Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
19 DECEMBER 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-03-2015 en tekstbijwerking tot 07-10-2021)
Titre
19 DECEMBRE 2014. - Arrêté du Gouvernement flamand portant exécution du décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 17-03-2015 et mise à jour au 07-10-2021)
Dokumentinformationen
Numac: 2015035254
Datum: 2014-12-19
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2015035254
Date: 2014-12-19
Moniteur: Voir
Tekst (94)
Texte (94)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
Adviescommissie Sociale Economie: de Adviescommissie Sociale Economie, opgericht met toepassing van hoofdstuk 8 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
decreet van 22 november 2013: het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
departement: het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie;
indicering op basis van ICF: het onderzoek aan de hand van een indiceringsinstrument op basis van de International Classification of Functioning, Disability and Health, referentieclassificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie, waarbij iemand als persoon met een nood aan een kwaliteitsvolle begeleide en competentieversterkende inschakeling wordt erkend;
[1 kwaliteitsmanagementsysteem: het kwaliteitsmodel, zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het kwaliteits- en registratiemodel van dienstverleners in het beleidsdomein Werk en Sociale Economie;]1
minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie.
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
Commission consultative de l'Economie sociale : la Commission consultative de l'Economie sociale créée en application du chapitre 8 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
décret du 22 novembre 2013 : le décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux ;
département : le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du Ministère flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
indication sur la base de l'ICF : l'examen réalisé au moyen d'un instrument d'indication basé sur l'International Classification of Functioning, Disability and Health (Classification internationale du fonctionnement, du handicap et de la santé), une classification de référence de l'Organisation mondiale de la Santé, identifiant un individu comme une personne ayant besoin d'une insertion accompagnée et de renforcement des compétences de qualité ;
[1 système de gestion de la qualité : le modèle de qualité tel que visé à l'article 5 du décret du 29 mars 2019 relatif au modèle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Emploi et de l'Economie sociale ;]1
Ministre : le Ministre flamand ayant l'économie sociale dans ses attributions.
HOOFDSTUK 2. - Organisatievoorwaarden
CHAPITRE 2. - Conditions d'organisation
Afdeling 1. - Lokale diensteneconomieondernemingen
Section 1re. - Entreprises de l'économie de services locaux
Art. 2. § 1. Overeenkomstig artikel 4, § 1, tweede lid, 1°, van het decreet van 22 november 2013, schakelt de lokale diensteneconomieonderneming gemiddeld op jaarbasis minimaal vijf voltijds equivalente doelgroepwerknemers in.
De minister bepaalt de methodiek die het departement hanteert voor de becijfering van de op jaarbasis gemiddeld vijf voltijdse equivalenten van de ingeschakelde doelgroepwerknemers.
§ 2. De startende lokale diensteneconomieonderneming voldoet binnen twee jaar te rekenen vanaf de datum van de toekenning van de inschakelingstrajecten aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
Art. 2. § 1er. Conformément à l'article 4, § 1er, deuxième alinéa, 1°, du décret du 22 novembre 2013, l'entreprise de l'économie de services locaux offre en moyenne, sur base annuelle, un trajet d'insertion équivalent temps plein à au moins cinq travailleurs de groupe-cible.
Le Ministre définit la méthode appliquée par le département pour chiffrer les cinq équivalents temps plein des travailleurs de groupe-cible insérés en moyenne sur base annuelle.
§ 2. L'entreprise de l'économie de services locaux débutante répond à la condition visée au paragraphe 1er, alinéa premier, dans les deux ans suivant l'octroi des trajets d'insertion.
Art. 3. Overeenkomstig artikel 4, § 1, tweede lid, 4°, van het decreet van 22 november 2013, heeft de lokale diensteneconomieonderneming de rechtsvorm van:
een vereniging zonder winstoogmerk: de vereniging, opgericht met toepassing van de bepalingen van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
een publiekrechtelijke rechtspersoon;
een vennootschap met sociaal oogmerk: de vennootschap, opgericht met toepassing van artikel 661 van het Wetboek der Vennootschappen;
een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid als vermeld in artikel 3 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking tussen de rechtspersonen.
Art. 3. Conformément à l'article 4, § 1er, deuxième alinéa, 4°, du décret du 22 novembre 2013, l'entreprise de l'économie de services locaux a l'une des formes juridiques suivantes :
une association sans but lucratif : association créée en application des dispositions de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations ;
une personne morale de droit public ;
une société à finalité sociale : société créée en application de l'article 661 du Code des Sociétés ;
un partenariat avec personnalité morale tel que visé à l'article 3 du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale.
Art. 4. Als de lokale diensteneconomieonderneming andere activiteiten verricht dan de activiteiten, vermeld in artikel 9 van het decreet van 22 november 2013, richt de lokale diensteneconomieonderneming een afdeling sui generis op.
De afdeling sui generis, vermeld in het eerste lid, voldoet minimaal aan de volgende voorwaarden:
er is een specifieke verantwoordelijke voor de activiteiten in het kader van dit besluit. De lokale diensteneconomieonderneming brengt het departement op de hoogte van die verantwoordelijke persoon;
de inhoudelijke en financiële activiteiten in het kader van het inschakelingstraject worden afzonderlijk geregistreerd.
Als de lokale diensteneconomieonderneming andere niet-commerciële activiteiten uitvoert dan de activiteiten, vermeld in artikel 9 van het decreet van 22 november 2013, houdt de afzonderlijke financiële registratie een identificatie in van de afzonderlijke kostenposten. De kosten die zijn toegeschreven aan de afdeling sui generis, moeten alle variabele kosten omvatten die bij het verrichten van de activiteiten, vermeld in het voormelde decreet, zijn ontstaan en een proportioneel aandeel in de gemeenschappelijke vaste kosten van de diensten die worden gerealiseerd in het kader van het voormelde decreet.
Als de lokale diensteneconomieonderneming andere commerciële activiteiten uitvoert, houdt de afzonderlijke financiële registratie een gescheiden boekhouding in.
Art. 4. Lorsque l'entreprise de l'économie de services locaux effectue également d'autres activités que celles visées à l'article 9 du décret du 22 novembre 2013, elle crée une division sui generis.
La division sui generis visée à l'alinéa premier remplit au moins les conditions suivantes :
il y a un responsable spécifique pour les activités dans le cadre du présent arrêté. L'entreprise de l'économie de services locaux informe le département de l'identité de ce responsable ;
les activités sur le plan du contenu et financières dans le cadre du trajet d'insertion sont enregistrées séparément.
Lorsque l'entreprise de l'économie de services locaux effectue également d'autres activités non commerciales que celles visées à l'article 9 du décret du 22 novembre 2013, l'enregistrement financier séparé implique une identification des postes de coûts distincts. Les coûts affectés à la division sui generis doivent comprendre tous les coûts variables encourus lors de l'exécution des activités visées dans le décret précité, ainsi qu'une part proportionnelle des coûts fixes communs des services effectués dans le cadre du décret susmentionné.
Lorsque l'entreprise de l'économie de services locaux effectue d'autres activités commerciales, l'enregistrement financier séparé implique une comptabilité séparée.
Art. 5. [1 De lokale diensteneconomieonderneming hanteert een kwaliteitsmanagementsysteem.]1
Art. 5. [1 L'entreprise de l'économie de services locaux applique un système de gestion de la qualité.]1
Art. 6. De lokale diensteneconomieonderneming rapporteert jaarlijks aan de hand van een duurzaamheidsverslag over haar bedrijfsvoering. Het duurzaamheidsverslag omvat minimaal een toelichting bij:
de inschakeling, de begeleiding, de opleiding, de duurzame loopbanen en doorstroom van medewerkers;
de milieu-impact van de bedrijfsvoering;
de maatschappelijke inbedding van de lokale diensteneconomieonderneming;
de economische en financiële performantie.
De minister bepaalt:
de indicatoren en descriptoren waarover de lokale diensteneconomie minimaal rapporteert;
het duurzaamheidsverslagmodel dat is gebaseerd op een of meer internationaal erkende duurzaamheidsverslagmodellen.
De lokale diensteneconomieonderneming bezorgt het duurzaamheidsverslag jaarlijks uiterlijk op 31 juli aan zijn stakeholders en het departement.
Art. 6. L'entreprise de l'économie de services locaux rend compte chaque année de sa gestion d'entreprise au moyen d'un rapport de durabilité. Le rapport de durabilité contient au moins une explication pour :
l'insertion, l'accompagnement, la formation, les carrières durables et la transition des collaborateurs ;
l'impact environnemental de la gestion de l'entreprise ;
l'ancrage social de l'entreprise de l'économie de services locaux ;
les performances économiques et financières.
Le Ministre définit :
les indicateurs et descripteurs au sujet desquels l'entreprise de l'économie de services locaux doit au minimum rendre des comptes ;
le modèle de rapport de durabilité basé sur un ou plusieurs modèles de rapport de durabilité internationalement reconnus.
L'entreprise de l'économie de services locaux remet le rapport de durabilité à ses parties prenantes et au département pour le 31 juillet de chaque année au plus tard.
Art. 7.
Art. 7.
Art. 8.
Art. 8.
Art. 9. § 1. [2 Als uit de opvolging van de bedrijfsvoering via het duurzaamheidsverslag, vermeld in artikel 6, blijkt dat de globale inschakeling van de doelgroepwerknemers in het gedrang komt,]2 kan de minister, na het advies van het departement, tot managementondersteuning [1 of de ondersteuning, vermeld in hoofdstuk 4 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen,]1 voor de lokale diensteneconomieonderneming bevelen.
§ 2. De managementondersteuning, vermeld in paragraaf 1, omvat een deskundig bedrijfsadvies dat specifieke, waardevolle en toekomstgerichte schriftelijke raadgevingen omvat ter verbetering van de financieel-economische situatie van de onderneming. Het bedrijfsadvies omvat:
een analyse van de probleemstelling;
het eigenlijk advies;
de ondersteuning bij de opmaak van een schriftelijk actieplan dat voor een periode van achttien maanden een systematisch overzicht geeft van de maatregelen die de lokale diensteneconomieonderneming zal uitvoeren.
Het actieplan, vermeld in het eerste lid, 3°, geeft meetindicatoren ter verbetering en de streefdata voor de realisatie van elke maatregel op.
De raad van bestuur van de lokale diensteneconomieonderneming neemt kennis van het actieplan, vermeld in het eerste lid, 3°, uiterlijk negen maanden na het bevel tot managementondersteuning, en bezorgt een afschrift van de kennisgeving en het actieplan aan het departement.
§ 3. [1 Voor de uitvoering van de managementondersteuning kan de lokale diensteneconomieonderneming een beroep doen op de steun voor specifieke managementondersteuning, vermeld in hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017 tot bepaling van de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie voor managementadvies, vermeld in artikel 12 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen.]1
Art. 9. § 1er. [2 S'il ressort du suivi de la gestion d'entreprise par le biais du rapport de durabilité visé à l'article 6, que l'insertion globale des travailleurs de groupe-cible est mise en péril,]2 le Ministre est habilité, après avis du département, à ordonner une aide à la gestion [1 ou l'aide, visée au chapitre 4 du décret du 17 février 2012 relatif à l'appui à l'entrepreneuriat dans le domaine de l'économie sociale et à la stimulation de l'entrepreneuriat socialement responsable]1 pour l'entreprise de l'économie de services locaux.
§ 2. L'aide à la gestion telle que visée au paragraphe 1er prend la forme d'un avis professionnel averti comportant des conseils écrits spécifiques, précieux et tournés vers l'avenir en vue d'améliorer la situation financière et économique de l'entreprise. L'avis professionnel comporte :
une analyse de la problématique ;
l'avis proprement dit ;
l'aide à l'établissement d'un plan d'action écrit qui donne un aperçu systématique, pour une période de dix-huit mois, des mesures qui seront mises en oeuvre par l'entreprise de l'économie de services locaux.
