogen zij als een vorm van bijstand en na voorafgaande kennisgeving aan de toezichthouder in dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen 319 en 320, tweede lid bedoelde aspecten.
  § 3. De erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen certificeren de krachtens artikel 318, 3° openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoudkundige gegevens.
  [1 § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de bijkantoren van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 312 die behoren tot de categorie bedoeld in 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid wanneer zij geen geldmiddelen en/of financiële instrumenten van cliënten in ontvangst mogen nemen.]1
  
Art.326. § 1er. Les dirigeants des succursales visées à l'article 312 désignent, pour des durées renouvelables de trois ans, un ou plusieurs reviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées par la Banque.
  Les articles 223 et 224, alinéas 1er à 4 sont applicables à ces reviseurs et sociétés. La révocation des fonctions des reviseurs agréés et sociétés de reviseurs agréées est soumise à l'avis préalable de l'autorité de contrôle.
  § 2. Les reviseurs agréés ou sociétés de reviseurs désignées conformément au paragraphe 1er collaborent au contrôle exercé par l'autorité de contrôle, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de l'autorité de contrôle. A cette fin,
  1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue du respect des lois, arrêtés et règlements applicables aux succursales en vertu de l'article 315, et ils communiquent leurs conclusions à l'autorité de contrôle;
  2° ils font rapport à l'autorité de contrôle sur :
  a) les résultats de l'examen limité des états périodiques transmis par les succursales visées à l'article 312 à l'autorité de contrôle à la fin du premier semestre social, confirmant qu'ils n'ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n'ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de l'autorité de contrôle. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également n'avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n'ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice; l'autorité de contrôle peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés;
  b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les succursales visées à l'article 312 à l'autorité de contrôle à la fin de l'exercice social, confirmant que ces états périodiques ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de l'autorité de contrôle. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels; l'autorité de contrôle peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés.
  Ils peuvent être chargés par l'autorité de contrôle, à la demande ou non de la Banque centrale européenne agissant en sa qualité d'autorité monétaire, de confirmer, de même, les informations que les succursales sont tenues de communiquer à ces autorités notamment par application de l'article 317;
  3° ils font à l'autorité de contrôle, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière des succursales dans les domaines de compétence de l'autorité de contrôle à l'égard de celles-ci;
  4° ils font d'initiative rapport à l'autorité de contrôle dans les domaines de compétence de celle-ci ainsi qu'en vue de la collaboration avec l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, dès qu'ils constatent :
  a) des décisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de la succursale sous l'angle financier ou sous l'angle de son organisation administrative et comptable ou son contrôle interne;
  b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des autres lois et règlements applicables à leur activité en Belgique dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de l'autorité de contrôle;
  5° ils font rapport à la Banque, sur la demande de celle-ci, lorsqu'elle est saisie par une autre autorité belge de violations à des législations d'intérêt général applicables à la succursale.
  [2 6° ils transmettent chaque année à l'autorité de contrôle une déclaration précisant s'ils ont (ou non) constaté des mécanismes particuliers au sens de l'article 21, § 1er/1.]2
  Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les reviseurs agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 4° de l'alinéa 1er.
  Ils communiquent aux dirigeants de la succursale les rapports qu'ils adressent à l'autorité de contrôle conformément à l'alinéa 1er, 3°. Ces communications tombent sous le secret prévu par l'article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à l'autorité de contrôle copie des communications qu'ils adressent à ces dirigeants sur des questions rentrant dans le domaine de contrôle de la l'autorité de contrôle.
  Dans les succursales où un conseil d'entreprise est institué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, les reviseurs ou sociétés de reviseurs agréées assurent les fonctions prévues par l'article 15bis de cette loi
  [2 ...]2
  Ils peuvent, moyennant l'information préalable de l'autorité de contrôle, accepter de se charger, à la demande et aux frais de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de la succursale, d'effectuer auprès de cette succursale dans un but d'assistance à cette autorité, des vérifications portant sur les matières visées aux articles 319 et 320, alinéa 2.
  § 3. Les reviseurs agréés ou sociétés de reviseurs agréées certifient les informations comptables annuelles publiées en vertu de l'article 318, 3°.
  [1 § 4. Le présent article n'est pas applicable aux succursales d'établissements de crédit visés à l'article 312 relevant de la catégorie visée au 2°, de l'article 1er, § 3, alinéa 1er lorsqu'elles ne sont pas autorisées à recevoir des fonds et/ou des instruments financiers de clients.]1
  
HOOFDSTUK V. - Uitzonderingsmaatregelen
CHAPITRE V. - Des mesures exceptionnelles
Art.327. § 1. In het kader van de samenwerking bedoeld in artikel 320, eerste lid, deelt de toezichthouder, indien hij er kennis van heeft, eveneens mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst dat de kredietinstelling die een bijkantoor in België heeft of die aldaar werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, niet voldoet aan de bepalingen van het nationaal recht van de lidstaat van herkomst die de omzetting vormen van Richtlijn 2013/36/EU of Verordening nr. 575/2013, of dreigt er niet langer aan te voldoen.
  § 2. Indien de toezichthouder van oordeel is dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geen maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie of het risico op een onregelmatige situatie, bedoeld in paragraaf 1, af te wenden, kan hij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de Europese Bankautoriteit voorleggen en haar om bijstand verzoeken.
Art.327. § 1er. Dans le cadre de la collaboration visée à l'article 320, alinéa 1er, l'autorité de contrôle informe également, lorsqu'elle en a connaissance, l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de ce que l'établissement de crédit ayant une succursale ou opérant par voie de libre prestation de services en Belgique ne respecte pas, ou risque de ne plus respecter, les dispositions du droit national de l'Etat membre d'origine transposant la Directive 2013/36/UE, ou le Règlement n° 575/2013.
  § 2. Si l'autorité de contrôle considère que l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine n'a pas pris les mesures en vue de remédier à la situation de non-conformité ou de risque de non-conformité visée au paragraphe 1er, elle peut saisir l'Autorité bancaire européenne et demander son assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Art.328. § 1. Alvorens de in artikel 327 bedoelde procedure toe te passen, kan de toezichthouder in noodsituaties, in afwachting van maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of van saneringsmaatregelen van de administratieve of gerechtelijke autoriteiten van deze lidstaat, en zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de betrokken autoriteiten om de zaak voor te leggen aan de Europese Bankautoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010, alle bewarende maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om bescherming te bieden tegen financiële instabiliteit die een ernstige bedreiging van de collectieve belangen van deposanten, beleggers en cliënten in België zou vormen.
  Deze maatregelen kunnen bestaan in de maatregelen bedoeld in artikel 236, § 1, 1°, 2°, 4° en §§ 2 en 3.
  § 2. De toezichthouder maakt een einde aan de maatregelen bedoeld in paragraaf 1 zodra deze niet langer verantwoord blijken. Bovendien hebben deze maatregelen niet langer rechtswerking wanneer de saneringsmaatregelen die door de administratieve of rechterlijke autoriteiten van de lidstaat van herkomst zijn vastgesteld, rechtswerking hebben in de lidstaat van herkomst.
  § 3. De Europese Commissie, de Europese Bankautoriteit en de overige betrokken bevoegde autoriteiten worden op de hoogte gebracht van de met toepassing van paragraaf 1 getroffen maatregelen.
Art.328. § 1er. Avant d'appliquer la procédure visée à l'article 327, l'autorité de contrôle peut, en situation d'urgence et dans l'attente des mesures à arrêter par les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine ou des mesures d'assainissement prises par les autorités administratives ou judiciaires de cet Etat, et sans préjudice de la possibilité pour les autorités concernées de saisir l'Autorité bancaire européenne en application de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, prendre toute mesure conservatoire nécessaire pour assurer une protection contre l'instabilité du système financier susceptible de menacer gravement les intérêts collectifs des déposants, investisseurs et clients en Belgique.
  Ces mesures peuvent consister dans les mesures visées à l'article 236, § 1er, 1°, 2°, 4° et §§ 2 et 3.
  § 2. L'autorité de contrôle met fin aux mesures visées au paragraphe 1er dès que celles-ci ne s'avèrent plus justifiées. En outre, ces mesures cessent de produire leurs effets lorsque des mesures d'assainissement adoptées par les autorités administratives ou judiciaires de l'Etat membre d'origine produisent leurs effets dans l'Etat membre d'origine.
  § 3. La Commission européenne, l'Autorité bancaire européenne et les autres autorités compétentes concernées sont informées des mesures adoptées en application du paragraphe 1er.
Art.329. § 1. Onverminderd artikel 327, wanneer de toezichthouder in voorkomend geval op grond van informatie van de FSMA, duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat een kredietinstelling die in België door middel van het vrij verrichten van diensten werkzaamheden uitoefent, of een kredietinstelling met een bijkantoor in België de verplichtingen schendt die voortvloeien uit de [2 met toepassing van Richtlijn 2014/65/EU [3 , Verordening nr. 600/2014 en Verordening 2017/565]3]2 vastgestelde bepalingen, waarbij aan de toezichthouder of de FSMA geen bevoegdheden worden verleend, stelt hij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze bevindingen in kennis.
  Indien de kredietinstelling, in weerwil van de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in België of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, kan de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, maatregelen treffen of doen treffen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Ten aanzien van bijkantoren gaat het, met name, om de in artikel 236, § 1, 1°, 2°, 4° en §§ 2 en 3 van de wet bedoelde maatregelen; ten aanzien van kredietinstellingen die bedrijvig zijn via het verrichten van diensten betreft het, met name, de in artikel 236, § 1, 4° en §§ 2 en 3 bedoelde maatregelen. [2 De Europese Commissie en Europese Autoriteit voor effecten en markten worden onmiddellijk van deze maatregelen in kennis gesteld]2.
  [2 In het in het tweede lid bedoelde geval kan de toezichthouder de zaak voorleggen aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1095/2010.]2
  § 2. Onverminderd artikel 327, wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de toezichthouder behoren, [4 of indien de Bank kennis heeft van een bijzonder mechanisme in de zin van artikel 21, § 1/1,]4 maant hij de kredietinstelling aan om, binnen de termijn die hij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
  Wanneer de FSMA vaststelt dat een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de FSMA behoren, maant zij de kredietinstelling aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
  [2 ...]2.
  § 3. Wanneer de in paragraaf 2 bedoelde overtredingen van een bijkantoor blijven aanhouden, kan de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen of doen treffen, met name de maatregelen waarin voorzien is in artikel 236, § 1, 1°, 2° en 4°. In dat geval is artikel 236, §§ 2 tot 6 van toepassing.
  Wanneer de in paragraaf 2 bedoelde overtredingen van een kredietinstelling die bedrijvig is via het verrichten van diensten, blijven aanhouden, kan de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de in paragraaf 2 bedoelde bevoegde autoriteit hiervan in kennis te hebben gesteld, deze instelling verbieden om nog nieuwe verrichtingen in België uit te voeren. Hij kan de geldigheidsduur van dit verbod beperken en het opheffen, in voorkomend geval op basis van artikel 236, § 1, 4° en §§ 2 en 3. Dit lid is eveneens van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 236, § 5.
  [2 Indien de in paragraaf 2, eerste en tweede lid bedoelde overtredingen van een kredietinstelling, in weerwil van deze maatregelen, blijven aanhouden, neemt de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige maatregelen om de deposanten, de beleggers en andere cliënten en de goede werking van de markten te beschermen.]2
  § 4. De toezichthouder deelt aan de Europese Commissie [2 en aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten]2, volgens de frequentie die [2 eerstgenoemde]2 bepaalt, mee hoeveel en welke soort maatregelen zijn getroffen overeenkomstig paragraaf 3.
  § 5. De toezichthouder kan, op verzoek van de ter zake bevoegde autoriteit, de paragrafen 2 en 3 toepassen op een in artikel 312 of 313 bedoelde kredietinstelling, wanneer zij in België handelingen heeft gesteld die strijdig zijn met wettelijke of reglementaire bepalingen die, om redenen van algemeen belang, gelden op andere gebieden dan [1 bedoeld in artikel 317]1.
  § 6. [1 ...]1
  § [1 6]1. (vroeger § 7) De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de [1 met toepassing van de paragrafen 2 tot 5]1 genomen maatregelen.
  De FSMA brengt de toezichthouder op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van artikel 36 van de wet van 2 augustus 2002 werden genomen ten aanzien van de bijkantoren.
  
Art.329. § 1er. Sans préjudice de l'article 327, lorsque l'autorité de contrôle, se fondant le cas échéant sur des informations fournies par la FSMA, a des raisons claires et démontrables d'estimer qu'un établissement de crédit opérant dans le cadre du régime de la libre prestation de services en Belgique ou ayant une succursale en Belgique viole des obligations découlant de dispositions arrêtées [2 en application de la Directive 2014/65/UE [3 , du Règlement n° 600/2014 et du Règlement 2017/565]3]2 et que lesdites dispositions ne confèrent pas de pouvoirs à l'autorité de contrôle ou à la FSMA, elle en fait part à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine.
  Si, en dépit des mesures prises par l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine ou en raison du caractère inadéquat de ces mesures, l'établissement de crédit concerné continue d'agir d'une manière clairement préjudiciable aux intérêts des investisseurs en Belgique ou au fonctionnement ordonné des marchés, l'autorité de contrôle, le cas échéant à la demande de la FSMA, peut, après en avoir informé l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, prendre ou faire prendre des mesures pour protéger les investisseurs ou pour préserver le bon fonctionnement des marchés. Il s'agit notamment, à l'égard des succursales, des mesures visées à l'article 236, § 1er, 1°, 2°, 4° et §§ 2 et 3, de la loi; à l'égard des établissements de crédit opérant par voie de prestation de services, il s'agit notamment des mesures visées à l'article 236, § 1er, 4°, et §§ 2 et 3. [2 La Commission européenne et l'Autorité européenne des marchés financiers sont informées sans délai de l'adoption de ces mesures]2.
  [2 Dans le cas visé à l'alinéa 2, l'autorité de contrôle peut saisir l'Autorité européenne des marchés financiers et demander son assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1095/2010.]2
  § 2. Sans préjudice de l'article 327, lorsque l'autorité de contrôle constate qu'un établissement de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre opérant en Belgique par la voie d'une succursale ou de prestation de services ne se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de l'autorité de contrôle, [4 ou si la Banque a connaissance d'un mécanisme particulier au sens de l'article 21, § 1er/1,]4 elle met l'établissement de crédit en demeure de remédier, dans le délai qu'elle détermine, à la situation constatée.
  Lorsque la FSMA constate qu'un établissement de crédit relevant d'un autre Etat membre et opérant en Belgique par la voie d'une succursale ou de prestation de services ne se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la FSMA, elle met l'établissement de crédit en demeure de remédier, dans le délai qu'elle détermine, à la situation constatée.
  [2 ...]2.
  § 3. En cas de persistance des manquements visés au paragrahe 2 dans le chef d'une succursale, l'autorité de contrôle, le cas échéant, à la demande de la FSMA, peut, après en avoir avisé l'autorité compétente de l'Etat d'origine, prendre ou faire prendre les mesures appropriées notamment celles prévues par l'article 236, § 1er, 1°, 2°, 4°. Dans ce cas, l'article 236, §§ 2 à 6, est d'application
  En cas de persistance des manquements visés au paragraphe 2 dans le chef d'un établissement de crédit opérant par voie de prestation de services, l'autorité de contrôle, le cas échéant, à la demande de la FSMA, peut, après en avoir avisé l'autorité compétente visée au paragraphe 2, faire interdiction à cet établissement d'effectuer de nouvelles opérations en Belgique. Elle peut limiter la durée de validité de cette interdiction et la révoquer, le cas échéant, sur base de l'article 236, § 1er, 4°, et §§ 2 et 3. Le présent alinéa est également applicable dans les cas visés à l'article 236, § 5.
  [2 Si, en dépit de ces mesures, les manquements visés au paragraphe 2, alinéas 1er et 2, persistent dans le chef d'un établissement de crédit, l'autorité de contrôle, le cas échéant à la demande de la FSMA, prend, après en avoir informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine de l'établissement de crédit, toutes les mesures appropriées pour protéger les déposants, les investisseurs et autres clients et pour préserver le bon fonctionnement des marchés.]2
  § 4. L'autorité de contrôle communique à la Commission européenne [2 et à l'Autorité européenne des marchés financiers]2, selon la périodicité fixée par [2 la première]2, le nombre et la nature des mesures prises conformément au paragraphe 3.
  § 5. La Banque peut, à la demande des autorités compétentes en ces matières, faire application des paragraphes 2 et 3 à l'égard d'un établissement de crédit visé à l'article 312 ou à l'article 313 lorsqu'il a accompli en Belgique des actes contraires aux dispositions législatives ou réglementaires applicables pour des raisons d'intérêt général dans des domaines autres que ceux [1 visés à l'article 317]1.
  § 6. [1 ...]1
  § [1 6]1. (ancien § 7) La Banque informe la FSMA des mesures prises [1 par application des paragraphes 2 à 5]1.
  La FSMA informe l'autorité de contrôle des mesures qui ont été prises à l'égard de succursales, par application de l'article 36 de la loi du 2 août 2002.
  
Art.330. Bij intrekking of herroeping van de vergunning van een kredietinstelling door de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst, beveelt de toezichthouder, na deze autoriteit hiervan in kennis te hebben gesteld, de sluiting van het bijkantoor dat deze instelling in België heeft gevestigd. Hij kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die waakt over de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de schuldeisers alle bewarende maatregelen te treffen.
Art.330. En cas de radiation ou de révocation de l'agrément de l'établissement de crédit par l'autorité compétente de son Etat membre d'origine, l'autorité de contrôle ordonne, après en avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que cet établissement a établie en Belgique. Elle peut désigner un gérant provisoire qui s'assure des avoirs de la succursale en attendant qu'il soit statué sur leur destination, et qui est habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l'intérêt des créanciers.
HOOFDSTUK VI. - Situaties waarin de werkzaamheden in België worden uitgeoefend door een instelling die onder een deelnemende lidstaat ressorteert
CHAPITRE VI. - Des situations où l'exercice des activités est effectué en Belgique par un établissement relevant du droit d'un Etat membre participant
Art.331. § 1. Voor de aangelegenheden die zijn toevertrouwd aan de Europese Centrale Bank met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, in de gevallen waar een kredietinstelling die onder een deelnemende lidstaat ressorteert, in België een bijkantoor wenst te vestigen of werkzaamheden wenst aan te vatten in het kader van het vrij verrichten van diensten, zijn de bepalingen met betrekking tot de procedures tussen bevoegde autoriteiten en de daaraan verbonden bevoegdheden niet van toepassing.
  § 2. Wat betreft het toezicht op een bijkantoor of de werkzaamheden uitgeoefend in België in het kader van het vrij verrichten van diensten in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, zijn de bepalingen inzake samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten, evenals artikel 330, niet van toepassing, wanneer de Europese Centrale Bank de enige betrokken bevoegde autoriteit is.
  § 3. Evenzo, indien de Europese Centrale Bank de bevoegde autoriteit is voor een kredietinstelling die onder een deelnemende lidstaat ressorteert en die een bijkantoor heeft in België, verricht zij geen evaluatie van dit bijkantoor met het oog op de aanmerking ervan als significant bijkantoor in de zin van artikel 322 van deze wet.
Art.331. § 1er. Pour les matières qui sont confiées à la Banque centrale européenne en application de l'article 4 du Règlement MSU, dans les cas où un établissement de crédit relevant du droit d'un Etat membre participant projette d'établir une succursale en Belgique ou d'exercer des activités en Belgique dans le cadre de la libre prestation de services, les dispositions relatives aux procédures entre autorités compétentes et les compétences y afférentes ne sont pas d'application.
  § 2. S'agissant du contrôle d'une succursale ou des activités exercées en Belgique dans le cadre de la libre prestation de services dans les cas visés au paragraphe 1er, les dispositions en matière de coopération et d'échange d'informations entre autorités compétentes ainsi que l'article 330 ne sont pas d'application lorsque la Banque centrale européenne est la seule autorité compétente impliquée.
  § 3. De même, lorsque la Banque centrale européenne est l'autorité compétente d'un établissement de crédit relevant du droit d'un Etat membre participant disposant d'une succursale en Belgique, elle ne procède pas à l'évaluation de cette succursale en vue de sa qualification en tant que succursale d'importance significative au sens de l'article 322 de la présente loi.
HOOFDSTUK VII. - Gespecialiseerde dochterondernemingen van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren
CHAPITRE VII. - Des filiales spécialisées d'établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre
Art.332. Financiële instellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die ten aanzien van kredietinstellingen die onder deze lidstaat ressorteren en naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten van die staat, voldoen aan de voorwaarden die overeenstemmen met deze bedoeld in artikel 92, eerste lid, zoals bepaald in het nationaal recht van de betrokken lidstaat, kunnen verzoeken om toepassing van de Hoofdstukken I tot V van deze Titel.
Art.332. Les établissements financiers relevant du droit d'un autre Etat membre et qui répondent, à l'égard d'établissements de crédit relevant du droit de cet Etat et de l'avis des autorités compétentes de cet Etat, aux conditions correspondant à celles visées à l'article 92, alinéa 1er, telles que prévues par le droit national de l'Etat membre concerné, peuvent demander le bénéfice de l'application des Chapitres Ier à V du présent Titre.
TITEL II. - Bijkantoren in België van kredietinstellingen van derde landen
TITRE II. - Succursales en Belgique d'établissements de crédit de pays tiers
HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in België
CHAPITRE Ier. - De l'accès à l'activité en Belgique
Art.333. § 1. Alvorens een bijkantoor te openen om hun werkzaamheden in België uit te oefenen, moeten de kredietinstellingen die onder een derde land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid een vergunning werd verleend in dit derde land, een vergunning verkrijgen van de Bank.
  In dit verband zijn de volgende artikelen van toepassing :
  1° de artikelen 8, 9, 12, 13 en 15, met dien verstande dat
  - de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft om zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag,
  - de verwijzing naar artikel 9 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert,
  - de kredietinstellingen in hun land van herkomst de toestemming moeten hebben verkregen om de werkzaamheden uit te oefenen die in hun programma van werkzaamheden zijn opgenomen;
  2° artikel 14, eerste lid, met dien verstande dat de in deze Titel bedoelde bijkantoren in een bijzondere rubriek van de lijst worden vermeld;
  3° artikel 16, met dien verstande dat artikel 16 van toepassing is op de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert. Er kan evenwel een vergunning worden verleend aan bijkantoren van instellingen met rechtspersoonlijkheid die geen [5 vennootschappen]5 zijn;
  4° artikel 17, eerste en tweede lid, waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen door een dotatie waarvan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, het bedrag kan bepalen, evenals de bestanddelen en de voorwaarden voor de overeenstemmende activa, met name vanuit het oogpunt van hun locatie in België;
  5° [7 de artikelen 18 tot 22, 36, 41 en 42/1, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 18 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert en de verwijzing naar de artikelen 19 tot 22, 36, 41 en 42/1 voor het bijkantoor in België;]7
  6° [6 artikel 44, voor zover de kredietinstelling niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een depositobeschermingsregeling en/of een beleggersbeschermingsregeling van haar land van herkomst als door de Belgische depositobeschermingsregeling en/of door de Belgische beleggersbeschermingsregeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau;]6
  [1 7° artikel 59, met dien verstande dat de leiders van het bijkantoor als het directiecomité worden beschouwd.]1
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 kan aan een bijkantoor van een kredietinstelling die onder een derde land ressorteert slechts een vergunning worden toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
  1° de kredietinstelling is in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij Richtlijn 2013/36/EU en Verordening nr. 575/2013 wordt geregeld;
  2° de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een derde land een samenwerkingsovereenkomst ondertekend voor de uitwisseling van informatie om op de werkzaamheden van het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis van de kredietinstelling en van de groep waartoe zij behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie en de risico's die voortvloeien uit haar werkzaamheden, in het bijzonder de risico's ten aanzien van de schuldeisers van het Belgische bijkantoor, met name haar deposanten;
  [3 3° de wetgeving en de praktijken van de autoriteit van een derde land die de vergunning aan de kredietinstelling heeft verleend in haar derde land van herkomst, zijn in overeenstemming met de Internationale normen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie van de Financiële Actiegroep (FAG).]3
  [4 4° het derde land van herkomst waar de kredietinstelling is gevestigd, heeft met België een overeenkomst gesloten die voldoet aan de normen van artikel 26 van het modelverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake dubbele belasting naar inkomen en vermogen, die doeltreffende informatie-uitwisseling betreffende fiscale aangelegenheden, inclusief een eventuele multilaterale overeenkomst die voldoet aan het voornoemde artikel 26, waarborgt.]4
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan de internationale overeenkomsten die België binden, kan de Bank een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een kredietinstelling die ressorteert onder een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt aan kredietinstellingen naar Belgisch recht.
  § 4. De Bank kan een vergunning weigeren aan een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de spaarders [2 of de beleggers]2 of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening worden gehouden met de volgende criteria :
  - het feit dat de kredietinstelling in het derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het bijkantoor voorgenomen werkzaamheden niet effectief uitoefent;
  - het belang van het bijkantoor in verhouding tot de omvang van de kredietinstelling.
  § 5. Alvorens zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag van een bijkantoor, raadpleegt de Bank de betrokken autoriteit van het derde land.
  
Art.333. § 1er. Les établissements de crédit relevant du droit d'un pays tiers dûment agréés en cette qualité dans ce pays doivent, avant d'ouvrir une succursale en vue d'exercer leurs activités en Belgique, se faire agréer auprès de la Banque.
  A cette fin, sont applicables :
  1° les articles 8, 9, 12, 13 et 15, étant entendu que
  - la Banque est exclusivement compétente pour statuer sur la demande d'agrément,
  - la référence faite à l'article 9 vaut pour l'établissement de crédit dont relève la succursale,
  - les établissements de crédit doivent être autorisés dans leur pays d'origine à exercer les activités contenues dans leur programme d'activités;
  2° l'article 14, alinéa 1er, les succursales visées au présent Titre étant mentionnées à une rubrique spéciale de la liste;
  3° l'article 16, étant entendu que l'article 16 s'applique à l'établissement de crédit dont relève la succursale. Toutefois, peuvent être agréées des succursales d'institutions dotées de la personnalité juridique mais n'ayant pas la forme [5 de société]5;
  4° l'article 17, alinéas 1er et 2, le capital initial étant remplacé par une dotation dont la Banque peut déterminer, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le montant, les éléments constitutifs et les conditions relatives aux actifs correspondants, notamment sous l'angle de leur localisation en Belgique;
  5° [7 les articles 18 à 22, 36, 41 et 42/1, étant entendu que la référence faite à l'article 18 vaut pour l'établissement de crédit dont relève la succursale et que la référence faite aux articles 19 à 22, 36, 41 et 42/1 vaut pour la succursale en Belgique ;]7
  6° [6 l'article 44, dans la mesure où l'établissement de crédit ne peut établir que les engagements de sa succursale belge sont couverts par un système de protection des dépôts et/ou un système de protection des investisseurs de son pays d'origine dans une mesure au moins équivalente à celle résultant du système belge de protection des dépôts et/ou du système belge de protection des investisseurs quant aux actifs couverts et au niveau de couverture prévu ;]6
  [1 7° l'article 59, étant entendu que les dirigeants de la succursale sont considérés comme le comité de direction.]1
  § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l'octroi d'un agrément à une succursale d'un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers est également soumis au respect des conditions suivantes :
  1° l'établissement de crédit est soumis, dans son pays d'origine, à un contrôle prudentiel de nature équivalente à celui organisé par la Directive 2013/36/UE et le Règlement n° 575/2013;
  2° la Banque a signé avec l'autorité de pays tiers concernée un accord de coopération impliquant un échange d'informations lui permettant d'exercer un contrôle efficace des activités de la succursale belge. La Banque peut déroger au respect de cette condition si, au regard du cas d'espèce, elle estime que celle-ci n'est pas de nature à améliorer substantiellement la connaissance de l'établissement de crédit, en ce compris du groupe auquel il appartient, sous l'angle de son organisation et des risques générés par ses activités, spécialement les risques à l'égard des créanciers de la succursale belge, notamment ses déposants;
  [3 3° l'autorité de pays tiers qui a octroyé l'agrément à l'établissement de crédit dans son pays tiers d'origine l'a octroyé alors que sa législation et ses pratiques sont en conformité avec les Normes internationales sur la lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme et de la prolifération du Groupe d'action financière (GAFI).]3
  [4 4° le pays tiers d'origine dans lequel est établi l'établissement de crédit a signé avec la Belgique un accord conforme aux normes énoncées à l'article 26 du modèle de l'Organisation de Coopération et de Développement Economiques (OCDE) de convention fiscale concernant le revenu et la fortune et garantissant un échange efficace de renseignements en matière fiscale, y compris, le cas échéant, un accord multilatéral conforme audit article 26.]4
  § 3. Sans préjudice des Accords internationaux liant la Belgique, la Banque peut refuser d'agréer la succursale d'un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers qui n'accorde pas les mêmes possibilités d'accès à son marché aux établissements de crédit de droit belge.
  § 4. La Banque peut refuser l'agrément d'une succursale visée par le présent Titre si elle estime que la protection des épargnants [2 ou des investisseurs]2 ou la gestion saine et prudente de l'établissement ou encore la stabilité du système financier requiert la constitution d'une société de droit belge. Une telle décision peut notamment tenir compte des critères suivants :
  - l'absence d'exercice effectif par l'établissement de crédit dans le pays tiers, ou au sein du groupe auquel appartient l'établissement de crédit, des activités projetées par la succursale;
  - l'importance de la succursale par rapport à la taille de l'établissement de crédit.
  § 5. Avant de statuer sur la demande d'agrément de la succursale, la Banque consulte l'autorité de pays tiers concernée.
  
Art.334. [1 § 1. De Bank stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend:
   1° de toekenning van de vergunning aan het bijkantoor en alle latere wijzigingen daarvan;
   2° de totale activa en passiva van het bijkantoor, zoals gerapporteerd aan de Bank krachtens artikel 335, § 3;
   3° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.
   § 2. Wanneer de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, in België beleggingsactiviteiten verrichten en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen, deelt de Bank de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten op haar verzoek de volgende informatie mee betreffende deze bijkantoren:
   1° de aan de bijkantoren verleende vergunningen en de latere wijzigingen daarvan;
   2° de schaal en reikwijdte van de door de bijkantoren verrichte diensten en activiteiten;
   3° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 2° bedoelde diensten en activiteiten;
   4° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.
   § 3. Wanneer een bijkantoor van een kredietinstelling uit een derde land, waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, beleggingsactiviteiten verricht en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verleent, werkt de Bank nauw samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, de EBA, de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten bedoeld in artikel 3, 33° van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, die respectievelijk zijn belast met het toezicht op kredietinstellingen en bijkantoren van kredietinstellingen enerzijds en beleggingsondernemingen en bijkantoren van beleggingsondernemingen anderzijds die deel uitmaken van de groep waartoe het bijkantoor behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten van die groep in de EER worden onderworpen aan uitgebreid, consistent en doeltreffend toezicht overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 en voornoemde wet van 20 juli 2022, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2019/2033 en Verordening nr. 575/2013, en overeenkomstig de wetgeving die zorgt voor de omzetting van richtlijn 2013/36/EU, richtlijn 2014/65/EU en richtlijn 2019/2034 in de lidstaten waartoe de voornoemde autoriteiten behoren, en overeenkomstig de handelingen die ter uitvoering van deze richtlijnen zijn vastgesteld.]1

  
Art.334. [1 § 1er. La Banque notifie à l'ABE les informations suivantes concernant les succursales agréées en application du présent Titre :
   1° l'octroi de l'agrément à la succursale et toute modification ultérieure audit agrément ;
   2° le total de l'actif et du passif de la succursale, tel qu'il est communiqué à la Banque en vertu de l'article 335, § 3 ;
   3° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.
   § 2. Lorsque les succursales agréées en application du présent Titre exercent des activités d'investissement et/ou fournissent des services d'investissement ou des services auxiliaires en Belgique, la Banque communique à l'Autorité européenne des marchés financiers, à la demande de celle-ci, les informations suivantes concernant ces succursales :
   1° les agréments octroyés aux succursales, ainsi que les modifications ultérieures de ceux-ci ;
   2° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par les succursales ;
   3° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 2° ;
   4° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.
   § 3. Lorsqu'une succursale d'un établissement de crédit de pays tiers agréée en application du présent Titre exerce des activités d'investissement et/ou fournit des services d'investissement ou des services auxiliaires, la Banque coopère étroitement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, l'ABE, les autorités compétentes et les autorités visées à l'article 3, 33° de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses chargées respectivement de la supervision des établissements de crédit, des succursales d'établissements de crédit, des entreprises d'investissement et des succursales d'entreprises d'investissement faisant partie du groupe auquel appartient la succursale, dans le but d'assurer que toutes les activités de ce groupe dans l'EEE soient soumises à une surveillance exhaustive, cohérente et efficace conformément à la présente loi, la loi du 25 octobre 2016 et ladite loi du 20 juillet 2022, au Règlement n° 600/2014, au Règlement 2019/2033 et au Règlement n° 575/2013, et à la législation prise en vue de la transposition de la directive 2013/36/UE, de la directive 2014/65/UE et de la directive 2019/2034 dans les Etats membres dont relèvent lesdites autorités, ainsi qu'aux actes pris en exécution de celles-ci.]1

  
HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening
CHAPITRE II. - De l'exercice de l'activité
Art.335. § 1. Naast artikel 45, voor wat betreft artikel 333 en de bepalingen die krachtens artikel 333 van toepassing zijn verklaard, zijn de volgende artikelen van toepassing :
  1° artikel 53, met dien verstande dat de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft;
  2° [1 artikel 55, eerste lid]1;
  3° [2 de artikelen 60 en 62 voor wat betreft de leiders van bijkantoren en artikel 60 voor wat betreft de compliancefunctie;]2
  [1 3° /1 [4 de artikelen 65/3, 66, 67 tot 71;]4]1
  4° de artikelen 72, 76, 77, 3° en 4° en 78, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 72, de leiders van het bijkantoor als leden van het wettelijk bestuursorgaan worden beschouwd;
  5° de artikelen 74, 98, 106 en 107;
  [1 5° /1 Bijlage II;]1
  6° artikel 5 van Bijlage IV.
  § 2. [4 De Koning bepaalt de verplichtingen en regels voor de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudstaten van de bijkantoren.]4
  [4 § 3. De volgende informatie moet ten minste eenmaal per jaar aan de Bank worden gerapporteerd, voor zover ze haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
   1° de totale activa die overeenstemmen met de activiteiten van het bijkantoor;
   2° informatie over de liquide activa waarover het bijkantoor beschikt, met name de beschikbaarheid van liquide activa in valuta's van de lidstaten;
   3° de dotatie van eigen vermogen waarover het bijkantoor beschikt;
   4° informatie over de depositobescherming die de depositohouders bij het bijkantoor genieten;
   5° informatie over het risicobeheer;
   6° de governanceregeling, met inbegrip van de identiteit van de leiding, van de compliancefunctie, en, in voorkomend geval, van de personen die de andere onafhankelijke controlefuncties uitoefenen voor de activiteiten van het bijkantoor;
   7° de herstelplannen die betrekking hebben op het bijkantoor;
   8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht voor een alomvattende monitoring van de activiteiten van het bijkantoor.
   § 4. Wanneer de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, in België beleggingsactiviteiten verrichten en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen, delen zij de Bank ten minste eenmaal per jaar de volgende informatie mee, voor zover deze informatie haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
   1° de schaal en reikwijdte van de door het in België gevestigde bijkantoor verrichte diensten en activiteiten;
   2° voor kredietinstellingen uit derde landen die de in artikel 2, 1°, 3 van de wet van 25 oktober 2016 vermelde activiteit verrichten, hun maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen uit de EU;
   3° voor kredietinstellingen uit derde landen die een of beide van de in artikel 2, 1°, 6 van de wet van 25 oktober 2016 vermelde diensten verlenen, de totale waarde van financiële instrumenten afkomstig van tegenpartijen uit de EU die de voorafgaande twaalf maanden zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst;
   4° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 1° bedoelde diensten en activiteiten;
   5° een gedetailleerde beschrijving van de voor de cliënten van het bijkantoor beschikbare beleggersbeschermingsregeling, met inbegrip van de rechten van deze cliënten die voortvloeien uit het in artikel 333, § 1, 6° bedoelde beleggerscompensatiestelsel;
   6° het beleid en de regelingen inzake risicobeheer die door het bijkantoor worden toegepast voor de onder 1° bedoelde diensten en activiteiten;
   7° de governanceregelingen, met inbegrip van de personen wier beroepswerkzaamheden een significante invloed hebben op het risicoprofiel van het bijkantoor;
   8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht om de activiteiten van het bijkantoor doeltreffend te kunnen monitoren.]4

  
Art.335. § 1er. Outre l'application de l'article 45 en ce qui concerne l'article 333 et les dispositions rendues applicables en vertu de l'article 333, sont applicables :
  1° l'article 53, étant entendu que la Banque est exclusivement compétente;
  2° [1 l'article 55, alinéa 1er]1;
  3° [2 les articles 60 et 62 en ce qui concerne les dirigeants de succursales et, s'agissant de l'article 60, en ce qui concerne la fonction de conformité;]2
  [1 3° /1 [4 les articles 65/3, 66, 67 à 71 ;]4]1
  4° les articles 72, 76, 77, 3° et 4° et 78 étant entendu que pour l'application de l'article 72, les dirigeants de la succursale sont considérés comme les membres de l'organe légal d'administration;
  5° les articles 74, 98, 106 et 107;
  [1 5° /1 l'Annexe II;]1
  6° l'article 5 de l'Annexe IV.
  § 2. [4 Le Roi détermine les obligations et les modalités en matière de publication des situations comptables annuelles des succursales.]4
  [4 § 3. Les informations suivantes doivent être communiquées au moins une fois par an à la Banque, dans la mesure où elles ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
   1° le total de l'actif correspondant aux activités de la succursale ;
   2° des informations sur les actifs liquides dont la succursale dispose, notamment la disponibilité d'actifs liquides en monnaies des Etats membres ;
   3° le montant de la dotation en fonds propres dont la succursale dispose ;
   4° des informations sur la protection des dépôts dont les déposants dans ladite succursale bénéficient ;
   5° des informations sur la gestion des risques ;
   6° le dispositif de gouvernance, y compris l'identité des dirigeants, de la fonction de conformité (compliance), et, le cas échéant, des personnes assurant les autres fonctions de contrôle indépendantes pour les activités de la succursale ;
   7° les plans de redressement concernant la succursale ;
   8° toute autre information que la Banque estime nécessaire pour permettre un suivi complet des activités de la succursale.
   § 4. Lorsque les succursales agréées en application du présent Titre exercent des activités d'investissement et/ou fournissent des services d'investissement ou des services auxiliaires en Belgique, elles communiquent à la Banque au moins une fois par an les informations suivantes, dans la mesure où ces informations ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
   1° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par la succursale située en Belgique ;
   2° pour les établissements de crédit de pays tiers exerçant l'activité mentionnée à l'article 2, 1°, 3 de la loi du 25 octobre 2016, leur exposition mensuelle minimale, moyenne et maximale sur des contreparties de l'Union ;
   3° pour les établissements de crédit de pays tiers fournissant l'un des services énumérés à l'article 2, 1°, 6 de la loi du 25 octobre 2016, ou les deux, la valeur totale des instruments financiers provenant de contreparties de l'Union souscrits ou placés avec engagement ferme au cours des douze derniers mois ;
   4° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 1° ;
   5° une description détaillée des dispositions prises en vue de protéger les investisseurs dont peuvent se prévaloir les clients de la succursale, notamment les droits conférés à ces clients par le système d'indemnisation des investisseurs visé à l'article 333, § 1er, 6° ;
   6° la politique et les dispositions de gestion des risques appliquées par la succursale dans le cadre des services et des activités visés au 1° ;
   7° les dispositifs de gouvernance d'entreprise, en ce compris les personnes dont les activités professionnelles ont une incidence substantielle sur le profil de risque de la succursale ;
   8° toute autre information que la Banque estime nécessaire afin d'assurer un suivi effectif des activités de la succursale.]4

  
Art.336. [1 § 1.]1 [2 De kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, moet in België over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de deposito's, als bedoeld in artikel 382, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet:]2
  1° de wetgeving inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers die hun tegoeden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, dezelfde behandeling krijgen als de schuldeisers die hun tegoeden bij de kredietinstelling in het derde land hebben gedeponeerd;
  2° indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in het derde land, kent de wetgeving inzake dergelijke procedures aan de deposanten die hun gelden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd een rangorde toe die een gelijkaardige bescherming biedt als deze waarin artikel 389 van deze wet voorziet.
  [2 § 1/1. De kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moet in België over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de tegoeden, als bedoeld in artikel 384/4, tweede lid, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1° de wetgeving inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers die hun tegoeden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, dezelfde behandeling krijgen als de schuldeisers die hun tegoeden bij de kredietinstelling in het derde land hebben gedeponeerd; en
   2° indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in het derde land, kent de wetgeving inzake dergelijke procedures aan de beleggers die geldmiddelen bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd een rangorde toe die een gelijkaardige bescherming biedt als deze waarin artikel 74/1, § 3 voorziet.]2

  [1 § 2. Het Belgische bijkantoor van de kredietinstelling kan slechts financiële instrumenten van cliënten in ontvangst nemen indien, bij opening van een insolventieprocedure tegen de kredietinstelling in het derde land, de wetgeving inzake dergelijke procedures het zakelijk eigendomsrecht als bedoeld in artikel 13, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, gecoördineerd op 27 januari 2004, erkent voor de beleggers die hun financiële instrumenten bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, of indien deze wetgeving aan de belegger een recht toekent ten gevolge van de bewaargeving van de financiële instrumenten, dat een zakelijk recht vormt op grond waarvan hij een vordering tot teruggave kan uitoefenen op deze financiële instrumenten, met uitsluiting van een louter vorderingsrecht.]1
  
Art.336. [1 § 1.]1 [2 L'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, doit disposer d'actifs saisissables en Belgique pour un montant correspondant au montant des dépôts, tels que visés à l'article 382, reçus par la succursale, sauf à démontrer qu'il satisfait aux conditions suivantes :]2
  1° le droit des procédures d'insolvabilité du pays tiers assure aux créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de la succursale belge un traitement qui est équivalent à celui des créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de l'établissement de crédit dans le pays tiers; et
  2° en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de l'établissement de crédit dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure octroie aux déposants ayant déposé leurs fonds auprès de la succursale belge un rang offrant une protection similaire à celle prévue à l'article 389 de la présente loi.
  [2 § 1er/1. L'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2° doit disposer d'actifs saisissables en Belgique pour un montant correspondant au montant des avoirs, tels que visés à l'article 384/4, alinéa 2, reçus par la succursale, sauf à démontrer qu'il satisfait aux conditions suivantes :
   1° le droit des procédures d'insolvabilité du pays tiers assure aux créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de la succursale belge un traitement qui est équivalent à celui des créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de l'établissement de crédit dans le pays tiers ; et
   2° en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de l'établissement de crédit dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure octroie aux investisseurs ayant déposé des fonds auprès de la succursale belge un rang offrant une protection similaire à celle prévue à l'article 74/1, § 3.]2

  [1 § 2. La succursale belge de l'établissement de crédit ne peut recevoir des instruments financiers de clients que si, en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de l'établissement de crédit dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure reconnaît le droit réel de copropriété prévu à l'article 13, alinéa 2 de l'arrêté royal n° 62 du 10 novembre 1967 relatif au dépôt d'instruments financiers fongibles et à la liquidation d'opérations sur ces instruments, coordonné le 27 janvier 2004, dans le chef des investisseurs ayant déposé leurs instruments financiers auprès de la succursale belge ou confère à l'investisseur un droit à la suite du dépôt des instruments financiers qui est constitutif d'un droit réel permettant l'exercice d'une revendication sur ces instruments financiers, à l'exclusion d'un simple droit de créance.]1
  
HOOFDSTUK III. - Toezicht
CHAPITRE III. - Du contrôle
Art.337. De artikelen 134, 135, 136 [1 , 136/1]1 [2 , 136/2]2 en 139 zijn van toepassing.
  
Art.337. Les articles 134, 135, 136 [1 , 136/1]1 [2 , 136/2]2 et 139 sont applicables.
  
Art. 337/1. [1 De Bank beoordeelt de naleving door de in deze Titel bedoelde bijkantoren van de op hen van toepassing zijnde bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, evenals de risico's waaraan zij blootgesteld zijn of zouden kunnen zijn en de risico's die zij inhouden voor het financiële stelsel. Op grond van deze beoordeling kan de Bank aan een dergelijk bijkantoor aanvullende vereisten opleggen inzake solvabiliteit, liquiditeit, risicoconcentratie en risicoposities, die bij het bedrag van de in artikel 333, § 1, 4°, bedoelde dotatie worden gevoegd en bij de vereisten die van toepassing zijn krachtens artikel 98, om rekening te houden met de risico's waaraan zij blootgesteld is of zou kunnen zijn. De Bank bepaalt de nadere rgels waarop aan die vereisten moet worden voldaan.
   De Bank kan, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, bepalen welke criteria en procedures zij toepast voor de voornoemde beoordeling en vereisten.]1

  
Art. 337/1. [1 La Banque évalue le respect, par les succursales visées par le présent Titre, des dispositions de la présente loi qui leur sont applicables et des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci, ainsi que les risques auxquels elles sont ou pourraient être exposées et les risques qu'elles présentent pour le système financier. Sur la base de cette évaluation, la Banque peut imposer à une telle succursale des exigences supplémentaires en matière de solvabilité, de liquidité, de concentration des risques et de positions de risque, qui s'ajoutent au montant de la dotation visée à l'article 333, § 1er, 4°, et aux exigences applicables en vertu de l'article 98, afin de tenir compte des risques auxquels elle est ou pourrait être exposée. La Banque précise les modalités selon lesquelles ces exigences doivent être couvertes.
   La Banque peut déterminer, le cas échéant par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, les critères et procédures qu'elle applique en ce qui concerne l'évaluation et les exigences précitées.]1

  
Art.338. De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren moet een of meer erkende revisoren of een of meer erkende revisorenvennootschappen aanstellen overeenkomstig artikel 220. Op dezelfde wijze kan zij een plaatsvervanger aanstellen.
  Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 221 van overeenkomstige toepassing.
  De artikelen 223, 224, eerste tot vierde lid, 225, eerste, tweede, derde en zesde lid en [1 326, § 1, tweede lid, § 2, vierde en vijfde lid en § 3]1 zijn van toepassing.
  
Art.338. La direction des succursales visées par le présent Titre est tenue de désigner un ou plusieurs reviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées conformément à l'article 220. Elle peut désigner, pareillement, un suppléant.
  En cas de désignation d'une société de reviseurs, l'article 221 est applicable par analogie.
  Les articles 223, 224, alinéas 1er à 4, 225, alinéas 1er, 2, 3 et 6, et [1 326, § 1er, alinéa 2, § 2, alinéas 4 et 5, et § 3]1, sont applicables.
  
Art. 338/1. [1 De Bank werkt nauw samen de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen die deel uitmaken van de groep uit een derde land waartoe het Belgische bijkantoor behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten in de Europese Unie van die groep uit een derde land worden onderworpen aan een alomvattend toezicht om te voorkomen dat de voorschriften die op groepen uit derde landen van toepassing zijn op grond van deze wet, de ter uitvoering ervan genomen reglementen en Verordening nr. 575/2013 worden omzeild, en om te voorkomen dat de financiële stabiliteit van de Europese Unie wordt aangetast.]1
  
Art. 338/1. [1 La Banque coopère étroitement avec les autorités compétentes en charge du contrôle des établissements de crédit et des entreprises d'investissement faisant partie du groupe de pays tiers auquel appartient la succursale belge, de manière à s'assurer que toutes les activités dudit groupe de pays tiers dans l'Union européenne font l'objet d'une surveillance complète et d'éviter un contournement des exigences applicables aux groupes de pays tiers en vertu de la présente loi et des règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que du Règlement n° 575/2013 et de prévenir toute incidence préjudiciable à la stabilité financière de l'Union européenne.]1
  
Art.339. § 1. De Bank kan op basis van het wederkerigheidsbeginsel met de autoriteiten van derde landen van de kredietinstelling en met de bevoegde autoriteiten van derde landen van de andere bijkantoren van deze instelling die buiten België zijn gevestigd, overeenkomen welke verplichtingen en verbodsbepalingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe het toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze de samenwerking en de informatie-uitwisseling met deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en 36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden georganiseerd.
  § 2. Om regels en modaliteiten te kunnen vaststellen die beter aansluiten bij de aard en spreiding van de werkzaamheden van de kredietinstelling en haar toezicht, mogen de overeenkomsten, met de goedkeuring van de minister van Financiën, afwijken van de bepalingen van deze wet.
  Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat voldoet aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze wet, mogen deze overeenkomsten vrijstelling verlenen van de toepassing van bepaalde voorschriften van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
  De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen voor de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen gunstiger regels bevatten dan voor de in België gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren.
Art.339. § 1er. La Banque peut convenir, sur base de réciprocité, avec les autorités de pays tiers de l'établissement de crédit et avec les autorités, compétentes et de pays tiers, des autres succursales de cet établissement établies dans d'autres Etats que la Belgique, de règles relatives aux obligations et interdictions concernant la succursale en Belgique, de l'objet et de modalités de sa surveillance ainsi que des modalités de la collaboration et de l'échange d'informations avec ces autorités, telles que prévues aux articles 36/16 et 36/17 de la loi du 22 février 1998.
  § 2. Les conventions peuvent, moyennant l'approbation du ministre des Finances, déroger aux dispositions de la présente loi en vue de fixer des règles et modalités plus appropriées à la nature et à la répartition des activités de l'établissement de crédit et de son contrôle.
  Moyennant l'existence d'un contrôle global répondant aux critères prévus par ou en vertu de la présente loi, ces conventions peuvent dispenser de l'application de certaines dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
  Les conventions prévues par le présent article ne peuvent comporter au bénéfice des succursales qu'elles concernent des règles plus favorables que celles qui s'appliquent aux succursales établies en Belgique d'établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre.
HOOFDSTUK IV. - Intrekking, uitzonderingsmaatregelen, sancties
CHAPITRE IV. - Radiation, mesures exceptionnelles, sanctions
Art.340. § 1. De artikelen 233, 234, 236 en 238 en de artikelen 345 tot 352 zijn van toepassing, met dien verstande dat de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft.
  § 2. Wanneer de Bank vaststelt dat het bijkantoor niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat het bijkantoor binnenkort niet meer overeenkomstig deze bepalingen zal werken, kan de bank limieten vastleggen voor de blootstellingen van het bijkantoor ten aanzien van zijn moederonderneming of van de entiteiten van de groep waar de kredietinstelling deel van uitmaakt.
  § 3. De Bank kan de vergunning van een in deze Titel bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de spaarders [1 of de beleggers,]1 of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken van de criteria bedoeld in artikel 333, § 4.
  
Art.340. § 1er. Sont applicables les articles 233, 234, 236 et 238 et les articles 345 à 352, étant entendu que la Banque est exclusivement compétente.
  § 2. Lorsque la Banque constate que la succursale ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ou qu'elle dispose d'éléments indiquant que la succursale risque prochainement de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions, la Banque peut fixer des limites concernant les expositions de la succursale à l'égard de sa maison mère ou des entités du groupe dont fait partie l'établissement de crédit.
  § 3. La Banque peut encore révoquer l'agrément d'une succursale visée au présent Titre si elle estime que la protection des épargnants [1 ou des investisseurs,]1 ou la gestion saine et prudente de l'établissement ou encore la stabilité du système financier exige la constitution d'une société de droit belge. La Banque peut faire usage, à cet effet, des critères visés à l'article 333, § 4.
  
TITEL III. - Vertegenwoordingskantoren
TITRE III. - Des bureaux de représentation
Art.341. Iedere kredietinstelling die onder een buitenlandse staat ressorteert en in België geen bijkantoor heeft gevestigd maar er met naleving van de beperkingen van artikel 342, een vertegenwoordigingskantoor wenst op te richten om er haar werkzaamheden te promoten alsook informatie te vergaren en te verspreiden, moet zich vooraf inschrijven bij de Bank.
  Vooraleer de inschrijving te verrichten raadpleegt de Bank de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de kredietinstellingen in de staat van herkomst.
Art.341. Les établissements de crédit relevant du droit d'un Etat étranger qui n'ont pas établi en Belgique de succursale et qui projettent d'y créer un bureau de représentation, dans le respect des limites déterminées par l'article 342, pour assurer la promotion de leurs activités ainsi que la récolte et la diffusion de renseignements, sont tenus de se faire inscrire au préalable par la Banque.
  Avant de procéder à l'inscription, la Banque consulte l'autorité en charge du contrôle des établissements de crédit de l'Etat d'origine.
Art.342. Een vertegenwoordigingskantoor mag geen bankbedrijf uitoefenen en inzonderheid niet optreden, om welke reden ook, bij de sluiting of de gewone afwikkeling van financiële transacties of financiële diensten behalve wanneer die deel uitmaken van het administratieve beleid van dit kantoor.
Art.342. Un bureau de représentation ne peut exercer l'activité bancaire et notamment intervenir, à quelque titre que ce soit, dans la conclusion ou le déroulement courant d'opérations financières ou de services financiers, autres que ceux inhérents à la gestion administrative du bureau.
Art.343. De Bank kan zich alle inlichtingen doen verstrekken, ter plaatse onderzoeken uitvoeren of laten uitvoeren en kennis nemen van de correspondentie en alle stukken in verband met de werkzaamheden van de overeenkomstig artikel 341 ingeschreven vertegenwoordigingskantoren.
  Wanneer de Bank vaststelt dat een vertegenwoordigingskantoor de geldende verplichtingen niet nakomt, kan zij zijn inschrijving herroepen.
Art.343. La Banque peut se faire communiquer toute information, procéder ou faire procéder à des enquêtes sur place et prendre connaissance de la correspondance et de tous les documents relatifs aux activités des bureaux de représentation inscrits conformément à l'article 341.
  Lorsque la Banque a constaté qu'un bureau de représentation ne respecte pas les obligations auxquelles il est soumis, elle peut révoquer son inscription.
Art.344. Iedere kredietinstelling naar Belgisch recht die op het grondgebied van een buitenlandse staat een vertegenwoordigingskantoor wenst op te richten, moet de toezichthouder hiervan in kennis stellen. Wanneer de werkzaamheden van dit kantoor, met naleving van de geldende regels in deze staat, de grenzen van de artikelen 342 en 343 mogen overschrijden, zijn de artikelen 86 tot 89 van toepassing. De toezichthouder kan zich alle gegevens doen verstrekken over de organisatie, de werkzaamheden en de positie van het kantoor en kan deze gegevens controleren of laten controleren. Artikel 140 is van toepassing.
Art.344. Les établissements de crédit de droit belge qui projettent de créer sur le territoire d'un Etat étranger un bureau de représentation sont tenus de notifier leur intention à l'autorité de contrôle. Si, dans le respect des règles applicables dans cet Etat, l'activité du bureau peut excéder les limites prévues aux articles 342 et 343, les articles 86 à 89 sont d'application. L'autorité de contrôle peut se faire fournir toutes informations relatives à l'organisation, aux activités et à la situation du bureau et peut procéder ou faire procéder au contrôle de ces informations. L'article 140 est d'application.
BOEK IV. - DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN
LIVRE IV. - DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES COERCITIVES
Art.345. [6 Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, bekendmaken dat een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan:
   1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   2° de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [7 , titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554]7;
   3° [7 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]7 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
   4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
   5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.]6

  In dat geval stelt de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis van deze openbaarmaking, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van [1 Richtlijn 2014/65/EU]1 verricht.
  
Art.345. [6 Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, l'autorité de contrôle ou l'autorité de résolution, selon le cas, peut publier qu'un établissement de crédit, une compagnie financière, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter, dans le délai qu'elle détermine :
   1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   2° les dispositions du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 [7 , du titre II du règlement n° 648/2012 ou du règlement 2022/2554]7 ;
   3° [7 les articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]7 ou les articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
   4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
   5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°.]6

  Dans ce cas, l'autorité de contrôle ou l'autorité de résolution, selon le cas, informe en même temps l'Autorité européenne des marchés financiers d'une telle publication s'il s'agit d'un établissement de crédit fournissant un ou plusieurs services d'investissement et/ou exerçant une ou plusieurs activités d'investissement au sens de la [1 Directive 2014/65/UE]1.
  
Art.346. § 1. [8 Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder voor een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, een termijn bepalen:
   1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
   a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   b) Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [9 , titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554]9;
   c) [9 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]9 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
   d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
   e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
   2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar liquiditeit. Deze aanmaning geldt voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 315 bedoelde verplichtingen;
   3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
   4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.
   5° waarbinnen zij zich moeten conformeren aan welbepaalde voorschriften van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan.]8

  § 2. Indien de onderneming in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank, na de onderneming gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding en maximum 50 000 euro per dag vertraging.
  § 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom wordt met name rekening gehouden met
  a) de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voorkomend geval, de potentiële impact van die tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel;
  b) de financiële draagkracht van de betrokken onderneming, zoals die met name blijkt uit haar omzet.
  § 4. De dwangsommen die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist [1 door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën]1.
  [2 § 4/1. [7 Wanneer de in dit artikel bedoelde dwangsommen worden opgelegd wegens niet-naleving van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld ter omzetting van Richtlijn 2014/65/EU en Richtlijn 2019/2162/EU, maakt de Bank de oplegging van die dwangsommen bekend overeenkomstig, respectievelijk, de artikelen 71 en 24 van die richtlijnen.
   Overeenkomstig de voornoemde artikelen 71 en 24 kan de toezichthouder, wanneer tegen beslissingen tot oplegging van dergelijke dwangsommen beroep wordt ingesteld, deze beslissingen bekendmaken rekening houdend met de omstandigheden. In dat geval maakt hij tevens onverwijld de status en het resultaat van het beroep bekend.
   In gevallen waarin de toezichthouder dergelijke beslissingen zonder vermelding van namen bekendmaakt, kunnen de geanonimiseerde gegevens openbaar worden gemaakt zodra de redenen die de anonimiteit rechtvaardigen, ophouden te bestaan.]7
]2

  § 5. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig paragraaf 2 oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van [1 Richtlijn 2014/65/EU]1 verricht.
  
Art.346. § 1er. [8 § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, l'autorité de contrôle peut fixer à un établissement de crédit, une compagnie financière, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
   1° il ou elle doit se conformer à des dispositions déterminées :
   a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   b) du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 [9 , du titre II du règlement n° 648/2012 ou du Règlement 2022/2554]9 ;
   c) [9 des articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]9 ou des articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
   d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
   e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
   2° il ou elle doit apporter les adaptations qui s'imposent à son dispositif d'organisation d'entreprise ou à sa politique concernant ses besoins en fonds propres et à la gestion de sa liquidité. Cette injonction n'est applicable aux succursales d'établissements de crédit relevant d'un autre Etat membre, que pour ce qui concerne un manquement à une des obligations visées à l'article 315 ;
   3° il ou elle doit se conformer à une exigence imposée par l'autorité de contrôle en application de dispositions visées au 1° ;
   4° il ou elle doit se conformer aux exigences fixées par l'autorité de contrôle comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.
   5° il ou elle doit se conformer aux dispositions spécifiques de la loi du 27 mars 2020 donnant habilitation au Roi d'octroyer une garantie d'Etat pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et aux mesures prises pour les mettre en oeuvre ou de l'article 27 de la loi du 20 juillet 2020 portant octroi d'une garantie de l'Etat pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d'exécution.]8

  § 2. Si l'entreprise reste en défaut à l'expiration du délai, la Banque, le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne, peut, l'entreprise entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une astreinte à raison d'un montant maximum de 2 500 000 euros par infraction et de maximum 50 000 euros par jour de retard.
  § 3. Le montant de l'astreinte est fixé en tenant notamment compte
  a) de la gravité des manquements rencontrés et, le cas échéant, de l'impact potentiel de ces manquements sur la stabilité du système financier;
  b) de l'assise financière de l'entreprise en cause, telle qu'elle ressort notamment de son chiffre d'affaires.
  § 4. Les astreintes imposées en application du paragraphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor [1 par l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement au sein du Service Public Fédéral Finances]1.
  [2 § 4/1. [7 Lorsque les astreintes visées au présent article sont imposées pour remédier à un non-respect des obligations prévues par ou en vertu de la présente loi en vue de la transposition des directives 2014/65/UE et 2019/2162/UE, la Banque publie l'imposition de ces astreintes, respectivement, conformément aux articles 71 et 24 desdites directives.
   Conformément aux articles 71 et 24 précités, lorsque les décisions imposant de telles astreintes font l'objet d'un recours, l'autorité de contrôle peut, tenant compte des circonstances, les publier. Dans ce cas, elle publie également l'état d'avancement et le résultat du recours sans retard injustifié.
   Dans les cas où l'autorité de contrôle publie de telles décisions de manière anonyme, les données anonymisées peuvent être rendues publiques dès lors que les raisons justifiant l'anonymat cessent d'exister.]7
]2

  § 5. Lorsque la Banque rend publiques des mesures imposées conformément au paragraphe 2, elle informe en même temps l'Autorité européenne des marchés financiers s'il s'agit d'un établissement de crédit fournissant un ou plusieurs services d'investissement et/ou exerçant une ou plusieurs activités d'investissement au sens de la [1 Directive 2014/65/UE]1.
  
Art. 346/1. [1 De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 345 of 346, § 2, toepast evenals van de status van eventueel ingestelde beroepen en het resultaat daarvan. ]1
  [2 De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten eveneens in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 346, § 2 oplegt in geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, wanneer die maatregelen niet openbaar worden gemaakt.]2
  
Art. 346/1. [1 La Banque informe l'Autorité bancaire européenne sans délai des mesures qu'elle applique conformément à l'article 345 ou 346, § 2, ainsi que de l'état d'avancement et du résultat des recours éventuels.]1
  [2 La Banque informe également l'Autorité européenne des marchés financiers des mesures imposées conformément à l'article 346, § 2 concernant un manquement aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 lorsque ces mesures ne sont pas rendues publiques.]2
  
BOEK V. - SANCTIES
LIVRE V. - DES SANCTIONS
TITEL I. - Administratieve boetes
TITRE Ier. - Des amendes administratives
Art.347. § 1. [11 Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
   1° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   2° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [12 , titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554]12;
   3° een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op [12 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]12;
   4° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
   5° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.
   6° vaststelt dat een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5° niet wordt nageleefd;
   7° vaststelt dat vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd;
   8° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo'S in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan,
   een administratieve geldboete opleggen aan een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding, gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.]11

  § 2. [6 De administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde onderneming wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt [11 ...]11 maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de instelling van het voorbije boekjaar.
   De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt [11 ...]11 maximum 5 000 000 euro.]6

  [9 Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste en tweede lid van deze paragraaf.
   Indien de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde instelling of onderneming een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale nettojaaromzet de totale nettojaaromzet volgens de recentste door het wettelijk bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.]9

  [6 § 2/1. [11 In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde holding wordt opgelegd:
   a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximaal 5 000 000 euro;
   b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
   - 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
   - 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling,
   of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die entiteit van het voorbije boekjaar.]11

   Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b), van het eerste lid.
   § 2/2. [11 In geval van een inbreuk op [12 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]12, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximaal 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die vennootschap van het voorbije boekjaar.]11
   Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, tweede lid en het eerste lid van deze paragraaf.]6

  § 3. De boetes die met toepassing van paragraaf 1 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist [1 door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën]1.
  § 4. Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld op grond van
  a) de ernst en de duur van de tekortkomingen;
  b) de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
  c) de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
  d) het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
  e) het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
  f) de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
  g) vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
  h) de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel.
  [10 § 4/1. Wanneer de in dit artikel bedoelde geldboetes worden opgelegd wegens niet-naleving van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld ter omzetting van Richtlijn 2014/65/EU en Richtlijn 2019/2162/EU, maakt de Bank de oplegging van die geldboetes bekend overeenkomstig, respectievelijk, de artikelen 71 en 24 van die richtlijnen.
   Overeenkomstig de voornoemde artikelen 71 en 24 kan de toezichthouder, wanneer tegen beslissingen tot oplegging van dergelijke geldboetes beroep wordt ingesteld, deze beslissingen bekendmaken rekening houdend met de omstandigheden. In dat geval maakt hij tevens onverwijld de status en het resultaat van het beroep bekend.
   In gevallen waarin de toezichthouder dergelijke beslissingen zonder vermelding van namen bekendmaakt, kunnen de geanonimiseerde gegevens openbaar worden gemaakt zodra de redenen die de anonimiteit rechtvaardigen, ophouden te bestaan.]10

  § 5. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van [1 Richtlijn 2014/65/EU]1 verricht.
  [5 De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten ook in kennis van haar besluiten over inbreuken op de bepalingen van Verordening nr. 600/2014, de bepalingen die met het oog op de omzetting van Richtlijn 2014/65/EU zijn vastgesteld of de bepalingen die op grond van of in uitvoering van die verordening of van die bepalingen zijn vastgesteld, of over inbreuken op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, wanneer die besluiten niet openbaar worden gemaakt overeenkomstig het eerste lid van deze paragraaf, met inbegrip van elk tegen deze besluiten ingesteld beroep en de afloop daarvan]5.
  [4 § 6. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt evenals van de status van eventueel ingestelde beroepen en het resultaat daarvan.]4
  
Art.347. § 1er. [11 Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque, le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne, peut, lorsqu'elle constate :
   1° une infraction aux dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   2° une infraction aux dispositions du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 [12 , du titre II du règlement n° 648/2012 ou du règlement 2022/2554]12 ;
   3° une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ou [12 aux articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]12 ;
   4° une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
   5° une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4° ;
   6° le non-respect d'une exigence imposée par l'autorité de contrôle en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5° ;
   7° le non-respect d'exigences fixées par l'autorité de contrôle comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation ;
   8° une infraction aux dispositions de la loi du 27 mars 2020 donnant habilitation au Roi d'octroyer une garantie d'Etat pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et aux mesures prises pour les mettre en oeuvre ou de l'article 27 de la loi du 20 juillet 2020 portant octroi d'une garantie de l'Etat pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d'exécution,
   infliger une amende administrative à un établissement de crédit, à une compagnie financière, à une compagnie financière mixte, à une compagnie mixte, de droit belge ou de droit étranger, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités, aux personnes qui, en l'absence de comité de direction, participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté.]11

  § 2. [6 Le montant de l'amende administrative infligée à l'établissement ou à la compagnie visée au paragraphe 1er, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est [11 ...]11 de maximum de 10 % du chiffre d'affaires annuel net de l'établissement au cours de l'exercice précédent.
   Le montant de l'amende administrative infligée à une personne physique, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est [11 ...]11 de maximum 5 000 000 euros.]6

  [9 Sans préjudice des alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.
   Lorsque l'établissement ou la compagnie visé à l'alinéa 1er du présent paragraphe, est une entreprise mère ou une filiale d'une entreprise mère qui est tenue d'établir des comptes consolidés, le chiffre d'affaires total annuel net à prendre en considération est celui qui ressort des derniers comptes consolidés disponibles établis par l'organe légal d'administration de l'entreprise mère ultime.]9

  [6 § 2/1. [11 En cas d'infraction aux articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative infligée à l'établissement ou à la compagnie visée au paragraphe 1er, est :
   a) dans le cas d'une personne physique, de maximum 5 000 000 euros ;
   b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
   - 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
   - 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué,
   ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette entité au cours de l'exercice précédent.]11

   Sans préjudice des points a) et b), de l'alinéa 1er, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, ce maximum peut être porté au triple du montant de ce profit ou de cette perte.
   § 2/2. [11 En cas d'infraction [12 aux articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]12, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative visée au paragraphe 2, alinéa 1er est dans le cas d'une personne morale, de maximum 5 000 000 euros ou 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette société au cours de l'exercice précédent.]11
   Sans préjudice du paragraphe 2, alinéa 2 et de l'alinéa 1er du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.]6

  § 3. Les amendes imposées par la Banque en application du paragraphe 1er sont recouvrées au profit du Trésor [1 par l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement au sein du Service Public Fédéral Finances]1.
  § 4. Le montant de l'amende est notamment fixé en fonction
  a) de la gravité et de la durée des manquements;
  b) du degré de responsabilité de la personne en cause;
  c) de l'assise financière de la personne en cause, telle qu'elle ressort notamment du chiffre d'affaires total de la personne morale en cause ou des revenus annuels de la personne physique en cause;
  d) des avantages ou profits éventuellement tirés de ces manquements;
  e) d'un préjudice subi par des tiers du fait des manquements, dans la mesure où il peut être déterminé;
  f) du degré de coopération avec les autorités compétentes dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause;
  g) des manquements antérieurs commis par la personne en cause;
  h) de l'impact négatif potentiel des manquements sur la stabilité du système financier.
  [10 § 4/1. Lorsque les amendes visées au présent article sont imposées pour sanctionner le non-respect des obligations prévues par ou en vertu de la présente loi en vue de la transposition des directives 2014/65/UE et 2019/2162/UE, la Banque publie l'imposition de ces amendes, respectivement, conformément aux articles 71 et 24 desdites directives.
   Conformément aux articles 71 et 24 précités, lorsque les décisions imposant de telles amendes font l'objet d'un recours, l'autorité de contrôle peut, tenant compte des circonstances, les publier. Dans ce cas, elle publie également l'état d'avancement et le résultat du recours sans retard injustifié.
   Dans les cas où l'autorité de contrôle publie de telles décisions de manière anonyme, les données anonymisées peuvent être rendues publiques dès lors que les raisons justifiant l'anonymat cessent d'exister.]10

  § 5. Lorsque la Banque rend publiques des mesures imposées conformément au présent article, elle informe en même temps l'Autorité européenne des marchés financiers s'il s'agit d'un établissement de crédit fournissant un ou plusieurs services d'investissement et/ou exerçant une ou plusieurs activités d'investissement au sens de la [1 Directive 2014/65/UE]1.
  [5 La Banque informe également l'Autorité européenne des marchés financiers de ses décisions concernant un manquement aux dispositions du Règlement n° 600/2014, aux dispositions prises en vue de la transposition de la Directive 2014/65/UE ou aux dispositions prises sur la base ou en exécution de ce règlement ou de ces dispositions, ou concernant un manquement aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365, lorsque ces décisions ne sont pas publiées conformément à l'alinéa 1er du présent paragraphe, y compris de tout recours contre ces décisions et du résultat de celui-ci.]5
  [4 § 6. La Banque informe l'Autorité bancaire européenne sans délai des mesures qu'elle impose conformément à cet article ainsi que de l'état d'avancement et du résultat des recours éventuels.]4
  
TITEL II. - Strafrechtelijke sancties
TITRE II. - Des sanctions pénales
Art.348. § 1. Met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft :
  1° wie zich niet conformeert aan de artikelen 5 of 6;
  2° wie het bedrijf uitoefent van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 7 of Boek III, Titel II, zonder een vergunning te bezitten of wanneer de vergunning is ingetrokken of herroepen;
  3° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 46 en 50 niet verricht, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 48, tweede lid, of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 54, eerste lid, 1° ;
  4° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de andere in artikel 62 bedoelde personen die de bepalingen van dit artikel overtreden;
  5° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding die de artikelen 72, 77, 2° tot 4°, 74, 213, 214 of de artikelen 341 tot 344 of artikel 99 van Verordening nr. 575/2013 overtreden;
  6° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die in het buitenland een bijkantoor openen of diensten verstrekken, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 86 of 90 of die zich niet conformeren aan artikel 89;
  7° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die de in de artikelen 106, 203, § 1, of 318 bedoelde besluiten of reglementen overtreden;
  8° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de persionen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die zich niet conformeren aan artikel 106, § 2, eerste lid, eerste en derde zin, tweede en derde lid;
  9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 236, § 1, 1° of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing overeenkomstig artikel 236, § 1, 4° of zich niet conformeren aan het verbod van artikel 329, § 1, tweede lid, of § 3 of aan de bewarende maatregelen als bedoeld in artikel 329, § 6 of aan het in artikel 330 bedoelde bevel;
  10° wie bewust gelden of waarden aanvaardt waarover wordt beschikt met overtreding van artikel 74;
  11° wie als commissaris, erkende revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of van Verordening nr. 575/2013 en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;
  12° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
  14° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van de artikelen 220, tweede lid, en 326, § 1, eerste lid;
  15° de personen die artikel 79 overtreden;
  16° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die zich niet voegen naar de aanmaningen van de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig de artikelen 226, § 2, 232, tweede lid, 3°, 276, § 1, en 277, 5°, of haar bewust onjuiste of onvolledige informatie verstrekken;
  [2 17° [3 wie met bedrieglijk opzet]3 de bepalingen van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verlenen voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen of de maatregelen genomen in uitvoering ervan schendt [3 of van artikelen 27 of 29 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen of de maatregelen genomen ter uitvoering ervan]3;]2
  [4 18° wie met opzet een bijzonder mechanisme instelt in de zin van artikel 21, § 1/1.]4
  § 2. Overtredingen van het verbod van artikel 20 worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro.
  § 3. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of slechts met één van deze straffen alleen wordt elke bestuurder, zaakvoerder of directeur gestraft die zich niet schikt naar de bepalingen van de artikelen 95 en 99 en van de met toepassing van artikel 98 getroffen reglementen.
  [1 § 4. De financiële tussenpersonen bedoeld in artikel 2, 9° van de wet van 2 augustus 2002 of diegenen die optreden in naam van een dergelijke tussenpersoon, die financiële instrumenten van een cliënt zonder de krachtens artikel 65, § 1, vereiste toestemming op om het even welke wijze gebruiken in hun eigen voordeel of in het voordeel van derden, worden beschouwd als schuldig aan misbruik van vertrouwen en gestraft met de in artikel 491 van het Strafwetboek bepaalde straffen.]1
  [5 § 5. Wanneer een persoon wordt veroordeeld met toepassing van paragraaf 1, 15°, maakt de Bank deze veroordeling bekend overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn 2019/2162/EU en stelt zij de Europese Bankautoriteit daarvan in kennis, evenals van de status en de uitkomst van eventuele beroepsprocedures.
   In gevallen waarin de Bank een dergelijke veroordeling zonder vermelding van namen bekendmaakt, kunnen de geanonimiseerde gegevens openbaar worden gemaakt zodra de redenen die de anonimiteit rechtvaardigen, ophouden te bestaan.]5

  
Art.348. § 1er. Sont punis d'un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de 50 euros à 10 000 euros ou d'une de ces peines seulement :
  1° ceux qui ne se conforment pas aux articles 5 ou 6;
  2° ceux qui exercent l'activité d'un établissement de crédit visé à l'article 7 ou au Livre III, Titre II sans que cet établissement soit agréé ou alors que l'agrément a été radié ou révoqué;
  3° ceux qui, sciemment, s'abstiennent de faire les notifications prévues aux articles 46 et 50, ceux qui passent outre à l'opposition visée à l'article 48, alinéa 2 ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l'article 54, alinéa 1er, 1° ;
  4° les membres de l'organe légal d'administration et les autres personnes visées à l'article 62 qui contreviennent aux dispositions de cet article;
  5° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective qui contreviennent aux articles 72, 77, 2° à 4°, 74, 213, 214 ou aux articles 341 à 344 ou à l'article 99 du Règlement n° 575/2013;
  6° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective d'un établissement de crédit qui, à l'étranger, ouvrent une succursale ou y prestent des services sans avoir procédé aux notifications prévues par les articles 86 ou 90 ou qui ne se conforment pas à l'article 89;
  7° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective d'un établissement de crédit qui contreviennent aux arrêtés ou aux règlements visés aux articles 106, 203, § 1er ou 318;
  8° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective d'un établissement de crédit qui ne se conforment pas à l'article 106, § 2, alinéa 1er, première et troisième phrases, et alinéas 2 et 3;
  9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations sans avoir obtenu l'autorisation du commissaire spécial prévue à l'article 236, § 1er, 1°, ou à l'encontre d'une décision de suspension prise conformément à l'article 236, § 1er, 4°, qui ne se conforment pas à l'interdiction prévue à l'article 329, § 1er, alinéa 2, ou § 3 ou aux mesures conservatoires prévues à l'article 329, § 6, ou à l'ordre prévu à l'article 330;
  10° ceux qui sciemment acceptent des fonds ou valeurs dont il est disposé en contravention de l'article 74;
  11° ceux qui, en qualité de commissaire, de reviseur agréé ou d'expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confirmé des comptes, des comptes annuels, des bilans et comptes de résultats ou des comptes consolidés d'entreprises ou des états périodiques ou des renseignements lorsque les dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou du Règlement n° 575/2013, n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en n'ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées;
  12° ceux qui font obstacle aux inspections et vérifications auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l'étranger ou refusent de donner des renseignements qu'ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets;
  14° les administrateurs et gérants qui ne respectent pas les dispositions des articles 220, alinéas 1er et 2, et 326, § 1er, alinéa 1er;
  15° les personnes qui contreviennent à l'article 79;
  16° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective d'un établissement de crédit qui ne se conforment pas aux injonctions données par l'autorité de résolution conformément aux articles 226, § 2, 232, alinéa 2, 3°, 276, § 1er, et 277, 5°, ou communiquent sciemment à celle-ci des informations inexactes ou incomplètes;
  [2 17° ceux qui violent [3 avec une intention frauduleuse]3 les dispositions de la loi du 27 mars 2020 donnant habilitation au Roi d'octroyer une garantie d'Etat pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse ou les mesures prises pour les mettre en oeuvre [3 ou les articles 27 ou 29 de la loi du 20 juillet 2020 portant octroi d'une garantie de l'Etat pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d'exécution]3;]2
  [4 18° ceux qui, sciemment, mettent en place un mécanisme particulier au sens de l'article 21, § 1er/1.]4
  § 2. Toute infraction à l'interdiction édictée par l'article 20 est punie d'un emprisonnement de trois mois à deux ans et d'une amende de 1 000 euros à 10 000 euros.
  § 3. Sont punis d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 50 euros à 10 000 euros ou de l'une de ces peines seulement, les administrateurs, gérants ou directeurs qui ne se conforment pas aux dispositions des articles 95 et 99 et des règlements pris en exécution de l'article 98.
  [1 § 4. Sont considérés comme coupables d'abus de confiance et punis des peines prévues par l'article 491 du Code pénal, les intermédiaires financiers visés à l'article 2, 9°, de la loi du 2 août 2002 ou ceux agissant au nom d'un tel intermédiaire, qui utilisent d'une manière quelconque à leur profit personnel ou au profit de tiers, des instruments financiers appartenant à un client sans l'autorisation requise en vertu de l'article 65, § 1er.]1
  [5 § 5. Lorsque une personne est condamnée en application du paragraphe 1er, 15°, la Banque publie ladite condamnation conformément à l'article 24 de la directive 2019/2162/UE et en informe l'Autorité bancaire européenne, ainsi que de l'état d'avancement et du résultat des recours éventuels.
   Dans les cas où la Banque publie une telle condamnation de manière anonyme, les données anonymisées peuvent être rendues publiques dès lors que les raisons justifiant l'anonymat cessent d'exister.]5

  
Art.349. De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de misdrijven die door deze Titel worden bestraft.
Art.349. Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions punies par le présent Titre.
Art.350. De kredietinstellingen, de financiële instellingen en de ondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen belast met hun effectieve leiding of lasthebbers met toepassing van de voorschriften van deze Titel worden veroordeeld.
Art.350. Les établissements de crédit, les établissements financiers et les entreprises sont civilement responsables des amendes auxquelles sont condamnés leurs membres de l'organe légal d'administration, personnes en charge de la direction effective ou mandataires en application des dispositions du présent Titre.
Art.351. Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtreding van deze wet of één van de in artikel 20 bedoelde wetgevingen, tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan, personen belast met de effectieve leiding, lasthebbers of erkende commissarissen van kredietinstellingen of financiële instellingen en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
  Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie.
Art.351. Toute information du chef d'infraction à la présente loi ou à l'une des législations visées à l'article 20 à l'encontre de membres de l'organe légal d'administration, de personnes en charge de la direction effective, de mandataires ou de commissaires agréés d'établissements de crédit ou d'établissements financiers et toute information du chef d'infraction à la présente loi à l'encontre de toute autre personne physique ou morale doit être portée à la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence par l'autorité judiciaire ou administrative qui en est saisie.
  Toute action pénale du chef des infractions visées au premier alinéa doit être portée à la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, à la diligence du ministère public.
Art.352. De Bank en de FSMA zijn gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze wet bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen.
  De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij.
  [1 Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid.]1
  
Art.352. La Banque et la FSMA sont habilitées à intervenir en tout état de cause devant la juridiction répressive saisie d'une infraction punie par la présente loi, sans qu'elles aient à justifier d'un dommage.
  L'intervention suit les règles applicables à la partie civile.
  [1 Il en est de même en ce qui concerne les infractions visées à l'article 1er de l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et aux faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités dont est saisie une juridiction répressive à l'encontre d'une personne visée à l'article 19, § 1er, alinéa 1er.]1
  
BOEK VI. - REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES
LIVRE VI. - REGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVE EN MATIERE DE MESURES D'ASSAINISSEMENT ET DE PROCEDURES DE LIQUIDATION
TITEL I. - Saneringsmaatregelen
TITRE Ier. - Des mesures d'assainissement
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen
CHAPITRE Ier. - Règle de compétence et réception des mesures étrangères
Art.353. Onder voorbehoud van de artikelen 340 en 358 zijn de Belgische saneringsautoriteiten uitsluitend bevoegd om saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van de in Boek II bedoelde kredietinstellingen. Deze saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd en hebben rechtswerking conform de Belgische wetgeving, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in deze wet zijn vastgesteld. De Belgische saneringsautoriteiten kunnen inzonderheid geen saneringsmaatregelen treffen ten aanzien van een kredietinstelling die onder een andere staat ressorteert, en evenmin ten aanzien van een in België gevestigd bijkantoor van een dergelijke kredietinstelling.
Art.353. Sous réserve des articles 340 et 358, les autorités d'assainissement belges ne sont compétentes pour adopter des mesures d'assainissement qu'à l'égard des établissements de crédit visés au Livre II. Ces mesures sont appliquées et produisent leurs effets conformément à la législation belge, sous réserve des précisions et exceptions prévues par la présente loi. En particulier, les autorités d'assainissement belges ne peuvent adopter une mesure d'assainissement concernant un établissement de crédit relevant du droit d'un autre Etat et ce, y compris en ce qui concerne la succursale d'un tel établissement située en Belgique.
Art.354. De saneringsmaatregelen die door de saneringsautoriteiten van een andere lidstaat zijn getroffen ten aanzien van een kredietinstelling die onder die lidstaat ressorteert, hebben rechtswerking in België conform de wetgeving van die lidstaat, zodra zij aldaar rechtswerking hebben, en dit onverminderd hun eventuele bekendmaking in België. Deze saneringsmaatregelen zijn zonder verdere formaliteiten van toepassing in België.
Art.354. Nonobstant la publicité dont elles peuvent faire l'objet en Belgique, les mesures d'assainissement décidées par les autorités d'assainissement d'un autre Etat membre concernant un établissement de crédit relevant du droit de cet Etat produisent leurs effets en Belgique selon la législation de cet Etat dès qu'elles produisent leurs effets dans l'Etat membre où elles ont été adoptées. Ces mesures ne nécessitent aucune formalité en Belgique.
Art. 354/1. [1 De afschrijving of omzetting van schulden van een instelling of een entiteit die onder een buitenlands recht ressorteert, verricht met toepassing van een instrument van interne versterking, komt de medeschuldenaars en de derden die een door het Belgisch recht beheerste persoonlijke of zakelijke zekerheid hebben gesteld, niet ten goede.]1
  
Art. 354/1. [1 La dépréciation ou la conversion de dettes d'un établissement ou d'une entité relevant du droit d'un autre Etat effectuée en application d'un instrument de renflouement interne ne profite pas aux codébiteurs ni aux tiers qui ont constitué des sûretés personnelles ou réelles régies par le droit belge.]1
  
HOOFDSTUK II. - Overleg en informatie
CHAPITRE II. - Concertation et information
Art.355. De Belgische saneringsautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten waar de kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 90, onverwijld in kennis te stellen van hun beslissing om een saneringsmaatregel te treffen; zij doen dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. Deze kennisgeving waarbij tevens de concrete gevolgen van de saneringsmaatregel worden vermeld, wordt met alle dienstige middelen verricht door de toezichthouder.
  Daartoe houdt de afwikkelingsautoriteit de toezichthouder op de hoogte van de evolutie van de tenuitvoerlegging van saneringsmaatregelen die onder haar bevoegdheid vallen.
Art.355. Les autorités d'assainissement belges prennent les mesures aux fins d'informer sans délai les autorités compétentes des autres Etats membres où l'établissement de crédit a une succursale ou, en application de l'article 90, fournit des services, de leur décision d'adopter une mesure d'assainissement, dans la mesure du possible avant l'adoption de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La communication de cette information, qui porte également sur les effets concrets de la mesure d'assainissement, est effectuée, par tous moyens utiles, par l'autorité de contrôle.
  A cette fin, l'autorité de résolution tient l'autorité de contrôle informée de l'évolution relative à la mise en application de mesures d'assainissement relevant de sa compétence.
Art.356. Wanneer de Belgische saneringsautoriteiten het noodzakelijk achten dat in België een saneringsmaatregel wordt getroffen jegens een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert, zien zij erop toe dat dit onverwijld wordt meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Deze mededeling wordt gedaan door de toezichthouder.
Art.356. Lorsque les autorités d'assainissement belges estiment nécessaire de voir mettre en oeuvre en Belgique une mesure d'assainissement en ce qui concerne un établissement de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre, elles veillent à en informer l'autorité compétente de l'Etat membre concerné. Cette information est effectuée par l'autorité de contrôle.
Art.357. Indien de rechten van derden in een lidstaat waar de betrokken kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 90, kunnen worden aangetast door de tenuitvoerlegging van een saneringsmaatregel waartoe overeenkomstig artikel 353 is besloten, ziet de toezichthouder of, met betrekking tot de saneringsmaatregelen bedoeld in Boek II, Titel VIII, de afwikkelingsautoriteit, erop toe dat een uittreksel uit deze beslissing wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie alsook in twee nationale dagbladen van de lidstaten waar aan de rechten van derden kan worden geraakt door de tenuitvoerlegging van deze saneringsmaatregel. Deze bekendmaking beïnvloedt op geen enkele wijze de gevolgen van de saneringsmaatregel, inzonderheid voor de schuldeisers van de betrokken kredietinstelling.
  In het in het eerste lid bedoelde uittreksel worden, ten minste in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaten, de volgende gegevens vermeld :
  1° het onderwerp en de juridische grondslag van de genomen beslissing;
  2° de termijnen om beroep in te stellen, met vermelding van de uiterste datum waarop beroep kan worden ingesteld alsook van de personalia van de autoriteit die bevoegd is voor het beroep.
  Voor derden met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat vangt de termijn om beroep in te stellen tegen de vaststelling van een saneringsmaatregel aan zodra de eerste van de in het eerste lid voorgeschreven bekendmakingen in die lidstaat is verricht.
Art.357. Lorsque la mise en oeuvre d'une mesure d'assainissement prise conformément à l'article 353 est susceptible d'affecter les droits des tiers dans un Etat membre où l'établissement de crédit a une succursale ou, en application de l'article 90, fournit des services, l'autorité de contrôle ou, lorsqu'il s'agit de mesures d'assainissement visées au Livre II, Titre VIII, l'autorité de résolution, veille à faire publier un extrait de cette décision au Journal officiel de l'Union européenne ainsi que dans deux journaux à diffusion nationale des Etats membres où la mise en oeuvre de cette mesure est susceptible d'affecter les droits des tiers. Cette publicité est sans impact sur les effets de la mesure d'assainissement, notamment à l'égard des créanciers de l'établissement de crédit.
  L'extrait visé à l'alinéa 1er mentionne, au moins dans la ou les langues officielles des Etats membres concernés, les éléments suivants :
  1° l'objet et la base juridique de la décision prise;
  2° les délais de recours, avec indication de la date d'expiration de ces délais ainsi que les coordonnées de l'autorité qui connaît du recours.
  Le délai de recours concernant l'adoption d'une mesure d'assainissement prend cours, à l'égard des tiers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre, dès que la première des publications y est intervenue conformément à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK III. - Bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder derde landen
CHAPITRE III. - Des succursales d'établissements de crédit relevant du droit de pays tiers
Art.358. De Bank stelt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten waar de kredietinstelling die onder een derde land ressorteert eveneens een bijkantoor heeft, onverwijld en met alle dienstige middelen in kennis van haar beslissing om krachtens artikel 340 een saneringsmaatregel te treffen alsmede van de concrete gevolgen van deze maatregel; zij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. De Bank beijvert zich om haar optreden te coördineren met dat van de saneringsautoriteiten van de kredietinstellingen van de andere lidstaten.
Art.358. La Banque informe, sans délai et par tous moyens utiles, les autorités compétentes des autres Etats membres où l'établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers a également une succursale, de sa décision d'adopter une mesure d'assainissement en vertu de l'article 340 et des effets concrets de cette mesure, si possible avant l'adoption de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La Banque s'efforce de coordonner son action avec celle des autorités d'assainissement des établissements de crédit des autres Etats membres.
TITEL II. - Liquidatieprocedures
TITRE II. - Des procédures de liquidation
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen
CHAPITRE Ier. - Règle de compétence et réception des procédures étrangères
Art.359. [1 De insolventierechtbank]1 is uitsluitend bevoegd om een in Boek II bedoelde kredietinstelling failliet te verklaren. Dit impliceert dat zij een kredietinstelling die onder een buitenlands recht ressorteert, alsook haar in België gevestigde bijkantoren, niet failliet kan verklaren.
  
Art.359. Le [1 tribunal de l'insolvabilité]1 n'est compétent pour décider de l'ouverture d'une faillite qu'à l'égard des établissements de crédit visés au Livre II. En particulier, le [1 tribunal de l'insolvabilité]1 ne peut ouvrir une faillite concernant un établissement de crédit relevant d'un droit étranger et ce, y compris en ce qui concerne la succursale d'un tel établissement établie en Belgique.
  
Art.360. Een liquidatieprocedure die is geopend door de liquidatieautoriteiten van een andere lidstaat ten aanzien van een kredietinstelling die onder die lidstaat ressorteert, wordt zonder enige formaliteit erkend in België en heeft rechtswerking in België zodra ze rechtswerking heeft in de lidstaat waar ze is geopend.
Art.360. Les procédures de liquidation dont l'ouverture est décidée par les autorités de liquidation d'un autre Etat membre concernant un établissement de crédit relevant du droit de cet Etat sont reconnues en Belgique sans aucune formalité et y produisent leurs effets dès qu'elles produisent leurs effets dans l'Etat membre où elles ont été ouvertes.
HOOFDSTUK II. - Procedures ten aanzien van de kredietinstellingen naar Belgisch recht
CHAPITRE II. - Procédures relatives aux établissements de crédit de droit belge
Afdeling I. - Overleg en informatie-uitwisseling
Section Ire. - Concertation et information
Art.361. Onverminderd de artikelen 273 en 378 stelt [1 de insolventierechtbank]1 de toezichthouder onverwijld in kennis van haar beslissing om een instelling failliet te verklaren, alsmede van de concrete gevolgen van het faillissement; zij doet dit zo mogelijk vóór de faillietverklaring of anders onmiddellijk daarna. De toezichthouder deelt deze informatie onverwijld en met alle dienstige middelen mee aan de bevoegde autoriteiten in de andere lidstaten waar de betrokken kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 90.
  
Art.361. Sans préjudice des articles 273 et 378, le [1 tribunal de l'insolvabilité]1 informe sans délai l'autorité de contrôle de sa décision d'ouvrir une procédure de faillite et des effets concrets de la faillite, si possible avant l'ouverture de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. L'autorité de contrôle communique sans délai et par tous moyens utiles cette information aux autorités compétentes des autres Etats membres où l'établissement de crédit a une succursale ou, en application de l'article 90, fournit des services.
  
Art.362. [1 De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht zorgen voor de bekendmaking bedoeld in artikel XX.107 van hetzelfde Wetboek, eveneens via publicatie van het uittreksel in het Publicatieblad van de Europese Unie en in twee nationale dagbladen van de lidstaten waar de kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 90.]1
  
Art.362. [1 Le ou les curateurs désignés conformément à l'article XX.104 du Code de droit économique assurent la publicité visée à l'article XX.107 dudit Code, y compris la publication de l'extrait au Journal officiel de l'Union européenne ainsi que dans deux journaux à diffusion nationale des Etats membres où l'établissement de crédit a une succursale ou, en application de l'article 90, fournit des services.]1
  
Art.363. [1 Indien de schuldeisers aan wie een individuele kennisgeving wordt gericht als bedoeld in artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht, hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, wordt in het rondschrijven, naast de vermelding van de gegevens van het in artikel 362 bedoelde uittreksel, tevens meegedeeld dat de schuldeisers met een voorrecht of een zakelijke zekerheid verplicht zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen en welke de gevolgen zijn van de niet-naleving van de termijnen die zijn vastgelegd in artikel XX.165 van het Wetboek van economisch recht.]1
  Het rondschrijven, dat is opgesteld in de taal van de procedure, draagt het opschrift "Oproep tot indiening van schuldvorderingen - Termijnen" in alle officiële talen van de Europese Economische Ruimte.
  
Art.363. [1 Lorsque l'avertissement individuel des créanciers visé à l'article XX.155 du Code de droit économique concerne des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre, la circulaire indique également, outre les informations mentionnées dans l'extrait visé à l'article 362, l'obligation pour les créanciers bénéficiant d'un privilège ou d'une sûreté réelle de déclarer leurs créances ainsi que les conséquences liées à l'inobservation des délais prévus par l'article XX.165 du Code de droit économique.]1
  La circulaire, rédigée dans la langue de la procédure, porte le titre "Invitation à produire une créance - Délais à respecter" dans toutes les langues officielles de l'Espace économique européen.
  
Art.364. [1 De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht houden de schuldeisers geregeld op de hoogte van het verloop van de procedure, op de wijze die zij daartoe het meest geschikt achten.]1
  
Art.364. [1 Le ou les curateurs désignés conformément à l'article XX.104 du Code de droit économique informent régulièrement les créanciers, dans la forme qu'ils jugent la plus appropriée, du déroulement de la procédure.]1
  
Afdeling II. - Procedure-elementen - Toepasselijk recht
Section II. - Eléments de procédure - Loi applicable
Art.365. Het faillissement van de kredietinstellingen bedoeld in Boek II wordt beheerst door het Belgische recht, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen in deze wet.
Art.365. La procédure de faillite relative à un établissement de crédit visé au Livre II est régie par le droit belge, sous réserve des précisions et exceptions prévues par la présente loi.
Art.366. § 1. [1 Schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat kunnen aangifte doen van hun schuldvorderingen of hun opmerkingen indienen in een officiële taal van die lidstaat, mits vermelding van het opschrift "Indiening van een schuldvordering" of "Indiening van opmerkingen betreffende een schuldvordering" in de taal van de procedure in België. De curatoren kunnen echter eisen dat deze schuldeisers een vertaling van de aangegeven schuldvorderingen of ingediende opmerkingen overleggen. Artikel XX.156 van het Wetboek van economisch recht is van toepassing.]1
  § 2. De schuldvorderingen van schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat krijgen dezelfde behandeling en in het bijzonder dezelfde rang als soortgelijke schuldvorderingen die de schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in België kunnen aangeven. Daartoe worden de schuldvorderingen van soortgelijke schuldeisers als gelijkwaardig beschouwd.
  Het eerste lid geldt ook voor schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een derde land, voor zover het recht dat in dat land van toepassing is niet in de mogelijkheid voorziet om een insolventieprocedure te openen ten aanzien van de betrokken kredietinstelling en de in België geopende procedure in dat land effect kan sorteren. Als dit niet het geval is, worden die schuldeisers voor de in België geopende procedure gelijkgesteld met chirografaire schuldeisers.
  
