Artikel 1. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende kunst", gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de woorden "bestuurs- en onderwijzend personeel" en de woorden "en van het opvoedend hulppersoneel" wordt de zinsnede "van het ondersteunend personeel" ingevoegd;
2° de woorden "studierichting "Beeldende kunst" worden vervangen door de woorden "domein Beeldende en audiovisuele kunst".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
8 JUNI 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van de bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen van de personeelsleden van de academies voor deeltijds kunstonderwijs
Titre
8 JUIN 2018. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant les titres et les échelles de traitement des membres du personnel des académies de l'enseignement artistique à temps partiel
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende kunst"
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrêté du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientation 'Arts plastiques'
Article 1er. A l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientation 'Arts plastiques', modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° entre les mots " des membres du personnel directeur et enseignant " et les mots " et du personnel auxiliaire d'éducation ", le membre de phrase " , du personnel d'appui " est inséré ;
2° les mots " orientation 'Arts plastiques' " sont remplacés par les mots " domaine Arts plastiques et audiovisuels ".
1° entre les mots " des membres du personnel directeur et enseignant " et les mots " et du personnel auxiliaire d'éducation ", le membre de phrase " , du personnel d'appui " est inséré ;
2° les mots " orientation 'Arts plastiques' " sont remplacés par les mots " domaine Arts plastiques et audiovisuels ".
Art. 2. In artikel 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2007, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden die behoren tot de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein beeldende en audiovisuele kunst, met inbegrip van de personeelsleden van de kunstacademies, als vermeld in artikel 3, 32°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs.".
" § 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden die behoren tot de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein beeldende en audiovisuele kunst, met inbegrip van de personeelsleden van de kunstacademies, als vermeld in artikel 3, 32°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs.".
Art. 2. A l'article 1er du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 septembre 2007, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le présent décret s'applique aux membres du personnel relevant des catégories des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel d'appui et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, domaine Arts plastiques et audiovisuels, organisés et subventionnés par la Communauté flamande, y compris les membres du personnel des académies des beaux-arts, visés à l'article 3, 32° du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel. "
" § 2. Le présent décret s'applique aux membres du personnel relevant des catégories des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel d'appui et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, domaine Arts plastiques et audiovisuels, organisés et subventionnés par la Communauté flamande, y compris les membres du personnel des académies des beaux-arts, visés à l'article 3, 32° du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel. "
Art. 3. In artikel 5 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, 1°, c), wordt het woord "studierichting" vervangen door het woord "domein";
2° in paragraaf 2 wordt 2° vervangen door wat volgt :
"2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit twee directeurs van andere instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die het domein in kwestie organiseren en twee docenten, die verbonden zijn aan verschillende instellingen voor hoger onderwijs voor het studiegebied van de vakken waarvoor de artistieke ervaring van de kandidaat erkend moet worden. Als een kandidaat verbonden is aan een instelling voor hoger onderwijs of aan een project hoger kunstonderwijs voor het studiegebied van het vak waarvoor hij aangesteld wordt in het deeltijds kunstonderwijs, hoeven er geen docenten van instellingen voor hoger onderwijs deel uit te maken van de commissie. Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden;";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Aan een personeelslid dat met de procedure, vermeld in paragraaf 2 een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een salaris(toelage) uitbetaald worden in de salarisschaal 301 voor opdrachten in de 1e, 2e en 3e graad en in de salarisschaal 302 in de 4e graad.".
1° in paragraaf 2, 1°, c), wordt het woord "studierichting" vervangen door het woord "domein";
2° in paragraaf 2 wordt 2° vervangen door wat volgt :
"2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit twee directeurs van andere instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die het domein in kwestie organiseren en twee docenten, die verbonden zijn aan verschillende instellingen voor hoger onderwijs voor het studiegebied van de vakken waarvoor de artistieke ervaring van de kandidaat erkend moet worden. Als een kandidaat verbonden is aan een instelling voor hoger onderwijs of aan een project hoger kunstonderwijs voor het studiegebied van het vak waarvoor hij aangesteld wordt in het deeltijds kunstonderwijs, hoeven er geen docenten van instellingen voor hoger onderwijs deel uit te maken van de commissie. Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden;";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Aan een personeelslid dat met de procedure, vermeld in paragraaf 2 een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een salaris(toelage) uitbetaald worden in de salarisschaal 301 voor opdrachten in de 1e, 2e en 3e graad en in de salarisschaal 302 in de 4e graad.".
Art. 3. A l'article 5 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2003, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, 1°, b) le mot " orientation " est remplacé par le mot " domaine " ;
2° au paragraphe 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° le pouvoir organisateur ou son personnel mandaté convoque une commission consultative, qui se compose au moins de deux directeurs d'autres établissements d'enseignement artistique à temps partiel, qui organisent le domaine en question, et de deux chargés de cours, qui sont liés aux différents établissements de l'enseignement supérieur pour la discipline des cours pour lesquels l'expérience artistique du candidat doit être reconnue. Si un candidat est lié à un établissement d'enseignement supérieur ou à un projet d'enseignement artistique supérieur pour la discipline du cours pour lequel il est désigné dans l'enseignement artistique à temps partiel, aucun chargé de cours des établissements d'enseignement supérieur ne doit faire partie de la commission. La date de convocation est la date du cachet de la poste de l'invitation écrite aux membres de la commission ; " ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. A un membre du personnel qui a acquis, par la procédure visée au paragraphe 2, un titre jugé suffisant, un traitement/une subvention-traitement peut être payé(e) selon l'échelle de traitement 301 pour les missions du 1er, 2e et 3e degré et selon l'échelle de traitement 302 pour le 4e degré. ".
