Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
13 NOVEMBER 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vrijstelling van bepaalde werkgeversbijdragen voor ondernemingen die behoren tot de koopvaardijsector en de zeesleepvaartsector(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-12-2015 en tekstbijwerking tot 14-07-2025)
Titre
13 NOVEMBRE 2015. - Arrêté du Gouvernement flamand portant exonération de certaines cotisations patronales pour les entreprises relevant des secteurs de la marine marchande et du remorquage maritime(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 08-12-2015 et mise à jour au 14-07-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 2015036498
Datum: 2015-11-13
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2015036498
Date: 2015-11-13
Moniteur: Voir
Tekst (6)
Texte (6)
Artikel 1. § 1. [2 Dit besluit is van toepassing op communautaire zeelieden die door reders met een exploitatiezetel op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of met een exploitatiezetel in een andere lidstaat van de EER worden tewerkgesteld op zeeschepen met eigen voorstuwing waarvoor een [3 certificaat van registratie in uitvoering van artikel 91 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee van 10 december 1982]3 wordt voorgelegd en die geregistreerd zijn in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]2.
[3 In het eerste lid wordt verstaan onder communautaire zeelieden: alle zeelieden aan boord van de schepen, vermeld in dit artikel, die voor hun tewerkstelling onderworpen zijn aan de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij ]3.
[3 Alleen zeelieden die werken aan boord van schepen, met inbegrip van roroveerboten, die geregelde passagiersdiensten tussen havens van de Europese Economische Ruimte verzorgen, of alleen zeelieden die werken aan boord van schepen die gespecialiseerd zijn in de volgende activiteiten, komen in aanmerking voor de vrijstelling, vermeld in dit besluit:
kabels leggen op de voorbereide zeebodem;
pijpen leggen op de voorbereide zeebodem;
takel- en hefwerkzaamheden van infrastructuur in het kader van installatie- en onderhoudswerken op zee;
onderzoek van de zeebodem in het kader van installatie- en onderhoudswerken;
gericht storten van stenen op de zeebodem in het kader van installatie- en onderhoudswerken op zee;
vervoeren van onderdelen op zee in het kader van installatie- en onderhoudswerken op zee;
vervoeren en accommoderen van personen in het kader van installatie- en onderhoudswerken op zee.]3

§ 2. Voor wat betreft het zeevervoersgedeelte van de sleepwerkzaamheden verricht door communautaire zeelieden die werken aan boord van zeewaardige sleepboten die minstens 50% van hun bedrijfstijd vervoer op zee verrichten, passen de reders met exploitatiezetel op het grondgebied van het Vlaamse Gewest de maatregel, vermeld in artikel 2, alleen toe op de lonen van de communautaire zeelieden die ze tewerkstellen.
Een evenredig deel van de wachttijd, vermeld in het eerste lid, wordt in aanmerking genomen als zeevervoer voor de berekening van de voormelde drempel van 50%.
[3 § 3. Passagiersschepen die niet meer dan 12 passagiers mogen vervoeren worden uitgesloten van dit besluit.]3
Article 1er. § 1er.[2 Le présent arrêté s'applique aux marins communautaires employés par des armateurs ayant leur siège d'exploitation en Région flamande ou dans autre Etat membre de l'Espace économique européen sur des navires de mer automoteurs pour lesquels [3 est produit un certificat d'enregistrement en exécution de l'article 91 de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer du 10 décembre 1982 ]3, enregistrés dans un Etat membre de l'EEE. ]2.
[3 Dans l'alinéa 1er, on entend par marins communautaires : tous les marins à bord des navires, visés au présent article, qui sont soumis pour leur emploi à l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande]3.
[3 Seuls les marins travaillant à bord de navires, y compris les transbordeurs rouliers, assurant des services réguliers de transport de passagers entre des ports de l'Espace économique européen, ou seuls les marins travaillant à bord de navires spécialisés dans les activités suivantes, sont éligibles à l'exonération, visée au présent arrêté :
la pose de câbles sur le fond marin préparé ;
la pose de tuyaux sur le fond marin préparé ;
les travaux de hissage et de levage d'infrastructures dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer ;
la recherche des fonds marins dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance ;
le déversement ciblé de pierres sur les fonds marins dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer ;
le transport de pièces en mer dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer ;
le transport et l'hébergement des personnes dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer.]3

§ 2. En ce qui concerne la partie de transport maritime des activités de remorquage effectuées par les marins communautaires travaillant à bord de remorqueurs de mer dont 50 % au moins des activités opérationnelles consistent en des transports maritimes, les armateurs avec siège d'exploitation sur le territoire de la Région flamande appliquent la mesure, visée à l'article 2, uniquement aux salaires des marins communautaires qu'ils emploient.
