Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 NOVEMBER 2016. - Wet betreffende bepaalde rechten van personen die worden verhoord
Titre
21 NOVEMBRE 2016. - Loi relative à certains droits des personnes soumises à un interrogatoire
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (19)
Texte (19)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art.2. Deze wet voorziet in de omzetting van de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming en in de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en van de richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad.
Art.2. La présente loi prévoit la transposition de la directive 2013/48/UE du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2013 relative au droit d'accès à un avocat dans le cadre des procédures pénales et des procédures relatives au mandat d'arrêt européen, au droit d'informer un tiers dès la privation de liberté et au droit des personnes privées de liberté de communiquer avec des tiers et avec les autorités consulaires et la transposition partielle de la directive 2010/64/UE du Parlement européen et du Conseil du 20 octobre 2010 relative au droit à l'interprétation et à la traduction dans le cadre des procédures pénales et de la directive 2012/29/UE du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 établissant des normes minimales concernant les droits, le soutien et la protection des victimes de la criminalité et remplaçant la décision-cadre 2001/220/JAI du Conseil.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 2. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art.3. Artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd bij de wetten van 13 augustus 2011 en 25 april 2014, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 47bis. § 1. Vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een persoon aan wie geen misdrijf ten laste wordt gelegd, wordt op beknopte wijze kennis gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord en wordt hem meegedeeld dat:
  1) hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen;
  2) zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
  3) hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;
  4) hij kan vragen dat een bepaalde opsporingshandeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen;
  5) hij gebruik mag maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat daardoor het verhoor wordt uitgesteld en dat hij, tijdens de ondervraging of later, mag vragen dat deze documenten bij het proces-verbaal van het verhoor of bij het dossier worden gevoegd.
  Al deze elementen worden nauwkeurig opgenomen in een proces-verbaal.
  § 2. Vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een verdachte, wordt aan de te ondervragen persoon op beknopte wijze kennis gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord en wordt hem meegedeeld dat:
  1) hij als verdachte wordt verhoord en dat hij het recht heeft om voor het verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat, en zich door hem kan laten bijstaan tijdens het verhoor, in zoverre de feiten die hem ten laste kunnen worden gelegd een misdrijf betreffen waarvoor een vrijheidsstraf kan worden opgelegd; en, in geval hij niet van zijn vrijheid is benomen, hij zelf de nodige maatregelen moet nemen om zich te laten bijstaan;
  2) hij de keuze heeft na bekendmaking van zijn identiteit om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de hem gestelde vragen of te zwijgen;
  3) hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen;
  4) zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
  5) hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;
  6) in voorkomend geval: hij niet van zijn vrijheid is benomen en hij op elk ogenblik kan gaan en staan waar hij wil;
  7) hij kan vragen dat een bepaalde opsporingshandeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen;
  8) hij gebruik mag maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat daardoor het verhoor wordt uitgesteld en dat hij, tijdens de ondervraging of later, mag vragen dat deze documenten bij het proces-verbaal van het verhoor of bij het dossier worden gevoegd.
  § 3. Indien het verhoor van een meerderjarige verdachte op schriftelijke uitnodiging geschiedt, kunnen de in paragraaf 2 bedoelde rechten, evenals de beknopte mededeling van de feiten waarover de te ondervragen persoon zal worden verhoord, reeds ter kennis worden gebracht in deze uitnodiging waarvan een kopie gevoegd wordt bij het proces-verbaal van verhoor. In dit geval geldt de uitnodiging als mededeling van de rechten bedoeld in paragraaf 2 en wordt de betrokkene geacht een vertrouwelijk overleg te hebben gepleegd met een advocaat en de nodige maatregelen te hebben genomen om zich door hem te laten bijstaan tijdens het verhoor. Indien de betrokkene zich niet laat bijstaan door een advocaat, wordt hij, vooraleer het verhoor aanvangt, alleszins gewezen op de rechten bedoeld in paragraaf 2, 2) en 3).
  Indien het in het eerste lid bedoelde verhoor een minderjarige betreft die zich zonder advocaat aanmeldt voor verhoor, kan het verhoor pas plaatsvinden na een vertrouwelijk overleg tussen de minderjarige en een advocaat, dit ofwel in een lokaal van de politie ofwel telefonisch. Teneinde de door hem gekozen advocaat of een andere advocaat te contacteren en door deze bijgestaan te worden tijdens het verhoor, wordt contact opgenomen met de permanentie-dienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", of bij gebrek hieraan door de stafhouder van de Orde of zijn gemachtigde.
  Indien het verhoor van een meerderjarige verdachte niet op uitnodiging geschiedt of indien bij de uitnodiging de in paragraaf 2 bedoelde elementen niet zijn vermeld, wordt hij in kennis gesteld van deze elementen en kan het verhoor op verzoek van de te ondervragen persoon eenmalig worden uitgesteld, teneinde hem de gelegenheid te geven zijn in paragraaf 2, 1), bedoelde rechten uit te oefenen. In dat geval wordt een datum bepaald voor het verhoor waarop het eerste lid van toepassing is. De meerderjarige te ondervragen persoon kan vrijwillig en weloverwogen afstand doen van de in paragraaf 2, eerste lid, 1), bedoelde rechten. Hij moet de afstand schriftelijk doen, in een door hem gedateerd en ondertekend document, waarin hem de nodige informatie wordt verstrekt over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op bijstand van een advocaat.
  Betrokkene wordt in kennis gesteld dat hij zijn afstand kan herroepen.
  Indien het in het derde lid bedoelde verhoor een minderjarige betreft, kan het verhoor pas plaatsvinden na een vertrouwelijk overleg tussen de minderjarige en een advocaat, dit ofwel in een lokaal van de politie ofwel telefonisch. Teneinde de door hem gekozen advocaat of een andere advocaat te contacteren en door deze bijgestaan te worden tijdens het verhoor, wordt contact opgenomen met de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", of bij gebrek hieraan door de stafhouder van de Orde of zijn gemachtigde. Indien de advocaat in akkoord met de minderjarige hierom verzoekt, wordt het verhoor eenmaal uitgesteld zodanig dat de minderjarige een advocaat kan raadplegen en door deze bijgestaan kan worden tijdens het verhoor.
  Al de in deze paragraaf vermelde elementen worden nauwkeurig opgenomen in een proces-verbaal.
  § 4. Onverminderd paragraaf 2, wordt aan eenieder die van zijn vrijheid is benomen overeenkomstig de artikelen 1, 2, 3, 15bis en 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis meegedeeld dat hij de rechten geniet die worden opgesomd in de artikelen 2bis, 15bis, 16 en 20, § 1, van dezelfde wet.
