Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 NOVEMBER 2017. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 38 van de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat tot vaststelling van de regels en het bedrag van de administratieve geldboete en de beweegredenen van de vertraging bij de overzending van de rekeningen aan de minister van Financiën, door de openbare instellingen opgericht door de Staat of die eronder ressorteren
Titre
23 NOVEMBRE 2017. - Arrêté royal pris en exécution de l'article 38 de la loi du 25 décembre 2016 modifiant la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, déterminant les modalités et le montant de l'amende administrative et les causes de justification du retard dans la transmission des comptes au ministre des Finances, par les organismes publics créés par l'Etat ou qui en dépendent
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (6)
Texte (6)
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de openbare instellingen bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat.
Article 1er. Le présent arrêté s'applique aux organismes publics visés à l'article 38, alinéa 1er, de la loi du 25 décembre 2016 modifiant la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral.
Art. 2. Onverminderd het tweede lid, bedraagt het bedrag van de geldboete opgelegd aan de instellingen bedoeld in artikel 1, in geval van vertraging bij de overlegging van hun rekeningen aan de minister van Financiën via hun toezichthoudend minister, 0,1 procent van de som van de beschikbare gelden op zicht en de andere beschikbare gelden bedoeld in artikel 115, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen en van de beschikbare gelden die het voorwerp uitmaken van andere modaliteiten bepaald door de minister van Financiën met toepassing van artikel 117 van voornoemde wet van 21 december 2013, vermenigvuldigd met het aantal dagen vertraging vanaf de dag die volgt op de laatste dag waarop de rekeningen van het betreffende boekjaar hadden overgelegd moeten worden door de minister van Financiën aan het Rekenhof tot en met de dag waarop de minister van Financiën ze ontvangt via brief of e-mail.
Het bedrag van de geldboete bepaald op grond van het eerste lid, mag niet minder dan 2.500 euro noch meer dan 50.000 euro bedragen.
Het bedrag van de geldboete bepaald op grond van het eerste lid, mag niet minder dan 2.500 euro noch meer dan 50.000 euro bedragen.
Art. 2. Sous réserve de l'alinéa 2, le montant de l'amende infligée aux organismes visés à l'article 1er, en cas de retard dans la transmission de leurs comptes au ministre des Finances par l'intermédiaire de leur ministre de tutelle, s'élève à 0,1 pour cent de la somme des disponibilités à vue et des autres disponibilités visées à l'article 115, alinéa 1er, 1° et 2°, de la loi du 21 décembre 2013 portant des dispositions fiscales et financières diverses, et des disponibilités faisant l'objet d'autres modalités déterminées par le ministre des Finances en application de l'article 117 de la loi précitée du 21 décembre 2013, multiplié par le nombre de jours de retard commençant le lendemain du dernier jour auquel les comptes de l'exercice comptable concerné auraient dû être communiqués par le ministre des Finances à la Cour des comptes jusqu'au jour inclus où le ministre des Finances les reçoit par courrier postal ou par courrier électronique.
Le montant de l'amende, déterminé en application de l'alinéa 1er, ne peut être inférieur à 2.500 euros ni supérieur à 50.000 euros.
Le montant de l'amende, déterminé en application de l'alinéa 1er, ne peut être inférieur à 2.500 euros ni supérieur à 50.000 euros.
Art. 3. De minister van Financiën legt de geldboete op aan instellingen in geval van vertraging bij de overzending van de rekeningen op voorstel van de Algemene administratie van de Thesaurie die deze voorafgaandelijk oproept om de beweegredenen bedoeld in artikel 4, te horen of te ontvangen.
Art. 3. Le ministre des Finances inflige l'amende aux organismes en cas de retard dans la transmission des comptes sur proposition de l'Administration générale de la Trésorerie qui les convoque au préalable pour entendre ou recevoir les causes de justification visées à l'article 4.
