Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
12 MEI 2014. - Wet houdende wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een effectieve invordering van onderhoudsschulden
Titre
12 MAI 2014. - Loi modifiant la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances et le Code judiciaire, en vue d'assurer le recouvrement effectif des créances alimentaires
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances
Art.2. In artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, vervangen bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "niet hoger zijn dan het bedrag vermeld in artikel 1409, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek" worden vervangen door de woorden "niet hoger zijn dan 1 800 euro (basisbedrag)";
  2° het lid wordt aangevuld met de volgende zin: "Het bedrag van de verhoging wordt verdubbeld voor elk gehandicapt kind met een recht op verhoogde kinderbijslag of voor elk kind dat een uitkering voor gehandicapte kinderen ontvangt.".
Art.2. Dans l'article 4, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, remplacé par la loi du 22 décembre 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "ne sont pas supérieures au montant visé à l'article 1409, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire" sont remplacés par les mots "ne sont pas supérieures à 1 800 euros (montant de base)";
  2° l'alinéa est complété par la phrase suivante : "Le montant de la majoration est doublé pour chaque enfant handicapé ouvrant le droit aux allocations familiales majorées ou pour chaque enfant bénéficiant d'une allocation pour enfants handicapés.".
Art.3. In artikel 5 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Het bedrag van die bijdrage wordt bepaald als volgt :
  ten laste van de onderhoudsplichtige : 13 % van het bedrag van de te innen of in te vorderen hoofsommen.".
Art.3. Dans l'article 5 de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Le montant de cette contribution est fixé comme suit :
  à charge du débiteur d'aliments : 13 % du montant des sommes à percevoir ou à recouvrer en principal.".
Art.4. In artikel 7, § 2, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "Indien de onderhoudsgerechtigde om de toekenning van voorschotten verzoekt, dan :
  1° vermeldt hij bij zijn aanvraag het bedrag van zijn maandelijkse bestaansmiddelen en voegt er de materiële bewijsstukken bij van de laatste drie maanden voorafgaand aan de aanvraag;
  2° voegt hij, in voorkomend geval, bij zijn aanvraag de materiële bewijsstukken die aantonen dat hij een kind heeft dat het recht op verhoogde kinderbijslag opent of een uitkering voor gehandicapte kinderen geniet;
  3° voegt hij bij zijn aanvraag, voor elk meerderjarig kind, een schoolattest of elk materieel bewijsstuk dat het kind zich bevindt in de beroepsinschakelingstijd.".
Art.4. Dans l'article 7, § 2, de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Si le créancier d'aliments demande l'octroi d'avances :
  1° il mentionne lors de sa demande le montant de ses revenus mensuels et y joint les éléments de preuve matériels des trois derniers mois qui précèdent la demande;
  2° il joint à sa demande, le cas échéant, les éléments de preuve matériels attestant qu'il a un enfant ouvrant le droit aux allocations familiales majorées ou bénéficiant d'une allocation pour enfants handicapés;
  3° il joint à sa demande, pour chaque enfant majeur, une attestation de scolarité ou toute preuve matérielle attestant que l'enfant est en stage d'insertion professionnelle.".
Art.5. In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Heeft de onderhoudsplichtige noch in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, dan wordt de kennisgeving gedaan aan de procureur des Konings te Brussel.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. In voorkomend geval geldt deze kennisgeving als ingebrekestelling voor de sommen die ze aanduidt en doet zij de nalatigheidsintresten lopen. De nalatigheidsinteresten zijn verschuldigd vanaf de dag volgend op de dag van de afgifte ter post van de kennisgeving. Voor het berekenen van de nalatigheidsinteresten wordt de wettelijke interestvoet in burgerlijke zaken in aanmerking genomen. Onverminderd de stuiting van de verjaring op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door deze kennisgeving. De verjaring wordt gestuit op het ogenblik van de afgifte ter post van de kennisgeving. Latere verjaringen worden gestuit bij kennisgeving aan de onderhoudsplichtige bij een aangetekende brief. Deze brief bevat de gegevens vermeld in § 1, tweede lid.".
Art.5. Dans l'article 10 de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Si le débiteur d'aliments n'a pas de domicile connu en Belgique ni à l'étranger, la notification est adressée au procureur du Roi de Bruxelles.";
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le cas échéant, cette notification vaut mise en demeure pour les sommes qu'elle désigne et fait courir les intérêts de retard, qui sont dus à compter du jour suivant celui du dépôt de la notification à la poste. Les intérêts de retard sont calculés sur la base du taux d'intérêt légal en matière civile. Sans préjudice de l'interruption de la prescription de la manière et aux conditions stipulées aux articles 2244 et suivants du Code civil, la prescription sera interrompue par cette notification. L'interruption de la prescription intervient au moment du dépôt de la notification à la poste. L'interruption des prescriptions ultérieures interviendra lors de la notification au débiteur d'aliments par lettre recommandée. Cette lettre contient les informations mentionnées au § 1er, alinéa 2.".
