Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
1 JUNI 2016. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
Titre
1 JUIN 2016. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurance et de réassurance
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. Artikel 34quinquies van het koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 tot 9, luidende:
  " § 2. De voorziening voor verzekering "leven" wordt berekend aan de hand van een voldoende voorzichtige prospectieve actuariële methode, rekening houdend met alle toekomstige verplichtingen volgens de voor iedere lopende levensverzekeringsovereenkomst vastgestelde voorwaarden, met inbegrip van:
  1° alle gewaarborgde prestaties;
  2° de toegekende winstdelingen;
  3° alle keuzemogelijkheden waarover de verzekeringnemer of de begunstigde volgens de algemene of de bijzondere voorwaarden van de overeenkomst beschikt;
  4° de voorziene bedrijfs- en administratiekosten alsook de commissielonen.
  Er wordt eveneens rekening gehouden met de in de toekomst te ontvangen premies.
  § 3. Bij de in § 2 bedoelde berekening wordt rekening gehouden met de ongunstige ontwikkeling van de verschillende betrokken factoren die ten grondslag liggen aan die voorziening voor verzekering "leven".
  In het bijzonder vormt de verzekerings-onderneming voor de overeenkomsten waarvoor de gewaarborgde rentevoet wordt vastgesteld krachtens de toepasselijke contractuele en reglementaire bepalingen, een aanvullende voorziening zodra de gewaarborgde rentevoet 80 % van de gemiddelde rentevoet over de laatste vijf jaar van de OLO's op tien jaar met meer dan 0,1 % overschrijdt.
  Deze samen te stellen aanvullende voorziening maakt deel uit van de voorziening voor verzekering "leven". Zij is voor alle overeenkomsten gelijk aan de som van het positieve verschil tussen de inventarisreserve van de overeenkomst als bepaald door of krachtens de toezichtswetten, waarbij de technische rentevoet wordt vervangen door de rentevoet die overeenstemt met 80 % van de gemiddelde rentevoet bedoeld in het vorige lid, en de inventarisreserve van de overeenkomst als berekend op basis van haar technische grondslagen, eventueel aangepast volgens artikel 86, § 3 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levens-verzekeringsactiviteit.
  Deze aanvullende voorziening wordt op 31 december van elk jaar berekend.
  De jaarlijkse dotatie is gelijk aan ten minste 10 % van de in het vorige lid bedoelde samen te stellen aanvullende voorziening. Deze dotatie kan evenwel beperkt worden tot het verschil tussen de samen te stellen aanvullende voorziening en de samengestelde aanvullende voorziening.
  Indien de samen te stellen aanvullende voorziening kleiner is dan de samengestelde aanvullende voorziening, mag de verzekeringsonderneming van deze laatste aanvullende voorziening 10 % afhouden van het overschot alsook 90 % van de samengestelde aanvullende voorziening die betrekking heeft op de vereffende of definitief overgedragen overeenkomsten.
  § 4. In afwijking van de derde paragraaf, stelt de Nationale Bank van België een verzekeringsonderneming, op haar aanvraag, vrij vrijstellen van de verplichting tot dotatie aan de aanvullende voorziening die volgens de hierboven bedoelde methode wordt berekend, op voorwaarde dat haar reglementaire eigenvermogensvereisten als vastgelegd in of met toepassing van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voldoende gedekt zijn zonder dat zij een beroep moeten doen op de overgangsmaatregelen van de artikelen 668 en 669 van de genoemde wet.
  De Nationale Bank van België legt aanvullende voorwaarden opl voor de toekenning of het behoud van deze vrijstelling wanneer de toestand van de onderneming en de marktvoorwaarden dit noodzakelijk maken.
  § 5. De vrijstelling van de verplichting tot dotatie aan de aanvullende voorziening laat de verzekeringsonderneming niet toe afhoudingen te verrichten op de aanvullende voorziening die reeds gevormd is op het ogenblik dat ze gebruik maakt van die vrijstelling.
