Artikel 1. Definities en werkingssfeer
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder :
1. "grondgebied" :
- voor de Benelux-Staten : het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, van het Groothertogdom Luxemburg en van het Koninkrijk der Nederlanden;
- voor de Republiek Kosovo : het grondgebied van de Republiek Kosovo;
2. "onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende persoon" : eenieder die niet of niet meer voldoet aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst of verblijf;
3. "terugname" en "overname" :
terugname van een persoon van wie kan worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij de nationaliteit van één der Benelux-Staten of het staatsburgerschap van de Republiek Kosovo heeft, respectievelijk de overname van een onderdaan van een derde Staat; in beide gevallen voldoet de betrokkene niet meer aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van een van de andere Partijen;
4. "eigen onderdaan of staatsburger" :
(1) eenieder die de nationaliteit heeft van één der Benelux-Staten;
(2) eenieder die het staatsburgerschap heeft of in aanmerking komt voor het staatsburgerschap van de Republiek Kosovo overeenkomstig artikel 29 van de wet op het staatsburgerschap van Kosovo;
5. "derde Staat" : elke Staat die geen Benelux-Staat en niet de Republiek Kosovo is;
6. "onderdaan van een derde Staat" : eenieder die niet de nationaliteit van één van de Benelux-Staten noch het staatsburgerschap van de Republiek Kosovo heeft, waaronder wordt begrepen een staatloze;
7. "staatloze" : de persoon waarvan de status door het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954 wordt bepaald;
8. "verzoekende Partij" : de Partij op wiens grondgebied zich een onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende persoon bevindt en die om de terug- of overname van deze persoon dan wel zijn doorgeleiding verzoekt, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd;
9. "aangezochte Partij" : de Partij die wordt verzocht een onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende persoon op haar grondgebied terug of over te nemen dan wel zijn doorgeleiding over haar grondgebied toe te staan, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd;
10. "verblijfstitel" : een door de Partijen afgegeven vergunning, ongeacht van welke aard, die een persoon recht geeft om op haar grondgebied te verblijven. Hieronder valt niet de tijdelijke toelating tot verblijf met het oog op de behandeling van een asielverzoek of van een verzoek om een verblijfstitel.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 MEI 2011. - Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden (de Benelux-Staten) en de Republiek Kosovo betreffende de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende personen (Terug- en Overname-overeenkomst), en met het Uitvoeringsprotocol, gedaan te Brussel op 12 mei 2011
Titre
12 MAI 2011. - Accord entre le Royaume de Belgique, le grand-duché de Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas (les Etats du Benelux) et la République du Kosovo relatif à la reprise et à la réadmission des personnes en situation irrégulière (Accord de reprise et de réadmission) et au Protocole d'application, faits à Bruxelles le 12 mai 2011
Dokumentinformationen
Numac: 2014A15103
Datum: 2011-05-12
Info du document
Numac: 2014A15103
Date: 2011-05-12
Tekst (21)
Texte (21)
Article 1er. Définitions et champ d'application
Aux termes du présent Accord il faut entendre par :
1. "territoire" :
- des Etats du Benelux : l'ensemble des territoires, en Europe, du Royaume de Belgique, du Grand-Duché de Luxembourg et du Royaume des Pays-Bas;
- de la République du Kosovo : le territoire de la République du Kosovo;
2. "personne en situation irrégulière" : toute personne qui ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée ou de séjour en vigueur;
3. "reprise" et "réadmission" :
la reprise d'une personne dont il est établi ou valablement présumé qu'elle possède la nationalité d'un des Etats du Benelux ou la citoyenneté de la République du Kosovo ou la réadmission d'un ressortissant d'un Etat tiers; dans les deux cas, il est établi qu'il ne remplit pas ou plus les conditions d'entrée ou de séjour sur le territoire de l'une des autres Parties;
4. "ressortissant propre ou citoyen" :
(1) toute personne possédant la nationalité de l'un des Etats du Benelux;
(2) toute personne possédant la citoyenneté ou étant admissible à l'obtention de la citoyenneté de la République du Kosovo, conformément à l'article 29 de la Loi relative à la citoyenneté du Kosovo;
5. "Etat tiers" : tout Etat autre qu'un Etat du Benelux et de la République du Kosovo;
6. "ressortissant d'un Etat tiers" : toute personne qui n'a ni la nationalité de l'un des Etats du Benelux ni la citoyenneté de la République du Kosovo, en ce compris un apatride;
7. "apatride" : la personne dont le statut est défini par la Convention sur le statut des apatrides du 28 septembre 1954;
8. "Partie requérante" : la Partie sur le territoire de laquelle se trouve une personne en situation irrégulière et qui demande de reprendre ou de réadmettre cette personne ou d'autoriser son transit dans les conditions prévues dans le présent Accord;
9. "Partie requise" : la Partie à laquelle il est demandé de reprendre ou de réadmettre sur son territoire une personne en situation irrégulière, ou d'autoriser son transit sur son territoire dans les conditions prévues dans le présent Accord;
10. "titre de séjour" : une autorisation délivrée par une Partie, de quelque nature que ce soit, qui permet à une personne de séjourner sur son territoire. Cette définition ne comprend pas l'autorisation provisoire de séjour délivrée en vue du traitement d'une demande d'asile ou d'une demande d'un titre de séjour.
Aux termes du présent Accord il faut entendre par :
1. "territoire" :
- des Etats du Benelux : l'ensemble des territoires, en Europe, du Royaume de Belgique, du Grand-Duché de Luxembourg et du Royaume des Pays-Bas;
- de la République du Kosovo : le territoire de la République du Kosovo;
2. "personne en situation irrégulière" : toute personne qui ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée ou de séjour en vigueur;
3. "reprise" et "réadmission" :
la reprise d'une personne dont il est établi ou valablement présumé qu'elle possède la nationalité d'un des Etats du Benelux ou la citoyenneté de la République du Kosovo ou la réadmission d'un ressortissant d'un Etat tiers; dans les deux cas, il est établi qu'il ne remplit pas ou plus les conditions d'entrée ou de séjour sur le territoire de l'une des autres Parties;
4. "ressortissant propre ou citoyen" :
(1) toute personne possédant la nationalité de l'un des Etats du Benelux;
(2) toute personne possédant la citoyenneté ou étant admissible à l'obtention de la citoyenneté de la République du Kosovo, conformément à l'article 29 de la Loi relative à la citoyenneté du Kosovo;
5. "Etat tiers" : tout Etat autre qu'un Etat du Benelux et de la République du Kosovo;
6. "ressortissant d'un Etat tiers" : toute personne qui n'a ni la nationalité de l'un des Etats du Benelux ni la citoyenneté de la République du Kosovo, en ce compris un apatride;
7. "apatride" : la personne dont le statut est défini par la Convention sur le statut des apatrides du 28 septembre 1954;
8. "Partie requérante" : la Partie sur le territoire de laquelle se trouve une personne en situation irrégulière et qui demande de reprendre ou de réadmettre cette personne ou d'autoriser son transit dans les conditions prévues dans le présent Accord;
9. "Partie requise" : la Partie à laquelle il est demandé de reprendre ou de réadmettre sur son territoire une personne en situation irrégulière, ou d'autoriser son transit sur son territoire dans les conditions prévues dans le présent Accord;
10. "titre de séjour" : une autorisation délivrée par une Partie, de quelque nature que ce soit, qui permet à une personne de séjourner sur son territoire. Cette définition ne comprend pas l'autorisation provisoire de séjour délivrée en vue du traitement d'une demande d'asile ou d'une demande d'un titre de séjour.
Art. 2. Terugname van eigen onderdanen of staatsburgers
(1) Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij, zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, de persoon op haar grondgebied terug die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer kan worden aangetoond of op basis van een begin van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat hij de nationaliteit of het staatsburgerschap van de aangezochte Partij heeft.
(2) De terugnameplicht uit lid (1) geldt ook voor de persoon die na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij de nationaliteit of het staatsburgerschap van de aangezochte Partij heeft verloren, tenzij die persoon tenminste een naturalisatietoezegging van de verzoekende Partij heeft ontvangen.
(3) Op verzoek van de verzoekende Partij, en conform de bepalingen van artikel 7, lid (6), van deze Overeenkomst, verstrekt de aangezochte Partij onverwijld en uiterlijk binnen drie dagen na de datum van ontvangst van het verzoek de met het oog op de teruggeleiding van de terug te nemen personen vereiste reisdocumenten.
(4) De verzoekende Partij neemt deze persoon onder dezelfde voorwaarden terug, indien uit een onderzoek, uitgevoerd binnen een termijn van drie maanden na de terugname van betrokkene, blijkt dat hij op het moment van het verlaten van het grondgebied van de verzoekende Partij niet de nationaliteit of het staatsburgerschap van de aangezochte Partij had, tenzij de terugnameplicht volgt uit lid (2).
(1) Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij, zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, de persoon op haar grondgebied terug die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer kan worden aangetoond of op basis van een begin van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat hij de nationaliteit of het staatsburgerschap van de aangezochte Partij heeft.
(2) De terugnameplicht uit lid (1) geldt ook voor de persoon die na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij de nationaliteit of het staatsburgerschap van de aangezochte Partij heeft verloren, tenzij die persoon tenminste een naturalisatietoezegging van de verzoekende Partij heeft ontvangen.
(3) Op verzoek van de verzoekende Partij, en conform de bepalingen van artikel 7, lid (6), van deze Overeenkomst, verstrekt de aangezochte Partij onverwijld en uiterlijk binnen drie dagen na de datum van ontvangst van het verzoek de met het oog op de teruggeleiding van de terug te nemen personen vereiste reisdocumenten.
(4) De verzoekende Partij neemt deze persoon onder dezelfde voorwaarden terug, indien uit een onderzoek, uitgevoerd binnen een termijn van drie maanden na de terugname van betrokkene, blijkt dat hij op het moment van het verlaten van het grondgebied van de verzoekende Partij niet de nationaliteit of het staatsburgerschap van de aangezochte Partij had, tenzij de terugnameplicht volgt uit lid (2).
Art. 2. Reprise de ressortissants propres ou de citoyens
Chaque Partie reprend sur son territoire sans formalité autre que celle prévue dans le présent Accord, à la demande de l'autre Partie, toute personne qui, se trouvant sur le territoire de la Partie requérante, ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée ou de séjour, lorsqu'il peut être prouvé ou valablement présumé sur la base du commencement de preuve fourni, qu'elle possède la nationalité ou la citoyenneté de la Partie requise.
(2) L'obligation de reprise prévue au paragraphe (1) s'applique aussi à toute personne qui, après son entrée sur le territoire de la Partie requérante, a perdu la nationalité ou la citoyenneté de la Partie requise et n'a pas obtenu au moins une assurance de naturalisation de la part de la Partie requérante.
(3) A la demande de la Partie requérante, et conformément aux dispositions de l'article 7, paragraphe (6), du présent Accord, la Partie requise délivre sans délai et au plus tard dans les trois jours suivant la date de réception de la demande les documents de voyage nécessaires à la reconduite des personnes à reprendre.
(4) La Partie requérante reprend cette personne dans les mêmes conditions, si une vérification effectuée dans un délai de trois mois suivant la reprise de la personne concernée révèle qu'elle ne possédait pas la nationalité ou la citoyenneté de la Partie requise au moment de sa sortie du territoire de la Partie requérante, à moins que l'obligation de reprise ne découle du paragraphe (2).
Chaque Partie reprend sur son territoire sans formalité autre que celle prévue dans le présent Accord, à la demande de l'autre Partie, toute personne qui, se trouvant sur le territoire de la Partie requérante, ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée ou de séjour, lorsqu'il peut être prouvé ou valablement présumé sur la base du commencement de preuve fourni, qu'elle possède la nationalité ou la citoyenneté de la Partie requise.
(2) L'obligation de reprise prévue au paragraphe (1) s'applique aussi à toute personne qui, après son entrée sur le territoire de la Partie requérante, a perdu la nationalité ou la citoyenneté de la Partie requise et n'a pas obtenu au moins une assurance de naturalisation de la part de la Partie requérante.
(3) A la demande de la Partie requérante, et conformément aux dispositions de l'article 7, paragraphe (6), du présent Accord, la Partie requise délivre sans délai et au plus tard dans les trois jours suivant la date de réception de la demande les documents de voyage nécessaires à la reconduite des personnes à reprendre.
(4) La Partie requérante reprend cette personne dans les mêmes conditions, si une vérification effectuée dans un délai de trois mois suivant la reprise de la personne concernée révèle qu'elle ne possédait pas la nationalité ou la citoyenneté de la Partie requise au moment de sa sortie du territoire de la Partie requérante, à moins que l'obligation de reprise ne découle du paragraphe (2).
Art. 3. Overname van onderdanen van een derde Staat en staatlozen
(1) Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij en zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, elke onderdaan van een derde Staat over op haar grondgebied die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer kan worden aangetoond of op basis van een begin van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat die onderdaan :
1. in het bezit is van een geldige verblijfstitel afgegeven door de aangezochte Partij, of
2. in het bezit is van een geldig visum, anders dan een transitvisum, afgegeven door de aangezochte Partij, of
3. bij binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij in het bezit was van een geldige verblijfstitel of een geldig visum, anders dan een transitvisum, afgegeven door de aangezochte Partij, of
4. het grondgebied van de verzoekende Partij is binnengekomen nadat hij het grondgebied van de aangezochte Partij is doorgereisd of aldaar heeft verbleven.
(2) De in lid (1) bedoelde overnameplicht is niet van toepassing wanneer de verzoekende Partij aan de onderdaan van een derde Staat, vóór of na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij, een visum, anders dan een transitvisum, of verblijfstitel heeft afgegeven met een langere geldigheidsduur dan die van het visum of de verblijfstitel die door de aangezochte Partij is afgegeven.