Art.6. In artikel 13 van dezelfde wet worden de woorden "artikel 94 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991" vervangen door de woorden "artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949".
Art.6. Dans l'article 13 de la même loi, les mots "l'article 94 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991" sont remplacés par les mots "l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949".
Art.7. In artikel 16 van dezelfde wet wordt § 2 vervangen als volgt :
  " § 2. De Dienst voor alimentatievorderingen beschikt met het oog op de inning en invordering van onderhoudsgelden over dezelfde rechten, vorderingen en waarborgen als de onderhoudsgerechtigde.".
Art.7. Dans l'article 16 de la même loi, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. En vue de la perception et du recouvrement des pensions alimentaires, le Service des créances alimentaires dispose des mêmes droits, actions et garanties que le créancier d'aliments.".
Art.8. In artikel 18 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "artikel 94 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991" worden vervangen door de woorden "artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Bovendien kan de Dienst voor alimentatievorderingen de aan de onderhoudsgerechtigde ten onrechte uitgekeerde sommen ambtshalve terugvorderen :
  - ten belope van 10 % van iedere latere betaling die aan de onderhoudsgerechtigde wordt uitbetaald;
  - ten belope van 100 % van iedere latere betaling die aan de onderhoudsgerechtigde wordt uitbetaald indien de ten onrechte uitgekeerde sommen werden verkregen ingevolge een bedrieglijke handeling of verklaring van de onderhoudsgerechtigde.".
Art.8. Dans l'article 18 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "l'article 94 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991" sont remplacés par les mots "l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "En outre, le Service des créances alimentaires peut récupérer d'office les sommes payées indûment au créancier d'aliments :
  - à concurrence de 10 % de tout paiement ultérieur qui sera effectué en faveur du créancier d'aliments;
  - à concurrence de 100 % de tout paiement ultérieur qui sera effectué en faveur du créancier d'aliments si les sommes payées indûment ont été obtenues à la suite d'une déclaration ou d'un acte frauduleux du créancier d'aliments.".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 3. - Modifications du code judiciaire
Afdeling 1. - Oprichting van een centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering
Section 1re. - Création d'un fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire
Art.9. In het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek wordt in de eerste titel een hoofdstuk Iquater ingevoegd, dat de artikelen 1394/1 tot 1394/19 bevat, luidende :
  "Hoofdstuk Iquater. - Centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering
  Art. 1394/1. Binnen de FOD Justitie wordt een register opgericht, "centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering" geheten.
  Het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering is de geïnformatiseerde gegevensbank waar alle vonnissen, arresten en akten worden gecentraliseerd waarin een regeling wordt getroffen aangaande een uitkering tot levensonderhoud toegekend op basis van de artikelen 203, § 1, 203, § 3, 205, 205bis, 206, 301, 336 en 353.14 van het Burgerlijk Wetboek.
  Dit register heeft tot doel om alle vonnissen, arresten en akten als bedoeld in het tweede lid op elektronische wijze te verzamelen met het oog op een betere invordering van achterstallige onderhoudsuitkeringen door de gerechtsdeurwaarders die optreden ten laste van een onderhoudsschuldenaar of door de Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën.
  Het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering is belast met het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter beschikking stellen van de vonnissen, arresten en akten als bedoeld in het tweede lid op elektronische wijze overeenkomstig de bepalingen van dat hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  Art. 1394/2. De natuurlijke personen die de gegevens van het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering rechtstreeks kunnen registreren, raadplegen, wijzigen, verwerken of vernietigen, worden met naam aangewezen in een geïnformatiseerd register, dat door dit centraal bestand voortdurend wordt bijgewerkt.
  Art. 1394/3. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in het centraal bestand geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.
  Art. 1394/4. Teneinde de juistheid na te gaan van de gegevens die in het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering worden ingevoerd en het voortdurend te kunnen bijwerken, hebben de aangestelden van de FOD Justitie belast met de verwerking van de gegevens toegang tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 5°, 6°, 7°, 8° en 13°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen en kunnen zij het identificatienummer van dat register gebruiken. Zij delen het nummer evenwel in geen enkele vorm aan derden mee.
  De Koning stelt de wijze vast waarop de informatiegegevens van het rijksregister aan de ambtenaren aangesteld door de FOD Justitie voor de verwerking van de gegevens worden overgezonden.
  Art. 1394/5. De registratie van vonnissen, arresten, akten en persoonsgegevens in het bestand is kosteloos.