1° au paragraphe 2, 1°, b) le mot " orientation " est remplacé par le mot " domaine " ;
2° au paragraphe 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° le pouvoir organisateur ou son personnel mandaté convoque une commission consultative, qui se compose au moins de deux directeurs d'autres établissements d'enseignement artistique à temps partiel, qui organisent le domaine en question, et de deux chargés de cours, qui sont liés aux différents établissements de l'enseignement supérieur pour la discipline des cours pour lesquels l'expérience artistique du candidat doit être reconnue. Si un candidat est lié à un établissement d'enseignement supérieur ou à un projet d'enseignement artistique supérieur pour la discipline du cours pour lequel il est désigné dans l'enseignement artistique à temps partiel, aucun chargé de cours des établissements d'enseignement supérieur ne doit faire partie de la commission. La date de convocation est la date du cachet de la poste de l'invitation écrite aux membres de la commission ; " ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. A un membre du personnel qui a acquis, par la procédure visée au paragraphe 2, un titre jugé suffisant, un traitement/une subvention-traitement peut être payé(e) selon l'échelle de traitement 301 pour les missions du 1er, 2e et 3e degré et selon l'échelle de traitement 302 pour le 4e degré. ".
Art. 4. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013, wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de derde graad : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, § 1, 4° en 6°, alsook een diploma van doctor in de kunsten;".
"3° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de derde graad : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, § 1, 4° en 6°, alsook een diploma van doctor in de kunsten;".
Art. 4. A l'article 7, § 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2013, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° un titre d'enseignement supérieur artistique du troisième degré : un des diplômes de base, visés à l'article 6, § 1, 4° et 6°, ainsi qu'un diplôme de docteur en arts ; ".
" 3° un titre d'enseignement supérieur artistique du troisième degré : un des diplômes de base, visés à l'article 6, § 1, 4° et 6°, ainsi qu'un diplôme de docteur en arts ; ".
Art. 5. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 september 2006, 21 september 2007 en 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "studierichting "Beeldende Kunst"" vervangen door de woorden "domein Beeldende en audiovisuele kunst";
2° aan paragraaf 7 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"Voor de toepassing van dit besluit worden naast de diploma's, vermeld in het eerste en tweede lid, ook het volgende diploma en de volgende getuigschriften gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad :
1° het diploma van eerste prijs, andere dan de diploma's, vermeld in paragraaf 8 en 9, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs, met uitzondering van het diploma van eerste prijs notenleer;
2° de getuigschriften van de pedagogische leergangen, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren door een instelling of een afdeling van een instelling voor hoger kunstonderwijs.";
3° aan paragraaf 8 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Voor de toepassing van dit besluit worden naast de diploma's, vermeld in het eerste lid, ook het diploma van virtuositeit en het diploma van een eerste prijs compositie of orkestdirectie dat is uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs, gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs van het hoger kunstonderwijs van de derde graad.";
4° er wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 9. Voor de toepassing van dit besluit worden eveneens het hoger diploma en het diploma van eerste prijs fuga of contrapunt, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs, gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad.".
1° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "studierichting "Beeldende Kunst"" vervangen door de woorden "domein Beeldende en audiovisuele kunst";
2° aan paragraaf 7 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"Voor de toepassing van dit besluit worden naast de diploma's, vermeld in het eerste en tweede lid, ook het volgende diploma en de volgende getuigschriften gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad :
1° het diploma van eerste prijs, andere dan de diploma's, vermeld in paragraaf 8 en 9, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs, met uitzondering van het diploma van eerste prijs notenleer;
2° de getuigschriften van de pedagogische leergangen, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren door een instelling of een afdeling van een instelling voor hoger kunstonderwijs.";
3° aan paragraaf 8 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Voor de toepassing van dit besluit worden naast de diploma's, vermeld in het eerste lid, ook het diploma van virtuositeit en het diploma van een eerste prijs compositie of orkestdirectie dat is uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs, gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs van het hoger kunstonderwijs van de derde graad.";
4° er wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 9. Voor de toepassing van dit besluit worden eveneens het hoger diploma en het diploma van eerste prijs fuga of contrapunt, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs, gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad.".
Art. 5. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 8 septembre 2006, 21 septembre 2007 et 4 septembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3, le membre de phrase " orientation `Arts plastiques' " est remplacé par les mots " domaine Arts plastiques et audiovisuels " ;
2° au paragraphe 7, il est ajouté un troisième alinéa, qui s'énonce comme suit :
" Aux fins de l'application du présent arrêté, outre les diplômes visés aux alinéas premier et deuxième, le diplôme et les certificats suivants sont aussi assimilés à un titre de l'enseignement supérieur artistique du premier degré :
1° le diplôme de premier prix, autre que les diplômes visés aux paragraphes 8 et 9, délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la musique, à l'exception du diplôme de premier prix de solfège ;
2° les certificats de cours pédagogiques, délivrés après un cycle d'études d'au moins deux ans par un établissement ou une section d'un établissement d'enseignement supérieur artistique. " ;
3° au paragraphe 8, il est ajouté un deuxième alinéa, qui s'énonce comme suit :
" Aux fins de l'application du présent arrêté, outre les diplômes visés au premier alinéa, le diplôme de virtuosité et le diplôme de premier prix de composition ou de direction d'orchestre délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la musique sont aussi assimilés à un titre de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré. " ;
4° il est ajouté un paragraphe 9, libellé comme suit :
" § 9. Aux fins de l'application du présent arrêté, le diplôme supérieur et le diplôme de premier prix de fugue ou de contrepoint délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la musique sont également assimilés à un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré ".
