Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
25 APRIL 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004 houdende geldelijke en administratieve bepalingen voor de contractuele personeelsleden in het onderwijs betaald door de Vlaamse Gemeenschap
Titre
25 AVRIL 2014. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 octobre 2004 portant des dispositions pécuniaires et administratives applicables aux membres du personnel contractuels de l'enseignement payés par la Communauté flamande
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004 houdende geldelijke en administratieve bepalingen voor de contractuele personeelsleden in het onderwijs betaald door de Vlaamse Gemeenschap, worden de woorden "door de Vlaamse Gemeenschap" vervangen door de woorden "door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming".
Article 1er. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 octobre 2004 portant des dispositions pécuniaires et administratives applicables aux membres du personnel contractuels de l'enseignement payés par la Communauté flamande, les mots " par la Communauté flamande " sont remplacés par les mots " par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation ".
Art. 2. In artikel 1 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
"1° Brusselse kinderdagverblijven: de kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs die liggen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.";
2° punt 2 wordt vervangen door wat volgt:
"2° contractuele personeelsleden betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming: de personeelsleden met een contract als gesubsidieerd contractueel van de onderwijsconventie 8285 die omgeschakeld werden naar een contract van onbepaalde duur en die betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Het betreft de volgende personeelsleden:
- de contractuele personeelsleden die aangesteld zijn bij en betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;
- de overige contractuele personeelsleden die betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;";
3° er wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"6° contractuele personeelsleden aangesteld als opvoeder voor- en nabewaking: de personeelsleden die aangesteld zijn in voor- en nabewaking in Nederlandstalige basisscholen van het gemeenschapsonderwijs in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en die werken in de voor- en/of naschoolse opvang van leerlingen van die scholen.".
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
"1° Brusselse kinderdagverblijven: de kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs die liggen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.";
2° punt 2 wordt vervangen door wat volgt:
"2° contractuele personeelsleden betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming: de personeelsleden met een contract als gesubsidieerd contractueel van de onderwijsconventie 8285 die omgeschakeld werden naar een contract van onbepaalde duur en die betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Het betreft de volgende personeelsleden:
- de contractuele personeelsleden die aangesteld zijn bij en betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;
- de overige contractuele personeelsleden die betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;";
3° er wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"6° contractuele personeelsleden aangesteld als opvoeder voor- en nabewaking: de personeelsleden die aangesteld zijn in voor- en nabewaking in Nederlandstalige basisscholen van het gemeenschapsonderwijs in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en die werken in de voor- en/of naschoolse opvang van leerlingen van die scholen.".
Art. 2. A l'article 1er du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° garderies bruxelloises : les garderies de l'enseignement communautaire situées dans la Région de Bruxelles-Capitale ; "
2° le point 2 est remplacé par ce qui suit :
" 2° membres du personnel contractuels payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation : les membres du personnel engagés par contrat comme contractuel subventionné conformément à la convention enseignement 8285, dont le contrat a ensuite été transformé en un contrat à durée indéterminée et qui sont payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. Il s'agit des membres du personnel suivants :
- les membres du personnel désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation et payés par ce Ministère ;
- les autres membres du personnel contractuels payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation ; " ;
3° il est ajouté un point 6°, rédigé comme suit :
" 6° membres du personnel contractuels désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe : les membres du personnel désignés dans la surveillance avant et après les heures de classe dans les écoles fondamentales néerlandophones de l'enseignement communautaire dans la Région de Bruxelles-Capitale et qui s'occupent de l'accueil préscolaire et/ou postscolaire d'élèves de ces écoles. ".
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° garderies bruxelloises : les garderies de l'enseignement communautaire situées dans la Région de Bruxelles-Capitale ; "
2° le point 2 est remplacé par ce qui suit :
" 2° membres du personnel contractuels payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation : les membres du personnel engagés par contrat comme contractuel subventionné conformément à la convention enseignement 8285, dont le contrat a ensuite été transformé en un contrat à durée indéterminée et qui sont payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. Il s'agit des membres du personnel suivants :
- les membres du personnel désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation et payés par ce Ministère ;
- les autres membres du personnel contractuels payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation ; " ;
3° il est ajouté un point 6°, rédigé comme suit :
" 6° membres du personnel contractuels désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe : les membres du personnel désignés dans la surveillance avant et après les heures de classe dans les écoles fondamentales néerlandophones de l'enseignement communautaire dans la Région de Bruxelles-Capitale et qui s'occupent de l'accueil préscolaire et/ou postscolaire d'élèves de ces écoles. ".