  Art. 1394/6. Op verzoek van de minister van Justitie, de ministers tot wier bevoegdheid de economie behoort, de wetgevende Kamers, de Gemeenschaps- en Gewestparlementen en het Planbureau, alsook, na eensluidend advies van het Beheers- en toezichtscomité, van alle betrokken personen en organisaties, maakt het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering hen de anonieme gegevens over die nuttig zijn voor onderzoek in verband met de gerechtelijke organisatie, de toekenning van onderhoudsuitkeringen en de invordering van achterstallige onderhoudsuitkeringen. Gecodeerde gegevens kunnen enkel worden overgemaakt overeenkomstig de toepasselijke regels tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  Art. 1394/7. Bij de FOD Justitie wordt een Beheers- en toezichtscomité bij het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering opgericht, hierna "Beheers- en toezichtscomité" genoemd.
  Het Beheers- en toezichtscomité wordt voorgezeten door een rechter van de rechtbank van eerste aanleg of door een magistraat of een emeritus-magistraat met ten minste twee jaar effectieve ervaring inzake familierecht, aangewezen door de minister van Justitie. Het Comité is voorts samengesteld uit een jurist en een informaticus die de minister van Justitie vertegenwoordigen en door hem worden aangewezen, uit een griffier van een rechtbank van eerste aanleg aangewezen door de minister van Justitie, uit een lid van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer aangewezen door deze commissie, uit een vertegenwoordiger van de Dienst voor de alimentatievorderingen die door de minister van Financiën is aangewezen, uit een vertegenwoordiger van de Nationale Bank van België aangewezen door de gouverneur ervan, uit een advocaat aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies, uit een advocaat aangewezen door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, uit een notaris aangewezen door het college van voorzitters van de arrondissementskamers van notarissen, uit een gerechtsdeurwaarder aangewezen door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders en uit een bedrijfsrevisor aangewezen door de raad van het Instituut van de bedrijfsrevisoren.
  Het Beheers- en toezichtscomité kan slechts op geldige wijze beraadslagen wanneer ten minste de helft van de leden aanwezig is.
  De beslissingen van de Beheers- en toezichtscomité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  De leden van het Comité worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van vier jaar.
  Voor elk lid van het Comité wordt een plaatsvervanger aangewezen, op dezelfde wijze als de werkende leden.
  Indien het mandaat van een werkend lid of een plaatsvervangend lid een einde neemt vóór het verstrijken van de termijn ervan, wordt in zijn opvolging voorzien. De opvolger voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
  Het Beheers- en toezichtscomité stelt zijn huishoudelijk reglement vast, dat door de minister van Justitie wordt goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Art. 1394/8. De minister van Justitie bepaalt voor de voorzitter en de leden van het Beheers- en toezichtscomité het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de presentiegelden, de vergoedingen van de verblijfskosten, alsook de voorwaarden inzake terugbetaling van hun reiskosten. Alle kosten van het Comité vallen ten laste van de federale overheidsdienst Justitie.
  Art. 1394/9. § 1. Het Beheers- en toezichtscomité heeft de volgende opdrachten :
  1° waken over en bijdragen tot de doeltreffende en veilige werking van het centraal bestand overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk;
  2° advies uitbrengen over de uitvoeringsbesluiten bedoeld in de artikelen 1394/1 en 1394/4 en over de verzoeken bedoeld in artikel 1394/6;
  3° aan de minister van Justitie op zijn verzoek een advies uitbrengen inzake elke vraag betreffende het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering;
  4° advies verlenen, ambtshalve of na een verzoek overeenkomstig artikel 1394/12, over elke moeilijkheid of elk geschil dat kan rijzen betreffende de toepassing van dit hoofdstuk en de uitvoeringsmaatregelen ervan;
  5° het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering ermee gelasten de individuele toegangscodes tot het centraal bestand van berichten onwerkzaam te maken overeenkomstig artikel 1394/13.
  § 2. Het lid van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft dezelfde taken en bevoegdheden als de andere leden van het Beheers- en toezichtscomité, maar zorgt bovendien voor de coördinatie tussen de werkzaamheden van het Comité en die van deze commissie, in de mate dat zij met elkaar interfereren.
  Indien het lid, bedoeld in het eerste lid, met het oog op de hem opgedragen coördinatie dit nuttig acht, kan het aan het Comité vragen een advies, beslissing of aanbeveling uit te stellen en de kwestie eerst aan de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor te leggen.
  Bij een dergelijk verzoek wordt de bespreking van het dossier in het Beheers- en toezichtscomité opgeschort en het dossier onverwijld aan de commissie meegedeeld. De commissie beschikt over een termijn van dertig vrije dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het dossier om haar advies aan het Beheers- en toezichtscomité mee te delen. Indien die termijn niet wordt nageleefd, kan het Comité zijn advies of beslissing verlenen zonder het advies van de commissie af te wachten.