Le plan d'action visé à l'alinéa premier, 3°, fournit des indicateurs de mesure pour améliorer la situation et indique les dates limites pour la mise en oeuvre de chaque mesure.
Le conseil d'administration de l'entreprise de l'économie de services locaux prend connaissance du plan d'action visé à l'alinéa premier, 3°, au plus tard neuf mois après l'ordre d'aide à la gestion et remet une copie de la notification et du plan d'action au département.
§ 3. [1 Pour l'exécution de l'aide à la gestion, l'économie de services locaux peut faire appel au soutien à l'aide à la gestion spécifique, visée au chapitre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017 fixant les conditions d'octroi de la subvention pour la consultation en gestion, visé à l'article 12 du décret du 17 février 2012 relatif à l'appui à l'entrepreneuriat dans le domaine de l'économie sociale et à la stimulation de l'entrepreneuriat socialement responsable.]1
Afdeling 2. - De lokale diensten
Section 2. - Les services locaux
Art. 10. § 1. De opdrachtgevende overheid die van plan is om lokale diensten toe te kennen of zichzelf daarmee te belasten, onderzoekt eerst aan de hand van een impactanalyse of die diensten voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5 van het decreet van 22 november 2013.
De impactanalyse, vermeld in het eerste lid, bestaat minimaal uit:
de situering van de dienstverlening binnen het gevoerde beleid;
de analyse van de effecten van de dienstverlening, waar onder minimaal:
a) de impact van de dienstverlening;
b) de impact op de bestaande tewerkstelling;
c) de creatie van tewerkstelling;
d) de beoogde doelgroep van de dienstverlening;
e) de budgettaire impact;
f) de impact op het lokaal bestaande aanbod van de dienstverlening;
een lange-termijnperspectief;
de verhouding van de dienstverlening tot het Vlaamse overheidsbeleid.
Het departement stelt een impactanalysetool ter beschikking.
§ 2. Op basis van de impactanalyse beslist de opdrachtgevende overheid tot toekenning van de lokale diensten.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, omvat minimaal:
de naam en het adres van de lokale diensteneconomieonderneming;
de duur van de beslissing;
de omschrijving van de openbare diensttaken in het kader van de dienstverlening;
een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor de berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
de regeling om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
de opgave van de wettelijke grondslag voor de dienstverlening;
de niet-overdraagbaarheid van de dienstverlening.
Art. 10. § 1er. L'autorité mandante qui a l'intention d'octroyer des services locaux ou de s'en charger elle-même vérifie d'abord, à l'aide d'une analyse de l'impact, que lesdits services répondent aux conditions visées à l'article 5 du décret du 22 novembre 2013.
L'analyse de l'impact telle que mentionnée à l'alinéa premier se compose au minimum des éléments suivants :
la situation des services dans le contexte de la politique menée ;
l'analyse des effets des services, dont au minimum :
a) l'impact des services ;
b) l'impact sur l'emploi existant ;
c) la création d'emplois ;
d) le groupe-cible des services ;
e) l'impact budgétaire ;
f) l'impact sur l'offre locale qui existe déjà ;
une perspective à long terme ;
la situation des services par rapport à la politique du Gouvernement flamand.
Le département met un outil d'analyse de l'impact à disposition.
§ 2. Sur la base de l'analyse de l'impact, l'autorité mandante décide de l'octroi des services locaux.
La décision visée à l'alinéa premier comporte au moins les éléments suivants :
le nom et l'adresse de l'entreprise de l'économie de services locaux ;
la durée de la décision ;
la description des tâches de service public dans le cadre des services ;
une description du mécanisme de compensation et des paramètres pour le calcul, le monitoring et la révision de la compensation ;
les modalités de récupération des éventuelles surcompensations et les moyens d'éviter ces dernières ;
la mention de la base légale pour les services ;
l'incessibilité des services.
HOOFDSTUK 3. - Indicering van de doelgroepwerknemers
CHAPITRE 3. - Indication des travailleurs de groupe-cible
Art. 11. Personen die beschikken over een advies lokale diensteneconomie komen in aanmerking voor ondersteuning als doelgroepwerknemer.
De VDAB kent het advies lokale diensteneconomie toe op grond van een indicering op basis van de indicaties bedoeld in artikel 13, die een behoefte aan kwaliteitsvolle begeleide en competentieversterkende inschakeling aangeeft. De indicering op basis van ICF wordt door de VDAB, of een door de VDAB aangewezen dienstverlener, uitgevoerd.
Art. 11. Les personnes qui disposent d'un avis d'économie de services locaux sont éligibles à une aide en tant que travailleur de groupe-cible.
Le VDAB octroie l'avis d'économie de services locaux sur la base des indications visées à l'article 13, qui établissent le besoin d'insertion accompagnée et de renforcement des compétences de qualité. L'indication sur la base de l'ICF est effectuée par le VDAB ou par un prestataire de services désigné par le VDAB.
Art. 12. Het advies lokale diensteneconomie vervalt na vijf jaar als de persoon nog werkzoekende is. De VDAB stelt in voorkomend geval opnieuw de behoefte aan kwaliteitsvolle, begeleide en competentieversterkende inschakeling vast.
Art. 12. L'avis d'économie de services locaux expire après cinq ans si l'individu est encore demandeur d'emploi à ce moment-là. Le cas échéant, le VDAB établit de nouveau le besoin d'insertion accompagnée et de renforcement des compétences de qualité.
Art. 13. De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, stellen, na het advies van de VDAB, de lijst met indicaties bedoeld in artikel 7 van het decreet van 22 november 2013, op basis van de International Classification of Functioning, Disability and Health, referentieclassificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie vast, op grond waarvan de personen met een behoefte aan kwaliteitsvolle, begeleide en competentieversterkende inschakeling een advies lokale diensteneconomie ontvangen.
Art. 13. Le Ministre et le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions établissent, après l'avis du VDAB, la liste des indications visées à l'article 7 du décret du 22 novembre 2013, en s'appuyant sur l'International Classification of Functioning, Disability and Health (Classification internationale du fonctionnement, du handicap et de la santé), une classification de référence de l'Organisation mondiale de la Santé, sur la base desquelles les personnes ayant besoin d'une insertion accompagnée et de renforcement des compétences de qualité reçoivent un avis d'économie de services locaux.
HOOFDSTUK 4. - Inschakelingstraject
CHAPITRE 4. - Trajet d'insertion
Art. 14. § 1. De lokale diensteneconomieonderneming maakt conform artikel 11, eerste lid, 1° en 3°, van het decreet van 22 november 2013, in overleg met de doelgroepwerknemer een persoonlijk ontwikkelingsplan op dat tot doel heeft de competenties van de doelgroepwerknemer op te volgen en te ontwikkelen, afhankelijk van zijn functioneren op de werkvloer en zijn kansen op doorstroom.
Het persoonlijk ontwikkelingsplan, vermeld in het eerste lid, omvat een actieplan op maat van de doelgroepwerknemer, met daarin minimaal:
zijn persoonsgegevens;
zijn generieke en technische competenties;
zijn toekomstige generieke en technische competenties, die het doorstroomprofiel bepalen;
de opgave van een verbeteractie met betrekking tot zijn generieke competenties;
de opgave van een verbeteractie met betrekking tot zijn technische competenties.
In het tweede lid, 2°, wordt verstaan onder:
generieke competenties: de competenties die betrekking hebben op de wijze waarop iemand omgaat met informatie, taken, relaties, en het eigen functioneren op de werkvloer met betrekking tot de concrete dagdagelijkse werksituatie;
technische competenties: de noodzakelijke competenties om verwachte resultaten op de werkvloer die eigen zijn aan een welbepaalde functie, te realiseren.
De lokale diensteneconomieonderneming gaat het engagement aan om het doorstroomprofiel binnen het inschakelingtraject van vijf jaar te bereiken.
§ 2. Het departement bezorgt aan de lokale diensteneconomieonderneming een model van persoonlijk ontwikkelingsplan.
§ 3. De lokale diensteneconomieonderneming registreert het persoonlijk ontwikkelingsplan, alsook elke wijziging daaraan, in de databank die de VDAB daarvoor beheert. De VDAB kan het persoonlijke ontwikkelingsplan raadplegen met het oog op de evaluatie, vermeld in artikel 13 van het decreet van 22 november 2013.
Art. 14. § 1er. Conformément à l'article 11, alinéa premier, 1° et 3°, du décret du 22 novembre 2013, l'entreprise de l'économie de services locaux établit, en concertation avec le travailleur de groupe-cible, un plan de développement personnel visant à suivre et développer les compétences du travailleur de groupe-cible, en fonction de son fonctionnement sur le lieu de travail et de ses chances de transition.
Le plan de développement personnel visé à l'alinéa premier comprend un plan d'action adapté au travailleur de groupe-cible comportant au moins :
ses données personnelles ;
ses compétences génériques et techniques ;
ses futures compétences génériques et techniques qui déterminent le profil de transition ;
l'indication d'une action d'amélioration au niveau de ses compétences génériques ;
l'indication d'une action d'amélioration au niveau de ses compétences techniques.
Au deuxième alinéa, 2°, on entend par :
compétences génériques : les compétences relatives à la manière dont une personne aborde les informations, les tâches, les relations et son propre fonctionnement sur le lieu de travail concernant la situation de travail quotidienne concrète ;
compétences techniques : les compétences requises pour atteindre les résultats escomptés sur le lieu de travail, qui sont spécifiques à une fonction donnée.
L'entreprise de l'économie de services locaux s'engage à atteindre le profil de transition dans le cadre du trajet d'insertion de cinq ans.
§ 2. Le département fournit un modèle de plan de développement personnel à l'entreprise de l'économie de services locaux.
§ 3. L'entreprise de l'économie de services locaux enregistre le plan de développement personnel, de même que toute modification y apportée, dans la banque de données gérée par le VDAB à cet effet. Le VDAB peut consulter le plan de développement personnel en vue de l'évaluation visée à l'article 13 du décret du 22 novembre 2013.
Art. 15. De lokale diensteneconomieonderneming evalueert jaarlijks de competentieontwikkeling van de doelgroepwerknemer aan de hand van een persoonlijk gesprek. Ze stuurt op basis van die resultaten het persoonlijk ontwikkelingsplan voor het toekomende jaar bij.
Art. 15. L'entreprise de l'économie de services locaux évalue chaque année le développement des compétences du travailleur de groupe-cible à l'aide d'un entretien individuel. Sur la base des résultats obtenus, elle adapte le plan de développement personnel pour l'année suivante.
Art. 16. De lokale diensteneconomieonderneming verbindt er zich toe om arbeidsomstandigheden aan te passen aan de door de lokale diensteneconomieonderneming gedetecteerde behoeften van de doelgroepwerknemer.
In het eerste lid wordt verstaan onder arbeidsomstandigheden: de fysieke, sociale en psychosociale eigenschappen van de werkomgeving.
Art. 16. L'entreprise de l'économie de services locaux s'engage à adapter les conditions de travail aux besoins du travailleur de groupe-cible détectés par ses soins.
A l'alinéa premier, on entend par " conditions de travail " les caractéristiques physiques, sociales et psychosociales de l'environnement professionnel.
Art. 17. § 1. De personen die belast zijn met de begeleiding van de doelgroepwerknemer, beschikken over de kerncompetenties samenwerken, communiceren en persoonsgericht werken.
