Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 MAART 2018. - Decreet betreffende de woninghuurovereenkomst(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-03-2018 en tekstbijwerking tot 16-07-2024)
Titre
15 MARS 2018. - Décret relatif au bail d'habitation(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-03-2018 et mise à jour au 16-07-2024)
Dokumentinformationen
Numac: 2018201408
Datum: 2018-03-15
Info du document
Numac: 2018201408
Date: 2018-03-15
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsomsc...
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen betreffende...
Afdeling 1. - Essentiële onderdelen van het huu...
Afdeling 2. - Openbare mededeling
Afdeling 3. - Rechten en verplichtingen van de ...
Afdeling 4. - Rechten en verplichtingen van de ...
Afdeling 5. - Aan de huurders opgelegde kosten ...
Afdeling 6. - Indexering
Afdeling 7. - Plaatsbeschrijving
Afdeling 8. - Uitvoeringsmodaliteiten en einde ...
Afdeling 9. - Overdracht van de verhuurde woning
Afdeling 10. - Overlijden van de huurder
Afdeling 11. - Onderverhuring
Afdeling 12. - Overdracht van de huurovereenkomst
Afdeling 13. - Renovatiehuurovereenkomst
Afdeling 14. - Verhuring van de goederen van mi...
Afdeling 15. [1 - Oplossing van conflicten]1
HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen betreffe...
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Afdeling 2. - Essentiële onderdelen van het huu...
Afdeling 3. - Duur van de huurovereenkomst
Afdeling 4. - Verlenging wegens buitengewone om...
Afdeling 5. - Indexering
Afdeling 6. - Herziening van de huurprijs en va...
Afdeling 7. - Onroerende voorheffing
Afdeling 8. - Onderverhuring
Afdeling 9. - Waarborg
Afdeling 10. - Overdracht van de verhuurde woning
Afdeling 11. - Bemiddeling door een derde voor ...
HOOFDSTUK IV. - Bijzondere bepalingen betreffen...
HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen betreffend...
HOOFDSTUK VI. - Glijdende huurovereenkomst
HOOFDSTUK VII. - Indicatief rooster van de huur...
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingsbepaling
HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepaling
HOOFDSTUK X. - Opheffingsbepaling
HOOFDSTUK XI. - Machtiging van de Regering met ...
HOOFDSTUK XII. - Slotbepaling
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions
CHAPITRE II. - Dispositions générales relatives...
Section 1. - Eléments essentiels du contrat de ...
Section 2. - Communication publique
Section 3. - Droits et obligations du bailleur
Section 4. - Droits et obligations du preneur
Section 5. - Frais et charges imposés aux preneurs
Section 6. - Indexation
Section 7. - Etat des lieux
Section 8. - Modalités d'exécution et de fin de...
Section 9. - Transmission de l'habitation louée
Section 10. - Décès du preneur
Section 11. - Sous-location
Section 12. - Cession de bail
Section 13. - Du bail à rénovation
Section 14. - Baux des biens des mineurs
Section 15. [1 - Résolution des conflits]1
CHAPITRE III. - Dispositions particulières rela...
Section 1. - Champ d'application
Section 2. - Obligation d'enregistrement du con...
Section 3. - Durée du bail
Section 4. - Prorogation pour circonstances exc...
Section 5. - Indexation
Section 6. - Révision du loyer et des charges
Section 7. - Précompte immobilier
Section 8. - Sous location
Section 9. - Garantie
Section 10. - Transmission de l'habitation louée
Section 11. - Intervention d'un tiers à la loca...
CHAPITRE IV. - Dispositions particulières relat...
CHAPITRE V. - Dispositions particulières relati...
CHAPITRE VI. - Du bail glissant
CHAPITRE VII. - Grille indicative des loyers
CHAPITRE VIII. - Disposition modificative
CHAPITRE IX. - Disposition transitoire
CHAPITRE X. - Disposition abrogatoire
CHAPITRE XI. - Habilitation du Gouvernement en ...
CHAPITRE XII. - Disposition finale
Tekst (138)
Texte (138)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsomschrijvingen
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions
Artikel 1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 6, § 1, IV, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het is van toepassing op de woninghuurovereenkomsten bepaald in artikel 2, 1°.
Article 1er. Le présent décret règle une matière visée à l'article 6, § 1er, IV, 2°, de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980. Il s'applique aux baux d'habitation définis à l'article 2, 1°.
Art.2. In de zin van dit decreet wordt verstaan onder :
1° woninghuurovereenkomst, hierna "huurovereenkomst" genoemd: de huurovereenkomst betreffende [1 een woning of een microwoning, ongeacht of het een roerend dan wel een onroerend goed of een gedeelte ervan betreft]1 bestemd om als woning te dienen, met uitsluiting van toeristische logies in de zin van het Waalse Toerismewetboek [3 en initiatieven voor beschut wonen bedoeld in artikel 538/80, 1°, van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid]3;
2° medehuurovereenkomst: de huur van eenzelfde woning door meerdere medehuurders die een medehuurpact ondertekend hebben uiterlijk op de ondertekening van het huurcontract en waarvan de datum van ondertekening in het huurcontract wordt vermeld. Bedoelde medehuurovereenkomst wordt formeel vastgelegd door het sluiten van één contract tussen de medehuurders en de verhuurder. De verhuurde woning bevat minstens een woonkamer of een voor alle medehuurders gemeenschappelijk sanitair lokaal;
3° de medehuurder: de huurder die de medehuurovereenkomst heeft ondertekend. Twee personen die een echtpaar vormen of twee wettelijke samenwoners mogen niet onder elkaar medehuurders zijn. Het echtpaar of de wettelijke samenwoners mogen nochtans één van de huurders vormen in een medehuurovereenkomst;
4° medehuurpact: de overeenkomst gesloten tussen de medehuurders die hun wederzijdse rechten en verplichtingen bepaalt;
5° studentenwoninghuurovereenkomst: de woninghuurovereenkomst betreffende de huur van een goed, door of voor rekening van een student, in het kader van de voltooiing van zijn studies en onder de voorwaarden van hoofdstuk 5;
6° [2 student: de persoon die regelmatig ingeschreven is en zijn studies volgt in een instelling van het secundair of hoger onderwijs;]2
7° studies in een instelling van het secundair onderwijs: de studies verstrekt binnen inrichtingen van het secundair onderwijs, georganiseerd of gesubsidieerd in de vorm van een gewoon of gespecialiseerd onderwijs in de zin van het decreet van 24 juli1997dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren;
8° studies in een inrichting van het hoger onderwijs: de studies van eerste, tweede of derde cyclus verstrekt binnen inrichtingen van het hoger onderwijs bedoeld in de artikelen 10 tot 13 van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies.
1° woninghuurovereenkomst, hierna "huurovereenkomst" genoemd: de huurovereenkomst betreffende [1 een woning of een microwoning, ongeacht of het een roerend dan wel een onroerend goed of een gedeelte ervan betreft]1 bestemd om als woning te dienen, met uitsluiting van toeristische logies in de zin van het Waalse Toerismewetboek [3 en initiatieven voor beschut wonen bedoeld in artikel 538/80, 1°, van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid]3;
2° medehuurovereenkomst: de huur van eenzelfde woning door meerdere medehuurders die een medehuurpact ondertekend hebben uiterlijk op de ondertekening van het huurcontract en waarvan de datum van ondertekening in het huurcontract wordt vermeld. Bedoelde medehuurovereenkomst wordt formeel vastgelegd door het sluiten van één contract tussen de medehuurders en de verhuurder. De verhuurde woning bevat minstens een woonkamer of een voor alle medehuurders gemeenschappelijk sanitair lokaal;
3° de medehuurder: de huurder die de medehuurovereenkomst heeft ondertekend. Twee personen die een echtpaar vormen of twee wettelijke samenwoners mogen niet onder elkaar medehuurders zijn. Het echtpaar of de wettelijke samenwoners mogen nochtans één van de huurders vormen in een medehuurovereenkomst;
4° medehuurpact: de overeenkomst gesloten tussen de medehuurders die hun wederzijdse rechten en verplichtingen bepaalt;
5° studentenwoninghuurovereenkomst: de woninghuurovereenkomst betreffende de huur van een goed, door of voor rekening van een student, in het kader van de voltooiing van zijn studies en onder de voorwaarden van hoofdstuk 5;
6° [2 student: de persoon die regelmatig ingeschreven is en zijn studies volgt in een instelling van het secundair of hoger onderwijs;]2
7° studies in een instelling van het secundair onderwijs: de studies verstrekt binnen inrichtingen van het secundair onderwijs, georganiseerd of gesubsidieerd in de vorm van een gewoon of gespecialiseerd onderwijs in de zin van het decreet van 24 juli1997dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren;
8° studies in een inrichting van het hoger onderwijs: de studies van eerste, tweede of derde cyclus verstrekt binnen inrichtingen van het hoger onderwijs bedoeld in de artikelen 10 tot 13 van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies.
Art.2. Au sens du présent décret, on entend par :
1° le bail d'habitation ci-dessous nommé " bail " : le bail relatif à un [1 logement ou une habitation légère, qu'il s'agisse d'un bien meuble ou immeuble ou partie de celui-ci,]1 destiné à servir d'habitation, à l'exclusion des hébergements touristiques au sens du Code wallon du Tourisme [3 et des initiatives d'habitations protégées visées à l'article 538/30, 1°, du Code wallon de l'Action sociale et de la Santé]3;
2° bail de colocation : la location d'un même bien par plusieurs colocataires ayant signé un pacte de colocation au plus tard à la signature du contrat de bail et dont la date de signature est reprise dans le contrat de bail. Il est formalisé par la conclusion d'un contrat unique entre les colocataires et le bailleur. L'habitation prise en location comprend au minimum une pièce d'habitation ou un local sanitaire commun à tous les colocataires;
3° le colocataire : le preneur partie au bail de colocation. Deux personnes formant un couple marié ou de cohabitants légaux ne peuvent être colocataires entre eux. Le couple marié ou de cohabitants légaux peut néanmoins former un des preneurs dans un bail de colocation;
4° le pacte de colocation : la convention conclue entre les colocataires qui fixe leurs droits et devoirs réciproques;
5° le bail étudiant : le bail d'habitation relatif à la location d'un bien, par ou pour le compte d'un étudiant, dans le cadre de l'accomplissement de ses études et aux conditions du chapitre 5;
6° [2 l'étudiant : la personne qui est régulièrement inscrite et poursuit ses études dans un établissement d'enseignement secondaire ou supérieur;]2;
7° les études dans un établissement d'enseignement secondaire : les études dispensées au sein d'établissements d'enseignement secondaire, organisées ou subventionnées sous la forme d'un enseignement ordinaire ou spécialisé au sens du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre;
8° les études dans un établissement d'enseignement supérieur : les études de premier, deuxième ou troisième cycle dispensées au sein des établissements d'enseignement supérieur visés dans les articles 10 à 13 du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études.
1° le bail d'habitation ci-dessous nommé " bail " : le bail relatif à un [1 logement ou une habitation légère, qu'il s'agisse d'un bien meuble ou immeuble ou partie de celui-ci,]1 destiné à servir d'habitation, à l'exclusion des hébergements touristiques au sens du Code wallon du Tourisme [3 et des initiatives d'habitations protégées visées à l'article 538/30, 1°, du Code wallon de l'Action sociale et de la Santé]3;
2° bail de colocation : la location d'un même bien par plusieurs colocataires ayant signé un pacte de colocation au plus tard à la signature du contrat de bail et dont la date de signature est reprise dans le contrat de bail. Il est formalisé par la conclusion d'un contrat unique entre les colocataires et le bailleur. L'habitation prise en location comprend au minimum une pièce d'habitation ou un local sanitaire commun à tous les colocataires;
3° le colocataire : le preneur partie au bail de colocation. Deux personnes formant un couple marié ou de cohabitants légaux ne peuvent être colocataires entre eux. Le couple marié ou de cohabitants légaux peut néanmoins former un des preneurs dans un bail de colocation;
4° le pacte de colocation : la convention conclue entre les colocataires qui fixe leurs droits et devoirs réciproques;
5° le bail étudiant : le bail d'habitation relatif à la location d'un bien, par ou pour le compte d'un étudiant, dans le cadre de l'accomplissement de ses études et aux conditions du chapitre 5;
6° [2 l'étudiant : la personne qui est régulièrement inscrite et poursuit ses études dans un établissement d'enseignement secondaire ou supérieur;]2;
7° les études dans un établissement d'enseignement secondaire : les études dispensées au sein d'établissements d'enseignement secondaire, organisées ou subventionnées sous la forme d'un enseignement ordinaire ou spécialisé au sens du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre;
8° les études dans un établissement d'enseignement supérieur : les études de premier, deuxième ou troisième cycle dispensées au sein des établissements d'enseignement supérieur visés dans les articles 10 à 13 du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études.
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen betreffende de woninghuurovereenkomsten
CHAPITRE II. - Dispositions générales relatives aux baux d'habitation
Afdeling 1. - Essentiële onderdelen van het huurcontract
Section 1. - Eléments essentiels du contrat de bail
Art.3. § 1. Van elke huurovereenkomst moet een geschrift worden opgesteld.
Het geschrift bevat minstens:
1° de identiteit van alle contracterende partijen, namelijk:
a) voor de natuurlijke personen, hun naam en twee eerste voornamen, hun woonplaats, geboortedatum en -plaats;
b) voor de rechtspersonen, hun vennootschapsnaam en hun ondernemingsnummer bedoeld in artikel III, 17°, van het Wetboek van economisch recht; indien ze het bovenvermelde identificatienummer niet gekregen hebben, wordt dit nummer vervangen door de maatschappelijke zetel;
2° de ingangsdatum;
3° de duur van de huurovereenkomst;
4° het soort huurovereenkomst;
5° de aanwijzing van alle ruimtes en gedeelten van het gebouw die het voorwerp van de verhuur zijn;
6° het bedrag van de huurprijs, last exclusief;
7° het bedrag en de aard van de eventuele gemeenschappelijke lasten;
8° het bedrag en de aard van de privatieve lasten indien ze forfaitair zijn;
9° de aanwijzing van het forfaitair of provisioneel karakter van de eventuele privatieve en gemeenschappelijke lasten;
10° in collectieve woongebouwen, indien het bedrag van de lasten niet forfaitair is, de wijze van berekening van de lasten en de verrichte verdeling;
11° de vermelding van het bestaan van individuele of gemeenschappelijke meters;.
12° de datum van het laatste EPB-attest wanneer het vereist wordt bij het decreet van 28 november 2013 decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestatie van gebouwen alsook prestatie-index toegekend aan het verhuurde goed.
Indien aan een partij bij een dergelijke akte nog geen ondernemingsnummer is toegekend, bevestigt die partij, wat punt 1°, b) betreft, dit in de akte of in een ondertekende aanvullende verklaring onderaan de akte.
De partij die haar verplichting tot identificatie met het in het tweede lid beoogde nummer niet nakomt, draagt alle gevolgen van het gebrek aan registratie van de huurovereenkomst.