Art.366. § 1er. [1 Les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre peuvent déclarer leurs créances et présenter leurs observations dans une langue officielle de cet Etat, accompagnées de la mention "Production de créances" ou "Présentation des observations relatives aux créances" dans la langue de la procédure en Belgique. Une traduction de la déclaration de créance et des observations fournies peut néanmoins être exigée de ces créanciers par les curateurs. L'article XX.156 du Code de droit économique est d'application.]1
  § 2. Les créances des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre bénéficient du même traitement et, en particulier, du même rang que les créances de nature équivalente susceptibles d'être déclarées par des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle en Belgique. A cette fin, les créances présentées par des créanciers de même nature sont considérées comme des créances équivalentes.
  L'alinéa 1er est également applicable en ce qui concerne les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un pays tiers, pour autant que le droit applicable dans cet Etat ne permette pas l'ouverture d'une procédure d'insolvabilité à l'encontre de l'établissement de crédit concerné et que la procédure ouverte en Belgique puisse produire ses effets dans cet Etat. Dans la négative, ces créanciers sont assimilés à des créanciers chirographaires pour les besoins de la procédure ouverte en Belgique.
  
Afdeling III. - Intrekking van de vergunning
Section III. - Radiation de l'agrément
Art.367. Ingeval een faillissement wordt uitgesproken ten aanzien van een kredietinstelling, trekt de [1 Europese Centrale Bank]1 haar vergunning in. Artikel 237 is van toepassing.
  
Art.367. En cas d'ouverture d'une faillite à l'encontre d'un établissement de crédit, [1 la Banque centrale européenne]1 radie l'agrément. L'article 237 est d'application.
  
TITEL III. - Regels die zowel voor de saneringsmaatregelen als voor de liquidatieprocedures gelden
TITRE III. - Des règles communes aux mesures d'assainissement et aux procédures de liquidation
HOOFDSTUK I. - Vrijwillige vereffening of vereffening ingevolge een gerechtelijke ontbinding
CHAPITRE Ier. - De la liquidation volontaire ou faisant suite à une dissolution judiciaire
Art.368. [1 Alvorens een voorstel tot ontbinding in de zin van artikel 2:71 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen te formuleren voor een in Boek II bedoelde kredietinstelling, raadpleegt het wettelijk bestuursorgaan van de betrokken kredietinstelling de toezichthouder.
   Over een in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbinding van een kredietinstelling kan maar een uitspraak worden gedaan na eensluidend advies van de toezichthouder. Om dit advies wordt verzocht volgens de in artikel 378 voorgeschreven procedure.
   De ontbinding van een kredietinstelling en de daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om een van de in artikel 236, § 1 bedoelde maatregelen te treffen zonder voorafgaandelijk een termijn vast te stellen.]1

  
Art.368. [1 Avant de faire une proposition de dissolution au sens de l'article 2:71 du Code des sociétés et des associations en ce qui concerne un établissement de crédit visé au Livre II, l'organe légal d'administration de l'établissement de crédit consulte l'autorité de contrôle.
   Il ne peut être statué sur une cause de dissolution judiciaire prévue par le Code des sociétés et des associations à l'égard d'un établissement de crédit que sur avis conforme de l'autorité de contrôle. La demande d'avis suit la procédure prévue à l'article 378.
   La dissolution d'un établissement de crédit et la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations qui s'ensuit ne font pas obstacle à la possibilité de prendre une des mesures prévues à l'article 236, § 1er, sans que la fixation préalable d'un délai ne soit nécessaire.]1

  
HOOFDSTUK II. - Uitzonderingen op of nuanceringen van de toepassing van het Belgische recht als procedurerecht
CHAPITRE II. - Des exceptions ou tempéraments à l'application de la loi belge comme loi de la procédure
Art.369. In afwijking van de artikelen 353 en 365 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure voor :
  1° arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is;
  2° overeenkomsten die recht geven op het genot of de verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. Die wetgeving bepaalt of het goed roerend of onroerend is;
  3° de rechten op een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig die onderworpen zijn aan inschrijving in een openbaar register, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden;
  4° het uitoefenen van de eigendomsrechten op financiële instrumenten of van andere rechten op dergelijke instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving veronderstelt in een register, op een rekening of in een gecentraliseerd effectendepot bijgehouden of gesitueerd in een lidstaat, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot waar deze rechten zijn ingeschreven, wordt bijgehouden of is gesitueerd;
  5° de overeenkomsten tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking alsook voor de uitdrukkelijke ontbindende bedingen die hierin zijn opgenomen om de schuldvergelijking mogelijk te maken, uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomsten;
  6° de cessie-retrocessieovereenkomsten ("repurchase agreements" of "repo's"), uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomsten, onverminderd de bepaling onder 4° van dit artikel;
  7° transacties op een buitenlandse gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 6° van de wet van 2 augustus 2002, uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die transacties, onverminderd de bepaling onder 4° van dit artikel.
Art.369. Par dérogation aux articles 353 et 365, les effets d'une mesure d'assainissement ou d'une procédure de liquidation sur :
  1° les contrats de travail et les relations de travail sont exclusivement régis par la loi de l'Etat membre applicable au contrat de travail;
  2° un contrat donnant le droit de jouir d'un bien immobilier ou de l'acquérir sont exclusivement régis par la loi de l'Etat membre sur le territoire duquel cet immeuble est situé. Cette loi détermine si le bien est meuble ou immeuble;
  3° les droits sur un bien immobilier, un navire ou un aéronef qui sont soumis à inscription dans un registre public sont régis exclusivement par la loi de l'Etat membre sous l'autorité duquel le registre est tenu;
  4° l'exercice des droits de propriété sur des instruments financiers ou d'autres droits sur de tels instruments dont l'existence ou le transfert suppose l'inscription dans un registre, un compte ou auprès d'un système de dépôt centralisé détenus ou situés dans un Etat membre, sont régis exclusivement par la loi de l'Etat membre dans lequel est détenu ou situé le registre, le compte ou le système de dépôt centralisé dans lequel ces droits sont inscrits;
  5° les conventions de novation ou de compensation bilatérale ou multilatérale ainsi que les conditions résolutoires expresses qu'elles contiennent pour permettre la compensation sont exclusivement régis par la loi applicable à ces conventions;
  6° les conventions de cession-rétrocession ("repurchase agreements" - "repos") sont régis exclusivement par la loi applicable à ces conventions, sans préjudice du 4° du présent article;
  7° les transactions effectuées dans le cadre d'un marché réglementé étranger au sens de l'article 2, 6°, de la loi du 2 août 2002 sont régis exclusivement par la loi applicable à ces transactions, sans préjudice du 4° du présent article.
Art.370. § 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure raakt niet aan het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde op lichamelijke of onlichamelijke roerende of onroerende goederen - zowel bepaalde goederen als gehelen van onbepaalde goederen met wisselende samenstelling - die toebehoren aan de kredietinstelling en die zich op het tijdstip waarop deze maatregelen worden getroffen of deze procedure wordt geopend op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden.
  § 2. Onder rechten in de zin van paragraaf 1 worden met name verstaan :
  1° het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit dat goed, in het bijzonder op grond van pand of hypotheek;
  2° het exclusieve recht een schuldvordering te innen, in het bijzonder door middel van een pandrecht op de schuldvordering of door de cessie van die schuldvordering tot zekerheid;
  3° het recht om het goed terug te eisen en/of de teruggave ervan te verlangen van eenieder die het tegen de wil van de rechthebbende in bezit of in gebruik heeft;
  4° het zakelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.
  § 3. Met een zakelijk recht wordt gelijkgesteld, het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een zakelijk recht in de zin van paragraaf 1, dat aan derden kan worden tegengeworpen.
Art.370. § 1er. La mise en oeuvre de mesures d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite n'affecte pas le droit réel d'un créancier ou d'un tiers sur des biens corporels ou incorporels, meubles ou immeubles - à la fois des biens déterminés et des ensembles de biens indéterminés dont la composition est sujette à modification - appartenant à l'établissement de crédit et qui se trouvent, au moment de la mise en oeuvre de telles mesures ou de l'ouverture d'une telle procédure, sur le territoire d'un autre Etat membre.
  § 2. Les droits visés au paragraphe 1er sont notamment :
  1° le droit de réaliser ou de faire réaliser le bien et d'être désintéressé par le produit ou les revenus de ce bien, en particulier en vertu d'un gage ou d'une hypothèque;
  2° le droit exclusif de recouvrer une créance, notamment en vertu de la mise en gage ou de la cession de cette créance à titre de garantie;
  3° le droit de revendiquer le bien et/ou d'en réclamer la restitution entre les mains de quiconque le détient ou en jouit contre la volonté de l'ayant droit;
  4° le droit réel de percevoir les fruits d'un bien.
  § 3. Est assimilé à un droit réel, le droit, inscrit dans un registre public et opposable aux tiers, permettant d'obtenir un droit réel au sens du paragraphe 1er.
Art.371. § 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een kredietinstelling die een goed koopt, laat de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper onverlet wanneer dat goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend.
  § 2. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een kredietinstelling die de hoedanigheid van verkoper heeft, nadat de levering van het verkochte goed heeft plaatsgevonden, is geen grond voor ontbinding of opzegging van de verkoop en belet de koper niet de eigendom van het gekochte goed te verkrijgen wanneer dit goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend.
Art.371. § 1er. La mise en oeuvre de mesures d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite à l'encontre d'un établissement de crédit achetant un bien n'affecte pas les droits du vendeur fondés sur une réserve de propriété, lorsque ce bien se trouve, au moment de la mise en oeuvre de telles mesures ou de l'ouverture d'une telle procédure, sur le territoire d'un Etat membre autre que l'Etat de mise en oeuvre de telles mesures ou d'ouverture d'une telle procédure.
  § 2. La mise en oeuvre de mesures d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite à l'encontre d'un établissement de crédit ayant la qualité de vendeur, après la livraison du bien faisant l'objet de la vente, ne constitue pas une cause de résolution ou de résiliation de la vente et ne fait pas obstacle à l'acquisition par l'acheteur de la propriété du bien vendu, lorsque ce bien se trouve, au moment de la mise en oeuvre de telles mesures ou de l'ouverture d'une telle procédure sur le territoire d'un Etat membre autre que l'Etat de mise en oeuvre de telles mesures ou d'ouverture d'une telle procédure.
Art.372. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure laat het recht van een schuldeiser op schuldvergelijking van zijn vordering met de vordering van de kredietinstelling onverlet wanneer die schuldvergelijking is toegestaan bij het recht dat op de vordering van de kredietinstelling van toepassing is.
Art.372. La mise en oeuvre de mesures d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite n'affecte pas le droit d'un créancier d'invoquer la compensation de sa créance avec la créance de l'établissement de crédit, lorsque cette compensation est permise par la loi applicable à la créance de l'établissement de crédit.
Art.373. § 1. Onverminderd artikel 369 en onder voorbehoud van artikel 374, doen de artikelen 370, § 1, 371 en 372 geen afbreuk aan de toepassing van [1 de artikelen XX.111 tot XX.114 van het Wetboek van economisch recht]1.
  § 2. Artikel [2 5.243]2 van het Burgerlijk Wetboek en [1 de artikelen XX.111 tot XX.114 van het Wetboek van economisch recht]1 zijn niet van toepassing wanneer diegene die voordeel heeft bij de rechtshandeling bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechtshandeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling te bestrijden.
  
Art.373. § 1er. Sans préjudice de l'article 369 et sous réserve de l'article 374, les articles 370, § 1er, 371 et 372 ne font pas obstacle à l'application des [1 articles XX.111 à XX.114 du Code de droit économique]1.
  § 2. L'article [2 5.243]2 du Code civil et les [1 articles XX.111 à XX.114 du Code de droit économique]1 ne sont pas applicables lorsque le bénéficiaire d'un acte visé auxdites dispositions apporte la preuve que l'acte est soumis à la loi d'un Etat membre autre que la loi belge et que cette loi ne prévoit, en l'espèce, aucun moyen de remettre en cause cet acte.
  
Art.374. In afwijking van artikel 236, § 1, 1° en 4° van deze wet en van [1 artikel XX.110 van het Wetboek van economisch recht, en niettegenstaande de artikelen XX.111 tot XX.114 van hetzelfde Wetboek]1, indien de kredietinstelling na het treffen van een saneringsmaatregel of na de opening van een faillissementsprocedure onder bezwarende titel beschikt over een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig dat onderworpen is aan inschrijving in een openbaar register, dan wel over financiële instrumenten of rechten op dergelijke instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving veronderstelt in een register, op een rekening of in een gecentraliseerd effectendepot bijgehouden of gesitueerd in een andere lidstaat, wordt de nietigheid of de niet-tegenwerpbaarheid van deze handeling beoordeeld op grond van het recht van de lidstaat waar dat onroerend goed gelegen is of onder het gezag waarvan dat register, die rekening of dat effectendepot wordt bijgehouden.
  
Art.374. Par dérogation à l'article 236, § 1er, 1° et 4°, de la présente loi et à [1 l'article XX.110 du Code de droit économique, nonobstant les articles XX.111 à XX.114 dudit Code]1, si l'établissement de crédit dispose à titre onéreux, après l'adoption d'une mesure d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite, d'un immeuble, d'un navire ou d'un aéronef soumis à immatriculation dans un registre public, d'instruments financiers ou de droits sur de tels instruments dont l'existence ou le transfert suppose une inscription dans un registre, un compte ou auprès d'un système de dépôt centralisé détenus ou situés dans un autre Etat membre, la nullité ou l'inopposabilité de cet acte est appréciée au regard de la loi de l'Etat membre sur le territoire duquel le bien immobilier est situé, ou sous l'autorité duquel ce registre, ce compte ou ce système de dépôt est tenu.
  
HOOFDSTUK III. - Saneringscommissarissen en liquidateurs
CHAPITRE III. - Des commissaires à l'assainissement et des liquidateurs
Afdeling I. - Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures
Section Ire. - Réception des mesures et procédures étrangères
Art.375. De aanstelling van een saneringscommissaris of van een liquidateur door een autoriteit van een andere lidstaat, wordt aangetoond met een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot aanstelling of van ieder ander door die autoriteit opgesteld attest.
  Hoewel er geen legalisatie of soortgelijke formaliteit wordt gevraagd, dient niettemin een vertaling te worden gemaakt van het in het eerste lid bedoelde document, in de taal of een van de talen van het taalgebied waar de saneringscommissaris of de liquidateur wil optreden.
Art.375. La nomination d'un commissaire à l'assainissement ou d'un liquidateur par une autorité d'un autre Etat membre est établie par la présentation d'une copie certifiée conforme à l'original de la décision qui le nomme ou par toute autre attestation établie par cette autorité.
  Sans qu'aucune légalisation ou formalité analogue ne soit exigée, il sera néanmoins établi une traduction du document visé à l'alinéa 1er dans la langue ou une des langues de la région linguistique sur le territoire de laquelle le commissaire à l'assainissement ou le liquidateur veut agir.
Art.376. § 1. De saneringscommissarissen en de liquidateurs die aangesteld zijn door een autoriteit van een andere lidstaat kunnen in België alle bevoegdheden uitoefenen die zij gemachtigd zijn uit te oefenen op het grondgebied van die andere lidstaat.
  Hetzelfde geldt voor de personen die zij aanwijzen, overeenkomstig het recht van die lidstaat, om hen bij te staan of te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure.
  § 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden in België leven de in § 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs de Belgische wetgeving na, meer bepaald wat betreft de wijze waarop goederen te gelde worden gemaakt en het informeren van de werknemers. Deze bevoegdheden mogen niet de aanwending van dwangmiddelen behelzen, noch het recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs stellen de Kruispuntbank bedoeld in artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, in kennis van de saneringsmaatregelen en de liquidatieprocedures waartoe is beslist door een autoriteit van een andere lidstaat, opdat ze worden ingeschreven.
Art.376. § 1er. Les commissaires à l'assainissement et les liquidateurs désignés par une autorité d'un autre Etat membre peuvent exercer en Belgique tous les pouvoirs qu'ils sont habilités à exercer sur le territoire de cet autre Etat.
  Il en va de même en ce qui concerne des personnes qu'ils auraient désignées, conformément à la loi de cet Etat, en vue de les assister ou de les représenter dans le déroulement d'une mesure d'assainissement ou d'une procédure de liquidation.
  § 2. Dans l'exercice de leurs pouvoirs en Belgique, les commissaires à l'assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe 1er respectent la législation belge, en particulier en ce qui concerne les modalités de réalisation de biens ainsi que l'information des travailleurs. Leurs pouvoirs ne peuvent inclure le recours à la force ni le droit de statuer sur un litige ou un différend.
  § 3. Les commissaires à l'assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe 1er communiquent à la Banque-Carrefour visée à l'article 3 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichet-entreprises agréés et portant diverses dispositions, les mesures d'assainissement et les procédures de liquidation décidées par une autorité d'un autre Etat membre en vue de leur inscription.
Afdeling II. - Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs
Section II. - Des commissaires à l'assainissement et des liquidateurs belges
Art.377. [1 De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht nemen alle nodige maatregelen om te voldoen aan de inschrijving van een liquidatieprocedure in een openbaar register van een andere lidstaat die krachtens de wetgeving van die lidstaat verplicht gesteld is.]1
  De kosten die voortvloeien uit een inschrijving in een openbaar register van een andere lidstaat worden beschouwd als kosten met betrekking tot de procedure, ongeacht of de inschrijving verplicht is of geschiedt op initiatief van de in het eerste lid bedoelde personen.
  
Art.377. [1 Le ou les curateurs désignés conformément à l'article XX.104 du Code de droit économique prennent toute mesure nécessaire en vue de satisfaire à l'inscription d'une procédure de liquidation dans un registre public d'un autre Etat membre rendue obligatoire en vertu de la législation de cet Etat.]1
  Les frais découlant d'une inscription dans un registre public d'un autre Etat membre sont considérés comme des frais de la procédure, que l'inscription soit obligatoire ou qu'elle résulte de l'initiative des personnes visées à l'alinéa 1er.
  
TITEL IV. [1 Aanvullende bepaling ]1
TITRE IV. [1 Disposition complémentaire ]1
Art. 377. /1. [1 De artikelen 353 tot 377 zijn mutatis mutandis van toepassing op de entiteiten naar Belgisch recht bedoeld in artikel 424, wanneer ten aanzien van die entiteiten afwikkelingsmaatregelen worden toegepast krachtens Boek XI, Titel V. ]1
  
Art. 377/1. [1 Les articles 353 à 377 sont mutatis mutandis applicables aux entités de droit belge visées à l'article 424, en cas d'application à ces entités de mesures de résolution en vertu du livre XI, titre V. ]1
  
BOEK VII. - MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN
LIVRE VII. - ASPECTS DE DROIT MATERIEL
Art.378. § 1. Onverminderd artikel 273 en behoudens de gevallen waarin een kredietinstelling het voorwerp uitmaakt van de afwikkelingsmaatregelen waarin voorzien is in Boek II, Titel II, kan de opening van een faillissementsprocedure [1 ...]1 tegen een kredietinstelling enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de toezichthouder.
  § 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de toezichthouder gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
  De toezichthouder brengt zijn advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een kredietinstelling waarvan de toezichthouder vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de toezichthouder over een ruimere termijn om zijn advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de toezichthouder van oordeel is dat hij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt hij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de toezichthouder beschikt om een advies uit te brengen schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de toezichthouder geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan [1 de insolventierechtbank]1 uitspraak doen.
  De toezichthouder verstrekt zijn advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van [1 de insolventierechtbank]1 en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.
  
Art.378. § 1er. Sans préjudice de l'article 273 et sauf les cas où un établissement de crédit fait l'objet de mesures de résolution prévues au Livre II, Titre II, l'ouverture d'une procédure de faillite [1 ...]1 à l'encontre d'un établissement de crédit ne peut être prononcé que sur avis conforme de l'autorité de contrôle.
  § 2. La saisine de l'autorité de contrôle est écrite. Elle est accompagnée des pièces nécessaires à son information.
  L'autorité de contrôle rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d'avis. L'autorité de contrôle peut, dans le cas d'une procédure relative à un établissement de crédit susceptible de présenter, selon son appréciation, des implications systémiques importantes ou qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu'elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, l'autorité de contrôle le notifie à la juridiction appelée à statuer. Le délai dont dispose l'autorité de contrôle pour rendre son avis suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer. En l'absence de réponse de l'autorité de contrôle dans le délai imparti, [1 le tribunal de l'insolvabilité]1 peut statuer.
  L'avis de l'autorité de contrôle est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président [1 du tribunal de l'insolvabilité]1 et au procureur du Roi. L'avis est versé au dossier.
  
Art.379. [1 De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1, van het Wetboek van economisch recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2, worden aangewezen op advies van de toezichthouder.]1
  
Art.379. [1 Le ou les curateurs visés à l'article XX.122, § 1er, du Code de droit économique, ainsi que les personnes adjointes en application dudit article XX.122, § 2, sont désignés sur avis de l'autorité de contrôle.]1
  
Art. 379/1. [1 § 1. Onverminderd [2 de artikelen XX.111 tot XX.115 van het Wetboek van economisch recht]2, zijn de op de dag van haar faillietverklaring door een kredietinstelling verrichte betalingen, transacties en handelingen en de op die dag aan dergelijke instelling gedane betalingen geldig indien zij het tijdstip van het vonnis van faillietverklaring voorafgaan of werden verricht zonder van het faillissement van de kredietinstelling af te weten.
   Voor de toepassing van het eerste lid worden de instellingen belast met de verrekening of de vereffening tussen kredietinstellingen van betalingen of van financiële transacties, met kredietinstellingen gelijkgesteld.
   § 2. De Koning kan de toepassing van dit artikel, voor de transacties en betalingen die Hij bepaalt, uitbreiden tot andere categorieën van instellingen uit de financiële sector.]1

  
Art. 379/1. [1 § 1er. Sans préjudice [2 des articles XX.111 à XX.115 du Code de droit économique]2, les paiements, opérations et actes effectués par un établissement de crédit et les paiements faits à un pareil établissement le jour de sa déclaration en faillite, sont valables s'ils précèdent le moment du jugement déclaratif de faillite ou s'ils ont été effectués dans l'ignorance de la faillite de l'établissement de crédit.
   Pour l'application du présent paragraphe, les établissements chargés de la compensation ou du règlement entre des établissements de crédit de paiements ou d'opérations financières sont assimilés à des établissements de crédit.
   § 2. Le Roi peut, pour les opérations et paiements qu'Il désigne, étendre l'application du présent article à d'autres catégories d'institutions financières.]1

  
BOEK VIII. [1 - BELEGGERS- EN DEPOSITO- BESCHERMINGSREGELINGEN]1
LIVRE VIII. [1 - DES SYSTEMES DE PROTECTION DES DEPOTS ET DES INVESTISSEURS]1
TITEL I. [1 - Depositobeschermingsregeling]1
TITRE Ier. [1 - Du Système de protection des dépôts]1
Art. 379/2. [1 Deze Titel is van toepassing op kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°.]1
  
Art. 379/2. [1 Le présente Titre s'applique aux établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°.]1
  
Art.380. De in België gevestigde kredietinstellingen moeten [1 , voor wat betreft de in België of in een lidstaat aan-gehouden deposito's,]1 deelnemen aan een collectieve depositobeschermingsregeling die zij financieren en die tot doel heeft [1 bepaalde categorieën van deposanten een schadevergoeding toe te kennen, wanneer het faillissement is uitgesproken of wanneer de toezichthouder de beslissing heeft genomen vermeld in artikel 381, tweede lid]1. [1 De depositogarantieregeling heeft daarnaast de financiering van de afwikkeling van krediet-instellingen overeenkomstig artikel 384/1 tot doel. De afwikkelingsautoriteit stelt na overleg met het Garantiefonds het bedrag vast waarvoor de depositogarantieregeling aansprakelijk is. De financiële middelen van deze depositogarantieregeling kunnen tevens gebruikt worden ter fi-nanciering van maatregelen voor het veiligstellen van de toegang van deposanten tot gewaarborgde deposito's in het kader van het faillissement van de betrokken kredietinstelling. De Koning stelt de modaliteiten en voorwaarden vast voor het nemen van dergelijke maatregelen.]1
  Het eerste lid geldt niet voor de bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder een andere lidstaat. Het geldt evenmin voor de bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder een derde land en waarvan de verplichtingen door een depositobeschermingsregeling van deze staat op een ten minste evenwaardige wijze zijn gedekt als in het kader van de overeenstemmende Belgische depositobeschermingsregeling [2 , voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau]2.
  Het Garantiefonds neemt het beheer en de verrichtingen van de depositobeschermingsregeling waar.
  [1 De deposanten bij bijkantoren die zijn gevestigd in België door kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat vallen, worden geïnformeerd en terugbetaald door het Garantiefonds namens en overeenkomstig de instructies van het depositogarantiestelsel van die an-dere lidstaat.]1
  [1 Het Garantiefonds voert ten minste om de drie jaar en indien nodig vaker tests uit op zijn depositobeschermingsregeling. De eerste test vindt uiterlijk op 3 juli 2017 plaats.]1
  
Art.380. Les établissements de crédit établis en Belgique doivent [1 , en ce qui concerne les dépôts détenus en Belgique ou dans un Etat membre]1 participer à un système collectif de protection des dépôts financé par eux et visant [1 à accorder à certaines catégories de déposants une indemnisation lorsque la faillite est prononcée ou lorsque l'autorité de contrôle a pris la décision mentionnée à l'article 381, alinéa 2]1. [1 Par ailleurs, le système de garantie des dépôts vise le financement de la résolution des établissements de crédit conformément à l'article 384/1. L'autorité de résolution détermine, après avoir consulté le Fonds de garantie, le montant dont le système de garantie des dépôts est redevable. Les moyens financiers de ce système de garantie des dépôts peuvent également servir à financer des mesures destinées à préserver l'accès des déposants aux dépôts assurés dans le cadre de la faillite de l'établissement de crédit concerné. Le Roi fixe les modalités et conditions de l'adoption de ces mesures.]1
  L'alinéa 1er n'est pas applicable aux succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un Etat membre. Il n'est pas davantage applicable aux succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un pays tiers et dont les engagements sont couverts par un système de protection des dépôts de cet Etat dans une mesure au moins [2 équivalente]2 à celle résultant du système belge correspondant de protection des dépôts [2 , quant aux actifs couverts et au niveau de couverture prévu]2.
  Le Fonds de garantie assure la gestion et les opérations du système de protection des dépôts.
  [1 Les déposants des succursales établies en Belgique par des établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre sont informés et remboursés par le Fonds de garantie pour le compte de et conformément aux instructions du système de garantie des dépôts de cet autre Etat membre.]1
  [1 Le Fonds de garantie effectue au moins tous les trois ans, et plus fréquemment s'il y a lieu, des tests sur son système de protection des dépôts. Le premier de ces tests a lieu au plus tard le 3 juillet 2017.]1
  
Art.381. De toezichthouder informeert het Garantiefonds [1 zo spoedig mogelijk]1 ingeval hij problemen op het spoor komt die waarschijnlijk tot de interventie van deze [3 depositobeschermingsregeling]3 zullen leiden.
  Behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, neemt de toezichthouder de beslissing [1 waarmee wordt vastgesteld dat [2 een in artikel 380 bedoelde kredietinstelling]2, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, momenteel niet in staat blijkt te zijn de deposito's terug te betalen en daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat lijkt te zijn]1. Deze vaststelling geschiedt [1 zo spoedig mogelijk en in ieder geval]1 uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat een kredietinstelling heeft nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito terug te betalen.
  [1 Het Garantiefonds zorgt ervoor dat het terugbetaalbare bedrag beschikbaar is binnen een termijn van zeven werkdagen te rekenen vanaf de datum van de in het tweede lid bedoelde beslissing, dan wel de datum van de uitspraak van het faillissement van de kredietinstelling. De Koning kan een langere terugbetalingstermijn toestaan, die niet meer dan drie maanden mag bedragen indien de deposant niet de rechthebbende is van de bedragen op de rekening. De Koning kan tevens de terugbetaling uitstellen wanneer het onzeker is of een persoon gerechtigd is een terugbetaling te ontvangen, wanneer het deposito het onderwerp is van een rechtsgeschil of van beperkende maatregelen van nationale regeringen of internationale organen, wanneer er de afgelopen 24 maanden geen transactie heeft plaatsgevonden met betrekking tot het deposito, wanneer het terug te betalen bedrag geacht wordt deel uit te maken van een tijdelijk hoog saldo of wanneer het terug te betalen bedrag dient te worden uitbetaald door het [3 depositobeschermingsregeling]3 van de lidstaat van herkomst.]1
  [1 De kredietinstelling of, als deze failliet is, de curator deelt te allen tijde en op verzoek van het Garantiefonds alle gegevens mee die het Garantiefonds nodig heeft om de deposito's terug te betalen, met inbegrip van de markeringen krachtens artikel 381/1 en het totale bedrag van de in aanmerking komende deposito's van elke deposant.]1 De Koning kan de nadere regels bepalen voor de uitwisseling van de gegevens tussen de kredietinstelling of curator, enerzijds, en het Garantiefonds, anderzijds.
  Indien er twijfels rijzen over de juistheid van de gegevens die het Garantiefonds met toepassing van het vierde lid heeft ontvangen, kijkt de kredietinstelling of de curator deze op verzoek van het Garantiefonds na en deelt in voorkomend geval de verbeterde gegevens mee aan het Garantiefonds.
  
Art.381. L'autorité de contrôle informe [1 dans les meilleurs délais]1 le Fonds de garantie lorsqu'elle décèle des problèmes susceptibles de donner lieu à l'intervention de ce système de protection des dépôts.
  Sauf dans les cas où la faillite a été prononcée, l'autorité de contrôle prend la décision [1 constatant que, pour des raisons liées directement à sa situation financière, [2 un établissement de crédit visé à l'article 380]2 n'apparaît pas en mesure de restituer les dépôts et que l'établissement n'a pas de perspective rapprochée qu'il puisse le faire]1. Ce constat est fait [1 dès que possible, et en tout état de cause]1 au plus tard cinq jours ouvrables après avoir établi pour la première fois que l'établissement de crédit n'a pas restitué les dépôts échus et exigibles.
  [1 Le Fonds de garantie veille à mettre les montants remboursables à disposition dans un délai de sept jours ouvrables à compter de la date de la décision visée à l'alinéa 2 ou de la date de la déclaration en faillite de l'établissement de crédit. Le Roi peut autoriser un délai de remboursement plus long, qui ne peut toutefois pas dépasser trois mois, lorsque le déposant n'est pas l'ayant droit des sommes déposées sur un compte. Le Roi peut aussi différer le remboursement lorsqu'il n'y a pas de certitude qu'une personne soit légalement autorisée à percevoir un remboursement, lorsque le dépôt fait l'objet d'un litige ou de mesures restrictives imposées par des gouvernements nationaux ou des organismes internationaux, lorsque le dépôt n'a fait l'objet d'aucune opération au cours des vingt-quatre derniers mois, lorsque le montant à rembourser est considéré comme faisant partie d'un solde temporairement élevé, ou lorsque le montant à rembourser doit être payé par le système de garantie des dépôts de l'Etat membre d'origine.]1
  [1 L'établissement de crédit ou, si celui-ci est en faillite, le curateur communique à tout moment et à la demande du Fonds de garantie toutes les données dont ce dernier a besoin pour rembourser les dépôts, en ce compris les marquages effectués au titre de l'article 381/1 et le montant total des dépôts éligibles de chaque déposant.]1 Le Roi peut définir les règles relatives à l'échange des données entre l'établissement de crédit ou le curateur, d'une part, et le Fonds de garantie, d'autre part.
  S'il y a un doute concernant l'exactitude des données que le Fonds de garantie a reçues en application de l'alinéa 4, l'établissement de crédit ou le curateur les vérifie à la demande du Fonds de garantie et lui transfère, le cas échéant, les données corrigées.
  
Art. 381/1. [1 Kredietinstellingen markeren de in aanmerking komende deposito's zodanig dat die deposito's onmiddellijk te identificeren zijn. De nadere regels voor de markering worden vastgesteld door de Koning.]1
  
Art. 381/1. [1 Les établissements de crédit marquent les dépôts éligibles d'une manière qui permette de les identifier immédiatement. Le Roi élabore des règles plus précises pour ces marquages.]1
  
Art.382. [1 De depositobeschermingsregeling ingesteld door het Garantiefonds voorziet, tot een bedrag van maximum 100 000 euro per deposant en per instelling die deelneemt aan deze regeling, in de terugbetaling van de deposito's, ongeacht de munteenheid waarin ze uitgedrukt zijn. De Koning past dit bedrag aan, teneinde het in overeenstemming te brengen met het bedrag dat de Europese Commissie vaststelt om rekening te houden met de inflatie in de Europese Unie.
   In aanvulling op het eerste lid, genieten de volgende deposito's een bescherming van meer dan 100 000 euro gedurende een periode bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, van ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden na creditering van het bedrag of vanaf het tijdstip waarop die deposito's wettelijk kunnen worden overgemaakt :
   a) deposito's die het resultaat zijn van onroerendgoedtransacties met betrekking tot particuliere woningen;
   b) deposito's die verband houden met bepaalde levensgebeurtenissen van een deposant en die, de bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit aangewezen sociale doelen dienen.
   c) deposito's die gebaseerd zijn op de uitbetaling van verzekeringsuitkeringen of vergoedingen voor schade door criminele activiteiten of onterechte veroordeling en die, de bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit aangewezen doelen dienen.
   De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag, de modaliteiten en de voorwaarden van toekenning van deze bijkomende bescherming per categorie van deposito's die onder het vorige lid vallen.]1

  
Art.382. [1 Le système de protection des dépôts institué par le Fonds de garantie prévoit le remboursement des dépôts, jusqu'à un plafond de 100 000 euros par déposant et par établissement adhérant à ce système, quelle que soit la devise dans laquelle ils sont libellés. Le Roi adapte ce montant pour le mettre en concordance avec le montant que la Commission européenne fixe afin de tenir compte de l'inflation dans l'Union européenne.
   En complément à l'alinéa 1er, les dépôts suivants bénéficient d'une couverture au-dessus de 100 000 euros pendant une période déterminée par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, d'au moins trois mois et jusqu'à douze mois après que le montant a été crédité ou à partir du moment où ces dépôts peuvent être légalement transférés :
   a) les dépôts résultant de transactions immobilières relatives à des biens privés d'habitation;
   b) les dépôts qui sont liés à des événements particuliers de la vie d'un déposant et qui remplissent les objectifs sociaux, désignés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
   c) les dépôts qui résultent du paiement de prestations d'assurance ou d'indemnisations accordées aux victimes d'infractions pénales ou d'erreurs judiciaires et qui remplissent les objectifs désignés par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
   Le Roi détermine, moyennant un arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant, les modalités et les conditions d'attribution de cette protection supplémentaire, pour les catégories de dépôts mentionnées à l'alinéa précédent.]1

  
Art.383. De Koning bepaalt welke informatie de kredietinstellingen aan de deposanten moeten verstrekken over de dekking van hun tegoeden ingevolge de voornoemde regeling.
  [1 [2 De aanwending in het kader van reclame van de informatie]2 bedoeld in het eerste lid is beperkt tot de loutere vermelding van het depositogarantiestelsel dat een garantie biedt voor het product waarop de reclame betrekking heeft. De Koning kan de mededeling van aanvullende inlichtingen toestaan.
   De FSMA ziet toe op de naleving van dit artikel en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Voor de uitoefening van deze toezichtsopdracht beschikt zij over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 34, § 1, 1°, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.]1

  
Art.383. Le Roi règle le contenu de l'information à procurer aux déposants par les établissements de crédit concernant la couverture de leurs avoirs résultant du système précité.
  [1 [2 L'usage dans un cadre publicitaire des informations]2 visées à l'alinéa 1er est limité à une simple mention du système de garantie des dépôts qui garantit le dépôt visé dans la publicité. Le Roi peut autoriser la communication d'informations complémentaires.
   La FSMA veille au respect de l'application du présent article et des arrêtés pris pour son exécution. Pour l'exercice de cette mission de surveillance, elle dispose des compétences visées aux articles 34, § 1er, 1°, 35, §§ 1er et 2, 36, 36bis et 37 de la loi du 2 août 2002.]1

  
Art. 384/1. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsmaatregel neemt en voor zover die maatregel garandeert dat de deposanten toegang tot hun deposito's blijven hebben, draagt het Garantiefonds in de volgende gevallen in contanten bij aan de financiering van de afwikkeling :
   1° wanneer het instrument van interne versterking wordt toegepast, voor het bedrag dat bij de gewaarborgde deposito's zou worden afgeschreven om de verliezen van de kredietinstelling overeenkomstig artikel 267/1, § 1, 1° te absorberen, indien de gewaarborgde deposito's binnen het toepassingsgebied van de interne versterking zouden vallen; of
   2° wanneer er één of meer andere afwikkelingsinstrumenten dan de interne versterking worden gebruikt, voor het bedrag aan verliezen dat de verzekerde deposanten zouden hebben geleden, indien zij verliezen hadden geleden die in verhouding staan tot de verliezen van de schuldeisers met een even hoge prioriteit in geval van samenloop van schuldeisers.
   De in het eerste lid bedoelde bijdrage van het Garantiefonds wordt vastgesteld op grond van de in de artikelen 246 tot 248 bedoelde waardering en mag niet groter zijn dan de verliezen die het zou hebben moeten dragen indien de kredietinstelling volgens een liquidatieprocedure was vereffend.
   Indien bij een waardering krachtens artikel 283 wordt vastgesteld dat de bijdrage van het Garantiefonds aan de financiering van de afwikkeling groter was dan de nettoverliezen die het zou hebben geleden in het kader van een vereffening volgens een liquidatieprocedure, heeft het Garantiefonds recht op de betaling van het verschil overeenkomstig artikel 284.
   § 2. Wanneer in aanmerking komende deposito's bij een kredietinstelling in afwikkeling worden overgedragen via het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling, hebben de deposanten geen vordering op het Garantiefonds met betrekking tot enigerlei deel van hun deposito's bij de kredietinstelling in afwikkeling die niet zijn overgedragen, indien het bedrag van de overgedragen middelen gelijk is aan of groter is dan het totale in artikel 382 vastgelegde dekkingsniveau.
   § 3. Wanneer de beschikbare financiële middelen van het Garantiefonds overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 worden gebruikt en vervolgens gereduceerd worden tot minder dan twee derde van het door de Koning bepaalde streefbedrag, wordt de normale bijdrage aan de depositogarantiestelsels vastgesteld op een niveau dat het mogelijk maakt het streefbedrag binnen zes jaar te bereiken.
   § 4. Het Garantiefonds mag in geen geval bijdragen aan de financiering van de afwikkeling voor een bedrag per interventie dat groter is dan 50 % van het in paragraaf 3 bedoelde streefniveau.]1

  
Art. 384/1. [1 § 1er. Lorsque l'autorité de résolution prend une mesure de résolution et pour autant que cette mesure garantisse aux déposants le maintien de l'accès à leurs dépôts, le Fonds de garantie contribue en espèces au financement de la résolution dans les cas suivants :
   1° lorsque l'instrument de renflouement interne est appliqué, pour le montant de la dépréciation qu'auraient subie les dépôts assurés afin d'absorber les pertes de l'établissement de crédit au titre de l'article 267/1, § 1er, 1°, si les dépôts assurés avaient été inclus dans le champ d'application du renflouement interne; ou
   2° lorsqu'un ou plusieurs instruments de résolution autres qu'un instrument de renflouement interne sont appliqués, pour le montant des pertes que les déposants assurés auraient subies si ceux-ci avaient subi des pertes en proportion des pertes subies par les créanciers bénéficiant du même niveau de priorité en cas de concours de créanciers.
   La contribution du Fonds de garantie visée à l'alinéa 1er est déterminée sur la base de la valorisation visée aux articles 246 à 248 et ne peut être supérieure aux pertes qu'il aurait dû supporter si l'établissement de crédit avait été liquidé selon une procédure de liquidation.
   Lorsqu'il ressort d'une valorisation effectuée en vertu de l'article 283 que la contribution du Fonds de garantie au financement de la résolution a été supérieure aux pertes nettes que celui-ci aurait subies dans le cadre d'une liquidation selon une procédure de liquidation, le Fonds de garantie a droit au paiement de la différence conformément à l'article 284.
   § 2. Lorsque des dépôts éligibles auprès d'un établissement de crédit soumis à une procédure de résolution sont transférés en utilisant l'instrument de cession des activités ou l'instrument de l'établissement-relais, les déposants n'ont pas de créance à faire valoir sur le Fonds de garantie en ce qui concerne toute partie non transférée de leurs dépôts auprès de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution, si le montant des fonds transférés est supérieur ou égal au niveau de couverture de l'ensemble des dépôts prévu à l'article 382.
   § 3. Lorsque les moyens financiers disponibles du Fonds de garantie sont utilisés conformément aux paragraphes 1 et 2 et sont ensuite réduits à moins des deux tiers du niveau cible déterminé par le Roi, la contribution régulière aux systèmes de garantie des dépôts est fixée à un niveau permettant d'atteindre ce niveau cible dans un délai de six ans.
   § 4. Le Fonds de garantie ne peut en aucun cas contribuer au financement de la résolution pour un montant par intervention supérieur à 50 % du niveau cible visé au paragraphe 3.]1

  
Titel II. - [1 Beleggersbeschermingsregeling"]1
Titre II. - [1 Du Système de protection des investisseurs]1
Art. 384/2. [1 Iedere in België gevestigde kredietinstelling moet deelnemen aan een collectieve beleggersbeschermingsregeling waaraan zij bijdraagt en die tot doel heeft aan bepaalde categorieën van beleggers een schadevergoeding toe te kennen wanneer het faillissement van een dergelijke instelling is uitgesproken of wanneer de toezichthouder de in artikel 384/3, tweede lid, bedoelde beslissing heeft genomen ten aanzien van een dergelijke instelling.
  Het eerste lid geldt niet voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren. Het geldt evenmin voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren en waarvan de verbintenissen door een beleggersbeschermingsregeling van die staat minstens op evenwaardige wijze gedekt zijn als in het kader van de in het eerste lid bedoelde regeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau.
  Het Garantiefonds neemt het beheer en de verrichtingen van de beleggersbeschermingsregeling waar.]1

  
Art. 384/2. [1 Les établissements de crédit établis en Belgique doivent participer à un système collectif de protection des investisseurs auquel ils contribuent et visant à accorder à certaines catégories d'investisseurs une indemnisation lorsque la faillite d'un tel établissement est prononcée ou lorsque l'autorité de contrôle a pris la décision visée à l'article 384/3, alinéa 2, à l'égard d'un tel établissement.
  L'alinéa 1er n'est pas applicable aux succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre. Il n'est également pas applicable aux succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un pays tiers et dont les engagements sont couverts par un système de protection des investisseurs de cet Etat dans une mesure au moins équivalente à celle résultant du système visé à l'alinéa 1er, quant aux actifs couverts et au niveau de couverture prévu.
  Le Fonds de garantie assure la gestion et les opérations du système de protection des investisseurs.]1

  
Art. 384/3. [2 § 1.]2 [1 De toezichthouder informeert het Garantiefonds zo spoedig mogelijk ingeval hij problemen op het spoor komt die waarschijnlijk tot de interventie van de beleggersbeschermingsregeling zullen leiden.
  Behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, neemt de toezichthouder de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 384/2 bedoelde kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn te voldoen aan haar verplichtingen jegens de beleggers tot terugbetaling van de financiële instrumenten die voor hun rekening worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, en dat de kredietinstelling daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat zal zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat de kredietinstelling heeft nagelaten een financieel instrument terug te betalen.
  Het Fonds zorgt voor de in artikel 384/4 bedoelde schadeloosstelling binnen drie maanden nadat de vordering van de belegger in aanmerking is genomen en het bedrag van die vordering is vastgesteld. De toezichthouder kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. Deze verlenging mag enkel worden toegestaan in zeer uitzonderlijke omstandigheden en in specifieke gevallen.
  De kredietinstelling, of, als deze failliet is, de curator, deelt te allen tijde en op verzoek van het Garantiefonds alle gegevens mee die deze laatste nodig heeft om de in artikel 384/4 bedoelde schadevergoeding toe te kennen aan de beleggers. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de uitwisseling van de gegevens tussen de kredietinstelling of curator, enerzijds, en het Garantiefonds, anderzijds.
  Indien er twijfels rijzen over de juistheid van de gegevens die het Garantiefonds in uitvoering van het vorige lid heeft ontvangen, kijkt de kredietinstelling of de curator deze op zijn verzoek na en deelt in voorkomend geval de verbeterde gegevens mee aan het Garantiefonds.]1

  [2 § 2. Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° hebben het eerste, derde, vierde en vijfde lid van paragraaf 1 ook betrekking op de schadeloosstelling in het kader van het in artikel 384/4, tweede lid bedoelde onderdeel gelddeposito's.
   Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, neemt de Bank, behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 384/2 bedoelde kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn de gelddeposito's terug te betalen of te voldoen aan haar verplichtingen jegens de beleggers tot terugbetaling van de financiële instrumenten die voor hun rekening worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, en dat de kredietinstelling daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat zal zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat de kredietinstelling heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare gelddeposito's of een financieel instrument terug te betalen.]2

  
Art. 384/3. [2 § 1er.]2 [1 L'autorité de contrôle informe dans les meilleurs délais le Fonds de garantie lorsqu'elle décèle des problèmes susceptibles de donner lieu à l'intervention du système de protection des investisseurs.
  Sauf dans les cas où la faillite a été prononcée, l'autorité de contrôle prend la décision constatant que, pour des raisons liées directement à sa situation financière, un établissement de crédit visé à l'article 384/2 n'apparaît pas en mesure de remplir ses obligations à l'égard des investisseurs en matière de restitution des instruments financiers qui sont détenus pour leur compte ou dont l'établissement de crédit est redevable et que l'établissement de crédit ne sera pas en mesure de le faire dans un futur rapproché. Ce constat est fait dès que possible, et en tout état de cause au plus tard cinq jours ouvrables après avoir établi pour la première fois que l'établissement de crédit a omis de restituer un instrument financier.
  Le Fonds de garantie assure l'indemnisation visé à l'article 384/4 dans un délai de trois mois après que l'éligibilité et le montant de la créance de l'investisseur ont été établis. L'autorité de contrôle peut décider une prolongation ne dépassant pas trois mois. Cette prolongation ne peut être accordée que dans des circonstances très exceptionnelles et pour des cas particuliers.
  L'établissement de crédit ou, si celui-ci est en faillite, le curateur communique à tout moment et à la demande du Fonds de garantie, toutes les données dont ce dernier a besoin pour assurer l'indemnisation des investisseurs visée à l'article 384/4. Le Roi peut définir les règles relatives à l'échange des données entre l'établissement de crédit, ou le curateur, d'une part, et le Fonds de garantie, d'autre part.
  S'il y a un doute concernant l'exactitude des données que le Fonds de garantie a reçues en exécution de l'alinéa précédent, l'établissement de crédit ou le curateur les vérifie à sa demande et lui transfère, le cas échéant, les données corrigées.]1

  [2 § 2. Pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les alinéas 1er, 3, 4 et 5 du paragraphe 1er portent également sur l'indemnisation sous le volet dépôts de fonds visée à l'article 384/4, alinéa 2.
   Pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, sauf dans les cas où la faillite a été prononcée, la Banque prend la décision constatant que, pour des raisons liées directement à sa situation financière, un établissement de crédit visé à l'article 384/2, n'apparaît pas en mesure de restituer les dépôts de fonds ou de remplir ses obligations à l'égard des investisseurs en matière de restitution des instruments financiers qui sont détenus pour leur compte ou dont l'établissement de crédit est redevable et que l'établissement de crédit ne sera pas en mesure de le faire dans un futur rapproché. Ce constat est fait dès que possible, et en tout état de cause au plus tard cinq jours ouvrables après avoir établi pour la première fois que l'établissement de crédit n'a pas restitué les dépôts de fonds échus et exigibles ou a omis de restituer un instrument financier.]2

  
Art. 384/4. [1 Onverminderd eventuele franchises overeenkomstig het Europese recht, voorziet de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling, tot een bedrag van maximum 20 000 euro per belegger en per kredietinstelling die aan deze regeling deelneemt, in een schadevergoeding voor niet-terugbetaling van financiële instrumenten die voor rekening van de beleggers worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, ongeacht de munteenheid waarin de financiële instrumenten zijn uitgedrukt.]1
  [2 Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° wordt het onderdeel financiële instrumenten van de beleggersbeschermingsregeling die door het in het eerste lid bedoelde Garantiefonds is ingesteld, aangevuld met een onderdeel gelddeposito's van de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling, dat voorziet, tot een bedrag van maximum 100 000 euro per belegger en per kredietinstelling die aan deze regeling deelneemt, in de terugbetaling van de gelddeposito's die voor rekening van de beleggers worden gehouden en die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen, ongeacht de munteenheid waarin ze zijn uitgedrukt, op voorwaarde dat deze gelddeposito's niet reeds gedekt zijn door de in de artikelen 379/2 tot 384/1 bedoelde depositobeschermingsregeling.]2
  
Art. 384/4. [1 Sans préjudice d'éventuelles franchises conformes au droit européen, le système de protection des investisseurs institué par le Fonds de garantie prévoit une indemnisation pour toute non-restitution d'instruments financiers qui sont détenus pour le compte des investisseurs ou dont l'établissement de crédit est redevable, jusqu'à un plafond de 20 000 euros par investisseur et par établissement de crédit adhérant à ce système, quelle que soit la devise dans laquelle les instruments financiers sont libellés.]1
  [2 Pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, le volet instruments financiers du système de protection des investisseurs institué par le Fonds de garantie visé à l'alinéa 1er, est complété d'un volet dépôts de fonds du système de protection des investisseurs, institué par le Fonds de garantie, qui prévoit, jusqu'à un plafond de 100 000 euros par investisseur et par établissement de crédit adhérant à ce système, le remboursement des dépôts de fonds détenus pour le compte des investisseurs en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers, en attente d'investissements en dépôts structurés ou en attente de restitution, quelle que soit la devise dans laquelle ils sont libellés, à condition que ces dépôts de fonds ne soient pas déjà couverts par le système de protection des dépôts visé dans les articles 379/2 à 384/1.]2
  
Art. 384/5. [1 De Koning bepaalt welke informatie de kredietinstellingen aan de beleggers moeten verstrekken over de dekking van hun tegoeden ingevolge de voornoemde regeling.
  [2 De aanwending in het kader van reclame van de informatie bedoeld in het eerste lid is beperkt tot de loutere vermelding van de beleggersbeschermingsregeling die een garantie biedt voor de financiële instrumenten of, in het geval van een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, voor de gelddeposito's waarop de reclame betrekking heeft.]2
  De FSMA ziet toe op de naleving van dit artikel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Voor de uitvoering van deze opdracht beschikt zij over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 34, § 1, 1°, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.]1

  
Art. 384/5. [1 Le Roi règle le contenu de l'information à procurer aux investisseurs par les établissements de crédit concernant la couverture de leurs avoirs résultant du système précité.
  [2 L'usage dans un cadre publicitaire des informations visées à l'alinéa 1er est limité à une simple mention du système de protection des investisseurs qui garantit les instruments financiers ou, dans le cas d'un établissement de credit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les dépôts de fonds visés dans la publicité.]2
  La FSMA veille au respect de l'application du présent article et des arrêtés pris pour son exécution. Pour l'exercice de cette mission de surveillance, elle dispose des compétences visées aux articles 34, § 1er, 1°, 35, §§ 1er et 2, 36, 36bis et 37 de la loi du 2 août 2002.]1

  
Art. 384/6. [1 Het Garantiefonds treft de nodige maatregelen en schikkingen om de bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, in staat te stellen deel te nemen aan de beleggersbeschermingsregeling die het beheert, teneinde, binnen de grenzen van deze regeling, de waarborgen verstrekt door de regeling waaraan de instelling in haar staat deelneemt, aan te vullen.
  Indien het bijkantoor dat de mogelijkheid van het eerste lid heeft benut, zijn verplichtingen ten aanzien van de beleggersbeschermingsregeling niet nakomt, wendt het Garantiefonds zich in samenwerking met de toezichthouder tot de bevoegde autoriteit die de vergunning heeft verleend aan de kredietinstelling waarvan het bijkantoor afhangt. Indien de toestand niet binnen twaalf maanden wordt verholpen, kan het Garantiefonds, op eensluidend advies van deze autoriteit, het bijkantoor uitsluiten na afloop van een opzeggingstermijn van twaalf maanden. De termijnverbintenissen van voor de uitsluiting blijven gedekt door de beschermingsregeling tot ze vervallen. De andere tegoeden die vóór de uitsluiting werden gehouden, blijven nog twaalf maanden gedekt. De beleggers worden door het bijkantoor of, zo niet, door de toezichthouder op de hoogte gebracht van het verval van de dekking.]1

  
Art. 384/6. [1 Le Fonds de garantie prend les mesures et dispositions nécessaires pour permettre aux succursales des établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre de participer au système de protection des investisseurs dont il assume la gestion, en vue de compléter, dans les limites de ce système, les garanties procurées par le système auquel l'établissement adhère dans son Etat.
  Si la succursale qui a fait usage de la faculté prévue par l'alinéa 1er ne remplit pas ses obligations envers le système de protection des investisseurs, le Fonds de garantie, en collaboration avec l'autorité de contrôle, en saisit l'autorité compétente qui a délivré l'agrément à l'établissement de crédit dont relève la succursale. A défaut de redressement de la situation, dans les douze mois, le Fonds de garantie peut, de l'avis conforme de cette autorité, exclure la succursale au terme d'un préavis de douze mois. Les engagements à terme antérieurs à l'exclusion restent couverts par le système de protection, jusqu'à leur terme. Les autres avoirs détenus antérieurement à l'exclusion restent couverts pendant douze mois. Les investisseurs sont informés par la succursale, ou, à défaut, par l'autorité de contrôle, de la cessation de la couverture.]1

  
BOEK IX. - SLOT-, WIJZIGINGS-,
LIVRE IX. - DISPOSITIONS FINALES,
TITEL I. - Slotbepalingen en diverse bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions finales et diverses
Art.385. Voor de toepassing van de artikelen 1 en 5 van deze wet kan de Koning de criteria vastleggen op grond waarvan het openbaar karakter van de in deze bepalingen bedoelde verrichtingen kan worden bepaald.
Art.385. Le Roi peut, pour l'application des articles 1er et 5 de la présente loi, définir des critères de détermination du caractère public des opérations que ces dispositions visent.
Art.386. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning alle nuttige maatregelen nemen om de financieringsregelingen in te richten die nodig zijn voor de effectieve aanwending van de instrumenten en afwikkelingsbevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit.
Art.386. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut prendre toutes les mesures utiles en vue de mettre en place les dispositifs de financement nécessaires à la mise en oeuvre effective des instruments et pouvoirs de résolution par l'autorité de résolution.
Art.387. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning de toepassing van alle of een deel van de bepalingen van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VII en van de Titels IV en VIII uitbreiden tot financiële holdings en gemengde financiële holdings en er de nadere regels van vaststellen.
Art.387. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut étendre l'application de tout ou partie des dispositions du Livre II, Titre II, Chapitre VII et des Titres IV et VIII aux compagnies financières et aux compagnies financières mixtes et en déterminer les modalités.
Art.388. De in artikels 386 en 387 aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.
  De koninklijke besluiten genomen krachtens de artikelen 386 of 387 kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  Deze besluiten worden van rechtswege opgeheven indien zij niet bij wet worden bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art.388. Les pouvoirs accordés au Roi par les articles 386 et 387 expirent le 31 décembre 2015.
  Les arrêtés royaux pris en vertu des articles 386 ou 387 peuvent modifier, compléter, remplacer ou abroger les dispositions légales en vigueur.
  Ces arrêtés sont abrogés de plein droit lorsqu'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois qui suivent leur publication au Moniteur belge.
Art.389. § 1. De gewaarborgde deposito's en de vorderingen van het Garantiefonds op een kredietinstelling, in hoofdsom, interesten en bijkomstigheden, zijn bevoorrecht op alle roerende goederen van deze kredietinstelling.
  Het in het eerste lid bedoelde voorrecht neemt rang onmiddellijk na de voorrechten bedoeld in artikel 19, 4° nonies, van de hypotheekwet van 16 december 1851.
  § 2. Voor het deel dat het dekkingsniveau bepaald in artikel 382 overschrijdt, zijn de in aanmerking komende deposito's van natuurlijke personen en van de kleine en middelgrote ondernemingen bevoorrecht op alle roerende goederen van de kredietinstelling.
  Het voorrecht bedoeld in het eerste lid neemt rang onmiddellijk na het voorrecht bedoeld in paragraaf 1.
  Voor de toepassing van het eerste lid zijn kleine en middelgrote ondernemingen de ondernemingen waarvan de jaarlijkse omzet niet hoger is dan 50 miljoen euro.
Art.389. § 1er. Les dépôts assurés et les créances du Fonds de garantie sur un établissement de crédit, en principal, intérêts et accessoires, sont privilégiés sur la généralité des biens meubles de cet établissement de crédit.
  Le privilège visé à l'alinéa 1er prend rang immédiatement après les privilèges visés à l'article 19, 4° nonies, de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.
  § 2. Pour la partie qui dépasse le niveau de couverture prévu à l'article 382, les dépôts éligibles des personnes physiques et des petites et moyennes entreprises sont privilégiés sur la généralité des biens meubles de l'établissement de crédit.
  Le privilège visé à l'alinéa 1er prend rang immédiatement après le privilège visé au paragraphe 1er.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, les petites et moyennes entreprises sont les entreprises dont le chiffre d'affaires annuel n'excède pas 50 millions d'euros.
Art. 389/1. [1 [3 Wanneer ten aanzien van een entiteit bedoeld in artikel 424 een liquidatieprocedure wordt geopend, kunnen de volgende schuldeisers bij de verdeling gelijktijdig aanspraken doen gelden naar verhouding van hun toegelaten schuldvorderingen, waarbij zij rang nemen na de schuldeisers die houders zijn van zakelijke zekerheden of voorrechten]3 :
   1° in de eerste plaats, de chirografaire schuldeisers die niet vermeld zijn in 2° ;
   2° in de tweede plaats, de chirografaire schuldeisers die houders zijn van schuldinstrumenten :
   a) [2 die geen verankerde derivaten bevatten en zelf geen derivaten zijn. Schuldinstrumenten met een variabele rente afgeleid van een algemeen gebruikte referentierente en schuldinstrumenten die niet luiden in de nationale valuta van de emittent, mits hoofdsom, terugbetaling en rente in dezelfde valuta zijn uitgedrukt, mogen niet louter op basis van deze kenmerken worden beschouwd als schuldinstrumenten die verankerde derivaten bevatten;]2;
   b) waarvan de oorspronkelijke looptijd niet korter is dan een jaar; en
   c) op voorwaarde dat de regels inzake de uitgifte ervan bepalen dat de schuldvordering een chirografaire schuldvordering is overeenkomstig punt 2°,
   voor de hoofdsommen en interesten die hen verschuldigd zijn uit hoofde van die schuldinstrumenten;]1

  [3 3° in de derde plaats, de achtergestelde schuldeisers;
   4° in de vierde plaats, de schuldeisers die houders zijn van eigenvermogensbestanddelen, met inbegrip van instrumenten die slechts gedeeltelijk als een eigenvermogensbestanddeel worden erkend, die in hun geheel behandeld worden als schulden die voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel. Voor de toepassing van dit punt 4° worden enkel instrumenten die eigenvermogensbestanddelen vormen op het ogenblik van de opening van de liquidatieprocedure behandeld als schulden die voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel, niettegenstaande enige andersluidende contractuele clausule.]3

  [3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "schuldinstrumenten" verstaan, obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld en instrumenten die een schuld creëren of erkennen.]3
  
Art. 389/1. [1 [3 Lorsqu'une procédure de liquidation est ouverte à l'encontre d'une entité visée à l'article 424, concourent aux répartitions dans la proportion de leurs créances admises après les créanciers titulaires de sûretés réelles ou de privilèges]3 :
   1° en premier lieu, les créanciers chirographaires qui ne sont pas mentionnés au 2° ;
   2° en second lieu, les créanciers chirographaires consistant dans les titulaires de titres de créance :
   a) [2 a) qui ne comprennent pas de dérivés incorporés et ne sont pas eux-mêmes des produits dérivés. Les instruments de dette assortis d'un taux variable découlant d'un taux de référence largement utilisé et les instruments de dette qui ne sont pas libellés dans la monnaie nationale de l'émetteur, à condition que le capital, le remboursement et les intérêts soient libellés dans la même devise, ne sont pas considérés comme des instruments de dette comprenant des dérivés incorporés en raison de ces seules caractéristiques]2;
   b) dont l'échéance à l'émission n'est pas inférieure à un an; et
   c) à condition que les règles régissant leur émission précisent que la créance est chirographaire conformément au 2°,
   pour les sommes en principal et intérêts qui leur sont dues au titre de ces titres de créance;]1

  [3 3° en troisième lieu, les créanciers subordonnés ;
   4° en quatrième lieu, les créanciers consistant dans les titulaires d'éléments de fonds propres, y compris les instruments qui ne sont reconnus que partiellement comme éléments de fonds propres, lesquels sont traités dans leur intégralité comme des créances résultant d'éléments de fonds propres. Pour l'application du présent point, seuls les instruments constitutifs d'éléments de fonds propres au moment de l'ouverture de la procédure de liquidation sont traités comme des créances résultant d'éléments de fonds propres, nonobstant toute clause contractuelle contraire.]3

  [3 Pour l'application du présent article, on entend par "instruments de dette", les obligations et autres formes de dette négociables et les instruments créant ou reconnaissant une dette.]3
  
TITEL II. - Wijzigingsbepalingen
TITRE II. - Dispositions modificatives
Art.390. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 11, § 2 vervangen als volgt :
  " § 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in haar beslissing om de vergunning te weigeren of in de ontwerpbeslissing die zij met toepassing van de GTM-verordening aan de Europese Centrale Bank meedeelt. Het voornoemde advies van de FSMA over punt 1° van paragraaf 1, eerste lid wordt gevoegd bij de kennisgeving van de beslissing tot weigering van de Bank of bij haar ontwerpbeslissing over de vergunningsaanvraag, alsook bij de eindbeslissing van de Europese Centrale Bank.".
Art.390. A la date du 4 novembre 2014, l'article 11, § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Si la Banque ne tient pas compte de l'avis de la FSMA sur les questions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, elle en fait état et en mentionne les raisons dans sa décision de refuser l'agrément ou dans le projet de décision qu'elle notifie à la Banque centrale européenne en application du Règlement MSU. L'avis précité de la FSMA relatif au point 1° du paragraphe 1er, alinéa 1er est joint à la notification de la décision de refus de la Banque ou à son projet de décision relative à la demande d'agrément ainsi qu'à la décision finale adoptée par la Banque centrale européenne.".
Art.391. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 12 vervangen als volgt :
  "Art. 12. De toezichthouder spreekt zich uit over de vergunningsaanvraag binnen zes maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen twaalf maanden na ontvangst van de aanvraag.
  Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden van Afdeling II vervuld zijn, deelt zij een ontwerpbeslissing mee aan de aanvrager en aan de Europese Centrale Bank, zodat deze laatste zich binnen de in het eerste lid bedoelde termijnen kan uitspreken met toepassing van de GTM-verordening. De Bank kan, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid, in haar ontwerpbeslissing bepalen dat de vergunning voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden onderworpen is aan voorwaarden.
  Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden van Afdeling II niet vervuld zijn, weigert zij de vergunning.
  De Bank brengt haar beslissing tot weigering van de vergunning of de eindbeslissing van de Europese Centrale Bank binnen vijftien dagen ter kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het eerste lid.".
Art.391. A la date du 4 novembre 2014, l'article 12 est remplacé par la disposition suivante :
  "Art. 12. L'autorité de contrôle se prononce sur la demande d'agrément dans les six mois de l'introduction d'un dossier complet et, au plus tard, dans les douze mois de la réception de la demande.
  Lorsqu'elle considère que les conditions fixées à la Section II sont remplies, la Banque communique un projet de décision au requérant et à la Banque centrale européenne en vue de permettre à celle-ci de se prononcer dans les délais visés à l'alinéa 1er en application du Règlement MSU. Le projet décision de la Banque peut, en vue d'une gestion saine et prudente, prévoir que l'agrément soit assorti de conditions relatives à l'exercice de certaines des activités projetées.
  Lorsqu'elle considère que les conditions fixées à la Section II ne sont pas remplies, la Banque refuse l'agrément.
  Sans excéder les délais visés à l'alinéa 1er, la Banque notifie sa décision de refus d'agrément ou la décision finale de la Banque centrale européenne dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception.".
Art.392. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 47 van deze wet vervangen als volgt :
  "Art. 47. De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving en van alle in artikel 46 bedoelde informatie, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in het derde lid bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging. Zij vermeldt daarin de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt. De Bank licht tegelijkertijd de Europese Centrale Bank in.
  De beoordelingsperiode waarover de Europese Centrale Bank beschikt om de in paragraaf 3 bedoelde beslissing te nemen, bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn conform de in artikel 46, tweede lid bedoelde lijst.
  De Bank kan, uit eigen beweging of wanneer de Europese Centrale Bank daarom verzoekt, tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is. De Bank deelt aan de Europese Centrale Bank onmiddellijk de aldus ontvangen aanvullende informatie mee.
  De beoordelingsperiode wordt onderbroken vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver. De onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Hoewel het de Bank na het verstrijken van de uiterste datum vastgelegd conform het vorige lid, vrij staat om ter vervollediging of verduidelijking bijkomende verzoeken om informatie te formuleren, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank, hebben deze verzoeken geen onderbreking van de beoordelingsperiode tot gevolg.
  De Bank kan de in het vierde lid bedoelde onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig werkdagen :
  a) indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet-communautaire reglementering onderworpen is; of
  b) indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechtspersoon is die niet aan toezicht onderworpen is ingevolge Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010, Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), of Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten.".
Art.392. A la date du 4 novembre 2014, l'article 47 de la présente loi est remplacé par la disposition suivante :
  "Art. 47. Diligemment, et en toute hypothèse dans un délai de deux jours ouvrables après la réception de la notification et des informations complètes visées à l'article 46, ainsi qu'après l'éventuelle réception ultérieure des informations visées à l'alinéa 3, la Banque en accuse réception par écrit au candidat acquéreur. L'accusé de réception indique la date d'expiration de la période d'évaluation. La Banque en informe simultanément la Banque centrale européenne.
  La période d'évaluation dont dispose la Banque centrale européenne pour rendre sa décision concernant l'évaluation visée au paragraphe 3 est de maximum soixante jours ouvrables à compter de la date de l'accusé de réception de la notification et de tous les documents requis sur la base de la liste visée à l'article 46, alinéa 2.
  La Banque, d'initiative ou lorsque la Banque centrale européenne le requiert, peut, pendant la période d'évaluation, au plus tard le cinquantième jour ouvrable de la période d'évaluation, demander un complément d'information nécessaire pour mener à bien l'évaluation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires. La Banque communique immédiatement à la Banque centrale européenne les informations complémentaires ainsi reçues.
  Pendant la période comprise entre la date de la demande d'information par la Banque et la réception d'une réponse du candidat acquéreur à cette demande, la période d'évaluation est suspendue. Cette suspension ne peut excéder vingt jours ouvrables. Le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne, la Banque peut formuler, au-delà de la date limite déterminée conformément à l'alinéa précédent, d'autres demandes visant à recueillir des informations complémentaires ou des clarifications, sans que ces demandes ne donnent toutefois lieu à une suspension de la période d'évaluation.
  La Banque peut porter la suspension visée à l'alinéa 4, à trente jours ouvrables :
  a) si le candidat acquéreur est établi hors de l'Espace économique européen ou relève d'une réglementation non communautaire; ou
  b) si le candidat acquéreur est une personne physique ou morale qui n'est pas soumise à une surveillance en vertu des directives 2013/36/UE, 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM), directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d'investissement alternatifs et modifiant les directives 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010, 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice (solvabilité II), ou 2004/39/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 concernant les marchés d'instruments financiers.".
Art.393. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 48 van deze wet vervangen als volgt :
  "Art. 48. Bij de beoordeling van de in artikel 46 bedoelde kennisgeving en informatie, en van de in artikel 47 bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling die het doelwit is van de voorgenomen verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed van de kandidaat-verwerver op de kredietinstelling, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving aan alle in artikel 18, tweede lid bedoelde criteria.
  In de loop van de beoordelingsperiode bedoeld in artikel 47 en uiterlijk 15 werkdagen vóór het einde van die periode, richt de Bank aan de Europese Centrale Bank een ontwerp van gemotiveerde beslissing om zich al dan niet te verzetten tegen de voorgenomen verwerving. Het verzet mag enkel berusten op gegronde redenen om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 18, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te waarborgen, of op het feit dat de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt onvolledig is.
  Indien de Europese Centrale Bank naar aanleiding van het voorstel van de Bank besluit zich te verzetten tegen de voorgenomen verwerving, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis binnen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden. Op verzoek van de kandidaat-verwerver kan een passende motivering van het besluit voor het publiek toegankelijk worden gemaakt.
  Indien de Europese Centrale Bank zich binnen de beoordelingsperiode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.
  De Europese Centrale Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze termijn in voorkomend geval verlengen.".
Art.393. A la date du 4 novembre 2014, l'article 48 de la présente loi est remplacé par la disposition suivante :
  "Art. 48. En procédant à l'évaluation de la notification et des informations visées à l'article 46 et des informations complémentaires visées à l'article 47, la Banque apprécie, afin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit visé par l'acquisition envisagée et en tenant compte de l'influence probable du candidat acquéreur sur l'établissement de crédit, le caractère approprié du candidat acquéreur et la solidité financière de l'acquisition envisagée en appliquant l'ensemble des critères visés à l'article 18, alinéa 2.
  La Banque formule, dans le courant de la période d'évaluation visée à l'article 47 et au plus tard 15 jours ouvrables avant la fin de cette période, à l'attention de la Banque centrale européenne, un projet de décision motivée de s'opposer ou non à la réalisation de l'acquisition. L'opposition ne peut reposer que sur des motifs raisonnables de considérer, sur la base des critères fixés à l'article 18, alinéa 2, que le candidat acquéreur ne présente pas les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit ou sur le fait que les informations fournies par le candidat acquéreur sont incomplètes.
  Si la Banque centrale européenne décide, à la suite de la proposition de la Banque, de s'opposer à l'acquisition envisagée, elle le notifie par écrit au candidat acquéreur, dans un délai de deux jours ouvrables et sans dépasser la période d'évaluation. Un exposé approprié des motifs de la décision peut être rendu accessible au public à la demande du candidat acquéreur.
  Si, au terme de la période d'évaluation, la Banque centrale européenne ne s'est pas opposée à l'acquisition envisagée, celle-ci est réputée approuvée.
  La Banque centrale européenne peut fixer un délai maximal pour la conclusion de l'acquisition envisagée et, le cas échéant, le proroger.".
Art.394. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 49 van deze wet vervangen als volgt :
  "Art. 49. Voor het verrichten van de in artikel 48 bedoelde beoordeling werkt de Bank in nauw overleg samen met iedere andere betrokken bevoegde autoriteit of, al naargelang het geval, in overleg met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen of instellingen is :
  a) een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend volgens het recht van een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA;
  b) de moederonderneming van een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen;
  c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen.
  Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en uit eigen beweging alle essentiële informatie. In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar ontwerpbesluit steeds de eventuele standpunten of bedenkingen van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA. Deze standpunten of bedenkingen worden ook vermeld in het besluit van de Europese Centrale Bank.".
Art.394. A la date du 4 novembre 2014, l'article 49 de la présente loi est remplacé par la disposition suivante :
  "Art. 49. La Banque procède à l'évaluation visée à l'article 48 en consultation étroite avec toute autre autorité compétente concernée, ou, selon le cas, en concertation avec la FSMA, si le candidat acquéreur est :
  a) un établissement de crédit, une entreprise d'assurances, une entreprise de réassurance, une entreprise d'investissement, un gestionnaire d'OPCA ou une société de gestion d'organismes de placement collectif agréés selon le droit d'un autre Etat membre, ou, selon le cas, par la FSMA;
  b) l'entreprise mère d'une entreprise ayant une des qualités visées au a);
  c) une personne physique ou morale contrôlant une entreprise ayant une des qualités visées au a).
  A cette fin, la Banque échange, dans les meilleurs délais, avec ces autorités toute information essentielle ou pertinente pour l'évaluation. Dans ce cadre, elle communique sur demande toute information pertinente et, de sa propre initiative, toute information essentielle. Dans les cas visés à l'alinéa 1er, tout projet de décision de la Banque mentionne les éventuels avis ou réserves formulés par l'autorité compétente responsable du candidat acquéreur ou, selon le cas, par la FSMA. La décision de la Banque centrale européenne indique également ces mêmes avis ou réserves.".
Art.395. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 53 van deze wet vervangen als volgt :
  "Art. 53. Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de kredietinstellingen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in artikel 46 tot gevolg hebben.
  Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 18, tweede lid bedoelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 9 bedoelde personen. De Bank deelt deze informatie mee aan de Europese Centrale Bank.
  Onder dezelfde voorwaarden delen zij de Bank ten minste eens per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten. Zij delen de Bank evenzo mee voor hoeveel aandelen en voor hoeveel hieraan verbonden stemrechten zij een kennisgeving van verwerving of vervreemding hebben ontvangen overeenkomstig artikel 515 van het Wetboek van Vennootschappen, ingeval een dergelijke kennisgeving aan de Bank niet statutair is voorgeschreven.".
Art.395. A la date 4 novembre 2014, l'article 53 de la présente loi est remplacé par la disposition suivante :
  "Art. 53. Les établissements de crédit communiquent à la Banque, dès qu'ils en ont connaissance, les acquisitions ou aliénations de leurs titres ou parts qui font franchir vers le haut ou vers le bas l'un des seuils visés à l'article 46.
  De même, ils communiquent immédiatement à la Banque toutes informations dont ils ont connaissance et de nature à influencer la situation de leurs actionnaires ou associés au regard des critères d'appréciation visés à l'article 18, alinéa 2. La même obligation d'information incombe aux personnes visées à l'article 9. La Banque communique ces informations à la Banque centrale européenne.
  Dans les mêmes conditions, ils communiquent à la Banque, une fois par an au moins, l'identité des actionnaires ou associés qui possèdent, directement ou indirectement, agissant seuls ou de concert, des participations qualifiées dans leur capital, ainsi que la quotité du capital et celle des droits de vote ainsi détenus. Ils communiquent de même à la Banque la quotité des actions ou parts ainsi que celle des droits de vote y afférents dont l'acquisition ou l'aliénation leur est déclarée conformément à l'article 515 du Code des sociétés dans les cas où les statuts ne prescrivent pas leur déclaration à la Banque.".
Art.396. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 54 van deze wet vervangen als volgt :
  "Art. 54. Indien de toezichthouder grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een kredietinstelling, een gezond en voorzichtig beleid van deze kredietinstelling kan belemmeren, kan hij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen :
  1° de uitoefening schorsen van de stemrechten verbonden aan de aandelen die in het bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot; hij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door hem bevolen maatregelen worden opgeheven; zijn beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zijn beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de toezichthouder kan zijn beslissing openbaar maken;
  2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die hij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.
  Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de toezichthouder bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die hij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de kredietinstelling die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning.
  Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de toezichthouder en betaald door de voornoemde houder.
  Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen.
  Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de [1 ondernemingsrechtbank]1 van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de toezichthouder, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt.".
  
Art.396. A la date 4 novembre 2014, l'article 54 de la présente loi est remplacé par la disposition suivante :
  "Art. 54. Lorsque l'autorité de contrôle a des raisons de considérer que l'influence exercée par une personne physique ou morale détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans un établissement de crédit est de nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle peut :
  1° suspendre l'exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l'actionnaire ou l'associé en question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est notifiée de la manière la plus appropriée à l'actionnaire ou à l'associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu'elle a été notifiée; l'autorité de contrôle peut rendre sa décision publique;
  2° donner injonction à l'actionnaire ou à l'associé en cause de céder, dans le délai qu'elle fixe, les droits d'associé qu'il détient.
  A défaut de cession dans le délai fixé, l'autorité de contrôle peut ordonner la mise sous séquestre des droits d'associés auprès de telle institution ou personne qu'elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à l'établissement de crédit qui modifie en conséquence le registre des actions ou parts d'associés nominatives et qui n'accepte l'exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l'intérêt d'une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit et dans celui du détenteur des droits d'associés ayant fait l'objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d'associés. Les sommes encaissées par lui au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°.
  La souscription à des augmentations de capital ou à d'autres titres conférant ou non le droit de vote, l'option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d'acquisition ou d'échange et la libération de titres non entièrement libérés sont subordonnés à l'accord du détenteur précité. Les droits d'associés acquis en vertu de ces opérations font, de plein droit, l'objet du séquestre prévu ci-dessus.
  La rémunération du séquestre est fixée par l'autorité de contrôle et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer cette rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur précité aux fins ou comme conséquence des opérations visées ci-dessus.
  Lorsque des droits de vote ont été exercés par le détenteur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur après l'échéance du délai fixé conformément à l'alinéa 1er, 2°, première phrase, nonobstant une suspension de leur exercice prononcée conformément à l'alinéa 1er, 1°, le [1 tribunal de l'entreprise]1 dans le ressort duquel la société a son siège peut, sur requête de l'autorité de contrôle, prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations de l'assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les quorums de présence ou de majorité requis par lesdites délibérations n'auraient pas été réunis.".
  
Art.397. Op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn, wordt artikel 157, paragraaf 1 vervangen als volgt :
  " § 1. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waar een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden uitoefent als bedoeld in artikel 4, in het kader van het vrij verrichten van diensten, de toezichthouder ervan in kennis stellen dat de Belgische wettelijke bepalingen vastgesteld met toepassing van Richtlijn 2013/36/EU of Verordening nr. 575/2013, niet worden nageleefd of er een wezenlijk risico bestaat van niet-naleving, treft de toezichthouder zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen, met name deze bedoeld in de artikelen 234 tot 236, of doet hij deze maatregelen treffen, om ervoor te zorgen dat deze onregelmatige situatie wordt verholpen.
  De toezichthouder deelt deze maatregelen onverwijld mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.".
Art.397. A la date d'entrée en vigueur, conformément à l'article 151 de la Directive 2013/36/UE, des articles 40, 41, 43, 49, 50 et 51 de cette directive, l'article 157, paragraphe 1er, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Lorsque les autorités compétentes d'un autre Etat membre dans lequel un établissement de crédit belge a établi une succursale, ou y exerce des activités visées à l'article 4 dans le cadre de la libre prestation de services, informent l'autorité de contrôle que les dispositions légales belges définies en application de la directive 2013/36/UE ou du Règlement n° 575/2013 ne sont pas respectées, ou qu'il existe un risque significatif de non-respect, l'autorité de contrôle prend ou fait prendre, sans délai, toute mesure appropriée, notamment celles visées aux articles 234 à 236, pour veiller à ce qu'il soit remédié à la situation de manquement.
  L'autorité de contrôle communique sans délai ces mesures à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.".
Art.398. Op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn, wordt artikel 158 vervangen als volgt :
  "Art. 158. § 1. Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van kredietinstellingen die in andere lidstaten worden uitgeoefend via een bijkantoor, werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst. De toezichthouder verstrekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken kredietinstellingen die het toezicht op deze kredietinstellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die kredietinstellingen kunnen vergemakkelijken, alsmede alle gegevens die de monitoring van deze kredietinstellingen, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door hen gevormde systeemrisico, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, kunnen vergemakkelijken.
  § 2. De toezichthouder verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk alle inlichtingen en bevindingen met betrekking tot het liquiditeitstoezicht dat overeenkomstig de artikelen 412 tot 414 van Verordening nr. 575/2013, de artikelen 149, 151, 234, § 2 en artikel 8 van Bijlage I bij deze wet, wordt uitgeoefend op de werkzaamheden die een Belgische kredietinstelling via haar bijkantoren verricht, voor zover die inlichtingen en bevindingen relevant zijn voor de bescherming van de deposanten of beleggers in de betrokken lidstaat van ontvangst.
  § 3. De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk in kennis indien er zich een liquiditeitsspanning voordoet of indien redelijkerwijze mag worden verwacht dat er zich een liquiditeitsspanning zal voordoen. Bij deze kennisgeving worden ook nadere bijzonderheden verstrekt over de planning en uitvoering van een herstelplan en over alle in dat verband genomen prudentiële toezichtsmaatregelen.
  § 4. Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst deelt de toezichthouder mee en legt hij uit hoe met de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst meegedeelde inlichtingen en bevindingen rekening werd gehouden.
  Indien de toezichthouder het niet eens is met de maatregelen die door een bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst moeten worden getroffen om verdere inbreuken te voorkomen teneinde de belangen van deposanten, beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren, kan hij de zaak aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
  § 5. De toezichthouder kan eveneens situaties waarin een verzoek om samenwerking, met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.".
Art.398. A la date d'entrée en vigueur, conformément à l'article 151 de la Directive 2013/36/UE, des articles 40, 41, 43, 49, 50 et 51 de cette directive, l'article 158 est remplacé par la disposition suivante :
  "Art. 158. § 1er. En vue de surveiller l'activité des établissements exercée dans d'autres Etats membres par voie d'une succursale, l'autorité de contrôle collabore étroitement avec l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil. L'autorité de contrôle communique à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil toutes les informations relatives à la gestion et à la propriété des établissements de crédit concernés susceptibles de faciliter leur surveillance et l'examen des conditions de leur agrément, ainsi que toutes les informations susceptibles de faciliter leur suivi, en particulier en matière de liquidité, de solvabilité, de garantie des dépôts, de limitation des grands risques, d'autres facteurs susceptibles d'influer sur le risque systémique qu'ils représentent, d'organisation administrative et comptable et de mécanismes de contrôle interne.
  § 2. L'autorité de contrôle communique immédiatement à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil toutes informations et constatations relatives à la surveillance de la liquidité, conformément aux articles 412 à 414 du Règlement n° 575/2013 et aux articles 149, 151, 234, § 2 et à l'article 8 de l'Annexe I de la présente loi, concernant les activités exercées par un établissement de crédit belge par voie de ses succursales, dans la mesure où ces informations et constatations sont pertinentes pour la protection des déposants ou des investisseurs dans l'Etat membre d'accueil concerné.
  § 3. L'autorité de contrôle informe immédiatement l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil qu'une crise de liquidité est survenue ou que l'on peut raisonnablement s'attendre à ce qu'elle survienne. Cette information inclut aussi des éléments détaillés sur la planification et la mise en oeuvre d'un plan de redressement et sur toute mesure de surveillance prudentielle prise dans ce contexte.
  § 4. A la demande de l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil, l'autorité de contrôle communique et explique comment les informations et constatations fournies par les premières ont été prises en considération.
  Si l'autorité de contrôle s'oppose aux mesures à prendre par une autorité compétente de l'Etat membre d'accueil afin de prévenir de nouvelles infractions en vue de protéger les intérêts des déposants, des investisseurs et d'autres personnes pour lesquelles des services sont fournis, ou de préserver la stabilité du système financier, elle peut saisir l'Autorité bancaire européenne conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
  § 5. De même, l'autorité de contrôle peut, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, saisir l'Autorité bancaire européenne dans les situations où une demande de coopération, en particulier d'échange d'informations, a été rejetée ou n'a pas été suivie d'effet dans un délai raisonnable.".
Art.399. Op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn, worden in artikel 161 de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste zin, worden de woorden "om het bereiken van een gezamenlijk besluit inzake het aanmerken van een bijkantoor als significant ingevolge artikel 159 en het uitwisselen van informatie te vergemakkelijken" vervangen door de woorden "om de samenwerking uit hoofde van de artikelen 158 en 160 te vergemakkelijken";
  2° in paragraaf 2, worden de woorden "als bedoeld in artikel 156, § 2 alsook met de in artikel 160 bedoelde verplichtingen" vervangen door de woorden "als bedoeld in de artikelen 134, § 2 en 156, § 2 alsook met de in artikel 160 bedoelde verplichtingen".
Art.399. A la date d'entrée en vigueur, conformément à l'article 151 de la Directive 2013/36/UE, des articles 40, 41, 43, 49, 50 et 51 de cette directive, à l'article 161, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, première phrase, les mots "afin de faciliter l'aboutissement à une décision commune sur la désignation d'une succursale en tant que succursale d'importance significative en application de l'article 159 et à l'échange d'informations" sont remplacés par les mots "afin de faciliter la collaboration en application des articles 158 et 160";
  2° au paragraphe 2, les mots "qui est visée à l'article 156, § 2, et des obligations énoncées à l'article 160" sont remplacés par les mots "qui est visée aux articles 134, § 2 et 156, § 2, et des obligations énoncées à l'article 160".
Art.400. In artikel 233, eerste en tweede lid wordt het woord "toezichthouder" met ingang van 4 november 2014 vervangen door de woorden "Europese Centrale Bank".
Art.400. Dans l'article 233, alinéas 1er et 2, les mots "l'autorité de contrôle" sont remplacés par les mots "la Banque centrale européenne" à la date du 4 novembre 2014.
Art.401. In artikel 236, § 1, 6° en § 6 wordt het woord "toezichthouder" met ingang van 4 november 2014 vervangen door de woorden "Europese Centrale Bank".
Art.401. Dans l'article 236, § 1er, 6° et § 6, les mots "l'autorité de contrôle" sont remplacés par les mots "la Banque centrale européenne" à la date du 4 novembre 2014.
Art.402. In artikel 239, § 1, 1° en § 2, 5° wordt het woord "toezichthouder" met ingang van 4 november 2014 vervangen door de woorden "Europese Centrale Bank".
Art.402. Dans l'article 239, § 1er, 1° et § 2, 5°, les mots "l'autorité de contrôle" sont remplacés par les mots "la Banque centrale européenne" à la date du 4 novembre 2014.
Art.403. Op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn, wordt artikel 325 vervangen als volgt :
  "Art. 325. Na raadpleging van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan de toezichthouder, geval per geval, controles en inspecties ter plaatse uitvoeren met betrekking tot de werkzaamheden van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren en, voor toezichtsdoeleinden, van de bijkantoren informatie verlangen over hun werkzaamheden, indien hij dit om redenen van stabiliteit van het Belgische financiële stelsel relevant acht. Na deze controles en inspecties stelt de toezichthouder de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de verkregen informatie en de bevindingen die relevant zijn voor de beoordeling van de risico's van de instelling of voor de stabiliteit van het Belgische financiële stelsel.".
Art.403. A la date à laquelle, conformément à l'article 151 de la Directive 2013/36/UE, les articles 40, 41, 43, 49, 50 et 51 de cette Directive entrent en vigueur, l'article 325 est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 325. Moyennant consultation de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, l'autorité de contrôle peut effectuer, au cas par cas, des contrôles et des inspections sur place des activités exercées par les succursales visées à l'article 312 et exiger d'elles des informations sur ses activités à des fins de surveillance, lorsqu'elle l'estime pertinent aux fins de la stabilité du système financier en Belgique. Après ces contrôles et inspections, l'autorité de contrôle communique à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine les informations obtenues et les constatations établies qui sont pertinentes pour l'évaluation des risques de l'établissement ou pour la stabilité du système financier belge.".
Art.404. Op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 315 wordt paragraaf 2 opgeheven;
  2° in artikel 329 wordt paragraaf 6 opgeheven;
  3° in artikel 329, § 5 worden de woorden "bedoeld in de artikelen 315, § 2 en 317" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 317";
  4° in artikel 329, § 7, die paragraaf 6 wordt, worden de woorden "met toepassing van de paragrafen 2 tot 6" vervangen door de woorden "met toepassing van de paragrafen 2 tot 5".
Art.404. A la date à laquelle, conformément à l'article 151 de la Directive 2013/36/UE, les articles 40, 41, 43, 49, 50 et 51 de cette Directive entrent en vigueur, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'article 315, le paragraphe 2 est abrogé :
  2° dans l'article 329, le paragraphe 6 est abrogé;
  3° dans l'article 329, § 5, les mots "visés aux articles 315, § 2 et 317" sont remplacés par les mots "visés à l'article 317";
  4° dans l'article 329, § 7 qui devient le paragraphe 6, les mots "par application des paragraphes 2 à 6" sont remplacés par les mots "par application des paragraphes 2 à 5".
Art.405. In artikel 367 wordt het woord "toezichthouder" met ingang van 4 november 2014 vervangen door de woorden "Europese Centrale Bank".
Art.405. Dans l'article 367, les mots "l'autorité de contrôle" sont remplacés par les mots "la Banque centrale européenne" à la date du 4 novembre 2014.
TITEL III. - Overgangsbepalingen
TITRE III. - Dispositions transitoires
Art.406. De kredietinstellingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 13 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning.
  De kredietinstellingen die onder een lidstaat ressorteren en die opgenomen zijn in de lijsten bedoeld in de artikelen 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, worden van rechtswege opgenomen in de lijst bedoeld in de artikelen 312, § 2 en 314.
  De vertegenwoordigingskantoren van de buitenlandse kredietinstellingen die met toepassing van artikel 85, eerste lid van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen zijn ingeschreven, worden van rechtswege ingeschreven met toepassing van deze wet.
Art.406. Les établissements de crédit inscrits, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des établissements de crédit visée à l'article 13 de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit sont de plein droit agréés pour l'application de la présente loi.
  Les établissements de crédit relevant du droit d'un Etat membre enregistrés sur les listes visés aux articles 65 et 66 de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit sont, de plein droit, enregistrés sur la liste prévue aux articles 312, § 2 et 314.
  Les bureaux de représentation des établissements de crédit étrangers inscrits en application de l'article 85, alinéa 1er de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit sont, de plein droit, inscrits pour l'application de la présente loi.
Art.407. § 1. De koninklijke besluiten en reglementen van de Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard die in uitvoering van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voorzien in de algemene of specifieke juridische machtigingen die nodig zijn voor deze reglementaire handelingen en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet.
  § 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn verleend en alle handelingen met individuele draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de voornoemde wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet worden herroepen of gewijzigd.
Art.407. § 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque ainsi que tous autres actes de nature réglementaire adoptés en exécution de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit demeurent applicables dans la mesure où les dispositions de la présente loi prévoient les habilitations juridiques, générales ou spécifiques, nécessaires à ces actes réglementaires et que leur contenu n'est pas contraire à la présente loi.
  § 2. Les autorisations et dérogations données par la Banque ainsi que tous actes de portée individuelle adoptés antérieurement sur base de la loi précitée du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit ou des actes réglementaires adoptés pour son exécution, restent en vigueur, sauf leur révocation ou modification décidée conformément à la présente loi.
Art.408. Artikel 20, § 1, 3° is enkel van toepassing voor wat betreft definitieve administratieve boetes die na de inwerkingtreding van deze wet worden opgelegd.
Art.408. L'article 20, § 1er, 3° n'est applicable qu'en ce qui concerne des amendes administratives définitives prononcées après l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art.409. Onverminderd artikel 26 moeten de kredietinstellingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet een vergunning bezitten, een directiecomité oprichten dat uiterlijk op 1 januari 2016 voldoet aan de artikelen 24 of 25.
Art.409. Sans préjudice de l'article 26, les établissements de crédit qui disposent d'un agrément le jour de l'entrée en vigueur de la présente loi, doivent constituer un comité de direction répondant aux articles 24 ou 25 pour le 1er janvier 2016 au plus tard.
Art.410. De leningen, kredieten of borgstellingen die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn verleend en die niet voldoen aan de voorschriften van artikel 72, § 2, moeten uiterlijk op 1 januari 2016 worden beëindigd.
Art.410. Les prêts, crédits ou garanties accordés avant l'entrée en vigueur de la présente loi et qui ne sont pas conformes au prescrit de l'article 72, § 2, doivent prendre fin au plus tard pour le 1er janvier 2016.
Art.411. Artikel 1 van Bijlage II is enkel van toepassing voor wat betreft de prestaties die vanaf 1 januari 2014 worden geleverd.
Art.411. L'article 1er de l'Annexe II ne s'applique que pour les prestations fournies à partir du 1er janvier 2014.
Art.412. Voor de periode gaande van de datum van inwerkingtreding van deze wet tot 31 december 2018 is artikel 1 van Bijlage IV van toepassing volgens de in dit artikel bepaalde modaliteiten.
  Het percentage van de tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling van een kredietinstelling, berekend overeenkomstig [1 artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013]1, is gelijk aan :
  1) 0 % voor de periode gaande van de datum van inwerkingtreding van deze wet tot 31 december 2015;
  2) 0,625 % voor de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2016;
  3) 1,25 % voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017;
  4) 1,875 % voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2018.
  
Art.412. Pour la période allant de la date d'entrée en vigueur de la présente loi au 31 décembre 2018, l'article 1er de l'Annexe IV est applicable selon les modalités précisées au présent article.
  Le taux de coussin de conservation des fonds propres de base de catégorie 1, exprimé en pourcentage du montant total de l'exposition au risque d'un établissement de crédit, calculé conformément à l'[1 article 92, alinéa 3 du Règlement n° 575/2013]1 est égal à :
  1) 0 % pour la période allant de la date d'entrée en vigueur de la présente loi au 31 décembre 2015;
  2) 0,625 % pour la période du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2016;
  3) 1,25 % pour la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017;
  4) 1,875 % pour la période du 1er janvier 2018 au 31 décembre 2018.
  
Art.413. De artikelen 13 en 14 van Bijlage IV treden in werking op 1 januari 2016, onder voorbehoud van de volgende modaliteiten :
  1) op 1 januari 2016 moeten de [1 instellingen]1 voldoen aan 25 % van het vereiste dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 13, § 2 van Bijlage IV;
  2) op 1 januari 2017 moeten de [1 instellingen]1 voldoen aan 50 % van het vereiste dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 13, § 2 van Bijlage IV;
  3) op 1 januari 2018 moeten de [1 instellingen]1 voldoen aan 75 % van het vereiste dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 13, § 2 van Bijlage IV;
  4) op 1 januari 2019 moeten de [1 instellingen]1 voldoen aan 100 % van het vereiste dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 13, § 2 van Bijlage IV.
  
Art.413. Les articles 13 et 14 de l'Annexe IV entrent en vigueur le 1er janvier 2016, sous réserve des modalités suivantes :
  1) le 1er janvier 2016, les [1 établissements]1 sont tenus de respecter 25 % de l'exigence fixée conformément à l'article 13, § 2 de l'Annexe IV;
  2) le 1er janvier 2017, les [1 établissements]1 sont tenus de respecter 50 % de l'exigence fixée conformément à l'article 13, § 2 de l'Annexe IV;
  3) le 1er janvier 2018, les [1 établissements]1 sont tenus de respecter 75 % de l'exigence fixée conformément à l'article 13, § 2 de l'Annexe IV;
  4) le 1er janvier 2019, les [1 établissements]1 sont tenus de respecter 100 % de l'exigence fixée conformément à l'article 13, § 2 de l'Annexe IV.
  