  Het standpunt van de commissie wordt uitdrukkelijk in het advies, de beslissing of de aanbeveling van het Beheers- en toezichtscomité opgenomen.
  Art. 1394/10. Ieder jaar brengt het Beheers- en toezichtscomité verslag uit over de vervulling van zijn opdrachten gedurende het afgelopen jaar. Dat verslag bevat suggesties met betrekking tot de wenselijkheid om wijzigingen aan te brengen in het stelsel van openbaarheid dat met het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning een onderhoudsuitkering wordt verwezenlijkt.
  Het verslag bevat eveneens een analyse van de inkomsten en de uitgaven verbonden aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering.
  Het verslag wordt medegedeeld aan de wetgevende Kamers en aan de minister van Justitie.
  Art. 1394/11. § 1. Het Beheers- en toezichtscomité kan alle inlichtingen verzamelen die nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken bedoeld in artikel 1394/9, § 1. Het kan daartoe personen horen en pertinente documenten opvragen; het heeft tevens toegang tot het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering en tot alle gegevens met betrekking tot de werking ervan. De personen die worden gehoord of die documenten dienen mee te delen zijn gemachtigd gegevens mee te delen die gedekt zijn door het beroepsgeheim.
  § 2. Indien het Beheers- en toezichtscomité dit nuttig acht voor de uitoefening van zijn taken bedoeld in artikel 1394/9, § 1, kan het de tuchtoverheid of de hiërarchische meerdere inlichten over nalatigheden en tekortkomingen vastgesteld ten laste van de personen bedoeld in artikel 1394/2. Het kan deze tevens belasten met een onderzoek terzake en met het uitbrengen van een schriftelijk verslag binnen de gevraagde termijn.
  Indien het Beheers- en toezichtscomité in het kader van de uitoefening van zijn taken kennis heeft van een schending van de artikelen 1394/14 en 1394/15 of van enig ander misdrijf, geeft het hiervan kennis aan de bevoegde procureur des Konings.
  § 3. Artikel 1394/3 is van toepassing op de leden van het Beheers- en toezichtscomité voor alle gegevens waarvan zij bij de uitoefening van hun ambt kennis hebben gekregen alsook op de personen aan wie het Comité in de uitoefening van haar taken deze gegevens meedeelt.
  Art. 1394/12. Eenieder kan zich schriftelijk tot het Beheers- en toezichtscomité wenden om het in kennis te stellen van feiten of toestanden die naar zijn oordeel het optreden van het Comité vereisen of om nuttige voorstellen te doen.
  Tenzij de persoon die zich tot het Beheers- en toezichtscomité heeft gericht er uitdrukkelijk mee instemt, mag het Comité zijn identiteit niet bekend maken en evenmin de wijze waarop het is gevat.
  Het Beheers- en toezichtscomité deelt aan de verzoeker bedoeld in het eerste lid de gegevens mee die het nuttig acht.
  Art. 1394/13. In afwachting van de resultaten van de maatregelen bedoeld in artikel 1394/11 kan het Beheers- en toezichtscomité het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering gelasten de individuele toegangscode bedoeld in artikel 1391, § 4, tot het centraal bestand voor een eenmalig verlengbare maximum termijn van één jaar, onwerkzaam te maken wanneer redelijke aanwijzingen bestaan dat de houder ervan de artikelen 1394/3 en 1394/19, § § 2 en 3, niet heeft nageleefd. Behoudens het geval van absolute noodzakelijkheid, wordt de betrokkene vooraf gehoord.
  Art. 1394/14. Worden gestraft met een geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro, de organen en aangestelden van het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering die :
  1° niet alle maatregelen hebben genomen die het mogelijk maken de veiligheid en de vertrouwelijkheid van de verwerkte persoonsgegevens te waarborgen;
  2° het individueel register bedoeld in artikel 1394/2 niet bijgewerkt hebben.
  Art. 1394/15. Worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro of met een van deze straffen alleen, de personen die :
  1° in strijd met de bepalingen van artikel 1394/19, § 2, en met uitzondering van de gevallen bepaald bij of krachtens de wet, wetens en willens hun individuele toegangscode hebben bekendgemaakt;
  2° in strijd met de bepalingen van artikel 1394/3 en met uitzondering van de gevallen bepaald bij of krachtens de wet, het vertrouwelijk karakter van de gegevens geregistreerd in het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering niet hebben bewaard;
  3° het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering hebben geraadpleegd, zonder dat zij zich bevinden in een van de gevallen bedoeld in artikel 1394/19, § 1, of die gegevens verkregen uit dat bestand gebruiken voor een ander doel dan datgene dat de toegang tot het bestand kon wettigen;
  4° hun verplichtingen overeenkomstig de bepalingen van artikel 1394/18 niet nakomen.