§ 2. De Regering stelt een bijlage op voor elke type huurovereenkomsten, die een synthetische en pedagogische uitleg van de wettelijke bepalingen betreffende de volgende elementen omvat :
- de bepalingen inzake de gezondheid, veiligheid en bewoonbaarheid; een uitleg over de aard van een dwingende regel;
- de bepalingen betreffende de schriftelijke huurovereenkomst, de registratie en de kosteloosheid van de registratie;
- de duur van de huurovereenkomst;
- de mogelijkheden om de huurprijs te herzien, de indexering, de lasten;
- de regels opgesteld inzake de huurherstellingen; de mogelijkheden om de huurovereenkomst te beëindigen en de erbij horende bepalingen;
- de bepalingen in verband met de verandering van eigenaar; de mogelijkheden voor de partijen om bijgestaan te kunnen worden bij een geschil. Deze bijlage zal verplichtend bij de huurovereenkomst worden gevoegd.
§ 2. De meest gerede contracterende partij kan, bij gebreke van uitvoering binnen acht dagen na een ingebrekestelling die betekend wordt bij een aangetekende brief of bij deurwaardersexploot, de andere partij in voorkomend geval via gerechtelijke weg verplichten om een schriftelijke overeenkomst op te stellen, te vervolledigen of te ondertekenen overeenkomstig paragraaf 1 en indien nodig verzoeken dat het vonnis de waarde zou hebben van een schriftelijke huurovereenkomst.
De bevoegdheid van de rechter wordt beperkt door het voorafgaandelijk bestaan van een mondeling contract tussen de partijen.
§ 3. De Regering stelt een standaardmodel van een huurcontract ten indicatieve titel vast.
§ 5. De § § 1 en 3 zijn van dwingend recht.
Het geschrift bevat minstens:
1° de identiteit van alle contracterende partijen, namelijk:
a) voor de natuurlijke personen, hun naam en twee eerste voornamen, hun woonplaats, geboortedatum en -plaats;
b) voor de rechtspersonen, hun vennootschapsnaam en hun ondernemingsnummer bedoeld in artikel III, 17°, van het Wetboek van economisch recht; indien ze het bovenvermelde identificatienummer niet gekregen hebben, wordt dit nummer vervangen door de maatschappelijke zetel;
2° de ingangsdatum;
3° de duur van de huurovereenkomst;
4° het soort huurovereenkomst;
5° de aanwijzing van alle ruimtes en gedeelten van het gebouw die het voorwerp van de verhuur zijn;
6° het bedrag van de huurprijs, last exclusief;
7° het bedrag en de aard van de eventuele gemeenschappelijke lasten;
8° het bedrag en de aard van de privatieve lasten indien ze forfaitair zijn;
9° de aanwijzing van het forfaitair of provisioneel karakter van de eventuele privatieve en gemeenschappelijke lasten;
10° in collectieve woongebouwen, indien het bedrag van de lasten niet forfaitair is, de wijze van berekening van de lasten en de verrichte verdeling;
11° de vermelding van het bestaan van individuele of gemeenschappelijke meters;.
12° de datum van het laatste EPB-attest wanneer het vereist wordt bij het decreet van 28 november 2013 decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestatie van gebouwen alsook prestatie-index toegekend aan het verhuurde goed.
Indien aan een partij bij een dergelijke akte nog geen ondernemingsnummer is toegekend, bevestigt die partij, wat punt 1°, b) betreft, dit in de akte of in een ondertekende aanvullende verklaring onderaan de akte.
De partij die haar verplichting tot identificatie met het in het tweede lid beoogde nummer niet nakomt, draagt alle gevolgen van het gebrek aan registratie van de huurovereenkomst.
§ 2. De Regering stelt een bijlage op voor elke type huurovereenkomsten, die een synthetische en pedagogische uitleg van de wettelijke bepalingen betreffende de volgende elementen omvat :
- de bepalingen inzake de gezondheid, veiligheid en bewoonbaarheid; een uitleg over de aard van een dwingende regel;
- de bepalingen betreffende de schriftelijke huurovereenkomst, de registratie en de kosteloosheid van de registratie;
- de duur van de huurovereenkomst;
- de mogelijkheden om de huurprijs te herzien, de indexering, de lasten;
- de regels opgesteld inzake de huurherstellingen; de mogelijkheden om de huurovereenkomst te beëindigen en de erbij horende bepalingen;
- de bepalingen in verband met de verandering van eigenaar; de mogelijkheden voor de partijen om bijgestaan te kunnen worden bij een geschil. Deze bijlage zal verplichtend bij de huurovereenkomst worden gevoegd.
§ 2. De meest gerede contracterende partij kan, bij gebreke van uitvoering binnen acht dagen na een ingebrekestelling die betekend wordt bij een aangetekende brief of bij deurwaardersexploot, de andere partij in voorkomend geval via gerechtelijke weg verplichten om een schriftelijke overeenkomst op te stellen, te vervolledigen of te ondertekenen overeenkomstig paragraaf 1 en indien nodig verzoeken dat het vonnis de waarde zou hebben van een schriftelijke huurovereenkomst.
De bevoegdheid van de rechter wordt beperkt door het voorafgaandelijk bestaan van een mondeling contract tussen de partijen.
§ 3. De Regering stelt een standaardmodel van een huurcontract ten indicatieve titel vast.
§ 5. De § § 1 en 3 zijn van dwingend recht.
Art.3. § 1er. Tout bail est établi par un écrit.
Cet écrit contient à tout le moins :
1° l'identité de toutes les parties contractantes, à savoir :
a) pour les personnes physiques, leurs nom et deux premiers prénoms, leurs domicile, date et lieu de naissance;
b) pour les personnes morales, leur dénomination sociale et leur numéro d'entreprise visé à l'article III, 17°, du Code de droit économique; à défaut de s'être vu attribuer le numéro d'identification précité, celui-ci est remplacé par le siège social;
2° la date de prise en cours;
3° la durée du bail;
4° le type de bail;
5° la désignation de toutes les pièces et parties d'immeuble couvrant l'objet locatif;
6° le montant du loyer hors charge;
7° le montant et la nature des charges communes éventuelles;
8° le montant et la nature des charges privatives si celles-ci ont un caractère forfaitaire;
9° l'indication du caractère forfaitaire ou provisionnel des charges privatives et communes éventuelles;
10° dans le cas d'immeubles à habitations multiples, si le montant des charges n'est pas forfaitaire, le mode de calcul des charges et la répartition effectuée;
11° la mention de l'existence de compteurs individuels ou collectifs.
12° la date du dernier certificat PEB lorsque celui-ci est requis par le décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments ainsi que l'indice de performance attribué au bien loué.
Concernant le 1°, b), lorsqu'une partie à un tel acte ne s'est pas encore vu attribuer de numéro d'entreprise, elle le certifie dans l'acte ou dans une déclaration complétive signée au pied de l'acte.
La partie qui manque à son obligation d'identification par le numéro visé à l'alinéa 2, supporte toutes les conséquences de l'absence d'enregistrement du bail.
§ 2. Le Gouvernement rédige une annexe pour chaque type de baux, contenant une explication synthétique et pédagogique des dispositions légales relatives aux éléments suivants :
- les dispositions en matière de normes de salubrité, sécurité et habitabilité; une explication sur la nature d'une règle impérative;
- les dispositions relatives au bail écrit, à son enregistrement et à la gratuité de l'enregistrement;
- la durée du bail;
- les possibilités de révision du loyer, l'indexation, les charges;
- les règles établies en matière de réparations locatives; les possibilités de mettre fin au bail et les dispositions y afférant;
- les dispositions liées au changement de propriétaire; les possibilités pour les parties de pouvoir être assistées en cas de litige. Cette annexe est obligatoirement jointe au contrat de bail.
§ 3. La partie contractante la plus diligente peut, faute d'exécution dans les huit jours d'une mise en demeure signifiée par envoi recommandé ou par exploit d'huissier, contraindre l'autre partie, par voie procédurale s'il y échet, à dresser, compléter ou signer une convention écrite selon le paragraphe 1er et requérir si besoin que le jugement vaille bail écrit.
La compétence du juge est limitée par l'existence préalable d'un contrat oral entre les parties.
§ 4. Le Gouvernement arrête un modèle-type de contrat de bail à valeur indicative.
§ 5. Les paragraphes 1er et 3 sont impératifs.
Cet écrit contient à tout le moins :
1° l'identité de toutes les parties contractantes, à savoir :
a) pour les personnes physiques, leurs nom et deux premiers prénoms, leurs domicile, date et lieu de naissance;
b) pour les personnes morales, leur dénomination sociale et leur numéro d'entreprise visé à l'article III, 17°, du Code de droit économique; à défaut de s'être vu attribuer le numéro d'identification précité, celui-ci est remplacé par le siège social;
2° la date de prise en cours;
3° la durée du bail;
4° le type de bail;
5° la désignation de toutes les pièces et parties d'immeuble couvrant l'objet locatif;
6° le montant du loyer hors charge;
7° le montant et la nature des charges communes éventuelles;
8° le montant et la nature des charges privatives si celles-ci ont un caractère forfaitaire;
9° l'indication du caractère forfaitaire ou provisionnel des charges privatives et communes éventuelles;
10° dans le cas d'immeubles à habitations multiples, si le montant des charges n'est pas forfaitaire, le mode de calcul des charges et la répartition effectuée;
11° la mention de l'existence de compteurs individuels ou collectifs.
12° la date du dernier certificat PEB lorsque celui-ci est requis par le décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments ainsi que l'indice de performance attribué au bien loué.
Concernant le 1°, b), lorsqu'une partie à un tel acte ne s'est pas encore vu attribuer de numéro d'entreprise, elle le certifie dans l'acte ou dans une déclaration complétive signée au pied de l'acte.
La partie qui manque à son obligation d'identification par le numéro visé à l'alinéa 2, supporte toutes les conséquences de l'absence d'enregistrement du bail.
§ 2. Le Gouvernement rédige une annexe pour chaque type de baux, contenant une explication synthétique et pédagogique des dispositions légales relatives aux éléments suivants :
- les dispositions en matière de normes de salubrité, sécurité et habitabilité; une explication sur la nature d'une règle impérative;
- les dispositions relatives au bail écrit, à son enregistrement et à la gratuité de l'enregistrement;
- la durée du bail;
- les possibilités de révision du loyer, l'indexation, les charges;
- les règles établies en matière de réparations locatives; les possibilités de mettre fin au bail et les dispositions y afférant;
- les dispositions liées au changement de propriétaire; les possibilités pour les parties de pouvoir être assistées en cas de litige. Cette annexe est obligatoirement jointe au contrat de bail.
§ 3. La partie contractante la plus diligente peut, faute d'exécution dans les huit jours d'une mise en demeure signifiée par envoi recommandé ou par exploit d'huissier, contraindre l'autre partie, par voie procédurale s'il y échet, à dresser, compléter ou signer une convention écrite selon le paragraphe 1er et requérir si besoin que le jugement vaille bail écrit.
La compétence du juge est limitée par l'existence préalable d'un contrat oral entre les parties.
§ 4. Le Gouvernement arrête un modèle-type de contrat de bail à valeur indicative.
§ 5. Les paragraphes 1er et 3 sont impératifs.
Art.4. Indien een huurovereenkomst die zonder geschrift is aangegaan, nog op generlei wijze is ten uitvoer gebracht, en een van de partijen die ontkent, kan het bewijs door getuigen niet worden toegelaten, hoe gering de huurovereenkomstprijs ook is, en hoewel men aanvoert dat er handgeld is gegeven.
Alleen de eed kan worden opgedragen aan hem die de huurovereenkomst ontkent.
Alleen de eed kan worden opgedragen aan hem die de huurovereenkomst ontkent.
Art.4. Si le bail fait sans écrit n'a encore reçu aucune exécution, et que l'une des parties le nie, la preuve ne peut être reçue par témoins, quelque modique qu'en soit le prix, et quoiqu'on allègue qu'il y a eu des arrhes données.
Le serment peut seulement être déféré à celui qui nie le bail.
Le serment peut seulement être déféré à celui qui nie le bail.
Afdeling 2. - Openbare mededeling
Section 2. - Communication publique
Art.5. § 1. Onverminderd de artikelen 34, § 4, en 36 van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestatie van gebouwen en de sancties die gebonden zijn aan de schending van die bepalingen, bevat elke openbare of officiële mededeling minstens de volgende gegevens :
1° het bedrag van de huurprijs, last exclusief;
2° het forfaitair of provisioneel karakter van de eventuele privatieve en gemeenschappelijke lasten;
3° het bedrag en de aard van de eventuele gemeenschappelijke lasten;
4° het bedrag en de aard van de privatieve lasten indien ze forfaitair zijn.
§ 2. In geval van niet-naleving door de verhuurder of dienst lasthebber van de in § 1 bedoelde verplichtingen, kan een administratieve boete tussen 50 en 200 euro opgelegd worden.
De gemeenten kunnen, als gedecentraliseerde overheden, de niet-naleving van dit artikel vaststellen, vervolgen en bestraffen. De gemeente waar het goed is gelegen, is daarvoor bevoegd. Die niet-naleving wordt vastgesteld, vervolgd en bestraft volgens de vormen, termijnen en procedures waarin voorzien in de artikelen 6, 7, 20, 21, § § 1 en 3, 25, 26, § § 1 en 3, 27, eerste en vierde lid, 30, 31, 33, eerste lid, 43 en 44, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties.
1° het bedrag van de huurprijs, last exclusief;
2° het forfaitair of provisioneel karakter van de eventuele privatieve en gemeenschappelijke lasten;
3° het bedrag en de aard van de eventuele gemeenschappelijke lasten;
4° het bedrag en de aard van de privatieve lasten indien ze forfaitair zijn.
§ 2. In geval van niet-naleving door de verhuurder of dienst lasthebber van de in § 1 bedoelde verplichtingen, kan een administratieve boete tussen 50 en 200 euro opgelegd worden.
De gemeenten kunnen, als gedecentraliseerde overheden, de niet-naleving van dit artikel vaststellen, vervolgen en bestraffen. De gemeente waar het goed is gelegen, is daarvoor bevoegd. Die niet-naleving wordt vastgesteld, vervolgd en bestraft volgens de vormen, termijnen en procedures waarin voorzien in de artikelen 6, 7, 20, 21, § § 1 en 3, 25, 26, § § 1 en 3, 27, eerste en vierde lid, 30, 31, 33, eerste lid, 43 en 44, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties.
Art.5. § 1er. Sans préjudice des articles 34, § 4, et 36 du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments et des sanctions qui sont attachées à la violation de ces dispositions, toute communication publique ou officielle de mise en location contient à tout le moins :
1° le montant du loyer hors charges;
2° le caractère forfaitaire ou provisionnel des charges privatives et communes éventuelles;
3° le montant et la nature des charges communes éventuelles;
4° le montant et la nature des charges privatives si celles-ci ont un caractère forfaitaire.
§ 2. Tout non-respect par le bailleur ou son mandataire des obligations visées au paragraphe 1er peut entraîner le paiement d'une amende administrative fixée entre 50 euros et 200 euros.
Les communes, en tant qu'autorité décentralisée, peuvent constater, poursuivre et sanctionner les manquements aux obligations du présent article. La commune compétente est celle où le bien est situé. Ces manquements sont constatés, poursuivis et sanctionnés selon les formes, délais et procédures visés aux articles 6, 7, 20, 21, § § 1er et 3, 25, 26, § § 1er et 3, 27 alinéas 1er et 4, 30, 31, 33 alinéa 1er, 43 et 44 de la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales.
1° le montant du loyer hors charges;
2° le caractère forfaitaire ou provisionnel des charges privatives et communes éventuelles;
3° le montant et la nature des charges communes éventuelles;
4° le montant et la nature des charges privatives si celles-ci ont un caractère forfaitaire.