De lokale diensteneconomieonderneming voorziet daarvoor in een opleidingsplan met bijbehorende opleiding. De opleiding vangt aan binnen zes maanden na de indiensttreding van de begeleider. De lokale diensteneconomieonderneming coacht de begeleider gedurende twaalf maanden. De lokale diensteneconomieonderneming bezorgt de naam van de begeleider aan het departement.
Opleidingsverstrekkers kunnen een voorstel van opleiding voordragen aan het departement, dat daarover binnen dertig dagen na ontvangst aan de minister een advies formuleert.
De minister keurt de opleiding goed.
§ 2. Het opleidingsplan met bijbehorende opleiding, vermeld in paragraaf 1, is niet vereist voor de begeleider die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
de begeleider heeft al een opleiding als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, gevolgd;
de begeleider beschikt over minimaal twee jaar relevante aantoonbare beroepservaring;
de begeleider beschikt over een relevant ervaringsbewijs als vermeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid.
De minister bepaalt na het advies van het departement welke ervaringsbewijzen in aanmerking komen.
Art. 17. § 1er. Les personnes chargées de l'accompagnement du travailleur de groupe-cible disposent des compétences clés " collaboration ", " communication " et " approche centrée sur la personne ".
L'entreprise de l'économie de services locaux prévoit à cet effet un programme de formation avec formation correspondante. La formation débute dans les six mois qui suivent l'entrée en service de l'accompagnateur. L'entreprise de l'économie de services locaux coache l'accompagnateur pendant douze mois. L'entreprise de l'économie de services locaux communique le nom de l'accompagnateur au département.
Les dispensateurs de formation peuvent soumettre une proposition de formation au département, qui rend un avis au Ministre dans les trente jours suivant la réception.
Le Ministre approuve la formation.
§ 2. Le programme de formation avec formation correspondante tel que mentionné au paragraphe 1er n'est pas obligatoire pour l'accompagnateur qui répond à l'une des conditions suivantes :
l'accompagnateur a déjà suivi une formation telle que visée au paragraphe 1er, deuxième alinéa ;
l'accompagnateur peut faire la preuve d'une expérience professionnelle pertinente de minimum deux ans ;
l'accompagnateur dispose d'un titre de compétence professionnelle pertinent tel que visé à l'article 4 du décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle.
Après avis du département, le Ministre détermine quels titres de compétence professionnelle entrent en ligne de compte.
Art. 18. De werkvloerbegeleider ondersteunt de doelgroepwerknemer met oog op de uitvoering van zijn taak, vermeld in artikel 11, eerste lid, 2°, van het decreet van 22 november 2013.
De coaching door de werkvloerbegeleider, vermeld in het eerste lid, omvat:
het feit dat de begeleider bereikbaar is voor de doelgroepwerknemer;
het feit dat de begeleider dagelijks de taakuitvoering opvolgt en de uitvoering bijstuurt voor zover dat nodig is;
het feit dat de werkvloerbegeleider wekelijks feedback geeft aan de doelgroepwerknemer over zijn functioneren en taken.
Art. 18. L'accompagnateur de terrain soutient le travailleur de groupe-cible en vue de l'exécution de sa tâche, conformément à l'article 11, alinéa premier, 2°, du décret du 22 novembre 2013.
Le coaching dispensé par l'accompagnateur de terrain, tel que visé à l'alinéa premier, implique que :
l'accompagnateur puisse être joint par le travailleur de groupe-cible ;
l'accompagnateur suive l'exécution de la tâche au quotidien et adapte l'exécution le cas échéant ;
l'accompagnateur de terrain donne chaque semaine un feed-back au travailleur de groupe-cible au sujet de son fonctionnement et de ses tâches.
Art. 19. De duur van het inschakelingstraject kan voor onbepaalde duur worden verlengd als de doelgroepwerknemer op het moment van de aanvang van het doorstroomtraject de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt en niet kan worden toegeleid naar een tewerkstelling buiten het toepassingsgebied van dit besluit.
In afwijking van het eerste lid kan de duur van het inschakelingstraject worden verlengd als de doelgroepwerknemer op het moment van de aanvang van het doorstroomtraject de leeftijd van vijfenvijftig jaar heeft bereikt en voor hem geen vacature in de reguliere economie beschikbaar is. De verlenging is van toepassing zolang de doelgroepwerknemer niet kan worden toegeleid naar een tewerkstelling buiten het toepassingsgebied van dit besluit.
Art. 19. La durée du trajet d'insertion peut être prolongée pour une durée indéterminée si le travailleur de groupe-cible a atteint l'âge de soixante ans au moment du démarrage du trajet de transition et qu'il ne peut pas être orienté vers un emploi en dehors du champ d'application du présent arrêté.
Par dérogation à l'alinéa premier, la durée du trajet d'insertion peut être prolongée si le travailleur de groupe-cible a atteint l'âge de cinquante-cinq ans au moment du démarrage du trajet de transition et qu'aucun emploi n'est disponible pour lui dans l'économie régulière. La prolongation s'applique tant que le travailleur de groupe-cible ne peut pas être orienté vers un emploi en dehors du champ d'application du présent arrêté.
Art. 19/1. [1 In geval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact die als dusdanig door de minister is erkend, wordt de duurtijd van het inschakelingstraject verlengd in functie van de aanvang van het doorstroomtraject en wordt de duurtijd van een inschakelingstraject verlengd als de duurtijd van het doorstroomtraject de maximale duurtijd van dit inschakelingstraject overschrijdt.]1
Art. 19/1. [1 En cas de crise ayant un impact social et économique grave reconnu comme tel par le ministre, la durée du trajet d'insertion est prolongée en fonction du début du trajet de transition et la durée du trajet d'insertion est prolongée si la durée du trajet de transition dépasse la durée maximale de ce trajet d'insertion.]1
Art. 20. De duur van het individuele inschakelingstraject kan worden verlengd met de periode van afwezigheid wegens:
langdurige arbeidsongeschiktheid, die het gevolg is van ziekte of ongeval;
het moederschapsverlof, vaderschaps- of adoptieverlof.
De minister kan de periode van langdurige arbeidsongeschiktheid, vermeld in het eerste lid, 1°, nader bepalen.
Art. 20. La durée du trajet d'insertion individuel peut être prolongée de la période d'absence pour cause :
d'incapacité de travail de longue durée résultant d'une maladie ou d'un accident ;
de congé de maternité, de paternité ou d'adoption.
Le Ministre peut préciser plus avant la période d'incapacité de travail de longue durée visée à l'alinéa premier, 1°.
Art. 21. Onder het vervolmaken van een competentieversterkend traject, zoals vermeld in artikel 17, derde lid, van het decreet van 22 november 2013, wordt verstaan: het afronden van een gestart competentieversterkend traject of heroriënterend traject met het oog op het vinden van tewerkstelling zonder ondersteuning in het kader van dit decreet.
De VDAB stelt de behoefte aan het vervolmaken van het competentieversterkend traject, vermeld in het vorige lid, vast.
Art. 21. Par " compléter un trajet de renforcement des compétences ", comme indiqué à l'article 17, troisième alinéa, du décret du 22 novembre 2013, on entend : achever un trajet de renforcement des compétences ou un trajet de réorientation entamé en vue de trouver un emploi sans aucune aide dans le cadre dudit décret.
Le VDAB établit le besoin de compléter le trajet de renforcement des compétences tel que visé à l'alinéa précédent.
HOOFDSTUK 5. - Evaluatie en Doorstroom
CHAPITRE 5. - Evaluation et transition
Afdeling 1. - Evaluatie
Section 1. - Evaluation
Art. 22. De evaluatie vindt minimaal plaats aan de hand van:
het persoonlijke ontwikkelingsplan;
de bespreking van het evaluatieformulier van de lokale diensteneconomieonderneming, vermeld in het tweede lid;
een gesprek met de doelgroepwerknemer, in voorkomend geval aan de hand van zijn evaluatieformulier, vermeld in het tweede lid;
het eventuele doorstroomtraject.
De VDAB bezorgt aan de lokale diensteneconomieonderneming en de doelgroepwerknemer een evaluatieformulier.
De lokale diensteneconomieonderneming registreert het evaluatieformulier minimaal tien dagen voor de aanvang van het evaluatiegesprek in de databank die de VDAB daarvoor beheert.
Art. 22. L'évaluation a lieu au minimum à l'aide :
du plan de développement personnel ;
de la discussion du formulaire d'évaluation de l'entreprise de l'économie de services locaux visé au deuxième alinéa ;
d'un entretien avec le travailleur de groupe-cible, le cas échéant au moyen de son formulaire d'évaluation tel que visé au deuxième alinéa ;
du trajet de transition éventuel.
Le VDAB remet un formulaire d'évaluation à l'entreprise de l'économie de services locaux et au travailleur de groupe-cible.
L'entreprise de l'économie de services locaux enregistre le formulaire d'évaluation, au moins dix jours avant le début de l'entretien d'évaluation, dans la banque de données gérée par le VDAB à cet effet.
Art. 23. De evaluatie kan aanleiding geven tot de vaststelling dat doorstroom voor de doelgroepwerknemer mogelijk is. De VDAB beslist daarover binnen een termijn van twintig werkdagen na afloop van het evaluatiegesprek. De VDAB brengt de werkgever, de doelgroepwerknemer en het departement op de hoogte van zijn beslissing.
Art. 23. L'évaluation peut donner lieu à la constatation que la transition est possible pour le travailleur de groupe-cible. Le VDAB arrête sa décision dans un délai de vingt jours ouvrables suivant le déroulement de l'entretien d'évaluation. Le VDAB informe l'employeur, le travailleur de groupe-cible et le département de sa décision.
Afdeling 2. - Beoordeling van de kansen op doorstroom
Section 2. - Evaluation des chances de transition
Art. 24. Bij de beoordeling van de kansen op doorstroom, vermeld in artikel 13, eerste lid, 2°, van het decreet van 22 november 2013, houdt de VDAB rekening met:
de persoonlijke situatie van de doelgroepwerknemer, op het vlak van:
a) gezondheid;
b) mobiliteit;
c) leeftijd;
d) familiale situatie;
e) financiële situatie;
f) vermogen en de motivatie tot zelfstandig loopbaanbeheer.
de continuïteit op het vlak van de bedrijfsvoering van de lokale diensteneconomieonderneming. De VDAB kan in voorkomend geval de aanvang van een doorstroomtraject met maximaal zes maanden uitstellen als de onmiddellijke uitvoering van het doorstroomtraject de kwaliteitsvolle bedrijfsvoering van de lokale diensteneconomieonderneming in de weg staat.
De VDAB onderzoekt of de persoonlijke situatie van de doelgroepwerknemer, vermeld in het eerste lid, 1°, hem toelaat te voldoen aan reguliere arbeidsvoorwaarden.
De minister kan de lijst met factoren, vermeld in het eerste lid, 1°, nader bepalen.
Art. 24. Pour évaluer les chances de transition visées à l'article 13, alinéa premier, 2°, du décret du 22 novembre 2013, le VDAB tient compte :
de la situation personnelle du travailleur de groupe-cible sur le plan de :
a) sa santé ;
b) sa mobilité ;
c) son âge ;
d) sa situation familiale ;
e) sa situation financière ;
f) sa capacité et sa motivation à gérer sa carrière de manière autonome ;
de la continuité dans la gestion d'entreprise de l'entreprise de l'économie de services locaux. Le VDAB peut, le cas échéant, ajourner le démarrage d'un trajet de transition de maximum six mois si l'exécution immédiate du trajet de transition entrave la gestion d'entreprise de qualité de l'entreprise de l'économie de services locaux.
Le VDAB examine si la situation personnelle du travailleur de groupe-cible visée à l'alinéa premier, 1°, lui permet de répondre aux conditions de travail régulières.
