Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 APRIL 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering tot aanpassing van een aantal verlofstelsels in het onderwijs en in de hogescholen
Titre
21 AVRIL 2017. - Arrêté du Gouvernement flamand adaptant certains régimes de congé dans l'enseignement et dans les instituts supérieurs
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het besluit van ...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van ...
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Verlof voor verminderde prestaties
Afdeling 3. - Afwezigheid voor verminderde pres...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen aan het besluit van ...
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrêté du Go...
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Congé pour prestations réduites
Section 3. - Absence pour prestations réduites
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Tekst (32)
Texte (32)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés et aux absences pour prestations réduites
Artikel 1. In artikel 5, § 1, 2° van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt na het woord "vijfde" de zinsnede "en bevat eveneens de periodes waarin een afwijking wordt toegestaan op het volume op basis van artikel 3, tweede lid" toegevoegd.
Article 1er. A l'article 5, § 1er, 2° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés et aux absences pour prestations réduites, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016, est ajouté après le mot " cinquième " le membre de phrase " et comprend également les périodes dans lesquelles une dérogation est accordée au volume sur la base de l'article 3, alinéa 2 ".
Art. 2. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016 betreffende het zorgkrediet voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt een artikel 6/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het verlof voor verminderde prestaties, dat het personeelslid genoten heeft tijdens het schooljaar of dienstjaar, heeft tot gevolg dat het salaris tijdens het jaarlijks vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op :
1° de personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel;
2° de personeelsleden van de categorie van het administratief personeel van de medisch-pedagogische instituten van het Gemeenschapsonderwijs, van de semi-internaten of van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
3° de personeelsleden aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of van inspecteur-generaal;
4° de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
5° de personeelsleden van :
a) de internaten met permanente openstelling;
b) het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling."
"Het verlof voor verminderde prestaties, dat het personeelslid genoten heeft tijdens het schooljaar of dienstjaar, heeft tot gevolg dat het salaris tijdens het jaarlijks vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op :
1° de personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel;
2° de personeelsleden van de categorie van het administratief personeel van de medisch-pedagogische instituten van het Gemeenschapsonderwijs, van de semi-internaten of van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
3° de personeelsleden aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of van inspecteur-generaal;
4° de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
5° de personeelsleden van :
a) de internaten met permanente openstelling;
b) het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling."
Art. 2. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016 relatif au crédit-soins pour les membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, il est inséré un article 6/1, rédigé comme suit :
" Lorsque le membre du personnel bénéficie d'un congé pour prestations réduites pendant l'année scolaire ou l'année de service, son traitement pendant le congé annuel de vacances est réduit proportionnellement.
L'alinéa 1er n'est pas applicable :
1° aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service ;
2° aux membres du personnel de la catégorie du personnel administratif des instituts médico-pédagogiques de l'Enseignement communautaire, des semi-internats ou des homes pour enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe ;
3° aux membres du personnel désignés à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général ;
4° aux membres du personnel des Centres d'Education de Base ;
5° aux membres du personnel :
a) des internats ouverts en permanence ;
b) du foyer d'accueil de l'Enseignement communautaire assurant l'accueil résidentiel de jeunes dans le cadre du régime d'aide et d'assistance. "
" Lorsque le membre du personnel bénéficie d'un congé pour prestations réduites pendant l'année scolaire ou l'année de service, son traitement pendant le congé annuel de vacances est réduit proportionnellement.
L'alinéa 1er n'est pas applicable :
1° aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service ;
2° aux membres du personnel de la catégorie du personnel administratif des instituts médico-pédagogiques de l'Enseignement communautaire, des semi-internats ou des homes pour enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe ;
3° aux membres du personnel désignés à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général ;
4° aux membres du personnel des Centres d'Education de Base ;
5° aux membres du personnel :
a) des internats ouverts en permanence ;
b) du foyer d'accueil de l'Enseignement communautaire assurant l'accueil résidentiel de jeunes dans le cadre du régime d'aide et d'assistance. "
Art. 3. Aan artikel 9 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016 betreffende het zorgkrediet voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Bij de berekening van de totale duur wordt ook rekening gehouden met de duur van de verloven voor verminderde prestaties die opgenomen zijn op basis van hoofdstuk IV van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven en terbeschikkingstellingen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool.".
"Bij de berekening van de totale duur wordt ook rekening gehouden met de duur van de verloven voor verminderde prestaties die opgenomen zijn op basis van hoofdstuk IV van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven en terbeschikkingstellingen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool.".
Art. 3. Dans l'article 9 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016 relatif au crédit-soins pour les membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, il est inséré la phrase suivante :
" Lors du calcul de la durée totale, il est tenu compte de la durée des congés pour prestations réduites qui sont pris sur la base du chapitre IV de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés et certaines mises en disponibilité pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool ". ".
" Lors du calcul de la durée totale, il est tenu compte de la durée des congés pour prestations réduites qui sont pris sur la base du chapitre IV de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés et certaines mises en disponibilité pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool ". ".
Art. 4. Aan artikel 13, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016 betreffende het zorgkrediet voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Bij de berekening van de totale duur wordt ook rekening gehouden met de duur van de afwezigheden voor verminderde prestaties die opgenomen zijn op basis van hoofdstuk VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven en terbeschikkingstellingen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool.".
"Bij de berekening van de totale duur wordt ook rekening gehouden met de duur van de afwezigheden voor verminderde prestaties die opgenomen zijn op basis van hoofdstuk VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven en terbeschikkingstellingen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool.".
Art. 4. Dans l'article 13, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016 relatif au crédit-soins pour les membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, il est inséré la phrase suivante :
" Lors du calcul de la durée totale, il est tenu compte de la durée des absences pour prestations réduites qui sont prises sur la base du chapitre VI de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés et certaines mises en disponibilité pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool ".
" Lors du calcul de la durée totale, il est tenu compte de la durée des absences pour prestations réduites qui sont prises sur la base du chapitre VI de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés et certaines mises en disponibilité pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool ".
Art. 5. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016 betreffende het zorgkrediet voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt een artikel 14/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 14/1. Een afwezigheid voor verminderde prestaties die het personeelslid genoten heeft tijdens het schooljaar of dienstjaar, heeft tot gevolg dat het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op :
1° de personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel;
2° de personeelsleden van de categorie van het administratief personeel van de medisch-pedagogische instituten van het Gemeenschapsonderwijs, van de semi-internaten of van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
3° de personeelsleden aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of van inspecteur-generaal;
4° de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
5° de personeelsleden van :
a) de internaten met permanente openstelling;
b) het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling.".