Art. 3. Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden van het onderwijs, die zijn aangesteld via een arbeidsovereenkomst vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, die zijn tewerkgesteld als:
1° contractuele personeelsleden in de Brusselse kinderdagverblijven;
2° contractuele deskundigen in een lokaal overlegplatform;
3° contractuele personeelsleden die aangesteld zijn als opvoeder voor- en nabewaking;
4° contractuele personeelsleden die aangesteld zijn bij en betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;
5° de overige contractuele personeelsleden die betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.".
"Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden van het onderwijs, die zijn aangesteld via een arbeidsovereenkomst vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, die zijn tewerkgesteld als:
1° contractuele personeelsleden in de Brusselse kinderdagverblijven;
2° contractuele deskundigen in een lokaal overlegplatform;
3° contractuele personeelsleden die aangesteld zijn als opvoeder voor- en nabewaking;
4° contractuele personeelsleden die aangesteld zijn bij en betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;
5° de overige contractuele personeelsleden die betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.".
Art. 3. L'article 2 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 2. Le présent arrêté s'applique aux membres du personnel de l'enseignement occupés sous les liens d'un contrat de travail mentionné dans la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, qui sont occupés comme :
1° membres du personnel contractuels dans les garderies bruxelloises ;
2° experts contractuels dans une plate-forme locale de concertation ;
3° membres du personnel contractuels désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe ;
4° membres du personnel contractuels désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation et payés par ce Ministère ;
5° autres membres du personnel contractuels payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation ; ".
" Art. 2. Le présent arrêté s'applique aux membres du personnel de l'enseignement occupés sous les liens d'un contrat de travail mentionné dans la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, qui sont occupés comme :
1° membres du personnel contractuels dans les garderies bruxelloises ;
2° experts contractuels dans une plate-forme locale de concertation ;
3° membres du personnel contractuels désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe ;
4° membres du personnel contractuels désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation et payés par ce Ministère ;
5° autres membres du personnel contractuels payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation ; ".
Art. 4. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de woorden "en van hun uitvoeringsbesluiten" geschrapt.
Art. 4. Dans l'article 4 du même arrêté, les mots " et de leurs arrêtés d'exécution " sont supprimés.
Art. 5. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009, wordt hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 8 tot en met 12, vervangen door wat volgt:
"Hoofdstuk IV. - Specifieke bepalingen
Afdeling 1. - Contractuele personeelsleden in de Brusselse kinderdagverblijven
Art. 8. Met behoud van de diensten die definitief verworven zijn conform artikel X.28 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV, komen voor de toekenning van de periodieke salarisverhogingen voor de contractuele personeelsleden in de Brusselse kinderdagverblijven vanaf 1 januari 2003 de diensten in aanmerking die gepresteerd zijn als contractueel personeelslid in de Brusselse kinderdagverblijven.
Die diensten worden voor de inaanmerkingneming in de geldelijke anciënniteit beschouwd als werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties heeft verstrekt aan een door de Vlaamse overheid gefinancierde of gesubsidieerde school.
Afdeling 2. - Contractuele deskundigen in een lokaal overlegplatform
Art. 9. § 1. Aan het contractuele personeelslid dat is aangesteld als deskundige in een lokaal overlegplatform wordt de volgende salarisschaal toegekend:
1° salarisschaal 301 voor de houders van een bekwaamheidsbewijs van tenminste bachelor, als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
2° salarisschaal 501 voor de houders van een bekwaamheidsbewijs van tenminste master, als vermeld in het voormelde besluit.
§ 2. Het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, dat aangesteld is als deskundige van een lokaal overlegplatform en dat bovendien belast is met een coördinerende functie, heeft recht op de niet-verworven salarisschaal 899.
Het jaarbedrag van de niet-verworven salarisschaal, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld conform het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.
