Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
24 OKTOBER 2008. - Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, betreffende de inwerkingstelling en de exploitatie van een gemeenschappelijk centrum voor politie- en douanesamenwerking in de gemeenschappelijke grensstreek, gedaan te Luxemburg op 24 oktober 2008
Titre
24 OCTOBRE 2008. - Accord entre le Gouvernement du Royaume de Belgique, le Gouvernement de la République fédérale d'Allemagne, le Gouvernement de la République française et le Gouvernement du grand-duché de Luxembourg, concernant la mise en place et l'exploitation d'un centre commun de coopération policière et douanière dans la zone frontalière commune, fait à Luxembourg le 24 octobre 2008
Tekst (24)
Texte (24)
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. Dispositions générales
Artikel 1. Oprichting van een gemeenschappelijk centrum voor politie- en douanesamenwerking
1. De overeenkomstsluitende Partijen leiden, met inachtneming van hun respectieve soevereiniteit en de bevoegdheden van de territoriaal bevoegde bestuurlijke en gerechtelijke overheden, een grensoverschrijdende samenwerking tussen de diensten die zijn belast met politie- en douaneopdrachten door de oprichting van een gemeenschappelijk centrum voor politie- en douanesamenwerking in het gemeenschappelijke grensgebied - hierna "gemeenschappelijk centrum" genoemd - om de coördinatie van de opdrachten langs weerszijden van de grens en de informatie-uitwisseling te vergemakkelijken.
2. De samenwerking tussen de overeenkomstsluitende Partijen wordt uitgeoefend in het kader van en binnen de beperkingen van hun nationale bevoegdheden, overeenkomstig de geldende internationale overeenkomsten, het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving.
3. De grensoverschrijdende samenwerking in politie- en douanezaken wordt met name uitgeoefend met inachtneming van de bepalingen van de SUO en de Overeenkomst van Napels II betreffende de politie- en douanesamenwerking en de bevoegdheden die aan de nationale centrale organen worden toegekend.
4. De bepalingen van onderhavig Akkoord zijn slechts van toepassing voor zover ze verenigbaar zijn met het recht van de Europese Unie. Wanneer de Europese Unie in de toekomst voorschriften opstelt die betrekking hebben op het toepassingsgebied van onderhavig Akkoord, dan zal het Europese recht de overhand hebben op de betrokken bepalingen van onderhavig Akkoord wat de toepassing ervan betreft. De overeenkomstsluitende Partijen kunnen de bepalingen van onderhavig Akkoord wijzigen of vervangen op basis van de nieuwe bepalingen waarin terzake is voorzien in het recht van de Europese Unie.
5. Onderhavig Akkoord doet geen afbreuk aan de bepalingen van bestaande of toekomstige bi- of multilaterale akkoorden betreffende de samenwerking in strafzaken, met name betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, die tussen de overeenkomstsluitende Partijen zijn gesloten.
6. Het door dit Akkoord opgerichte gemeenschappelijke centrum is opgericht zonder afbreuk te doen aan de centra die werden opgericht door de akkoorden die werden ondertekend tussen de Regering van de Franse Republiek en de Regering van de Duitse Bondsrepubliek, op 9 oktober 1997, en tussen de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Koninkrijk België, op 5 maart 2001, alsook door de relevante bepalingen van het Akkoord dat op 15 oktober 2001 ondertekend werd tussen de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg.
Article 1er. Mise en place d'un centre commun de coopération policière et douanière
1. Les parties contractantes conduisent, dans le respect de leur souveraineté respective et des attributions des autorités administratives et judiciaires territorialement compétentes, une coopération transfrontalière entre les services chargés de missions de police et de douane par la mise en place d'un centre commun de coopération policière et douanière dans la zone frontalière commune - dénommé ci-après " centre commun " - pour faciliter la coordination des missions de part et d'autre de la frontière ainsi que l'échange d'informations.
2. La coopération entre les Parties contractantes s'exerce dans le cadre et dans les limites de leurs compétences nationales, conformément aux conventions internationales en vigueur, au droit communautaire et à la législation nationale.
3. La coopération transfrontalière en matière de police et de douane s'exerce notamment dans le respect des stipulations de la CAAS et de la Convention de Naples II relatives à la coopération policière et douanière et des attributions dévolues aux organes centraux nationaux.
4. Les dispositions du présent Accord ne sont applicables que dans la mesure où elles sont compatibles avec le droit de l'Union européenne. Si l'Union européenne établit à l'avenir des réglementations touchant le domaine d'application du présent Accord, le droit de l'Union européenne prévaudra sur les dispositions concernées du présent Accord quant à leur application. Les Parties contractantes peuvent modifier ou remplacer les dispositions du présent Accord en fonction des nouvelles dispositions prévues en la matière dans le droit de l'Union européenne.
5. Le présent Accord ne porte pas préjudice aux dispositions d'accord bi- ou multilatéraux actuels ou futurs relatif à la coopération en matière pénale, notamment relatifs à l'entraide judiciaire internationale en matière pénale, conclus entre les Parties contractantes.
Le centre commun institué par le présent Accord l'est sans préjudice de ceux institués par les accords signés entre le Gouvernement de la République française et le Gouvernement de la République fédérale d'Allemagne, le 9 octobre 1997, et entre le Gouvernement de la République française et le Gouvernement du Royaume de Belgique, le 5 mars 2001, ainsi que par les dispositions pertinentes de l'Accord signé entre le Gouvernement de la République française et le Gouvernement du grand-duché de Luxembourg, le 15 octobre 2001.
TITEL II. - Werking van het gemeenschappelijk centrum
TITRE II. - Fonctionnement du centre commun
Art. 2. Actiegebied en bevoegde diensten
1. Het centrum voor politie- en douanesamenwerking wordt in gebruik genomen in Luxemburg en dient om het personeel op te vangen van de bevoegde overheden zoals opgesomd in paragraaf 3 van dit artikel.