  In afwijking van het eerste lid staat de Nationale Bank van België de onderneming, op haar aanvraag, toe de samengestelde aanvullende voorziening geheel of gedeeltelijk terug te neemen overeenkomstig dit artikel, in geval van overdracht van een portefeuille van verzekeringsovereenkomsten in het kader van een herstructurering van vennootschappen in de zin van Boek XI van het Wetboek van Vennootschappen onder de volgende voorwaarden:
  a) de terugneming van voorzieningen moet erop gericht zijn het boekhoudkundig eigen vermogen te versterken dat als gevolg van deze herstructurering gedaald zou zijn, terwijl het reglementair eigen vermogen als berekend overeenkomstig de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen onveranderd blijft overeenkomstig voorwaarde (d) hierna;
  b) het bedrag van de terug te nemen voorzieningen mag niet hoger zijn dan het bedrag van de aanvullende voorzieningen die voor de overgedragen portefeuille zijn gevormd;
  c) het bedrag van de teruggenomen voorzieningen wordt rechtstreeks overgedragen naar een onbeschikbare reserve en moet in die reserve behouden blijven gedurende minstens 10 jaar vanaf de herstructurering die tot die overdracht heeft geleid; na het verstrijken van deze termijn van 10 jaar kan de onbeschikbare reserve beschikbaar worden gesteld volgens het ritme bepaald in § 3, laatste lid van dit artikel;
  d) het reglementair eigen vermogen van de onderneming als berekend overeenkomstig de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekerings-ondernemingen moet vóór en na de genoemde herstructurering toereikend zijn om alle vereisten inzake het in de genoemde wet vastgestelde eigen vermogen van de onderneming te dekken zonder dat een beroep wordt gedaan op de overgangsmaatregelen van de artikelen 668 en 669 van dezelfde wet;
  e) het terugnemen van voorzieningen mag op geen enkel moment afbreuk doen aan de rechten van de als bij artikel 15, 18° tot 20° van de voornoemde wet van 13 maart 2016 gedefinieerd verzekeringsnemers, de verzekerden of begunstigden.
  Bovendien weigert de Nationale Bank van België de in het tweede lid bedoelde toestemming te verlenen indien zij van oordeel is dat die toestemming de financiële positie, de solvabiliteit of de resultaten van de onderneming in gevaar brengt.
  Indien de onderneming de in de vorige leden bedoelde toestemming heeft verkregen, moet zij na de overdracht naar de onbeschikbare reserve, opnieuw jaarlijks een aanvullende voorziening doteren, overeenkomstig dit artikel. Bij de berekening van de jaarlijkse dotatie wordt in dit geval rekening gehouden met de bedragen die overgedragen zijn naar de onbeschikbare reserve, alsof deze bedragen nog als aanvullende voorzieningen waren geboekt.
  § 6. Indien de onderneming een of meer vrijstellingen en/of toestemmingen heeft verkregen krachtens §§ 4 en 5 van dit artikel, vermeldt zij dit in staat nr. 23 van de Bijlage bij dit besluit, en verstrekt zij daarbij de volgende gegevens:
  - de verantwoording voor de vrijstelling of de toestemming;
  - wanneer zij krachtens § 4 een vrijstelling heeft verkregen: het gecumuleerde bedrag van de dotatie aan de aanvullende voorziening waarvan de onderneming op de balansdatum is vrijgesteld;
  - wanneer zij krachtens § 5 toestemming heeft verkregen: het bedrag dat overgedragen is naar de onbeschikbare reserve, de datum van de overdracht en het bedrag dat in de onbeschikbare reserve overblijft op de balansdatum.
  § 7. Bij de in § 2 bedoelde berekening mag de verzekerings- of herverzekeringsonderneming geen rekening houden met de waarschijnlijkheid dat de voorwaarden voor de toekenning van de winstdeling vervuld zullen zijn.
  § 8. De verzekerings- of herverzekerings-ondernemingen mogen gebruikmaken van een retrospectieve actuariële methode indien zij aantonen dat de volgens deze methode berekende voorziening voor verzekering "leven" niet lager is dan die welke met behulp van de in de vorige paragrafen bedoelde methoden wordt verkregen.
  § 9. Onverminderd de bepalingen van §§ 1 tot 6 mag het bedrag van de voorziening voor verzekering "leven" niet kleiner zijn dan de som, voor alle overeenkomsten, van de inventarisreserves als bepaald door of krachtens de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, waarbij de negatieve inventarisreserves niet worden meegerekend.".
Article 1er. L'article 34quinquies de l'arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d'assurance et de réassurance, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par les paragraphes 2 à 9 rédigés comme suit:
  " § 2. La provision d'assurance vie est calculée selon une méthode actuarielle prospective suffisamment prudente, tenant compte de toutes les obligations futures conformément aux conditions établies pour chaque contrat en cours, et notamment:
  1° de toutes les prestations garanties;
  2° des participations aux bénéfices attribuées;
  3° de toutes les options auxquelles le preneur d'assurance ou le bénéficiaire a droit selon les conditions générales ou particulières du contrat;
  4° des frais d'exploitation et d'administration ainsi que des commissions prévus.