Zolang het personeelslid aan de voorwaarden voldoet, maakt de niet-verworven salarisschaal integraal deel uit van de salarisschaal waarop de betrokkene conform zijn contractuele aanstelling recht heeft, en vormt die schaal mee de grondslag voor de berekening van het salaris van het betrokken personeelslid. Bij de berekening van de beperking van het salaris tot de eenheid of tot het best bezoldigde ambt wordt met het bedrag van een niet-verworven salarisschaal echter geen rekening gehouden.
Voor de personeelsleden die niet aangesteld zijn in een volledige betrekking, wordt het jaarbedrag vastgesteld naar rato van de omvang van de betrekking waarin het personeelslid is aangesteld.
De niet-verworven salarisschaal volgt de evolutie van het gezondheidsindexcijfer overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk worden gekoppeld. Onder gezondheidsindex wordt verstaan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ` s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994.
Art. 10. Met behoud van artikel 4 worden voor het toekennen van de periodieke salarisverhogingen de volgende diensten in aanmerking genomen:
1° de diensten die worden erkend door de selectiecommissie, vermeld in artikel 8 en 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen;
2° de diensten die worden gepresteerd als contractueel deskundige in een lokaal overlegplatform.
Deze diensten, vermeld in het eerste lid, worden voor de inaanmerkingneming in de geldelijke anciënniteit beschouwd als werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties heeft verstrekt aan een door de Vlaamse overheid gefinancieerde of gesubsidieerde school.
Art. 11. Wat de administratieve toestand betreft, geldt de regeling vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid.
Afdeling 3. - Contractuele personeelsleden aangesteld als opvoeder voor- en nabewaking
Art. 12. Voor het toekennen van de periodieke salarisverhogingen voor de personeelsleden die zijn aangesteld als opvoeder voor- en nabewaking, worden de diensten in aanmerking genomen conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.
De diensten verstrekt door de personeelsleden die aangesteld worden als opvoeder voor- en nabewaking, worden voor de inaanmerkingneming in de geldelijke anciënniteit beschouwd als werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties heeft verstrekt aan een door de Vlaamse overheid gefinancierde of gesubsidieerde school.
Afdeling 4. - Contractuele personeelsleden die aangesteld zijn bij en betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
Art. 12/1. Voor het toekennen van de periodieke salarisverhogingen voor de contractuele personeelsleden die aangesteld zijn bij en betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, worden de diensten in aanmerking genomen conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.
De diensten verstrekt door de personeelsleden die aangesteld zijn bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, worden voor de inaanmerkingneming in de geldelijke anciënniteit beschouwd als werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties heeft verstrekt aan een door de Vlaamse overheid gefinancierde of gesubsidieerde school.
Afdeling 5. - De overige contractuele personeelsleden, betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
Art. 12/2. § 1. In afwijking van de bepalingen, vermeld in hoofdstuk III, worden voor het toekennen van de periodieke salarisverhogingen de volgende diensten in aanmerking genomen, met inbegrip van de perioden die krachtens het statuut van de personeelsleden vastbenoemd in eenzelfde ambt als uitgeoefend door de gesubsidieerde contractueel of door de contractueel betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, overeenstemmen met een toestand waarbij het vastbenoemd personeelslid zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt:
1° de diensten verstrekt als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "Derde arbeidscircuit";
2° met beperking tot zes jaar: de diensten verstrekt als tewerkgestelde werkloze;
met inbegrip van de perioden die krachtens het statuut van de personeelsleden vastbenoemd in eenzelfde ambt als uitgeoefend door de gesubsidieerde contractueel of door de contractueel ten laste van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, overeenstemmen met een toestand waarbij het vastbenoemd personeelslid zijn aanspraak op bevordering tot een hoger salaris behoudt.
§ 2. De in aanmerking komende diensten en perioden worden berekend per kalendermaand. De perioden die geen volle maand bedragen, worden niet meegeteld.
§ 3. Voormelde diensten worden in aanmerking genomen naar gelang van het geval, onder de voorwaarden voor de inaanmerkingneming van diensten bepaald in:
1° het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, met uitzondering van de diensten vermeld in artikel 17;
2° het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan, afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur;
3° het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs. Voor dit laatste personeel wordt het loon bekomen als tewerkgestelde werkloze en als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "derde arbeidscircuit", zijnde de Staatstussenkomst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, beschouwd als weddetoelage.