(3) De aangezochte Partij verplicht zich tegenover de over te nemen onderdaan van een derde Staat de bepalingen van artikel 33 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, als gewijzigd bij het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, alsmede de bepalingen van artikel 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dan wel de bepalingen van artikel 7 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966, als ook de bepalingen van artikel 3 van het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, na te leven, ook indien zij geen partij is bij deze Verdragen.
(1) Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij en zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, elke onderdaan van een derde Staat over op haar grondgebied die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer kan worden aangetoond of op basis van een begin van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat die onderdaan :
1. in het bezit is van een geldige verblijfstitel afgegeven door de aangezochte Partij, of
2. in het bezit is van een geldig visum, anders dan een transitvisum, afgegeven door de aangezochte Partij, of
3. bij binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij in het bezit was van een geldige verblijfstitel of een geldig visum, anders dan een transitvisum, afgegeven door de aangezochte Partij, of
4. het grondgebied van de verzoekende Partij is binnengekomen nadat hij het grondgebied van de aangezochte Partij is doorgereisd of aldaar heeft verbleven.
(2) De in lid (1) bedoelde overnameplicht is niet van toepassing wanneer de verzoekende Partij aan de onderdaan van een derde Staat, vóór of na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij, een visum, anders dan een transitvisum, of verblijfstitel heeft afgegeven met een langere geldigheidsduur dan die van het visum of de verblijfstitel die door de aangezochte Partij is afgegeven.
(3) De aangezochte Partij verplicht zich tegenover de over te nemen onderdaan van een derde Staat de bepalingen van artikel 33 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, als gewijzigd bij het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, alsmede de bepalingen van artikel 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dan wel de bepalingen van artikel 7 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966, als ook de bepalingen van artikel 3 van het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, na te leven, ook indien zij geen partij is bij deze Verdragen.
Art. 3. Réadmission de ressortissants d'un Etat tiers et d'apatrides
(1) Chaque Partie réadmet sur son territoire à la demande de l'autre Partie et sans autres formalités que celles prévues dans le présent Accord, tout ressortissant d'un Etat tiers qui ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée ou de séjour sur le territoire de la Partie requérante lorsqu'il peut être prouvé ou valablement présumé sur la base du commencement de preuve fourni, que ce ressortissant :
1. est en possession d'un titre de séjour en cours de validité délivré par la Partie requise, ou
2. est en possession d'un visa valable autre qu'un visa de transit délivré par la Partie requise, ou
3. à l'entrée sur le territoire de la Partie requérante était en possession d'un titre de séjour en cours de validité ou d'un visa valable autre qu'un visa de transit délivré par la Partie requise, ou
4. est entré sur le territoire de la Partie requérante après avoir transité ou séjourné sur le territoire de la Partie requise.
(2) L'obligation de réadmission visée au paragraphe (1) n'est pas applicable aux ressortissants d'un Etat tiers qui, avant ou après leur entrée sur le territoire de la Partie requérante, étaient en possession d'un visa autre qu'un visa de transit, ou d'un titre de séjour, délivré par la Partie requérante et dont la durée de validité est supérieure à celle du visa ou titre de séjour délivré par la Partie requise.
(3) La Partie requise s'engage à respecter à l'égard des ressortissants d'un Etat tiers à réadmettre les dispositions de l'article 33 de la Convention du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, telle que modifiée par le Protocole du 31 janvier 1967 relatif au statut des réfugiés, ainsi que les dispositions de l'article 3 de la Convention du 4 novembre 1950 relative à la protection des droits de l'homme et des libertés fondamentales, ou les dispositions de l'article 7 du Pacte international du 19 décembre 1966 relatif aux droits civils et politiques, ainsi que les dispositions de l'article 3 de la Convention du 10 décembre 1984 contre la torture et autres peines ou traitements cruels, inhumains ou dégradants, même si elle n'est pas partie à ces Conventions.
(1) Chaque Partie réadmet sur son territoire à la demande de l'autre Partie et sans autres formalités que celles prévues dans le présent Accord, tout ressortissant d'un Etat tiers qui ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée ou de séjour sur le territoire de la Partie requérante lorsqu'il peut être prouvé ou valablement présumé sur la base du commencement de preuve fourni, que ce ressortissant :
1. est en possession d'un titre de séjour en cours de validité délivré par la Partie requise, ou
2. est en possession d'un visa valable autre qu'un visa de transit délivré par la Partie requise, ou
3. à l'entrée sur le territoire de la Partie requérante était en possession d'un titre de séjour en cours de validité ou d'un visa valable autre qu'un visa de transit délivré par la Partie requise, ou
4. est entré sur le territoire de la Partie requérante après avoir transité ou séjourné sur le territoire de la Partie requise.
(2) L'obligation de réadmission visée au paragraphe (1) n'est pas applicable aux ressortissants d'un Etat tiers qui, avant ou après leur entrée sur le territoire de la Partie requérante, étaient en possession d'un visa autre qu'un visa de transit, ou d'un titre de séjour, délivré par la Partie requérante et dont la durée de validité est supérieure à celle du visa ou titre de séjour délivré par la Partie requise.
(3) La Partie requise s'engage à respecter à l'égard des ressortissants d'un Etat tiers à réadmettre les dispositions de l'article 33 de la Convention du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, telle que modifiée par le Protocole du 31 janvier 1967 relatif au statut des réfugiés, ainsi que les dispositions de l'article 3 de la Convention du 4 novembre 1950 relative à la protection des droits de l'homme et des libertés fondamentales, ou les dispositions de l'article 7 du Pacte international du 19 décembre 1966 relatif aux droits civils et politiques, ainsi que les dispositions de l'article 3 de la Convention du 10 décembre 1984 contre la torture et autres peines ou traitements cruels, inhumains ou dégradants, même si elle n'est pas partie à ces Conventions.
Art. 4. Indiening van het verzoek om terug- of overname
(1) Een verzoek om terug- of overname op grond van artikel 2 of 3 wordt schriftelijk ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij.
(2) Elk verzoek om terug- of overname bevat de volgende inlichtingen :
1. de personalia van de betrokkene (naam, voornamen, eventueel vroegere namen, namen van de ouders, bijnamen en pseudoniemen, alias, geslacht, geboortedatum en, indien mogelijk, geboorteplaats en laatste verblijfplaats op het grondgebied van de aangezochte Partij);
2. een kopie van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 5 of 6.
(3) Het verzoek om terug- of overname moet in een voorkomend geval ook de volgende inlichtingen bevatten :
1. een indicatie waaruit blijkt dat de over te dragen persoon een bijzondere (medische of andere) behandeling behoeft of vervoer per ambulance vereist;
2. alle andere beschermings- of veiligheidsmaatregelen die voor deze overdracht nodig kunnen zijn.
(4) Het verzoek om terug- of overname kan worden vervangen door een schriftelijke mededeling aan de aangezochte Partij binnen een redelijke termijn voor de terug- of overname van de betrokken persoon op voorwaarde dat de terug of over te nemen persoon in het bezit is van een geldig reisdocument en, indien van toepassing, een geldig visum of geldige verblijfstitel van de aangezochte Partij.
(5) Indien de terug of over te nemen persoon zich in de internationale zone van een luchthaven van één der Partijen bevindt kunnen de bevoegde luchthavenautoriteiten een vereenvoudigde procedure overeenkomen.
(1) Een verzoek om terug- of overname op grond van artikel 2 of 3 wordt schriftelijk ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij.
(2) Elk verzoek om terug- of overname bevat de volgende inlichtingen :
1. de personalia van de betrokkene (naam, voornamen, eventueel vroegere namen, namen van de ouders, bijnamen en pseudoniemen, alias, geslacht, geboortedatum en, indien mogelijk, geboorteplaats en laatste verblijfplaats op het grondgebied van de aangezochte Partij);
2. een kopie van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 5 of 6.
(3) Het verzoek om terug- of overname moet in een voorkomend geval ook de volgende inlichtingen bevatten :
1. een indicatie waaruit blijkt dat de over te dragen persoon een bijzondere (medische of andere) behandeling behoeft of vervoer per ambulance vereist;
2. alle andere beschermings- of veiligheidsmaatregelen die voor deze overdracht nodig kunnen zijn.
(4) Het verzoek om terug- of overname kan worden vervangen door een schriftelijke mededeling aan de aangezochte Partij binnen een redelijke termijn voor de terug- of overname van de betrokken persoon op voorwaarde dat de terug of over te nemen persoon in het bezit is van een geldig reisdocument en, indien van toepassing, een geldig visum of geldige verblijfstitel van de aangezochte Partij.
(5) Indien de terug of over te nemen persoon zich in de internationale zone van een luchthaven van één der Partijen bevindt kunnen de bevoegde luchthavenautoriteiten een vereenvoudigde procedure overeenkomen.
Art. 4. Introduction de la demande de reprise ou de réadmission
(1) Toute demande de reprise ou de réadmission en vertu de l'article 2 ou 3 sera introduite par écrit auprès de l'autorité compétente de la Partie requise.
(2) Chaque demande de reprise ou de réadmission comprendra les informations suivantes :
1. les données personnelles de la personne concernée (nom, prénoms, le cas échéant, noms antérieurs, noms des parents, surnoms et pseudonymes, noms d'emprunt, sexe, date et si possible lieu de naissance et dernier lieu de résidence sur le territoire de la Partie requise);
2. une copie des moyens de preuve visés aux articles 5 ou 6.
(3) La demande de reprise ou de réadmission doit, le cas échéant, également comprendre les informations suivantes :
1. l'indication que la personne à transférer doit bénéficier d'un traitement spécial (médical ou autre) ou nécessite un transport en ambulance;
2. toutes autres mesures de protection et de sécurité pouvant être nécessaires lors du transfert.
(4) La demande de reprise ou de réadmission peut être remplacée par une communication écrite à la Partie requise dans un délai raisonnable pour la reprise ou la réadmission de la personne concernée, à condition que la personne à reprendre ou à réadmettre soit en possession d'un document de voyage valable et, si applicable, d'un visa ou titre de séjour en cours de validité de la Partie requise.
(5) Si la personne à reprendre ou à réadmettre se trouve dans la zone internationale d'un aéroport d'une des Parties, les autorités aéroportuaires compétentes peuvent convenir d'une procédure simplifiée.
(1) Toute demande de reprise ou de réadmission en vertu de l'article 2 ou 3 sera introduite par écrit auprès de l'autorité compétente de la Partie requise.
(2) Chaque demande de reprise ou de réadmission comprendra les informations suivantes :
1. les données personnelles de la personne concernée (nom, prénoms, le cas échéant, noms antérieurs, noms des parents, surnoms et pseudonymes, noms d'emprunt, sexe, date et si possible lieu de naissance et dernier lieu de résidence sur le territoire de la Partie requise);
2. une copie des moyens de preuve visés aux articles 5 ou 6.
(3) La demande de reprise ou de réadmission doit, le cas échéant, également comprendre les informations suivantes :
1. l'indication que la personne à transférer doit bénéficier d'un traitement spécial (médical ou autre) ou nécessite un transport en ambulance;
2. toutes autres mesures de protection et de sécurité pouvant être nécessaires lors du transfert.
(4) La demande de reprise ou de réadmission peut être remplacée par une communication écrite à la Partie requise dans un délai raisonnable pour la reprise ou la réadmission de la personne concernée, à condition que la personne à reprendre ou à réadmettre soit en possession d'un document de voyage valable et, si applicable, d'un visa ou titre de séjour en cours de validité de la Partie requise.
(5) Si la personne à reprendre ou à réadmettre se trouve dans la zone internationale d'un aéroport d'une des Parties, les autorités aéroportuaires compétentes peuvent convenir d'une procédure simplifiée.
Art. 5. Bewijsmiddelen met betrekking
tot eigen onderdanen of staatsburgers
(1) Het bewijs van de nationaliteit of het staatsburgerschap overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten :
1. een geldig paspoort of paspoortvervangend reisdocument met foto (laissez-passer);
2. een geldig identiteitsbewijs;
3. een geldig militair identiteitsbewijs of een ander identiteitsbewijs van het personeel van de strijdkrachten met een foto van de houder;
4. een geldig zeemansboekje;
5. een UNMIK reisdocument of identiteitsbewijs;
6. een geldige consulaire kaart;
7. andere officiële documenten waaruit de nationaliteit of het staatsburgerschap van betrokkene blijkt, afgegeven door de aangezochte Partij en voorzien van een foto;
8. een document, zoals hiervoor beschreven, waarvan de geldigheidsduur is verstreken op de datum waarop het verzoek om terug- of overname wordt verzonden;
9. informatie uit het Visuminformatiesysteem (VIS)(1), op voorwaarde dat de Commissie overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Richtlijn 95/46/EG een besluit heeft genomen over de passende bescherming van persoonsgegevens in dat derde land.
Wanneer dergelijke documenten worden voorgelegd, erkennen de Partijen de nationaliteit of het staatsburgerschap zonder verdere formaliteiten.
(2) Het begin van bewijs van de nationaliteit of het staatsburgerschap overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten of elementen :
1. een kopie van één van de in lid (1) genoemde documenten;
2. een officieel identiteitsbewijs, afgegeven door de Voormalige Joegoslavische Republiek;
3. andere documenten die kunnen bijdragen tot het vaststellen van de nationaliteit of het staatsburgerschap van de betrokkene (rijbewijs, e.a.);
4. een document waaruit een consulaire inschrijving blijkt, een nationaliteits- of staatsburgerschapsbewijs, een bewijs van de burgerlijke stand of geboortebewijs afgegeven door de UNMIK;
5. een bedrijfspas;
6. afschriften/kopieën van de onder 2. tot en met 4. genoemde documenten;
7. de taal waarin de persoon zich uitdrukt;
8. een betrouwbare getuigenverklaring;
9. de verklaring van de betrokkene zelf.