1° au paragraphe 3, le membre de phrase " orientation `Arts plastiques' " est remplacé par les mots " domaine Arts plastiques et audiovisuels " ;
2° au paragraphe 7, il est ajouté un troisième alinéa, qui s'énonce comme suit :
" Aux fins de l'application du présent arrêté, outre les diplômes visés aux alinéas premier et deuxième, le diplôme et les certificats suivants sont aussi assimilés à un titre de l'enseignement supérieur artistique du premier degré :
1° le diplôme de premier prix, autre que les diplômes visés aux paragraphes 8 et 9, délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la musique, à l'exception du diplôme de premier prix de solfège ;
2° les certificats de cours pédagogiques, délivrés après un cycle d'études d'au moins deux ans par un établissement ou une section d'un établissement d'enseignement supérieur artistique. " ;
3° au paragraphe 8, il est ajouté un deuxième alinéa, qui s'énonce comme suit :
" Aux fins de l'application du présent arrêté, outre les diplômes visés au premier alinéa, le diplôme de virtuosité et le diplôme de premier prix de composition ou de direction d'orchestre délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la musique sont aussi assimilés à un titre de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré. " ;
4° il est ajouté un paragraphe 9, libellé comme suit :
" § 9. Aux fins de l'application du présent arrêté, le diplôme supérieur et le diplôme de premier prix de fugue ou de contrepoint délivré par un établissement d'enseignement supérieur de la musique sont également assimilés à un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré ".
Art. 6. In artikel 12, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1° worden de woorden "lagere en middelbare graad" vervangen door de zinsnede "1e, 2e en 3e graad";
2° in punt 2° worden de woorden "hogere graad en in de specialisatiegraad" vervangen door de zinsnede "4e graad".
1° in punt 1° worden de woorden "lagere en middelbare graad" vervangen door de zinsnede "1e, 2e en 3e graad";
2° in punt 2° worden de woorden "hogere graad en in de specialisatiegraad" vervangen door de zinsnede "4e graad".
Art. 6. A l'article 12, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 27 mai 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, les mots " du degré inférieur et moyen " sont remplacés par le membre de phrase " du 1e, 2e et 3e degré " ;
2° au point 2°, les mots " du degré supérieur ou du degré de spécialisation " sont remplacés par le membre de phrase " du 4e degré ".
1° au point 1°, les mots " du degré inférieur et moyen " sont remplacés par le membre de phrase " du 1e, 2e et 3e degré " ;
2° au point 2°, les mots " du degré supérieur ou du degré de spécialisation " sont remplacés par le membre de phrase " du 4e degré ".
Art. 7. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017, wordt een artikel 15ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 15ter. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in een vak in de studierichting beeldende kunst in het deeltijds kunstonderwijs;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in een vak in de studierichting beeldende kunst in het deeltijds kunstonderwijs in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een vak in een bepaalde graad waarvoor ze vastbenoemd zijn of waarin ze in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld of waarmee ze tijdelijk belast waren, en geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het vak in de overeenstemmende graad uit het domein beeldende en audiovisuele kunsten waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 3. De personeelsleden vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een vak in een bepaalde graad waarvoor ze vastbenoemd zijn of waarin ze in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld of waarmee ze tijdelijk belast waren, en geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het vak in de overeenstemmende graad uit het domein beeldende en audiovisuele kunsten waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 4. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2 en 3, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.".
"Art. 15ter. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in een vak in de studierichting beeldende kunst in het deeltijds kunstonderwijs;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in een vak in de studierichting beeldende kunst in het deeltijds kunstonderwijs in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een vak in een bepaalde graad waarvoor ze vastbenoemd zijn of waarin ze in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld of waarmee ze tijdelijk belast waren, en geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het vak in de overeenstemmende graad uit het domein beeldende en audiovisuele kunsten waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 3. De personeelsleden vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een vak in een bepaalde graad waarvoor ze vastbenoemd zijn of waarin ze in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld of waarmee ze tijdelijk belast waren, en geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het vak in de overeenstemmende graad uit het domein beeldende en audiovisuele kunsten waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 4. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2 en 3, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.".
Art. 7. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017, il est inséré un article 15ter, qui s'énonce comme suit :
" Art. 15ter. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans un cours de l'orientation Arts plastiques de l'enseignement artistique à temps partiel ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans un cours de l'orientation Arts plastiques de l'enseignement artistique à temps partiel au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre requis pour un cours d'un certain degré, pour lequel ils ont été nommés ou pour lequel ils ont été temporairement désignés ou chargés au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018, et qui n'ont aucun titre requis pour le cours dans le degré correspondant du domaine des arts plastiques et audiovisuels, pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre requis :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 3. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre jugé suffisant pour un cours d'un certain degré, pour lequel ils ont été nommés ou pour lequel ils ont été temporairement désignés ou chargés au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018, et qui n'ont aucun titre jugé suffisant pour le cours dans le degré correspondant du domaine des arts plastiques et audiovisuels pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre jugé suffisant :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 4. Les mesures transitoires visées aux paragraphes 2 et 3 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions ci-après :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période ininterrompue de deux années civiles au maximum. ".
" Art. 15ter. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans un cours de l'orientation Arts plastiques de l'enseignement artistique à temps partiel ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans un cours de l'orientation Arts plastiques de l'enseignement artistique à temps partiel au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre requis pour un cours d'un certain degré, pour lequel ils ont été nommés ou pour lequel ils ont été temporairement désignés ou chargés au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018, et qui n'ont aucun titre requis pour le cours dans le degré correspondant du domaine des arts plastiques et audiovisuels, pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre requis :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 3. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre jugé suffisant pour un cours d'un certain degré, pour lequel ils ont été nommés ou pour lequel ils ont été temporairement désignés ou chargés au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018, et qui n'ont aucun titre jugé suffisant pour le cours dans le degré correspondant du domaine des arts plastiques et audiovisuels pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre jugé suffisant :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 4. Les mesures transitoires visées aux paragraphes 2 et 3 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions ci-après :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période ininterrompue de deux années civiles au maximum. ".
Art. 8. De bijlage bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 2015, wordt vervangen door de bijlage die als bijlage 1, bij dit besluit is gevoegd.