Art. 4. De beweegredenen van de vertraging niet toe te schrijven aan de instellingen, die mogelijk maken om de geldboete niet toe te passen, zijn:
1° de onverwachte en met meer dan twee maanden verlengde afwezigheid volgende de maand waarin de afwezigheid is begonnen van de rekenplichtige en de waarnemend rekenplichtige, van een commissaris-revisor of een bestuurder of een lid van het beheerscomité wegens omstandigheden die niet toe te schrijven zijn aan de instelling, die de goedkeuring van de rekeningen verhindert;
2° de overmacht, zoals met name een onvoorziene staking van het personeel van de instelling belast met het opmaken en overleggen van de rekeningen, een verstoring van de postbezorging wegens staking of natuurramp, een computerpanne of onderbreking in de communicatienetwerken;
3° de interne structuur van de instelling die beschikt over posten of vertegenwoordigings-kantoren buiten het Belgisch grondgebied voor zover de vertraging niet langer is dan zes maanden;
4° de vertraging bij de overzending van de rekeningen die te wijten is aan de toezichthoudende minister.
1° de onverwachte en met meer dan twee maanden verlengde afwezigheid volgende de maand waarin de afwezigheid is begonnen van de rekenplichtige en de waarnemend rekenplichtige, van een commissaris-revisor of een bestuurder of een lid van het beheerscomité wegens omstandigheden die niet toe te schrijven zijn aan de instelling, die de goedkeuring van de rekeningen verhindert;
2° de overmacht, zoals met name een onvoorziene staking van het personeel van de instelling belast met het opmaken en overleggen van de rekeningen, een verstoring van de postbezorging wegens staking of natuurramp, een computerpanne of onderbreking in de communicatienetwerken;
3° de interne structuur van de instelling die beschikt over posten of vertegenwoordigings-kantoren buiten het Belgisch grondgebied voor zover de vertraging niet langer is dan zes maanden;
4° de vertraging bij de overzending van de rekeningen die te wijten is aan de toezichthoudende minister.
Art. 4. Les causes de justification du retard non imputables aux organismes permettant de ne pas appliquer l'amende sont :
1° l'absence inopinée et prolongée de plus de deux mois suivant le mois pendant lequel l'absence a débuté du comptable et comptable suppléant, d'un commissaire réviseur ou d'un administrateur ou membre du comité de gestion en raison de circonstances non imputables à l'organisme, empêchant l'approbation des comptes;
2° la force majeure comme notamment une grève imprévue du personnel de l'organisme en charge d'établir et de communiquer les comptes, une interruption dans la communication du courrier pour fait de grève ou de catastrophe naturelle, une panne informatique ou des réseaux de communication;
3° la structure interne de l'organisme qui dispose de postes ou de bureaux de représentation en dehors du territoire belge pour autant que le retard ne dépasse pas six mois;
4° le retard dans la transmission des comptes imputable au ministre de tutelle.
1° l'absence inopinée et prolongée de plus de deux mois suivant le mois pendant lequel l'absence a débuté du comptable et comptable suppléant, d'un commissaire réviseur ou d'un administrateur ou membre du comité de gestion en raison de circonstances non imputables à l'organisme, empêchant l'approbation des comptes;
2° la force majeure comme notamment une grève imprévue du personnel de l'organisme en charge d'établir et de communiquer les comptes, une interruption dans la communication du courrier pour fait de grève ou de catastrophe naturelle, une panne informatique ou des réseaux de communication;
3° la structure interne de l'organisme qui dispose de postes ou de bureaux de représentation en dehors du territoire belge pour autant que le retard ne dépasse pas six mois;
4° le retard dans la transmission des comptes imputable au ministre de tutelle.
Art. 5. Dit besluit treedt buiten werking op 31 december 2018 voor de vertragingen bij de doorzending van de rekeningen van het boekhoudjaar 2017 door de diensten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2° tot 4°, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, en op 31 december 2019 voor de vertragingen bij de doorzending van de rekeningen van het boekhoudjaar 2018 door de in artikel 2, eerste lid, 3°, b), tweede lid, bedoelde gelijkstelde diensten, van de voornoemde wet van 22 mei 2003.