  Il est également tenu compte des primes futures à recevoir.
  § 3. Dans le calcul visé au § 2, il est tenu compte de l'évolution défavorable des différents facteurs en jeu qui sont à la base de cette provision d'assurance vie.
  En particulier, pour les contrats pour lesquels le taux d'intérêt garanti est déterminé en vertu des dispositions contractuelles et réglementaires applicables, l'entreprise d'assurance constitue une provision complémentaire dès que le taux d'intérêt garanti excède 80 % du taux d'intérêt moyen sur les cinq dernières années des OLO à dix ans de plus de 0,1 %.
  Cette provision complémentaire à constituer fait partie de la provision d'assurance vie. Elle est égale à la somme, pour tous les contrats, de la différence positive entre la réserve d'inventaire du contrat, telle que définie par ou en vertu des lois de contrôle, où le taux d'intérêt technique est remplacé par le taux d'intérêt correspondant à 80 % du taux d'intérêt moyen visé à l'alinéa précédent et la réserve d'inventaire du contrat calculée au moyen de ses bases techniques éventuellement adaptées suivant l'article 86, § 3 de l'arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l'activité de l'assurance sur la vie.
  Cette provision complémentaire est calculée au 31 décembre de chaque année.
  La dotation annuelle est égale à 10 % au minimum de la provision complémentaire à constituer visée à l'alinéa précédent. Cette dotation peut toutefois être limitée à la différence entre la provision complémentaire à constituer et la provision complémentaire constituée.
  Lorsque la provision complémentaire à constituer est inférieure à la provision complémentaire constituée, l'entreprise d'assurance peut prélever de cette dernière provision complémentaire 10 % du surplus ainsi que 90 % de la provision complémentaire constituée relative aux contrats liquidés ou cédés de manière définitive.
  § 4. Par dérogation au paragraphe 3, la Banque nationale de Belgique dispense une entreprise d'assurance, à la demande de celle-ci, de l'obligation de doter la provision complémentaire, calculée selon la méthode visée ci-dessus, à condition que celle-ci satisfasse aux exigences de capital de solvabilité prévues par ou en application de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, et ce sans faire appel aux mesures transitoires prévues par les articles 668 et 669 de ladite loi.
  La Banque nationale de Belgique impose des conditions complémentaires pour l'octroi ou le maintien de cette dispense lorsque celles-ci sont rendues nécessaires par la situation de l'entreprise et les conditions du marché.
  § 5. La dispense de dotation à la provision complémentaire ne permet pas à l'entreprise d'assurance de procéder à des prélèvements sur la provision complémentaire déjà constituée au moment où elle fait usage de cette dispense.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la Banque nationale de Belgique autorise l'entreprise, à la demande de celle-ci, à reprendre toute ou une partie de la provision complémentaire constituée conformément au présent article en cas de transfert de portefeuille de contrats d'assurances réalisé dans le cadre d'une opération de restructuration de sociétés au sens du Livre XI du Code des Sociétés, aux conditions suivantes:
  a) la reprise de provisions doit avoir pour objet de renforcer les fonds propres comptables qui, par suite de cette opération, auraient été réduits, alors que les fonds propres réglementaires tels que calculés conformément à la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance restent inchangés conformément à la condition (d) ci-après ;
  b) le montant de provisions à reprendre ne peut excéder le montant de provisions complémentaires constituées pour le portefeuille transféré;
  c) le montant de provisions repris est transféré directement dans une réserve indisponible et doit être maintenu dans cette réserve pour une durée d'au moins 10 ans à dater de l'opération qui y a donné lieu ; à l'expiration de ce délai de 10 ans, la réserve indisponible peut être rendue disponible selon le rythme prescrit par le § 3, dernier alinéa du présent article ;
  d) les fonds propres réglementaires de l'entreprise tels que calculés conformément à la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance doivent, avant et après ladite opération, être suffisants pour couvrir l'ensemble des exigences en fonds propres de l'entreprise, tels que définis par ladite loi, et ce sans faire appel aux mesures transitoires prévues aux articles 668 et 669 de la même loi;
  e) la reprise de provision ne peut à aucun moment porter atteinte aux droits des preneurs d'assurance, des assurés, ou des bénéficiaires tels que définis par l'article 15, 18° à 20° de la loi précitée du 13 mars 2016.