Art.414. De artikelen 18 tot 20 van Bijlage IV treden in werking op 1 januari 2015.
  Tot 31 december 2014, indien het in artikel 17, § 1 van Bijlage IV bedoelde percentage vastgesteld wordt of gebracht wordt op een percentage tussen 3 en 5 %, zonder dat dit percentage meer mag bedragen dan 5 %, kan de Bank de vaststelling van het in artikel 16, § 1van Bijlage IV bedoelde reglement slechts afronden indien de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vaststelt die de Bank de toestemming verleent om deze maatregel te nemen.
Art.414. Les articles 18 à 20 de l'Annexe IV entrent en vigueur le 1er janvier 2015.
  Jusqu'au 31 décembre 2014, si le taux visé à l'article 17, § 1er de l'annexe IV est fixé ou porté à un pourcentage se situant entre 3 et 5 %, sans que ce pourcentage ne puisse excéder 5 %, la Banque ne peut finaliser l'adoption du règlement visé à l'article 16, § 1erde l'Annexe IV que si la Commission européenne adopte un acte d'exécution autorisant la Banque à prendre cette mesure.
Art.415. De rechtspersonen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet een functie uitoefenen van lid van het wettelijk bestuursorgaan van een kredietinstelling, mogen hun lopend mandaat blijven uitoefenen tot het verstrijkt. Tot het verstrijken van de in dit artikel bedoelde mandaten is artikel 19, § 1, tweede lid van toepassing op de vaste vertegenwoordiger van de rechtspersoon.
Art.415. Les personnes morales qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, exercent une fonction de membre de l'organe légal d'administration d'un établissement de crédit sont autorisées à poursuivre l'exercice de leur mandat en cours jusqu'à l'expiration de celui-ci. Jusqu'à l'expiration des mandats visés par le présent article, l'article 19, § 1er, alinéa 2 sont applicables au représentant permanent de la personne morale.
Art.416. De verplichting om een herstelpan op te stellen als bedoeld in artikel 108, moet vervuld zijn binnen een termijn van vijftien maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet. Bij wijze van uitzondering beschikken de kredietinstellingen die reeds vóór de inwerkingtreding van deze wet een herstelplan hebben opgesteld en meegedeeld aan de Bank, over een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet, om te voldoen aan de verplichting om een herstelplan op te stellen overeenkomstig artikel 108.
Art.416. L'obligation d'établir un plan de redressement visée à l'article 108, doit être satisfaite dans un délai de quinze mois à compter de l'entrée en vigueur de la présente loi. Par exception, les établissements de crédit qui ont, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, déjà établi et communiqué un plan de redressement à la Banque, disposent d'un délai de six mois à compter de l'entrée en vigueur de la présente loi pour satisfaire à l'obligation d'établir un plan de redressement conformément à l'article 108.
Art.417. De afwikkelingsautoriteit overhandigt aan de minister van Financiën vóór 31 december 2015 een verslag over de vorderingen die geboekt zijn bij het opstellen van de afwikkelingsplannen en het wegnemen van de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid als bedoeld in de artikelen 226 tot 232.
Art.417. L'autorité de résolution remet au ministre des Finances, avant le 31 décembre 2015, un rapport concernant l'état d'avancement de l'établissement des plans de résolution et de la levée des obstacles à la résolvabilité visés aux articles 226 à 232.
Art.418. [1 § 1. In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit geschikte overgangsperiodes, die ten laatste op 1 januari 2024 eindigen, voor kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, om te voldoen aan de vereisten in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, of aan vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, naargelang het geval.
   De afwikkelingsautoriteit bepaalt tussentijdse streefniveaus voor de vereisten bedoeld in het eerste lid, waaraan de kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, op 1 januari 2022 moet voldoen. Die tussentijdse streefniveaus zorgen in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende schulden naar die vereisten toe.
   De afwikkelingsautoriteit kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en passend op basis van de in paragraaf 7 bedoelde criteria, voorzien in een overgangsperiode die na 1 januari 2024 verstrijkt, waarbij rekening wordt gehouden met het volgende:
   1° de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit;
   2° het vooruitzicht dat de entiteit in staat zal zijn binnen een redelijke termijn te voldoen aan de vereisten in het eerste lid; en
   3° of de entiteit in staat is te zorgen voor vervanging van schulden die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72ter en 72quater van Verordening nr. 575/2013 en artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, en indien niet, dat onvermogen eigen aan de entiteit is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring.
   § 2. Af te wikkelen entiteiten voldoen uiterlijk op 1 januari 2022 aan het minimumniveau van de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde vereisten.
   § 3. De minimumniveaus van de in artikel 267/5/1, § 4 en § 5, bedoelde vereisten zijn niet van toepassing binnen de periode van twee jaar die volgt op de datum waarop:
   1° de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking heeft toegepast; of
   2° de af te wikkelen entiteit een in artikel 244, § 1, 2°, bedoelde private maatregel heeft doorgevoerd waarmee kapitaalinstrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalinstrumenten omgezet, of ten aanzien van die af te wikkelen entiteit overeenkomstig de artikelen 250 of 457 afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, teneinde de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat afwikkelingsinstrumenten werden toegepast.
   § 4. De vereisten, bedoeld in artikel 267/5, § 4 en § 7, alsmede artikel 267/5/1, § 4 en § 5, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als MSI is aangemerkt, of de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde situatie bevindt.
   § 5. In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit een geschikte overgangsperiode om te voldoen aan de vereisten van artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 of aan een vereiste die voortvloeit uit de toepassing van artikel 267/5, § 4, § 5 of § 7, naargelang het geval, voor kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, ten aanzien waarvan de afwikkelingsinstrumenten of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting bedoeld in de artikelen 250 of 457 zijn toegepast.
   § 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot en met 5 deelt de afwikkelingsautoriteit de kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden mee voor elke periode van 12 maanden gedurende de overgangsperiode, teneinde een geleidelijke opbouw van haar verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit te faciliteren. Aan het eind van de overgangsperiode is het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden gelijk aan het bedrag dat is vastgesteld op grond van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, artikel 267/5/1, §§ 4 of 5, artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, naargelang het geval.
   § 7. Bij het bepalen van een overgangsperiode overeenkomstig dit artikel, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:
   1° het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel;
   2° de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden;
   3° de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.
   § 8. Onder voorbehoud van paragraaf 1 kan de afwikkelingsautoriteit de overgangsperiode of een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden zoals meegedeeld krachtens paragraaf 6 later herzien.]1

  
Art.418. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 267/3, l'autorité de résolution fixe une période transitoire appropriée se terminant au plus tard le 1er janvier 2024 pour que les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, se conforment aux exigences énoncées à l'article 267/5/3 ou 267/5/4 ou à des exigences résultant de l'application de l'article 267/5, §§ 4, 5 ou 7, selon le cas.
   L'autorité de résolution détermine des niveaux cibles intermédiaires pour les exigences visées à l'alinéa 1er que les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, doivent respecter au 1er janvier 2022. Les niveaux cibles intermédiaires assurent, en principe, un renforcement linéaire des fonds propres et des dettes éligibles en vue de satisfaire à ces exigences.
   L'autorité de résolution peut fixer une période transitoire qui se termine après le 1er janvier 2024 lorsque cela est dûment justifié et approprié, sur la base des critères visés au paragraphe 7, en prenant en considération les éléments suivants :
   1° l'évolution de la situation financière de l'entité ;
   2° la perspective que l'entité soit en mesure d'assurer le respect des exigences, dans un délai raisonnable, visées à l'alinéa 1er ; et
   3° la capacité de l'entité à remplacer des dettes qui ne respectent plus les critères d'éligibilité ou d'échéance prévus aux articles 72ter et 72quater du Règlement n° 575/2013, et à l'article 267/5 ou à l'article 267/5/4, § 2, et à défaut, si cette impossibilité a un caractère circonscrit et individuel ou est due à une perturbation à l'échelle du marché.
   § 2. L'échéance fixée pour que les entités de résolution se conforment au niveau minimum des exigences visées à l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, est le 1er janvier 2022.
   § 3. Les niveaux minimaux des exigences visées à l'article 267/5/1, § 4 et § 5, ne s'appliquent pas pendant la période de deux ans qui suit :
   1° la date à laquelle l'autorité de résolution a appliqué l'instrument de renflouement interne ; ou
   2° la date à laquelle l'entité de résolution a mis en place une autre action de nature privée visée à l'article 244, § 1er, 2°, par laquelle des instruments de fonds propres et d'autres dettes ont été dépréciés ou convertis en fonds propres de base de catégorie 1, ou sur laquelle des pouvoirs de dépréciation ou de conversion, conformément aux articles 250 ou 457, ont été exercés au regard de cette entité de résolution, afin de recapitaliser l'entité de résolution sans appliquer d'instruments de résolution.
   § 4. Les exigences visées à l'article 267/5, § 4 et § 7, ainsi qu'à l'article 267/5/1, § 4 et § 5, selon le cas, ne s'appliquent pas pendant la période de trois ans qui suit la date à laquelle l'entité de résolution ou le groupe dont fait partie l'entité de résolution a été identifié comme un EISm, ou à laquelle l'entité de résolution se trouve pour la première fois dans la situation visée à l'article 267/5/1, § 4 ou § 5.
   § 5. Par dérogation à l'article 267/3, l'autorité de résolution fixe une période transitoire appropriée pour que les établissements de crédit ou les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, à l'égard desquels des instruments de résolution ou les pouvoirs de dépréciation ou de conversion visés aux articles 250 ou 457 ont été appliqués, se conforment aux exigences énoncées à l'article 267/5/3 ou 267/5/4 ou à une exigence résultant de l'application de l'article 267/5, § 4, § 5 ou § 7, selon le cas.
   § 6. Aux fins des paragraphes 1er à 5, les autorités de résolution communiquent à l'établissement de crédit ou à l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, une exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles planifiée pour chaque période de douze mois de la période transitoire en vue de faciliter un renforcement progressif de sa capacité d'absorption des pertes et de recapitalisation. A l'issue de la période transitoire, l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles est égale au montant déterminé conformément à l'article 267/5, §§ 4, 5 ou 7, à l'article 267/5/1, §§ 4 ou 5, à l'article 267/5/3, ou à l'article 267/5/4, selon le cas.
   § 7. Lorsqu'elle détermine une période transitoire conformément au présent article, l'autorité de résolution tient compte :
   1° de la prévalence des dépôts et de l'absence d'instruments de dette dans le modèle de financement ;
   2° de l'accès aux marchés des capitaux pour les dettes éligibles ;
   3° de la mesure dans laquelle l'entité de résolution recourt aux fonds propres de base de catégorie 1 pour respecter l'exigence visée à l'article 267/5/3.
   § 8. Sous réserve du paragraphe 1er, l'autorité de résolution peut revoir ultérieurement soit la période transitoire soit une éventuelle exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles planifiée communiquée conformément au paragraphe 6.]1

  
Art.419. [1 Voor de periode gaande van de datum van inwerkingtreding van artikel 419/2 tot 31 december 2023, bedraagt de terugbetalingstermijn bepaald in artikel 381, derde lid :
   a) 20 werkdagen voor de periode gaande van de datum van inwerkingtreding van artikel 419/2 tot 31 december 2018;
   b) 15 werkdagen voor de periode van 1 januari 2019 tot 31 december 2020;
   c) 10 werkdagen voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2023."
   De Koning kan, in afwijking van het voorgaande lid, bepalen dat de terugbetalingstermijn reeds voor 31 december 2023 wordt verkort tot de termijn vermeld in artikel 381, derde lid.]1

  
Art.419. [1 Pour la période allant de la date d'entrée en vigueur de l'article 419/2 au 31 décembre 2023, le délai de remboursement visé à l'article 381, alinéa 3, est déterminé comme suit :
   a) 20 jours ouvrables pour la période de la date d'entrée en vigueur de l'article 419/2 au 31 décembre 2018;
   b) 15 jours ouvrables pour la période du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2020;
   c) 10 jours ouvrables pour la période du 1er janvier 2021 au 31 décembre 2023.".
   Le Roi peut, par dérogation à l'alinéa précédent, déterminer que le délai de remboursement est ramené, dès avant le 31 décembre 2023, à celui mentionné à l'article 381, alinéa 3.]1

  
Art. 419/1. [1 Gedurende de overgangsperiode tot 31 december 2023 bepaald in artikel 419, zorgt de depositobeschermingsregeling ingesteld door het Garantiefonds ervoor dat wanneer het Fonds het terugbetaalbare bedrag niet binnen zeven werkdagen beschikbaar kan stellen, de deposanten binnen vijf werkdagen na hun verzoek toegang krijgen tot een passend bedrag van hun gewaarborgde deposito's om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien.
   Dit bedrag kan nooit hoger zijn dan het bedrag van de gewaarborgde deposito's en wordt van het in artikel 382 bedoelde terugbetaalbare bedrag afgetrokken. De Koning stelt het bedrag en de modaliteiten en voorwaarden voor de toekenning van deze betaling vast.]1

  
Art. 419/1. [1 Au cours de la période transitoire fixée dans l'article 419 de cette loi allant jusqu'au 31 décembre 2023, lorsque le système de protection de dépôts institué par le Fonds de garantie n'est pas en mesure de mettre à disposition le montant à rembourser dans un délai de sept jours ouvrables, celui-ci veille à ce que les déposants aient accès à un montant suffisant de leurs dépôts assurés pour couvrir le coût de la vie dans un délai de cinq jours ouvrables suivant une demande.
   Ce montant ne peut pas dépasser le montant des dépôts assurés et sera déduit du montant à rembourser défini à l'article 382. Le Roi détermine le montant et les modalités et conditions d'attribution de ce paiement.]1

  
Art. 419/2. [1 Voor de toepassing van artikel 382, worden de obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen die, vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 419/2, door het depositogarantiestelsel werden gewaarborgd en die een oorspronkelijke vervaldatum hebben, gedekt door het depositogarantiestelsel tot en met hun oorspronkelijke vervaldatum indien zij vóór 2 juli 2014 zijn gestort of uitgegeven. Deze bescherming kan geen aanleiding geven tot een overschrijding van de limiet gesteld in artikel 382, eerste lid, en geldt enkel in hoofde van deposanten die in aanmerking kwamen voor terugbetaling vóór de datum van inwerkingtreding van de bepaling die artikel 419/2 invoegt in deze wet. De Koning kan de modaliteiten en voorwaarden vaststellen voor deze overgangsregeling.]1
  

Änderungen

[1]Art. 419/3.reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight"><span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap">[1 Voor de toepassing van de artikelen 384/2 tot 384/6 dienen de woorden "het Garantiefonds" begrepen te worden als het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten dat optreedt krachtens de wet van 17 december 1998 tot oprichting van een beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten en tot reorganisatie van de beschermingsregelingen voor deposito's en financiële instrumenten, tot op de datum waarop zijn opdrachten aan het Garantiefonds worden overgedragen.<span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap"></span></span>
----------
Art. 419/2. [1 Dans le cadre de l'application de l'article 382, les obligations et autres titres de créance bancaires qui étaient assurés par le système de garantie des dépôts avant la date d'entrée en vigueur de l'article 419/2 et qui ont une échéance initiale, restent couverts par le système de garantie des dépôts jusqu'à leur échéance initiale s'ils ont été constitués ou émis avant le 2 juillet 2014. Cette couverture ne peut donner lieu à un dépassement de la limite fixée à l'article 382, alinéa 1er, et ne vaut que pour les déposants qui bénéficiaient de la couverture avant la date d'entrée en vigueur de la disposition qui insère l'article 419/2 dans cette loi. Le Roi peut fixer les modalités et conditions pour ce régime de couverture transitoire.]1
  
Art. 419/3. [1 Voor de toepassing van de artikelen 384/2 tot 384/6 dienen de woorden "het Garantiefonds" begrepen te worden als het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten dat optreedt krachtens de wet van 17 december 1998 tot oprichting van een beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten en tot reorganisatie van de beschermingsregelingen voor deposito's en financiële instrumenten, tot op de datum waarop zijn opdrachten aan het Garantiefonds worden overgedragen.]1
  
Art. 419/3. [1 Aux fins des articles 384/2 à 384/6, les mots "Fonds de garantie" doivent s'entendre comme le Fonds de protection des dépôts et des instruments financiers agissant en vertu de la loi du 17 décembre 1998 créant un fonds de protection des dépôts et des instruments financiers et réorganisant les systèmes de protection des dépôts et des instruments financiers, jusqu'à la date à laquelle ses missions sont transférées au Fonds de garantie.]1
  
Art. 420/1. [1 In afwachting van de inwerkingtreding van de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV wordt onder "binnenlandse systeemrelevante kredietinstelling" verstaan de kredietinstellingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings die voorheen door de Bank als systeemrelevante instellingen werden beschouwd met toepassing van artikel 36/3, § 2 van de wet van 22 februari 1998 zoals die bepaling bestond onmiddellijk voor de wijziging ervan bij artikel 64 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen.
   Bovendien kan de Bank, eveneens in afwachting van de inwerkingtreding van de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV, andere kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings als mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) of binnenlandse systeemrelevante instellingen (BSI's) beschouwen op grond van de criteria die respectievelijk bedoeld zijn in de artikelen 13, § 1, en 14, § 1, van Bijlage IV.]1

  
Art.420. Dans l'attente de l'adaptation de l'annexe aux comptes annuels des établissements de crédit, les établissements de crédit publient, pour le 1er juillet 2014, les informations suivantes sur base consolidée, en les ventilant selon les Etats membres ou pays tiers dans lesquels ils sont établis :
  a) leur dénomination, la nature de leurs activités et leur localisation géographique;
  b) leur chiffre d'affaires;
  c) leur nombre de salariés sur une base équivalent temps plein.
Art. 420/1. [1 In afwachting van de inwerkingtreding van de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV wordt onder "binnenlandse systeemrelevante kredietinstelling" verstaan de kredietinstellingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings die voorheen door de Bank als systeemrelevante instellingen werden beschouwd met toepassing van artikel 36/3, § 2 van de wet van 22 februari 1998 zoals die bepaling bestond onmiddellijk voor de wijziging ervan bij artikel 64 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen.
   Bovendien kan de Bank, eveneens in afwachting van de inwerkingtreding van de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV, andere kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings als mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) of binnenlandse systeemrelevante instellingen (BSI's) beschouwen op grond van de criteria die respectievelijk bedoeld zijn in de artikelen 13, § 1, en 14, § 1, van Bijlage IV.]1

  
Art. 420/1. [1 Dans l'attente de l'entrée en vigueur des articles 11 à 15 de l'Annexe IV, on entend par "établissement de crédit d'importance systémique domestique", les établissements de crédit, les compagnies financières holding et les compagnies financières holding mixtes qui ont été anciennement considérés comme étant des établissements systémiques par la Banque en application de l'article 36/3, § 2 de la loi du 22 février 1998 telle que cette disposition existait juste avant sa modification par l'article 64 de la loi du 25 avril 2014 portant des dispositions diverses.
   En outre, toujours dans l'attente de l'entrée en vigueur des articles 11 à 15 de l'Annexe IV, la Banque peut considérer d'autres établissements de crédit, compagnies financières holding et compagnies financières holding mixtes comme étant des établissements d'importance systémique mondiale (EISm) ou d'importance systémique domestique (EIS domestique), en se fondant sur les critères visés respectivement aux articles 13, § 1er et 14, § 1er, de l'Annexe IV.]1

  
Art. 420/2. [1 Tot 1 januari 2016 vormt de vaststelling van het percentage van de kredietinstellingspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer voor de relevante risicoblootstellingen op tegenpartijen die op het Belgische grondgebied zijn gevestigd, waarin voorzien is in artikel 5 van Bijlage IV, een mogelijkheid in hoofde van de Bank.]1
  
Art. 420/2. [1 Jusqu'au 1er janvier 2016, la fixation du taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à un établissement de crédit pour les expositions au risque pertinentes sur des contreparties établies sur le territoire belge prévue à l'article 5 de l'Annexe IV constitue une faculté dans le chef de la Banque.]1
  
Art.421. De wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen wordt opgeheven.
TITRE IV. - Disposition abrogatoire
Art. 421. De wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen wordt opgeheven.
Art.421. La loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit est abrogée.
Art.422.Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
LIVRE X. - ENTREE EN VIGUEUR
Art. 422. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Evenwel,
  1° in artikel 20, § 1,
  a) in de bepaling onder 2°, i) treden de woorden "of de artikelen XV.87, 3°, XV.90, 18° en 19°, XV.91, XV.126 en XV.126/1 van Boek XV van het Wetboek van Economisch Recht" in werking op de respectieve datum van inwerkingtreding van de genoemde bepalingen van het Wetboek van Economisch Recht;
  b) in de bepaling onder 2°, l) treden de woorden "of de artikelen XV.87, 2°, XV.90, 1° tot 16°, XV.91, XV.126 en XV.126/1 van Boek XV van het Wetboek van Economisch Recht" in werking op de respectieve datum van inwerkingtreding van de genoemde bepalingen van het Wetboek van Economisch Recht;
  c) treedt de bepaling onder 3°, b) in werking op de datum bepaald bij koninklijk besluit;
  2° treedt artikel 62, paragraaf 5, 2de zin en paragraaf 6, 2de zin, in werking op 1 juli 2014;
  3° treden de artikelen 93, 163, 312, § 1, derde lid en 313, § 2, in werking op 4 november 2014;
  4° treden de artikelen 157, § 3, 160, §§ 3 en 4, en 162, §§ 3 en 4, 321, 323, 327 en 328 in werking op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van deze richtlijn;
  5° treedt artikel 336 in werking een jaar na de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad;
  6° treden de artikelen 27, 2° en 4°, 29 en 31 in werking op 31 december 2014;
  7° stelt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de datum van inwerkingtreding vast van artikel 389 en van elk van de bepalingen van Boek II, Titel VIII;
  8° onverminderd artikel 413 treden de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV in werking op 1 januari 2016.
Art.422. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
  Toutefois,
  1° à l'article 20, § 1er,
  a) au 2°, i) les mots "ou aux articles XV.87, 3°, XV.90, 18° et 19°, XV.91, XV.126 et XV.126/1 du Livre XV du Code de droit économique" entrent en vigueur à la date d'entrée en vigueur respective desdites dispositions du Code de droit économique;
  b) au 2°, l) les mots "ou aux articles XV.87, 2°, XV.90, 1° à 16°, XV.91, XV.126 et XV.126/1 du Livre XV du Code de droit économique" entrent en vigueur à la date d'entrée en vigueur respective desdites dispositions du Code de droit économique;
  c) le 3°, b) entre en vigueur à la date fixée par arrêté royal;
  2° l'article 62, paragraphe 5, 2e phrase et paragraphe 6, 2e phrase entre en vigueur à la date du 1er juillet 2014;
  3° les articles 93, 163, 312, § 1er, alinéa 3 et 313, § 2 entrent en vigueur le 4 novembre 2014;
  4° les articles 157, § 3, 160, §§ 3 et 4, et 162, §§ 3 et 4, 321, 323, 327 et 328 entrent en vigueur à la date à laquelle, conformément à l'article 151 de la Directive 2013/36/UE, les articles 40, 41, 43, 49, 50 et 51 de cette Directive entrent en vigueur;
  5° l'article 336 entre en vigueur un an après la date de la publication de la présente loi au Moniteur belge;
  6° les articles 27, 2° et 4°, 29 et 31 entrent en vigueur au 31 décembre 2014;
  7° le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la date d'entrée en vigueur de l'article 389 et de chacune des dispositions du Livre II, Titre VIII;
  8° sans préjudice de l'article 413, les articles 11 à 15 de l'Annexe IV entrent en vigueur le 1er janvier 2016.
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 389 et de chacune des dispositions du Livre II, Titre VIII comprenant les articles 242 à 311, fixée au 03-03-2015 par AR 2015-02-22/03, art. 1, 1°)
BOEK XI. [1 - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN]1
LIVRE XI. [1 - DU REDRESSEMENT ET DE LA RESOLUTION DES GROUPES]1
Art.423.[1 Onverminderd de in artikel 3 bedoelde definities wordt voor de toepassing van dit Boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen verstaan onder :
TITRE Ier. [1 - Définitions]1
Art. 423. [1 Onverminderd de in artikel 3 bedoelde definities wordt voor de toepassing van dit Boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen verstaan onder :
   1° EER-moederkredietinstelling : een EER-moederkredietinstelling [2 in de zin van artikel 164, § 2, 3°, en van de artikelen 574 en 575]2 ;
   2° Belgische EER-moederkredietinstelling : een Belgische EER-moederkredietinstelling [2 in de zin van artikel 164, § 2, 4°, en van de artikelen 574 en 575]2 ;
  [2 2° /1 EER-moederbeursvennootschap, een moederbeursvennootschap die geen dochteronderneming is van een andere beursvennootschap of kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;]2
  [2 2° /2 moederbeursvennootschap in een lidstaat, een beursvennootschap die een beursvennootschap, een kredietinstelling of een financiële instelling als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een beursvennootschap, kredietinstelling of financiële instelling en zelf geen dochteronderneming is van een andere beursvennootschap of een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;]2
   3° financiële moederholding in een lidstaat : een financiële moederholding in een lidstaat in de zin van artikel 164, § 2, 5° ;
   4° financiële EER-moederholding : een financiële EER-moederholding in de zin van artikel 164, § 2, 6° ;
   5° Belgische financiële EER-moederholding : een Belgische EER-moederholding in de zin van artikel 164, § 2, 7° ;
   6° gemengde financiële moederholding in een lidstaat : een gemengde financiële holding in een lidstaat in de zin van artikel 164, § 2, 8° ;
   7° gemengde financiële EER-moederholding : een gemengde financiële EER-moederholding in de zin van artikel 164, § 2, 9° ;
   8° Belgische gemengde financiële EER-moederholding : een Belgische gemengde financiële moederholding in de zin van artikel 164, § 2, 10° ;
   9° Belgische EER-moederonderneming : een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding of een Belgische gemengde financiële EER-moederholding;
   10° [2 EER-moederonderneming : een EER-moederkredietinstelling, een EER-moederbeurs-vennootschap, een financiële EER-moeder-holding of een gemengde financiële EER-moederholding]2;
   11° [2 moederonderneming in een lidstaat : een moederkredietinstelling in een lidstaat, een moederbeursvennootschap in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat]2;
   12° groep : een moederonderneming en haar dochterondernemingen;
   13° Belgische groep : een groep waarvan de moederonderneming een Belgische EER-moederonderneming is;
   14° afwikkelingsautoriteit op groepsniveau : de afwikkelingsautoriteit in de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder is gevestigd;
   15° groepsafwikkelingsregeling : een plan dat met het oog op een groepsafwikkeling wordt opgesteld als bedoeld in artikel 465, § 1;
   16° afwikkelingscollege : een afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 468 of 469;
   17° Europees afwikkelingscollege : een afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 470;
   18° bevoegde autoriteit : de nationale autoriteit van een lidstaat die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen gemachtigd is om toezicht uit te oefenen op de holdings en instellingen als bedoeld in artikel 424, 1°, 2°, 3° en 4° ;
   19° geëigende autoriteit : de autoriteit van een lidstaat die volgens het nationaal recht van die lidstaat verantwoordelijk is voor het bepalen van de elementen bedoeld in artikel 250, § 2 en in artikel 457, § 1 ;
   20° bevoegd ministerie : het ministerie bevoegd voor financiën of een ander ministerie van een lidstaat dat als bevoegd ministerie is aangeduid krachtens het nationaal recht van die lidstaat dat omzetting geeft aan Richtlijn 2014/59/EU;
   21° [2 ...]2.]1

  
Art.423. [1 Sans préjudice des définitions visées à l'article 3, pour l'application du présent livre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre par :
   1° établissement de crédit mère dans l'EEE, un établissement de crédit mère dans l'EEE [2 au sens de l'article 164, § 2, 3°, et des articles 574 et 575]2 ;
   2° établissement de crédit mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit mère belge dans l'EEE [2 au sens de l'article 164, § 2, 4°, et des articles 574 et 575]2 ;
  [2 2° /1 société de bourse mère dans l'EEE, une société de bourse mère qui n'est pas une filiale d'une autre société de bourse ou d'un établissement de crédit agréé dans un Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte constituée dans un Etat membre;]2
  [2 2° /2 société de bourse mère dans un Etat membre, une société de bourse qui a comme filiale une société de bourse, un établissement de crédit ou un établissement financier, ou qui détient une participation dans une société de bourse, un établissement de crédit ou un établissement financier, et qui n'est pas elle-même une filiale d'une autre société de bourse ou d'un établissement de crédit agréés dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte constituée dans le même Etat membre;]2
   3° compagnie financière mère dans un Etat membre, une compagnie financière mère dans un Etat membre au sens de l'article 164, § 2, 5° ;
   4° compagnie financière mère dans l'EEE, une compagnie financière mère dans l'EEE au sens de l'article 164, § 2, 6° ;
   5° compagnie financière mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mère belge dans l'EEE au sens de l'article 164, § 2, 7° ;
   6° compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, une compagnie financière mixte dans un Etat membre au sens de l'article 164, § 2, 8° ;
   7° compagnie financière mixte mère dans l'EEE, une compagnie financière mixte mère dans l'EEE au sens de l'article 164, § 2, 9° ;
   8° compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE au sens de l'article 164, § 2, 10° ;
   9° entreprise mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mère belge dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE;
   10° [2 entreprise mère dans l'EEE, un établissement de crédit mère dans l'EEE, une société de bourse mère dans l'EEE, une compagnie financière mère dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère dans l'EEE;]2;
   11° [2 entreprise mère dans un Etat membre, un établissement de crédit mère dans un Etat membre, une société de bourse mère dans un Etat membre, une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre;]2;
   12° groupe, une entreprise mère et ses filiales;
   13° groupe belge, un groupe dont l'entreprise mère est une entreprise mère belge dans l'EEE;
   14° autorité de résolution au niveau du groupe, l'autorité de résolution de l'Etat membre où se trouve l'autorité de surveillance sur base consolidée;
   15° dispositif de résolution de groupe, un plan établi à des fins de résolution de groupe visé à l'article 465, § 1er;
   16° collège d'autorités de résolution, un collège d'autorités de résolution visé aux articles 468 ou 469;
   17° collège d'autorités de résolution européennes, un collège d'autorités de résolution visé à l'article 470;
   18° autorité compétente, l'autorité nationale d'un Etat membre, habilitée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires, à surveiller les compagnies et les établissements visés à l'article 424, 1°, 2°, 3° et 4° ;
   19° autorité appropriée, l'autorité d'un Etat membre qui a la responsabilité selon le droit national de cet Etat de déterminer les éléments visés à l'article 250, § 2, et à l'article 457, § 1er;
   20° ministère compétent, le ministère des Finances ou un autre ministère d'un Etat membre qui a été désigné en tant que ministère compétent en vertu du droit national de cet Etat transposant la directive 2014/59/UE;
   21° [2 ...]2.]1

  
Art.424.[1 In de mate en op de wijze bepaald in dit Boek, zijn de bepalingen van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VII en van Titels IV en VIII van toepassing op :
TITRE II. [1 - Champ d'application]1
Art. 424. [1 In de mate en op de wijze bepaald in dit Boek, zijn de bepalingen van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VII en van Titels IV en VIII van toepassing op :
   1° [2 kredietinstellingen die onder het recht van een lidstaat ressorteren]2;
  [2 1° /1 beursvennootschappen die onder het recht van een lidstaat ressorteren en die overeenkomstig artikel 28, lid 2 van Richtlijn 2013/36/EU een minimumkapitaal hebben van 730 000 euro;]2
   2° in de EER gevestigde financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings;
   3° financiële moederholdings in een lidstaat, financiële EER-moederholdings, gemengde financiële moederholdings in een lidstaat, gemengde financiële EER-moederholdings;
   4° in de EER gevestigde financiële instellingen indien zij dochteronderneming zijn van een kredietinstelling dan wel van een in punt 3° of 4° bedoelde onderneming, en onder het toezicht op geconsolideerde basis op de moederonderneming vallen;
   5° [2 in een lidstaat gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen of beursvennootschappen die onder het recht van een derde land ressorteren]2.]1

  
Art.424. [1 Dans la mesure et selon les modalités requises par le présent livre, les dispositions du livre II, titre II, chapitre VII et des titres IV et VIII sont applicables aux :
   1° [2 établissements de crédit relevant du droit d'un Etat membre;]2;
  [2 1° /1 aux sociétés de bourse relevant du droit d'un Etat membre et dont le capital minimum s'élève, conformément à l'article 28, paragraphe 2 de la Directive 2013/36/UE, à 730 000 euros;]2
   2° compagnies financières, compagnies financières mixtes, compagnies mixtes qui sont établies dans l'EEE;
   3° compagnies financières mères dans un Etat membre, compagnies financières mères dans l'EEE, compagnies financières mixtes mères dans un Etat membre, compagnies financières mixtes mères dans l'EEE;
   4° établissements financiers établis dans l'EEE qui sont des filiales d'un établissement visé au 1° ou d'une compagnie visée au 2° ou 3° et auxquels s'applique la surveillance sur une base consolidée de leur entreprise mère;
   5° [2 succursales d'établissements de crédit ou de sociétés de bourse relevant du droit d'un pays tiers, établies dans un Etat membre]2.]1

  
HOOFDSTUK I. [1 - Opmaak van groepsherstelplannen]1
TITRE III. [1 - Plans de redressement de groupe]1
Art.425. [1 § 1. Elke Belgische EER-moederonderneming stelt een groepsherstelplan op voor de gehele Belgische groep die zij leidt, en deelt dit mee aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder.
CHAPITRE Ier. [1 - Etablissement des plans de redressement de groupe]1
Art.426. [1 § 1. Ieder groepsherstelplan bevat een raamwerk van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de in het plan opgenomen kredietinstellingen, met aanduiding van de momenten waarop iedere kredietinstelling onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.
   Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure.
   § 2. Voor Belgische kredietinstellingen die opgenomen zijn in een groepsherstelplan, omvatten de in paragraaf 1 bedoelde indicatoren een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa van de kredietinstelling, die door de toezichthouder wordt vastgesteld [2 overeenkomstig artikel 110, § 2, tweede lid]2. Het groepsherstelplan vermeldt de corrigerende maatregelen die moeten worden overwogen bij overschrijding van elk van de drempels.
   § 3. De Belgische kredietinstelling die opgenomen wordt in een groepsherstelplan en de Belgische EER-moederonderneming kunnen, wanneer hun wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht :
   1° maatregelen nemen in het kader van het groepsherstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;
   2° geen maatregelen nemen in het kader van het groepsherstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald.
   De kredietinstelling of de Belgische EER-moederonderneming stellen de toezichthouder onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van het groepsherstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald.
   § 4. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet hem toekent, kan de toezichthouder de Belgische kredietinstelling die opgenomen wordt in een groepsherstelplan opdragen om een of meer in het groepsherstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de instelling nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen.]1

  
Art.425. [1 § 1er. Chaque entreprise mère belge dans l'EEE établit un plan de redressement de groupe couvrant le groupe belge, placé sous sa direction, dans son ensemble, et le communique à l'autorité de contrôle opérant en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée.
   Les plans de redressement de groupe ont pour objectif de stabiliser l'ensemble du groupe, ou tout établissement de crédit en faisant partie, lorsqu'il est en difficulté, de manière à réduire ou supprimer les causes de ces difficultés et à rétablir la position financière du groupe ou de l'établissement de crédit en cause, en tenant compte, parallèlement, de la position financière des autres entités du groupe.
   § 2. Le plan de redressement de groupe prévoit :
   1° les mesures qui, conformément aux objectifs visés au paragraphe 1er, sont prises au niveau de l'entreprise mère belge dans l'EEE, des filiales, des entités du groupe visées à l'article 424, 2° et 3°, et, le cas échéant, des succursales d'importance significative;
   2° des dispositifs pour assurer la coordination et la cohérence de ces mesures;
   3° le cas échéant, les dispositions adoptées en vue d'un soutien financier intragroupe dans le cadre d'un accord dans ce sens.
   § 3. Les plans de redressement de groupe indiquent pour chacun de ces scénarios s'il existe des obstacles à la mise en oeuvre des mesures de redressement au sein du groupe, y compris au niveau de chaque entité du groupe relevant du plan, et des obstacles pratiques ou juridiques importants au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement d'engagements ou d'actifs au sein du groupe.]1

  
Art. 426. [1 § 1. Ieder groepsherstelplan bevat een raamwerk van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de in het plan opgenomen kredietinstellingen, met aanduiding van de momenten waarop iedere kredietinstelling onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.
   Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure.
   § 2. Voor Belgische kredietinstellingen die opgenomen zijn in een groepsherstelplan, omvatten de in paragraaf 1 bedoelde indicatoren een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa van de kredietinstelling, die door de toezichthouder wordt vastgesteld [2 overeenkomstig artikel 110, § 2, tweede lid]2. Het groepsherstelplan vermeldt de corrigerende maatregelen die moeten worden overwogen bij overschrijding van elk van de drempels.
   § 3. De Belgische kredietinstelling die opgenomen wordt in een groepsherstelplan en de Belgische EER-moederonderneming kunnen, wanneer hun wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht :
   1° maatregelen nemen in het kader van het groepsherstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;
   2° geen maatregelen nemen in het kader van het groepsherstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald.
   De kredietinstelling of de Belgische EER-moederonderneming stellen de toezichthouder onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van het groepsherstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald.
   § 4. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet hem toekent, kan de toezichthouder de Belgische kredietinstelling die opgenomen wordt in een groepsherstelplan opdragen om een of meer in het groepsherstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de instelling nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen.]1

  
Art.426. [1 § 1er. Chaque plan de redressement comporte une matrice d'indicateurs quantitatifs et qualitatifs d'une détérioration potentielle de la situation financière des établissements de crédit inclus dans le plan, avec indication des moments auxquels chaque établissement de crédit examine si des mesures correctrices prévues dans le plan doivent être mises en oeuvre.
   A cet effet, le plan de redressement définit des procédures appropriées pour le suivi régulier de l'évolution des indicateurs visés à l'alinéa 1er ainsi que pour l'examen des mesures correctrices à envisager, en ce compris l'éventuel processus d'escalade à suivre.
   § 2. Pour les établissements de crédit belges qui sont inclus dans un plan de redressement de groupe, les indicateurs visés au paragraphe 1er comprennent une échelle progressive de seuils indiquant la proportion des actifs grevés de l'établissement de crédit, déterminée par l'autorité de contrôle [2 conformément à l'article 110, § 2, alinéa 2]2. Le plan de redressement de groupe indique les mesures correctrices à envisager en cas de dépassement de chacun des seuils.
   § 3. L'établissement de crédit belge qui est inclus dans un plan de redressement de groupe et l'entreprise mère belge dans l'EEE peuvent, lorsque leur organe légal d'administration le juge approprié au vu des circonstances :
   1° prendre des mesures au titre du plan de redressement de groupe alors qu'il n'est pas satisfait à l'indicateur correspondant;
   2° s'abstenir de prendre une mesure au titre du plan de redressement de groupe alors qu'il est satisfait à l'indicateur correspondant.
   L'établissement de crédit ou l'entreprise mère belge dans l'EEE informent l'autorité de contrôle sans délai de toute décision de prendre une mesure dans le cadre de la mise en oeuvre de leur plan de redressement ou de s'abstenir de prendre une telle mesure alors qu'il est satisfait à l'indicateur correspondant.
   § 4. Sans préjudice des autres pouvoirs qui lui sont conférés par la présente loi, l'autorité de contrôle peut enjoindre à l'établissement de crédit belge qui est inclus dans un plan de redressement de groupe de prendre une ou plusieurs mesures correctrices prévues dans le plan de redressement de groupe si l'établissement reste en défaut de prendre les mesures adéquates de sa propre initiative.]1

  
Art. 427. [1 De Belgische EER-moeder-onderneming actualiseert het groepsherstelplan bedoeld in artikel 425 ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de groep of de groepsentiteiten, die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.
   In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder van de Belgische EER-moederonderneming eisen dat zij haar groepsherstelplan vaker actualiseert.]1

  
Art.427. [1 L'entreprise mère belge dans l'EEE actualise le plan de redressement de groupe visé à l'article 425 au moins une fois par an et en toute hypothèse après toute modification de la structure juridique ou organisationnelle, des activités ou de la situation financière du groupe ou des entités du groupe susceptible d'avoir un impact significatif sur le plan ou qui impose de le modifier.
   En sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, l'autorité de contrôle peut exiger que l'entreprise mère belge dans l'EEE actualise le plan de redressement de groupe plus fréquemment.]1

  
Art.429. [1 § 1. De toezichthouder kan een Belgische EER-moederonderneming of een groepsentiteit toestaan af te wijken van de verplichtingen van dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het groepsherstelplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling of de kredietinstellingen van de groep alsmede van de termijn bepaald in artikel 114, § 2, of in artikel 416, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de betrokken kredietinstelling of de kredietinstellingen van de groep in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen.
   Hierbij houdt de toezichthouder in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de betrokken kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten.
   De toezichthouder kan een afwijking toegekend met toepassing van het eerste lid te allen tijde weer intrekken. Hij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de betrokken kredietinstelling.
   § 2. De met toepassing van paragraaf 1 toegekende afwijkingen mogen in geen geval betrekking hebben op de verplichtingen inzake de progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa, als bedoeld in artikel 110, § 2, tweede en derde lid.]1

  [2 § 3. De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de wijze waarop hij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.]2
  
Art.428. [1 Par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, la Banque peut préciser :
   1° le contenu minimal du plan de redressement de groupe;
   2° les informations à transmettre par l'établissement de crédit, l'entreprise mère belge dans l'EEE ou les entités du groupe à l'autorité de contrôle ou à une autre autorité compétente, le cas échéant en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et la fréquence à laquelle celles-ci lui sont transmises.]1

  
Art. 429. [1 § 1. De toezichthouder kan een Belgische EER-moederonderneming of een groepsentiteit toestaan af te wijken van de verplichtingen van dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het groepsherstelplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling of de kredietinstellingen van de groep alsmede van de termijn bepaald in artikel 114, § 2, of in artikel 416, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de betrokken kredietinstelling of de kredietinstellingen van de groep in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen.
   Hierbij houdt de toezichthouder in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de betrokken kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten.
   De toezichthouder kan een afwijking toegekend met toepassing van het eerste lid te allen tijde weer intrekken. Hij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de betrokken kredietinstelling.
   § 2. De met toepassing van paragraaf 1 toegekende afwijkingen mogen in geen geval betrekking hebben op de verplichtingen inzake de progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa, als bedoeld in artikel 110, § 2, tweede en derde lid.]1

  [2 § 3. De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de wijze waarop hij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.]2
  
Art.429. [1 § 1er. L'autorité de contrôle peut autoriser une entreprise mère belge dans l'EEE ou une entité du groupe à déroger aux obligations du présent chapitre en matière de contenu du plan de redressement de groupe, de fréquence d'actualisation du plan ou d'informations à fournir par l'établissement de crédit ou les établissements de crédit du groupe ainsi qu'au délai prévu à l'article 114, § 2, ou à l'article 416, dans la mesure où une telle dérogation se justifie au regard de l'impact que la défaillance et la liquidation de l'établissement de crédit concerné ou des établissements de crédit du groupe dans le cadre d'une procédure de liquidation sont susceptibles d'avoir sur les marchés financiers, sur d'autres établissements de crédit, sur les conditions de financement et plus généralement sur l'économie.
   A cet effet, l'autorité de contrôle tient compte notamment de la nature des activités de l'établissement de crédit concerné, de la structure de son actionnariat, de sa forme juridique, de son profil de risque, de sa taille et de son statut juridique, de son interdépendance avec d'autres établissements de crédit ou l'ensemble du système financier, du périmètre et de la complexité de ses activités et de son exercice éventuel de services ou d'activités d'investissement.
   L'autorité de contrôle peut à tout moment retirer le bénéfice d'une dérogation accordée en application de l'alinéa 1er. Elle évalue la nécessité et l'opportunité de maintenir les dérogations accordées au moins une fois par an et après une modification de la structure juridique ou organisationnelle, des activités ou de la situation financière de l'établissement de crédit concerné.
   § 2. Les dérogations accordées en application du paragraphe 1er ne peuvent en aucun cas porter sur les obligations en matière d'échelle progressive de seuils pour la proportion des actifs grevés, tel que visé à l'article 110, § 2, alinéas 2 et 3.]1

  [2 § 3. L'autorité de contrôle informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions de cet article.]2
  
Afdeling I. [1 - Beoordeling van groepsherstelplannen opgesteld door een Belgische EER-moederonderneming]1
CHAPITRE II. [1 - Evaluation des plans de redressement de groupe]1
Art.430. [1 § 1. Het wettelijk bestuursorgaan van de Belgische EER-moederonderneming die het groepsherstelplan opstelt overeenkomstig artikel 425, keurt het groepsherstelplan goed alvorens het aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, voor te leggen.
Section Ire. [1 - Evaluation des plans de redressement de groupe établis par une entreprise mère belge dans l'EEE]1
Art. 430. [1 § 1. Het wettelijk bestuursorgaan van de Belgische EER-moederonderneming die het groepsherstelplan opstelt overeenkomstig artikel 425, keurt het groepsherstelplan goed alvorens het aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, voor te leggen.
   § 2. De Belgische EER-moederonderneming legt haar eerste groepsherstelplan aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, voor binnen zes maanden vanaf het ogenblik waarop een Belgische groep tot stand is gekomen.
   Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de Belgische EER-moederonderneming aan de toezichthouder een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de toezichthouder deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.
   Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de moederonderneming of van een groepsentiteit die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de moederonderneming de toezichthouder hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de toezichthouder wordt meegedeeld.
   § 3. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder bezorgt de toezichthouder het groepsherstelplan en elk geactualiseerd groepsherstelplan aan :
   1° de autoriteiten die deelnemen aan de in artikel 178 bedoelde colleges van bevoegde autoriteiten;
   2° de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau;
   3° de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen;
   4° de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd, voor zover dit relevant is voor het betrokken bijkantoor.
   Deze autoriteiten kunnen binnen dertig dagen na ontvangst van het groepsherstelplan aanbevelingen richten aan de toezichthouder over de maatregelen bepaald in het plan die de afwikkelbaarheid van de groepsentiteiten negatief kunnen beïnvloeden.]1

  
Art.430. [1 § 1er. L'organe légal d'administration de l'entreprise mère belge dans l'EEE qui établit le plan de redressement de groupe conformément à l'article 425 approuve le plan de redressement de groupe avant qu'il ne soit soumis à l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée.
   § 2. L'entreprise mère belge dans l'EEE soumet son premier plan de redressement de groupe à l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, dans les six mois à compter de la création du groupe belge.
   Sous réserve de ce qui est prévu à l'alinéa 3, l'entreprise mère belge dans l'EEE soumet un plan actualisé à l'autorité de contrôle dans les deux mois qui suivent le fait ayant donné naissance à l'obligation de mise à jour du plan, étant entendu que l'autorité de contrôle peut étendre ce délai jusqu'à six mois.
   Dans l'hypothèse où le fait ayant donné naissance à l'obligation de mise à jour du plan est une modification de la situation financière de l'entreprise mère ou d'une entité du groupe susceptible d'avoir un impact significatif sur le plan, l'entreprise mère en informe l'autorité de contrôle sans délai et soumet un plan actualisé dans le délai que lui communique l'autorité de contrôle.
   § 3. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, transmet le plan de redressement de groupe et chaque plan de redressement actualisé :
   1° aux autorités qui participent aux collèges d'autorités compétentes visés à l'article 178;
   2° à l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe;
   3° aux autorités de résolution des filiales;
   4° aux autorités compétentes des Etats membres où se situent des succursales d'importance significative dans la mesure où celles-ci sont concernées.
   Ces autorités peuvent, dans les trente jours de la réception du plan de redressement de groupe, formuler à l'intention de l'autorité de contrôle des recommandations sur les mesures prévues par le plan qui sont susceptibles d'avoir une incidence négative sur la résolvabilité des entités du groupe.]1

  
Art.432. [1 De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, beoordelen of het groepsherstelplan voldoet aan de vereisten bepaald in Hoofdstuk I.
   Hierbij evalueren zij in het bijzonder of het groepsherstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat :
   1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de kredietinstellingen of de groep in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de kredietinstellingen of de Belgische EER-moederonderneming hebben getroffen of voornemens zijn te treffen;
   2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere kredietinstellingen.
   Bij deze evaluatie wordt bijzondere aandacht besteed aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de kredietinstellingen, van de groep en van de groepsentiteiten in verhouding tot de graad van complexiteit van hun organisatiestructuur en tot hun risicoprofiel.]1

  
Art.431. [1 Dans les plus brefs délais de la réception du plan de redressement de groupe, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, conjointement avec les autorités compétentes des filiales, le cas échéant après consultation des autorités compétentes des succursales d'importance significative, examine le plan de redressement de groupe. L'évaluation porte au moins sur les éléments visés aux articles 432 à 434.]1
  
Art. 432. [1 De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, beoordelen of het groepsherstelplan voldoet aan de vereisten bepaald in Hoofdstuk I.
   Hierbij evalueren zij in het bijzonder of het groepsherstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat :
   1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de kredietinstellingen of de groep in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de kredietinstellingen of de Belgische EER-moederonderneming hebben getroffen of voornemens zijn te treffen;
   2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere kredietinstellingen.
   Bij deze evaluatie wordt bijzondere aandacht besteed aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de kredietinstellingen, van de groep en van de groepsentiteiten in verhouding tot de graad van complexiteit van hun organisatiestructuur en tot hun risicoprofiel.]1

  
Art.432. [1 L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes des filiales évaluent si le plan de redressement de groupe satisfait aux exigences prévues par le chapitre Ier.
   A cet effet, elles évaluent notamment si le plan de redressement de groupe permet de raisonnablement s'attendre à ce que :
   1° la mise en oeuvre des mesures prévues dans le plan est de nature à maintenir ou rétablir la viabilité et la position financière des établissements de crédit ou du groupe, compte tenu des mesures préparatoires que les établissements de crédit ou l'entreprise mère belge dans l'EEE ont prises ou ont prévu de prendre;
   2° le plan et les différentes options qui y sont prévues sont susceptibles d'être mis en oeuvre rapidement et de manière efficace dans des situations de crise financière, en évitant, dans toute la mesure du possible, des effets négatifs significatifs sur le système financier, en ce compris dans des scénarios impliquant la mise en oeuvre concomitante de plans de redressement d'autres établissements de crédit.
   Cette évaluation porte une attention particulière à l'adéquation de la structure du capital et du financement des établissements de crédit, du groupe et des entités du groupe par rapport au degré de complexité de leur structure organisationnelle et à leur profil de risque.]1

  
Art.434. [1 § 1. Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat het groepsherstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de Belgische EER-moederonderneming daarvan in kennis en, nadat zij haar de gelegenheid hebben gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt hij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten kunnen voornoemde termijn met maximum één maand verlengen.
   § 2. Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat de door hen geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 1 herziene plan, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de Belgische EER-moederonderneming gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding aan deze moederonderneming, specifieke wijzigingen in het groepsherstelplan aan te brengen.
   § 3. Indien de Belgische EER-moederonderneming binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in paragraaf 1, of indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat het herziene groepsherstelplan dat werd ingediend overeenkomstig paragraaf 1 de door hen geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt en het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig paragraaf 2, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de Belgische EER-moederonderneming daarvan in kennis en vereist hij dat zij binnen dertig dagen bepaalt welke wijzigingen in de werkzaamheden van de groep kunnen aangebracht worden om deze tekortkomingen of belemmeringen te verhelpen.
   § 4. Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat de wijzigingen voorgesteld door de Belgische EER-moederonderneming met toepassing van paragraaf 1, de door hen geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpen, kunnen de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, onverminderd andere maatregelen bepaald door of krachtens deze wet, de groepsentiteiten waarvoor zij bevoegd zijn gelasten elke maatregel te treffen die zij noodzakelijk en evenredig achten om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen.
   De toezichthouder kan de Belgische EER-moederonderneming of de Belgische kredietinstellingen die deel uitmaken van de groep, inzonderheid gelasten de maatregelen te treffen bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid.]1

  
Art.433. [1 L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes des filiales évaluent si les établissements de crédit qui font partie du groupe doivent élaborer un plan de redressement individuel.]1
  
Art.435. [1 § 1. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen streven ernaar om binnen vier maanden na de in artikel [2 430, § 3,]2 bedoelde mededeling van het groepsherstelplan tot een gezamenlijk besluit te komen over het bepaalde in de artikelen 432 tot 434.
   De toezichthouder kan de EBA overeenkomstig artikel 31 van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
   § 2. Indien de bevoegde autoriteiten er niet in slagen binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een gezamenlijk besluit te nemen over de evaluatie en beoordeling van het groepsherstelplan krachtens artikel 432 of over de toepassing van de maatregelen die de Belgische EER-moederonderneming krachtens artikel 434 dient te nemen, is het volgende van toepassing :
   1° de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, neemt zelf een beslissing met inachtneming van de standpunten en voorbehouden die door de andere bevoegde autoriteiten kenbaar zijn gemaakt, en stelt de Belgische EER-moederonderneming en de andere bevoegde autoriteiten schriftelijk in kennis van die beslissing;
   2° indien een van de bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn bedoeld in paragraaf 1 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, van toepassing.
   § 3. Indien de toezichthouder er niet in slaagt om samen met andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een gezamenlijk besluit te nemen over het bepaalde in artikel 433, of over de toepassing van de in artikel 434 bedoelde maatregelen op het niveau van de Belgische dochterondernemingen, is het volgende van toepassing :
   1° de toezichthouder neemt zelf een besluit ten aanzien van de Belgische dochteronder-nemingen van de groep;
   2° indien een van de andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. De toezichthouder neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn bedoeld in paragraaf 1 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder van toepassing.]1

  [3 § 4. De andere bevoegde autoriteiten die het niet oneens zijn uit hoofde van paragraaf 3 kunnen een gezamenlijk besluit bereiken over een groepsherstelplan dat de entiteiten in hun rechtsgebieden bestrijkt.]3
  
Art.434. [1 § 1er. Si l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes des filiales considèrent que le plan de redressement de groupe présente des lacunes importantes, ou qu'il existe des obstacles significatifs à sa mise en oeuvre, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, en informe l'entreprise mère belge dans l'EEE et, après lui avoir donné l'opportunité d'exprimer son point de vue, l'invite à soumettre, dans les deux mois, un plan révisé dans lequel il est remédié à ces lacunes ou obstacles. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes peuvent prolonger le délai précité de maximum un mois.
   § 2. Si l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes des filiales considèrent que le plan révisé conformément au paragraphe 1er ne permet pas de remédier efficacement aux lacunes ou obstacles qu'elles ont identifiés, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, peut enjoindre à l'entreprise mère belge dans l'EEE d'apporter, dans les trente jours de la notification de ce constat à cette entreprise mère, des modifications spécifiques au plan de redressement de groupe.
   § 3. Si l'entreprise mère belge dans l'EEE ne donne pas suite, dans le délai imparti, à l'invitation visée au paragraphe 1er, ou si l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes des filiales considèrent que le plan de redressement de groupe révisé soumis conformément au paragraphe 1er ne permet pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu'elles ont identifiés et qu'il n'est pas possible d'y remédier efficacement par une injonction donnée conformément au paragraphe 2, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, en informe l'entreprise mère belge dans l'EEE et requiert de celle-ci qu'elle détermine, dans les trente jours, les changements qu'elle peut apporter aux activités du groupe afin de remédier à ces lacunes ou obstacles.
   § 4. Si l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes des filiales considèrent que les changements proposés par l'entreprise mère belge dans l'EEE en application du paragraphe 1er ne permettent pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu'elles ont identifiés, l'autorité de surveillance sur base consolidée et les autorités compétentes des filiales peuvent, sans préjudice d'autres mesures prévues par ou en vertu de la présente loi, enjoindre aux entités du groupe pour lesquelles elles sont compétentes de prendre toute mesure qu'elles jugent nécessaire et proportionnée pour mettre fin à ces lacunes ou obstacles.
   L'autorité de contrôle peut notamment enjoindre à l'entreprise mère belge dans l'EEE ou aux établissements de crédit belges qui font partie du groupe de prendre les mesures visées à l'article 116, § 2, alinéa 2.]1

  
Art. 435. [1 § 1. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen streven ernaar om binnen vier maanden na de in artikel [2 430, § 3,]2 bedoelde mededeling van het groepsherstelplan tot een gezamenlijk besluit te komen over het bepaalde in de artikelen 432 tot 434.
   De toezichthouder kan de EBA overeenkomstig artikel 31 van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
   § 2. Indien de bevoegde autoriteiten er niet in slagen binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een gezamenlijk besluit te nemen over de evaluatie en beoordeling van het groepsherstelplan krachtens artikel 432 of over de toepassing van de maatregelen die de Belgische EER-moederonderneming krachtens artikel 434 dient te nemen, is het volgende van toepassing :
   1° de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, neemt zelf een beslissing met inachtneming van de standpunten en voorbehouden die door de andere bevoegde autoriteiten kenbaar zijn gemaakt, en stelt de Belgische EER-moederonderneming en de andere bevoegde autoriteiten schriftelijk in kennis van die beslissing;
   2° indien een van de bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn bedoeld in paragraaf 1 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, van toepassing.
   § 3. Indien de toezichthouder er niet in slaagt om samen met andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een gezamenlijk besluit te nemen over het bepaalde in artikel 433, of over de toepassing van de in artikel 434 bedoelde maatregelen op het niveau van de Belgische dochterondernemingen, is het volgende van toepassing :
   1° de toezichthouder neemt zelf een besluit ten aanzien van de Belgische dochteronder-nemingen van de groep;
   2° indien een van de andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. De toezichthouder neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn bedoeld in paragraaf 1 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder van toepassing.]1

  [3 § 4. De andere bevoegde autoriteiten die het niet oneens zijn uit hoofde van paragraaf 3 kunnen een gezamenlijk besluit bereiken over een groepsherstelplan dat de entiteiten in hun rechtsgebieden bestrijkt.]3
  
Art.435. [1 § 1er. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes des filiales s'efforcent de parvenir à une décision commune conformément aux articles 432 à 434 dans un délai de quatre mois à compter de la communication du plan de redressement de groupe visée à l'article [2 430, § 3]2.
   L'autorité de contrôle peut demander à l'ABE de les aider à parvenir à une décision commune conformément à l'article 31 du règlement n° 1093/2010.
   § 2. En l'absence de décision commune des autorités compétentes, dans le délai visé au paragraphe 1er, concernant l'examen et l'évaluation du plan de redressement de groupe en vertu de l'article 432 ou l'application de toute mesure que l'entreprise mère belge dans l'EEE est tenue de prendre en vertu de l'article 434, les modalités suivantes s'appliquent :
   1° l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, prend elle-même une décision en tenant compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités compétentes, et la notifie par écrit à l'entreprise mère belge dans l'EEE ainsi qu'aux autres autorités compétentes;
   2° si, dans le délai visé au paragraphe 1er, l'une des autorités compétentes a saisi l'ABE d'une question visée à l'article 437 conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE conformément à l'article 19, paragraphe 3, dudit règlement. Elle rend une décision conformément à la décision de l'ABE. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er ou l'adoption d'une décision commune. En l'absence d'une décision de l'ABE dans un délai d'un mois, la décision de l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, est applicable.
   § 3. En l'absence de décision commune de l'autorité de contrôle conjointement avec d'autres autorités compétentes, dans le délai visé au paragraphe 1er, en ce qui concerne les dispositions de l'article 433 ou l'application des mesures visées à l'article 434 au niveau des filiales belges, les modalités suivantes s'appliquent :
   1° l'autorité de contrôle prend elle-même une décision à l'égard des filiales belges du groupe;
   2° si, dans le délai visé au paragraphe 1er, l'une des autres autorités compétentes a saisi l'ABE d'une question visée à l'article 437 conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010, l'autorité de contrôle diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE conformément à l'article 19, paragraphe 3, dudit règlement. Elle rend une décision conformément à la décision de l'ABE. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er ou l'adoption d'une décision commune. En l'absence d'une décision de l'ABE dans un délai d'un mois, la décision de l'autorité de contrôle est applicable.]1

  [3 § 4. Les autres autorités compétentes qui ne sont pas en désaccord en vertu du paragraphe 3 peuvent prendre une décision commune concernant un plan de redressement de groupe pour les entités qui relèvent de leur juridiction.]3
  
Art.436.[1 § 1. In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op een Belgische kredietinstelling die een dochteronderneming is van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, stelt de toezichthouder alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU.
Section II. [1 - Evaluation des plans de redressement de groupe établis par une entreprise mère dans l'EEE établie dans un autre Etat membre]1
Art. 436. [1 § 1. In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op een Belgische kredietinstelling die een dochteronderneming is van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, stelt de toezichthouder alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU.
   De toezichthouder kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
   § 2. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1 over de aangelegenheden bedoeld in artikel 8, lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU, is het volgende van toepassing :
   1° de toezichthouder maakt aan de consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat de consoliderende toezichthouder overweegt te nemen over de aangelegenheden bedoeld in artikel 8, lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU;
   2° de toezichthouder kan tot aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.
   § 3. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1 over de aangelegenheden bedoeld in artikel 8, lid 4 van Richtlijn 2014/59/EU, is het volgende van toepassing :
   1° de toezichthouder neemt zelf het besluit bedoeld in artikel 433 of over de toepassing van de in artikel 434 bedoelde maatregelen ten aanzien van de Belgische dochterondernemingen;
   2° indien een van de andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. De toezichthouder neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder van toepassing;
   3° de toezichthouder kan zelf, tot aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU, en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.]1

  [2 § 4. De andere bevoegde autoriteiten die het niet oneens zijn uit hoofde van paragraaf 3 kunnen een gezamenlijk besluit bereiken over een groepsherstelplan dat de entiteiten in hun rechtsgebieden bestrijkt.]2
  
Art.436. [1 § 1er. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle d'un établissement de crédit belge qui est une filiale d'une entreprise mère dans l'EEE dans un autre Etat membre, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir à une décision commune telle que visée à l'article 8, paragraphe 2, de la directive 2014/59/UE.
   L'autorité de contrôle peut demander l'assistance de l'ABE pour parvenir à une décision commune conformément à l'article 31, point c), du règlement n° 1093/2010.
   § 2. A défaut de décision commune telle que visée au paragraphe 1er concernant les questions visées à l'article 8, paragraphe 3, de la directive 2014/59/UE, les modalités suivantes s'appliquent :
   1° l'autorité de contrôle transmet à l'autorité de surveillance sur base consolidée ses avis et réserves concernant la décision que l'autorité de surveillance sur base consolidée envisage de prendre quant aux questions visées à l'article 8, paragraphe 3, de la directive 2014/59/UE ;
   2° l'autorité de contrôle peut saisir l'ABE d'une question visée à l'article 437 conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010, jusqu'au terme du délai visé à l'article 8, paragraphe 2, de la directive 2014/59/UE, et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise.
   § 3. A défaut de décision commune telle que visée au § 1er concernant les questions visées à l'article 8, paragraphe 4, de la directive 2014/59/UE, les modalités suivantes s'appliquent :
   1° l'autorité de contrôle prend elle-même la décision visée à l'article 433 ou concernant l'application des mesures visées à l'article 434 à l'égard des filiales belges;
   2° si, dans le délai visé à l'article 8, paragraphe 2, de la directive 2014/59/UE, l'une des autres autorités compétentes a saisi l'ABE d'une question visée à l'article 437 conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010, l'autorité de contrôle diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE conformément à l'article 19, paragraphe 3, dudit règlement. Elle rend une décision conformément à la décision de l'ABE. En l'absence d'une décision de l'ABE dans un délai d'un mois, la décision de l'autorité de contrôle est applicable ;
   3° l'autorité de contrôle peut elle-même saisir l'ABE d'une question visée à l'article 437 conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010, jusqu'au terme du délai visé à l'article 8, paragraphe 2, de la directive 2014/59/UE, et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise.]1

  [2 § 4. Les autres autorités compétentes qui ne sont pas en désaccord en vertu du paragraphe 3 peuvent prendre une décision commune concernant un plan de redressement de groupe pour les entités qui relèvent de leur juridiction.]2
  
Art.437. [1 De EBA kan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 19, lid 3 van Verordening nr. 1093/2010 helpen bij het bereiken van overeenstemming over de beoordeling van groepsherstelplannen en de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid, onder 1°, 2° en 4° of in artikel 6, lid 6, onder a), b) en d) van Richtlijn 2014/59/EU.]1
Section III. [1 - Dispositions communes]1
Art. 437. [1 De EBA kan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 19, lid 3 van Verordening nr. 1093/2010 helpen bij het bereiken van overeenstemming over de beoordeling van groepsherstelplannen en de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid, onder 1°, 2° en 4° of in artikel 6, lid 6, onder a), b) en d) van Richtlijn 2014/59/EU.]1
  
Art.437. [1 L'ABE peut prêter assistance aux autorités compétentes pour trouver un accord conformément à l'article 19, paragraphe 3, du règlement n° 1093/2010 en ce qui concerne l'évaluation des plans de redressement de groupe et la mise en oeuvre des mesures visées à l'article 116, § 2, alinéa 2, points 1°, 2° et 4°, ou à l'article 6, paragraphe 6, points a), b) et d), de la directive 2014/59/UE.]1
  
Art. 438. [1 De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in de artikelen 435 en 436 worden door de toezichthouder als definitief erkend en in voorkomend geval toegepast in België.]1
  
Art.438. [1 Les décisions communes et les décisions prises en l'absence d'une décision commune, telles que visées aux articles 435 et 436, sont reconnues comme définitives par l'autorité de contrôle et appliquées, le cas échéant, en Belgique.]1
  
Art. 438/1. [1 § 1. Belgische moederkrediet-instellingen, Belgische EER-moederkrediet-instellingen en entiteiten naar Belgisch recht bedoeld in artikel 424, 3° en 4°, evenals Belgische dochterondernemingen die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn welke vallen onder het toezicht op geconsolideerde basis dat op de moederonderneming wordt uitgeoefend, kunnen partij zijn bij een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep aan een andere partij bij de overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 234, § 1 van deze wet of in artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU.
TITRE III/1. - [1 Soutien financier intragroupe]1
Art. 438/1. [1 § 1. Belgische moederkrediet-instellingen, Belgische EER-moederkrediet-instellingen en entiteiten naar Belgisch recht bedoeld in artikel 424, 3° en 4°, evenals Belgische dochterondernemingen die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn welke vallen onder het toezicht op geconsolideerde basis dat op de moederonderneming wordt uitgeoefend, kunnen partij zijn bij een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep aan een andere partij bij de overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 234, § 1 van deze wet of in artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU.
  § 2. Een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep :
  1° mag alleen worden gesloten op een ogenblik waarop geen van de partijen bij de overeenkomst voldoet aan de in artikel 234, § 1 of in artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde voorwaarden;
  2° mag niet verhinderen dat een groepsentiteit actief is in een lidstaat;
  3° mag niet verhinderen dat van geval tot geval en conform het beleid van de groep financiële steun wordt verleend aan een groepsentiteit die in financiële problemen verkeert, als dit geen risico inhoudt voor de groep als geheel.
  § 3. De overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep kan :
  1° op een of meer dochterondernemingen van de groep betrekking hebben en voorzien in financiële steun van de moederonderneming aan dochterondernemingen, van dochterondernemingen aan de moederonderneming, tussen dochterondernemingen van de groep die partij zijn bij de overeenkomst, of elke combinatie van deze groepsentiteiten;
  2° voorzien in financiële steun in de vorm van een lening, de verlening van garanties, de verstrekking van activa die als zekerheid kunnen worden gebruikt, of elke combinatie van deze vormen van financiële steun bij een of meer transacties, onder meer tussen de begunstigde van de steun en een derde.
  § 4. Indien een groepsentiteit overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst akkoord gaat met de verlening van financiële steun aan een andere groepsentiteit, kan de overeenkomst een wederkerige overeenkomst bevatten van de groepsentiteit die de steun ontvangt, om financiële steun te verlenen aan de groepsentiteit die de steun verleent.
  § 5. De uit de overeenkomst voortvloeiende rechten, vorderingen en maatregelen kunnen alleen door de partijen bij de overeenkomst worden uitgeoefend, met uitsluiting van derden.]1

  
Art. 438/1. [1 § 1er. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit mères belges dans l'EEE et les entités de droit belge visées à l'article 424, 3° et 4°, ainsi que les filiales belges qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers relevant de la surveillance consolidée de l'entreprise mère, peuvent être parties à un accord de soutien financier de groupe à toute partie à l'accord qui remplit les conditions visées à l'article 234, § 1er, de la présente loi ou à l'article 27 de la directive 2014/59/UE.
  § 2. Un accord de soutien financier de groupe :
  1° ne peut être conclu qu'à un moment où aucune des parties à l'accord ne remplit les conditions visées à l'article 234, § 1er, ou à l'article 27 de la directive 2014/59/UE;
  2° ne peut empêcher qu'une entité du groupe exerce une activité dans un Etat membre;
  3° ne peut empêcher qu'au cas par cas, et conformément aux politiques du groupe, un soutien financier de groupe soit fourni à une entité du groupe qui connaît des difficultés financières, tant qu'il ne représente pas un risque pour l'ensemble du groupe.
  § 3. L'accord de soutien financier de groupe peut :
  1° concerner une ou plusieurs filiales du groupe et prévoir un soutien financier de l'entreprise mère aux filiales, des filiales à l'entreprise mère, entre les filiales du groupe qui sont parties à l'accord, ou toute combinaison de ces entités;
  2° prévoir un soutien financier sous la forme d'un prêt, de l'octroi de garanties, de la fourniture d'actifs pouvant servir de garantie, ou de toute combinaison de ces formes de soutien financier, dans une ou plusieurs opérations, notamment entre le bénéficiaire du soutien et un tiers.
  § 4. Si, aux termes de l'accord, une entité du groupe s'engage à fournir un soutien financier à une autre entité du groupe, l'accord peut inclure un accord réciproque aux termes duquel l'entité du groupe bénéficiaire s'engage à fournir un soutien financier à l'entité du groupe qui fournit le soutien.
  § 5. Les droits, actions ou poursuites résultant éventuellement de l'accord ne peuvent être exercés que par les parties à l'accord, à l'exclusion des tiers.]1

  
Art. 438/3. [1 Een groepsentiteit naar Belgisch recht mag slechts financiële steun verlenen overeenkomstig artikel 438/1 als aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° het verlenen van financiële steun heeft tot doel de financiële stabiliteit van de groep als geheel of van een van de groepsentiteiten te vrijwaren of te herstellen;
  2° er is een redelijk vooruitzicht dat de verleende steun de financiële moeilijkheden van de groepsentiteit die de steun ontvangt, in wezenlijke mate oplost;
  3° het verlenen van financiële steun is in het belang van de groepsentiteit die de steun verleent;
  4° de financiële steun wordt verleend onder voorwaarden, waaronder een vergoeding als bedoeld in artikel 438/2;
  5° op basis van de informatie waarover het wettelijk bestuursorgaan van de groepsentiteit die financiële steun verleent, beschikt op het moment dat het besluit tot verlenen van financiële steun wordt genomen, is er een redelijk vooruitzicht dat de groepsentiteit die de steun ontvangt de vergoeding voor de steun zal betalen en dat deze, indien de steun in de vorm van een lening wordt verstrekt, de lening zal terugbetalen. Indien de steun wordt verstrekt in de vorm van een garantie of andere zekerheid, geldt voor de daaruit voortvloeiende verplichting voor de ontvangende entiteit dezelfde voorwaarde als de garantie of zekerheid wordt afgedwongen;
  6° de verlening van de financiële steun brengt de liquiditeit of de solvabiliteit van de groepsentiteit die de steun verleent, niet in gevaar;
  7° de verlening van de financiële steun houdt geen bedreiging in voor de financiële stabiliteit in België;
  8° op het ogenblik waarop de steun wordt verleend, voldoet de groepsentiteit die de steun verleent aan de vereisten van deze wet met betrekking tot kapitaal of liquiditeit en aan alle op grond van de artikelen 149 en 150 opgelegde vereisten, en het verlenen van financiële steun leidt er niet toe dat deze groepsentiteit die vereisten overtreedt, tenzij dit wordt toegestaan door de toezichthouder;
  9° op het ogenblik waarop de steun wordt verleend, voldoet de groepsentiteit die de steun verleent aan de vereisten inzake grote risicoblootstellingen zoals vastgelegd in Verordening nr. 575/2013, in de toepasselijke wet- en regelgeving en in de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld, en het verlenen van financiële steun leidt er niet toe dat de groepsentiteit die vereisten overtreedt, tenzij zulks wordt toegestaan door de toezichthouder;
  10° de verlening van de financiële steun brengt de afwikkelbaarheid van de groepsentiteit die de steun verleent, niet in gevaar.]1

  
Art. 438/2. [1 Un accord de soutien financier de groupe respecte au moins les principes suivants :
  1° l'accord comporte la base de calcul de la contrepartie à payer pour toute opération réalisée en vertu de l'accord;
  2° la contrepartie est fixée au moment de l'octroi du soutien financier;
  3° en devenant partie à l'accord et en déterminant la contrepartie pour la fourniture d'un soutien financier, chaque partie doit agir au mieux de ses intérêts tenant compte notamment de tout avantage direct ou indirect qu'une partie pourrait tirer de la fourniture du soutien financier;
  4° chaque partie qui fournit le soutien doit se voir communiquer l'intégralité des informations pertinentes par toute partie bénéficiaire avant de déterminer la contrepartie et avant de prendre toute décision d'octroyer le soutien financier;
  5° la contrepartie pour la fourniture d'un soutien financier peut tenir compte d'informations qui ne sont pas accessibles aux acteurs du marché et dont la partie qui fournit le soutien dispose du fait qu'elle fait partie du même groupe que la partie bénéficiaire; et
  6° les règles de calcul de la contrepartie pour la fourniture d'un soutien financier ne doivent pas obligatoirement tenir compte de toute incidence temporaire prévisible sur les prix du marché due à des événements extérieurs au groupe.]1

  
Art. 438/3. [1 Een groepsentiteit naar Belgisch recht mag slechts financiële steun verlenen overeenkomstig artikel 438/1 als aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° het verlenen van financiële steun heeft tot doel de financiële stabiliteit van de groep als geheel of van een van de groepsentiteiten te vrijwaren of te herstellen;
  2° er is een redelijk vooruitzicht dat de verleende steun de financiële moeilijkheden van de groepsentiteit die de steun ontvangt, in wezenlijke mate oplost;
  3° het verlenen van financiële steun is in het belang van de groepsentiteit die de steun verleent;
  4° de financiële steun wordt verleend onder voorwaarden, waaronder een vergoeding als bedoeld in artikel 438/2;
  5° op basis van de informatie waarover het wettelijk bestuursorgaan van de groepsentiteit die financiële steun verleent, beschikt op het moment dat het besluit tot verlenen van financiële steun wordt genomen, is er een redelijk vooruitzicht dat de groepsentiteit die de steun ontvangt de vergoeding voor de steun zal betalen en dat deze, indien de steun in de vorm van een lening wordt verstrekt, de lening zal terugbetalen. Indien de steun wordt verstrekt in de vorm van een garantie of andere zekerheid, geldt voor de daaruit voortvloeiende verplichting voor de ontvangende entiteit dezelfde voorwaarde als de garantie of zekerheid wordt afgedwongen;
  6° de verlening van de financiële steun brengt de liquiditeit of de solvabiliteit van de groepsentiteit die de steun verleent, niet in gevaar;
  7° de verlening van de financiële steun houdt geen bedreiging in voor de financiële stabiliteit in België;
  8° op het ogenblik waarop de steun wordt verleend, voldoet de groepsentiteit die de steun verleent aan de vereisten van deze wet met betrekking tot kapitaal of liquiditeit en aan alle op grond van de artikelen 149 en 150 opgelegde vereisten, en het verlenen van financiële steun leidt er niet toe dat deze groepsentiteit die vereisten overtreedt, tenzij dit wordt toegestaan door de toezichthouder;
  9° op het ogenblik waarop de steun wordt verleend, voldoet de groepsentiteit die de steun verleent aan de vereisten inzake grote risicoblootstellingen zoals vastgelegd in Verordening nr. 575/2013, in de toepasselijke wet- en regelgeving en in de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld, en het verlenen van financiële steun leidt er niet toe dat de groepsentiteit die vereisten overtreedt, tenzij zulks wordt toegestaan door de toezichthouder;
  10° de verlening van de financiële steun brengt de afwikkelbaarheid van de groepsentiteit die de steun verleent, niet in gevaar.]1

  
Art. 438/3. [1 Une entité d'un groupe de droit belge ne peut fournir un soutien financier conformément à l'article 438/1 que si chacune des conditions suivantes est remplie :
  1° le soutien financier vise à préserver ou à rétablir la stabilité financière de l'ensemble du groupe ou de l'une de ses entités;
  2° il existe une perspective raisonnable que le soutien fourni remédie largement aux difficultés financières de l'entité du groupe bénéficiaire;
  3° le soutien financier sert au mieux les intérêts de l'entité qui le fournit;
  4° le soutien financier est octroyé à des conditions, notamment une contrepartie telle que visée à l'article 438/2;
  5° il existe une perspective raisonnable, sur la base des informations dont disposent l'organe légal d'administration de l'entité du groupe qui fournit le soutien financier au moment où est prise la décision d'octroyer le soutien financier, que l'entité du groupe bénéficiaire paiera la contrepartie du soutien reçu et, si le soutien est octroyé sous la forme d'un prêt, qu'elle le remboursera. Si le soutien est octroyé sous la forme d'une garantie ou de toute forme de sûreté, les mêmes conditions s'appliquent à l'engagement résultant, pour le bénéficiaire, de l'exécution de la garantie ou de la sûreté;
  6° la fourniture du soutien financier ne compromet pas la liquidité ou la solvabilité de l'entité du groupe qui le fournit;
  7° la fourniture du soutien financier ne fait pas peser de menace sur la stabilité financière en Belgique;
  8° l'entité du groupe qui fournit le soutien respecte, au moment où le soutien est fourni, les exigences de la présente loi en matière de fonds propres ou de liquidité et toutes les exigences imposées en vertu des articles 149 et 150 de ladite loi, et la fourniture du soutien financier n'amène pas l'entité du groupe à enfreindre ces exigences, à moins qu'elle n'y ait été autorisée par l'autorité de contrôle;
  9° l'entité du groupe qui fournit le soutien respecte, au moment où le soutien est fourni, les exigences concernant les grands risques prévues par le règlement n° 575/2013, par la législation et la réglementation applicables et par les règlements pris en application de l'article 98, et la fourniture du soutien financier n'amène pas l'entité du groupe à enfreindre ces exigences, à moins qu'elle n'y ait été autorisée par l'autorité de contrôle;
  10° la fourniture du soutien financier ne compromet pas la résolvabilité de l'entité du groupe qui le fournit.]1

  
Art. 438/5. [1 § 1. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, stelt alles in het werk om samen met de andere bevoegde autoriteiten een gezamenlijk besluit te nemen binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag bedoeld in artikel 438/4, § 1, over de vraag of de voorwaarden van de voorgenomen overeenkomst of de voorgenomen wijzigingen stroken met de in artikel 438/3 vastgestelde voorwaarden voor het verlenen van financiële steun. Zij houden daarbij rekening met het mogelijke effect van de uitvoering van de overeenkomst in alle lidstaten waar de groep actief is, met inbegrip van gevolgen voor de begroting van de betrokken lidstaten. Het gezamenlijke besluit wordt in een volledig gemotiveerd document opgenomen en door de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, aan de aanvrager verstrekt.
  De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
  § 2. Als de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de andere bevoegde autoriteiten niet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 tot een gezamenlijk besluit komen, is het volgende van toepassing :
  1° de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, neemt een volledig gemotiveerd schriftelijk besluit over de aanvraag. Dat besluit houdt rekening met de standpunten en voorbehouden die gedurende de periode van vier maanden door de andere bevoegde autoriteiten kenbaar zijn gemaakt. De toezichthouder stelt de aanvrager en de andere bevoegde autoriteiten van zijn besluit in kennis;
  2° indien een andere bevoegde autoriteit binnen de in paragraaf 1 bedoelde termijn de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.]1

  
Art. 438/4. [1 § 1er. L'établissement de crédit mère belge dans l'EEE soumet à l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, une demande d'autorisation pour tout projet d'accord proposé en vertu de l'article 438/1 ou pour toute modification à apporter à un accord pour lequel l'autorité de contrôle a donné son autorisation. Cette demande indique quelles entités du groupe ont l'intention d'en être parties. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, communique sans délai la demande aux autorités compétentes de chaque filiale qui entend être partie à l'accord.
  § 2. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, accorde, conformément à la procédure prévue à l'article 438/5, l'autorisation si les termes du projet d'accord sont compatibles avec les conditions préalables au soutien financier prévues à l'article 438/3. Elle peut interdire la conclusion du projet d'accord si celui-ci est jugé incompatible avec les conditions visées à l'article 438/3.]1

  
Art. 438/5. [1 § 1. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, stelt alles in het werk om samen met de andere bevoegde autoriteiten een gezamenlijk besluit te nemen binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag bedoeld in artikel 438/4, § 1, over de vraag of de voorwaarden van de voorgenomen overeenkomst of de voorgenomen wijzigingen stroken met de in artikel 438/3 vastgestelde voorwaarden voor het verlenen van financiële steun. Zij houden daarbij rekening met het mogelijke effect van de uitvoering van de overeenkomst in alle lidstaten waar de groep actief is, met inbegrip van gevolgen voor de begroting van de betrokken lidstaten. Het gezamenlijke besluit wordt in een volledig gemotiveerd document opgenomen en door de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, aan de aanvrager verstrekt.
  De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
  § 2. Als de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de andere bevoegde autoriteiten niet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 tot een gezamenlijk besluit komen, is het volgende van toepassing :
  1° de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, neemt een volledig gemotiveerd schriftelijk besluit over de aanvraag. Dat besluit houdt rekening met de standpunten en voorbehouden die gedurende de periode van vier maanden door de andere bevoegde autoriteiten kenbaar zijn gemaakt. De toezichthouder stelt de aanvrager en de andere bevoegde autoriteiten van zijn besluit in kennis;
  2° indien een andere bevoegde autoriteit binnen de in paragraaf 1 bedoelde termijn de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.]1

  
Art. 438/5. [1 § 1er. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir à une décision commune, conjointement avec les autres autorités compétentes, dans les quatre mois suivant la réception de la demande visée à l'article 438/4, § 1er, sur la compatibilité des termes du projet d'accord ou de modifications avec les conditions de fourniture d'un soutien financier définies à l'article 483/3. Elles tiennent compte de l'effet potentiel, y inclus les conséquences fiscales pour les Etats membres concernés, de la mise en oeuvre de l'accord dans tous les Etats membres où le groupe est présent. Cette décision commune est consignée dans un document exposant l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et est communiquée par l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, au demandeur.
  L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, peut demander à l'ABE de l'aider à parvenir à une décision commune conformément à l'article 31, point c), du règlement n° 1093/2010.
  § 2. A défaut d'une décision commune de l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et des autres autorités compétentes dans le délai visé au paragraphe 1er, les modalités suivantes s'appliquent :
  1° l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, rend une décision écrite sur la demande qui expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent. Cette décision tient compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités compétentes pendant la période de quatre mois. L'autorité de contrôle notifie sa décision au demandeur et aux autres autorités compétentes;
  2° si, dans le délai visé au paragraphe 1er, une autre autorité compétente a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010, l'autorité de contrôle diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE et rend une décision conformément à la décision de l'ABE.]1

  
Art. 438/7. [1 § 1. Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op een Belgische kredietinstelling die een dochteronderneming is van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, een kennisgeving ontvangt als bedoeld in artikel 20, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU, stelt hij alles in het werk om samen met de consoliderende toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten tot een gezamenlijk besluit te komen als bedoeld in artikel 20, lid 5 van Richtlijn 2014/59/EU.
  De toezichthouder kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
  § 2. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, is het volgende van toepassing :
  1° de toezichthouder maakt aan de consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat de consoliderende toezichthouder zal nemen krachtens artikel 20, lid 6 van Richtlijn 2014/59/EU;
  2° de toezichthouder kan tot aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 20, lid 7 van Richtlijn 2014/59/EU en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.]1

  
Art. 438/6. [1 L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, transmet sans délai aux autorités de résolution concernées les accords de soutien financier de groupe qu'elle a autorisés, ainsi que toutes les modifications qui y ont été apportées.]1
  
Art. 438/7. [1 § 1. Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op een Belgische kredietinstelling die een dochteronderneming is van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, een kennisgeving ontvangt als bedoeld in artikel 20, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU, stelt hij alles in het werk om samen met de consoliderende toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten tot een gezamenlijk besluit te komen als bedoeld in artikel 20, lid 5 van Richtlijn 2014/59/EU.
  De toezichthouder kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
  § 2. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, is het volgende van toepassing :
  1° de toezichthouder maakt aan de consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat de consoliderende toezichthouder zal nemen krachtens artikel 20, lid 6 van Richtlijn 2014/59/EU;
  2° de toezichthouder kan tot aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 20, lid 7 van Richtlijn 2014/59/EU en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.]1

  
Art. 438/7. [1 § 1er. Si l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle d'un établissement de crédit belge qui est une filiale d'une entreprise mère dans l'EEE dans un autre Etat membre, reçoit une notification visée à l'article 20, paragraphe 2, de la directive 2014/59/UE, elle fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec l'autorité de surveillance sur base consolidée et les autres autorités compétentes, à une décision commune visée à l'article 20, paragraphe 5, de la directive 2014/59/UE.
  L'autorité de contrôle peut demander à l'ABE de l'aider à parvenir à une décision commune conformément à l'article 31, point c), du règlement n° 1093/2010.
  § 2. En l'absence de décision commune visée au paragraphe 1er, les modalités suivantes s'appliquent :
  1° l'autorité de contrôle transmet ses avis et réserves concernant la décision que l'autorité de surveillance sur base consolidée prendra conformément à l'article 20, paragraphe 6, de la directive 2014/59/UE;
  2° l'autorité de contrôle peut saisir l'ABE conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010, jusqu'au terme du délai visé à l'article 20, paragraphe 7, de la directive 2014/59/UE, et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise.]1

  
Art. 438/8. [1 § 1. Elke voorgenomen overeenkomst of wijziging waarvoor de bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend, wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de aandeelhouders van elke groepsentiteit die de overeenkomst wil aangaan. De overeenkomst is alleen geldig en uitvoerbaar voor de partijen waarvan de aandeelhouders de overeenkomst hebben goedgekeurd, en dit zolang die goedkeuring niet is ingetrokken.
  Een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep geldt alleen voor een groepsentiteit indien haar aandeelhouders het wettelijk bestuursorgaan hebben toegestaan het besluit te nemen dat de groepsentiteit onder de voorwaarden van de overeenkomst en in overeenstemming met de voorwaarden bedoeld in deze titel steun verleent of ontvangt, en indien de aandeelhouders die toestemming niet hebben ingetrokken.
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan van elke entiteit die partij is bij de overeenkomst, brengt jaarlijks aan de aandeelhouders verslag uit over de uitvoering van de overeenkomst en van alle op grond van de overeenkomst genomen besluiten.]1

  
Art. 438/8. [1 § 1er. Tout projet d'accord ou de modification autorisé par les autorités compétentes est soumis à l'approbation des actionnaires de chaque entité du groupe qui entend être partie à l'accord. L'accord n'est valable et exécutoire que pour les parties dont les actionnaires l'ont approuvé, aussi longtemps que cette autorisation n'a pas été révoquée.
  Un accord de soutien financier du groupe n'est valable pour une entité du groupe que si les actionnaires de celle-ci ont autorisé l'organe légal d'administration à prendre une décision selon laquelle l'entité du groupe fournit ou reçoit un soutien financier conformément aux termes de l'accord et aux conditions définies au présent titre, et si l'autorisation des actionnaires n'a pas été révoquée.
  § 2. L'organe légal d'administration de chaque entité qui est partie à l'accord rend compte chaque année aux actionnaires de l'exécution de l'accord et de la mise en oeuvre de toute décision prise en vertu de celui-ci.]1

  
Art. 438/10. [1 § 1. Voordat er op grond van een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep effectief steun wordt verstrekt, brengt het wettelijk bestuursorgaan van een groepsentiteit naar Belgisch recht die voornemens is financiële steun te verlenen, dit ter kennis van :
  1° de toezichthouder;
  2° in voorkomend geval, de consoliderende toezichthouder;
  3° de bevoegde autoriteit van de groepsentiteit die de steun ontvangt; en
  4° de EBA.
  De kennisgeving omvat het gemotiveerde besluit van het wettelijk bestuursorgaan, bedoeld in artikel 438/9 en nadere gegevens over de voorgenomen financiële steun, samen met een kopie van de overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep.
  § 2. Binnen vijf werkdagen na de datum van ontvangst van een volledige kennisgeving als bedoeld in paragraaf 1 kan de toezichthouder de verlening van financiële steun goedkeuren, dan wel bij gemotiveerd besluit verbieden of beperken indien hij oordeelt dat niet aan de bij artikel 438/3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.
  Het besluit wordt onverwijld ter kennis gebracht van :
  1° de consoliderende toezichthouder, indien deze verschilt van de toezichthouder;
  2° de bevoegde autoriteit van de groepsentiteit die de steun ontvangt; en
  3° de EBA.
  Indien de toezichthouder optreedt in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, stelt hij onverwijld de andere leden van het college van bevoegde autoriteiten en de leden van het afwikkelingscollege in kennis.
  § 3. Indien de toezichthouder de financiële steun niet binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn verbiedt of beperkt, of die steun voor het einde van die termijn heeft goedgekeurd, kan er financiële steun worden verleend in overeenstemming met de voorwaarden die aan de toezichthouder zijn voorgelegd.
  § 4. Het besluit van het wettelijk bestuursorgaan van de groepsentiteit naar Belgisch recht, om financiële steun te verlenen, wordt toegezonden aan :
  1° de toezichthouder;
  2° in voorkomend geval, de consoliderende toezichthouder;
  3° de bevoegde autoriteit van de groepsentiteit die de steun ontvangt; en
  4° de EBA.
  Indien de toezichthouder optreedt in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt hij onverwijld de andere leden van het college van bevoegde autoriteiten en de leden van het afwikkelingscollege in kennis.
  § 5. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, kan het initiatief nemen tot een herbeoordeling van het groepsherstelplan overeenkomstig artikel 434 of, indien er een herstelplan op individuele basis is opgesteld, de groepsentiteit krachtens artikel 114 verzoeken een herzien herstelplan in te dienen, indien :
  1° de toezichthouder de financiële steun van de groep overeenkomstig paragraaf 2 van dit artikel beperkt of verbiedt; en
  2° het groepsherstelplan overeenkomstig artikel 425, § 2 financiële steun binnen de groep vermeldt; en
  3° de toezichthouder van de groepsentiteit ten aanzien waarvan de steun wordt beperkt of verboden, de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, hierom verzoekt.]1

  
Art. 438/9. [1 L'organe légal d'administration de l'entité du groupe de droit belge qui fournit ce soutien financier prend la décision de fournir un soutien financier de groupe en vertu de l'accord. Cette décision est motivée, indique l'objectif du soutien financier envisagé et précise comment la fourniture du soutien financier se conforme aux conditions définies à l'article 438/3.
  L'organe légal d'administration de l'entité du groupe de droit belge bénéficiaire de ce soutien financier prend la décision d'accepter un soutien financier de groupe en vertu de l'accord.]1

  
Art. 438/10. [1 § 1. Voordat er op grond van een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep effectief steun wordt verstrekt, brengt het wettelijk bestuursorgaan van een groepsentiteit naar Belgisch recht die voornemens is financiële steun te verlenen, dit ter kennis van :
  1° de toezichthouder;
  2° in voorkomend geval, de consoliderende toezichthouder;
  3° de bevoegde autoriteit van de groepsentiteit die de steun ontvangt; en
  4° de EBA.
  De kennisgeving omvat het gemotiveerde besluit van het wettelijk bestuursorgaan, bedoeld in artikel 438/9 en nadere gegevens over de voorgenomen financiële steun, samen met een kopie van de overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep.
  § 2. Binnen vijf werkdagen na de datum van ontvangst van een volledige kennisgeving als bedoeld in paragraaf 1 kan de toezichthouder de verlening van financiële steun goedkeuren, dan wel bij gemotiveerd besluit verbieden of beperken indien hij oordeelt dat niet aan de bij artikel 438/3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.
  Het besluit wordt onverwijld ter kennis gebracht van :
  1° de consoliderende toezichthouder, indien deze verschilt van de toezichthouder;
  2° de bevoegde autoriteit van de groepsentiteit die de steun ontvangt; en
  3° de EBA.
  Indien de toezichthouder optreedt in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, stelt hij onverwijld de andere leden van het college van bevoegde autoriteiten en de leden van het afwikkelingscollege in kennis.
  § 3. Indien de toezichthouder de financiële steun niet binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn verbiedt of beperkt, of die steun voor het einde van die termijn heeft goedgekeurd, kan er financiële steun worden verleend in overeenstemming met de voorwaarden die aan de toezichthouder zijn voorgelegd.
  § 4. Het besluit van het wettelijk bestuursorgaan van de groepsentiteit naar Belgisch recht, om financiële steun te verlenen, wordt toegezonden aan :
  1° de toezichthouder;
  2° in voorkomend geval, de consoliderende toezichthouder;
  3° de bevoegde autoriteit van de groepsentiteit die de steun ontvangt; en
  4° de EBA.
  Indien de toezichthouder optreedt in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt hij onverwijld de andere leden van het college van bevoegde autoriteiten en de leden van het afwikkelingscollege in kennis.
  § 5. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, kan het initiatief nemen tot een herbeoordeling van het groepsherstelplan overeenkomstig artikel 434 of, indien er een herstelplan op individuele basis is opgesteld, de groepsentiteit krachtens artikel 114 verzoeken een herzien herstelplan in te dienen, indien :
  1° de toezichthouder de financiële steun van de groep overeenkomstig paragraaf 2 van dit artikel beperkt of verbiedt; en
  2° het groepsherstelplan overeenkomstig artikel 425, § 2 financiële steun binnen de groep vermeldt; en
  3° de toezichthouder van de groepsentiteit ten aanzien waarvan de steun wordt beperkt of verboden, de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, hierom verzoekt.]1

  
Art. 438/10. [1 § 1er. Avant d'apporter son soutien effectif en vertu d'un accord de soutien financier de groupe, l'organe légal d'administration d'une entité d'un groupe de droit belge qui envisage de fournir ce soutien notifie son intention :
  1° à l'autorité de contrôle;
  2° le cas échéant, à l'autorité de surveillance sur base consolidée;
  3° à l'autorité compétente de l'entité du groupe bénéficiaire du soutien financier; et
  4° à l'ABE.
  Cette notification inclut la décision motivée de l'organe légal d'administration conformément à l'article 438/9 et les modalités du soutien financier envisagé, y compris une copie de l'accord de soutien financier de groupe.
  § 2. Dans un délai de cinq jours ouvrables suivant la date de réception d'une notification complète visée au paragraphe 1er, l'autorité de contrôle peut autoriser l'apport de soutien financier, l'interdire ou le restreindre par décision motivée, si elle juge que les conditions définies à l'article 438/3 ne sont pas remplies.
  La décision est notifiée sans délai :
  1° à l'autorité de surveillance sur base consolidée, si elle ne se confond pas avec l'autorité de contrôle;
  2° à l'autorité compétente de l'entité du groupe bénéficiaire du soutien; et
  3° à l'ABE.
  Si l'autorité de contrôle agit en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, elle informe sans délai les autres membres du collège d'autorités compétentes ainsi que les membres du collège d'autorités de résolution.
  § 3. Si l'autorité de contrôle n'interdit ni ne restreint le soutien financier dans le délai indiqué au paragraphe 2, ou si elle a autorisé ledit soutien avant la fin de la période concernée, le soutien financier peut être fourni selon les modalités communiquées à l'autorité de contrôle.
  § 4. La décision de l'organe légal d'administration de l'entité d'un groupe de droit belge de fournir un soutien financier est communiquée :
  1° à l'autorité de contrôle;
  2° le cas échéant, à l'autorité de surveillance sur base consolidée;
  3° à l'autorité compétente de l'entité du groupe bénéficiaire du soutien financier; et
  4° à l'ABE.
  Si l'autorité de contrôle agit en sa qualité d'autorité de surveillance consolidée, elle informe sans délai les autres membres du collège d'autorités compétentes ainsi que les membres du collège d'autorités de résolution.
  § 5. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, peut demander de procéder à un réexamen du plan de redressement de groupe conformément à l'article 434 ou, si le plan de redressement a été élaboré au niveau individuel, exiger de l'entité du groupe conformément à l'article 114 qu'elle soumette un plan de redressement révisé, si :
  1° l'autorité de contrôle restreint ou interdit le soutien financier du groupe en vertu du paragraphe 2 du présent article;
  2° le plan de redressement de groupe conformément à l'article 425, § 2, fait référence à un soutien financier intragroupe; et
  3° l'autorité de contrôle de l'entité du groupe pour laquelle le soutien est restreint ou interdit le demande à l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée.]1

  
Art. 438/11. [1 § 1. Indien de toezichthouder in zijn hoedanigheid van autoriteit die bevoegd is voor een groepsentiteit naar Belgisch recht die de steun ontvangt, een kennisgeving ontvangt als bedoeld in artikel 25, lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU en bezwaren heeft met betrekking tot het besluit van de bevoegde autoriteit om financiële steun te verbieden of beperken, kan hij de zaak binnen twee dagen aan de EBA voorleggen en verzoeken om bijstand krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010.
  § 2. Indien de bevoegde autoriteit financiële steun van de groep voor een groepsentiteit naar Belgisch recht beperkt of verbiedt overeenkomstig artikel 25, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU, en indien het groepsherstelplan financiële steun binnen de groep vermeldt, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van autoriteit die bevoegd is voor de groepsentiteit naar Belgisch recht die de steun ontvangt :
  1° de consoliderende toezichthouder verzoeken het initiatief te nemen tot een herbeoordeling van het groepsherstelplan als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 2014/59/EU; of
  2° indien er een herstelplan op individuele basis is opgesteld, de betrokken groepsentiteit verzoeken een herzien herstelplan in te dienen krachtens artikel 114.]1