2. Het grensgebied omvat met betrekking tot:
- het Koninkrijk België:
de gerechtelijke arrondissementen Dinant, Aarlen, Neufchâteau, Marche en Eupen,
- de Bondsrepubliek Duitsland:
a) in Rijnland-Palts,
de districten van de hoofdkantoren van politie van Rheinpfalz, Westpfalz en Trier,
b) in Saarland,
het volledige grondgebied,
- de Franse Republiek, de volgende grensdepartementen:
Moselle, Meurthe-et-Moselle, Ardennes en Meuse,
- het Groothertogdom Luxemburg:
het volledige grondgebied.
De overeenkomstsluitende Partijen kunnen het eens worden over wijzigingen betreffende het gemeenschappelijke grensgebied in de betekenis van zin 1 in de vorm van een protocol tot wijziging van onderhavig Akkoord.
3. De volgende diensten nemen deel aan het gemeenschappelijke centrum:
aan Belgische zijde:
- de federale politie;
- de lokale politie;
- de administratie der douane en accijnzen;
aan Duitse zijde:
- de politiediensten van de deelstaten Rijnland-Palts en Saarland;
- de federale politie;
- de administratie der douane;
- in geval van noodzaak het Bundeskriminalamt;
aan Franse zijde:
- de nationale politie;
- de nationale gendarmerie;
- de administratie van douane en indirecte rechten;
aan Luxemburgse zijde:
- de politie van het Groothertogdom;
- de administratie der douane en accijnzen.
De overheden van de overeenkomstsluitende Partijen brengen elkaar schriftelijk op de hoogte van de respectieve toekenning van nationale bevoegdheden inzake grensoverschrijdende samenwerking alsook van elke wijziging in de aanwijzing van de overheden.
4. Het gemeenschappelijke centrum is geen onafhankelijk bestuur. De ambtenaren die in het centrum werken, handelen als personeelslid van de overheid die hen heeft gedetacheerd (zendoverheid) en volgens de voorschriften van deze zendoverheid. De ambtenaren van het gemeenschappelijke centrum mogen niet zelfstandig operationele interventies uitvoeren.
Art. 2. Zone d'action et services compétents
1. Le centre commun est mis en service à Luxembourg, destiné à accueillir le personnel des autorités compétentes spécifiées au paragraphe 3 du présent article.
2. La zone frontalière commune comprend en ce qui concerne :
- le Royaume de Belgique :
les arrondissements judiciaires de Dinant, Arlon, Neufchâteau, Marche et Eupen,
- la République fédérale d'Allemagne :
a) en Rhénanie-Palatinat,
les districts des présidences de police de Rheinpfalz, de Westfalz et de Trèves,
b) en Sarre,
la totalité du territoire,
- la République française, les départements frontaliers suivants :
la Moselle, la Meurthe-et-Moselle, les Ardennes et la Meuse,
- le grand-duché de Luxembourg :
la totalité du territoire.
Les Parties contractantes peuvent convenir de modifications concernant la zone frontalière commune au sens de la phase 1 sous forme d'un protocole d'amendement au présent Accord.
3. Participent au centre commun les services suivants :
du côté belge :
- la police fédérale,
- la police locale,
- l'administration des douanes et accises,
du côté allemand :
- les polices des Länder de Rhénanie-Palatinat et de Sarre,
- la police fédérale,
- l'administration des douanes,
- en cas de nécessité, l'Office fédéral de police criminelle,
du côté français :
- la police nationale,
- la gendarmerie nationale,
- l'administration des douanes et droits indirects,
du côté luxembourgeois :
- la police grand-ducale,
- l'administration des douanes et accises.
Les autorités des Parties contractantes s'informent mutuellement par voie écrite de l'attribution de compétences nationales respectives en matière de coopération transfrontalière ainsi que de toute modification dans la désignation des autorités.
4. Le centre commun n'est pas une administration indépendante. Les agents travaillant au centre commun agissent comme membres de l'autorité qui les a détachés (autorité d'envoi) ainsi que sur instructions de celle-ci. Les agents du centre commun ne peuvent effectuer de façon autonome des interventions à caractère opérationnel.
Art. 3. Taken en bevoegdheden
1. Om de coördinatie van de taken in het gemeenschappelijke grensgebied en de informatie-uitwisseling te vergemakkelijken, werken de overheden die in het gemeenschappelijke centrum zijn vertegenwoordigd rechtstreeks samen op het vlak van de bedreiging van de openbare veiligheid en openbare orde, de preventieve en repressieve bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit, en dit ofwel op bilaterale basis, ofwel op multilaterale basis wanneer die criminaliteit de belangen van meer dan twee overeenkomstsluitende Partijen aantast.
2. Met voorbehoud van de bevoegdheid van de nationale centrale organen staat het gemeenschappelijke centrum voor de uitwisseling van informatie die verband houdt met het grensgebied ter beschikking van alle eenheden en diensten die belast zijn met politie- en douaneopdrachten op het nationale grondgebied van elke overeenkomstsluitende Partij. Dit is eveneens van toepassing op de gevallen die geen verband houden met het grensgebied voor zover dit door internationale akkoorden, het gemeenschapsrecht of de nationale bepalingen is toegelaten. De nationale centrale organen van de overeenkomstsluitende Partijen zijn overeenkomstig hun respectieve nationale bepalingen bij die informatie-uitwisseling betrokken.
Daartoe vergaren en analyseren de ambtenaren van de diensten die in het gemeenschappelijke centrum zijn vertegenwoordigd, alle informatie die noodzakelijk is voor de samenwerking in politie- en douanezaken, met inbegrip van de gemeenschappelijke periodieke evaluatie van de grenssituatie, en wisselen ze deze informatie uit.