Wanneer dergelijke documenten of elementen worden voorgelegd, nemen de Partijen de nationaliteit of het staatsburgerschap als vaststaand aan, tenzij de aangezochte Partij het tegendeel kan bewijzen.
(3) Indien geen van de in lid (1) of (2) genoemde documenten of elementen kan worden voorgelegd, kan de verzoekende Partij de aangezochte Partij verzoeken in het bevolkingsregister van de aangezochte Partij te onderzoeken. Een positief resultaat van het onderzoek geldt als bewijs als bedoeld in lid (1).
(4) Indien geen van de in lid (1), (2) en (3) genoemde documenten, elementen of gegevens kan worden voorgelegd, doch er naar de mening van de verzoekende Partij een vermoeden bestaat met betrekking tot de nationaliteit of het staatsburgerschap van de terug te nemen persoon, dan treffen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij de vereiste maatregelen om de nationaliteit of het staatsburgerschap van de betrokkene vast te stellen. Hiertoe zal de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij tot het horen van de betrokkene overgaan teneinde vast te stellen of het een eigen onderdaan of staatsburger betreft.
(5) Indien om feitelijke of technische redenen de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij niet in staat is om de betrokkene te horen, zal deze taak in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgevoerd door ofwel een in onderlinge overeenstemming aangewezen deskundige ofwel een uitgenodigde delegatie van de aangezochte Partij die bij de verzoekende Partij is geaccrediteerd.
tot eigen onderdanen of staatsburgers
(1) Het bewijs van de nationaliteit of het staatsburgerschap overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten :
1. een geldig paspoort of paspoortvervangend reisdocument met foto (laissez-passer);
2. een geldig identiteitsbewijs;
3. een geldig militair identiteitsbewijs of een ander identiteitsbewijs van het personeel van de strijdkrachten met een foto van de houder;
4. een geldig zeemansboekje;
5. een UNMIK reisdocument of identiteitsbewijs;
6. een geldige consulaire kaart;
7. andere officiële documenten waaruit de nationaliteit of het staatsburgerschap van betrokkene blijkt, afgegeven door de aangezochte Partij en voorzien van een foto;
8. een document, zoals hiervoor beschreven, waarvan de geldigheidsduur is verstreken op de datum waarop het verzoek om terug- of overname wordt verzonden;
9. informatie uit het Visuminformatiesysteem (VIS)(1), op voorwaarde dat de Commissie overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Richtlijn 95/46/EG een besluit heeft genomen over de passende bescherming van persoonsgegevens in dat derde land.
Wanneer dergelijke documenten worden voorgelegd, erkennen de Partijen de nationaliteit of het staatsburgerschap zonder verdere formaliteiten.
(2) Het begin van bewijs van de nationaliteit of het staatsburgerschap overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten of elementen :
1. een kopie van één van de in lid (1) genoemde documenten;
2. een officieel identiteitsbewijs, afgegeven door de Voormalige Joegoslavische Republiek;
3. andere documenten die kunnen bijdragen tot het vaststellen van de nationaliteit of het staatsburgerschap van de betrokkene (rijbewijs, e.a.);
4. een document waaruit een consulaire inschrijving blijkt, een nationaliteits- of staatsburgerschapsbewijs, een bewijs van de burgerlijke stand of geboortebewijs afgegeven door de UNMIK;
5. een bedrijfspas;
6. afschriften/kopieën van de onder 2. tot en met 4. genoemde documenten;
7. de taal waarin de persoon zich uitdrukt;
8. een betrouwbare getuigenverklaring;
9. de verklaring van de betrokkene zelf.
Wanneer dergelijke documenten of elementen worden voorgelegd, nemen de Partijen de nationaliteit of het staatsburgerschap als vaststaand aan, tenzij de aangezochte Partij het tegendeel kan bewijzen.
(3) Indien geen van de in lid (1) of (2) genoemde documenten of elementen kan worden voorgelegd, kan de verzoekende Partij de aangezochte Partij verzoeken in het bevolkingsregister van de aangezochte Partij te onderzoeken. Een positief resultaat van het onderzoek geldt als bewijs als bedoeld in lid (1).
(4) Indien geen van de in lid (1), (2) en (3) genoemde documenten, elementen of gegevens kan worden voorgelegd, doch er naar de mening van de verzoekende Partij een vermoeden bestaat met betrekking tot de nationaliteit of het staatsburgerschap van de terug te nemen persoon, dan treffen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij de vereiste maatregelen om de nationaliteit of het staatsburgerschap van de betrokkene vast te stellen. Hiertoe zal de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij tot het horen van de betrokkene overgaan teneinde vast te stellen of het een eigen onderdaan of staatsburger betreft.
(5) Indien om feitelijke of technische redenen de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij niet in staat is om de betrokkene te horen, zal deze taak in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgevoerd door ofwel een in onderlinge overeenstemming aangewezen deskundige ofwel een uitgenodigde delegatie van de aangezochte Partij die bij de verzoekende Partij is geaccrediteerd.
Art. 5. Moyens de preuve concernant
les ressortissants propres ou les citoyens
(1) La preuve de la nationalité ou la citoyenneté conformément à l'article 2 peut être apportée au moyen des documents mentionnés ci-après :
1. un passeport ou un document de voyage avec photographie (laissez-passer) en tenant lieu en cours de validité;
2. un document d'identité en cours de validité;
3. un document d'identité militaire ou un autre document d'identité du personnel des forces armées avec une photographie du titulaire, en cours de validité;
4. un livret de marin en cours de validité;
5. un document de voyage ou un document d'identité MINUK;
6. une carte consulaire en cours de validité;
7. d'autres documents officiels attestant de la nationalité ou de la citoyenneté, délivrés par la Partie requise et pourvus d'une photographie;
8. un document tel que décrit ci-dessus, dont la durée de validité est périmée à la date d'envoi de la demande de reprise ou de réadmission;
9. informations issues du système d'information sur les visas (VIS)(1) à condition que la Commission ait pris une décision relative à la protection adéquate des données à caractère personnel dans ce pays tiers conformément à l'article 25(6) de la Directive 95/46/CE.
Lorsque de tels documents sont présentés, les Parties reconnaissent la nationalité ou la citoyenneté sans autres formalités.
(2) Le commencement de preuve de la nationalité ou la citoyenneté conformément à l'article 2 est fourni au moyen des documents ou éléments mentionnés ci-après :
1. une copie de l'un des documents énumérés au paragraphe (1) ci-dessus;
2. un document officiel d'identification, délivré par l'Ancienne République de Yougoslavie;
3. d'autres documents pouvant contribuer à la détermination de la nationalité ou de la citoyenneté de la personne concernée (permis de conduire ou autre);
4. un document certifiant une immatriculation consulaire, un certificat de nationalité ou de citoyenneté, une attestation d'état-civil ou un extrait de naissance, délivré par la MINUK;
5. un passeport d'une entreprise;
6. des duplicata/copies des documents visés sous 2. à 4. ci-dessus;
7. la langue dans laquelle la personne s'exprime;
8. une déclaration d'un témoin de bonne foi;
9. la déclaration de la personne concernée.
Lorsque de tels documents ou éléments sont présentés, les Parties acceptent la nationalité ou la citoyenneté comme acquise, à moins que la Partie requise ne puisse démontrer le contraire.
(3) Si aucun des documents ou éléments visés aux paragraphes (1) et (2) ne peut être présenté, la Partie requérante peut demander à la Partie requise d'effectuer une recherche dans le registre de la population de la Partie requise. Un résultat positif de cette recherche est considéré comme la preuve visée au paragraphe (1).
(4) Si aucun des documents, éléments ou données visés aux paragraphes (1), (2) et (3) ne peut être présenté, mais si de l'avis de la Partie requérante il existe une présomption sur la nationalité ou la citoyenneté de la personne à reprendre, les autorités compétentes de la Partie requise prennent les mesures nécessaires pour déterminer la nationalité ou la citoyenneté de la personne concernée. A cet effet la mission diplomatique ou consulaire de la Partie requise accréditée auprès de la Partie requérante procèdera à une audition de la personne concernée afin de déterminer s'il s'agit d'un ressortissant propre ou d'un citoyen.
(5) Si, pour des raisons factuelles ou techniques, la mission diplomatique ou consulaire de la Partie requise accréditée auprès de la Partie requérante est dans l'incapacité d'auditionner la personne concernée, cette tâche sera effectuée exceptionnellement soit par un expert désigné d'un commun accord, soit par une délégation invitée de la Partie requise et accréditée auprès de la Partie requérante.
les ressortissants propres ou les citoyens
(1) La preuve de la nationalité ou la citoyenneté conformément à l'article 2 peut être apportée au moyen des documents mentionnés ci-après :
1. un passeport ou un document de voyage avec photographie (laissez-passer) en tenant lieu en cours de validité;
2. un document d'identité en cours de validité;
3. un document d'identité militaire ou un autre document d'identité du personnel des forces armées avec une photographie du titulaire, en cours de validité;
4. un livret de marin en cours de validité;
5. un document de voyage ou un document d'identité MINUK;
6. une carte consulaire en cours de validité;
7. d'autres documents officiels attestant de la nationalité ou de la citoyenneté, délivrés par la Partie requise et pourvus d'une photographie;
8. un document tel que décrit ci-dessus, dont la durée de validité est périmée à la date d'envoi de la demande de reprise ou de réadmission;
9. informations issues du système d'information sur les visas (VIS)(1) à condition que la Commission ait pris une décision relative à la protection adéquate des données à caractère personnel dans ce pays tiers conformément à l'article 25(6) de la Directive 95/46/CE.
Lorsque de tels documents sont présentés, les Parties reconnaissent la nationalité ou la citoyenneté sans autres formalités.
(2) Le commencement de preuve de la nationalité ou la citoyenneté conformément à l'article 2 est fourni au moyen des documents ou éléments mentionnés ci-après :
1. une copie de l'un des documents énumérés au paragraphe (1) ci-dessus;
2. un document officiel d'identification, délivré par l'Ancienne République de Yougoslavie;
3. d'autres documents pouvant contribuer à la détermination de la nationalité ou de la citoyenneté de la personne concernée (permis de conduire ou autre);
4. un document certifiant une immatriculation consulaire, un certificat de nationalité ou de citoyenneté, une attestation d'état-civil ou un extrait de naissance, délivré par la MINUK;
5. un passeport d'une entreprise;
6. des duplicata/copies des documents visés sous 2. à 4. ci-dessus;
7. la langue dans laquelle la personne s'exprime;
8. une déclaration d'un témoin de bonne foi;
9. la déclaration de la personne concernée.
Lorsque de tels documents ou éléments sont présentés, les Parties acceptent la nationalité ou la citoyenneté comme acquise, à moins que la Partie requise ne puisse démontrer le contraire.
(3) Si aucun des documents ou éléments visés aux paragraphes (1) et (2) ne peut être présenté, la Partie requérante peut demander à la Partie requise d'effectuer une recherche dans le registre de la population de la Partie requise. Un résultat positif de cette recherche est considéré comme la preuve visée au paragraphe (1).
(4) Si aucun des documents, éléments ou données visés aux paragraphes (1), (2) et (3) ne peut être présenté, mais si de l'avis de la Partie requérante il existe une présomption sur la nationalité ou la citoyenneté de la personne à reprendre, les autorités compétentes de la Partie requise prennent les mesures nécessaires pour déterminer la nationalité ou la citoyenneté de la personne concernée. A cet effet la mission diplomatique ou consulaire de la Partie requise accréditée auprès de la Partie requérante procèdera à une audition de la personne concernée afin de déterminer s'il s'agit d'un ressortissant propre ou d'un citoyen.
(5) Si, pour des raisons factuelles ou techniques, la mission diplomatique ou consulaire de la Partie requise accréditée auprès de la Partie requérante est dans l'incapacité d'auditionner la personne concernée, cette tâche sera effectuée exceptionnellement soit par un expert désigné d'un commun accord, soit par une délégation invitée de la Partie requise et accréditée auprès de la Partie requérante.
Art. 6. Bewijsmiddelen met betrekking tot onderdanen van een derde Staat
(1) Het bewijs dat is voldaan aan de in artikel 3 vermelde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat kan worden geleverd door middel van de navolgende bewijsmiddelen :
1. geldige visa of verblijfstitels afgegeven door de aangezochte Partij;
2. visa of verblijfstitels afgegeven door de aangezochte Partij, waarvan de geldigheidsduur niet langer dan twee jaar is verstreken;
3. inreis-/uitreisstempels of soortgelijke aantekeningen in het reisdocument van de betrokkene waaruit diens binnenkomst of het verblijf op het grondgebied van de aangezochte Partij blijkt of waarmee zijn binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij vanuit het grondgebied van de aangezochte Partij kan worden aangetoond (reisroute);
4. door de aangezochte Partij op naam afgegeven documenten (bijvoorbeeld : rijbewijs, legitimatiebewijs);
5. documenten van de burgerlijke stand of een inschrijving op het grondgebied van de aangezochte Partij;
6. kopieën van de onder 1. tot en met 5. genoemde documenten.
Bovengenoemde bewijsmiddelen worden tussen de Partijen zonder verdere formaliteiten erkend.