§ 4. Onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde beperkingen worden de diensten in aanmerking genomen verstrekt in dezelfde hoedanigheid in enige instelling niet geviseerd in voormelde koninklijke besluiten, voor zover deze diensten vallen binnen de bijzondere conventie voor de onderwijsinstellingen afgesloten tussen de gemeenschapsminister van tewerkstelling en de gemeenschapsminister van Onderwijs of binnen de onderwijsprojecten, afgesloten tussen de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, de Minister van Begroting en de Minister van Onderwijs.
§ 5. Onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde beperkingen zoals vermeld in paragraaf 2 en 3, van dit besluit, worden de diensten in aanmerking genomen die verstrekt werden als contractueel personeelslid betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.".
"Hoofdstuk IV. - Specifieke bepalingen
Afdeling 1. - Contractuele personeelsleden in de Brusselse kinderdagverblijven
Art. 8. Met behoud van de diensten die definitief verworven zijn conform artikel X.28 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV, komen voor de toekenning van de periodieke salarisverhogingen voor de contractuele personeelsleden in de Brusselse kinderdagverblijven vanaf 1 januari 2003 de diensten in aanmerking die gepresteerd zijn als contractueel personeelslid in de Brusselse kinderdagverblijven.
Die diensten worden voor de inaanmerkingneming in de geldelijke anciënniteit beschouwd als werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties heeft verstrekt aan een door de Vlaamse overheid gefinancierde of gesubsidieerde school.
Afdeling 2. - Contractuele deskundigen in een lokaal overlegplatform
Art. 9. § 1. Aan het contractuele personeelslid dat is aangesteld als deskundige in een lokaal overlegplatform wordt de volgende salarisschaal toegekend:
1° salarisschaal 301 voor de houders van een bekwaamheidsbewijs van tenminste bachelor, als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
2° salarisschaal 501 voor de houders van een bekwaamheidsbewijs van tenminste master, als vermeld in het voormelde besluit.
§ 2. Het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, dat aangesteld is als deskundige van een lokaal overlegplatform en dat bovendien belast is met een coördinerende functie, heeft recht op de niet-verworven salarisschaal 899.
Het jaarbedrag van de niet-verworven salarisschaal, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld conform het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.
Zolang het personeelslid aan de voorwaarden voldoet, maakt de niet-verworven salarisschaal integraal deel uit van de salarisschaal waarop de betrokkene conform zijn contractuele aanstelling recht heeft, en vormt die schaal mee de grondslag voor de berekening van het salaris van het betrokken personeelslid. Bij de berekening van de beperking van het salaris tot de eenheid of tot het best bezoldigde ambt wordt met het bedrag van een niet-verworven salarisschaal echter geen rekening gehouden.
Voor de personeelsleden die niet aangesteld zijn in een volledige betrekking, wordt het jaarbedrag vastgesteld naar rato van de omvang van de betrekking waarin het personeelslid is aangesteld.
De niet-verworven salarisschaal volgt de evolutie van het gezondheidsindexcijfer overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk worden gekoppeld. Onder gezondheidsindex wordt verstaan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ` s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994.
Art. 10. Met behoud van artikel 4 worden voor het toekennen van de periodieke salarisverhogingen de volgende diensten in aanmerking genomen:
1° de diensten die worden erkend door de selectiecommissie, vermeld in artikel 8 en 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen;
2° de diensten die worden gepresteerd als contractueel deskundige in een lokaal overlegplatform.
Deze diensten, vermeld in het eerste lid, worden voor de inaanmerkingneming in de geldelijke anciënniteit beschouwd als werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties heeft verstrekt aan een door de Vlaamse overheid gefinancieerde of gesubsidieerde school.
Art. 11. Wat de administratieve toestand betreft, geldt de regeling vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid.
Afdeling 3. - Contractuele personeelsleden aangesteld als opvoeder voor- en nabewaking
Art. 12. Voor het toekennen van de periodieke salarisverhogingen voor de personeelsleden die zijn aangesteld als opvoeder voor- en nabewaking, worden de diensten in aanmerking genomen conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.
De diensten verstrekt door de personeelsleden die aangesteld worden als opvoeder voor- en nabewaking, worden voor de inaanmerkingneming in de geldelijke anciënniteit beschouwd als werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties heeft verstrekt aan een door de Vlaamse overheid gefinancierde of gesubsidieerde school.