  
Art. 438/11. [1 § 1er. Si l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité responsable d'une entité de droit belge du groupe bénéficiaire du soutien, reçoit une notification visée à l'article 25, paragraphe 3, de la directive 2014/59/UE et a des objections concernant la décision de l'autorité compétente d'interdire ou de restreindre celui-ci, elle peut, dans les deux jours, saisir l'ABE et demander son assistance conformément à l'article 31, point c), du règlement n° 1093/2010.
  § 2. Si l'autorité compétente restreint ou interdit le soutien financier de groupe pour une entité de droit belge du groupe en vertu de l'article 25, paragraphe 2, de la directive 2014/59/UE, et si le plan de redressement de groupe fait référence à un soutien financier intragroupe, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente de l'entité de droit belge du groupe bénéficiaire du soutien, peut :
  1° demander à l'autorité de surveillance sur base consolidée de procéder à un réexamen du plan de redressement de groupe visé à l'article 8 de la directive 2014/59/UE; ou
  2° si le plan de redressement a été élaboré au niveau individuel, exiger de l'entité du groupe concernée qu'elle soumette un plan de redressement révisé en vertu de l'article 114.]1

  
Art. 438/12. [1 Groepsentiteiten maken openbaar of zij al dan niet overeenkomstig artikel 438/1 een overeenkomst voor het verlenen van financiële steun binnen de groep zijn aangegaan. Dit bevat een beschrijving van de algemene voorwaarden van een eventuele dergelijke overeenkomst en de namen van de groepsentiteiten die partij zijn bij de overeenkomst. Deze informatie wordt ten minste eenmaal per jaar bijgewerkt. De artikelen 431 tot en met 434 van Verordening nr. 575/2013 zijn van toepassing.]1
  
Art. 438/12. [1 Les entités du groupe dévoilent si elles ont ou non conclu un accord de soutien financier de groupe en vertu de l'article 438/1. A cet égard, elles précisent le cas échéant les conditions générales de cet accord et le nom des entités du groupe qui y sont parties. Ces informations sont actualisées au moins une fois par an. Les articles 431 à 434 du règlement n° 575/2013 trouvent à s'appliquer.]1
  
Art. 438/13. [1 Indien aan de voorwaarden voor het opleggen van maatregelen op grond van artikel 234, 235 of 236 is voldaan met betrekking tot een Belgische EER-moederonderneming, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de EBA in kennis en raadpleegt hij de andere bevoegde autoriteiten in het college van bevoegde autoriteiten.
TITRE III/2. - [1 Coordination des mesures de redressement relatives à des groupes]1
Art. 438/14. [1 § 1. Indien aan de voorwaarden voor het opleggen van maatregelen op grond van artikel 234, 235 of 236 is voldaan met betrekking tot een Belgische dochteronderneming van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, stelt de toezichthouder, wanneer hij voornemens is in overeenstemming met artikel 234 of 236 een maatregel te nemen, de EBA in kennis en raadpleegt hij de consoliderende toezichthouder.
  Na de kennisgeving en raadpleging houdt de toezichthouder rekening met de eventuele beoordeling van de consoliderende toezichthouder wanneer hij eventueel besluit tot het toepassen van maatregelen op grond van artikel 234, 235 of 236. De toezichthouder stelt de consoliderende toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten binnen het college van bevoegde autoriteiten, alsook de EBA, van het besluit in kennis.
  § 2. Wanneer de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, een kennisgeving ontvangt zoals bedoeld in artikel 30, lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU in verband met een buitenlandse dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming, kan hij beoordelen welke gevolgen het opleggen van herstelmaatregelen naar verwachting zal hebben op de betrokken kredietinstelling, de Belgische groep of de groepsentiteiten in andere lidstaten. De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteit in kennis van deze beoordeling binnen drie dagen na ontvangst van de kennisgeving.]1

  
Art. 438/13. [1 Lorsque les conditions d'imposition de mesures en vertu de l'article 234, 235 ou 236 sont réunies en ce qui concerne une entreprise mère belge dans l'EEE, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, le notifie à l'ABE et consulte les autres autorités compétentes du collège d'autorités compétentes.
  Lorsqu'elle décide s'il y a lieu d'appliquer les mesures prévues à l'article 234, 235 ou 236 pour l'entreprise mère dans l'EEE concernée, l'autorité de contrôle tient compte de l'incidence de ces mesures sur les entités du groupe dans d'autres Etats membres. L'autorité de contrôle notifie la décision aux autres autorités compétentes au sein du collège d'autorités compétentes et à l'ABE.]1

  
Art. 438/15. [1 Indien de toezichthouder voornemens is één of meer maatregelen op grond van artikel 234, 235 of 236 te nemen voor een Belgische kredietinstelling in een groep, en de buitenlandse bevoegde autoriteiten eveneens voornemens zijn één of meer maatregelen zoals bedoeld in artikel 27 of 29 van Richtlijn 2014/59/EU te nemen voor één of meer andere buitenlandse kredietinstellingen in dezelfde groep, is het volgende van toepassing :
  1° de toezichthouder gaat samen met de buitenlandse bevoegde autoriteiten na of het de voorkeur verdient voor alle betrokken groepsentiteiten een speciaal commissaris aan te stellen, dan wel de toepassing van de herstelmaatregelen op meerdere kredietinstellingen te coördineren teneinde oplossingen te faciliteren waarmee de financiële positie van de betrokken kredietinstellingen wordt hersteld. De beoordeling neemt de vorm aan van een gezamenlijk besluit van de consoliderende toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten, dat genomen wordt binnen vijf dagen na de datum van de kennisgeving vanwege de consoliderende toezichthouder dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van herstelmaatregelen met betrekking tot de EER-moederonderneming. Het gezamenlijk besluit wordt gemotiveerd en door de consoliderende toezichthouder ter kennis gebracht van de EER-moederonderneming;
  2° de toezichthouder kan de EBA verzoeken om overeenkomstig artikel 31 van Verordening nr. 1093/2010 assistentie te verlenen bij het bereiken van overeenstemming;
  3° indien binnen vijf dagen geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de toezichthouder met betrekking tot de Belgische kredietinstellingen van de groep individuele besluiten nemen over de toepassing van artikel 234, 235 of 236.]1

  
Art. 438/14. [1 § 1er. Lorsque les conditions d'imposition de mesures en vertu de l'article 234, 235 ou 236 sont réunies en ce qui concerne une filiale belge d'une entreprise mère dans l'EEE dans un autre Etat membre, l'autorité de contrôle, lorsqu'elle a l'intention d'appliquer une mesure conformément à l'article 234 ou 236, le notifie à l'ABE et consulte l'autorité de surveillance sur base consolidée.
  Après ladite notification et la consultation, l'autorité de contrôle tient compte de toute évaluation de l'autorité de surveillance sur base consolidée lorsqu'elle décide éventuellement d'appliquer des mesures prévues à l'article 234, 235 ou 236. L'autorité de contrôle notifie la décision à l'autorité de surveillance sur base consolidée et aux autres autorités compétentes au sein du collège d'autorités compétentes, ainsi qu'à l'ABE.
  § 2. Lorsque l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, reçoit une notification, telle que visée à l'article 30, paragraphe 3, de la directive 2014/59/UE, concernant une filiale étrangère d'une entreprise mère belge dans l'EEE, elle peut évaluer l'incidence probable qu'aurait l'imposition de mesures de redressement sur l'établissement de crédit concerné, sur le groupe belge ou sur les entités du groupe dans d'autres Etats membre. L'autorité de contrôle communique cette évaluation à l'autorité compétente dans un délai de trois jours à compter de la réception de la notification.]1

  
Art. 438/15. [1 Indien de toezichthouder voornemens is één of meer maatregelen op grond van artikel 234, 235 of 236 te nemen voor een Belgische kredietinstelling in een groep, en de buitenlandse bevoegde autoriteiten eveneens voornemens zijn één of meer maatregelen zoals bedoeld in artikel 27 of 29 van Richtlijn 2014/59/EU te nemen voor één of meer andere buitenlandse kredietinstellingen in dezelfde groep, is het volgende van toepassing :
  1° de toezichthouder gaat samen met de buitenlandse bevoegde autoriteiten na of het de voorkeur verdient voor alle betrokken groepsentiteiten een speciaal commissaris aan te stellen, dan wel de toepassing van de herstelmaatregelen op meerdere kredietinstellingen te coördineren teneinde oplossingen te faciliteren waarmee de financiële positie van de betrokken kredietinstellingen wordt hersteld. De beoordeling neemt de vorm aan van een gezamenlijk besluit van de consoliderende toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten, dat genomen wordt binnen vijf dagen na de datum van de kennisgeving vanwege de consoliderende toezichthouder dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van herstelmaatregelen met betrekking tot de EER-moederonderneming. Het gezamenlijk besluit wordt gemotiveerd en door de consoliderende toezichthouder ter kennis gebracht van de EER-moederonderneming;
  2° de toezichthouder kan de EBA verzoeken om overeenkomstig artikel 31 van Verordening nr. 1093/2010 assistentie te verlenen bij het bereiken van overeenstemming;
  3° indien binnen vijf dagen geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de toezichthouder met betrekking tot de Belgische kredietinstellingen van de groep individuele besluiten nemen over de toepassing van artikel 234, 235 of 236.]1

  
Art. 438/15. [1 Si l'autorité de contrôle envisage, pour un établissement de crédit belge faisant partie d'un groupe, d'appliquer une ou plusieurs mesures prévues à l'article 234, 235 ou 236, et si les autorités compétentes étrangères envisagent elles aussi, pour un ou plusieurs autres établissements de crédit étrangers au sein du même groupe, d'appliquer une ou plusieurs mesures visées à l'article 27 ou 29 de la directive 2014/59/UE, ce qui suit est d'application :
  1° l'autorité de contrôle vérifié avec les autorités compétentes étrangères s'il n'est pas plus approprié de nommer un commissaire spécial pour toutes les entités du groupe concernées, plutôt que de coordonner l'application des mesures de redressement à plusieurs établissements de crédit, afin de faciliter la mise en oeuvre de solutions permettant de rétablir la position financière des établissements de crédit concernés. L'évaluation prend la forme d'une décision commune de l'autorité de surveillance sur base consolidée et des autres autorités compétentes, qui est prise dans les cinq jours à compter de la date de la notification par l'autorité de surveillance sur base consolidée que les conditions d'imposition de mesures de redressement concernant l'entreprise mère dans l'EEE sont remplies. La décision commune est motivée et communiquée à l'entreprise mère dans l'EEE par l'autorité de surveillance sur base consolidée;
  2° l'autorité de contrôle peut demander à l'ABE d'aider à parvenir à un accord, conformément à l'article 31 du règlement (UE) n° 1093/2010;
  3° en l'absence de décision commune dans un délai de cinq jours, l'autorité de contrôle peut, concernant les établissements de crédit belges de ce groupe, prendre sa propre décision sur l'application de l'article 234, 235 ou 236.]1

  
Art. 438/17. [1 § 1. Elk besluit van de toezichthouder genomen op grond van dit hoofdstuk wordt gemotiveerd, rekening houdend met de standpunten en voorbehouden die de andere bevoegde autoriteiten kenbaar hebben gemaakt alsook met het potentiële effect van het besluit op de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten. De toezichthouder brengt deze besluiten, al naar het geval, ter kennis van de Belgische EER-moederonderneming dan wel van de betrokken Belgische dochterondernemingen.
  § 2. Indien een buitenlandse betrokken bevoegde autoriteit een zaak overeenkomstig artikel 30, lid 7, tweede alinea van Richtlijn 2014/59/EU heeft voorgelegd aan de EBA, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij het besluit af dat de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3 van Verordening nr. 1093/2010 kan nemen. De toezichthouder neemt een besluit, in voorkomend geval samen met de andere bevoegde autoriteiten, in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de periode van vijf dagen zoals bedoeld in artikel 438/15 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet binnen drie dagen een besluit heeft genomen, zijn de overeenkomstig artikel 438/13, artikel 438/14 of artikel 438/15, 3° genomen individuele besluiten van toepassing]1

  
Art. 438/16. [1 Lorsque l'autorité de contrôle n'est pas d'accord avec une décision de prendre des mesures de redressement qui lui est notifiée par une autorité compétente étrangère conformément à l'article 30, paragraphe 1 ou paragraphe 3 de la directive 2014/59/UE, ou en l'absence de décision commune conformément à l'article 438/15, l'autorité de contrôle peut saisir l'ABE conformément à l'article 30, paragraphe 6, de la directive 2014/59/UE.]1
  
Art. 438/17. [1 § 1. Elk besluit van de toezichthouder genomen op grond van dit hoofdstuk wordt gemotiveerd, rekening houdend met de standpunten en voorbehouden die de andere bevoegde autoriteiten kenbaar hebben gemaakt alsook met het potentiële effect van het besluit op de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten. De toezichthouder brengt deze besluiten, al naar het geval, ter kennis van de Belgische EER-moederonderneming dan wel van de betrokken Belgische dochterondernemingen.
  § 2. Indien een buitenlandse betrokken bevoegde autoriteit een zaak overeenkomstig artikel 30, lid 7, tweede alinea van Richtlijn 2014/59/EU heeft voorgelegd aan de EBA, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij het besluit af dat de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3 van Verordening nr. 1093/2010 kan nemen. De toezichthouder neemt een besluit, in voorkomend geval samen met de andere bevoegde autoriteiten, in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de periode van vijf dagen zoals bedoeld in artikel 438/15 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet binnen drie dagen een besluit heeft genomen, zijn de overeenkomstig artikel 438/13, artikel 438/14 of artikel 438/15, 3° genomen individuele besluiten van toepassing]1

  
Art. 438/17. [1 § 1er. Chaque décision de l'autorité de contrôle prise en vertu du présent chapitre est motivée, en tenant compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités compétentes ainsi que des effets potentiels de la décision sur la stabilité financière dans les Etats membres concernés. L'autorité de contrôle communique ces décisions, selon les cas, à l'entreprise mère belge dans l'EEE ou aux filiales belges concernées.
  § 2. Si une autorité compétente étrangère concernée a saisi l'ABE d'une question conformément à l'article 30, paragraphe 7, deuxième alinéa, de la directive 2014/59/UE, l'autorité de contrôle diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE conformément à l'article 19, paragraphe 3, du règlement n° 1093/2010. L'autorité de contrôle prend une décision, le cas échéant en concertation avec les autres autorités compétentes, conformément à la décision de l'ABE. L'ABE ne peut plus être saisie après l'expiration du délai de cinq jours visé à l'article 438/15 ou l'adoption d'une décision commune. En l'absence de décision de l'ABE dans un délai de trois jours, les décisions individuelles prises conformément à l'article 438/13, à l'article 438/14 ou à l'article 438/15, 3°, s'appliquent.]1

  
HOOFDSTUK I. [1 - Opmaak van groepsafwikkelingsplannen]1
TITRE IV. [1 - Plans de résolution de groupe]1
Afdeling I. [1 - Afwikkelingsplannen van Belgische groepen]1
CHAPITRE Ier. [1 - Etablissement des plans de résolution de groupe]1
Art.439.[1 § 1. [2 In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit samen met de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en in voorkomend geval na raadpleging van de afwikkelingsautoriteiten van significante bijkantoren, een groepsafwikkelingsplan op voor de afwikkeling van iedere Belgische groep.]2
Section Ire. [1 - Plans de résolution des groupes belges]1
Art.440. [1 § 1. [4 Het groepsafwikkelingsplan bepaalt de afwikkelingsmaatregelen die verondersteld worden van toepassing te zijn op af te wikkelen entiteiten indien de voorwaarden bepaald in artikel 244 of 454 zijn vervuld, evenals de gevolgen daarvan voor de andere entiteiten van de groep als bedoeld in artikel 424, 2°, tot 4°, voor de moederonderneming en voor dochterkredietinstellingen.]4
   Het groepsafwikkelingsplan is er in het bijzonder op gericht om de continuïteit van de kritieke functies van de betrokken entiteiten te waarborgen, te vermijden dat de stabiliteit van het Belgische en internationale financiële stelsel wordt aangetast en de gewaarborgde deposito's te beschermen.
   § 2. In het groepsafwikkelingsplan wordt rekening gehouden met verschillende scenario's, waaronder de mogelijkheid dat het in gebreke blijven idiosyncratisch is dan wel zich voordoet in een context van algemene financiële [3 instabiliteit]3 of systeembrede gebeurtenissen.
   § 3. Het groepsafwikkelingsplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun, [2 onverminderd de interventies van een financieringsregeling zoals bedoeld in artikel 100 van Richtlijn 2014/59/EU,]2 en evenmin met enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden.
   Het plan bevat niettemin een analyse van hoe en wanneer een groepsentiteit een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken, en geeft aan welke activa daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen.]1

  
Art.439. [1 § 1er. [2 L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, conjointement avec les autorités de résolution des filiales et le cas échéant après consultation des autorités de résolution des succursales d'importance significative, élabore un plan de résolution de groupe prévoyant la résolution de chaque groupe belge.]2
   Le plan de résolution de groupe détermine les mesures en vue de la résolution :
   1° de l'entreprise mère belge dans l'EEE;
   2° des filiales qui font partie du groupe et sont implantées dans l'EEE;
   3° des entités visées à l'article 424, 2° et 3°, et qui font partie du groupe;
   4° sans préjudice du chapitre VI, des filiales qui font partie du groupe et relèvent du droit d'un pays tiers.
  [2 Le plan de résolution de groupe détermine pour chaque groupe les entités de résolution et les groupes de résolution.]2
   § 2. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, peut exiger des entités du groupe qu'elles l'assistent dans l'élaboration et la mise à jour du plan de résolution de groupe et qu'elles fournissent toutes les informations nécessaires à cet effet.
   L'autorité de résolution peut notamment exiger des entités du groupe qu'elles tiennent des registres détaillés des contrats financiers auxquels elles sont partie. Si une partie ou l'ensemble de ces informations est déjà disponible auprès d'une autre autorité compétente, cette autorité communique ces informations à l'autorité de résolution.
   § 3. L'autorité de résolution communique à l'entreprise mère belge dans l'EEE un résumé des éléments-clés du plan de résolution de groupe.]1

  
Art.441. [1 § 1. [2 Het groepsafwikkelingsplan:
   1° beschrijft, indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, de te nemen afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten van elke af te wikkelen groep en de gevolgen van die maatregelen voor zowel andere entiteiten van de groep die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, als voor andere af te wikkelen groepen;
   2° onderzoekt in welke mate de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden op gecoördineerde wijze op in de EER gevestigde af te wikkelen entiteiten kunnen worden toegepast en uitgeoefend, en bevat maatregelen die de aankoop door een derde van de groep als geheel of van afzonderlijke bedrijfsonderdelen of -activiteiten van een aantal of van bepaalde groepsentiteiten of af te wikkelen groepen faciliteren, en signaleert potentiële belemmeringen voor een gecoördineerde afwikkeling;
   3° stelt, ingeval de groep entiteiten omvat die in derde landen zijn gevestigd, passende regelingen vast voor de samenwerking en coördinatie met de betrokken autoriteiten van die derde landen en de gevolgen voor afwikkeling binnen de EER;
   4° geeft aan welke maatregelen, waaronder de juridische en economische afsplitsing van bepaalde functies of bedrijfsonderdelen, nodig zijn om de afwikkeling van de groep te vergemakkelijken wanneer aan de voorwaarden voor groepsafwikkeling wordt voldaan;
   5° stelt eventuele niet in deze wet beschreven aanvullende maatregelen vast die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, voornemens is te nemen ten aanzien van de entiteiten binnen elke af te wikkelen groep;
   6° geeft aan hoe de groepsafwikkelingsmaatregelen kunnen worden gefinancierd en zet indien de financieringsregeling nodig is, de beginselen uiteen voor de verdeling van de verantwoordelijkheid voor deze financiering over de financieringsbronnen in de verschillende lidstaten. Deze beginselen worden vastgesteld op basis van billijke en evenwichtige criteria en houden met name rekening met het effect op de financiële stabiliteit in alle betrokken lidstaten.]2

   § 2. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning het volgende nader bepalen :
   1° de minimuminhoud van het groepsafwikkelingsplan; en
   2° de informatie die door de groepsentiteiten aan de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.]1

  
Art.440. [1 § 1er. [3 Le plan de résolution de groupe définit les mesures de résolution qu'il est prévu d'appliquer aux entités de résolution lorsque les conditions prévues à l'article 244 ou 454 sont remplies et les incidences de celles-ci sur les autres entités du groupe visées à l'article 424, 2° à 4°, pour l'entreprise mère et pour les établissements de crédit filiales.]3
   En particulier, le plan de résolution de groupe vise à assurer la continuité des fonctions critiques des entités concernées, d'éviter de porter atteinte à la stabilité des systèmes financiers belge et international et de protéger les dépôts assurés.
   § 2. Le plan de résolution de groupe envisage différents scénarios, y compris une défaillance individuelle et circonscrite ou survenant dans un contexte d'instabilité financière générale ou d'événement systémique.
   § 3. Le plan de résolution de groupe n'envisage aucun soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, [2 sans préjudice des interventions d'un dispositif de financement visé à l'article 100 de la directive 2014/59/UE,]2 ni aucun soutien exceptionnel à la liquidité des banques centrales ou recours à d'autres facilités de liquidité des banques centrales à des conditions spéciales en matière de sûretés, de durée ou d'intérêt.
   Le plan comporte toutefois une analyse indiquant comment et à quel moment une entité du groupe pourrait recourir aux facilités des banques centrales et répertorie les actifs qui pourraient être éligibles comme sûreté à cet effet.]1

  
Art. 441. [1 § 1. [2 Het groepsafwikkelingsplan:
   1° beschrijft, indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, de te nemen afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten van elke af te wikkelen groep en de gevolgen van die maatregelen voor zowel andere entiteiten van de groep die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, als voor andere af te wikkelen groepen;
   2° onderzoekt in welke mate de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden op gecoördineerde wijze op in de EER gevestigde af te wikkelen entiteiten kunnen worden toegepast en uitgeoefend, en bevat maatregelen die de aankoop door een derde van de groep als geheel of van afzonderlijke bedrijfsonderdelen of -activiteiten van een aantal of van bepaalde groepsentiteiten of af te wikkelen groepen faciliteren, en signaleert potentiële belemmeringen voor een gecoördineerde afwikkeling;
   3° stelt, ingeval de groep entiteiten omvat die in derde landen zijn gevestigd, passende regelingen vast voor de samenwerking en coördinatie met de betrokken autoriteiten van die derde landen en de gevolgen voor afwikkeling binnen de EER;
   4° geeft aan welke maatregelen, waaronder de juridische en economische afsplitsing van bepaalde functies of bedrijfsonderdelen, nodig zijn om de afwikkeling van de groep te vergemakkelijken wanneer aan de voorwaarden voor groepsafwikkeling wordt voldaan;
   5° stelt eventuele niet in deze wet beschreven aanvullende maatregelen vast die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, voornemens is te nemen ten aanzien van de entiteiten binnen elke af te wikkelen groep;
   6° geeft aan hoe de groepsafwikkelingsmaatregelen kunnen worden gefinancierd en zet indien de financieringsregeling nodig is, de beginselen uiteen voor de verdeling van de verantwoordelijkheid voor deze financiering over de financieringsbronnen in de verschillende lidstaten. Deze beginselen worden vastgesteld op basis van billijke en evenwichtige criteria en houden met name rekening met het effect op de financiële stabiliteit in alle betrokken lidstaten.]2

   § 2. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning het volgende nader bepalen :
   1° de minimuminhoud van het groepsafwikkelingsplan; en
   2° de informatie die door de groepsentiteiten aan de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.]1

  
Art.441. [1 § 1er. [2 Le plan de résolution de groupe :
   1° définit, lorsqu'un groupe comprend plus d'un groupe de résolution, les mesures de résolution prévues à l'égard des entités de résolution de chaque groupe de résolution et les incidences de ces mesures à la fois sur les autres entités du groupe appartenant au même groupe de résolution et sur les autres groupes de résolution ;
   2° apprécie dans quelle mesure les instruments et les pouvoirs de résolution pourraient être appliqués et exercés de manière coordonnée à l'égard des entités de résolution établies dans l'EEE, y compris les mesures visant à faciliter l'acquisition par un tiers de l'ensemble du groupe, d'activités séparées exercées par plusieurs entités du groupe, ou de certaines entités du groupe ou certains groupes de résolution, et recenser les obstacles potentiels à une résolution coordonnée ;
   3° si un groupe comprend des entités importantes constituées dans des pays tiers, répertorie les dispositifs appropriés de coopération et de coordination avec les autorités compétentes de ces pays tiers et les implications pour la résolution au sein de l'EEE ;
   4° indique les mesures, y compris la séparation juridique et économique de fonctions ou d'activités particulières, qui sont nécessaires pour faciliter la résolution de groupe, lorsque les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution sont remplies ;
   5° définit les mesures supplémentaires, non décrites dans la présente loi, que l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, envisage d'appliquer aux entités de chaque groupe de résolution ;
   6° indique comment pourraient être financées les mesures de résolution de groupe et, au cas où le dispositif de financement serait nécessaire, définit des principes de partage de la responsabilité de ce financement entre les sources de financement des différents Etats membres. Ces principes se fondent sur des critères justes et équilibrés et tiennent compte en particulier de l'impact sur la stabilité financière dans tous les Etats membres concernés.]2

   § 2. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut préciser :
   1° le contenu minimal du plan de résolution de groupe; et
   2° les informations à transmettre par les entités du groupe à l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, et la fréquence à laquelle celles-ci lui sont transmises.]1

  
Art.443. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit kan de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1, vrijstellen van de verplichtingen van deze Titel.
   § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit een vrijstelling verleent met toepassing van paragraaf 1, past zij de in deze Titel bepaalde vereisten toe op basis van de algemene situatie van de centrale instelling en de bij deze instelling aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 239.
   § 3. De Belgische kredietinstellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan of waarvan de werkzaamheden een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uitmaken, kunnen niet worden vrijgesteld uit hoofde van paragraaf 1. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de werkzaamheden van een instelling geacht een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uit te maken indien voldaan is aan een van de volgende voorwaarden :
   1° de totale waarde van haar activa is groter dan 30.000.000.000 EUR; of
   2° de verhouding tussen haar totale activa en het bruto binnenlands product is groter dan 20%.
   § 4. De afwikkelingsautoriteit kan afwijken van de verplichtingen krachtens dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het groepsafwikkelingsplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de Belgische EER-moederonderneming of de groepsentiteiten, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van deze entiteiten in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financierings-voorwaarden en op de economie in het algemeen.
   Hierbij houdt de afwikkelingsautoriteit in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de betrokken entiteiten, hun aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten.]1

  [2 § 5. De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.]2
  
Art.442. [1 L'autorité de résolution actualise le plan de résolution de groupe au moins une fois par an et en toute hypothèse après chaque modification de la structure juridique ou organisationnelle, des activités ou de la situation financière du groupe, y compris de toute entité du groupe, susceptible d'avoir un impact significatif sur le plan ou qui impose de le modifier.
  [2 L'actualisation visée à l'alinéa 1er est également effectuée après la mise en oeuvre d'une mesure de résolution ou l'exercice du pouvoir de dépréciation ou conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visé aux articles 250 ou 457.]2
   L'autorité de résolution communique les modifications apportées au plan de résolution aux autorités compétentes concernées.]1

  
Art. 443. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit kan de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1, vrijstellen van de verplichtingen van deze Titel.
   § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit een vrijstelling verleent met toepassing van paragraaf 1, past zij de in deze Titel bepaalde vereisten toe op basis van de algemene situatie van de centrale instelling en de bij deze instelling aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 239.
   § 3. De Belgische kredietinstellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan of waarvan de werkzaamheden een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uitmaken, kunnen niet worden vrijgesteld uit hoofde van paragraaf 1. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de werkzaamheden van een instelling geacht een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uit te maken indien voldaan is aan een van de volgende voorwaarden :
   1° de totale waarde van haar activa is groter dan 30.000.000.000 EUR; of
   2° de verhouding tussen haar totale activa en het bruto binnenlands product is groter dan 20%.
   § 4. De afwikkelingsautoriteit kan afwijken van de verplichtingen krachtens dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het groepsafwikkelingsplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de Belgische EER-moederonderneming of de groepsentiteiten, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van deze entiteiten in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financierings-voorwaarden en op de economie in het algemeen.
   Hierbij houdt de afwikkelingsautoriteit in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de betrokken entiteiten, hun aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten.]1

  [2 § 5. De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.]2
  
Art.443. [1 § 1er. L'autorité de résolution peut exempter les établissements de crédit visés à l'article 239, § 1er, des obligations du présent titre.
   § 2. Lorsque l'autorité de résolution accorde une exemption en application du § 1er, elle applique les exigences prévues dans le présent titre sur la base de la situation générale de l'organisme central et des établissements de crédit qui y sont affiliés tels que visés à l'article 239.
   § 3. Les établissements de crédit belges soumis à la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphes 4 et 5, point b), du règlement MSU ou dont les activités constituent une part importante du système financier belge ne peuvent être exemptés en vertu du paragraphe 1er. Aux fins du présent paragraphe, les activités d'un établissement sont réputées constituer une part importante du système financier belge si l'une des conditions suivantes est remplie :
   1° la valeur totale de ses actifs dépasse 30.000.000.000 euros; ou
   2° le ratio entre ses actifs totaux et le produit intérieur brut est supérieur à 20 %.
   § 4. L'autorité de résolution peut déroger aux obligations en vertu du présent chapitre en matière de contenu du plan de résolution de groupe, de fréquence d'actualisation du plan ou d'informations à fournir par l'entreprise mère belge dans l'EEE ou les entités d'un groupe, dans la mesure où une telle dérogation se justifie au regard de l'impact que la défaillance et la liquidation de ces entités dans le cadre d'une procédure de liquidation sont susceptibles d'avoir sur les marchés financiers, sur d'autres établissements de crédit, sur les conditions de financement et, plus généralement, sur l'économie.
   A cet effet, l'autorité de résolution tient notamment compte de la nature des activités des entités concernées, de la structure de leur actionnariat, de leur forme juridique, de leur profil de risque, de leur taille et de leur statut juridique, de leur interdépendance avec d'autres établissements de crédit ou avec l'ensemble du système financier, du périmètre et de la complexité de leurs activités et de leur exercice éventuel de services ou d'activités d'investissement.]1

  [2 § 5. L'autorité de résolution informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions de cet article.]2
  
Art.445. [1 § 1. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit het groepsafwikkelingsplan op in een afwikkelingscollege samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten bedoeld in artikel 444, § 1 en na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de bevoegde autoriteiten in jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn indien dit voor deze bijkantoren relevant is.
   § 2. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het niet oneens zijn, een gezamenlijk besluit tot vaststelling van het groepsafwikkelingsplan te nemen binnen vier maanden vanaf de datum van de toezending van de in artikel 444, § 2 bedoelde informatie.
  [2 Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, wordt de in artikel 441, § 1, 1° bedoelde planning van de afwikkelingsmaatregelen opgenomen in een gezamenlijk besluit als bedoeld in het vorige lid.]2
   De afwikkelingsautoriteit kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
   § 3. Als de afwikkelingsautoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten niet binnen vier maanden tot een gezamenlijk besluit komen, neemt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, zelf een besluit over het groepsafwikkelingsplan.
   Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het oneens zijn.
   Indien een buitenlandse afwikkelingsautoriteit binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit.
   Zij neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. Het besluit wordt door de afwikkelingsautoriteit aan de Belgische EER-moederonderneming verstrekt en ter kennis gebracht van de andere leden van het afwikkelingscollege.
   Wat het afwikkelingsplan op individueel niveau betreft, formuleert de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, haar standpunten en voorbehouden alvorens de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het oneens zijn zelf een besluit nemen en een afwikkelingsplan opstellen voor de entiteiten in hun rechtsgebied.
   In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau kan de afwikkelingsautoriteit tot aan het einde van de in paragraaf 2 bedoelde termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA.
   § 4. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit het initiatief tot een herbeoordeling van het groepsafwikkelingsplan waartoe gezamenlijk besloten is, met inbegrip van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, wanneer een buitenlandse afwikkelingsautoriteit die het oneens is, oordeelt dat het onderwerp waarover onenigheid bestaat, afbreuk doet aan de budgettaire verantwoordelijkheden van haar lidstaat.
   § 5. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit geen gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 2, zolang de maatregelen om de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep weg te nemen niet zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 450.
   § 6. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, oordeelt dat een onderwerp waarover onenigheid bestaat, waarover een individueel besluit wordt genomen krachtens § 3, lid 4 en dat aan de EBA is voorgelegd, op een of andere wijze afbreuk kan doen aan de budgettaire verantwoordelijkheden van België, kan zij die bezorgdheid ter kennis brengen van de EBA en de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten.]1

  
Art.444. [1 § 1er. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, transmet les informations pertinentes qui lui ont été communiquées conformément à l'article 439, § 2 :
   1° à l'ABE;
   2° aux autorités de résolution étrangères des filiales;
   3° le cas échéant, aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative;
   4° aux autorités qui participent aux collèges d'autorités compétentes visés à l'article 178; et
   5° aux autorités de résolution étrangères des Etats membres dont relèvent les entités visées à l'article 424, § 1er, 2° et 3°.
   § 2. Les informations fournies par l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, aux autorités compétentes des filiales, aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative et aux autorités qui participent aux collèges d'autorités compétentes visés à l'article 178 contiennent au minimum toutes les informations pertinentes pour la filiale ou la succursale d'importance significative.
   Les informations communiquées à l'ABE comprennent toutes les informations pertinentes au regard du rôle de l'ABE pour ce qui est des plans de résolution de groupe.
   Dans le cas d'informations relatives à des filiales de pays tiers, l'autorité de résolution n'est pas tenue de les transmettre sans l'accord de l'autorité de surveillance ou de l'autorité de résolution du pays tiers en question.]1

  
Art. 445. [1 § 1. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit het groepsafwikkelingsplan op in een afwikkelingscollege samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten bedoeld in artikel 444, § 1 en na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de bevoegde autoriteiten in jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn indien dit voor deze bijkantoren relevant is.
   § 2. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het niet oneens zijn, een gezamenlijk besluit tot vaststelling van het groepsafwikkelingsplan te nemen binnen vier maanden vanaf de datum van de toezending van de in artikel 444, § 2 bedoelde informatie.
  [2 Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, wordt de in artikel 441, § 1, 1° bedoelde planning van de afwikkelingsmaatregelen opgenomen in een gezamenlijk besluit als bedoeld in het vorige lid.]2
   De afwikkelingsautoriteit kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
   § 3. Als de afwikkelingsautoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten niet binnen vier maanden tot een gezamenlijk besluit komen, neemt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, zelf een besluit over het groepsafwikkelingsplan.
   Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het oneens zijn.
   Indien een buitenlandse afwikkelingsautoriteit binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit.
   Zij neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. Het besluit wordt door de afwikkelingsautoriteit aan de Belgische EER-moederonderneming verstrekt en ter kennis gebracht van de andere leden van het afwikkelingscollege.
   Wat het afwikkelingsplan op individueel niveau betreft, formuleert de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, haar standpunten en voorbehouden alvorens de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het oneens zijn zelf een besluit nemen en een afwikkelingsplan opstellen voor de entiteiten in hun rechtsgebied.
   In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau kan de afwikkelingsautoriteit tot aan het einde van de in paragraaf 2 bedoelde termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA.
   § 4. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit het initiatief tot een herbeoordeling van het groepsafwikkelingsplan waartoe gezamenlijk besloten is, met inbegrip van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, wanneer een buitenlandse afwikkelingsautoriteit die het oneens is, oordeelt dat het onderwerp waarover onenigheid bestaat, afbreuk doet aan de budgettaire verantwoordelijkheden van haar lidstaat.
   § 5. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit geen gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 2, zolang de maatregelen om de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep weg te nemen niet zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 450.
   § 6. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, oordeelt dat een onderwerp waarover onenigheid bestaat, waarover een individueel besluit wordt genomen krachtens § 3, lid 4 en dat aan de EBA is voorgelegd, op een of andere wijze afbreuk kan doen aan de budgettaire verantwoordelijkheden van België, kan zij die bezorgdheid ter kennis brengen van de EBA en de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten.]1

  
Art.445. [1 § 1er. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, élabore le plan de résolution de groupe au sein d'un collège d'autorités de résolution conjointement avec les autorités de résolution étrangères visées à l'article 444, § 1er, et après consultation des autorités compétentes concernées, y compris, le cas échéant, des autorités compétentes dont relèvent des succursales d'importance significative.
   § 2. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, met tout en oeuvre pour prendre, en concertation avec les autorités de résolution étrangères qui ne sont pas en désaccord, une décision commune concernant l'élaboration du plan de résolution de groupe dans les quatre mois à compter de la date à laquelle les informations visées à l'article 444, § 2, ont été transmises.
  [2 Lorsqu'un groupe comprend plus d'un groupe de résolution, la planification des mesures de résolution visées à l'article 441, § 1er, 1° est comprise dans la décision commune visée à l'alinéa précédent.]2
   L'autorité de résolution peut, en vertu de l'article 31, point c), du règlement n° 1093/2010, demander à l'ABE de l'aider à parvenir à une décision commune.
   § 3. En l'absence de décision commune entre l'autorité de résolution et les autorités de résolution étrangères dans un délai de quatre mois, l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, prend elle-même une décision concernant le plan de résolution de groupe.
   Cette décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autorités de résolution étrangères en désaccord.
   Si, dans le délai visé au paragraphe 2, une autorité de résolution étrangère a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010, l'autorité de résolution diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE.
   Elle prend sa décision conformément à la décision de l'ABE. L'autorité de résolution communique la décision à l'entreprise mère belge dans l'EEE et en informe les autres membres du collège d'autorités de résolution.
   En ce qui concerne le plan de résolution au niveau individuel, l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, formule ses avis et réserves avant que les autorités de résolution étrangères en désaccord ne prennent elles-mêmes une décision et n'élaborent un plan de résolution pour les entités relevant de leur juridiction.
   En sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, l'autorité de résolution peut saisir l'ABE conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010 jusqu'au terme du délai visé au paragraphe 2 et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise.
   § 4. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, lance un réexamen du plan de résolution de groupe décidé de commun accord, y compris pour la détermination de l'exigence minimale de fonds propres et d'engagements éligibles, lorsqu'une autorité de résolution étrangère en désaccord estime que la question faisant l'objet du désaccord empiète sur les compétences budgétaires de son Etat membre.
   § 5. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, ne prend pas de décision commune telle que visée au paragraphe 2 aussi longtemps que les mesures nécessaires pour supprimer les obstacles importants à la résolvabilité du groupe n'ont pas été fixées conformément à l'article 450.
   § 6. Si l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, estime qu'une question faisant l'objet d'un désaccord et d'une décision commune conformément au paragraphe 3, alinéa 4, et dont l'ABE a été saisie peut, d'une manière ou d'une autre, empiéter sur les compétences budgétaires de la Belgique, elle peut faire part de ses préoccupations à l'ABE et aux autorités de résolution étrangères concernées.]1

  
Art.446.[1 § 1. In haar hoedanigheid van autoriteit die bevoegd is voor de afwikkeling van groepsentiteiten naar Belgisch recht die dochterondernemingen zijn van een EER-moederonderneming, stelt de afwikkelingsautoriteit alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau tot een gezamenlijk besluit te komen over de vaststelling van een groepsafwikkelingsplan voor de betrokken groepsentiteiten, en dit binnen vier maanden vanaf de datum waarop de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de informatie bedoeld in artikel 13, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU heeft toegezonden.
Section II. [1 - Plans de résolution des groupes étrangers]1
Art. 446. [1 § 1. In haar hoedanigheid van autoriteit die bevoegd is voor de afwikkeling van groepsentiteiten naar Belgisch recht die dochterondernemingen zijn van een EER-moederonderneming, stelt de afwikkelingsautoriteit alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau tot een gezamenlijk besluit te komen over de vaststelling van een groepsafwikkelingsplan voor de betrokken groepsentiteiten, en dit binnen vier maanden vanaf de datum waarop de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de informatie bedoeld in artikel 13, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU heeft toegezonden.
  [2 Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, wordt de in artikel 441, § 1, 1°, bedoelde planning van de afwikkelingsmaatregelen opgenomen in een gezamenlijk besluit als bedoeld in het vorige lid.]2
   Bij verschil van mening kan de afwikkelingsautoriteit de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verzoeken om de EBA te raadplegen.
   § 2. [2 Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, neemt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, zelf een besluit en wijst zij in voorkomend geval de af te wikkelen entiteit aan en stelt zij een afwikkelingsplan op voor de af te wikkelen groep die bestaat uit entiteiten in haar rechtsgebied.]2
   Het besluit wordt volledig gemotiveerd, bevat de redenen waarom de afwikkelingsautoriteit het niet eens is met het voorgestelde groepsafwikkelingsplan en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere bevoegde autoriteiten en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten.
   Indien een andere afwikkelingsautoriteit binnen de in de paragraaf 1 bedoelde termijn de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit.
   Zij neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De afwikkelingsautoriteit brengt haar besluit ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
   In haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, maakt de afwikkelingsautoriteit aan de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau haar standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau overweegt te nemen over het groepsafwikkelingsplan.
   De afwikkelingsautoriteit kan tot aan het einde van de in paragraaf 1 bedoelde termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA.
   In haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, maakt de afwikkelingsautoriteit aan de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die een individueel besluit over een afwikkelingsplan zullen nemen, haar standpunten en voorbehouden over betreffende dat besluit.
   De afwikkelingsautoriteit kan tot aan het einde van de in paragraaf 1 bedoelde termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA.
   § 3. Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, oordeelt dat een onderwerp waarover onenigheid bestaat en waarover een gezamenlijk besluit wordt genomen, afbreuk doet aan de budgettaire verantwoordelijkheden van België, kan zij die bezorgdheid ter kennis brengen van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en verzoeken om een herbeoordeling van het groepsafwikkelingsplan.
   § 4. Indien de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat een onderwerp waarover onenigheid bestaat, waarover een individueel besluit wordt genomen en dat aan de EBA is voorgelegd, op een of andere wijze afbreuk kan doen aan de budgettaire verantwoordelijkheden van België, kan zij die bezorgdheid ter kennis brengen van de EBA en de betrokken buitenlandse andere afwikkelingsautoriteiten.]1

  
Art.446. [1 § 1er. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité compétente pour la résolution d'entités de droit belge d'un groupe qui sont des filiales d'une entreprise mère dans l'EEE, met tout en oeuvre, conjointement avec l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe, pour parvenir à une décision commune d'établissement d'un plan de résolution de groupe pour les entités d'un groupe concernées, et ce dans les quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe a communiqué les informations visées à l'article 13, paragraphe 1er, de la directive n° 2014/59/UE.
  [2 Lorsqu'un groupe comprend plus d'un groupe de résolution, la planification des mesures de résolution visées à l'article 441, § 1er, 1°, est comprise dans la décision commune visée à l'alinéa précédent.]2
   En cas de désaccord, l'autorité de résolution peut demander à l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe de consulter l'ABE.
   § 2. [2 En l'absence de décision commune telle que visée au paragraphe 1er, l'autorité de résolution, en sa qualité visée au paragraphe 1er, arrête elle-même une décision et, le cas échéant, désigne l'entité de résolution et élabore un plan de résolution pour le groupe de résolution composé des entités qui relèvent de sa juridiction.]2
   La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent ainsi que les raisons du désaccord de l'autorité de résolution avec le plan de résolution de groupe proposé, et tient compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités compétentes et les autorités de résolution étrangères.
   Si, dans le délai visé au paragraphe 1er, une autre autorité de résolution a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010, l'autorité de résolution diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE.
   L'autorité de résolution prend sa décision conformément à la décision de l'ABE. Elle en informe les autres membres du collège d'autorités de résolution.
   L'autorité de résolution, en sa qualité visée au paragraphe 1er, transmet à l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe ses avis et réserves concernant la décision que l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe envisage de prendre quant au plan de résolution de groupe.
   L'autorité de résolution peut saisir l'ABE conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010 jusqu'au terme du délai visé au paragraphe 1er et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise.
   En sa qualité visée au paragraphe 1er, l'autorité de résolution transmet ses avis et réserves concernant cette décision aux autorités de résolution étrangères qui prendront une décision individuelle concernant un plan de résolution.
   L'autorité de résolution peut saisir l'ABE conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010 jusqu'au terme du délai visé au paragraphe 1er et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise.
   § 3. Lorsque l'autorité de résolution, en sa qualité visée au paragraphe 1er, estime qu'une question faisant l'objet d'un désaccord et d'une décision commune empiète sur les compétences budgétaires de la Belgique, elle peut faire part de ses préoccupations à l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe et demander un réexamen du plan de résolution de groupe.
   § 4. Si l'autorité de résolution estime qu'une question faisant l'objet d'un désaccord et d'une décision individuelle et dont l'ABE a été saisie, peut, d'une manière ou d'une autre, empiéter sur les compétences budgétaires de la Belgique, elle peut faire part de ses préoccupations à l'ABE et aux autres autorités de résolution étrangères concernées.]1

  
Art. 447. [1 De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in de artikelen 445 en 446 :
   1° worden door de afwikkelingsautoriteit erkend als definitief en in voorkomend geval toegepast binnen België;
   2° worden jaarlijks geactualiseerd.]1

  
Art.447. [1 Les décisions communes et les décisions prises en l'absence d'une décision commune, telles que visées aux articles 445 et 446 :
   1° sont reconnues comme définitives par l'autorité de résolution et, le cas échéant, appliqués en Belgique;
   2° sont mises à jour tous les ans.]1

  
Afdeling I. [1 - Beoordeling van de afwikkelbaarheid van groepen]1
CHAPITRE II. [1 - Evaluation des plans de résolution de groupe]1
Art.448.[1 § 1. Bij de opstelling en actualisering van het groepsafwikkelingsplan volgens de besluitvormingsprocedure als bedoeld in artikel 445, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van dochterondernemingen, na raadpleging van de consoliderende toezichthouder, de bevoegde autoriteiten voor de dochterondernemingen en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, in welke mate Belgische groepen afwikkelbaar zijn.
Section Ire. [1 - Evaluation de la résolvabilité des groupes]1
Art. 448. [1 § 1. Bij de opstelling en actualisering van het groepsafwikkelingsplan volgens de besluitvormingsprocedure als bedoeld in artikel 445, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van dochterondernemingen, na raadpleging van de consoliderende toezichthouder, de bevoegde autoriteiten voor de dochterondernemingen en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, in welke mate Belgische groepen afwikkelbaar zijn.
   § 2. Bij de opstelling en actualisering van het groepsafwikkelingsplan volgens de besluitvormingsprocedure als bedoeld in artikel 446, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van autoriteit die bevoegd is voor de afwikkeling van groepsentiteiten naar Belgisch recht die dochterondernemingen zijn van een EER-moederonderneming, samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de andere bevoegde autoriteiten in welke mate deze groep afwikkelbaar is.
   § 3. De beoordeling bedoeld in de paragrafen 1 en 2 wordt uitgevoerd in een afwikkelingscollege.
   § 4. [3 Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2, wordt een groep geacht afwikkelbaar te zijn indien de afwikkelingsautoriteiten op geloofwaardige wijze hetzij de groepsentiteiten in vereffening kunnen stellen volgens een liquidatieprocedure, hetzij die groep kunnen afwikkelen door toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten van die groep, waarbij in de mate van het mogelijke significante nadelige gevolgen voor de financiële stelsels van België of andere lidstaten worden vermeden, mede in geval van algemene financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen, en met als doelstelling om de continuïteit van de kritieke functies van de groepsentiteiten te waarborgen.
   Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit de afwikkelbaarheid van elke af te wikkelen groep overeenkomstig het vorige lid. Deze beoordeling wordt uitgevoerd in aanvulling op de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de hele groep en wordt verricht in het kader van de besluitvormingsprocedure bedoeld in artikel 446.]3

   § 5. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning de elementen nader bepalen die de afwikkelingsautoriteiten dienen te onderzoeken om de afwikkelbaarheid van een groep overeenkomstig dit artikel te beoordelen.
   § 6. Bij de beoordeling van de afwikkelbaarheid van een groep gaan de afwikkelingsautoriteiten niet uit van enige uitzonderlijke overheidssteun, [2 onverminderd de interventies van een financieringsregeling zoals bedoeld in artikel 100 van Richtlijn 2014/59/EU,]2 noch van enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden.
   § 7. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit de EBA tijdig in kennis wanneer een groep niet afwikkelbaar wordt geacht.]1

  
Art.448. [1 § 1er. Lors de l'élaboration et de l'actualisation du plan de résolution de groupe conformément à la procédure de décision visée à l'article 445, l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, évalue, conjointement avec les autorités de résolution étrangères des filiales et après consultation de l'autorité de surveillance sur base consolidée, des autorités compétentes pour les filiales et des autorités de résolution étrangères dont relèvent les succursales d'importance significative, dans quelle mesure les groupes belges sont résolvables.
   § 2. Lors de l'élaboration et de l'actualisation du plan de résolution de groupe conformément à la procédure de décision visée à l'article 446, l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité compétente pour la résolution des entités d'un groupe de droit belge qui sont des filiales d'une entreprise mère dans l'EEE, évalue, conjointement avec l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe et les autres autorités compétentes, dans quelle mesure ce groupe est résolvable.
   § 3. L'évaluation visée aux paragraphes 1er et 2 est effectuée au sein d'un collège d'autorités de résolution.
   § 4. [3 Pour l'application des paragraphes 1er et 2, la résolution de la défaillance d'un groupe est réputée possible si, de manière crédible, ses entités peuvent être liquidées selon une procédure de liquidation ou si les autorités de résolution peuvent procéder à la résolution de la défaillance de ce groupe, en appliquant un ou plusieurs instrument(s) et pouvoir(s) de résolution aux entités de résolution de ce groupe, tout en évitant dans la mesure du possible tout effet négatif significatif sur le système financier de la Belgique ou d'autres Etats membres, y compris en cas d'instabilité financière générale ou d'événement systémique, et en ayant pour objectif d'assurer la continuité des fonctions critiques des entités du groupe.
   Lorsqu'un groupe se compose de plusieurs groupes de résolution, l'autorité de résolution évalue la résolvabilité de chacun de ces groupes de résolution conformément à l'alinéa précédent. Cette évaluation est effectuée en sus de l'évaluation de la résolvabilité de l'ensemble du groupe et dans le cadre de la procédure de décision visée à l'article 446.]3

   § 5. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut préciser les éléments que les autorités de résolution doivent examiner pour évaluer la résolvabilité d'un groupe conformément au présent article.
   § 6. Dans cette évaluation, les autorités de résolution écartent l'hypothèse d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics [2 , sans préjudice des interventions d'un dispositif de financement visé à l'article 100 de la directive 2014/59/UE,]2 ainsi que celle d'un soutien exceptionnel à la liquidité des banques centrales ou d'un recours à d'autres facilités de liquidité des banques centrales à des conditions spéciales en matière de sûretés, de durée ou d'intérêt.
   § 7. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, notifie l'ABE en temps utile chaque fois que la résolution d'un groupe est réputée impossible.]1

  
Art.449.[1 Indien de afwikkelingsautoriteit, na beoordeling van de afwikkelbaarheid overeenkomstig artikel 448, § 1, vaststelt dat er belangrijke belemmeringen bestaan voor de afwikkelbaarheid van een entiteit bedoeld in artikel 424, brengt zij deze vaststelling schriftelijk ter kennis van de betrokken entiteit, de bevoegde autoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn.
Section II. [1 - Réduction ou suppression des obstacles à la résolvabilité des groupes belges]1
Art. 449/1. [1 De entiteit stelt, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig artikel 449 gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen en het tijdpad ter uitvoering ervan voor om te verzekeren dat de entiteit voldoet aan artikel 267/5/3 of 267/5/4 en aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, indien een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een van de volgende situaties:
   1° de entiteit voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten als bedoeld in artikel 98/1, maar zij voldoet niet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 267/3, § 2, 1° ; of
   2° de entiteit voldoet niet aan de in de artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten, noch aan de in de artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 bedoelde vereisten.
   In het tijdpad voor de uitvoering van de in het eerste lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering.
   De afwikkelingsautoriteit beoordeelt, na raadpleging van de toezichthouder, of de krachtens dit artikel voorgestelde maatregelen de desbetreffende wezenlijke belemmering daadwerkelijk aanpakken of wegnemen.]1

  
Art.449. [1 Si, à l'issue d'une évaluation de la résolvabilité effectuée conformément à l'article 448, § 1er, l'autorité de résolution constate qu'il existe d'importants obstacles à la résolvabilité d'une entité visée à l'article 424, elle notifie ce constat par écrit à l'entité concernée, à l'autorité compétente et aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative.
   Dans les quatre mois suivant la date à laquelle elle reçoit la notification visée à l'alinéa 1er, l'entité propose à l'autorité de résolution des mesures possibles visant à réduire ou à supprimer les obstacles constatés.]1

  
Art.450. [1 § 1. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over maatregelen die met betrekking tot alle af te wikkelen entiteiten en hun dochterondernemingen die entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 en die deel uitmaken van een Belgische groep, kunnen worden genomen met het oog op het opheffen of verminderen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep.
   De in het eerste lid genoemde afwikkelingsautoriteiten kunnen in het bijzonder, ten aanzien van de betrokken entiteiten en via gezamenlijk besluit, de maatregelen eisen zoals bedoeld in artikel 232, tweede lid.
   Het gezamenlijk besluit wordt genomen in het afwikkelingscollege, na raadpleging van het college van bevoegde autoriteiten en van de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar bijkantoren gevestigd zijn, voor zover een en ander relevant is voor het significante bijkantoor, en met inachtneming van de krachtens artikel 448 gemaakte beoordeling.
   § 2. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit in samenwerking met de consoliderende toezichthouder en met de EBA, en na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, een verslag op met minstens de volgende inhoud:
   1° een analyse van de belangrijke belemmeringen voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden met betrekking tot de groep en tot de af te wikkelen groepen indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat;
   2° de impact op het bedrijfsmodel van de groepsentiteiten;
   3° de maatregelen bedoeld in artikel 232, tweede lid die volgens de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau nodig of passend zijn om deze belemmeringen weg te nemen.
   Indien een belemmering voor de afwikkelbaarheid van de groep te wijten is aan een in artikel 449/1 bedoelde situatie van een entiteit van een groep, brengt de afwikkelingsautoriteit haar beoordeling van die belemmering ter kennis van de Belgische EER-moederonderneming na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit en de afwikkelingsautoriteiten van haar dochterondernemingen.
   De afwikkelingsautoriteit dient het verslag in bij de Belgische EER-moederonderneming, bij de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en bij de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn.
   § 3. Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in paragraaf 2 bedoelde kennisgeving, kan de Belgische EER-moederonderneming opmerkingen indienen en aan de afwikkelingsautoriteit alternatieve maatregelen voorstellen waarmee de in het verslag genoemde belemmeringen kunnen worden verminderd of opgeheven.
   Indien de in het verslag vastgestelde belemmeringen te wijten zijn aan een situatie bedoeld in artikel 449/1 waarin een entiteit van de groep zich bevindt, stelt de Belgische EER-moederonderneming, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau mogelijke maatregelen alsmede het tijdpad ter uitvoering ervan voor, teneinde te waarborgen dat de entiteit van de groep voldoet aan de vereisten als bedoeld in 267/5/3 of artikel 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 en, waar van toepassing, het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, alsmede aan de vereisten, bedoeld in artikel 267/5/3 en artikel 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013.
   In het tijdpad voor de uitvoering van de in het voorgaande lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering. Na raadpleging van de toezichthouder oordeelt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau of de wezenlijke belemmering met deze maatregelen daadwerkelijk wordt aangepakt of weggenomen.
   In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau deelt de afwikkelingsautoriteit de aldus voorgestelde maatregelen mee aan de toezichthouder, de EBA, de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, mits dit relevant is voor het significante bijkantoor.
   § 4. Binnen vier maanden na de indiening van de in paragraaf 3 bedoelde opmerkingen of voorstellen van de Belgische EER-moederonderneming, nemen de afwikkelingsautoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de significante bijkantoren, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, binnen het afwikkelingscollege een gezamenlijk besluit met betrekking tot:
   1° de vaststelling van de belangrijke belemmeringen;
   2° indien nodig, de beoordeling van de maatregelen die zijn voorgesteld door de Belgische EER-moederonderneming, en
   3° de door de autoriteiten geëiste maatregelen om de belemmeringen te verminderen of op te heffen, rekening houdend met de mogelijke gevolgen van de maatregelen in alle lidstaten waar de groep actief is.
   Het gezamenlijke besluit met betrekking tot de belemmering voor de afwikkelbaarheid als gevolg van een in artikel 449/1 bedoelde situatie wordt genomen binnen twee weken na de indiening van opmerkingen door de Belgische EER-moederonderneming overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid.
   De afwikkelingsautoriteit kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
   Het gezamenlijk besluit wordt gemotiveerd en door de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, verstrekt aan de Belgische EER-moederonderneming.]1

  
Art. 449/1. [1 L'entité propose à l'autorité de résolution, dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception d'une notification effectuée conformément à l'article 449, les mesures, ainsi que le calendrier pour leur mise en oeuvre, susceptibles d'être prises afin de garantir que l'entité respecte l'article 267/5/3 ou 267/5/4 et l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, lorsqu'un obstacle important à la résolvabilité est imputable à l'une ou l'autre des situations suivantes :
   1° l'entité satisfait à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 lorsque cette exigence est considérée en sus de chacune des exigences visées à l'article 98/1, mais ne satisfait pas à cette exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 lorsque celle-ci est considérée en sus des exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2, calculées conformément à l'article 267/3, § 2, 1° ; ou
   2° l'entité ne satisfait pas aux exigences visées aux articles 92bis et 494 du Règlement n° 575/2013 ou aux exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2.
   Le calendrier pour la mise en oeuvre des mesures proposées en vertu de l'alinéa 1er tient compte des raisons qui expliquent l'existence de l'obstacle important.
   L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue si les mesures proposées dans le cadre de cet article offrent une réponse effective à ou suppriment l'obstacle important en question.]1

  
Art. 450. [1 § 1. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over maatregelen die met betrekking tot alle af te wikkelen entiteiten en hun dochterondernemingen die entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 en die deel uitmaken van een Belgische groep, kunnen worden genomen met het oog op het opheffen of verminderen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep.
   De in het eerste lid genoemde afwikkelingsautoriteiten kunnen in het bijzonder, ten aanzien van de betrokken entiteiten en via gezamenlijk besluit, de maatregelen eisen zoals bedoeld in artikel 232, tweede lid.
   Het gezamenlijk besluit wordt genomen in het afwikkelingscollege, na raadpleging van het college van bevoegde autoriteiten en van de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar bijkantoren gevestigd zijn, voor zover een en ander relevant is voor het significante bijkantoor, en met inachtneming van de krachtens artikel 448 gemaakte beoordeling.
   § 2. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit in samenwerking met de consoliderende toezichthouder en met de EBA, en na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, een verslag op met minstens de volgende inhoud:
   1° een analyse van de belangrijke belemmeringen voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden met betrekking tot de groep en tot de af te wikkelen groepen indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat;
   2° de impact op het bedrijfsmodel van de groepsentiteiten;
   3° de maatregelen bedoeld in artikel 232, tweede lid die volgens de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau nodig of passend zijn om deze belemmeringen weg te nemen.
   Indien een belemmering voor de afwikkelbaarheid van de groep te wijten is aan een in artikel 449/1 bedoelde situatie van een entiteit van een groep, brengt de afwikkelingsautoriteit haar beoordeling van die belemmering ter kennis van de Belgische EER-moederonderneming na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit en de afwikkelingsautoriteiten van haar dochterondernemingen.
   De afwikkelingsautoriteit dient het verslag in bij de Belgische EER-moederonderneming, bij de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en bij de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn.
   § 3. Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in paragraaf 2 bedoelde kennisgeving, kan de Belgische EER-moederonderneming opmerkingen indienen en aan de afwikkelingsautoriteit alternatieve maatregelen voorstellen waarmee de in het verslag genoemde belemmeringen kunnen worden verminderd of opgeheven.
   Indien de in het verslag vastgestelde belemmeringen te wijten zijn aan een situatie bedoeld in artikel 449/1 waarin een entiteit van de groep zich bevindt, stelt de Belgische EER-moederonderneming, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau mogelijke maatregelen alsmede het tijdpad ter uitvoering ervan voor, teneinde te waarborgen dat de entiteit van de groep voldoet aan de vereisten als bedoeld in 267/5/3 of artikel 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 en, waar van toepassing, het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, alsmede aan de vereisten, bedoeld in artikel 267/5/3 en artikel 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013.
   In het tijdpad voor de uitvoering van de in het voorgaande lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering. Na raadpleging van de toezichthouder oordeelt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau of de wezenlijke belemmering met deze maatregelen daadwerkelijk wordt aangepakt of weggenomen.
   In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau deelt de afwikkelingsautoriteit de aldus voorgestelde maatregelen mee aan de toezichthouder, de EBA, de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, mits dit relevant is voor het significante bijkantoor.
   § 4. Binnen vier maanden na de indiening van de in paragraaf 3 bedoelde opmerkingen of voorstellen van de Belgische EER-moederonderneming, nemen de afwikkelingsautoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de significante bijkantoren, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, binnen het afwikkelingscollege een gezamenlijk besluit met betrekking tot:
   1° de vaststelling van de belangrijke belemmeringen;
   2° indien nodig, de beoordeling van de maatregelen die zijn voorgesteld door de Belgische EER-moederonderneming, en
   3° de door de autoriteiten geëiste maatregelen om de belemmeringen te verminderen of op te heffen, rekening houdend met de mogelijke gevolgen van de maatregelen in alle lidstaten waar de groep actief is.
   Het gezamenlijke besluit met betrekking tot de belemmering voor de afwikkelbaarheid als gevolg van een in artikel 449/1 bedoelde situatie wordt genomen binnen twee weken na de indiening van opmerkingen door de Belgische EER-moederonderneming overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid.
   De afwikkelingsautoriteit kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
   Het gezamenlijk besluit wordt gemotiveerd en door de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, verstrekt aan de Belgische EER-moederonderneming.]1

  
Art.450. [1 § 1er. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, met tout en oeuvre, conjointement avec les autorités de résolution étrangères des filiales, pour parvenir à une décision commune sur les mesures concernant toutes les entités de résolution et leurs filiales qui sont des entités visées à l'article 424 faisant partie d'un groupe belge, qui peuvent être prises en vue de supprimer ou de réduire les obstacles à la résolvabilité du groupe.
   Les autorités de résolution visées à l'alinéa 1er peuvent notamment exiger des entités concernées, par décision commune, qu'elles prennent les mesures visées à l'article 232, alinéa 2.
   La décision commune est prise au sein du collège d'autorités de résolution, après consultation du collège d'autorités compétentes et des autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative, dans la mesure où celles-ci sont concernées, et en tenant compte de l'évaluation effectuée conformément à l'article 448.
   § 2. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, élabore, en coopération avec l'autorité de surveillance sur base consolidée et l'ABE et après consultation des autorités compétentes, un rapport présentant au minimum :
   1° une analyse des obstacles importants à l'application effective des instruments et pouvoirs de résolution à l'égard du groupe, et à l'égard des groupes de résolution lorsqu'un groupe se compose de plusieurs groupes de résolution ;
   2° les retombées sur le modèle d'activité des entités du groupe ;
   3° les mesures visées à l'article 232, alinéa 2, qui, selon l'autorité de résolution au niveau du groupe, sont nécessaires ou indiquées pour supprimer ces obstacles.
   Si un obstacle à la résolvabilité du groupe est imputable à une entité du groupe se trouvant dans l'une des situations visées à l'article 449/1, l'autorité de résolution notifie son évaluation de cet obstacle à l'entreprise mère belge dans l'EEE, après consultation de l'autorité de résolution de l'entité de résolution et des autorités de résolution de ses filiales.
   L'autorité de résolution soumet le rapport à l'entreprise mère belge dans l'EEE, aux autorités de résolution étrangères des filiales et aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative.
   § 3. Dans les quatre mois suivant la date où elle reçoit la notification visée au paragraphe 2, l'entreprise mère belge dans l'EEE peut soumettre des observations et proposer à l'autorité de résolution d'autres mesures pour réduire ou supprimer les obstacles identifiés dans le rapport.
   Si les obstacles identifiés dans le rapport sont imputables une entité du groupe se trouvant dans l'une des situations visées à l'article 449/1, l'entreprise belge mère dans l'EEE propose à l'autorité de résolution au niveau du groupe, dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception d'une notification effectuée conformément au paragraphe 2, alinéa 2, les mesures, ainsi que le calendrier pour leur mise en oeuvre, susceptibles d'être prises pour garantir que l'entité du groupe satisfait aux exigences visées à l'article 267/5/3 ou 267/5/4, exprimées en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 et, le cas échéant, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, et aux exigences visées aux articles 267/5/3 et 267/5/4, exprimées en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visée aux articles 429 et 429bis du Règlement n° 575/2013.
   Le calendrier pour la mise en oeuvre des mesures proposées en vertu de l'alinéa précédent tient compte des raisons de l'obstacle important. L'autorité de résolution du groupe, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue si ces mesures offrent une réponse effective à ou suppriment cet obstacle important.
   L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, communique les mesures proposées à l'autorité de contrôle, à l'ABE, aux autorités de résolution étrangères des filiales et aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative, dans la mesure où celles-ci sont concernées.
   § 4. Dans un délai de quatre mois à compter de la transmission des observations ou propositions de l'entreprise mère belge dans l'EEE visées au paragraphe 3, l'autorité de résolution et les autorités de résolution étrangères des filiales et des succursales d'importance significative adoptent, après consultation des autorités compétentes, une décision commune au sein du collège d'autorités de résolution concernant :
   1° l'identification des obstacles importants;
   2° si nécessaire, l'évaluation des mesures proposées par l'entreprise mère belge dans l'EEE; et
   3° les mesures requises par les autorités en vue de réduire ou de supprimer les obstacles, compte tenu des incidences potentielles des mesures dans tous les Etats membres dans lesquels le groupe est présent.
   La décision commune concernant l'obstacle à la résolvabilité imputable à une situation visée à l'article 449/1, est prise dans un délai de deux semaines à compter de la transmission de toute observation par l'entreprise mère belge dans l'EEE conformément au paragraphe 3, alinéa 2.
   L'autorité de résolution peut, en vertu de l'article 31, point c), du Règlement n° 1093/2010, demander à l'ABE de l'aider à parvenir à une décision commune.
   La décision commune est motivée et communiquée par l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, à l'entreprise mère belge dans l'EEE.]1

  
Art. 450/1. [1 § 1. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten niet tot een gezamenlijk besluit komen binnen de relevante termijn bedoeld in artikel 450, § 4, zijn de hierna volgende paragrafen van toepassing.
   § 2. De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, neemt zelf een besluit over de maatregelen die overeenkomstig artikel 450, § 1 op groepsniveau moeten worden genomen.
   Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere afwikkelingsautoriteiten.
   De afwikkelingsautoriteit deelt het besluit mee aan de Belgische EER-moederonderneming en brengt het ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
   § 3. De afwikkelingsautoriteit van de betrokken af te wikkelen entiteit neemt zelf een besluit over de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 450, § 1 op het niveau van de af te wikkelen groep moeten worden genomen.
   Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten van dezelfde af te wikkelen groep en de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.
   De bevoegde afwikkelingsautoriteit deelt dit besluit mee aan de af te wikkelen entiteit en brengt het ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
   § 4. De afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming die niet aangemerkt is als af te wikkelen entiteit krachtens artikel 439, § 1, lid 3, neemt zelf een besluit over de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 232 op individueel niveau moeten worden genomen.
   Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere afwikkelingsautoriteiten.
   De bevoegde afwikkelingsautoriteit deelt het besluit mee aan de betrokken dochteronderneming en aan de af te wikkelen entiteit van dezelfde af te wikkelen groep, aan de afwikkelingsautoriteit van die af te wikkelen entiteit en aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau. De bevoegde afwikkelingsautoriteit brengt het besluit ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
   § 5. Indien een afwikkelingsautoriteit binnen de in artikel 450, § 4 bedoelde relevante termijn een zaak als bedoeld in artikel 452 krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stellen de afwikkelingsautoriteiten bedoeld in de paragrafen 2, 3 of 4 hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De afwikkelingsautoriteiten nemen hun besluiten in overeenstemming met het besluit van de EBA.
   De in artikel 450, § 4 bedoelde relevante termijn wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De EBA neemt binnen één maand een besluit. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de in artikel 450, § 4 bedoelde relevante termijn of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet tot een besluit komt, zijn de respectievelijke besluiten van de afwikkelingsautoriteiten bedoeld in de paragrafen 2, 3 en 4 van toepassing.]1

  
Art. 450/1. [1 § 1er. Si l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, et les autorités de résolution étrangères ne parviennent pas à une décision commune dans le délai pertinent visé à l'article 450, § 4, les paragraphes suivants s'appliquent.
   § 2. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, prend elle-même une décision sur les mesures à prendre au niveau du groupe conformément à l'article 450, § 1er.
   La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités de résolution.
   L'autorité de résolution communique la décision à l'entreprise mère belge dans l'EEE et en informe les autres membres du collège d'autorités de résolution.
   § 3. L'autorité de résolution de l'entité de résolution concernée prend elle-même une décision sur les mesures à prendre, conformément à l'article 450, § 1er, au niveau du groupe de résolution.
   La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autorités de résolution des autres entités du même groupe de résolution et par l'autorité de résolution au niveau du groupe.
   L'autorité de résolution compétente communique la décision à l'entité de résolution et en informe les autres membres du collège d'autorités de résolution.
   § 4. L'autorité de résolution d'une filiale qui n'est pas identifiée comme une entité de résolution en vertu de l'article 439, § 1er, alinéa 3, prend elle-même une décision sur les mesures à prendre par les filiales au niveau individuel conformément à l'article 232.
   La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités de résolution étrangères.
   L'autorité de résolution compétente communique la décision à la filiale concernée et à l'entité de résolution du même groupe de résolution, à l'autorité de résolution de cette entité de résolution et, lorsqu'elle est différente, à l'autorité de résolution au niveau du groupe. L'autorité de résolution compétente informe les autres membres du collège d'autorités de résolution de la décision.
   § 5. Si, au terme du délai pertinent visé à l'article 450, § 4, une autorité de résolution a saisi l'ABE d'une question visée à l'article 452 conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, les autorités de résolution visées aux paragraphes 2, 3 ou 4 diffèrent leur décision dans l'attente d'une décision de l'ABE. Les autorités de résolution prennent leurs décisions conformément à la décision de l'ABE.
   Le délai pertinent visé à l'article 450, § 4 est réputé constituer la période de conciliation au sens du Règlement n° 1093/2010. L'ABE rend sa décision dans un délai d'un mois. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration du délai pertinent visé à l'article 450, § 4 ou après l'adoption d'une décision commune. En l'absence de décision de l'ABE, les décisions respectives des autorités de résolution visées aux paragraphes 2, 3 et 4 s'appliquent.]1

  
Art. 450/2. [1 De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in artikel 450 en 450/1, worden door de afwikkelingsautoriteit erkend en in voorkomend geval toegepast in België.]1
  
Art. 450/2. [1 Les décisions communes et les décisions prises à défaut d'une décision commune, telles que visées dans les articles 450 et 450/1, sont reconnues par l'autorité de résolution et, le cas échéant, appliquées en Belgique.]1
  
Art.451.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van autoriteit bevoegd voor de afwikkeling van dochterondernemingen naar Belgisch recht, stelt alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau tot een gezamenlijk besluit te komen over maatregelen die met betrekking tot alle af te wikkelen entiteiten en hun dochterondernemingen die entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 en die deel uitmaken van de groep, kunnen worden genomen met het oog op het opheffen of verminderen van de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep, en dit binnen de relevante termijn bedoeld in artikel 18, lid 5 van Richtlijn 2014/59/EU.
Section III. [1 - Réduction ou suppression des obstacles à la résolvabilité des groupes étrangers]1
Art. 451. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van autoriteit bevoegd voor de afwikkeling van dochterondernemingen naar Belgisch recht, stelt alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau tot een gezamenlijk besluit te komen over maatregelen die met betrekking tot alle af te wikkelen entiteiten en hun dochterondernemingen die entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 en die deel uitmaken van de groep, kunnen worden genomen met het oog op het opheffen of verminderen van de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep, en dit binnen de relevante termijn bedoeld in artikel 18, lid 5 van Richtlijn 2014/59/EU.
   Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in de hoedanigheid van autoriteit bevoegd voor de afwikkeling van dochterondernemingen naar Belgisch recht, van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau het verslag ontvangt bedoeld in artikel 18, lid 2, eerste alinea van Richtlijn 2014/59/EU, zendt zij dit door aan de dochterondernemingen waarvoor zij bevoegd is.
   Het gezamenlijk besluit wordt genomen in het afwikkelingscollege, na raadpleging van het college van bevoegde autoriteiten en van de afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, voor zover een en ander relevant is voor die bijkantoren, en met inachtneming van de krachtens artikel 16 van Richtlijn 2014/59/EU gemaakte beoordeling.
   Bij verschil van mening kan de afwikkelingsautoriteit de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verzoeken om de EBA te raadplegen.
   § 2. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, is het bepaalde in artikel 450/1 naar analogie van toepassing.
   De afwikkelingsautoriteit maakt aan de andere afwikkelingsautoriteiten haar standpunten en voorbehouden over betreffende de besluiten die deze afwikkelingsautoriteiten zelf zullen nemen.
   De afwikkelingsautoriteit kan, tot aan het einde van de in artikel 18, lid 5 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde relevante termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, een zaak als bedoeld in artikel 452 krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA.
   § 3. De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in dit artikel, worden door de afwikkelingsautoriteit erkend en in voorkomend geval toegepast in België.]1

  
Art.451. [1 § 1er. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité compétente pour la résolution de filiales de droit belge, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, en concertation avec l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe, à une décision commune sur les mesures susceptibles d'être prises concernant toutes les entités de résolution et leurs filiales qui sont des entités visées à l'article 424 relevant du groupe en vue de supprimer ou de réduire les obstacles à la résolvabilité du groupe, et ce dans le délai pertinent prévu par l'article 18, paragraphe 5, de la Directive 2014/59/UE.
   Quand l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité compétente pour la résolution de filiales de droit belge, reçoit de l'autorité de résolution au niveau du groupe le rapport visé à l'article 18, paragraphe 2, alinéa 1er de la Directive 2014/59/UE, elle le transmet aux filiales relevant de sa compétence.
   La décision commune est prise au sein du collège d'autorités de résolution, après consultation du collège d'autorités compétentes et des autorités de résolution dont relèvent des succursales d'importance significative, dans la mesure où celles-ci sont concernées, et en tenant compte de l'évaluation effectuée conformément à l'article 16 de la Directive 2014/59/UE.
   En cas de désaccord, l'autorité de résolution peut requérir de l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe qu'elle consulte l'ABE.
   § 2. En l'absence de décision commune visée au paragraphe 1er, les dispositions de l'article 450/1 s'appliquent par analogie.
   L'autorité de résolution fait part aux autres autorités de résolution de ses avis et réserves à l'égard des décisions que ces autorités de résolution rendront seules.
   L'autorité de résolution dispose du délai pertinent prévu à l'article 18, paragraphe 5, de la Directive 2014/59/UE, en l'absence de décision commune, pour saisir l'ABE d'une question visée à l'article 452 conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010.
   § 3. Les décisions communes et les décisions prises en l'absence de décision commune, visées au présent article, sont reconnues par l'autorité de résolution et, le cas échéant, appliquées en Belgique.]1

  
Art.452. [1 Bij het uitblijven van een gezamenlijk besluit over het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 232, tweede lid, 7° of 8° dan wel als bedoeld in artikel 17, lid 5, onder g), h) of k) van Richtlijn 2014/59/EU, kan de afwikkelingsautoriteit de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3 van Verordening nr. 1093/2010 om bijstand verzoeken bij het bereiken van overeenstemming.]1
Section IV. [1 - Disposition commune]1
Art. 452. [1 Bij het uitblijven van een gezamenlijk besluit over het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 232, tweede lid, 7° of 8° dan wel als bedoeld in artikel 17, lid 5, onder g), h) of k) van Richtlijn 2014/59/EU, kan de afwikkelingsautoriteit de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3 van Verordening nr. 1093/2010 om bijstand verzoeken bij het bereiken van overeenstemming.]1
  
Art.452. [1 En l'absence de décision commune concernant l'adoption de mesures visées soit à l'article 232, § 2, 7° ou 8°, soit à l'article 17, paragraphe 5, point g), h) ou k), de la directive n° 2014/59/UE, l'autorité de résolution peut requérir l'assistance de l'ABE pour trouver un accord conformément à l'article 19, paragraphe 3 du règlement n° 1093/2010.]1
  
HOOFDSTUK I. [1 - Toepassingsgebied]1
TITRE V. [1 - Résolution des défaillances des groupes]1
Art.453. [1 Onder voorbehoud van de bepalingen van deze Titel zijn de artikelen 242 tot 310 van toepassing op de holdings naar Belgisch recht en de financiële instellingen naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° en 4°.]1
CHAPITRE Ier. [1 - Champ d'application]1
Art. 453. [1 Onder voorbehoud van de bepalingen van deze Titel zijn de artikelen 242 tot 310 van toepassing op de holdings naar Belgisch recht en de financiële instellingen naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° en 4°.]1
  
Art.453. [1 Sous réserve des dispositions du présent titre, les articles 242 à 310 sont applicables aux compagnies de droit belge et aux établissements financiers de droit belge visés à l'article 424, 2°, 3° et 4°.]1
  
HOOFDSTUK II. [1 - Doelstellingen, voorwaarden en algemene beginselen van de afwikkeling]1
CHAPITRE II. [1 - Objectifs, conditions et principes généraux de la résolution]1
Art.454.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op een in artikel 424, 4° bedoelde financiële instelling naar Belgisch recht indien aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, zowel in hoofde van de financiële instelling als in hoofde van de moederonderneming ervan waarop toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.
Section Ire. [1 - Conditions de déclenchement d'une procédure de résolution]1
Art. 454. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op een in artikel 424, 4° bedoelde financiële instelling naar Belgisch recht indien aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, zowel in hoofde van de financiële instelling als in hoofde van de moederonderneming ervan waarop toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.
   § 2. De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op een in artikel 424, 2° of 3° bedoelde entiteit naar Belgisch recht indien die entiteit aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden voldoet.
   Indien de dochterkredietinstellingen van een gemengde holding evenwel direct of indirect in handen zijn van een financiële tussenholding naar Belgisch recht, mag de gemengde holding niet als af te wikkelen entiteit aangemerkt worden. In dat geval oefent de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden uitsluitend uit op het niveau van de financiële tussenholding of van de dochterkredietinstellingen zelf.
   § 3. Zelfs indien een in artikel 424, 2° of 3° bedoelde entiteit naar Belgisch recht niet voldoet aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden, kan de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op deze entiteit indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de entiteit is een af te wikkelen entiteit;
   2° één of meer dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn maar geen af te wikkelen entiteiten, voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1;
   3° de onder 2°, bedoelde dochterondernemingen verkeren in een dusdanige vermogenssituatie dat het in gebreke blijven een bedreiging vormt voor de af te wikkelen groep als geheel en het is noodzakelijk om op de entiteit afwikkelingsinstrumenten toe te passen voor hetzij de afwikkeling van de af te wikkelen groep als geheel dan wel voor de afwikkeling van de dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn.
   § 4. Voor de toepassing van de paragrafen 2 en 3 kan de afwikkelingsautoriteit beslissen om een eventuele overdracht van kapitaal of verliezen tussen de entiteiten binnen een Belgische groep die niet grensoverschrijdend is, met inbegrip van de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden, te negeren wanneer zij beoordeelt of aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden is voldaan met betrekking tot één of meer dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn.]1

  
Art.454. [1 § 1er. L'autorité de résolution peut appliquer un instrument de résolution ou exercer un pouvoir de résolution sur un établissement financier de droit belge visé à l'article 424, 4°, si les conditions établies à l'article 244, § 1er, sont remplies, tant par l'établissement financier que par son entreprise mère soumise à une surveillance sur base consolidée.
   § 2. L'autorité de résolution peut appliquer un instrument de résolution ou exercer un pouvoir de résolution sur une entité de droit belge visée à l'article 424, 2° ou 3°, si les conditions établies à l'article 244, § 1er, sont remplies à l'égard de cette entité.
   Si toutefois les établissements de crédit filiales d'une compagnie mixte sont détenus directement ou indirectement par une compagnie financière intermédiaire de droit belge, la compagnie mixte ne peut pas être désignée comme une entité de résolution. Dans ce cas, l'autorité de résolution applique les instruments de résolution et exerce les pouvoirs de résolution uniquement au niveau de la compagnie financière intermédiaire ou des établissements de crédit filiales mêmes.
   § 3. Même si une entité de droit belge visée à l'article 424, 2° ou 3°, ne répond pas aux conditions établies à l'article 244, § 1er, l'autorité de résolution peut appliquer un instrument de résolution ou exercer un pouvoir de résolution sur cette entité si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'entité est une entité de résolution;
   2° une ou plusieurs filiales qui sont des établissements de crédit mais pas des entités de résolution répondent aux conditions établies à l'article 244, § 1er;
   3° les actifs et passifs des filiales visées sous le 2°, sont tels que leur défaillance menace le groupe de résolution dans son ensemble et les instruments de résolution à l'égard de l'entité sont nécessaires soit à la résolution des filiales qui sont des établissements, soit à la résolution de l'ensemble du groupe de résolution concerné.
   § 4. Aux fins des paragraphes 2 et 3, lorsqu'elle évalue si les conditions établies à l'article 244, § 1er, sont remplies à l'égard d'une ou de plusieurs filiales qui sont des établissements de crédit, l'autorité de résolution peut décider de ne pas tenir compte des transferts de fonds propres ou de pertes entre les entités d'un groupe belge qui n'est pas transfrontalier, y compris l'exercice de compétences liées à la dépréciation ou à la conversion.]1

  
Art.455. [1 Bij het nemen van besluiten of het toepassen van maatregelen op grond van deze Titel, die in een of meer lidstaten effect kunnen hebben, neemt de afwikkelingsautoriteit, in voorkomend geval in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en in voorkomend geval samen met de andere bevoegde autoriteiten, bijkomend de volgende algemene beginselen in acht :
Section II. [1 - Principes généraux régissant la résolution]1
Art. 455. [1 Bij het nemen van besluiten of het toepassen van maatregelen op grond van deze Titel, die in een of meer lidstaten effect kunnen hebben, neemt de afwikkelingsautoriteit, in voorkomend geval in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en in voorkomend geval samen met de andere bevoegde autoriteiten, bijkomend de volgende algemene beginselen in acht :
   1° de besluitvorming is doeltreffend en de afwikkelingskosten worden zo laag mogelijk gehouden bij het nemen van afwikkelingsmaatregelen;
   2° besluiten en maatregelen moeten tijdig en met gepaste spoed worden genomen en toegepast indien zulks is vereist;
   3° de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteiten werken samen om ervoor te zorgen dat besluiten en maatregelen gecoördineerd en efficiënt worden genomen;
   4° de belangen van België worden zorgvuldig meegewogen en in het bijzonder het effect van een besluit of maatregel, of het uitblijven daarvan, op de financiële stabiliteit, de begrotingsmiddelen, het afwikkelingsfonds, het depositogarantiestelsel of het beleggerscompensatiestelsel van België;
   5° de belangen van elke individuele lidstaat waar een dochteronderneming is gevestigd, worden zorgvuldig meegewogen en in het bijzonder het effect van een besluit of maatregel, of het uitblijven daarvan, op de financiële stabiliteit, de begrotingsmiddelen, het afwikkelingsfonds, het depositogarantiestelsel of het beleggerscompensatiestelsel van die lidstaat;
   6° de belangen van elke lidstaat waar zich significante bijkantoren bevinden, worden zorgvuldig meegewogen en in het bijzonder het effect van een besluit of maatregel, of het uitblijven daarvan, op de financiële stabiliteit van die lidstaat;
   7° de doelstelling die erin bestaat de belangen van de verschillende betrokken lidstaten af te wegen en te voorkomen dat de belangen van een specifieke lidstaat worden geschaad of onbillijk worden beschermd, en dat de lasten oneerlijk worden verdeeld tussen de lidstaten, wordt naar behoren in acht genomen;
   8° wanneer uit hoofde van deze Titel een autoriteit moet worden geraadpleegd alvorens een besluit of maatregel te nemen, heeft de raadpleging ten minste betrekking op die elementen van het voorgestelde besluit of de voorgestelde maatregel die waarschijnlijk een effect hebben op :
   i) de EER-moederonderneming, de dochteronderneming of het bijkantoor; en
   ii) de stabiliteit van de lidstaat waar de EER-moederonderneming, de dochteronderneming of het bijkantoor gevestigd is;
   9° de afwikkelingsautoriteit houdt bij het nemen van afwikkelingsmaatregelen rekening met, en geeft gevolg aan de in artikel 226 of artikel 439 bedoelde afwikkelingsplannen, tenzij de afwikkelingsautoriteit, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat de afwikkelingsdoelstellingen op doeltreffender wijze kunnen worden verwezenlijkt door maatregelen waarin de afwikkelingsplannen niet voorzien;
   10° het transparantievereiste, indien een voorgesteld besluit of een voorgestelde maatregel waarschijnlijk gevolgen heeft voor de financiële stabiliteit, de begrotingsmiddelen, het afwikkelingsfonds, het depositogarantiestelsel of het beleggerscompensatiestelsel van elke betrokken lidstaat; en
   11° coördinatie en samenwerking tot een resultaat leiden waarbij de totale afwikkelingskosten lager uitvallen.]1

  
Art.455. [1 Lorsqu'elle prend, en vertu du présent titre, des décisions ou des mesures susceptibles d'avoir une incidence sur un ou plusieurs Etats membres, l'autorité de résolution, le cas échéant en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe et, s'il échoit, en concertation avec les autres autorités compétentes, tient compte des principes généraux suivants :
   1° la nécessité de prendre des décisions efficaces et de maintenir les coûts de la résolution au plus bas niveau possible lorsque sont prises les mesures de résolution;
   2° les décisions et les mesures sont prises et appliquées rapidement et, si nécessaire, en urgence;
   3° l'autorité de résolution et les autorités compétentes coopèrent afin de garantir que les décisions et les mesures sont prises de manière coordonnée et efficace;
   4° la nécessité de dûment tenir compte des intérêts de la Belgique, notamment de l'incidence de toute décision, mesure ou absence de mesure sur la stabilité financière, les ressources budgétaires, le fonds de résolution, le système de garantie des dépôts ou le système d'indemnisation des investisseurs en Belgique;
   5° la nécessité de dûment tenir compte des intérêts de chaque Etat membre dans lequel est établie une filiale, notamment de l'incidence de toute décision, mesure ou absence de mesure sur la stabilité financière, les ressources budgétaires, le fonds de résolution, le système de garantie des dépôts ou le système d'indemnisation des investisseurs de ces Etats membres;
   6° la nécessité de dûment tenir compte des intérêts de chaque Etat membre dans lequel sont situées des succursales d'importance significative, notamment de l'incidence de toute décision, mesure ou absence de mesure sur la stabilité financière de ces Etats membres;
   7° la nécessité de dûment tenir compte des objectifs visant à concilier les intérêts des différents Etats membres concernés et à éviter de porter injustement préjudice aux intérêts de certains Etats membres en particulier ou de protéger injustement ces intérêts, y compris l'objectifs visant à éviter une répartition inéquitable des charges entre les Etats membres;
   8° quand, en vertu du présent titre, une autorité doit être consultée avant toute prise de décision ou de mesure, la consultation concerne au moins les éléments de la décision ou de la mesure envisagée qui affectent ou sont susceptibles :
   i) d'affecter l'entreprise mère dans l'EEE, la filiale ou la succursale; et
   ii) d'affecter la stabilité de l'Etat membre où l'entreprise mère dans l'EEE, la filiale ou la succursale, est établie;
   9° la nécessité pour l'autorité de résolution, lorsqu'elle prend des mesures de résolution, de tenir compte et de suivre les plans de résolution visés aux articles 226 ou 439, à moins que l'autorité de résolution n'estime, compte tenu des circonstances de l'espèce, que les objectifs de résolution seront mieux réalisés en prenant des mesures qui ne sont pas prévues dans les plans de résolution;
   10° l'exigence de transparence dès lors qu'une décision ou une mesure envisagée pourrait avoir des implications sur la stabilité financière, les ressources budgétaires, le fonds de résolution, le système de garantie des dépôts ou le système d'indemnisation des investisseurs de tout Etat membre concerné; et
   11° la coordination et la coopération sont les meilleurs moyens de parvenir à un résultat qui permette de réduire le coût global de la résolution.]1

  
Art. 456. [1 Bij de afwikkeling van een groepsentiteit levert de afwikkelingsautoriteit redelijke inspanningen om de afwikkelingsinstrumenten op zodanige wijze toe te passen en de afwikkelingsbevoegdheden op zodanige wijze uit te oefenen dat het effect ervan op andere groepsentiteiten en op de groep als geheel zo beperkt mogelijk blijft, en dat de nadelige gevolgen ervan voor de financiële stabiliteit van de Europese Economische Ruimte en haar lidstaten, en met name in de landen waar de groep actief is, eveneens zo beperkt mogelijk blijven.]1
  
Art.456. [1 Dans le cadre de la résolution d'une entité d'un groupe, l'autorité de résolution applique les instruments de résolution et exerce les pouvoirs de résolution de manière à réduire au minimum l'incidence sur les autres entités du groupe et sur le groupe dans son ensemble ainsi que les effets négatifs sur la stabilité financière à l'intérieur de l'Espace économique européen et dans ses Etats membres, en particulier, dans les pays où le groupe est présent.]1
  
Art.457.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit oefent onverwijld de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid uit wanneer ten minste één van de volgende voorwaarden vervuld is:
CHAPITRE III. [1 - Dépréciation ou conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles]1
Art.458. [1 § 1. [2 Wanneer de afwikkelingsautoriteit overweegt een in artikel 250, § 4, 2° of 3° of artikel 457, § 1 of § 3 bedoelde vaststelling te doen ten aanzien van een dochteronderneming die relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2 uitgeeft met het oog op het voldoen aan het vereiste op individuele basis bedoeld in artikel 267/5/4, die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele en geconsolideerde basis zijn erkend, geeft de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de betrokken af te wikkelen entiteit en binnen 24 uur na die raadpleging, kennis aan:
   1° de consoliderende toezichthouder alsook, in voorkomend geval, de geëigende autoriteit van de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder is gevestigd;
   2° de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten binnen dezelfde af te wikkelen groep die direct of indirect in artikel 267/5/4, § 2, bedoelde schulden hebben gekocht van de onder artikel 267/5/4, § 1, vallende entiteit.]2

   § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit overweegt een in artikel 457, § 1, 1° en § 3 bedoelde vaststelling te doen, stelt zij de bevoegde autoriteit van elke kredietinstelling of holding als bedoeld in artikel 424, 1°, 2°, 3° en 4° die relevante kapitaalinstrumenten heeft uitgegeven ten aanzien waarvan de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid zou moeten worden uitgeoefend indien die vaststelling zou worden gedaan, onverwijld daarvan in kennis, alsook, in voorkomend geval, de geëigende autoriteit van de lidstaat waar die bevoegde autoriteit is gevestigd.
   § 3. De in § 1 en § 2 bedoelde kennisgeving gaat vergezeld van een toelichting van de redenen waarom de afwikkelingsautoriteit overweegt de vaststelling te doen.
   § 4. [2 Wanneer zij een kennisgeving als bedoeld in § 1 of § 2 heeft verricht, gaat de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de autoriteiten waaraan die kennisgeving is gericht overeenkomstig paragraaf 1, 1° of paragraaf 2, na of er voor de uitoefening van de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid een alternatieve maatregel beschikbaar is.]2
   Wanneer de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat er een alternatieve maatregel beschikbaar is, zorgt zij ervoor dat deze maatregel wordt toegepast.
   Wanneer de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat er geen alternatieve maatregelen beschikbaar zijn, besluit zij of de in § 1 of § 2 bedoelde vaststelling die zij in overweging heeft genomen, passend is.
   § 5. Voor de toepassing van § 4 wordt onder " alternatieve maatregelen " de herstelmaatregelen of een middelen- of kapitaaloverdracht van de moederonderneming verstaan die binnen een adequaat tijdsbestek de omstandigheden kunnen aanpakken die anders een vaststelling als bedoeld in § 1 of § 2 zouden vereisen.
   § 6. Bij het doen van de in § 1 en § 2 bedoelde vaststelling houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de mogelijke gevolgen van de uitoefening van de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid in alle lidstaten waar de kredietinstelling of de groep actief is.
   § 7. Wanneer de afwikkelingsautoriteit een in artikel 457, § 1, 1° bedoelde vaststelling doet, stelt zij de geëigende autoriteiten van de lidstaten waar de dochterondernemingen zijn gevestigd, onverwijld daarvan in kennis.]1

  
Art.457. [1 § 1er. L'autorité de résolution exerce sans délai le pouvoir visé à l'article 250, § 1er lorsqu'au moins une des conditions suivantes est remplie :
   1° dans le cas d'instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, qui sont émis par une filiale de droit belge et sont comptabilisés aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle et sur une base consolidée, l'autorité appropriée de l'Etat membre de l'autorité de surveillance sur base consolidée et l'autorité de résolution constatent conjointement, sous forme de décision commune conformément à l'article 465, § 2, que le groupe ne sera plus viable à moins que l'autorité de résolution n'exerce ce pouvoir;
   2° dans le cas d'instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, qui sont émis par une entreprise mère de droit belge et qui sont reconnus aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle au niveau de l'entreprise mère de droit belge ou sur une base consolidée, l'autorité de résolution constate que le groupe ne sera plus viable à moins qu'elle n'exerce ce pouvoir.
   § 2. Un instrument de fonds propres pertinent et une dette éligible émis par une filiale de droit belge n'est pas déprécié dans une plus large mesure ou converti suivant des conditions moins favorables en vertu du paragraphe 1er, 1°, que des instruments de fonds propres ou des dettes éligibles de niveau équivalent ne le sont au niveau de l'entreprise mère.
   § 3. Dans le cas d'instruments de fonds propres pertinents ou de dettes éligibles qui sont émis par une filiale d'un groupe belge et sont comptabilisés aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle et sur une base consolidée, l'autorité de résolution, en tant qu'autorité de résolution au niveau du groupe, peut constater conjointement avec l'autorité appropriée de l'Etat membre de la filiale, sous forme de décision commune adoptée conformément à l'article 465, § 2, que le groupe ne sera plus viable à moins que le pouvoir de déprécation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents ou des dettes éligibles ne soit exercé.
   § 4. Lorsque les instruments de fonds propres pertinents sont reconnus conformément à l'article 92 du Règlement n° 575/2013 aux fins du respect des exigences de fonds propres sur une base individuelle, l'autorité chargée du constat visé à l'article 250, § 4 est l'autorité appropriée de l'Etat membre dans lequel l'établissement ou l'entité visé à l'article 424, 2° à 4°, a été agréé conformément au Titre III de la Directive 2013/36/UE.
   Lorsque les instruments de fonds propres pertinents ou les engagements éligibles visés à l'article 250, § 2 sont reconnus aux fins du respect de l'exigence visée à l'article 267/5/4, § 1er, l'autorité chargée du constat visé à l'article 250, § 4 est l'autorité appropriée de l'Etat membre dans lequel l'établissement ou l'entité visée à l'article 424, 2° à 4° a été agréé conformément au titre III de la Directive 2013/36/UE.]1