  La Banque nationale de Belgique refuse, en outre, d'accorder l'autorisation visée à l'alinéa 2 si elle estime que celle-ci met en péril la situation financière, la solvabilité ou les résultats de l'entreprise.
  L'entreprise ayant bénéficié de l'autorisation visée aux alinéas précédents doit, après le transfert en réserve indisponible, à nouveau doter annuellement la provision complémentaire, conformément au présent article. La dotation annuelle sera, en ce cas, calculée en prenant en compte les montants transférés en réserve indisponible, comme si ces derniers étaient encore comptabilisés en provision complémentaire.
  § 6. L'entreprise à laquelle une ou plusieurs dispenses et/ou autorisations ont été accordées en vertu des § 4 et § 5 du présent article en fait mention dans l'état n° 23 prévu à l'Annexe au présent arrêté, dans lequel elle précise également les éléments suivants:
  - la justification de la dispense ou de l'autorisation;
  - en cas de dispense en vertu du § 4 : le montant cumulé de dotation à la provision complémentaire dont l'entreprise est, à la date de clôture, dispensée;
  - en cas d'autorisation en vertu du § 5 : le montant transféré en réserve indisponible, la date du transfert et le montant subsistant en réserve indisponible à la date de clôture.
  § 7. Dans le calcul visé au § 2, l'entreprise d'assurance ou de réassurance ne peut tenir compte de la probabilité que les conditions imposées à l'attribution de la participation bénéficiaire se réalisent.
  § 8. Les entreprises d'assurance ou de réassurance peuvent utiliser une méthode actuarielle rétrospective si elles démontrent que la provision d'assurance vie, calculée par cette méthode, n'est pas inférieure à celle qui est obtenue à l'aide des méthodes visées aux paragraphes qui précèdent.
  § 9. Sans préjudice des dispositions des §§ 1 à 6, le montant de la provision d'assurance vie ne peut être inférieur à la somme, pour tous les contrats, des réserves d'inventaire telle que définies par ou en vertu de la loi de 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, les montants négatifs de ces dernières étant exclus.".
Art. 2. Artikel 34sexies van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de paragrafen 3 tot 9, luidende:
  " § 3. Onverminderd de bepalingen van § 1, worden de volgende voorzieningen gevormd voor de arbeidsongevallenverzekeringen:
  1° een voorziening voor blijvende arbeids-ongeschiktheden en dodelijke ongevallen;
  2° een voorziening voor de aanvullende vergoedingen die de waarschijnlijke kosten vertegenwoordigen van de vernieuwing en het onderhoud van prothesen en orthopedische toestellen;
  3° een indexeringsvoorziening wanneer de verzekerde prestaties geïndexeerd zijn.
  § 4. De voorziening voor blijvende arbeids-ongeschiktheden en dodelijke ongevallen wordt berekend om:
  1° de betaling te waarborgen van de jaarlijkse vergoedingen, renten en kapitalen, met inbegrip van de aan het Fonds voor Arbeidsongevallen over te dragen kapitalen, alsook de betaling, na het verstrijken van de herzieningstermijn, van de vergoedingen voor een tijdelijke verergering van de medische, heelkundige, farmaceutische en verplegingskosten;
  2° de indexering te garanderen van de jaarlijkse vergoedingen en renten en de betaling van de bijslagen te waarborgen.
  Voor de berekening van de voorziening voor blijvende arbeidsongeschiktheden en dodelijke ongevallen dient rekening gehouden te worden met de volgende algemene beginselen:
  1° deze voorziening wordt berekend aan de hand van een voldoende voorzichtige prospectieve actuariële methode, rekening houdend met alle toekomstige verplichtingen volgens de voor iedere lopende overeenkomst gestelde voorwaarden;
  2° bij deze becijfering houdt de verzekerings-onderneming rekening met de ongunstige verloop van de verschillende betrokken factoren die ten grondslag liggen aan deze voorziening.
  § 5. Onverminderd §§ 3 en 4, wordt bovendien een aanvullende voorziening gevormd:
  1° wanneer de technische rentevoet die wordt gebruikt voor de berekening van de in § 3 bedoelde voorzieningen, 80 % van de gemiddelde rentevoet over de laatste vijf jaar van de OLO's op tien jaar met meer dan 0,1 % overschrijdt;
  2° wanneer de sterftetafels die worden gebruikt voor de berekening van de voorzieningen, verschillen van die welke zijn vermeld in § 7, tweede lid, 2° van deze bepaling.