Afdeling 4. - Contractuele personeelsleden die aangesteld zijn bij en betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
Art. 12/1. Voor het toekennen van de periodieke salarisverhogingen voor de contractuele personeelsleden die aangesteld zijn bij en betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, worden de diensten in aanmerking genomen conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.
De diensten verstrekt door de personeelsleden die aangesteld zijn bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, worden voor de inaanmerkingneming in de geldelijke anciënniteit beschouwd als werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties heeft verstrekt aan een door de Vlaamse overheid gefinancierde of gesubsidieerde school.
Afdeling 5. - De overige contractuele personeelsleden, betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
Art. 12/2. § 1. In afwijking van de bepalingen, vermeld in hoofdstuk III, worden voor het toekennen van de periodieke salarisverhogingen de volgende diensten in aanmerking genomen, met inbegrip van de perioden die krachtens het statuut van de personeelsleden vastbenoemd in eenzelfde ambt als uitgeoefend door de gesubsidieerde contractueel of door de contractueel betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, overeenstemmen met een toestand waarbij het vastbenoemd personeelslid zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt:
1° de diensten verstrekt als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "Derde arbeidscircuit";
2° met beperking tot zes jaar: de diensten verstrekt als tewerkgestelde werkloze;
met inbegrip van de perioden die krachtens het statuut van de personeelsleden vastbenoemd in eenzelfde ambt als uitgeoefend door de gesubsidieerde contractueel of door de contractueel ten laste van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, overeenstemmen met een toestand waarbij het vastbenoemd personeelslid zijn aanspraak op bevordering tot een hoger salaris behoudt.
§ 2. De in aanmerking komende diensten en perioden worden berekend per kalendermaand. De perioden die geen volle maand bedragen, worden niet meegeteld.
§ 3. Voormelde diensten worden in aanmerking genomen naar gelang van het geval, onder de voorwaarden voor de inaanmerkingneming van diensten bepaald in:
1° het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, met uitzondering van de diensten vermeld in artikel 17;
2° het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan, afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur;
3° het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs. Voor dit laatste personeel wordt het loon bekomen als tewerkgestelde werkloze en als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "derde arbeidscircuit", zijnde de Staatstussenkomst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, beschouwd als weddetoelage.
§ 4. Onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde beperkingen worden de diensten in aanmerking genomen verstrekt in dezelfde hoedanigheid in enige instelling niet geviseerd in voormelde koninklijke besluiten, voor zover deze diensten vallen binnen de bijzondere conventie voor de onderwijsinstellingen afgesloten tussen de gemeenschapsminister van tewerkstelling en de gemeenschapsminister van Onderwijs of binnen de onderwijsprojecten, afgesloten tussen de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, de Minister van Begroting en de Minister van Onderwijs.
§ 5. Onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde beperkingen zoals vermeld in paragraaf 2 en 3, van dit besluit, worden de diensten in aanmerking genomen die verstrekt werden als contractueel personeelslid betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.".
Art. 5. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009, le chapitre IV, comprenant les articles 8 à 12 inclus, est remplacé par ce qui suit :
" CHAPITRE IV. - Dispositions spécifiques
Section 1re. - Membres du personnel contractuels dans les garderies bruxelloises
Art. 8. Sans préjudice des services acquis définitivement conformément à l'article X.28 du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV, sont admissibles pour l'octroi d'augmentations de traitement intercalaires aux membres du personnel contractuels dans les garderies bruxelloises à compter du 1er janvier 2003, les services qui sont accomplis comme membre du personnel contractuel dans les garderies bruxelloises.
En vue de la valorisation, ces services sont considérés pour la prise en compte dans l'ancienneté pécuniaire comme des services effectifs que le membre du personnel a fournis en tant que titulaire d'une fonction rémunérée à prestations complètes ou incomplètes dans une école financée ou subventionnée par l'Autorité flamande.
Section 2. - Experts contractuels dans une plate-forme locale de concertation
Art. 9. § 1er. Au membre du personnel contractuel désigné comme expert dans une plate-forme locale de concertation, l'échelle de traitement suivante est attribuée :
1° échelle de traitement 301 pour les porteurs du titre de bachelor au moins, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire ;
2° échelle de traitement 501 pour les porteurs du titre de master au moins, visé à l'arrêté précité.