  Art. 1394/16. De rechter kan beslissen dat de veroordeelde persoon het recht om zijn individuele toegangscode te gebruiken voor een termijn van ten hoogste vijf jaar wordt ontzegd.
  Art. 1394/17. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, doch met uitzondering van hoofdstuk V, zijn van toepassing op de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 1394/14 en 1394/15.
  Art. 1394/18. De notarissen, door toedoen van de Koninklijke Federatie van Belgische notarissen, bezorgen binnen de dertig kalenderdagen na het verlijden van de akte als bedoel in artikel 1394/1 een voor eensluidend verklaarde kopie van deze akte aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering.
  De griffiers van de vredegerechten, de griffiers van de rechtbanken van eerste aanleg en de griffiers van de hoven van beroep, bezorgen binnen de 30 kalenderdagen na het verlijden van het vonnis of arrest als bedoeld in artikel 1394/1 een voor eensluidend verklaarde kopie van dit vonnis of arrest aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering.
  Art. 1394/19. § 1. De rechters en de griffiers kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten de vonnissen en akten bedoeld in het artikel 1394/1 raadplegen.
  De aangestelden van de Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën als bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievordering bij de FOD Financiën kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten de vonnissen, arresten en akten bedoeld in het artikel 1394/1 raadplegen.
  De gerechtsdeurwaarders als bedoeld in de artikelen 509 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten de vonnissen, arresten en akten bedoeld in het artikel 1394/1 raadplegen.
  § 2. Er wordt toegang verkregen tot de gegevens opgenomen in het bestand door middel van individuele toegangscodes. De houders van de codes mogen die niet aan derden bekendmaken en zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
  § 3. Ieder verzoek tot raadpleging van het bestand is slechts ontvankelijk indien het vermeldt :
  1° naast de toegangscode, de naam, de voornamen en het beroepsadres van de verzoeker bedoeld in paragraaf 1;
  2° in voorkomend geval, de naam, de voornamen en de woonplaats of, de naam, de rechtsvorm en de zetel van de schuldeiser;
  3° het voorwerp van het verzoek, verantwoord overeenkomstig paragraaf 1.
  § 4. Alle personen die in het bestand zijn opgenomen beschikken over een recht van toegang en een recht op verbetering van de persoonsgegevens opgenomen overeenkomstig de artikelen 10 tot 15 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zonder dat dat recht betrekking kan hebben op afbreuk de inhoud van een vonnis, arrest of akte zelf als bedoeld in artikel 1394/1.".
Art.9. Dans le Code judiciaire, cinquième partie, titre premier, il est inséré un chapitre Ierquater, contenant les articles 1394/1 à 1394/19 et rédigé comme suit :
  "Chapitre Ierquater. - Fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire
  Art. 1394/1. Il est institué auprès du SPF Justice un registre dénommé "fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire".
  Le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire est la base de données informatisée qui centralise tous les jugements, arrêts et actes portant sur les modalités d'octroi d'une pension alimentaire accordée sur la base des articles 203, § 1er, 203, § 3, 205, 205bis, 206, 301, 336 et 353.14 du Code civil.
  L'objectif de ce registre est de centraliser, de manière électronique, tous les jugements, arrêts et actes visés à l'alinéa 2, en vue d'assurer un meilleur recouvrement des arriérés de pension alimentaire par les huissiers de justice mandatés par un créancier d'aliments ou par le Service des créances alimentaires du SPF Finances, visé par la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances.
  Le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire est chargé de répertorier, conserver, gérer et mettre à disposition sous forme électronique les jugements, arrêts et actes visés à l'alinéa 2, dans le respect des dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution.
  Art. 1394/2. Les personnes physiques qui peuvent directement enregistrer, consulter, modifier, traiter ou détruire les données du fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire sont désignées nominativement dans un registre informatisé, constamment tenu à jour par ledit fichier central.
  Art. 1394/3. Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données enregistrées dans le fichier central ou a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.
  Art. 1394/4. En vue de contrôler l'exactitude des données introduites dans le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire et de le tenir constamment à jour, les préposés du SPF Justice chargés du traitement des données ont accès aux informations mentionnées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 5°, 6°, 7°, 8° et 13°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et peuvent utiliser le numéro d'identification de ce registre. Ils ne peuvent toutefois pas communiquer le numéro à des tiers, sous quelque forme que ce soit.
  Le Roi détermine les modalités de transmission des informations informatiques du registre national aux fonctionnaires désignés par le SPF Justice pour le traitement des données.