3. In het grensgebied voert het gemeenschappelijke centrum met name de volgende opdrachten uit:
- helpen bij de voorbereiding en de coördinatie van punctuele interventiemaatregelen en deze voorbereiding en coördinatie vergemakkelijken wanneer rekening moet worden gehouden met de bevoegdheden van verschillende overheden of wanneer een doorgedreven vorm van coördinatie op het getouw moet worden gezet;
- de activiteiten in het kader van de administratieve uitvoering van grensoverschrijdende observaties en achtervolgingen, bedoeld in de artikelen 40 en 41 van de SUO of in de artikelen 20 en 21 van de Overeenkomst van Napels II, uitgevoerd overeenkomstig voornoemde Overeenkomst en haar uitvoeringsteksten, ondersteunen;
- de voorbereiding van en de bijstand bij de overname van onrechtmatig verblijvende buitenlanders vergemakkelijken op basis van de geldende akkoorden volgens de bepalingen van de Verordeningen (EG)nr. 343/2003 en nr. 1560/2003.
4. De taken en bevoegdheden van de politiediensten, de douane en de centrale diensten, zoals die op nationaal vlak door het recht van elk van de overeenkomstsluitende Partijen zijn gereglementeerd, worden niet beïnvloed door de bepalingen van onderhavig artikel en worden bijgevolg uitgeoefend in het kader en binnen de beperkingen van hun nationale bevoegdheden, op basis van de geldende internationale overeenkomsten, het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving.
Art. 3. Missions et compétences
1. Pour faciliter la coordination des missions dans la zone frontalière commune ainsi que l'échange d'informations, les autorités représentées dans le centre commun coopèrent directement dans les domaines de la menace pour la sécurité et l'ordre publics, de la lutte préventive et répressive contre la criminalité transfrontalière, soit sur une base bilatérale, soit sur une base multilatérale lorsque cette criminalité affecte les intérêts de plus de deux Parties contractantes.
2. Sous réserve de la compétence des organes centraux nationaux, le centre commun est, pour l'échange d'informations ayant un lien avec la zone frontalière, à la disposition de l'ensemble des unités et services chargés des missions de police et de douane du territoire national de chaque Partie contractante. Ceci s'applique également aux cas n'ayant pas de lien avec la zone frontalière dans la mesure où des accords internationaux, le droit communautaire, ou les dispositions nationales le permettent. Les organes centraux nationaux des Parties contractantes sont associés à ces échanges d'information conformément à leurs dispositions nationales respectives.
A cette fin, les agents des services représentés au centre commun recueillent, analysent et échangent toutes informations nécessaires à la coopération en matière policière et douanière y compris l'évaluation périodique commune de la situation frontalière.
3. Dans la zone frontalière, le centre commun exerce, notamment, les missions suivantes :
- aider et faciliter la préparation et la coordination de mesures d'intervention ponctuelles lorsque les attributions de plusieurs autorités sont concernées ou qu'il est nécessaire de réaliser un haut degré de coordination,
- soutenir les activités pour l'exécution administrative d'actions d'observation et de poursuite transfrontalières, visées aux articles 40 et 41 de la CAAS ou aux articles 20 et 21 de la Convention de Naples II, menées conformément aux dispositions de cette Convention et à ses textes de mise en oeuvre,
- faciliter la préparation et l'assistance en ce qui concerne la remise d'étrangers en situation irrégulière sur base des accords en vigueur suivant les stipulations des Règlements (CE) nos 343/2003 et 1560/2003.
4. Les missions et attributions des services de police, de la douane et des services centraux, telles qu'elles sont réglementées par le droit de chacune des Parties contractantes sur le plan national, ne sont pas affectées par les dispositions du présent article et s'exercent, par conséquent dans le cadre et dans les limites de leurs compétences nationales, sur la base des conventions internationales en vigueur, du droit communautaire et de la législation nationale.
Art. 4. Tot stand brengen van een gezamenlijk bestand, controle van de gegevensbescherming,
rechten van de betrokken personen
1. Binnen het gemeenschappelijke centrum wordt een bestand van persoonsgegevens ontwikkeld waarvan het de bedoeling is verzoekschriften in het kader van de in artikel 3 vermelde taken te vergaren en uiteen te zetten.
2. Het opnemen van persoonsgegevens in het bestand gebeurt alleen door de daartoe bevoegde ambtenaren van de overeenkomstsluitende Partijen die in het gemeenschappelijke centrum werken. Elke in het gemeenschappelijke centrum tewerkgestelde ambtenaar mag de gegevens die vooraf in het bestand zijn geregistreerd door een andere overheid, aanvullen. In geval van een tegenstrijdigheid tussen de gegevens plegen de betrokken overheden overleg.
De overheid die de gegevens registreert, verzekert dat het gegevens betreft die:
- uitsluitend op een geoorloofde en eerlijke manier zijn vergaard en verwerkt;
- voor welbepaalde, uitdrukkelijke en gegronde doeleinden worden vergaard en die later niet worden verwerkt op een manier die onverenigbaar is met de doeleinden van de verwerking;
- adequaat, relevant en niet buitensporig zijn ten opzichte van de doeleinden waarvoor ze worden vergaard en van hun latere verwerkingen;
- juist, volledig en zo nodig geüpdatet zijn.
3. Enkel de bevoegde ambtenaren van de in het gemeenschappelijke centrum vertegenwoordigde diensten hebben voor de vervulling van de in artikel 3 vermelde taken toegang tot de in het gemeenschappelijke bestand geregistreerde persoonsgegevens. Ze mogen die gegevens aan andere in dat domein bevoegde overheden meedelen voor zover dit voor de uitvoering van hun taken nodig is.
4. De in het gemeenschappelijke bestand geregistreerde persoonsgegevens moeten worden verwijderd wanneer het opslaan ervan niet correct is gebeurd of wanneer het niet meer nodig is er voor de vervulling van de taak op de hoogte van te zijn. De verwijdering heeft uiterlijk drie jaar na hun registratie plaats.
Gegevens kunnen slechts worden gewijzigd of verwijderd door de overheid die die gegevens heeft geregistreerd.
Als de overheid die de gegevens heeft geregistreerd de gegevens wil verwijderen terwijl ze door andere overheden werden aangevuld, dan moet die overheid de andere overheden op de hoogte brengen. De bijwerking of de verwijdering van de overige gegevens zal dus gebeuren door de volgende overheid die de gegevens over die persoon heeft aangevuld.