  § 5. Aan de in de paragrafen 2 en 4 bedoelde personen wordt zonder onnodig uitstel voor het eerste verhoor een schriftelijke verklaring van de in de paragrafen 2 en 4 bedoelde rechten overhandigd.
  De vorm en inhoud van deze verklaring van rechten worden door de Koning bepaald.
  § 6. De volgende bepalingen zijn op alle verhoren van toepassing:
  1) Het proces-verbaal vermeldt nauwkeurig het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, eventueel onderbroken en hervat, alsook beëindigd. Het vermeldt nauwkeurig de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek. Het vermeldt ook de bijzondere omstandigheden en alles wat op de verklaring of de omstandigheden waarin zij is afgelegd, een bijzonder licht kan werpen.
  2) De bewoordingen van de mededeling van de in de paragrafen 1, 2 en 4, bedoelde rechten worden aangepast in functie van de leeftijd van de betrokkene of in functie van een mogelijke kwetsbaarheid van de betrokkene die zijn vermogen aantast om deze rechten te begrijpen.
  Hiervan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van verhoor.
  3) Aan het einde van het verhoor geeft men de ondervraagde persoon de tekst van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of daaraan iets wil toevoegen. Deze bepaling is eveneens van toepassing op het audio gefilmd verhoor overeenkomstig artikel 2bis, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
  4) Indien een in de hoedanigheid van slachtoffer of van verdachte ondervraagde persoon de taal van de procedure niet verstaat of spreekt of indien hij lijdt aan gehoor- of spraakstoornissen, wordt een beroep gedaan op een beëdigd tolk tijdens het verhoor. Indien geen enkele beëdigd tolk beschikbaar is, wordt de ondervraagde persoon gevraagd zelf zijn verklaring te noteren.
  Indien een in een andere hoedanigheid dan slachtoffer of verdachte ondervraagde persoon de taal van de procedure niet verstaat of spreekt of indien hij lijdt aan gehoor- of spraakstoornissen, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigd tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren.
  In geval van vertolking maakt het proces-verbaal melding van de bijstand door een beëdigd tolk, alsmede van diens naam en hoedanigheid. De kosten van vertolking zijn ten laste van de Staat.
  5) Indien tijdens het verhoor van een persoon, die aanvankelijk niet werd verhoord als verdachte, blijkt dat er elementen zijn die laten vermoeden dat hem feiten ten laste kunnen worden gelegd, dan wordt hij ingelicht over de rechten die hij heeft ingevolge paragraaf 2 en, in voorkomend geval, paragraaf 4 en wordt hem de in paragraaf 5 bedoelde schriftelijke verklaring overhandigd.
  6) Het verhoor wordt geleid door de verhoorder. De verhoorder geeft op beknopte wijze kennis aan de advocaat van de feiten waarop het verhoor betrekking heeft.
  7) De advocaat kan aanwezig zijn tijdens het verhoor, dat evenwel reeds een aanvang genomen kan hebben.
  De bijstand van de advocaat tijdens het verhoor heeft tot doel toezicht mogelijk te maken op:
  a) de eerbiediging van het recht van de te horen persoon zichzelf niet te beschuldigen en de keuzevrijheid om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de gestelde vragen of te zwijgen;
  b) de wijze waarop de ondervraagde persoon tijdens het verhoor wordt behandeld, inzonderheid op het al dan niet kennelijk uitoefenen van ongeoorloofde druk of dwang;
  c) de kennisgeving van de in paragraaf 2, en in voorkomend geval paragraaf 4, bedoelde rechten van verdediging en de regelmatigheid van het verhoor.
  De advocaat kan op het verhoorblad melding laten maken van de schendingen van de in de bepaling onder a), b) en c) vermelde rechten die hij meent te hebben vastgesteld. De advocaat kan vragen dat een bepaalde opsporings-handeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen. Hij kan verduidelijking vragen over vragen die worden gesteld. Hij kan opmerkingen maken over het onderzoek en over het verhoor. Het is hem evenwel niet toegelaten te antwoorden in de plaats van de verdachte of het verloop van het verhoor te hinderen.
  Al deze elementen worden nauwkeurig opgenomen in het proces-verbaal van verhoor.
  8) Onverminderd de rechten van verdediging is de advocaat verplicht tot geheimhouding van de informatie waarvan hij kennis krijgt door het verlenen van bijstand tijdens de verhoren afgenomen tijdens het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en door het verlenen van bijstand tijdens de confrontaties en de meervoudige confrontaties. Hij die de geheimhoudingsplicht schendt, wordt gestraft met de bij artikel 458 van het Strafwetboek bepaalde straffen.
  9) Tegen een persoon kan geen veroordeling worden uitgesproken die gegrond is op verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met de paragrafen 2, 3, 4 en de bepaling onder 5), met uitsluiting van paragraaf 5, wat betreft het voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg of de bijstand door een advocaat tijdens het verhoor of in strijd met de artikelen 2bis, 15bis, 20, § 1, en 24bis/1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wat betreft het voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg of de bijstand door een advocaat tijdens het verhoor.".
Art.3. L'article 47bis du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 12 mars 1998 et modifié par les lois des 13 août 2011 et 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 47bis. § 1er. Avant qu'il ne soit procédé à l'audition d'une personne à laquelle aucune infraction n'est imputée, la personne à interroger est informée succinctement des faits à propos desquels elle sera entendue et il lui est communiqué:
  1) qu'elle ne peut être contrainte de s'accuser elle-même;
  2) que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuve en justice;
  3) qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et les réponses qu'elle donne soient actées dans les termes utilisés;
  4) qu'elle peut demander qu'il soit procédé à un acte d'information ou une audition déterminés;
  5) qu'elle peut utiliser les documents en sa possession, sans que cela puisse entraîner le report de l'interrogatoire, et qu'elle peut, lors de l'interrogatoire ou ultérieurement, demander que ces documents soient joints au procès-verbal d'audition ou au dossier.
  Tous ces éléments sont consignés avec précision dans un procès-verbal.