(2) Een begin van bewijs dat is voldaan aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat kan worden geleverd door middel van de navolgende bewijsmiddelen :
1. op naam gestelde reisbiljetten, bescheiden of facturen indien daaruit de binnenkomst of het verblijf van de betrokkene op het grondgebied van de aangezochte Partij blijkt, of waarmee zijn binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij vanuit het grondgebied van de aangezochte Partij kan worden aangetoond (bijvoorbeeld : hotelrekeningen, afspraakkaarten voor bezoek aan arts/tandarts, toegangsbewijzen voor open-bare/particuliere instellingen, passagierslijsten voor vlieg- of bootreizen);
2. inlichtingen waaruit blijkt dat de betrokkene gebruik heeft gemaakt van de diensten van een reisbegeleider of reisbureau;
3. officiële verklaringen van met name met de controle aan de grens van de aangezochte Partij belaste ambtenaren en andere functionarissen die kunnen getuigen dat de betrokkene de grens van de aangezochte Partij heeft overschreden;
4. officiële verklaringen van ambtenaren over de aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van de aangezochte Partij;
5. een sedert meer dan twee jaren verlopen verblijfstitel, afgegeven door de aangezochte Partij;
6. een op schrift gestelde verklaring waarin de plaats en omstandigheden worden beschreven waaronder de betrokkene na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij is onderschept;
7. inlichtingen die door een internationale organisatie zijn verstrekt met betrekking tot de identiteit en het verblijf van de betrokkene op het grondgebied van de aangezochte Partij of van diens reisroute van het grondgebied van de aangezochte Partij naar dat van de verzoekende Partij;
8. een door een reisgenoot afgelegde getuigenverklaring;
9. verklaringen van de betrokkene zelf;
10. andere bescheiden (bijvoorbeeld niet op naam gestelde toegangskaartjes) of betrouwbare informatie aan de hand waarvan het verblijf op of de doorreis over het grondgebied van de aangezochte Partij aannemelijk gemaakt kan worden.
Wanneer dit begin van bewijs is geleverd, nemen de Partijen aan dat aan de voorwaarden is voldaan, tenzij de aangezochte Partij het tegendeel kan bewijzen.
(1) Het bewijs dat is voldaan aan de in artikel 3 vermelde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat kan worden geleverd door middel van de navolgende bewijsmiddelen :
1. geldige visa of verblijfstitels afgegeven door de aangezochte Partij;
2. visa of verblijfstitels afgegeven door de aangezochte Partij, waarvan de geldigheidsduur niet langer dan twee jaar is verstreken;
3. inreis-/uitreisstempels of soortgelijke aantekeningen in het reisdocument van de betrokkene waaruit diens binnenkomst of het verblijf op het grondgebied van de aangezochte Partij blijkt of waarmee zijn binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij vanuit het grondgebied van de aangezochte Partij kan worden aangetoond (reisroute);
4. door de aangezochte Partij op naam afgegeven documenten (bijvoorbeeld : rijbewijs, legitimatiebewijs);
5. documenten van de burgerlijke stand of een inschrijving op het grondgebied van de aangezochte Partij;
6. kopieën van de onder 1. tot en met 5. genoemde documenten.
Bovengenoemde bewijsmiddelen worden tussen de Partijen zonder verdere formaliteiten erkend.
(2) Een begin van bewijs dat is voldaan aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat kan worden geleverd door middel van de navolgende bewijsmiddelen :
1. op naam gestelde reisbiljetten, bescheiden of facturen indien daaruit de binnenkomst of het verblijf van de betrokkene op het grondgebied van de aangezochte Partij blijkt, of waarmee zijn binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij vanuit het grondgebied van de aangezochte Partij kan worden aangetoond (bijvoorbeeld : hotelrekeningen, afspraakkaarten voor bezoek aan arts/tandarts, toegangsbewijzen voor open-bare/particuliere instellingen, passagierslijsten voor vlieg- of bootreizen);
2. inlichtingen waaruit blijkt dat de betrokkene gebruik heeft gemaakt van de diensten van een reisbegeleider of reisbureau;
3. officiële verklaringen van met name met de controle aan de grens van de aangezochte Partij belaste ambtenaren en andere functionarissen die kunnen getuigen dat de betrokkene de grens van de aangezochte Partij heeft overschreden;
4. officiële verklaringen van ambtenaren over de aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van de aangezochte Partij;
5. een sedert meer dan twee jaren verlopen verblijfstitel, afgegeven door de aangezochte Partij;
6. een op schrift gestelde verklaring waarin de plaats en omstandigheden worden beschreven waaronder de betrokkene na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij is onderschept;
7. inlichtingen die door een internationale organisatie zijn verstrekt met betrekking tot de identiteit en het verblijf van de betrokkene op het grondgebied van de aangezochte Partij of van diens reisroute van het grondgebied van de aangezochte Partij naar dat van de verzoekende Partij;
8. een door een reisgenoot afgelegde getuigenverklaring;
9. verklaringen van de betrokkene zelf;
10. andere bescheiden (bijvoorbeeld niet op naam gestelde toegangskaartjes) of betrouwbare informatie aan de hand waarvan het verblijf op of de doorreis over het grondgebied van de aangezochte Partij aannemelijk gemaakt kan worden.
Wanneer dit begin van bewijs is geleverd, nemen de Partijen aan dat aan de voorwaarden is voldaan, tenzij de aangezochte Partij het tegendeel kan bewijzen.
Art. 6. Moyens de preuve concernant les ressortissants d'un Etat tiers
(1) La preuve qu'il est satisfait aux conditions énumérées à l'article 3 concernant la réadmission de ressortissants d'un Etat tiers peut être apportée par les moyens de preuve mentionnés ci-après :
1. des visas ou titres de séjour en cours de validité délivrés par la Partie requise;
2. des visas ou titres de séjour délivrés par la Partie requise, dont la durée de validité a expiré depuis moins de deux ans;
3. des cachets d'entrée et/ou de sortie ou des annotations similaires dans le document de voyage de la personne concernée permettant de prouver son entrée ou son séjour sur le territoire de la Partie requise ou son entrée sur le territoire de la Partie requérante à partir du territoire de la Partie requise (itinéraire de son voyage);
4. des documents nominatifs délivrés par la Partie requise, (par exemple : permis de conduire, certificat de légitimation);
5. des documents de l'état-civil ou une immatriculation sur le territoire de la Partie requise;
6. des copies des documents visés sous 1. à 5. ci-dessus.
Les moyens de preuve ci-dessus sont reconnus sans autres formalités entre les Parties.
(2) Le commencement de preuve qu'il est satisfait aux conditions de réadmission de ressortissants d'un Etat tiers, énumérées à l'article 3, est fourni au moyen des documents ou des preuves ci-après :
1. les billets de transport nominatifs, les pièces ou factures si elles attestent l'entrée ou le séjour de la personne concernée sur le territoire de la Partie requise ou permettent de prouver son entrée sur le territoire de la Partie requérante à partir du territoire de la Partie requise (par exemple : notes d'hôtel, cartes de rendez-vous pour une consultation de médecin/dentiste, cartes d'accès dans des institutions publiques/privées, listes de passagers pour les voyages en avion ou en bateau);
2. des informations révélant que la personne concernée a utilisé les services d'un accompagnateur de voyage ou d'un bureau de voyages;
3. des déclarations officielles en particulier d'agents à la frontière de la Partie requise et d'autres fonctionnaires pouvant témoigner que la personne concernée a franchi la frontière la Partie requise;
4. des déclarations officielles de fonctionnaires concernant la présence de la personne concernée sur le territoire de la Partie requise;
5. un titre de séjour expiré depuis plus de deux ans, délivré par la Partie requise;
6. une déclaration écrite décrivant le lieu et les circonstances dans lesquels la personne concernée a été interceptée après l'entrée sur le territoire de la Partie requérante;
7. des informations qui ont été fournies par une organisation internationale concernant l'identité et le séjour de la personne concernée sur le territoire de la Partie requise ou de l'itinéraire qu'elle a suivi à partir du territoire de la Partie requise vers celui de la Partie requérante;
8. une déclaration de témoin présentée par une personne ayant accompagné la personne concernée lors de son voyage;
9. des déclarations de la personne concernée;
10. d'autres pièces (par exemple des cartes d'entrée non nominatives) ou des informations dignes de foi permettant de faire présumer suffisamment le séjour ou le transit sur le territoire de la Partie requise.
Si ce commencement de preuve est fourni, les Parties présument qu'il est satisfait aux conditions, à moins que la Partie requise ne puisse prouver le contraire.
(1) La preuve qu'il est satisfait aux conditions énumérées à l'article 3 concernant la réadmission de ressortissants d'un Etat tiers peut être apportée par les moyens de preuve mentionnés ci-après :
1. des visas ou titres de séjour en cours de validité délivrés par la Partie requise;
2. des visas ou titres de séjour délivrés par la Partie requise, dont la durée de validité a expiré depuis moins de deux ans;
3. des cachets d'entrée et/ou de sortie ou des annotations similaires dans le document de voyage de la personne concernée permettant de prouver son entrée ou son séjour sur le territoire de la Partie requise ou son entrée sur le territoire de la Partie requérante à partir du territoire de la Partie requise (itinéraire de son voyage);
4. des documents nominatifs délivrés par la Partie requise, (par exemple : permis de conduire, certificat de légitimation);
5. des documents de l'état-civil ou une immatriculation sur le territoire de la Partie requise;
6. des copies des documents visés sous 1. à 5. ci-dessus.
Les moyens de preuve ci-dessus sont reconnus sans autres formalités entre les Parties.
(2) Le commencement de preuve qu'il est satisfait aux conditions de réadmission de ressortissants d'un Etat tiers, énumérées à l'article 3, est fourni au moyen des documents ou des preuves ci-après :
1. les billets de transport nominatifs, les pièces ou factures si elles attestent l'entrée ou le séjour de la personne concernée sur le territoire de la Partie requise ou permettent de prouver son entrée sur le territoire de la Partie requérante à partir du territoire de la Partie requise (par exemple : notes d'hôtel, cartes de rendez-vous pour une consultation de médecin/dentiste, cartes d'accès dans des institutions publiques/privées, listes de passagers pour les voyages en avion ou en bateau);
2. des informations révélant que la personne concernée a utilisé les services d'un accompagnateur de voyage ou d'un bureau de voyages;
3. des déclarations officielles en particulier d'agents à la frontière de la Partie requise et d'autres fonctionnaires pouvant témoigner que la personne concernée a franchi la frontière la Partie requise;
4. des déclarations officielles de fonctionnaires concernant la présence de la personne concernée sur le territoire de la Partie requise;
5. un titre de séjour expiré depuis plus de deux ans, délivré par la Partie requise;
6. une déclaration écrite décrivant le lieu et les circonstances dans lesquels la personne concernée a été interceptée après l'entrée sur le territoire de la Partie requérante;
7. des informations qui ont été fournies par une organisation internationale concernant l'identité et le séjour de la personne concernée sur le territoire de la Partie requise ou de l'itinéraire qu'elle a suivi à partir du territoire de la Partie requise vers celui de la Partie requérante;
8. une déclaration de témoin présentée par une personne ayant accompagné la personne concernée lors de son voyage;
9. des déclarations de la personne concernée;
10. d'autres pièces (par exemple des cartes d'entrée non nominatives) ou des informations dignes de foi permettant de faire présumer suffisamment le séjour ou le transit sur le territoire de la Partie requise.
Si ce commencement de preuve est fourni, les Parties présument qu'il est satisfait aux conditions, à moins que la Partie requise ne puisse prouver le contraire.
Art. 7. Termijnen
(1) Het verzoek om terugname van een eigen onderdaan of staatsburger kan op ieder ogenblik door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij worden ingediend, wanneer is vastgesteld dat de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij.
(2) Het verzoek om overname van een onderdaan van een derde Staat moet door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij worden ingediend binnen een termijn van ten hoogste één jaar nadat de verzoekende Partij kennis heeft gekregen van het feit dat deze persoon niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij. Indien er juridische of feitelijke belemmeringen zijn waardoor het verzoek niet tijdig kan worden ingediend, wordt de termijn, op verzoek, verlengd doch uiterlijk totdat de belemmeringen zijn opgeheven.
(3) Een verzoek om terug- of overname moet onverwijld en in elk geval uiterlijk binnen een termijn van 28 kalenderdagen worden beantwoord en de afwijzing van een verzoek om terug- of overname moet worden gemotiveerd. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om terug- of overname. Wanneer niet binnen deze termijn wordt geantwoord, wordt aangenomen dat met de overdracht wordt ingestemd.
(4) De resultaten van een onderzoek in het bevolkingsregister overeenkomstig artikel 5, lid (3) moeten onverwijld en in elk geval binnen 7 kalenderdagen dagen vanaf de datum van het verzoek aan de verzoekende Partij worden verstrekt.
(5) Nadat de instemming is gegeven of, in voorkomend geval, nadat de termijn van 28 kalenderdagen is verstreken, draagt de verzoekende Partij de persoon met wiens terug- of overname werd ingestemd onverwijld en in elk geval uiterlijk binnen een termijn van drie maanden over. Deze termijn kan op verzoek worden verlengd met de tijd die nodig is om de juridische of praktische belemmeringen op te heffen.
(6) Op verzoek van de verzoekende Partij verstrekt de aangezochte Partij op naam van de over te dragen persoon onverwijld, doch uiterlijk binnen drie werkdagen, de voor zijn terugkeer noodzakelijke reisdocumenten met een geldigheidsduur van drie maanden. Kan de aangezochte Partij het gevraagde reisdocument niet binnen drie werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek verstrekken, dan wordt aangenomen dat zij instemt met het gebruik van een door de verzoekende Partij verstrekt reisdocument. Indien de betrokkene om juridische of feitelijke redenen niet binnen de geldigheidstermijn van het oorspronkelijk afgegeven reisdocument kan worden overgedragen dan verstrekt de aangezochte Partij binnen drie werkdagen een nieuw reisdocument met dezelfde geldigheidsduur.