§ 2. Tout non-respect par le bailleur ou son mandataire des obligations visées au paragraphe 1er peut entraîner le paiement d'une amende administrative fixée entre 50 euros et 200 euros.
Les communes, en tant qu'autorité décentralisée, peuvent constater, poursuivre et sanctionner les manquements aux obligations du présent article. La commune compétente est celle où le bien est situé. Ces manquements sont constatés, poursuivis et sanctionnés selon les formes, délais et procédures visés aux articles 6, 7, 20, 21, § § 1er et 3, 25, 26, § § 1er et 3, 27 alinéas 1er et 4, 30, 31, 33 alinéa 1er, 43 et 44 de la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales.
Afdeling 3. - Rechten en verplichtingen van de verhuurder
Section 3. - Droits et obligations du bailleur
Art.6. De verhuurder kiest de huurder vrij en zonder discriminatie in de zin van het decreet van 6 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie.
De verhuurder kan, met het oog op het opstellen en sluiten van het huurcontract, de volgende algemene gegevens, en in voorkomend geval, de desbetreffende bewijsstukken bij de kandidaat-huurder inwinnen :
1° de naam en voornaam van de kandidaat-huurder(s);
2° een communicatiemiddel met de kandidaat-huurder;
3° het adres van de kandidaat;
4° de geboortedatum of, in voorkomend geval, een bewijs van zijn bekwaamheid om te contracteren;
5° de samenstelling van het gezin;
6° de burgerlijke stand van de huurder indien hij getrouwd of wettelijke samenwoner is;
7° het bedrag van de financiële middelen waarover de kandidaat- huurder beschikt;
8° het bewijs van de betaling van de laatste drie huurprijzen.
De verhuurder mag geen andere gegevens eisen, tenzij ze een rechtmatig doel heeft en de aanvraag om serieuze redenen in verhouding tot de nagestreefde doestelling wordt gerechtvaardigd.
Het derde lid is van toepassing onverminderd voor de vastgoedbeheerders om de inlichtingen in te winnen die nodig zijn voor de uitoefening van hun opdrachten bepaald in het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1.
Dat artikel is van openbare orde.
De verhuurder kan, met het oog op het opstellen en sluiten van het huurcontract, de volgende algemene gegevens, en in voorkomend geval, de desbetreffende bewijsstukken bij de kandidaat-huurder inwinnen :
1° de naam en voornaam van de kandidaat-huurder(s);
2° een communicatiemiddel met de kandidaat-huurder;
3° het adres van de kandidaat;
4° de geboortedatum of, in voorkomend geval, een bewijs van zijn bekwaamheid om te contracteren;
5° de samenstelling van het gezin;
6° de burgerlijke stand van de huurder indien hij getrouwd of wettelijke samenwoner is;
7° het bedrag van de financiële middelen waarover de kandidaat- huurder beschikt;
8° het bewijs van de betaling van de laatste drie huurprijzen.
De verhuurder mag geen andere gegevens eisen, tenzij ze een rechtmatig doel heeft en de aanvraag om serieuze redenen in verhouding tot de nagestreefde doestelling wordt gerechtvaardigd.
Het derde lid is van toepassing onverminderd voor de vastgoedbeheerders om de inlichtingen in te winnen die nodig zijn voor de uitoefening van hun opdrachten bepaald in het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1.
Dat artikel is van openbare orde.
Art.6. Le bailleur choisit le preneur librement et sans discrimination, au sens du décret du 6 novembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination.
Le bailleur peut solliciter auprès du candidat preneur les données générales suivantes en vue de procéder à la sélection et à la conclusion du contrat de bail, et le cas échéant, les justificatifs y afférents :
1° nom et prénom du ou des candidats preneurs;
2° un moyen de communication avec le candidat;
3° l'adresse du candidat;
4° la date de naissance ou, le cas échéant, une preuve de la capacité à contracter;
5° la composition de ménage;
6° l'état civil du preneur s'il est marié ou cohabitant légal;
7° le montant des ressources financières dont dispose le candidat-preneur;
8° la preuve du paiement des trois derniers loyers.
Aucune autre donnée ne peut être exigée de la part du bailleur à moins qu'elle poursuive une finalité légitime et que la demande soit justifiée par des motifs sérieux, proportionnés avec la finalité poursuivie.
L'alinéa 3 s'applique sans préjudice pour les opérateurs immobiliers de requérir les informations nécessaires à l'exercice de leurs missions définies dans le [1 Code wallon de l'habitation durable]1.
Cet article est d'ordre public.
Le bailleur peut solliciter auprès du candidat preneur les données générales suivantes en vue de procéder à la sélection et à la conclusion du contrat de bail, et le cas échéant, les justificatifs y afférents :
1° nom et prénom du ou des candidats preneurs;
2° un moyen de communication avec le candidat;
3° l'adresse du candidat;
4° la date de naissance ou, le cas échéant, une preuve de la capacité à contracter;
5° la composition de ménage;
6° l'état civil du preneur s'il est marié ou cohabitant légal;
7° le montant des ressources financières dont dispose le candidat-preneur;
8° la preuve du paiement des trois derniers loyers.
Aucune autre donnée ne peut être exigée de la part du bailleur à moins qu'elle poursuive une finalité légitime et que la demande soit justifiée par des motifs sérieux, proportionnés avec la finalité poursuivie.
L'alinéa 3 s'applique sans préjudice pour les opérateurs immobiliers de requérir les informations nécessaires à l'exercice de leurs missions définies dans le [1 Code wallon de l'habitation durable]1.
Cet article est d'ordre public.
Art.7. De verhuurder :
1° levert het verhuurde goed in alle opzichten in goede staat van onderhoud aan de huurder;
2° onderhoudt dat goed in zodanige staat dat het kan dienen tot het gebruik waartoe het verhuurd is en moet daaraan alle herstellingen doen, die nodig mochten worden, behalve de herstellingen ten laste van de huurder;
3° laat de huurder het rustig genot daarvan hebben;
4° verandert de gedaante van het verhuurde goed niet.
1° levert het verhuurde goed in alle opzichten in goede staat van onderhoud aan de huurder;
2° onderhoudt dat goed in zodanige staat dat het kan dienen tot het gebruik waartoe het verhuurd is en moet daaraan alle herstellingen doen, die nodig mochten worden, behalve de herstellingen ten laste van de huurder;
3° laat de huurder het rustig genot daarvan hebben;
4° verandert de gedaante van het verhuurde goed niet.
Art.7. Le bailleur :
1° délivre au preneur la chose louée en bon état de réparations de toute espèce;
2° entretient cette chose en état de servir à l'usage pour laquelle elle a été louée et y fait toutes les réparations qui peuvent devenir nécessaires, autres que locatives;
3° en fait jouir paisiblement le preneur;
4° ne change pas la forme de la chose louée.
1° délivre au preneur la chose louée en bon état de réparations de toute espèce;
2° entretient cette chose en état de servir à l'usage pour laquelle elle a été louée et y fait toutes les réparations qui peuvent devenir nécessaires, autres que locatives;
3° en fait jouir paisiblement le preneur;
4° ne change pas la forme de la chose louée.
Art.8. De herstellingen die geacht worden herstellingen ten laste van de huurder te zijn, komen voor rekening van de verhuurder, wanneer alleen ouderdom of overmacht daartoe aanleiding hebben gegeven.
De Regering legt een niet-limitatieve lijst van de huurherstellingen vast.
De Regering legt een niet-limitatieve lijst van de huurherstellingen vast.
Art.8. Les réparations réputées locatives occasionnées uniquement par la vétusté ou force majeure sont à charge du bailleur.
Le Gouvernement arrête une liste non limitative des réparations locatives.
Le Gouvernement arrête une liste non limitative des réparations locatives.
Art.9. § 1. Behalve in het geval [2 ...]2 van een renovatiehuurovereenkomst voldoet de verhuurde woning aan de elementaire vereisten inzake veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid bedoeld in de artikelen 3 tot 4bis van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1.
§ 2. Indien de verhuurde woning niet voldoet aan de in § 1 bedoelde elementaire vereisten en indien de verhuurder, die vooraf is aangemaand, de werken die nodig zijn om het verhuurde goed in overeenstemming te brengen, niet uitvoert, heeft de huurder de keuze, wanneer de niet-naleving niet aan hem toe te schrijven is, ofwel de uitvoering te eisen van de werken, ofwel de ontbinding van het huurcontract te vragen met schadevergoeding.
In afwachting van de uitvoering van de werken, kan de rechter een vermindering van de huurprijs toestaan.
§ 2. Indien de verhuurde woning niet voldoet aan de in § 1 bedoelde elementaire vereisten en indien de verhuurder, die vooraf is aangemaand, de werken die nodig zijn om het verhuurde goed in overeenstemming te brengen, niet uitvoert, heeft de huurder de keuze, wanneer de niet-naleving niet aan hem toe te schrijven is, ofwel de uitvoering te eisen van de werken, ofwel de ontbinding van het huurcontract te vragen met schadevergoeding.
In afwachting van de uitvoering van de werken, kan de rechter een vermindering van de huurprijs toestaan.
Art.9. § 1er. Sauf dans l'hypothèse [2 ...]2 d'un bail à rénovation, l'habitation louée répond aux exigences de sécurité, de salubrité et d'habitabilité visées aux articles 3 à 4bis du [1 Code wallon de l'habitation durable]1.
§ 2. Si l'habitation louée ne répond pas aux exigences élémentaires visées au paragraphe 1er, et si le bailleur, préalablement mis en demeure, n'exécute pas les travaux nécessaires pour mettre le bien loué en conformité, le preneur, lorsque la non-conformité ne lui est pas imputable, peut soit exiger l'exécution de ces travaux, soit demander la résolution du contrat avec dommages et intérêts.
En attendant l'exécution des travaux, le juge peut accorder une diminution du loyer.
§ 2. Si l'habitation louée ne répond pas aux exigences élémentaires visées au paragraphe 1er, et si le bailleur, préalablement mis en demeure, n'exécute pas les travaux nécessaires pour mettre le bien loué en conformité, le preneur, lorsque la non-conformité ne lui est pas imputable, peut soit exiger l'exécution de ces travaux, soit demander la résolution du contrat avec dommages et intérêts.
En attendant l'exécution des travaux, le juge peut accorder une diminution du loyer.
Art.10. Vrijwaring is verschuldigd aan de huurder voor alle gebreken van het verhuurde goed, die het gebruik daarvan verhinderen, ook al mocht de verhuurder die bij het aangaan van de huurovereenkomst niet hebben gekend.
Indien door die gebreken enig verlies voor de huurder ontstaat, is de verhuurder verplicht hem daarvoor schadeloos te stellen.
Indien door die gebreken enig verlies voor de huurder ontstaat, is de verhuurder verplicht hem daarvoor schadeloos te stellen.
Art.10. Il est dû garantie au preneur pour tous les vices ou défauts de la chose louée qui en empêchent l'usage, quand même le bailleur ne les aurait pas connus lors de la conclusion du bail.
S'il résulte de ces vices ou défauts quelque perte pour le preneur, le bailleur est tenu de l'indemniser.
S'il résulte de ces vices ou défauts quelque perte pour le preneur, le bailleur est tenu de l'indemniser.
Art.11. Indien de huurder het verhuurde goed voor een ander gebruik bezigt dan waarvoor het bestemd was, of voor een gebruik waaruit enig nadeel kan ontstaan voor de verhuurder, kan deze, naar gelang van de omstandigheden, de huurovereenkomst doen ontbinden.
Art.11. Si le preneur emploie la chose louée à un autre usage que celui auquel elle a été destinée, ou dont il puisse résulter un dommage pour le bailleur, celui-ci peut, suivant les circonstances, demander la résolution du bail.
Art.12. Indien het verhuurde goed gedurende de huurtijd door toeval geheel is teniet gegaan, is de huurovereenkomst van rechtswege ontbonden; indien het goed slechts ten dele is teniet gegaan, kan de huurder, naar gelang van de omstandigheden, ofwel een vermindering van de prijs, ofwel zelfs ontbinding van de huurovereenkomst vorderen. In geen van beide gevallen is schadeloosstelling verschuldigd.
Art.12. Si, pendant la durée du bail, la chose louée est détruite en totalité par cas fortuit, le bail est résilié de plein droit; si elle n'est détruite qu'en partie, le preneur peut, suivant les circonstances, demander ou une diminution du prix, ou la résiliation du bail. Dans l'un et l'autre cas, il n'y a lieu à aucun dédommagement.
Art.13. De verhuurder is niet verplicht de huurder te vrijwaren voor de stoornis die derden hem door feitelijkheden toebrengen in zijn genot, zonder dat zij overigens beweren enig recht op het verhuurde goed te hebben; onverminderd het recht van de huurder om hen in eigen naam te vervolgen.
Art.13. Le bailleur n'est pas tenu de garantir le preneur du trouble que des tiers apportent par voies de fait à sa jouissance, sans prétendre d'ailleurs aucun droit sur la chose louée; sauf au preneur à les poursuivre en son nom personnel.
Afdeling 4. - Rechten en verplichtingen van de huurder
Section 4. - Droits et obligations du preneur
Art.14. De huurder is gehouden :
1° het verhuurde te gebruiken als een goed huisvader, en volgens de bestemming welke bij het huurcontract daaraan gegeven is, of volgens die welke, bij gebreke van overeenkomst daaromtrent, naar gelang van de omstandigheden vermoed wordt.
2° de huurprijs op de bepaalde termijnen te betalen.
1° het verhuurde te gebruiken als een goed huisvader, en volgens de bestemming welke bij het huurcontract daaraan gegeven is, of volgens die welke, bij gebreke van overeenkomst daaromtrent, naar gelang van de omstandigheden vermoed wordt.
2° de huurprijs op de bepaalde termijnen te betalen.
Art.14. Le preneur :
1° use de la chose louée en bon père de famille, et suivant la destination qui lui a été donnée par le bail, ou suivant celle présumée d'après les circonstances, à défaut de convention;
2° paye le prix du bail aux termes et délais convenus.
1° use de la chose louée en bon père de famille, et suivant la destination qui lui a été donnée par le bail, ou suivant celle présumée d'après les circonstances, à défaut de convention;
2° paye le prix du bail aux termes et délais convenus.
Art.15. De huurder is gehouden tot de huurherstellingen en tot de geringe herstellingen tot onderhoud. Onder huurherstellingen en geringe herstellingen tot onderhoud wordt verstaan de onbelangrijke herstellingen te wijten aan het normaal gebruik van de plaats door de huurder.
Art.15. Le preneur est tenu des réparations locatives ou de menu entretien. On entend par réparations locatives ou de menu entretien les réparations de minimes importances et dues à l'utilisation normale des lieux par le preneur.
Art.16. De huurder is aansprakelijk voor de beschadigingen of de verliezen die gedurende zijn huurtijd ontstaan, tenzij hij bewijst dat die buiten zijn schuld hebben plaatsgehad.
Art.16. Le preneur répond des dégradations ou des pertes qui arrivent pendant sa jouissance, à moins qu'il ne prouve qu'elles ont eu lieu sans sa faute.
Art.17. § 1. De huurder is aansprakelijk voor brand, tenzij hij bewijst dat de brand buiten zijn schuld is ontstaan.