"Art. 14/1. Een afwezigheid voor verminderde prestaties die het personeelslid genoten heeft tijdens het schooljaar of dienstjaar, heeft tot gevolg dat het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op :
1° de personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel;
2° de personeelsleden van de categorie van het administratief personeel van de medisch-pedagogische instituten van het Gemeenschapsonderwijs, van de semi-internaten of van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
3° de personeelsleden aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of van inspecteur-generaal;
4° de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
5° de personeelsleden van :
a) de internaten met permanente openstelling;
b) het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling.".
Art. 5. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016 relatif au crédit-soins pour les membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, il est inséré un article 14/1, rédigé comme suit :
" Art. 14/1. Lorsque le membre du personnel bénéficie d'une absence pour prestations réduites pendant l'année scolaire ou l'année de service, son traitement pendant le congé annuel de vacances est réduit proportionnellement.
L'alinéa 1er n'est pas applicable :
1° aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service ;
2° aux membres du personnel de la catégorie du personnel administratif des instituts médico-pédagogiques de l'Enseignement communautaire, des semi-internats ou des homes pour enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe ;
3° aux membres du personnel désignés à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général ;
4° aux membres du personnel des Centres d'Education de Base ;
5° aux membres du personnel :
a) des internats ouverts en permanence ;
b) du foyer d'accueil de l'Enseignement communautaire assurant l'accueil résidentiel de jeunes dans le cadre du régime d'aide et d'assistance. ".
" Art. 14/1. Lorsque le membre du personnel bénéficie d'une absence pour prestations réduites pendant l'année scolaire ou l'année de service, son traitement pendant le congé annuel de vacances est réduit proportionnellement.
L'alinéa 1er n'est pas applicable :
1° aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service ;
2° aux membres du personnel de la catégorie du personnel administratif des instituts médico-pédagogiques de l'Enseignement communautaire, des semi-internats ou des homes pour enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe ;
3° aux membres du personnel désignés à la fonction d'inspecteur coordinateur ou d'inspecteur général ;
4° aux membres du personnel des Centres d'Education de Base ;
5° aux membres du personnel :
a) des internats ouverts en permanence ;
b) du foyer d'accueil de l'Enseignement communautaire assurant l'accueil résidentiel de jeunes dans le cadre du régime d'aide et d'assistance. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool "
Art. 6. In artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3, eerste en tweede lid, worden de woorden "terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden" vervangen door de woorden "afwezigheid voor verminderde prestaties";
2° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "Deze terbeschikkingstelling" vervangen door de woorden "Die afwezigheid";
3° paragraaf 4 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 3, eerste en tweede lid, worden de woorden "terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden" vervangen door de woorden "afwezigheid voor verminderde prestaties";
2° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "Deze terbeschikkingstelling" vervangen door de woorden "Die afwezigheid";
3° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 6. A l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool ", modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2013, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 3, alinéas 1 et 2, les mots " mise à disposition pour convenance personnelle " et les mots " mise en disponibilité pour convenances personnelles " sont remplacés par les mots " absence pour prestations réduites " ;
2° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots " cette mise en disponibilité " sont remplacés par les mots " cette absence " ;
3° le paragraphe 4 est abrogé.
1° au paragraphe 3, alinéas 1 et 2, les mots " mise à disposition pour convenance personnelle " et les mots " mise en disponibilité pour convenances personnelles " sont remplacés par les mots " absence pour prestations réduites " ;
2° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots " cette mise en disponibilité " sont remplacés par les mots " cette absence " ;
3° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 7. In artikel 17, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2012, worden de woorden "tot uiterlijk het einde van het academiejaar waarin de betrokkenen aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist" vervangen door de woorden "tot aan de vooravond van hun pensionering".
Art. 7. Dans l'article 17, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2012, les mots " au plus tard jusqu'à la fin de l'année académique pendant laquelle les intéressés peuvent prétendre à une pension de retraite à charge de la Trésorerie " sont remplacés par les mots " jusqu'à la veille de leur mise à la retraite ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven en terbeschikkingstellingen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés et certaines mises en disponibilité pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool "
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. 8. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven en terbeschikkingstellingen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool worden de woorden "en terbeschikkingstellingen" opgeheven.
Art. 8. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés et certaines mises en disponibilité pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool ", les mots " et certaines mises en disponibilité " sont abrogés.
Art. 9. § 1. Een personeelslid, vermeld in artikel 1, kan verlof voor verminderde prestaties opnemen. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties kan het personeelslid de prestaties:
1° volledig onderbreken;
2° verminderen tot de helft van een voltijdse betrekking;
3° verminderen tot 80% van een voltijdse betrekking.
In afwijking van het eerste lid kan het hogeschoolbestuur bij onderlinge overeenkomst het personeelslid een ander volume van vermindering van de prestaties toestaan. Het personeelslid blijft ten minste een opdracht van 10% van een voltijdse opdracht vervullen aan de hogeschool, aan verschillende hogescholen, of aan andere onderwijsinstellingen, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid.
§ 2. De prestaties, vermeld in paragraaf 1, omvatten ook de prestaties, verstrekt aan een andere hogeschool of in een andere onderwijsinstelling van een ander niveau, vermeld in artikel 15 van het besluit van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.
De volledige onderbreking omvat al de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.
1° volledig onderbreken;
2° verminderen tot de helft van een voltijdse betrekking;
3° verminderen tot 80% van een voltijdse betrekking.
In afwijking van het eerste lid kan het hogeschoolbestuur bij onderlinge overeenkomst het personeelslid een ander volume van vermindering van de prestaties toestaan. Het personeelslid blijft ten minste een opdracht van 10% van een voltijdse opdracht vervullen aan de hogeschool, aan verschillende hogescholen, of aan andere onderwijsinstellingen, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid.
§ 2. De prestaties, vermeld in paragraaf 1, omvatten ook de prestaties, verstrekt aan een andere hogeschool of in een andere onderwijsinstelling van een ander niveau, vermeld in artikel 15 van het besluit van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.
De volledige onderbreking omvat al de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.