  § 2. Avant qu'il ne soit procédé à l'audition d'un suspect, la personne à interroger est informée succinctement des faits à propos desquels elle sera entendue et il lui est communiqué:
  1) qu'elle va être auditionnée en qualité de suspect et qu'elle a le droit, préalablement à l'audition, de se concerter confidentiellement avec un avocat de son choix ou avec un avocat qui lui est désigné, et qu'elle a la possibilité de se faire assister par lui pendant l'audition, pour autant que les faits qui peuvent lui être imputés concernent une infraction qui est punissable d'une peine privative de liberté; et, dans le cas où elle n'est pas privée de sa liberté, qu'elle doit prendre elle-même les mesures nécessaires pour se faire assister;
  2) qu'elle a le choix, après avoir décliné son identité, de faire une déclaration, de répondre aux questions qui lui sont posées ou de se taire;
  3) qu'elle ne peut être contrainte de s'accuser elle-même;
  4) que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuve en justice;
  5) qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et les réponses qu'elle donne soient actées dans les termes utilisés;
  6) le cas échéant: qu'elle n'est pas privée de sa liberté et qu'elle peut aller et venir à tout moment;
  7) qu'elle peut demander qu'il soit procédé à un acte d'information ou une audition déterminés;
  8) qu'elle peut utiliser les documents en sa possession, sans que cela puisse entraîner le report de l'interrogatoire, et qu'elle peut, lors de l'interrogatoire ou ultérieurement, demander que ces documents soient joints au procès-verbal d'audition ou au dossier.
  § 3. Si l'audition d'un suspect majeur a lieu sur convocation écrite, les droits visés au paragraphe 2, ainsi que la communication succincte des faits à propos desquels la personne à interroger sera entendue, peuvent déjà être notifiés dans cette convocation, laquelle est jointe en copie au procès-verbal d'audition. Dans ce cas, la convocation a valeur de communication des droits visés au paragraphe 2 et la personne concernée est présumée s'être concertée confidentiellement avec un avocat et avoir pris les mesures nécessaires pour se faire assister par lui pendant l'audition. Si la personne concernée ne se fait pas assister par un avocat, les droits visés au paragraphe 2, 2) et 3), lui sont de toute façon rappelés avant le début de l'audition.
  Si l'audition visée à l'alinéa 1er concerne un mineur qui se présente sans avocat à ladite audition, celle-ci ne peut avoir lieu qu'après une concertation confidentielle entre le mineur et un avocat, soit dans les locaux de la police, soit par téléphone. Afin de contacter l'avocat de son choix ou un autre avocat, et d'être assisté par lui pendant l'audition, contact est pris avec la permanence organisée par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, et l'"Orde van Vlaamse balies" ou, à défaut, par le bâtonnier de l'Ordre ou son délégué.
  Si l'audition d'un suspect majeur n'a pas lieu sur convocation ou si la convocation ne mentionne pas les éléments visés au paragraphe 2, la personne concernée est informée de ces éléments et l'audition peut être reportée une seule fois à la demande de la personne à interroger, afin de lui donner la possibilité d'exercer ses droits visés au paragraphe 2, 1). Dans ce cas, une date est fixée pour l'audition à laquelle s'applique l'alinéa 1er. La personne majeure à interroger peut renoncer volontairement et de manière réfléchie aux droits visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 1). Elle doit procéder à la renonciation par écrit, dans un document daté et signé par elle, dans lequel les informations nécessaires lui sont fournies sur les conséquences éventuelles d'une renonciation au droit à l'assistance d'un avocat.
  La personne concernée est informée qu'elle peut révoquer sa renonciation.
  Si l'audition visée à l'alinéa 3 concerne un mineur, celle-ci ne peut avoir lieu qu'après une concertation confidentielle entre le mineur et un avocat, soit dans les locaux de la police, soit par téléphone. Afin de contacter l'avocat de son choix ou un autre avocat, et d'être assisté par lui pendant l'audition, contact est pris avec la permanence organisée par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, et l'"Orde van Vlaamse balies" ou, à défaut, par le bâtonnier de l'Ordre ou son délégué. Si l'avocat, en accord avec le mineur, le demande, l'audition est reportée une seule fois afin que le mineur puisse consulter un avocat et être assisté par lui pendant l'audition.
  Tous les éléments énoncés dans le présent paragraphe sont consignés avec précision dans un procès-verbal.
  § 4. Sans préjudice du paragraphe 2, toute personne privée de sa liberté conformément aux articles 1er, 2, 3, 15bis et 16 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive est informée qu'elle jouit des droits énoncés aux articles 2bis, 15bis, 16 et 20, § 1er, de la même loi.
  § 5. Une déclaration écrite des droits visés aux paragraphes 2 et 4 est sans retard indu remise à la personne visée aux paragraphes 2 et 4 avant la première audition.
  La forme et le fond de cette déclaration des droits sont déterminés par le Roi.
  § 6. Les dispositions suivantes s'appliquent à toutes les auditions:
  1) Le procès-verbal mentionne avec précision l'heure à laquelle l'audition prend cours, est éventuellement interrompue, reprend, et prend fin. Il mentionne avec précision l'identité des personnes qui interviennent à l'audition ou à une partie de celle-ci ainsi que le moment de leur arrivée et de leur départ. Il mentionne également les circonstances particulières et tout ce qui peut éclairer d'un jour particulier la déclaration ou les circonstances dans lesquelles elle a été faite.
  2) La formulation de la communication des droits visés aux paragraphes 1er, 2 et 4 est adaptée en fonction de l'âge de la personne ou en fonction d'une vulnérabilité éventuelle qui affecte sa capacité de comprendre ces droits.
  Ceci est mentionné dans le procès-verbal d'audition.
  3) A la fin de l'audition, le texte de l'audition est donné en lecture à la personne interrogée, à moins que celle-ci ne demande que lecture lui en soit faite. Il lui est demandé si ses déclarations ne doivent pas être corrigées ou complétées. Cette disposition est également d'application à l'audition audio filmée, conformément à l'article 2bis, § 3, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
  4) Si une personne interrogée en qualité de victime ou de suspect ne comprend pas ou ne parle pas la langue de la procédure ou souffre de troubles de l'audition ou de la parole, il est fait appel à un interprète assermenté durant l'audition. Si aucun interprète assermenté n'est disponible, il est demandé à la personne interrogée de noter elle-même sa déclaration.
  Si une personne entendue dans une autre qualité que celle de victime ou de suspect ne comprend pas ou ne parle pas la langue de la procédure ou souffre de troubles de l'audition ou de la parole, soit il est fait appel à un interprète assermenté, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration.
  Lorsqu'il y a interprétation, le procès-verbal mentionne l'assistance d'un interprète assermenté ainsi que son nom et sa qualité. Les frais de l'interprétation sont à charge de l'Etat.
  5) Si, au cours de l'audition d'une personne qui n'était initialement pas auditionnée comme un suspect, il s'avère que certains éléments laissent présumer que des faits peuvent lui être imputés, cette personne est informée des droits dont elle jouit en vertu du paragraphe 2 et, le cas échéant du paragraphe 4, et la déclaration écrite visée au paragraphe 5 lui est remise.
  6) L'audition est dirigée par la personne qui procède à l'audition. Celle-ci informe de manière succincte l'avocat des faits sur lesquels porte l'audition.