(1) Het verzoek om terugname van een eigen onderdaan of staatsburger kan op ieder ogenblik door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij worden ingediend, wanneer is vastgesteld dat de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij.
(2) Het verzoek om overname van een onderdaan van een derde Staat moet door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij worden ingediend binnen een termijn van ten hoogste één jaar nadat de verzoekende Partij kennis heeft gekregen van het feit dat deze persoon niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij. Indien er juridische of feitelijke belemmeringen zijn waardoor het verzoek niet tijdig kan worden ingediend, wordt de termijn, op verzoek, verlengd doch uiterlijk totdat de belemmeringen zijn opgeheven.
(3) Een verzoek om terug- of overname moet onverwijld en in elk geval uiterlijk binnen een termijn van 28 kalenderdagen worden beantwoord en de afwijzing van een verzoek om terug- of overname moet worden gemotiveerd. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om terug- of overname. Wanneer niet binnen deze termijn wordt geantwoord, wordt aangenomen dat met de overdracht wordt ingestemd.
(4) De resultaten van een onderzoek in het bevolkingsregister overeenkomstig artikel 5, lid (3) moeten onverwijld en in elk geval binnen 7 kalenderdagen dagen vanaf de datum van het verzoek aan de verzoekende Partij worden verstrekt.
(5) Nadat de instemming is gegeven of, in voorkomend geval, nadat de termijn van 28 kalenderdagen is verstreken, draagt de verzoekende Partij de persoon met wiens terug- of overname werd ingestemd onverwijld en in elk geval uiterlijk binnen een termijn van drie maanden over. Deze termijn kan op verzoek worden verlengd met de tijd die nodig is om de juridische of praktische belemmeringen op te heffen.
(6) Op verzoek van de verzoekende Partij verstrekt de aangezochte Partij op naam van de over te dragen persoon onverwijld, doch uiterlijk binnen drie werkdagen, de voor zijn terugkeer noodzakelijke reisdocumenten met een geldigheidsduur van drie maanden. Kan de aangezochte Partij het gevraagde reisdocument niet binnen drie werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek verstrekken, dan wordt aangenomen dat zij instemt met het gebruik van een door de verzoekende Partij verstrekt reisdocument. Indien de betrokkene om juridische of feitelijke redenen niet binnen de geldigheidstermijn van het oorspronkelijk afgegeven reisdocument kan worden overgedragen dan verstrekt de aangezochte Partij binnen drie werkdagen een nieuw reisdocument met dezelfde geldigheidsduur.
Art. 7. Délais
(1) La demande de reprise d'un ressortissant propre ou d'un citoyen peut à tout moment être présentée par l'autorité compétente de la Partie requérante, lorsqu'il a été constaté que la personne concernée ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée, et/ou de séjour sur le territoire de la Partie requérante.
(2) La demande de réadmission d'un ressortissant d'un Etat tiers doit être présentée par l'autorité compétente de la Partie requérante dans un délai maximum d'un an après que la Partie requérante a eu connaissance du fait que cette personne ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée, et/ou de séjour sur le territoire de la Partie requérante. Lorsque des obstacles factuels ou juridiques s'opposent à ce que la demande soit présentée en temps voulu, le délai est prolongé, sur demande, mais seulement jusqu'au moment où les obstacles ont cessé d'exister.
(3) Une demande de reprise ou de réadmission doit recevoir une réponse dans des délais raisonnables et, en tout état de cause, dans un délai maximum de 28 jours calendrier. Le refus d'une demande de reprise ou de réadmission doit être motivé. Le délai commence à courir à la date de réception de la demande de reprise ou de réadmission. A l'expiration de ce délai, le transfert est réputé approuvé.
(4) Les résultats d'une recherche dans le registre de la population, visée à l'article 5, paragraphe (3), doivent être transmis sans délai à la Partie requérante, et au plus tard dans les 7 jours calendrier suivant la date de la demande.
(5) Après approbation ou, le cas échéant, à l'expiration du délai de 28 jours calendrier, la Partie requérante transfère sans délai la personne dont la reprise ou la réadmission a été acceptée et, en tout état de cause, au plus tard dans le délai de trois mois. Ce délai peut être prolongé sur demande aussi longtemps que des obstacles juridiques ou pratiques l'exigent.
(6) A la demande de la Partie requérante, la Partie requise délivre au nom de la personne à transférer sans délai, mais au plus tard dans les trois jours ouvrables, les documents de voyage nécessaires à son retour et ayant une durée de validité de trois mois. Si la Partie requise ne peut pas délivrer le document de voyage dans le délai de trois jours ouvrables suivant la date de la réception de la demande, elle est réputée accepter l'utilisation d'un document de voyage délivré par la Partie requérante. Si, pour des raisons juridiques ou factuelles, la personne ne peut pas être transférée dans le délai de validité du document de voyage initial délivré par la Partie requise, celle-ci délivre dans les trois jours ouvrables un nouveau document de voyage ayant la même durée de validité.
(1) La demande de reprise d'un ressortissant propre ou d'un citoyen peut à tout moment être présentée par l'autorité compétente de la Partie requérante, lorsqu'il a été constaté que la personne concernée ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée, et/ou de séjour sur le territoire de la Partie requérante.
(2) La demande de réadmission d'un ressortissant d'un Etat tiers doit être présentée par l'autorité compétente de la Partie requérante dans un délai maximum d'un an après que la Partie requérante a eu connaissance du fait que cette personne ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'entrée, et/ou de séjour sur le territoire de la Partie requérante. Lorsque des obstacles factuels ou juridiques s'opposent à ce que la demande soit présentée en temps voulu, le délai est prolongé, sur demande, mais seulement jusqu'au moment où les obstacles ont cessé d'exister.
(3) Une demande de reprise ou de réadmission doit recevoir une réponse dans des délais raisonnables et, en tout état de cause, dans un délai maximum de 28 jours calendrier. Le refus d'une demande de reprise ou de réadmission doit être motivé. Le délai commence à courir à la date de réception de la demande de reprise ou de réadmission. A l'expiration de ce délai, le transfert est réputé approuvé.
(4) Les résultats d'une recherche dans le registre de la population, visée à l'article 5, paragraphe (3), doivent être transmis sans délai à la Partie requérante, et au plus tard dans les 7 jours calendrier suivant la date de la demande.
(5) Après approbation ou, le cas échéant, à l'expiration du délai de 28 jours calendrier, la Partie requérante transfère sans délai la personne dont la reprise ou la réadmission a été acceptée et, en tout état de cause, au plus tard dans le délai de trois mois. Ce délai peut être prolongé sur demande aussi longtemps que des obstacles juridiques ou pratiques l'exigent.
(6) A la demande de la Partie requérante, la Partie requise délivre au nom de la personne à transférer sans délai, mais au plus tard dans les trois jours ouvrables, les documents de voyage nécessaires à son retour et ayant une durée de validité de trois mois. Si la Partie requise ne peut pas délivrer le document de voyage dans le délai de trois jours ouvrables suivant la date de la réception de la demande, elle est réputée accepter l'utilisation d'un document de voyage délivré par la Partie requérante. Si, pour des raisons juridiques ou factuelles, la personne ne peut pas être transférée dans le délai de validité du document de voyage initial délivré par la Partie requise, celle-ci délivre dans les trois jours ouvrables un nouveau document de voyage ayant la même durée de validité.
Art. 8. Overdrachtmodaliteiten en wijze van vervoer
(1) Voordat een persoon wordt overgedragen stellen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij schriftelijk de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij in kennis van de datum en de modaliteiten van de overdracht alsmede van het eventuele gebruik van begeleiders.
(2) Geen enkele wijze van vervoer, hetzij door de lucht, over land of over zee, is verboden doch in de regel geschiedt de overdracht door de lucht. De overdracht per vliegtuig kan plaatsvinden met gebruikmaking van lijn- of chartervluchten.
(1) Voordat een persoon wordt overgedragen stellen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij schriftelijk de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij in kennis van de datum en de modaliteiten van de overdracht alsmede van het eventuele gebruik van begeleiders.
(2) Geen enkele wijze van vervoer, hetzij door de lucht, over land of over zee, is verboden doch in de regel geschiedt de overdracht door de lucht. De overdracht per vliegtuig kan plaatsvinden met gebruikmaking van lijn- of chartervluchten.
Art. 8. Modalités de transfert et modes de transport
(1) Avant de transférer une personne, les autorités compétentes de la Partie requérante informent par écrit les autorités compétentes de la Partie requise de la date et des modalités du transfert, ainsi que du recours éventuel à des escortes.
(2) Aucun moyen de transport, que ce soit par voie aérienne, terrestre ou maritime, n'est interdit mais, de manière générale, le retour s'effectue par voie aérienne. Le transfert par voie aérienne peut s'effectuer dans le cadre de vols réguliers ou de vols charter.
(1) Avant de transférer une personne, les autorités compétentes de la Partie requérante informent par écrit les autorités compétentes de la Partie requise de la date et des modalités du transfert, ainsi que du recours éventuel à des escortes.
(2) Aucun moyen de transport, que ce soit par voie aérienne, terrestre ou maritime, n'est interdit mais, de manière générale, le retour s'effectue par voie aérienne. Le transfert par voie aérienne peut s'effectuer dans le cadre de vols réguliers ou de vols charter.
Art. 9. Doorgeleiding
(1) De Partijen staan de doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat over hun grondgebied toe indien een andere Partij daarom verzoekt, wanneer de verdere reis in eventuele andere Staten van doorreis en de overname door de Staat van bestemming verzekerd zijn.
(2) De Partijen doen het nodige om doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat te beperken tot gevallen waarin die personen niet rechtstreeks aan de Staat van bestemming kunnen worden overgedragen.
(3) Doorgeleiding kan door de Partijen worden geweigerd :
1. indien de onderdaan van een derde Staat in de Staat van bestemming of een andere Staat van doorreis een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, de doodstraf of te worden vervolgd op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging;
2. indien de onderdaan van een derde Staat op het grondgebied van de aangezochte Partij, strafrechtelijk vervolgd zal worden of de tenuitvoerlegging van een strafvonnis zal ondergaan.
(4) De Partijen kunnen elke verleende toestemming intrekken indien zich later omstandigheden als bedoeld in lid (3) voordoen die de doorgeleiding belemmeren of indien de verdere reis in eventuele Staten van doorreis of de overname door de Staat van bestemming niet meer verzekerd is. In die gevallen neemt de verzoekende Partij de betrokkene onverwijld op haar grondgebied terug.
(1) De Partijen staan de doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat over hun grondgebied toe indien een andere Partij daarom verzoekt, wanneer de verdere reis in eventuele andere Staten van doorreis en de overname door de Staat van bestemming verzekerd zijn.
(2) De Partijen doen het nodige om doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat te beperken tot gevallen waarin die personen niet rechtstreeks aan de Staat van bestemming kunnen worden overgedragen.
(3) Doorgeleiding kan door de Partijen worden geweigerd :
1. indien de onderdaan van een derde Staat in de Staat van bestemming of een andere Staat van doorreis een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, de doodstraf of te worden vervolgd op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging;
2. indien de onderdaan van een derde Staat op het grondgebied van de aangezochte Partij, strafrechtelijk vervolgd zal worden of de tenuitvoerlegging van een strafvonnis zal ondergaan.
(4) De Partijen kunnen elke verleende toestemming intrekken indien zich later omstandigheden als bedoeld in lid (3) voordoen die de doorgeleiding belemmeren of indien de verdere reis in eventuele Staten van doorreis of de overname door de Staat van bestemming niet meer verzekerd is. In die gevallen neemt de verzoekende Partij de betrokkene onverwijld op haar grondgebied terug.
Art. 9. Opérations de transit
(1) Les Parties autorisent le transit de ressortissants d'un Etat tiers par leur territoire, si une autre Partie en fait la demande, lorsque la poursuite du voyage dans d'éventuels autres Etats de transit, et la réadmission par l'Etat de destination sont assurées.
(2) Les Parties s'efforcent de limiter le transit des ressortissants d'un Etat tiers aux cas où ces personnes ne peuvent être éloignées directement vers le pays de destination.
(3) Le transit peut être refusé par les Parties :
1. si le ressortissant d'un Etat tiers court un risque réel d'être soumis à des tortures, à des peines ou traitements inhumains ou dégradants, à la peine de mort ou peut être poursuivi en raison de sa race, de sa religion, de sa nationalité, de son appartenance à un groupe social déterminé ou de ses convictions politiques dans l'Etat de destination ou un autre Etat de transit;
2. si le ressortissant d'un Etat tiers fait l'objet d'une poursuite pénale ou d'une exécution d'un jugement pénal sur le territoire de la Partie requise.
(4) Les Parties peuvent retirer une autorisation délivrée si les circonstances évoquées au paragraphe (3), qui sont de nature à empêcher le transit, se produisent ou viennent à être connues ultérieurement, ou si la poursuite du voyage dans d'éventuels Etats de transit ou la réadmission par l'Etat de destination n'est plus assurée. Dans ces cas, la Partie requérante reprend sur son territoire sans délai la personne concernée.
(1) Les Parties autorisent le transit de ressortissants d'un Etat tiers par leur territoire, si une autre Partie en fait la demande, lorsque la poursuite du voyage dans d'éventuels autres Etats de transit, et la réadmission par l'Etat de destination sont assurées.