§ 2. De in § 1 bedoelde aansprakelijkheid van de huurder wordt door een verzekering gedekt.
Tenzij de partijen anders overeenkomen, sluit de huurder deze verzekering vóór de intrek in de woning. Hij levert jaarlijks het bewijs van de betaling van de premies. Indien de huurder het bewijs van de betaling van de premies niet levert binnen de maand volgend de intrek in de woning of, later, binnen de maand volgend op de verjaardatum van de intrek in de woning, kan de verhuurder zijn verzekeringsinstelling die de woning verzekert, verzoeken om ten voordeel van de huurder een clausule van afstand van verhaal toe te voegen in zijn verzekeringscontract "woning". In dit geval kan hij de kosten doorberekenen aan de huurder. De franchise kan ten laste komen van de huurder indien hij aansprakelijk is.
§ 2. De in § 1 bedoelde aansprakelijkheid van de huurder wordt door een verzekering gedekt.
Tenzij de partijen anders overeenkomen, sluit de huurder deze verzekering vóór de intrek in de woning. Hij levert jaarlijks het bewijs van de betaling van de premies. Indien de huurder het bewijs van de betaling van de premies niet levert binnen de maand volgend de intrek in de woning of, later, binnen de maand volgend op de verjaardatum van de intrek in de woning, kan de verhuurder zijn verzekeringsinstelling die de woning verzekert, verzoeken om ten voordeel van de huurder een clausule van afstand van verhaal toe te voegen in zijn verzekeringscontract "woning". In dit geval kan hij de kosten doorberekenen aan de huurder. De franchise kan ten laste komen van de huurder indien hij aansprakelijk is.
Art.17. § 1er. Le preneur répond de l'incendie, à moins qu'il ne prouve que celui-ci s'est déclaré sans sa faute.
§ 2. La responsabilité du preneur visée au paragraphe 1er est couverte par une assurance.
Sauf si les parties en conviennent autrement, le preneur contracte cette assurance préalablement à l'entrée dans les lieux. Il apporte la preuve du paiement des primes annuellement. Si le preneur reste en défaut d'apporter la preuve du paiement des primes dans le mois suivant l'entrée dans les lieux ou, ultérieurement, dans le mois suivant la date anniversaire de l'entrée dans les lieux, le bailleur peut solliciter auprès de son organisme assureur assurant l'habitation d'ajouter, au profit du preneur, une clause d'abandon de recours à son contrat d'assurance " habitation ". Dans ce cas, il peut en répercuter le coût au preneur. La franchise peut être laissée à charge du preneur si sa responsabilité est engagée.
§ 2. La responsabilité du preneur visée au paragraphe 1er est couverte par une assurance.
Sauf si les parties en conviennent autrement, le preneur contracte cette assurance préalablement à l'entrée dans les lieux. Il apporte la preuve du paiement des primes annuellement. Si le preneur reste en défaut d'apporter la preuve du paiement des primes dans le mois suivant l'entrée dans les lieux ou, ultérieurement, dans le mois suivant la date anniversaire de l'entrée dans les lieux, le bailleur peut solliciter auprès de son organisme assureur assurant l'habitation d'ajouter, au profit du preneur, une clause d'abandon de recours à son contrat d'assurance " habitation ". Dans ce cas, il peut en répercuter le coût au preneur. La franchise peut être laissée à charge du preneur si sa responsabilité est engagée.
Art.18. De huurder is aansprakelijk voor de beschadigingen en de verliezen die ontstaan door toedoen van zijn huisgenoten of van zijn onderhuurders.
Art.18. Le preneur est tenu des dégradations et des pertes qui arrivent par le fait des personnes de son habitation ou de ses sous-locataires.
Art.19. In geval van ontbinding van de huurovereenkomst door de schuld van de huurder, is deze verplicht de huurprijs te betalen gedurende de tijd die voor de wederverhuring nodig is, onverminderd de vergoeding van de schade die door het wangebruik mocht zijn veroorzaakt.
Art.19. En cas de résolution par la faute du preneur, celui-ci est tenu de payer le prix du bail pendant le temps nécessaire à la relocation, sans préjudice des dommages et intérêts qui ont pu résulter de l'abus.
Art.20. Het feit dat de huurder het huis niet van genoegzaam huisraad voorziet, vormt een onrechtmatige oorzaak van ontbinding van de huurovereenkomst, tenzij hij voldoende zekerheid stelt voor de betaling van de huurprijs.
Art.20. Le défaut du preneur de garnir le bien d'habitation de meubles en suffisance, constitue une cause de résolution fautive du bail, à moins qu'il ne donne des sûretés capables de répondre du loyer.
Art.21. Indien het verhuurde goed gedurende de huurtijd dringende herstellingen nodig heeft, die niet tot na het eindigen van de huurovereenkomst kunnen worden uitgesteld of indien energiebesparende werken, waarvan de lijst door de Regering wordt opgemaakt, uitgevoerd worden onder voorwaarden bepaald door de Regering, moet de huurder die gedogen, welke ongemakken hem daardoor ook mochten worden veroorzaakt, en al zou hij gedurende de herstellingen het genot van een gedeelte van het verhuurde goed moeten derven.
Indien echter die herstellingen langer dan veertig dagen duren, wordt de huurprijs verminderd naar evenredigheid van de tijd en van het gedeelte van het verhuurde goed waarvan hij het genot heeft moeten derven.
Indien de herstellingen of de energiebesparende werken van dien aard zijn dat hetgeen noodzakelijk is voor de huisvesting van de huurder en van zijn gezin, daardoor onbewoonbaar wordt, kan hij de huurovereenkomst doen ontbinden.
Indien echter die herstellingen langer dan veertig dagen duren, wordt de huurprijs verminderd naar evenredigheid van de tijd en van het gedeelte van het verhuurde goed waarvan hij het genot heeft moeten derven.
Indien de herstellingen of de energiebesparende werken van dien aard zijn dat hetgeen noodzakelijk is voor de huisvesting van de huurder en van zijn gezin, daardoor onbewoonbaar wordt, kan hij de huurovereenkomst doen ontbinden.
Art.21. Si, durant le bail, la chose louée a besoin de réparations urgentes et qui ne puissent être différées jusqu'à sa fin ou si des travaux économiseurs d'énergie dont la liste est établie par le Gouvernement sont réalisés aux conditions fixées par celui-ci, le preneur doit les souffrir, quelque incommodité qu'elles lui causent, et quoiqu'il soit privé, pendant qu'elles se font, d'une partie de la chose louée.
Si ces réparations ou ces travaux économiseurs d'énergie durent plus de quarante jours, le prix du bail sera diminué à proportion du temps et de la partie de la chose louée dont il aura été privé.
Si les réparations ou les travaux économiseurs d'énergie sont de telle nature qu'ils rendent inhabitable ce qui est nécessaire au logement du preneur et de sa famille, celui-ci pourra faire résilier le bail.
Si ces réparations ou ces travaux économiseurs d'énergie durent plus de quarante jours, le prix du bail sera diminué à proportion du temps et de la partie de la chose louée dont il aura été privé.
Si les réparations ou les travaux économiseurs d'énergie sont de telle nature qu'ils rendent inhabitable ce qui est nécessaire au logement du preneur et de sa famille, celui-ci pourra faire résilier le bail.
Art.22. Indien de huurder in zijn genot is gestoord ten gevolge van een rechtsvordering betreffende de eigendom van het erf, heeft hij recht op een evenredige vermindering van de huurprijs, mits van de stoornis en de belemmering aan de verhuurder is kennis gegeven.
Art.22. Si le preneur a été troublé dans sa jouissance par suite d'une action concernant la propriété du fonds, il a droit à une diminution proportionnée sur le prix du bail, pourvu que le trouble et l'empêchement aient été dénoncés au bailleur.
Art.23. Indien zij die de feitelijkheden hebben begaan, beweren enig recht op het verhuurde goed te hebben, of indien de huurder zelf in rechte gedagvaard wordt om te worden verwezen tot ontruiming van het geheel of van een gedeelte van het goed, of om de uitoefening van enige erfdienstbaarheid te gedogen, moet de huurder de verhuurder in vrijwaring oproepen, en, indien hij het eist, zal hij buiten het geding gesteld worden, mits hij de verhuurder noemt, voor wie hij bezit.
Art.23. Si ceux qui ont commis les voies de fait prétendent avoir quelque droit sur la chose louée ou si le preneur est lui-même cité en justice pour se voir condamner au délaissement de la totalité ou de partie de cette chose, ou à souffrir l'exercice de quelque servitude, il doit appeler le bailleur en garantie, et doit être mis hors d'instance, s'il l'exige, en nommant le bailleur pour lequel il possède.
Afdeling 5. - Aan de huurders opgelegde kosten en lasten
Section 5. - Frais et charges imposés aux preneurs
Art.24. § 1. Behalve wanneer uitdrukkelijk overeengekomen is dat de aan de huurder opgelegde kosten en lasten in vaste bedragen worden bepaald, moeten ze met werkelijke uitgaven overeenkomen.
Deze kosten en lasten moeten in een afzonderlijke rekening worden opgegeven.
De stukken die van deze uitgaven doen blijken en die de rubrieken en de gedetailleerde berekeningen (formules, quotiteiten...) omvatten, moeten worden overgelegd.
In het geval van een onroerend goed bestaande uit meerdere appartementen, waarvan het beheer wordt waargenomen door eenzelfde persoon, wordt aan de verplichting voldaan zodra de verhuurder aan de huurder een opgave van de kosten en de lasten doet toekomen en aan de huurder of aan zijn bijzondere gemachtigde de mogelijkheid is geboden de stukken in te zien ten huize van de natuurlijke persoon of op de zetel van de rechtspersoon die het beheer waarneemt.
§ 2. De contractuele bepalingen welke in strijd zijn met paragraaf 1 zijn nietig.
Deze kosten en lasten moeten in een afzonderlijke rekening worden opgegeven.
De stukken die van deze uitgaven doen blijken en die de rubrieken en de gedetailleerde berekeningen (formules, quotiteiten...) omvatten, moeten worden overgelegd.
In het geval van een onroerend goed bestaande uit meerdere appartementen, waarvan het beheer wordt waargenomen door eenzelfde persoon, wordt aan de verplichting voldaan zodra de verhuurder aan de huurder een opgave van de kosten en de lasten doet toekomen en aan de huurder of aan zijn bijzondere gemachtigde de mogelijkheid is geboden de stukken in te zien ten huize van de natuurlijke persoon of op de zetel van de rechtspersoon die het beheer waarneemt.
§ 2. De contractuele bepalingen welke in strijd zijn met paragraaf 1 zijn nietig.
Art.24. § 1er. Sauf dans le cas où il a été expressément convenu que les frais et charges imposés au preneur sont fixés forfaitairement, ils correspondent à des dépenses réelles.
Ces frais et charges sont mentionnés dans un compte distinct.
L'ensemble des documents établissant ces dépenses, reprenant les rubriques et les calculs détaillés (formules, quotités...), sont produits.
Dans le cas d'immeubles à appartements multiples, dont la gestion est assurée par une même personne, l'obligation est remplie dès lors que le bailleur fait parvenir au preneur un relevé des frais et charges, et que la possibilité est offerte à celui-ci ou à son mandataire spécial, de consulter les documents au domicile de la personne physique ou au siège de la personne morale qui assure la gestion.
§ 2. Les dispositions contractuelles contraires au paragraphe 1er sont nulles.
Ces frais et charges sont mentionnés dans un compte distinct.
L'ensemble des documents établissant ces dépenses, reprenant les rubriques et les calculs détaillés (formules, quotités...), sont produits.
Dans le cas d'immeubles à appartements multiples, dont la gestion est assurée par une même personne, l'obligation est remplie dès lors que le bailleur fait parvenir au preneur un relevé des frais et charges, et que la possibilité est offerte à celui-ci ou à son mandataire spécial, de consulter les documents au domicile de la personne physique ou au siège de la personne morale qui assure la gestion.
§ 2. Les dispositions contractuelles contraires au paragraphe 1er sont nulles.
Art.25. § 1. Indien de huurder meer betaald heeft dan hij in toepassing van dit decreet of et huurcontract verschuldigd is moet hem het teveel betaalde op zijn verzoek worden terugbetaald.
Dit verzoek dient aan de verhuurder te worden verzonden bij aangetekende brief.
De teruggave kan evenwel slechts geëist worden voor de bedragen die vervallen zijn en betaald werden tijdens de 5 jaar die aan dit verzoek voorafgaan.
De vordering tot teruggave verjaart door verloop van een termijn van één jaar, zoals bepaald in artikel 2273 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. De contractuele bepalingen welke in strijd zijn met paragraaf 1 zijn nietig.
Dit verzoek dient aan de verhuurder te worden verzonden bij aangetekende brief.
De teruggave kan evenwel slechts geëist worden voor de bedragen die vervallen zijn en betaald werden tijdens de 5 jaar die aan dit verzoek voorafgaan.
De vordering tot teruggave verjaart door verloop van een termijn van één jaar, zoals bepaald in artikel 2273 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. De contractuele bepalingen welke in strijd zijn met paragraaf 1 zijn nietig.
Art.25. § 1er. Les sommes que le preneur aurait payées au-delà de celles dues en application du présent décret ou du contrat de bail, lui sont remboursées à sa demande.
Celle-ci est adressée au bailleur par envoi recommandé.
La restitution n'est toutefois exigible que pour les montants échus et payés au cours des cinq ans qui précèdent cette demande.
L'action en recouvrement se prescrit dans le délai d'un an comme prévu à l'article 2273 du Code civil.
§ 2. Les dispositions contractuelles contraires au paragraphe 1er sont nulles.
Celle-ci est adressée au bailleur par envoi recommandé.
La restitution n'est toutefois exigible que pour les montants échus et payés au cours des cinq ans qui précèdent cette demande.
L'action en recouvrement se prescrit dans le délai d'un an comme prévu à l'article 2273 du Code civil.
§ 2. Les dispositions contractuelles contraires au paragraphe 1er sont nulles.
Art. 25/1. [1 Wordt voor niet geschreven gehouden, elk beding dat de kosten voor de bemiddeling door een derde voor de verhuring van het onroerend goed ten laste legt van de huurder, ongeacht de door bedoelde derde voor deze kosten gegeven omschrijving, tenzij de huurder de opdrachtgever is van de bemiddelingsopdracht. Deze bepaling is van dwingend recht.]1
Art. 25/1. [1 Est réputée non écrite toute clause qui met à charge du preneur les frais d'intervention d'un tiers, quelle que soit la qualification donnée par ce dernier à ces frais, relatifs à la location d'un bien d'habitation, sauf si le preneur est le commanditaire de l'intervention. La présente disposition est impérative.]1
Afdeling 6. - Indexering
Section 6. - Indexation
Art.26. § 1. Indien een aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud is bedongen, is deze slechts één maal per huurjaar toegelaten en ten vroegste op de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst. Deze aanpassing geschiedt op basis van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
De aangepaste huurprijs mag niet hoger zijn dan het bedrag verkregen door toepassing van de hiernavolgende formule : basishuurprijs vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
De basishuurprijs is de huurprijs die volgt uit de overeenkomst of uit een vonnis met uitsluiting van alle kosten en lasten uitdrukkelijk door de huurovereenkomst ten laste van de huurder gelegd.
Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand voorafgaand aan die van de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.
Het aanvangsindexcijfer is de gezondheidsindex van de maand die voorafgaat aan de maand tijdens welke de overeenkomst is afgesloten.