Art. 9. § 1er. Un membre du personnel visé à l'article 1er peut prendre un congé pour prestations réduites. Pendant ce congé pour prestations réduites, le membre du personnel peut :
1° interrompre complètement ses prestations ;
2° réduire ses prestations jusqu'à la moitié d'un emploi à temps plein ;
3° réduire ses prestations jusqu'à 80% d'un emploi à temps plein.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la direction de l'institut supérieur peut d'un commun accord autoriser au membre du personnel un autre volume de réduction des prestations. Le membre du personnel continue à accomplir au moins une charge de 10% d'une charge à temps plein dans l'institut supérieur, dans plusieurs instituts supérieurs ou dans d'autres établissements d'enseignement, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure.
§ 2. Les prestations visées au paragraphe 1er comprennent également les prestations fournies à un autre institut supérieur ou un autre établissement d'enseignement d'un autre niveau, visées à l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés et aux absences pour prestations réduites, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration.
L'interruption de carrière complète comprend tous les emplois financés et subventionnés par la Communauté flamande que le membre du personnel exerce dans l'enseignement et dans les centres d'encadrement des élèves, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration.
1° interrompre complètement ses prestations ;
2° réduire ses prestations jusqu'à la moitié d'un emploi à temps plein ;
3° réduire ses prestations jusqu'à 80% d'un emploi à temps plein.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la direction de l'institut supérieur peut d'un commun accord autoriser au membre du personnel un autre volume de réduction des prestations. Le membre du personnel continue à accomplir au moins une charge de 10% d'une charge à temps plein dans l'institut supérieur, dans plusieurs instituts supérieurs ou dans d'autres établissements d'enseignement, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure.
§ 2. Les prestations visées au paragraphe 1er comprennent également les prestations fournies à un autre institut supérieur ou un autre établissement d'enseignement d'un autre niveau, visées à l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés et aux absences pour prestations réduites, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration.
L'interruption de carrière complète comprend tous les emplois financés et subventionnés par la Communauté flamande que le membre du personnel exerce dans l'enseignement et dans les centres d'encadrement des élèves, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration.
Art. 10. De totale duur van de volledige onderbreking van de prestaties mag over de hele loopbaan niet meer dan 24 maanden bedragen.
De totale duur van de vermindering van de prestaties mag over de hele loopbaan niet meer dan 120 maanden bedragen.
Bij de berekening van de maximale duur van het verlof voor verminderde prestaties, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt alleen rekening gehouden met de volledige onderbreking of de vermindering van de prestaties vanaf 1 september 2017. Bij de berekening van die termijnen wordt ook rekening gehouden met de duur van de verloven voor verminderde prestaties die opgenomen zijn aan andere hogescholen, andere onderwijsinstellingen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.
De totale duur van de vermindering van de prestaties mag over de hele loopbaan niet meer dan 120 maanden bedragen.
Bij de berekening van de maximale duur van het verlof voor verminderde prestaties, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt alleen rekening gehouden met de volledige onderbreking of de vermindering van de prestaties vanaf 1 september 2017. Bij de berekening van die termijnen wordt ook rekening gehouden met de duur van de verloven voor verminderde prestaties die opgenomen zijn aan andere hogescholen, andere onderwijsinstellingen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.
Art. 10. La durée totale de l'interruption complète des prestations est limitée à 24 mois sur l'ensemble de la carrière.
La durée totale de la réduction des prestations est limitée à 120 mois sur l'ensemble de la carrière.
Lors du calcul de la durée maximale du congé pour prestations réduites visée aux alinéas 1er et 2, seule l'interruption totale ou la réduction des prestations à compter du 1er septembre 2017 est prise en compte. Pour la computation des délais, il est tenu compte de la durée des congés pour prestations réduites qui sont pris dans d'autres instituts supérieurs, d'autres établissements d'enseignement ou centres d'encadrement des élèves, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration.
La durée totale de la réduction des prestations est limitée à 120 mois sur l'ensemble de la carrière.
Lors du calcul de la durée maximale du congé pour prestations réduites visée aux alinéas 1er et 2, seule l'interruption totale ou la réduction des prestations à compter du 1er septembre 2017 est prise en compte. Pour la computation des délais, il est tenu compte de la durée des congés pour prestations réduites qui sont pris dans d'autres instituts supérieurs, d'autres établissements d'enseignement ou centres d'encadrement des élèves, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration.
Afdeling 2. - Verlof voor verminderde prestaties
Section 2. - Congé pour prestations réduites
Art. 11. Het verlof voor verminderde prestaties is gedurende een periode van 60 maanden een recht, ongeacht of de prestaties tijdens het verlof volledig onderbroken worden of verminderd worden tot de helft of 80% van een voltijdse betrekking.
Vanaf de 61ste maand of wanneer bij onderlinge overeenkomst een ander volume van vermindering van de prestaties toegestaan is dan vermeld in het eerste lid, kan het verlof alleen opgenomen worden met instemming van het hogeschoolbestuur.
Het in het eerste lid vermelde recht geldt voor tijdelijke personeelsleden op voorwaarde dat ze:
1° in de periode voorafgaand aan het verlof een aanstelling hebben gekregen voor een volledig academiejaar als onderwijzend personeel of voor een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief en technisch personeel in een vacante of niet-vacante betrekking;
2° bij de aanvang van het verlof voor een volledig academiejaar als onderwijzend personeel of voor een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief of technisch personeel zijn aangesteld.
Vanaf de 61ste maand of wanneer bij onderlinge overeenkomst een ander volume van vermindering van de prestaties toegestaan is dan vermeld in het eerste lid, kan het verlof alleen opgenomen worden met instemming van het hogeschoolbestuur.
Het in het eerste lid vermelde recht geldt voor tijdelijke personeelsleden op voorwaarde dat ze:
1° in de periode voorafgaand aan het verlof een aanstelling hebben gekregen voor een volledig academiejaar als onderwijzend personeel of voor een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief en technisch personeel in een vacante of niet-vacante betrekking;
2° bij de aanvang van het verlof voor een volledig academiejaar als onderwijzend personeel of voor een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief of technisch personeel zijn aangesteld.
Art. 11. Le congé pour prestations réduites est un droit au cours d'une période de 60 mois, qu'il s'agisse d'une interruption complète des prestations pendant le congé ou d'une réduction jusqu'à la moitié ou à 80% d'un emploi à temps plein.
A compter du 61ème mois ou lorsque, d'un commun accord, un volume de réduction des prestations autre que le volume visé à l'alinéa 1er est autorisé, le congé ne peut être pris qu'avec l'accord de la direction de l'institut supérieur.
