Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 DECEMBER 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 houdende wijziging en samenordening van de statuten van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden
Titre
26 DECEMBRE 2013. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 24 octobre 1936 modifiant et coordonnant les statuts de la Caisse de Secours et de Prévoyance en faveur des marins
Dokumentinformationen
Numac: 2014200281
Datum: 2013-12-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014200281
Date: 2013-12-26
Moniteur: Voir
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. In artikel 47bis, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 houdende wijziging en samenordening van de statuten van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, vervangen bij het koninklijk besluit van 3 april 1962, worden de woorden "de periode van vaderschaps- en adoptieverlof," ingevoegd tussen de woorden "bij de bevalling," en de woorden "de perioden".
Article 1er. Dans l'article 47bis, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 24 octobre 1936 modifiant et coordonnant les statuts de la Caisse de Secours et de Prévoyance en faveur des marins, remplacé par l'arrêté royal du 3 avril 1962, les mots " la période de congé de paternité et de congé d'adoption " sont insérés entre les mots " repos d'accouchement, " et les mots " les périodes ".
Art. 2. In artikel 82 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 januari 1958 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 maart 1964, worden de woorden "alsmede de verzekerde die uitkeringen geniet tijdens de verloven bedoeld in de artikelen 106, § 5 en 106bis," ingevoegd tussen de woorden "te rusten," en de woorden "zonder bijdragebetaling".
Art. 2. Dans l'article 82 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 7 janvier 1958 et modifié par l'arrêté royal du 10 mars 1964, les mots " ainsi que l'assuré admis au bénéfice d'indemnités pendant les congés visés aux articles 106, § 5 et 106bis, " sont insérés entre les mots " de gestation, " et les mots " a droit ".
Art. 3. In artikel 95 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit 28 december 1971, worden de woorden "88, 93 en 106" vervangen door de woorden "88, 93, 106 en 106bis".
Art. 3. Dans l'article 95 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal 28 décembre 1971, les mots " 88, 93 et 106 " sont remplacés par les mots " 88, 93, 106 et 106bis ".
Art. 4. In artikel 106 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 december 1977, worden volgende wijzigingen aangebracht :
in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "een periode van zes weken voor en acht weken na de bevalling" vervangen door de woorden "de periode van voorbevallingsrust en nabevallingsrust";
paragraaf 1, tweede lid wordt opgeheven;
paragraaf 1 wordt aangevuld met vijf leden, luidende :
"De voorbevallingsrust neemt een aanvang, op vraag van de verzekerde, ten vroegste vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling voorzien wordt. De verzekerde geeft daartoe aan de Kas een geneeskundig getuigschrift af, waarbij wordt verklaard dat ze normaal zal bevallen op het einde van de gevraagde voorbevallingsrust. Indien de bevalling plaatsvindt na de datum die door de geneesheer is voorzien, wordt de voorbevallingsrust verlengd tot aan de werkelijke datum van de bevalling.
De nabevallingsrust strekt zich uit over een tijdvak van negen weken te rekenen vanaf de dag van de bevalling. De periode van negen weken begint te lopen de dag na de dag van de bevalling wanneer de werkneemster de arbeid nog heeft aangevat op de dag van de bevalling. Dat tijdvak kan worden verlengd met de periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken vanaf de zesde tot en met de tweede week vóór de bevalling en vanaf de achtste tot en met de tweede week ingeval van geboorte van een meerling.
In geval van geboorte van een meerling, kan op verzoek van de verzekerde de periode van nabevallingsrust van negen weken, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid, verlengd worden met een periode van maximaal twee weken.
Op verzoek van de verzekerde kan de periode van nabevallingsrust van negen weken verlengd worden met één week, wanneer de verzekerde arbeidsongeschikt is geweest gedurende de ganse periode van zes weken voorafgaand aan de werkelijke bevallingsdatum, of van acht weken wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht.
Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf de geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de verzekerde de nabevallingsrust verlengd worden met een duur gelijk aan de periode van hospitalisatie van het kind, die deze eerste zeven dagen overschrijdt. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. De verzekerde geeft daartoe bij het verstrijken van het tijdvak van nabevallingsrust aan de Kas een getuigschrift van de verplegingsinrichting die de duur van de hospitalisatie van het kind vaststelt.";
in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "prenatale periode" vervangen door de woorden "periode van voorbevallingsrust";
in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "postnatale periode" vervangen door de woorden "periode van nabevallingsrust";
paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De verzekerde bezorgt op het einde van de rustperiode binnen de twee dagen de Kas het controleblad terug waarin de datum waarop de zij de arbeid heeft hervat wordt vermeld.";
het artikel wordt aangevuld met een § 5, luidende :
" § 5. In geval van overlijden of verblijf in het ziekenhuis van de moeder kan een gedeelte van het tijdvak van nabevallingsrust worden omgezet in vaderschapsverlof voor de verzekerde die de vader van het kind is :
In geval van overlijden van de moeder, kan de vader van het kind aanspraak maken op vaderschapsverlof, waarvan de duur het deel van de nabevallingsrust bedoeld in § 1 derde, vierde en vijfde lid nog niet opgenomen door de moeder bij haar overlijden, niet mag overschrijden.
De verzekerde die aanspraak wenst te maken op vaderschapsverlof bedoeld in het vorig lid moet een aanvraag hiertoe indienen bij de Kas. Bij deze aanvraag moeten een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder en een verklaring van de verplegingsinstelling, die vermeldt dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft, gevoegd worden.
Bij ontvangst van de aanvraag stuurt de Kas de verzekerde een inlichtingsblad en een controleblad. De verzekerde stuurt het inlichtingsblad, dat hij naar behoren heeft ingevuld en ondertekend, zo snel mogelijk terug naar de Kas. De verzekerde bezorgt op het einde van de periode van vaderschapsverlof binnen de twee dagen de Kas het controleblad terug waarin de datum waarop hij de arbeid heeft hervat wordt vermeld.
De vader heeft aanspraak op een uitkering over elke werkdag van het tijdvak van vaderschapsverlof en over iedere dag van datzelfde tijdvak die gelijkgesteld wordt met een werkdag. Het bedrag van deze uitkering wordt bepaald op basis van het loon van de vader van het kind, overeenkomstig de bepalingen van § 3.
In geval van opname van de moeder in een ziekenhuis, kan de vader van het kind aanspraak maken op vaderschapsverlof dat ten vroegste een aanvang neemt vanaf de achtste dag te rekenen vanaf de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven dagen bedraagt en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft. Het vaderschapsverlof verstrijkt op het moment dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met het moederschapsverlof dat door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
De verzekerde die aanspraak wenst te maken op vaderschapsverlof bedoeld in het vorige lid moet een aanvraag hiertoe indienen bij de Kas. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinrichting gevoegd worden die de datum vermeldt waarop de opname van de moeder in het ziekenhuis is aangevangen, en die bevestigt dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer bedraagt dan zeven dagen en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
Bij ontvangst van de aanvraag stuurt de Kas de verzekerde een inlichtingsblad en een controleblad. De verzekerde stuurt het inlichtingsblad, dat hij naar behoren heeft ingevuld en ondertekend, zo snel mogelijk terug naar de Kas. De verzekerde bezorgt op het einde van de periode van vaderschapsverlof binnen twee dagen de Kas het controleblad terug waarin de datum waarop hij de arbeid heeft hervat wordt vermeld en in voorkomend geval een bewijsstuk van de verpleeginrichting waarin de datum vermeld wordt waarop de hospitalisatie van de moeder een einde heeft genomen.
De vader heeft over elke werkdag van het tijdvak van vaderschapsverlof aanspraak op een uitkering overeenkomstig artikel 88.
De moeder van het kind behoudt gedurende het vaderschapsverlof, een uitkering die berekend wordt overeenkomstig § 3.".
Art. 4. Dans l'article 106 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 14 décembre 1977, les modifications suivantes sont apportées :
dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " une période de six semaines avant et huit semaines après son accouchement " sont remplacés par les mots " la période de repos prénatal et de repos postnatal ";
le paragraphe 1er, alinéa 2 est abrogé;
le paragraphe 1er est complété par cinq alinéas rédigés comme suit :
" Le repos prénatal débute, à la demande de l'assurée, au plus tôt à partir de la sixième semaine qui précède la date présumée de l'accouchement ou de la huitième semaine, lorsqu'une naissance multiple est prévue. A cet effet, l'assurée remet à la Caisse un certificat médical attestant que l'accouchement doit normalement se produire à la fin de la période de repos prénatal sollicitée. Si l'accouchement se produit après la date prévue par le médecin, le repos prénatal est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement.