§ 2. Le membre du personnel visé au § 1er, étant désigné comme expert d'une plate-forme locale de concertation et étant de plus chargé d'une fonction coordinatrice, a droit à l'échelle de traitement non acquise 899.
Le montant annuel de l'échelle de traitement non acquise visée au premier alinéa, est fixé conformément à l'arrêté du du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 portant les échelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement.
Aussi longtemps que le membre du personnel remplit les conditions, l'échelle de traitement non acquise fait partie intégrante de l'échelle de traitement à laquelle l'intéressé a droit conformément à sa désignation contractuelle, et cette échelle sert également de base pour le calcul du traitement du membre du personnel intéressé. Il n'est cependant pas tenu compte du montant d'une échelle de traitement non acquise lors du calcul de la limitation du traitement à l'unité ou à la fonction la mieux rémunérée.
Pour les membres du personnel qui ne sont pas désignés à un emploi à prestations complètes, le montant annuel est fixé au prorata du volume de l'emploi auquel le membre du personnel est désigné.
L'échelle de traitement non acquise suit l'évolution de l'indice de santé conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Par indice de santé, on entend l'indice des prix calculé et dénommé pour l'application de l'article 2, premier alinéa, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994.
Art. 10. Sans préjudice de l'article 4, les services suivants sont admissibles pour l'octroi des augmentations de traitement intercalaires :
1° les services reconnus par la commission de sélection, visée aux articles 8 et 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002 relatif aux plates-formes locales de concertation concernant l'égalité des chances en éducation ;
2° les services prestés comme expert contractuel dans une plate-forme locale de concertation.
Les services visés au premier alinéa sont considérés pour la prise en compte dans l'ancienneté pécuniaire comme des services effectifs que le membre du personnel a fournis en tant que titulaire d'une fonction rémunérée à prestations complètes ou incomplètes dans une école financée ou subventionnée par l'Autorité flamande.
Art. 11. A la position administrative sont applicables les dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 fixant le statut du personnel des services de l'Autorité flamande.
Section 3. - Membres du personnel contractuels désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe
Art. 12. Pour l'octroi des augmentations de traitement intercalaires aux membres du personnel désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe, les services sont pris en considération conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique.
Les services fournis par les membres du personnel désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe, sont considérés pour la prise en compte dans l'ancienneté pécuniaire comme des services effectifs que le membre du personnel a fournis en tant que titulaire d'une fonction rémunérée à prestations complètes ou incomplètes dans une école financée ou subventionnée par l'Autorité flamande.
Section 4. - Membres du personnel contractuels désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation et payés par ce Ministère
Art. 12/1. Pour l'octroi des augmentations de traitement intercalaires aux membres du personnel contractuels désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation et payés par ce Ministère, les services sont pris en considération conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 1er décembre 1970 fixant le statut pécuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat.
Les services fournis par les membres du personnel désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, sont considérés pour la prise en compte dans l'ancienneté pécuniaire comme des services effectifs que le membre du personnel a fournis en tant que titulaire d'une fonction rémunérée à prestations complètes ou incomplètes dans une école financée ou subventionnée par l'Autorité flamande.
Section 5. - Les autres membres du personnel contractuels payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation
Art. 12/2. § 1er. Par dérogation aux dispositions visées au chapitre III, les services suivants sont pris en considération pour l'octroi des augmentations de traitement intercalaires, y compris les périodes qui, en vertu du statut des membres du personnel nommés à titre définitif dans une même fonction que celle exercée par le contractuel subventionné ou le contractuel payé par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, correspondent à une position dans laquelle le membre du personnel nommé à titre définitif conserve ses titres à l'avancement de traitement :
1° les services fournis comme travailleur du " Cadre spécial temporaire " et du " Troisième circuit de travail " ;
2° avec une restriction de six ans : les services fournis comme chômeur mis au travail ;
y compris les périodes qui, en vertu du statut des membres du personnel nommés à titre définitif dans une même fonction que celle exercée par le contractuel subventionné ou le contractuel à charge du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, correspondent à une position dans laquelle le membre du personnel nommé à titre définitif conserve ses titres à l'avancement de traitement.
§ 2. Les services et les périodes admissibles sont calculés par mois calendaire. Les périodes qui ne couvrent pas un mois entier ne sont pas pris en considération.