Le droit visé à l'alinéa 1er vaut pour des membres du personnel temporaires à condition qu'ils :
1° dans la période précédant le congé aient obtenu une désignation pour une année académique complète comme membre du personnel enseignant ou pour une période non interrompue de 12 mois comme membre du personnel administratif et technique dans un emploi vacant ou non vacant ;
2° soient désignés au début du congé pour une année académique complète comme membre du personnel enseignant ou pour une période non interrompue de 12 mois comme membre du personnel administratif et technique.
A compter du 61ème mois ou lorsque, d'un commun accord, un volume de réduction des prestations autre que le volume visé à l'alinéa 1er est autorisé, le congé ne peut être pris qu'avec l'accord de la direction de l'institut supérieur.
Le droit visé à l'alinéa 1er vaut pour des membres du personnel temporaires à condition qu'ils :
1° dans la période précédant le congé aient obtenu une désignation pour une année académique complète comme membre du personnel enseignant ou pour une période non interrompue de 12 mois comme membre du personnel administratif et technique dans un emploi vacant ou non vacant ;
2° soient désignés au début du congé pour une année académique complète comme membre du personnel enseignant ou pour une période non interrompue de 12 mois comme membre du personnel administratif et technique.
Art. 12. Het verlof voor verminderde prestaties gaat in op 1 september, 1 oktober of 1 februari.
Het verlof voor verminderde prestaties eindigt altijd op 31 augustus of 30 september. Voor tijdelijke personeelsleden eindigt het verlof voor verminderde prestaties altijd op het einde van hun aanstelling.
In afwijking van het eerste en het tweede lid kan het hogeschoolbestuur een andere begin- of einddatum toestaan.
Het hogeschoolbestuur kan het personeelslid, op zijn verzoek en mits een opzeggingsperiode van één maand in acht wordt genomen, toestaan vervroegd een einde te maken aan het verlof voor verminderde prestaties. Het hogeschoolbestuur kan een kortere opzeggingstermijn aanvaarden.".
Het verlof voor verminderde prestaties eindigt altijd op 31 augustus of 30 september. Voor tijdelijke personeelsleden eindigt het verlof voor verminderde prestaties altijd op het einde van hun aanstelling.
In afwijking van het eerste en het tweede lid kan het hogeschoolbestuur een andere begin- of einddatum toestaan.
Het hogeschoolbestuur kan het personeelslid, op zijn verzoek en mits een opzeggingsperiode van één maand in acht wordt genomen, toestaan vervroegd een einde te maken aan het verlof voor verminderde prestaties. Het hogeschoolbestuur kan een kortere opzeggingstermijn aanvaarden.".
Art. 12. Le congé pour prestations réduites prend cours le 1er septembre, le 1er octobre ou le 1er février.
Le congé pour prestations réduites se termine toujours le 31 août ou le 30 septembre. Pour les membres du personnel temporaire, le congé pour prestations réduites cesse toujours à la date à laquelle prend fin la désignation.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, la direction de l'institut supérieur peut consentir à une autre date de début ou date de fin.
La direction de l'institut supérieur peut autoriser le membre du personnel, à sa demande et moyennant un préavis d'un mois, à mettre fin prématurément à son congé pour prestations réduites. La direction de l'institut supérieur peut accepter un préavis plus court. ".
Le congé pour prestations réduites se termine toujours le 31 août ou le 30 septembre. Pour les membres du personnel temporaire, le congé pour prestations réduites cesse toujours à la date à laquelle prend fin la désignation.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, la direction de l'institut supérieur peut consentir à une autre date de début ou date de fin.
La direction de l'institut supérieur peut autoriser le membre du personnel, à sa demande et moyennant un préavis d'un mois, à mettre fin prématurément à son congé pour prestations réduites. La direction de l'institut supérieur peut accepter un préavis plus court. ".
Art. 13. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, 21 september 2012, 6 september 2013 en 17 oktober 2014, wordt tussen artikel 12 en 13 het volgende opschrift ingevoegd:
"Afdeling 2. Verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar".
"Afdeling 2. Verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar".
Art. 13. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 9 septembre 2011, 21 septembre 2012, 6 septembre 2013 et 17 octobre 2014, il est inséré l'intitulé suivant entre les articles 12 et 13 :
" Section 2. Congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans ".
" Section 2. Congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans ".
Art. 14. Artikel 13 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 13. De personeelsleden hebben vanaf 1 september, 1 oktober of 1 februari die volgt op de datum waarop ze de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, en uiterlijk tot de datum waarop ze met pensioen gaan, recht op een gedeeltelijk verlof voor verminderde prestaties.
Tijdelijke personeelsleden hebben recht op het verlof, vermeld in het eerste lid, op voorwaarde dat ze:
1° in het academiejaar dat voorafgaat aan het verlof, een aanstelling hebben gekregen voor het volledige academiejaar als onderwijzend personeel of een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief en technisch personeel in een vacante of niet-vacante betrekking;
2° bij de aanvang van het academiejaar waarin ze het verlof nemen, opnieuw voor een volledig academiejaar als onderwijzend personeel of voor een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief en technisch personeel zijn aangesteld.
De periodes van verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar tellen niet mee voor de berekening van de termijnen, vermeld in artikel 10 en 11.".
"Art. 13. De personeelsleden hebben vanaf 1 september, 1 oktober of 1 februari die volgt op de datum waarop ze de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, en uiterlijk tot de datum waarop ze met pensioen gaan, recht op een gedeeltelijk verlof voor verminderde prestaties.
Tijdelijke personeelsleden hebben recht op het verlof, vermeld in het eerste lid, op voorwaarde dat ze:
1° in het academiejaar dat voorafgaat aan het verlof, een aanstelling hebben gekregen voor het volledige academiejaar als onderwijzend personeel of een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief en technisch personeel in een vacante of niet-vacante betrekking;
2° bij de aanvang van het academiejaar waarin ze het verlof nemen, opnieuw voor een volledig academiejaar als onderwijzend personeel of voor een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief en technisch personeel zijn aangesteld.
De periodes van verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar tellen niet mee voor de berekening van de termijnen, vermeld in artikel 10 en 11.".
Art. 14. L'article 13 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 13. Les membres du personnel peuvent faire valoir leurs droits à un congé partiel pour prestations réduites à partir du 1er septembre, 1er octobre ou 1er février qui suit la date à laquelle ils ont atteint l'âge de 55 ans, et au plus tard jusqu'à la date de leur retraite.