Le Ministre peut préciser plus avant la liste des facteurs visés à l'alinéa premier, 1°.
Afdeling 3. - Interne doorstroom
Section 3. - Transition interne
Art. 25. Als de VDAB bij de evaluatie van oordeel is dat de kansen op doorstroom gunstig zijn, kan de lokale diensteneconomieonderneming beslissen om werknemer in dienst te houden, zonder ondersteuning in het kader van het besluit.
De lokale diensteneconomieonderneming brengt de VDAB op de hoogte van haar beslissing uiterlijk zeven kalenderdagen na de datum van de gunstige beoordeling door de VDAB. In voorkomend geval wordt de ondersteuning in het kader van het decreet van 22 november 2013 beëindigd, te rekenen vanaf de laatste dag van het kwartaal waarin de beslissing van de lokale diensteneconomieonderneming aan de VDAB wordt betekend.
De VDAB licht de lokale diensteneconomieonderneming in over de steunmaatregelen op maat van de werknemer die, los van dit besluit, voorhanden zijn.
Art. 25. Lorsque le VDAB estime, lors de l'évaluation, que les chances de transition sont favorables, l'entreprise de l'économie de services locaux peut décider de maintenir le travailleur en service, sans aucune aide dans le cadre du présent arrêté.
L'entreprise de l'économie de services locaux informe le VDAB de sa décision au plus tard sept jours civils à compter de la date de l'évaluation favorable du VDAB. Le cas échéant, il est mis un terme à l'aide octroyée dans le cadre du décret du 22 novembre 2013, à partir du dernier jour du trimestre durant lequel la décision de l'entreprise de l'économie de services locaux est signifiée au VDAB.
Le VDAB informe l'entreprise de l'économie de services locaux des mesures d'aide adaptées au travailleur qui sont disponibles indépendamment du présent arrêté.
Afdeling 4. - Externe doorstroom
Section 4. - Transition externe
Art. 26. De VDAB kan binnen het begrotingskrediet een extern doorstroomtraject opstarten voor de doelgroepwerknemer.
In het eerste lid wordt verstaan onder extern doorstroomtraject: de doorstroombegeleiding, vermeld in artikel 27, naar een werkvloer, vreemd aan de lokale diensteneconomieonderneming.
De VDAB bepaalt de aanvangsdatum van het doorstroomtraject in overleg met de doelgroepwerknemer, de lokale diensteneconomieonderneming en de dienstverlener.
Het doorstroomtraject vangt aan binnen drie maanden nadat de kansen op doorstroom door de VDAB gunstig werden beoordeeld.
[1 Met behoud van de toepassing van het vierde lid, kan de VDAB de aanvang van de doorstroomtrajecten tijdelijk opschorten in geval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact die als dusdanig door de minister is erkend.]1
Art. 26. Le VDAB peut, dans les limites du crédit budgétaire, démarrer un trajet de transition externe pour le travailleur de groupe-cible.
A l'alinéa premier, on entend par " trajet de transition externe " l'accompagnement de la transition, tel que visé à l'article 27, vers un lieu de travail étranger à l'entreprise de l'économie de services locaux.
Le VDAB fixe la date de démarrage du trajet de transition en concertation avec le travailleur de groupe-cible, l'entreprise de l'économie de services locaux et le prestataire de services.
Le trajet de transition démarre dans les trois mois qui suivent l'évaluation favorable des chances de transition par le VDAB.
[1 Sans préjudice de l'application de l'alinéa 4, le VDAB peut suspendre temporairement le démarrage des trajets de transition en cas de crise ayant un impact social et économique grave reconnu comme tel par le ministre.]1
Afdeling 5. - Doorstroombegeleiding
Section 5. - Accompagnement de la transition
Art. 27. § 1. De gemandateerde dienstverlener is belast met de doorstroombegeleiding van de doelgroepwerknemer, gedurende gemiddeld honderdveertig uren, verspreid over de volgende vier opeenvolgende fasen:
het voortraject, gedurende maximaal een maand, waarbij de begeleiding van de doelgroepwerknemer gericht is op:
a) sollicitatietraining: de voorbereiding van de doelgroepwerknemer op het solliciteren, waarbij minstens aandacht besteed wordt aan:
1) de opmaak van een curriculum vitae;
2) de sollicitatiebrief;
3) de kennismaking met sollicitatietechnieken;
4) de presentatie van de doelgroepwerknemer;
b) het zoeken naar een passende job op maat van de interesses, competenties en mogelijkheden van de doelgroepwerknemer;
c) het ondersteunen van de doelgroepwerknemer bij het invullen van de randvoorwaarden voor reguliere tewerkstelling;
de job matching, gedurende maximaal drie maanden, die bestaat uit het zoeken van één of meer stages in samenspraak met de doelgroepwerknemer op basis van een reëel jobaanbod bij een stageverlenende organisatie;
de stage, gedurende maximaal drie maanden, waarbij de dienstverlener de stageverlenende organisatie en de doelgroepwerknemer minstens ondersteunt wat betreft:
a) het onthaal van de doelgroepwerknemer;
b) raadgevingen over de aanpassing aan de arbeidsomgeving;
c) raadgevingen over de werkprocessen en functie van de doelgroepwerknemer;
d) raadgevingen over de communicatie met de doelgroepwerknemer;
e) de coaching van de doelgroepwerknemer en de stageverlenende organisatie;
f) het beantwoorden van specifieke vragen die inherent zijn aan de stageverlening aan de doelgroepwerknemer;
g) de actualisering van het persoonlijk ontwikkelingsplan van de doelgroepwerknemer, op basis van zijn doorstroomresultaten op het einde van de stage.
de nazorgbegeleiding, gedurende maximaal drie maanden, te rekenen vanaf de indiensttreding bij de reguliere werkgever. Die begeleiding omvat bijkomende raadgevingen aan de werkgever en de doelgroepwerknemer gericht op de duurzame tewerkstelling bij de reguliere werkgever.
§ 2. Tijdens het doorstroomtraject, vermeld in paragraaf 1, stelt de lokale diensteneconomieonderneming de doelgroepwerknemer vrij van arbeidsprestaties voor de uitvoering van het doorstroomtraject.
De stage, vermeld in paragraaf 1, 3°, wordt beëindigd met een evaluatiegesprek tussen de betrokken partijen. De gemandateerde dienstverlener brengt de VDAB op de hoogte van de stageresultaten.
§ 3. Op vraag van de doorstroombegeleider kan de VDAB mits motivering een verlenging toestaan van de fases, vermeld in § 1, 1° tot en met 3°, mits de totale duur van deze drie fases de zes maanden niet overschrijdt.
[1 § 4. Met behoud van de toepassing van § 1, § 2 en § 3, kan de VDAB de uitvoering van de doorstroomtrajecten tijdelijk opschorten ingeval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact die als dusdanig door de minister is erkend.]1
Art. 27. § 1er. Le prestataire de services mandaté est chargé de l'accompagnement de la transition du travailleur de groupe-cible, pendant en moyenne cent quarante heures, réparties sur les quatre phases successives suivantes :
l'avant-trajet, pendant maximum un mois, dans le cadre duquel l'accompagnement du travailleur de groupe-cible est axé sur :
a) la formation à la candidature : la préparation du travailleur de groupe-cible à la candidature, en accordant au moins une attention aux points suivants :
1) l'établissement d'un curriculum vitj ;
2) la lettre de candidature ;
3) l'initiation aux techniques de candidature ;
4) la présentation du travailleur de groupe-cible ;
b) la recherche d'un emploi adapté en fonction des intérêts, compétences et possibilités du travailleur de groupe-cible ;
c) le soutien du travailleur de groupe-cible pour répondre aux conditions secondaires pour un emploi régulier ;
le " job matching ", pendant maximum trois mois, qui consiste en la recherche d'un ou plusieurs stages en concertation avec le travailleur de groupe-cible, sur la base d'une offre d'emploi réelle auprès de l'organisation de stage ;
le stage, pendant maximum trois mois, durant lequel le prestataire de services aide l'organisation de stage et le travailleur de groupe-cible au moins en ce qui concerne :
a) l'accueil du travailleur de groupe-cible ;
b) des conseils sur l'adaptation à l'environnement de travail ;
c) des conseils sur les processus de travail et la fonction du travailleur de groupe-cible ;
d) des conseils sur la communication avec le travailleur de groupe-cible ;
e) le coaching du travailleur de groupe-cible et de l'organisation de stage ;
f) la réponse aux questions spécifiques inhérentes au stage du travailleur de groupe-cible ;
g) l'actualisation du plan de développement personnel du travailleur de groupe-cible sur la base de ses résultats de transition à l'issue du stage ;
l'accompagnement de suivi, pendant maximum trois mois, à compter de l'entrée en service chez l'employeur régulier. Cet accompagnement consiste en la fourniture de conseils supplémentaires à l'employeur et au travailleur de groupe-cible axés sur l'emploi durable chez l'employeur régulier.
§ 2. Pendant le trajet de transition visé au paragraphe 1er, l'entreprise de l'économie de services locaux exempte le travailleur de groupe-cible de prestations de travail en vue de l'exécution du trajet de transition.
Le stage visé au paragraphe 1er, 3°, se termine par un entretien d'évaluation entre les parties concernées. Le prestataire de services mandaté informe le VDAB des résultats du stage.
§ 3. A la demande de l'accompagnateur de la transition, le VDAB peut, moyennant motivation, autoriser une prolongation des phases visées au paragraphe 1er, 1° à 3°, pour autant que la durée totale de ces trois phases ne dépasse pas six mois.
[1 § 4. " Sans préjudice de l'application des §§ 1er, 2 et 3, le VDAB peut suspendre temporairement l'exécution des trajets de transition en cas de crise ayant un impact social et économique grave reconnu comme tel par le ministre.]1
Art. 28. De ondersteuning die wordt verleend conform dit besluit, wordt beëindigd als de VDAB vaststelt dat de doelgroepwerknemer aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
hij heeft geen verdere ondersteuning nodig dan de ondersteuning, vermeld in dit besluit;
hij wil niet doorstromen om redenen, eigen aan zijn wil.
De VDAB brengt de lokale diensteneconomieonderneming op de hoogte van zijn beslissing, uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid.
De lokale diensteneconomieonderneming brengt binnen dertig kalenderdagen het departement op de hoogte van de opzegtermijn, met een afschrift van de opzegbrief. De ondersteuning in het kader van dit besluit worden stopgezet op de dag dat de opzegtermijn afloopt.
Als de lokale diensteneconomieonderneming nalaat om binnen dertig kalenderdagen het afschrift van de opzegbrief aan het departement te bezorgen, wordt de vergoeding automatisch beëindigd op het einde van het kwartaal waarin de kennisgeving door de VDAB, vermeld in het tweede lid, is gebeurd.
Art. 28. Il est mis un terme à l'aide octroyée en vertu du présent arrêté si le VDAB constate que le travailleur de groupe-cible répond à l'une des conditions suivantes :
il n'a besoin d'aucune autre aide que celle visée dans le présent arrêté ;
il ne veut pas procéder à une transition pour des raisons qui lui sont propres.
Le VDAB informe l'entreprise de l'économie de services locaux de sa décision au plus tard cinq jours ouvrables après la constatation de la condition visée à l'alinéa premier.
L'entreprise de l'économie de services locaux informe le département du délai de préavis dans les trente jours civils, au moyen d'une copie de la lettre de préavis. Il peut être mis un terme à l'aide octroyée dans le cadre du présent arrêté à l'échéance du délai de préavis.
Si l'entreprise de l'économie de services locaux omet de fournir la copie de la lettre de préavis au département dans les trente jours civils, il est automatiquement mis un terme à l'indemnité à la fin du trimestre durant lequel la notification par le VDAB visée au deuxième alinéa a eu lieu.