Art. 8. L'annexe au même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 2015, est remplacée par l'annexe jointe en annexe 1 au présent arrêté.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van 31 juli 1990 van de Vlaamse Regering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans".
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du 31 juillet 1990 du Gouvernement flamand relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientations 'Musique', 'Arts de la parole' et 'Danse'.
Art. 9. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans", ", gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de woorden "bestuurs- en onderwijzend personeel" en de woorden "en van het opvoedend hulppersoneel" wordt de zinsnede "van het ondersteunend personeel" ingevoegd;
2° de zinsnede "studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans"" wordt vervangen door de zinsnede "domeinen "Muziek", Woordkunst-Drama" en "Dans"" .
1° tussen de woorden "bestuurs- en onderwijzend personeel" en de woorden "en van het opvoedend hulppersoneel" wordt de zinsnede "van het ondersteunend personeel" ingevoegd;
2° de zinsnede "studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans"" wordt vervangen door de zinsnede "domeinen "Muziek", Woordkunst-Drama" en "Dans"" .
Art. 9. A l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientations 'Musique', 'Arts de la parole' et 'Danse', modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008, il est apporté les modifications suivantes :
1° entre les mots " des membres du personnel directeur et enseignant " et les mots " et du personnel auxiliaire d'éducation ", le membre de phrase " , du personnel d'appui " est inséré ;
2° le membre de phrase " orientations `Musique', `Arts de la parole' et `Danse' est remplacé par le membre de phrase " domaines `Musique', `Arts de la parole-Théâtre' et `Danse'.
1° entre les mots " des membres du personnel directeur et enseignant " et les mots " et du personnel auxiliaire d'éducation ", le membre de phrase " , du personnel d'appui " est inséré ;
2° le membre de phrase " orientations `Musique', `Arts de la parole' et `Danse' est remplacé par le membre de phrase " domaines `Musique', `Arts de la parole-Théâtre' et `Danse'.
Art. 10. In artikel 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2007, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden die behoren tot de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het ondersteunend en van het opvoedend hulppersoneel van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen muziek, woordkunst-drama en dans, met inbegrip van de personeelsleden van de kunstacademies, als vermeld in artikel 3, 32°, van het decreet van 9 maart 2018. betreffende het deeltijds kunstonderwijs.".
" § 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden die behoren tot de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het ondersteunend en van het opvoedend hulppersoneel van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen muziek, woordkunst-drama en dans, met inbegrip van de personeelsleden van de kunstacademies, als vermeld in artikel 3, 32°, van het decreet van 9 maart 2018. betreffende het deeltijds kunstonderwijs.".
Art. 10. A l'article 1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 septembre 2007, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le présent arrêté s'applique aux membres du personnel relevant des catégories des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel d'appui et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, domaine Arts plastiques et audiovisuels, Musique, Arts de la parole-Théâtre et Danse, organisés et subventionnés par la Communauté flamande, y compris les membres du personnel des académies des beaux-arts, visés à l'article 3, 32° du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel. ".
" § 2. Le présent arrêté s'applique aux membres du personnel relevant des catégories des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel d'appui et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, domaine Arts plastiques et audiovisuels, Musique, Arts de la parole-Théâtre et Danse, organisés et subventionnés par la Communauté flamande, y compris les membres du personnel des académies des beaux-arts, visés à l'article 3, 32° du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel. ".
Art. 11. In artikel 3, § 3,2° van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van 10 maart 1998, worden de woorden "dezelfde studierichting" vervangen door de woorden "hetzelfde domein".
Art. 11. A l'article 3, § 3, 2° du même décret, inséré par l'arrêté du 10 mars 1998, les mots " la même orientation " sont remplacés par les mots " le même domaine ".
Art. 12. In artikel 5 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, 1°, c), wordt het woord "studierichting" vervangen door het woord "domein";
2° in paragraaf 2 wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
"2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit twee directeurs van andere instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die het domein in kwestie organiseren, en twee docenten, die verbonden zijn aan verschillende instellingen voor hoger onderwijs voor het studiegebied van de vakken waarvoor de artistieke ervaring van de kandidaat erkend moet worden. Voor het domein dans mogen de twee docenten tot dezelfde instelling voor hoger onderwijs behoren. Als een kandidaat verbonden is aan een instelling voor hoger onderwijs of aan een project hoger kunstonderwijs voor het studiegebied van het vak waarvoor hij aangesteld wordt in het deeltijds kunstonderwijs, hoeven er geen docenten van instellingen voor hoger onderwijs deel uit te maken van de commissie. Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Aan een personeelslid dat met de procedure, vermeld in paragraaf 2, een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een salaris(toelage) uitbetaald worden in de salarisschaal 301 voor opdrachten in de 1e, 2e en 3e graad en in de salarisschaal 302 in de 4e graad.".
1° in paragraaf 2, 1°, c), wordt het woord "studierichting" vervangen door het woord "domein";
2° in paragraaf 2 wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
"2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit twee directeurs van andere instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die het domein in kwestie organiseren, en twee docenten, die verbonden zijn aan verschillende instellingen voor hoger onderwijs voor het studiegebied van de vakken waarvoor de artistieke ervaring van de kandidaat erkend moet worden. Voor het domein dans mogen de twee docenten tot dezelfde instelling voor hoger onderwijs behoren. Als een kandidaat verbonden is aan een instelling voor hoger onderwijs of aan een project hoger kunstonderwijs voor het studiegebied van het vak waarvoor hij aangesteld wordt in het deeltijds kunstonderwijs, hoeven er geen docenten van instellingen voor hoger onderwijs deel uit te maken van de commissie. Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Aan een personeelslid dat met de procedure, vermeld in paragraaf 2, een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een salaris(toelage) uitbetaald worden in de salarisschaal 301 voor opdrachten in de 1e, 2e en 3e graad en in de salarisschaal 302 in de 4e graad.".