Des membres du personnel temporaire ont droit au congé visé à l'alinéa 1er à condition qu'ils :
1° dans l'année académique qui précède le congé aient obtenu une désignation pour l'année académique complète comme membre du personnel enseignant ou pour une période non interrompue de 12 mois comme membre du personnel administratif et technique dans un emploi vacant ou non vacant ;
2° soient désignés, au début de l'année académique dans laquelle ils prennent le congé, pour une nouvelle période d'une année académique complète comme membre du personnel enseignant ou pour une période non interrompue de 12 mois comme membre du personnel administratif et technique.
Les périodes de congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans ne sont pas prises en considération pour le calcul des délais visés aux articles 10 et 11. ".
" Art. 13. Les membres du personnel peuvent faire valoir leurs droits à un congé partiel pour prestations réduites à partir du 1er septembre, 1er octobre ou 1er février qui suit la date à laquelle ils ont atteint l'âge de 55 ans, et au plus tard jusqu'à la date de leur retraite.
Des membres du personnel temporaire ont droit au congé visé à l'alinéa 1er à condition qu'ils :
1° dans l'année académique qui précède le congé aient obtenu une désignation pour l'année académique complète comme membre du personnel enseignant ou pour une période non interrompue de 12 mois comme membre du personnel administratif et technique dans un emploi vacant ou non vacant ;
2° soient désignés, au début de l'année académique dans laquelle ils prennent le congé, pour une nouvelle période d'une année académique complète comme membre du personnel enseignant ou pour une période non interrompue de 12 mois comme membre du personnel administratif et technique.
Les périodes de congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans ne sont pas prises en considération pour le calcul des délais visés aux articles 10 et 11. ".
Art. 15. Artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 14. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties kan het personeelslid de prestaties:
1° verminderen tot de helft van een voltijdse betrekking;
2° verminderen tot 80% van een voltijdse betrekking.
Het personeelslid kan ieder jaar op de ingangsdatum van het verlof de omvang van het gedeeltelijke verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar aanpassen.
Het personeelslid heeft eenmalig het recht om, met behoud van het recht op een nieuw verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar, op de ingangsdatum van het verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar het verlof te beëindigen en zijn betrekking aan de hogeschool weer op te nemen.".
"Art. 14. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties kan het personeelslid de prestaties:
1° verminderen tot de helft van een voltijdse betrekking;
2° verminderen tot 80% van een voltijdse betrekking.
Het personeelslid kan ieder jaar op de ingangsdatum van het verlof de omvang van het gedeeltelijke verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar aanpassen.
Het personeelslid heeft eenmalig het recht om, met behoud van het recht op een nieuw verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar, op de ingangsdatum van het verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar het verlof te beëindigen en zijn betrekking aan de hogeschool weer op te nemen.".
Art. 15. L'article 14 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 14. Pendant ce congé pour prestations réduites, le membre du personnel peut :
1° réduire ses prestations jusqu'à la moitié d'un emploi à temps plein ;
2° réduire ses prestations jusqu'à 80% d'un emploi à temps plein.
Chaque année à la date de début du congé partiel pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, le membre du personnel peut adapter le volume de ce congé.
Tout en conservant son droit à un nouveau congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, le membre du personnel a le droit unique de mettre fin au congé et de retrouver son emploi d'origine auprès de l'institut supérieur. ".
" Art. 14. Pendant ce congé pour prestations réduites, le membre du personnel peut :
1° réduire ses prestations jusqu'à la moitié d'un emploi à temps plein ;
2° réduire ses prestations jusqu'à 80% d'un emploi à temps plein.
Chaque année à la date de début du congé partiel pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, le membre du personnel peut adapter le volume de ce congé.
Tout en conservant son droit à un nouveau congé pour prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, le membre du personnel a le droit unique de mettre fin au congé et de retrouver son emploi d'origine auprès de l'institut supérieur. ".
Art. 16. Aan hoofdstuk IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, wordt een afdeling 3, die bestaat uit artikel 14/1 tot en met 14/3, toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. - Algemene bepalingen
Art. 14/1. Het verlof voor verminderde prestaties wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Het personeelslid ontvangt tijdens de periode waarin het zijn prestaties vermindert, een salaris dat overeenkomt met het volume van de effectief uitgeoefende opdracht aan de hogeschool. Bij een volledige onderbreking van de prestaties ontvangt het personeelslid geen salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.
Gedurende de periode dat een personeelslid een verlof voor verminderde prestaties geniet, mag het geen vervangende winstgevende activiteit uitoefenen. De volgende politieke mandaten worden niet als een vervangende winstgevende activiteit beschouwd: gemeenteraadslid, provincieraadslid, lid van het Bureau van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, lid van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of lid van de districtsraad.
Art. 14/2. Het personeelslid dat verlof voor verminderde prestaties wil nemen of dat de omvang van het verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar wil wijzigen, dient daarvoor een aanvraag in bij het hogeschoolbestuur. De aanvraag vermeldt de gewenste aanvangsdatum, de duur en de omvang van het verlof voor verminderde prestaties.
Het hogeschoolbestuur deelt zijn beslissing aan het personeelslid mee binnen vijftien kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, wordt de beslissing gemotiveerd.
Art. 14/3. Het verlof voor verminderde prestaties wordt opgeschort op het ogenblik dat het personeelslid afwezig is wegens:
1° bevallingsverlof;
2° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
3° borstvoedingsverlof;
4° verlof bij overlijden of ziekenhuisopname van de moeder;
5° loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
6° loopbaanonderbreking voor medische bijstand;
7° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen;
8° zorgkrediet.
Ziekteverlof of een terbeschikkingstelling wegens ziekte schorten het verlof voor verminderde prestaties niet op.".
"Afdeling 3. - Algemene bepalingen
Art. 14/1. Het verlof voor verminderde prestaties wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Het personeelslid ontvangt tijdens de periode waarin het zijn prestaties vermindert, een salaris dat overeenkomt met het volume van de effectief uitgeoefende opdracht aan de hogeschool. Bij een volledige onderbreking van de prestaties ontvangt het personeelslid geen salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.
Gedurende de periode dat een personeelslid een verlof voor verminderde prestaties geniet, mag het geen vervangende winstgevende activiteit uitoefenen. De volgende politieke mandaten worden niet als een vervangende winstgevende activiteit beschouwd: gemeenteraadslid, provincieraadslid, lid van het Bureau van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, lid van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of lid van de districtsraad.