  7) L'avocat peut assister à l'audition, laquelle peut cependant déjà avoir débuté.
  L'assistance de l'avocat pendant l'audition a pour objet de permettre un contrôle:
  a) du respect du droit de la personne interrogée de ne pas s'accuser elle-même, ainsi que de sa liberté de choisir de faire une déclaration, de répondre aux questions qui lui sont posées ou de se taire;
  b) du traitement réservé à la personne interrogée durant l'audition, en particulier de l'exercice manifeste de pressions ou contraintes illicites;
  c) de la notification des droits de la défense visés au paragraphe 2, et le cas échéant au paragraphe 4, et de la régularité de l'audition.
  L'avocat peut faire mentionner sur la feuille d'audition les violations des droits visés aux a), b) et c), qu'il estime avoir observées. L'avocat peut demander qu'il soit procédé à tel acte d'information ou à telle audition. Il peut demander des clarifications sur des questions qui sont posées. Il peut formuler des observations sur l'enquête et sur l'audition. Il ne lui est toutefois pas permis de répondre à la place du suspect ou d'entraver le déroulement de l'audition.
  Tous ces éléments sont consignés avec précision dans le procès-verbal d'audition.
  8) Sans préjudice des droits de la défense, l'avocat est tenu de garder secrètes les informations dont il acquiert la connaissance en apportant son assistance pendant les auditions effectuées au cours de l'information ou de l'instruction et en apportant son assistance lors des confrontations et des séances d'identification des suspects. Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
  9) Aucune condamnation ne peut être prononcée contre une personne sur le fondement de déclarations qu'elle a faites en violation des paragraphes 2, 3, 4 et le 5), à l'exclusion du paragraphe 5, en ce qui concerne la concertation confidentielle préalable ou l'assistance d'un avocat au cours de l'audition, ou en violation des articles 2bis, 15bis, 20, § 1er, et 24bis/1 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive en ce qui concerne la concertation confidentielle préalable ou l'assistance d'un avocat au cours de l'audition.".
Art.4. Artikel 62 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 augustus 2011, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 62. § 1. Wanneer de onderzoeksrechter zich ter plaatse begeeft, wordt hij altijd vergezeld door de procureur des Konings en door de griffier van de rechtbank.
  Wanneer de onderzoeksrechter het plaatsbezoek, waarvan hij de leiding heeft, organiseert met het oog op de reconstructie van de feiten, hebben de verdachte en zijn advocaat, overeenkomstig de aan deze laatste door artikel 47bis, § 6, 7), toebedeelde rol, en de burgerlijke partij en zijn advocaat het recht om deze bij te wonen.
  Onverminderd de rechten van verdediging, is de advocaat verplicht tot geheimhouding van de informatie waarvan hij kennis krijgt door het bijwonen van het plaatsbezoek met het oog op de reconstructie van de feiten. Hij die de geheimhoudingsplicht schendt, wordt gestraft met de bij artikel 458 van het Strafwetboek bepaalde straffen.
  § 2. De bepalingen van artikel 47bis zijn van toepassing op het confrontatieverhoor.
  § 3. De advocaat van de verdachte mag de meervoudige confrontatie bijwonen. De advocaat mag na afloop van de meervoudige confrontatie vragen dat zijn bemerkingen met betrekking tot het verloop ervan in het proces-verbaal worden opgenomen.".
Art.4. L'article 62 du même Code, modifié par la loi du 13 août 2011, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 62. § 1er. Lorsque le juge d'instruction se rend sur les lieux, il est toujours accompagné du procureur du Roi et du greffier du tribunal.
  Lorsque le juge d'instruction organise la descente sur les lieux, dont il assure la direction, en vue de la reconstitution des faits, le suspect et son avocat, conformément au rôle qui est dévolu à ce dernier par l'article 47bis, § 6, 7), et la partie civile et son avocat ont le droit d'y assister.
  Sans préjudice des droits de la défense, l'avocat est tenu de garder secrètes les informations dont il acquiert la connaissance en assistant à la descente sur les lieux organisée en vue de la reconstitution des faits. Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
  § 2. Les dispositions de l'article 47bis s'appliquent à l'audition de confrontation.
  § 3. L'avocat du suspect peut assister à la séance d'identification des suspects. A l'issue de la séance d'identification des suspects, l'avocat peut demander que ses observations relatives au déroulement de la séance soient consignées dans le procès-verbal.".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 3. - Modification du Code judiciaire
Art.5. In artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 4 juli 2001, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende:
  "Zij organiseren de permanentiedienst bedoeld in de artikelen 2bis, § 2, en 24bis/1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis op een wijze die het mogelijk maakt op een zo snel mogelijke manier een advocaat te contacteren, gebruik makend van de moderne communicatiemiddelen, waarbij de verschillende contacten van de gebruikers worden bijgehouden. Een jaarlijkse toelage ten laste van het algemeen budget van de uitgaven van sectie 12 wordt voorzien voor de exploitatiekosten die nodig zijn voor de uitvoering van deze opdracht. De Koning bepaalt de verdere uitvoeringsmodaliteiten hiervan."
Art.5. Dans l'article 495 du Code judiciaire, remplacé par la loi du 4 juillet 2001, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3:
  "Ils organisent la permanence visée aux articles 2bis, § 2, et 24bis/1 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive selon des modalités permettant de contacter un avocat de la façon la plus rapide possible, en faisant usage des moyens de communication modernes, les différents contacts pris par les utilisateurs étant conservés. Une allocation annuelle à charge de la section 12 du budget général des dépenses est prévue pour les coûts d'exploitation nécessaires à l'exécution de cette mission. Le Roi en détermine les autres modalités d'exécution".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive
Art.6. Artikel 2bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij de wet van 13 augustus 2011, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 2bis. § 1. Deze bepaling regelt de toegang tot een advocaat binnen de termijnen bedoeld bij de artikelen 1, 1°, 2, 12, 15bis en 18, § 1.
  § 2. Eenieder die van zijn vrijheid is benomen overeenkomstig de artikelen 1 of 2 of ter uitvoering van een in artikel 3 bedoeld bevel tot medebrenging heeft vanaf dat ogenblik en vóór het eerstvolgende verhoor door de politiediensten, of bij gebrek hieraan door de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, het recht om zonder onnodig uitstel vertrouwelijk overleg te plegen met een advocaat naar keuze. Teneinde de door hem gekozen advocaat of een andere advocaat te contacteren, wordt contact opgenomen met de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", of bij gebrek hieraan door de stafhouder van de Orde of zijn gemachtigde.