  Art. 1394/5. L'enregistrement de jugements, d'arrêts, d'actes et de données à caractère personnel dans le fichier s'opère sans frais.
  Art. 1394/6. A la demande du ministre de la Justice, des ministres ayant l'Economie dans leurs attributions, des Chambres législatives, des parlements de communauté et de région et du Bureau du plan, ainsi qu'après avis du Comité de gestion et de surveillance, de toute personne ou organisme intéressé, le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire leur communique les données anonymes utiles à la recherche relative à l'organisation judiciaire, à l'octroi de pensions alimentaires et au recouvrement d'arriérés de pension alimentaire. Des données codées ne peuvent être communiquées que conformément aux règles applicables à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
  Art. 1394/7. Il est institué auprès du SPF Justice un Comité de gestion et de surveillance du fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire, dénommé ci-après "Comité de gestion et de surveillance".
  Le Comité de gestion et de surveillance est présidé par un juge du tribunal de première instance ou par un magistrat ou un magistrat émérite qui peut justifier d'une expérience effective d'au moins deux ans en matière de droit de la famille, et qui est désigné par le ministre de la Justice. Le Comité est composé en outre d'un juriste et d'un informaticien représentant le ministre de la Justice et désignés par lui, d'un greffier d'un tribunal de première instance désigné par le ministre de la Justice, d'un membre de la Commission de la protection de la vie privée désigné par cette commission, d'un représentant du Service des créances alimentaires désigné par le ministre des Finances, d'un représentant de la Banque nationale de Belgique désigné par le gouverneur de la banque, d'un avocat désigné par de Orde van Vlaamse balies, d'un avocat désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, d'un notaire désigné par le collège des présidents des chambres arrondissementales des notaires, d'un huissier de justice désigné par la Chambre nationale des huissiers de justice et d'un réviseur d'entreprises désigné par le Conseil de l'Institut des réviseurs d'entreprises.
  Le Comité de gestion et de surveillance ne peut délibérer valablement que si la moitié au moins de ses membres sont présents.
  Les décisions du Comité de gestion et de surveillance sont prises à la majorité des voix. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
  Les membres du Comité sont nommés pour un terme renouvelable de quatre ans.
  Pour chaque membre du Comité, il est désigné un suppléant, selon les mêmes modalités que pour les membres effectifs.
  Si le mandat d'un membre effectif ou d'un membre suppléant prend fin avant terme, il est pourvu à son remplacement. Le remplaçant achève le mandat de son prédécesseur.
  Le Comité de gestion et de surveillance arrête son règlement d'ordre intérieur, lequel est approuvé par le ministre de la Justice et publié au Moniteur belge.
  Art. 1394/8. Le ministre de la Justice fixe, pour le président et les membres du Comité de gestion et de surveillance, le montant et les conditions d'octroi des jetons de présence, des indemnités pour frais de séjour ainsi que les conditions de remboursement de leurs frais de déplacement. Tous les frais du Comité sont à charge du service public fédéral Justice.
  Art. 1394/9. § 1er. Le Comité de gestion et de surveillance a pour missions :
  1° de veiller et de contribuer au fonctionnement efficace et sûr du fichier central conformément aux dispositions du présent chapitre;
  2° d'émettre un avis sur les arrêtés d'exécution visés aux articles 1394/1 et 1394/4, et sur les demandes visées à l'article 1394/6;
  3° de donner au ministre de la Justice, à sa demande, un avis au sujet de toute question relative au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire;
  4° de donner un avis, d'office ou à la suite d'une demande formulée conformément à l'article 1394/12, sur toute difficulté ou tout différend pouvant résulter de l'application du présent chapitre et de ses mesures d'exécution;
  5° d'ordonner au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire de rendre inopérants les codes individuels d'accès au fichier central, conformément à l'article 1394/13.
  § 2. Le membre de la Commission de la protection de la vie privée a les mêmes tâches et compétences que les autres membres du Comité de gestion et de surveillance, mais il veille en outre à la coordination des activités du Comité et de celles de ladite Commission dans la mesure où elles interfèrent les unes avec les autres.
  Chaque fois qu'il le juge utile pour assurer la coordination qui lui incombe, le membre visé au premier alinéa, peut demander au Comité d'ajourner un avis, une décision ou une recommandation et de soumettre préalablement la question à la Commission de la protection de la vie privée.
  Dans le cas d'une telle demande, la discussion du dossier est suspendue au sein du Comité de gestion et de surveillance et le dossier est immédiatement transmis à la Commission. A dater de la réception du dossier, la Commission dispose d'un délai de trente jours francs pour communiquer son avis au Comité de gestion et de surveillance. Si ce délai n'est pas respecté, le Comité peut émettre son avis ou sa décision sans attendre l'avis de la Commission.