[1 § 1bis. In afwijking van paragraaf 1 mag de aangepaste huurprijs, indien het gehuurde goed op het moment van de aanvraag tot huurprijsaanpassing over een EPC-certificaat van energieklasse D beschikt in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 15 mei 2014 ter uitvoering van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestaties van gebouwen, voor de aanpassing van de huur waarvoor het recht vervalt in de periode van 1 november 2022 tot en met 31 oktober 2023, niet hoger zijn dan het bedrag dat wordt verkregen door de huurprijs te verhogen met driekwart van het verschil tussen de overeenkomstig paragraaf 1 geïndexeerde huurprijs en de huurprijs die verschuldigd is vóór de verjaardag van de huurovereenkomst in de in deze paragraaf bedoelde periode.
" § 1ter. In afwijking van paragraaf 1 mag de aangepaste huurprijs, indien het gehuurde goed op het moment van de aanvraag tot huurprijsaanpassing over een EPC-certificaat van energieklasse E beschikt in de zin van het besluit van de Waalse regering van 15 mei 2014 ter uitvoering van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestaties van gebouwen, voor de aanpassing van de huur waarvoor het recht vervalt in de periode van 1 november 2022 tot en met 31 oktober 2023, niet hoger zijn dan het bedrag dat wordt verkregen door de huurprijs te verhogen met de helft van het verschil tussen de overeenkomstig paragraaf 1 geïndexeerde huurprijs en de huurprijs die verschuldigd is vóór de verjaardag van de huurovereenkomst in de in deze paragraaf bedoelde periode.
§ 1quater. In afwijking van paragraaf 1 mogen, voor de huurprijsaanpassing waarvoor het recht vervalt in de periode van 1 november 2022 tot 31 oktober 2023, de huurprijzen van gehuurde woningen die niet beschikken over een EPC-certificaat in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 15 mei 2014 ter uitvoering van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestaties van gebouwen of die op het ogenblik van de aanvraag tot huurprijsaanpassing beschikken over een EPC-certificaat van energieklasse F of G, niet worden geïndexeerd.]1
§ 2. Contractuele bepalingen welker uitvoering verder gaat dan de aanpassing waarin dit artikel voorziet, kunnen tot die aanpassing ingekort worden.
De aangepaste huurprijs mag niet hoger zijn dan het bedrag verkregen door toepassing van de hiernavolgende formule : basishuurprijs vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
De basishuurprijs is de huurprijs die volgt uit de overeenkomst of uit een vonnis met uitsluiting van alle kosten en lasten uitdrukkelijk door de huurovereenkomst ten laste van de huurder gelegd.
Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand voorafgaand aan die van de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.
Het aanvangsindexcijfer is de gezondheidsindex van de maand die voorafgaat aan de maand tijdens welke de overeenkomst is afgesloten.
[1 § 1bis. In afwijking van paragraaf 1 mag de aangepaste huurprijs, indien het gehuurde goed op het moment van de aanvraag tot huurprijsaanpassing over een EPC-certificaat van energieklasse D beschikt in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 15 mei 2014 ter uitvoering van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestaties van gebouwen, voor de aanpassing van de huur waarvoor het recht vervalt in de periode van 1 november 2022 tot en met 31 oktober 2023, niet hoger zijn dan het bedrag dat wordt verkregen door de huurprijs te verhogen met driekwart van het verschil tussen de overeenkomstig paragraaf 1 geïndexeerde huurprijs en de huurprijs die verschuldigd is vóór de verjaardag van de huurovereenkomst in de in deze paragraaf bedoelde periode.
" § 1ter. In afwijking van paragraaf 1 mag de aangepaste huurprijs, indien het gehuurde goed op het moment van de aanvraag tot huurprijsaanpassing over een EPC-certificaat van energieklasse E beschikt in de zin van het besluit van de Waalse regering van 15 mei 2014 ter uitvoering van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestaties van gebouwen, voor de aanpassing van de huur waarvoor het recht vervalt in de periode van 1 november 2022 tot en met 31 oktober 2023, niet hoger zijn dan het bedrag dat wordt verkregen door de huurprijs te verhogen met de helft van het verschil tussen de overeenkomstig paragraaf 1 geïndexeerde huurprijs en de huurprijs die verschuldigd is vóór de verjaardag van de huurovereenkomst in de in deze paragraaf bedoelde periode.
§ 1quater. In afwijking van paragraaf 1 mogen, voor de huurprijsaanpassing waarvoor het recht vervalt in de periode van 1 november 2022 tot 31 oktober 2023, de huurprijzen van gehuurde woningen die niet beschikken over een EPC-certificaat in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 15 mei 2014 ter uitvoering van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestaties van gebouwen of die op het ogenblik van de aanvraag tot huurprijsaanpassing beschikken over een EPC-certificaat van energieklasse F of G, niet worden geïndexeerd.]1
§ 2. Contractuele bepalingen welker uitvoering verder gaat dan de aanpassing waarin dit artikel voorziet, kunnen tot die aanpassing ingekort worden.
Art.26. § 1er. Si une adaptation du loyer au coût de la vie a été convenue, elle ne peut être appliquée qu'une fois par année de location et au plus tôt au jour anniversaire de l'entrée en vigueur du bail. Cette adaptation est faite sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
Le loyer adapté ne peut dépasser le montant qui résulte de la formule suivante : loyer de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
Le loyer de base est le loyer qui résulte de la convention ou d'un jugement, à l'exclusion de tous frais et charges quelconques expressément laissés à charge du preneur par le bail.
Le nouvel indice est l'indice santé du mois qui précède celui de l'anniversaire de l'entrée en vigueur du bail.
L'indice de base est l'indice santé du mois précédant le mois pendant lequel la convention a été conclue.
[1 § 1erbis. Par dérogation au paragraphe 1er, si le bien loué dispose d'un certificat PEB de classe énergétique D au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 15 mai 2014 portant exécution du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments au moment de la demande d'adaptation du loyer, pour l'adaptation du loyer dont le droit échoit dans la période du 1er novembre 2022 au 31 octobre 2023, le loyer adapté ne peut pas dépasser le montant obtenu en majorant le loyer des trois quarts de la différence entre le loyer indexé conformément au paragraphe 1er et le loyer dû avant la date d'anniversaire du bail survenant pendant la période visée au présent paragraphe.
§ 1erter. Par dérogation au paragraphe 1er, si le bien loué dispose d'un certificat PEB de classe énergétique E au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 15 mai 2014 portant exécution du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments au moment de la demande d'adaptation du loyer, pour l'adaptation du loyer dont le droit échoit dans la période du 1er novembre 2022 au 31 octobre 2023, le loyer adapté ne peut pas dépasser le montant obtenu en majorant le loyer de la moitié de la différence entre le loyer indexé conformément au paragraphe 1er et le loyer dû avant la date d'anniversaire du bail survenant pendant la période visée au présent paragraphe.
§ 1erquater. Par dérogation au paragraphe 1er, pour l'adaptation du loyer dont le droit échoit dans la période du 1er novembre 2022 au 31 octobre 2023, les loyers des logements mis en location ne disposant pas de certificat PEB au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 15 mai 2014 portant exécution du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments ou disposant d'un certificat PEB de classe énergétique F ou G au moment de la demande d'adaptation du loyer ne peuvent pas être indexés.]1
§ 2. Les dispositions contractuelles dont l'effet excéderait l'adaptation prévue au présent article sont réductibles à celle-ci.
Le loyer adapté ne peut dépasser le montant qui résulte de la formule suivante : loyer de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
Le loyer de base est le loyer qui résulte de la convention ou d'un jugement, à l'exclusion de tous frais et charges quelconques expressément laissés à charge du preneur par le bail.
Le nouvel indice est l'indice santé du mois qui précède celui de l'anniversaire de l'entrée en vigueur du bail.
L'indice de base est l'indice santé du mois précédant le mois pendant lequel la convention a été conclue.
[1 § 1erbis. Par dérogation au paragraphe 1er, si le bien loué dispose d'un certificat PEB de classe énergétique D au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 15 mai 2014 portant exécution du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments au moment de la demande d'adaptation du loyer, pour l'adaptation du loyer dont le droit échoit dans la période du 1er novembre 2022 au 31 octobre 2023, le loyer adapté ne peut pas dépasser le montant obtenu en majorant le loyer des trois quarts de la différence entre le loyer indexé conformément au paragraphe 1er et le loyer dû avant la date d'anniversaire du bail survenant pendant la période visée au présent paragraphe.
§ 1erter. Par dérogation au paragraphe 1er, si le bien loué dispose d'un certificat PEB de classe énergétique E au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 15 mai 2014 portant exécution du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments au moment de la demande d'adaptation du loyer, pour l'adaptation du loyer dont le droit échoit dans la période du 1er novembre 2022 au 31 octobre 2023, le loyer adapté ne peut pas dépasser le montant obtenu en majorant le loyer de la moitié de la différence entre le loyer indexé conformément au paragraphe 1er et le loyer dû avant la date d'anniversaire du bail survenant pendant la période visée au présent paragraphe.
§ 1erquater. Par dérogation au paragraphe 1er, pour l'adaptation du loyer dont le droit échoit dans la période du 1er novembre 2022 au 31 octobre 2023, les loyers des logements mis en location ne disposant pas de certificat PEB au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 15 mai 2014 portant exécution du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments ou disposant d'un certificat PEB de classe énergétique F ou G au moment de la demande d'adaptation du loyer ne peuvent pas être indexés.]1
§ 2. Les dispositions contractuelles dont l'effet excéderait l'adaptation prévue au présent article sont réductibles à celle-ci.
Afdeling 7. - Plaatsbeschrijving
Section 7. - Etat des lieux
Art.27. § 1. [2 De partijen zijn verplicht een omstandige plaatsbeschrijving op te stellen op tegenspraak. Bij gezamenlijke aanwijzing van een deskundige, wordt de plaatsbeschrijving opgemaakt voor gezamenlijke rekening en in gelijke delen. Bij aanwijzing van een deskundige door slechts één partij, draagt deze partij de kosten. Deze plaatsbeschrijving wordt opgesteld ofwel tijdens de periode waarin de ruimtes onbewoond zijn, ofwel tijdens de eerste maand van bewoning. Deze wordt bij de schriftelijke pachtovereenkomst gevoegd en is eveneens registratieplichtig.
De Regering stelt een standaardmodel van een ingaande plaatsbeschrijving ten indicatieve titel vast.
Bij aanwijzing van een gezamenlijke deskundige, krijgt hij of zij een mandaat, hetzij via een schriftelijke clausule in de huurovereenkomst, hetzij door beide partijen in onderling overleg.
Bereiken de partijen geen overeenstemming, dan wijst de vrederechter, bij wie de zaak aanhangig wordt gemaakt met een verzoekschrift ingediend binnen 15 dagen volgend het verstrijken van de termijn van één maand, een deskundige aan die de plaatsbeschrijving opmaakt. Het vonnis is uitvoerbaar niettegenstaande verzet en is niet vatbaar voor hoger beroep. ]2.
§ 2. Behalve andersluidende bepaling bevat de ingaande plaatsbeschrijving minstens:
1° de datum van de vaststelling;
2° de identiteit en de hoedanigheid van de auteur(s) van de vaststellingen;
3° de referenties van de huurovereenkomst: persoonlijke gegevens van de partijen, adres van het goed, datum van begin van de huur;
4° een algemene nota met een overzicht van de stand van het goed, van de materialen en uitrustingen alsook de algemene staat van onderhoud en netheid van de kamers;
5° de omschrijving van de zichtbare staat, van de eventuele schalde en staat van netheid van elke kamer;
6° de staat en de zichtbare werking van de aanwezige uitrustingen;
7° de lijst van de documenten m.b.t. het onderhoud van de uitrustingen en hun uitvoeringsdatum;
8° de opname van de indexcijfers van de meters en van de tonnage van de tanks;
9° de consignatie van de sleutels, afstandsbedieningen, badges, chips en andere voorzieningen die de huurder heeft ontvangen;
10° het bestaan en de ligging van de uitrustingen inzake zekerheid bedoeld in artikel 4bis van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1;
11° de ondertekeningen voorafgegaan door de woorden "gelezen en goedgekeurd" van de aanwezige partijen of van hun gemachtigde.
12° de ondertekening van de auteur(s) van de vaststellingen.
§ 3. Indien in de verhuurde goederen belangrijke wijzigingen zijn aangebracht nadat de ingaande plaatsbeschrijving is opgemaakt, kan elke partij eisen dat op tegenspraak en voor gemeenschappelijke rekening een bijvoegsel bij de plaatsbeschrijving wordt opgemaakt.
Wordt geen overeenstemming bereikt, dan is de in paragraaf 1 voorgeschreven procedure van toepassing, behalve wat de termijnen betreft.
§ 4. Elke partij kan eisen dat een uitgaande plaatsbeschrijving op tegenspraak en voor gezamenlijke rekening opgemaakt wordt.
§ 5. Behalve andersluidende bepaling bevat de uitgaande plaatsbeschrijving minstens:
1° de datum van de vaststellingen;
2° de identiteit en de hoedanigheid van de auteur(s) van de vaststellingen;
3° de aanwijzing van het goed dat het voorwerp uitmaakt van de expertise;
4° de verwijzingen naar de datum van de huurovereenkomst, de datum van het proces-verbaal van de plaatsbeschrijving, de bewoningsduur en naar elk aanhangsel;
5° de verwijzing naar de eventuele materiële vaststellingen van de tekortkomingen en schade die te wijten zijn aan de huurder;
6° de opname van de indexcijfers van de meters en van de tonnage van de tanks;
7° de consignatie van de sleutels, afstandsbedieningen, badges, chips en andere voorzieningen die de huurder heeft ontvangen;
8° de eventuele opmerkingen betreffende de elementen of documenten die moeten worden overgemaakt;
9° de plaats en de datum van de handtekening;
10° de ondertekeningen voorafgegaan door de woorden "gelezen en goedgekeurd" van de aanwezige partijen of van hun gemachtigde.
11° de ondertekening(en) van de auteur(s) van de vaststellingen.
Deze plaatsbeschrijving wordt opgemaakt na het vrijgeven van het goed door de huurder en vóór de teruggave van de sleutels aan de verhuurder.
Bereiken de partijen geen overeenstemming, dan wijst de vrederechter, bij wie de zaak aanhangig wordt gemaakt met een verzoekschrift ingediend voor de datum van de teruggave van de sleutels, een deskundige aan die de plaatsbeschrijving opmaakt. Het vonnis is uitvoerbaar niettegenstaande verzet en is niet vatbaar voor hoger beroep.
§ 6. De § § 1 en 3 zijn van dwingend recht.
De Regering stelt een standaardmodel van een ingaande plaatsbeschrijving ten indicatieve titel vast.
Bij aanwijzing van een gezamenlijke deskundige, krijgt hij of zij een mandaat, hetzij via een schriftelijke clausule in de huurovereenkomst, hetzij door beide partijen in onderling overleg.
Bereiken de partijen geen overeenstemming, dan wijst de vrederechter, bij wie de zaak aanhangig wordt gemaakt met een verzoekschrift ingediend binnen 15 dagen volgend het verstrijken van de termijn van één maand, een deskundige aan die de plaatsbeschrijving opmaakt. Het vonnis is uitvoerbaar niettegenstaande verzet en is niet vatbaar voor hoger beroep. ]2.