  
Art. 458. [1 § 1. [2 Wanneer de afwikkelingsautoriteit overweegt een in artikel 250, § 4, 2° of 3° of artikel 457, § 1 of § 3 bedoelde vaststelling te doen ten aanzien van een dochteronderneming die relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2 uitgeeft met het oog op het voldoen aan het vereiste op individuele basis bedoeld in artikel 267/5/4, die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele en geconsolideerde basis zijn erkend, geeft de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de betrokken af te wikkelen entiteit en binnen 24 uur na die raadpleging, kennis aan:
   1° de consoliderende toezichthouder alsook, in voorkomend geval, de geëigende autoriteit van de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder is gevestigd;
   2° de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten binnen dezelfde af te wikkelen groep die direct of indirect in artikel 267/5/4, § 2, bedoelde schulden hebben gekocht van de onder artikel 267/5/4, § 1, vallende entiteit.]2

   § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit overweegt een in artikel 457, § 1, 1° en § 3 bedoelde vaststelling te doen, stelt zij de bevoegde autoriteit van elke kredietinstelling of holding als bedoeld in artikel 424, 1°, 2°, 3° en 4° die relevante kapitaalinstrumenten heeft uitgegeven ten aanzien waarvan de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid zou moeten worden uitgeoefend indien die vaststelling zou worden gedaan, onverwijld daarvan in kennis, alsook, in voorkomend geval, de geëigende autoriteit van de lidstaat waar die bevoegde autoriteit is gevestigd.
   § 3. De in § 1 en § 2 bedoelde kennisgeving gaat vergezeld van een toelichting van de redenen waarom de afwikkelingsautoriteit overweegt de vaststelling te doen.
   § 4. [2 Wanneer zij een kennisgeving als bedoeld in § 1 of § 2 heeft verricht, gaat de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de autoriteiten waaraan die kennisgeving is gericht overeenkomstig paragraaf 1, 1° of paragraaf 2, na of er voor de uitoefening van de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid een alternatieve maatregel beschikbaar is.]2
   Wanneer de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat er een alternatieve maatregel beschikbaar is, zorgt zij ervoor dat deze maatregel wordt toegepast.
   Wanneer de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat er geen alternatieve maatregelen beschikbaar zijn, besluit zij of de in § 1 of § 2 bedoelde vaststelling die zij in overweging heeft genomen, passend is.
   § 5. Voor de toepassing van § 4 wordt onder " alternatieve maatregelen " de herstelmaatregelen of een middelen- of kapitaaloverdracht van de moederonderneming verstaan die binnen een adequaat tijdsbestek de omstandigheden kunnen aanpakken die anders een vaststelling als bedoeld in § 1 of § 2 zouden vereisen.
   § 6. Bij het doen van de in § 1 en § 2 bedoelde vaststelling houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de mogelijke gevolgen van de uitoefening van de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid in alle lidstaten waar de kredietinstelling of de groep actief is.
   § 7. Wanneer de afwikkelingsautoriteit een in artikel 457, § 1, 1° bedoelde vaststelling doet, stelt zij de geëigende autoriteiten van de lidstaten waar de dochterondernemingen zijn gevestigd, onverwijld daarvan in kennis.]1

  
Art.458. [1 § 1er. [2 Lorsque l'autorité de résolution envisage de procéder au constat visé à l'article 250, § 4, 2° ou 3°, ou à l'article 457, § 1er ou § 3, concernant une filiale qui émet des instruments de fonds propres pertinents ou des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2 aux fins de respecter l'exigence visée à l'article 267/5/4 sur une base individuelle, reconnus aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle et sur une base consolidée, elle le notifie, après avoir consulté l'autorité de résolution de l'entité de résolution concernée et dans les 24 heures après cette consultation :
   1° à l'autorité de surveillance sur base consolidée et, le cas échéant, à l'autorité appropriée de l'Etat membre où l'autorité de surveillance sur base consolidée est établie;
   2° aux autorités de résolution des autres entités faisant partie du même groupe de résolution qui ont, directement ou indirectement, acheté des engagements visés à l'article 267/5/4, § 2, auprès de l'entité qui relève de l'article 267/5/4, § 1er.]2

   § 2. Lorsque l'autorité de résolution envisage de procéder au constat visé à l'article 457, § 1er, 1°, et § 3, elle le notifie sans délai à l'autorité compétente de tout établissement de crédit ou toute compagnie visé à l'article 424, 1°, 2°, 3° et 4°, ayant émis des instruments de fonds propres pertinents à l'égard desquels le pouvoir de dépréciation ou de conversion devrait être exercé s'il était procédé à ce constat et, le cas échant à l'autorité appropriée de l'Etat membre où cette autorité compétente est établie.
   § 3. La notification visée au paragraphe 1er et au paragraphe 2 est assortie d'un exposé des motifs pour lesquels l'autorité de résolution envisage de procéder au constat.
   § 4. [2 Lorsqu'elle a effectué une notification visée au paragraphe 1er ou au paragraphe 2, l'autorité de résolution, après consultation des autorités destinataires de ladite notification selon les paragraphes 1er, 1° ou 2, examine s'il existe une mesure de substitution à l'exercice du pouvoir visé à l'article 250, § 1er.]2
   Lorsque l'autorité de résolution estime qu'une mesure de substitution est disponible, elle s'assure de l'application de cette mesure.
   Lorsque l'autorité de résolution estime qu'aucune mesure de substitution n'est disponible, elle décide si le constat visé au paragraphe 1er ou au paragraphe 2 qu'elle envisageait est approprié.
   § 5. Aux fins de l'application du paragraphe 4, on entend par mesure de substitution les mesures de redressement ou un transfert de fonds ou de capitaux de l'entreprise mère susceptibles de remédier, dans un délai approprié, aux circonstances qui imposerait sinon de procéder au constat visé au paragraphe 1er ou au paragraphe 2.
   § 6. L'autorité de résolution prend en considération l'incidence potentielle de l'exercice du pouvoir visé à l'article 250, § 1er dans tous les Etats membres dans lesquels l'établissement de crédit ou le groupe est actif lorsqu'elle procède au constat visé au paragraphe 1er et au paragraphe 2.
   § 7. Lorsque l'autorité de résolution procède au constat visé à l'article 457, § 1er, 1°, elle notifie sans délai les autorités appropriées des Etats membres où les filiales sont établies.]1

  
Afdeling I. [1 - Procedure voor het bepalen van het minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden]1
CHAPITRE IV. [1 - Instruments de résolution]1
Art.459.[1 Het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden voor kredietinstellingen en entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, die deel uitmaken van een groep, wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 267/3 tot en met 267/5/5.]1
Section Ire. [1 - Procédure de détermination de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles]1
Art.460. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit, al naar gelang het geval in haar hoedanigheid van autoriteit van de af te wikkelen entiteit, van autoriteit op groepsniveau dan wel van autoriteit die verantwoordelijk is voor de dochterondernemingen van een af te wikkelen groep waarop het in artikel 267/5/4 bedoelde vereiste op individuele basis van toepassing is, spant zich in om, op basis van de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit, samen met de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten tot een gezamenlijk besluit te komen over:
   1° het bedrag van het op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep toegepaste vereiste voor elke af te wikkelen entiteit; en
   2° het bedrag van het op individuele basis toe te passen vereiste op elke entiteit van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit is.
   § 2. Het gezamenlijke besluit bedoeld in paragraaf 1 verzekert de naleving van de artikelen 267/5/3 en 267/5/4 en wordt volledig gemotiveerd en meegedeeld aan:
   1° iedere af te wikkelen entiteit door haar afwikkelingsautoriteit;
   2° iedere entiteit van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn, door de afwikkelingsautoriteit van die entiteit;
   3° de EER-moederonderneming van de groep door de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, indien die EER-moederonderneming zelf geen af te wikkelen entiteit van dezelfde af te wikkelen groep is.
   In het gezamenlijke besluit kan worden bepaald dat, indien zulks in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie en de af te wikkelen entiteit niet voldoende instrumenten direct of indirect heeft aangekocht die aan artikel 267/5/4, § 2, beantwoorden, de dochteronderneming overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, gedeeltelijk aan de in artikel 267/5/1, § 6, bedoelde vereisten voldoet met instrumenten die zijn uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep.
   § 3. [2 Indien twee of meer MSI-entiteiten die tot dezelfde MSI behoren af te wikkelen entiteiten zijn of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien ze in de Unie waren gevestigd, bespreken de in paragraaf 1 bedoelde afwikkelingsautoriteiten en, indien passend en in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie van de MSI's, maken ze afspraken over de toepassing van artikel 72 sexies van Verordening nr. 575/2013 en een eventuele aanpassing om het verschil tussen de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12 bis, punt a) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten of entiteiten uit derde landen en de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis, punt b) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen tot een minimum te beperken of te elimineren.
   Een dergelijke aanpassing kan onder voorbehoud van het volgende worden toegepast:
   1° de aanpassing kan worden toegepast met betrekking tot verschillen in de berekening van het totaal van de risicoposten tussen de betrokken lidstaten of derde landen door de hoogte van het vereiste aan te passen;
   2° de aanpassing wordt niet toegepast om verschillen als gevolg van blootstellingen tussen af te wikkelen groepen te elimineren.
   De som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12bis, punt a) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien ze in de Unie waren gevestigd, mag niet lager zijn dan de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis, punt b) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen.]2
]1

  
Art.459. [1 L'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles pour les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4° qui font partie d'un groupe, est déterminé en tenant compte des dispositions des articles 267/3 à 267/5/5.]1
  
Art.461. [1 § 1. Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen overeenkomstig artikel 460 wegens een meningsverschil met betrekking tot een geconsolideerd vereiste voor de af te wikkelen groep als bedoeld in artikel 267/5/3, neemt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit een besluit over dat vereiste na terdege rekening te hebben gehouden met:
   1° de door de betrokken afwikkelingsautoriteiten uitgevoerde beoordeling van entiteiten van de af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn;
   2° het advies van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, indien verschillend van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit.
   Indien een betrokken afwikkelingsautoriteit aan het eind van de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1°, en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteit neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
   De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van die periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit van toepassing.
   § 3. Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot het in artikel 267/5/4 bedoelde niveau van het vereiste dat op individuele basis op een entiteit van een af te wikkelen groep moet worden toegepast, neemt de afwikkelingsautoriteit van die entiteit het besluit, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   1° er is terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden die de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit kenbaar heeft gemaakt; en
   2° indien een afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verschilt van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, is er terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.
   Indien de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau binnen de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorlegt, stellen de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen op individuele basis hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1° en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteiten nemen hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
   De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.
   De afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau legt de zaak niet voor bindende bemiddeling aan de EBA voor indien het niveau dat is vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming:
   1° met betrekking tot het vereiste als bedoeld in artikel 267/5/3 binnen een bandbreedte ligt van 2 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013; en
   2° voldoet aan artikel 267/5/1, § 6.
   Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, zijn de besluiten van de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen van toepassing.
   § 4. Indien er niet binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, een gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot de hoogte van het geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep en de hoogte van de op individuele basis op de entiteiten van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste, geldt het volgende:
   1° er wordt een besluit genomen over het niveau van het op individuele basis op de dochterondernemingen van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste overeenkomstig paragraaf 3;
   2° er wordt een besluit genomen over het niveau van geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep overeenkomstig paragraaf 2.]1

  
Art.460. [1 § 1er. L'autorité de résolution, selon le cas en sa qualité d'autorité de l'entité de résolution, d'autorité au niveau du groupe ou d'autorité chargée des filiales d'un groupe de résolution qui sont soumis à l'exigence visée à l'article 267/5/4 sur une base individuelle, s'efforce, sur la base de la communication d'un projet de décision commune, de parvenir à une décision commune avec les autorités de résolution étrangères concernées sur :
   1° le montant de l'exigence appliquée au niveau consolidé du groupe de résolution pour chaque entité de résolution ; et
   2° le montant de l'exigence appliquée sur une base individuelle à chaque entité d'un groupe de résolution qui n'est pas une entité de résolution.
   § 2. La décision commune visée au paragraphe 1er garantit le respect des articles 267/5/3 et 267/5/4, expose l'ensemble des motifs qui la sous- tendent et est communiquée :
   1° à chaque entité de résolution par son autorité de résolution ;
   2° à chaque entité d'un groupe de résolution qui n'est pas une entité de résolution par l'autorité de résolution de cette entité ;
   3° à l'entreprise mère dans l'EEE du groupe par l'autorité de résolution de l'entité de résolution, lorsque cette entreprise mère dans l'EEE n'est pas elle-même une entité de résolution du même groupe de résolution.
   La décision commune peut prévoir que, lorsque cela est conforme à la stratégie de résolution et que l'entité de résolution n'a pas acheté, directement ou indirectement, suffisamment d'instruments respectant les dispositions de l'article 267/5/4, § 2, les exigences prévues à l'article 267/5/1, § 6, sont partiellement remplies par la filiale conformément à l'article 267/5/4, § 2, au moyen d'instruments émis en faveur d'entités ne faisant pas partie du groupe de résolution et achetés par celles-ci.
   § 3. [2 Lorsque plusieurs entités d'EISm faisant partie du même EISm sont des entités de résolution ou des entités de pays tiers qui seraient des entités de résolution si elles étaient établies dans l'Union, les autorités de résolution visées au paragraphe 1er discutent et, lorsque cela est approprié et conforme à la stratégie de résolution de l'EISm, conviennent de l'application de l'article 72 sexies du Règlement n° 575/2013 et de tout ajustement pour réduire au minimum ou éliminer la différence entre la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 1°, et à l'article 12 bis, point a), du Règlement n° 575/2013 pour les entités de résolution individuelles ou les entités de pays tiers et la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 2°, et à l'article 12bis, point b), du Règlement n° 575/2013.
   Cet ajustement peut s'appliquer sous réserve des conditions suivantes :
   1° l'ajustement peut s'appliquer concernant les différences dans le calcul des montants totaux d'exposition au risque entre les Etats membres ou pays tiers concernés en modulant le niveau de l'exigence ;
   2° l'ajustement ne s'applique pas pour supprimer les différences découlant des expositions entre groupes de résolution.
   La somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 1°, et à l'article 12bis, point a), du Règlement n° 575/2013 pour les entités de résolution individuelles ou des entités de pays tiers qui seraient des entités de résolution si elles étaient établies dans l'Union, n'est pas inférieure à la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 2°, et à l'article 12bis, point b), du Règlement n° 575/2013.]2
]1

  
Art. 461. [1 § 1. Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen overeenkomstig artikel 460 wegens een meningsverschil met betrekking tot een geconsolideerd vereiste voor de af te wikkelen groep als bedoeld in artikel 267/5/3, neemt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit een besluit over dat vereiste na terdege rekening te hebben gehouden met:
   1° de door de betrokken afwikkelingsautoriteiten uitgevoerde beoordeling van entiteiten van de af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn;
   2° het advies van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, indien verschillend van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit.
   Indien een betrokken afwikkelingsautoriteit aan het eind van de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1°, en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteit neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
   De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van die periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit van toepassing.
   § 3. Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot het in artikel 267/5/4 bedoelde niveau van het vereiste dat op individuele basis op een entiteit van een af te wikkelen groep moet worden toegepast, neemt de afwikkelingsautoriteit van die entiteit het besluit, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   1° er is terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden die de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit kenbaar heeft gemaakt; en
   2° indien een afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verschilt van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, is er terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.
   Indien de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau binnen de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorlegt, stellen de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen op individuele basis hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1° en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteiten nemen hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
   De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.
   De afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau legt de zaak niet voor bindende bemiddeling aan de EBA voor indien het niveau dat is vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming:
   1° met betrekking tot het vereiste als bedoeld in artikel 267/5/3 binnen een bandbreedte ligt van 2 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013; en
   2° voldoet aan artikel 267/5/1, § 6.
   Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, zijn de besluiten van de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen van toepassing.
   § 4. Indien er niet binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, een gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot de hoogte van het geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep en de hoogte van de op individuele basis op de entiteiten van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste, geldt het volgende:
   1° er wordt een besluit genomen over het niveau van het op individuele basis op de dochterondernemingen van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste overeenkomstig paragraaf 3;
   2° er wordt een besluit genomen over het niveau van geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep overeenkomstig paragraaf 2.]1

  
Art.461. [1 § 1er. Lorsqu'il n'est pas pris de décision commune conformément à l'article 460 dans un délai de quatre mois à compter de la communication par l'autorité de résolution aux autorités de résolution étrangères concernées d'un projet de décision commune en raison d'un désaccord concernant une exigence consolidée au niveau du groupe de résolution visée à l'article 267/5/3, l'autorité de résolution de l'entité de résolution prend une décision sur cette exigence après avoir dûment pris en compte :
   1° l'évaluation des entités du groupe de résolution qui ne sont pas des entités de résolution, effectuée par les autorités de résolution concernées ;
   2° l'avis de l'autorité de résolution au niveau du groupe, lorsque cette autorité est différente de l'autorité de résolution de l'entité de résolution.
   Si, au terme du délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er, l'une des autorités de résolution concernées a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, l'autorité de résolution de l'entité de résolution diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE. La décision de l'ABE tient compte des points 1° et 2° de l'alinéa 1er. L'autorité de résolution rend sa décision conformément à la décision de l'ABE.
   Le délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er est réputé constituer la période de conciliation au sens du Règlement n° 1093/2010. L'ABE rend sa décision dans un délai d'un mois. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration de ce délai de quatre mois ou après l'adoption d'une décision commune. Si l'ABE ne prend pas de décision dans un délai d'un mois suivant la saisine, la décision de l'autorité de résolution de l'entité de résolution s'applique.
   § 3. Lorsqu'il n'est pas pris de décision commune dans un délai de quatre mois à compter de la communication par l'autorité de résolution aux autorités de résolution étrangères concernées d'un projet de décision commune en raison d'un désaccord concernant le niveau de l'exigence visée à l'article 267/5/4 à appliquer à une entité d'un groupe de résolution sur une base individuelle, l'autorité de résolution de cette entité prend la décision lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° les opinions et les réserves exprimées par écrit par l'autorité de résolution de l'entité de résolution ont été dûment prises en compte ; et
   2° lorsque l'autorité de résolution au niveau du groupe est différente de l'autorité de résolution de l'entité de résolution, les opinions et les réserves exprimées par écrit par l'autorité de résolution au niveau du groupe ont été dûment prises en compte.
   Si, endéans le délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er, l'autorité de résolution de l'entité de résolution ou l'autorité de résolution au niveau du groupe saisit l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, les autorités de résolution chargées des filiales sur une base individuelle diffèrent leur décision dans l'attente d'une décision de l'ABE. La décision de l'ABE tient compte de l'alinéa 1er, points 1° et 2°. Les autorités de résolution rendent leur décision conformément à la décision de l'ABE.
   Le délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er est réputé constituer le délai de conciliation au sens du Règlement n° 1093/2010. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration du délai de quatre mois ou après l'adoption d'une décision commune.
   L'autorité de résolution de l'entité de résolution ou l'autorité de résolution au niveau du groupe ne saisit pas l'ABE en vue d'une médiation contraignante lorsque le niveau fixé par l'autorité de résolution de la filiale :
   1° se situe dans une fourchette de 2 % du montant total de l'exposition au risque, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 conformément à l'exigence visée à l'article 267/5/3 ; et
   2° est conforme à l'article 267/5/1, § 6.
   Si l'ABE ne prend pas de décision dans un délai d'un mois à compter de la saisine, les décisions des autorités de résolution des filiales s'appliquent.
   § 4. Lorsqu'il n'est pas pris de décision commune dans un délai de quatre mois à compter de la communication par l'autorité de résolution aux autorités de résolution étrangères concernées d'un projet de décision commune en raison d'un désaccord concernant l'exigence au niveau consolidé du groupe de résolution et le niveau de l'exigence à appliquer aux entités du groupe de résolution sur une base individuelle, les dispositions suivantes s'appliquent :
   1° une décision est prise concernant le niveau de l'exigence à appliquer aux filiales du groupe de résolution sur une base individuelle conformément au paragraphe 3 ;
   2° une décision est prise sur l'exigence au niveau consolidé du groupe de résolution conformément au paragraphe 2.]1

  
Art. 462. [1 § 1. Het in artikel 460, § 1 bedoelde gezamenlijke besluit en alle in artikel 461, § 2, § 3 en § 4 bedoelde besluiten die de afwikkelingsautoriteiten bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit hebben genomen, zijn bindend voor de betrokken afwikkelingsautoriteiten.
   Het gezamenlijke besluit en alle besluiten die bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit zijn genomen, worden regelmatig geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd.
   § 2. In afstemming met de bevoegde autoriteiten verlangen de afwikkelingsautoriteiten dat, en verifiëren ze of, de entiteiten voldoen aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste en nemen ze elk besluit op grond van dit artikel parallel met het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen.]1

  
Art.462. [1 § 1er. La décision commune visée à l'article 460, § 1er, et toute décision visée à l'article 461, § 2, § 3 et § 4, prise en l'absence de décision commune par les autorités de résolution, lie les autorités de résolution concernées.
   La décision commune et toute décision prise en l'absence de décision commune sont régulièrement réexaminées et, le cas échéant, actualisées.
   § 2. Les autorités de résolution, en coordination avec les autorités compétentes, exigent et vérifient que les entités respectent l'exigence visée à l'article 267/3, et prennent toute décision en application du présent article parallèlement à l'élaboration et à l'actualisation des plans de résolution.]1

  
Art.463. [1 Binnen een maand na de toepassing van het instrument van interne versterking op verschillende rechtspersonen die deel uitmaken van een Belgische groep om de doelstellingen vermeld in artikel 267/1, § 1, 1° te verwezenlijken, moet de Belgische EER-moederonderneming voor alle kredietinstellingen van die groep een bedrijfssaneringsplan als bedoeld in artikel 267/11 opstellen en ter goedkeuring voorleggen aan de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, overeenkomstig de in artikel 267/12 bedoelde procedure.
Section II. [1 - Mise en oeuvre de l'instrument de renflouement interne]1
Art. 463. [1 Binnen een maand na de toepassing van het instrument van interne versterking op verschillende rechtspersonen die deel uitmaken van een Belgische groep om de doelstellingen vermeld in artikel 267/1, § 1, 1° te verwezenlijken, moet de Belgische EER-moederonderneming voor alle kredietinstellingen van die groep een bedrijfssaneringsplan als bedoeld in artikel 267/11 opstellen en ter goedkeuring voorleggen aan de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, overeenkomstig de in artikel 267/12 bedoelde procedure.
   In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau deelt de afwikkelingsautoriteit het bedrijfssaneringsplan mee aan de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen van de Belgische EER-moederonderneming en aan de EBA.]1

  
Art.463. [1 Dans un délai d'un mois à dater de l'application de l'instrument de renflouement interne à l'égard de plusieurs personnes morales faisant partie d'un groupe belge aux fins indiquées à l'article 267/1, § 1er, 1°, l'entreprise mère belge dans l'EEE établit et soumet à l'approbation de l'autorité de résolution, en tant qu'autorité de résolution au niveau du groupe, un plan de réorganisation des activités visé à l'article 267/11 qui porte sur tous les établissements de crédit de ce groupe, conformément à la procédure visée à l'article 267/12.
   L'autorité de résolution, en tant qu'autorité de résolution au niveau du groupe, communique le plan de réorganisation aux autorités de résolution des filiales de l'entreprise mère belge dans l'EEE et à l'ABE.]1

  
Art.464. [1 Indien de afwikkelingsautoriteit zelf een kennisgeving ontvangt als bedoeld in artikel 81, lid 2 of lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU, kan zij de volgende autoriteiten hiervan in kennis stellen :
CHAPITRE V. [1 - Exigences de procédure]1
Art. 464. [1 Indien de afwikkelingsautoriteit zelf een kennisgeving ontvangt als bedoeld in artikel 81, lid 2 of lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU, kan zij de volgende autoriteiten hiervan in kennis stellen :
   1° de toezichthouder;
   2° het Garantiefonds;
   3° de Minister van Financiën.]1

  
Art.464. [1 Si l'autorité de résolution reçoit elle-même une notification visée à l'article 81, paragraphe 2 ou paragraphe 3, de la directive 2014/59/UE, elle peut en informer les autorités suivantes :
   1° l'autorité de contrôle;
   2° le Fonds de garantie;
   3° le Ministre des Finances.]1

  
HOOFDSTUK VI. [1 - Afwikkeling van grensoverschrijdende groepen]1
CHAPITRE VI. [1 - Résolution des groupes transfrontaliers]1
Art.465. [1 § 1. Wanneer met toepassing van dit Hoofdstuk een groepsafwikkelingsregeling wordt opgesteld :
Section Ire. [1 - Principes généraux]1
Art. 465/1. [1 § 1. Het in artikel 465, § 1, 4°, bedoelde financieringsplan omvat :
   1° een waardering als bedoeld in artikel 246 ten aanzien van de betroffen groepsentiteiten;
   2° de verliezen die elke getroffen groepsentiteit moet onderkennen op het ogenblik waarop de afwikkelingsinstrumenten worden toegepast;
   3° voor elke getroffen groepsentiteit, de verliezen die elke categorie van aandeelhouders en schuldeisers zou lijden;
   4° elke bijdrage die het Garantiefonds en de andere nationale depositogarantiestelsels moeten leveren krachtens artikel 384/1 of krachtens artikel 109, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU;
   5° de totale bijdrage door financieringsregelingen voor de afwikkeling en het doel en de vorm van de bijdrage;
   6° de basis voor de berekening van het bedrag dat elke nationale financieringsregeling van de lidstaten waar de getroffen groepsentiteiten gevestigd zijn, moet bijdragen aan de financiering van de groepsafwikkeling tot opbouw van de in punt 5° bedoelde bijdrage;
   7° het bedrag dat de nationale financieringsregeling van elke getroffen groepsentiteit moet bijdragen aan de financiering van de groepsafwikkeling, evenals de vorm van die bijdragen;
   8° het bedrag aan leningen dat de financieringsregelingen van de lidstaten waar de getroffen groepsentiteiten gevestigd zijn, zullen betrekken van kredietinstellingen, financiële instellingen en andere partijen, overeenkomstig artikel 6/3, § 1, van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 105 van Richtlijn 2014/59/EU;
   9° de termijn voor het gebruik van de financieringsregelingen van de lidstaten waar de getroffen entiteiten gevestigd zijn, welke in voorkomend geval verlengd moet kunnen worden.
   § 2. De basis voor het verdelen van de in paragraaf 1, punt 5°, bedoelde bijdrage dient te stroken met het bepaalde in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 5 maart 2017 tot uitvoering van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, wat de opmaak van afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen en de beoordeling van de afwikkelbaarheid betreft, tenzij in het financieringsplan anders is bepaald.
   De berekening van de bijdrage van elke nationale financieringsregeling is, tenzij anders in het financieringsplan is bepaald, met name gebaseerd op :
   1° de omvang van de risicogewogen activa van de groep aangehouden door de entiteiten als bedoeld in artikel 424, 1° tot 4°, die gevestigd zijn in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling;
   2° de omvang van de activa van de groep aangehouden door de entiteiten als bedoeld in artikel 424, 1° tot 4°, die gevestigd zijn in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling;
   3° de omvang van de verliezen die geleid hebben tot de noodzaak van een groepsafwikkeling die haar oorsprong vindt in groepsentiteiten onder toezicht van de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling; en
   4° de omvang van de middelen van de financieringsregeling van de groep die in het kader van het financieringsplan naar verwachting rechtstreeks gebruikt zullen worden voor groepsentiteiten die gevestigd zijn in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling.]1

  
Art.465. [1 § 1er. Lorsqu'un dispositif de résolution de groupe est ordonné en application du présent chapitre, celui-ci :
   1° prend en considération et suit les plans de résolution visés à l'article 439, à moins que les autorités de résolution n'estiment, compte tenu des circonstances de l'espèce, que les objectifs de la résolution seront mieux réalisés en prenant des mesures qui ne sont pas prévues dans les plans de résolution;
   2° décrit les mesures de résolution que les autorités de résolution concernées devraient prendre à l'égard de l'entreprise mère dans l'EEE ou de certaines entités du groupe dans le but d'atteindre les objectifs de la résolution et de se conformer aux principes visés aux articles 243, 245, 454, 455 et 456;
   3° précise la manière dont ces mesures de résolution devraient être coordonnées;
   4° établit un plan de financement qui tient compte du plan de résolution du groupe et des principes de partage des responsabilités établis conformément à l'article 441, § 1er, 5°.
   § 2. Sauf stipulations contraires ci-après, le dispositif de résolution de groupe prend la forme d'une décision commune de l'autorité de résolution au niveau du groupe et des autorités de résolution responsables des filiales couvertes par le dispositif de résolution de groupe.
   L'ABE peut, à la demande d'une autorité de résolution conformément à l'article 31, point c), du règlement n° 1093/2010, aider les autorités de résolution à parvenir à une décision conjointe.]1

  
Art. 465/1. [1 § 1. Het in artikel 465, § 1, 4°, bedoelde financieringsplan omvat :
   1° een waardering als bedoeld in artikel 246 ten aanzien van de betroffen groepsentiteiten;
   2° de verliezen die elke getroffen groepsentiteit moet onderkennen op het ogenblik waarop de afwikkelingsinstrumenten worden toegepast;
   3° voor elke getroffen groepsentiteit, de verliezen die elke categorie van aandeelhouders en schuldeisers zou lijden;
   4° elke bijdrage die het Garantiefonds en de andere nationale depositogarantiestelsels moeten leveren krachtens artikel 384/1 of krachtens artikel 109, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU;
   5° de totale bijdrage door financieringsregelingen voor de afwikkeling en het doel en de vorm van de bijdrage;
   6° de basis voor de berekening van het bedrag dat elke nationale financieringsregeling van de lidstaten waar de getroffen groepsentiteiten gevestigd zijn, moet bijdragen aan de financiering van de groepsafwikkeling tot opbouw van de in punt 5° bedoelde bijdrage;
   7° het bedrag dat de nationale financieringsregeling van elke getroffen groepsentiteit moet bijdragen aan de financiering van de groepsafwikkeling, evenals de vorm van die bijdragen;
   8° het bedrag aan leningen dat de financieringsregelingen van de lidstaten waar de getroffen groepsentiteiten gevestigd zijn, zullen betrekken van kredietinstellingen, financiële instellingen en andere partijen, overeenkomstig artikel 6/3, § 1, van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 105 van Richtlijn 2014/59/EU;
   9° de termijn voor het gebruik van de financieringsregelingen van de lidstaten waar de getroffen entiteiten gevestigd zijn, welke in voorkomend geval verlengd moet kunnen worden.
   § 2. De basis voor het verdelen van de in paragraaf 1, punt 5°, bedoelde bijdrage dient te stroken met het bepaalde in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 5 maart 2017 tot uitvoering van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, wat de opmaak van afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen en de beoordeling van de afwikkelbaarheid betreft, tenzij in het financieringsplan anders is bepaald.
   De berekening van de bijdrage van elke nationale financieringsregeling is, tenzij anders in het financieringsplan is bepaald, met name gebaseerd op :
   1° de omvang van de risicogewogen activa van de groep aangehouden door de entiteiten als bedoeld in artikel 424, 1° tot 4°, die gevestigd zijn in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling;
   2° de omvang van de activa van de groep aangehouden door de entiteiten als bedoeld in artikel 424, 1° tot 4°, die gevestigd zijn in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling;
   3° de omvang van de verliezen die geleid hebben tot de noodzaak van een groepsafwikkeling die haar oorsprong vindt in groepsentiteiten onder toezicht van de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling; en
   4° de omvang van de middelen van de financieringsregeling van de groep die in het kader van het financieringsplan naar verwachting rechtstreeks gebruikt zullen worden voor groepsentiteiten die gevestigd zijn in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling.]1

  
Art. 465/1. [1 § 1er. Le plan de financement visé à l'article 465, § 1er, 4°, comprend :
   1° une valorisation effectuée conformément à l'article 246 pour les entités du groupe affectées;
   2° les pertes à comptabiliser par chaque entité du groupe affectée au moment où les instruments de résolution sont appliqués;
   3° pour chaque entité du groupe affectée, les pertes que subirait chaque catégorie d'actionnaires et de créanciers;
   4° toute contribution que le Fonds de garantie et les autres systèmes de garantie des dépôts nationaux seraient tenus de verser conformément à l'article 384/1 ou à l'article 109, paragraphe 1, de la Directive 2014/59/UE;
   5° la contribution totale qui doit être financée par les dispositifs de financement pour la résolution ainsi que la finalité et la forme de cette contribution;
   6° la base de calcul du montant que chacun des dispositifs de financement nationaux des Etats membres où des entités du groupe affectées sont situées est tenu de verser pour contribuer au financement de la résolution de groupe afin d'arriver à la contribution totale visée au point 5° ;
   7° le montant que le dispositif de financement national de chaque entité du groupe affectée est tenu de verser pour contribuer au financement de la résolution de groupe, ainsi que la forme de ces contributions;
   8° le montant de l'emprunt que les dispositifs de financement des Etats membres où les entités du groupe affectées sont situées contracteront auprès d'établissements, d'établissements financiers et d'autres tiers, en vertu de l'article 6/3, § 1er, de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou de l'article 105 de la Directive 2014/59/UE;
   9° un calendrier d'utilisation des dispositifs de financement des Etats membres où les entités du groupe affectées sont situées, qui devrait pouvoir être prolongé, le cas échéant.
   § 2. La base du partage de la contribution visée au paragraphe 1er, 5°, est compatible avec l'article 3, 9°, de l'arrêté royal du 5 mars 2017 portant exécution de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, en ce qui concerne l'établissement des plans de résolution et des plans de résolution de groupe et l'évaluation de la résolvabilité, sauf s'il en a été décidé autrement dans le plan de financement.
   Sauf s'il en a été décidé autrement dans le plan de financement, la base de calcul de la contribution de chaque dispositif de financement national tient compte notamment :
   1° de la proportion des actifs du groupe, pondérés en fonction du risque, détenue au sein des entités visés à l'article 424, 1° à 4°, qui sont établis dans l'Etat membre dudit dispositif de financement pour la résolution;
   2° de la proportion des actifs du groupe détenue au sein des établissements et les entités visés à l'article 424, 1° à 4°, qui sont établis dans l'Etat membre dudit dispositif de financement pour la résolution;
   3° de la proportion des pertes ayant rendu nécessaire la résolution de groupe qui provient d'entités du groupe soumises à la surveillance des autorités compétentes dans l'Etat membre dudit dispositif de financement pour la résolution; et
   4° de la proportion des ressources du dispositif de financement de groupe qu'il est prévu, dans le cadre du plan de financement, d'utiliser au bénéfice direct des entités du groupe établies dans l'Etat membre dudit dispositif de financement pour la résolution]1

  
Art. 466. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit voert alle in dit Hoofdstuk bedoelde handelingen onverwijld uit, met inachtneming van het spoedeisende karakter van de situatie.
   § 2. Indien een groepsafwikkelingsregeling niet is uitgevoerd en de afwikkelingsautoriteit afwikkelingsmaatregelen treft met betrekking tot een groepsentiteit, werkt zij hoe dan ook nauw samen met het afwikkelingscollege om een gecoördineerde afwikkelingsstrategie te verwezenlijken voor alle groepsentiteiten die in gebreke blijven of waarschijnlijk in gebreke zullen blijven.
   § 3. Wanneer de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsmaatregel met betrekking tot een groepsentiteit treft, houdt zij de leden van het afwikkelingscollege regelmatig en volledig op de hoogte van deze maatregelen en van de bij de uitvoering daarvan gemaakte vorderingen.]1

  
Art.466. [1 § 1er. L'autorité de résolution exécute toutes les mesures visées au présent chapitre sans retard et en tenant dûment compte de l'urgence de la situation.
   § 2. Dans les cas où l'autorité de résolution prend des mesures de résolution à l'égard de toute entité d'un groupe sans qu'un dispositif de résolution de groupe n'ait été mis en oeuvre, ladite autorité coopère étroitement au sein du collège d'autorités de résolution en vue de parvenir à une stratégie de résolution coordonnée de toutes les entités du groupe dont la défaillance est avérée ou prévisible.
   § 3. Pour toutes les mesures de résolution qu'elle prend à l'égard de toute entité d'un groupe, l'autorité de résolution transmet régulièrement aux membres du collège d'autorités de résolution des informations complètes sur les mesures et sur leur état d'avancement.]1

  
Art. 467. [1 Wanneer met toepassing van de artikelen 472 tot 477 een gezamenlijk besluit dan wel een besluit bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit wordt genomen, erkent de afwikkelingsautoriteit deze besluiten als definitief en past zij deze in voorkomend geval toe in België.]1
  
Art.467. [1 Les décisions communes et les décisions en l'absence de décision commune prises en application des articles 472 à 477 sont reconnues par l'autorité de résolution comme définitives et, le cas échéant, appliquées en Belgique.]1
  
Art.468.[1 § 1. [3 Onverminderd artikel 470 richt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, afwikkelingscolleges op om de taken bedoeld in de artikelen 439, 449, 450, 459 tot en met 462, en in Afdeling IV van dit Hoofdstuk uit te voeren en om, in voorkomend geval, de samenwerking en coördinatie met afwikkelingsautoriteiten van derde landen te verzekeren.]3
Section II. [1 - Collèges d'autorités de résolution]1
Art. 468. [1 § 1. [3 Onverminderd artikel 470 richt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, afwikkelingscolleges op om de taken bedoeld in de artikelen 439, 449, 450, 459 tot en met 462, en in Afdeling IV van dit Hoofdstuk uit te voeren en om, in voorkomend geval, de samenwerking en coördinatie met afwikkelingsautoriteiten van derde landen te verzekeren.]3
   In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau is de afwikkelingsautoriteit niet verplicht een afwikkelingscollege op te richten indien andere groepen of colleges dezelfde functies vervullen en dezelfde taken uitvoeren als die welke in dit artikel zijn vermeld en alle in dit artikel en artikel 471 vastgelegde voorwaarden en procedures, met inbegrip van die inzake het lidmaatschap van en de deelname aan afwikkelingscolleges, in acht nemen. In een dergelijk geval worden alle in deze wet voorkomende verwijzingen naar afwikkelingscolleges tevens beschouwd als verwijzingen naar deze andere groepen of colleges.
   § 2. Binnen de afwikkelingscolleges verricht de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, samen met de andere leden van het college de volgende taken :
   1° uitwisselen van informatie die relevant is voor de opstelling van groepsafwikkelingsplannen, voor de uitoefening op groepen van voorbereidende en preventiebevoegdheden en voor groepsafwikkeling;
   2° opstellen van groepsafwikkelingsplannen;
   3° beoordelen van de afwikkelbaarheid van groepen;
   4° uitoefenen van bevoegdheden om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van groepen te verminderen of op te heffen;
   5° beslissingen nemen inzake de noodzaak van het opzetten van een groepsafwikkelingsregeling als bedoeld in Afdeling IV van dit Hoofdstuk;
   6° akkoorden sluiten over een overeenkomstig Afdeling IV van dit Hoofdstuk voorgestelde groepsafwikkelingsregeling;
   7° coördineren van de openbare communicatie van groepsafwikkelingsstrategieën en -plannen;
   8° coördineren van het gebruik van financieringsregelingen;
   9° [3 vaststellen van de minimumvereisten voor groepen op geconsolideerd en subsidiair niveau overeenkomstig de artikelen 459 en 460.]3
   Afwikkelingscolleges kunnen aangewend worden als discussieforum voor vraagstukken betreffende grensoverschrijdende groepsafwikkeling.
   § 3. De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, en de andere leden van het college werken nauw samen.
   § 4. De afwikkelingsautoriteit is, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, voorzitter van het afwikkelingscollege. In die hoedanigheid :
   1° stelt zij schriftelijke regelingen en procedures op voor de werking van het afwikkelingscollege, na raadpleging van de andere leden van het afwikkelingscollege;
   2° coördineert zij alle werkzaamheden van het afwikkelingscollege;
   3° roept zij alle vergaderingen bijeen en zit deze voor, en informeert zij alle leden van het afwikkelingscollege vooraf volledig over de organisatie van vergaderingen van het afwikkelingscollege, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen punten;
   4° houdt zij de leden van het afwikkelingscollege op de hoogte van geplande vergaderingen zodat zij om deelname kunnen verzoeken;
   5° beslist zij, op basis van de specifieke behoeften, welke leden en waarnemers voor bepaalde vergaderingen van het afwikkelingscollege moeten worden uitgenodigd, met inachtneming van het belang van het te bespreken punt voor die leden en waarnemers, in het bijzonder de gevolgen daarvan op de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten, en rekening houdend met het recht van de afwikkelingsautoriteiten om aan vergaderingen deel te nemen wanneer er punten op de agenda staan waarover een gezamenlijk besluit moet worden genomen of die een in hun lidstaat gelegen groepsentiteit betreffen;
   6° informeert zij alle leden van het college tijdig over de besluiten en resultaten van die vergaderingen.
   § 5. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, [2 nodigt de afwikkelingsautoriteit de volgende autoriteiten uit]2 tot deelname aan een door haar opgericht afwikkelingscollege :
   1° de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van elke lidstaat waarin een aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen dochteronderneming is gevestigd;
   2° de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten waar een moederonderneming van een of meer instellingen van de groep, die een in artikel 424, 3° bedoelde entiteit is, gevestigd is;
   3° de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd;
   4° de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarvan de afwikkelingsautoriteit een lid van het afwikkelingscollege is;
   5° de bevoegde ministeries, indien de afwikkelingsautoriteiten die lid zijn van het afwikkelingscollege, niet de bevoegde ministeries zijn;
   6° de voor de depositogarantiestelsels bevoegde overheidsinstantie van een lidstaat, indien de afwikkelingsautoriteit van die lidstaat lid is van een afwikkelingscollege;
   7° de EBA;
   8° op hun verzoek en uitsluitend als waarnemer, de afwikkelingsautoriteiten van derde landen, indien een moederonderneming of een in de EER gevestigde kredietinstelling een zich in die landen bevindende dochterkredietinstelling of een bijkantoor heeft dat als significant zou worden beschouwd indien het zich in de EER bevond, en mits zij onderworpen zijn aan vertrouwelijkheidsvereisten die naar het oordeel van de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, gelijkwaardig zijn aan deze die van toepassing zijn op de afwikkelingsautoriteit.]1

  
Art.468. [1 § 1er. [3 Sans préjudice de l'article 470, l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, instaure des collèges d'autorités de résolution afin d'effectuer les tâches visées aux articles 439, 449, 450, 459 à 462, et à la section IV du présent chapitre et, le cas échéant, d'assurer la coopération et la coordination avec les autorités de résolution de pays tiers.]3
   L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, n'est pas tenue d'instaurer un collège d'autorités de résolution si d'autres groupes ou collèges assument les mêmes fonctions et effectuent les mêmes tâches que celles visées dans le présent article et respectent toutes les conditions et procédures, y compris celles relatives à la qualité de membre des collèges d'autorités de résolution et à la participation à ceux-ci, établies au présent article et à l'article 471. Dans ce cas, toutes les références faites aux collèges d'autorités de résolution dans la présente loi s'entendent également comme des références à ces autres groupes ou collèges.
   § 2. Au sein des collèges d'autorités de résolution, l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, effectue les tâches suivantes en collaboration avec les autres membres du collège :
   1° échanger des informations présentant un intérêt pour l'élaboration de plans de résolution de groupe, pour l'application aux groupes des pouvoirs préparatoires et préventifs et pour la résolution du groupe;
   2° élaborer des plans de résolution de groupe;
   3° évaluer la résolvabilité de groupes;
   4° exercer les pouvoirs visant à réduire ou à supprimer les obstacles à la résolvabilité de groupes;
   5° statuer sur la nécessité d'établir un dispositif de résolution de groupe tel que visé à la section IV du présent chapitre;
   6° conclure les accords sur le dispositif de résolution de groupe proposé conformément à la section IV du présent chapitre;
   7° coordonner la communication publique des stratégies et plans de résolution de groupe;
   8° coordonner l'utilisation des dispositifs de financement;
   9° [3 établir les exigences minimales imposées aux groupes au niveau consolidé et au niveau des filiales, conformément aux articles 459 et 460.]3
   Les collèges d'autorités de résolution peuvent servir d'enceinte pour aborder les questions liées à la résolution de groupes transnationaux.
   § 3. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, collabore étroitement avec les autres membres du collège.
   § 4. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, préside le collège des autorités de résolution. A ce titre, elle :
   1° établit les modalités et procédures écrites de fonctionnement du collège d'autorités de résolution, après avoir consulté les autres membres du collège;
   2° coordonne toutes les activités du collège d'autorités de résolution;
   3° convoque et préside toutes les réunions du collège d'autorités de résolution et informe pleinement, à l'avance, tous ses membres de la tenue des réunions, des principales questions à traiter et des points à examiner;
   4° notifie aux membres du collège d'autorités de résolution les réunions prévues afin qu'ils puissent demander à y participer;
   5° décide quels membres et observateurs sont invités à assister à des réunions spécifiques du collège d'autorités de résolution, sur la base des besoins particuliers, en tenant compte de la pertinence du sujet abordé pour ces membres et observateurs, notamment l'incidence sur la stabilité financière des Etats membres concernés, et compte tenu du droit de participation des autorités de résolution dès lors que des questions soumises à un processus décisionnel commun ou concernant une entité d'un groupe située dans leur Etat membre sont à l'ordre du jour;
   6° tient tous les membres du collège informés sans délai des décisions adoptées lors de ces réunions et des résultats de celles-ci.
   § 5. En sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, l'autorité de résolution [2 invite]2 les autorités suivantes à prendre part à un collège d'autorités de résolution institué par ses soins :
   1° les autorités de résolution étrangères de chaque Etat membre où est établie une filiale soumise à la surveillance sur base consolidée;
   2° les autorités de résolution étrangères des Etats membres où est établie l'entreprise mère d'un ou plusieurs établissements du groupe, c'est-à-dire une entité visée à l'article 424, 3° ;
   3° les autorités de résolution étrangères des Etats membres dont dépendent des filiales d'importance significative;
   4° l'autorité de surveillance sur base consolidée et les autorités compétentes des Etats membres dont l'autorité de résolution est membre du collège d'autorités de résolution;
   5° les ministères compétents, lorsqu'ils ne sont pas les autorités de résolution membres du collège d'autorités de résolution;
   6° l'autorité responsable du système de garantie des dépôts d'un Etat membre, lorsque l'autorité de résolution dudit Etat est membre du collège d'autorités de résolution;
   7° l'ABE;
   8° à leur demande, et exclusivement en tant qu'observatrices, les autorités de résolution de pays tiers, lorsqu'une entreprise mère ou un établissement de crédit établi dans l'EEE a une filiale ou une succursale qui serait considérée comme étant d'importance significative si elle était située dans l'EEE, sous réserve qu'elles soient soumises à des obligations de confidentialité qui sont équivalentes, de l'avis de l'autorité de résolution en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, à celles qui s'appliquent à l'autorité de résolution.]1

  
Art.470. [1 § 1. Indien een kredietinstelling die onder het recht van een derde land ressorteert of een moederonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, dochterondernemingen of EER-moederondernemingen heeft in België en in een of meer andere lidstaten of twee of meer bijkantoren heeft die in het licht van de beoordelingscriteria van artikel 51, lid 1, tweede alinea van Richtlijn 2013/36//EU als significant worden aangemerkt door België en door een of meer andere lidstaten, richt de afwikkelingsautoriteit samen met de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten één enkel Europees afwikkelingscollege op.
   § 2. Het Europees afwikkelingscollege voert met betrekking tot de entiteiten bedoeld in paragraaf 1 en hun bijkantoren, indien relevant voor hen, de taken uit als bedoeld in artikel 468, § 2. Tenzij hierna anders bepaald, functioneert het Europees afwikkelingscollege zoals beschreven in artikel 468.
   Een van de taken bedoeld in het voorgaande lid is het vaststellen van de in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten.
   Bij het vaststellen van het in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten houden de leden van het Europees afwikkelingscollege, in voorkomend geval, rekening met de mondiale afwikkelingsstrategie die door de autoriteiten van derde landen is goedgekeurd.
   Indien in de EER gevestigde dochterondernemingen of een EER-moederonderneming en haar dochterinstellingen volgens de mondiale afwikkelingsstrategie geen af te wikkelen entiteiten zijn en de leden van het Europees afwikkelingscollege het eens zijn met die strategie, voldoen in de EER gevestigde dochterondernemingen of, op geconsolideerde basis, de EER-moederonderneming aan het vereiste van artikel 267/5/4, § 1, door de in artikel 267/5/4, § 2, 1° en 2°, bedoelde instrumenten uit te geven aan hun uiteindelijke in een derde land gevestigde moederonderneming of aan de in datzelfde derde land gevestigde dochterondernemingen van die uiteindelijke moederonderneming of aan andere entiteiten overeenkomstig de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 1°, onder a), en 2°, onder b).
   § 3. Indien slechts één EER-moederonderneming alle EER-dochterondernemingen van een kredietinstelling van een derde land of moederonderneming van een derde land bezit, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat waar de EER-moederonderneming is gevestigd.
   Indien het voorgaande lid niet van toepassing is, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van een EER-moederonderneming of een EER-dochteronderneming met het hoogste totaalbedrag aan in haar balans opgenomen activa.
   § 4. Na onderlinge overeenstemming tussen alle betrokken partijen zijn de afwikkelingsautoriteiten niet verplicht een Europees afwikkelingscollege op te richten indien een andere groep of een ander college dezelfde functies vervult en dezelfde taken uitvoert als die welke in dit artikel zijn vermeld en alle in dit artikel en artikel 471 vastgelegde voorwaarden en procedures, met inbegrip van die inzake het lidmaatschap van en de deelname aan Europese afwikkelingscolleges, in acht neemt. In een dergelijk geval worden alle in deze wet voorkomende verwijzingen naar Europese afwikkelingscolleges tevens beschouwd als verwijzingen naar deze andere groepen of colleges.
   § 5. Onder voorbehoud van de paragrafen 3 en 4 functioneert het Europees afwikkelingscollege voor het overige overeenkomstig artikel 468.]1

  
Art.469. [1 En sa qualité d'autorité de résolution compétente pour la résolution d'entités de groupe de droit belge qui sont des filiales d'une entreprise mère dans l'EEE, l'autorité de résolution participe aux collèges d'autorités de résolution institués par l'autorité de résolution au niveau du groupe.]1
  
Art. 470. [1 § 1. Indien een kredietinstelling die onder het recht van een derde land ressorteert of een moederonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, dochterondernemingen of EER-moederondernemingen heeft in België en in een of meer andere lidstaten of twee of meer bijkantoren heeft die in het licht van de beoordelingscriteria van artikel 51, lid 1, tweede alinea van Richtlijn 2013/36//EU als significant worden aangemerkt door België en door een of meer andere lidstaten, richt de afwikkelingsautoriteit samen met de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten één enkel Europees afwikkelingscollege op.
   § 2. Het Europees afwikkelingscollege voert met betrekking tot de entiteiten bedoeld in paragraaf 1 en hun bijkantoren, indien relevant voor hen, de taken uit als bedoeld in artikel 468, § 2. Tenzij hierna anders bepaald, functioneert het Europees afwikkelingscollege zoals beschreven in artikel 468.
   Een van de taken bedoeld in het voorgaande lid is het vaststellen van de in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten.
   Bij het vaststellen van het in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten houden de leden van het Europees afwikkelingscollege, in voorkomend geval, rekening met de mondiale afwikkelingsstrategie die door de autoriteiten van derde landen is goedgekeurd.
   Indien in de EER gevestigde dochterondernemingen of een EER-moederonderneming en haar dochterinstellingen volgens de mondiale afwikkelingsstrategie geen af te wikkelen entiteiten zijn en de leden van het Europees afwikkelingscollege het eens zijn met die strategie, voldoen in de EER gevestigde dochterondernemingen of, op geconsolideerde basis, de EER-moederonderneming aan het vereiste van artikel 267/5/4, § 1, door de in artikel 267/5/4, § 2, 1° en 2°, bedoelde instrumenten uit te geven aan hun uiteindelijke in een derde land gevestigde moederonderneming of aan de in datzelfde derde land gevestigde dochterondernemingen van die uiteindelijke moederonderneming of aan andere entiteiten overeenkomstig de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 1°, onder a), en 2°, onder b).
   § 3. Indien slechts één EER-moederonderneming alle EER-dochterondernemingen van een kredietinstelling van een derde land of moederonderneming van een derde land bezit, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat waar de EER-moederonderneming is gevestigd.
   Indien het voorgaande lid niet van toepassing is, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van een EER-moederonderneming of een EER-dochteronderneming met het hoogste totaalbedrag aan in haar balans opgenomen activa.
   § 4. Na onderlinge overeenstemming tussen alle betrokken partijen zijn de afwikkelingsautoriteiten niet verplicht een Europees afwikkelingscollege op te richten indien een andere groep of een ander college dezelfde functies vervult en dezelfde taken uitvoert als die welke in dit artikel zijn vermeld en alle in dit artikel en artikel 471 vastgelegde voorwaarden en procedures, met inbegrip van die inzake het lidmaatschap van en de deelname aan Europese afwikkelingscolleges, in acht neemt. In een dergelijk geval worden alle in deze wet voorkomende verwijzingen naar Europese afwikkelingscolleges tevens beschouwd als verwijzingen naar deze andere groepen of colleges.
   § 5. Onder voorbehoud van de paragrafen 3 en 4 functioneert het Europees afwikkelingscollege voor het overige overeenkomstig artikel 468.]1

  
Art.470. [1 § 1er. Lorsqu'un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers ou une entreprise mère relevant du droit d'un pays tiers compte des filiales ou des entreprises mères dans l'EEE établies en Belgique et dans un ou plusieurs autres Etats membres ou deux succursales ou plus considérées, au regard des critères d'appréciation prévus à l'article 51, paragraphe 1er, alinéa 2 de la Directive 2013/36/UE, comme d'importance significative par la Belgique et par un ou plusieurs autres Etats membres, l'autorité de résolution instaure un collège d'autorités de résolution européennes unique avec les autorités de résolution étrangères concernées.
   § 2. Le collège d'autorités de résolution européennes accomplit les missions visées à l'article 468, § 2, à l'égard des entités visées au paragraphe 1er et, dans la mesure où ces missions sont pertinentes pour elles, à l'égard des succursales. Sauf stipulations contraires, le collège d'autorités de résolution européennes fonctionne conformément à l'article 468.
   Les missions visées à l'alinéa précédent comprennent la détermination du niveau de l'exigence visée aux articles 459 et 460.
   Lorsqu'ils déterminent le niveau de l'exigence visée aux articles 459 et 460, les membres du collège d'autorités de résolution européennes tiennent compte de la stratégie de résolution globale éventuellement adoptée par les autorités des pays tiers.
   Lorsque, conformément à la stratégie de résolution globale, les filiales établies dans l'EEE ou une entreprise mère dans l'EEE et ses établissements filiales ne sont pas des entités de résolution et que les membres du collège d'autorités de résolution européennes acceptent cette stratégie, les filiales établies dans l'EEE ou, sur une base consolidée, l'entreprise mère dans l'EEE se conforment à l'exigence visée à l'article 267/5/4, § 1er, en émettant des instruments visés à l'article 267/5/4, § 2, 1° et 2°, en faveur de leur entreprise mère ultime établie dans un pays tiers, ou les filiales de l'entreprise mère ultime établies dans le même pays tiers ou d'autres entités conformément aux conditions énoncées à l'article 267/5/4, § 2, 1°, sous a) et 2°, sous b).
   § 3. Lorsqu'une seule entreprise mère dans l'EEE détient toutes les filiales de l'EEE d'un établissement de pays tiers ou d'une entreprise mère d'un pays tiers, le collège d'autorités de résolution européennes est présidé par l'autorité de résolution de l'Etat membre où cette entreprise mère dans l'EEE est établie.
   Lorsque l'alinéa précédent ne s'applique pas, l'autorité de résolution de l'entreprise mère dans l'EEE ou de la filiale de l'EEE dont le total des actifs inscrits au bilan a la valeur la plus élevée préside le collège d'autorités de résolution européennes.
   § 4. Par accord mutuel de toutes les autorités concernées, les autorités de résolution ne sont pas tenues d'instaurer un collège d'autorités de résolution européennes si un autres groupe ou collège assume les mêmes fonctions et effectue les mêmes tâches que celles visées au présent article et respecte toutes les conditions et procédures établies au présent article et à l'article 471, y compris celles couvrant la qualité de membre et la participation à des collèges d'autorités de résolution européennes. Dans ce cas, toutes les références aux collèges d'autorités de résolution européennes, figurant dans la présente loi s'entendent également comme des références à ces autres groupes ou collèges.
   § 5. Sous réserve des paragraphes 3 et 4, les collèges d'autorités de résolution européennes fonctionnent par ailleurs conformément à l'article 468.]1

  
Art.471.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit werkt voor de afwikkeling van grensoverschrijdende groepen nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de afwikkeling van groepsentiteiten naar buitenlands recht. Daartoe verstrekken zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en delen elkaar uit eigen beweging alle essentiële informatie mee.
Section III. [1 - Echange d'informations]1
Art. 471. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit werkt voor de afwikkeling van grensoverschrijdende groepen nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de afwikkeling van groepsentiteiten naar buitenlands recht. Daartoe verstrekken zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en delen elkaar uit eigen beweging alle essentiële informatie mee.
  [2 In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, coördineert de afwikkelingsautoriteit de stroom van alle relevante informatie tussen de betrokken afwikkelingsautoriteiten en toezichthouders. Zij verstrekt de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten en toezichthouders met name tijdig alle relevante informatie met het oog op het vergemakkelijken van de uitoefening van de taken van het afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 468, § 2.]2
   § 2. De afwikkelingsautoriteit deelt met de minister van Financiën informatie over de afwikkeling van grensoverschrijdende groepen indien deze informatie verband houdt met een besluit of aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 268, § 2 en artikel 292, 5° , of die mogelijk gevolgen heeft voor de overheidsmiddelen.]1

  
Art.471. [1 § 1er. L'autorité de résolution travaille, aux fins de la résolution de groupes transfrontaliers, en étroite collaboration avec les autorités de résolution compétentes pour la résolution des entités de groupe de droit étranger. A cet effet, elles s'échangent sur demande toutes les informations pertinentes et, de leur propre initiative, toute information essentielle.
   [2 En sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, l'autorité de résolution coordonne le flux de toutes les informations pertinentes entre les autorités de résolution et les autorités de contrôle concernées. En particulier, elle transmet en temps utile aux autorités de résolution et aux autorités de contrôle étrangères toutes les informations pertinentes en vue de faciliter l'exécution des tâches du collège d'autorités de résolution visées à l'article 468, § 2.]2
   § 2. L'autorité de résolution partage avec le Ministre des Finances des informations portant sur la résolution de groupes transfrontaliers lorsqu'elles ont trait à une décision ou à une question visée à l'article 268, § 2, et à l'article 292, 5°, ou pouvant avoir des incidences sur les fonds publics.]1

  
Onderafdeling I. [1 - Groepsafwikkeling waarbij een Belgische dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming is betrokken]1
Section IV. [1 - Exigences de procédure pour la résolution de groupes transfrontaliers]1
Art.472.[1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een groepsentiteit naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming is, voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244 of 454, stelt zij de toezichthouder en de leden van het relevante afwikkelingscollege onverwijld in kennis van het volgende :
Sous-section Ire. [1 - Résolution de groupes impliquant une filiale belge d'une entreprise mère de l'EEE]1
Art. 472. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een groepsentiteit naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming is, voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244 of 454, stelt zij de toezichthouder en de leden van het relevante afwikkelingscollege onverwijld in kennis van het volgende :
   1° het besluit dat de kredietinstelling of de betrokken groepsentiteit aan de in artikel 244 of 454 gestelde voorwaarden voldoet; en
   2° de afwikkelingsmaatregelen of de liquidatieprocedure die de afwikkelingsautoriteit voor die kredietinstelling of groepsentiteit passend acht.
   § 2. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau beoordeelt de afwikkelingsautoriteit na overleg met de andere leden van het afwikkelingscollege de waarschijnlijke invloed van de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.
   § 3. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans niet doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, kan zij de aldus ter kennis gebrachte of andere maatregelen toepassen.
   § 4. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, stelt zij uiterlijk 24 uur na ontvangst van de kennisgeving op grond van paragraaf 1, een groepsafwikkelingsregeling voor die beantwoordt aan de vereisten van artikel 465, § 1, en die zij aan het afwikkelingscollege voorlegt. Zij kan de termijn van 24 uur evenwel verlengen [2 met de instemming van de afwikkelingsautoriteit die de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving heeft verricht]2.
   § 5. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het niet oneens zijn een gezamenlijk besluit over een groepsafwikkelingsregeling die de relevante groepsentiteiten bestrijkt, overeenkomstig artikel 465, § 2.]1

  
Art.472. [1 § 1er. Lorsqu'une autorité de résolution décide qu'un établissement de crédit de droit belge ou toute entité de groupe de droit belge visée à l'article 424, 2°, 3° of 4°, qui est une filiale d'une entreprise mère belge dans l'EEE, remplit les conditions énoncées à l'article 244 ou 454, ladite autorité notifie sans retard les informations suivantes à l'autorité de contrôle et aux membres du conseil d'autorités de résolution concerné :
   1° la décision constatant que l'établissement de crédit ou l'entité de groupe concernée remplit les conditions énoncées à l'article 244 ou 454; et
   2° les mesures de résolution ou la procédure de liquidation que l'autorité de résolution juge appropriées pour l'établissement de crédit ou l'entité de groupe.
   § 2. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, évalue, après consultation des autres membres du collège d'autorités de résolution, l'incidence probable des mesures notifiées conformément au paragraphe 1er sur le groupe et sur les entités du groupe dans d'autres Etats membres et, en particulier, si les mesures concernées permettraient de satisfaire aux conditions de déclenchement d'une procédure de résolution à l'égard d'une entité du groupe dans un autre Etat membre.
   § 3. Si l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, estime que les mesures notifiées conformément au paragraphe 1er ne permettraient pas de satisfaire aux conditions de résolution définies à l'article 244 ou 454 à l'égard d'une entité du groupe dans un autre Etat membre, elle peut appliquer les mesures ainsi notifiées ou d'autres mesures.
   § 4. Si l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, estime que les mesures notifiées conformément au paragraphe 1er permettraient de satisfaire aux conditions de résolution définies à l'article 244 ou 454, elle propose, au plus tard 24 heures après avoir reçu la notification en vertu du paragraphe 1er, un dispositif de résolution de groupe qui réponde aux conditions énoncées à l'article 465, § 1er, et le soumet au collège d'autorités de résolution. Ce délai de 24 heures peut toutefois être prolongé par ses soins [2 avec l'accord de l'autorité de résolution qui a procédé à la notification visée au paragraphe premier]2.
   § 5. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution de groupe, prend, en concertation avec les autorités de résolution étrangères qui n'ont pas marqué leur désaccord, une décision commune sur un dispositif de résolution de groupe couvrant les entités du groupe pertinentes, conformément à l'article 465, § 2.]1

  
Art.473. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een groepsentiteit naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat is, voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244 of 454, stelt zij de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, de consoliderende toezichthouder en de leden van het relevante afwikkelingscollege onverwijld in kennis van :
Sous-section II. [1 - Résolution de groupe en présence d'une filiale belge d'une entreprise mère dans l'EEE dans un autre Etat membre]1
Art. 473. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een groepsentiteit naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat is, voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244 of 454, stelt zij de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, de consoliderende toezichthouder en de leden van het relevante afwikkelingscollege onverwijld in kennis van :
   1° het besluit dat de kredietinstelling of de betrokken groepsentiteit aan de in artikel 244 of 454 gestelde voorwaarden voldoet; en
   2° de afwikkelings- of vereffeningsmaatregelen die de afwikkelingsautoriteit voor die kredietinstelling of groepsentiteit passend acht.
   § 2. De afwikkelingsautoriteit overlegt met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau over de waarschijnlijke invloed van de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.
   § 3. Indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans niet doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, kan de afwikkelingsautoriteit de aldus ter kennis gebrachte of andere maatregelen treffen.
   § 4. Indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, is het volgende van toepassing :
   1° de afwikkelingsautoriteit kan instemming verlenen voor het verlengen van de termijn waarbinnen de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau een groepsafwikkelingsregeling dient voor te leggen aan het afwikkelingscollege;
   2° indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau binnen een termijn van 24 uur, of een langere termijn indien dat is overeengekomen, na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1 geen beoordeling heeft verricht, kan de afwikkelingsautoriteit de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte afwikkelingsmaatregelen of andere maatregelen treffen;
   3° indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau een groepsafwikkelingsregeling heeft voorgesteld en de afwikkelingsautoriteit het daarmee eens is, treft zij samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten een gezamenlijk besluit over de afwikkelingsregeling;
   4° indien de afwikkelingsautoriteit het niet eens is met de groepsafwikkelingsregeling voorgesteld door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, of om redenen van financiële stabiliteit meent onafhankelijke afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de betrokken Belgische kredietinstelling of groepsentiteit te moeten nemen die verschillen van die welke in het kader van de regeling zijn voorgesteld, motiveert zij in detail waarom zij het daar niet mee eens is, brengt zij deze motivering ter kennis van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, en deelt zij mee welke maatregelen zij voornemens is te nemen. De afwikkelingsautoriteit houdt in haar motivering rekening met de groepsafwikkelingsplannen bedoeld in artikel 439, de mogelijke gevolgen voor de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten en de mogelijke gevolgen van de maatregelen op de andere groepsentiteiten.]1

  
Art.473. [1 § 1er. Lorsque l'autorité de résolution décide qu'un établissement de crédit de droit belge ou une entité de droit belge d'un groupe telle que visée à l'article 424, 2°, 3° ou 4° qui est une filiale d'une entreprise mère dans l'EEE dans un autre Etat membre satisfait aux conditions visées à l'article 244 ou 454, elle notifie sans retard à l'autorité de résolution au niveau de groupe, à l'autorité de surveillance sur base consolidée et aux membres du collège d'autorités de résolution considéré :
   1° la décision que l'établissement de crédit ou l'entité de groupe concernée satisfait aux conditions visées à l'article 244 ou 454; et
   2° les mesures de résolution ou de liquidation que l'autorité de résolution estime appropriées pour l'établissement de crédit ou l'entité de groupe.
   § 2. L'autorité de résolution se concerte avec l'autorité de résolution au niveau du groupe sur l'influence probable des mesures communiquées conformément au paragraphe 1er sur le groupe ou sur les entités de groupe dans d'autres Etats membres, notamment si les mesures concernées augmentent le risque qu'une entité de groupe dans un autre Etat membre satisfasse aux conditions de résolution.
   § 3. Si l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe estime que les mesures communiquées conformément au paragraphe 1er n'augmentent pas le risque qu'une entité de groupe dans un autre Etat membre satisfasse aux conditions de résolution posées à l'article 244 ou 454, l'autorité de résolution peut prendre les mesures ainsi communiquées ou d'autres mesures.
   § 4. Si l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe estime que les mesures communiquées conformément au paragraphe 1er augmentent le risque qu'une entité de groupe dans un autre Etat membre satisfasse aux conditions de résolution posées à l'article 244 ou 454, ce qui suit est d'application :
   1° l'autorité de résolution peut donner son accord pour prolonger le délai dans lequel l'autorité de résolution étrangère au niveau de groupe doit présenter un dispositif de résolution de groupe au collège d'autorités de résolution ;
   2° si l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe n'a pas effectué d'évaluation dans un délai de 24 heures, ou un délai plus long si cela a été convenu, après réception de la notification visée au paragraphe 1er, l'autorité de résolution peut prendre les mesures de résolution communiquées conformément au paragraphe 1er ou d'autres mesures ;
   3° si l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe a présenté un dispositif de résolution de groupe et que l'autorité de résolution l'approuve, elle prend avec l'autorité de résolution étrangère au niveau de groupe et avec les autorités de résolution étrangères une décision conjointe concernant le dispositif de résolution ;
   4° si l'autorité de résolution n'a pas marqué son accord sur le dispositif de résolution de groupe proposé par l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe ou si, pour des raisons de stabilité financière, elle estime devoir prendre des mesures de résolution indépendantes vis-à-vis de l'établissement de crédit ou de l'entité de groupe belge concerné différentes de celles proposées dans le dispositif, elle motive en détail les raisons pour lesquelles elle n'a pas marqué son accord, communique cette motivation à l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe et aux autorités de résolution étrangères concernées et elle communique les mesures qu'elle a l'intention de prendre. Dans sa motivation, l'autorité de résolution tient compte des plans de résolution de groupe visés à l'article 439, des conséquences éventuelles pour la stabilité financière dans les Etats membres concernés et des conséquences éventuelles des mesures sur les autres entités du groupe.]1

  
Art.474. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, kennis krijgt van een besluit als bedoeld in artikel 91, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU over een kredietinstelling of een groepsentiteit naar buitenlands recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming is, beoordeelt zij, na overleg met de andere leden van het betrokken afwikkelingscollege, de waarschijnlijke invloed van de aldus ter kennis gebrachte afwikkelings- of insolventiemaatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.
Sous-section III. [1 - Résolution de groupe en présence d'une filiale étrangère d'une entreprise mère belge dans l'EEE]1
Art. 474. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, kennis krijgt van een besluit als bedoeld in artikel 91, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU over een kredietinstelling of een groepsentiteit naar buitenlands recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming is, beoordeelt zij, na overleg met de andere leden van het betrokken afwikkelingscollege, de waarschijnlijke invloed van de aldus ter kennis gebrachte afwikkelings- of insolventiemaatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.
   § 2. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, na overleg met de andere leden van het afwikkelingscollege oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans niet doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, brengt zij de buitenlandse afwikkelingsautoriteit die de kennisgeving heeft gedaan daar onverwijld van op de hoogte.
   Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, na overleg met de andere leden van het afwikkelingscollege oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, stelt zij uiterlijk 24 uur na ontvangst van de kennisgeving op grond van paragraaf 1, een groepsafwikkelingsregeling voor die beantwoordt aan de vereisten van artikel 465, § 1, en die zij aan het afwikkelingscollege voorlegt. Zij kan de termijn van 24 uur verlengen met instemming van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit die de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1 heeft gedaan.
   § 3. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het niet oneens zijn een gezamenlijk besluit over een groepsafwikkelingsregeling die de relevante groepsentiteiten bestrijkt, overeenkomstig artikel 465, § 2.]1

  
Art.474. [1 § 1er. Lorsque l'autorité de résolution en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe a connaissance d'une décision telle que visée à l'article 91.1 de la Directive 2014/59/UE concernant un établissement de crédit ou une entité de groupe de droit étranger, tels que visés à l'article 424, 2°, 3° ou 4°, qui est une filiale d'une entreprise mère belge dans l'EEE, elle évalue, après concertation avec les autres membres du collège d'autorités de résolution concerné, l'influence probable des mesures de résolution ou d'insolvabilité ainsi communiquées sur le groupe ou sur des entités du groupe dans d'autres Etats membres, notamment si les mesures concernées augmentent le risque qu'une entité du groupe dans un autre Etat membre remplisse les conditions de résolution.
   § 2. Si l'autorité de résolution en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, après concertation avec les autres membres du collège d'autorités de résolution estime que les mesures communiquées conformément au paragraphe 1er n'augmentent pas le risque qu'une entité du groupe dans un autre Etat membre satisfasse aux conditions de résolution posées à l'article 244 ou 454, elle en informe sans tarder l'autorité de résolution étrangère qui a fait la notification.
   Si l'autorité de résolution en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, après concertation avec les autres membres du collège d'autorités de résolution estime que les mesures communiquées conformément au paragraphe 1er augmentent le risque qu'une entité du groupe dans un autre Etat membre satisfasse aux conditions de résolution posées à l'article 244 ou 454, elle propose au plus tard 24 heures après avoir reçu la notification en vertu du paragraphe 1er, au collège d'autorités de résolution un dispositif de résolution de groupe qui réponde aux exigences de l'article 465, § 1er. Elle peut prolonger le délai de 24 heures, avec l'accord de l'autorité de résolution étrangère qui a procédé à la notification visée au paragraphe 1er.
   § 3. L'autorité de résolution en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe prend avec les autorités de résolution étrangères qui n'ont pas marqué leur désaccord une décision commune sur un dispositif de résolution de groupe qui englobe les entités de groupe pertinentes, conformément à l'article 465, § 2.]1

  
Art.475. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van lid van een afwikkelingscollege, kennis krijgt van een besluit als bedoeld in artikel 91, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU over een kredietinstelling of een groepsentiteit naar buitenlands recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming is van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, overlegt zij met de andere leden van het afwikkelingscollege over de waarschijnlijke invloed van de aldus ter kennis gebrachte afwikkelings- of vereffeningsmaatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.
Sous-section IV. [1 - Résolution de groupe en présence d'une filiale étrangère d'une entreprise mère dans l'EEE dans un autre Etat membre]1
Art. 475. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van lid van een afwikkelingscollege, kennis krijgt van een besluit als bedoeld in artikel 91, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU over een kredietinstelling of een groepsentiteit naar buitenlands recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming is van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, overlegt zij met de andere leden van het afwikkelingscollege over de waarschijnlijke invloed van de aldus ter kennis gebrachte afwikkelings- of vereffeningsmaatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.
   § 2. Indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelings-voorwaarden zal voldoen en binnen de termijn van 24 uur na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in § 1 een groepsafwikkelingsregeling heeft voorgesteld, is het volgende van toepassing :
   1° indien de afwikkelingsautoriteit het eens is met de voorgestelde groepsafwikkelingsregeling, treft zij samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten een gezamenlijk besluit over de afwikkelingsregeling;
   2° indien de afwikkelingsautoriteit het niet eens is met de groepsafwikkelingsregeling voorgesteld door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, of om redenen van financiële stabiliteit meent onafhankelijke afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van een Belgische kredietinstelling of groepsentiteit naar Belgisch recht te moeten nemen die verschillen van die welke in het kader van de regeling zijn voorgesteld, motiveert zij in detail waarom zij het daar niet mee eens is, brengt zij deze motivering ter kennis van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, en deelt zij mee welke maatregelen zij voornemens is te nemen. De afwikkelingsautoriteit houdt in haar motivering rekening met de groepsafwikkelingsplannen bedoeld in artikel 439, de mogelijke gevolgen voor de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten en de mogelijke gevolgen van de maatregelen op de andere groepsentiteiten.]1

  
Art.475. [1 § 1er. Lorsque l'autorité de résolution en sa qualité de membre d'un collège d'autorités de résolution a connaissance d'une décision telle que visée à l'article 91.1 de la directive n° 2014/59/UE concernant un établissement de crédit ou une entité de groupe de droit étranger, tels que visés à l'article 424, 2°, 3° ou 4°, qui est une filiale d'une entreprise mère dans l'EEE dans un autre Etat membre, elle se concerte avec les autres membres du collège d'autorités de résolution quant à l'influence probable des mesures de résolution ou de liquidation ainsi communiquées sur le groupe ou sur des entités du groupe dans d'autres Etats membres, notamment si les mesures concernées permettraient de satisfaire aux conditions de déclenchement d'une procédure de résolution à l'égard d'une entité du groupe dans un autre Etat membre.
   § 2. Si l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe estime que les mesures communiquées conformément au paragraphe 1er augmentent le risque qu'une entité de groupe dans un autre Etat membre satisfasse aux conditions de résolution et qu'elle a proposé dans les 24 heures de la réception de la notification visée au paragraphe 1er un dispositif de résolution de groupe, ce qui suit est d'application :
   1° si l'autorité de résolution a marqué son accord sur le dispositif de résolution de groupe proposé, elle prend avec l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe et les autorités de résolution étrangères une décision commune sur le dispositif de résolution ;
   2° si l'autorité de résolution n'a pas marqué son accord sur le dispositif de résolution de groupe proposé par l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe ou qu'elle estime pour des motifs de stabilité financière devoir prendre des mesures de résolution indépendantes vis-à-vis d'un établissement de crédit belge ou d'une entité de groupe de droit belge qui sont différentes de celles proposées dans le cadre du dispositif, elle motive en détail les raisons pour lesquelles elle n'a pas marqué son accord, elle communique cette motivation à l'autorité de résolution étrangère au niveau de groupe et aux autorités de résolution étrangères concernées et communique les mesures qu'elle a l'intention de prendre. Dans sa motivation, l'autorité de résolution tient compte des plans de résolution de groupe visés à l'article 439, des conséquences éventuelles pour la stabilité financière dans les Etats membres concernés et des conséquences éventuelles des mesures sur d'autres entités du groupe.]1

  
Art.476. [1 § 1. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, besluit dat een Belgische EER-moederonderneming voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 244 of 454, stelt zij de toezichthouder en de andere leden van het betrokken afwikkelingscollege onverwijld in kennis van het volgende :
Sous-section V. [1 - Résolution de groupe en présence d'une entreprise mère belge dans l'EEE]1
Art. 476. [1 § 1. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, besluit dat een Belgische EER-moederonderneming voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 244 of 454, stelt zij de toezichthouder en de andere leden van het betrokken afwikkelingscollege onverwijld in kennis van het volgende :
   1° het besluit dat de moederonderneming aan de in artikel 244 of 454 gestelde voorwaarden voldoet; en
   2° de afwikkelings- of vereffeningsmaatregelen die de afwikkelingsautoriteit voor die moederonderneming passend acht.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde afwikkelings- of insolventiemaatregelen kunnen een groepsafwikkelingsregeling omvatten in één of meer van de volgende omstandigheden :
   1° de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen op het niveau van de moederonderneming maken het aannemelijk dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen;
   2° de maatregelen op het niveau van de moederonderneming volstaan niet om de situatie stabiel te maken of zullen wellicht geen optimaal resultaat opleveren;
   3° een of meer dochterondernemingen voldoen naar het oordeel van de voor deze dochterondernemingen bevoegde afwikkelingsautoriteiten aan de afwikkelingsvoorwaarden; of
   4° de maatregelen op groepsniveau komen de dochterondernemingen van de groep op zodanige wijze ten goede dat een groepsafwikkelingsregeling passend wordt.
   § 3. Indien de maatregelen die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, krachtens paragraaf 1 heeft voorgesteld, geen groepsafwikkelingsplan omvatten, neemt zij haar besluit na raadpleging van de leden van het afwikkelingscollege.
   Dit besluit houdt rekening met de financiële stabiliteit van de betrokken lidstaten en met en geeft gevolg aan de in artikel 439 bedoelde groepsafwikkelingsplannen, tenzij de afwikkelingsautoriteiten, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, van oordeel zijn dat de doelstellingen op doeltreffender wijze kunnen worden verwezenlijkt door maatregelen waarin de afwikkelingsplannen niet voorzien.;
   § 4. Indien de maatregelen die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, krachtens paragraaf 1 heeft voorgesteld, een groepsafwikkelingsregeling omvatten, neemt zij samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het niet oneens zijn een gezamenlijk besluit, overeenkomstig artikel 465, § 2.]1

  
Art.476. [1 § 1er. Si l'autorité de résolution en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe décide qu'une entreprise mère belge dans l'EEE remplit les conditions fixées à l'article 244 ou 454, elle informe sans tarder l'autorité de contrôle et les autres membres du collège d'autorités de résolution concerné de ce qui suit :
   1° de la décision que l'entreprise mère remplit les conditions fixées à l'article 244 ou 454; et
   2° des mesures de résolution ou de liquidation que l'autorité de résolution estime adéquates pour l'entreprise mère.
   § 2. Les mesures de résolution ou d'insolvabilité visées au paragraphe 1er peuvent comporter un dispositif de résolution de groupe dans tous les cas suivants :
   1° les mesures au niveau de l'entreprise mère notifiées conformément au paragraphe 1er permettent de satisfaire aux conditions de résolution à l'égard d'une entité de groupe dans un autre Etat membre ;
   2° les mesures au niveau de l'entreprise mère ne suffisent pas à stabiliser la situation ou ne sont pas susceptibles de produire un résultat optimal ;
   3° une ou plusieurs filiales remplissent les conditions de résolution selon un constat effectué par les autorités de résolution responsables de ces filiales ; ou
   4° les mesures au niveau du groupe bénéficieront aux filiales du groupe d'une manière qui rend approprié un dispositif de résolution de groupe.
   § 3. Lorsque les mesures envisagées par l'autorité de résolution en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe en vertu du paragraphe 1er ne comprennent pas de plan de résolution de groupe, elle prend sa décision après consultation des membres du collège d'autorités de résolution.
   Cette décision prend en compte la stabilité financière des Etats membres concernés et prend en considération les plans de résolution de groupe visés à l'article 439 et se conforme à ces plans à moins que les autorités de résolution n'estiment, compte tenu des circonstances de l'espèce, que les objectifs de résolution seront mieux réalisés en prenant des mesures qui ne sont pas prévues dans les plans de résolution..
   § 4. Si les mesures proposées par l'autorité de résolution en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe conformément au paragraphe 1er comprennent un dispositif de résolution de groupe, elle prend avec les autorités de résolution étrangères qui n'ont pas marqué leur désaccord une décision commune conformément à l'article 465, § 2.]1

  
Art.477. [1 Wanneer een buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de afwikkelingsautoriteit ervan in kennis stelt dat een EER-moederonderneming in een andere lidstaat aan de voorwaarden voor afwikkeling voldoet, is het volgende van toepassing :
Sous-section VI. [1 - Résolution de groupe en présence d'une entreprise mère dans l'EEE dans un autre Etat membre]1
Art. 477. [1 Wanneer een buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de afwikkelingsautoriteit ervan in kennis stelt dat een EER-moederonderneming in een andere lidstaat aan de voorwaarden voor afwikkeling voldoet, is het volgende van toepassing :
   1° de afwikkelingsautoriteit kan de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de andere leden van het afwikkelingscollege ervan in kennis stellen dat, naar haar oordeel, een of meer Belgische dochterondernemingen van dezelfde groep eveneens aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden voldoen;
   2° indien de door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau voorgestelde maatregel geen groepsafwikkelingsregeling omvat, neemt de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau haar besluit na overleg met de leden van het afwikkelingscollege;
   3° indien de door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau voorgestelde maatregel een groepsafwikkelingsregeling omvat, treft de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het daarmee eens zijn een gezamenlijk besluit over de afwikkelingsregeling;
   4° indien de afwikkelingsautoriteit het niet eens is met de groepsafwikkelingsregeling voorgesteld door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, of om redenen van financiële stabiliteit meent onafhankelijke afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de betrokken kredietinstelling naar Belgisch recht of groepsentiteit te moeten nemen die verschillen van die welke in het kader van de regeling zijn voorgesteld, motiveert zij in detail waarom zij het daar niet mee eens is, brengt zij deze motivering ter kennis van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, en deelt zij mee welke maatregelen zij voornemens is te nemen. De afwikkelingsautoriteit houdt in haar motivering rekening met de groepsafwikkelingsplannen bedoeld in artikel 439, de mogelijke gevolgen voor de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten en de mogelijke gevolgen van de maatregelen op de andere groepsentiteiten.]1

  
Art.477. [1 Lorsqu'une autorité de résolution étrangère au niveau du groupe notifie à l'autorité de résolution qu'une entreprise mère dans l'EEE dans un autre Etat membre satisfait aux conditions de résolution, ce qui suit s'applique :
   1° l'autorité de résolution peut notifier à l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe et aux autres membres du collège d'autorités de résolution qu'à son estime, une ou plusieurs filiales belges du même groupe remplissent également les conditions de résolution visées à l'article 244 ou 454;
   2° si la mesure proposée par l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe ne comporte pas de dispositif de résolution de groupe, l'autorité de résolution de groupe étrangère prend sa décision après concertation avec les membres du collège d'autorités de résolution;
   3° si la mesure proposée par l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe comporte un dispositif de résolution de groupe, l'autorité de résolution prend avec l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe et avec les autorités de résolution étrangères qui ont marqué leur accord une décision commune concernant le dispositif de résolution.
   4° si l'autorité de résolution n'a pas marqué son accord sur le dispositif de résolution de groupe proposé par l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe ou si elle estime, pour des raisons de stabilité financière, devoir prendre vis-à-vis de l'établissement de crédit de droit belge ou de l'entité de groupe concerné des mesures de résolution indépendantes autres que celles proposées dans le cadre du dispositif, elle motive en détail les raisons pour lesquelles elle n'a pas marqué son accord, elle notifie cette motivation à l'autorité de résolution étrangère au niveau de groupe et aux autorités de résolution étrangères concernées et elle communique les mesures qu'elle a l'intention de prendre. Dans sa motivation, l'autorité de résolution tient compte des plans de résolution de groupe visés à l'article 439, des conséquences éventuelles pour la stabilité financière dans les Etats membres concernés et des conséquences éventuelles des mesures sur les autres entités du groupe.]1

  
Art.478. [1 Dit Hoofdstuk is van toepassing op de erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen en de samenwerking met derde landen, tenzij en totdat een internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 93, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU met het betrokken derde land in werking treedt.
CHAPITRE VII. [1 - Relations avec des pays tiers]1
Art.479. [1 § 1. Indien er in overeenstemming met artikel 470 een Europees afwikkelingscollege is opgericht, neemt de afwikkelingsautoriteit samen met de andere leden van dat afwikkelingscollege een gezamenlijk besluit over de erkenning, behoudens het bepaalde in artikel 483, van afwikkelingsprocedures van derde landen met betrekking tot een kredietinstelling of een moederonderneming van een derde land die :
   1° EER-dochterkredietinstellingen of als significant erkende bijkantoren heeft die gevestigd zijn in België en één of meer andere lidstaten; of
   2° activa, rechten of passiva in of vallend onder het recht van België en één of meer andere lidstaten heeft.
   § 2. Indien er een gezamenlijk besluit over de erkenning van de afwikkelingsprocedures van een derde land wordt bereikt, zorgt de afwikkelingsautoriteit er voor dat de erkende afwikkelingsprocedures van derde landen in overeenstemming met deze wet wordt gehandhaafd in België.
   § 3. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit van de afwikkelingsautoriteiten die in het Europees afwikkelingscollege participeren, of indien er geen Europees afwikkelingscollege is, besluit de afwikkelingsautoriteit over de erkenning en handhaving, behoudens het bepaalde in artikel 483, van de afwikkelingsprocedures van een derde land met betrekking tot een kredietinstelling of moederonderneming van een derde land.
   Dat besluit houdt terdege rekening met de belangen van elke afzonderlijke lidstaat waar een kredietinstelling of moederonderneming van een derde land actief is, en met name met de mogelijke effecten van de erkenning en handhaving van de afwikkelingsprocedures van een derde land op de andere onderdelen van de groep en de financiële stabiliteit in die lidstaten.]1

  
Art.478. [1 Le présent chapitre est applicable à la reconnaissance et à l'exécution de procédures de résolution avec des pays tiers, tant que et dans la mesure où un accord international tel que visé à l'article 93, paragraphe 1er, de la directive n° 2014/59/UE n'est pas entré en vigueur avec le pays tiers concerné.
   Il s'applique également à la suite de l'entrée en vigueur d'un tel accord international avec le pays tiers concerné, dans la mesure où la reconnaissance et l'exécution de procédures de résolution de pays tiers et la coopération avec des pays tiers ne sont pas régies par ledit accord.]1

  
Art.480. [1 De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de in de artikelen 276 tot 281 bedoelde afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen ten aanzien van :
   1° [2 activa van een kredietinstelling of moederonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, die zich in België bevinden of onder het Belgische recht vallen]2;
   2° [2 rechten of verplichtingen van een kredietinstelling die onder het recht van een derde land ressorteert, die door haar in België gevestigde bijkantoor zijn geboekt, onder het Belgische recht vallen, dan wel ingeval met dergelijke rechten en verplichtingen samenhangende vorderingen in België afdwingbaar zijn]2;
   3° aandelen of eigendomsinstrumenten van een in België gevestigde EER-dochterkredietinstelling;
   4° rechten van elke partij bij een contract met een in artikel 479, § 1 bedoelde entiteit, indien die bevoegdheden nodig zijn om de afwikkelingsprocedures van derde landen te handhaven; en
   5° rechten om contracten te beëindigen, te liquideren of versneld uit te voeren van, of afbreuk te doen aan de contractuele rechten van entiteiten als bedoeld in artikel 479, § 1 en andere groepsentiteiten, indien die rechten voortvloeien uit afwikkelingshandelingen met betrekking tot de instellingen uit derde landen, de moederondernemingen van dergelijke entiteiten of andere groepsentiteiten, van hetzij de afwikkelingsautoriteit van het derde land in kwestie, hetzij krachtens de wettelijke of regelgevingsvereisten op het gebied van afwikkeling in dat land, mits bij voortduring aan de materiële verplichtingen uit hoofde van het contract, daaronder begrepen de betalings- en leveringsverplichtingen, wordt voldaan en het verschaffen van zekerheden wordt voortgezet.]1

  [3 Indien meerdere afwikkelingsautoriteiten voornemens zijn om krachtens artikel 280, § 2, of krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/59/EU een bijzondere bestuurder te benoemen bij een entiteit binnen een groep, overwegen zij of het passender zou zijn om éénzelfde bijzondere bestuurder voor alle betrokken entiteiten te benoemen om het herstel van de financiële soliditeit van de betrokken entiteiten te vergemakkelijken.]3
  [4 Voor de toepassing van het eerste lid, 3° is een EER-dochterkredietinstelling een kredietinstelling die een dochteronderneming is van een kredietinstelling van een derde land of van een moederonderneming van een derde land.]4
  
Art.479. [1 § 1er. Si, conformément à l'article 470, un collège d'autorités de résolution européennes est mis sur pied, l'autorité de résolution prend, sans préjudice de l'article 483, avec les autres membres de ce collège d'autorités de résolution une décision commune sur la reconnaissance de procédures de résolutions de pays tiers relatives à un établissement de crédit ou à une entreprise mère d'un pays tiers qui :
   1° possède des établissements de crédit filiales dans l'EEE ou des succursales considérées comme d'importance significative établies en Belgique et dans un ou plusieurs Etats membres; ou
   2° possède des actifs, droits ou engagements situés en Belgique et dans un ou plusieurs autres Etats membres ou qui sont régis par le droit belge et le droit d'un ou plusieurs autres Etats membres.
   § 2. Lorsqu'une décision commune sur la reconnaissance des procédures de résolution d'un pays tiers est adoptée, l'autorité de résolution assure l'exécution en Belgique des procédures de résolution reconnues d'un pays tiers conformément à la présente loi.
   § 3. En l'absence de décision commune entre les autorités de résolution qui participent au collège d'autorités de résolution européennes, ou en l'absence de collège d'autorités de résolution européennes, l'autorité de résolution concernée prend, sans préjudice de l'article 483, une décision sur la reconnaissance et l'exécution,, des procédures de résolution d'un pays tiers relatives à un établissement ou une entreprise mère dans un pays tiers.
   Cette décision tient dûment compte des intérêts de chaque Etat membre dans lequel un établissement de crédit ou une entreprise mère d'un pays tiers opère, et notamment de l'incidence potentielle de la reconnaissance et de l'exécution des procédures de résolution d'un pays tiers sur les autres parties du groupe et sur la stabilité financière dans ces Etats membres.]1

  
Art. 480. [1 De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de in de artikelen 276 tot 281 bedoelde afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen ten aanzien van :
   1° [2 activa van een kredietinstelling of moederonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, die zich in België bevinden of onder het Belgische recht vallen]2;
   2° [2 rechten of verplichtingen van een kredietinstelling die onder het recht van een derde land ressorteert, die door haar in België gevestigde bijkantoor zijn geboekt, onder het Belgische recht vallen, dan wel ingeval met dergelijke rechten en verplichtingen samenhangende vorderingen in België afdwingbaar zijn]2;
   3° aandelen of eigendomsinstrumenten van een in België gevestigde EER-dochterkredietinstelling;
   4° rechten van elke partij bij een contract met een in artikel 479, § 1 bedoelde entiteit, indien die bevoegdheden nodig zijn om de afwikkelingsprocedures van derde landen te handhaven; en
   5° rechten om contracten te beëindigen, te liquideren of versneld uit te voeren van, of afbreuk te doen aan de contractuele rechten van entiteiten als bedoeld in artikel 479, § 1 en andere groepsentiteiten, indien die rechten voortvloeien uit afwikkelingshandelingen met betrekking tot de instellingen uit derde landen, de moederondernemingen van dergelijke entiteiten of andere groepsentiteiten, van hetzij de afwikkelingsautoriteit van het derde land in kwestie, hetzij krachtens de wettelijke of regelgevingsvereisten op het gebied van afwikkeling in dat land, mits bij voortduring aan de materiële verplichtingen uit hoofde van het contract, daaronder begrepen de betalings- en leveringsverplichtingen, wordt voldaan en het verschaffen van zekerheden wordt voortgezet.]1

  [3 Indien meerdere afwikkelingsautoriteiten voornemens zijn om krachtens artikel 280, § 2, of krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/59/EU een bijzondere bestuurder te benoemen bij een entiteit binnen een groep, overwegen zij of het passender zou zijn om éénzelfde bijzondere bestuurder voor alle betrokken entiteiten te benoemen om het herstel van de financiële soliditeit van de betrokken entiteiten te vergemakkelijken.]3
  [4 Voor de toepassing van het eerste lid, 3° is een EER-dochterkredietinstelling een kredietinstelling die een dochteronderneming is van een kredietinstelling van een derde land of van een moederonderneming van een derde land.]4
  
Art.480. [1 L'autorité de résolution est compétente pour exercer les pouvoirs de résolution prévus aux articles 276 à 281 concernant :
   1° [2 les actifs d'un établissement de crédit ou d'une entreprise mère relevant du droit d'un pays tiers, qui sont situés en Belgique ou régis par le droit belge]2;
   2° [2 les droits ou des engagements d'un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers qui sont inscrits dans ses comptes par sa succursale située en Belgique, sont régis par le droit belge, ou auxquels des créances liées à ces droits et engagements sont exécutées en Belgique;]2;
   3° les actions ou des instruments de propriété d'un établissement de crédit filiale dans l'EEE établi en Belgique;
   4° les droits de toute partie à un contrat avec une entité visée à l'article 479, § 1er, si ces pouvoirs sont nécessaires pour exécuter les procédures de résolution de pays tiers; et
   5° les droits de procéder à la résiliation, à la liquidation ou à l'anticipation de l'échéance d'un contrat ou d'affecter les droits contractuels d'entités telles que visées à l'article 479, § 1er, et d'autres entités du groupe si ces droits découlent de mesures de résolution prises à l'égard des établissements de pays tiers, des entreprises mères de ces entités ou d'autres entités d'un groupe, que ce soit par l'autorité de résolution du pays tiers en question ou conformément à des exigences juridiques ou réglementaires relatives aux mécanismes de résolution dans ce pays, pour autant que les obligations essentielles au titre du contrat, notamment les obligations de paiement et de livraison, ainsi que la fourniture d'une garantie, continuent d'être assurées.]1

  [3 Si plusieurs autorités de résolution envisagent de nommer en vertu de l'article 280, § 2, ou en vertu de l'article 35 de la Directive 2014/59/UE un administrateur spécial pour une entité affiliée à un groupe, elles vérifient s'il n'est pas plus approprié de nommer le même administrateur spécial pour toutes les entités concernées, afin de faciliter la mise en oeuvre de solutions permettant de rétablir la solidité financière des entités concernées.]3
  [4 Pour l'application de l'alinéa 1er, 3° un établissement de crédit filiale dans l'EEE est un établissement de crédit qui est une filiale d'un établissement de crédit dans un pays tiers ou d'une entreprise mère dans un pays tiers.]4
  
Art. 481. [1 De afwikkelingsautoriteit kan, indien nodig ter behartiging van het algemeen belang, afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een Belgische moederonderneming als de betrokken autoriteit van een derde land van oordeel is dat een kredietinstelling die in dat derde land gevestigd is, aan de voorwaarden voor afwikkeling uit hoofde van de wetgeving van dat derde land voldoet.
   Daartoe is de afwikkelingsautoriteit bevoegd om het even welke afwikkelingsbevoegdheid ten aanzien van de Belgische moederonderneming uit te oefenen, en is artikel 287 van toepassing.]1

  
Art.481. [1 L'autorité de résolution peut, lorsque cela est nécessaire dans l'intérêt général, prendre des mesures de résolution à l'égard d'une entreprise mère belge lorsque l'autorité du pays tiers concernée estime qu'un établissement qui est constitué dans ce pays tiers remplit les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution en vertu du droit de ce pays tiers.
   A cette fin, l'autorité de résolution est habilitée à utiliser toute compétence de résolution vis-à-vis de l'entreprise mère belge, l'article 287 étant d'application.]1