  Die voorziening wordt op 31 december van elk jaar afzonderlijk berekend voor elk schadegeval waarvoor een voorziening is gevormd als bedoeld in het eerste lid.
  Deze aanvullende voorziening is gelijk aan de som, voor alle schadegevallen, van het positieve verschil tussen de voorziening berekend met een rentevoet die overeenstemt met 80 % van de in het eerste lid vermelde gemiddelde rentevoet en alle technische grondslagen behalve de rentevoet, die worden gebruikt voor de berekening van de voorzieningen voor nieuwe schadegevallen, waarbij de herwaarderingsvoet is vastgesteld op 80 % van de in het eerste lid vermelde gemiddelde rentevoet, verminderd met 0,75 %, en de voorziening die wordt berekend met de technische rentevoet die wordt gebruikt voor de berekening van de voorzieningen op het ogenblik dat het schadegeval zich voordoet en alle technische grondslagen behalve de rentevoet, die worden gebruikt voor de berekening van de voorzieningen op het ogenblik dat het schadegeval zich voordoet.
  De jaarlijkse dotatie is gelijk aan ten minste 10 % van de samen te stellen aanvullende voorziening. De dotatie mag evenwel beperkt worden tot het verschil tussen de samen te stellen aanvullende voorziening en de samengestelde aanvullende voorziening.
  Indien de samen te stellen aanvullende voorziening kleiner is dan de samengestelde aanvullende voorziening, mag de verzekeringsonderneming van deze laatste aanvullende voorziening 10 % afhouden van het overschot alsook 90 % van de samengestelde aanvullende voorziening die betrekking heeft op de vereffende of definitief overgedragen overeenkomsten.
  § 6. De bepalingen van artikel 34quinquies, § 4 tot 6 zijn van overeenkomstige toepassing op de krachtens dit artikel gevormde voorzieningen.
  § 7. De voorziening voor blijvende arbeids-ongeschiktheden en dodelijke ongevallen mag niet kleiner zijn dan die welke berekend is aan de hand van de technische grondslagen die van kracht zijn op het ogenblik dat het schadegeval zich voordoet, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal betalingen per jaar, het tijdstip van de betalingen en eventuele achterstallige betalingen in geval van overlijden.
  Voor de schadegevallen die zich hebben voorgedaan na 11 december 2001, mag deze voorziening bovendien niet kleiner zijn dan die welke berekend is op basis van van de volgende technische grondslagen:
  1° de technische rentevoet: de maximale referentierentevoet voor levensverzekerings-verrichtingen van lange duur, als bepaald door de Nationale Bank van België op het ogenblik dat het schadegeval zich voordoet;
  in afwijking van het vorige lid bedraagt de technische rentevoet maximum 4,75 % tot 31 december 2002.
  Deze afwijking geldt echter niet voor schadegevallen met betrekking tot overeenkomsten die na 17 maart 2002 zijn gesloten.
  2° de sterftetafels :
  a. ED1(M) voor mannen en ED1(F) voor vrouwen: voor de slachtoffers met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minstens 16 % alsook voor de overlevende echtgenoten en ascendenten;
  b. ED2(M) voor mannen en ED2(F) voor vrouwen in alle andere gevallen.
  De sterftetafels ED1(M), ED1(F), ED2(M) en ED2(F) worden hierna bepaald, in het derde lid.
  3° een herwaarderingsvoet voor de geïndexeerde renten die minstens gelijk is aan de technische rentevoet bedoeld in punt 1), verminderd met 0,75 %;
  4° een toeslag van minstens 2,76 % om na het einde van de herzieningstermijn de medische, heelkundige, farmaceutische en verplegingskosten te kunnen dragen alsook de vergoedingen voor tijdelijke verergering en de bijslagen wanneer de rente betrekking heeft op een slachtoffer met een arbeidsongeschiktheid van minstens 10 %.
  De sterftetafels ED1(M), ED2(M), ED1(F) en ED2(F) worden bepaald door de volgende relatie die, bij 1.000.000 geboorten, voor het aantal overlevenden op leeftijd x wordt gebruikt:
Art. 2. L'article 34sexies du même arrêté est complété par les paragraphes 3 à 9 rédigés comme suit :
  " § 3. Sans préjudice des dispositions du § 1er, les provisions suivantes sont constituées pour les assurances contre les accidents du travail:
  1° une provision relative aux incapacités permanentes de travail et aux accidents mortels;
  2° une provision pour les indemnités supplémentaires représentant le coût probable du renouvellement et de l'entretien des appareils de prothèse et d'orthopédie;
  3° une provision pour indexation lorsque les prestations assurées sont indexées.