Art. 12. A l'article 5 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 14 février 2003, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, 1°, b) le mot " orientation " est remplacé par le mot " domaine " ;
2° au paragraphe 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° le pouvoir organisateur ou son personnel mandaté convoque une commission consultative, qui se compose au moins de deux directeurs d'autres établissements d'enseignement artistique à temps partiel, qui organisent le domaine en question, et de deux chargés de cours, qui sont liés à différents établissements de l'enseignement supérieur pour la discipline des cours pour lesquels l'expérience artistique du candidat doit être reconnue. Pour le domaine Danse, les deux chargés de cours peuvent appartenir au même établissement d'enseignement supérieur. Si un candidat est lié à un établissement d'enseignement supérieur ou à un projet d'enseignement artistique supérieur pour la discipline du cours pour lequel il est désigné dans l'enseignement artistique à temps partiel, aucun chargé de cours des établissements d'enseignement supérieur ne doit faire partie de la commission. La date de convocation est la date du cachet de la poste de l'invitation écrite aux membres de la commission " ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. A un membre du personnel qui a acquis, par la procédure visée au paragraphe 2, un titre jugé suffisant, un traitement/une subvention-traitement peut être payé(e) selon l'échelle de traitement 301 pour les missions du 1er, 2e et 3e degré et selon l'échelle de traitement 302 pour le 4e degré. ".
1° au paragraphe 2, 1°, b) le mot " orientation " est remplacé par le mot " domaine " ;
2° au paragraphe 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° le pouvoir organisateur ou son personnel mandaté convoque une commission consultative, qui se compose au moins de deux directeurs d'autres établissements d'enseignement artistique à temps partiel, qui organisent le domaine en question, et de deux chargés de cours, qui sont liés à différents établissements de l'enseignement supérieur pour la discipline des cours pour lesquels l'expérience artistique du candidat doit être reconnue. Pour le domaine Danse, les deux chargés de cours peuvent appartenir au même établissement d'enseignement supérieur. Si un candidat est lié à un établissement d'enseignement supérieur ou à un projet d'enseignement artistique supérieur pour la discipline du cours pour lequel il est désigné dans l'enseignement artistique à temps partiel, aucun chargé de cours des établissements d'enseignement supérieur ne doit faire partie de la commission. La date de convocation est la date du cachet de la poste de l'invitation écrite aux membres de la commission " ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. A un membre du personnel qui a acquis, par la procédure visée au paragraphe 2, un titre jugé suffisant, un traitement/une subvention-traitement peut être payé(e) selon l'échelle de traitement 301 pour les missions du 1er, 2e et 3e degré et selon l'échelle de traitement 302 pour le 4e degré. ".
Art. 13. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van 19 juli 2013, wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de derde graad : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, § 1, 4° en 6°, alsook een diploma van doctor in de kunsten;".
"3° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de derde graad : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, § 1, 4° en 6°, alsook een diploma van doctor in de kunsten;".
Art. 13. A l'article 7, § 1er du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du 19 juillet 2013, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° un titre d'enseignement supérieur artistique du troisième degré : un des diplômes de base, visés à l'article 6, § 1er, 4° et 6°, ainsi qu'un diplôme de docteur en arts ; ".
" 3° un titre d'enseignement supérieur artistique du troisième degré : un des diplômes de base, visés à l'article 6, § 1er, 4° et 6°, ainsi qu'un diplôme de docteur en arts ; ".
Art. 14. In artikel 8, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van van 2 december 1992, 10 maart 1998 en 14 februari 2003, wordt de zinsnede "studierichtingen "Muziek, Woordkunst en Dans" " vervangen door de zinsnede "domeinen "Muziek, woordkunst-drama en Dans" ".
Art. 14. A l'article 8, § 3, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992, 10 mars 1998 et 14 février 2003, le membre de phrase " orientations `Musique, Arts de la parole et Danse' " est remplacé par le membre de phrase " domaines `Musique, Arts de la parole-Théâtre et Danse' ". "
Art. 15. In artikel 10, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008, wordt het woord "woordkunst" vervangen door het woord "woordkunst-drama".
Art. 15. A l'article 10, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008, les mots " Arts de la parole " sont remplacés par les mots " Arts de la parole-Théâtre ".
Art. 16. In artikel 11, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008, wordt het woord "woordkunst" vervangen door het woord "woordkunst-drama".
Art. 16. A l'article 11, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008, les mots " Arts de la parole " sont remplacés par les mots " Arts de la parole-théâtre ".
Art. 17. In artikel 12, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "kunstvakken" worden telkens vervangen door de woorden "vakken";
2° in punt 1° worden de woorden "lagere en middelbare graad" vervangen door de zinsnede "1e, 2e en 3e graad";
3° in punt 2° worden de woorden "hogere graad" vervangen door de zinsnede "4e graad".
1° de woorden "kunstvakken" worden telkens vervangen door de woorden "vakken";
2° in punt 1° worden de woorden "lagere en middelbare graad" vervangen door de zinsnede "1e, 2e en 3e graad";
3° in punt 2° worden de woorden "hogere graad" vervangen door de zinsnede "4e graad".
Art. 17. A l'article 12, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " cours artistiques " sont chaque fois remplacés par les mots " cours " ;
2° au point 1°, les mots " du degré inférieur et moyen " sont remplacés par le membre de phrase " 1e, 2e et 3e degré " ;
3° au point 2°, les mots " du degré supérieur " sont remplacés par le membre de phrase " du 4e degré ".
1° les mots " cours artistiques " sont chaque fois remplacés par les mots " cours " ;
2° au point 1°, les mots " du degré inférieur et moyen " sont remplacés par le membre de phrase " 1e, 2e et 3e degré " ;
3° au point 2°, les mots " du degré supérieur " sont remplacés par le membre de phrase " du 4e degré ".