  Vanaf het contact met de gekozen advocaat of de permanentiedienst, dient het vertrouwelijk overleg met de advocaat binnen twee uren plaats te vinden. Op vraag van de advocaat in akkoord met de betrokken persoon, kan het vertrouwelijk overleg telefonisch plaatsgrijpen. Het vertrouwelijk overleg kan dertig minuten duren en is in uitzonderlijke gevallen beperkt verlengbaar op beslissing van de verhoorder. Na het vertrouwelijk overleg kan het verhoor aanvangen.
  Indien het geplande vertrouwelijke overleg niet binnen twee uren kan plaatsvinden, vindt alsnog een telefonisch vertrouwelijk overleg met de permanentiedienst plaats, waarna het verhoor kan aanvangen. In geval van overmacht, mag het verhoor aanvangen nadat betrokkene nogmaals gewezen is op de rechten bedoeld in artikel 47bis, § 2, 2) en 3), van het Wetboek van strafvordering.
  § 3. Na telefonisch vertrouwelijk overleg met de gekozen advocaat of met de advocaat van de permanentie, en in akkoord met deze, kan de meerderjarige verdachte afstand doen van het recht op bijstand tijdens het verhoor dat, indien mogelijk, audio gefilmd kan worden opgenomen ter controle van het verloop van het verhoor.
  De verhoorder, de procureur des Konings of de gelaste onderzoeksrechter kunnen te allen tijde ambtshalve beslissen het verhoor audio gefilmd op te nemen.
  Al deze elementen worden nauwkeurig opgenomen in een proces-verbaal.
  De digitale opname van het verhoor wordt overgemaakt aan de procureur des Konings of in voorkomend geval aan de gelaste onderzoeksrechter, samen met het proces-verbaal van verhoor. Ze maakt deel uit van het strafdossier en er kan inzage of afschrift van bekomen worden overeenkomstig de artikelen 21bis en 61ter van het Wetboek van strafvordering. De van zijn vrijheid benomen verdachte heeft evenwel het recht om zelf of via zijn advocaat kennis te nemen van de opname van zijn verhoor op eenvoudig verzoek van hemzelf of van zijn advocaat aan de procureur des Konings of, in voorkomend geval, aan de gelaste onderzoeksrechter.
  De opname van het verhoor wordt digitaal bewaard.
  § 4. Indien de ondervraagde persoon de taal van de procedure niet verstaat of spreekt of indien hij lijdt aan gehoor- of spraakstoornissen en indien de advocaat de taal van de te horen persoon niet verstaat of spreekt, wordt een beroep gedaan op een beëdigd tolk tijdens het voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg met de advocaat. Het proces-verbaal maakt melding van de bijstand door een beëdigd tolk, alsmede van diens naam en hoedanigheid. De kosten van vertolking zijn ten laste van de Staat.
  § 5. De te horen persoon heeft recht op bijstand door zijn advocaat tijdens de verhoren die plaatsvinden binnen de bij paragraaf 1 bepaalde termijnen.
  Het verhoor wordt gedurende maximaal vijftien minuten onderbroken met het oog op bijkomend vertrouwelijk overleg, hetzij eenmalig op verzoek van de te horen persoon zelf of op verzoek van zijn advocaat, hetzij bij het aan het licht komen van nieuwe strafbare feiten die niet in verband staan met de feiten die hem overeenkomstig artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering ter kennis werden gebracht.
  § 6. Enkel de meerderjarige te horen persoon kan vrijwillig en weloverwogen afstand doen van de in de paragrafen 2 en 5 vermelde rechten. Hij kan voor het nemen van deze beslissing om een vertrouwelijk telefonisch contact verzoeken met een advocaat van de permanentiedienst. Hij moet de afstand schriftelijk doen, in een door hem gedateerd en ondertekend document, waarin hem de nodige informatie wordt verstrekt over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op bijstand van een advocaat. Betrokkene wordt in kennis gesteld dat hij zijn afstand kan herroepen.
  § 7. Onverminderd bepalingen in bijzondere wetten, heeft eenieder die van zijn vrijheid is benomen overeenkomstig de artikelen 1, 2 of 3, het recht, indien de verdachte hierom verzoekt, dat een door hem aangeduide derde over zijn aanhouding wordt ingelicht door de ondervrager of een door hem aangewezen persoon, via het meest geschikte communicatiemiddel.
  De procureur des Konings of de met het dossier belaste onderzoeksrechter, naargelang van de stand van de procedure, kan bij een met redenen omklede beslissing deze inlichting uitstellen voor de duur die noodzakelijk is om de belangen van het onderzoek te beschermen, ingeval een van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigen:
  a) een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;
  b) een dringende noodzaak om een situatie te voorkomen waarin substantiële schade aan de strafprocedure kan worden toegebracht.
  § 8. Eenieder die van zijn vrijheid is benomen overeenkomstig de artikelen 1, 2 of 3, heeft recht op medische bijstand. De kosten van de medische bijstand verleend tijdens de termijnen bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3, vallen onder de gerechtskosten.
  Onverminderd het in het eerste lid bepaalde recht, heeft deze persoon subsidiair het recht een onderzoek door een arts naar keuze te vragen. De kosten voor dit onderzoek vallen te zijnen laste.
  § 9. In het licht van de bijzondere omstandigheden van de zaak kan de procureur des Konings of de gelaste onderzoeksrechter, naargelang van de stand van de procedure, uitzonderlijk, bij een met redenen omklede beslissing, afwijken van de in de paragrafen 2 en 5 bepaalde rechten, ingeval een of meer van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigen:
  a) indien er sprake is van een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen. De verhoren afgenomen zonder inachtneming van de in de paragrafen 2 en 5 bepaalde rechten worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om de informatie te verkrijgen die essentieel is om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;
  b) indien onmiddellijk optreden noodzakelijk is om te voorkomen dat de strafprocedure substantiële schade wordt toegebracht. De verhoren afgenomen zonder inachtneming van de in de paragrafen 2 en 5 bepaalde rechten worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om informatie te verkrijgen die essentieel is om te voorkomen dat de strafprocedure substantiële schade wordt toegebracht.
  § 10. Onverminderd artikel 184ter van het Wetboek van strafvordering, kan de procureur des Konings of de gelaste onderzoeksrechter, naargelang van de stand van de procedure, uitzonderlijk, bij een met redenen omklede beslissing tijdelijk afwijken van het zonder onnodig uitstel voorzien van de in paragrafen 2 en 5 bepaalde rechten, indien de geografische afstand waarop de verdachte zich bevindt het onmogelijk maakt om het recht op toegang tot een advocaat binnen die termijn te kunnen waarborgen en de uitoefening van deze rechten niet kan worden gerealiseerd via telefoon of videoconferentie. Deze bepaling is niet van toepassing op de verdachte die zich bevindt binnen de grenzen van de Staat zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.".