Une part proportionnelle du temps d'attente, visé à l'alinéa premier, est considérée comme transport maritime pour calculer le seuil précité de 50%.
[3 § 3. Les navires à passagers autorisés à transporter au maximum 12 passagers sont exclus du présent arrêté. ]3
Art. 2. De reders, vermeld in artikel 2, § 1, 2°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, worden vrijgesteld van de betaling van werkgeversbijdragen aan de [1 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]1 voor :
[2 24,26%]2 van de globale basiswerkgeversbijdragen, vermeld in artikel 3, § 3, 1°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
de bijdrage aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, vermeld in artikel 58 en 60 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen.
Art. 2. Les armateurs, visés à l'article 2, § 1er, 2°, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, sont exonérés des cotisations patronales à [1 l'Office national de Sécurité sociale]1 pour :
[2 24,26%]2 des cotisations patronales de base globales, visées à l'article 3, § 3, 1° de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande ;
la cotisation au Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises, visé aux articles 58 et 60 de la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises.
Art. 3. § 1. De reders waarborgen minimaal zestig arbeidsplaatsen voor de zeelieden en shoregangers [ 1die tewerkgesteld zijn aan boord van koopvaardijschepen, schepen die geregelde passagiersdiensten tussen havens van de Europese Unie verzorgen, met inbegrip van roroveerboten, en sleepboten, ]1 die ingeschreven zijn op de lijst van de Pool van de Zeelieden ter Koopvaardij, en 256 arbeidsplaatsen voor de officieren [1 die tewerkgesteld zijn aan boord van koopvaardijschepen, schepen die geregelde passagiersdiensten tussen havens van de Europese Unie verzorgen, met inbegrip van roroveerboten, en sleepboten,]1 die ingeschreven zijn op de lijst van de Pool van Zeelieden ter Koopvaardij. [1 De reders waarborgen minimaal 48 arbeidsplaatsen voor de zeelieden die tewerkgesteld zijn aan boord van zeeschepen, vermeld in artikel 1, § 1, tweede lid, 2°. Dat aantal wordt vermeerderd met 40 arbeidsplaatsen over een periode van vier jaar, die begint op 1 juli 2020. ]1
In het eerste lid wordt verstaan onder arbeidsplaats : een vacante plaats gedurende 365 dagen per jaar voor een varend koopvaardijpersoneelslid. Dat betekent 60 x 1,7 = 102 tewerkstellingen voor zeelieden en shoregangers, en 256 x 1,7 = 435 tewerkstellingen voor officieren.
[1 In het tweede lid wordt verstaan onder arbeidsplaats voor de zeelieden die tewerkgesteld zijn aan boord van zeeschepen, vermeld in artikel 1, § 1, tweede lid, 2° : een vacante plaats gedurende 365 dagen per jaar voor een varend personeelslid. Dat betekent 48 x 2,5 = 120 tewerkstellingen voor zeelieden.]1
§ 2. Bij de evaluatie van de naleving van de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1, wordt geen rekening gehouden met de varende werknemers, vermeld in artikel 2quater van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij.
§ 3. Het Paritair Comité van de Koopvaardij onderzoekt jaarlijks of voldaan is aan de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1. De voorzitter van het bevoegde paritair comité bezorgt het jaarlijks evaluatierapport voor 30 april aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid.
§ 4. Als de reders overmacht inroepen, kan van de naleving van de tewerkstellingsnorm worden afgeweken. In dat geval bevat het verslag van het paritair comité de gronden voor overmacht.
§ 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen om zich uit te spreken over het respecteren van de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1, en over de eventuele gehele of gedeeltelijke invordering van de vrijgestelde bijdragen voor het afgelopen jaar in kwestie. Deze termijn begint te lopen de dag nadat de voorzitter van het bevoegde paritair comité het jaarlijks evaluatierapport heeft bezorgd en op 30 april indien de voorzitter van het bevoegde comité het jaarlijks evaluatierapport niet of niet tijdig heeft bezorgd. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, binnen deze termijn geen beslissing neemt, wordt de beslissing geacht positief te zijn.