Art. 18. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017, wordt een artikel 15septies ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 15septies. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in een vak in de studierichtingen muziek, woordkunst of dans in het deeltijds kunstonderwijs;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in een vak in de studierichtingen muziek, woordkunst of dans in het deeltijds kunstonderwijs in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een vak in een bepaalde graad waarvoor ze vastbenoemd zijn of waarin ze in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld of waarmee ze tijdelijk belast waren, en geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het vak in de overeenstemmende graad uit hetzij het domein muziek, hetzij het domein woordkunst-drama, hetzij het domein dans, waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 3. De personeelsleden vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een vak in een bepaalde graad waarvoor ze vastbenoemd zijn of waarin ze in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld of waarmee ze tijdelijk belast waren, en geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het vak in de overeenstemmende graad uit hetzij het domein muziek, hetzij het domein woordkunst-drama, hetzij het domein dans, waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 4. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2 en § 3, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren."
"Art. 15septies. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in een vak in de studierichtingen muziek, woordkunst of dans in het deeltijds kunstonderwijs;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in een vak in de studierichtingen muziek, woordkunst of dans in het deeltijds kunstonderwijs in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een vak in een bepaalde graad waarvoor ze vastbenoemd zijn of waarin ze in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld of waarmee ze tijdelijk belast waren, en geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het vak in de overeenstemmende graad uit hetzij het domein muziek, hetzij het domein woordkunst-drama, hetzij het domein dans, waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 3. De personeelsleden vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een vak in een bepaalde graad waarvoor ze vastbenoemd zijn of waarin ze in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 tijdelijk aangesteld of waarmee ze tijdelijk belast waren, en geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het vak in de overeenstemmende graad uit hetzij het domein muziek, hetzij het domein woordkunst-drama, hetzij het domein dans, waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 4. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2 en § 3, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren."
Art. 18. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017, il est inséré un article 15septies, qui s'énonce comme suit :
" Art. 15septies. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans un cours des orientations Musique, Arts de la parole ou Danse de l'enseignement artistique à temps partiel ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans un cours des orientations Musique, Arts de la parole ou Danse de l'enseignement artistique à temps partiel au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre requis pour un cours d'un certain degré, pour lequel ils ont été nommés ou pour lequel ils ont été temporairement désignés ou chargés au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018, et qui n'ont aucun titre requis pour le cours dans le degré correspondant que ce soit dans les domaines Musique, Arts de la parole-Théâtre ou Danse, pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre requis :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 3. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre jugé suffisant pour un cours d'un certain degré, pour lequel ils ont été nommés ou pour lequel ils ont été temporairement désignés ou chargés au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018, et qui n'ont aucun titre jugé suffisant pour le cours dans le degré correspondant que ce soit dans les domaines Musique, Arts de la parole-Théâtre ou Danse, pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre jugé suffisant :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 4. Les mesures transitoires visées aux paragraphes 2 et 3 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions ci-après :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période continue de maximum deux années civiles. ".
" Art. 15septies. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans un cours des orientations Musique, Arts de la parole ou Danse de l'enseignement artistique à temps partiel ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans un cours des orientations Musique, Arts de la parole ou Danse de l'enseignement artistique à temps partiel au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre requis pour un cours d'un certain degré, pour lequel ils ont été nommés ou pour lequel ils ont été temporairement désignés ou chargés au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018, et qui n'ont aucun titre requis pour le cours dans le degré correspondant que ce soit dans les domaines Musique, Arts de la parole-Théâtre ou Danse, pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre requis :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 3. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre jugé suffisant pour un cours d'un certain degré, pour lequel ils ont été nommés ou pour lequel ils ont été temporairement désignés ou chargés au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018, et qui n'ont aucun titre jugé suffisant pour le cours dans le degré correspondant que ce soit dans les domaines Musique, Arts de la parole-Théâtre ou Danse, pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre jugé suffisant :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 4. Les mesures transitoires visées aux paragraphes 2 et 3 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions ci-après :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période continue de maximum deux années civiles. ".
Art. 19. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017, wordt een artikel 15octies ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 15octies. § 1. In afwijking van artikel 15septies, worden in het domein muziek overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in hetzij het kunstvak algemene muziektheorie, hetzij het kunstvak begeleidingspraktijk, hetzij het kunstvak instrument, hetzij het kunstvak instrument jazz en lichte muziek, hetzij het kunstvak instrument volksmuziek, hetzij het kunstvak muziektheorie, hetzij het kunstvak zang, hetzij het kunstvak zang jazz en lichte muziek, hetzij het kunstvak zang volksmuziek in de studierichting muziek in het deeltijds kunstonderwijs;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in hetzij het kunstvak algemene muziektheorie, hetzij het kunstvak begeleidingspraktijk, hetzij het kunstvak instrument, hetzij het kunstvak instrument jazz en lichte muziek, hetzij het kunstvak instrument volksmuziek, hetzij het kunstvak klankleer en klankopname praktijk, hetzij het kunstvak klankleer en klankopname theorie, hetzij het kunstvak muziektheorie, hetzij het kunstvak zang, hetzij het kunstvak zang jazz en lichte muziek, hetzij het kunstvak zang volksmuziek in de studierichting muziek in het deeltijds kunstonderwijs in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een van de vakken, vermeld in paragraaf 1, en geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het overeenstemmende vak uit het domein muziek waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 3. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een van de vakken, vermeld in paragraaf 1, en geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het overeenstemmende vak uit het domein muziek waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 4. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2 en § 3, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.".