Als één van de overheden over aanwijzingen beschikt die laten vermoeden dat een door een andere overheid geregistreerd gegeven een fout vertoont, dan brengt ze de overheid die het gegeven heeft geregistreerd, en eventueel de in paragraaf 1 vermelde diensten waaraan de gegevens werden meegedeeld zo snel mogelijk op de hoogte, om deze gegevens te controleren en indien nodig te verbeteren of te verwijderen.
5. Iedere persoon die zich identificeert heeft het recht om in het kader van de bepalingen van het nationale recht een bevoegde overheid te ondervragen over de bescherming van de gegevens om te weten of persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, in het gemeenschappelijke bestand worden verwerkt en gebruikt, en zo nodig ervan op de hoogte te worden gebracht.
6. De controle van de bescherming van de gegevens betreffende het gemeenschappelijke bestand bedoeld in paragraaf 1 wordt uitgevoerd door de overheden die bevoegd zijn op het vlak van de bescherming van de gegevens krachtens hun respectieve nationale recht en ze werken daarvoor nauw samen. Toevallige controles moeten regelmatig worden uitgevoerd op initiatief van de bevoegde overheden of de bevoegde ambtenaren bedoeld in paragraaf 2, krachtens het nationale recht van de respectieve overeenkomstsluitende Partij of op verzoek van de nationale onafhankelijke overheid voor de bescherming van de gegevens. De controle van de bescherming van de gegevens op initiatief van de bevoegde overheden en de bevoegde ambtenaren, voorzien in paragraaf 2, verloopt overeenkomstig hun respectieve nationale verplichtingen. Wanneer er eveneens gegevens werden verwerkt of gebruikt door een overeenkomstsluitende Partij, dan wordt de controle uitgevoerd in nauw overleg met de overheid die bevoegd is op het vlak van controle van de bescherming van de gegevens van die overeenkomstsluitende Partij.
7. Voor het overige zijn artikel 102, paragraaf 4, zin 1, artikel 109, paragraaf 1, zinnen 1 en 3, artikel 110, artikel 111 en artikel 116 van de SUO mutatis mutandis van toepassing.
8. Inzake bescherming van de gegevens zijn de nationale bepalingen betreffende de bescherming van de gegevens van toepassing die op zijn minst overeenstemmen met de bepalingen die voortvloeien uit het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens van de Raad van Europa van 28 januari 1981, het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij dat Verdrag, wat de toezichthoudende autoriteiten en de grensoverschrijdende gegevensstromen betreft en de beginselen van aanbeveling nr. A (87) 15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987 tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied.
Art. 4. Mise en place d'un fichier commun,
contrôle de la protection des données,
droits des personnes concernées
1. Il est créé au sein du centre commun un fichier de données à caractère personnel dont la finalité est la collecte et la présentation de requêtes dans le cadre des missions visées à l'article 3.
2. L'inscription des données à caractère personnel dans le fichier est effectuée par les seuls agents habilités des Parties contractantes en poste dans le centre commun. Chaque agent employé dans le centre commun peut compléter les données préalablement enregistrées dans le fichier par une autre autorité. En cas de contradiction entre les données, les autorités concernées se concertent.
L'autorité qui enregistre les données garantit que ces dernières sont :
- uniquement des données collectées et traitées de manière licite et loyale ;
- collectées pour des finalités déterminées, explicites et légitimes et ne sont pas traitées ultérieurement de manière incompatible avec les finalités du traitement ;
- adéquates, pertinentes et non excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont collectées et de leurs traitements ultérieurs ;
- exactes, complètes et, si nécessaire, mises à jour.
3. Seuls les agents habilités des services représentés dans le centre commun ont accès aux données personnelles enregistrées dans le fichier commun aux fins de l'accomplissement des missions prévues à l'article 3. Ils peuvent communiquer ces données à d'autres autorités compétentes en cette matière dans la mesure où ceci est nécessaire à l'exécution de leurs tâches.
4. Les données à caractère personnel enregistrées dans le fichier commun doivent être effacées lorsque leur intégration est incorrecte ou que leur connaissance n'est plus nécessaire pour accomplir la mission. La suppression a lieu au plus tard à l'issue d'un délai de trois ans à compter de leur enregistrement.
Toute modification ou effacement des données ne peut être effectué que par la seule autorité ayant enregistré ces données.
Si l'autorité ayant enregistré des données souhaite les effacer alors qu'elles ont été complétées par d'autres autorités, elle doit les en informer. La mise à jour ou l'effacement des données restantes incombera alors à l'autorité suivante ayant complété les données relatives à cette personne.
Si une des autorités dispose d'indices faisant présumer qu'une donnée enregistrée par une autre autorité est entachée d'erreur, elle en avise dans les meilleurs délais l'autorité ayant enregistré la donnée et, le cas échéant, les services visés au paragraphe 1er auxquels les données ont été communiquées, aux fins de vérification et, si nécessaire, de correction ou d'effacement des données.
5. Toute personne justifiant de son identité a le droit d'interroger, dans le cadre des dispositions du droit national, une autorité compétente en matière de protection des données en vue de savoir si des données à caractère personnel la concernant sont traitées et utilisées dans le fichier commun et, le cas échéant, d'en obtenir communication.
6. Le contrôle de la protection des données concernant le fichier commun visé au paragraphe 1 est assumé, en étroite coordination, par les autorités compétentes en matière de la protection des données en vertu de leur droit national respectif. Des contrôles aléatoires doivent régulièrement être pratiqués à l'initiative des autorités compétentes ou des agents habilités visés au paragraphe 2, selon le droit national de la Partie contractante respective, ou à la demande de l'autorité nationale indépendante de la protection des données. Le contrôle de la protection des données à l'initiative des autorités compétentes et des agents habilités prévu au paragraphe 2 s'effectue conformément à leurs obligations nationales respectives. Si des données ont également été traitées ou utilisées par une Partie contractante, le contrôle est effectué en étroite coordination avec l'autorité compétente en matière de contrôle de la protection des données de cette Partie contractante.