§ 3. Les services précités sont valorisés, selon le cas, aux conditions de valorisation des services définies dans :
1° l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, à l'exception des services visés à l'article 17 ;
2° l'arrêté royal du 10 mars 1965 portant statut pécuniaire du personnel des cours à horaire réduit relevant du Ministère de l'Education nationale et de la Culture ;
3° l'arrêté royal du 1er décembre 1970 fixant le statut pécuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat. Pour ces derniers membres du personnel, le traitement reçu comme chômeur mis au travail et comme travailleur du " Cadre spécial temporaire " et du " Troisième circuit de travail ", à savoir la subvention de l'Etat de l'Office National de l'Emploi, est considéré comme subvention-traitement.
§ 4. Les mêmes conditions et les mêmes restrictions sont applicables à la valorisation des services fournis dans la même qualité dans tout établissement qui n'était pas visé aux arrêtés royaux précités, pour autant que ces services relèvent de la convention spéciale pour les établissements d'enseignement conclue entre le ministre communautaire de l'emploi et le ministre communautaire de l'enseignement, ou soient accomplis dans le cadre de projets d'enseignement conclus entre le Ministre de l'Emploi et du Travail, le Ministre du Budget et le Ministre de l'Enseignement.
§ 5. Les mêmes conditions et les mêmes restrictions visées aux paragraphes 2 et 3 du présent arrêté, sont applicables à la valorisation des services fournis comme membre du personnel contractuel payé par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. ".
" CHAPITRE IV. - Dispositions spécifiques
Section 1re. - Membres du personnel contractuels dans les garderies bruxelloises
Art. 8. Sans préjudice des services acquis définitivement conformément à l'article X.28 du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV, sont admissibles pour l'octroi d'augmentations de traitement intercalaires aux membres du personnel contractuels dans les garderies bruxelloises à compter du 1er janvier 2003, les services qui sont accomplis comme membre du personnel contractuel dans les garderies bruxelloises.
En vue de la valorisation, ces services sont considérés pour la prise en compte dans l'ancienneté pécuniaire comme des services effectifs que le membre du personnel a fournis en tant que titulaire d'une fonction rémunérée à prestations complètes ou incomplètes dans une école financée ou subventionnée par l'Autorité flamande.
Section 2. - Experts contractuels dans une plate-forme locale de concertation
Art. 9. § 1er. Au membre du personnel contractuel désigné comme expert dans une plate-forme locale de concertation, l'échelle de traitement suivante est attribuée :
1° échelle de traitement 301 pour les porteurs du titre de bachelor au moins, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire dans l'enseignement secondaire ;
2° échelle de traitement 501 pour les porteurs du titre de master au moins, visé à l'arrêté précité.
§ 2. Le membre du personnel visé au § 1er, étant désigné comme expert d'une plate-forme locale de concertation et étant de plus chargé d'une fonction coordinatrice, a droit à l'échelle de traitement non acquise 899.
Le montant annuel de l'échelle de traitement non acquise visée au premier alinéa, est fixé conformément à l'arrêté du du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 portant les échelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement.
Aussi longtemps que le membre du personnel remplit les conditions, l'échelle de traitement non acquise fait partie intégrante de l'échelle de traitement à laquelle l'intéressé a droit conformément à sa désignation contractuelle, et cette échelle sert également de base pour le calcul du traitement du membre du personnel intéressé. Il n'est cependant pas tenu compte du montant d'une échelle de traitement non acquise lors du calcul de la limitation du traitement à l'unité ou à la fonction la mieux rémunérée.
Pour les membres du personnel qui ne sont pas désignés à un emploi à prestations complètes, le montant annuel est fixé au prorata du volume de l'emploi auquel le membre du personnel est désigné.
L'échelle de traitement non acquise suit l'évolution de l'indice de santé conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Par indice de santé, on entend l'indice des prix calculé et dénommé pour l'application de l'article 2, premier alinéa, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994.
Art. 10. Sans préjudice de l'article 4, les services suivants sont admissibles pour l'octroi des augmentations de traitement intercalaires :
1° les services reconnus par la commission de sélection, visée aux articles 8 et 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002 relatif aux plates-formes locales de concertation concernant l'égalité des chances en éducation ;
2° les services prestés comme expert contractuel dans une plate-forme locale de concertation.