[1 § 6. Na de periode van vier jaar, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt de tewerkstellingsdrempel opnieuw geëvalueerd, waarbij rekening wordt gehouden met de economische en technologische ontwikkelingen binnen de sector.]1
Art. 3. § 1er. Les armateurs garantissent au moins soixante emplois pour les marins et les shoregangers [1 employés à bord de navires marchands, de navires assurant des services réguliers de transport de passagers entre des ports de l'Union européenne, y compris les transbordeurs rouliers, et de remorqueurs, ]1 inscrits sur la liste du Pool des marins de la marine marchande, et 256 emplois pour les officiers [1 employés à bord de navires marchands, de navires assurant des services réguliers de transport de passagers entre des ports de l'Union européenne, y compris les transbordeurs rouliers, et de remorqueurs, ]1 inscrits sur la liste du Pool des marins de la marine marchande. [1 Les armateurs garantissent un minimum de 48 emplois pour les marins employés à bord des navires de mer visés à l'article 1, § 1, deuxième alinéa, 2°. Ce nombre est augmenté de 40 emplois sur une période de quatre ans à compter du 1 juillet 2020.]1
Dans l'alinéa premier, on entend par emploi : une place vacante pendant 365 jours par an pour un membre du personnel navigant de la marine marchande. Cela revient à 60 x 1,7 = 102 emplois pour marins et shoregangers, et 256 x 1,7 = 435 emplois pour officiers.
[1 Au deuxième alinéa, on entend par emploi pour les marins employés à bord des navires de mer visés à l'article 1, § 1, deuxième alinéa, 2° : un poste vacant pour un membre du personnel marin pendant 365 jours par an. Cela revient à 48 x 2,5 = 120 emplois pour marins.]1
§ 2. Le contrôle du respect de la norme d'emploi, visée au paragraphe 1er, ne s'applique pas aux travailleurs navigants, visés à l'article 2quater de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande.
§ 3. La Commission paritaire de la marine marchande contrôle annuellement si la norme d'emploi, visée au paragraphe 1er, est respectée. Le président de la commission paritaire compétente transmet le rapport d'évaluation annuel avant le 30 avril au Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi.
§ 4. Il peut être abrogé du respect de la norme d'emploi lorsque les armateurs invoquent la force majeure. Dans ce cas le rapport de la commission paritaire mentionne les causes de la force majeure.
§ 5. Le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi dispose d'un délai de trente jours civils pour se prononcer sur le respect de la norme d'emploi, visée au paragraphe 1er, et sur le recouvrement partiel ou total éventuel des cotisations exonérées de l'année découlée en question. Ce délai prend cours le jour suivant la date de transmission du rapport d'évaluation annuel par le président de la commission paritaire compétente et le 30 avril si le président de la commission paritaire compétente n'a pas transmis le rapport d'évaluation annuel à temps. Faute de décision du Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi dans ce délai, la décision est réputée positive.
[1 § 6. Après la période de quatre ans visée au paragraphe 1, premier alinéa, le seuil d'emploi est réévalué en tenant compte de l'évolution économique et technologique du secteur.]1
Art. 4. De reder deelt aan de [1 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]1 de volgende gegevens mee :
het aantal dagen waarvoor de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, namelijk :
a) elke vaart- en bijwerkdag voor de zeevarenden;
b) elke arbeidsdag voor de shoregangers;
c) elke dag waarvoor de opzeggingsvergoeding door de reder verschuldigd is;
[2 het betaalde brutoloon voor de dagen, vermeld in punt 1°, waarop de zeeman door zijn dienstbetrekking recht heeft]2.
Art. 4. L'armateur transmet à [1 l'Office national de Sécurité sociale]1 les données suivantes :
le nombre de jours pour lesquels les cotisations de sécurité sociale sont dues :
a) chaque jour de navigation ou de travail accessoire pour les navigants ;
b) chaque jour de travail pour les shoregangers ;
c) chaque jour pour lequel l'indemnité de préavis est due par l'armateur ;
[ 2 le traitement brut payé pour les jours, visés au point 1°, auquel le marin a droit en vertu de son emploi]2.
Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking op 1 juli 2015 en treedt buiten werking op [1 31 december 2032]12.
Art. 5. Le présent arrêté produit ses effets le 1er juillet 2015 et cesse de produire ses effets le [1 31 décembre 2032]1.
Art. 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 6. Le Ministre flamand ayant la politique de l'emploi dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.