  § 4. La provision relative aux incapacités permanentes de travail et aux accidents mortels est calculée afin de :
  1° garantir le paiement des allocations annuelles, rentes et capitaux, y compris les capitaux à transférer au Fonds des Accidents du travail, ainsi que le paiement, après l'expiration du délai de révision, des indemnités d'aggravation temporaire, des frais médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers;
  2° garantir l'indexation des allocations annuelles et rentes et le paiement des allocations.
  Il y a lieu de tenir compte des principes généraux suivants pour le calcul de la provision relative aux incapacités permanentes de travail et aux accidents mortels:
  1° cette provision est calculée selon une méthode actuarielle prospective suffisamment prudente, tenant compte de toutes les obligations futures conformément aux conditions établies pour chaque contrat en cours;
  2° dans ce calcul, l'entreprise d'assurances tient compte de l'évolution défavorable des différents facteurs en jeu qui sont à la base de cette provision.
  § 5. Sans préjudice des § 3 et 4, une provision complémentaire est constituée:
  1° lorsque le taux d'intérêt technique utilisé pour le calcul des provisions visées au § 3 excède 80 % du taux d'intérêt moyen sur les cinq dernières années des OLO à 10 ans de plus de 0,1 %;
  2° lorsque les tables de mortalité utilisées pour le calcul des provisions diffèrent de celles mentionnées au § 7, alinéa 2, 2° de la présente disposition.
  Cette provision est calculée au 31 décembre de chaque année séparément pour chaque sinistre faisant l'objet de la constitution d'une provision visée à l'alinéa 1er.
  Cette provision complémentaire est égale à la somme, pour tous les sinistres, de la différence positive entre la provision calculée avec un taux d'intérêt correspondant à 80 % du taux d'intérêt moyen cité à l'alinéa 1er et l'ensemble des bases techniques, autres que le taux d'intérêt, utilisées pour le calcul des provisions pour les nouveaux sinistres, le taux de revalorisation étant fixé à 80 % du taux d'intérêt moyen cité à l'alinéa 1er diminué de 0,75 %, et la provision calculée avec le taux d'intérêt technique utilisé pour le calcul des provisions au moment de la survenance du sinistre et l'ensemble des bases techniques, autres que le taux d'intérêt, utilisées pour le calcul des provisions au moment de la survenance du sinistre.
  La dotation annuelle est égale à 10 % au minimum de la provision complémentaire à constituer. Cette dotation peut toutefois être limitée à la différence entre la provision complémentaire à constituer et la provision complémentaire constituée.
  Lorsque la provision complémentaire à constituer est inférieure à la provision complémentaire constituée, l'entreprise d'assurances peut prélever de cette dernière provision complémentaire 10 % du surplus ainsi que 90 % de la provision complémentaire constituée relative aux contrats liquidés ou cédés de manière définitive.
  § 6. Les dispositions de l'article 34quinquies, § 4 à 6 sont applicables par analogie aux provisions constituées en vertu du présent article.
  § 7. La provision relative aux incapacités permanentes de travail et aux accidents mortels ne peut être inférieure à celle calculée selon les bases techniques en vigueur au moment de la survenance du sinistre en tenant compte du nombre de paiements par an, du moment des paiements et des arrérages éventuels en cas de décès.
  De plus, pour les sinistres survenus après 11 décembre 2001, cette provision ne peut être inférieure à celle calculée selon les bases techniques suivantes:
  1° le taux d'intérêt technique : le taux maximum de référence pour les opérations d'assurance Vie à long terme, déterminé par la Banque nationale de Belgique au moment de la survenance du sinistre;
  par dérogation à l'alinéa précédent, le taux d'intérêt technique s'élève à 4,75 % maximum jusqu'au 31 décembre 2002.
  Toutefois, cette dérogation n'est pas applicable aux sinistres relatifs aux contrats souscrits à partir du 17 mars 2002.
  2° les tables de mortalité :
  a. ED1(M) pour les hommes et ED1(F) pour les femmes : pour les victimes dont l'incapacité permanente de travail est au moins de 16 % ainsi que pour les conjoints survivants et les ascendants ;
  b. ED2(M) pour les hommes et ED2(F) pour les femmes, dans tous les autres cas.