Les services visés au premier alinéa sont considérés pour la prise en compte dans l'ancienneté pécuniaire comme des services effectifs que le membre du personnel a fournis en tant que titulaire d'une fonction rémunérée à prestations complètes ou incomplètes dans une école financée ou subventionnée par l'Autorité flamande.
Art. 11. A la position administrative sont applicables les dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 fixant le statut du personnel des services de l'Autorité flamande.
Section 3. - Membres du personnel contractuels désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe
Art. 12. Pour l'octroi des augmentations de traitement intercalaires aux membres du personnel désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe, les services sont pris en considération conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique.
Les services fournis par les membres du personnel désignés comme éducateur chargé de la surveillance avant et après les heures de classe, sont considérés pour la prise en compte dans l'ancienneté pécuniaire comme des services effectifs que le membre du personnel a fournis en tant que titulaire d'une fonction rémunérée à prestations complètes ou incomplètes dans une école financée ou subventionnée par l'Autorité flamande.
Section 4. - Membres du personnel contractuels désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation et payés par ce Ministère
Art. 12/1. Pour l'octroi des augmentations de traitement intercalaires aux membres du personnel contractuels désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation et payés par ce Ministère, les services sont pris en considération conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 1er décembre 1970 fixant le statut pécuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat.
Les services fournis par les membres du personnel désignés auprès du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, sont considérés pour la prise en compte dans l'ancienneté pécuniaire comme des services effectifs que le membre du personnel a fournis en tant que titulaire d'une fonction rémunérée à prestations complètes ou incomplètes dans une école financée ou subventionnée par l'Autorité flamande.
Section 5. - Les autres membres du personnel contractuels payés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation
Art. 12/2. § 1er. Par dérogation aux dispositions visées au chapitre III, les services suivants sont pris en considération pour l'octroi des augmentations de traitement intercalaires, y compris les périodes qui, en vertu du statut des membres du personnel nommés à titre définitif dans une même fonction que celle exercée par le contractuel subventionné ou le contractuel payé par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, correspondent à une position dans laquelle le membre du personnel nommé à titre définitif conserve ses titres à l'avancement de traitement :
1° les services fournis comme travailleur du " Cadre spécial temporaire " et du " Troisième circuit de travail " ;
2° avec une restriction de six ans : les services fournis comme chômeur mis au travail ;
y compris les périodes qui, en vertu du statut des membres du personnel nommés à titre définitif dans une même fonction que celle exercée par le contractuel subventionné ou le contractuel à charge du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, correspondent à une position dans laquelle le membre du personnel nommé à titre définitif conserve ses titres à l'avancement de traitement.
§ 2. Les services et les périodes admissibles sont calculés par mois calendaire. Les périodes qui ne couvrent pas un mois entier ne sont pas pris en considération.
§ 3. Les services précités sont valorisés, selon le cas, aux conditions de valorisation des services définies dans :
1° l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, à l'exception des services visés à l'article 17 ;
2° l'arrêté royal du 10 mars 1965 portant statut pécuniaire du personnel des cours à horaire réduit relevant du Ministère de l'Education nationale et de la Culture ;
3° l'arrêté royal du 1er décembre 1970 fixant le statut pécuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat. Pour ces derniers membres du personnel, le traitement reçu comme chômeur mis au travail et comme travailleur du " Cadre spécial temporaire " et du " Troisième circuit de travail ", à savoir la subvention de l'Etat de l'Office National de l'Emploi, est considéré comme subvention-traitement.
§ 4. Les mêmes conditions et les mêmes restrictions sont applicables à la valorisation des services fournis dans la même qualité dans tout établissement qui n'était pas visé aux arrêtés royaux précités, pour autant que ces services relèvent de la convention spéciale pour les établissements d'enseignement conclue entre le ministre communautaire de l'emploi et le ministre communautaire de l'enseignement, ou soient accomplis dans le cadre de projets d'enseignement conclus entre le Ministre de l'Emploi et du Travail, le Ministre du Budget et le Ministre de l'Enseignement.
§ 5. Les mêmes conditions et les mêmes restrictions visées aux paragraphes 2 et 3 du présent arrêté, sont applicables à la valorisation des services fournis comme membre du personnel contractuel payé par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. ".
Art. 6. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2014.
Art. 6. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2014.
Art. 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.