Art. 29. De VDAB wijst in overleg met de doelgroepwerknemer de dienstverlener aan die het doorstroomtraject uitvoert op basis van:
zijn nabijheid met naar gelang het geval, de lokale diensteneconomieonderneming;
zijn kennis met het lokale netwerk van betrokken actoren;
zijn ervaring met de inschakeling van de werkzoekenden met een vergelijkbaar profiel in normaal economisch circuit.
De externe organisatie die werd betrokken bij de beoordeling van de kansen op doorstroom van de doelgroepwerknemer, kan zelf niet optreden als dienstverlener voor de doorstroombegeleiding.
Art. 29. Le VDAB désigne, en concertation avec le travailleur de groupe-cible, le prestataire de services qui exécute le trajet de transition, sur la base de :
sa proximité avec l'entreprise de l'économie de services locaux, le cas échéant ;
sa connaissance du réseau local d'acteurs concernés ;
son expérience avec l'insertion de demandeurs d'emploi présentant un profil comparable dans le circuit économique normal.
L'organisation externe impliquée dans l'évaluation des chances de transition du travailleur de groupe-cible ne peut pas intervenir elle-même comme prestataire de services pour l'accompagnement de la transition.
Afdeling 6. - Mandaat tot doorstroombegeleiding
Section 6. - Mandat d'accompagnement de la transition
Art. 30. § 1. De onderneming die doorstroomtrajecten, als vermeld in artikel 15 van het decreet van 22 november 2013, wil uitvoeren, dient een mandaataanvraag in bij de VDAB.
De onderneming toont daarbij minstens aan dat ze aan de volgende voorwaarden voldoet:
[1 de onderneming beschikt over het kwaliteitsmodel, zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het kwaliteits- en registratiemodel van dienstverleners in het beleidsdomein Werk en Sociale Economie;]1
de onderneming beschikt over de nodige faciliteiten om de dienstverlening uit te voeren;
de onderneming toont haar professionele deskundigheid op het vlak van begeleiding van doelgroepwerknemers als vermeld in artikel 11 van het decreet van 22 november 2013;
de onderneming heeft aantoonbare resultaten voor wat betreft de inschakeling van doelgroepwerknemers in het normale economische circuit;
de onderneming heeft een methodische aanpak van de dienstverlening, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 26 van dit besluit.
De minister en de Vlaams minister, bevoegd voor tewerkstellingsbeleid, kunnen de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
§ 2. De VDAB gaat na of de onderneming voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
§ 3. De minister bepaalt de nadere voorwaarden voor de indiening en behandeling van de aanvraag.
Art. 30. § 1er. L'entreprise qui souhaite exécuter des trajets de transition tels que visés à l'article 15 du décret du 22 novembre 2013 doit introduire une demande de mandat auprès du VDAB.
Dans ce cadre, l'entreprise démontre au moins qu'elle répond aux conditions suivantes :
[1 l'entreprise assure un modèle de qualité tel que visé à l'article 5 du décret du 29 mars 2019 relatif au modèle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Economie et de l'Economie sociale ;]1
l'entreprise dispose des installations nécessaires pour effectuer les services ;
l'entreprise fait la preuve de son professionnalisme en matière d'accompagnement de travailleurs de groupe-cible tel que visé à l'article 11 du décret du 22 novembre 2013 ;
l'entreprise peut montrer des résultats pour ce qui est de l'insertion de travailleurs de groupe-cible dans le circuit économique normal ;
l'entreprise adopte une approche méthodique des services qui répond aux conditions stipulées à l'article 26 du présent arrêté.
Le Ministre et le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions peuvent préciser plus avant les conditions énoncées à l'alinéa premier.
§ 2. Le VDAB vérifie si l'entreprise répond aux conditions visées au paragraphe 1er.
§ 3. Le Ministre établit les modalités pour l'introduction et le traitement de la demande.
Art. 31. Na het positieve advies van de VDAB verleent de minister aan de onderneming een mandaat tot uitvoering van doorstroomtrajecten met een looptijd van zes jaar.
De minister brengt de onderneming schriftelijk op de hoogte van de toekenningsvoorwaarden van het mandaat, in het bijzonder van:
de looptijd van het mandaat;
de omschrijving van de openbare diensttaken in het kader van de doorstroombegeleiding;
een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
de regelingen om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
de opgave van de wettelijke rechtsgrondslag voor het mandaat;
de niet-overdraagbaarheid van het mandaat.
Art. 31. Après l'avis positif du VDAB, le Ministre accorde à l'entreprise un mandat d'exécution des trajets de transition, avec une durée de six ans.
Le Ministre informe l'entreprise par écrit des conditions d'octroi du mandat, en particulier :
la durée du mandat ;
la description des tâches de service public dans le cadre de l'accompagnement de la transition ;
une description du mécanisme de compensation et des paramètres pour le calcul, le monitoring et la révision de la compensation ;
les modalités de récupération des éventuelles surcompensations et les moyens d'éviter ces dernières ;
la mention de la base légale pour le mandat ;
l'incessibilité du mandat.
Art. 32. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in artikel 30, § 1, tweede lid, van dit besluit, voldoet de gemandateerde onderneming tijdens de looptijd van het mandaat aan de volgende voorwaarden:
de gemandateerde onderneming handelt op een objectieve, respectvolle en niet-discriminerende wijze conform de bepalingen van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt;
de gemandateerde onderneming eerbiedigt de persoonlijke levenssfeer en verwerkt persoonsgegevens conform [1 de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]1;
de gemandateerde onderneming kan voor het uitvoeren van haar taken alleen een beroep doen op onderaannemers, als die gemandateerd zijn;
de gemandateerde onderneming hanteert een boekhouding die inkomsten en uitgaven die verband houden met de doorstroomtrajecten, alsook de parameters, vermeld in artikel 31, tweede lid, van dit besluit, voor de toerekening van de kosten en inkomsten, transparant afzondert;
de gemandateerde onderneming registreert de volgende doorstoomtrajectgegevens:
a) de identificatiegegevens van de begeleide persoon;
b) de aanvangsdatum, de status en de datum van beëindiging van het doorstroomtraject;
c) het resultaat van het doorstroomtraject;
d) de actualisering van het persoonlijke ontwikkelingsplan op het einde van het doorstoomtraject;
de gemandateerde onderneming bezorgt op verzoek van de VDAB de informatiegegevens die de VDAB nodig acht om de controle op de dienstverlening uit te oefenen.
De VDAB kan naast de bepalingen, vermeld in het eerste lid, 4°, aanvullende richtlijnen uitvaardigen op het vlak van de te hanteren boekhouding met het oog op de rechtmatigheidscontrole van kosten en inkomsten en kan, naast de verplichting, vermeld in het eerste lid, 5°, bijkomende registratieverplichtingen bepalen.
Art. 32. Sans préjudice de l'application des conditions visées à l'article 30, § 1er, deuxième alinéa, du présent arrêté, l'entreprise mandatée répond, lors de la durée du mandat, aux conditions suivantes :
l'entreprise mandatée agit de manière objective, respectueuse et non discriminatoire, conformément aux dispositions du décret du 8 mai 2002 portant participation proportionnelle sur le marché de l'emploi ;
l'entreprise mandatée respecte la vie privée et traite les données à caractère personnel conformément à [1 le règlement relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]1 ;
l'entreprise mandatée peut uniquement faire appel à des sous-traitants pour la réalisation de ses tâches si ceux-ci sont mandatés ;
l'entreprise mandatée utilise une comptabilité qui sépare de manière transparente les revenus et dépenses liés aux trajets de transition, ainsi que les paramètres visés à l'article 31, deuxième alinéa, du présent arrêté pour l'imputation des frais et revenus ;
l'entreprise mandatée enregistre les données suivantes des trajets de transition :
a) les données d'identification de la personne accompagnée ;
b) la date de début, le statut et la date de fin du trajet de transition ;
c) le résultat du trajet de transition ;
d) l'actualisation du plan de développement personnel à l'issue du trajet de transition ;
à la demande du VDAB, l'entreprise mandatée transmet les informations que le VDAB juge nécessaires pour effectuer le contrôle des services.
Outre les dispositions visées à l'alinéa premier, 4°, le VDAB peut promulguer des directives complémentaires au niveau de la comptabilité à utiliser en vue du contrôle de légitimité des frais et revenus, et outre les obligations visées à l'alinéa premier, 5°, il peut arrêter des obligations d'enregistrement supplémentaires.
Art. 33. De VDAB is belast met de evaluatie en de monitoring van de mandaten doorstroombegeleiding.
De VDAB kan de minister adviseren om het mandaat in te trekken als de gemandateerde onderneming:
de doorstroombegeleiding, vermeld in artikel 27, niet of onvoldoende uitvoert;
onvoldoende succesvolle doorstroomresultaten bereikt.
Voor de beoordeling van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt een minimum van vijfenzeventig procent van de trajecten die de fasen, vermeld in artikel 26, § 1, 1° tot en met 3°, succesvol uitvoeren, in rekening gebracht.
De minister betekent zijn beslissing aan de onderneming en bezorgt een afschrift van de beslissing aan de VDAB.
Art. 33. Le VDAB est chargé de l'évaluation et du monitoring des mandats d'accompagnement de la transition.
Le VDAB peut conseiller au Ministre de retirer le mandat si l'entreprise mandatée :
n'assure pas (suffisamment) l'accompagnement de la transition tel que visé à l'article 27 ;
n'atteint pas des résultats de transition suffisants.
Pour l'évaluation de la condition visée à l'alinéa premier, 2°, on tient compte d'un minimum de septante-cinq pour cent des trajets qui exécutent correctement les phases énumérées à l'article 26, § 1er, 1° à 3°.
Le Ministre signifie sa décision à l'entreprise et fournit une copie de la décision au VDAB.
Art. 34. Na akkoord van de VDAB en van de doelgroepwerknemer kan de lokale diensteneconomieonderneming als gemandateerde onderneming belast worden met de doorstroombegeleiding van de eigen doelgroepwerknemer.
Art. 34. Après l'accord du VDAB et du travailleur de groupe-cible, l'entreprise de l'économie de services locaux peut être chargée, en tant qu'entreprise mandatée, de l'accompagnement de la transition de son travailleur de groupe-cible.
HOOFDSTUK 6. - Procedure voor de aanmelding en toekenning van diensten
CHAPITRE 6. - Procédure de présentation et d'octroi de services
Afdeling 1. - Aanmelding
Section 1. - Présentation
Art. 35. Om in aanmerking te komen voor steun overeenkomstig dit besluit meldt de onderneming zich aan bij het departement. Het departement stelt daarvoor een elektronisch aanvraagformulier ter beschikking.
De aanmeldingsvoorwaarden omvatten de opgave van:
de activiteiten van de onderneming en de plaats van de doelgroepwerknemers binnen het organogram van de onderneming;
de activiteiten en strategische doelstellingen van de onderneming binnen de lokale diensteneconomieonderneming;
het bestaande of nog te implementeren kwaliteitsmanagementsysteem;
de geplande aanwerving van de doelgroepwerknemers;
het geplande opleidingsbeleid en de geplande begeleiding voor de doelgroepwerknemers.
De minister kan de aanmeldingsvoorwaarden nader bepalen.
Art. 35. Pour être éligible à l'aide octroyée dans le cadre du présent arrêté, l'entreprise se présente au département. Le département met un formulaire de demande électronique à disposition à cet effet.
Les conditions de présentation impliquent la mention :
des activités de l'entreprise et de la position des travailleurs de groupe-cible dans l'organigramme de l'entreprise ;
des activités et objectifs stratégiques de l'entreprise de l'économie de services locaux ;
du système de gestion de la qualité existant ou à mettre en oeuvre ;
du recrutement planifié des travailleurs de groupe-cible ;
de la politique de formation planifiée et de l'accompagnement planifié pour les travailleurs de groupe-cible.