"Art. 15octies. § 1. In afwijking van artikel 15septies, worden in het domein muziek overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in hetzij het kunstvak algemene muziektheorie, hetzij het kunstvak begeleidingspraktijk, hetzij het kunstvak instrument, hetzij het kunstvak instrument jazz en lichte muziek, hetzij het kunstvak instrument volksmuziek, hetzij het kunstvak muziektheorie, hetzij het kunstvak zang, hetzij het kunstvak zang jazz en lichte muziek, hetzij het kunstvak zang volksmuziek in de studierichting muziek in het deeltijds kunstonderwijs;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in hetzij het kunstvak algemene muziektheorie, hetzij het kunstvak begeleidingspraktijk, hetzij het kunstvak instrument, hetzij het kunstvak instrument jazz en lichte muziek, hetzij het kunstvak instrument volksmuziek, hetzij het kunstvak klankleer en klankopname praktijk, hetzij het kunstvak klankleer en klankopname theorie, hetzij het kunstvak muziektheorie, hetzij het kunstvak zang, hetzij het kunstvak zang jazz en lichte muziek, hetzij het kunstvak zang volksmuziek in de studierichting muziek in het deeltijds kunstonderwijs in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een van de vakken, vermeld in paragraaf 1, en geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het overeenstemmende vak uit het domein muziek waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 3. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een van de vakken, vermeld in paragraaf 1, en geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het overeenstemmende vak uit het domein muziek waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen respectievelijk een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs :
1° artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
4° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
§ 4. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2 en § 3, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.".
Art. 19. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017, il est inséré un article 15octies, qui s'énonce comme suit :
" Art. 15octies. § 1er. En dérogation à l'article 15septies, dans le domaine Musique, des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018, que ce soit dans le cours artistique théorie générale de la musique, le cours artistique pratique d'accompagnement, le cours artistique instrument, le cours artistique instrument jazz et musique légère, le cours artistique instrument musique populaire, le cours artistique théorie de la musique, le cours artistique chant, le cours artistique chant jazz et musique légère ou le cours artistique chant musique populaire de l'orientation Musique de l'enseignement artistique à temps partiel ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission que ce soit dans le cours artistique théorie générale de la musique, le cours artistique pratique d'accompagnement, le cours artistique instrument, le cours artistique instrument jazz et musique légère, le cours artistique instrument musique populaire, le cours artistique pratique apprentissage et enregistrement des sons, le cours artistique théorique apprentissage et enregistrement des sons, le cours artistique théorie de la musique, le cours artistique chant, le cours artistique chant jazz et musique légère ou le cours artistique chant musique populaire de l'orientation Musique de l'enseignement artistique à temps partiel au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre requis pour un des cours visés au paragraphe 1 et qui n'ont aucun titre requis pour le cours correspondant du domaine Musique pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre requis :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 3. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre jugé suffisant pour un des cours visés au paragraphe 1 et qui n'ont aucun titre jugé suffisant pour le cours correspondant du domaine Musique pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre jugé suffisant :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 4. Les mesures transitoires visées aux paragraphes 2 et 3 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions ci-après :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période ininterrompue de deux années civiles au maximum. ".
" Art. 15octies. § 1er. En dérogation à l'article 15septies, dans le domaine Musique, des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018, que ce soit dans le cours artistique théorie générale de la musique, le cours artistique pratique d'accompagnement, le cours artistique instrument, le cours artistique instrument jazz et musique légère, le cours artistique instrument musique populaire, le cours artistique théorie de la musique, le cours artistique chant, le cours artistique chant jazz et musique légère ou le cours artistique chant musique populaire de l'orientation Musique de l'enseignement artistique à temps partiel ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission que ce soit dans le cours artistique théorie générale de la musique, le cours artistique pratique d'accompagnement, le cours artistique instrument, le cours artistique instrument jazz et musique légère, le cours artistique instrument musique populaire, le cours artistique pratique apprentissage et enregistrement des sons, le cours artistique théorique apprentissage et enregistrement des sons, le cours artistique théorie de la musique, le cours artistique chant, le cours artistique chant jazz et musique légère ou le cours artistique chant musique populaire de l'orientation Musique de l'enseignement artistique à temps partiel au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre requis pour un des cours visés au paragraphe 1 et qui n'ont aucun titre requis pour le cours correspondant du domaine Musique pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre requis :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 3. Les membres du personnel visés au paragraphe 1, qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre jugé suffisant pour un des cours visés au paragraphe 1 et qui n'ont aucun titre jugé suffisant pour le cours correspondant du domaine Musique pour lequel ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance d'office ou individuelle respectivement, sont jugés porteurs d'un titre jugé suffisant :
1° article 56ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
3° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
4° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 4. Les mesures transitoires visées aux paragraphes 2 et 3 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions ci-après :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période ininterrompue de deux années civiles au maximum. ".
Art. 20. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017, wordt een artikel 15novies ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 15novies. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in het vak dansinitiatie;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 in het vak dansinitiatie.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het vak dansinitiatie en die vanaf 1 september 2018 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer hebben voor het vak dansinitiatie, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het vak dansinitiatie.
§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.".
"Art. 15novies. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in het vak dansinitiatie;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 in het vak dansinitiatie.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het vak dansinitiatie en die vanaf 1 september 2018 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer hebben voor het vak dansinitiatie, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het vak dansinitiatie.
§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.".
Art. 20. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017, il est inséré un article 15novies, qui s'énonce comme suit :
" Art. 15novies. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans le cours initiation à la danse ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans le cours initiation à la danse au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre jugé suffisant pour le cours initiation à la danse et qui n'ont à partir du 1er septembre 2018 plus aucun titre jugé suffisant pour le cours initiation à la danse, sont jugés porteurs d'un titre jugé suffisant pour le cours initiation à la danse.
§ 3. Les mesures transitoires visées au paragraphe 2 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions suivantes :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période ininterrompue de deux années civiles au maximum. ".
" Art. 15novies. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans le cours initiation à la danse ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans le cours initiation à la danse au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre jugé suffisant pour le cours initiation à la danse et qui n'ont à partir du 1er septembre 2018 plus aucun titre jugé suffisant pour le cours initiation à la danse, sont jugés porteurs d'un titre jugé suffisant pour le cours initiation à la danse.