Art. 14/2. Het personeelslid dat verlof voor verminderde prestaties wil nemen of dat de omvang van het verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar wil wijzigen, dient daarvoor een aanvraag in bij het hogeschoolbestuur. De aanvraag vermeldt de gewenste aanvangsdatum, de duur en de omvang van het verlof voor verminderde prestaties.
Het hogeschoolbestuur deelt zijn beslissing aan het personeelslid mee binnen vijftien kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, wordt de beslissing gemotiveerd.
Art. 14/3. Het verlof voor verminderde prestaties wordt opgeschort op het ogenblik dat het personeelslid afwezig is wegens:
1° bevallingsverlof;
2° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
3° borstvoedingsverlof;
4° verlof bij overlijden of ziekenhuisopname van de moeder;
5° loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
6° loopbaanonderbreking voor medische bijstand;
7° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen;
8° zorgkrediet.
Ziekteverlof of een terbeschikkingstelling wegens ziekte schorten het verlof voor verminderde prestaties niet op.".
Art. 16. Dans le chapitre IV du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011, il est inséré une section 3, comprenant les articles 14/1 à 14/3 ainsi rédigés :
" Section 3. - Dispositions générales
Art. 14/1. Le congé pour prestations réduites est assimilé à une période d'activité de service.
Pendant la période où le membre du personnel réduit ses prestations, il reçoit un traitement qui correspond au volume de la charge effectivement exercée auprès de l'institut supérieur. Dans le cas d'interruption complète des prestations, le membre du personnel ne reçoit pas de traitement, de subvention-traitement, de traitement d'attente ou de subvention-traitement d'attente.
Durant la période où un membre du personnel bénéficie d'un congé pour prestations réduites, il ne peut exercer aucune activité lucrative de remplacement. Les mandats politiques suivants ne sont pas considérés comme une activité lucrative de remplacement : conseiller communal, conseiller provincial, membre du Bureau du Conseil de l'Aide sociale, membre du Conseil de l'Aide sociale, ou membre du conseil de district.
Art. 14/2. Le membre du personnel qui veut prendre un congé pour prestations réduites ou qui veut changer le volume des prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, en dépose la demande auprès de la direction de l'institut supérieur. La demande mentionne la date de début souhaitée, la durée et le volume du congé pour prestations réduites.
La direction de l'institut supérieur communique sa décision au membre du personnel dans les quinze jours calendaires à partir de la réception de la demande. Lorsque la demande n'est pas acceptée, la décision est motivée.
Art. 14/3. Le congé pour prestations réduites est suspendu au moment où le membre du personnel est absent pour cause :
1° de congé de maternité ;
2° de congé pour l'accueil en vue d'adoption et de tutelle officieuse ;
3° de congé d'allaitement ;
4° de congé en cas de décès ou d'hospitalisation de la mère ;
5° d'interruption de carrière pour congé parental ;
6° d'interruption de carrière pour assistance médicale ;
7° d'interruption de carrière pour donner des soins palliatifs ;
8° de crédit-soins.
Congé de maladie ou mise en disponibilité pour cause de maladie ne suspendent pas le congé pour prestations réduites. ".
" Section 3. - Dispositions générales
Art. 14/1. Le congé pour prestations réduites est assimilé à une période d'activité de service.
Pendant la période où le membre du personnel réduit ses prestations, il reçoit un traitement qui correspond au volume de la charge effectivement exercée auprès de l'institut supérieur. Dans le cas d'interruption complète des prestations, le membre du personnel ne reçoit pas de traitement, de subvention-traitement, de traitement d'attente ou de subvention-traitement d'attente.
Durant la période où un membre du personnel bénéficie d'un congé pour prestations réduites, il ne peut exercer aucune activité lucrative de remplacement. Les mandats politiques suivants ne sont pas considérés comme une activité lucrative de remplacement : conseiller communal, conseiller provincial, membre du Bureau du Conseil de l'Aide sociale, membre du Conseil de l'Aide sociale, ou membre du conseil de district.
Art. 14/2. Le membre du personnel qui veut prendre un congé pour prestations réduites ou qui veut changer le volume des prestations réduites à partir de l'âge de 55 ans, en dépose la demande auprès de la direction de l'institut supérieur. La demande mentionne la date de début souhaitée, la durée et le volume du congé pour prestations réduites.
La direction de l'institut supérieur communique sa décision au membre du personnel dans les quinze jours calendaires à partir de la réception de la demande. Lorsque la demande n'est pas acceptée, la décision est motivée.
Art. 14/3. Le congé pour prestations réduites est suspendu au moment où le membre du personnel est absent pour cause :
1° de congé de maternité ;
2° de congé pour l'accueil en vue d'adoption et de tutelle officieuse ;
3° de congé d'allaitement ;
4° de congé en cas de décès ou d'hospitalisation de la mère ;
5° d'interruption de carrière pour congé parental ;
6° d'interruption de carrière pour assistance médicale ;
7° d'interruption de carrière pour donner des soins palliatifs ;
8° de crédit-soins.
Congé de maladie ou mise en disponibilité pour cause de maladie ne suspendent pas le congé pour prestations réduites. ".
Afdeling 3. - Afwezigheid voor verminderde prestaties
Section 3. - Absence pour prestations réduites
Art. 17. In het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven en terbeschikkingstellingen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, 21 september 2012, 6 september 2013 en 17 oktober 2014, wordt het opschrift van hoofdstuk VI vervangen door wat volgt:
"Hoofdstuk VI. Afwezigheid voor verminderde prestaties".
"Hoofdstuk VI. Afwezigheid voor verminderde prestaties".
Art. 17. L'intitulé du chapitre VI de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés et certaines mises en disponibilité pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool ", modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 9 septembre 2011, 21 septembre 2012, 6 septembre 2013 et 17 octobre 2014, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre VI. - Absence pour prestations réduites ".
" Chapitre VI. - Absence pour prestations réduites ".
Art. 18. Artikel 19 en 20 van hetzelfde besluit worden vervangen door wat volgt:
"Art. 19. § 1. Het hogeschoolbestuur kan een personeelslid, op zijn verzoek, een afwezigheid voor verminderde prestaties toestaan. Die afwezigheid kan voltijds of deeltijds zijn.
§ 2. Bij een deeltijdse afwezigheid ontvangt het personeelslid een salaris dat gebaseerd is op zijn effectieve prestaties. Bij een voltijdse afwezigheid ontvangt het personeelslid geen salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.