  Le point de vue de la Commission est mentionné explicitement dans l'avis, la décision ou la recommandation du Comité de gestion et de surveillance.
  Art. 1394/10. Chaque année, le Comité de gestion et de surveillance fait un rapport sur l'exécution de ses missions au cours de l'année écoulée. Ce rapport contient des suggestions relatives à l'opportunité de modifier le système de publicité mis en place dans le cadre du fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.
  Le rapport comporte également une analyse des revenus et des dépenses liés au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.
  Le rapport est communiqué aux Chambres législatives et au ministre de la Justice.
  Art. 1394/11. § 1er. Le Comité de gestion et de surveillance peut recueillir tous les renseignements nécessaires à l'exécution de ses missions visées à l'article 1394/9, § 1er. A cette fin, il peut procéder à des auditions et exiger la production de documents pertinents; il a en outre accès au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire ainsi qu'à toutes les données relatives à son fonctionnement. Les personnes entendues ou tenues de produire des documents sont habilitées à communiquer des données couvertes par le secret professionnel.
  § 2. Si le Comité de gestion et de surveillance le juge utile à l'exécution de ses missions visées à l'article 1394/9, § 1er, il peut informer l'autorité disciplinaire ou le supérieur hiérarchique des négligences et manquements constatés à charge des personnes visées à l'article 1394/2. Il peut aussi charger ce dernier d'enquêter à ce sujet et de remettre un rapport écrit dans le délai imparti.
  Si, dans le cadre de l'exécution de ses missions, le Comité de gestion et de surveillance a connaissance d'une violation des articles 1394/14 et 1394/15 ou de quelque autre délit, il en informe le procureur du Roi compétent.
  § 3. L'article 1394/3 est applicable aux membres du Comité de gestion et de surveillance pour toutes les données dont ils ont eu connaissance dans l'exercice de leur fonction, ainsi qu'aux personnes auxquelles le Comité communique ces données dans le cadre de l'exercice de ses missions.
  Art. 1394/12. Toute personne peut s'adresser par écrit au Comité de gestion et de surveillance pour lui signaler des faits ou des situations qui, à son estime, nécessitent l'intervention du Comité ou lui faire des suggestions utiles.
  Sauf accord exprès de la personne qui s'est adressée à lui, le Comité ne peut révéler ni l'identité de la personne en question, ni la manière dont il a été saisi.
  Le Comité de gestion et de surveillance communique au requérant visé à l'alinéa 1er les données qu'il juge utiles.
  Art. 1394/13. Dans l'attente des résultats des mesures visées à l'article 1394/11, le Comité de gestion et de surveillance peut enjoindre au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire de rendre inopérant, pour une durée d'un an maximum, renouvelable une seule fois, le code individuel d'accès au fichier central visé à l'article 1391, § 4, lorsqu'il existe des indices raisonnables que le titulaire n'a pas respecté les articles 1394/3 et 1394/19, § § 2 et 3. Sauf en cas d'absolue nécessité, l'intéressé est préalablement entendu.
  Art. 1394/14. Sont punis d'une amende de cent euros à cinq mille euros, les organes ou préposés du fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire qui :
  1° n'ont pas pris toutes les mesures permettant de garantir la sécurité et la confidentialité des données à caractère personnel traitées;
  2° n'ont pas tenu à jour le registre individuel visé à l'article 1394/2.
  Art. 1394/15. Sont punis d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de cent euros à cinq mille euros ou d'une de ces peines seulement, les personnes qui :
  1° en infraction aux dispositions de l'article 1394/19, § 2, et hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, ont sciemment divulgué leur code d'accès individuel;
  2° en violation des dispositions de l'article 1394/3 et hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, n'ont pas respecté le caractère confidentiel des données enregistrées dans le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire;
  3° ont consulté le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire, sans se trouver dans l'un des cas visés à l'article 1394/19, § 1er, ou ont utilisé des données provenant de ce fichier à une fin autre que celle qui pouvait justifier l'accès au fichier;
  4° ne respectent pas les obligations qui leur incombent en vertu des dispositions de l'article 1394/18.
  Art. 1394/16. Le juge peut décider de déchoir la personne condamnée du droit d'utiliser son code individuel d'accès pour une durée maximale de cinq ans.
  Art. 1394/17. Toutes les dispositions du livre premier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, mais le chapitre V excepté, sont applicables aux infractions visées aux articles 1394/14 et 1394/15.
  Art. 1394/18. Dans les trente jours civils de la passation de l'acte prévu à l'article 1394/1, les notaires transmettent une copie certifiée conforme de cet acte au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire, par l'entremise de la Fédération royale des notaires belges.