§ 2. Behalve andersluidende bepaling bevat de ingaande plaatsbeschrijving minstens:
1° de datum van de vaststelling;
2° de identiteit en de hoedanigheid van de auteur(s) van de vaststellingen;
3° de referenties van de huurovereenkomst: persoonlijke gegevens van de partijen, adres van het goed, datum van begin van de huur;
4° een algemene nota met een overzicht van de stand van het goed, van de materialen en uitrustingen alsook de algemene staat van onderhoud en netheid van de kamers;
5° de omschrijving van de zichtbare staat, van de eventuele schalde en staat van netheid van elke kamer;
6° de staat en de zichtbare werking van de aanwezige uitrustingen;
7° de lijst van de documenten m.b.t. het onderhoud van de uitrustingen en hun uitvoeringsdatum;
8° de opname van de indexcijfers van de meters en van de tonnage van de tanks;
9° de consignatie van de sleutels, afstandsbedieningen, badges, chips en andere voorzieningen die de huurder heeft ontvangen;
10° het bestaan en de ligging van de uitrustingen inzake zekerheid bedoeld in artikel 4bis van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1;
11° de ondertekeningen voorafgegaan door de woorden "gelezen en goedgekeurd" van de aanwezige partijen of van hun gemachtigde.
12° de ondertekening van de auteur(s) van de vaststellingen.
§ 3. Indien in de verhuurde goederen belangrijke wijzigingen zijn aangebracht nadat de ingaande plaatsbeschrijving is opgemaakt, kan elke partij eisen dat op tegenspraak en voor gemeenschappelijke rekening een bijvoegsel bij de plaatsbeschrijving wordt opgemaakt.
Wordt geen overeenstemming bereikt, dan is de in paragraaf 1 voorgeschreven procedure van toepassing, behalve wat de termijnen betreft.
§ 4. Elke partij kan eisen dat een uitgaande plaatsbeschrijving op tegenspraak en voor gezamenlijke rekening opgemaakt wordt.
§ 5. Behalve andersluidende bepaling bevat de uitgaande plaatsbeschrijving minstens:
1° de datum van de vaststellingen;
2° de identiteit en de hoedanigheid van de auteur(s) van de vaststellingen;
3° de aanwijzing van het goed dat het voorwerp uitmaakt van de expertise;
4° de verwijzingen naar de datum van de huurovereenkomst, de datum van het proces-verbaal van de plaatsbeschrijving, de bewoningsduur en naar elk aanhangsel;
5° de verwijzing naar de eventuele materiële vaststellingen van de tekortkomingen en schade die te wijten zijn aan de huurder;
6° de opname van de indexcijfers van de meters en van de tonnage van de tanks;
7° de consignatie van de sleutels, afstandsbedieningen, badges, chips en andere voorzieningen die de huurder heeft ontvangen;
8° de eventuele opmerkingen betreffende de elementen of documenten die moeten worden overgemaakt;
9° de plaats en de datum van de handtekening;
10° de ondertekeningen voorafgegaan door de woorden "gelezen en goedgekeurd" van de aanwezige partijen of van hun gemachtigde.
11° de ondertekening(en) van de auteur(s) van de vaststellingen.
Deze plaatsbeschrijving wordt opgemaakt na het vrijgeven van het goed door de huurder en vóór de teruggave van de sleutels aan de verhuurder.
Bereiken de partijen geen overeenstemming, dan wijst de vrederechter, bij wie de zaak aanhangig wordt gemaakt met een verzoekschrift ingediend voor de datum van de teruggave van de sleutels, een deskundige aan die de plaatsbeschrijving opmaakt. Het vonnis is uitvoerbaar niettegenstaande verzet en is niet vatbaar voor hoger beroep.
§ 6. De § § 1 en 3 zijn van dwingend recht.
Art.27. § 1er. [2 Les parties dressent un état des lieux d'entrée détaillé contradictoire. En cas de désignation conjointe d'un expert, l'état des lieux s'établit à frais communs et à part égale. En cas de désignation d'un expert par une seule partie, celle-ci en assume les frais. Cet état des lieux est dressé, soit au cours de la période où les lieux sont inoccupés, soit au cours du premier mois d'occupation. Il est annexé au contrat de bail écrit et est également soumis à enregistrement.
Le Gouvernement arrête un modèle-type d'état des lieux d'entrée à valeur indicative.
En cas de désignation d'un expert commun, celui-ci est mandaté, soit par une clause écrite du bail, soit par les deux parties d'un commun accord.
A défaut d'accord entre les parties, le juge de paix, saisi par requête introduite dans les quinze jours suivants l'expiration du délai d'un mois, désigne un expert pour procéder à l'état des lieux. Le jugement est exécutoire nonobstant opposition et n'est pas susceptible d'appel.]2
§ 2. Sauf convention contraire, l'état des lieux d'entrée comporte au minimum :
1° la date du constat;
2° l'identité et la qualité du ou des auteurs des constatations;
3° les références du bail : coordonnées des parties, adresse du bien, date de début du bail;
4° une note générale reprenant un aperçu rapide de l'état du bien, des matériaux et des équipements ainsi que l'état général d'entretien et de propreté des pièces;
5° la description de l'état apparent, des éventuels dégâts et état de propreté de chaque pièce;
6° l'état et le fonctionnement apparent des équipements présents;
7° le relevé des documents d'entretien des équipements et de leur date d'exécution;
8° le relevé des index des compteurs et des jauges des citernes;
9° la consignation des clés, télécommandes, badges, puces et autres dispositifs remis au preneur;
10° l'existence et la localisation des équipements en matière de sécurité visés à l'article 4bis du [1 Code wallon de l'habitation durable]1;
11° les signatures précédées de la mention " lu et approuvé " des parties présentes ou de leur mandataire;
12° la signature du ou des auteurs chargés des constatations.
§ 3. Si des modifications importantes ont été apportées aux lieux loués après que l'état des lieux d'entrée ait été établi, chacune des parties peut exiger qu'un avenant à l'état des lieux soit rédigé contradictoirement et à frais communs.
A défaut d'accord, la procédure prévue au paragraphe 1er est d'application, sauf en ce qui concerne les délais.
§ 4. Chaque partie peut requérir l'établissement d'un état des lieux de sortie contradictoire et à frais partagés.
§ 5. Sauf convention contraire, l'état des lieux de sortie comporte au minimum :
1° la date des constatations;
2° l'identité et la qualité du ou des auteurs des constatations;
3° la désignation du bien objet de l'expertise;
4° les références à la date du bail, à la date du procès-verbal d'état des lieux locatif, à la durée d'occupation des lieux et à tout avenant;
5° la référence à l'éventuel établissement des constatations matérielles des manquements et dégâts imputables au preneur;
6° le relevé des index des compteurs et des jauges des citernes;
7° la consignation des clés, télécommandes, badges, puces et autres dispositifs remis au preneur;
8° les éventuelles observations relatives à des éléments ou documents restant à remettre;
9° le lieu et la date de signature;
10° les signatures précédées de la mention " lu et approuvé " des parties présentes ou de leur mandataire;
11° la ou les signatures du ou des auteurs des constatations.
Cet état des lieux est établi après la libération des lieux par le preneur et avant la remise des clés au bailleur.
A défaut d'accord entre les parties, le juge de paix, saisi par requête introduite avant la date de remise des clés désigne un expert pour procéder à l'état des lieux. Le jugement est exécutoire nonobstant opposition et n'est pas susceptible d'appel.
§ 6. Les paragraphes 1er et 3 sont impératifs.
Le Gouvernement arrête un modèle-type d'état des lieux d'entrée à valeur indicative.
En cas de désignation d'un expert commun, celui-ci est mandaté, soit par une clause écrite du bail, soit par les deux parties d'un commun accord.
A défaut d'accord entre les parties, le juge de paix, saisi par requête introduite dans les quinze jours suivants l'expiration du délai d'un mois, désigne un expert pour procéder à l'état des lieux. Le jugement est exécutoire nonobstant opposition et n'est pas susceptible d'appel.]2
§ 2. Sauf convention contraire, l'état des lieux d'entrée comporte au minimum :
1° la date du constat;
2° l'identité et la qualité du ou des auteurs des constatations;
3° les références du bail : coordonnées des parties, adresse du bien, date de début du bail;
4° une note générale reprenant un aperçu rapide de l'état du bien, des matériaux et des équipements ainsi que l'état général d'entretien et de propreté des pièces;
5° la description de l'état apparent, des éventuels dégâts et état de propreté de chaque pièce;
6° l'état et le fonctionnement apparent des équipements présents;
7° le relevé des documents d'entretien des équipements et de leur date d'exécution;
8° le relevé des index des compteurs et des jauges des citernes;
9° la consignation des clés, télécommandes, badges, puces et autres dispositifs remis au preneur;
10° l'existence et la localisation des équipements en matière de sécurité visés à l'article 4bis du [1 Code wallon de l'habitation durable]1;
11° les signatures précédées de la mention " lu et approuvé " des parties présentes ou de leur mandataire;
12° la signature du ou des auteurs chargés des constatations.
§ 3. Si des modifications importantes ont été apportées aux lieux loués après que l'état des lieux d'entrée ait été établi, chacune des parties peut exiger qu'un avenant à l'état des lieux soit rédigé contradictoirement et à frais communs.
A défaut d'accord, la procédure prévue au paragraphe 1er est d'application, sauf en ce qui concerne les délais.
§ 4. Chaque partie peut requérir l'établissement d'un état des lieux de sortie contradictoire et à frais partagés.
§ 5. Sauf convention contraire, l'état des lieux de sortie comporte au minimum :
1° la date des constatations;
2° l'identité et la qualité du ou des auteurs des constatations;
3° la désignation du bien objet de l'expertise;
4° les références à la date du bail, à la date du procès-verbal d'état des lieux locatif, à la durée d'occupation des lieux et à tout avenant;
5° la référence à l'éventuel établissement des constatations matérielles des manquements et dégâts imputables au preneur;
6° le relevé des index des compteurs et des jauges des citernes;
7° la consignation des clés, télécommandes, badges, puces et autres dispositifs remis au preneur;
8° les éventuelles observations relatives à des éléments ou documents restant à remettre;
9° le lieu et la date de signature;
10° les signatures précédées de la mention " lu et approuvé " des parties présentes ou de leur mandataire;
11° la ou les signatures du ou des auteurs des constatations.
Cet état des lieux est établi après la libération des lieux par le preneur et avant la remise des clés au bailleur.
A défaut d'accord entre les parties, le juge de paix, saisi par requête introduite avant la date de remise des clés désigne un expert pour procéder à l'état des lieux. Le jugement est exécutoire nonobstant opposition et n'est pas susceptible d'appel.
§ 6. Les paragraphes 1er et 3 sont impératifs.
Art.28. § 1. Bij gebrek aan omstandige plaatsbeschrijving wordt de huurder verondersteld het verhuurde goed ontvangen te hebben in dezelfde staat als die waarin ze zich na afloop van de huurovereenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegenovergestelde, dat door alle rechtsmiddelen geleverd kan worden.
§ 2. Indien tussen verhuurder en huurder een omstandige plaatsbeschrijving is opgemaakt, moet de huurder het goed teruggeven zoals hij het, volgens die beschrijving, ontvangen heeft, met uitzondering van hetgeen door ouderdom of overmacht is teniet gegaan of beschadigd.
§ 2. Indien tussen verhuurder en huurder een omstandige plaatsbeschrijving is opgemaakt, moet de huurder het goed teruggeven zoals hij het, volgens die beschrijving, ontvangen heeft, met uitzondering van hetgeen door ouderdom of overmacht is teniet gegaan of beschadigd.
Art.28. § 1er. S'il n'a pas été fait état des lieux détaillé, le preneur est présumé avoir reçu la chose louée dans le même état que celui où elle se trouve à la fin du bail, sauf la preuve contraire, qui peut être fournie par toutes voies de droit.
§ 2. S'il a été fait un état des lieux détaillé entre le bailleur et le preneur, celui-ci doit rendre la chose telle qu'il l'a reçue, suivant cet état, excepté ce qui a péri ou a été dégradé par vétusté ou force majeure.
§ 2. S'il a été fait un état des lieux détaillé entre le bailleur et le preneur, celui-ci doit rendre la chose telle qu'il l'a reçue, suivant cet état, excepté ce qui a péri ou a été dégradé par vétusté ou force majeure.
Afdeling 8. - Uitvoeringsmodaliteiten en einde van de huurovereenkomst
Section 8. - Modalités d'exécution et de fin de bail
Art.29. Onverminderd artikel 39 wordt de voor onbepaalde duur gesloten huurovereenkomst geacht te zijn aangegaan per maand.
De huur kan slechts worden beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.
De huur kan slechts worden beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.
Art.29. Sans préjudice de l'article 39, le bail conclu pour une durée indéterminée est censé fait au mois.
Il ne pourra y être mis fin que moyennant un congé d'un mois.
Il ne pourra y être mis fin que moyennant un congé d'un mois.
Art.30. De opzegging kan betekend worden hetzij bij aangetekend schrijven, hetzij bij deurwaardersexploot, hetzij bij afgifte in handen van de geadresseerde(n) die het dubbel heeft ondertekend met vermelding van de datum van ontvangst.
In alle gevallen waarin de opzegging op een ander ogenblik kan worden gegeven, begint de opzeggingstermijn te lopen op de eerste dag van de maand volgend de maand waarin de opzegging wordt gegeven.
In alle gevallen waarin de opzegging op een ander ogenblik kan worden gegeven, begint de opzeggingstermijn te lopen op de eerste dag van de maand volgend de maand waarin de opzegging wordt gegeven.
Art.30. Le congé peut être notifié soit par envoi recommandé, soit par exploit d'huissier de justice, soit par remise entre les mains du (des) destinataire(s) ayant signé le double avec indication de la date de réception.
Dans tous les cas où un congé peut être donné à tout moment, le délai de préavis prend cours le premier jour du mois qui suit le mois durant lequel le congé est donné.
Dans tous les cas où un congé peut être donné à tout moment, le délai de préavis prend cours le premier jour du mois qui suit le mois durant lequel le congé est donné.
Art.31. De huurovereenkomst eindigt van rechtswege wanneer de bepaalde tijd verstreken is, zonder dat een opzegging is vereist.
Art.31. Le bail cesse de plein droit à l'expiration du terme fixé sans qu'il soit nécessaire de donner congé.
Art.32. Indien de huurder, na beëindiging van een voor een bepaalde duur bij geschrift gesloten overeenkomst, het goed zonder verzet van de verhuurder verder blijft bewonen, is er wederinhuring tegen dezelfde voorwaarden, ook wat de duur betreft.
Art.32. Si à l'expiration du bail conclu pour une durée déterminée, le preneur reste dans les lieux sans opposition du bailleur, le bail est reconduit aux mêmes conditions, y compris la durée.
Art.33. Wanneer een opzegging is betekend, kan de huurder, hoewel hij in het genot gebleven is, zich niet beroepen op een stilzwijgende wederinhuring.
Art.33. Lorsqu'il y a un congé signifié, le preneur, quoiqu'il ait continué sa jouissance, ne peut invoquer la tacite reconduction.
Art.34. In het geval van artikel 32 strekken de verplichtingen van de borgtocht zich niet uit tot de verplichtingen die uit de wederinhuring ontstaan, tenzij het tegendeel is bepaald.