Le repos postnatal s'étend à une période de neuf semaines qui prend cours le jour de l'accouchement. La période de neuf semaines commence à courir le jour après le jour de l'accouchement lorsque la travailleuse a entamé le travail le jour de l'accouchement. Cette période peut être prolongée à concurrence de la période pendant laquelle la titulaire a continué le travail de la sixième à la deuxième semaine y incluse précédant l'accouchement et de la huitième à la deuxième semaine y incluse en cas de naissance multiple.
En cas de naissance multiple, la période de repos postnatal de neuf semaines, éventuellement prolongée conformément aux dispositions de l'alinéa précédent, peut, à la demande de l'assurée, être prolongée d'une période de deux semaines au maximum.
La période de repos postnatal de neuf semaines peut, à la demande de l'assurée, être prolongée d'une semaine lorsque l'assurée a été incapable de travailler durant toute la période de six semaines précédant la date réelle de l'accouchement, ou de huit semaines lorsqu'une naissance multiple est prévue.
Lorsque l'enfant nouveau né doit rester hospitalisé après les sept premiers jours à compter de la naissance, la période de repos postnatal peut, à la demande de l'assurée, être prolongée d'une durée égale à la période d'hospitalisation de l'enfant qui excède ces sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, l'assurée remet à la Caisse, à l'issue de la période de repos postnatal, un certificat de l'institution hospitalière attestant la durée d'hospitalisation de l'enfant. ";
dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " période prénatale " sont remplacés par les mots " période de repos prénatal ";
dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " période postnatale " sont remplacés par les mots " période de repos postnatal ";
le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" L'assurée remet au terme de la période de repos, dans les deux jours, à la Caisse la feuille de contrôle sur laquelle est mentionnée la date à laquelle elle a repris le travail. ";
l'article est complété par un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. En cas de décès ou d'hospitalisation de la mère, une partie de la période de repos postnatal peut être convertie en un congé de paternité en faveur de l'assuré qui est le père de l'enfant :
En cas de décès de la mère, le père de l'enfant peut prétendre à un congé de paternité, dont la durée ne peut dépasser la partie du repos postnatal visé au § 1er, alinéas 3, 4 et 5, non encore prise par la mère au moment de son décès.
L'assuré qui souhaite prétendre au congé de paternité visé à l'alinéa précédent doit introduire une demande à cet effet auprès de la Caisse. Cette demande doit être accompagnée d'un extrait de l'acte de décès de la mère et d'une déclaration de l'établissement de soins, dans laquelle il est mentionné que le nouveau-né a quitté l'hôpital.
Dès réception de la demande, la Caisse envoie une feuille de renseignements et une feuille de contrôle à l'assuré. L'assuré renvoie la feuille de renseignements, qu'il a dûment complétée et signée, le plus rapidement possible à la Caisse. L'assuré remet au terme de la période de congé de paternité, dans les deux jours, à la Caisse la feuille de contrôle sur laquelle est mentionnée la date à laquelle l'intéressé a repris le travail.
Le père a droit à une indemnité pour chaque jour ouvrable de la période du congé de paternité et pour chaque jour de cette même période qui est assimilé à un jour ouvrable. Le montant de cette indemnité est fixé sur la base de la rémunération du père de l'enfant, conformément aux dispositions du § 3.
En cas d'hospitalisation de la mère, le père de l'enfant peut prétendre à un congé de paternité qui débute au plus tôt le huitième jour à compter de la naissance de l'enfant, à condition que l'hospitalisation de la mère dure plus de sept jours et que le nouveau-né ait quitté l'hôpital. Le congé de paternité prend fin au moment où l'hospitalisation de la mère se termine et au plus tard au terme de la période correspondant au congé de maternité que la mère n'avait pas encore pris au moment de son hospitalisation.
L'assuré qui souhaite prétendre au congé de paternité visé à l'alinéa précédent doit introduire une demande à cet effet auprès de la Caisse. Cette demande doit être accompagnée d'une déclaration de l'établissement de soins, dans laquelle la date du début de l'hospitalisation de la mère est indiquée et dans laquelle il est confirmé que l'hospitalisation de la mère dure plus de sept jours et que le nouveau-né a quitté l'hôpital.
Dès réception de la demande, la Caisse envoie une feuille de renseignements et une feuille de contrôle à l'assuré. L'assuré renvoie la feuille de renseignements, qu'il a dûment complétée et signée, le plus rapidement possible à la Caisse. L'assuré remet au terme de la période de congé de paternité, dans les deux jours, à la Caisse la feuille de contrôle sur laquelle est mentionnée la date à laquelle l'intéressé a repris le travail, et, le cas échéant, une pièce justificative de l'établissement de soins dans laquelle est mentionné la date à laquelle l'hospitalisation de la mère a pris fin.