  Dans les trente jours civils de la passation du jugement ou de l'arrêt prévu à l'article 1394/1, les greffiers des justices de paix, des tribunaux de première instance et des cours d'appel font parvenir une copie certifiée conforme de ce jugement ou de cet arrêt au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.
  Art. 1394/19. § 1er. Les juges et les greffiers peuvent consulter pour l'accomplissement de leurs missions légales les jugements, arrêts et actes visés à l'article 1394/1.
  Les préposés du Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, visés par la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, peuvent, dans le cadre de l'accomplissement de leurs missions légales, consulter les jugements, arrêts et actes visés à l'article 1394/1.
  Les huissiers de justice visés par les articles 509 et suivants du Code judiciaire peuvent, dans le cadre de l'accomplissement de leurs missions légales, consulter les jugements, arrêts et actes visés à l'article 1394/1.
  § 2. L'accès aux données enregistrées dans le fichier s'opère au moyen de codes d'accès individuels. Les titulaires de ces codes ne peuvent les divulguer à quiconque et sont personnellement responsables de l'usage qui en est fait.
  § 3. Toute demande de consultation du fichier n'est recevable que si elle mentionne :
  1° outre le code d'accès, les nom, prénoms et l'adresse professionnelle du requérant visé au paragraphe 1er;
  2° le cas échéant, les nom, prénoms et domicile du créancier ou sa dénomination, sa nature juridique et son siège;
  3° l'objet de la demande, justifiée conformément au paragraphe 1er.
  § 4. Toutes les personnes enregistrées dans le fichier disposent d'un droit d'accès et d'un droit de rectification des données personnelles enregistrées, conformément aux articles 10 à 15 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, sans que ce droit puisse porter sur le contenu même d'un jugement, d'un arrêt ou d'un acte au sens de l'article 1394/1.".
Afdeling 2. - Collectieve schuldenregeling
Section 2. - Règlement collectif de dettes
Art.10. In artikel 1675/13, § 3, eerste streepje, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling" opgeheven.
Art.10. Dans l'article 1675/13, § 3, premier tiret, du même Code, les mots "non échues au jour de la décision arrêtant le plan de règlement judiciaire" sont abrogés.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de hypotheekwet
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi hypothécaire
Art.11. In artikel 19 van de hypotheekwet van 16 december 1851, laatst gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) er wordt een nieuw 3° bis ingevoegd, luidende :
  "3° bis. De onderhoudsschulden zonder dat het bedrag daarvan 15 000 euro mag te boven gaan;";
  b) het huidige 3° bis wordt vernummerd tot 3° ter.
Art.11. Dans l'article 19 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  a) il est inséré un 3° bis nouveau rédigé comme suit :
  "3° bis. Les créances alimentaires, dont le montant ne peut pas dépasser 15 000 euros;";
  b) le 3° bis actuel est renuméroté en 3° ter.
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het Strafwetboek
CHAPITRE 5. - Modification du Code pénal
Art.12. Artikel 391bis van het Strafwetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "In geval van een veroordeling wegens een van de in dit artikel omschreven misdrijven, kan de rechter eveneens het verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig uitspreken overeenkomstig de artikelen 38 tot 41 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.".
Art.12. L'article 391bis du Code pénal, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "En cas de condamnation pour une des infractions prévues au présent article, le juge pourra également prononcer la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur, conformément aux articles 38 à 41 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière.".
HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 6. - Entrée en vigueur
Art. 13. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van de artikelen 3, 4 en 9.
  De artikelen 2 tot 8 zijn van toepassing op de aanvragen bedoeld in artikel 7 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën die door de Dienst van alimentatievorderingen worden ontvangen vanaf de datum van inwerkingtreding van de artikelen 3 en 4 van deze wet.
  De artikelen 3 en 4 treden in werking op de eerste januari volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
  Het artikel 9 treedt in werking op de door de Koning te bepalen datum en uiterlijk de eerste dag van de zesde maand volgend op de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
  Artikel 1394/18 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 9, is van toepassing op de akten, de vonnissen en de arresten die worden verleden of uitgesproken vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 9 van deze wet.
Art. 13. La présente loi, à l'exception des articles 3, 4 et 9, entre en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge.
  Les articles 2 à 8 s'appliquent aux demandes visées à l'article 7 de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, que le Service des créances alimentaires recevra à partir de la date d'entrée en vigueur des articles 3 et 4 de la présente loi.
  Les articles 3 et 4 entrent en vigueur le 1er janvier qui suit le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  L'article 9 entre en vigueur à la date fixée par le Roi et au plus tard le premier jour du sixième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge.
  L'article 1394/18 du Code judiciaire, tel qu'inséré par l'article 9, s'applique aux actes, jugements et arrêts passés ou prononcés à partir de la date d'entrée en vigueur de l'article 9 de la présente loi.