Art.6. L'article 2bis de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, inséré par la loi du 13 août 2011, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 2bis. § 1er. La présente disposition règle l'accès à un avocat dans les délais visés aux articles 1er, 1°, 2, 12, 15bis et 18, § 1er.
  § 2. Quiconque est privé de sa liberté conformément aux articles 1er ou 2, ou en exécution d'un mandat d'amener visé à l'article 3, a le droit, dès ce moment et préalablement au premier interrogatoire suivant par les services de police ou, à défaut, par le procureur du Roi ou le juge d'instruction, de se concerter confidentiellement avec un avocat de son choix sans retard indu. Afin de contacter l'avocat de son choix ou un autre avocat, contact est pris avec la permanence organisée par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, et l'"Orde van Vlaamse balies" ou, à défaut, par le bâtonnier de l'Ordre ou son délégué.
  Dès l'instant où contact est pris avec l'avocat choisi ou la permanence, la concertation confidentielle avec l'avocat doit avoir lieu dans les deux heures. La concertation confidentielle peut avoir lieu par téléphone à la demande de l'avocat en accord avec la personne concernée. La concertation confidentielle peut durer trente minutes et peut, dans des cas exceptionnels, être prolongée dans une mesure limitée, sur décision de la personne qui procède à l'audition. Après la concertation confidentielle, l'audition peut commencer.
  Si la concertation confidentielle prévue ne peut pas avoir lieu dans les deux heures, une concertation confidentielle par téléphone a néanmoins encore lieu avec la permanence, après quoi l'audition peut débuter. En cas de force majeure, l'audition peut débuter après que les droits visés à l'article 47bis, § 2, 2) et 3), du Code d'instruction criminelle ont une nouvelle fois été rappelés à la personne concernée.
  § 3. Après s'être concerté confidentiellement par téléphone avec l'avocat qu'il a choisi ou avec l'avocat de la permanence, et en accord avec lui, le suspect majeur peut renoncer au droit d'être assisté pendant l'audition qui peut, si possible, faire l'objet d'un enregistrement audio filmée afin de contrôler le déroulement de l'audition.
  La personne qui procède à l'audition, le procureur du Roi ou le juge d'instruction en charge peut à tout moment décider d'office que l'audition doit faire l'objet d'un enregistrement audio filmé.
  Tous ces éléments sont consignés avec précision dans un procès-verbal.
  L'enregistrement digital de l'audition est communiqué au procureur du Roi ou, le cas échéant au juge d'instruction en charge, avec le procès-verbal de l'audition. Il fait partie du dossier pénal et la consultation ou l'obtention des copies se fait conformément aux articles 21bis et 61ter du Code d'instruction criminelle. Le suspect qui est privé de sa liberté a cependant le droit de prendre connaissance, en personne ou par son avocat, de l'enregistrement de son audition sur simple demande de lui-même ou de son avocat au procureur du Roi ou, le cas échéant, au juge d'instruction en charge.
  L'enregistrement de l'audition est conservé sur support numérique.
  § 4. Si la personne interrogée ne comprend pas ou ne parle pas la langue de la procédure, ou si elle souffre de troubles de l'audition ou de la parole et si l'avocat ne comprend pas ou ne parle pas la langue de la personne à entendre, il est fait appel à un interprète assermenté durant la concertation confidentielle préalable avec l'avocat. Le procès-verbal mentionne l'assistance d'un interprète assermenté ainsi que son nom et sa qualité. Les frais de l'interprétation sont à charge de l'Etat.
  § 5. La personne à entendre a le droit d'être assistée de son avocat lors des auditions qui ont lieu dans les délais visés au paragraphe 1er.
  L'audition est interrompue pendant quinze minutes au maximum en vue d'une concertation confidentielle supplémentaire, soit une seule fois à la demande de la personne à entendre elle-même ou à la demande de son avocat, soit en cas de révélation de nouvelles infractions qui ne sont pas en relation avec les faits qui ont été portés à sa connaissance conformément à l'article 47bis, § 2, du Code d'instruction criminelle.
  § 6. Seule la personne majeure à entendre peut renoncer volontairement et de manière réfléchie aux droits visés aux paragraphes 2 et 5. Avant de prendre cette décision, elle peut demander à s'entretenir confidentiellement par téléphone avec un avocat de la permanence. Elle doit procéder à la renonciation par écrit, dans un document daté et signé par elle, dans lequel les informations nécessaires lui sont fournies sur les conséquences éventuelles d'une renonciation au droit à l'assistance d'un avocat. La personne concernée est informée qu'elle peut révoquer sa renonciation.
  § 7. Sans préjudice des dispositions des lois particulières, quiconque est privé de sa liberté conformément aux articles 1er, 2 ou 3, a droit, si le suspect en fait la demande, à ce qu'un tiers qu'il désigne soit informé de son arrestation, par la personne qui interroge ou une personne désignée par elle, par le moyen de communication le plus approprié.
  Le procureur du Roi ou le juge d'instruction en charge du dossier, en fonction de l'état de la procédure, peut, par décision motivée, différer cette communication pour la durée nécessaire à la protection des intérêts de l'enquête, au cas où l'un des motifs impérieux suivants le justifie:
  a) une nécessité urgente de prévenir une atteinte grave à la vie, à la liberté ou à l'intégrité physique d'une personne;
  b) une nécessité urgente de prévenir une situation dans laquelle la procédure pénale peut être sérieusement compromise.
  § 8. Quiconque est privé de sa liberté conformément aux articles 1er, 2 ou 3 a droit à une assistance médicale. Le coût de l'assistance médicale fournie dans les délais visés aux articles 1er, 2 et 3 s'inscrit dans les frais de justice.
  Sans préjudice du droit prévu à l'alinéa 1er, cette personne a subsidiairement le droit de demander à être examinée par un médecin de son choix. Le coût de cet examen est à sa charge.
  § 9. A la lumière des circonstances particulières de l'espèce, le procureur du Roi ou le juge d'instruction en charge, en fonction de l'état de la procédure, peut exceptionnellement, par une décision motivée, déroger à l'application des droits prévus aux paragraphes 2 et 5, au cas où l'un ou plusieurs des motifs impérieux suivants le justifient:
  a) lorsqu'il existe une nécessité urgente de prévenir une atteinte grave à la vie, à la liberté ou à l'intégrité physique d'une personne. Les interrogatoires effectués sans que les droits prévus aux paragraphes 2 et 5 soient observés, sont menés à la seule fin d'obtenir des informations essentielles pour prévenir des atteintes graves à la vie, à la liberté ou à l'intégrité physique d'une personne et dans la mesure nécessaire à cet effet;
  b) lorsqu'il est impératif que les autorités qui procèdent à l'enquête agissent immédiatement pour éviter de compromettre sérieusement une procédure pénale. Les interrogatoires effectués sans que les droits prévus aux paragraphes 2 et 5 soient observés, sont menés à la seule fin d'obtenir des informations essentielles pour éviter de compromettre sérieusement une procédure pénale et dans la mesure nécessaire à cet effet.