  
Art.483. [1 De afwikkelingsautoriteit mag, na raadpleging van de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, indien een Europees afwikkelingscollege is opgericht, krachtens artikel 479 weigeren om afwikkelingsprocedures van derde landen te erkennen of te handhaven, indien zij van oordeel is :
   1° dat de afwikkelingsprocedures van een derde land nadelige gevolgen zou hebben voor de financiële stabiliteit van België, of dat de procedures nadelige gevolgen zouden hebben voor de financiële stabiliteit in een andere lidstaat;
   2° [2 dat een afwikkelingsmaatregel uit hoofde van artikel 484 met betrekking tot een Belgisch bijkantoor van een kredietinstelling of beursvennootschap die onder het recht van een derde land ressorteert, noodzakelijk is om een of meer afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken]2;
   3° dat schuldeisers, onder wie met name deposanten die in een lidstaat zijn gevestigd of moeten worden betaald, in het kader van een afwikkelingsprocedure van het derde land niet op dezelfde wijze worden behandeld als schuldeisers en deposanten met vergelijkbare wettelijke rechten krachtens de binnenlandse afwikkelingsprocedures van het derde land;
   4° dat de erkenning of handhaving van de afwikkelingsprocedures van een derde land ingrijpende begrotingsgevolgen voor België zou hebben; of
   5° dat de gevolgen van de erkenning of handhaving in strijd zouden zijn met de nationale wetgeving.]1

  
Art.482. [1 La reconnaissance et l'exécution de procédures de résolution de pays tiers ne portent pas préjudice à l'application des procédures de liquidation.]1
  
Art.484. [1 § 1. [2 De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om een maatregel te nemen ten aanzien van een Belgisch bijkantoor van een kredietinstelling of beursvennootschap die onder het recht van een derde land ressorteert indien zij niet het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure met toepassing van het recht van het derde land of indien deze procedure onder artikel 483 valt. Artikel 287 is van toepassing op de uitoefening van deze bevoegdheid]2.
   § 2. De afwikkelingsautoriteit mag de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1 uitoefenen indien zij oordeelt dat een maatregel noodzakelijk is in het algemeen belang en aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan :
   1° [2 het Belgische bijkantoor van een kredietinstelling of beursvennootschap die onder het recht van een derde land ressorteert, vervult niet langer, of vervult waarschijnlijk niet langer, de respectievelijk door de artikelen 333 en 336 en 603 en 605 opgelegde voorwaarden voor het verlenen van de vergunning en de uitoefening van de werkzaamheden in België, en het valt niet te verwachten dat een maatregel van de particuliere sector, een toezichthouder of de autoriteiten van het betrokken derde land ervoor zou zorgen dat het bijkantoor opnieuw aan de voorwaarden voldoet, dan wel het in gebreke blijven van het bijkantoor binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen]2;
   2° de kredietinstelling van het derde land is, naar het oordeel van de afwikkelingsautoriteit, niet bereid of niet in staat of waarschijnlijk niet in staat te voldoen aan haar verplichtingen jegens schuldeisers uit de EER of aan via het bijkantoor ontstane of geboekte verplichtingen wanneer deze opeisbaar worden, en de afwikkelingsautoriteit is ervan overtuigd dat er ten aanzien van die instelling van het derde land binnen een redelijke termijn geen afwikkelingsprocedures of liquidatieprocedures van een derde land zijn geopend of zullen worden geopend;
   3° de betrokken afwikkelingsautoriteit van een derde land heeft afwikkelingsprocedures van een derde land ten aanzien van de kredietinstelling van het derde land geopend, of heeft de afwikkelingsautoriteit in kennis gesteld van haar voornemen om een dergelijke procedure te openen.
   § 3. Indien de afwikkelingsautoriteit een onafhankelijke maatregel met betrekking tot een Belgisch EER-bijkantoor treft, houdt zij rekening met de afwikkelingsdoelstellingen en treft zij de maatregel overeenkomstig de volgende beginselen en vereisten, voor zover deze relevant zijn :
   1° de in artikel 245 vastgelegde beginselen;
   2° de vereisten van Boek II, Titel VIII, Hoofdstuk V met betrekking tot de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten.]1

  
Art.483. [1 [2 L'autorité de résolution, après avoir consulté les autorités de résolution étrangères lorsqu'un collège d'autorités de résolution européennes est institué, peut, en application de l'article 479, refuser de reconnaître ou d'exécuter des procédures de résolution de pays tiers si elle considère]2 :
   1° que les procédures de résolution d'un pays tiers auraient des effets négatifs sur la stabilité financière de la Belgique, ou que lesdites procédures auraient des effets négatifs sur la stabilité financière dans un autre Etat membre
   2° [2 qu'il est nécessaire de prendre une mesure de résolution au titre de l'article 484 vis-à-vis d'une succursale belge d'un établissement de crédit ou d'une société de bourse relevant du droit d'un pays tiers pour réaliser un ou plusieurs des objectifs de la résolution]2;
   3° que les créanciers, notamment les déposants situés ou payables dans un Etat membre, ne jouiraient pas du même traitement dans le cadre d'une procédure de résolution du pays tiers que les créanciers et les déposants de pays tiers ayant des droits similaires dans le cadre de la procédure de résolution interne du pays tiers;
   4° que la reconnaissance ou l'exécution des procédures de résolution d'un pays tiers aurait des incidences budgétaires déterminantes pour la Belgique; ou
   5° que les effets de cette reconnaissance ou de cette exécution seraient contraires au droit national.]1

  
Art. 484. [1 § 1. [2 De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om een maatregel te nemen ten aanzien van een Belgisch bijkantoor van een kredietinstelling of beursvennootschap die onder het recht van een derde land ressorteert indien zij niet het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure met toepassing van het recht van het derde land of indien deze procedure onder artikel 483 valt. Artikel 287 is van toepassing op de uitoefening van deze bevoegdheid]2.
   § 2. De afwikkelingsautoriteit mag de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1 uitoefenen indien zij oordeelt dat een maatregel noodzakelijk is in het algemeen belang en aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan :
   1° [2 het Belgische bijkantoor van een kredietinstelling of beursvennootschap die onder het recht van een derde land ressorteert, vervult niet langer, of vervult waarschijnlijk niet langer, de respectievelijk door de artikelen 333 en 336 en 603 en 605 opgelegde voorwaarden voor het verlenen van de vergunning en de uitoefening van de werkzaamheden in België, en het valt niet te verwachten dat een maatregel van de particuliere sector, een toezichthouder of de autoriteiten van het betrokken derde land ervoor zou zorgen dat het bijkantoor opnieuw aan de voorwaarden voldoet, dan wel het in gebreke blijven van het bijkantoor binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen]2;
   2° de kredietinstelling van het derde land is, naar het oordeel van de afwikkelingsautoriteit, niet bereid of niet in staat of waarschijnlijk niet in staat te voldoen aan haar verplichtingen jegens schuldeisers uit de EER of aan via het bijkantoor ontstane of geboekte verplichtingen wanneer deze opeisbaar worden, en de afwikkelingsautoriteit is ervan overtuigd dat er ten aanzien van die instelling van het derde land binnen een redelijke termijn geen afwikkelingsprocedures of liquidatieprocedures van een derde land zijn geopend of zullen worden geopend;
   3° de betrokken afwikkelingsautoriteit van een derde land heeft afwikkelingsprocedures van een derde land ten aanzien van de kredietinstelling van het derde land geopend, of heeft de afwikkelingsautoriteit in kennis gesteld van haar voornemen om een dergelijke procedure te openen.
   § 3. Indien de afwikkelingsautoriteit een onafhankelijke maatregel met betrekking tot een Belgisch EER-bijkantoor treft, houdt zij rekening met de afwikkelingsdoelstellingen en treft zij de maatregel overeenkomstig de volgende beginselen en vereisten, voor zover deze relevant zijn :
   1° de in artikel 245 vastgelegde beginselen;
   2° de vereisten van Boek II, Titel VIII, Hoofdstuk V met betrekking tot de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten.]1

  
Art.484. [1 § 1er. [2 L'autorité de résolution est habilitée à prendre une mesure vis-à-vis d'une succursale belge d'un établissement de crédit ou d'une société de bourse relevant du droit d'un pays tiers lorsqu'elle ne fait pas l'objet d'une procédure de résolution en application du droit du pays tiers ou qu'une telle procédure fait l'objet de l'article 483. L'article 287 est applicable à l'exercice de tels pouvoirs]2.
   § 2. L'autorité de résolution peut exercer la compétence visée au paragraphe 1er si elle estime qu'une mesure est nécessaire dans l'intérêt général et qu'une ou plusieurs des conditions suivantes sont remplies :
   1° [2 la succursale belge d'un établissement de crédit ou d'une société de bourse relevant du droit d'un pays tiers ne remplit plus, ou risque de ne plus remplir, les conditions d'agrément et d'activité en Belgique imposées respectivement par les article 333 et 336 et 603 et 605 et il n'existe aucune perspective qu'une action de nature privée, prudentielle ou prise par les autorités du pays tiers concerné puisse, dans un délai raisonnable, ramener la succursale à la conformité ou empêcher sa défaillance]2;
   2° l'autorité de résolution estime que l'établissement de crédit du pays tiers est ou risque d'être dans l'incapacité d'honorer ou n'est pas disposé à honorer ses obligations envers les créanciers de l'EEE ou les obligations créées ou enregistrées via sa succursale, à mesure qu'elles viennent à échéance, et qu'aucune procédure de résolution ou de liquidation d'un pays tiers n'a été ou ne sera lancée vis-à-vis dudit établissement dans un pays tiers dans un délai raisonnable;
   3° l'autorité de résolution concernée d'un pays tiers a lancé des procédures de résolution d'un pays tiers à l'encontre de l'établissement de crédit du pays tiers ou a notifié à l'autorité de résolution son intention de lancer une telle procédure.
   § 3. Si l'autorité de liquidation prend une mesure indépendante concernant une succursale belge dans l'EEE, elle tient compte des objectifs de résolution et elle prend la mesure conformément aux principes et exigences suivants, pour autant qu'ils soient pertinents :
   1° les principes fixés à l'article 245;
   2. les exigences du livre II, titre VIII, chapitre V, relatives à l'application des instruments de résolution.]1

  
Art. 485. [1 § 1. Wanneer zulks passend is, sluiten de bevoegde autoriteiten of de afwikkelingsautoriteit niet-bindende samenwerkingsovereenkomsten met derde landen die in de lijn liggen van de kaderovereenkomsten die de EBA heeft opgesteld met toepassing van artikel 97, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU.
   Dit artikel belet niet dat de bevoegde autoriteiten bilaterale of multilaterale overeenkomsten met derde landen sluiten overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
   § 2. Overeenkomstig dit artikel gesloten samenwerkingsovereenkomsten met derde landen kunnen bepalingen bevatten met betrekking tot de volgende aangelegenheden :
   1° de uitwisseling van de informatie die nodig is voor het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen;
   2° overleg en samenwerking bij het opstellen van afwikkelingsplannen, met inbegrip van beginselen voor de uitoefening van bevoegdheden op grond van dit Hoofdstuk en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde bevoegdheden;
   3° de uitwisseling van de informatie die nodig is voor de toepassing van afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde bevoegdheden;
   4° vroegtijdige waarschuwing van of overleg met partijen bij de samenwerkingsovereenkomst voordat een belangrijke maatregel uit hoofde van deze wet of het recht van het betrokken derde land wordt genomen die de instelling of de groep treft waarop de overeenkomst betrekking heeft;
   5° de coördinatie van openbare communicatie in geval van gezamenlijke afwikkelingsmaatregelen;
   6° procedures en regelingen om overeenkomstig de punten 1° tot en met 5° informatie uit te wisselen en samen te werken, onder meer, in voorkomend geval, door crisismanagementgroepen op te zetten en te beheren.
   § 3. De bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteit stellen de EBA in kennis van elke samenwerkingsregeling die zij overeenkomstig dit artikel hebben gesloten.]1

  
Art.485. [1 § 1er. Le cas échéant, les autorités compétentes ou l'autorité de résolution concluent des arrangements de coopération non contraignants avec des pays tiers en conformité avec les accords-cadres que l'ABE a établis en application de l'article 97, paragraphe 2, de la directive n° 2014/59/UE.
   Le présent article n'empêche pas les autorités compétentes de conclure des accords bilatéraux ou multilatéraux avec des pays tiers conformément à l'article 33 du Règlement (UE) n° 1093/2010.
   § 2. Les accords de coopération conclus avec des pays tiers conformément au présent article peuvent contenir des dispositions portant sur les points suivants :
   1° l'échange des informations nécessaires à la préparation et à l'actualisation des plans de résolution;
   2° la consultation et la coopération en vue de l'élaboration des plans de résolution, y compris les principes d'exercice des pouvoirs sur la base du présent chapitre et des pouvoirs similaires prévus par la législation des pays tiers concernés;
   3° l'échange des informations nécessaires à l'application des instruments de résolution et à l'exercice des pouvoirs de résolution et des pouvoirs similaires prévus par la législation des pays tiers concernés;
   4° l'avertissement précoce ou la consultation des parties à l'accord de coopération avant de prendre toute mesure significative au titre de la présente loi ou de la législation du pays tiers liée à l'accord qui s'applique à l'établissement ou au groupe.
   5° la coordination de la communication publique en cas de mesures de résolution conjointes;
   6° les procédures et accords en matière d'échange d'informations et de coopération conformément aux points 1° à 5°, y compris, le cas échéant, via la mise en place et l'utilisation de groupes de gestion de crise.
   § 3. Les autorités compétentes et l'autorité de résolution notifient à l'ABE tout accord de coopération qu'elles ont conclu conformément au présent article.]1

  
Titel I.
Livre XII.
HOOFDSTUK I.
Titre Ier.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE Ier.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
HOOFDSTUK I.
Titre II.
Afdeling I.
CHAPITRE Ier.
Onderafdeling I.
Section Ire.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling I.
Section II.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Onderafdeling IV.
Sous-section IV.
Onderafdeling V.
Sous-section V.
Onderafdeling VI.
Sous-section VI.
Onderafdeling VII.
Sous-section VII.
Onderafdeling VIII.
Sous-section VIII.
Afdeling I.
CHAPITRE II.
Afdeling I.
Section Ire.
Afdeling II.
Section II.
Onderafdeling I.
Section III.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Onderafdeling IV.
Sous-section IV.
Onderafdeling V.
Sous-section V.
Onderafdeling VI.
Sous-section VI.
Onderafdeling VII.
Sous-section VII.
Onderafdeling VIII.
Sous-section VIII.
Onderafdeling I.
Section IV.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Onderafdeling IV.
Sous-section IV.
Onderafdeling I.
Section V.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Onderafdeling IV.
Sous-section IV.
Onderafdeling V.
Sous-section V.
Afdeling VI.
Section VI.
Afdeling VII.
Section VII.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
Afdeling I.
Section Ire.
Onderafdeling I.
Section II.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Onderafdeling IV.
Sous-section IV.
Onderafdeling V.
Sous-section V.
Onderafdeling VI.
Sous-section VI.
Onderafdeling I.
Section III.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Onderafdeling IV.
Sous-section IV.
Onderafdeling V.
Sous-section V.
Onderafdeling VI.
Sous-section VI.
Onderafdeling I.
Section IV.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Afdeling V.
Section V.
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
Afdeling I.
CHAPITRE VI.
Afdeling I.
Section Ire.
Afdeling II.
Section II.
Afdeling III.
Section III.
HOOFDSTUK VII.
CHAPITRE VII.
HOOFDSTUK I.
TITRE III.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE Ier.
Afdeling I.
CHAPITRE II.
Afdeling I.
Section Ire.
Afdeling II.
Section II.
Afdeling III.
Section III.
Onderafdeling I.
Section IV.
Onderafdeling I.
Sous-section Ire.
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Onderafdeling III.
Sous-section III.
Afdeling V.
Section V.
Afdeling VI.
Section VI.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
Afdeling I.
Section Ire.
Afdeling II.
Section II.
Afdeling III.
Section III.
Afdeling IV.
Section IV.
Art.608.
Titre IV.
HOOFDSTUK I.
Titre V.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE Ier.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
Art.611.
Titre VI.
Art.612.
Titre VII.
Titel VIII.
Titre VIII.
Art.618.
Titre IX.
Art.619.
Titre X.
BIJLAGEN.
  De Bijlagen bij deze wet maken integraal deel uit van de wet. Ze bestaan uit artikelen. Wanneer ernaar verwezen wordt, wordt uitdrukkelijk vermeld dat het om artikelen van de betrokken Bijlage gaat
Art. N1. Bijlage 1. - BEHANDELING VAN RISICO'S
ANNEXES.
Art. N2. Bijlage 2. - BELONINGSBELEID
  Afdeling I. - Structuur van het beloningsbeleid Artikel 1. § 1. Het beloningsbeleid voorziet in een evenwichtige verdeling tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning. Het aandeel van de vaste component in het totale beloningspakket is voldoende groot om een volledig flexibel beleid inzake variabele beloning te kunnen voeren, inclusief de mogelijkheid om geen variabele beloning uit te betalen.
  § 2. Het beloningsbeleid stelt de passende verhoudingen vast tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning. Het bepaalt dat de variabele beloning voor elke persoon in elk geval beperkt is tot het hoogste van de volgende twee bedragen :
  - 50 % van de vaste beloning;
  - 50 000 euro, zonder dat dit bedrag hoger mag zijn dan de vaste beloning.
  Afdeling II. - Variabele beloning
  Art. 2. De totale variabele beloning mag de mogelijkheid voor de instelling om haar eigen vermogen te versterken, niet beperken.
  Art. 3. Het totale bedrag van de variabele beloning is gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon en de betrokken bedrijfseenheid, en de resultaten van de instelling als geheel.
  Bij de beoordeling van de persoonlijke prestaties worden zowel financiële als niet-financiële criteria gehanteerd.
  De prestatiebeoordeling is gespreid over meerdere jaren om te garanderen dat de beoordeling gebaseerd is op langetermijnprestaties en dat de feitelijke uitbetaling van de variabele beloningscomponenten gespreid is over een periode waarin rekening wordt gehouden met de duur van de onderliggende bedrijfscyclus van de instelling en met haar bedrijfsrisico's.
  Art. 4. Bij de beoordeling van prestaties met het oog op de berekening van de variabele beloning van individuen of van de groepen waartoe zij behoren, wordt een correctie aangebracht voor alle soorten actuele en toekomstige risico's en wordt rekening gehouden met de kosten van het kapitaal en de vereiste liquiditeit.
  Bij de toewijzing van de variabele beloningscomponenten binnen de instelling wordt ook rekening gehouden met alle soorten actuele en toekomstige risico's.
  Art. 5. Gegarandeerde variabele beloningen zijn verboden, tenzij, in uitzonderlijke gevallen, bij de aanwerving van nieuwe personeelsleden en mits de instelling over gezond en solide kapitaal beschikt en de gegarandeerde variabele beloning strikt beperkt is tot het eerste jaar dat volgt op de aanwerving.
  Art. 6. Minstens 50 % van de variabele beloning, met inbegrip van het gedeelte dat met toepassing van artikel 7 van deze Bijlage wordt uitgesteld, bestaat uit een passend evenwicht tussen :
  1° [3 aandelen of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente deelnemingen in het kapitaal, of,, op aandelen gebaseerde financiële instrumenten, of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente niet-liquide instrumenten (non-cash instruments); en,]3
  2° indien mogelijk, andere kapitaalinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als aanvullend-tier 1- of tier 2-kapitaalinstrumenten, met toepassing van de bepalingen die door of krachtens deze wet of Verordening nr. 575/2013 zijn vastgelegd, of andere instrumenten die volledig in tier 1-kernkapitaalinstrumenten kunnen worden omgezet of volledig kunnen worden afgeschreven, en die in elk geval een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling vanuit het oogpunt van de continuïteit.
  De in dit artikel bedoelde instrumenten zijn onderworpen aan een passend aanhoudingsbeleid, dat inhoudt dat de houder van de instrumenten er de eigenaar van moet blijven, en dat tot doel heeft de prikkels af te stemmen op de langetermijnbelangen van de instelling. De toezichthouder kan de soorten instrumenten waarvan de kenmerken niet voldoen aan deze vereiste, verbieden of beperken.
  Art. 7. [4 De betaling van een deel van minstens 40 % van de variabele beloning wordt uitgesteld over een periode van ten minste vier tot vijf jaar. Dit deel is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden van de instelling, van haar risico's en van de activiteiten van de betrokken persoon. Voor leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding van significante kredietinstellingen mag de uitstelperiode niet korter zijn dan vijf jaar.]4
  Wanneer het bedrag van de variabele beloning bijzonder hoog is, moet het deel van de variabele beloning dat wordt uitgesteld, als bedoeld in het eerste lid, minstens 60 % bedragen.
  De duur van de uitstelperiode wordt vastgesteld in overeenstemming met de bedrijfscyclus van de instelling, haar aard, haar risico's en de activiteiten van de betrokken persoon.
  [11 Het uitgestelde deel van de variabele beloning wordt niet sneller dan op pro-ratabasis toegekend.]11
  Art. 8. § 1. Onverminderd artikel 101 wordt de variabele beloning, met inbegrip van het uitgestelde gedeelte, slechts uitbetaald of verworven wanneer het bedrag ervan aanvaardbaar is gelet op de financiële toestand van de instelling in haar geheel en te rechtvaardigen is door de prestaties van de instelling, de bedrijfseenheid en de betrokken persoon.
  § 2. Onverminderd de algemene beginselen van het verbintenissenrecht en het arbeidsrecht, wordt de totale variabele beloning van de kredietinstelling aanzienlijk verminderd indien de instelling geringere of negatieve financiële prestaties levert.
  De vermindering als bedoeld in het eerste lid wordt zowel toegepast op de nog niet verworven variabele beloning als op de verworven maar nog niet gestorte variabele beloning en op de reeds effectief uitgekeerde variabele beloning, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen (clawback).
  Voor het totale bedrag van de variabele beloning geldt een malus- of clawback-clausule (terugvorderingsclausule), in het bijzonder in situaties waarin de betrokken persoon :
  a) heeft deelgenomen aan of verantwoordelijk was voor praktijken die aanleiding hebben gegeven tot aanzienlijke verliezen voor de instelling;
  b) de toepasselijke normen inzake deskundigheid en professionele betrouwbaarheid niet heeft nageleefd.
  c) heeft deelgenomen aan [10 een bijzonder mechanisme in de zin van artikel 21, § 1/1, tweede lid]10.
  Afdeling III. - Pensioenen
  Art. 9. Het pensioenbeleid is afgestemd op de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling.
  Indien een personeelslid de instelling vóór zijn pensionering verlaat, houdt de instelling de uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen voor dit personeelslid gedurende vijf jaar aan in de vorm van instrumenten als bedoeld in artikel 6 van deze Bijlage.
  Wanneer een personeelslid de pensioenleeftijd bereikt, worden de uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen aan hem uitbetaald in de vorm van instrumenten als bedoeld in artikel 6 van deze Bijlage, en dienen deze instrumenten gedurende vijf jaar te worden aangehouden.
  De bepalingen van artikel 8, § 2 van deze Bijlage zijn van toepassing op de uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen.
  [5 Afdeling III/1. - Vrijstellingen]5
  [8 Art. 9/1. De artikelen 6, 7 en 9, tweede en derde lid, van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
   1° kredietinstellingen die geen grote instelling in de zin van artikel 4, lid 1, 146) van Verordening nr. 575/2013 zijn en waarvan de waarde van de activa bepaald op grond van artikel 24 van deze Verordening gemiddeld en op individuele basis, of, indien niet beschikbaar, op geconsolideerde basis, 5 miljard euro of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar;
   2° een personeelslid van wie de jaarlijkse variabele beloning niet hoger is dan 50 000 euro en niet meer dan een derde van de totale jaarlijkse beloning van het personeelslid vertegenwoordigt.]8

  Afdeling IV. - Antifraudebepalingen
  Art. 10. De personen bedoeld in artikel 67, tweede lid onthouden zich van het uitvoeren van verrichtingen, met inbegrip van verzekeringsverrichtingen, die geheel of gedeeltelijk afbreuk doen aan de naleving van de bepalingen van deze Bijlage, in het bijzonder verrichtingen die tot doel hebben het risico dat voortvloeit uit de regeling voor hun variabele beloning te neutraliseren of die dit risico zouden kunnen neutraliseren.
  Art. 11. De instellingen onthouden zich van het toekennen of uitbetalen van een variabele beloning door middel van vehikels of methodes die de niet-naleving van de bepalingen van deze wet of van Verordening nr. 575/2013 vergemakkelijken.
  Afdeling V. - Vertrekvergoedingen en indiensttredingsvergoedingen
  Art. 12. [9 Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder vertrekvergoeding verstaan elke vorm van beloning of compensatie die aan een in artikel 67, tweede lid, bedoelde persoon wordt toegekend bij zijn of haar vertrek, ongeacht het tijdstip van dat vertrek en ongeacht of dit al dan niet op vrijwillige basis gebeurt. De vertrekvergoeding kan in voorkomend geval een ontslagvergoeding omvatten, namelijk een bedrag of vergoeding die of dat in het kader van de voortijdige beëindiging op niet-vrijwillige basis van een arbeidsovereenkomst of een vennootschapsmandaat wordt betaald aan een persoon als bedoeld in artikel 67, tweede lid.
   Vertrekvergoedingen zijn variabele beloning waarop de bepalingen van de artikelen 1 tot en met 8 van deze Bijlage derhalve van toepassing zijn.
   Onverminderd het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet elke vertrekvergoeding rekening houden met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties en zodanig zijn ontworpen dat falen of onrechtmatig gedrag niet wordt beloond.
   Bovendien kan een vertrekvergoeding die hoger is dan een bedrag dat gelijk is aan 12 maanden vaste beloning of, op eensluidend gemotiveerd advies van het remuneratiecomité, die hoger is dan een bedrag dat gelijk is aan 18 maanden vaste beloning, enkel worden toegekend, niettegenstaande eventuele andersluidende statutaire bepalingen of contractuele bedingen, onder voorbehoud van goedkeuring door de eerstvolgende gewone algemene vergadering. De procedure van artikel 7:92, tweede en derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is naar analogie van toepassing.]9

  [6 Art. 12/1. § 1. In afwijking van artikel 12, tweede lid van deze Bijlage zijn de artikelen 1, § 2 en 2 tot en met 8 van deze Bijlage niet van toepassing op:
   1° de vertrekvergoeding die bestaat uit een bedrag dat bedoeld is om het inkomensverlies te compenseren op grond van een niet-concurrentiebeding en waarvan de instelling vóór de toekenning ervan ten genoegen van de Toezichthouder kan aantonen dat ze voldoet aan de criteria om als vaste beloning te worden aangemerkt;
   2° de vertrekvergoeding die wordt toegekend aan een persoon die zijn of haar taken in het kader van een arbeidsovereenkomst of een vennootschapsmandaat uitoefent, en die bestaat uit een ontslagvergoeding die niet hoger mag zijn dan het bedrag waarop de betrokkene recht heeft of, naar analogie, recht zou hebben gehad op grond van zijn of haar anciënniteit, krachtens de wettelijke bepalingen inzake ontslag in het kader van een arbeidsovereenkomst.
   § 2. Indien de vertrekvergoeding bestaat uit een ontslagvergoeding, kan bij wijze van uitzondering op artikel 12, tweede lid, van deze Bijlage het bedrag van de vergoedingen die niet in aanmerking komen voor de in paragraaf 1 bedoelde uitzonderingen, bovendien geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 1, § 2, 6 en 7 van deze Bijlage, mits deze vrijstelling naar behoren wordt gemotiveerd, de Toezichthouder er vooraf van in kennis wordt gesteld, met dien verstande dat deze vrijstelling uitsluitend gerechtvaardigd is in de specifieke en uitzonderlijke situaties die zijn vastgesteld in de EBA-richtsnoeren inzake beloningsbeleid.]6

  Art. 13. De vergoedingen die bij de indiensttreding worden uitgekeerd ter compensatie van een verlies als gevolg van een verandering van kredietinstelling, moeten aansluiten bij de langetermijnbelangen van de instelling, met name op het vlak van aanhouding, betalingsuitstel, beoordeling van de prestaties en terugvorderingsregelingen.
  Afdeling VI. - Uitzonderlijke overheidssteun
  Onderafdeling I. - Variabele beloning - Algemene beperking
  Art. 14. Voor de toepassing van deze Afdeling geldt het volgende :
  1° er bestaat een onweerlegbaar vermoeden dat er sprake is van uitzonderlijke overheidssteun wanneer :
  - de door de Federale Staat verstrekte leningen nog niet zijn terugbetaald;
  - een door de Federale Staat verleende waarborg niet vervallen is of beëindigd werd;
  2° onverminderd het bepaalde onder 1°, wordt de uitzonderlijke overheidssteun beëindigd wanneer de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
  - de instelling moet geen herstructureringsplan opstellen op basis van de beslissing van de Europese Commissie of voldoet geheel en correct aan de vereisten van een dergelijk plan, waaronder moet worden verstaan dat de instelling kan aantonen dat zij alle structurele maatregelen (met name de verkoop van deelnemingen) heeft uitgevoerd en dat de beperkende maatregelen (met name het verbod om de controle over ondernemingen te verwerven) niet langer van toepassing zijn en dat zij bovendien heeft bewezen dat zij voldoet aan haar verplichtingen met betrekking tot de geplande intrekking van de overheidssteun; en
  - de toezichthouder bevestigt dat de instelling voldoet aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en-reglementen, evenals aan Verordening nr. 575/2013 wat betreft de toepasselijke solvabiliteits- en liquiditeitsvereisten.
  Art. 15. Bij instellingen die uitzonderlijke overheidssteun genieten, is de variabele beloning onverminderd artikel 16 van deze Bijlage strikt beperkt tot een percentage van de totale winst van de instelling wanneer deze beloning niet strookt met de handhaving van een solide kapitaalbasis en een tijdige beëindiging van de overheidssteun.
  De instellingen die steun genieten als bedoeld in het eerste lid, herstructureren de beloningen zodanig dat zij overeenstemmen met een degelijk risicobeheer en de langetermijnontwikkeling, onder meer door, waar nodig, de beloning van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de personen die, bij ontstentenis van een directiecomité, deelnemen aan de effectieve leiding, te beperken.
  Onderafdeling 2. - Beperking van de variabele beloning van de leiders
  Art. 16. Wanneer een instelling uitzonderlijke overheidssteun geniet, wordt noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een variabele beloning betaald aan de leden van het wettelijk bestuursorgaan van die instelling en aan de personen die, bij ontstentenis van een directiecomité, deelnemen aan haar effectieve leiding, tenzij het gaat om één person per instelling die specifiek is aangeworven na de voornoemde financiële steun om bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van het aan de instelling opgelegde herstructureringsplan.
  De Koning stelt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de maximumlimieten vast voor het variabele gedeelte dat binnen de grenzen van het eerste lid is toegestaan. Dit variabele gedeelte is bovendien onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 2 tot 9 van deze Bijlage.
  Onderafdeling 3. - Beperking van de vertrekvergoedingen
  Art. 17. Wanneer de kredietinstelling uitzonderlijke overheidssteun geniet, is het haar niet toegestaan aan de personen bedoeld in artikel 15, tweede lid van deze Bijlage een vertrekvergoeding toe te kennen die hoger is dan 9 maanden vaste beloning. Bovendien is deze vergoeding onderworpen aan de bepalingen van artikel 8, § 2 van deze Bijlage betreffende de malus- en de terugvorderingsregelingen (clawback).
  In afwijking van het eerste lid kan de kredietinstelling een hogere vertrekvergoeding toekennen indien de betrokken persoon vóór de toekenning van zijn mandaat van leider, overeenkomstig het bestaande contractuele kader en op basis van zijn opgebouwde anciënniteit binnen de instelling, in geval van ontslag recht zou hebben gehad op een opzegvergoeding die hoger is dan de vertrekvergoeding bepaald in het eerste lid, en dit tot maximum deze opzegvergoeding.
  Onderafdeling 4. - Openbare-orde-karakter van de bepalingen
  Art. 18. De toepassing van contractuele of andere bepalingen die de rechtsverhouding tussen een persoon bedoeld in artikel 15, tweede lid van deze Bijlage en de instelling regelen, en die strijdig zijn met de bepalingen van deze Afdeling, wordt van rechtswege geschorst tijdens de volledige periode dat de uitzonderlijke overheidssteun wordt verleend.
  In geval van uitzonderlijke overheidssteun kunnen de contractuele of andere bepalingen die de rechtsverhouding tussen een persoon bedoeld in artikel 15, tweede lid van deze Bijlage en de instelling regelen, in geen geval terugwerkende kracht hebben.
  Afdeling VII. - Openbaarmaking en informatieverstrekking
  Art. 19. De kredietinstellingen maken hun beloningsbeleid openbaar overeenkomstig de toepasselijke Europeesrechtelijke bepalingen, in het bijzonder artikel 450 van Verordening nr. 575/2013.
  De instellingen verstrekken aan de toezichthouder de informatie die zij overeenkomstig het eerste lid openbaar hebben gemaakt, [7 alsmede de informatie over het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen,]7 opdat hij de nodige vergelijkende analyses kan uitvoeren van de tendensen en praktijken op het gebied van beloning.
  Art. 20. De instellingen verstrekken aan de toezichthouder informatie over het aantal personen in de instelling die een beloning genieten van minstens 1 miljoen euro per boekjaar, in beloningstranches van 1 miljoen euro, met inbegrip van hun taakomschrijving, de betrokken bedrijfssector en de voornaamste elementen van beloning, met inbegrip van premies, vergoedingen op lange termijn en pensioenbijdragen. Deze informatie wordt doorgegeven aan de Europese Bankautoriteit.
  
Art. N1. Annexe 1. - DU TRAITEMENT DES RISQUES
  Section Ire. - Risque de crédit et de contrepartie
  Article 1er. § 1er. Les établissements de crédit mettent en oeuvre des procédures claires pour l'approbation, la modification, la reconduction et le refinancement des crédits, et fondent l'octroi de crédits sur des critères sains et bien définis.
  § 2. Ils disposent de procédures internes leur permettant d'évaluer le risque de crédit afférent aux expositions sur les différents débiteurs, titres ou positions de titrisation, et le risque de crédit au niveau de l'ensemble de leur portefeuille.
  En particulier, les procédures internes ne reposent, ni de manière exclusive ni de manière mécanique, sur des notations externes et prennent en compte les informations pertinentes relatives aux débiteurs [1 dont leur endettement global qui fait l'objet d'une surveillance]1.
  § 3. Les établissements de crédit utilisent des systèmes appropriés pour la gestion et le contrôle permanent des divers portefeuilles de crédit et des expositions donnant lieu à un risque de crédit. Ces systèmes comprennent la détection et la gestion des crédits à problème, la réalisation des corrections de valeur adéquates et la constitution de provisions appropriées.
  § 4. Ils veillent à la diversification adéquate de leurs portefeuilles de crédit, tenant compte de leurs marchés cibles et de leur stratégie globale en matière de crédit.
  § 5. Les établissements de crédit qui sont d'importance significative s'efforcent de développer une compétence interne d'évaluation du risque de crédit en vue de l'utilisation d'approches fondées sur les notations internes pour le calcul des exigences de fonds propres pour le risque de crédit, dès lors que les expositions de ces établissements sont substantielles en valeur absolue et qu'ils ont, simultanément, un nombre élevé de contreparties importantes.
  § 6. La Banque peut préciser, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les modalités d'application du paragraphe 5.
  Section II. - Risque résiduel
  Art. 2. Les techniques d'atténuation du risque de crédit, telles que la prise de sûretés, utilisées par les établissements de crédit doivent être efficaces et faire l'objet d'une évaluation régulière. L'usage de ces techniques doit s'inscrire dans la politique définie en application de l'article 57 et faire l'objet de procédures écrites spécifiques visant à s'assurer qu'elles produisent les effets escomptés.
  S'agissant de sûretés, les procédures doivent permettre d'en évaluer l'efficacité et d'en assurer le suivi. Ces procédures couvrent au moins :
  - s'agissant de sûretés réelles, une correcte évaluation et le suivi de la valeur de l'actif donné en garantie, l'efficacité juridique du mécanisme contractuel utilisé et ce, notamment au regard de la localisation de l'actif concerné;
  - s'agissant de sûretés personnelles, une correcte évaluation et le suivi de la capacité financière du garant ainsi que l'efficacité juridique du mécanisme contractuel utilisé.
  Section III. - Risque de concentration
  Art. 3. Les établissements de crédit prennent les mesures appropriées, incluant la définition de politiques et de procédures écrites, pour identifier, mesurer et contrôler le risque de concentration découlant de l'exposition sur des contreparties.
  L'alinéa 1er inclut notamment :
  - le risque sur des contreparties centrales, des groupes de contreparties liées entre elles ou des contreparties opérant dans le même secteur économique ou la même région ou dont l'activité porte sur le même métier ou le même produit de base, ainsi que
  - le risque découlant de l'emploi de techniques d'atténuation du risque de crédit, comme les risques associés à des expositions indirectes au risque de crédit, résultant notamment d'exposition sur un émetteur de garanties unique ou des émetteurs de garantie sujets à des risques analogues.
  Section IV. - Risque de titrisation
  Art. 4. § 1er. Les établissements de crédit s'assurent que les risques générés par des opérations de titrisation dans lesquelles ils interviennent en qualité d'investisseur, d'initiateur ou de sponsor, y compris les risques de réputation, notamment ceux survenant en liaison avec des structures ou des produits complexes, soient évalués et traités dans le cadre de politiques et de procédures appropriées. Celles-ci visent à garantir que la réalité économique de l'opération est pleinement prise en considération dans l'évaluation des risques et les décisions de gestion.
  § 2. [4 Un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° initiateur d'opérations de titrisation assorties d'une clause de remboursement anticipé au profit des investisseurs, doit disposer d'un programme de liquidité adéquat lui permettant de faire face aux conséquences de l'ensemble des remboursements, à la fois programmés et anticipés.]4
  Section V. - Risque de marché
  Art. 5. § 1er. Les établissements de crédit mettent en oeuvre des politiques et des procédures qui permettent d'identifier, mesurer et gérer l'ensemble des causes et effets significatifs des risques de marché.
  § 2. Ils se couvrent contre le risque d'illiquidité dans les cas où une position courte arrive à échéance avant la position longue corrélative.
  § 3. L'évaluation et le contrôle par l'établissement de crédit de ses besoins en fonds propres effectué conformément à l'article 94 couvrent de façon adéquate les risques de marché significatifs non soumis à des exigences légales ou réglementaires spécifiques en fonds propres, notamment le risque lié à des couvertures incomplètes et imparfaites des positions sur instruments financiers.
  Conformément à la troisième Partie, Titre IV, Chapitre 2, du Règlement n° 575/2013, un établissement de crédit peut compenser ses positions sur une ou plusieurs des instruments financiers constituant un indice boursier avec une ou plusieurs positions dans un contrat à terme sur cet indice boursier ou avec un autre produit dérivé de cet indice boursier. Dans ce cas, l'établissement de crédit est tenu de disposer, ainsi qu'il ressort du calcul de ses exigences en fonds propres afférentes au risque de position, de fonds propres adéquats pour couvrir le risque de pertes résultant d'une évolution divergente entre la valeur du contrat à terme ou de cet autre produit, et la valeur des instruments financiers qui composent l'indice boursier. Il dispose aussi de fonds propres adéquats lorsqu'il détient des positions de signe opposé dans des contrats à terme sur indice boursier dont l'échéance et/ou la composition ne sont pas identiques.
  Lorsqu'il recourt à la procédure visée à l'article 345 du Règlement n° 575/2013, l'établissement s'assure qu'il détient des fonds propres suffisants pour couvrir le risque de pertes qui existe entre le moment de l'engagement initial et le premier jour ouvrable qui suit.
  § 4. Les établissements de crédit qui sont d'importance significative s'efforcent de développer une compétence interne d'évaluation du risque en vue de l'utilisation de modèles internes pour le calcul des exigences de fonds propres pour le risque spécifique lié aux titres de créance du portefeuille de négociation, et pour le calcul des exigences de fonds propres afférentes au risque de défaut et au risque de migration des notations, dès lors que les expositions de ces établissements au risque spécifique sont substantielles en valeur absolue et que ces établissements détiennent un nombre élevé de positions substantielles sur des titres de créance provenant de différents émetteurs.
  § 5. La Banque peut préciser, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les modalités d'application du paragraphe 4.
  Section VI. - Risque de taux d'intérêt inhérent aux activités hors portefeuille de négociation
  Art. 6. [2 § 1er. Les établissements de crédit mettent en oeuvre des systèmes internes ou utilisent la méthode standard ou la méthode standard simplifiée pour détecter, évaluer, gérer et atténuer les risques découlant d'éventuelles variations des taux d'intérêt affectant tant la valeur économique des fonds propres que les produits d'intérêts nets de leurs activités hors portefeuille de négociation.
   § 2. Les établissements de crédit mettent en oeuvre des systèmes pour évaluer et surveiller les risques découlant d'éventuelles variations des écarts de crédit ("credit spread") affectant tant la valeur économique des fonds propres que les produits d'intérêts nets de leurs activités hors portefeuille de négociation.
   § 3. L'autorité de contrôle peut exiger d'un établissement de crédit qu'il utilise la méthode standard visée au paragraphe 1er lorsque les systèmes internes qu'il met en oeuvre aux fins de l'évaluation des risques visés audit paragraphe ne sont pas satisfaisants.
   § 4. L'autorité de contrôle peut exiger d'un établissement de crédit de petite taille et non complexe au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 145) du Règlement n° 575/2013 qu'il utilise la méthode standard lorsqu'elle estime que la méthode standard simplifiée n'est pas adéquate pour appréhender le risque de taux d'intérêt inhérent aux activités hors portefeuille de négociation de cet établissement.]2

  Section VII. - Risque opérationnel
  Art. 7. § 1er. Les établissements de crédit mettent en oeuvre des politiques et procédures qui leur permettent d'évaluer et de gérer leur exposition aux risques opérationnels, y compris le risque lié à l'utilisation de modèles internes [3 et les risques découlant de l'externalisation]3, et de couvrir les évènements de faible fréquence mais dont l'impact est important. Aux fins de ces politiques et procédures, ils précisent ce qui constitue un risque opérationnel.
  § 2. [5 Les établissements définissent des politiques et plans d'urgence et de poursuite des activités adéquats afin de démontrer leur capacité à limiter les pertes et ne pas interrompre leurs activités en cas de perturbation grave de celles-ci, y compris des politiques et des plans en matière de continuité des activités liées aux technologies de l'information et de la communication (TIC) et des plans de réponse et de rétablissement concernant les technologies qu'ils utilisent pour la communication d'informations. Ces derniers plans sont établis, gérés et testés conformément à l'article 11 du règlement 2022/2554.]5
  Section VIII. - Risque de liquidité
  Art. 8. § 1er. Les établissements de crédit disposent de procédures et de systèmes appropriés permettant de détecter, mesurer, gérer et contrôler le risque de liquidité sur des périodes pertinentes, y compris intrajournalières, de manière à garantir que soient maintenus des coussins adéquats de liquidité.
  Ces procédures et systèmes sont spécifiquement adaptés aux activités de l'établissement de crédit, notamment aux succursales et aux entités juridiques aux travers desquelles il fournit ses activités, ainsi qu'aux devises concernées par ses opérations, et comprennent des mécanismes adéquats pour la répartition des coûts, des gains et des risques liés à la liquidité.
  § 2. Les procédures et systèmes visés au paragraphe 1er doivent être proportionnés à la complexité, au profil de risque et à l'étendue des activités de l'établissement, au niveau de tolérance au risque fixé conformément à l'article 57 et refléter l'importance de l'établissement dans chacun des Etats où il exerce son activité.
  § 3. Les établissements de crédit utilisent des méthodes permettant de détecter, mesurer, gérer et surveiller les risques pesant sur leur situation de financement. Ces méthodes tiennent compte des flux de trésorerie significatifs courants et prévisibles qui sont liés aux actifs, passifs et éléments hors bilan, y compris ceux découlant des engagements éventuels de l'établissement, et de l'incidence possible du risque de réputation.
  § 4. Les établissements de crédit opèrent une distinction entre les actifs qui constituent l'assiette d'une sûreté et les actifs non grevés qui sont disponibles à tout moment, notamment dans les situations d'urgence. Ils tiennent compte des conséquences liées à l'entité auprès de laquelle les actifs sont détenus, du pays dans lequel ceux-ci sont légalement inscrits, qu'il s'agisse d'un registre ou d'un compte, ainsi que de leur éligibilité au titre d'une garantie. Les établissements contrôlent également la façon dont ces actifs peuvent être mobilisés en temps voulu.
  § 5. Les établissements de crédit prennent en considération les limitations d'ordre juridique, réglementaire et opérationnel aux éventuels transferts de liquidité et d'actifs non grevés entre des entités du groupe dont l'établissement fait partie, que ces entités soient situées ou non dans un Etat membre.
  § 6. Les établissements de crédit s'appuient sur différents instruments d'atténuation du risque de liquidité, comprenant notamment un système de limites spécifiques à ce risque et des coussins de liquidité, afin d'être en mesure de faire face à différents types de crises. Ils s'appuient également sur une diversification adéquate de la structure et des sources de financement. Les établissements revoient régulièrement ces dispositifs.
  § 7. Les établissements de crédit revoient au moins une fois par an les hypothèses qui sous-tendent leurs décisions en matière de financement. Ils envisagent d'autres hypothèses que celles élaborées en application des paragraphes 1er et 3, relatives à leurs positions de liquidité et aux facteurs d'atténuation du risque de liquidité. Ces autres hypothèses couvrent notamment les éléments hors bilan et les autres engagements éventuels, y compris ceux des entités de titrisation ou d'autres entités à vocation particulière, tels que définis par le Règlement n° 575/2013, dès lors que l'établissement de crédit concerné joue un rôle de sponsor à leur égard ou leur procure des aides de trésorerie significatives.
  Les établissements de crédit considèrent l'impact potentiel de scénarios alternatifs portant sur l'établissement lui-même et sur l'ensemble du marché, ainsi qu'une combinaison de ces deux facteurs. Ces scénarios alternatifs prennent en compte des périodes de différentes longueurs et des conditions de crise de différentes intensités.
  Tenant compte des résultats des scénarios visés aux alinéas 1er et 2, les établissements adaptent leurs stratégies, leurs politiques internes et les limites concernant le risque de liquidité, et élaborent des plans d'urgence appropriés.
  § 8. Les établissements de crédit disposent de plans de rétablissement de la liquidité. Ces plans fixent des stratégies adéquates et des mesures de mise en oeuvre appropriées afin de remédier aux éventuels déficits de liquidité, y compris en ce qui concerne les succursales établies dans d'autres Etats membres. Les établissements mettent ces plans à l'épreuve au moins une fois par an et assurent leur mise à jour sur base des résultats des scénarios visés au paragraphe 7.
  [4 Les établissements au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, prennent à l'avance les mesures opérationnelles adéquates pour garantir que les plans de rétablissement de la liquidité puissent, le cas échéant, immédiatement être mis en oeuvre. Ces mesures peuvent consister dans la détention d'actifs immédiatement disponibles susceptibles d'être acceptés en garantie par une banque centrale. Il peut s'agir d'actifs libellés dans la devise d'un autre Etat membre ou d'un pays tiers, dans lequel l'établissement est exposé, et qui sont détenus, en fonction des nécessités opérationnelles, sur le territoire d'un Etat membre d'accueil ou d'un pays tiers au regard de la devise dans laquelle l'établissement est exposé.]4
  Section IX. - Risque de levier excessif
  Art. 9. § 1er. Les établissements de crédit disposent de politiques et de procédures pour détecter, gérer et contrôler le risque de levier excessif. Les indicateurs d'un risque de levier excessif sont notamment le ratio de levier, tel que déterminé conformément à la méthodologie prévue par l'article 429 du Règlement n° 575/2013, et les asymétries d'échéance entre les actifs et les obligations de l'établissement.
  § 2. Les établissements prennent les mesures nécessaires pour prévenir le risque de levier excessif, en tenant compte de l'augmentation éventuelle du ratio de levier résultant d'une diminution des fonds propres en raison de pertes attendues ou réalisées selon les règles d'évaluation applicables. Ces mesures doivent permettre de faire face à différents scénarios de crise, sous l'angle de la maîtrise du risque de levier excessif.
  
Art. N3. Bijlage 3. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITGIFTE VAN COVERED BONDS
  Afdeling I. [4 - Definities en rechtsmiddelen van de houders van Belgische covered bonds]4
  Artikel 1. Voor de toepassing van de artikelen 79 tot 84 en van deze Bijlage wordt verstaan onder :
  1° Belgische covered bond : een schuldinstrument dat voldoet aan de volgende criteria :
  a) het schuldinstrument is of wordt uitgegeven door een kredietinstelling naar Belgisch recht die opgenomen is in [5 de lijst bedoeld in artikel 82, eerste lid]5 ;
  b) het schuldinstrument of - bij uitgifte onder een programma - het uitgifteprogramma en elk onder dat programma uitgegeven schuldinstrument, is of wordt opgenomen in [5 de lijst bedoeld in artikel 82, tweede lid]5 ;
  c) [5 het schuldinstrument wordt gewaarborgd door dekkingsactiva;]5
  [5 1° /1 programma van Belgische covered bonds: de structurele kenmerken van uitgiften van Belgische covered bonds die worden bepaald door de contractuele voorwaarden die erop van toepassing zijn, overeenkomstig de toestemming die met toepassing van artikel 81 aan de uitgevende kredietinstelling is verleend, en de toepasselijke wettelijke bepalingen;]5
  [5 1° /2 bijzonder vermogen: een overeenkomstig artikel 3, § 2, van deze Bijlage samengestelde pool van activa die de aan de Belgische covered bonds verbonden betalingsverplichtingen waarborgen en die door de kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft afgezonderd worden gehouden van de andere activa die deel uitmaken van haar algemeen vermogen;]5
  2° [3 dekkingsactiva]3 : de activa waaruit het bijzonder vermogen [5 ...]5 bestaat;
  [5 2° /1 zekerheden ter waarborging van de dekkingsactiva: de zakelijke of persoonlijke zekerheden die de dekkingsactiva waarborgen;]5
  3° Belgische pandbrief : elke Belgische covered bond waarvan de [3 dekkingsactiva]3 voldoen aan de voorwaarden die vastgesteld zijn op grond van artikel 2, § 1 van deze Bijlage, en die als dusdanig is opgenomen in [5 de lijst bedoeld in artikel 82, tweede lid]5 ;
  [5 3° /1 afzondering: de met toepassing van de artikelen 3, § 2, 5, 6 en 15 van deze Bijlage verrichte handelingen waarbij de dekkingsactiva worden geïdentificeerd die deel uitmaken van het (de) bijzonder(e) vermogen(s);]5
  4° vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds : de agent, de trustee of om het even welke andere persoon die aangesteld is overeenkomstig artikel 14, § 2 van deze Bijlage, om te waken over de belangen van de houders van Belgische covered bonds;
  5° portefeuillesurveillant : de persoon die aangesteld is overeenkomstig artikel 16 van deze Bijlage;
  6° portefeuillebeheerder : de persoon die aangesteld is overeenkomstig artikel 8 van deze Bijlage;
  [5 7° automatische versnelling: het geval waarin de opening van een liquidatieprocedure ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling of de afwikkeling ervan een geval van wanbetaling vormt waardoor de schuld aan de houders van Belgische covered bonds van rechtswege onmiddellijk opeisbaar wordt en deze houders een afdwingbare vordering tot terugbetaling hebben op een tijdstip vóór de oorspronkelijke vervaldag van de Belgische covered bonds waarvan ze houder zijn;]5
  [5 8° marktwaarde: met betrekking tot onroerend goed, de marktwaarde in de zin van artikel 4, lid 1, punt 76, van Verordening nr. 575/2013;]5
  [5 9° primaire activa: de dekkingsactiva die tot één van de in artikel 1/2, a), b) of c), bedoelde categorieën behoren en die het grootste deel uitmaken van het bijzonder vermogen;]5
  [5 10° secundaire activa: andere aan de dekkingsvereisten bijdragende dekkingsactiva dan primaire activa;]5
  [5 11° het overschot: de waarde van de dekkingsactiva die,
   a) hoger is dan de waarde van de dekkingsactiva die vereist zijn met toepassing van artikel 2/1, § 1, van deze Bijlage; en
   b) wat de hoofdsom van deze dekkingsactiva betreft die berekend wordt overeenkomstig de waarderingscriteria bepaald op grond van artikel 81, § 4, 1°, b), hoger is dan het aan hoofdsom uitstaande bedrag van de Belgische covered bonds die zij dekken, met dien verstande dat de hoofdsommen van de dekkingsactiva niet elders in aanmerking zijn genomen om te voldoen aan het vereiste van artikel 2/1, § 1, van deze Bijlage met betrekking tot andere betalingsverplichtingen dan die welke verband houden met de hoofdsom van de Belgische covered bonds;]5

  [5 12° verlengbare looptijdstructuur: het mechanisme dat de mogelijkheid biedt om de vastgestelde looptijd van Belgische covered bonds voor een vooraf bepaalde termijn te verlengen ingeval een specifieke trigger zich voordoet.]5
  [6 Art. 1/1. De houders van Belgische covered bonds, de tegenpartijen van in artikel 1/3 bedoelde derivatencontracten en de andere in artikel 6, eerste en vierde lid van deze Bijlage bedoelde schuldeisers hebben voor het totale bedrag van de aan de Belgische covered bonds verbonden betalingsverplichtingen zowel:
   a) een schuldvordering op het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling;
   b) wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure is geopend of wanneer zij wordt afgewikkeld, een exclusief recht op de activa die deel uitmaken van het bijzonder vermogen;
   c) wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure is geopend en indien de in punt b) bedoelde schuldvordering niet volledig kan worden terugbetaald, een chirografaire schuldvordering op het algemeen vermogen van de instelling.]6

  [7 Afdeling I/1 - Kenmerken en aanwending van de dekkingsactiva]7
  [8 Art. 1/2. De schuldvorderingen die in aanmerking komen als dekkingsactiva voor Belgische covered bonds zijn de volgende activa, zoals gespecificeerd in de bepalingen die met toepassing van artikel 81, § 4, 1°, zijn vastgesteld:
   a) hypothecaire schuldvorderingen waarbij het voorwerp van de hypotheek niet-zakelijk onroerend goed is dat in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gelegen;
   b) hypothecaire schuldvorderingen waarbij het voorwerp van de hypotheek zakelijk onroerend goed is dat in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gelegen;
   c) schuldvorderingen op of gewaarborgd door (i) centrale overheden of centrale banken van lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ("OESO"), (ii) regionale of lokale overheden of publieke entiteiten van lidstaten van de OESO, of (iii) multilaterale ontwikkelingsbanken of internationale organisaties; en/of
   d) schuldvorderingen op kredietinstellingen die in aanmerking komen voor de kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2 zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 136 van Verordening nr. 575/2013 wanneer deze vorderingen de vorm hebben van:
   - kortlopende schuldvorderingen met een looptijd van drie maanden of minder, of kortetermijndeposito's met een oorspronkelijke looptijd van maximaal 100 dagen, indien deze worden gebruikt om te voldoen aan het liquiditeitsvereiste voor het bijzonder vermogen dat door en krachtens artikel 13 van deze Bijlage wordt opgelegd; of
   - derivatencontracten die voldoen aan de vereisten van artikel 1/3 van deze Bijlage.]8

  [9 Art. 1/3. § 1. Een uitgevende kredietinstelling kan schuldvorderingen uit hoofde van een of meer derivatencontracten in het bijzonder vermogen opnemen, op voorwaarde dat deze contracten uitsluitend bestemd zijn ter dekking van een renterisico of wisselkoersrisico dat verbonden is aan de dekkingsactiva of aan de betrokken Belgische covered bonds. Het volume van deze derivatencontracten wordt aangepast in geval van een vermindering van het gedekte risico en deze contracten worden verwijderd uit het bijzonder vermogen wanneer het gedekte risico ophoudt te bestaan.
   § 2. De Koning legt vereisten vast met betrekking tot de derivatencontracten die deel uitmaken van het bijzonder vermogen en specificeert deze vereisten, met name wat betreft hun kenmerken, beleenbaarheidscriteria, tegenpartijen en documentatie.]9

  Art. 2. § 1. Wanneer de betrokken Belgische covered bond een Belgische pandbrief is, moeten de samenstelling en de waardering van de [3 dekkingsactiva]3 garanderen dat deze Belgische covered bond voldoet [10 aan de specifieke voorwaarden voor het verkrijgen van een gunstige weging voor de uitgegeven Belgische covered bonds, zoals die zijn opgenomen in artikel 129 van Verordening nr. 575/2013]10. Bij de uitoefening van [10 de machtiging bedoeld in artikel 81, § 4]10, kan de Koning de criteria vastleggen of verduidelijken op basis waarvan bepaald kan worden of de Belgische covered bonds aan deze reglementering voldoen.
  § 2. [10 ...]10
  § 3. [10 ...]10
  [11 Art. 2/1. § 1. De dekkingsactiva waaruit het bijzonder vermogen is samengesteld moeten te allen tijde en tot de vervaldag van de Belgische covered bonds die zij waarborgen, voldoende dekking bieden om:
   - de hoofdsom af te lossen en interesten te betalen met betrekking tot de betrokken Belgische covered bonds;
   - te voldoen aan de verplichtingen jegens de schuld-eisers die vastgesteld zijn of vastgesteld kunnen worden overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bonds; en
   - betalingen te verrichten die verband houden met het onderhoud en het beheer van de dekkingsactiva en de betrokken Belgische covered bonds, met inbegrip van de kosten voor de afbouw van het uitgifteprogramma van de betrokken Belgische covered bonds.
   § 2. De dekkingsactiva die gewaardeerd worden overeenkomstig de krachtens artikel 81, § 4, 1°, b), vastgestelde waarderingscriteria omvatten een overschot, zodat de waarde van de hoofdsom van deze activa hoger is dan het uitstaande bedrag van de hoofdsom van de Belgische covered bonds die ze dekken.
   § 3. De Koning stelt de in paragraaf 1 bedoelde dekkingsvereisten vast. Hij stelt eveneens het minimumniveau vast van het overeenkomstig paragraaf 2 vereiste overschot en de modaliteiten met betrekking tot dit overschot. Indien de Koning bij de uitoefening van die machtiging met het oog op de naleving van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde vereisten en de waardering ervan bepaalt dat bepaalde dekkingsactiva maar in aanmerking mogen worden genomen tot beloop van een bepaald percentage, heeft dit geen invloed op het feit dat de betrokken activa deel uitmaken van het bijzonder vermogen waartoe ze behoren.
   § 4. De naleving van de in de paragrafen 1 en 2 vastgestelde verplichtingen wordt periodiek beoordeeld om te waarborgen dat de instelling er te allen tijde aan voldoet. Ingeval er een tekort aan dekkingsactiva wordt vastgesteld, is de instelling verplicht dit onverwijld te verhelpen.
   De Koning kan de modaliteiten van deze periodieke beoordeling nader bepalen.]11

  Art. 3. § 1. Het vermogen van een kredietinstelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven, bestaat van rechtswege uit enerzijds een algemeen vermogen en anderzijds een of meer bijzondere vermogens.
  § 2. Een bijzonder vermogen bestaat van rechtswege uit :
  1° alle roerende goederen die [12 overeenkomstig artikel 15, § 1, 1°, van deze Bijlage]12, zijn ingeschreven in het register van de [3 dekkingsactiva]3 dat wordt bijgehouden voor een of meer specifieke Belgische covered bonds, of, in voorkomend geval, voor alle Belgische covered bonds die onder een uitgifteprogramma zijn uitgegeven;
  2° [12 de waarden contanten of financiële instrumenten die als waarborg zijn ontvangen in het kader van derivatencontracten die geregistreerd zijn als dekkingsactiva;]12
  3° alle zakelijke of persoonlijk zekerheden, waarborgen of voorrechten die in welke vorm ook verstrekt geweest zijn in verband met de [3 dekkingsactiva]3, evenals de rechten met betrekking tot de verzekeringen en andere overeenkomsten die verband houden met de [3 dekkingsactiva]3 of het beheer van het bijzonder vermogen;
  4° alle bedragen die een kredietinstelling aanhoudt als gevolg van de inning (terugbetaling, betaling) van de [12 dekkingsactiva]12 of van de uitoefening van de rechten bedoeld in 1° of 3° voor rekening van het bijzonder vermogen dat binnen deze kredietinstelling werd aangelegd, of die op een andere wijze worden aangehouden voor rekening van dit bijzonder vermogen; en
  5° de verplichte reserves bij de Bank, voor zover zij verbonden zijn aan het bijzonder vermogen.
  Indien de kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft, bedragen als bedoeld in het eerste lid, 4° aanhoudt voor rekening van een bijzonder vermogen, en deze bedragen niet geïdentificeerd kunnen worden in het algemeen vermogen op het ogenblik dat gevraagd wordt deze tegoeden toe te wijzen aan het bijzonder vermogen, wordt het [12 recht]12 op deze in het bijzonder vermogen opgenomen bedragen voor dezelfde waarde overgedragen op andere vrije activa in het algemeen vermogen van de kredietinstelling. Deze activa worden dan geïdentificeerd na overleg met de vertegenwoordiger van het bijzonder vermogen (de portefeuillebeheerder of, bij ontstentenis, de portefeuillesurveillant) en de uitgevende kredietinstelling [12 of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit of de liquidateur van de kredietinstelling]12, op grond van de criteria die in de uitgiftevoorwaarden zijn vastgesteld. De kredietinstelling of, respectievelijk haar curator of haar liquidateur, moet die vervangingsactiva ter beschikking stellen van de portefeuillebeheerder zodra hij deze terugvordert.
  Art. 4. [13 De in artikel 1/2 van deze Bijlage bedoelde activa mogen enkel worden verworven om gebruikt te worden als dekkingsactiva in het kader van een uitgifte of een uitgifteprogramma van Belgische covered bonds op voorwaarde dat:
   - de cedent een financiële instelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 26), van Verordening nr. 575/2013 die binnen de reikwijdte van de regelgevingsconsolidatie van de overnemende kredietinstelling valt of een kredietinstelling is;
   - de overnemende instelling de door de overdragende instelling gehanteerde kredietverleningsvoorwaarden beoordeelt of zelf overgaat tot een grondige beoordeling van de terugbetalingscapaciteit van de schuldenaars van de overgedragen schuldvorderingen die deel zullen uitmaken van haar bijzonder vermogen, met dien verstande dat de betrokken kredieten uitsluitend mogen zijn verleend op grond van kredietverleningsvoorwaarden die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke door de overnemende instelling worden gehanteerd;
   - de inning van de overgedragen schuldvorderingen slechts aan de cedent of aan een derde die niet de cedent is, kan worden toevertrouwd indien de cedent of die derde contractueel verplicht is dagelijks verslag uit te brengen zodat de overnemende instelling alle informatie ontvangt die zij nodig heeft om te allen tijde haar eigen verplichtingen na te komen die door en krachtens de artikelen 2/1 en 13 van deze Bijlage zijn vastgelegd;
   - indien de inning van de overgedragen schuldvorderingen aan een derde wordt toevertrouwd, de overnemende instelling er bovendien op toeziet, onverminderd de toepassing van artikel 66, dat deze derde deskundig is op het gebied van het beheer van soortgelijke schuldvorderingen als deze die worden overgedragen en over goed gedocumenteerde en passende beleidslijnen, procedures en risicobeheermechanismen beschikt voor de inning van de betrokken schuldvorderingen;
   - indien nodig, de schuldenaars naar behoren in kennis worden gesteld van de overdracht indien de wetgeving die op de overgedragen schuldvordering van toepassing is, een dergelijke kennisgeving voorschrijft om de tegenstelbaarheid van de overdracht te waarborgen.
   Wanneer activa worden verworven met het oog op de uitgifte van Belgische covered bonds door de overnemende instelling, omvat het bijzonder vermogen dat binnen de uitgevende kredietinstelling werd aangelegd de verworven activa en, in voorkomend geval, de bedragen die door de overdragende instelling worden verkregen na de inning van de overgedragen activa of de uitoefening van de rechten bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, 1° en 3°, van deze Bijlage, voor rekening van het bijzonder vermogen dat binnen de overnemende instelling werd aangelegd, of die op een andere wijze door de overdragende instelling worden aangehouden voor rekening van dit bijzonder vermogen. Indien deze bedragen die voor rekening van een bijzonder vermogen worden verkregen of aangehouden, niet geïdentificeerd kunnen worden in het vermogen van de overdragende instelling op het ogenblik dat gevraagd wordt deze tegoeden toe te wijzen aan het bijzonder vermogen, wordt het vorderingsrecht op deze bedragen die in het bijzonder vermogen van de overnemende instelling zijn opgenomen, overgedragen op andere vrije activa van de overdragende instelling met dezelfde waarde. Deze activa worden dan geïdentificeerd na overleg met de vertegenwoordiger van het bijzonder vermogen en de overdragende instelling of, in voorkomend geval, de liquidateur van de overdragende instelling of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit, op grond van de criteria die de cedent en de overnemer hebben vastgelegd in de uitgiftevoorwaarden. De overdragende instelling, haar liquidateur of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit, moet die vervangingsactiva ter beschikking stellen van de overnemende kredietinstelling of, in voorkomend geval, van de portefeuillebeheerder van het bijzonder vermogen van de overnemende kredietinstelling, zodra zij daarom verzoeken.
   De in dit artikel bedoelde overdracht mag enkel tegen marktvoorwaarden geschieden.]13

  Art. 5. [14 De kredietinstellingen die Belgische covered bonds hebben uitgegeven, nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de dekkingsactiva voor elke uitgifte van Belgische covered bonds of voor elk uitgifteprogramma te allen tijde identificeerbaar zijn.
   De Koning bepaalt de minimumvoorwaarden waaraan de kredietinstellingen die covered bonds hebben uitgegeven moeten voldoen om de dekkingsactiva met betrekking tot hun bijzondere vermogens te allen tijde te kunnen identificeren.]14

  Art. 6. [15 Onder voorbehoud van het vierde en vijfde lid]15 wordt elk bijzonder vermogen uitsluitend aangewend voor de naleving van de verbintenissen jegens (a) de houders van de betrokken Belgische covered bonds of, in voorkomend geval, van de Belgische covered bonds die uitgegeven zijn onder het betrokken uitgifteprogramma, evenals jegens (b) de schuldeisers die vastgesteld zijn of vastgesteld kunnen worden overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bond of van het betrokken uitgifteprogramma.
  Onder voorbehoud van [15 de in het vijfde lid opgenomen bepaling]15 belet de in het eerste lid bedoelde exclusieve aanwending dat om het even welke andere schuldeiser van de uitgevende kredietinstelling een recht uitoefent, waaronder een beslagrecht, op de [3 dekkingsactiva]3 [15 , met inbegrip van de zekerheden ter waarborging van de dekkingsactiva,]15 die het bijzonder vermogen vormen.
  [15 ...]15
  De regels voor de verdeling tussen de verbintenissen bedoeld in het eerste lid worden vastgelegd in de uitgiftevoorwaarden en in de overeenkomsten die gesloten zijn in het kader van de uitgifte van de Belgische covered bond of van het betrokken uitgifteprogramma.
  [15 ...]15
  In afwijking van het eerste lid mag de portefeuillebeheerder in voorkomend geval en onder voorbehoud van andersluidende contractuele bepalingen, van het bijzonder vermogen zijn bezoldiging afhouden en die van zijn personeel, evenals alle andere kosten die verband houden met de uitoefening van zijn opdracht, met inbegrip van de kosten die gemaakt zijn door zijn onderaannemers, voor zover zij de vereffening van dit vermogen ten goede komen.
  Na de afsluiting van de vereffening van een bijzonder vermogen maakt het positief saldo van rechtswege deel uit van het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling.
  Noch de wettelijke toewijzing als bedoeld in het eerste lid, noch enige andere bepaling van deze Bijlage doen afbreuk aan het algemeen verhaalsrecht dat de schuldeisers van de in het eerste lid bedoelde verbintenissen hebben op het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling, zodat de schuldvorderingen van die schuldeisers zowel uit het algemeen vermogen kunnen worden geput als uit het bijzonder vermogen dat daarvoor is voorbehouden.
  [15 De opening van een liquidatieprocedure of het nemen van een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling of van de in artikel 4 van deze Bijlage bedoelde overdragende instelling doet geen afbreuk aan de in dit artikel bedoelde wettelijke toewijzing van het bijzonder vermogen.]15
  [16 Art. 6/1. Wanneer er naar aanleiding van de vaststelling van een afwikkelingsinstrument als bedoeld in Boek II, Titel VIII, een overdracht plaatsvindt waarbij een bijzonder vermogen betrokken is, blijven de rechten van de houders van Belgische covered bonds en van de andere schuldeisers als bedoeld in artikel 6, eerste en vierde lid van deze Bijlage, gehandhaafd en worden zij mee overgedragen met de dekkingsactiva die het bijzonder vermogen vormen.]16
  [17 Afdeling I/2 - Beheer van de dekkingsactiva]17
  Art. 7. De uitgevende kredietinstelling staat in voor het beheer van het bijzonder vermogen tot er een liquidatieprocedure wordt geopend of, indien deze datum vroeger valt, tot er een portefeuillebeheerder wordt aangesteld.
  De rechten en verplichtingen met betrekking tot de verrichtingen die tussen de uitgevende kredietinstelling en het bijzonder vermogen plaatsvinden tijdens het bestaan van het bijzonder vermogen en de Belgische covered bonds die eraan verbonden zijn, worden schriftelijk vastgelegd alsof het bijzonder vermogen een afzonderlijke rechtspersoon was.
  [18 Dit beheer houdt onder meer in dat bepaalde dekkingsactiva worden verwijderd uit het bijzonder vermogen en dat ze worden vervangen door andere dekkingsactiva om aan de toepasselijke vereisten te voldoen.]18
  Art. 8. § 1. [19 De Bank]19 stelt voor elk bijzonder vermogen een portefeuillebeheerder aan :
  1° [19 wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een maatregel wordt getroffen en/of een sanctie wordt opgelegd als bedoeld in de artikelen 234, § 2, 235, 236, 345, 346, § 2, of 347 en de Bank van oordeel is dat deze maatregel of sanctie en/of de redenen ervoor de rechten kunnen aantasten van de houders van de Belgische covered bonds en/of van eventuele derden die een schuldvordering hebben op het bijzonder vermogen;]19
  2° [19 wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure wordt geopend of wanneer zij wordt afgewikkeld;]19
  3° wanneer [19 de Bank]19 van mening is dat de beoordeling van de positie van de uitgevende kredietinstelling de belangen van de houders van de betrokken Belgische covered bonds ernstig in gevaar kan brengen.
  [19 De Bank kan eveneens een portefeuillebeheerder aanstellen wanneer één of meer van de in de artikelen 80, § 1, en 81, § 1, bedoelde toestemmingen worden ingetrokken met toepassing van artikel 17 van deze Bijlage.]19
  § 2. Zodra hij is aangesteld, staat de portefeuillebeheerder in voor het volledige beheer van het bijzonder vermogen en beschikt hij van rechtswege over alle nodige of nuttige bevoegdheden om dit beheer te voeren, ook om zonder enige beperking alle mogelijke daden van beschikking te stellen. Doel van dit beheer is dat de verbintenissen die in de uitgiftevoorwaarden van de Belgische covered bonds zijn opgenomen, verder worden nageleefd. Handelingen die betrekking hebben op het bijzonder vermogen en die na de aanstelling van de portefeuillebeheerder worden gesteld door de uitgevende kredietinstelling of in naam van deze instelling, door andere personen dan de portefeuillebeheerder, worden als nietig beschouwd, tenzij ze door de portefeuillebeheerder worden bekrachtigd.
  § 3. Ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling en ten aanzien van derden :
  a) oefent de portefeuillebeheerder [19 vanaf zijn aanstelling]19 en in naam van het bijzonder vermogen de zakelijke en persoonlijke rechten uit en leeft hij de aan het bijzonder vermogen toegekende verplichtingen na, met dezelfde prerogatieven als een volwaardig rechtspersoon;
  b) [19 kan de portefeuillebeheerder besluiten een looptijd te verlengen met toepassing van artikel 13/1 van deze Bijlage.]19
  [19 § 4. De portefeuillebeheerder werkt samen en wisselt alle noodzakelijke en nuttige informatie uit met de Bank en, in geval van een liquidatieprocedure ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling of van de afwikkeling ervan, met de liquidateur of de afwikkelingsautoriteit.]19
  [19 § 5. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot:
   1° de vereisten om aangesteld te kunnen worden als portefeuillebeheerder;
   2° de taken en vaardigheden van de portefeuillebeheerder, evenals zijn rapporteringsverplichtingen, met inbegrip van de beslissingen waarvoor de portefeuillebeheerder het akkoord moet verkrijgen van de Bank en/of de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds;
   3° de modaliteiten die de Bank kan vastleggen voor de in punt 2° bedoelde rapporteringsverplichtingen.]19

  Art. 9. [20 ...]20
  [21 Afdeling I/3 - Inschrijving op Belgische covered bonds door de uitgevende kredietinstelling en verplichte reserves]21
  Art. 10. [22 § 1. De uitgevende kredietinstelling kan op de door haar uitgegeven Belgische covered bonds inschrijven en die Belgische covered bonds verwerven en behouden. Zolang ze worden aangehouden door de instelling, genieten de Belgische covered bonds waarop op deze wijze is ingeschreven of die op deze wijze zijn verworven, niet de rechten die vastgesteld zijn in de artikelen 7:162 tot en met 7:176 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en de soortgelijke rechten die opgenomen zouden zijn in de statuten van de instelling, tenzij de uitgiftevoorwaarden hierin voorzien.
   § 2. In de mate toegestaan door de Bank, kan een uitgevende kredietinstelling voor elk bijzonder vermogen verplichte reserves aanhouden bij de Bank.]22

  [23 Afdeling I/4 - Samenloop van schuldeisers of afwikkeling]23
  Art. 11. Wanneer er een liquidatieprocedure wordt geopend ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling :
  1° is deze procedure beperkt tot het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling; de bijzondere vermogens en de verbintenissen en schulden die door deze bijzondere vermogens gedekt zijn, maken geen deel uit van de boedel van het faillissement;
  2° moet de curator zijn medewerking verlenen aan de toezichthouder en aan de portefeuillebeheerder, zodat zij het bijzonder vermogen overeenkomstig deze wetgeving kunnen beheren;
  3° heeft deze procedure niet tot gevolg dat de verbintenissen en schulden die door een bijzonder vermogen gedekt zijn, [24 automatisch versneld]24 worden;
  4° behouden de schuldeisers van de verbintenissen en schulden die door een bijzonder vermogen gedekt zijn, hun rechten in de liquidatieprocedure, [24 met toepassing van artikel 6, zesde lid]24 van deze Bijlage;
  5° kan de portefeuillebeheerder, in het belang van de houders van de betrokken Belgische covered bonds, na overleg met de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds en mits [24 de Bank]24 hiermee instemt, het bijzonder vermogen (activa en passiva) en het beheer hiervan overdragen aan een instelling die zal instaan voor de verdere uitvoering van de verplichtingen jegens de houders van Belgische covered bonds, overeenkomstig de oorspronkelijke uitgiftevoorwaarden;
  6° kan de portefeuillebeheerder na overleg met de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds en mits [24 de Bank]24 hiermee instemt, overgaan tot de vereffening van een bijzonder vermogen en tot de vervroegde terugbetaling van de betrokken Belgische covered bonds, indien de [3 dekkingsactiva]3 niet toereikend zijn of niet meer toereikend dreigen te zijn om de verplichtingen met betrekking tot deze Belgische covered bonds na te komen;
  7° gaat de portefeuillebeheerder na overleg met [24 de Bank]24 en de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds over tot de gedeeltelijke of volledige vereffening van het bijzonder vermogen en tot de vervroegde terugbetaling, indien die houders op een algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bonds, waarop minstens twee derden van het aan hoofdsom uitstaande bedrag vertegenwoordigd zijn, de vereffening van het bijzonder vermogen en de vervroegde terugbetaling bij eenvoudige meerderheid goedkeuren;
  8° heeft de curator het recht om, na overleg met [24 de Bank]24, van de portefeuillebeheerder te eisen dat de activa waarvan vaststaat dat ze niet langer nodig zijn als [3 dekkingsactiva]3, teruggaan naar de massa.
  Art. 12. § 1. [25 ...]25
  § 2. Wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure is geopend, mag zij niettegenstaande artikel 233 buiten deze liquidatieprocedure de activiteiten blijven uitoefenen die nodig of nuttig zijn voor het beheer dat de portefeuillebeheerder voert om de belangen van de houders van uitgegeven Belgische covered bonds met betrekking tot het bijzonder vermogen te vrijwaren, uiterlijk tot alle verplichtingen die verband houden met het bijzonder vermogen, volledig zijn uitgevoerd of op een andere wijze zijn nagekomen.
  § 3. [25 ...]25
  [26 Art. 12/1. Wanneer er ten aanzien van een kredietinstelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven een liquidatieprocedure is geopend of wanneer zij wordt afgewikkeld, werken de Bank, de portefeuillebeheerder en, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit samen en wisselen zij de nodige informatie uit met het oog op voornoemde procedures en om te waarborgen dat de rechten en belangen van de houders van Belgische covered bonds worden geëerbiedigd, met name door erop toe te zien dat het uitgifteprogramma voor Belgische covered bonds tijdens de liquidatieprocedure of de afwikkeling doorlopend en overeenkomstig de wettelijke en reglementaire vereisten wordt beheerd. De portefeuillebeheerder ziet er ook op toe dat aan de rapporteringsverplichtingen wordt voldaan.
   Op de aan de Belgische covered bonds verbonden betalingsverplichtingen is in geen geval een automatische versnelling van toepassing bij afwikkeling van de uitgevende kredietinstelling.]26

  Afdeling II. [27 - Uitgifte- en liquiditeitsvoorwaarden]27
  Art. 13. [28 Onverminderd artikel 13/1 moet de uitgevende kredietinstelling te allen tijde kunnen voldoen aan haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan de uitgegeven Belgische covered bonds en moet zij te dien einde mechanismen instellen die ervoor zorgen dat zij te allen tijde beschikt over de nodige liquiditeit daarvoor.
   De Koning bepaalt:
   1° de toepasselijke vereisten inzake het in aanmerking nemen van de liquiditeiten die gegenereerd worden door de dekkingsactiva en de liquiditeitsbuffer waarover de uitgevende kredietinstelling moet beschikken om te waarborgen dat zij haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan de uitgegeven Belgische covered bonds kan nakomen;
   2° de vereisten met betrekking tot de periodieke verificatie van de liquiditeitsbuffer, die met name wordt uitgevoerd door een vergelijking te maken tussen de liquiditeiten die gedurende een bepaalde periode gegenereerd worden door de dekkingsactiva en de betalingen die gedurende een bepaalde periode overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden moeten worden verricht.]28

  [29 Art. 13/1. § 1. De looptijd van een Belgische covered bond kan alleen worden verlengd onder de volgende voorwaarden:
   1° de triggers voor deze verlenging zijn uitdrukkelijk opgenomen in de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bonds. Alleen de volgende gebeurtenissen worden beschouwd als triggers:
   - de uitgevende kredietinstelling heeft vastgesteld dat zij niet in staat is alle bedragen terug te betalen die op de vervaldag van de betrokken Belgische covered bonds verschuldigd zijn ("failure to pay"); en/of
   - er is ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure geopend of zij wordt afgewikkeld;
   2° in geval van een liquidatieprocedure of een afwikkeling wordt over de tenuitvoerlegging van de verlenging beslist door de portefeuillebeheerder;
   3° de uitgestelde vervaldatum is opgenomen in de uitgiftevoorwaarden, en de eindvervaldatum mag niet later zijn dan één jaar na de oorspronkelijke vervaldatum [34 ...]34.
   § 2. De redenen voor de verlenging en het actieplan dat de uitgevende kredietinstelling zal volgen om ervoor te zorgen dat alle verschuldigde bedragen op de nieuwe vervaldag worden terugbetaald, worden gedocumenteerd en binnen 15 werkdagen na de verlenging ter kennis van de Bank gebracht. Indien de redenen voor de verlenging hun oorsprong vinden in de in paragraaf 1, 1°, eerste streepje bedoelde trigger, toont de uitgevende kredietinstelling aan dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de trigger zich zou voordoen.
   De looptijdverlenging laat de toepassing van de artikelen 1/1 en 6 van deze Bijlage onverlet. In het bijzonder mag de verlenging van de oorspronkelijke vervaldag geen invloed hebben op de situatie van de houders van de betrokken Belgische covered bonds en van de andere schuldeisers van het bijzonder vermogen wat betreft hun exclusief recht op de dekkingsactiva die het bijzonder vermogen vormen. Evenzo mag een dergelijke verlenging geen wijziging inhouden van de volgorde van het looptijdenschema voor de uitgiften van een uitgifteprogramma.
   § 3. Naast de krachtens paragraaf 1 vereiste informatie omvatten de uitgiftevoorwaarden een gedetailleerde beschrijving van:
   1° de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging en de gevolgen van de looptijdverlenging;
   2° de gevolgen van de ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling geopende liquidatieprocedure of van haar afwikkeling voor de looptijdverlenging;
   3° de rol van de portefeuillebeheerder en de Bank bij de looptijdverlenging.
   § 4. De Koning kan de voorwaarden bepalen waaronder er in de uitgiftevoorwaarden van Belgische covered bonds in een looptijdverlenging kan worden voorzien, alsmede de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging ervan.]29

  Art. 14. § 1. [2 De artikelen 7:162 tot 7:176 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2 zijn slechts van toepassing op de Belgische covered bonds in de mate dat de uitgiftevoorwaarden er niet van afwijken.
  § 2. Voor de houders van Belgische covered bonds die deel uitmaken van dezelfde uitgifte of van hetzelfde uitgifteprogramma, kunnen er één of meer vertegenwoordigers worden aangesteld, voor zover de uitgiftevoorwaarden regels bevatten voor de organisatie van algemene vergaderingen voor de houders van de betrokken Belgische covered bonds. Binnen de grenzen van de aan hen toevertrouwde opdrachten kunnen deze vertegenwoordigers alle houders van de Belgische covered bonds van deze uitgifte of van dit uitgifteprogramma verbinden jegens derden en om hun bevoegdheid te bewijzen, volstaat het dat zij de akte voorleggen waarmee zij zijn aangesteld. Zij kunnen optreden en de houders van de Belgische covered bonds vertegenwoordigen in liquidatieprocedures of soortgelijke procedures, zonder de identiteit van deze personen bekend te maken.
  De vertegenwoordigers van de houders van een Belgische covered bond worden hetzij vóór de uitgifte aangesteld door de uitgevende kredietinstelling, hetzij na de uitgifte door de algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bonds. Hun bevoegdheden worden vastgesteld in de uitgiftevoorwaarden of, indien dit niet het geval is, door de algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bond.
  De algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bonds kan de aanstelling van de vertegenwoordiger(s) te allen tijde herroepen, op voorwaarde dat zij tegelijkertijd één of meer andere vertegenwoordigers aanstelt. De algemene vergadering beslist bij eenvoudige meerderheid van de vertegenwoordigde Belgische covered bonds.
  De vertegenwoordigers van de houders van een Belgische covered bond kunnen ook worden aangesteld om op te treden voor de andere schuldeisers die houder zijn van schuldvorderingen die door de [3 dekkingsactiva]3 zijn gedekt, mits deze schuldeisers hiermee instemmen en voor zover de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bond passende regels bevatten voor eventuele belangenconflicten.
  De vertegenwoordigers oefenen hun bevoegdheden uit in het uitsluitend belang van de houders van de Belgische covered bond en, in voorkomend geval, van de andere schuldeisers die zij vertegenwoordigen, en zijn hen rekenschap verschuldigd volgens de nadere regels die vastgelegd zijn in de uitgiftevoorwaarden of, in voorkomend geval, in de beslissing tot aanstelling.
  Afdeling III. - Bijzondere verplichtingen voor de emittent van de Belgische covered bonds
  Art. 15. § 1. Elke kredietinstelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven, moet met betrekking tot die Belgische covered bonds :
  1° [30 een bijzondere administratie voeren voor:
   a) de uitgegeven Belgische covered bonds waarop het bijzonder vermogen betrekking heeft; en
   b) de dekkingsactiva die deze Belgische covered bonds dekken.
   De in de punten a) en b) bedoelde activa worden ingeschreven in een register van de dekkingsactiva dat wordt bijgehouden voor een of meer specifieke Belgische covered bonds, of, in voorkomend geval, voor alle Belgische covered bonds die onder eenzelfde uitgifteprogramma zijn uitgegeven.
   Zodra de dekkingsactiva, waaronder derivatencontracten, in het register van de dekkingsactiva zijn ingeschreven, maken zij deel uit van het bijzonder vermogen dat betrekking heeft op de Belgische covered bonds die in hetzelfde register zijn ingeschreven. Deze opname in het bijzonder vermogen is geldig en afdwingbaar tegenover derden vanaf het moment van deze inschrijving.]30

  2° [30 ...]30
  3° aan haar commissaris-revisor, aan elke portefeuillesurveillant en aan elke portefeuillebeheerder [30 alle nodige informatie verstrekken en]30 alle nodige medewerking verlenen om hen in staat te stellen de opdrachten uit te voeren die hen zijn toegekend op grond van deze wet, de uitgiftevoorwaarden en de overeenkomsten die verband houden met de uitgifte;
  4° [30 periodiek aan de Bank aantonen dat de uitgegeven Belgische covered bonds nog steeds voldoen aan de door of krachtens deze wet opgelegde vereisten, met name
   a) door verslag uit te brengen over de naleving van de vereisten met betrekking tot de criteria voor de beleenbaarheid van de dekkingsactiva en de samenstelling van het bijzonder vermogen;
   b) door verslag uit te brengen over de waardering van de dekkingsactiva, de naleving van de dekkingsvereisten, de liquiditeitsvereisten en de vereisten inzake de verlengbare-looptijdstructuren, met name door de resultaten mee te delen van de stresstests met betrekking tot de dekkings- en de liquiditeitsvereisten;
   c) door verslag uit te brengen over de naleving van de vereisten inzake de afzondering van de activa, inzonderheid de naleving van de vereisten met betrekking tot de inschrijving van de activa;
   d) door verslag uit te brengen over het krediet-, wisselkoers-, liquiditeits- en renterisico; en
   e) door verslag uit te brengen over de uitvoering van de taken van de portefeuillesurveillant;]30

  5° [30 in staat zijn om aan de Bank aan te tonen, telkens er belangrijke wijzigingen worden voorgesteld met betrekking tot Belgische covered bonds of een uitgifteprogramma en de juridische documentatie over deze Belgische covered bonds of dit uitgifteprogramma, dat de betrokken Belgische covered bonds nog altijd voldoen aan de vereisten die door of krachtens de artikelen 79 tot en met 81 en in de bepalingen van deze Bijlage zijn vastgesteld;]30
  6° in voorkomend geval maatregelen nemen om het wisselkoersrisico en het renterisico te beperken.
  § 2. [30 De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de inhoud van de in paragraaf 1, 4°, bedoelde verslagen, de frequentie waarmee de uitgevende kredietinstelling ze aan de Bank toezendt en volgens welk schema.]30
  § 3. De Koning kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de [30 in paragraaf 1]30 bedoelde bijzondere administratie moet worden gevoerd, zowel voor de vorm en de inhoud als voor de integriteit van de gegevens.
  [31 Art. 15/1. § 1. Elke kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft, publiceert afzonderlijk voor elk uitgifteprogramma de volgende informatie op haar website binnen de maand die volgt op de uitgifte en vervolgens elke maand voor de informatie met betrekking tot de voorgaande maand:
   1° de waarde van het bijzonder vermogen en van de betrokken uitstaande Belgische covered bonds en, in voorkomend geval, de rating van de betrokken Belgische covered bonds;
   2° voor elke uitgifte, de lijst van de International Securities Identification Numbers (ISIN's) van de effecten waaraan een dergelijke code is toegekend en de munteenheid waarin de betrokken Belgische covered bonds zijn uitgegeven, hun uitstaand bedrag, hun uitgiftedatum, hun vervaldatum, met inbegrip van de vastgestelde vervaldatum in geval van verlenging, de kenmerken van hun coupon en het percentage ervan;
   3° het type dekkingsactiva alsook de geografische spreiding van de zekerheden ter waarborging ervan, en, als er geen zekerheden zijn, de geografische spreiding van de woonplaatsen of zetels van de schuldenaars van die activa, het uitstaande bedrag dat betrekking heeft op de betrokken schuldvorderingen en de waarderingsmethode;
   4° nadere gegevens over het marktrisico, waaronder het rente- en wisselkoersrisico, en over het krediet- en liquiditeitsrisico;
   5° de overeenstemming tussen de looptijden van de dekkingsactiva en die van de Belgische covered bonds, in voorkomend geval met inbegrip van een overzicht van de triggers voor looptijdverlenging en de eindvervaldagen van de Belgische covered bonds;
   6° het niveau van de vereiste dekkingsactiva, met inbegrip van het niveau van het door of krachtens deze Bijlage en de uitgiftevoorwaarden vereiste overschot, alsmede het niveau van het vrijwillig gevormde overschot;
   7° het percentage van de schuldvorderingen waarvoor geacht wordt dat er zich een wanbetaling in de zin van artikel 178 van Verordening nr. 575/2013 heeft voorgedaan, alsook het percentage van de schuldvorderingen waarvoor de betalingsachterstand meer dan 30 dagen bedraagt zonder dat er wanbetaling in de zin van het voornoemd artikel 178 is vastgesteld.
   § 2. De Koning kan nadere regels vaststellen betreffende de informatie die met toepassing van paragraaf 1 moet worden verstrekt.]31

  Afdeling IV. - Specifieke controle
  Art. 16. § 1. Na het eensluidend advies van [32 de Bank]32 en zodra er Belgische covered bonds zijn uitgegeven, stelt de uitgevende kredietinstelling een portefeuillesurveillant aan die verslag uitbrengt aan [32 de Bank]32 over de naleving door de uitgevende kredietinstelling van de wettelijke en reglementaire vereisten met betrekking tot de Belgische covered bonds. De kosten en bezoldigingen die aan deze portefeuillesurveillant moeten worden betaald, komen ten laste van de uitgevende kredietinstelling. [32 De opdracht van de portefeuillesurveillant eindigt bij de benoeming van een portefeuillebeheerder met toepassing van artikel 8 van deze Bijlage.]32
  § 2. [32 De portefeuillesurveillant verifieert en brengt periodiek verslag uit aan de Bank over de naleving door de uitgevende kredietinstelling van de vereisten met betrekking tot met name:
   1° de aangehouden dekkingsactiva;
   2° de administratie en de in artikel 15 van deze Bijlage bedoelde rapporteringsverplichtingen;
   3° de permanente handhaving van het vereiste dekkingsniveau, overschot en liquiditeitsniveau.]32

  § 3. [32 De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot met name:
   1° de vereisten waaraan voldaan moet zijn om aangesteld te kunnen worden als portefeuillesurveillant en de voorwaarden waaronder de portefeuillesurveillant kan worden ontslagen; en
   2° de taken en rapporteringsverplichtingen van de portefeuillesurveillant.]32

  [32 § 4. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 met name de inhoud en de frequentie bepalen van de verslagen die door de portefeuillesurveillant aan de Bank moeten worden bezorgd.]32
  Art. 17. [33 § 1. Indien de Bank vaststelt dat bepaalde Belgische covered bonds niet meer voldoen aan de vereisten die door of krachtens de artikelen 79 tot en met 81 of de bepalingen van deze Bijlage zijn opgelegd, dat de betrokken uitgevende kredietinstelling niet meer voldoet aan de vereisten die op haar van toepassing zijn in haar hoedanigheid van kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft of dat zij door middel van valse verklaringen of op een andere onregelmatige wijze de krachtens de artikelen 80, § 1, en 81, § 1, vereiste toestemming heeft verkregen, stelt zij een termijn vast waarbinnen de vastgestelde situatie moet worden verholpen.
   Onverminderd de overige in deze wet bedoelde maatregelen, met name de in artikel 8 van deze Bijlage bedoelde mogelijkheid om een portefeuillebeheerder aan te stellen, kan de Bank of, in voorkomend geval, de ECB op verzoek van de Bank, één of meer van de in de artikelen 80, § 1, en 81, § 1, bedoelde toestemmingen intrekken, indien de situatie bij het verstrijken van deze termijn niet is verholpen.
   Bij uiterste hoogdringendheid of indien de ernst van de feiten zulks rechtvaardigt, kan de Bank of de ECB de in deze paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf een termijn wordt vastgesteld.
   § 2. In geval van intrekking van de toestemming overeenkomstig paragraaf 1 stelt de Bank de Europese Commissie en de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van het betrokken besluit en maakt zij dit besluit onmiddellijk bekend op haar website.
   § 3. Onverminderd de overige in deze wet bedoelde maatregelen, met name de taak van de in voorkomend geval overeenkomstig artikel 8 van deze Bijlage aangestelde portefeuillebeheerder, doet de intrekking van de algemene toestemming als bedoeld in artikel 80, § 1, en/of van een bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 81, § 1, geen afbreuk aan de rechten van de houders van de Belgische covered bonds die overeenkomstig de betrokken toestemmingen zijn uitgegeven, noch aan de rechten van de andere schuldeisers van het (de) bijzonder(e) vermogen(s) die betrekking hebben op deze Belgische covered bonds. Vanaf de datum van intrekking van één of meer van de voornoemde toestemmingen mogen er geen nieuwe uitgiften van Belgische covered bonds meer plaatsvinden, ook niet onder een bestaand uitgifteprogramma.
   § 4. Wanneer een van de in paragraaf 1 bedoelde toestemmingen wordt ingetrokken, blijft de betrokken kredietinstelling onderworpen aan de bepalingen die door of krachtens de artikelen 79 tot en met 81 en in deze Bijlage zijn vastgesteld totdat de uitgevende kredietinstelling heeft voldaan aan al haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan eerder uitgegeven Belgische covered bonds, tenzij de Bank haar daarvan vrijstelt voor sommige bepalingen.]33

  

Änderungen

Art. N2. Annexe 2. - POLITIQUE DE REMUNERATION
  Section Ire. - Structure de la politique de rémunération Article 1er. § 1er. La politique de rémunération prévoit un équilibre approprié entre les composantes fixe et variable de la rémunération totale. La rémunération fixe représente une part suffisamment importante de la rémunération totale afin de garantir l'exercice d'une politique de rémunération variable totalement souple, et notamment la possibilité de ne payer aucune rémunération variable.
  § 2. La politique de rémunération définit les rapports appropriés entre les composantes fixe et variable de la rémunération totale. Elle prévoit que la rémunération variable de chaque personne est, en tout cas, limitée au plus élevé des deux montants suivants :
  - 50 % de la rémunération fixe;
  - 50 000 euros, sans que ce montant ne puisse excéder celui de la rémunération fixe.
  Section II. - Rémunération variable
  Art. 2. Le volume total des rémunérations variables ne peut limiter la capacité de l'établissement à renforcer ses fonds propres.
  Art. 3. Le montant total de la rémunération variable est établi en combinant l'évaluation des performances de la personne et de l'unité d'exploitation concernées avec celle des résultats d'ensemble de l'établissement.
  L'évaluation des performances individuelles prend en compte des critères financiers et non financiers.
  L'évaluation des performances s'inscrit dans un cadre pluriannuel afin de garantir que le processus d'évaluation porte bien sur les performances à long terme et que le paiement effectif des composantes de la rémunération variable s'échelonne sur une période tenant compte de la durée du cycle économique sous-jacent de l'établissement et de ses risques économiques.
  Art. 4. L'évaluation des performances, pour les besoins du calcul de la rémunération variable des personnes individuelles ou des groupes dont elles relèvent, est ajustée en fonction de tous les types de risques actuels et futurs et tient compte du coût du capital et des liquidités requises.
  Lors de l'attribution des composantes variables de la rémunération au sein de l'établissement, il est également tenu compte de tous les types de risques actuels et futurs.
  Art. 5. Toute rémunération variable garantie est interdite sauf, exceptionnellement, lors du recrutement de nouveaux membres du personnel et pour autant que l'établissement dispose de capitaux sains et solides et qu'elle soit strictement limitée à la première année suivant le recrutement.
  Art. 6. Une part d'au moins 50 % de toute rémunération variable, y compris sa part reporté en application de l'article 7 de la présente Annexe, est composée d'un équilibre approprié entre :
  1° [3 des actions ou, en fonction de la structure juridique de l'établissement concerné, des participations équivalentes au capital, ou, des instruments financiers liés aux actions, ou, en fonction de la structure juridique de l'établissement concerné, des instruments équivalents non liquides ("non-cash instruments") ; et,]3
  2° si possible, d'autres instruments de capitaux qui remplissent les conditions afin d'être éligibles en tant qu'instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou de catégorie 2, en application des dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi ou du Règlement n° 575/2013, ou d'autres instruments qui peuvent être intégralement convertis en instruments de fonds propres de base de catégorie 1 ou qui peuvent être intégralement amortis et qui reflètent en tout cas correctement la qualité de crédit de l'établissement dans une perspective de continuité.
  Les instruments visés au présent article sont soumis à une politique de détention appropriée, par laquelle le titulaire des instruments est obligé à en conserver la propriété, destinée à aligner les incitants sur les intérêts à long terme de l'établissement. L'autorité de contrôle peut interdire ou soumettre à des restrictions les types d'instruments dont les caractéristiques ne répondent pas à cette exigence.
  Art. 7. [4 Le paiement d'une part d'au moins 40 % de la rémunération variable est reportée pendant une durée minimale de quatre à cinq ans. Cette part est fonction de la nature des activités de l'établissement, de ses risques et des activités de la personne concernée. Pour les membres de l'organe légal d'administration et la haute direction des établissement de crédit d'importance significative, la période de report ne peut être inférieure à cinq ans.]4
  Lorsque le montant de la rémunération variable est particulièrement élevé, le pourcentage de la rémunération variable reportée visé à l'alinéa 1er doit au moins s'élever à 60 %.
  La durée de la période de report est déterminée conformément au cycle économique de l'établissement, à sa nature, à ses risques et aux activités de la personne concernée.
  [11 La rémunération variable qui est due conformément aux dispositifs de report n'est pas acquise plus rapidement qu'au prorata.]11
  Art. 8. § 1er. Sans préjudice de l'article 101, la rémunération variable, y compris la part reportée, n'est payée ou acquise que si son montant est supportable eu égard à la situation financière de l'établissement dans son ensemble et si elle est justifiée par les performances de l'établissement, de l'unité d'exploitation et de la personne concernée.
  § 2. Sans préjudice des principes généraux du droit des contrats et du droit du travail, la rémunération variable totale de l'établissement de crédit est significativement réduite si l'établissement produit un rendement financier réduit ou négatif.
  La réduction visée à l'alinéa 1er s'applique à la fois à la rémunération variable non encore acquise, à la rémunération variable acquise mais non encore versée ainsi qu'à celle qui a déjà fait l'objet d'un paiement effectif, entre autres par le biais de dispositifs de malus ou de récupération ("clawback").
  Le montant total de la rémunération variable fait l'objet d'une disposition de "malus" ou de "clawback" (clause de récupération), en particulier dans les situations dans lesquelles la personne concernée :
  a) a participé à des pratiques qui ont donné lieu à des pertes considérables pour l'établissement, ou en était responsable;
  b) n'a pas respecté les normes applicables en matière d'expertise et d'honorabilité professionnelles;
  c) a participé à [10 un mécanisme particulier au sens de l'article 21, § 1er/1, alinéa 2]10.
  Section III. - Pensions
  Art. 9. La politique en matière de pensions est conforme à la stratégie économique, aux objectifs, aux valeurs et aux intérêts à long terme de l'établissement.
  Si un membre du personnel quitte l'établissement avant la retraite, les prestations de pension discrétionnaires relatives à ce membre sont conservées par l'établissement pour une période de cinq ans sous la forme d'instruments visés à l'article 6 de la présente Annexe.
  Dans le cas d'un membre du personnel qui atteint l'âge de la retraite, les prestations de pension discrétionnaires lui sont versées sous la forme d'instruments visés à l'article 6 de la présente Annexe, ces instruments étant soumis à une période de détention d'une période de cinq ans.
  Les dispositions de l'article 8, § 2 de la présente Annexe sont applicables aux prestations de pension discrétionnaires.
  [5 Section III/1. - Exemptions]5
  [8 Art. 9/1. Les articles 6, 7 et 9, alinéas 2 et 3, de la présente annexe ne sont pas applicables :
   1° aux établissements de crédit qui ne sont pas des établissements de grande taille au sens de l'article 4, paragraphe 1er, 146), du Règlement n° 575/2013 et dont la valeur des actifs déterminée conformément à l'article 24 dudit règlement est, en moyenne et sur base individuelle ou, si cette donnée n'est pas disponible, sur base consolidée, inférieure ou égale à 5 milliards d'euros au cours de la période de quatre ans précédant immédiatement l'exercice en cours ;
   2° à un membre du personnel dont la rémunération variable annuelle n'excède pas 50 000 euros et ne représente pas plus d'un tiers de la rémunération annuelle totale du membre du personnel.]8

  Section IV. - Dispositions anti-abus
  Art. 10. Les personnes visées à l'article 67, alinéa 2 s'abstiennent d'effectuer des opérations, y compris d'assurance, qui portent atteinte, en tout ou en partie, au respect des dispositions prévues à la présente Annexe, en particulier des opérations visant ou susceptibles de neutraliser le risque découlant des modalités de leur rémunération variable.
  Art. 11. Les établissements s'abstiennent d'attribuer ou de verser une rémunération variable par le biais de véhicules ou de méthodes qui facilitent le non-respect des dispositions de la présente loi ou du Règlement n° 575/2013.
  Section V. - Indemnités de départ et d'entrée en fonction
  Art. 12. [9 Pour les besoins de la présente Annexe on entend par indemnité de départ, toute forme de rémunération ou compensation octroyée à une personne visée à l'article 67, alinéa 2 à l'occasion de son départ, quel que soit le moment de ce départ et que celui-ci soit volontaire ou non. Une indemnité de départ peut, le cas échéant, comprendre une indemnité de cessation de fonction, à savoir une somme/indemnité payée en lien avec la fin anticipée d'un contrat de travail ou d'un mandat social sur une base non-volontaire dans le chef d'une personne visée à l'article 67, alinéa 2.
   Toute indemnité de départ constitue de la rémunération variable à laquelle s'applique dès lors les dispositions des articles 1er à 8 de la présente Annexe.
   Sans préjudice du Code des sociétés et des associations, toute indemnité de départ doit tenir compte des performances effectives dans le temps et être conçue de manière à ne pas récompenser l'échec ou un comportement fautif.
   En outre, une indemnité de départ dont le montant est supérieur à un montant équivalent à 12 mois de rémunération fixe, ou sur avis motivé conforme du comité de rémunération, dont le montant est supérieur à un montant équivalent à 18 mois de rémunération fixe, ne peut être octroyée, nonobstant toute disposition statutaire ou clause contractuelle contraire, que sous réserve de l'approbation de la première assemblée générale ordinaire qui suit. La procédure prévue à l'article 7 :92, alinéas 2 et 3, du Code des sociétés et des associations est applicable par analogie.]9

  [6 Art. 12/1. § 1er. Par exception à l'article 12, alinéa 2 de la présente Annexe, les articles 1er, § 2, et 2 à 8 de la présente Annexe ne sont pas applicables à :
   1° l'indemnité de départ consistant dans un montant visant à compenser la perte de revenu en application d'une clause de non-concurrence et pour laquelle l'établissement peut démontrer à l'Autorité de contrôle, préalablement à son octroi, qu'elle répond aux critères de qualification d'une rémunération fixe ;
   2° l'indemnité de départ accordée à une personne dans les liens d'un contrat de travail ou d'un mandat social et consistant dans une indemnité de cessation de fonction, à concurrence du montant auquel la personne concernée a droit ou aurait, par analogie, eu droit sur la base de son ancienneté, en application des dispositions légales relatives à un licenciement dans le cadre d'un contrat de travail.
   § 2. En cas d'indemnité de départ consistant dans une indemnité de cessation de fonction, par exception à l'article 12, alinéa 2 de la présente Annexe, l'ensemble ou une partie du montant des indemnités ne bénéficiant pas des exceptions prévues au paragraphe 1er peut, en outre, être exonéré de l'application des articles 1er, § 2, 6 et 7 de la présente Annexe pour autant que cette exonération soit dûment motivée et préalablement notifiée à l'Autorité de contrôle et que cette exonération puisse exclusivement trouver une justification dans les situations spécifiques et de nature exceptionnelle visées par les Orientations de l'ABE en matière de politiques de rémunération.]6

  Art. 13. Les indemnités versées à l'entrée en fonction et destinées à compenser une perte liée au changement d'établissement de crédit, doivent être conformes aux intérêts à long terme de l'établissement, notamment en matière de détention, de reports de paiement, d'évaluation de la performance et de dispositifs de récupération.
  Section VI. - Soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics
  Sous-section 1re. - Rémunération variable - Limitation générale
  Art. 14. Pour les besoins de la présente Section, le soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics :
  1° est présumé, irréfragablement, exister lorsque
  - des prêts accordés par l'Etat fédéral ne sont pas encore remboursés;
  - une garantie accordée par l'Etat fédéral n'est pas expirée ou n'a pas été levée;
  2° sans préjudice du 1°, prend fin lorsque les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
  - l'établissement ne doit pas établir de plan de restructuration basé sur la décision de la Commission européenne, ou a pleinement et correctement satisfait à un tel plan; un plan de restructuration étant considéré comme pleinement et correctement satisfait lorsque l'établissement peut démontrer qu'il a mis à exécution toutes les mesures structurelles (notamment la vente de participations) et que les mesures de restrictions (notamment l'interdiction de prendre le contrôle d'entreprises) ne sont plus d'application, l'établissement ayant, en outre, démontré qu'il s'est conformé aux obligations qui lui incombent en ce qui concerne le retrait planifié du soutien des autorités publiques; et
  - l'autorité de contrôle certifie que l'établissement satisfait aux dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi qu'au Règlement n° 575/2013 en ce qui concerne les exigences applicables en matière de solvabilité et de liquidité.
  Art. 15. Dans le cas d'établissements qui bénéficient d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, la rémunération variable est, sans préjudice de l'article 16 de la présente Annexe, strictement limitée à un pourcentage du total du bénéfice de l'établissement lorsque cette rémunération n'est pas compatible avec le maintien d'une assise financière saine et une sortie en temps voulu du programme d'aide publique.
  Les établissements qui bénéficient d'un soutien visé à l'alinéa 1er restructurent les rémunérations d'une manière conforme à une gestion saine des risques et à une croissance à long terme, y compris, s'il y a lieu, en fixant des limites à la rémunération des membres de l'organe légal d'administration et des personnes qui, en l'absence de comité de direction, participent à la direction effective.
  Sous-section 2. - Limitation de la rémunération variable des dirigeants
  Art. 16. En cas de soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, aucune rémunération variable n'est versée, directement ou indirectement, aux membres de l'organe légal d'administration de l'établissement et aux personnes qui, en l'absence de comité de direction, participent à sa direction effective, sauf dans l'hypothèse d'une personne par établissement spécifiquement engagée après le soutien financier précité pour contribuer à la mise en oeuvre du plan de restructuration imposé à l'établissement.
  Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, fixe les limites maximales de la part variable permise dans les limites de l'alinéa 1er. Cette part variable est, en outre, soumise aux dispositions des articles 2 à 9 de la présente Annexe.
  Sous-section 3. - Limitation des indemnités de départ
  Art. 17. L'établissement de crédit qui bénéficie d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics n'est pas autorisé à octroyer une indemnité de départ aux personnes visées à l'article 15, alinéa 2 de la présente Annexe supérieure à 9 mois de rémunération fixe. Cette indemnité est, en outre, soumise aux dispositions de l'article 8, § 2 de la présente Annexe en matière de dispositifs de malus et de clause de récupération ("clawback").
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'établissement de crédit peut accorder une indemnité de départ plus élevée si la personne concernée, préalablement à l'octroi du mandat de dirigeant, conformément au cadre contractuel en vigueur et sur la base de son ancienneté accumulée au sein de l'établissement, aurait eu droit, en cas de licenciement, à une indemnité de préavis supérieure à l'indemnité de départ prévue conformément à l'alinéa 1er, et ce à concurrence de cette indemnité au maximum.
  Sous-section 4. - Caractère d'ordre public des dispositions
  Art. 18. L'application des dispositions contractuelles ou autres qui régissent la relation juridique entre une personne visée à l'article 15, alinéa 2 de la présente Annexe et l'établissement et qui sont contraires aux dispositions de la présente Section, est suspendue de plein droit pendant la période complète du soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics.
  En cas de soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, les dispositions contractuelles ou autres qui régissent la relation juridique entre une personne visée à l'article 15, alinéa 2 de la présente Annexe et l'établissement ne peuvent en aucun cas avoir un effet rétroactif.
  Section VII. - Publication et communication
  Art. 19. Les établissements de crédit publient leur politique de rémunération conformément aux dispositions de droit européen applicables, en particulier l'article 450 du Règlement n° 575/2013.
  Les établissements fournissent à l'autorité de contrôle les informations publiées conformément à l'alinéa 1er [7 ainsi que les informations sur l'écart de rémunération entre les hommes et les femmes,]7 afin qu'elle procède à des analyses comparatives des tendances et des pratiques en matière de rémunération.
  Art. 20. Les établissements fournissent à l'autorité de contrôle des informations sur le nombre de personnes qui bénéficient dans l'établissement d'une rémunération d'au moins un million d'euros par exercice comptable, par tranche de rémunération de un million d'euros, y compris la description de leurs responsabilités professionnelles, le domaine d'activité concerné et les principaux éléments de la rémunération, en ce compris les primes, les indemnités à long terme et les cotisations de pension. Ces informations sont transmises à l'Autorité bancaire européenne.
  