7. Au demeurant, l'article 102, paragraphe 4, phrase 1, l'article 109, paragraphe 1er, phrases 1 et 3, l'article 110, l'article 111 et l'article 116 de la CAAS, s'appliquent mutatis mutandis.
8. En matière de protection des données s'appliquent les dispositions nationales relatives à la protection des données correspondant au moins à celles résultant de la Convention du Conseil de l'Europe du 28 janvier 1981 pour la protection des personnes à l'égard du traitement automatisé des données à caractère personnel ; le Protocole additionnel du 8 novembre 2001 à cette Convention concernant les autorités de contrôle et les flux transfrontières de données et les principes de la recommandation n° R(87) 15 du Comité des ministres du Conseil de l'Europe du 17 septembre 1987 visant à réglementer l'utilisation des données à caractère personnel dans le secteur de la police.
Art. 5. Beveiliging van de gegevens
De Regering van het Groothertogdom Luxemburg neemt voor het gemeenschappelijke centrum passende maatregelen om:
1. te verhinderen dat onbevoegden toegang krijgen tot de apparatuur voor de verwerking van persoonsgegevens (controle op de toegang tot de apparatuur);
2. te voorkomen dat onbevoegden gegevensdragers lezen, kopiëren, wijzigen of verwijderen (controle op de gegevensdragers);
3. te voorkomen dat onbevoegden gegevens in het bestand invoeren of opgeslagen persoonsgegevens lezen, wijzigen of verwijderen (opslagcontrole);
4. te voorkomen dat onbevoegden de systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking gebruiken met behulp van datatransmissieapparatuur (gebruikscontrole);
5. ervoor te zorgen dat degenen die bevoegd zijn om een systeem voor geautomatiseerde gegevensverwerking te gebruiken, uitsluitend toegang hebben tot de gegevens waarop hun toegangsbevoegdheid betrekking heeft (controle op de beperkte toegang);
6. ervoor te zorgen dat kan worden nagegaan en vastgesteld aan welke oganen persoonsgegevens kunnen worden verstrekt met behulp van datatransmissieapparatuur (verstrekkingscontrole);
7. ervoor te zorgen dat naderhand kan worden nagegaan en vastgesteld welke persoonsgegevens wanneer en door wie in de geautomatiseerde gegevensverwerkingsystemen zijn ingevoerd en verwijderd en hoe ze werden verwerkt (invoer- en verwerkingscontrole);
8. ervoor te zorgen dat de voor verschillende doeleinden ingevoerde gegevens apart kunnen worden verwerkt (controle op het doeleinde);
9. te voorkomen dat onbevoegden de persoonsgegevens kunnen lezen, kopiëren, wijzigen of verwijderen bij de verzending van persoonsgegevens en bij het vervoer van gegevensdragers (vervoerscontrole);
10. ervoor zorgen dat persoonsgegevens worden beschermd tegen elke toevallige vernieling of toevallig verlies (beschikbaarheidscontrole).
Art. 5. Sécurité des données
Le Gouvernement du Grand-Duché de Luxembourg prend, pour le centre commun, des mesures qui sont propres :
1. à empêcher toute personne non autorisée d'accéder aux installations utilisées pour le traitement de données à caractère personnel (contrôle à l'entrée des installations);
2. à empêcher que des supports de données ne puissent être lus, copiés, modifiés ou exportés par une personne non autorisée (contrôle des supports de données);
3. à empêcher l'introduction non autorisée dans le fichier ainsi que toute prise de connaissance, toute modification ou tout effacement non autorisés de données à caractère personnel intégrées (contrôle de l'intégration);
4. à empêcher que des système de traitement automatisé de données ne puissent être utilisés par des personnes non autorisées à l'aide d'installations de transmission de données (contrôle de l'utilisation);
5. à garantir que les personnes autorisées ne puissent accéder qu'aux données relevant de leur compétence (contrôle d'accès limité);
6. à garantir qu'il puissent être vérifié et constaté à quelles autorités des données à caractère personnel peuvent être transmises, par des installations de transmission de données (contrôle de la transmission);
7. à garantir qu'il puisse être vérifié et constaté a posteriori quelles données à caractère personnel ont été introduites et effacées dans les systèmes de traitement automatisé de données et de quelle manière elles ont été traitées, à quel moment et par quelle personne (contrôle de l'introduction et du traitement);
8. à garantir que des données saisies à des fins différentes puissent être traitées séparément (contrôle de la finalité);
9. à empêcher que, lors de la transmission de données à caractère personnel ainsi que lors du transport de supports de données, les données ne puissent être lues, copiées, modifiées ou effacées de façon non autorisée (contrôle du transport);
10. à garantir, que les données à caractère personnel sont protégées contre toute destruction ou perte fortuite (contrôle de disponibilité).
Art. 6. Inhoud van de protocol betreffende het gemeenschappelijke bestand
Voor het in artikel 4 vermelde bestand moet een protocol in de zin van artikel 16 tussen de overeenkomstslutiende Partijen in het bijzonder de volgende punten regelen:
- de naam van het bestand;
- het onderwerp van het bestand;
- de categorie personen van wie de gegevens zullen worden opgeslagen;
- de aard van de op te slagen persoonsgegevens;
- de aard van de persoonsgegevens op basis waarvan in het bestand kan worden gezocht;
- de categorie mensen die toegang hebben tot het bestand;
- de verzending of de invoer van de op te slagen persoonsgegevens;
- de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor de mededeling van in het bestand opgeslagen persoonsgegevens, de keuze van de in dat opzicht te volgen procedure en de categorieën van geadresseerden;
- de controletermijnen en de opslagduur;
- de vastlegging.
Art. 6. Contenu du protocole relatif au fichier commun
Pour le fichier prévu à l'article 4, un protocole au sens de l'article 16 entre les Parties contractantes devra régler en particulier les points suivants :
- le nom du fichier,
- l'objet du fichier,
- la catégorie de personnes dont les données seront intégrées,
- la nature des données à caractère personnel à intégrer,
- la nature des données à caractère personnel sur la base desquelles la recherche peut être lancée dans le fichier,
- la catégorie de personne ayant accès au fichier,
- la transmission ou l'introduction des données à caractère personnel à intégrer,
- les conditions à remplir pour la communication de données à caractère personnel intégrées dans le fichier, le choix de la procédure à suivre à cet égard et les catégories de destinataires,
- les délais de contrôle et la durée de stockage,
- la journalisation.