§ 3. Les mesures transitoires visées au paragraphe 2 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions suivantes :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période ininterrompue de deux années civiles au maximum. ".
Art. 21. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017, wordt een artikel 15decies ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 15decies. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in het vak begeleidingspraktijk;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 in het vak begeleidingspraktijk.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het vak begeleidingspraktijk en die vanaf 1 september 2018 geen vereist bekwaamheidsbewijs meer hebben voor het vak begeleidingspraktijk, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het vak begeleidingspraktijk.
§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.".
"Art. 15decies. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in het vak begeleidingspraktijk;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 in het vak begeleidingspraktijk.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2018, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het vak begeleidingspraktijk en die vanaf 1 september 2018 geen vereist bekwaamheidsbewijs meer hebben voor het vak begeleidingspraktijk, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het vak begeleidingspraktijk.
§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend vanaf 1 september 2018, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :
1° de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd;
2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :
a) de vakantieperioden;
b) de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
c) de militaire dienst;
d) de perioden van wederoproeping;
e) de ziekte- en bevallingsverloven;
f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.".
Art. 21. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017, il est inséré un article 15decies, qui s'énonce comme suit :
" Art. 15decies. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans le cours pratique d'accompagnement ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans le cours pratique d'accompagnement au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre requis pour le cours pratique d'accompagnement et qui n'ont à partir du 1er septembre 2018 plus aucun titre requis pour le cours pratique d'accompagnement, sont jugés porteurs d'un titre requis pour le cours pratique d'accompagnement.
§ 3. Les mesures transitoires visées au paragraphe 2 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions suivantes :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période ininterrompue de deux années civiles au maximum. ".
" Art. 15decies. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans le cours pratique d'accompagnement ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans le cours pratique d'accompagnement au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er qui, sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, étaient porteurs, par disposition organique ou par mesure transitoire, d'un titre requis pour le cours pratique d'accompagnement et qui n'ont à partir du 1er septembre 2018 plus aucun titre requis pour le cours pratique d'accompagnement, sont jugés porteurs d'un titre requis pour le cours pratique d'accompagnement.
§ 3. Les mesures transitoires visées au paragraphe 2 sont accordées à partir du 1er septembre 2018, compte tenu des dispositions suivantes :
1° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 1° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
2° les membres du personnel visés au paragraphe 1, 2° conservent ces mesures transitoires tant qu'ils restent en service continu dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et tant qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Aux fins de l'application de la présente disposition, les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
a) les périodes de vacances ;
b) l'interruption de carrière et le crédit-soins ;
c) le service militaire ;
d) les périodes de rappel sous les armes ;
e) les congés de maladie et de maternité ;
f) le congé parental non rémunéré ;
g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle et/ou de protection de la maternité ;
h) le congé de courte durée avec maintien du traitement (de la subvention-traitement) à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
i) le congé sans maintien du traitement (de la subvention-traitement) ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
j) une interruption d'une période ininterrompue de deux années civiles au maximum. ".
Art. 22. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017, wordt een artikel 15undecies ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 15undecies. § 1. Er gelden overgangsmaatregelen voor de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in de hogere graad van het vak algemene muzikale vorming;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 in de hogere graad van het vak algemene muzikale vorming.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, behouden voor het vak of de vakken, waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen een individuele concordantie verkregen hebben, de salarisschaal die zij in de hogere graad voor het vak algemene muzikale vorming op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2018 ontvingen, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover ze beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal :
1° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991."
"Art. 15undecies. § 1. Er gelden overgangsmaatregelen voor de personeelsleden die :
1° uiterlijk op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in de hogere graad van het vak algemene muzikale vorming;
2° tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018 in de hogere graad van het vak algemene muzikale vorming.
§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, behouden voor het vak of de vakken, waarvoor ze met toepassing van een van de volgende bepalingen een individuele concordantie verkregen hebben, de salarisschaal die zij in de hogere graad voor het vak algemene muzikale vorming op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2018 ontvingen, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover ze beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal :
1° artikel 56quater van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° artikel 74quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991."
Art. 22. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017, il est inséré un article 15undecies, qui s'énonce comme suit :
" Art. 15undecies. § 1er. Les mesures transitoires s'appliquent aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans le degré supérieur du cours formation musicale générale ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans le degré supérieur du cours formation musicale générale au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er conservent, pour le ou les cours pour lesquels ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance individuelle, l'échelle de traitement qu'ils recevaient dans le degré supérieur pour le cours formation musicale générale sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, à moins que le titre dont ils disposent donne droit à une échelle de traitement supérieure :
1° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
" Art. 15undecies. § 1er. Les mesures transitoires s'appliquent aux membres du personnel qui :
1° ont été nommés au plus tard le 31 août 2018 dans le degré supérieur du cours formation musicale générale ;
2° ont été temporairement désignés ou chargés d'une mission dans le degré supérieur du cours formation musicale générale au cours des années scolaires 2015-2016, 2016-2017 ou 2017-2018.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er conservent, pour le ou les cours pour lesquels ils ont acquis en application de l'une des dispositions suivantes une concordance individuelle, l'échelle de traitement qu'ils recevaient dans le degré supérieur pour le cours formation musicale générale sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2018, à moins que le titre dont ils disposent donne droit à une échelle de traitement supérieure :
1° article 56quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
2° article 74quinquies du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
Art. 23. De bijlage bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014, wordt vervangen door de bijlage, die als bijlage 2, bij dit besluit is gevoegd.
Art. 23. L'annexe au même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 octobre 2014, est remplacée par l'annexe jointe en annexe 2 au présent arrêté.
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 24. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2018.
Art. 24. Le présent arrêté entre en vigueur le samedi 1er septembre 2018.
Art. 25. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 25. La Ministre flamande compétente pour l'enseignement est chargée de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 13-07-2018, p. 56236)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 13-07-2018, p. 56236)