(2) Les Parties s'efforcent de limiter le transit des ressortissants d'un Etat tiers aux cas où ces personnes ne peuvent être éloignées directement vers le pays de destination.
(3) Le transit peut être refusé par les Parties :
1. si le ressortissant d'un Etat tiers court un risque réel d'être soumis à des tortures, à des peines ou traitements inhumains ou dégradants, à la peine de mort ou peut être poursuivi en raison de sa race, de sa religion, de sa nationalité, de son appartenance à un groupe social déterminé ou de ses convictions politiques dans l'Etat de destination ou un autre Etat de transit;
2. si le ressortissant d'un Etat tiers fait l'objet d'une poursuite pénale ou d'une exécution d'un jugement pénal sur le territoire de la Partie requise.
(4) Les Parties peuvent retirer une autorisation délivrée si les circonstances évoquées au paragraphe (3), qui sont de nature à empêcher le transit, se produisent ou viennent à être connues ultérieurement, ou si la poursuite du voyage dans d'éventuels Etats de transit ou la réadmission par l'Etat de destination n'est plus assurée. Dans ces cas, la Partie requérante reprend sur son territoire sans délai la personne concernée.
Art. 10. Doorgeleidingsprocedure
(1) Een doorgeleidingsverzoek moet schriftelijk worden ingediend bij de bevoegde autoriteiten en moet de volgende inlichtingen bevatten :
1. type van doorgeleiding (door de lucht, over land of zee), de eventuele andere Staten van doorreis en de Staat van de beoogde eindbestemming;
2. personalia van de betrokkene (naam, voornamen, geboortedatum en, in voorkomend geval, geboorteplaats, nationaliteit of staatsburgerschap, aard en nummer van het reisdocument);
3. voorgestelde plaats van grensoverschrijding, tijdstip van overdracht en eventueel gebruik van begeleiders;
4. een verklaring waarin wordt gesteld dat volgens de verzoekende Partij is voldaan aan de voorwaarden vermeld in artikel 9, lid (1) en (2), en dat er geen redenen bekend zijn voor een weigering op grond van artikel 9, lid (3).
(2) De bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij brengt de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij onverwijld schriftelijk op de hoogte van de toelating, met bevestiging van de plaats waar de grens wordt overschreden en het geplande tijdstip van toelating, of van de weigering van de toelating en de redenen daarvoor.
(3) Indien de doorgeleiding door de lucht gebeurt, worden aan de door te geleiden persoon en eventuele begeleiders de noodzakelijke faciliteiten met het oog op toegang tot de nationale of internationale zone van de luchthaven van de aangezochte Partij verleend.
(4) De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij steunen, mits in onderling overleg, de doorgeleiding, met name door toezicht op de betrokkenen en stellen daartoe geschikte voorzieningen beschikbaar.
(1) Een doorgeleidingsverzoek moet schriftelijk worden ingediend bij de bevoegde autoriteiten en moet de volgende inlichtingen bevatten :
1. type van doorgeleiding (door de lucht, over land of zee), de eventuele andere Staten van doorreis en de Staat van de beoogde eindbestemming;
2. personalia van de betrokkene (naam, voornamen, geboortedatum en, in voorkomend geval, geboorteplaats, nationaliteit of staatsburgerschap, aard en nummer van het reisdocument);
3. voorgestelde plaats van grensoverschrijding, tijdstip van overdracht en eventueel gebruik van begeleiders;
4. een verklaring waarin wordt gesteld dat volgens de verzoekende Partij is voldaan aan de voorwaarden vermeld in artikel 9, lid (1) en (2), en dat er geen redenen bekend zijn voor een weigering op grond van artikel 9, lid (3).
(2) De bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij brengt de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij onverwijld schriftelijk op de hoogte van de toelating, met bevestiging van de plaats waar de grens wordt overschreden en het geplande tijdstip van toelating, of van de weigering van de toelating en de redenen daarvoor.
(3) Indien de doorgeleiding door de lucht gebeurt, worden aan de door te geleiden persoon en eventuele begeleiders de noodzakelijke faciliteiten met het oog op toegang tot de nationale of internationale zone van de luchthaven van de aangezochte Partij verleend.
(4) De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij steunen, mits in onderling overleg, de doorgeleiding, met name door toezicht op de betrokkenen en stellen daartoe geschikte voorzieningen beschikbaar.
Art. 10. Procédure de transit
(1) Toute demande de transit doit être adressée par écrit aux autorités compétentes et contenir les informations suivantes :
1. le type de transit (par voie aérienne, terrestre ou maritime), les autres Etats de transit éventuels et l'Etat de destination finale prévue;
2. les données personnelles de la personne concernée (nom, prénoms, date de naissance, et, le cas échéant, lieu de naissance, nationalité, nature et numéro du document de voyage);
3. le point de passage frontalier envisagé, la date du transfert et le recours éventuel à des escortes;
4. une déclaration précisant que, du point de vue de la Partie requérante, les conditions visées à l'article 9, paragraphes (1) et (2), sont remplies et qu'aucune raison justifiant un refus au sens de l'article 9, paragraphe (3), n'est connue.
(2) L'autorité compétente de la Partie requise informe, sans délais et par écrit, l'autorité compétente de la Partie requérante de l'admission, en confirmant le point de passage frontalier et la date d'admission envisagée, ou l'informe du refus d'admission et des raisons de ce refus.
(3) Lorsque le transit s'effectue par voie aérienne, la personne à faire transiter et les éventuelles escortes se verront octroyer les facilités nécessaires d'accès dans la zone nationale ou internationale de l'aéroport de la Partie requise.
(4) Les autorités compétentes de la Partie requise, sous réserve de consultations mutuelles, soutiennent le transit, en particulier par une surveillance des personnes concernées et par la fourniture des équipements appropriés à cet effet.
(1) Toute demande de transit doit être adressée par écrit aux autorités compétentes et contenir les informations suivantes :
1. le type de transit (par voie aérienne, terrestre ou maritime), les autres Etats de transit éventuels et l'Etat de destination finale prévue;
2. les données personnelles de la personne concernée (nom, prénoms, date de naissance, et, le cas échéant, lieu de naissance, nationalité, nature et numéro du document de voyage);
3. le point de passage frontalier envisagé, la date du transfert et le recours éventuel à des escortes;
4. une déclaration précisant que, du point de vue de la Partie requérante, les conditions visées à l'article 9, paragraphes (1) et (2), sont remplies et qu'aucune raison justifiant un refus au sens de l'article 9, paragraphe (3), n'est connue.
(2) L'autorité compétente de la Partie requise informe, sans délais et par écrit, l'autorité compétente de la Partie requérante de l'admission, en confirmant le point de passage frontalier et la date d'admission envisagée, ou l'informe du refus d'admission et des raisons de ce refus.
(3) Lorsque le transit s'effectue par voie aérienne, la personne à faire transiter et les éventuelles escortes se verront octroyer les facilités nécessaires d'accès dans la zone nationale ou internationale de l'aéroport de la Partie requise.
(4) Les autorités compétentes de la Partie requise, sous réserve de consultations mutuelles, soutiennent le transit, en particulier par une surveillance des personnes concernées et par la fourniture des équipements appropriés à cet effet.
Art. 11. Kosten
Onverminderd het recht van de bevoegde autoriteiten om de aan de terug- of overname verbonden kosten van de terug of over te nemen persoon of derden terug te vorderen, komen alle kosten in verband met terug- of overname en doorgeleiding uit hoofde van deze Overeenkomst tot aan de grens van de Staat van eindbestemming ten laste van de verzoekende Partij.
Onverminderd het recht van de bevoegde autoriteiten om de aan de terug- of overname verbonden kosten van de terug of over te nemen persoon of derden terug te vorderen, komen alle kosten in verband met terug- of overname en doorgeleiding uit hoofde van deze Overeenkomst tot aan de grens van de Staat van eindbestemming ten laste van de verzoekende Partij.
Art. 11. Coûts
Sans préjudice du droit des autorités compétentes de récupérer les coûts liés à la reprise ou à la réadmission auprès de la personne à reprendre ou à réadmettre ou de tiers, tous les frais de transport jusqu'à la frontière de l'Etat de destination finale, engagés dans le cadre de la reprise, de la réadmission et du transit, en application du présent Accord, sont à charge de la Partie requérante.
Sans préjudice du droit des autorités compétentes de récupérer les coûts liés à la reprise ou à la réadmission auprès de la personne à reprendre ou à réadmettre ou de tiers, tous les frais de transport jusqu'à la frontière de l'Etat de destination finale, engagés dans le cadre de la reprise, de la réadmission et du transit, en application du présent Accord, sont à charge de la Partie requérante.
Art. 12. Gegevensbescherming
Persoonsgegevens worden alleen verstrekt wanneer dit nodig is voor de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst door de bevoegde autoriteiten van de Partijen. De verwerking en behandeling van persoonsgegevens in een bepaald geval zijn onderworpen aan de wetgeving van de Republiek Kosovo en, wanneer de behandeling door een bevoegde autoriteit van een Benelux-Staat wordt uitgevoerd, aan de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en de uit hoofde van deze Richtlijn vastgestelde nationale wetgeving. Daarnaast zijn de volgende beginselen van toepassing :
1. persoonsgegevens moeten redelijk en rechtmatig worden verwerkt;
2. persoonsgegevens moeten voor het welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel van de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst worden verkregen en mogen door de mededelende of ontvangende autoriteit niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met dat doel;
3. persoonsgegevens moeten passend, relevant en niet bovenmatig zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld en/of vervolgens worden verwerkt; de verstrekte persoonsgegevens mogen met name uitsluitend betrekking hebben op :
- de personalia van de over te dragen persoon (naam, voornaam, eventuele vroegere namen, bijnamen of pseudoniemen, geboortedatum en -plaats, geslacht, huidige en vorige nationaliteit of staatsburgerschap);
- identiteitsbewijs of paspoort (serienummer, geldigheidsduur, datum van afgifte, afgevende autoriteit, plaats van afgifte);
- verblijfplaatsen en reisroutes;
- andere voor identificatie van de over te dragen persoon of voor het onderzoek van de terug- of overnamevereisten uit hoofde van deze Overeenkomst dienstige gegevens;
4. persoonsgegevens moeten nauwkeurig zijn en moeten zonodig worden bijgewerkt;
5. persoonsgegevens mogen in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is;
6. de mededelende en de ontvangende autoriteit treffen alle passende maatregelen om waar nodig te zorgen voor het rectificeren, het schrappen of het afschermen van persoonsgegevens wanneer de verwerking niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit artikel, met name omdat de gegevens niet passend, irrelevant, onnauwkeurig of bovenmatig zijn in verhouding tot het doel van de verwerking. Dit behelst tevens de kennisgeving van elke rectificatie, schrapping of afscherming aan de andere Partij;
7. op verzoek stelt de ontvangende autoriteit de mededelende autoriteit in kennis van het gebruik dat van de verstrekte gegevens is gemaakt en van de daardoor verkregen resultaten;
8. persoonsgegevens mogen uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt. Voor de verdere verstrekking aan andere instanties is de voorafgaande goedkeuring van de mededelende autoriteit vereist;
9. de mededelende en ontvangende autoriteiten zijn verplicht de verstrekking en ontvangst van persoonsgegevens schriftelijk te registreren.
Persoonsgegevens worden alleen verstrekt wanneer dit nodig is voor de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst door de bevoegde autoriteiten van de Partijen. De verwerking en behandeling van persoonsgegevens in een bepaald geval zijn onderworpen aan de wetgeving van de Republiek Kosovo en, wanneer de behandeling door een bevoegde autoriteit van een Benelux-Staat wordt uitgevoerd, aan de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en de uit hoofde van deze Richtlijn vastgestelde nationale wetgeving. Daarnaast zijn de volgende beginselen van toepassing :
1. persoonsgegevens moeten redelijk en rechtmatig worden verwerkt;
2. persoonsgegevens moeten voor het welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel van de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst worden verkregen en mogen door de mededelende of ontvangende autoriteit niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met dat doel;
3. persoonsgegevens moeten passend, relevant en niet bovenmatig zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld en/of vervolgens worden verwerkt; de verstrekte persoonsgegevens mogen met name uitsluitend betrekking hebben op :
- de personalia van de over te dragen persoon (naam, voornaam, eventuele vroegere namen, bijnamen of pseudoniemen, geboortedatum en -plaats, geslacht, huidige en vorige nationaliteit of staatsburgerschap);
- identiteitsbewijs of paspoort (serienummer, geldigheidsduur, datum van afgifte, afgevende autoriteit, plaats van afgifte);
- verblijfplaatsen en reisroutes;
- andere voor identificatie van de over te dragen persoon of voor het onderzoek van de terug- of overnamevereisten uit hoofde van deze Overeenkomst dienstige gegevens;
4. persoonsgegevens moeten nauwkeurig zijn en moeten zonodig worden bijgewerkt;
5. persoonsgegevens mogen in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is;
6. de mededelende en de ontvangende autoriteit treffen alle passende maatregelen om waar nodig te zorgen voor het rectificeren, het schrappen of het afschermen van persoonsgegevens wanneer de verwerking niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit artikel, met name omdat de gegevens niet passend, irrelevant, onnauwkeurig of bovenmatig zijn in verhouding tot het doel van de verwerking. Dit behelst tevens de kennisgeving van elke rectificatie, schrapping of afscherming aan de andere Partij;
7. op verzoek stelt de ontvangende autoriteit de mededelende autoriteit in kennis van het gebruik dat van de verstrekte gegevens is gemaakt en van de daardoor verkregen resultaten;
8. persoonsgegevens mogen uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt. Voor de verdere verstrekking aan andere instanties is de voorafgaande goedkeuring van de mededelende autoriteit vereist;
9. de mededelende en ontvangende autoriteiten zijn verplicht de verstrekking en ontvangst van persoonsgegevens schriftelijk te registreren.