Art. 7. Werkings- en coördinatiemodaliteiten
1. Elke overeenkomstsluitende Partij stelt een coördinator aan die de verschillende in het gemeenschappelijke centrum aanwezige diensten van eenzelfde staat vertegenwoordigt. Elke coördinator is verantwoordelijk voor de werking van de diensten die hij vertegenwoordigt en neemt, samen met de andere coördinatoren, de beslissingen die noodzakelijk zijn voor de organisatie en het dagelijkse beheer van het gemeenschappelijke centrum. Hij oefent een functioneel gezag uit over de nationale ambtenaren, die zijn instructies moeten opvolgen. Laatstgenoemden zijn bovendien onderworpen aan het hiërarchische en tuchtrechtelijke gezag van hun respectieve nationale overheden. Binnen de lokalen die binnen het gemeenschappelijke centrum uitsluitend door hen mogen worden gebruikt, zijn de ambtenaren bevoegd om de tucht te doen naleven. Als het nodig is, kunnen ze in dit verband de hulp vragen van de ambtenaren van de andere overeenkomstsluitende Partijen.
2. De werkingsmodaliteiten van het gemeenschappelijke centrum worden in onderlinge overeenstemming tussen de coördinaten geregeld. De technische details worden in een intern reglement vastgelegd.
3. De ambtenaren die in het gemeenschappelijk centrum zijn tewerkgesteld, werken in ploeg, werken in alle vertrouwen samen en verlenen elkaar bijstand.
4. De zetel van het gemeenschappelijke centrum heeft een gemeenschappelijk officieel opschrift.
Art. 7. Modalités de fonctionnement et coordination
1. Chaque Partie contractante désigne un coordonnateur représentant les différents services d'un même Etat présents dans le centre commun. Chaque coordonnateur est responsable du fonctionnement des services qu'il représente et prend, en liaison avec les autres coordonnateurs, les décisions nécessaires pour l'organisation et la gestion quotidienne du centre commun. Il exerce une autorité fonctionnelle sur les agents nationaux qui sont tenus de suivre ses instructions. Ces derniers sont par ailleurs soumis au pouvoir hiérarchique et disciplinaire de leurs autorités nationales respectives. A l'intérieur des locaux affectés à leur usage exclusif au sein du centre commun, les agents sont habilités à faire respecter la discipline. Ils peuvent, si besoin est, requérir à cet effet l'assistance d'agents des autres Parties contractantes.
2. Les modalités de fonctionnement du centre commun sont réglées d'un commun accord entre les coordonnateurs. Un règlement intérieur en fixe les détails techniques.
3. Les agents affectés dans le centre commun travaillent en équipe, coopèrent en toute confiance et se prêtent mutuellement assistance.
4. Le siège du centre commun est marqué par une inscription officielle commune.
Art. 8. Archivering
1. De dossiers van de in het gemeenschappelijke centrum vertegenwoordigde overheden worden afzonderlijk beheerd en gearchiveerd overeenkomstig de regels van de overeenstemmende zendoverheden door middel van een computerverwerking van de gegevens.
2. Elke coördinator neemt alle maatregelen opdat de dossiers zodanig worden gearchiveerd dat ze niet door onbevoegde personen kunnen worden onderzocht.
Art. 8. Archivage
1. Les dossiers des autorités représentées dans le centre commun sont gérés et archivés séparément et conformément aux règles des autorités d'envoi correspondantes au moyen d'un traitement informatique des données.
2. Chaque coordonnateur prend toutes dispositions pour que les dossiers soient archivés de façon à ne pas pouvoir être examinés par des personnes non autorisées.
Art. 9. Uitrusting
1. De Luxemburgse Partij stelt gratis de lokalen ter beschikking van het gemeenschappelijke centrum, die zodanig worden ingericht dat ze in gebruik kunnen worden genomen. De uitrusting omvat met name functioneel meubilair, informaticamateriaal en telefooninstallaties in elk bureau.
2. De Luxemburgse Patij neemt de exploitatiekosten en de kosten voor gewoon onderhoud van de ter beschikking gestelde gebouwen op zich.
3. Elke overeenkomstsluitende Partij levert de uitrustingen van de zendoverheden en de persoonlijke uitrusting van de ambtenaren.
Art. 9. Equipement
1. La Partie luxembourgeoise met gratuitement à disposition les locaux du centre commun équipés de façon à être mis en service. L'équipement comprend notamment un ameublement fonctionnel, des installations informatiques et téléphoniques dans chaque bureau.
2. La Partie luxembourgeoise prend en charge les frais d'exploitation et d'entretien courant des bâtiments mis à disposition.
3. Les équipements spécifiques des autorités d'envoi et l'équipement personnel des agents sont apportés par chaque Partie contractante.
Art. 10. Lopende uitgaven
1. De overeenkomstsluitende Partijen zullen de lopende kosten dragen, met name voor het bureaumateriaal, de fotokopieertoestellen, de belastingen en de netwerkkosten voor het gemeenschappelijke gebruik van de telecommunicatiemiddelen alsook de kosten voor het onderhoud van het gemeenschappelijke informatiemateriaal en de telecommunicatie-installaties. De verdeling van de kosten zal in een protocol in de zin van artikel 16 worden vastgelegd.
2. De lopende uitgaven voor de uitrusting die aan een overeenkomstsluitende Partij toebehoort, zijn ten laste van die Partij. Elke overeenkomstsluitende Partij neemt de herstelling en de vervanging van het materiaal op zich waarvan ze de eigenaar is.
3. De Luxemburgse Partij schiet de lopende kosten voor die jaarlijks onder alle overeenkomstsluitende Partijen zullen worden verdeeld op basis van het overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde aandeel.