Art. N3. Bijlage 3. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITGIFTE VAN COVERED BONDS
  Afdeling I. [4 - Definities en rechtsmiddelen van de houders van Belgische covered bonds]4
  Artikel 1. Voor de toepassing van de artikelen 79 tot 84 en van deze Bijlage wordt verstaan onder :
  1° Belgische covered bond : een schuldinstrument dat voldoet aan de volgende criteria :
  a) het schuldinstrument is of wordt uitgegeven door een kredietinstelling naar Belgisch recht die opgenomen is in [5 de lijst bedoeld in artikel 82, eerste lid]5 ;
  b) het schuldinstrument of - bij uitgifte onder een programma - het uitgifteprogramma en elk onder dat programma uitgegeven schuldinstrument, is of wordt opgenomen in [5 de lijst bedoeld in artikel 82, tweede lid]5 ;
  c) [5 het schuldinstrument wordt gewaarborgd door dekkingsactiva;]5
  [5 1° /1 programma van Belgische covered bonds: de structurele kenmerken van uitgiften van Belgische covered bonds die worden bepaald door de contractuele voorwaarden die erop van toepassing zijn, overeenkomstig de toestemming die met toepassing van artikel 81 aan de uitgevende kredietinstelling is verleend, en de toepasselijke wettelijke bepalingen;]5
  [5 1° /2 bijzonder vermogen: een overeenkomstig artikel 3, § 2, van deze Bijlage samengestelde pool van activa die de aan de Belgische covered bonds verbonden betalingsverplichtingen waarborgen en die door de kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft afgezonderd worden gehouden van de andere activa die deel uitmaken van haar algemeen vermogen;]5
  2° [3 dekkingsactiva]3 : de activa waaruit het bijzonder vermogen [5 ...]5 bestaat;
  [5 2° /1 zekerheden ter waarborging van de dekkingsactiva: de zakelijke of persoonlijke zekerheden die de dekkingsactiva waarborgen;]5
  3° Belgische pandbrief : elke Belgische covered bond waarvan de [3 dekkingsactiva]3 voldoen aan de voorwaarden die vastgesteld zijn op grond van artikel 2, § 1 van deze Bijlage, en die als dusdanig is opgenomen in [5 de lijst bedoeld in artikel 82, tweede lid]5 ;
  [5 3° /1 afzondering: de met toepassing van de artikelen 3, § 2, 5, 6 en 15 van deze Bijlage verrichte handelingen waarbij de dekkingsactiva worden geïdentificeerd die deel uitmaken van het (de) bijzonder(e) vermogen(s);]5
  4° vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds : de agent, de trustee of om het even welke andere persoon die aangesteld is overeenkomstig artikel 14, § 2 van deze Bijlage, om te waken over de belangen van de houders van Belgische covered bonds;
  5° portefeuillesurveillant : de persoon die aangesteld is overeenkomstig artikel 16 van deze Bijlage;
  6° portefeuillebeheerder : de persoon die aangesteld is overeenkomstig artikel 8 van deze Bijlage;
  [5 7° automatische versnelling: het geval waarin de opening van een liquidatieprocedure ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling of de afwikkeling ervan een geval van wanbetaling vormt waardoor de schuld aan de houders van Belgische covered bonds van rechtswege onmiddellijk opeisbaar wordt en deze houders een afdwingbare vordering tot terugbetaling hebben op een tijdstip vóór de oorspronkelijke vervaldag van de Belgische covered bonds waarvan ze houder zijn;]5
  [5 8° marktwaarde: met betrekking tot onroerend goed, de marktwaarde in de zin van artikel 4, lid 1, punt 76, van Verordening nr. 575/2013;]5
  [5 9° primaire activa: de dekkingsactiva die tot één van de in artikel 1/2, a), b) of c), bedoelde categorieën behoren en die het grootste deel uitmaken van het bijzonder vermogen;]5
  [5 10° secundaire activa: andere aan de dekkingsvereisten bijdragende dekkingsactiva dan primaire activa;]5
  [5 11° het overschot: de waarde van de dekkingsactiva die,
   a) hoger is dan de waarde van de dekkingsactiva die vereist zijn met toepassing van artikel 2/1, § 1, van deze Bijlage; en
   b) wat de hoofdsom van deze dekkingsactiva betreft die berekend wordt overeenkomstig de waarderingscriteria bepaald op grond van artikel 81, § 4, 1°, b), hoger is dan het aan hoofdsom uitstaande bedrag van de Belgische covered bonds die zij dekken, met dien verstande dat de hoofdsommen van de dekkingsactiva niet elders in aanmerking zijn genomen om te voldoen aan het vereiste van artikel 2/1, § 1, van deze Bijlage met betrekking tot andere betalingsverplichtingen dan die welke verband houden met de hoofdsom van de Belgische covered bonds;]5

  [5 12° verlengbare looptijdstructuur: het mechanisme dat de mogelijkheid biedt om de vastgestelde looptijd van Belgische covered bonds voor een vooraf bepaalde termijn te verlengen ingeval een specifieke trigger zich voordoet.]5
  [6 Art. 1/1. De houders van Belgische covered bonds, de tegenpartijen van in artikel 1/3 bedoelde derivatencontracten en de andere in artikel 6, eerste en vierde lid van deze Bijlage bedoelde schuldeisers hebben voor het totale bedrag van de aan de Belgische covered bonds verbonden betalingsverplichtingen zowel:
   a) een schuldvordering op het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling;
   b) wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure is geopend of wanneer zij wordt afgewikkeld, een exclusief recht op de activa die deel uitmaken van het bijzonder vermogen;
   c) wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure is geopend en indien de in punt b) bedoelde schuldvordering niet volledig kan worden terugbetaald, een chirografaire schuldvordering op het algemeen vermogen van de instelling.]6

  [7 Afdeling I/1 - Kenmerken en aanwending van de dekkingsactiva]7
  [8 Art. 1/2. De schuldvorderingen die in aanmerking komen als dekkingsactiva voor Belgische covered bonds zijn de volgende activa, zoals gespecificeerd in de bepalingen die met toepassing van artikel 81, § 4, 1°, zijn vastgesteld:
   a) hypothecaire schuldvorderingen waarbij het voorwerp van de hypotheek niet-zakelijk onroerend goed is dat in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gelegen;
   b) hypothecaire schuldvorderingen waarbij het voorwerp van de hypotheek zakelijk onroerend goed is dat in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gelegen;
   c) schuldvorderingen op of gewaarborgd door (i) centrale overheden of centrale banken van lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ("OESO"), (ii) regionale of lokale overheden of publieke entiteiten van lidstaten van de OESO, of (iii) multilaterale ontwikkelingsbanken of internationale organisaties; en/of
   d) schuldvorderingen op kredietinstellingen die in aanmerking komen voor de kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2 zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 136 van Verordening nr. 575/2013 wanneer deze vorderingen de vorm hebben van:
   - kortlopende schuldvorderingen met een looptijd van drie maanden of minder, of kortetermijndeposito's met een oorspronkelijke looptijd van maximaal 100 dagen, indien deze worden gebruikt om te voldoen aan het liquiditeitsvereiste voor het bijzonder vermogen dat door en krachtens artikel 13 van deze Bijlage wordt opgelegd; of
   - derivatencontracten die voldoen aan de vereisten van artikel 1/3 van deze Bijlage.]8

  [9 Art. 1/3. § 1. Een uitgevende kredietinstelling kan schuldvorderingen uit hoofde van een of meer derivatencontracten in het bijzonder vermogen opnemen, op voorwaarde dat deze contracten uitsluitend bestemd zijn ter dekking van een renterisico of wisselkoersrisico dat verbonden is aan de dekkingsactiva of aan de betrokken Belgische covered bonds. Het volume van deze derivatencontracten wordt aangepast in geval van een vermindering van het gedekte risico en deze contracten worden verwijderd uit het bijzonder vermogen wanneer het gedekte risico ophoudt te bestaan.
   § 2. De Koning legt vereisten vast met betrekking tot de derivatencontracten die deel uitmaken van het bijzonder vermogen en specificeert deze vereisten, met name wat betreft hun kenmerken, beleenbaarheidscriteria, tegenpartijen en documentatie.]9

  Art. 2. § 1. Wanneer de betrokken Belgische covered bond een Belgische pandbrief is, moeten de samenstelling en de waardering van de [3 dekkingsactiva]3 garanderen dat deze Belgische covered bond voldoet [10 aan de specifieke voorwaarden voor het verkrijgen van een gunstige weging voor de uitgegeven Belgische covered bonds, zoals die zijn opgenomen in artikel 129 van Verordening nr. 575/2013]10. Bij de uitoefening van [10 de machtiging bedoeld in artikel 81, § 4]10, kan de Koning de criteria vastleggen of verduidelijken op basis waarvan bepaald kan worden of de Belgische covered bonds aan deze reglementering voldoen.
  § 2. [10 ...]10
  § 3. [10 ...]10
  [11 Art. 2/1. § 1. De dekkingsactiva waaruit het bijzonder vermogen is samengesteld moeten te allen tijde en tot de vervaldag van de Belgische covered bonds die zij waarborgen, voldoende dekking bieden om:
   - de hoofdsom af te lossen en interesten te betalen met betrekking tot de betrokken Belgische covered bonds;
   - te voldoen aan de verplichtingen jegens de schuld-eisers die vastgesteld zijn of vastgesteld kunnen worden overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bonds; en
   - betalingen te verrichten die verband houden met het onderhoud en het beheer van de dekkingsactiva en de betrokken Belgische covered bonds, met inbegrip van de kosten voor de afbouw van het uitgifteprogramma van de betrokken Belgische covered bonds.
   § 2. De dekkingsactiva die gewaardeerd worden overeenkomstig de krachtens artikel 81, § 4, 1°, b), vastgestelde waarderingscriteria omvatten een overschot, zodat de waarde van de hoofdsom van deze activa hoger is dan het uitstaande bedrag van de hoofdsom van de Belgische covered bonds die ze dekken.
   § 3. De Koning stelt de in paragraaf 1 bedoelde dekkingsvereisten vast. Hij stelt eveneens het minimumniveau vast van het overeenkomstig paragraaf 2 vereiste overschot en de modaliteiten met betrekking tot dit overschot. Indien de Koning bij de uitoefening van die machtiging met het oog op de naleving van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde vereisten en de waardering ervan bepaalt dat bepaalde dekkingsactiva maar in aanmerking mogen worden genomen tot beloop van een bepaald percentage, heeft dit geen invloed op het feit dat de betrokken activa deel uitmaken van het bijzonder vermogen waartoe ze behoren.
   § 4. De naleving van de in de paragrafen 1 en 2 vastgestelde verplichtingen wordt periodiek beoordeeld om te waarborgen dat de instelling er te allen tijde aan voldoet. Ingeval er een tekort aan dekkingsactiva wordt vastgesteld, is de instelling verplicht dit onverwijld te verhelpen.
   De Koning kan de modaliteiten van deze periodieke beoordeling nader bepalen.]11

  Art. 3. § 1. Het vermogen van een kredietinstelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven, bestaat van rechtswege uit enerzijds een algemeen vermogen en anderzijds een of meer bijzondere vermogens.
  § 2. Een bijzonder vermogen bestaat van rechtswege uit :
  1° alle roerende goederen die [12 overeenkomstig artikel 15, § 1, 1°, van deze Bijlage]12, zijn ingeschreven in het register van de [3 dekkingsactiva]3 dat wordt bijgehouden voor een of meer specifieke Belgische covered bonds, of, in voorkomend geval, voor alle Belgische covered bonds die onder een uitgifteprogramma zijn uitgegeven;
  2° [12 de waarden contanten of financiële instrumenten die als waarborg zijn ontvangen in het kader van derivatencontracten die geregistreerd zijn als dekkingsactiva;]12
  3° alle zakelijke of persoonlijk zekerheden, waarborgen of voorrechten die in welke vorm ook verstrekt geweest zijn in verband met de [3 dekkingsactiva]3, evenals de rechten met betrekking tot de verzekeringen en andere overeenkomsten die verband houden met de [3 dekkingsactiva]3 of het beheer van het bijzonder vermogen;
  4° alle bedragen die een kredietinstelling aanhoudt als gevolg van de inning (terugbetaling, betaling) van de [12 dekkingsactiva]12 of van de uitoefening van de rechten bedoeld in 1° of 3° voor rekening van het bijzonder vermogen dat binnen deze kredietinstelling werd aangelegd, of die op een andere wijze worden aangehouden voor rekening van dit bijzonder vermogen; en
  5° de verplichte reserves bij de Bank, voor zover zij verbonden zijn aan het bijzonder vermogen.
  Indien de kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft, bedragen als bedoeld in het eerste lid, 4° aanhoudt voor rekening van een bijzonder vermogen, en deze bedragen niet geïdentificeerd kunnen worden in het algemeen vermogen op het ogenblik dat gevraagd wordt deze tegoeden toe te wijzen aan het bijzonder vermogen, wordt het [12 recht]12 op deze in het bijzonder vermogen opgenomen bedragen voor dezelfde waarde overgedragen op andere vrije activa in het algemeen vermogen van de kredietinstelling. Deze activa worden dan geïdentificeerd na overleg met de vertegenwoordiger van het bijzonder vermogen (de portefeuillebeheerder of, bij ontstentenis, de portefeuillesurveillant) en de uitgevende kredietinstelling [12 of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit of de liquidateur van de kredietinstelling]12, op grond van de criteria die in de uitgiftevoorwaarden zijn vastgesteld. De kredietinstelling of, respectievelijk haar curator of haar liquidateur, moet die vervangingsactiva ter beschikking stellen van de portefeuillebeheerder zodra hij deze terugvordert.
  Art. 4. [13 De in artikel 1/2 van deze Bijlage bedoelde activa mogen enkel worden verworven om gebruikt te worden als dekkingsactiva in het kader van een uitgifte of een uitgifteprogramma van Belgische covered bonds op voorwaarde dat:
   - de cedent een financiële instelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 26), van Verordening nr. 575/2013 die binnen de reikwijdte van de regelgevingsconsolidatie van de overnemende kredietinstelling valt of een kredietinstelling is;
   - de overnemende instelling de door de overdragende instelling gehanteerde kredietverleningsvoorwaarden beoordeelt of zelf overgaat tot een grondige beoordeling van de terugbetalingscapaciteit van de schuldenaars van de overgedragen schuldvorderingen die deel zullen uitmaken van haar bijzonder vermogen, met dien verstande dat de betrokken kredieten uitsluitend mogen zijn verleend op grond van kredietverleningsvoorwaarden die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke door de overnemende instelling worden gehanteerd;
   - de inning van de overgedragen schuldvorderingen slechts aan de cedent of aan een derde die niet de cedent is, kan worden toevertrouwd indien de cedent of die derde contractueel verplicht is dagelijks verslag uit te brengen zodat de overnemende instelling alle informatie ontvangt die zij nodig heeft om te allen tijde haar eigen verplichtingen na te komen die door en krachtens de artikelen 2/1 en 13 van deze Bijlage zijn vastgelegd;
   - indien de inning van de overgedragen schuldvorderingen aan een derde wordt toevertrouwd, de overnemende instelling er bovendien op toeziet, onverminderd de toepassing van artikel 66, dat deze derde deskundig is op het gebied van het beheer van soortgelijke schuldvorderingen als deze die worden overgedragen en over goed gedocumenteerde en passende beleidslijnen, procedures en risicobeheermechanismen beschikt voor de inning van de betrokken schuldvorderingen;
   - indien nodig, de schuldenaars naar behoren in kennis worden gesteld van de overdracht indien de wetgeving die op de overgedragen schuldvordering van toepassing is, een dergelijke kennisgeving voorschrijft om de tegenstelbaarheid van de overdracht te waarborgen.
   Wanneer activa worden verworven met het oog op de uitgifte van Belgische covered bonds door de overnemende instelling, omvat het bijzonder vermogen dat binnen de uitgevende kredietinstelling werd aangelegd de verworven activa en, in voorkomend geval, de bedragen die door de overdragende instelling worden verkregen na de inning van de overgedragen activa of de uitoefening van de rechten bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, 1° en 3°, van deze Bijlage, voor rekening van het bijzonder vermogen dat binnen de overnemende instelling werd aangelegd, of die op een andere wijze door de overdragende instelling worden aangehouden voor rekening van dit bijzonder vermogen. Indien deze bedragen die voor rekening van een bijzonder vermogen worden verkregen of aangehouden, niet geïdentificeerd kunnen worden in het vermogen van de overdragende instelling op het ogenblik dat gevraagd wordt deze tegoeden toe te wijzen aan het bijzonder vermogen, wordt het vorderingsrecht op deze bedragen die in het bijzonder vermogen van de overnemende instelling zijn opgenomen, overgedragen op andere vrije activa van de overdragende instelling met dezelfde waarde. Deze activa worden dan geïdentificeerd na overleg met de vertegenwoordiger van het bijzonder vermogen en de overdragende instelling of, in voorkomend geval, de liquidateur van de overdragende instelling of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit, op grond van de criteria die de cedent en de overnemer hebben vastgelegd in de uitgiftevoorwaarden. De overdragende instelling, haar liquidateur of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit, moet die vervangingsactiva ter beschikking stellen van de overnemende kredietinstelling of, in voorkomend geval, van de portefeuillebeheerder van het bijzonder vermogen van de overnemende kredietinstelling, zodra zij daarom verzoeken.
   De in dit artikel bedoelde overdracht mag enkel tegen marktvoorwaarden geschieden.]13

  Art. 5. [14 De kredietinstellingen die Belgische covered bonds hebben uitgegeven, nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de dekkingsactiva voor elke uitgifte van Belgische covered bonds of voor elk uitgifteprogramma te allen tijde identificeerbaar zijn.
   De Koning bepaalt de minimumvoorwaarden waaraan de kredietinstellingen die covered bonds hebben uitgegeven moeten voldoen om de dekkingsactiva met betrekking tot hun bijzondere vermogens te allen tijde te kunnen identificeren.]14

  Art. 6. [15 Onder voorbehoud van het vierde en vijfde lid]15 wordt elk bijzonder vermogen uitsluitend aangewend voor de naleving van de verbintenissen jegens (a) de houders van de betrokken Belgische covered bonds of, in voorkomend geval, van de Belgische covered bonds die uitgegeven zijn onder het betrokken uitgifteprogramma, evenals jegens (b) de schuldeisers die vastgesteld zijn of vastgesteld kunnen worden overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bond of van het betrokken uitgifteprogramma.
  Onder voorbehoud van [15 de in het vijfde lid opgenomen bepaling]15 belet de in het eerste lid bedoelde exclusieve aanwending dat om het even welke andere schuldeiser van de uitgevende kredietinstelling een recht uitoefent, waaronder een beslagrecht, op de [3 dekkingsactiva]3 [15 , met inbegrip van de zekerheden ter waarborging van de dekkingsactiva,]15 die het bijzonder vermogen vormen.
  [15 ...]15
  De regels voor de verdeling tussen de verbintenissen bedoeld in het eerste lid worden vastgelegd in de uitgiftevoorwaarden en in de overeenkomsten die gesloten zijn in het kader van de uitgifte van de Belgische covered bond of van het betrokken uitgifteprogramma.
  [15 ...]15
  In afwijking van het eerste lid mag de portefeuillebeheerder in voorkomend geval en onder voorbehoud van andersluidende contractuele bepalingen, van het bijzonder vermogen zijn bezoldiging afhouden en die van zijn personeel, evenals alle andere kosten die verband houden met de uitoefening van zijn opdracht, met inbegrip van de kosten die gemaakt zijn door zijn onderaannemers, voor zover zij de vereffening van dit vermogen ten goede komen.
  Na de afsluiting van de vereffening van een bijzonder vermogen maakt het positief saldo van rechtswege deel uit van het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling.
  Noch de wettelijke toewijzing als bedoeld in het eerste lid, noch enige andere bepaling van deze Bijlage doen afbreuk aan het algemeen verhaalsrecht dat de schuldeisers van de in het eerste lid bedoelde verbintenissen hebben op het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling, zodat de schuldvorderingen van die schuldeisers zowel uit het algemeen vermogen kunnen worden geput als uit het bijzonder vermogen dat daarvoor is voorbehouden.
  [15 De opening van een liquidatieprocedure of het nemen van een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling of van de in artikel 4 van deze Bijlage bedoelde overdragende instelling doet geen afbreuk aan de in dit artikel bedoelde wettelijke toewijzing van het bijzonder vermogen.]15
  [16 Art. 6/1. Wanneer er naar aanleiding van de vaststelling van een afwikkelingsinstrument als bedoeld in Boek II, Titel VIII, een overdracht plaatsvindt waarbij een bijzonder vermogen betrokken is, blijven de rechten van de houders van Belgische covered bonds en van de andere schuldeisers als bedoeld in artikel 6, eerste en vierde lid van deze Bijlage, gehandhaafd en worden zij mee overgedragen met de dekkingsactiva die het bijzonder vermogen vormen.]16
  [17 Afdeling I/2 - Beheer van de dekkingsactiva]17
  Art. 7. De uitgevende kredietinstelling staat in voor het beheer van het bijzonder vermogen tot er een liquidatieprocedure wordt geopend of, indien deze datum vroeger valt, tot er een portefeuillebeheerder wordt aangesteld.
  De rechten en verplichtingen met betrekking tot de verrichtingen die tussen de uitgevende kredietinstelling en het bijzonder vermogen plaatsvinden tijdens het bestaan van het bijzonder vermogen en de Belgische covered bonds die eraan verbonden zijn, worden schriftelijk vastgelegd alsof het bijzonder vermogen een afzonderlijke rechtspersoon was.
  [18 Dit beheer houdt onder meer in dat bepaalde dekkingsactiva worden verwijderd uit het bijzonder vermogen en dat ze worden vervangen door andere dekkingsactiva om aan de toepasselijke vereisten te voldoen.]18
  Art. 8. § 1. [19 De Bank]19 stelt voor elk bijzonder vermogen een portefeuillebeheerder aan :
  1° [19 wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een maatregel wordt getroffen en/of een sanctie wordt opgelegd als bedoeld in de artikelen 234, § 2, 235, 236, 345, 346, § 2, of 347 en de Bank van oordeel is dat deze maatregel of sanctie en/of de redenen ervoor de rechten kunnen aantasten van de houders van de Belgische covered bonds en/of van eventuele derden die een schuldvordering hebben op het bijzonder vermogen;]19
  2° [19 wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure wordt geopend of wanneer zij wordt afgewikkeld;]19
  3° wanneer [19 de Bank]19 van mening is dat de beoordeling van de positie van de uitgevende kredietinstelling de belangen van de houders van de betrokken Belgische covered bonds ernstig in gevaar kan brengen.
  [19 De Bank kan eveneens een portefeuillebeheerder aanstellen wanneer één of meer van de in de artikelen 80, § 1, en 81, § 1, bedoelde toestemmingen worden ingetrokken met toepassing van artikel 17 van deze Bijlage.]19
  § 2. Zodra hij is aangesteld, staat de portefeuillebeheerder in voor het volledige beheer van het bijzonder vermogen en beschikt hij van rechtswege over alle nodige of nuttige bevoegdheden om dit beheer te voeren, ook om zonder enige beperking alle mogelijke daden van beschikking te stellen. Doel van dit beheer is dat de verbintenissen die in de uitgiftevoorwaarden van de Belgische covered bonds zijn opgenomen, verder worden nageleefd. Handelingen die betrekking hebben op het bijzonder vermogen en die na de aanstelling van de portefeuillebeheerder worden gesteld door de uitgevende kredietinstelling of in naam van deze instelling, door andere personen dan de portefeuillebeheerder, worden als nietig beschouwd, tenzij ze door de portefeuillebeheerder worden bekrachtigd.
  § 3. Ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling en ten aanzien van derden :
  a) oefent de portefeuillebeheerder [19 vanaf zijn aanstelling]19 en in naam van het bijzonder vermogen de zakelijke en persoonlijke rechten uit en leeft hij de aan het bijzonder vermogen toegekende verplichtingen na, met dezelfde prerogatieven als een volwaardig rechtspersoon;
  b) [19 kan de portefeuillebeheerder besluiten een looptijd te verlengen met toepassing van artikel 13/1 van deze Bijlage.]19
  [19 § 4. De portefeuillebeheerder werkt samen en wisselt alle noodzakelijke en nuttige informatie uit met de Bank en, in geval van een liquidatieprocedure ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling of van de afwikkeling ervan, met de liquidateur of de afwikkelingsautoriteit.]19
  [19 § 5. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot:
   1° de vereisten om aangesteld te kunnen worden als portefeuillebeheerder;
   2° de taken en vaardigheden van de portefeuillebeheerder, evenals zijn rapporteringsverplichtingen, met inbegrip van de beslissingen waarvoor de portefeuillebeheerder het akkoord moet verkrijgen van de Bank en/of de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds;
   3° de modaliteiten die de Bank kan vastleggen voor de in punt 2° bedoelde rapporteringsverplichtingen.]19

  Art. 9. [20 ...]20
  [21 Afdeling I/3 - Inschrijving op Belgische covered bonds door de uitgevende kredietinstelling en verplichte reserves]21
  Art. 10. [22 § 1. De uitgevende kredietinstelling kan op de door haar uitgegeven Belgische covered bonds inschrijven en die Belgische covered bonds verwerven en behouden. Zolang ze worden aangehouden door de instelling, genieten de Belgische covered bonds waarop op deze wijze is ingeschreven of die op deze wijze zijn verworven, niet de rechten die vastgesteld zijn in de artikelen 7:162 tot en met 7:176 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en de soortgelijke rechten die opgenomen zouden zijn in de statuten van de instelling, tenzij de uitgiftevoorwaarden hierin voorzien.
   § 2. In de mate toegestaan door de Bank, kan een uitgevende kredietinstelling voor elk bijzonder vermogen verplichte reserves aanhouden bij de Bank.]22

  [23 Afdeling I/4 - Samenloop van schuldeisers of afwikkeling]23
  Art. 11. Wanneer er een liquidatieprocedure wordt geopend ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling :
  1° is deze procedure beperkt tot het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling; de bijzondere vermogens en de verbintenissen en schulden die door deze bijzondere vermogens gedekt zijn, maken geen deel uit van de boedel van het faillissement;
  2° moet de curator zijn medewerking verlenen aan de toezichthouder en aan de portefeuillebeheerder, zodat zij het bijzonder vermogen overeenkomstig deze wetgeving kunnen beheren;
  3° heeft deze procedure niet tot gevolg dat de verbintenissen en schulden die door een bijzonder vermogen gedekt zijn, [24 automatisch versneld]24 worden;
  4° behouden de schuldeisers van de verbintenissen en schulden die door een bijzonder vermogen gedekt zijn, hun rechten in de liquidatieprocedure, [24 met toepassing van artikel 6, zesde lid]24 van deze Bijlage;
  5° kan de portefeuillebeheerder, in het belang van de houders van de betrokken Belgische covered bonds, na overleg met de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds en mits [24 de Bank]24 hiermee instemt, het bijzonder vermogen (activa en passiva) en het beheer hiervan overdragen aan een instelling die zal instaan voor de verdere uitvoering van de verplichtingen jegens de houders van Belgische covered bonds, overeenkomstig de oorspronkelijke uitgiftevoorwaarden;
  6° kan de portefeuillebeheerder na overleg met de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds en mits [24 de Bank]24 hiermee instemt, overgaan tot de vereffening van een bijzonder vermogen en tot de vervroegde terugbetaling van de betrokken Belgische covered bonds, indien de [3 dekkingsactiva]3 niet toereikend zijn of niet meer toereikend dreigen te zijn om de verplichtingen met betrekking tot deze Belgische covered bonds na te komen;
  7° gaat de portefeuillebeheerder na overleg met [24 de Bank]24 en de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds over tot de gedeeltelijke of volledige vereffening van het bijzonder vermogen en tot de vervroegde terugbetaling, indien die houders op een algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bonds, waarop minstens twee derden van het aan hoofdsom uitstaande bedrag vertegenwoordigd zijn, de vereffening van het bijzonder vermogen en de vervroegde terugbetaling bij eenvoudige meerderheid goedkeuren;
  8° heeft de curator het recht om, na overleg met [24 de Bank]24, van de portefeuillebeheerder te eisen dat de activa waarvan vaststaat dat ze niet langer nodig zijn als [3 dekkingsactiva]3, teruggaan naar de massa.
  Art. 12. § 1. [25 ...]25
  § 2. Wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure is geopend, mag zij niettegenstaande artikel 233 buiten deze liquidatieprocedure de activiteiten blijven uitoefenen die nodig of nuttig zijn voor het beheer dat de portefeuillebeheerder voert om de belangen van de houders van uitgegeven Belgische covered bonds met betrekking tot het bijzonder vermogen te vrijwaren, uiterlijk tot alle verplichtingen die verband houden met het bijzonder vermogen, volledig zijn uitgevoerd of op een andere wijze zijn nagekomen.
  § 3. [25 ...]25
  [26 Art. 12/1. Wanneer er ten aanzien van een kredietinstelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven een liquidatieprocedure is geopend of wanneer zij wordt afgewikkeld, werken de Bank, de portefeuillebeheerder en, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit samen en wisselen zij de nodige informatie uit met het oog op voornoemde procedures en om te waarborgen dat de rechten en belangen van de houders van Belgische covered bonds worden geëerbiedigd, met name door erop toe te zien dat het uitgifteprogramma voor Belgische covered bonds tijdens de liquidatieprocedure of de afwikkeling doorlopend en overeenkomstig de wettelijke en reglementaire vereisten wordt beheerd. De portefeuillebeheerder ziet er ook op toe dat aan de rapporteringsverplichtingen wordt voldaan.
   Op de aan de Belgische covered bonds verbonden betalingsverplichtingen is in geen geval een automatische versnelling van toepassing bij afwikkeling van de uitgevende kredietinstelling.]26

  Afdeling II. [27 - Uitgifte- en liquiditeitsvoorwaarden]27
  Art. 13. [28 Onverminderd artikel 13/1 moet de uitgevende kredietinstelling te allen tijde kunnen voldoen aan haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan de uitgegeven Belgische covered bonds en moet zij te dien einde mechanismen instellen die ervoor zorgen dat zij te allen tijde beschikt over de nodige liquiditeit daarvoor.
   De Koning bepaalt:
   1° de toepasselijke vereisten inzake het in aanmerking nemen van de liquiditeiten die gegenereerd worden door de dekkingsactiva en de liquiditeitsbuffer waarover de uitgevende kredietinstelling moet beschikken om te waarborgen dat zij haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan de uitgegeven Belgische covered bonds kan nakomen;
   2° de vereisten met betrekking tot de periodieke verificatie van de liquiditeitsbuffer, die met name wordt uitgevoerd door een vergelijking te maken tussen de liquiditeiten die gedurende een bepaalde periode gegenereerd worden door de dekkingsactiva en de betalingen die gedurende een bepaalde periode overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden moeten worden verricht.]28

  [29 Art. 13/1. § 1. De looptijd van een Belgische covered bond kan alleen worden verlengd onder de volgende voorwaarden:
   1° de triggers voor deze verlenging zijn uitdrukkelijk opgenomen in de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bonds. Alleen de volgende gebeurtenissen worden beschouwd als triggers:
   - de uitgevende kredietinstelling heeft vastgesteld dat zij niet in staat is alle bedragen terug te betalen die op de vervaldag van de betrokken Belgische covered bonds verschuldigd zijn ("failure to pay"); en/of
   - er is ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure geopend of zij wordt afgewikkeld;
   2° in geval van een liquidatieprocedure of een afwikkeling wordt over de tenuitvoerlegging van de verlenging beslist door de portefeuillebeheerder;
   3° de uitgestelde vervaldatum is opgenomen in de uitgiftevoorwaarden, en de eindvervaldatum mag niet later zijn dan één jaar na de oorspronkelijke vervaldatum [34 ...]34.
   § 2. De redenen voor de verlenging en het actieplan dat de uitgevende kredietinstelling zal volgen om ervoor te zorgen dat alle verschuldigde bedragen op de nieuwe vervaldag worden terugbetaald, worden gedocumenteerd en binnen 15 werkdagen na de verlenging ter kennis van de Bank gebracht. Indien de redenen voor de verlenging hun oorsprong vinden in de in paragraaf 1, 1°, eerste streepje bedoelde trigger, toont de uitgevende kredietinstelling aan dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de trigger zich zou voordoen.
   De looptijdverlenging laat de toepassing van de artikelen 1/1 en 6 van deze Bijlage onverlet. In het bijzonder mag de verlenging van de oorspronkelijke vervaldag geen invloed hebben op de situatie van de houders van de betrokken Belgische covered bonds en van de andere schuldeisers van het bijzonder vermogen wat betreft hun exclusief recht op de dekkingsactiva die het bijzonder vermogen vormen. Evenzo mag een dergelijke verlenging geen wijziging inhouden van de volgorde van het looptijdenschema voor de uitgiften van een uitgifteprogramma.
   § 3. Naast de krachtens paragraaf 1 vereiste informatie omvatten de uitgiftevoorwaarden een gedetailleerde beschrijving van:
   1° de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging en de gevolgen van de looptijdverlenging;
   2° de gevolgen van de ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling geopende liquidatieprocedure of van haar afwikkeling voor de looptijdverlenging;
   3° de rol van de portefeuillebeheerder en de Bank bij de looptijdverlenging.
   § 4. De Koning kan de voorwaarden bepalen waaronder er in de uitgiftevoorwaarden van Belgische covered bonds in een looptijdverlenging kan worden voorzien, alsmede de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging ervan.]29

  Art. 14. § 1. [2 De artikelen 7:162 tot 7:176 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2 zijn slechts van toepassing op de Belgische covered bonds in de mate dat de uitgiftevoorwaarden er niet van afwijken.
  § 2. Voor de houders van Belgische covered bonds die deel uitmaken van dezelfde uitgifte of van hetzelfde uitgifteprogramma, kunnen er één of meer vertegenwoordigers worden aangesteld, voor zover de uitgiftevoorwaarden regels bevatten voor de organisatie van algemene vergaderingen voor de houders van de betrokken Belgische covered bonds. Binnen de grenzen van de aan hen toevertrouwde opdrachten kunnen deze vertegenwoordigers alle houders van de Belgische covered bonds van deze uitgifte of van dit uitgifteprogramma verbinden jegens derden en om hun bevoegdheid te bewijzen, volstaat het dat zij de akte voorleggen waarmee zij zijn aangesteld. Zij kunnen optreden en de houders van de Belgische covered bonds vertegenwoordigen in liquidatieprocedures of soortgelijke procedures, zonder de identiteit van deze personen bekend te maken.
  De vertegenwoordigers van de houders van een Belgische covered bond worden hetzij vóór de uitgifte aangesteld door de uitgevende kredietinstelling, hetzij na de uitgifte door de algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bonds. Hun bevoegdheden worden vastgesteld in de uitgiftevoorwaarden of, indien dit niet het geval is, door de algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bond.
  De algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bonds kan de aanstelling van de vertegenwoordiger(s) te allen tijde herroepen, op voorwaarde dat zij tegelijkertijd één of meer andere vertegenwoordigers aanstelt. De algemene vergadering beslist bij eenvoudige meerderheid van de vertegenwoordigde Belgische covered bonds.
  De vertegenwoordigers van de houders van een Belgische covered bond kunnen ook worden aangesteld om op te treden voor de andere schuldeisers die houder zijn van schuldvorderingen die door de [3 dekkingsactiva]3 zijn gedekt, mits deze schuldeisers hiermee instemmen en voor zover de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bond passende regels bevatten voor eventuele belangenconflicten.
  De vertegenwoordigers oefenen hun bevoegdheden uit in het uitsluitend belang van de houders van de Belgische covered bond en, in voorkomend geval, van de andere schuldeisers die zij vertegenwoordigen, en zijn hen rekenschap verschuldigd volgens de nadere regels die vastgelegd zijn in de uitgiftevoorwaarden of, in voorkomend geval, in de beslissing tot aanstelling.
  Afdeling III. - Bijzondere verplichtingen voor de emittent van de Belgische covered bonds
  Art. 15. § 1. Elke kredietinstelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven, moet met betrekking tot die Belgische covered bonds :
  1° [30 een bijzondere administratie voeren voor:
   a) de uitgegeven Belgische covered bonds waarop het bijzonder vermogen betrekking heeft; en
   b) de dekkingsactiva die deze Belgische covered bonds dekken.
   De in de punten a) en b) bedoelde activa worden ingeschreven in een register van de dekkingsactiva dat wordt bijgehouden voor een of meer specifieke Belgische covered bonds, of, in voorkomend geval, voor alle Belgische covered bonds die onder eenzelfde uitgifteprogramma zijn uitgegeven.
   Zodra de dekkingsactiva, waaronder derivatencontracten, in het register van de dekkingsactiva zijn ingeschreven, maken zij deel uit van het bijzonder vermogen dat betrekking heeft op de Belgische covered bonds die in hetzelfde register zijn ingeschreven. Deze opname in het bijzonder vermogen is geldig en afdwingbaar tegenover derden vanaf het moment van deze inschrijving.]30

  2° [30 ...]30
  3° aan haar commissaris-revisor, aan elke portefeuillesurveillant en aan elke portefeuillebeheerder [30 alle nodige informatie verstrekken en]30 alle nodige medewerking verlenen om hen in staat te stellen de opdrachten uit te voeren die hen zijn toegekend op grond van deze wet, de uitgiftevoorwaarden en de overeenkomsten die verband houden met de uitgifte;
  4° [30 periodiek aan de Bank aantonen dat de uitgegeven Belgische covered bonds nog steeds voldoen aan de door of krachtens deze wet opgelegde vereisten, met name
   a) door verslag uit te brengen over de naleving van de vereisten met betrekking tot de criteria voor de beleenbaarheid van de dekkingsactiva en de samenstelling van het bijzonder vermogen;
   b) door verslag uit te brengen over de waardering van de dekkingsactiva, de naleving van de dekkingsvereisten, de liquiditeitsvereisten en de vereisten inzake de verlengbare-looptijdstructuren, met name door de resultaten mee te delen van de stresstests met betrekking tot de dekkings- en de liquiditeitsvereisten;
   c) door verslag uit te brengen over de naleving van de vereisten inzake de afzondering van de activa, inzonderheid de naleving van de vereisten met betrekking tot de inschrijving van de activa;
   d) door verslag uit te brengen over het krediet-, wisselkoers-, liquiditeits- en renterisico; en
   e) door verslag uit te brengen over de uitvoering van de taken van de portefeuillesurveillant;]30

  5° [30 in staat zijn om aan de Bank aan te tonen, telkens er belangrijke wijzigingen worden voorgesteld met betrekking tot Belgische covered bonds of een uitgifteprogramma en de juridische documentatie over deze Belgische covered bonds of dit uitgifteprogramma, dat de betrokken Belgische covered bonds nog altijd voldoen aan de vereisten die door of krachtens de artikelen 79 tot en met 81 en in de bepalingen van deze Bijlage zijn vastgesteld;]30
  6° in voorkomend geval maatregelen nemen om het wisselkoersrisico en het renterisico te beperken.
  § 2. [30 De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de inhoud van de in paragraaf 1, 4°, bedoelde verslagen, de frequentie waarmee de uitgevende kredietinstelling ze aan de Bank toezendt en volgens welk schema.]30
  § 3. De Koning kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de [30 in paragraaf 1]30 bedoelde bijzondere administratie moet worden gevoerd, zowel voor de vorm en de inhoud als voor de integriteit van de gegevens.
  [31 Art. 15/1. § 1. Elke kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft, publiceert afzonderlijk voor elk uitgifteprogramma de volgende informatie op haar website binnen de maand die volgt op de uitgifte en vervolgens elke maand voor de informatie met betrekking tot de voorgaande maand:
   1° de waarde van het bijzonder vermogen en van de betrokken uitstaande Belgische covered bonds en, in voorkomend geval, de rating van de betrokken Belgische covered bonds;
   2° voor elke uitgifte, de lijst van de International Securities Identification Numbers (ISIN's) van de effecten waaraan een dergelijke code is toegekend en de munteenheid waarin de betrokken Belgische covered bonds zijn uitgegeven, hun uitstaand bedrag, hun uitgiftedatum, hun vervaldatum, met inbegrip van de vastgestelde vervaldatum in geval van verlenging, de kenmerken van hun coupon en het percentage ervan;
   3° het type dekkingsactiva alsook de geografische spreiding van de zekerheden ter waarborging ervan, en, als er geen zekerheden zijn, de geografische spreiding van de woonplaatsen of zetels van de schuldenaars van die activa, het uitstaande bedrag dat betrekking heeft op de betrokken schuldvorderingen en de waarderingsmethode;
   4° nadere gegevens over het marktrisico, waaronder het rente- en wisselkoersrisico, en over het krediet- en liquiditeitsrisico;
   5° de overeenstemming tussen de looptijden van de dekkingsactiva en die van de Belgische covered bonds, in voorkomend geval met inbegrip van een overzicht van de triggers voor looptijdverlenging en de eindvervaldagen van de Belgische covered bonds;
   6° het niveau van de vereiste dekkingsactiva, met inbegrip van het niveau van het door of krachtens deze Bijlage en de uitgiftevoorwaarden vereiste overschot, alsmede het niveau van het vrijwillig gevormde overschot;
   7° het percentage van de schuldvorderingen waarvoor geacht wordt dat er zich een wanbetaling in de zin van artikel 178 van Verordening nr. 575/2013 heeft voorgedaan, alsook het percentage van de schuldvorderingen waarvoor de betalingsachterstand meer dan 30 dagen bedraagt zonder dat er wanbetaling in de zin van het voornoemd artikel 178 is vastgesteld.
   § 2. De Koning kan nadere regels vaststellen betreffende de informatie die met toepassing van paragraaf 1 moet worden verstrekt.]31

  Afdeling IV. - Specifieke controle
  Art. 16. § 1. Na het eensluidend advies van [32 de Bank]32 en zodra er Belgische covered bonds zijn uitgegeven, stelt de uitgevende kredietinstelling een portefeuillesurveillant aan die verslag uitbrengt aan [32 de Bank]32 over de naleving door de uitgevende kredietinstelling van de wettelijke en reglementaire vereisten met betrekking tot de Belgische covered bonds. De kosten en bezoldigingen die aan deze portefeuillesurveillant moeten worden betaald, komen ten laste van de uitgevende kredietinstelling. [32 De opdracht van de portefeuillesurveillant eindigt bij de benoeming van een portefeuillebeheerder met toepassing van artikel 8 van deze Bijlage.]32
  § 2. [32 De portefeuillesurveillant verifieert en brengt periodiek verslag uit aan de Bank over de naleving door de uitgevende kredietinstelling van de vereisten met betrekking tot met name:
   1° de aangehouden dekkingsactiva;
   2° de administratie en de in artikel 15 van deze Bijlage bedoelde rapporteringsverplichtingen;
   3° de permanente handhaving van het vereiste dekkingsniveau, overschot en liquiditeitsniveau.]32

  § 3. [32 De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot met name:
   1° de vereisten waaraan voldaan moet zijn om aangesteld te kunnen worden als portefeuillesurveillant en de voorwaarden waaronder de portefeuillesurveillant kan worden ontslagen; en
   2° de taken en rapporteringsverplichtingen van de portefeuillesurveillant.]32

  [32 § 4. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 met name de inhoud en de frequentie bepalen van de verslagen die door de portefeuillesurveillant aan de Bank moeten worden bezorgd.]32
  Art. 17. [33 § 1. Indien de Bank vaststelt dat bepaalde Belgische covered bonds niet meer voldoen aan de vereisten die door of krachtens de artikelen 79 tot en met 81 of de bepalingen van deze Bijlage zijn opgelegd, dat de betrokken uitgevende kredietinstelling niet meer voldoet aan de vereisten die op haar van toepassing zijn in haar hoedanigheid van kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft of dat zij door middel van valse verklaringen of op een andere onregelmatige wijze de krachtens de artikelen 80, § 1, en 81, § 1, vereiste toestemming heeft verkregen, stelt zij een termijn vast waarbinnen de vastgestelde situatie moet worden verholpen.
   Onverminderd de overige in deze wet bedoelde maatregelen, met name de in artikel 8 van deze Bijlage bedoelde mogelijkheid om een portefeuillebeheerder aan te stellen, kan de Bank of, in voorkomend geval, de ECB op verzoek van de Bank, één of meer van de in de artikelen 80, § 1, en 81, § 1, bedoelde toestemmingen intrekken, indien de situatie bij het verstrijken van deze termijn niet is verholpen.
   Bij uiterste hoogdringendheid of indien de ernst van de feiten zulks rechtvaardigt, kan de Bank of de ECB de in deze paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf een termijn wordt vastgesteld.
   § 2. In geval van intrekking van de toestemming overeenkomstig paragraaf 1 stelt de Bank de Europese Commissie en de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van het betrokken besluit en maakt zij dit besluit onmiddellijk bekend op haar website.
   § 3. Onverminderd de overige in deze wet bedoelde maatregelen, met name de taak van de in voorkomend geval overeenkomstig artikel 8 van deze Bijlage aangestelde portefeuillebeheerder, doet de intrekking van de algemene toestemming als bedoeld in artikel 80, § 1, en/of van een bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 81, § 1, geen afbreuk aan de rechten van de houders van de Belgische covered bonds die overeenkomstig de betrokken toestemmingen zijn uitgegeven, noch aan de rechten van de andere schuldeisers van het (de) bijzonder(e) vermogen(s) die betrekking hebben op deze Belgische covered bonds. Vanaf de datum van intrekking van één of meer van de voornoemde toestemmingen mogen er geen nieuwe uitgiften van Belgische covered bonds meer plaatsvinden, ook niet onder een bestaand uitgifteprogramma.
   § 4. Wanneer een van de in paragraaf 1 bedoelde toestemmingen wordt ingetrokken, blijft de betrokken kredietinstelling onderworpen aan de bepalingen die door of krachtens de artikelen 79 tot en met 81 en in deze Bijlage zijn vastgesteld totdat de uitgevende kredietinstelling heeft voldaan aan al haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan eerder uitgegeven Belgische covered bonds, tenzij de Bank haar daarvan vrijstelt voor sommige bepalingen.]33

  

Änderungen

Art. N3. Annexe 3. - DISPOSITIONS RELATIVES A L'EMISSION DE COVERED BONDS
  Section Ire. [3 - Définitions et droits de recours des titulaires de covered bonds belges]3
  Article 1er. Pour les besoins de l'application des articles 79 à 84 et de la présente Annexe, on entend par :
  1° covered bond belge, un titre de créance, pour autant qu'il réponde aux critères suivants :
  a) le titre de créance a été ou est émis par un établissement de crédit de droit belge qui est inscrit sur [4 la liste visée à l'article 82, alinéa 1er]4 ;
  b) le titre de créance ou - en cas d'émission dans le cadre d'un programme - le programme d'émission et tout titre de créance émis dans ce cadre ont été ou sont inscrits sur [4 la liste visée à l'article 82, alinéa 2]4 ;
  c) [4 le titre de créance est garanti par des actifs de couverture;]4
  [4 1° /1 programme de covered bonds belges, les caractéristiques structurelles d'émissions de covered bonds belges fixées par les conditions contractuelles qui leur sont applicables, conformément à l'autorisation octroyée à l'établissement de crédit émetteur en application de l'article 81 et aux dispositions légales applicables;]4
  [4 1° /2 patrimoine spécial, ensemble d'actifs constitué conformément à l'article 3, § 2, de la présente Annexe qui garantit l'exécution des obligations de paiement relatives aux covered bonds belges et détenu par l'établissement de crédit émetteur de covered bonds belges de manière séparée des autres actifs relevant de son patrimoine général;]4
  2° actifs de couverture, les actifs qui composent le patrimoine spécial [4 ...]4 ;
  [4 2° /1 sûretés garantissant les actifs de couverture, les sûretés réelles ou personnelles qui garantissent les actifs de couverture;]4
  3° lettre de gage belge, tout covered bond belge dont les actifs de couverture satisfont aux conditions déterminées en vertu de l'article 2, § 1er de la présente Annexe, et qui est inscrit en cette qualité sur [4 la liste visée à l'article 82, alinéa 2]4 ;
  [4 3° /1 ségrégation, les mesures prises en application des articles 3, § 2, 5, 6 et 15 de la présente Annexe pour identifier les actifs de couverture compris dans le ou les patrimoine(s) spécial(aux);]4
  4° représentant des titulaires de covered bonds belges, l'agent, le trustee ou toute autre personne désignée conformément à l'article 14, § 2 de la présente Annexe dans le but de veiller aux intérêts des titulaires de covered bonds belges;
  5° surveillant de portefeuille, la personne désignée conformément à l'article 16 de la présente Annexe;
  6° gestionnaire de portefeuille, la personne désignée conformément à l'article 8 de la présente Annexe;
  [4 7° exigibilité anticipée automatique, cas dans lequel l'ouverture d'une procédure de liquidation ou une résolution de l'établissement de crédit émetteur constitue un cas de défaut déclenchant de plein droit une exigibilité immédiate de la dette due aux titulaires de covered bonds belges, leur donnant un droit exécutoire à être remboursés de façon anticipée par rapport à l'échéance initiale des covered bonds belges dont ils sont titulaires;]4
  [4 8° valeur de marché, pour un bien immobilier, la valeur de marché au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 76), du Règlement n° 575/2013;]4
  [4 9° actifs principaux, les actifs de couverture qui relèvent d'une seule des catégories visées à l'article 1er/2, a), b) ou c), de la présente Annexe et qui composent majoritairement le patrimoine spécial;]4
  [4 10° actifs secondaires, les actifs de couverture qui contribuent au respect des exigences de couverture autres que les actifs principaux;]4
  [4 11° l'excédent, la valeur des actifs de couverture qui,
   a) excède la valeur des actifs de couverture requis en application de l'article 2/1, § 1er, de la présente Annexe; et
   b) s'agissant de la somme en principal de ces actifs de couverture calculée conformément aux critères de valorisation déterminés en vertu de l'article 81, § 4, 1°, b), excède le montant de l'encours en principal des covered bonds belges qu'ils couvrent, étant entendu que les sommes en principal des actifs de couverture n'ont pas par ailleurs été prises en compte pour satisfaire à l'exigence de l'article 2/1, § 1er, de la présente Annexe s'agissant des obligations de paiement autres que celles relatives au principal des covered bonds belges;]4

  [4 12° structure d'échéance prorogeable, le mécanisme qui prévoit la possibilité de proroger l'échéance prévue des covered bonds belges pendant une durée prédéterminée dans le cas où un événement déclencheur particulier se produit.]4
  [5 Art. 1er/1. Les titulaires de covered bonds belges, les contreparties de contrats dérivés visés à l'article 1er/3 et les autres créanciers visés à l'article 6, alinéas 1er et 4 de la présente Annexe diposent, pour le montant total des obligations de paiement relatives aux covered bonds belges, à la fois :
   a) d'une créance sur le patrimoine général de l'établissement de crédit émetteur ;
   b) en cas de procédure de liquidation ou de résolution de l'établissement de crédit émetteur, d'un droit exclusif sur les actifs compris dans le patrimoine spécial ;
   c) en cas de procédure de liquidation de l'établissement de crédit émetteur et si la créance visée au point b) ne peut être entièrement payée, d'une créance chirographaire sur le patrimoine général de l'établissement.]5

  [6 Section Ire/1 - Caractéristiques et affectation des actifs de couverture]6
  [7 Art. 1er/2. Les créances éligibles au titre d'actifs de couverture des covered bonds belges sont les actifs suivants, tels que précisés par les dispositions prises en application de l'article 81, § 4, 1° :
   a) les créances hypothécaires dont l'assiette de l'hypothèque consiste dans des immeubles résidentiels situés dans un Etat membre de l'Espace économique européen ;
   b) les créances hypothécaires dont l'assiette de l'hypothèque consiste dans des immeubles non résidentiels situés dans un Etat membre de l'Espace économique européen ;
   c) les créances sur ou garanties par (i) des autorités publiques centrales ou des banques centrales d'Etats membres de l'Organisation de coopération et de développement économiques ("OCDE"), (ii) des autorités régionales ou locales ou des entités du secteur public d'Etats membres de l'OCDE, ou (iii) des banques multilatérales de développement ou des organisations internationales; et/ou
   d) les créances sur des établissements de crédit qui relèvent des échelons de catégorie 1 et de catégorie 2 tels que définis en application de l'article 136 du Règlement n° 575/2013 lorsque ces expositions se présentent sous la forme :
   - de créances à court terme dont l'échéance est égale ou inférieure à trois mois ou de dépôts à court terme dont la durée initiale n'excède pas 100 jours s'ils sont utilisés pour répondre à l'exigence en matière de liquidité du patrimoine spécial prévue par et en vertu de l'article 13 de la présente Annexe; ou
   - de contrats dérivés qui répondent aux exigences de l'article 1er/3 de la présente Annexe.]7

  [8 Art. 1er/3. § 1er. Un établissement de crédit émetteur peut inclure les créances dont il dispose dans le cadre d'un ou plusieurs contrats dérivés dans le patrimoine spécial à condition que ces contrats visent exclusivement à couvrir un risque de taux d'intérêts ou un risque de change lié, d'une part aux actifs de couverture ou, d'autre part, aux covered bonds belges concernés. Le volume de ces contrats dérivés est adapté en cas de réduction du risque couvert et ils sont retirés du patrimoine spécial, lorsque le risque couvert disparaît.
   § 2. Le Roi fixe et précise des exigences concernant les contrats dérivés inclus dans le patrimoine spécial, notamment s'agissant de leurs caractéristiques, critères d'éligibilité, contreparties et documentation.]8

  Art. 2. § 1er. Dans le cas d'une lettre de gage belge, la composition et la valorisation des actifs de couverture doivent assurer la conformité du covered bond belge concerné [9 aux conditions spécifiques prévues à l'article 129 du Règlement n° 575/2013 en vue du bénéfice d'une pondération favorable des covered bonds belges émis]9. Dans l'exercice de [9 l'habilitation prévue à l'article 81, § 4]9, le Roi est autorisé à préciser ou clarifier les critères permettant de considérer que les covered bonds belges sont conformes à cette réglementation.
  § 2. [9 ...]9
  § 3. [9 ...]9
  [10 Art. 2/1. § 1er. Les actifs de couverture dont le patrimoine spécial est composé doivent, à tout moment et jusqu'à l'échéance des covered bonds belges qu'ils garantissent, fournir une couverture suffisante afin de :
   - pourvoir au remboursement du principal et au paiement des intérêts relatifs aux covered bonds belges concernés ;
   - satisfaire aux engagements pris à l'égard des créanciers qui ont été ou peuvent être déterminés conformément aux conditions d'émission des covered bonds belges concernés ; et
   - procéder aux paiements liés à la maintenance et à la gestion des actifs de couverture et des covered bonds belges concernés, en ce compris les coûts pour mettre fin au programme d'émission des covered bonds belges concernés.
   § 2. Les actifs de couverture valorisés selon les critères de valorisation déterminés en vertu de l'article 81, § 4, 1°, b), comprennent un excédent, de sorte que la valeur du principal desdits actifs soit supérieure à l'encours en principal des covered bonds belges qu'ils couvrent.
   § 3. Le Roi précise les exigences de couverture prévues sous le paragraphe 1er. Il précise également le niveau minimum de l'excédent requis en application du paragraphe 2 ainsi que les modalités de cet excédent. Le fait que, dans l'exercice de cette habilitation, le Roi prévoie que pour le respect des exigences prévues aux paragraphes 1er et 2 et pour leur valorisation, certains actifs de couverture ne peuvent être pris en compte qu'à concurrence d'un prorata n'a aucune incidence sur l'appartenance des actifs concernés au patrimoine spécial dont ils relèvent.
   § 4. Le respect des obligations prévues aux paragraphes 1er et 2 fait l'objet d'une évaluation périodique permettant à l'établissement d'y satisfaire à tout moment. En cas d'insuffisance d'actifs de couverture constatée, l'établissement est tenu d'y remédier sans délai.
   Le Roi peut préciser les modalités de cette évaluation périodique.]10

  Art. 3. § 1er. Le patrimoine d'un établissement de crédit ayant émis des covered bonds belges se compose de plein droit de son patrimoine général d'une part, et d'un ou de plusieurs patrimoines spéciaux d'autre part.
  § 2. Un patrimoine spécial comprend de plein droit :
  1° l'ensemble des biens meubles qui sont inscrits, [11 conformément à l'article 15, § 1er, 1°, de la présente Annexe]11, dans le registre des actifs de couverture qui est tenu pour un ou plusieurs covered bonds belges déterminés ou, le cas échéant, pour tous les covered bonds belges émis dans le cadre d'un programme d'émission;
  2° [11 les valeurs, espèces ou instruments financiers, reçus en garantie dans le cadre de contrats dérivés qui sont enregistrés en tant qu'actifs de couverture]11;
  3° l'ensemble des sûretés réelles ou personnelles, garanties ou privilèges qui, sous quelque forme que ce soit, ont été fournies en relation avec les actifs de couverture, ainsi que les droits concernant les assurances et autres contrats en relation avec les actifs de couverture ou la gestion du patrimoine spécial;
  4° l'ensemble des sommes qu'un établissement de crédit détient suite au recouvrement (remboursement, paiement) des actifs [11 de couverture]11 ou à l'exercice des droits visés aux 1° ou 3° pour le compte du patrimoine spécial créé au sein de cet établissement de crédit ou détenus autrement pour le compte de ce patrimoine spécial; et
  5° les réserves obligatoires auprès de la Banque dans la mesure où elles sont liées au patrimoine spécial.
  Si des sommes visées à l'alinéa 1er, 4° sont détenues par l'établissement de crédit émetteur de covered bonds belges pour le compte d'un patrimoine spécial et ne sont pas identifiables dans le patrimoine général au moment où la remise de ces avoirs pour le compte du patrimoine spécial est demandée, le droit [11 ...]11 sur ces sommes comprises dans le patrimoine spécial est reporté sur d'autres actifs libres dans le patrimoine général de l'établissement de crédit pour une valeur égale. Ces actifs sont alors identifiés en concertation entre le représentant du patrimoine spécial (le gestionnaire de portefeuille ou, à défaut, le surveillant de portefeuille) et l'établissement de crédit émetteur ou, le cas échéant, [11 l'autorité de résolution ou]11 le liquidateur de l'établissement de crédit, sur la base des critères déterminés dans les conditions d'émission. L'établissement de crédit ou son liquidateur, est tenu de mettre ces actifs de substitution à disposition du gestionnaire du portefeuille à la première demande de revendication de celui-ci.
  Art. 4. [12 Un établissement de crédit ne peut acquérir des actifs visés à l'article 1er/2 de la présente Annexe en vue de les utiliser au titre d'actifs de couverture dans le cadre d'une émission ou d'un programme d'émission de covered bonds belges, qu'à condition que :
   - le cédant soit un établissement financier au sens de l'article 4, paragraphe 1er, 26), du Règlement n° 575/2013 compris dans le périmètre de consolidation réglementaire de l'établissement de crédit cessionnaire ou un établissement de crédit ;
   - l'établissement cessionnaire évalue les conditions d'octroi de crédit appliquées par l'établissement cédant ou procède lui-même à une évaluation approfondie de la capacité de remboursement des débiteurs des créances cédées et destinées à être incluses dans son patrimoine spécial, étant entendu que les crédits concernés ne peuvent avoir été octroyés que conformément à des conditions d'octroi de crédit au moins équivalentes à celles appliquées par l'établissement cessionnaire ;
   - le recouvrement des créances cédées ne peut être confié au cédant ou à un tiers autre que le cédant, que si le cédant ou ledit tiers est tenu, contractuellement, à une obligation de reporting journalière permettant à l'établissement cessionnaire de recevoir toutes les informations nécessaires au respect, à tout moment, par ce dernier de ses propres obligations prévues par et en vertu des articles 2/1 et 13 de la présente Annexe ;
   - dans le cas où le recouvrement des créances cédées est confié à un tiers, sans préjudice de l'application de l'article 66, l'établissement cessionnaire veille en outre à ce que ce tiers dispose d'une expertise en matière de gestion de créances de nature similaire à celles qui sont cédées et ait mis en place des politiques, des procédures et des mécanismes de gestion des risques bien documentés et adéquats en ce qui concerne le recouvrement des créances concernées ;
   - si nécessaire, les débiteurs sont dûment notifiés de la cession lorsque la loi qui régit la créance cédée requiert une telle notification en vue d'assurer l'opposabilité de ladite cession.
   En cas d'acquisition d'actifs en vue, pour l'établissement cessionnaire, de procéder à l'émission de covered bonds belges, le patrimoine spécial constitué au sein de cet établissement de crédit émetteur comprend les actifs acquis ainsi que, le cas échéant, les sommes obtenues par l'établissement cédant suite au recouvrement des actifs cédés ou l'exercice des droits visés à l'article 3, § 2, alinéa 1er, 1° et 3°, de la présente Annexe pour le compte du patrimoine spécial créé au sein de l'établissement cessionnaire ou détenues autrement par l'établissement cédant pour le compte de ce patrimoine spécial. Si ces sommes obtenues ou détenues pour le compte d'un patrimoine spécial ne sont pas identifiables dans le patrimoine de l'établissement cédant au moment où la remise de ces avoirs est demandée pour le compte du patrimoine spécial, le droit de créance sur ces sommes comprises dans le patrimoine spécial de l'établissement cessionnaire est reporté sur d'autres actifs libres de l'établissement cédant à valeur égale. Ces actifs sont alors identifiés en concertation entre le représentant du patrimoine spécial et l'établissement cédant ou, le cas échéant, le liquidateur de l'établissement cédant ou, le cas échéant, l'autorité de résolution, sur la base des critères convenus entre le cédant et le cessionnaire dans les conditions d'émission. L'établissement cédant, son liquidateur ou, le cas échéant, l'autorité de résolution, est tenu de mettre ces actifs de remplacement à disposition de l'établissement de crédit cessionnaire ou, le cas échéant, du gestionnaire du portefeuille du patrimoine spécial de l'établissement de crédit cessionnaire à leur première demande.
   La cession visée au présent article ne peut être effectuée qu'aux conditions de marché.]12

  Art. 5. [13 Les établissements de crédit ayant émis des covered bonds belges prennent les mesures nécessaires afin de garantir que les actifs de couverture relatifs à chaque émission de covered bonds belges ou à chaque programme d'émission soient identifiables à tout moment.
   Le Roi détermine les conditions minimales auxquelles les établissements de crédit ayant émis des covered bonds doivent répondre afin d'identifier à tout moment les actifs de couverture relatifs à leurs patrimoines spéciaux.]13

  Art. 6. [14 Sous réserve des alinéas 4 et 5]14, chaque patrimoine spécial est affecté exclusivement au respect des engagements pris à l'égard (a) des titulaires des covered bonds belges concernés ou, le cas échéant, des covered bonds belges émis dans le cadre du programme d'émission concerné, ainsi qu'à l'égard (b) des créanciers qui ont été ou peuvent être déterminés conformément aux conditions d'émission du covered bond belge concerné ou du programme d'émission concerné.
  Sous réserve de [14 la disposition prévue à l'alinéa 5]14, l'affectation exclusive prévue à l'alinéa 1er empêche l'exercice de tout droit, y compris de saisie, par tout autre créancier de l'établissement de crédit émetteur sur les actifs de couverture [14 , y compris les sûretés garantissant les actifs de couverture,]14 composant le patrimoine spécial.
  [14 ...]14
  Les règles de répartition entre les engagements visés à l'alinéa 1er sont déterminées dans les conditions d'émission et les contrats conclus dans le cadre de l'émission du covered bond belge ou du programme d'émission en question.
  [14 ...]14
  Le cas échéant par dérogation à l'alinéa 1er et sous réserve de dispositions contractuelles contraires, le gestionnaire de portefeuille peut prélever sur le patrimoine spécial sa rémunération, celle de son personnel et tous les autres frais liés à l'exercice de sa mission, y compris ceux générés par ses sous-traitants, dans la mesure où ils ont profité à la liquidation de ce patrimoine.
  Après la clôture de la liquidation d'un patrimoine spécial, un solde positif fait de plein droit partie du patrimoine général de l'établissement de crédit émetteur.
  Ni l'affectation légale prévue à l'alinéa 1er, ni aucune autre disposition de la présente Annexe ne porte atteinte au droit de recours général dont disposent les créanciers des engagements visés à l'alinéa 1er sur le patrimoine général de l'établissement de crédit émetteur, de sorte que ces créanciers, pour faire honorer leurs créances, peuvent se payer aussi bien sur le patrimoine général que sur le patrimoine spécial qui leur est réservé.
  [14 L'ouverture d'une procédure de liquidation ou l'adoption d'une mesure de résolution à l'égard de l'établissement de crédit émetteur ou dans le chef de l'établissement cédant visé à l'article 4 de la présente Annexe ne porte pas préjudice à l'affectation légale du patrimoine spécial prévue au présent article.]14
  [15 Art. 6/1. En cas de cession à la suite de l'adoption d'un instrument de résolution visé au Livre II, Titre VIII, impliquant un patrimoine spécial, les droits des titulaires de covered bonds belges et des autres créanciers visés à l'article 6, alinéas 1er et 4 de la présente Annexe sont maintenus et suivent les actifs de couverture composant le patrimoine spécial.]15
  [16 Section Ire/2 - Gestion des actifs de couverture]16
  Art. 7. Jusqu'à l'ouverture d'une procédure de liquidation ou, si elle est antérieure, jusqu'à la désignation d'un gestionnaire de portefeuille, l'établissement de crédit émetteur assure la gestion du patrimoine spécial.
  Les droits et obligations relatifs aux opérations entre l'établissement de crédit émetteur et le patrimoine spécial pendant l'existence du patrimoine spécial et des covered bonds belges qui y sont liés, sont déterminés par écrit comme si le patrimoine spécial était une personne morale distincte.
  [17 Cette gestion comprend notamment le fait de retirer des actifs de couverture du patrimoine spécial et de les remplacer par d'autres actifs de couverture afin de répondre aux exigences applicables.]17
  Art. 8. § 1er. [18 La Banque]18 désigne, pour tout patrimoine spécial, un gestionnaire de portefeuille :
  1° [18 au moment de l'adoption d'une mesure et/ou d'une sanction visée aux articles 234, § 2, 235, 236, 345, 346, § 2, ou 347, à l'encontre de l'établissement de crédit émetteur si, à l'estime de la Banque, cette mesure ou cette sanction et/ou les motifs la justifiant sont susceptibles d'affecter les droits des titulaires des covered bonds belges et/ou de tout tiers disposant d'une créance sur le patrimoine spécial;]18
  2° [18 en cas d'ouverture d'une procédure de liquidation ou de résolution à l'encontre de l'établissement de crédit émetteur;]18
  3° dans les circonstances où [18 la Banque]18 estime que l'évaluation de la situation de l'établissement de crédit émetteur est de nature à mettre gravement en péril les intérêts des titulaires des covered bonds belges en question.
  [18 La Banque peut également désigner un gestionnaire de portefeuille en cas de retrait d'une ou des autorisations visées aux articles 80, § 1er, et 81, § 1er, prononcé en application de l'article 17 de la présente Annexe.]18
  § 2. Dès sa désignation, le gestionnaire de portefeuille assure la pleine gestion du patrimoine spécial et dispose de plein droit de tous les pouvoirs nécessaires ou utiles pour assurer cette gestion, y compris pour poser, sans aucune restriction, tous actes de disposition. Le gestionnaire de portefeuille exerce cette gestion dans le but de continuer à honorer les engagements prévus par les conditions d'émission des covered bonds belges. Les actes portant sur le patrimoine spécial qui sont posés, après la désignation du gestionnaire de portefeuille, par l'établissement de crédit émetteur ou, au nom de celui-ci, par des personnes autres que le gestionnaire de portefeuille, sont entachés de nullité, à moins d'être ratifiés par le gestionnaire de portefeuille.
  § 3. Dans les relations avec l'établissement de crédit émetteur et les relations avec des parties tierces, [18 à partir de sa désignation]18, le gestionnaire de portefeuille :
  a) exerce au nom du patrimoine spécial les droits réels et personnels et respecte les obligations reconnues au patrimoine spécial avec les mêmes prérogatives qu'une personne morale à part entière;
  b) [18 peut décider de la prorogation d'une date d'échéance en application de l'article 13/1 de la présente Annexe.]18
  [18 § 4. Le gestionnaire de portefeuille coopère et échange toutes les informations nécessaires et utiles avec la Banque et, en cas de procédure de liquidation ou de résolution de l'établissement de crédit émetteur, avec le liquidateur ou l'autorité de résolution.]18
  [18 § 5. Le Roi fixe des règles plus précises concernant :
   1° les exigences auxquelles une personne doit satisfaire pour être désignée en qualité de gestionnaire de portefeuille ;
   2° les tâches et compétences du gestionnaire de portefeuille, ainsi que ses obligations de reporting, en ce compris les décisions pour lesquelles le gestionnaire de portefeuille doit obtenir l'accord de la Banque et/ou du représentant des titulaires de covered bonds belges ;
   3° les modalités que la Banque peut préciser concernant les obligations de reporting visées au 2°.]18

  Art. 9. [19 ...]19
  [20 Section Ire/3 - Souscription des covered bonds belges par l'établissement de crédit émetteur et réserves obligatoires]20
  Art. 10. [21 § 1er. L'établissement de crédit émetteur peut souscrire, acquérir et conserver les covered bonds belges qu'il a émis. Les covered bonds belges ainsi souscrits ou acquis sont privés des droits prévus aux articles 7:162 à 7:176 du Code des sociétés et des associations et des droits de nature comparable qui seraient prévus dans les statuts de l'établissement, pendant toute la durée de leur détention par celui-ci, sauf dans la mesure où cela est prévu dans les conditions d'émission.
   § 2. Dans la mesure permise par la Banque, un établissement de crédit émetteur peut garder des réserves obligatoires par patrimoine spécial auprès de la Banque.]21

  [22 Section Ire/4 - Concours des créanciers ou résolution]22
  Art. 11. Dans le cas d'une procédure de liquidation relative à l'établissement de crédit émetteur :
  1° la procédure en question est limitée au patrimoine général de l'établissement de crédit émetteur; les patrimoines spéciaux ainsi que les engagements et dettes couverts par ceux-ci ne faisant pas partie de la masse de la faillite;
  2° le liquidateur doit prêter son concours à l'autorité de contrôle et au gestionnaire de portefeuille afin de leur permettre de gérer le patrimoine spécial conformément à la présente législation;
  3° la procédure n'emporte pas l'exigibilité [23 anticipée automatique]23 des engagements et dettes couverts par un patrimoine spécial;
  4° les créanciers des engagements et dettes couverts par un patrimoine spécial conservent leurs droits dans la procédure de liquidation [23 en application de l'article 6, alinéa 6]23 de la présente Annexe;
  5° le gestionnaire de portefeuille peut, dans l'intérêt des titulaires des covered bonds belges concernés, procéder, en concertation avec le représentant des titulaires de covered bonds belges et moyennant l'accord de [23 la Banque]23, à la cession du patrimoine spécial (actifs et passifs) et de sa gestion à un établissement chargé de poursuivre l'exécution des obligations à l'égard des titulaires de covered bonds belges conformément aux conditions d'émission initiales;
  6° le gestionnaire de portefeuille peut, en concertation avec le représentant des titulaires de covered bonds belges et moyennant l'accord de [23 la Banque]23, procéder à la liquidation d'un patrimoine spécial et au remboursement anticipé des covered bonds belges concernés si les actifs de couverture ne sont pas ou risquent de ne plus être suffisants pour honorer les obligations liées aux covered bonds belges concernés;
  7° le gestionnaire de portefeuille procède, en concertation avec [23 la Banque]23 et le représentant des titulaires de covered bonds belges, à la liquidation partielle ou totale du patrimoine spécial et au remboursement anticipé si, lors d'une assemblée générale des titulaires des covered bonds belges concernés à laquelle deux tiers au moins de l'encours en principal sont représentés, ces titulaires approuvent, à la majorité simple, la liquidation du patrimoine spécial et le remboursement anticipé;
  8° le liquidateur a le droit, en concertation avec [23 la Banque]23, d'obtenir du gestionnaire de portefeuille la remise à la masse des actifs de couverture qui ne seront plus, avec certitude, nécessaires en tant qu'actifs de couverture.
  Art. 12. § 1er. [24 ...]24
  § 2. Nonobstant l'ouverture d'une procédure de liquidation à son encontre et l'article 233, l'établissement de crédit émetteur est autorisé à poursuivre, en dehors de cette procédure de liquidation, les activités qui sont nécessaires ou utiles à la gestion par le gestionnaire de portefeuille en vue de préserver les intérêts des titulaires des covered bonds belges émis en relation avec le patrimoine spécial au plus tard, jusqu'à ce que toutes les obligations liées au patrimoine spécial soient entièrement exécutées ou éteintes d'une autre manière.
  § 3. [24 ...]24
  [25 Art. 12/1. En cas de procédure de liquidation ou de résolution d'un établissement de crédit ayant émis des covered bonds belges, la Banque, le gestionnaire de portefeuille et, le cas échéant, l'autorité de résolution coopèrent et échangent les informations nécessaires aux fins des procédures précitées et afin de garantir le respect des droits et intérêts des détenteurs de covered bonds belges, notamment en s'assurant de la gestion continue et conforme aux exigences légales et réglementaires du programme de covered bonds belges au cours de la procédure de liquidation ou de la résolution. Le gestionnaire de portefeuille s'assure également que les obligations en matière de reporting soient satisfaites.
   Les obligations de paiement relatives aux covered bonds belges ne font en aucun cas l'objet d'une exigibilité anticipée automatique en cas de résolution de l'établissement de crédit émetteur.]25

  Section II. [26 - Conditions d'émission et liquidité]26
  Art. 13. [27 Sans préjudice de l'article 13/1, l'établissement de crédit émetteur doit être en mesure à tout moment de satisfaire à ses obligations de paiement relatives aux covered bonds belges émis et met en place, à cette fin, les mécanismes qui assurent qu'il dispose, à tout moment, des liquidités nécessaires à cet égard.
   Le Roi précise :
   1° les exigences applicables en ce qui concerne la prise en compte des liquidités générées par les actifs de couverture et le coussin de liquidité dont doit disposer l'établissement de crédit émetteur afin de garantir sa capacité à satisfaire à ses obligations de paiement relatives au covered bonds belges émis ;
   2° les exigences de vérification périodique du coussin de liquidité, notamment par la comparaison entre les liquidités générées par les actifs de couverture durant une certaine période avec les paiements à effectuer conformément aux conditions d'émission durant une période déterminée.]27

  [28 Art. 13/1. § 1er. L'échéance d'un covered bond belge ne peut être prorogée que dans les conditions suivantes :
   1° les éléments déclencheurs de cette prorogation sont expressément prévus dans les conditions d'émission des covered bonds belges concernés. Seuls les événements suivants peuvent constituer des éléments déclencheurs :
   - l'établissement de crédit émetteur a établi qu'il se trouve dans l'incapacité de rembourser l'ensemble des montants dus au jour de l'échéance des covered bonds belges concernés ("failure to pay"); et/ou
   - l'établissement de crédit émetteur fait l'objet d'une procédure de liquidation ou d'une résolution;
   2° en cas de procédure de liquidation ou de résolution, la mise en oeuvre de la prorogation est décidée par le gestionnaire de portefeuille;
   3° la date d'échéance prorogée est prévue dans les conditions d'émission, sans que la date ultime d'échéance ne puisse excéder un an par rapport à la date d'échéance initiale [33 ...]33.
   § 2. Les motifs qui ont donné lieu à la prorogation ainsi que le plan d'action que l'établissement de crédit émetteur s'engage à suivre afin de garantir le remboursement de l'ensemble des montants dus au jour de la nouvelle échéance sont documentés et notifiés à la Banque dans les 15 jours ouvrables de ladite prorogation. Dans le cas où les motifs de la prorogation trouvent leur origine dans l'élément déclencheur visé au paragraphe 1er, 1°, premier tiret, l'établissement de crédit émetteur démontre qu'il a entrepris toutes les démarches raisonnables afin d'éviter la réalisation de l'élément déclencheur invoqué.
   La prorogation de la date d'échéance est sans préjudice de l'application des articles 1er/1 et 6 de la présente Annexe. En particulier, la prorogation de l'échéance initiale ne peut avoir pour effet d'affecter la situation des titulaires des covered bonds belges concernés et des autres créanciers du patrimoine spécial en ce qui concerne leur droit exclusif sur les actifs de couverture qui forment le patrimoine spécial. De même, une telle prorogation ne peut impliquer une modification de l'ordre de l'échéancier des émissions d'un programme d'émission.
   § 3. Outre les informations requises en application du paragraphe 1er, les conditions d'émission comprennent une description détaillée :
   1° des conditions de la mise en oeuvre et des conséquences de la prorogation d'échéance ;
   2° des conséquences d'une procédure de liquidation ou de la résolution de l'établissement de crédit émetteur sur la prorogation d'échéance ;
   3° du rôle du gestionnaire de portefeuille et de la Banque en ce qui concerne la prorogation d'échéance.
   § 4. Le Roi peut préciser les conditions dans lesquelles une prorogation d'échéance peut être prévue dans les conditions d'émission de covered bonds belges, ainsi que les conditions de leur mise en oeuvre.]28

  Art. 14. § 1er. [2 Les articles 7:162 à 7:176 du Code des sociétés et des associations]2 ne sont applicables aux covered bonds belges que dans la mesure où il n'y est pas dérogé par les conditions d'émission.
  § 2. Pour les titulaires de covered bonds belges faisant partie de la même émission ou du même programme d'émission, un ou plusieurs représentants peuvent être désignés pour autant que les conditions d'émission prévoient des règles concernant l'organisation d'assemblées générales pour les titulaires des covered bonds belges en question. Ces représentants peuvent, dans les limites des missions qui leur sont confiées, engager tous les titulaires des covered bonds belges de cette émission ou de ce programme d'émission envers des tiers et ils ne doivent justifier de leur compétence que par production de l'acte par lequel ils ont été désignés. Ils peuvent agir et représenter les titulaires des covered bonds belges dans toute procédure de liquidation ou procédure analogue, sans dévoiler l'identité des titulaires des covered bonds belges.
  Les représentants des titulaires d'un covered bond belge sont désignés soit avant l'émission, par l'établissement de crédit émetteur, soit après l'émission, par l'assemblée générale des titulaires des covered bonds belges en question. Leurs compétences sont déterminées dans les conditions d'émission ou, si tel n'est pas le cas, par l'assemblée générale des titulaires du covered bond belge en question.
  L'assemblée générale des titulaires de covered bonds belges en question peut à tout moment révoquer la désignation du ou des représentants, à condition de procéder simultanément à la désignation d'un ou de plusieurs autres représentants. L'assemblée générale décide à la majorité simple des covered bonds belges représentés.
  Les représentants des titulaires d'un covered bond belge peuvent également être désignés aux fins d'agir pour les autres créanciers détenteurs de créances couvertes par les actifs de couverture, moyennant l'accord de ces créanciers et pour autant que les conditions d'émission du covered bond belge concerné prévoient des règles adéquates concernant les éventuels conflits d'intérêts.
  Les représentants exercent leurs compétences dans l'intérêt exclusif des titulaires du covered bond belge et, le cas échéant, des autres créanciers qu'ils représentent, et ils sont tenus de leur rendre compte selon les modalités définies dans les conditions d'émission ou, le cas échéant, dans la décision de désignation.
  Section III. - Obligations particulières incombant à l'émetteur de covered bonds belges
  Art. 15. § 1er. Tout établissement de crédit ayant émis des covered bonds belges doit, concernant ces covered bonds belges :
  1° [29 enir une administration spéciale concernant :
   a) les covered bonds belges émis auxquels le patrimoine spécial est lié; et
   b) les actifs de couverture qui servent à couvrir ces covered bonds belges.
   Les actifs visés sous les points a) et b) sont inscrits dans un registre des actifs de couverture tenu pour un ou plusieurs covered bonds belges déterminés ou, le cas échéant, pour tous les covered bonds belges émis dans le cadre d'un même programme d'émission.
   Dès le moment où des actifs de couverture, y compris des contrats dérivés, sont inscrits dans le registre des actifs de couverture, ils font partie du patrimoine spécial relatif aux covered bonds belges inscrits dans le même registre. Cette inclusion est valable et opposable aux tiers dès cette inscription]29
;
  2° [29 ...]29
  3° fournir à son commissaire-réviseur, à chaque surveillant de portefeuille et à chaque gestionnaire de portefeuille [29 toutes les informations et la collaboration nécessaires]29 pour permettre à ces derniers d'accomplir les missions qui leur ont été dévolues en vertu de la présente loi, des conditions d'émission et des contrats liés à l'émission;
  4° [29 démontrer périodiquement à la Banque que les covered bonds belges émis répondent toujours aux exigences prévues par ou en vertu de la présente loi et ce, notamment,
   a) en faisant rapport sur le respect des exigences relatives aux critères d'éligibilité des actifs de couverture et à la composition du patrimoine spécial ;
   b) en faisant rapport sur la valorisation des actifs de couverture, le respect des exigences en matière de couverture, de liquidité et de structures d'échéance prorogeables, notamment par la communication des résultats de tests de résistance relatifs aux exigences de couverture et de liquidité ;
   c) en faisant rapport sur le respect des exigences de ségrégation des actifs, en particulier le respect des exigences relatives à l'enregistrement des actifs ;
   d) en faisant rapport sur les risques de crédit, de change, de liquidité et de taux d'intérêt; et
   e) en faisant rapport sur l'exercice des tâches du surveillant du portefeuille ;]29