Evenzo het eerste lid, blijft dit besluit van toepassing op de procedures van vertraging die door de minister van Financiën zijn gestart voor 31 december 2018 en nog niet gestraft met een administratieve geldboete voor de diensten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2° tot 4°, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, en op de procedures van vertraging die door de minister van Financiën zijn gestart voor 31 december 2019 en nog niet gestraft met een administratieve geldboete voor de gelijkstelde diensten door de in artikel 2, eerste lid, 3°, b), tweede lid, van de voornoemde wet van 22 mei 2003.
Een procedure van vertraging wordt gestart wanneer de minister van Financiën de in het tweede lid bedoelde dienst heeft aangemaand om zijn rekeningen in de gestelde termijn over te leggen en de minister van Financiën of de Algemene administratie van de Thesaurie ze binnen deze termijn niet heeft ontvangen.
Evenzo het eerste lid, blijft dit besluit van toepassing op de procedures van vertraging die door de minister van Financiën zijn gestart voor 31 december 2018 en nog niet gestraft met een administratieve geldboete voor de diensten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2° tot 4°, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, en op de procedures van vertraging die door de minister van Financiën zijn gestart voor 31 december 2019 en nog niet gestraft met een administratieve geldboete voor de gelijkstelde diensten door de in artikel 2, eerste lid, 3°, b), tweede lid, van de voornoemde wet van 22 mei 2003.
Een procedure van vertraging wordt gestart wanneer de minister van Financiën de in het tweede lid bedoelde dienst heeft aangemaand om zijn rekeningen in de gestelde termijn over te leggen en de minister van Financiën of de Algemene administratie van de Thesaurie ze binnen deze termijn niet heeft ontvangen.
Art. 5. Le présent arrêté cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2018 pour les retards dans la transmission des comptes de l'exercice comptable 2017 par les services visés à l'article 2, alinéa 1er, 2° à 4°, de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, et le 31 décembre 2019 pour les retards dans la transmission des comptes de l'exercice comptable 2018 par les services assimilés visés à l'article 2, alinéa 1er, 3°, b), alinéa 2, de la loi du 22 mai 2003 précitée.
Malgré l'alinéa 1er, le présent arrêté reste d'application aux procédures de retard entamées par le ministre des Finances avant le 31 décembre 2018 et non encore sanctionnées par une amende pour les services visés à l'article 2, alinéa 1er, 2° à 4°, de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral et aux procédures de retard entamées par le ministre des Finances avant le 31 décembre 2019 et non encore sanctionnées par une amende pour les services assimilés visés à l'article 2, alinéa 1er, 3°, b), alinéa 2, de la loi du 22 mai 2003 précitée.
Une procédure de retard est entamée lorsque le ministre des Finances a mis en demeure le service visé à l'alinéa 2, de communiquer ses comptes dans un délai imparti et que le ministre des Finances ou l'Administration générale de la Trésorerie ne les a pas reçus dans ce délai.
Malgré l'alinéa 1er, le présent arrêté reste d'application aux procédures de retard entamées par le ministre des Finances avant le 31 décembre 2018 et non encore sanctionnées par une amende pour les services visés à l'article 2, alinéa 1er, 2° à 4°, de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral et aux procédures de retard entamées par le ministre des Finances avant le 31 décembre 2019 et non encore sanctionnées par une amende pour les services assimilés visés à l'article 2, alinéa 1er, 3°, b), alinéa 2, de la loi du 22 mai 2003 précitée.
Une procédure de retard est entamée lorsque le ministre des Finances a mis en demeure le service visé à l'alinéa 2, de communiquer ses comptes dans un délai imparti et que le ministre des Finances ou l'Administration générale de la Trésorerie ne les a pas reçus dans ce délai.
Art. 6. De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 6. Le ministre qui a les Finances dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.