Art.34. Sauf stipulation contraire, dans le cas de l'article 32, les obligations de la caution ne s'étendent pas aux obligations résultant du bail reconduit.
Art.35. Het huurcontract wordt ontbonden door het tenietgaan van het verhuurde goed, en door de niet-nakoming van hun verplichtingen door de verhuurder of de huurder.
Art.35. Le contrat de louage se résilie par la perte de la chose louée et est résolu par le défaut respectif du bailleur et du preneur, de remplir leurs engagements.
Art.36. Het huurcontract wordt niet ontbonden door de dood van de verhuurder.
Art.36. Le contrat de louage n'est point résilié par la mort du bailleur.
Art.37. De uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde wordt voor niet geschreven gehouden.
Art.37. La clause résolutoire expresse est réputée non écrite.
Art.38. De huurovereenkomst van meubelen om een huis daarmee te stofferen, wordt geacht voor zolang te zijn aangegaan als de huizen volgens plaatselijk gebruik doorgaans verhuurd worden.
Art.38. Le bail des meubles fournis pour garnir un bien d'habitation, est censé fait pour la durée ordinaire des baux d'un bien d'habitation selon l'usage des lieux.
Art.39. De huurovereenkomst van een gemeubileerde woning wordt geacht te zijn aangegaan bij het jaar, wanneer zij is aangegaan tegen zoveel per jaar, bij de maand, wanneer zij is aangegaan tegen zoveel per maand, bij de dag, wanneer zij is aangegaan tegen zoveel per dag.
Art.39. Le bail d'une d'habitation meublée est censé fait à l'année, quand il a été fait à tant par an, au mois, s'il a été fait à tant par mois, au jour, s'il a été fait à tant par jour.
Afdeling 9. - Overdracht van de verhuurde woning
Section 9. - Transmission de l'habitation louée
Art.40. Indien de verhuurder het verhuurde goed verkoopt, kan de huurder, die een authentieke huurovereenkomst of een huurovereenkomst met vaste dagtekening heeft, niet uit het verhuurde gezet worden door de koper, tenzij de verhuurder of de koper zich dit recht bij het huurcontract heeft voorbehouden.
Art.40. Si le bailleur vend la chose louée, l'acquéreur ne peut expulser le preneur qui a un bail authentique ou dont la date est certaine, à moins que soit réservé ce droit au bailleur ou à l'acquéreur par le contrat de bail.
Art.41. Indien bij het aangaan van de huurovereenkomst is overeengekomen dat, in geval van verkoop, de huurder uit het verhuurde kan worden gezet door de koper, en geen beding gemaakt is omtrent de schadevergoeding, is de verhuurder verplicht de huurder schadeloos te stellen met een bedrag gelijk aan de huurprijs voor de tijd die volgens dit decreet of het huurcontract gelaten wordt tussen de opzegging en het vertrek.
Art.41. S'il a été convenu, lors du bail, qu'en cas de vente l'acquéreur pourrait expulser le preneur, et qu'il n'ait été fait aucune stipulation sur les dommages et intérêts, le bailleur est tenu de l'indemniser d'un montant égal au prix du loyer, pendant le temps qui, suivant le présent décret ou le contrat de bail est accordé entre le congé et la sortie.
Art.42. De koper die gebruik wil maken van de bevoegdheid, bij het huurcontract voorbehouden, om, in geval van verkoop, de huurder uit het verhuurde te zetten, is bovendien verplicht de huurder te waarschuwen binnen de termijnen bepaald door dit decreet of het huurcontract.
Art.42. L'acquéreur qui veut user de la faculté, réservée par le bail, d'expulser le preneur en cas de vente, est, en outre, tenu de l'en avertir dans les délais prévus par le présent décret ou le contrat de bail.
Art.43. De huurders kunnen niet uit het verhuurde gezet worden, tenzij de verhuurder of, zo niet, de nieuwe koper hun de hierboven bepaalde schadevergoedingen betaalt.
Art.43. Les preneurs ne peuvent être expulsés tant qu'ils n'ont pas reçus les dommages et intérêts prévus à l'article 41, soit du bailleur ou, à défaut, du nouvel acquéreur.
Art.44. Indien de huurovereenkomst niet bij authentieke akte is aangegaan, of geen vaste dagtekening heeft, is de koper niet tot schadevergoeding gehouden.
Art.44. Si le bail n'est pas fait par acte authentique, ou n'a point de date certaine, l'acquéreur n'est tenu d'aucun dommages et intérêts.
Art.45. De koper onder beding van wederinkoop kan geen gebruik maken van de bevoegdheid om de huurder uit het verhuurde te zetten, voordat hij, door het verstrijken van de tijd voor de wederinkoop bepaald, onherroepelijk eigenaar is geworden.
Art.45. L'acquéreur à pacte de rachat ne peut user de la faculté d'expulser le preneur, jusqu'à ce que, par l'expiration du délai fixé pour le réméré, il devienne propriétaire incommutable.
Afdeling 10. - Overlijden van de huurder
Section 10. - Décès du preneur
Art.46. § 1. Onverminderd artikel 55, § 8, wordt de huurovereenkomst beëindigd zonder opzeg noch vergoeding drie maanden na het overlijden van de huurder.
§ 2. Elke persoon die op de datum van het overlijden van de huurder sinds meer dan zes maanden in de verhuurde woning woonachtig is, beschikt over een termijn van één maand die begint te lopen op de dag van het overlijden van de huurder, om zijn wil om de huurovereenkomst over te nemen aan de huurder mee te delen.
De verhuurder beschikt over een termijn van één maand te rekenen van de dag volgend op de in het eerste lid bedoelde kennisgeving om zijn verzet tegen de overname van de huurovereenkomst om gegronde redenen aan de auteur mee te delen.
Bij gebrek aan verzet van de verhuurder binnen de in het tweede lid bedoelde termijn wordt de huurovereenkomst door de in het eerste lid bedoelde persoon overgenomen onder dezelfde voorwaarden als die reeds bestonden bij het overlijden van de huurder.
§ 3. Indien de woning bij het overlijden van de huurder onbewoond en volledig leeg is, kan de verhuurder het door een deurwaarder laten vaststellen op eigen verzoek of op verzoek van de vrederechter, bij wie de zaak vooraf aanhangig wordt gemaakt met een eenzijdig verzoekschrift. In dit geval wordt de huurovereenkomst, in afwijking van § 1, op de datum van de vaststelling van rechtswege beëindigd zonder opzeg noch vergoeding.
Indien de woning onbewoond en met de goederen van de overleden huurder gemeubeld is, laat de verhuurder het door een deurwaarder vaststellen op eigen verzoek of op verzoek van de vrederechter, bij wie de zaak vooraf aanhangig wordt gemaakt met een eenzijdig verzoekschrift. De deurwaarder stelt een lijst van de in de woning aanwezige goederen op. Aan het einde van de in § 1 bedoelde temrijn beschikt de verhuurder over het goed als een goed huisvader ten laste van de rechthebbenden van de overleden huurder.
§ 4. De verhuurder kan de huurwaarborg in zijn voordeel laten vrijmaken ten belope van de bedragen die hem verschuldigd zijn, op eenzijdig verzoek ingediend bij de bevoegde rechter.
§ 2. Elke persoon die op de datum van het overlijden van de huurder sinds meer dan zes maanden in de verhuurde woning woonachtig is, beschikt over een termijn van één maand die begint te lopen op de dag van het overlijden van de huurder, om zijn wil om de huurovereenkomst over te nemen aan de huurder mee te delen.
De verhuurder beschikt over een termijn van één maand te rekenen van de dag volgend op de in het eerste lid bedoelde kennisgeving om zijn verzet tegen de overname van de huurovereenkomst om gegronde redenen aan de auteur mee te delen.
Bij gebrek aan verzet van de verhuurder binnen de in het tweede lid bedoelde termijn wordt de huurovereenkomst door de in het eerste lid bedoelde persoon overgenomen onder dezelfde voorwaarden als die reeds bestonden bij het overlijden van de huurder.
§ 3. Indien de woning bij het overlijden van de huurder onbewoond en volledig leeg is, kan de verhuurder het door een deurwaarder laten vaststellen op eigen verzoek of op verzoek van de vrederechter, bij wie de zaak vooraf aanhangig wordt gemaakt met een eenzijdig verzoekschrift. In dit geval wordt de huurovereenkomst, in afwijking van § 1, op de datum van de vaststelling van rechtswege beëindigd zonder opzeg noch vergoeding.
Indien de woning onbewoond en met de goederen van de overleden huurder gemeubeld is, laat de verhuurder het door een deurwaarder vaststellen op eigen verzoek of op verzoek van de vrederechter, bij wie de zaak vooraf aanhangig wordt gemaakt met een eenzijdig verzoekschrift. De deurwaarder stelt een lijst van de in de woning aanwezige goederen op. Aan het einde van de in § 1 bedoelde temrijn beschikt de verhuurder over het goed als een goed huisvader ten laste van de rechthebbenden van de overleden huurder.
§ 4. De verhuurder kan de huurwaarborg in zijn voordeel laten vrijmaken ten belope van de bedragen die hem verschuldigd zijn, op eenzijdig verzoek ingediend bij de bevoegde rechter.
Art.46. § 1er. Sans préjudice de l'article 55, § 8, le bail est résilié de plein droit trois mois après le décès du preneur sans préavis ni indemnité.
§ 2. Toute personne domiciliée dans les lieux loués depuis plus de six mois à la date du décès du preneur dispose d'un délai d'un mois prenant cours le jour du décès du preneur pour notifier au bailleur sa volonté de reprendre le bail.
Le bailleur dispose d'un délai d'un mois prenant cours le lendemain de la notification visée à l'alinéa 1er, pour notifier à son auteur son opposition à la reprise du bail pour de justes motifs.
A défaut d'opposition du bailleur dans le délai visé à l'alinéa 2, le bail est repris par la personne visée à l'alinéa 1er dans les mêmes conditions que celles qui préexistaient au décès du preneur.
§ 3. Si l'habitation est inoccupée, vide de tout bien au décès du preneur, le bailleur peut le fait faire constater par un huissier, à sa requête ou à la requête du juge de paix qu'il aura préalablement saisi par requête unilatérale. Dans cette hypothèse, par dérogation au § 1er, le bail est résilié de plein droit à la date du constat sans préavis ni indemnité.
Si l'habitation est inoccupée et toujours garnie des biens du preneur décédé, le bailleur le fait constater par un huissier, à sa requête ou à la requête du juge de paix qu'il aura préalablement saisi par requête unilatérale. L'huissier réalise un inventaire des biens présents dans l'habitation. A l'issue du délai visé au § 1er, le bailleur en dispose en bon père de famille à charge des ayants droit du preneur décédé.
§ 4. Le bailleur peut faire libérer la garantie locative à son profit, à concurrence des montants qui lui sont dus, sur requête unilatérale introduite auprès du juge compétent.
§ 2. Toute personne domiciliée dans les lieux loués depuis plus de six mois à la date du décès du preneur dispose d'un délai d'un mois prenant cours le jour du décès du preneur pour notifier au bailleur sa volonté de reprendre le bail.
Le bailleur dispose d'un délai d'un mois prenant cours le lendemain de la notification visée à l'alinéa 1er, pour notifier à son auteur son opposition à la reprise du bail pour de justes motifs.
A défaut d'opposition du bailleur dans le délai visé à l'alinéa 2, le bail est repris par la personne visée à l'alinéa 1er dans les mêmes conditions que celles qui préexistaient au décès du preneur.
§ 3. Si l'habitation est inoccupée, vide de tout bien au décès du preneur, le bailleur peut le fait faire constater par un huissier, à sa requête ou à la requête du juge de paix qu'il aura préalablement saisi par requête unilatérale. Dans cette hypothèse, par dérogation au § 1er, le bail est résilié de plein droit à la date du constat sans préavis ni indemnité.
Si l'habitation est inoccupée et toujours garnie des biens du preneur décédé, le bailleur le fait constater par un huissier, à sa requête ou à la requête du juge de paix qu'il aura préalablement saisi par requête unilatérale. L'huissier réalise un inventaire des biens présents dans l'habitation. A l'issue du délai visé au § 1er, le bailleur en dispose en bon père de famille à charge des ayants droit du preneur décédé.
§ 4. Le bailleur peut faire libérer la garantie locative à son profit, à concurrence des montants qui lui sont dus, sur requête unilatérale introduite auprès du juge compétent.
Afdeling 11. - Onderverhuring
Section 11. - Sous-location
Art.47. De onderverhuring is verboden, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de verhuurder.
De huurder die het verhuurde goed niet tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt, mag het goed niet volledig noch gedeeltelijk onderverhuren om als hoofdverblijfplaats van de onderhuurder te dienen.
Wanneer de huurder evenwel een vastgoedbeheerder in de zin van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1, een vereniging zonder winstoogmerk, een stichting van openbaar nut onderworpen aan de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, ofwel een vennootschap met een sociaal oogmerk is, kan hij het goed aan een of meer natuurlijke personen geheel onderverhuren, op voorwaarde dat deze personen minder gegoed zijn of zich in een behartenswaardige sociale situatie bevinden en dat zij het goed uitsluitend tot hun hoofdverblijfplaats bestemmen, en voor zover de verhuurder ingestemd heeft met de mogelijkheid om het goed te dien einde onder te verhuren. De verhuurder wordt daarover ingelicht zodra de overeenkomst wordt ondertekend.
De duur van de onderverhuring mag de resterende looptijd van de hoofdhuurovereenkomst niet overtreffen.
De huurder moet vooraf de onderhuurder in kennis stellen van diens hoedanigheid en van de omvang van diens rechten.
Wanneer de verhuurder aan de hoofdhuurovereenkomst een einde maakt, moet de huurder uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de opzegging een afschrift daarvan bij aangetekend schrijven aan de onderhuurder betekenen en hem ervan in kennis stellen dat de onderverhuring op dezelfde dag als de hoofdhuurovereenkomst beëindigd wordt.
Wanneer de huurder vervroegd de hoofdhuurovereenkomst beëindigt, moet hij, onverminderd het vierde lid, de onderhuurder binnen acht dagen na de kennisgeving van de opzegging aan de verhuurder een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden geven, samen met een afschrift van de opzegging die hij aan de verhuurder richt. De huurder moet de onderhuurder een vergoeding betalen die gelijk is aan drie maanden huur.
De huurder alleen is ten aanzien van de verhuurder en de onderhuurder aansprakelijk voor de gevolgen die voortvloeien uit de niet-naleving van de bepalingen van dit artikel.
De huurder die het verhuurde goed niet tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt, mag het goed niet volledig noch gedeeltelijk onderverhuren om als hoofdverblijfplaats van de onderhuurder te dienen.
Wanneer de huurder evenwel een vastgoedbeheerder in de zin van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1, een vereniging zonder winstoogmerk, een stichting van openbaar nut onderworpen aan de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, ofwel een vennootschap met een sociaal oogmerk is, kan hij het goed aan een of meer natuurlijke personen geheel onderverhuren, op voorwaarde dat deze personen minder gegoed zijn of zich in een behartenswaardige sociale situatie bevinden en dat zij het goed uitsluitend tot hun hoofdverblijfplaats bestemmen, en voor zover de verhuurder ingestemd heeft met de mogelijkheid om het goed te dien einde onder te verhuren. De verhuurder wordt daarover ingelicht zodra de overeenkomst wordt ondertekend.