  Les tables de mortalité ED1(M), ED1(F), ED2(M) en ED2(F) sont déterminées ci-après à l'alinéa 3.
  3° un taux de revalorisation, pour les rentes indexées, au moins égal au taux d'intérêt technique visé au point 1) diminué de 0,75%;
  4° un chargement d'au moins 2,76 % destiné à faire face, après l'expiration du délai de révision, aux frais médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers ainsi qu'aux indemnités d'aggravation temporaire et aux allocations lorsque la rente est relative à une victime dont l'incapacité de travail s'élève à au moins 10 %.
  Les tables de mortalité ED1(M), ED2(M), ED1(F) et ED2(F) sont déterminées par la relation suivante, appliquée au nombre de survivants à l'âge x, pour 1.000.000 de naissances:
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-06-2016, p. 36694)
  waarbij de constante k wordt bepaald aan de hand van de volgende formule :
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-06-2016, p. 36694)
  où la constante k est déterminé par la formule :
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-06-2016, p. 36694)
  en waarin de constanten s, g en c naargelang van de tafel de hierna vermelde waarden hebben:
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-06-2016, p. 36694)
  et où les constantes s, g et c ont les valeurs reprises ci-dessous, selon la table :
 s g c
ED1(M) 0,999 441 703 848 0,999 733 441 115 1,102 891 252 975
ED1(F) 0,999 669 730 966 0,999 951 440 172 1,118 472 736 561
ED2(M) 0,999 441 703 848 0,999 733 441 115 1,103 798 111 448
ED2(F) 0,999 669 730 966 0,999 951 440 172 1,119 312 877 926
s g cED1(M) 0,999 441 703 848 0,999 733 441 115 1,102 891 252 975ED1(F) 0,999 669 730 966 0,999 951 440 172 1,118 472 736 561ED2(M) 0,999 441 703 848 0,999 733 441 115 1,103 798 111 448ED2(F) 0,999 669 730 966 0,999 951 440 172 1,119 312 877 926
§ 8. De voorziening voor de aanvullende vergoedingen die de waarschijnlijke kosten vertegenwoordigen van de vernieuwing en het onderhoud van de prothesen en de orthopedische toestellen, is gelijk aan de som van de vestigingskapitalen:
  1° van een geïndexeerde lijfrente, die met de kosten voor het vernieuwen van de prothesen en de orthopedische toestellen overeenstemt;
  2° van een geïndexeerde lijfrente, die met de kosten voor het onderhoud van de prothesen en de orthopedische toestellen overeenstemt.
  De bepalingen betreffende de voorziening voor blijvende arbeidsongeschiktheden en dodelijke ongevallen zijn van toepassing op deze voorziening, behoudens wat betreft de toeslag bedoeld in § 7, tweede lid, 4° ) en de sterftetafels, waarvoor in alle gevallen de tafels ED2(M) en ED2(F) worden toegepast.
  Deze voorziening mag worden berekend volgens een andere gelijkwaardige methode die door de Nationale Bank van België is toegestaan.
  § 9. De indexeringsvoorziening wordt jaarlijks gespijsd door een bedrag dat minstens gelijk is aan een percentage van het gemiddelde bedrag van de voorziening voor te betalen schaden, tot zij een bedrag gelijk aan minstens 12,5 % van het bedrag van de voorziening voor te betalen schaden bereikt.
  Dit percentage wordt jaarlijks berekend; het is gelijk aan het verschil tussen de referentierentevoet en de inflatievoet, verminderd met 0,75 %. Het percentage is beperkt tot 1,25 %.
  De referentierentevoet is gelijk aan het gemiddelde over de laatste vijf jaar van de gemiddelde jaarlijkse rentevoeten van de OLO's op vijf jaar. De inflatievoet is gelijk aan de verhouding tussen het gemiddelde van de twaalf maandelijkse indexcijfers van de consumptieprijzen, die in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd gedurende het lopende boekjaar, en het gemiddelde van deze indexcijfers gedurende het voorgaande boekjaar, verminderd met 1.