Le père a droit, pour chaque jour ouvrable de la période du congé de paternité, à une indemnité conformément à l'article 88.
La mère de l'enfant conserve pendant le congé de paternité une indemnité calculée conformément au § 3.".
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een artikel 106bis ingevoegd, luidende :
"Art. 106bis. De Kas betaalt aan de verzekerde in vaderschapsverlof, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 109bis, of in adoptieverlof, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 109ter een uitkering ten bedrage van 82 % van de door de Minister, in uitvoering van artikel 88 vastgestelde eenvormige dagbezoldigingen.".
Art. 5. Dans le même arrêté, il est inséré un article 106bis rédigé comme suit :
" Art. 106bis. La Caisse paie à l'assuré en congé de paternité, dans les conditions prévues à l'article 109bis, ou à l'assuré en congé d'adoption, dans les conditions prévues à l'article 109ter, une indemnité se montant à 82 % des rémunérations journalières uniformes fixées par le Ministre en exécution de l'article 88. ".
Art. 6. In hetzelfde besluit wordt een artikel 109bis ingevoegd, luidende :
"Art. 109bis. § 1. De verzekerde bedoeld in artikel 110, § 1, a), heeft voor de werkdagen tijdens het vaderschapsverlof bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst die in dat verband op hem van toepassing is, of wat de shoregangers betreft in artikel 30, § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, recht op een uitkering vanaf de 4de dag tot en met de 10de dag van het verlof.
§ 2. De verzekerde die aanspraak wenst te maken op de uitkering voor het vaderschapsverlof bedoeld in § 1, moet hiertoe via de werkgever een aanvraag indienen bij de Kas. Bij die aanvraag moet een uittreksel van de geboorteakte van het kind worden gevoegd.
§ 3. Bij ontvangst van de aanvraag stuurt de Kas de verzekerde een inlichtingsblad en een controleblad. De gerechtigde maakt het inlichtingsblad en het controleblad, dat hij naar behoren heeft ingevuld en ondertekend, op het einde van het vaderschapsverlof over aan de Kas.
§ 4. Voor de dagen van het vaderschapsverlof die samenvallen met dagen inhaalrust of vakantiedagen is de uitkering verschuldigd, mits de verzekerde die dagen inhaalrust of vakantie uitstelt.".
Art. 6. Dans le même arrêté, il est inséré un article 109bis rédigé comme suit :
" Art. 109bis. § 1er. L'assuré visé à l'article 110, § 1er, a), a droit pour les jours ouvrables durant le congé de paternité visé dans la convention collective de travail qui lui est applicable en la matière, ou, en ce qui concerne les shoregangers à l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, à une indemnité à partir du 4e jour jusqu'au 10e jour du congé inclus.
§ 2. L'assuré qui souhaite bénéficier de l'indemnité pour le congé de paternité visé au § 1er, est tenu d'introduire une demande à cet effet, auprès de la Caisse par l'intermédiaire de l'employeur. Cette demande doit être accompagnée d'un extrait de l'acte de naissance de l'enfant.
§ 3. Dès réception de la demande, la Caisse envoie une feuille de renseignements et une feuille de contrôle à l'assuré. Le bénéficiaire renvoie la feuille de renseignements, qu'il a dûment complétée et signée, à la Caisse au terme du congé de paternité.
§ 4. Pour les jours du congé de paternité qui coïncident avec des jours de repos compensatoire ou avec des jours de vacances, l'indemnité est due, à condition que l'assuré reporte ces jours de repos compensatoire ou de vacances. ".
Art. 7. In hetzelfde besluit wordt een artikel 109ter ingevoegd, luidende :
"Art. 109ter. § 1. De verzekerde bedoeld in artikel 110, § 1, a), heeft voor de werkdagen tijdens het adoptieverlof bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst die in dat verband op hem van toepassing is, of wat de shoregangers betreft in artikel 30, § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, recht op een uitkering vanaf de 4de dag van het verlof tot en met maximum de 6de week van het verlof, indien het kind de leeftijd van 3 jaar niet bereikt heeft, en tot en met maximum de 4de week van het verlof, indien het kind de leeftijd van 3 jaar bereikt heeft. De maximumduur wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct of een aandoening die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
§ 2. De verzekerde die aanspraak wenst te maken op de uitkering voor het adoptieverlof bedoeld in § 1, moet hiertoe via de werkgever een aanvraag indienen bij de Kas. Opdat die aanvraag in aanmerking kan worden genomen, moet het kind deel uitmaken van het gezin van de verzekerde. Dit bewijs volgt uit de informatie, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, of bij gebrek daaraan, uit een document dat de inschrijving van het kind aantoont in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de verzekerde zijn verblijfplaats heeft, als deel uitmakend van zijn gezin.