Art. 20. De totale duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties mag over de hele loopbaan niet meer dan zestig maanden bedragen, ongeacht of het gaat om een voltijdse of deeltijdse afwezigheid. Gedurende de afwezigheid bevindt het personeelslid zich in de stand non-activiteit.
Bij de berekening van de maximale duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties, vermeld in het eerste lid, wordt alleen rekening gehouden met de volledige onderbreking of de vermindering van de prestaties vanaf 1 september 2017. Bij de berekening van die termijnen wordt ook rekening gehouden met de duur van de afwezigheden voor verminderde prestaties die opgenomen zijn aan andere hogescholen, andere onderwijsinstellingen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.
In afwijking van het eerste lid kan de totale duur van zestig maanden worden overschreden als een andere onderbreking van de beroepsloopbaan, ander verlof of een andere afwezigheid ambtshalve wordt omgezet in een afwezigheid voor verminderde prestaties.".
"Art. 19. § 1. Het hogeschoolbestuur kan een personeelslid, op zijn verzoek, een afwezigheid voor verminderde prestaties toestaan. Die afwezigheid kan voltijds of deeltijds zijn.
§ 2. Bij een deeltijdse afwezigheid ontvangt het personeelslid een salaris dat gebaseerd is op zijn effectieve prestaties. Bij een voltijdse afwezigheid ontvangt het personeelslid geen salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.
Art. 20. De totale duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties mag over de hele loopbaan niet meer dan zestig maanden bedragen, ongeacht of het gaat om een voltijdse of deeltijdse afwezigheid. Gedurende de afwezigheid bevindt het personeelslid zich in de stand non-activiteit.
Bij de berekening van de maximale duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties, vermeld in het eerste lid, wordt alleen rekening gehouden met de volledige onderbreking of de vermindering van de prestaties vanaf 1 september 2017. Bij de berekening van die termijnen wordt ook rekening gehouden met de duur van de afwezigheden voor verminderde prestaties die opgenomen zijn aan andere hogescholen, andere onderwijsinstellingen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.
In afwijking van het eerste lid kan de totale duur van zestig maanden worden overschreden als een andere onderbreking van de beroepsloopbaan, ander verlof of een andere afwezigheid ambtshalve wordt omgezet in een afwezigheid voor verminderde prestaties.".
Art. 18. Les articles 19 et 20 du même arrêté sont remplacés par ce qui suit :
" Art. 19. § 1er. A la demande d'un membre du personnel, la direction de l'institut supérieur peut accorder une autorisation d'absence pour prestations réduites. Cette absence peut être à temps plein ou à temps partiel.
§ 2. Lors d'une absence à temps partiel, le membre du personnel reçoit un traitement basé sur ses prestations effectives. Dans le cas d'absence à temps plein, le membre du personnel ne reçoit pas de traitement, de subvention-traitement, de traitement d'attente ou de subvention-traitement d'attente.
Art. 20. La durée totale de l'absence pour prestations réduites est limitée à soixante mois sur l'ensemble de la carrière, qu'il s'agisse d'une absence à temps plein ou d'une absence à temps partiel. Le membre du personnel qui s'absente se trouve dans la position administrative de non-activité de service.
Pour le calcul de la durée maximale de l'absence pour prestations réduites visée à l'alinéa 1er, seule l'interruption totale ou la réduction des prestations à compter du 1er septembre 2017 est prise en compte. Pour la computation des délais, il est en outre tenu compte de la durée des absences pour prestations réduites qui sont prises dans d'autres instituts supérieurs, d'autres établissements d'enseignement ou centres d'encadrement des élèves, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la durée totale de soixante mois peut être dépassée lorsqu'une autre interruption de la carrière professionnelle, un autre congé ou une autre absence est converti d'office en une absence pour prestations réduites. ".
" Art. 19. § 1er. A la demande d'un membre du personnel, la direction de l'institut supérieur peut accorder une autorisation d'absence pour prestations réduites. Cette absence peut être à temps plein ou à temps partiel.
§ 2. Lors d'une absence à temps partiel, le membre du personnel reçoit un traitement basé sur ses prestations effectives. Dans le cas d'absence à temps plein, le membre du personnel ne reçoit pas de traitement, de subvention-traitement, de traitement d'attente ou de subvention-traitement d'attente.
Art. 20. La durée totale de l'absence pour prestations réduites est limitée à soixante mois sur l'ensemble de la carrière, qu'il s'agisse d'une absence à temps plein ou d'une absence à temps partiel. Le membre du personnel qui s'absente se trouve dans la position administrative de non-activité de service.
Pour le calcul de la durée maximale de l'absence pour prestations réduites visée à l'alinéa 1er, seule l'interruption totale ou la réduction des prestations à compter du 1er septembre 2017 est prise en compte. Pour la computation des délais, il est en outre tenu compte de la durée des absences pour prestations réduites qui sont prises dans d'autres instituts supérieurs, d'autres établissements d'enseignement ou centres d'encadrement des élèves, à l'exception des universités, sauf pour ce qui est du cadre d'intégration.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la durée totale de soixante mois peut être dépassée lorsqu'une autre interruption de la carrière professionnelle, un autre congé ou une autre absence est converti d'office en une absence pour prestations réduites. ".
Art. 19. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, 21 september 2012, 6 september 2013 en 17 oktober 2014, worden een artikel 20/1 tot en met 20/3 ingevoegd, die luiden als volgt:
"Art. 20/1. Het volume, de aanvangsdatum en de duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties worden bepaald in een overeenkomst tussen het hogeschoolbestuur en het personeelslid.
De afwezigheid voor verminderde prestaties eindigt altijd op het einde van een academiejaar, de zomervakantie inbegrepen, tenzij het hogeschoolbestuur een afwijking daarvan toestaat.
Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de afwezigheid altijd op het einde van de aanstelling.
Het hogeschoolbestuur kan het personeelslid, op zijn verzoek en mits een opzeggingsperiode van één maand in acht wordt genomen, toestaan vervroegd een einde te maken aan de afwezigheid voor verminderde prestaties. Het hogeschoolbestuur kan een kortere opzeggingstermijn aanvaarden.
Art. 20/2. Het personeelslid dat een afwezigheid voor verminderde prestaties wil nemen, dient daarvoor een aanvraag in bij het hogeschoolbestuur. Het hogeschoolbestuur deelt zijn beslissing mee binnen dertig kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
Art. 20/3. De afwezigheid voor verminderde prestaties wordt opgeschort op het ogenblik dat het personeelslid afwezig is wegens:
1° bevallingsverlof;
2° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
3° borstvoedingsverlof;
4° verlof bij overlijden of ziekenhuisopname van de moeder;
5° loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
6° loopbaanonderbreking voor medische bijstand;
7° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen;
8° zorgkrediet.