  § 10. Sans préjudice de l'article 184ter du Code d'instruction criminelle, le procureur du Roi ou le juge d'instruction en charge, en fonction de l'état de la procédure, peut exceptionnellement, par une décision motivée, déroger temporairement à l'application des droits prévus aux paragraphes 2 et 5 sans retard indu, lorsqu'il est impossible, en raison de l'éloignement géographique du suspect, d'assurer le droit d'accès à un avocat dans ce délai et que ces droits ne peuvent être exercés par téléphone ou par vidéoconférence. Cette disposition ne s'applique pas au suspect se trouvant à l'intérieur des frontières de l'Etat telles que visées à l'article 7 de la Constitution.".
Art.7. In artikel 16 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als volgt:
  "De advocaat mag opmerkingen formuleren overeenkomstig artikel 47bis, § 6, 7), van het Wetboek van strafvordering.";
  2° in paragraaf 2, vijfde lid, wordt de zin "Bij ontstentenis van de naleving van deze voorwaarden, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld." opgeheven;
  3° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
  " § 4. Indien de verdachte nog geen advocaat heeft, herinnert de onderzoeksrechter hem eraan dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen en neemt hij contact op met de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", of bij gebrek hieraan door de stafhouder van de Orde of zijn gemachtigde. Van die formaliteiten wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van verhoor.";
  4° in paragraaf 5, tweede lid, wordt de zin "Bij ontstentenis van deze mededelingen, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld." opgeheven;
  5° in paragraaf 6, eerste lid, wordt de zin "Bij ontstentenis van de handtekening van de rechter, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld." opgeheven;
  6° een paragraaf 6bis wordt ingevoegd, luidende:
  " § 6bis. De verdachte die de taal van de procedure niet verstaat, heeft het recht om een vertaling van de relevante passages van het bevel te vragen in een taal die hij verstaat, zodanig dat hij geïnformeerd is over de hem ten laste gelegde feiten en hij zich effectief kan verdedigen, tenzij een mondelinge vertaling aan de verdachte werd verstrekt. Het verzoek dient ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te worden neergelegd, op straffe van verval, binnen drie dagen na het verlenen van het bevel tot aanhouding. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn.
  Indien een mondelinge vertaling aan de verdachte werd verstrekt, wordt daarvan melding gemaakt in het bevel tot aanhouding.
  De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.".
Art.7. A l'article 16 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 3 août 2016, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au paragraphe 2, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
  "L'avocat peut formuler des observations conformément à l'article 47bis, § 6, 7), du Code d'instruction criminelle.";
  2° au paragraphe 2, alinéa 5, la phrase "A défaut de respect de ces conditions, l'inculpé est mis en liberté." est abrogée;
  3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit:
  " § 4. Si l'inculpé n'a pas encore d'avocat, le juge d'instruction lui rappelle qu'il a le droit de choisir un avocat et il prend contact avec la permanence organisée par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, et l'"Orde van Vlaamse balies" ou, à défaut, par le bâtonnier de l'Ordre ou son délégué. Il est fait mention de ces formalités dans le procès-verbal d'audition.";
  4° au paragraphe 5, alinéa 2, la phrase "A défaut de ces informations, l'inculpé est mis en liberté." est abrogée;
  5° au paragraphe 6, alinéa 1er, la phrase "A défaut de la signature du juge, l'inculpé est mis en liberté." est abrogée;
  6° il est inséré un paragraphe 6bis, rédigé comme suit:
  " § 6bis. L'inculpé qui ne comprend pas la langue de la procédure a le droit de demander une traduction des passages pertinents du mandat dans une langue qu'il comprend pour lui permettre d'avoir connaissance des faits qui lui sont reprochés et de se défendre de manière effective, sauf si une traduction orale a été fournie à l'inculpé. La demande doit être déposée au greffe du tribunal de première instance, à peine de déchéance, dans les trois jours de la délivrance du mandat d'arrêt. La traduction est fournie dans un délai raisonnable.
  Si une traduction orale a été fournie à l'inculpé, mention en est faite dans le mandat d'arrêt.
  Les frais de traduction sont à charge de l'Etat.".
(NOTA : bij arrest nr.86/2018 van 05-07-2018 (B.St. 01-08-2018, p. 60497), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 7, 4° en 5° vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 86/2018 du 05-07-2018 (M.B. 01-08-2018, p. 60497), la Cour constitutionnelle a annulé le 4° et 5° du présent article)
Art.8. In titel I van dezelfde wet wordt een hoofdstuk IV/1 ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk IV/1. - Bijstand van de advocaat bij de verhoren tijdens de periode van de handhaving van de voorlopige hechtenis".
Art.8. Dans le titre Ier de la même loi, il est inséré un chapitre IV/1, intitulé comme suit:
  "Chapitre IV/1. - De l'assistance de l'avocat lors des auditions pendant la période du maintien en détention préventive".
Art.9. In hoofdstuk IV/1, ingevoegd bij artikel 8, wordt een artikel 24bis/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 24bis/1. De verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft vanaf de betekening van het bevel tot aanhouding recht op vertrouwelijk overleg met zijn advocaat overeenkomstig artikel 20, § 1, recht op bijstand van een advocaat tijdens de verhoren die worden afgenomen en recht op de onderbreking van het verhoor overeenkomstig artikel 2bis, § 5, tweede lid. In het licht van bijzondere omstandigheden van de zaak kan de gelaste onderzoeksrechter beslissen te handelen overeenkomstig artikel 2bis, §§ 9 en 10.
  Indien het verhoor op schriftelijke uitnodiging geschiedt met vermelding van een beknopte omschrijving van de feiten, van het recht op vertrouwelijk overleg met zijn advocaat, het recht op bijstand van zijn advocaat tijdens het verhoor, het recht om het verhoor eenmalig te onderbreken overeenkomstig artikel 2bis, § 5, tweede lid, en de rechten bepaald in artikel 47bis, § 2, 2) en 3), van het Wetboek van strafvordering, wordt betrokkene geacht zijn advocaat te hebben geraadpleegd.