  5° [29 être en mesure de démontrer à la Banque, à chaque fois que des modifications importantes sont proposées en ce qui concerne des covered bonds belges ou un programme d'émission et la documentation juridique relative à ceux-ci, que les covered bonds belges concernés continuent à satisfaire aux exigences prévues par ou en vertu des articles 79 à 81 et de la présente Annexe;]29
  6° le cas échéant, prendre des mesures pour limiter les risques de change et de taux d'intérêt.
  § 2. [29 La Banque détermine par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, le contenu des rapports visés au paragraphe 1er, 4°, la fréquence à laquelle l'établissement de crédit émetteur les transmet à la Banque et selon quel schéma.]29
  § 3. Le Roi peut fixer des règles plus précises concernant la manière dont l'administration spéciale visée [29 au paragraphe 1er]29 doit être tenue, tant en ce qui concerne sa forme et son contenu qu'en ce qui concerne l'intégrité des données.
  [30 Art. 15/1. § 1er. Tout établissement de crédit émetteur de covered bonds belges publie sur son site internet, au cours du mois suivant l'émission et ensuite chaque mois concernant les informations relatives au mois précédentet de manière séparée pour chaque programme d'émission de covered bonds belges, les informations suivantes :
   1° la valeur du patrimoine spécial, de l'encours des covered bonds belges concernés et, le cas échéant, la notation (rating) des covered bond belges concernés ;
   2° pour chaque émission effectuée, la liste des numéros internationaux d'identification des titres (dénommés "codes ISIN") auxquels de tels codes ont été attribués et la devise dans laquelle les covered bonds belges concernés ont été émis, leur montant d'encours, leur date d'émission, leur date d'échéance, y compris la date d'échéance prévue en cas de prorogation, les caractéristiques de leur coupon et le taux de celui-ci ;
   3° le type d'actifs de couverture ainsi que la répartition géographique des sûretés les garantissant et, à défaut de sûreté, la répartition géographique des domiciles ou sièges sociaux des débiteurs desdits actifs, le montant d'encours relatif aux créances concernées et la méthode de valorisation ;
   4° le risque de marché, notamment le risque de taux d'intérêt et le risque de change, et les risques de crédit et de liquidité, présentés de façon détaillée ;
   5° la correspondance des échéances des actifs de couverture et des covered bonds belges, y compris, le cas échéant, un aperçu des déclencheurs de prorogation de l'échéance et des échéances ultimes des covered bonds belges ;
   6° les niveaux des actifs de couverture requis, en ce compris les niveaux d'excédent requis par ou en vertu de la présente Annexe et des conditions d'émission, ainsi que les niveaux d'excédent constitués volontairement ;
   7° le pourcentage de créances pour lesquelles il est considéré qu'un défaut s'est produit au sens de l'article 178 du Règlement n° 575/2013 ainsi que, le pourcentage de créances pour lesquelles un arriéré de paiement existe depuis plus de 30 jours sans qu'un défaut au sens de l'article 178 précité ne soit constaté.
   § 2. Le Roi peut fixer des règles plus précises concernant les informations à communiquer en application du paragraphe 1er.]30

  Section IV. - Contrôle spécifique
  Art. 16. § 1er. Sur avis conforme de [31 la Banque]31, l'établissement de crédit émetteur désigne, dès l'émission de covered bonds belges, un surveillant de portefeuille chargé de faire rapport à [31 la Banque]31 sur le respect par l'établissement de crédit émetteur des exigences légales et réglementaires relatives aux covered bonds belges. Les frais et rémunérations à acquitter au surveillant de portefeuille sont à charge de l'établissement de crédit émetteur. [31 La mission du surveillant de portefeuille prend fin en cas de désignation d'un gestionnaire de portefeuille en application de l'article 8 de la présente Annexe.]31
  § 2. [31 Le surveillant du portefeuille examine et fait rapport périodiquement à la Banque sur le respect par l'établissement de crédit émetteur des exigences relatives, notamment,
   1° aux actifs de couverture détenus ;
   2° à l'administration et aux obligations de reporting prévues à l'article 15 de la présente Annexe ;
   3° au maintien permanent du niveau de couverture, de l'excédent et du niveau de liquidité à respecter.]31

  § 3. [31 Le Roi fixe des règles plus précises concernant, notamment,
   1° les exigences auxquelles une personne doit satisfaire pour être désignée en qualité de surveillant de portefeuille et les conditions dans lesquelles cette personne peut être révoquée; et
   2° les tâches et obligations de rapport du surveillant de portefeuille.]31

  [31 § 4. La Banque peut préciser par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998 notamment, le contenu et la fréquence des rapports à transmettre par le surveillant de portefeuille à la Banque.]31
  Art. 17. [32 § 1er. Si la Banque constate que des covered bonds belges ne répondent plus aux exigences prévues par ou en vertu des articles 79 à 81 ou des dispositions de la présente Annexe, que l'établissement de crédit émetteur concerné ne satisfait plus aux exigences qui lui sont applicables en sa qualité d'établissement de crédit émetteur de covered bonds belges ou que celui-ci a obtenu une autorisation requise en vertu des articles 80, § 1er, et 81, § 1er, au moyen de fausses déclarations ou par tout autre moyen irrégulier, elle fixe un délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
   Sans préjudice des autres mesures visées par la présente loi, notamment, de la possibilité prévue à l'article 8 de la présente Annexe de désigner un gestionnaire de portefeuille, si, au terme de ce délai, il n'a pas remédié à la situation, la Banque ou, le cas échéant, la BCE à la demande de la Banque, peut, procéder au retrait d'une ou des autorisations visées aux articles 80, § 1er, et 81, § 1er.
   En cas d'extrême urgence ou lorsque la gravité des faits le justifie, la Banque ou la BCE peut adopter les mesures visées au présent paragraphe sans qu'un délai ne soit préalablement fixé.
   § 2. En cas de retrait d'autorisation en application du paragraphe 1er, la Banque communique la décision concernée sans délai à la Commission européenne et à l'Autorité bancaire européenne et le publie immédiatement sur son site internet.
   § 3. Sans préjudice des autres mesures visées par la présente loi, notamment, de la mission du gestionnaire de portefeuille, le cas échéant, désigné en application de l'article 8 de la présente Annexe, le retrait de l'autorisation générale visée à l'article 80, § 1er, et/ou d'une autorisation particulière visée à l'article 81, § 1er, n'affecte pas les droits des titulaires des covered bonds belges émis conformément aux autorisations concernées, ni les droits des autres créanciers du ou des patrimoine(s) spécial(aux) relatifs auxdits covered bonds belges. A partir de la date de retrait d'une ou des autorisations précitées, aucune nouvelle émission de covered bonds belges, y compris dans le cadre d'un programme d'émission existant, ne peut être effectuée.
   § 4. L'établissement de crédit qui s'est vu retirer une des autorisations visées au paragraphe 1er, reste soumis aux dispositions prévues par ou en vertu des articles 79 à 81 et de la présente Annexe tant que l'établissement de crédit émetteur n'a pas satisfait à l'ensemble de ses obligations de paiement relatives aux covered bonds belges antérieurement émis, à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions.]32

  

Änderungen

Art. N4. Bijlage 4. - TIER1-KERNKAPITAALCONSERVERINGSBUFFER EN MACROPRUDENTIELE BELEIDSINSTRUMENTEN
  HOOFDSTUK I. - Tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer
  Artikel 1. De tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer van een kredietinstelling bedraagt 2,5 % van het totale bedrag van haar risicoblootstelling, zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.
  HOOFDSTUK II. - Macroprudentiële beleidsinstrumenten
  Art. 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder aangewezen autoriteit verstaan, de autoriteit die, in een lidstaat of een derde land, gemachtigd is om de contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer en/of de tier 1-kernkapitaalbuffer voor [3 systeemrelevante instellingen]3 en/of de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast te stellen, ongeacht of deze autoriteit al dan niet een bevoegde autoriteit is of een autoriteit die belast is met het toezicht op de kredietinstellingen in een derde land.
  Afdeling I. - Kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer
  Art. 3. Voor de berekening van het in deze afdeling bedoeld vereiste om een kapitaalbuffer aan te houden zijn de relevante blootstellingen aan het kredietrisico deze die vallen onder de verschillende categorieën als bedoeld in artikel 112 van Verordening nr. 575/2013, met uitzondering van de punten a) tot f), en die onderworpen zijn aan :
  1° de reglementaire eigenvermogensvereisten voor kredietrisico krachtens Deel 3, Titel II van de genoemde Verordening;
  2° indien de blootstelling in de handelsportefeuille is opgenomen, de reglementaire eigenvermogensvereisten voor specifiek risico, krachtens Deel 3, Titel IV, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013, of voor het additioneel wanbetalings- en migratierisico, krachtens Deel 3, Titel IV, Hoofdstuk 5 van de genoemde Verordening;
  3° indien de blootstelling in een effectisering bestaat, de reglementaire eigenvermogensvereisten opgelegd in Deel 3, Titel II, Hoofdstuk 5 van Verordening nr. 575/2013.
  De berekening van het in het eerste lid bedoelde kapitaalbuffervereiste hangt onder meer af van de geografische locatie van de relevante blootstellingen aan kredietrisico, die wordt bepaald overeenkomstig de technische normen die door de Europese Commissie worden vastgesteld met toepassing van artikel 140, lid 7 van Richtlijn 2013/36/EU.
  Art. 4. § 1. De contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer van een kredietinstelling is gelijk aan het totale bedrag van de risicoblootstelling van deze instelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013, vermenigvuldigd met het percentage van haar instellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer.
  Dit percentage is gelijk aan het gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages die van toepassing zijn op de grondgebieden waar de relevante blootstellingen aan kredietrisico van de betrokken kredietinstelling zich bevinden.
  § 2. Voor de berekening van het in paragraaf 1, tweede lid bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische tier 1-kernkapitaalbufferpercentages vermenigvuldigen de kredietinstellingen elk van de contracyclische bufferpercentages die overeenkomstig artikel 6 van deze Bijlage van toepassing zijn, met het totale bedrag van hun reglementaire eigenvermogensvereisten die hun relevante blootstellingen aan kredietrisico op het betrokken grondgebied, bepaald overeenkomstig Deel 3, Titel II van Verordening nr. 575/2013, dekken en delen het verkregen resultaat door het totale bedrag van hun reglementaire eigenvermogensvereisten die al hun relevante blootstellingen aan kredietrisico dekken.
  Art. 5. § 1. Voor de relevante blootstellingen aan kredietrisico op tegenpartijen die op het Belgische grondgebied zijn gevestigd, is het in artikel 4, § 2 van deze Bijlage bedoelde contracyclische bufferpercentage het door de Bank vastgestelde contracyclische bufferpercentage.
  § 2. [8 De Bank stelt dit percentage vast of past dit indien nodig aan op basis van de kwartaalbeoordeling van een of meer referentie-indicatoren die de weergave zijn van de intensiteit van het cyclisch systeemrisico en de risico's als gevolg van buitensporige kredietgroei in België en die rekening houden met de specifieke kenmerken van de nationale economie.]8 Deze indicatoren zijn gebaseerd op de afwijking, ten opzichte van de langetermijntendens ervan, van de verhouding tussen het volume van de op het Belgisch grondgebied toegekende kredieten en het bruto binnenlands product, onder andere rekening houdend met :
  a) de toename van de volumes van de op het Belgisch grondgebied toegekende kredieten en met de evolutie van het bruto binnenlands product;
  b) de richtsnoeren en aanbevelingen van het ESRB;
  c) enige andere variabele die de Bank in casu relevant acht om het cyclisch systeemrisico te ondervangen.
  § 3. Het door de Bank vastgestelde contracyclische bufferpercentage, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de relevante blootstellingen aan kredietrisico op het Belgische grondgebied, moet tussen 0 % en 2,5 % liggen, gekalibreerd in schijven van 0,25 percentpunt of veelvouden van 0,25 percentpunt. Wanneer zij het noodzakelijk acht op basis van de in paragraaf 2 bedoelde variabelen, kan de Bank een contracyclisch bufferpercentage van meer dan 2,5 % vaststellen.
  § 4. Voor de berekening van het in artikel 3, § 2 van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde passen de kredietinstellingen het in paragraaf 1 bedoelde percentage toe vanaf de door de Bank vastgestelde datum. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden die een kortere termijn rechtvaardigen, valt deze datum [8 ...]8 twaalf maanden na de datum waarop een verhoging van het percentage werd aangekondigd overeenkomstig paragraaf 6.
  § 5. Wanneer de Bank het contracyclische bufferpercentage verlaagt, kunnen de instellingen onverwijld het nieuwe percentage toepassen. De Bank kondigt, ten indicatieve titel, een periode aan gedurende dewelke geen verhoging van dit percentage wordt verwacht.
  § 6. [8 De Bank maakt het contracyclische tier 1-kernkapitaalbufferpercentage dat zij voor een kwartaal vaststelt, elk kwartaal bekend door publicatie op haar website, met vermelding van met name de volgende informatie:]8
  a) het toepasselijke percentage;
  b) de ratio "toegekende kredieten ten opzichte van het bruto binnenlands product" en de afwijking van deze ratio ten opzichte van de langetermijntendens ervan;
  c) de rechtvaardiging voor het in aanmerking genomen percentage, waaronder de referentie-indicatoren waarmee de Bank rekening heeft gehouden om het percentage vast te stellen;
  d) wanneer het percentage verhoogd wordt, de datum met ingang waarvan de kredietinstellingen verplicht zijn dit percentage toe te passen voor de berekening van het in artikel 3, § 1, tweede lid van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages;
  e) de uitzonderlijke omstandigheden die, in voorkomend geval, rechtvaardigen dat de in punt d) bedoelde datum eerder valt dan twaalf maanden na de krachtens deze paragraaf verrichte bekendmaking;
  f) wanneer het percentage verlaagd wordt, de rechtvaardiging voor de richtperiode gedurende dewelke geen verhoging wordt verwacht.
  § 7. De Bank neemt alle redelijke maatregelen om, samen met de Europese autoriteiten en de aangewezen autoriteiten van de lidstaten, de beslissingen te coördineren die betrekking hebben op de vaststelling van het in paragraaf 1 bedoelde contracyclische bufferpercentage.
  [8 De Bank deelt elke wijziging van het contracyclische bufferpercentage evenals, in dat geval, de in paragraaf 6 bedoelde informatie, mee aan het ESRB.]8
  Art. 6. De kredietinstellingen berekenen het in artikel 4, § 1, tweede lid van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages op basis van de contracyclische bufferpercentages die respectievelijk worden bekendgemaakt door de Bank overeenkomstig artikel 5, § 6 van deze Bijlage, en door de aangewezen autoriteiten van de verschillende lidstaten of van derde landen op het grondgebied waarvan de relevante blootstellingen aan kredietrisico zich bevinden, overeenkomstig de artikelen 7 tot 10 van deze Bijlage.
  Art. 7. § 1. Een contracyclisch bufferpercentage dat is vastgesteld voor de relevante blootstellingen aan kredietrisico op het grondgebied van een lidstaat is van toepassing op de datum die wordt vastgesteld door de aangewezen autoriteit van deze staat.
  § 2. Wanneer een aangewezen autoriteit van een lidstaat een contracyclisch bufferpercentage van meer dan 2,5 % vaststelt, gebruiken de kredietinstellingen dit percentage om het gewogen gemiddelde van het contracyclische tier 1-kapitaalbufferpercentage te berekenen, op voorwaarde dat dit percentage van meer dan 2,5 % wordt erkend door de Bank.
  § 3. De Bank kondigt de erkenning van een percentage van meer dan 2,5 % aan op haar website. Deze aankondiging bevat minstens de volgende informatie :
  a) het erkende percentage en de betrokken lidstaat;
  b) de datum met ingang waarvan de kredietinstellingen verplicht zijn dit percentage toe te passen voor de berekening van het in artikel 4, § 1, tweede lid van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages;
  c) de uitzonderlijke omstandigheden die, in voorkomend geval, rechtvaardigen dat de in punt b) bedoelde datum eerder valt dan twaalf maanden na de aankondiging die krachtens deze paragraaf door de Bank wordt verricht.
  Art. 8. Wanneer een in artikel 5 van deze Bijlage bedoelde aangewezen autoriteit van een lidstaat een contracyclisch bufferpercentage van meer dan 2,5 % heeft vastgesteld en de Bank dit percentage niet erkent, gebruiken de kredietinstellingen een percentage van 2,5 % voor de berekening van het gewogen gemiddelde van het contracyclische tier 1-kapitaalbufferpercentage.
  Deze verplichting om een percentage van 2,5 % te gebruiken is van toepassing op de datum die wordt vastgesteld door de aangewezen autoriteit waarvan het percentage niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de in het eerste lid bedoelde erkenning.
  Art. 9. Wanneer een aangewezen autoriteit van een lidstaat het toepasselijke contracyclische bufferpercentage verlaagt, is deze verlaging onmiddellijk van toepassing.
  Art. 10. § 1. De beslissing om een contracyclisch bufferpercentage vast te stellen voor een derde land is van toepassing twaalf maanden na de datum waarop de vaststelling van het toepasselijke percentage werd aangekondigd door de aangewezen autoriteit van dit land, zelfs indien deze autoriteit voorschrijft dat de kredietinstellingen die onder dit land ressorteren deze wijziging binnen een kortere termijn moeten toepassen. Een wijziging van het contracyclische bufferpercentage voor een derde land wordt geacht te zijn aangekondigd op de datum waarop het is bekendgemaakt door de autoriteit van dat land.
  § 2. Wanneer het door de aangewezen autoriteit van het derde land vastgestelde percentage meer dan 2,5 % bedraagt, zijn de artikelen 7, §§ 2 en 3, en 8 van deze Bijlage van overeenkomstige toepassing. De Bank kan echter een ander tarief vaststellen waarvan het percentage zich boven de 2,5 % bevindt, voor zover het lager ligt dan het percentage dat bekendgemaakt werd door de aangewezen autoriteit van het derde land.
  § 3. Indien geen enkel contracyclisch bufferpercentage werd bekendgemaakt door de aangewezen autoriteit van een derde land op wiens grondgebied de relevante blootstellingen aan kredietrisico zich bevinden, kan de Bank dit percentage vaststellen.
  § 4. Indien zij redelijke gronden heeft om te oordelen dat het door de aangewezen autoriteit van een derde land bekendgemaakte percentage niet volstaat om de kredietinstellingen op gepaste wijze te beschermen tegen de risico's van een buitensporige kredietgroei in dat land, kan de Bank een contracyclisch bufferpercentage vaststellen dat hoger is dan het door de autoriteit van het betrokken derde land bekendgemaakte percentage.
  § 5. Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 houdt de Bank rekening met de aanbevelingen van het ESRB.
  § 6. Wanneer de Bank zich uitspreekt over een contracyclisch bufferpercentage voor een derde land overeenkomstig paragrafen 2 tot 4, beslist zij over de datum met ingang waarvan de kredietinstellingen verplicht zijn dit percentage toe te passen voor de berekening van het gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages. Deze datum valt ten vroegste twaalf maanden na de datum waarop de Bank zich heeft uitgesproken, behoudens uitzonderlijke omstandigheden die een kortere termijn rechtvaardigen.
  § 7. Wanneer een aangewezen autoriteit van een derde land het contracyclische bufferpercentage verlaagt, is deze verlaging onmiddellijk van toepassing.
  § 8. De Bank maakt op haar website, voor elk van de contracyclische bufferpercentages waarover zij zich heeft uitgesproken voor derde landen, overeenkomstig de paragrafen 2 tot 4, de volgende informatie bekend :
  a) het toepasselijke percentage en het betrokken derde land;
  b) indien de Bank het aanvankelijk door de aangewezen autoriteit van het derde land bepaalde percentage heeft gewijzigd, de rechtvaardiging voor het gewijzigde percentage;
  c) de datum met ingang waarvan de kredietinstellingen verplicht zijn het betrokken percentage toe te passen voor de berekening van het in artikel 4, § 1, tweede lid van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages;
  d) de rechtvaardiging voor de verkorting van de termijn van inwerkingtreding van het genoemde percentage, indien de in punt c) bedoelde datum eerder valt dan twaalf maanden na de datum van de aankondiging die met toepassing van deze paragraaf door de Bank wordt gedaan.
  Afdeling II. - Buffer voor systeemrelevante [2 instellingen]2
  Art. 11. [9 ...]9
  Art. 12. [5 De kredietinstellingen, de financiële moederholdings of de gemengde financiële moederholdings naar Belgisch recht waarvan het in gebreke blijven een grote invloed zou hebben op respectievelijk België, de markt en de economie van een of meer lidstaten, en op de wereldwijde financiële markt, worden door de Bank aangemerkt als "BSI's" of "MSI's".
  [10 MSI's kunnen zijn:
   a) een groep met aan het hoofd een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding of een Belgische gemengde financiële EER-moederholding; of
   a) een MSI is een niet in punt a) bedoelde kredietinstelling naar Belgisch recht, die geen dochteronderneming is van een moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER_moederholding.]10
]5

  [10 BSI's kunnen zijn:
   a) een groep met aan het hoofd een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding, een Belgische gemengde financiële EER-moederholding, een Belgische moederkredietinstelling, een Belgische financiële moederholding of een Belgische gemengde financiële moederholding;
   b) een niet in punt a) bedoelde kredietinstelling naar Belgisch recht, die geen dochteronderneming is van een Belgische moederkredietinstelling, een Belgische financiële moederholding of een Belgische gemengde financiële moederholding.]10

  Art. 13. [11 § 1. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de methode die gebruikt wordt om te beoordelen of een in artikel 12 van deze Bijlage bedoelde instelling moet worden aangemerkt als een MSI, op basis van de volgende criteria:
   a) de omvang van de betrokken groep;
   b) de correlatie tussen het wereldwijde financiële stelsel en de betrokken groep;
   c) de mogelijkheid tot vervanging van de diensten of van de financiële infrastructuur die wordt verstrekt door de betrokken groep;
   d) de complexiteit van de betrokken groep;
   e) het belang van de grensoverschrijdende werkzaamheden van de betrokken groep, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de grensoverschrijdende activiteiten tussen lidstaten en die met een derde land.
   Elk criterium krijgt een gelijke weging en wordt beoordeeld op basis van kwantificeerbare indicatoren. De gebruikte methode maakt het mogelijk een globale systeemrelevantiescore op te maken voor elke MSI en om, op deze basis, elke MSI onder te brengen in een subcategorie van MSI's. De subcategorieën van MSI's en de drempels worden bepaald met inachtneming van Richtlijn 2013/36/EU en van de technische normen van de Europese Bankautoriteit.
   Daarnaast stelt de Bank een aanvullende globale score vast voor elke MSI op basis van alle in het eerste lid bedoelde criteria, met dien verstande dat voor het in punt e) bedoelde criterium geen rekening wordt gehouden met de activiteiten die worden uitgeoefend in de deelnemende lidstaten. Elk criterium krijgt een gelijke weging en wordt beoordeeld op basis van kwantificeerbare indicatoren. Voor de criteria a) tot en met d) wordt hetzelfde resultaat gebruikt als voor de in het tweede lid bedoelde beoordeling. Op basis van de aanvullende score kan de Bank een van de in paragraaf 3, c) bedoelde maatregelen nemen.
   § 2. Het bedrag van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's hangt af van de subcategorie waartoe de betrokken MSI behoort. Er zijn ten minste vijf subcategorieën. Met uitzondering van de vijfde subcategorie en van elke bijkomende hogere subcategorie worden de drempels tussen de subcategorieën van MSI's vastgelegd in overeenstemming met het beginsel dat er een constante lineaire toename van systeemrelevantie is van subcategorie tot subcategorie, hetgeen leidt tot een lineaire toename van het vereiste van aanvullend-tier 1-kernkapitaal. Aan de laagste subcategorie wordt 1 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de betrokken instelling toegekend, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013, en het percentage dat aan elke subcategorie wordt toegekend stijgt in gelijke tranches van ten minste 0,5 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de betrokken instelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.
   § 3. De Bank kan de in paragraaf 1 bedoelde toewijzing aan een subcategorie van MSI's aanpassen indien zij van oordeel is dat deze de systeemrelevantie van de betrokken entiteit niet weerspiegelt en
   a) kan een entiteit waarvan de globale score lager is dan de drempel van de laagste subcategorie onderbrengen in deze subcategorie of in een hogere subcategorie en, bijgevolg, deze entiteit aanmerken als een MSI;
   b) kan een MSI overbrengen van een lagere subcategorie naar een hogere subcategorie;
   c) kan, op basis van de in paragraaf 1, derde lid bedoelde aanvullende globale score en gelet op de mate van voltooiing van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een MSI overbrengen van een hogere subcategorie naar een lagere subcategorie.
   § 4. Een MSI moet slechts op geconsolideerde basis voldoen aan het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's.]11

  Art. 14. [12 § 1. De Bank wijst de BSI's aan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, op basis van de volgende criteria:
   a) hun omvang, in voorkomend geval op geconsolideerde basis;
   b) hun belang voor de Belgische economie of die van een of meer lidstaten;
   c) het belang van hun grensoverschrijdende werkzaamheden;
   d) hun correlatie of die van hun groep met het financiële stelsel.
   Het reglement houdt rekening met de richtsnoeren die door de Europese Bankautoriteit worden vastgesteld betreffende de in deze paragraaf bedoelde criteria.
   § 2. De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbuffer die elke BSI moet aanhouden op geconsolideerde, gesubconsolideerde en individuele basis, in voorkomend geval rekening houdend met de in paragraaf 1 bepaalde criteria. Dit bedrag mag niet groter zijn dan 3 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling dat wordt berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.
   § 2/1. In afwijking van paragraaf 2 kan het bedrag op een percentage van meer dan 3 % worden gebracht na toestemming van de Europese Commissie.
   § 3. Wanneer zij een buffer voor BSI's eist overeenkomstig de in paragraaf 2 bedoelde methode, neemt de Bank de volgende beginselen in acht:
   a) het vereiste van een buffer voor BSI's mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of voor delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Europese Unie als geheel, waardoor het een belemmering vormt of schept voor de werking van de interne markt;
   b) het vereiste van een buffer voor BSI's wordt minstens eenmaal per jaar herzien.
   § 4. De Bank deelt aan het ESRB de beslissing mee om het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor BSI's vast te stellen of te wijzigen een maand voor de datum waarop dit vereiste verplicht wordt en drie maanden voor de publicatie van een met toepassing van paragraaf 2/1 genomen beslissing. De mededeling bevat een gedetailleerde beschrijving van de volgende elementen:
   a) de redenen waarom de BSI-buffer efficiënt en evenredig kan zijn om het door dit soort onderneming gestelde systeemrisico af te zwakken;
   b) het BSI-bufferpercentage dat de Bank voornemens is op te leggen;
   c) een beoordeling van de waarschijnlijke positieve of negatieve invloed van de BSI-buffer op de interne markt, op basis van de informatie waarover de Bank beschikt.
   § 5. Een BSI die een dochteronderneming is van:
   - een mondiaal systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU, waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat; of
   - een andere systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU, waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat, die een moederkredietinstelling in een lidstaat of een groep met aan het hoofd een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is en die op geconsolideerde basis is onderworpen aan een tier 1-kernkapitaalbuffer voor andere systeemrelevante instellingen in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU,
   is op individueel of gesubconsolideerd niveau enkel verplicht te voldoen aan het laagste vereiste tussen:
   a) het percentage dat voortvloeit uit de som van het hoogste tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor mondiaal systeemrelevante instellingen of voor andere systeemrelevante instellingen dat op geconsolideerde basis van toepassing is op de groep, en 1 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013; en
   b) 3 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013 of, in voorkomend geval, het met toepassing van paragraaf 2/1 van dit artikel vereiste percentage.
   § 6. Indien de som van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's of BSI's en het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's zoals berekend met toepassing van artikel 96, § 4 van deze wet hoger is dan 5 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de kredietinstelling en/of, in voorkomend geval, van het bedrag van de risicoblootstelling dat voortvloeit uit een of meer van de in artikel 16/1 van deze Bijlage bedoelde segmenten van blootstellingen, zijn de in de paragrafen 2/1 en 4 van dit artikel bepaalde procedures van toepassing.]12

  Art. 15. De Bank maakt de lijst van de BSI's en de lijst van de MSI's op, waarbij deze laatste de subcategorie bevat waarin elke MSI wordt ondergebracht. De Bank maakt deze lijsten bekend op haar website. De lijsten en de veranderingen die daaraan worden aangebracht worden gericht aan het ESRB, aan de Europese Bankautoriteit en aan de Europese Commissie.
  De Bank toetst eenmaal per jaar de systeemrelevantie van de MSI's en de BSI's evenals het onderbrengen van de MSI's in de overeenstemmende subcategorieën. Zij deelt het resultaat hiervan mee aan de betrokken instelling, aan het ESRB, aan de Europese Bankautoriteit en aan de Europese Commissie en actualiseert de in het eerste lid bedoelde lijsten op haar website.
  Afdeling III. - Tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's
  Art. 16. [13 § 1. De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, eisen dat de kredietinstellingen over een tier 1-kernkapitaalbuffer beschikken om te anticiperen op en de impact te verzwakken van de systeem- of macroprudentiële risico's die niet vallen onder Verordening nr. 575/2013 en de Afdelingen I en II van dit Hoofdstuk. Deze systeem- of macroprudentiële risico's zijn structurele risico's op verstoring van het financiële stelsel die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel en de reële economie in België. Het reglement dat door de Bank wordt vastgesteld met toepassing van deze paragraaf voldoet aan de in paragraaf 2 en de in de artikelen 16/1 tot 22 van deze Bijlage bepaalde vereisten.
   § 2. Het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's geldt op individuele, gesubconsolideerde en geconsolideerde basis, overeenkomstig Titel II van Deel 1 van Verordening nr. 575/2013, voor alle kredietinstellingen of voor een of meer deelgroepen van kredietinstellingen, gegroepeerd volgens gelijkaardige werkzaamheden of risicoprofielen.]13

  [14 Art. 16/1. Wanneer zij het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement vaststelt, kan de Bank zich voor de berekening van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's baseren op alle risicoblootstellingen van de kredietinstelling en/of op een of meer van de volgende segmenten van blootstellingen:
   a) alle blootstellingen die gesitueerd zijn in België;
   b) de onderstaande sectorale blootstellingen in België:
   i) alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen ten aanzien van natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed;
   ii) alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen die door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt;
   iii) alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen met uitzondering van de in punt ii) genoemde;
   iv) alle blootstellingen ten aanzien van natuurlijke personen met uitzondering van de in punt i) genoemde;
   c) alle blootstellingen in andere lidstaten, onverminderd de artikelen 17, § 3 en 20 van deze Bijlage;
   d) slechts voor de erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgesteld bufferpercentage, de in punt b) van deze paragraaf bedoelde sectorale blootstellingen die gesitueerd zijn in andere lidstaten;
   e) blootstellingen die gesitueerd zijn in derde landen; en
   f) segmenten van de in punt b) genoemde blootstellingscategorieën.]14

  [15 Art. 16/2. De Bank stelt het percentage en/of de percentages van de tier 1-kapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast in schijven van 0,5 percentpunt of veelvouden van 0,5 percentpunt, overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 20 van deze Bijlage.]15
  [16 Art. 16/3. De Bank kan gedifferentieerde tier 1-kapitaalbufferpercentages voor systeem- of macroprudentiële risico's toepassen die betrekking hebben op alle blootstellingen en/of op een segment van blootstellingen als bedoeld in artikel 16/1 van deze Bijlage voor alle kredietinstellingen of voor een of meer deelgroepen van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 16, § 2 van deze Bijlage.]16
  [17 Art. 16/4. Bij het opleggen van de verplichting om een buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden, neemt de Bank de volgende beginselen in acht:
   a) de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Europese Unie als geheel, of een belemmering vormen of scheppen voor de werking van de interne markt;
   b) het percentage van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's wordt minstens om de twee jaar herzien.
   c) de tier 1-kapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's is niet van toepassing op de risico's die worden gedekt door de tier 1-kernkapitaalbuffervereisten zoals vastgesteld in de Afdelingen I en II van dit Hoofdstuk.]17

  [18 Art. 16/5. Voor de berekening van het toepasselijke tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's gebruiken de kredietinstellingen de volgende formule:
   BSR = Rt x Et + ∑i Ri x Ei
   Waarbij:
   "BSR" het vereiste is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;
   "Rt" het percentage is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor het totale bedrag van de risicoblootstelling van de kredietinstelling;
   "Et" het totale bedrag is van de risicoblootstelling van de kredietinstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013;
   "i" de index is die het segment van blootstellingen als bedoeld in artikel 16/1 van deze Bijlage aangeeft;
   "Ri" het percentage is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor het bedrag van de risicoblootstelling als gevolg van het segment van blootstellingen i;
   "Ei" het bedrag is van de risicoblootstelling van de kredietinstelling als gevolg van het segment van blootstellingen i, zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.]18

  Art. 17. [19 § 1. Alvorens het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast te stellen op een percentage dat geldt voor het totale bedrag van de risicoblootstelling en/of, in voorkomend geval, op een of meer percentages die gelden voor een of meer segmenten van blootstellingen, wat voor geen enkele van de blootstellingen resulteert in een totaal percentage van meer dan 3 %, brengt de Bank haar in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde ontwerp van reglement ter kennis van het ESRB, ook wanneer dit vereiste betrekking heeft op blootstellingen die gesitueerd zijn in derde landen. Zij doet hetzelfde ten aanzien van de aangewezen autoriteiten van de lidstaten waaronder de moederondernemingen ressorteren van de kredietinstellingen waarvoor een of meer percentages van tier 1-kernkapitaalbuffers voor systeem- of macroprudentiële risico's gelden.
   De erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgesteld tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem- of macroprudentiële risico's wordt niet meegerekend voor de drempel van 3 % als bedoeld in het eerste lid.
   De kennisgeving bevat een gedetailleerde beschrijving van:
   a) het in paragraaf 1 bedoelde systeem- of macroprudentiële risico in België;
   b) de redenen waarom de omvang van dit systeem- en macroprudentieel risico een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het nationale financiële stelsel;
   c) het geldende percentage of de geldende percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat of die de Bank voornemens is vast te stellen, alsook de blootstellingen waarvoor het percentage of de percentages gelden en de kredietinstellingen waarop dit of deze van toepassing zal of zullen zijn;
   d) de redenen waarom de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's een efficiënt en evenredig bevonden maatregel uitmaakt om het risico af te zwakken;
   e) een beoordeling van de positieve of negatieve invloed van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's op de interne markt, op grond van de informatie die voor de Bank beschikbaar is;
   f) wanneer het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- en macroprudentiële risico's van toepassing is op alle risicoblootstellingen van de kredietinstelling, de redenen waarom dit vereiste geen overlapping is van het vereiste dat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de in artikel 14 van deze Bijlage bepaalde tier 1-kernkapitaalbuffer voor BSI's.
   § 2. De Bank kan overgaan tot de in artikel 21 van deze Bijlage bedoelde bekendmaking een maand na de in paragraaf 1 bedoelde kennisgevingen.
   § 3. Wanneer het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's door de Bank is vastgesteld op basis van risicoblootstellingen die zich in een andere lidstaat bevinden, heeft dit vereiste betrekking op het geheel van risicoblootstellingen in alle andere lidstaten, tenzij dit vereiste wordt ingesteld om het door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgestelde systeemrisicobufferpercentage te erkennen.]19

  [20 Art. 17/1. Artikel 17, § 1 van deze Bijlage is van toepassing bij een verlaging of handhaving van het eerder vastgestelde percentage en/of de eerder vastgestelde percentages van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's.]20
  Art. 18. [21 Ingeval het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde percentage op een totaal percentage tussen 3 % en 5 % wordt gebracht, vraagt de Bank het advies van de Europese Commissie in de overeenkomstig de voornoemde paragraaf 1 gedane kennisgeving en kan zij de vaststelling van het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement pas afronden na ontvangst van dit advies. Indien zij dit advies niet volgt, legt de Bank de redenen daarvoor uit in haar reglement.]21
  Art. 19. [22 Wanneer het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde totale percentage voor systeem- of macroprudentiële risico's tussen 3 % en 5 % ligt en een of meer bufferpercentages voor systeem- of macroprudentiële risico's worden opgelegd aan een kredietinstelling waarvan de moederonderneming onder een andere lidstaat ressorteert, wordt bij de in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde kennisgeving een verzoek om een aanbeveling van het ESRB en de Europese Commissie gevoegd.
   In geval van een negatief advies van de Europese Commissie en van het ESRB of indien de in artikel 17, § 1, eerste lid van deze Bijlage bedoelde autoriteiten van mening verschillen, kan de Bank de zaak voorleggen aan de Europese Bankautoriteit en laatstgenoemde om een bemiddeling verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010. De beslissing van de Bank wordt opgeschort totdat de Europese Bankautoriteit een beslissing heeft genomen.]22

  Art. 20. [23 Ingeval het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde totale percentage op een percentage van meer dan 5 % wordt gebracht, kan de Bank de vaststelling van het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement slechts afronden indien de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vaststelt die de Bank de toestemming verleent om deze maatregel te nemen.]23
  Art. 21. [24 De Bank maakt het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement bekend op haar website. Deze bekendmaking bevat met name de volgende informatie:
   a) het geldende percentage en/of de geldende percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;
   b) de kredietinstellingen die zijn onderworpen aan het vereiste van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;
   c) de blootstellingen waarvoor het percentage en/of de percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's geldt of gelden;
   d) de rechtvaardiging voor dit percentage en/of deze percentages, tenzij de publicatie van deze informatie de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou kunnen brengen;
   e) de datum vanaf wanneer de kredietinstellingen het vereiste van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's moeten naleven;
   f) de derde landen waarvoor de risicoblootstellingen die zich daar bevinden in aanmerking worden genomen in de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's en/of het geheel van de lidstaten wanneer dergelijke blootstellingen zich in een lidstaat bevinden.]24

  Art. 22. § 1. Wanneer de Bank een vereiste van tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's invoert, met toepassing van artikelen 16 tot 21 van deze Bijlage, kan zij het ESRB verzoeken om, overeenkomstig artikel 16 van Verordening nr. 1092/2010, een aanbeveling te richten aan een of meer lidstaten die de buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's die betrekking hebben op in België gelegen risicoblootstellingen van de kredietinstellingen die ressorteren onder deze staten, zouden kunnen erkennen.
  [25 § 2. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank een tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem- of macroprudentiële risico's erkennen dat wordt vastgesteld door een aangewezen autoriteit van een andere lidstaat voor blootstellingen die zich op het grondgebied van deze staat bevinden. Deze erkenning verleent een verplicht karakter aan dit percentage, met het oog op het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor de kredietinstellingen die dergelijke blootstellingen hebben.
   De Bank brengt de in het eerste lid bedoelde erkenning ter kennis van het ESRB. De artikelen 18 tot en met 20 van deze Bijlage zijn van toepassing.
   § 3. Wanneer zij beslist om al dan niet een percentage van de buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's te erkennen met toepassing van paragraaf 2, neemt de Bank de informatie in overweging die de aangewezen autoriteit van de betrokken lidstaat ter kennis heeft gebracht en heeft gepubliceerd overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU.";
   2° het artikel 22 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
   " § 4. Wanneer de Bank een tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem-of macroprudentiële risico's erkent met toepassing van paragraaf 2, kan zij beslissen dat het daaruit voortvloeiende tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem-of macroprudentiële risico's wordt gecumuleerd met het overeenkomstig de artikelen 16 tot en met 21 van deze Bijlage vastgestelde vereiste, op voorwaarde dat deze vereisten betrekking hebben op verschillende risico's. Indien de risico's hetzelfde zijn, is alleen het hoogste vereiste van toepassing.]25

  

Änderungen

Art. N4. Annexe 4. - COUSSIN DE CONSERVATION DES FONDS PROPRES DE BASE DE CATEGORIE 1 ET INSTRUMENTS DE POLITIQUE MACROPRUDENTIELLE
  CHAPITRE Ier. - Coussin de conservation des fonds propres de base de catégorie 1
  Article 1er. Le coussin de conservation des fonds propres de base de catégorie 1 d'un établissement de crédit s'élève à 2,5 % du montant total de son exposition au risque, tel que calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3 du Règlement n° 575/2013.
  CHAPITRE II. - Instruments de politique macroprudentielle
  Art. 2. Aux fins du présent chapitre, on entend par autorité désignée, l'autorité habilitée, au sein d'un Etat membre ou d'un pays tiers, à fixer le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique et/ou le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour [3 établissement]3 d'importance systémique et/ou le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel et ce, que cette autorité soit ou non une autorité compétente ou une autorité en charge du contrôle des [3 établissement]3 dans un pays tiers.
  Section Ire. - Coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à un établissement de crédit
  Art. 3. Pour le calcul de l'exigence de coussin de fonds propres visée à la présente section, les expositions au risque de crédit pertinentes sont celles relevant des différentes catégories visées à l'article 112 du Règlement n° 575/2013, à l'exception de ses points a) à f), et qui sont soumises :
  1° aux exigences de fonds propres réglementaires pour le risque de crédit en vertu de la troisième Partie, Titre II, dudit Règlement;
  2° si l'exposition est détenue dans le portefeuille de négociation, aux exigences de fonds propres réglementaires pour le risque spécifique, en vertu de la troisième Partie, Titre IV, Chapitre 2, du Règlement n° 575/2013, ou pour les risques supplémentaires de défaut et de migration, en vertu de la troisième Partie, Titre IV, Chapitre 5 de ce Règlement;
  3° si l'exposition correspond à une titrisation, aux exigences de fonds propres réglementaires imposées par la troisième Partie, Titre II, Chapitre 5 du Règlement n° 575/2013.
  Le calcul de l'exigence de coussin de fonds propres visée à l'alinéa 1er dépend notamment de la localisation géographique des expositions au risque de crédit pertinentes, qui est déterminée conformément aux normes techniques adoptées par la Commission européenne en application de l'article 140, paragraphe 7 de la Directive 2013/36/UE.
  Art. 4. § 1er. Le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique d'un établissement de crédit est égal au montant total de l'exposition au risque de cet établissement, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3 du Règlement n° 575/2013, multiplié par le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à cet établissement.
  Ce taux est égal à la moyenne pondérée des taux de coussin contracyclique qui sont d'application dans les territoires où sont situées les expositions au risque de crédit pertinentes de l'établissement de crédit concerné.
  § 2. Pour le calcul de la moyenne pondérée des taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique visée au paragraphe1er, alinéa 2, les établissements de crédit multiplient chacun des taux de coussin contracyclique applicables, conformément à l'article 6 de la présente Annexe, par le montant total de leurs exigences en fonds propres réglementaires couvrant leurs expositions au risque de crédit pertinentes sur le territoire concerné, déterminé conformément à la troisième Partie, Titre II, du Règlement n° 575/2013, et divisent le résultat obtenu par le montant total de leurs exigences en fonds propres réglementaires couvrant la totalité de leurs expositions au risque de crédit pertinentes.
  Art. 5. § 1er. Pour les expositions au risque de crédit pertinentes sur des contreparties établies sur le territoire belge, le taux de coussin contracyclique visé à l'article 4, § 2 de la présente Annexe, est le taux de coussin contracyclique fixé par la Banque.
  § 2. [8 La Banque fixe ou, si nécessaire, ajuste ce taux sur base de l'évaluation trimestrielle de plusieurs indicateurs de référence traduisant l'intensité du risque systémique cyclique et les risques liés à la croissance excessive du crédit en Belgique et qui tiennent compte des spécificités de l'économie nationale.]8 Ces indicateurs sont fondés sur l'écart, au regard de sa tendance à long terme, du rapport entre le volume des crédits octroyés sur le territoire belge et le produit intérieur brut, compte tenu entre autres :
  a) de la croissance des volumes de crédits octroyés sur le territoire belge et de l'évolution du produit intérieur brut;
  b) des orientations et recommandations formulées par le CERS;
  c) de toute autre variable que la Banque estime pertinente en l'espèce pour faire face au risque systémique cyclique.
  § 3. Le taux de coussin contracyclique fixé par la Banque, exprimé en pourcentage du montant total des expositions au risque de crédit pertinentes sur le territoire belge, doit se situer dans une fourchette de 0 % à 2,5 %, calibrée par tranches de 0,25 point de pourcentage ou de multiples de 0,25 point de pourcentage. Lorsqu'elle l'estime nécessaire sur base des variables visées au paragraphe 2, la Banque peut fixer un taux de coussin contracyclique supérieur à 2,5 %.
  § 4. Pour le calcul de la moyenne pondérée visée à l'article 3, § 2 de la présente Annexe, les établissements de crédit appliquent le taux visé au paragraphe 1er à partir de la date fixée par la Banque. Sauf circonstances exceptionnelles justifiant un délai plus court, cette date intervient [8 ...]8 douze mois après la date à laquelle un relèvement du taux a été annoncé conformément au paragraphe 6.
  § 5. Lorsque la Banque réduit le taux de coussin contracyclique, les établissements peuvent appliquer le nouveau taux sans délai. La Banque annonce, à titre indicatif, une période durant laquelle aucun relèvement de ce taux n'est attendu.
  § 6. [8 La Banque rend public chaque trimestre, par voie de publication sur son site internet, le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique qu'elle fixe pour un trimestre, en indiquant notamment les informations suivantes :]8
  a) le taux applicable;
  b) le ratio "crédits octroyés par rapport au produit intérieur brut" et l'écart de ce ratio par rapport à sa tendance à long terme;
  c) la justification du taux retenu, dont les indicateurs de référence dont la Banque a tenu compte pour fixer le taux;
  d) lorsque le taux est augmenté, la date à compter de laquelle les établissements de crédit sont tenus d'appliquer ce taux pour le calcul de la moyenne pondérée des taux de coussin contracyclique visée à l'article 3, § 1er, alinéa 2 de la présente Annexe;
  e) les circonstances exceptionnelles, le cas échéant, justifiant que la date visée au point d) se situe moins de douze mois après la publication effectuée en vertu du présent paragraphe;
  f) lorsque le taux est réduit, la justification de la période indicative durant laquelle aucun relèvement n'est attendu.
  § 7. La Banque prend toute mesure raisonnable pour coordonner, avec les autorités européennes et les autorités désignées des Etats membres, les décisions portant sur la fixation du taux de coussin contracyclique visé au paragraphe 1er.
  [8 La Banque communique chaque modification du taux de coussin contracyclique, ainsi que, dans ce cas, les informations visées au paragraphe 6, au CERS.]8
  Art. 6. Les établissements de crédit calculent la moyenne pondérée des taux de coussin contracyclique visée à l'article 4, § 1er, alinéa 2 de la présente Annexe sur base des taux de coussin contracyclique publiés respectivement par la Banque conformément à l'article 5, § 6 de la présente Annexe, et par les autorités désignées des différents Etats membres ou de pays tiers sur le territoire desquels les expositions au risque de crédit pertinentes sont localisées, conformément aux articles 7 à 10 de la présente Annexe.
  Art. 7. § 1er. Un taux de coussin contracyclique établi pour les expositions au risque de crédit pertinentes sur le territoire d'un Etat membre est applicable à la date précisée par l'autorité désignée de cet Etat.
  § 2. Lorsqu'une autorité désignée d'un Etat membre fixe un taux de coussin contracyclique supérieur à 2,5 %, les établissements de crédit utilisent celui-ci pour calculer la moyenne pondérée du taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 contracyclique, à condition que ce taux supérieur à 2,5 % soit reconnu par la Banque.
  § 3. La Banque annonce la reconnaissance d'un taux supérieur à 2,5 % sur son site internet. Cette annonce contient au moins les informations suivantes :
  a) le taux reconnu et l'Etat membre concerné;
  b) la date à compter de laquelle les établissements de crédit sont tenus d'appliquer ce taux pour le calcul de la moyenne pondérée des taux de coussin contracyclique visée à l'article 4, § 1er, alinéa 2 de la présente Annexe;
  c) les circonstances exceptionnelles, le cas échéant, justifiant que la date visée au point b) échoit moins de douze mois après la date de l'annonce faite par la Banque en vertu du présent paragraphe.
  Art. 8. Lorsqu'une autorité désignée d'un Etat membre visée à l'article 5 de la présente Annexe fixe un taux de coussin contracyclique supérieur à 2,5 %, et que la Banque ne reconnait pas ce taux, les établissements de crédit utilisent un taux de 2,5 % pour calculer la moyenne pondérée du taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 contracyclique.
  Cette obligation d'utiliser un taux de 2,5 % est applicable à la date précisée par l'autorité désignée dont le taux n'a pas fait l'objet de la reconnaissance visée à l'alinéa 1er.
  Art. 9. Lorsqu'une autorité désignée d'un Etat membre réduit le taux applicable de coussin contracyclique, cette réduction est immédiatement applicable.
  Art. 10. § 1er. La décision de fixer un taux de coussin contracyclique pour un pays tiers est applicable douze mois après la date à laquelle l'autorité désignée de ce pays a annoncé qu'elle fixait le taux applicable, même si cette autorité impose aux établissements de crédit relevant du droit ce pays d'appliquer cette modification dans un délai plus court. Une modification du taux de coussin contracyclique pour un pays tiers est réputée être annoncée à la date à laquelle elle est publiée par l'autorité désignée de ce pays.
  § 2. Lorsque le taux fixé par l'autorité désignée du pays tiers est supérieur à 2,5 %, les articles 7, §§ 2 et 3, et 8 de la présente Annexe sont applicables par analogie. La Banque peut toutefois fixer un autre taux dont le pourcentage se situe au-delà de 2,5 %, tout en restant inférieur à celui publié par l'autorité désignée du pays tiers.
  § 3. Si aucun taux de coussin contracyclique n'a été publié par l'autorité désignée d'un pays tiers sur le territoire duquel sont localisées les expositions au risque de crédit pertinentes, la Banque peut fixer ce taux.
  § 4. Si elle a des motifs raisonnables d'estimer que le taux publié par l'autorité désignée d'un pays tiers ne suffit pas à protéger les établissements de crédit de manière appropriée contre les risques de croissance excessive du crédit dans ce pays, la Banque peut fixer un taux de coussin contracyclique supérieur au taux publié par l'autorité du pays tiers concerné.
  § 5. Pour l'application des paragraphes 2 à 4, la Banque tient compte des recommandations émises par le CERS.
  § 6. Lorsque la Banque se prononce sur un taux de coussin contracyclique pour un pays tiers conformément aux paragraphes 2 à 4, elle décide de la date à compter de laquelle les établissements de crédit sont tenus d'appliquer ce taux pour le calcul de la moyenne pondérée des taux de coussin contracyclique. Cette date intervient au plus tôt douze mois après la date à laquelle la Banque s'est prononcée, sauf circonstances exceptionnelles justifiant un délai plus court.
  § 7. Lorsqu'une autorité désignée d'un pays tiers réduit le taux de coussin contracyclique applicable, cette réduction est immédiatement applicable.
  § 8. La Banque publie sur son site internet, pour chacun des taux de coussin contracyclique sur lesquels elle s'est prononcée pour des pays tiers, conformément aux paragraphes 2 à 4, les informations suivantes :
  a) le taux applicable et le pays tiers concerné;
  b) si la Banque a modifié le taux initialement fixé par l'autorité désignée du pays tiers, la justification du taux ainsi modifié;
  c) la date à compter de laquelle les établissements de crédit sont tenus d'appliquer le taux concerné pour le calcul de la moyenne pondérée des taux de coussin contracyclique visée à l'article 4, § 1er, alinéa 2 de la présente Annexe;
  d) la justification de la diminution du délai d'entrée en application dudit taux, si la date visée au point c) intervient moins de douze mois après la date de l'annonce faite par la Banque en application du présent paragraphe.
  Section II. - Coussin pour [2 établissements]2 d'importance systémique
  Art. 11. [9 ...]9
  Art. 12. [5 La Banque qualifie de "EIS domestique" ou de "EISm", les établissements de crédit, les compagnies financières mères ou les compagnies financières mixtes mères de droit belge dont la défaillance aurait une incidence majeure respectivement sur la Belgique et le marché et l'économie d'un ou plusieurs Etats membres, et sur le marché financier mondial.
  [10 Un EISm peut être :
   a) un groupe ayant à sa tête un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mère belge dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE ; ou
   b) un établissement de crédit de droit belge non visé sous le a), qui n'est pas une filiale d'un, d'établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE.]10
]5

  [10 Un EIS domestique peut être :
   a) un groupe ayant à sa tête un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit mère belge, une compagnie financière mère belge ou une compagnie financière mixte mère belge ;
   b) un établissement de crédit de droit belge non visé sous le a) qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit mère belge, d'une compagnie financière mère ou d'une compagnie financière mixte mère belge.]10

  Art. 13. [11 § 1er. La Banque définit, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la méthodologie utilisée pour évaluer si un établissement visé à l'article 12 de la présente Annexe doit être qualifié de EISm, sur base des critères suivants :
   a) la taille du groupe concerné ;
   b) la corrélation entre le système financier mondial et le groupe concerné ;
   c) la faculté de substitution des services ou de l'infrastructure financière fournis par le groupe concerné ;
   d) la complexité du groupe concerné ;
   e) l'importance des activités transfrontalières du groupe concerné, en distinguant les activités transfrontières entre Etats membres et celles avec un pays tiers.
   Chaque critère reçoit une pondération égale et est évalué sur base d'indicateurs quantifiables. La méthodologie utilisée permet de produire un score global d'importance systémique pour chaque EISm et, sur cette base, d'affecter chaque EISm dans une sous-catégorie d'EISm. Les sous-catégories d'EISm et les seuils sont définis en respectant, outre la Directive 2013/36/UE, les normes techniques de l'Autorité bancaire européenne.
   La Banque établit en outre un score global supplémentaire pour chaque EISm sur la base de l'ensemble des critères visés à l'alinéa 1er tout en excluant pour le critère visé au e), les activités menées dans les Etats membres participants. Chaque critère reçoit une pondération égale et est évalué sur base d'indicateurs quantifiables. Pour les critères a) à d), le même résultat sera utilisé que dans l'évaluation visé à l'alinéa 2. Sur la base du score supplémentaire, la Banque peut prendre une des mesures visées au paragraphe 3, c).
   § 2. Le montant de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EISm dépend de la sous-catégorie à laquelle l'EISm concerné appartient. Celles-ci sont au nombre de cinq minimum. Sauf pour la cinquième sous-catégorie et pour toute sous-catégorie supérieure supplémentaire, les seuils entre les sous-catégories d'EISm sont ordonnancés selon le principe d'une augmentation linéaire de l'importance systémique entre chaque sous-catégorie, qui entraîne une augmentation linéaire de l'exigence de fonds propres de base de catégorie 1 supplémentaires. A la sous-catégorie la plus basse est assigné un pourcentage de 1 % du montant total d'exposition au risque de l'établissement concerné, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 et le pourcentage assigné à chaque sous-catégorie augmente par tranches égales s'élevant au minimum à 0,5 % du montant total d'exposition au risque de l'établissement concerné, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013.
   § 3. La Banque peut ajuster l'affectation dans une sous-catégorie d'EISm visée au paragraphe 1er si elle estime que celui-ci ne reflète pas l'importance systémique de l'entité concernée et
   a) affecter une entité dont le score global est inférieur à celui du seuil de la sous-catégorie la plus basse, à cette sous-catégorie ou à une sous-catégorie plus élevée et, par voie de conséquence, qualifier cette entité d'EISm ;
   b) réaffecter un EISm d'une sous-catégorie inférieure à une sous-catégorie supérieure ;
   c) sur la base du score global supplémentaire visé au paragraphe 1er, alinéa 3 et en tenant compte de l'état d'achèvement du Mécanisme de résolution unique, réaffecter un EISm d'une sous-catégorie supérieure à une sous-catégorie inférieure.
   § 4. Un EISm n'est tenu de satisfaire à l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EISm que sur une base consolidée.]11

  Art. 14. [12 § 1er. § 1er. La Banque désigne, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les EIS domestiques, sur base des critères suivants :
   a) leur taille, le cas échéant sur base consolidée ;
   b) leur importance pour l'économie belge ou d'un ou plusieurs Etats membres ;
   c) l'importance de leurs activités transfrontalières ;
   d) leur corrélation ou celle de leur groupe avec le système financier.
   Le règlement tient compte des lignes directrices établies par l'Autorité bancaire européenne concernant les critères visés au présent paragraphe.
   § 2. La Banque définit, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le montant du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 que chaque EIS domestique doit détenir sur base consolidée, sous-consolidée et individuelle, le cas échéant, en tenant compte des critères prévus au paragraphe 1er. Ce montant ne peut excéder 3 % du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3 du Règlement n° 575/2013.
   § 2/1. Par dérogation au paragraphe 2, le taux peut être porté à un taux supérieur à 3 % après autorisation de la Commission européenne.
   § 3. Lorsqu'elle exige un coussin pour EIS domestique conformément à la méthodologie visée au paragraphe 2, la Banque suit les principes suivants :
   a) l'exigence de coussin pour EIS domestique ne peut pas entraîner d'effets négatifs disproportionnés pour tout ou partie du système financier dans d'autres Etats membres ou dans l'Union européenne dans son ensemble, formant ou créant une entrave au fonctionnement du marché intérieur ;
   b) l'exigence de coussin pour EIS domestique est revue au moins une fois par an.
   § 4. La Banque communique au CERS la décision de fixer ou de modifier l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EIS domestique un mois avant la date à laquelle de cette exigence est obligatoire et trois mois avant la publication d'une décision prise en application du paragraphe 2/1. La communication comprend une description détaillée des éléments suivants :
   a) les raisons pour lesquelles le coussin pour EIS domestique est susceptible d'être efficace et proportionné en vue d'atténuer le risque systémique posé par ce type d'entreprise ;
   b) le taux de coussin pour EIS domestique que la Banque compte imposer ;
   c) une évaluation de l'incidence positive ou négative probable du coussin pour EIS domestique sur le marché intérieur, sur la base des informations dont dispose la Banque.
   § 5. Un EIS domestique, qui est une filiale :
   - d'un établissement d'importance systémique mondiale au sens de l'article 131 de la Directive 2013/36/UE, agréé dans un autre Etat membre ; ou
   - d'un autre établissement d'importance systémique au sens de l'article 131 de la Directive 2013/36/UE, agréé dans un autre Etat membre, qui est un établissement de crédit mère dans un Etat membre ou un groupe ayant à sa tête un établissement de crédit mère dans l'EEE, une compagnie financière mère dans l'EEE, une compagnie financière mixte mère dans l'EEE et qui est soumis sur base consolidée à un coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour les autres établissements d'importance systémique au sens de l'article 131 de la Directive 2013/36/UE,
   n'est tenu, au niveau individuel ou sous-consolidé, de respecter que l'exigence la moins élevée entre :
   a) le pourcentage résultant de la somme du taux le plus élevé entre le taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour les établissements d'importance systémique mondiale ou pour les autres établissements d'importance systémique applicable au groupe sur base consolidée, et 1 % du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ; et
   b) 3 % du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ou, le cas échéant, le pourcentage exigé suite à l'application du paragraphe 2/1 du présent article.
   § 6. Lorsque la somme de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EISm ou pour EIS domestique et de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel calculée en application de l'article 96, § 4 de la présente loi est supérieure à 5 % du montant total de l'exposition au risque de l'établissement de crédit et/ou, le cas échéant, du montant de l'exposition au risque résultant d'un ou plusieurs sous-ensembles d'expositions visées à l'article 16/1 de la présente Annexe, les procédures prévues aux paragraphes 2/1 et 4 du présent article sont applicables.]12

  Art. 15. La Banque établit la liste des EIS domestiques et la liste des EISm, cette dernière comprenant la sous-catégorie à laquelle est affecté chaque EISm. La Banque publie ces listes sur son site internet. Les listes et les changements qui y sont apportés sont adressés au CERS, à l'Autorité bancaire européenne et à la Commission européenne.
  La Banque réexamine une fois par an le recensement des EISm et des EIS domestiques ainsi que l'affectation des EISm dans les sous-catégories correspondantes. Elle en communique le résultat à l'établissement concerné, au CERS, à l'Autorité bancaire européenne et à la Commission européenne et procède à l'actualisation des listes visées à l'alinéa 1er sur son site internet.
  Section III. - Coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel
  Art. 16. [13 § 1er. La Banque peut, par un règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, requérir que les établissements de crédit disposent d'un coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour anticiper ou atténuer l'impact des risques systémiques ou macroprudentiels, qui ne sont pas couverts par le Règlement n° 575/2013 et les Sections Ire et II du présent Chapitre. Ces risques systémiques ou macroprudentiels consistent dans les risques structurels de perturbation du système financier susceptibles d'avoir de graves répercussions sur la stabilité du système financier et l'économie réelle en Belgique. Le règlement adopté par la Banque en application du présent paragraphe respecte les exigences prévues au paragraphe 2 et aux articles 16/1 à 22 de la présente Annexe.
   § 2. L'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel s'applique sur base individuelle, sous consolidée et sur base consolidée conformément au Titre II de la Première Partie du Règlement n° 575/2013, à tous les établissements de crédit ou à un ou plusieurs sous-groupes d'établissements de crédit, regroupés selon des critères d'activités ou de profils de risque similaires.]13

  [14 Art. 16/1. Lorsqu'elle adopte le règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe, la Banque peut baser l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel sur l'ensemble des expositions au risque de l'établissement de crédit et/ou sur un ou plusieurs sous-ensembles d'expositions suivants :
   a) toutes les expositions situées en Belgique ;
   b) les expositions sectorielles en Belgique qui consistent en :
   i) toutes les expositions sur la clientèle de détail portant sur des personnes physiques, qui sont garanties par un bien immobilier résidentiel ;
   ii) toutes les expositions portant sur des personnes morales, qui sont garanties par une hypothèque sur un bien immobilier commercial ;
   iii) toutes les expositions portant sur des personnes morales, à l'exclusion des expositions visées au point ii) ;
   iv) toutes les expositions portant sur des personnes physiques, à l'exclusion des expositions visées au point i) ;
   c) toutes les expositions situées dans d'autres Etats membres, sans préjudice des articles 17, § 3 et 20 de la présente Annexe ;
   d) à la seule fin de permettre la reconnaissance d'un taux de coussin fixé par un autre Etat membre conformément à l'article 22 de la présente Annexe, les expositions sectorielles visées au point b) du présent paragraphe qui sont situées dans d'autres Etats membres ;
   e) des expositions situées dans des pays tiers ; et
   f) des sous-ensembles des catégories d'expositions énumérées au point b).]14

  [15 Art. 16/2. La Banque fixe le et/ou les taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel par tranches de 0,5 point de pourcentage ou de multiples de 0,5 point de pourcentage, conformément aux articles 17 à 20 de la présente Annexe.]15
  [16 Art. 16/3. La Banque peut appliquer des taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel différenciés portant sur toutes les expositions et/ou sur un sous-ensemble d'expositions visés à l'article 16/1 de la présente Annexe pour tous les établissements de crédit ou pour un ou plusieurs sous-groupes d'établissements de crédit visés à l'article 16, § 2 de la présente Annexe.]16
  [17 Art. 16/4. Lorsqu'elle impose un coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel, la Banque respecte les principes suivants :
   a) le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ne doit pas entraîner d'effets négatifs disproportionnés pour tout ou partie du système financier d'autres Etats membres ou de l'Union européenne dans son ensemble ou constituer une entrave au bon fonctionnement du marché intérieur ;
   b) le taux du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel est revu tous les deux ans au moins.
   c) le coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ne couvre pas les risques qui sont couverts par les exigences de coussins de fonds propres de base de catégorie 1 définis aux Sections I et II du présent Chapitre.]17

  [18 Art. 16/5. Pour le calcul de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable, les établissements de crédit utilisent la formule suivante :
   CRS = Tt x Et + ∑i Ti x Ei
   dans laquelle :
   "CRS" est l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
   "Tt" est le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable au montant total de l'exposition au risque de l'établissement de crédit ;
   "Et" est le montant total de l'exposition au risque de l'établissement de crédit calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ;
   "i" est l'indice désignant le sous-ensemble d'expositions visé à l'article 16/1 de la présente Annexe ;
   "Ti" est le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable au montant de l'exposition au risque résultant du sous-ensemble d'expositions i ;
   "Ei" est le montant de l'exposition au risque de l'établissement de crédit résultant du sous- ensemble d'expositions i, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013.]18

  Art. 17. [19 § 1er. Avant de porter l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel à un taux applicable au montant total de l'exposition au risque et/ou, le cas échéant, à un ou plusieurs taux applicables à un ou plusieurs sous-ensembles d'expositions, ne donnant lieu pour aucune des expositions concernées à un taux total dépassant 3 %, la Banque notifie son projet de règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe au CERS, y compris lorsque cette exigence porte sur des expositions situées dans des pays tiers. Elle fait de même à l'égard des autorités désignées des Etats membres dont relèvent les entreprises mères des établissements de crédit auxquels s'appliquent un ou plusieurs taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel.
   La reconnaissance d'un taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel fixé par un autre Etat membre conformément à l'article 22 de la présente Annexe n'entre pas dans le calcul du seuil de 3 % visé à l'alinéa 1er.
   La notification comprend une description détaillée :
   a) du risque systémique ou macroprudentiel en Belgique visé au paragraphe 1er ;
   b) des raisons pour lesquelles l'ampleur de ce risque systémique ou macroprudentiel représente une menace pour la stabilité du système financier national ;
   c) du taux ou des taux applicables de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel que la Banque entend fixer, ainsi que les expositions auxquelles le ou les taux s'appliquent et les établissements de crédit qui y seront soumis ;
   d) des raisons pour lesquelles le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel constitue une mesure jugée efficace et proportionnée pour atténuer l'intensité du risque ;
   e) d'une évaluation de l'incidence positive ou négative du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel sur le marché intérieur, fondée sur les informations disponibles pour la Banque ;
   f) lorsque l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel s'applique à l'ensemble de l'exposition au risque de l'établissement de crédit, des raisons pour lesquelles cette exigence ne fait pas double emploi avec celle résultant de la mise en oeuvre du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EIS domestique prévu à l'article 14 de la présente Annexe.
   § 2. La Banque peut procéder à la publication visée à l'article 21 de la présente Annexe un mois après les notifications visées au paragraphe 1er.
   § 3. Lorsque l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel est fixée par la Banque sur base d'expositions au risque situées dans un autre Etat membre, cette exigence porte sur l'ensemble des expositions au risque situées dans tous les autres Etats membres, sauf si cette exigence est fixée de manière à reconnaître le taux de coussin pour le risque systémique fixé par un autre Etat membre conformément à l'article 22 de la présente Annexe.]19

  [20 Art. 17/1. L'article 17, § 1er de la présente Annexe est applicable en cas de diminution ou de maintien du taux et/ou des taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel précédemment fixés.]20
  [21 Dans le cas où le taux total visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est porté à un pourcentage se situant entre 3 % et 5 %, la Banque demande, dans la notification adressée conformément au paragraphe 1er précité, l'avis de la Commission européenne et ne peut finaliser l'adoption du règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe qu'après avoir reçu cet avis. Si elle ne se conforme pas audit avis, la Banque en explique les raisons dans son règlement.]21
  Art. 18. Dans le cas où le taux visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est porté à un pourcentage se situant entre 3 % et 5 %, la Banque ne peut finaliser l'adoption du règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe qu'après avoir reçu l'avis de la Commission européenne. Si elle ne se conforme pas à cet avis, la Banque en explique les raisons dans son règlement.
  Art. 19. [22 Lorsque le taux total visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe se situe entre 3 % et 5 % et que un ou plusieurs taux de coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel s'imposent à un établissement de crédit dont l'entreprise mère relève du droit d'un autre Etat membre, la notification visée à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est accompagnée d'une demande de recommandation du CERS et de la Commission européenne.
   En cas de recommandations négatives de la Commission européenne et du CERS ou de désaccord des autorités visées à l'article 17, § 1er, alinéa 1er de la présente Annexe, la Banque peut saisir l'Autorité bancaire européenne et solliciter de sa part une médiation conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010. La décision de la Banque est suspendue jusqu'à la décision de l'Autorité bancaire européenne.]22

  Art. 20. [23 Dans le cas où le taux total visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est porté à un pourcentage se situant au-delà de 5 %, la Banque ne peut finaliser l'adoption du règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe que si la Commission européenne adopte un acte d'exécution autorisant la Banque à prendre cette mesure.]23
  Art. 21. [24 La Banque publie sur son site internet le règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe. Cette publication contient notamment les informations suivantes :
   a) le taux et/ou les taux applicables de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
   b) les établissements de crédit soumis à l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
   c) les expositions auxquelles s'appliquent le taux et/ou les taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
   d) la justification de ce taux et/ou de ces taux, sauf si la publication de cette information est susceptible de perturber la stabilité du système financier ;
   e) la date à partir de laquelle les établissements de crédit doivent respecter l'exigence de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
   f) les pays tiers pour lesquels les expositions au risque qui y sont situées sont prises en compte dans le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel et/ou l'ensemble des Etats membres lorsque de telles expositions sont situées dans un Etat membre.]24

  Art. 22. § 1er. La Banque, lorsqu'elle introduit une exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel, en application des articles 16 à 21 de la présente Annexe, peut demander au CERS de formuler, conformément à l'article 16 du Règlement n° 1092/2010, une recommandation adressée à un ou plusieurs Etats membres susceptibles de reconnaître le coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel portant sur les expositions au risque des établissements de crédit relevant du droit de ces Etats, situées en Belgique.
  [25 § 2. Par un règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut reconnaître un taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel fixé par une autorité désignée d'un autre Etat membre pour des expositions situées sur le territoire de cet Etat. Cette reconnaissance confère un caractère obligatoire à ce taux aux fins de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable aux établissements de crédit ayant de telles expositions.
   La Banque notifie la reconnaissance visée à l'alinéa 1er au CERS. Les articles 18 à 20 de la présente Annexe sont applicables.
   § 3. Lorsqu'elle décide de reconnaître ou non un taux de coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel en application du paragraphe 2, la Banque prend en considération les informations que l'autorité désignée de l'Etat membre concerné a notifiées et publiées conformément à la Directive 2013/36/UE." ;
   2° l'article 22 est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
   " § 4. Lorsque la Banque reconnait un taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel en application du paragraphe 2, elle peut décider que l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel qui en découle s'ajoute à celle fixée conformément aux articles 16 à 21 de la présente Annexe, pour autant que ces exigences couvrent des risques différents. Lorsqu'il s'agit des mêmes risques, seule l'exigence la plus élevée s'applique.]25

  

Änderungen

Art. N5. Bijlage 5. - BEPERKINGEN OP UITKERINGEN
  Afdeling I. - Berekening van het maximaal uitkeerbare bedrag (MUB)
  Artikel 1. § 1. De instellingen berekenen hun maximaal uitkeerbaar bedrag (MUB) door vermenigvuldiging van de som die overeenkomstig paragraaf 2 wordt verkregen met de factor die wordt bepaald overeenkomstig paragraaf 3. De uitvoering van elke in artikel 101 bedoelde handeling, na deze berekening, vermindert het MUB met het overeenstemmende bedrag.
  § 2. [1 De som die vermenigvuldigd moet worden overeenkomstig paragraaf 1 bestaat uit:
   a) de tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling of terugbetaling die voortvloeit uit de in artikel 101 bedoelde handelingen;
   plus
   b) de winst op het einde an het boekjaar die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die voortvloeit uit de in artikel 101 bedoelde handelingen;
   min
   c) de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn voor de in de punten a) en b) van deze paragraaf bedoelde elementen.]1

  § 3. [1 De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:
   a) de factor is nul wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;
   b) de factor is 0,2 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het tweede kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;
   c) de factor is 0,4 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het derde kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;
   d) de factor is 0,6 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt.
   De boven- en ondergrenzen van elk kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer worden als volgt berekend:
   ondergrens van het kwartiel =
   Globaalkapitaalbuffervereiste X (Qn - 1)4
   bovengrens van het kwartiel =
   Globaalkapitaalbuffervereiste X Qn
   "Qn" is het rangnummer van het betrokken kwartiel, gaande van 1 tot 4.]1

  [2 Afdeling I/1. - Berekening van het met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag (H-MUB)]2
  [3 Art. 1/1. De MSI's berekenen hun met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag (H-MUB) door vermenigvuldiging van de som die overeenkomstig paragraaf 2 wordt verkregen met de factor die wordt bepaald overeenkomstig paragraaf 3. De uitvoering van elke in artikel 102/4 bedoelde handeling, na deze berekening, vermindert het H-MUB met het overeenstemmende bedrag.
   § 2. De som die vermenigvuldigd moet worden overeenkomstig paragraaf 1 bestaat uit:
   a) de tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling of terugbetaling die voortvloeit uit de in artikel 102/4 bedoelde handelingen;
   plus
   b) de winst op het einde van het boekjaar die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die voortvloeit uit de in artikel 102/4 bedoelde handelingen;
   min
   c) de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn voor de in de punten a) en b) van deze paragraaf bedoelde elementen.
   § 3. De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:
   a) de factor is nul wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;
   b) de factor is 0,2 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het tweede kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;
   c) de factor is 0,4 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het derde kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;
   d) de factor is 0,6 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt.
   De boven- en ondergrenzen van elk kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste worden als volgt berekend:
   ondergrens van het kwartiel =
   Hefboomratiobuffervereiste X (Qn - 1) 4
   bovengrens van het kwartiel =
   Hefboomratiobuffervereiste X Qn
   "Qn" is het rangnummer van het betrokken kwartiel, gaande van 1 tot 4.]3

  Afdeling II. [4 - Informatie die met toepassing van artikel 101, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt]4
  Art. 2. [5 De informatie die met toepassing van artikel 101, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt is de volgende:]5
  a) het bedrag van het eigen vermogen, dat als volgt wordt onderverdeeld :
  i) tier 1-kernkapitaal,
  ii) aanvullend-tier 1-kapitaal,
  iii) tier 2-kapitaal;
  b) het bedrag van de tussentijdse winst en de winst op het einde van het boekjaar;
  c) het MUB, berekend volgens de modaliteiten van artikel 1 van deze Bijlage;
  d) de uitkeringen die de kredietinstelling voornemens is te verrichten, opgesplitst volgens de volgende categorieën :
  i) uitkering van dividenden;
  ii) wederinkoop van aandelen;
  iii) betalingen die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaal;
  iv) betaling van een variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen deze die het gevolg is van het aangaan van een nieuwe betalingsverplichting en deze die het gevolg is van een betalingsverplichting die werd aangegaan op een moment dat de kredietinstelling voldeed aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
  [6 Afdeling II/1. - Informatie die met toepassing van artikel 102/4, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt]6
  [7 Art. 2/1. De informatie die met toepassing van artikel 102/4, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt is de informatie die wordt vermeld in artikel 2 van deze Bijlage, met uitzondering van punt a), iii), alsook het H-MUB, berekend volgens de modaliteiten van artikel 1/1 van deze Bijlage.]7
  Afdeling III. [8 - Elementen die begrepen zijn in de uitkeringen die betrekking hebben op een van de kapitaalbestanddelen]8
  Art. 3. [9 Voor de toepassing van Afdeling V van Hoofdstuk V van Titel II van Boek II omvatten de uitkeringen die betrekking hebben op een van de kapitaalbestanddelen:]9
  a) de uitkering van dividenden in contanten;
  b) de toewijzing of de betaling van variabele beloningen in de vorm van aandelen of van andere in artikel 26, lid 1, onder a) van Verordening nr. 573/2013 vermelde instrumenten, die volledig of gedeeltelijk volgestort zijn;
  c) de terugbetaling of de wederinkoop door een instelling van haar eigen aandelen of van andere in artikel 26, lid 1, onder a) van Verordening nr. 573/2013 vermelde instrumenten;
  d) de terugbetaling van bedragen die gestort zijn aan de houders van in artikel 26, lid 1, onder a) van Verordening nr. 573/2013 vermelde instrumenten;
  e) de uitkering van elementen als bedoeld onder b) tot e) van artikel 26, lid 1 van Verordening nr. 573/2013.
  Afdeling IV. - Inhoud van het kapitaalconserveringsplan
  Art. 4. Het kapitaalconserveringsplan bevat :
  a) een schatting van inkomsten en uitgaven en een balansprognose;
  b) maatregelen strekkende tot verhoging van de eigenvermogenscoëfficiënten (ratio's) van de instelling;
  c) een plan en een tijdschema voor de verhoging van het eigen vermogen, om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer [10 en/of, in het geval van een MSI, aan het hefboomratiobuffervereiste]10;
  d) alle andere informatie die de toezichthouder noodzakelijk acht om de door artikel 105 bepaalde beoordeling te verrichten.
  
Art. N5. Annexe 5. - DES RESTRICTIONS AUX DISTRIBUTIONS
  Section Ire. - Calcul du montant maximal distribuable (MMD)
  Article 1er. § 1er. Les établissements calculent leur montant maximal distribuable (MMD) en multipliant la somme obtenue conformément au paragraphe 2 par le facteur déterminé conformément au paragraphe 3. L'exécution de toute opération visée à l'article 101, subséquente à ce calcul, réduit le MMD du montant correspondant.
  § 2. [1 La somme à multiplier conformément au paragraphe 1er est constituée :
   a) des bénéfices intermédiaires non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement ou remboursement résultant des opérations visées à l'article 101 ;
   plus
   b) les bénéfices de fin d'exercice non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des opérations visées à l'article 101 ;
   moins
   c) les montants qui seraient à acquitter au titre de l'impôt concernant les éléments visés aux points a) et b) du présent paragraphe.]1

  § 3. [1 Le facteur visé au paragraphe 1er est déterminé comme suit :
   a) le facteur est de zéro lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3 dudit Règlement, se situe dans le premier quartile (c'est-à-dire le plus bas) de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ;
   b) le facteur est de 0,2 lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c), du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, dudit Règlement, se situe dans le deuxième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ;
   c) le facteur est de 0,4 lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c), du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, dudit Règlement, se situe dans le troisième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ;
   d) le facteur est de 0,6 lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c), du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, dudit Règlement, se situe dans le quatrième quartile (c-est-à-dire le plus haut) de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
   Les limites haute et basse de chacun des quartiles de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 sont calculées comme suit :
   limite basse du quartile =
   Exigence globale de coussin de fonds propres X (Qn - 1) 4
   limite haute du quartile =
   Exigence globale de coussin de fonds propres X Qn
   "Qn" étant le numéro d'ordre du quartile concerné, allant de 1 à 4.]1

  [2 Section I/1. - Calcul du montant maximal distribuable lié au ratio de levier (L- MMD)]2
  [3 Art. 1/1. § 1er. Les EISm calculent le montant maximal distribuable lié au ratio de levier (L- MMD) en multipliant la somme obtenue conformément au paragraphe 2 par le facteur déterminé conformément au paragraphe 3. L'exécution de toute opération visée à l'article 102/4, subséquente à ce calcul, réduit le L-MMD du montant correspondant.
   § 2. La somme à multiplier conformément au paragraphe 1er est constituée :
   a) des bénéfices intermédiaires non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement ou remboursement résultant des opérations visées à l'article 102/4 ;
   plus
   b) les bénéfices de fin d'exercice non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des opérations visées à l'article 102/4 ;
   moins
   c) les montants qui seraient à acquitter au titre de l'impôt concernant les éléments visés aux points a) et b) du présent paragraphe.
   § 3. Le facteur visé au paragraphe 1er est déterminé comme suit :
   a) le facteur est de zéro lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le premier quartile (c'est-à-dire le plus bas) de l'exigence de coussin lié au ratio de levier ;
   b) le facteur est de 0,2 lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le deuxième quartile de l'exigence de coussin lié au ratio de levier ;
   c) le facteur est de 0,4 lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le troisième quartile de l'exigence de coussin lié au ratio de levier ;
   d) le facteur est de 0,6 lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le quatrième quartile (c'est-à-dire le plus haut) de l'exigence de coussin lié au ratio de levier.
   Les limites haute et basse de chacun des quartiles de l'exigence de coussin lié au ratio de levier sont calculées comme suit :
   limite basse du quartile =
   Exigence de coussin lié au ratio de levier X (Qn-1) 4
   limite haute du quartile =
   Exigence de coussin lié au ratio de levier X Qn
   "Qn" étant le numéro d'ordre du quartile concerné, allant de 1 à 4.]3

  Section II. [4 - Informations à fournir à l'autorité de contrôle en application de l'article 101, § 3]4
  Art. 2. [5 Les informations à fournir à l'autorité de contrôle en application de l'article 101, § 3 sont les suivantes :]5
  a) le montant des fonds propres, subdivisé comme suit :
  i) fonds propres de base de catégorie 1,
  ii) fonds propres additionnels de catégorie 1,
  iii) fonds propres de catégorie 2;
  b) le montant des bénéfices intermédiaires et de fin d'exercice;
  c) le MMD, calculé selon les modalités de l'article 1er de la présente Annexe;
  d) les distributions auxquelles l'établissement de crédit entend procéder, ventilées selon les catégories suivantes :
  i) versement de dividendes;
  ii) rachat d'actions;
  iii) versements liés à des éléments constitutifs de fonds propres additionnels de catégorie 1;
  iv) versement d'une rémunération variable ou de prestations de pension discrétionnaires, en distinguant celle qui résulte de la création d'une nouvelle obligation de paiement, de celle qui résulte d'une obligation de paiement née à un moment où l'établissement de crédit satisfaisait à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
  [6 Section II/1. - Informations à fournir à l'autorité de contrôle en application à l'article 102/4, § 3]6
  [7 Art. 2/1. Les informations à fournir à l'autorité de contrôle en application de l'article 102/4, § 3 sont celles mentionnées à l'article 2 de la présente Annexe, à l'exception du point a) iii), ainsi que le L-MMD calculé selon les modalités de l'article 1er/1 de la présente Annexe.]7
  Section III. [8 - Eléments inclus dans les distributions portant sur un des éléments constitutifs de fonds propres]8
  Art. 3. [9 Aux fins de la Section V du Chapitre V du Titre II du Livre II, les distributions portant sur un des éléments constitutifs de fonds propres incluent :]9
  a) le versement de dividendes en numéraire;
  b) l'attribution ou le paiement de rémunérations variables sous forme d'actions, ou d'autres instruments mentionnés à l'article 26, paragraphe 1, point a), du Règlement 573/2013, totalement ou partiellement libérés;
  c) le remboursement ou le rachat par un établissement de ses propres actions ou d'autres instruments mentionnés à l'article 26, paragraphe 1, point a) du Règlement 573/2013;
  d) le remboursement de sommes versées aux détenteurs d'instruments mentionnés à l'article 26, paragraphe 1, point a) du Règlement 573/2013;
  e) les distributions d'éléments visés aux point b) à e) de l'article 26, paragraphe 1 du Règlement 573/2013.
  Section IV. - Contenu du plan de conservation des fonds propres
  Art. 4. Le plan de conservation des fonds propres comprend :
  a) une estimation des recettes et des dépenses et un bilan prévisionnel;
  b) des mesures visant à augmenter les coefficients (ratios) de fonds propres de l'établissement;
  c) un plan assorti d'un calendrier d'augmentation des fonds propres, en vue de satisfaire à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 [10 et/ou, s'il s'agit d'un EISm, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier]10;
  d) toute autre information que l'autorité de contrôle juge nécessaire pour effectuer l'évaluation prévue par l'article 105.
  
Art. N6. Bijlage 6. - SOLVABILITEIT OP HET NIVEAU VAN EEN FINANCIEEL CONGLOMERAAT
  Artikel 1. De gereglementeerde ondernemingen dienen op niveau van het financieel conglomeraat te beschikken over eigen vermogen dat steeds minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten berekend op groepsniveau. Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens één van de in artikel 2 van deze Bijlage bepaalde methodes, met toepassing van de in artikel 3 van deze Bijlage bepaalde beginselen.
  De toezichthouder als coördinator bepaalt de methode die wordt toegepast. Hij mag een combinatie van deze methoden toestaan. Hij pleegt over de toe te passen methode voorafgaandelijk overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het betrokken financieel conglomeraat.
  Art. 2. Berekeningsmethodes :
  § 1. Methode 1 : methode op basis van de geconsolideerde rekeningen
  Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op groepsniveau worden berekend op basis van de geconsolideerde positie van de groep, aan de hand van de geconsolideerde jaarrekeningen of tussentijdse geconsolideerde rekeningen. De geconsolideerde positie van de groep is de positie van het geconsolideerde geheel dat een consoliderende onderneming vormt met de andere in de consolidatie opgenomen ondernemingen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3, § 1 van deze Bijlage, wordt de geconsolideerde positie bepaald met overeenkomstige toepassing van de sectorale regelgeving inzake sectoraal groepstoezicht.
  De bestanddelen van het eigen vermogen op groepsniveau zijn die welke in de relevante sectorale regelgeving van de in de geconsolideerde positie opgenomen ondernemingen erkend worden als eigenvermogensbestanddeel.
  De solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is gelijk aan de som van de solvabiliteitsvereisten m.b.t. elke onderscheiden financiële sector die in de groep vertegenwoordigd is. De solvabiliteitsvereisten m.b.t. elke onderscheiden financiële sector worden berekend volgens de relevante sectorale regelgeving. Voor niet-gereglementeerde ondernemingen uit de financiële sector welke niet bij de bovengenoemde berekeningen van de sectorale solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.
  § 2. Methode 2 : methode gebaseerd op aggregatie en aftrek
  Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden berekend aan de hand van de jaarrekeningen of tussentijdse rekeningen van elk van de ondernemingen in de groep.
  Het eigen vermogen op groepsniveau is gelijk aan de som van de eigen vermogens van elke tot de financiële sector behorende gereglementeerde en niet-gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat. De bestanddelen van het groepseigen vermogen zijn die welke in de relevante sectorale regelgeving van de desbetreffende ondernemingen erkend worden als eigenvermogensbestanddeel.
  De solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is gelijk aan de som van, enerzijds, de solvabiliteitsvereisten voor elke tot de financiële sector behorende gereglementeerde en niet-gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat - berekend volgens de relevante sectorale regelgeving -, en anderzijds, de boekwaarde van alle deelnemingen in ondernemingen van de groep. Voor niet-gereglementeerde ondernemingen behorende tot de financiële sector, welke niet bij de bovengenoemde berekeningen van de sectorale solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.
  Onverminderd het bepaalde in artikel 3 § 2 van deze Bijlage inzake eigen vermogenstekorten in dochterondernemingen, wordt bij de toepassing van deze methode rekening gehouden met het evenredig deel dat de moederonderneming of de onderneming met een deelneming bezit in een andere onderneming van het financieel conglomeraat. Onder evenredig deel wordt verstaan, het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks door deze onderneming wordt gehouden.
  Art. 3. Beginselen gemeenschappelijk aan de twee methodes
  § 1. Met de solvabiliteitsvereisten voor de ondernemingen behorend tot de bank- en beleggingsdienstensector worden bedoeld, de solvabiliteitsvereisten overeenkomstig
  - Deel Drie, Titel I, Hoofdstuk 1 van Verordening nr. 575/2013;
  - artikelen 94, 96, 98, 149 en 150 van deze wet;
  - artikelen 458 en 459 van Verordening nr. 575/2013; en
  - desgevallend de reglementen vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, in uitvoering van de vorige punten.
  Met de solvabiliteitsvereisten voor de ondernemingen behorend tot de verzekeringssector worden bedoeld, de solvabiliteitsmarge opgelegd bij [1 de artikelen 151 en 358 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.]1
  § 2. Eigen vermogenstekorten in dochterondernemingen (in geval van niet-gereglementeerde ondernemingen wordt het theoretische tekort berekend aan de hand van de theoretische solvabiliteitsvereiste) worden voor het totale bedrag in aanmerking genomen.
  In afwijking hiervan kan de toezichthouder als coördinator toestaan dat het evenredig deel van het tekort in rekening wordt gebracht, indien hem op duidelijke wijze aangetoond wordt dat de verantwoordelijkheid van moederonderneming in de groep verhoudingsgewijze beperkt is tot het deel van het kapitaal dat zij in die onderneming bezitten, op grond van de verantwoordelijkheid die de overige aandeelhouders dragen in verhouding tot hun inbreng in het kapitaal en hun voldoende solvabiliteit.
  Indien tussen de ondernemingen in een financieel conglomeraat geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de toezichthouder, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, het evenredige deel dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het eigen vermogen van de groep. De toezichthouder houdt daarbij rekening met de verantwoordelijkheid en het risico waartoe de bestaande betrekkingen tussen die ondernemingen aanleiding geven.
  § 3. Bij de berekening van het eigen vermogen op het niveau van een financieel conglomeraat zal elke artificiële eigen vermogensvorming binnen een financieel conglomeraat, zoals het meer dan eenmaal in aanmerking nemen van dezelfde eigenvermogensbestanddelen (`multiple gearing') en de niet passende transformatie van de aard van werkmiddelen, worden geëlimineerd. Daartoe zullen de relevante beginselen van de sectorale regelgeving naar analogie worden toegepast.
  § 4. De solvabiliteitsvereisten van de tot een bepaalde financiële sector behorende ondernemingen in een financieel conglomeraat, dienen te worden gedekt door eigenvermogensbestanddelen als gedefinieerd in de relevante sectorale regelgeving. Aanvullende solvabiliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat moeten worden gedekt door eigenvermogensbestanddelen die in elk van de sectorale regelgevingen erkend worden ("sectoroverschrijdend eigen vermogen").
  Indien de sectorale regelgeving het in aanmerking nemen van eigen vermogensinstrumenten aan beperkingen onderwerpt, zijn deze beperkingen van overeenkomstige toepassing bij de berekening van het eigen vermogen op het niveau van het financieel conglomeraat.
  Bij het in aanmerking nemen van eigenvermogensbestanddelen op het niveau van het financieel conglomeraat houdt de toezichthouder rekening met eventuele beperkingen in de beschikbaarheid en overdraagbaarheid ervan tussen de verschillende ondernemingen in de groep, in het licht van de doeleinden van het aanvullend conglomeraatstoezicht in het algemeen en de solvabiliteitsvoorschriften in het bijzonder.
  De theoretische solvabiliteitsvereiste voor een niet-gereglementeerde onderneming uit de financiële sector is het solvabiliteitsvereiste waaraan een dergelijke onderneming krachtens de relevante sectorale regelgeving zou moeten voldoen indien het om een gereglementeerde onderneming van die specifieke financiële sector zou gaan. De solvabiliteitsvereiste van een gemengde financiële holding wordt berekend overeenkomstig de sectorale regelgeving van de belangrijkste financiële sector in de groep.
  
Art. N6. Annexe 6. - SOLVABILITE AU NIVEAU D'UN CONGLOMERAT FINANCIER
  Article 1er. Les entreprises réglementées doivent disposer, au niveau du conglomérat financier, de fonds propres au moins égaux aux exigences de solvabilité calculées au niveau du groupe. Les fonds propres et les exigences de solvabilité sont calculés selon l'une des méthodes définies au article 2 de la présente Annexe, en application des principes décrits au article 3 de la présente Annexe.
  L'autorité de contrôle en sa qualité de coordinateur définit la méthode appliquée. Elle peut autoriser une combinaison de ces méthodes. Elle se concerte préalablement avec les autres autorités compétentes concernées et avec le conglomérat financier concerné sur la méthode à appliquer.
  Art. 2. Méthodes de calcul :
  § 1er. Méthode 1 : méthode basée sur les comptes consolidés
  Les fonds propres et les exigences de solvabilité au niveau du groupe sont calculés sur la base de la situation consolidée du groupe telle qu'attestée par les comptes annuels ou intérimaires consolidés. La situation consolidée du groupe est la situation de l'ensemble consolidé que constitue une entreprise consolidante avec les autres entreprises incluses dans le périmètre de consolidation. Sans préjudice des dispositions de l'article 3, § 1er de la présente Annexe, la situation consolidée est déterminée par application analogue de la réglementation sectorielle en matière de contrôle sectoriel du groupe.
  Les éléments de fonds propres au niveau du groupe sont ceux qui sont reconnus comme éléments de fonds propres par la réglementation sectorielle pertinente des entreprises incluses dans la situation consolidée.
  L'exigence de solvabilité au niveau du groupe est égale à la somme des exigences de solvabilité relatives à chaque secteur financier distinct qui est représenté au sein du groupe. Les exigences de solvabilité relatives à chaque secteur financier distinct sont calculées selon la réglementation sectorielle pertinente. Pour les entreprises non réglementées appartenant au secteur financier qui ne sont pas incluses dans les calculs précités des exigences de solvabilité sectorielles, le calcul se fait selon une exigence de solvabilité théorique.
  § 2. Méthode 2 : méthode basée sur l'agrégation et la déduction
  Les fonds propres et les exigences de solvabilité sont calculés sur la base des comptes annuels ou intérimaires de chacune des entreprises du groupe.
  Les fonds propres au niveau du groupe sont égaux à la somme des fonds propres de chacune des entreprises réglementées ou non qui, dans le conglomérat financier, appartient au secteur financier. Les éléments de fonds propres du groupe sont ceux qui sont reconnus comme éléments de fonds propres dans la réglementation sectorielle pertinente des entreprises concernées.
  L'exigence de solvabilité au niveau du groupe est égale à la somme, d'une part, des exigences de solvabilité pour chacune des entreprises réglementées ou non, qui, dans le conglomérat financier, appartient au secteur financier - calculées selon la réglementation sectorielle pertinente - et, d'autre part, de la valeur comptable de toutes les participations dans des entreprises du groupe. Pour les entreprises non réglementées appartenant au secteur financier qui sont ne sont pas incluses dans les calculs précités des exigences de solvabilité sectorielles, le calcul se fait selon une exigence de solvabilité théorique.
  Sans préjudice des dispositions de l'article 3 § 2 de la présente Annexe en matière de déficits de fonds propres dans les filiales, il est tenu compte, dans l'application de cette méthode, de la quote-part que l'entreprise mère ou l'entreprise ayant une participation détient dans une autre entreprise du conglomérat financier. Par quote-part, il y a lieu d'entendre la partie du capital placé qui est détenue directement ou indirectement par cette entreprise.
  Art. 3. Principes communs aux deux méthodes
  § 1er. Par exigences de solvabilité pour les entreprises appartenant au secteur bancaire et au secteur des services d'investissement, il y a lieu d'entendre les exigences de solvabilité conformément :
  - à la troisième Partie, Titre I, Chapitre 1, du Règlement n° 575/2013;
  - aux articles 94, 96, 98, 149 et 150 de la présente loi;
  - aux articles 458 et 459 du Règlement n° 575/2013; et
  - le cas échéant aux règlements arrêtés en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, en exécution des points précédents.
  Par exigences de solvabilité pour les entreprises appartenant au secteur des assurances, il y a lieu d'entendre [1 les exigences de solvabilité conformément aux articles 151 et 358 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance.]1
  § 2. Les déficits de fonds propres dans des filiales (en cas d'entreprises non réglementées, le déficit théorique est calculé sur la base de l'exigence de solvabilité théorique) sont pris en considération pour le montant total.
  Par dérogation, l'autorité de contrôle en sa qualité de coordinateur peut autoriser que la quote-part du déficit soit prise en considération, s'il lui est démontré clairement que la responsabilité de l'entreprise mère dans le groupe est proportionnellement limitée à la partie du capital qu'elle détient dans cette entreprise, sur la base de la responsabilité que les autres actionnaires portent en proportion de leur apport dans le capital et sur la base de leur solvabilité suffisante.
  S'il n'existe pas de liens en capital entre les entreprises d'un conglomérat financier, l'autorité de contrôle détermine, après concertation avec les autres autorités compétentes concernées, la quote-part qui doit entrer en considération pour le calcul des fonds propres du groupe. L'autorité de contrôle tient compte à cet égard de la responsabilité et du risque auxquels les relations existantes entre ces entreprises peuvent donner lieu.
  § 3. Lors du calcul des fonds propres au niveau d'un conglomérat financier, toute création artificielle de fonds propres au sein d'un conglomérat financier, telle que la prise en considération répétée des mêmes éléments de fonds propres (multiple gearing) et la transformation non adéquate de la nature des moyens, sera éliminée. A cet effet, les principes pertinents de la réglementation sectorielle seront applicables par analogie.
  § 4. Les exigences de solvabilité des entreprises d'un conglomérat financier qui font partie d'un secteur financier déterminé doivent être couvertes par des éléments de fonds propres tels que définis par la réglementation sectorielle pertinente. Les exigences de solvabilité complémentaires au niveau du conglomérat financier doivent être couvertes par des éléments de fonds propres reconnus dans chacune des réglementations sectorielles ("fonds propres transsectoriels").
  Si la réglementation sectorielle soumet la prise en considération d'instruments de fonds propres à des limitations, celles-ci sont applicables par analogie au calcul des fonds propres au niveau du conglomérat financier.
  Lors de la prise en considération d'éléments de fonds propres au niveau du conglomérat financier, l'autorité de contrôle tient compte de limitations éventuelles à leur disponibilité et à leur cessibilité entre les différentes entreprises du groupe, à la lumière des finalités de la surveillance complémentaire du conglomérat en général et des dispositions en matière de solvabilité en particulier.
  L'exigence de solvabilité théorique pour une entreprise non réglementée du secteur financier est l'exigence de solvabilité à laquelle une telle entreprise devrait satisfaire en vertu de la réglementation sectorielle pertinente s'il s'agissait d'une entreprise réglementée de ce secteur financier spécifique. L'exigence de solvabilité d'une compagnie financière mixte est calculée conformément à la réglementation sectorielle du secteur financier le plus important du groupe.