Le Ministre peut fixer les modalités de présentation.
Art. 36. Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag aan de hand van de volgende criteria:
de aanvraag werd ingediend via het elektronisch aanvraagformulier;
de aanvraag werd volledig en correct ingevuld conform de voorwaarden van het aanvraagformulier.
De aanvrager van wie de aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan binnen zeven kalenderdagen na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht.
De aanvrager van wie de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen zeven kalenderdagen na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
Art. 36. Le département évalue la recevabilité de la demande sur la base des critères suivants :
la demande a été introduite via le formulaire de demande électronique ;
la demande a été dûment complétée conformément aux conditions du formulaire de demande.
Le demandeur dont la demande est recevable en est informé par écrit dans les sept jours civils suivant la réception.
Le demandeur dont la demande n'est pas recevable en est informé par écrit dans les sept jours civils suivant la réception. Cette notification précise le motif et fait part de la possibilité d'introduire une nouvelle demande.
Art. 37. Het departement voert binnen vijfenveertig kalenderdagen na de ontvankelijkheidsverklaring een inhoudelijk onderzoek naar de aanmeldingsvoorwaarden, vermeld in artikel 35, tweede lid.
De termijn, vermeld in het eerste lid, wordt geschorst tot zolang het departement de onderneming om aanvullende informatie heeft verzocht en die informatie nog niet heeft ontvangen.
Art. 37. Dans les quarante-cinq jours civils qui suivent la déclaration de recevabilité, le département procède à un examen du contenu des conditions de présentation visées à l'article 35, deuxième alinéa.
Le délai stipulé à l'alinéa premier est suspendu tant que le département n'a pas reçu les informations complémentaires demandées de la part de l'entreprise.
Art. 38. Het departement legt zijn advies voor aan de Adviescommissie Sociale Economie. De aanvraag wordt op de eerstvolgende adviescommissie na voorlegging van het advies geagendeerd.
Als de onderneming haar aanvraag wenst toe te lichten voor de Adviescommissie Sociale Economie, ontvangt ze minimaal veertien kalenderdagen voor de zitting een uitnodiging vanwege het departement.
Art. 38. Le département soumet son avis à la Commission consultative de l'Economie sociale. La demande est inscrite à l'ordre du jour de la Commission consultative qui suit la soumission de l'avis.
Si l'entreprise souhaite expliquer sa demande devant la Commission consultative de l'Economie sociale, elle reçoit une invitation de la part du département au moins quatorze jours civils avant la session.
Art. 39. De Adviescommissie Sociale Economie adviseert de minister over de aanvraag uiterlijk tien kalenderdagen na afloop van de zitting.
Art. 39. La Commission consultative de l'Economie sociale conseille le Ministre au sujet de la demande au plus tard dix jours civils suivant le déroulement de la session.
Art. 40. Na het advies van de Adviescommissie Sociale Economie, kan de minister het label lokale diensteneconomieonderneming toekennen.
Art. 40. Après l'avis de la Commission consultative de l'Economie sociale, le Ministre peut attribuer le label d'entreprise de l'économie de services locaux.
Art. 41. Het label lokale diensteneconomieonderneming heeft een geldigheidsduur van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing van de minister.
Vanaf de datum van de toekenning van een contingent aan inschakelingstrajecten, vermeld in artikel 47, is het label lokale diensteneconomieonderneming geldig voor onbepaalde duur.
Art. 41. Le label d'entreprise de l'économie de services locaux a une durée de validité de cinq ans, à partir de la date de la décision du Ministre.
A compter de la date d'octroi d'un contingent de trajets d'insertion tel que visé à l'article 47, le label d'entreprise de l'économie de services locaux est valable pour une durée indéterminée.
Art. 42. Als de onderneming niet akkoord gaat met de beslissing van de minister, vermeld in artikel 40, kan ze binnen een termijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de beslissing, een gemotiveerd verzoek tot heroverweging bij de minister indienen.
De minister legt dat verzoek voor aan een heroverwegingscommissie die wordt opgericht in het departement. De heroverwegingscommissie formuleert haar advies aan de minister binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen.
De minister beslist tot toekenning van het label lokale diensteneconomieonderneming.
Art. 42. Si l'entreprise n'est pas d'accord avec la décision du Ministre telle que visée à l'article 40, elle peut, dans un délai de trente jours civils à compter de la date de réception de la décision, introduire une demande motivée de reconsidération auprès du ministre.
Le Ministre soumet ladite demande à une commission de reconsidération créée au sein du département. La commission de reconsidération rend son avis au Ministre dans un délai de quarante-cinq jours civils.
Le Ministre décide de l'attribution du label d'entreprise de l'économie de services locaux.
Art. 43. De minister kan op verzoek van het departement het label lokale diensteneconomieonderneming intrekken of schorsen als de lokale diensteneconomieonderneming de organisatievoorwaarden niet naleeft.
Art. 43. A la demande du département, le Ministre peut retirer ou suspendre le label d'entreprise de l'économie de services locaux si l'entreprise de l'économie de services locaux ne respecte pas les conditions d'organisation.
Afdeling 2. - Aanvraag tot toekenning van inschakelingstrajecten
Section 2. - Demande d'octroi de trajets d'insertion
Art. 44. De lokale diensteneconomieonderneming dient een aanvraag in tot toekenning van een contingent van inschakelingstrajecten. Die aanvraag geschiedt op elektronische wijze wanneer de minister daartoe beslist.
De aanvraag en de toewijzing van een contingent van inschakelingstrajecten gebeurt aan de hand van een oproepsysteem.
De minister bepaalt bij iedere oproep na advies van de Adviescommissie Sociale Economie de verdelingscriteria en de prioriteitscriteria.
De minister deelt de oproep mee aan de Vlaamse Regering.
Art. 44. L'entreprise de l'économie de services locaux introduit une demande d'octroi d'un contingent de trajets d'insertion. Ladite demande s'effectue par voie électronique au moment où le Ministre le décide.
La demande et l'octroi d'un contingent de trajets d'insertion s'effectuent à l'aide d'un système d'appel.
A chaque appel, après avis de la Commission consultative de l'Economie sociale, le Ministre définit les critères de répartition et les critères de priorité.
Le Ministre communique l'appel au Gouvernement flamand.
Art. 45. Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag binnen zeven kalenderdagen na het afsluiten van de oproep aan de hand van de volgende criteria. De aanvraag:
wordt ingediend via het elektronisch aanvraagformulier;
wordt volledig en correct ingevuld conform de voorwaarden van het model van aanvraagformulier;
bevat de impactanalyse en de beslissing voor de lokale diensten van de opdrachtgevende overheid.
Art. 45. Le département évalue la recevabilité de la demande dans les sept jours civils qui suivent la fin de l'appel, sur la base des critères suivants. La demande :
est introduite via le formulaire de demande électronique ;
est dûment complétée conformément aux conditions du modèle de formulaire de demande ;
contient l'analyse de l'impact et la décision pour les services locaux de l'autorité mandante.
Art. 46. Het departement onderzoekt de aanvragen binnen dertig kalenderdagen na de ontvankelijkheidsverklaring.
Art. 46. Le département examine les demandes dans les trente jours civils suivant la déclaration de recevabilité.
Art. 47. De minister beslist binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van het onderzoek van het departement, vermeld in artikel 46, over de toekenning van het contingent inschakelingstrajecten en brengt de lokale diensteneconomieonderneming daarvan op de hoogte.
Art. 47. Dans les quatorze jours civils qui suivent la réception de l'examen du département tel que visé à l'article 46, le Ministre décide de l'octroi du contingent de trajets d'insertion et en informe l'entreprise de l'économie de services locaux.
Art. 48. De minister brengt de onderneming schriftelijk op de hoogte van de toekenningsvoorwaarden van de inschakelingstrajecten, in het bijzonder van:
de duur van de toewijzing;
de omschrijving van de openbare diensttaken in het kader van de kwaliteitsvol begeleide en competentieversterkende tewerkstelling;
de beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor de berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
de regeling om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
de opgave van de wettelijke grondslag voor de inschakelingstrajecten;
de niet-overdraagbaarheid van de dienstverlening.
Art. 48. Le Ministre informe l'entreprise par écrit des conditions d'octroi des trajets d'insertion, en particulier :
la durée de l'octroi ;
la description des tâches de service public dans le cadre de l'insertion accompagnée et de renforcement des compétences de qualité ;
une description du mécanisme de compensation et des paramètres pour le calcul, le monitoring et la révision de la compensation ;
les modalités de récupération des éventuelles surcompensations et les moyens d'éviter ces dernières ;
la mention de la base légale pour les trajets d'insertion ;
l'incessibilité des services.
Art. 49. De beslissing, vermeld in artikel 47, ressorteert gevolgen op de eerste dag van het kwartaal die volgt op de datum van de beslissing.
Art. 49. La décision visée à l'article 47 entre en vigueur le premier jour du trimestre qui suit la date de la décision.
Art. 50.
Art. 50.
Art. 50 TOEKOMSTIG RECHT. [1 De toekenning van het contingent aan inschakelingstrajecten wordt vanaf 2024 jaarlijks in het derde kwartaal door het departement verminderd.
De vermindering wordt automatisch beslist voor iedere lokale diensteneconomieonderneming waarvan de invulling van het toegekende contingent op het voorafgaande kalenderjaarbasis minder dan negentig procent bedraagt van het toegekende contingent op jaarbasis. Het contingent wordt, rekening houdend met een minimale schaalgrootte van vijf voltijdsequivalente doelgroepwerknemers, verminderd met het verschil in percentage tussen de effectieve invullingsgraad op het voorafgaande kalenderjaarbasis en tot de invullingsgraad van negentig procent van het toegekende contingent.
De beslissing, vermeld in het tweede lid, heeft ingang op de eerste dag van het vierde kwartaal.]1

Art. 50 DROIT FUTUR. [1 A partir de 2024, le contingent de trajets d'insertion est diminué au troisième trimestre de chaque année par le département.
La diminution est automatiquement décidée pour chaque entreprise de l'économie de services locaux pour laquelle l'occupation du contingent octroyé s'élève, par année calendaire précédente, à moins de nonante pour cent du contingent octroyé sur base annuelle. Compte tenu d'une grandeur d'échelle minimale de cinq travailleurs de groupe-cible équivalents à temps plein, le contingent est diminué de l'écart en pourcentage entre le taux d'occupation effectif par année calendaire précédente et le taux d'occupation de nonante pour cent du contingent octroyé.
La décision visée à l'alinéa 2 prend effet le premier jour du quatrième trimestre.]1

Art. 50/1. [1 In geval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact kan de minister afwijken van de automatische vermindering van het toegekende contingent zoals vermeld in artikel 50.]1
Art. 50/1. [1 En cas de crise ayant un impact social et économique grave, le ministre peut déroger à la diminution automatique du contingent attribué, tel que prévu à l'article 50.]1
Art. 51. De steungerechtigde onderneming meldt onmiddellijk de volgende gegevens aan het departement:
alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan is aan de organisatievoorwaarden;
alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het bedrag van de toe te kennen vergoeding;
iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan de steun wordt toegekend.
Art. 51. L'entreprise ayant droit à une aide communique immédiatement les données suivantes au département :
toutes les modifications qui peuvent faire en sorte que les conditions d'organisation ne sont plus respectées ;
toutes les modifications susceptibles d'avoir un impact sur le montant de l'indemnité à octroyer ;
toute modification relative à la personne physique ou morale à qui l'aide est octroyée.