  Enkel de meerderjarige kan vrijwillig en weloverwogen afstand doen van het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor in een door hem gedateerd en ondertekend document, waarin hem de nodige informatie wordt verstrekt over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op bijstand van een advocaat. Betrokkene wordt in kennis gesteld dat hij zijn afstand kan herroepen.
  De verhoorder neemt contact op met de permanentie bepaald in artikel 2bis, § 2, teneinde de gekozen advocaat of zijn plaatsvervanger op te roepen voor het verhoor met vermelding van plaats, dag en uur. De advocaat die een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt bijstaat of die een andere advocaat opvolgt, meldt zijn tussenkomst onverwijld aan de in artikel 2bis, § 2, bedoelde permanentie.
  Indien het verhoor niet op schriftelijke uitnodiging geschiedt of indien er tussen de uitnodiging en het verhoor geen vrije dag wordt gelaten, zijn de bepalingen van artikel 2bis, §§ 2 en 3, van toepassing."
Art.9. Dans le chapitre IV/1, inséré par l'article 8, il est inséré un article 24bis/1, rédigé comme suit:
  "Art. 24bis/1. A compter de la signification du mandat d'arrêt, le suspect qui se trouve en détention préventive a le droit de se concerter confidentiellement avec son avocat conformément à l'article 20, § 1er, de se faire assister par un avocat pendant les auditions qui sont effectuées et d'interrompre l'audition conformément à l'article 2bis, § 5, alinéa 2. A la lumière des circonstances particulières de l'espèce, le juge d'instruction en charge peut décider d'agir conformément l'article 2bis, §§ 9 et 10.
  Si l'audition a lieu sur convocation écrite avec communication succincte des faits, du droit de se concerter confidentiellement avec son avocat, du droit de se faire assister par son avocat pendant l'audition, du droit d'interrompre une seule fois l'audition conformément à l'article 2bis, § 5, alinéa 2, et des droits prévus à l'article 47bis, § 2, 2) et 3), du Code d'instruction criminelle, la personne concernée est présumée avoir consulté son avocat.
  Seule la personne majeure peut volontairement et de manière réfléchie renoncer au droit de se faire assister par un avocat pendant l'audition dans un document daté et signé par elle, dans lequel les informations nécessaires lui sont fournies sur les conséquences éventuelles d'une renonciation au droit à l'assistance d'un avocat. La personne concernée est informée du fait qu'elle peut révoquer sa renonciation.
  La personne qui procède à l'audition prend contact avec la permanence prévue à l'article 2bis, § 2, afin de convoquer à l'audition l'avocat choisi ou l'avocat qui le remplace, en mentionnant les lieu, jour et heure. L'avocat qui assiste un suspect qui se trouve en détention préventive ou qui succède à un autre avocat informe immédiatement la permanence visée à l'article 2bis, § 2, de son intervention.
  Les dispositions de l'article 2bis, §§ 2 et 3, sont d'application si l'audition n'a pas lieu sur convocation écrite ou si la convocation et l'audition ne sont pas espacées d'un jour libre."
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 19 décembre 2003 relative au mandat d'arrêt européen
Art.10. In artikel 10/1 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de eerste zin van de bepaling onder 2° wordt aangevuld met de woorden "evenals van zijn recht om een derde van zijn vrijheidsbeneming op de hoogte te laten brengen";
  b) de derde zin van de bepaling onder 2° wordt aangevuld met de woorden "en betreffende het recht om een derde van zijn vrijheidsbeneming op de hoogte te laten brengen";
  c) een bepaling onder 2° /1 wordt ingevoegd, luidende:
  "2° /1 van zijn recht om een advocaat in de uitvaardigende staat aan te wijzen. De advocaat in de uitvaardigende staat verleent bijstand aan de advocaat in België, door hem informatie en advies te verstrekken teneinde de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft zijn rechten uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ daadwerkelijk te doen uitoefenen;".
Art.10. Dans l'article 10/1 de la loi du 19 décembre 2003 relative au le mandat d'arrêt européen, inséré par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées:
  a) la première phrase du 2° est complétée par les mots "ainsi que de son droit à ce qu'un tiers soit informé de sa privation de liberté";
  b) la troisième phrase du 2° est complétée par les mots "et en ce qui concerne le droit à ce qu'un tiers soit informé de sa privation de liberté";
  c) il est inséré un 2° /1, rédigé comme suit:
  "2° /1 de son droit à désigner un avocat dans l'Etat d'émission. L'avocat dans l'Etat d'émission assiste l'avocat en Belgique en lui fournissant des informations et des avis, afin que la personne qui fait l'objet du mandat d'arrêt européen exerce effectivement ses droits qui découlent de la décision-cadre 2002/584/JAI;".
Art.11. In hoofdstuk III, afdeling 2, onderafdeling 1, van dezelfde wet wordt een artikel 10/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 10/3. § 1. Ingeval de betrokken persoon zijn recht wenst uit te oefenen om een advocaat in de uitvaardigende staat aan te wijzen en hij nog geen advocaat in deze lidstaat heeft, brengt het openbaar ministerie de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld op de hoogte.
  § 2. Het recht van de betrokken persoon om in de uitvaardigende staat een advocaat aan te wijzen laat de in deze wet bepaalde termijnen onverlet.".
Art.11. Dans le chapitre III, section 2, sous-section 1re, de la même loi, il est inséré un article 10/3, rédigé comme suit:
  "Art. 10/3. § 1er. Lorsque la personne concernée souhaite exercer son droit de désigner un avocat dans l'Etat d'émission et qu'elle n'a pas encore d'avocat dans cet Etat membre, le ministère public en informe immédiatement l'autorité d'émission.
  § 2. Le droit de la personne concernée de désigner un avocat dans l'Etat d'émission ne porte pas atteinte aux délais fixés dans la présente loi.".
Art.12. In dezelfde wet wordt een artikel 34/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 34/1. Ingeval de betrokken persoon zijn recht inroept om in België een advocaat aan te wijzen en hij nog geen advocaat heeft, neemt het openbaar ministerie contact op met de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone". Het openbaar ministerie maakt de beschikbare informatie zonder onnodig uitstel over aan de uitvoerende autoriteit.".
Art.12. Dans la même loi, il est inséré un article 34/1, rédigé comme suit:
  "Art. 34/1. Lorsque la personne concernée invoque son droit de désigner un avocat en Belgique et qu'elle n'a pas encore d'avocat, le ministère public prend contact avec la permanence organisée par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'"Orde van Vlaamse balies". Le ministère public transmet sans retard indu les informations disponibles à l'autorité d'exécution.".
HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 6. - Entrée en vigueur
Art. 13. Deze wet treedt in werking op 27 november 2016.
Art. 13. La présente loi entre en vigueur le 27 novembre 2016.