4. Als één van de overeenkomstsluitende Partijen het aantal in het gemeenschappelijke centrum tewerkgestelde ambtenaren aanzienlijk verhoogt, moet ze vooraf het advies van de andere overeenkomstsluitende Partijen vragen om te komen tot een aanpassing van de protocol in de zin van paragraaf 1, 2e zin.
Art. 10. Dépenses courantes
1. Les Parties contractantes supporteront les dépenses courantes, notamment pour le matériel de bureau, les copieurs, les taxes et les coûts des réseaux pour l'exploitation commune des télécommunications ainsi que les coûts d'entretien des équipements informatiques communs et des installations de télécommunication. La ventilation des coûts sera réglée dans un protocole au sens de l'article 16.
2. Les dépenses courantes pour l'équipement appartenant à une Partie contractante sont à la charge de cette Partie. Chaque Partie contractante assume la réparation et le remplacement des matériels dont elle est propriétaire.
3. La Partie luxembourgeoise avance les dépenses courantes qui seront partagées annuellement entre l'ensemble des Parties contractantes suivant la quote-part établie conformément au paragraphe 1er.
4. Si une des Parties contractantes augmente de façon considérable le nombre de ses agents affectés dans le centre commun, elle doit au préalable requérir l'avis des autres Parties contractantes afin de parvenir à une adaptation du protocole au sens du paragraphe 1er, phrase 2.
Art. 11. Arbitrageclausules
1. De coördinatoren beslechten de geschillen in der minne. Wanneer geen consensus kan worden bereikt, wordt de zaak aan de nationale zendoverheden voorgelegd waarvan de ambtenaren die in het gemeenschappelijke centrum zijn tewerkgesteld, afhangen.
2. In bijzonder ernstige gevallen of in gevallen met een grensoverstijgend karakter betrekken de in artikel 2, paragraaf 3 bedoelde diensten onmiddellijk de nationale overheden bij hun actie.
Art. 11. Clauses d'arbitrage
1. Les coordonnateurs règlent les litiges à l'amiable. S'il n'est pas possible d'arriver à un consensus, l'affaire est soumise aux autorités nationales d'envoi dont relèvent les agents affectés dans le centre commun.
2. Dans des cas d'une particulière gravité ou revêtant un caractère extra frontalier, les services visés à l'article 2, paragraphe 3 associent immédiatement à leur action les autorités nationales.
Art. 12. Aansprakelijkheden en bescherming
1. De Luxemburgse Partij verleent de in het gemeenschappelijke centrum tewerkgestelde ambtenaren van de andere overeenkomstsluitende Partijen dezelfde bescherming en bijstand als haar eigen ambtenaren.
2. De in de Luxemburgse Partij geldende strafrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de ambtenaren tijdens de uitoefening van hun functies zijn eveneens van toepassing op de strafbare feiten die worden gepleegd tegen de in het gemeenschappelijke centrum tewerkgestelde ambtenaren van de andere overeenkomstsluitende Partijen.
3. Wat de aansprakelijkheid betreft in geval van door de ambtenaren tijdens de uitoefening van hun opdracht veroorzaakte schade, worden de relevante bepalingen van artikel 43 van de SUO toegepast.
4. De in het gemeenschappelijke centrum tewerkgestelde ambtenaren van de andere overeenkomstsluitende Partijen kunnen zich op het grondgebied van de Luxemburgse Partij begeven en hun dienst uitvoeren terwijl ze hun nationale uniform of een zichtbaar onderscheidend teken dragen alsook hun individuele dienstwapens en elk ander dwangmiddel dat enkel is toegelaten om eventueel te zorgen voor de wettige verdediging.
Art. 12. Responsabilités et protection
1. La Partie luxembourgeoise accorde aux agents des autres Parties contractantes affectés dans le centre commun la même protection et assistance qu'à ses propres agents.
2. Les dispositions pénales en vigueur dans la Partie luxembourgeoise pour la protection des fonctionnaires dans l'exercice de leurs fonctions sont également applicables aux infractions commises contre les agents des autres Parties contractantes affectés dans le centre commun.
3. En ce qui concerne la responsabilité, en cas de dommages causés par les agents dans le cadre de l'exercice de leur mission, il est fait application des dispositions pertinentes de l'article 43 de la CAAS.
4. Les agents des autres Parties contractantes affectés dans le centre commun peuvent se rendre sur le territoire de la Partie luxembourgeoise et effectuer leur service en portant leur uniforme national ou un signe distinctif apparent, ainsi que leurs armes individuelles de service et tout autre moyen de contrainte autorisé à la seule fin d'assurer, le cas échéant, la légitime défense.
TITEL III. - Toepassingsbepalingen en slotbepalingen
TITRE III. - Dispositions d'application et dispositions finales
Art. 13. Toepassings- of weigeringsbepalingen
Elke overeenkomstsluitende Partij kan, geheel of gedeeltelijk, zijn samenwerking weigeren of deze samenwerking aan bepaalde voorwaarden onderwerpen wanneer ze meent dat het verzoek om of het uitvoeren van een samenwerkingsactie de soevereiniteit, de openbare veiligheid en orde, de organisatie- of werkingsregels van de gerechtelijke overheid of van andere essentiële belangen van de staat op het spel kan zetten of haar nationale recht kan schenden.
Art. 13. Dispositions d'application ou de refus
Chaque Partie contractante peut refuser, en totalité ou en partie, sa coopération ou la soumettre à certaines conditions lorsqu'elle estime que la demande ou la réalisation d'une action de coopération est susceptible de mettre en cause la souveraineté, la sécurité et l'ordre publics, les règles d'organisation ou de fonctionnement de l'autorité judiciaire ou d'autres intérêts essentiels de l'Etat ou de violer son droit national.
Art. 14. Opheffingsbepalingen
Vanaf de inwerkingtreding van dit Akkoord zijn de volgende artikelen niet meer van toepassing:
de artikelen 3 tot 7 van het Akkoord van 15 oktober 2001 tussen de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg inzake de samenwerking in hun grensgebieden tussen de politiediensten en de douaneadministraties.