  Wanneer het hierboven bedoelde percentage negatief is, put de verzekeraar uit de indexeringsvoorziening een bedrag dat gelijk is aan dit percentage, vermenigvuldigd met het bedrag van de voorziening voor te betalen schaden.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder "voorziening voor te betalen schaden" verstaan de voorziening voor schadegevallen met betrekking tot de prestaties waarvan de indexering ten laste van de onderneming komt.".
 s g c
ED1(M) 0,999 441 703 848 0,999 733 441 115 1,102 891 252 975
ED1(F) 0,999 669 730 966 0,999 951 440 172 1,118 472 736 561
ED2(M) 0,999 441 703 848 0,999 733 441 115 1,103 798 111 448
ED2(F) 0,999 669 730 966 0,999 951 440 172 1,119 312 877 926
s g cED1(M) 0,999 441 703 848 0,999 733 441 115 1,102 891 252 975ED1(F) 0,999 669 730 966 0,999 951 440 172 1,118 472 736 561ED2(M) 0,999 441 703 848 0,999 733 441 115 1,103 798 111 448ED2(F) 0,999 669 730 966 0,999 951 440 172 1,119 312 877 926
§ 8. La provision pour les indemnités supplémentaires représentant le coût probable du renouvellement et de l'entretien des appareils de prothèse et d'orthopédie, est égale à la somme des capitaux constitutifs:
  1° d'une rente viagère indexée correspondant au coût du renouvellement des appareils de prothèse et d'orthopédie;
  2° d'une rente viagère indexée correspondant au coût de l'entretien des appareils de prothèse et d'orthopédie.
  Les dispositions relatives à la provision relative aux incapacités permanentes de travail et aux accidents mortels sont d'application à cette provision, à l'exception du chargement visé au § 7, alinéa 2, 4° ) et des tables de mortalité, pour lesquelles les tables ED2(M) et ED2(F) sont appliquées dans tous les cas.
  Cette provision peut être calculée selon une autre méthode équivalente admise par la Banque nationale de Belgique.
  § 9. La provision pour indexation est alimentée annuellement par un montant égal au minimum à un pourcentage du montant moyen de la provision pour sinistres jusqu'à ce qu'elle atteigne un montant égal à au moins 12,5 % du montant de la provision pour sinistres.
  Ce pourcentage est calculé annuellement ; il est égal à la différence entre le taux d'intérêt de référence et le taux d'inflation, diminuée de 0,75 %. Le pourcentage est limité à 1,25 %.
  Le taux d'intérêt de référence est égal à la moyenne pour les cinq dernières années des taux d'intérêt annuels moyens des OLO à cinq ans. Le taux d'inflation est égal au rapport entre la moyenne des douze indices mensuels des prix à la consommation, publiés au Moniteur belge durant l'exercice en cours, et la moyenne de ces indices durant l'exercice précédent, diminué de 1.
  Lorsque le pourcentage visé ci-dessus est négatif, l'assureur prélève dans la provision pour indexation un montant égal à ce pourcentage multiplié par le montant de la provision pour sinistres.
  Pour l'application du présent paragraphe, on entend par "provision pour sinistres", la provision pour sinistres relatives aux prestations dont l'indexation est à charge de l'entreprise.".
Art.3. In Hoofdstuk I, Afdeling III, staat nr. 23 "Bijkomende inlichtingen die de onderneming, op basis van dit besluit, moet verstrekken" van de bijlage bij hetzelfde besluit, wordt in de lijst van artikelen in het eerste streepje op de juiste plaats een verwijzing naar artikel 34quinquies, § 6 ingevoegd.
Art.3. Dans le Chapitre Ier, Section III, état n° 23 "Informations complémentaires à fournir par l'entreprise sur base du présent arrêté" de l'annexe au même arrêté, une référence à l'article 34quinquies, § 6 est insérée en bonne et due place dans la liste des articles visés au premier tiret.
Art.4. Artikel 31 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2004, wordt opgeheven.
Art.4. L'article 31 de l'arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l'activité d'assurance sur la vie, modifié par l'arrêté royal du 30 novembre 2004, est abrogé.
Art.5. Bijlage VI van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 januari 2002 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2004, wordt opgeheven.
Art.5. L'annexe VI de l'arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d'assurances, insérée par l'arrêté royal du 16 janvier 2002 et modifiée par l'arrêté royal du 30 novembre 2004, est abrogée.
Art.6. Dit besluit is van toepassing op de boekjaren die ingaan vanaf 1 januari 2016.
Art.6. Le présent arrêté est applicable aux exercices comptables prenant cours à partir du 1er janvier 2016.
Art. 7. De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le ministre qui a l'Economie dans ses attributions et le ministre qui a les Finances dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.