Art. 12. Protection des données
La communication de données à caractère personnel n'a lieu que pour autant que cette communication est nécessaire à l'exécution du présent Accord par les autorités compétentes des Parties. Le traitement des données à caractère personnel, dans les cas d'espèce, est régi par la législation de la République du Kosovo et, lorsque le traitement est effectué par une autorité compétente d'un Etat du Benelux, par les dispositions de la Directive 95/46 /CE du 24 octobre 1995 relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement de données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et de la législation nationale adoptée en application de cette Directive. En outre, les principes suivants s'appliquent :
1. les données à caractère personnel doivent être traitées loyalement et licitement;
2. les données à caractère personnel doivent être collectées dans le but spécifique, explicite et légitime de la mise en oeuvre du présent Accord et ne pas être traitées ultérieurement, par l'autorité qui les communique ou par l'autorité destinataire, de manière incompatible avec cette finalité;
3. les données à caractère personnel doivent être adéquates, pertinentes et non excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont collectées et pour lesquelles elles sont traitées ultérieurement; en particulier, les données à caractère personnel communiquées ne peuvent porter que sur les informations suivantes :
- les renseignements individuels sur la personne à transférer (le nom de famille, le prénom, tout nom antérieur, surnom ou nom d'emprunt, la date et le lieu de naissance, le sexe, la nationalité ou la citoyenneté actuelle et toute nationalité ou citoyenneté antérieure);
- la carte d'identité ou le passeport (le numéro de série, la durée de validité, la date, l'autorité et le lieu de délivrance);
- les lieux de séjour et les itinéraires;
- d'autres informations nécessaires pour l'identification de la personne à transférer ou pour l'examen des exigences en matière de reprise ou de réadmission prévues dans le présent Accord;
4. les données à caractère personnel doivent être exactes et, si nécessaire, mises à jour;
5. les données à caractère personnel doivent être conservées sous une forme permettant l'identification des personnes concernées pendant une durée n'excédant pas celle nécessaire à la réalisation des finalités pour lesquelles elles sont collectées ou pour lesquelles elles sont traitées ultérieurement;
6. tant l'autorité qui communique les données que l'autorité qui les reçoit prennent toute mesure utile pour garantir selon le cas la rectification, l'effacement ou le verrouillage des données à caractère personnel dont le traitement n'est pas conforme aux dispositions du présent article, en particulier parce que les données ne sont pas adéquates, pertinentes et exactes ou qu'elles sont excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées; cela inclut la notification à l'autre Partie de toute rectification, tout effacement ou tout verrouillage;
7. sur demande, le destinataire informe l'autorité ayant communiqué les données de l'utilisation qui en a été faite et des résultats obtenus;
8. les données à caractère personnel ne peuvent être communiquées qu'aux autorités compétentes; leur transmission ultérieure à d'autres organes nécessite le consentement préalable de l'autorité chargée de leur communication;
9. l'autorité de transmission des données et celle de réception sont tenues de procéder à un enregistrement écrit de la communication et de la réception des données à caractère personnel.
La communication de données à caractère personnel n'a lieu que pour autant que cette communication est nécessaire à l'exécution du présent Accord par les autorités compétentes des Parties. Le traitement des données à caractère personnel, dans les cas d'espèce, est régi par la législation de la République du Kosovo et, lorsque le traitement est effectué par une autorité compétente d'un Etat du Benelux, par les dispositions de la Directive 95/46 /CE du 24 octobre 1995 relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement de données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et de la législation nationale adoptée en application de cette Directive. En outre, les principes suivants s'appliquent :
1. les données à caractère personnel doivent être traitées loyalement et licitement;
2. les données à caractère personnel doivent être collectées dans le but spécifique, explicite et légitime de la mise en oeuvre du présent Accord et ne pas être traitées ultérieurement, par l'autorité qui les communique ou par l'autorité destinataire, de manière incompatible avec cette finalité;
3. les données à caractère personnel doivent être adéquates, pertinentes et non excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont collectées et pour lesquelles elles sont traitées ultérieurement; en particulier, les données à caractère personnel communiquées ne peuvent porter que sur les informations suivantes :
- les renseignements individuels sur la personne à transférer (le nom de famille, le prénom, tout nom antérieur, surnom ou nom d'emprunt, la date et le lieu de naissance, le sexe, la nationalité ou la citoyenneté actuelle et toute nationalité ou citoyenneté antérieure);
- la carte d'identité ou le passeport (le numéro de série, la durée de validité, la date, l'autorité et le lieu de délivrance);
- les lieux de séjour et les itinéraires;
- d'autres informations nécessaires pour l'identification de la personne à transférer ou pour l'examen des exigences en matière de reprise ou de réadmission prévues dans le présent Accord;
4. les données à caractère personnel doivent être exactes et, si nécessaire, mises à jour;
5. les données à caractère personnel doivent être conservées sous une forme permettant l'identification des personnes concernées pendant une durée n'excédant pas celle nécessaire à la réalisation des finalités pour lesquelles elles sont collectées ou pour lesquelles elles sont traitées ultérieurement;
6. tant l'autorité qui communique les données que l'autorité qui les reçoit prennent toute mesure utile pour garantir selon le cas la rectification, l'effacement ou le verrouillage des données à caractère personnel dont le traitement n'est pas conforme aux dispositions du présent article, en particulier parce que les données ne sont pas adéquates, pertinentes et exactes ou qu'elles sont excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées; cela inclut la notification à l'autre Partie de toute rectification, tout effacement ou tout verrouillage;
7. sur demande, le destinataire informe l'autorité ayant communiqué les données de l'utilisation qui en a été faite et des résultats obtenus;
8. les données à caractère personnel ne peuvent être communiquées qu'aux autorités compétentes; leur transmission ultérieure à d'autres organes nécessite le consentement préalable de l'autorité chargée de leur communication;
9. l'autorité de transmission des données et celle de réception sont tenues de procéder à un enregistrement écrit de la communication et de la réception des données à caractère personnel.
Art. 13. Onverminderde toepasselijkheid
Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan de verplichtingen die voortvloeien uit :
1. het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, als gewijzigd bij het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen en het Verdrag van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen;
2. verdragen inzake uitlevering en doorgeleiding;
3. het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
4. het Internationale Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten;
5. het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
6. het Europese Verdrag van 26 november 1987 ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
7. het Europese gemeenschapsrecht waaronder het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen en de op 19 juni 1990 gesloten Overeenkomst ter uitvoering van genoemd Akkoord van Schengen;
8. internationale asielovereenkomsten, met name de Verordening (EG) Nr 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke Lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de Lidstaten wordt ingediend;
9. internationale conventies en overeenkomsten betreffende de overname van vreemde onderdanen. In het bijzonder geldt dit voor de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago van 7 december 1944
Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan de verplichtingen die voortvloeien uit :
1. het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, als gewijzigd bij het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen en het Verdrag van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen;
2. verdragen inzake uitlevering en doorgeleiding;
3. het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
4. het Internationale Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten;
5. het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
6. het Europese Verdrag van 26 november 1987 ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
7. het Europese gemeenschapsrecht waaronder het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen en de op 19 juni 1990 gesloten Overeenkomst ter uitvoering van genoemd Akkoord van Schengen;
8. internationale asielovereenkomsten, met name de Verordening (EG) Nr 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke Lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de Lidstaten wordt ingediend;
9. internationale conventies en overeenkomsten betreffende de overname van vreemde onderdanen. In het bijzonder geldt dit voor de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago van 7 december 1944
Art. 13. Clause de non-incidence
Le présent Accord ne porte pas atteinte aux obligations découlant :
1. de la Convention du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, modifiée par le Protocole du 31 janvier 1967 relatif au statut des réfugiés et de la Convention du 28 septembre 1954 relative au statut des apatrides;
2. des traités relatifs à l'extradition et au transit;
3. de la Convention du 4 novembre 1950 relative à la sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales;
4. du Pacte international du 19 décembre 1966 relatif aux droits civils et politiques;
5. de la Convention du 10 décembre 1984 contre la torture et autres peines ou traitements cruels, inhumains ou dégradants;
6. de la Convention européenne du 26 novembre 1987 pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants;
7. du droit communautaire européen y compris de l'Accord de Schengen du 14 juin 1985 relatif à la suppression graduelle des contrôles aux frontières communes et de la Convention d'application de cet Accord de Schengen du 19 juin 1990;
8. de conventions internationales en matière d'asile, notamment du Règlement (CE) N° 343/ 2003 du Conseil du 18 février 2003 établissant les critères et mécanismes de détermination de l'Etat membre responsable de l'examen d'une demande d'asile présentée dans l'un des Etats membres par un ressortissant d'un pays tiers;
9. de conventions et d'accords internationaux relatifs à la réadmission des ressortissants étrangers. Ceci s'applique en particulier à l'Annexe 9 de la Convention de Chicago du 7 décembre 1944.
Le présent Accord ne porte pas atteinte aux obligations découlant :
1. de la Convention du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, modifiée par le Protocole du 31 janvier 1967 relatif au statut des réfugiés et de la Convention du 28 septembre 1954 relative au statut des apatrides;
2. des traités relatifs à l'extradition et au transit;
3. de la Convention du 4 novembre 1950 relative à la sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales;
4. du Pacte international du 19 décembre 1966 relatif aux droits civils et politiques;
5. de la Convention du 10 décembre 1984 contre la torture et autres peines ou traitements cruels, inhumains ou dégradants;
6. de la Convention européenne du 26 novembre 1987 pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants;
7. du droit communautaire européen y compris de l'Accord de Schengen du 14 juin 1985 relatif à la suppression graduelle des contrôles aux frontières communes et de la Convention d'application de cet Accord de Schengen du 19 juin 1990;
8. de conventions internationales en matière d'asile, notamment du Règlement (CE) N° 343/ 2003 du Conseil du 18 février 2003 établissant les critères et mécanismes de détermination de l'Etat membre responsable de l'examen d'une demande d'asile présentée dans l'un des Etats membres par un ressortissant d'un pays tiers;
9. de conventions et d'accords internationaux relatifs à la réadmission des ressortissants étrangers. Ceci s'applique en particulier à l'Annexe 9 de la Convention de Chicago du 7 décembre 1944.
Art. 14. Comité van deskundigen
(1) De Partijen verlenen elkaar onderling hulp bij de toepassing en uitlegging van deze Overeenkomst. Daartoe stellen zij een Comité van deskundigen in dat met name :
1. de toepassing van deze Overeenkomst volgt;
2. voorstellen doet om vraagstukken in verband met de toepassing van deze Overeenkomst op te lossen;
3. wijzigingen van en aanvullingen op deze Overeenkomst voorstelt;
4. passende maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie uitwerkt en aanbeveelt.
(2) De Partijen behouden zich het recht voor om de door het Comité van deskundigen voorgestelde maatregelen al dan niet goed te keuren.
(3) Het Comité bestaat uit één vertegenwoordiger voor België, één vertegenwoordiger voor Luxemburg, één vertegenwoordiger voor Nederland en drie (3) vertegenwoordigers voor de Republiek Kosovo. De Partijen wijzen daarin de voorzitter en zijn plaatsvervangers aan. Plaatsvervangende leden worden benoemd. Indien nodig kunnen andere deskundigen bij de werkzaamheden van het Comité worden betrokken.
(4) Het Comité komt indien nodig bijeen op verzoek van één van de Partijen.
(1) De Partijen verlenen elkaar onderling hulp bij de toepassing en uitlegging van deze Overeenkomst. Daartoe stellen zij een Comité van deskundigen in dat met name :
1. de toepassing van deze Overeenkomst volgt;
2. voorstellen doet om vraagstukken in verband met de toepassing van deze Overeenkomst op te lossen;
3. wijzigingen van en aanvullingen op deze Overeenkomst voorstelt;
4. passende maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie uitwerkt en aanbeveelt.
(2) De Partijen behouden zich het recht voor om de door het Comité van deskundigen voorgestelde maatregelen al dan niet goed te keuren.
(3) Het Comité bestaat uit één vertegenwoordiger voor België, één vertegenwoordiger voor Luxemburg, één vertegenwoordiger voor Nederland en drie (3) vertegenwoordigers voor de Republiek Kosovo. De Partijen wijzen daarin de voorzitter en zijn plaatsvervangers aan. Plaatsvervangende leden worden benoemd. Indien nodig kunnen andere deskundigen bij de werkzaamheden van het Comité worden betrokken.
(4) Het Comité komt indien nodig bijeen op verzoek van één van de Partijen.
Art. 14. Comité d'experts
(1) Les Parties se prêtent mutuellement assistance pour l'application et l'interprétation du présent Accord. A cette fin, elles instituent un comité d'experts chargé en particulier :
1. de suivre l'application du présent Accord;
2. de faire des propositions afin de régler les problèmes que pose l'application du présent Accord;
3. de proposer des modifications et des compléments au présent Accord;
4. d'élaborer et de recommander des mesures appropriées visant à lutter contre l'immigration illégale.
(2) Les Parties se réservent d'approuver ou de désapprouver les mesures proposées par le Comité d'experts.
(3) Le Comité se compose d'un représentant pour la Belgique, d'un représentant pour le Luxembourg, d'un représentant pour les Pays-Bas et de trois (3) représentants pour la République du Kosovo. Les Parties y désignent le président et ses suppléants. Des membres suppléants sont nommés. En cas de besoin, des autres experts peuvent être associés aux travaux du comité.