Art. 14. Dispositions abrogatoires
Dès l'entrée en vigueur du présent Accord, cessent d'être en vigueur :
les Articles 3 à 7 de l'Accord du 15 octobre 2001 entre le Gouvernement de la République française et le Gouvernement du grand-duché de Luxembourg relatif à la coopération dans leurs zones frontalières entres les autorités de police et les autorités douanières.
Art. 15. Evaluatiegroepen
Een gemeenschappelijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende Partijen controleert op verzoek van één van de overeenkomstsluitende Partijen de uitvoering van onderhavig Akkoord en legt vast wat eventueel moet worden aangevuld of geüpdatet.
Art. 15. Groupes d'évaluation
Un groupe de travail commun composé de représentants des Parties contractantes vérifie à la demande d'une des Parties contractantes la mise en oeuvre du présent Accord et identifie les compléments ou actualisations éventuellement nécessaires.
Art. 16. Protocollen
Voor de toepassing van onderhavig Akkoord kunnen de bevoegde ministers van de overeenkomstsluitende Partijen bijkomende protocollen sluiten.
Art. 16. Protocoles
Pour l'application du présent Accord, les ministres compétents des Parties contractantes peuvent conclure des protocoles complémentaires.
Art. 17. Inwerkingtreding
Elke overeenkomstsluitende Partij informeert de depositaris dat is voldaan aan de nationale voorwaarden van inwerkingtreding van onderhavig Akkoord. De depositaris bevestigt deze kennisgeving en brengt de andere overeenkomstsluitende Partijen van dit Akkoord op de hoogte.
Onderhavig Akkoord treedt in werking op de 1e dag van de tweede maand die volgt op de ontvangst van de laatste kennisgeving.
Art. 17. Entrée en vigueur
Chaque Partie contractante informe le dépositaire que les conditions nationales de l'entrée en vigueur du présent Accord sont remplies. Le dépositaire confirme cette notification et en informe les autres Parties contractantes au présent Accord.
Le présent Accord entre en vigueur le premier jour du deuxième mois qui suit la réception de la dernière notification.
Art. 18. Opzegging
Onderhavig Akkoord wordt voor onbeperkte tijd afgesloten. Elke overeenkomstsluitende Partij kan het Akkoord opzeggen via een aan de depositaris gerichte schriftelijke kennisgeving.
De opzegging treedt in werking zes maanden nadat de depositaris de schriftelijke kennisgeving heeft ontvangen. De opzegging geldt uitsluitend voor de overeenkomstsluitende Partij die de opzegging heeft aangevraagd. Onderhavig Akkoord blijft geldig voor de andere overeenkomstsluitende Partijen.
Onderhavig Akkoord is niet langer van kracht wanneer drie verdragsluitende Partijen het hebben opgezegd.
Art. 18. Dénonciation
Le présent Accord est conclu pour une durée illimitée. Chaque Partie contractante peut le dénoncer par notification écrite adressée au dépositaire.
La dénonciation prend effet six mois après réception de la notification écrite par le dépositaire. La dénonciation vaut seulement pour la Partie contractante qui est à l'origine de la dénonciation. Le présent Accord reste valable pour les autres Parties contractantes.
Le présent Accord cesse d'être en vigueur lorsque trois Parties contractantes l'ont dénoncé.
Art. 19. Depositaris
De Regering van het Groothertogdom Luxemburg wordt aangewezen als depositaris van onderhavig Akkoord. De depositaris brengt de andere overeenkomstsluitende Partijen op de hoogte van de inwerkingtreding en van eventuele latere wijzigingen van het Akkoord.
De depositaris zal onmiddellijk na de inwerkingtreding van het Akkoord instaan voor de registratie van het Akkoord bij het Secretariaat van de Verenigde Naties overeenkomstig artikel 102, 1e paragraaf van het Handvest van de Verenigde Naties. De depositaris brengt de andere overeenkomstsluitende Partijen onmiddellijk van de registratie op de hoogte door vermelding van het VN-registratienummer zodra dit nummer door de Secretariaat van de Verenigde Naties werd gevalideerd.
Art. 19. Dépositaire
Le Gouvernement du Grand-Duché de Luxembourg est désigné comme dépositaire du présent Accord. Il informe les autres Parties contractantes de l'entrée en vigueur ainsi que d'éventuels amendements ultérieurs de l'Accord.
L'enregistrement de l'Accord auprès du Secrétariat des Nations unies prévu par l'article 102 paragraphe 1er de la Charte des Nations unies est mis en oeuvre immédiatement après son entrée en vigueur par le dépositaire. Celui-ci informe les autres Parties contractantes que l'enregistrement a eu lieu, en mentionnant le numéro de l'enregistrement NU dès que ce dernier a été validé par le Secrétariat des Nations unies.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Lijst van de gebonden Staten
Art. N. Liste des Etats liés
StatenDatum AuthentificatieType InstemmingDatum InstemmingDatum interne inwerkingtreding
België24/10/2008Kennisgeving07/03/2014
DUITSLAND24/10/2008Kennisgeving12/05/2011
FRANKRIJK24/10/2008Kennisgeving
LUXEMBURG24/10/2008Kennisgeving11/05/2014
StatenDatum AuthentificatieType InstemmingDatum InstemmingDatum interne inwerkingtredingBelgië24/10/2008Kennisgeving07/03/2014DUITSLAND24/10/2008Kennisgeving12/05/2011FRANKRIJK24/10/2008KennisgevingLUXEMBURG24/10/2008Kennisgeving11/05/2014
EtatsDate authentificationType de consentementDate de consentementEntrée en vigueur locale
ALLEMAGNE24/10/2008Notification12/05/2011
BELGIQUE 24/10/2008Notification07/03/2014
FRANCE 24/10/2008Notification
LUXEMBOURG 24/10/2008Notification11/05/2014
EtatsDate authentificationType de consentementDate de consentementEntrée en vigueur localeALLEMAGNE24/10/2008Notification12/05/2011BELGIQUE 24/10/2008Notification07/03/2014FRANCE 24/10/2008NotificationLUXEMBOURG 24/10/2008Notification11/05/2014