Art. 52. Met het oog op de uitbetaling van de vergoeding van de inschakelingstrajecten, registreert de lokale diensteneconomieonderneming de tewerkstelling van de doelgroepwerknemers in de toepassing die de VDAB ter beschikking stelt.
Art. 52. En vue du paiement de l'indemnité des trajets d'insertion, l'entreprise de l'économie de services locaux enregistre l'occupation des travailleurs de groupe-cible dans l'application mise à disposition par le VDAB.
HOOFDSTUK 7. - Vergoeding
CHAPITRE 7. - Indemnité
Afdeling 1. - Vergoeding inschakelingstraject
Section 1. - Indemnité du trajet d'insertion
Art. 53. De vergoeding aan de dienstverlener van het inschakelingstraject bedraagt maximaal 12.600 euro per voltijds equivalent tewerkgestelde doelgroepwerknemer.
Art. 53. L'indemnité du prestataire de services du trajet d'insertion s'élève à maximum 12 600 euros par travailleur de groupe-cible équivalent temps plein occupé.
Art. 54. De vergoeding, vermeld in artikel 53, evolueert binnen jaarlijkse begrotingskredieten, op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de gezondheidsindex met als basismaand maart 2015.
Het nieuwe bedrag heeft ingang na verloop van een wachtmaand.
Art. 54. L'indemnité visée à l'article 53 évolue dans les limites des crédits budgétaires annuels, de la même manière et dans la même mesure que l'indice santé, le mois de référence étant mars 2015.
Le nouveau montant prend effet après un mois d'attente.
Art. 55. De vergoeding, vermeld in artikel 53, wordt uitbetaald aan de lokale diensteneconomieonderneming in twaalf maandelijkse voorschotten en een afrekening op kwartaalbasis.
Het teveel aan uitbetaalde vergoedingen worden automatisch, zonder ingebrekestelling, ingehouden op de eerstvolgende uitbetaling.
Art. 55. L'indemnité telle que visée à l'article 53 est versée à l'entreprise de l'économie de services locaux sous la forme de douze avances mensuelles et d'un décompte sur base trimestrielle.
Le trop-perçu des indemnités est automatiquement retenu sur le paiement suivant, sans mise en demeure.
Art. 55/1. [1 Ingeval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact kan de minister beslissen om het teveel aan toegekende subsidies in afwijking van artikel 55 niet automatisch terug te vorderen.]1
Art. 55/1. [1 En cas de crise ayant un impact social et économique grave, le ministre peut décider, par dérogation à l'article 55, de ne pas procéder au recouvrement des subventions trop perçues.]1
Art. 56. De vergoeding, vermeld in artikel 53, kan niet gecumuleerd worden met:
de premie, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende werkervaring;
de premie, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 houdende uitvoering van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen;
de loonpremie, vermeld in artikel 9, 1°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
de ondersteuningspremie voor personen met een arbeidshandicap, vermeld in artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap;
de loonpremie voor de invoegwerknemer, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2005 betreffende de erkenning en financiering van de invoegbedrijven;
de tewerkstellingspremie, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006 tot invoering van de tewerkstellingspremie.
Art. 56. L'indemnité visée à l'article 53 ne peut être cumulée avec :
la prime visée à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 relatif à l'expérience du travail ;
la prime visée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 portant exécution de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, et dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 portant généralisation du régime des contractuels subventionnés ;
la prime salariale visée à l'article 9, 1°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
la prime de soutien destinée aux personnes atteintes d'un handicap à l'emploi, telle que visée à l'article 30 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à l'intégration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi ;
la prime salariale destinée au travailleur d'insertion, telle que visée à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2005 relatif à l'agrément et au financement des entreprises d'insertion ;
la prime d'emploi visée à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2006 instaurant la prime d'emploi.
Art. 57. Het departement voert op regelmatige basis, uiterlijk om de drie jaar, controles uit die gericht zijn op de naleving van de bepalingen van dit besluit, om de omvang van de vergoeding voor de inschakelingstrajecten te bepalen.
De controles, vermeld in het eerste lid, zijn minimaal gericht op:
de loonkosten van de begeleider;
de loonkosten van doelgroepwerknemer;
de parameters, vermeld in artikel 25 van het decreet van 22 november 2013.
De controle, vermeld in het eerste lid, kan aanleiding geven tot de herziening van de vergoeding, vermeld in artikel 53 van dit besluit.
Art. 57. Le département procède régulièrement, au moins tous les trois ans, à des contrôles du respect des dispositions du présent arrêté, afin de déterminer le montant de l'indemnité pour les trajets d'insertion.
Les contrôles visés à l'alinéa premier portent au moins sur :
les coûts salariaux de l'accompagnateur ;
les coûts salariaux du travailleur de groupe-cible ;
les paramètres énumérés à l'article 25 du décret du 22 novembre 2013.
Le contrôle visé à l'alinéa premier peut donner lieu à une révision de l'indemnité décrite à l'article 53 du présent arrêté.
Art. 58. De lokale diensteneconomieonderneming bewaart de informatiegegevens die betrekking hebben op de naleving van de voorwaarden van dit besluit gedurende minimaal tien jaar, na afloop van de periode van toewijzing.
Art. 58. L'entreprise de l'économie de services locaux conserve les informations relatives au respect des conditions du présent arrêté pendant au moins dix ans suivant la période d'octroi.
Art. 59. Om te onderzoeken of en in welke mate de betrokkene recht heeft op een vergoeding, raadpleegt het departement de noodzakelijke gegevens bij de authentieke gegevensbronnen, vermeld in artikel 5 van het [1 besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende de uitvoering van artikel III.66, III.67 en III.68 van het bestuursdecreet van 7 december 2018]1.
Art. 59. Pour vérifier si et dans quelle mesure l'entreprise concernée a droit à une indemnité, le département consulte les données requises auprès des sources de données authentiques visées à l'article 5 de [1 l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 mai 2009 portant exécution des articles III.66, III.67 et III.68 du décret de gouvernance du 7 décembre 2018]1.
Afdeling 2. - Vergoeding doorstroomtraject
Section 2. - Indemnité du trajet de transition
Art. 60. De vergoeding voor het doorstroomtraject bedraagt maximaal 4200 euro.
De vergoeding voor het doorstroomtraject wordt verrekend naar rato van de effectieve prestaties vanwege de dienstverlener, volgens de volgende verdeelsleutel:
30 % van de vergoeding voor de diensten in het kader van het voortraject;
30 % van de vergoeding voor de diensten in het kader van de jobmatching;
30 % van de vergoeding voor de stagebegeleiding;
10 % van de vergoeding voor de diensten in het kader van de nazorg.
Art. 60. L'indemnité pour le trajet de transition s'élève à maximum 4 200 euros.
L'indemnité pour le trajet de transition est calculée au prorata des prestations effectives du prestataire de services, selon la clé de répartition suivante :
30 % de l'indemnité pour les services dans le cadre de l'avant-trajet ;
30 % de l'indemnité pour les services dans le cadre du " job matching " ;
30 % de l'indemnité pour l'accompagnement de stage ;
10 % de l'indemnité pour les services dans le cadre du suivi.
Art. 61. De dienstverlener kan de vergoeding in het kader van de doorstroomtrajecten niet cumuleren met enige andere vorm van steun voor de begeleiding van dezelfde doelgroepwerknemer in het kader van zijn doorstroomtraject.
Art. 61. Le prestataire de services ne peut pas cumuler l'indemnité octroyée dans le cadre des trajets de transition avec une autre forme d'aide octroyée pour l'accompagnement du même travailleur de groupe-cible dans le cadre de son trajet de transition.
HOOFDSTUK 7/1. [1 - Beroep]1
CHAPITRE 7/1. [1 - Recours]1
Art. 61/1. [1 § 1. De werkzoekende dient op straffe van verval bij de raad van bestuur van de VDAB een gemotiveerd verzoek tot heroverweging in binnen 45 dagen vanaf de datum van de kennisname van de beslissing van de VDAB, vermeld in artikel 7 van het decreet van 22 november 2013.
De lokale diensteneconomie-organisatie dient op straffe van verval bij de raad van bestuur van de VDAB een gemotiveerd verzoek tot heroverweging in binnen 45 dagen vanaf de datum van de kennisname van een beslissing van de VDAB als vermeld in artikel 7 en artikel 17 tot en met 19 van het decreet van 22 november 2013.
§ 2. De raad van bestuur van de VDAB beslist over het heroverwegingsverzoek op basis van het advies van de heroverwegingscommissie, vermeld in het vijfde lid, binnen dertig dagen na de dag waarop de raad van bestuur van de VDAB dat advies heeft ontvangen.
De multidisciplinair samengestelde heroverwegingscommissie wordt aangesteld door de raad van bestuur van de VDAB en bestaat uit de volgende leden:
twee leden, voorgedragen door de VDAB, onder wie de voorzitter;
twee leden en een externe deskundige, voorgedragen door elk van de gespecialiseerde diensten, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 tot vaststelling van de regels voor de erkenning en financiering door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding van de gespecialiseerde trajectbepalings- en -begeleidingsdienst, de gespecialiseerde arbeidsonderzoeksdiensten en de gespecialiseerde opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsdiensten;
twee leden, voorgedragen door de gebruikersorganisaties, vermeld in artikel 1, 16°, van het voormelde besluit.
De voorgedragen leden zijn deskundig door ervaring of bezitten een andere bewezen deskundigheid op het vlak van arbeidsproblematieken van personen met een arbeidshandicap.
Op verzoek van de heroverwegingscommissie kunnen externe deskundigen uitgenodigd worden. Die externe deskundigen hebben een raadgevende stem.
De heroverwegingscommissie brengt haar advies uit binnen zestig dagen na de dag waarop ze het heroverwegingsdossier heeft ontvangen. De raad van bestuur van de VDAB bepaalt de nadere regels over de werking van de heroverwegingscommissie.]1

Art. 61/1. [1 § 1. Le demandeur d'emploi introduit, sous peine de déchéance, une demande motivée de reconsidération auprès du conseil d'administration du VDAB dans les 45 jours suivant la date de prise de connaissance de la décision du VDAB, visée à l'article 7 du décret du 22 novembre 2013.
L'organisation d'économie de services locaux introduit, sous peine de déchéance, une demande motivée de reconsidération auprès du conseil d'administration du VDAB dans les 45 jours suivant la date de prise de connaissance d'une décision du VDAB, telle que visée à l'article 7 et aux articles 17 à 19 du décret du 22 novembre 2013.
§ 2. Le conseil d'administration du VDAB décide de la demande de reconsidération sur la base de l'avis de la commission de reconsidération, visé à l'alinéa cinq, dans les trente jours suivant le jour auquel le conseil d'administration du VDAB a reçu cet avis.
La commission de reconsidération multidisciplinaire est désignée par le conseil d'administration du VDAB et se compose des membres suivants :
deux membres, présentés par le VDAB, dont le président ;
deux membres et un expert externe, présentés par chacun des services spécialisés, visés à l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2008 établissant les règles pour l'agrément et le financement par le " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " du service spécialisé pour la définition et l'accompagnement de parcours, des services spécialisés d'étude de l'emploi et des services spécialisés de formation, d'accompagnement et de médiation ;
deux membres, présentés par les organisations d'usagers, visées à l'article 1, 16°, de l'arrêté précité.
Les membres présentés sont des experts par expérience ou disposent d'une autre expertise prouvée dans le domaine des problématiques à l'emploi des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi.
A la demande de la commission de reconsidération, des experts externes peuvent être invités. Ces experts externes ont voix consultative.