(4) Le Comité se réunit en cas de nécessité sur proposition d'une des Parties.
(1) Les Parties se prêtent mutuellement assistance pour l'application et l'interprétation du présent Accord. A cette fin, elles instituent un comité d'experts chargé en particulier :
1. de suivre l'application du présent Accord;
2. de faire des propositions afin de régler les problèmes que pose l'application du présent Accord;
3. de proposer des modifications et des compléments au présent Accord;
4. d'élaborer et de recommander des mesures appropriées visant à lutter contre l'immigration illégale.
(2) Les Parties se réservent d'approuver ou de désapprouver les mesures proposées par le Comité d'experts.
(3) Le Comité se compose d'un représentant pour la Belgique, d'un représentant pour le Luxembourg, d'un représentant pour les Pays-Bas et de trois (3) représentants pour la République du Kosovo. Les Parties y désignent le président et ses suppléants. Des membres suppléants sont nommés. En cas de besoin, des autres experts peuvent être associés aux travaux du comité.
(4) Le Comité se réunit en cas de nécessité sur proposition d'une des Parties.
Art. 15. Uitvoeringsprotocol
Alle nodige praktische bepalingen voor de uitvoering van deze Overeenkomst worden in het Uitvoeringsprotocol vastgelegd. In het Uitvoeringsprotocol wordt onder andere geregeld :
1. de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten van de Partijen;
2. de aanwijzing van de plaatsen voor het overschrijden van de grenzen;
3. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop begeleiding plaatsvindt van terug of over te nemen of door te geleiden personen.
Alle nodige praktische bepalingen voor de uitvoering van deze Overeenkomst worden in het Uitvoeringsprotocol vastgelegd. In het Uitvoeringsprotocol wordt onder andere geregeld :
1. de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten van de Partijen;
2. de aanwijzing van de plaatsen voor het overschrijden van de grenzen;
3. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop begeleiding plaatsvindt van terug of over te nemen of door te geleiden personen.
Art. 15. Protocole d'application
Toutes les dispositions pratiques pour l'application du présent Accord sont arrêtées dans le Protocole d'application. Le Protocole d'application règle notamment :
1. la désignation des autorités compétentes;
2. la désignation des points de passage frontaliers;
3. les conditions applicables au transit sous escorte des personnes à reprendre ou à réadmettre ou à faire transiter.
Toutes les dispositions pratiques pour l'application du présent Accord sont arrêtées dans le Protocole d'application. Le Protocole d'application règle notamment :
1. la désignation des autorités compétentes;
2. la désignation des points de passage frontaliers;
3. les conditions applicables au transit sous escorte des personnes à reprendre ou à réadmettre ou à faire transiter.
Art. 16. Territoriale toepassing
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, kan de toepassing van deze Overeenkomst tot de buiten Europa gelegen gebiedsdelen van het Koninkrijk worden uitgebreid door een kennisgeving aan de Regering van het Koninkrijk België, depositaris van deze Overeenkomst, die de overige Partijen hiervan in kennis stelt.
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, kan de toepassing van deze Overeenkomst tot de buiten Europa gelegen gebiedsdelen van het Koninkrijk worden uitgebreid door een kennisgeving aan de Regering van het Koninkrijk België, depositaris van deze Overeenkomst, die de overige Partijen hiervan in kennis stelt.
Art. 16. Application territoriale
En ce qui concerne le Royaume des Pays-Bas, l'application du présent Accord peut être étendue aux territoires du Royaume situés hors Europe par une notification au Gouvernement du Royaume de Belgique, dépositaire du présent Accord, qui en informe les autres Parties.
En ce qui concerne le Royaume des Pays-Bas, l'application du présent Accord peut être étendue aux territoires du Royaume situés hors Europe par une notification au Gouvernement du Royaume de Belgique, dépositaire du présent Accord, qui en informe les autres Parties.
Art. 17. Inwerkingtreding
(1) Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum van ontvangst door de Regering van het Koninkrijk België van de notificaties van twee Ondertekenende Staten, waarvan de ene de Republiek Kosovo is, waarbij ervan kennis wordt gegeven dat de voor de inwerkingtreding vereiste interne formaliteiten zijn nageleefd.
(2) Ten aanzien van iedere andere Ondertekenende Staat treedt deze Overeenkomst in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum van ontvangst door de Regering van het Koninkrijk België van de notificatie waarbij ervan kennis wordt gegeven dat de voor de inwerkingtreding vereiste interne formaliteiten zijn nageleefd.
(3) De Regering van het Koninkrijk België stelt ieder der Ondertekenende Staten in kennis van de in lid (1) en (2) bedoelde notificaties en van de data van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst ten aanzien van de Partijen.
(1) Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum van ontvangst door de Regering van het Koninkrijk België van de notificaties van twee Ondertekenende Staten, waarvan de ene de Republiek Kosovo is, waarbij ervan kennis wordt gegeven dat de voor de inwerkingtreding vereiste interne formaliteiten zijn nageleefd.
(2) Ten aanzien van iedere andere Ondertekenende Staat treedt deze Overeenkomst in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum van ontvangst door de Regering van het Koninkrijk België van de notificatie waarbij ervan kennis wordt gegeven dat de voor de inwerkingtreding vereiste interne formaliteiten zijn nageleefd.
(3) De Regering van het Koninkrijk België stelt ieder der Ondertekenende Staten in kennis van de in lid (1) en (2) bedoelde notificaties en van de data van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst ten aanzien van de Partijen.
Art. 17. Entrée en vigueur
(1) Le présent Accord entre en vigueur le premier jour du deuxième mois suivant la date de réception par le Gouvernement du Royaume de Belgique des notifications de deux Etats signataires, dont l'un est la République du Kosovo, signifiant l'accomplissement des formalités internes requises pour son entrée en vigueur.
(2) A l'égard de tout autre Etat signataire, le présent Accord produit ses effets le premier jour du deuxième mois suivant la date de réception par le Gouvernement du Royaume de Belgique de la notification d'accomplissement des formalités internes requises pour son entrée en vigueur.
(3) Le Gouvernement du Royaume de Belgique informe chacun des Etats signataires des notifications visées aux paragraphes (1) et (2) et des dates d'entrée en vigueur du présent Accord à l'égard des Parties.
(1) Le présent Accord entre en vigueur le premier jour du deuxième mois suivant la date de réception par le Gouvernement du Royaume de Belgique des notifications de deux Etats signataires, dont l'un est la République du Kosovo, signifiant l'accomplissement des formalités internes requises pour son entrée en vigueur.
(2) A l'égard de tout autre Etat signataire, le présent Accord produit ses effets le premier jour du deuxième mois suivant la date de réception par le Gouvernement du Royaume de Belgique de la notification d'accomplissement des formalités internes requises pour son entrée en vigueur.
(3) Le Gouvernement du Royaume de Belgique informe chacun des Etats signataires des notifications visées aux paragraphes (1) et (2) et des dates d'entrée en vigueur du présent Accord à l'égard des Parties.
Art. 18. Schorsing, opzegging
(1) Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.
(2) Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden gezamenlijk en de Republiek Kosovo kunnen deze Overeenkomst, na kennisgeving aan de Regering van het Koninkrijk België, die de overige Partijen hiervan in kennis stelt, om ernstige redenen, met name in verband met de bescherming van de staatsveiligheid, de openbare orde of de volksgezondheid, schorsen. Wat betreft de intrekking van een dergelijke maatregel, brengen de Partijen elkaar onverwijld via diplomatieke weg op de hoogte.
(3) De schorsing van deze Overeenkomst wordt van kracht op de eerste dag van de eerste maand volgende op de maand waarin de kennisgeving bedoeld in lid (2) door de Regering van het Koninkrijk België is ontvangen.
(4) Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden gezamenlijk en de Republiek Kosovo kunnen deze Overeenkomst, na mededeling aan de Regering van het Koninkrijk België, die de overige Partijen hiervan in kennis stelt, om ernstige redenen opzeggen.
(5) De opzegging van deze Overeenkomst wordt van kracht op de eerste dag van de tweede maand volgende op de maand waarin de kennisgeving bedoeld in lid (4) door de Regering van het Koninkrijk België is ontvangen.
(1) Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.
(2) Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden gezamenlijk en de Republiek Kosovo kunnen deze Overeenkomst, na kennisgeving aan de Regering van het Koninkrijk België, die de overige Partijen hiervan in kennis stelt, om ernstige redenen, met name in verband met de bescherming van de staatsveiligheid, de openbare orde of de volksgezondheid, schorsen. Wat betreft de intrekking van een dergelijke maatregel, brengen de Partijen elkaar onverwijld via diplomatieke weg op de hoogte.
(3) De schorsing van deze Overeenkomst wordt van kracht op de eerste dag van de eerste maand volgende op de maand waarin de kennisgeving bedoeld in lid (2) door de Regering van het Koninkrijk België is ontvangen.
(4) Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden gezamenlijk en de Republiek Kosovo kunnen deze Overeenkomst, na mededeling aan de Regering van het Koninkrijk België, die de overige Partijen hiervan in kennis stelt, om ernstige redenen opzeggen.
(5) De opzegging van deze Overeenkomst wordt van kracht op de eerste dag van de tweede maand volgende op de maand waarin de kennisgeving bedoeld in lid (4) door de Regering van het Koninkrijk België is ontvangen.
Art. 18. Suspension, dénonciation
(1) Le présent Accord est signé pour une durée indéterminée.
(2) Le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas conjointement, et la République du Kosovo peuvent suspendre le présent Accord après notification au Gouvernement du Royaume de Belgique, qui en informe les autres Parties, pour des motifs graves en particulier en raison de la protection de la sûreté de l'Etat, de l'ordre public ou de la santé publique. Les Parties s'informent mutuellement sans tarder, par la voie diplomatique, de la levée d'une telle mesure.
(3) La suspension du présent Accord prend effet le premier jour du premier mois suivant celui où le Gouvernement du Royaume de Belgique a reçu la notification visée au paragraphe (2).
(4) Le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas conjointement, et la République du Kosovo peuvent, après en avoir donné notification au Gouvernement du Royaume de Belgique, qui en informera les autres Parties, dénoncer le présent Accord pour des raisons graves.
(5) La dénonciation du présent Accord prend effet le premier jour du deuxième mois suivant celui où le Gouvernement du Royaume de Belgique a reçu la notification visée au paragraphe (4).
(1) Le présent Accord est signé pour une durée indéterminée.
(2) Le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas conjointement, et la République du Kosovo peuvent suspendre le présent Accord après notification au Gouvernement du Royaume de Belgique, qui en informe les autres Parties, pour des motifs graves en particulier en raison de la protection de la sûreté de l'Etat, de l'ordre public ou de la santé publique. Les Parties s'informent mutuellement sans tarder, par la voie diplomatique, de la levée d'une telle mesure.
(3) La suspension du présent Accord prend effet le premier jour du premier mois suivant celui où le Gouvernement du Royaume de Belgique a reçu la notification visée au paragraphe (2).
(4) Le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas conjointement, et la République du Kosovo peuvent, après en avoir donné notification au Gouvernement du Royaume de Belgique, qui en informera les autres Parties, dénoncer le présent Accord pour des raisons graves.
(5) La dénonciation du présent Accord prend effet le premier jour du deuxième mois suivant celui où le Gouvernement du Royaume de Belgique a reçu la notification visée au paragraphe (4).
Art. 19. Depositaris
De Regering van het Koninkrijk België is depositaris van deze Overeenkomst.
De Regering van het Koninkrijk België is depositaris van deze Overeenkomst.
Art. 19. Dépositaire
Le Gouvernement du Royaume de Belgique est dépositaire du présent Accord.
Le Gouvernement du Royaume de Belgique est dépositaire du présent Accord.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.
Art. N.
| Staten/ Organisaties | Datum Authentificatie | Type instemming | Datum instemming | Datum interne inwerkingtreding |
| BELGIE | 12/05/2011 | Kennisgeving | 15/01/2014 | 01/04/2014 |
| KOSOVO | 12/05/2011 | Kennisgeving | 21/02/2014 | 01/04/2014 |
| LUXEMBURG | 12/05/2011 | Kennisgeving | 12/06/2012 | 01/04/2014 |
| NEDERLAND | 12/05/2011 | Kennisgeving | 15/12/2011 | 01/04/2014 |
Organisaties Datum
Authentificatie Type instemming Datum instemming Datum interne inwerkingtreding BELGIE 12/05/2011 Kennisgeving 15/01/2014 01/04/2014 KOSOVO 12/05/2011 Kennisgeving 21/02/2014 01/04/2014 LUXEMBURG 12/05/2011 Kennisgeving 12/06/2012 01/04/2014 NEDERLAND 12/05/2011 Kennisgeving 15/12/2011 01/04/2014
| Etats/ Organisations | Date Authentification | Typê de consentement | Date consentement | Entrée Vigueur locale |
| BELGIQUE | 12/05/2011 | Notification | 15/01/2014 | 01/04/2014 |
| KOSOVO | 12/05/2011 | Notification | 21/02/2014 | 01/04/2014 |
| LUXEMBOURG | 12/05/2011 | Notification | 12/06/2012 | 01/04/2014 |
| PAYS-BAS | 12/05/2011 | Notification | 15/12/2011 | 01/04/2014 |
Organisations Date Authentification Typê de consentement Date consentement Entrée Vigueur locale BELGIQUE 12/05/2011 Notification 15/01/2014 01/04/2014 KOSOVO 12/05/2011 Notification 21/02/2014 01/04/2014 LUXEMBOURG 12/05/2011 Notification 12/06/2012 01/04/2014 PAYS-BAS 12/05/2011 Notification 15/12/2011 01/04/2014