Ziekteverlof of een terbeschikkingstelling wegens ziekte schorten de afwezigheid voor verminderde prestaties niet op.".
"Art. 20/1. Het volume, de aanvangsdatum en de duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties worden bepaald in een overeenkomst tussen het hogeschoolbestuur en het personeelslid.
De afwezigheid voor verminderde prestaties eindigt altijd op het einde van een academiejaar, de zomervakantie inbegrepen, tenzij het hogeschoolbestuur een afwijking daarvan toestaat.
Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de afwezigheid altijd op het einde van de aanstelling.
Het hogeschoolbestuur kan het personeelslid, op zijn verzoek en mits een opzeggingsperiode van één maand in acht wordt genomen, toestaan vervroegd een einde te maken aan de afwezigheid voor verminderde prestaties. Het hogeschoolbestuur kan een kortere opzeggingstermijn aanvaarden.
Art. 20/2. Het personeelslid dat een afwezigheid voor verminderde prestaties wil nemen, dient daarvoor een aanvraag in bij het hogeschoolbestuur. Het hogeschoolbestuur deelt zijn beslissing mee binnen dertig kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
Art. 20/3. De afwezigheid voor verminderde prestaties wordt opgeschort op het ogenblik dat het personeelslid afwezig is wegens:
1° bevallingsverlof;
2° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
3° borstvoedingsverlof;
4° verlof bij overlijden of ziekenhuisopname van de moeder;
5° loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
6° loopbaanonderbreking voor medische bijstand;
7° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen;
8° zorgkrediet.
Ziekteverlof of een terbeschikkingstelling wegens ziekte schorten de afwezigheid voor verminderde prestaties niet op.".
Art. 19. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 9 septembre 2011, 21 septembre 2012, 6 septembre 2013 et 17 octobre 2014, sont insérés des articles 20/1 à 20/3 ainsi rédigés :
" Art. 20/1. Le volume, la date de début et la durée de l'absence pour prestations réduites sont fixés dans un contrat conclu entre la direction de l'institut supérieur et le membre du personnel.
L'absence pour prestations réduites se termine toujours en fin d'année académique, y compris les vacances d'été, sauf si la direction de l'institut supérieur prévoit une dérogation à cette disposition.
Pour les membres du personnel temporaire, l'absence se termine toujours à l'expiration de la désignation.
La direction de l'institut supérieur peut autoriser le membre du personnel, à sa demande et moyennant un préavis d'un mois, à mettre fin prématurément à son absence pour prestations réduites. La direction de l'institut supérieur peut accepter un préavis plus court.
Art. 20/2. Le membre du personnel qui souhaite prendre une absence pour prestations réduites, dépose à cet effet une demande auprès de la direction de l'institut supérieur. La direction de l'institut supérieur communique sa décision dans les trente jours calendaires dès la réception de la demande.
Art. 20/3. L'absence pour prestations réduites est suspendue au moment où le membre du personnel est absent pour cause :
1° de congé de maternité ;
2° de congé pour l'accueil en vue d'adoption et de tutelle officieuse ;
3° de congé d'allaitement ;
4° de congé en cas de décès ou d'hospitalisation de la mère ;
5° d'interruption de carrière pour congé parental ;
6° d'interruption de carrière pour assistance médicale ;
7° d'interruption de carrière pour donner des soins palliatifs ;
8° de crédit-soins.
Congé de maladie ou mise en disponibilité pour cause de maladie ne suspendent pas l'absence pour prestations réduites. ".
" Art. 20/1. Le volume, la date de début et la durée de l'absence pour prestations réduites sont fixés dans un contrat conclu entre la direction de l'institut supérieur et le membre du personnel.
L'absence pour prestations réduites se termine toujours en fin d'année académique, y compris les vacances d'été, sauf si la direction de l'institut supérieur prévoit une dérogation à cette disposition.
Pour les membres du personnel temporaire, l'absence se termine toujours à l'expiration de la désignation.
La direction de l'institut supérieur peut autoriser le membre du personnel, à sa demande et moyennant un préavis d'un mois, à mettre fin prématurément à son absence pour prestations réduites. La direction de l'institut supérieur peut accepter un préavis plus court.
Art. 20/2. Le membre du personnel qui souhaite prendre une absence pour prestations réduites, dépose à cet effet une demande auprès de la direction de l'institut supérieur. La direction de l'institut supérieur communique sa décision dans les trente jours calendaires dès la réception de la demande.
Art. 20/3. L'absence pour prestations réduites est suspendue au moment où le membre du personnel est absent pour cause :
1° de congé de maternité ;
2° de congé pour l'accueil en vue d'adoption et de tutelle officieuse ;
3° de congé d'allaitement ;
4° de congé en cas de décès ou d'hospitalisation de la mère ;
5° d'interruption de carrière pour congé parental ;
6° d'interruption de carrière pour assistance médicale ;
7° d'interruption de carrière pour donner des soins palliatifs ;
8° de crédit-soins.
Congé de maladie ou mise en disponibilité pour cause de maladie ne suspendent pas l'absence pour prestations réduites. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves
Art. 20. In artikel 20, § 3, eerste lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2013, worden de woorden "terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden" vervangen door de woorden "afwezigheid voor verminderde prestaties".
Art. 20. A l'article 20, § 3, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif à l'interruption de carrière des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 septembre 2013, les mots " mise en disponibilité pour convenances personnelles " sont remplacés par les mots " absence pour prestations réduites ".
Art. 21. In artikel 27, § 1, tweede lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2015, worden de woorden "terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden" overal vervangen door de woorden "afwezigheid voor verminderde prestaties".
Art. 21. Dans l'article 27, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juin 2015, les mots " mise en disponibilité pour convenances personnelles " sont partout remplacés par les mots " absence pour prestations réduites ".
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 22. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2017.
Art. 22. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2017.
Art. 23. Het verlof voor verminderde prestaties en de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die een personeelslid van een hogeschool opneemt vóór 1 september 2017, eindigen uiterlijk op 31 augustus 2017.
Art. 23. Le congé pour prestations réduites et la mise en disponibilité pour convenance personnelle que prend un membre du personnel d'un institut supérieur avant le 1er septembre 2017, se terminent au plus tard le 31 août 2017.
Art. 24. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 24. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.