La commission de reconsidération émet son avis dans les soixante jours de la réception du dossier de reconsidération. Le conseil d'administration du VDAB détermine les modalités relatives au fonctionnement de la commission de reconsidération.]1

HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art. 62. Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 betreffende de lokale diensteneconomie wordt opgeheven.
Art. 62. L'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2007 relatif à l'économie de services locaux est abrogé.
Art. 63. § 1. De lokale diensteneconomieonderneming die conform het artikel 3, § 1, van het decreet van 22 december 2006 houdende de lokale diensteneconomie, een erkenning geniet als lokale diensteneconomie-initiatief, wordt vrijgesteld van de aanmeldingsplicht, vermeld in artikel 35 van dit besluit, en verkrijgt op automatische wijze het label lokale diensteneconomieonderneming op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. De lokale diensteneconomieonderneming waaraan het label werd toegekend met toepassing van paragraaf 1, moet:
uiterlijk op [2 [4 1 januari 2024]4]2 voldoen aan de organisatievoorwaarden, vermeld in artikel 2;
[3 ...]3
uiterlijk op 30 juli 2017 haar eerste duurzaamheidsverslag, vermeld in artikel 6, dat betrekking heeft op het kalenderjaar 2016, bezorgen aan het departement;
op de uiterste datum, die de minister nader bepaalt, haar eerste zelfevaluatie, vermeld in artikel 7, uitvoeren;
uiterlijk op 1 januari 2018 voldoen aan de kwalificatievoorwaarden, vermeld in artikel 17;
uiterlijk op 1 januari 2018 het persoonlijke ontwikkelingsplan registreren al vermeld in artikel 14, § 3.
Art. 63. § 1er. L'entreprise de l'économie de services locaux qui bénéficie d'un agrément conformément à l'article 3, § 1er, du décret du 22 décembre 2006 relatif à l'économie de services locaux, est exemptée de l'obligation de présentation visée à l'article 35 du présent arrêté et obtient automatiquement le label d'entreprise de l'économie de services locaux à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. L'entreprise de l'économie de services locaux à laquelle le label a été octroyé en application du paragraphe 1er doit :
répondre aux conditions d'organisation énoncées à l'article 2 pour le [2 [4 1er janvier 2024]4]2 au plus tard ;
[3 ...]3
remettre au département son premier rapport de durabilité, tel que mentionné à l'article 6, relatif à l'année calendaire 2016 pour le 30 juillet 2017 au plus tard ;
procéder à sa première auto-évaluation, telle que visée à l'article 7, avant la date limite fixée par le Ministre ;
répondre aux conditions de qualification énoncées à l'article 17 pour le 1er janvier 2018 au plus tard ;
enregistrer le plan de développement personnel visé à l'article 14, § 3, pour le 1er janvier 2018 au plus tard.
Art. 64. De doelgroepwerknemers, die conform artikel 2, 3°, van het decreet van 22 december 2006 houdende de lokale diensteneconomie tewerkgesteld zijn, hebben automatisch recht op de steunverlening, vermeld in dit besluit.
Art. 64. Les travailleurs de groupe-cible qui sont employés conformément à l'article 2, 3°, du décret du 22 décembre 2006 relatif à l'économie de services locaux, ont automatiquement droit à l'aide visée dans le présent arrêté.
Art. 65. Voor de lokale diensteneconomieondernemingen, waarvan een label is toegekend conform artikel 63, § 1, eerste lid, beslist de minister tot toekenning van een contingent van inschakelingstrajecten a rato van het toegekende en niet-vervallen contingent per 1 januari 2015.
Art. 65. Pour les entreprises de l'économie de services locaux auxquelles un label a été octroyé conformément à l'article 63, § 1er, alinéa premier, le Ministre décide de l'octroi d'un contingent de trajets d'insertion au prorata du contingent octroyé et non échu au 1er janvier 2015.
Art. 66. Voor de lokale diensteneconomieonderneming, waaraan een label is toegekend conform artikel 63, § 1, eerste lid, wordt bij wijze van overgangsmaatregel voorzien in een tijdelijke vergoedingsregeling.
De vergoeding is samengesteld uit het met toepassing van dit besluit berekende vergoeding, verhoogd of verminderd met een percentage van de variabele vergoeding.
De variabele vergoeding bestaat uit het verschil tussen de berekende vergoeding en het gemiddeld ontvangen subsidiebedrag van de laatste twee volledig afgerekende jaren met in achtname van, naar gelang het geval:
een correctie ingevolge de gezondheidsindex voor de betrokken volledig afgerekende jaren tot en met 1 januari 2015;
middelen, toegekend ingevolge een wijziging van het contingent voor de betrokken volledig afgerekende jaren tot en met 1 januari 2015.
De minister kent de gemiddeld ontvangen vergoeding van de laatste twee volledig afgerekende jaren, in voorkomend geval verhoogd zoals bedoeld in het derde lid, per lokale diensteneconomieonderneming toe. Het bedrag wordt automatisch aangepast op basis van een aanpassing aan de gezondheidsindex en, in voorkomend geval, na de toekenning van een bijkomend toegekend contingent inschakelingstrajecten of bij een verminderde bezetting op jaarbasis.
Binnen de perken van het begrotingskrediet wordt het gemiddelde ontvangen subsidiebedrag van de laatste twee volledig afgerekende jaren, op jaarbasis gewijzigd op basis van, naar gelang het geval:
een verminderde of verhoogde bezetting ten opzichte van de gemiddelde bezetting op basis waarvan de tijdelijke vergoeding is vastgesteld;
een wijziging in de regelgeving waardoor de tegemoetkomingen, verkregen buiten dit besluit, onafhankelijk van de wil van de lokale diensteneconomieonderneming, wijzigen. Het gemiddeld ontvangen subsidiebedrag wordt gecorrigeerd a rato van een verminderde invulling van het toegekende contingent, zoals vermeld in artikel 65.
Indien de lokale diensteneconomieonderneming zijn transitietraject aantoonbaar heeft ingezet, wordt de volgende tijdelijke vergoedingsregeling toegepast:
voor het kalenderjaar 2015: de berekende vergoeding wordt verhoogd of verminderd met 100 procent van de variabele vergoeding;
voor het kalenderjaar 2016: de berekende vergoeding wordt verhoogd of verminderd met 100 procent van de variabele vergoeding ;
voor het kalenderjaar 2017: de berekende vergoeding wordt verhoogd of verminderd met 65 procent van de variabele vergoeding;
voor het kalenderjaar 2018: de berekende vergoeding wordt verhoogd of verminderd met 30 procent van de variabele vergoeding.
Indien de lokale diensteneconomieonderneming de inzet van het transitietraject niet kan aantonen, wordt de volgende tijdelijke vergoedingsregeling toegepast:
voor het kalenderjaar 2015: de berekende vergoeding wordt verhoogd of verminderd met 100 procent van de variabele vergoeding;
voor het kalenderjaar 2016: de berekende vergoeding wordt verhoogd of verminderd met 90 procent van de variabele vergoeding;
voor het kalenderjaar 2017: de berekende vergoeding wordt verhoogd of verminderd met 65 procent van de variabele vergoeding ;
voor het kalenderjaar 2018: de berekende vergoeding wordt verhoogd of verminderd met 30 procent van de variabele vergoeding.
Bij toepassing van de tijdelijke vergoedingsregeling, bepaald in het zesde en zevende lid, wordt de berekende vergoeding:
verhoogd met een percentage van de variabele vergoeding indien de berekende vergoeding lager is dan het gemiddelde ontvangen subsidiebedrag van de laatste twee volledig afgerekende jaren;
verminderd met een percentage van de variabele vergoeding indien de berekende vergoeding hoger is dan het gemiddelde ontvangen subsidiebedrag van de laatste twee volledig afgerekende jaren.
Art. 66. Pour l'entreprise de l'économie de services locaux à laquelle un label a été octroyé conformément à l'article 63, § 1er, alinéa premier, un régime indemnitaire temporaire est prévu à titre de mesure transitoire.
L'indemnité se compose de l'indemnité calculée en application du présent arrêté, majorée ou diminuée d'un pourcentage de l'indemnité variable.
L'indemnité variable est l'écart entre l'indemnité calculée et le montant moyen des subventions reçues au cours des deux dernières années pour lesquelles un décompte complet a été effectué, compte tenu, selon le cas :
d'une correction découlant de l'indice santé pour les années concernées, jusqu'au 1er janvier 2015 inclus ;
des moyens octroyés à la suite d'une modification du contingent pour les années concernées, jusqu'au 1er janvier 2015 inclus.
Le Ministre octroie à chaque entreprise de l'économie de services locaux l'indemnité moyenne reçue au cours des deux dernières années pour lesquelles un décompte complet a été effectué, le cas échéant majorée selon les modalités décrites au troisième alinéa. Le montant est automatiquement adapté en fonction de l'évolution de l'indice santé et, le cas échéant, après l'octroi d'un contingent de trajets d'insertion supplémentaire ou en cas de diminution de l'occupation sur base annuelle.
Dans les limites du crédit budgétaire, le montant moyen des subventions reçues au cours des deux dernières années pour lesquelles un décompte complet a été effectué est modifié chaque année sur la base, selon le cas :
d'une diminution ou d'une augmentation de l'occupation par rapport à l'occupation moyenne qui a servi de base au calcul de l'indemnité temporaire ;
d'un changement de la réglementation entraînant une modification des interventions obtenues en dehors du cadre du présent arrêté, indépendamment de la volonté de l'entreprise de l'économie de services locaux. Le montant moyen des subventions reçues est corrigé au prorata d'une occupation réduite du contingent octroyé telle que visée à l'article 65.
Si l'entreprise de l'économie de services locaux peut démontrer l'utilisation de son trajet de transition, le régime indemnitaire temporaire suivant est appliqué :
pour l'année calendaire 2015 : l'indemnité calculée est majorée ou diminuée de 100 pour cent de l'indemnité variable ;
pour l'année calendaire 2016 : l'indemnité calculée est majorée ou diminuée de 100 pour cent de l'indemnité variable ;
pour l'année calendaire 2017 : l'indemnité calculée est majorée ou diminuée de 65 pour cent de l'indemnité variable ;
pour l'année calendaire 2018 : l'indemnité calculée est majorée ou diminuée de 30 pour cent de l'indemnité variable.
Si l'entreprise de l'économie de services locaux ne peut pas démontrer l'utilisation de son trajet de transition, le régime indemnitaire temporaire suivant est appliqué :
pour l'année calendaire 2015 : l'indemnité calculée est majorée ou diminuée de 100 pour cent de l'indemnité variable ;
pour l'année calendaire 2016 : l'indemnité calculée est majorée ou diminuée de 90 pour cent de l'indemnité variable ;
pour l'année calendaire 2017 : l'indemnité calculée est majorée ou diminuée de 65 pour cent de l'indemnité variable ;
pour l'année calendaire 2018 : l'indemnité calculée est majorée ou diminuée de 30 pour cent de l'indemnité variable.
En application du régime indemnitaire temporaire visé au sixième et septième alinéas, l'indemnité calculée est :
majorée d'un pourcentage de l'indemnité variable si l'indemnité calculée est inférieure au montant moyen des subventions reçues au cours des deux dernières années pour lesquelles un décompte complet a été effectué ;
diminuée d'un pourcentage de l'indemnité variable si l'indemnité calculée est supérieure au montant moyen des subventions reçues au cours des deux dernières années pour lesquelles un décompte complet a été effectué.
Art. 67. De volgende regelgevende teksten treden in werking op 1 april 2015:
het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
dit besluit.
Art. 67. Les textes réglementaires suivants entrent en vigueur le 1er avril 2015 :
le décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux ;
le présent arrêté.
Art. 68. De Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 68. Le Ministre flamand qui a l'économie sociale dans ses attributions et le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.