§ 3. Bij ontvangst van de aanvraag stuurt de Kas de verzekerde een inlichtingsblad en een controleblad. De verzekerde stuurt het inlichtingsblad, dat hij naar behoren heeft ingevuld en ondertekend, zo snel mogelijk terug naar de Kas. De verzekerde bezorgt de Kas binnen de twee dagen volgend op het einde van het adoptieverlof het controleblad dat is ingevuld, gedateerd en ondertekend door de reder en waarin de datum is vermeld waarop de betrokkene de arbeid heeft hervat.
§ 4. Voor de dagen van het adoptieverlof die samenvallen met dagen inhaalrust of vakantiedagen is de uitkering verschuldigd, mits de verzekerde die dagen inhaalrust of vakantie uitstelt.".
Art. 7. Dans le même arrêté, il est inséré un article 109ter rédigé comme suit :
" Art. 109ter. § 1er. L'assuré visé à l'article 110, § 1er, a), a droit pour les jours ouvrables durant le congé d'adoption visé dans la convention collective de travail qui lui est applicable en la matière ou, en ce qui concerne les shoregangers, à l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail à une indemnité à partir du 4e jour du congé jusqu'au maximum la 6e semaine du congé incluse, si l'enfant n'a pas atteint l'âge de 3 ans, et jusqu'au maximum la 4e semaine du congé incluse, si l'enfant a atteint l'âge de 3 ans. La durée maximale est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
§ 2. L'assuré qui souhaite bénéficier de l'indemnité pour le congé d'adoption visé au § 1er, est tenu d'introduire une demande à cet effet, auprès de la Caisse par l'intermédiaire de l'employeur. Pour que cette demande puisse être prise en considération, l'enfant doit faire partie du ménage de l'assuré. Cette preuve résulte de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques ou à défaut, d'un document prouvant l'inscription de l'enfant dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de la commune de résidence de l'assuré comme faisant partie de son ménage.
§ 3. Dès réception de la demande, la Caisse envoie une feuille de renseignements et une feuille de contrôle à l'assuré. L'assuré renvoie la feuille de renseignements, qu'il a dûment complétée et signée, le plus rapidement possible à la Caisse. L'assuré remet à la Caisse dans les deux jours suivant la fin du congé d'adoption la feuille de contrôle remplie, datée et signée par l'armateur et sur laquelle est mentionnée la date à laquelle l'intéressé a repris le travail.
§ 4. Pour les jours du congé d'adoption qui coïncident avec des jours de repos compensatoire ou avec des jours de vacances, l'indemnité est due, à condition que l'assuré reporte ces jours de repos compensatoire ou de vacances. ".
Art. 8. Artikel 110, § 1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 januari 1958 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 maart 1958, 12 juli 1976 en 10 mei 1990, wordt aangevuld met de bepaling onder i), luidende :
"i) in een periode van arbeidsongeschiktheid verkeert, die aansluit op de verloven bedoeld in de artikelen 106, § 5 en 106bis.".
Art. 8. L'article 110, § 1er du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 7 janvier 1958 et modifié par les arrêtés royaux des 19 mars 1958, 12 juillet 1976 et 10 mai 1990, est complété par le i) rédigé comme suit :
" i) se trouve dans une période d'incapacité de travail faisant suite aux congés visés aux articles 106, § 5 et 106bis. ".
Art. 9. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en is van toepassing voor bevallingen en adopties vanaf deze datum.
Art. 9. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'un délai de dix jours prenant cours le jour après sa publication du Moniteur belge et est d'application aux accouchements et aux adoptions qui se produisent à partir de cette date.
Art. 10. De minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 10. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Gegeven te Ciergnon, 26 december 2013.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
Mevr. L. ONKELINX
Donné à Ciergnon, le 26 décembre 2013.
PHILIPPE
Par le Roi :
La Ministre des Affaires sociales,
Mme L. ONKELINX