De duur van de onderverhuring mag de resterende looptijd van de hoofdhuurovereenkomst niet overtreffen.
De huurder moet vooraf de onderhuurder in kennis stellen van diens hoedanigheid en van de omvang van diens rechten.
Wanneer de verhuurder aan de hoofdhuurovereenkomst een einde maakt, moet de huurder uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de opzegging een afschrift daarvan bij aangetekend schrijven aan de onderhuurder betekenen en hem ervan in kennis stellen dat de onderverhuring op dezelfde dag als de hoofdhuurovereenkomst beëindigd wordt.
Wanneer de huurder vervroegd de hoofdhuurovereenkomst beëindigt, moet hij, onverminderd het vierde lid, de onderhuurder binnen acht dagen na de kennisgeving van de opzegging aan de verhuurder een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden geven, samen met een afschrift van de opzegging die hij aan de verhuurder richt. De huurder moet de onderhuurder een vergoeding betalen die gelijk is aan drie maanden huur.
De huurder alleen is ten aanzien van de verhuurder en de onderhuurder aansprakelijk voor de gevolgen die voortvloeien uit de niet-naleving van de bepalingen van dit artikel.
Art.47. La sous-location est interdite sauf accord écrit et préalable du bailleur.
Le preneur qui n'affecte pas le bien loué à sa résidence principale ne peut sous-louer le bien en totalité ou en partie pour servir de résidence principale au sous-locataire.
Toutefois, lorsque le preneur est un opérateur immobilier au sens du [1 Code wallon de l'habitation durable]1, une association sans but lucratif ou une fondation d'utilité publique soumis à la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes, ou une Société à finalité sociale, il peut sous-louer le bien dans sa totalité à une ou plusieurs personnes physiques à condition que celles-ci soient des personnes démunies ou se trouvant dans une situation sociale difficile et qu'elles affectent exclusivement le bien à leur résidence principale, et pour autant que le bailleur ait donné son accord sur la possibilité de sous louer le bien à cette fin. Le bailleur est informé dès la signature du contrat.
La durée de la sous-location ne peut excéder celle du bail principal restant à courir.
Le preneur doit préalablement informer le sous-locataire de sa qualité et de l'étendue de ses droits.
Lorsque le bailleur met fin au bail principal, le preneur notifie par envoi recommandé une copie du congé au sous-locataire au plus tard le quinzième jour suivant la réception du congé en lui signifiant que la sous-location prendra fin à la même date que le bail principal.
Sans préjudice de l'alinéa 4, lorsque le preneur met fin anticipativement au bail principal, il donne au sous-locataire, dans les huit jours suivant la notification du congé au bailleur, un congé de trois mois au moins notifié par envoi recommandé, accompagné d'une copie du congé qu'il donne au bailleur. Le preneur paie au sous-locataire une indemnité équivalente à trois mois de loyer.
Le preneur répond seul vis-à-vis du bailleur et du sous-locataire des conséquences qui résultent de l'inobservation des dispositions du présent article.
Le preneur qui n'affecte pas le bien loué à sa résidence principale ne peut sous-louer le bien en totalité ou en partie pour servir de résidence principale au sous-locataire.
Toutefois, lorsque le preneur est un opérateur immobilier au sens du [1 Code wallon de l'habitation durable]1, une association sans but lucratif ou une fondation d'utilité publique soumis à la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes, ou une Société à finalité sociale, il peut sous-louer le bien dans sa totalité à une ou plusieurs personnes physiques à condition que celles-ci soient des personnes démunies ou se trouvant dans une situation sociale difficile et qu'elles affectent exclusivement le bien à leur résidence principale, et pour autant que le bailleur ait donné son accord sur la possibilité de sous louer le bien à cette fin. Le bailleur est informé dès la signature du contrat.
La durée de la sous-location ne peut excéder celle du bail principal restant à courir.
Le preneur doit préalablement informer le sous-locataire de sa qualité et de l'étendue de ses droits.
Lorsque le bailleur met fin au bail principal, le preneur notifie par envoi recommandé une copie du congé au sous-locataire au plus tard le quinzième jour suivant la réception du congé en lui signifiant que la sous-location prendra fin à la même date que le bail principal.
Sans préjudice de l'alinéa 4, lorsque le preneur met fin anticipativement au bail principal, il donne au sous-locataire, dans les huit jours suivant la notification du congé au bailleur, un congé de trois mois au moins notifié par envoi recommandé, accompagné d'une copie du congé qu'il donne au bailleur. Le preneur paie au sous-locataire une indemnité équivalente à trois mois de loyer.
Le preneur répond seul vis-à-vis du bailleur et du sous-locataire des conséquences qui résultent de l'inobservation des dispositions du présent article.
Art.48. De onderhuurder is jegens de eigenaar slechts gehouden ten belope van de prijs, die hij als onderhuurder verschuldigd is op het ogenblik van het beslag, en zonder dat hij zich op bij voorraad gedane betalingen kan beroepen.
Betalingen die de onderhuurder gedaan heeft, hetzij krachtens een beding van zijn huurcontract, hetzij overeenkomstig het plaatselijk gebruik, worden niet geacht bij voorraad te zijn gedaan.
Betalingen die de onderhuurder gedaan heeft, hetzij krachtens een beding van zijn huurcontract, hetzij overeenkomstig het plaatselijk gebruik, worden niet geacht bij voorraad te zijn gedaan.
Art.48. Le sous-locataire n'est tenu envers le bailleur que jusqu'à concurrence du prix de sa sous-location dont il peut être débiteur au moment de la saisie, et sans qu'il puisse opposer des payements faits par anticipation.
Les payements faits par le sous-locataire, soit en vertu d'une stipulation portée en son bail, soit en conséquence de l'usage des lieux, ne sont pas réputés faits par anticipation.
Les payements faits par le sous-locataire, soit en vertu d'une stipulation portée en son bail, soit en conséquence de l'usage des lieux, ne sont pas réputés faits par anticipation.
Afdeling 12. - Overdracht van de huurovereenkomst
Section 12. - Cession de bail
Art.49. Onverminderd artikel 46 is de overdracht van de huurovereenkomst verboden, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de verhuurder. In dat geval wordt de overdrager ontheven van elke toekomstige verplichting, behoudens een in de overeenkomst tot overdracht van de huurovereenkomst opgenomen andersluidend beding.
De huurder alleen is ten aanzien van de verhuurder en de overnemer aansprakelijk voor de gevolgen die voortvloeien uit de niet-naleving van de bepalingen van dit artikel.
De huurder alleen is ten aanzien van de verhuurder en de overnemer aansprakelijk voor de gevolgen die voortvloeien uit de niet-naleving van de bepalingen van dit artikel.
Art.49. Sans préjudice de l'article 46, la cession du bail est interdite sauf accord écrit et préalable du bailleur. Dans ce cas, le cédant est déchargé de toute obligation future sauf convention contraire incluse dans l'accord sur la cession du bail.
Le preneur répond seul vis-à-vis du bailleur et du cessionnaire des conséquences qui résultent de l'inobservation des dispositions du présent article.
Le preneur répond seul vis-à-vis du bailleur et du cessionnaire des conséquences qui résultent de l'inobservation des dispositions du présent article.
Afdeling 13. - Renovatiehuurovereenkomst
Section 13. - Du bail à rénovation
Art.50. De partijen kunnen te allen tijde schriftelijk overeenkomen dat de huurder zich ertoe verbindt op zijn kosten in het verhuurde goed bepaalde werken uit te voeren, die door de verhuurder moeten worden verricht.
Zij moeten de termijn bepalen waarbinnen de werken moeten worden uitgevoerd.
In dit geval kan van artikel 9 van dit decreet worden afgeweken op voorwaarde dat de voorgenomen werken er toe strekken het verhuurde goed in overeenstemming te brengen met de vereisten van dat artikel, dat deze werken precies omschreven worden, dat de aanvang voor de werken binnen een redelijk tijdstip is bepaald en dat geen huurgelden verschuldigd zijn tijdens de overeengekomen duur ervan, met dien verstande dat deze duur niet korter mag zijn dan degene die redelijkerwijze noodzakelijk is om ze uit te voeren.
Als tegenprestatie verbindt de verhuurder zich ertoe tijdens een bepaalde periode af te zien van het recht aan de huurovereenkomst een einde te maken of van het recht de herziening van de huurprijs te vragen, of verbindt hij zich ertoe de huurprijs te verlagen of kwijt te schelden.
Na beëindiging van de werken wordt op verzoek van de meest gerede partij overgegaan tot de oplevering ervan op tegenspraak.
Zij moeten de termijn bepalen waarbinnen de werken moeten worden uitgevoerd.
In dit geval kan van artikel 9 van dit decreet worden afgeweken op voorwaarde dat de voorgenomen werken er toe strekken het verhuurde goed in overeenstemming te brengen met de vereisten van dat artikel, dat deze werken precies omschreven worden, dat de aanvang voor de werken binnen een redelijk tijdstip is bepaald en dat geen huurgelden verschuldigd zijn tijdens de overeengekomen duur ervan, met dien verstande dat deze duur niet korter mag zijn dan degene die redelijkerwijze noodzakelijk is om ze uit te voeren.
Als tegenprestatie verbindt de verhuurder zich ertoe tijdens een bepaalde periode af te zien van het recht aan de huurovereenkomst een einde te maken of van het recht de herziening van de huurprijs te vragen, of verbindt hij zich ertoe de huurprijs te verlagen of kwijt te schelden.
Na beëindiging van de werken wordt op verzoek van de meest gerede partij overgegaan tot de oplevering ervan op tegenspraak.
Art.50. Les parties peuvent convenir par écrit à tout moment que le preneur s'engage à réaliser à ses frais dans le bien loué des travaux déterminés, qui incombent au bailleur.
Elles doivent fixer le délai dans lequel ces travaux doivent être exécutés.
Dans ce cas, il peut être dérogé à l'article 9 du présent décret à la condition que les travaux envisagés visent à mettre le bien loué en conformité avec les exigences de cet article, que ces travaux soient décrits avec précision, que le début des travaux soit fixé dans un délai raisonnable et qu'aucun loyer ne soit exigible pendant la durée convenue pour ceux-ci, étant entendu que cette durée ne peut être inférieure à celle qui est raisonnablement nécessaire pour les effectuer.
En contrepartie des travaux, le bailleur s'engage à renoncer pendant une période déterminée, à la faculté de mettre fin au bail ou à la faculté de demander la révision du loyer, ou il s'engage à concéder au preneur une diminution ou une remise de loyer.
A la demande de la partie la plus diligente, il est procédé à une réception contradictoire des travaux au terme de leur réalisation.
Elles doivent fixer le délai dans lequel ces travaux doivent être exécutés.
Dans ce cas, il peut être dérogé à l'article 9 du présent décret à la condition que les travaux envisagés visent à mettre le bien loué en conformité avec les exigences de cet article, que ces travaux soient décrits avec précision, que le début des travaux soit fixé dans un délai raisonnable et qu'aucun loyer ne soit exigible pendant la durée convenue pour ceux-ci, étant entendu que cette durée ne peut être inférieure à celle qui est raisonnablement nécessaire pour les effectuer.
En contrepartie des travaux, le bailleur s'engage à renoncer pendant une période déterminée, à la faculté de mettre fin au bail ou à la faculté de demander la révision du loyer, ou il s'engage à concéder au preneur une diminution ou une remise de loyer.
A la demande de la partie la plus diligente, il est procédé à une réception contradictoire des travaux au terme de leur réalisation.
Afdeling 14. - Verhuring van de goederen van minderjarigen
Section 14. - Baux des biens des mineurs
Art.51. Artikel 595 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de verhuring door de vruchtgebruiker, is mede van toepassing op de verhuring van de goederen van minderjarigen.
Art.51. L'article 595 du Code civil, relatif aux baux consentis par l'usufruitier, est applicable aux baux des biens des mineurs.
Afdeling 15. [1 - Oplossing van conflicten]1
Section 15. [1 - Résolution des conflits]1
Art. 51/1. [1 § 1. Onverminderd het aanhangig zijn bij een rechtbank, kunnen de partijen hun geschil in der minne schikken door middel van alternatieve geschillenbeslechtingsprocedures zoals bemiddeling, arbitrage of verzoening.
§ 2. De partijen kunnen overeenkomen om hun geschil aan een arbiter voor te leggen na het ontstaan van het geschil.
Elk arbitragebeding dat vóór het ontstaan van het geschil overeengekomen is, wordt voor niet geschreven gehouden.]1
§ 2. De partijen kunnen overeenkomen om hun geschil aan een arbiter voor te leggen na het ontstaan van het geschil.
Elk arbitragebeding dat vóór het ontstaan van het geschil overeengekomen is, wordt voor niet geschreven gehouden.]1
Art. 51/1. [1 § 1er. Sans préjudice de la saisine d'une juridiction, les parties peuvent régler leur différend à l'amiable en recourant à des processus de règlements alternatifs tels que la médiation, l'arbitrage ou la conciliation.
§ 2. Les parties peuvent convenir de soumettre leur différend à un arbitre après la naissance du différend.
Toute clause d'arbitrage convenue avant la naissance du différend est réputée non écrite.]1
§ 2. Les parties peuvent convenir de soumettre leur différend à un arbitre après la naissance du différend.
Toute clause d'arbitrage convenue avant la naissance du différend est réputée non écrite.]1
HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen betreffende de huren met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder
CHAPITRE III. - Dispositions particulières relatives aux baux relatifs à la résidence principale du preneur
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Section 1. - Champ d'application
Art.52. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op woninghuurovereenkomsten die de huurder, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van de verhuurder, vanaf de ingenottreding tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt.
Het beding waarbij het verhuurde goed niet tot hoofdverblijfplaats van de huurder mag dienen en dat niet uitdrukkelijk noch ernstig kan worden gestaafd, onder meer door elementen met betrekking tot de natuurlijke bestemming van het goed, en waarin de hoofdverblijfplaats van de huurder tijdens de huurovereenkomst niet is vermeld, wordt voor niet geschreven gehouden.
Dit hoofdstuk is tevens van toepassing indien de woning, met de schriftelijke toestemming van de verhuurder, in de loop van de huurovereenkomst tot hoofdverblijfplaats wordt bestemd. In dat geval gaat de huurovereenkomst in op de dag waarop deze toestemming is verleend.
§ 2. Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op de onderverhuring betreffende de woning bestemd als hoofdverblijfplaats in uitvoering van de leden 1 en 3, aangegaan overeenkomstig artikel 58 van dit hoofdstuk binnen de grenzen bepaald in hetzelfde artikel.
Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op de onderverhuringen aangegaan door de rechtspersonen bedoeld in artikel 47, derde lid, binnen de grenzen bepaald in artikel 60, § 2. In dat geval is ook de hoofdhuurovereenkomst onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk.
§ 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing wanneer de overeenkomst op grond waarvan de woning aan de huurder wordt toegewezen, ondergeschikt is aan een hoofdovereenkomst, die betrekking heeft op de functie of de bedrijvigheid van de huurder.
§ 4. Dit hoofdstuk is niet langer van toepassing zodra het verhuurde goed niet meer tot hoofdverblijfplaats wordt bestemd.
§ 5. Behalve als zij er anders over beschikken, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van dwingend recht.
§ 6. In het kader van dit hoofdstuk zijn de artikelen 7, 8, 9, 10 en 15 van dwingend recht.
Het beding waarbij het verhuurde goed niet tot hoofdverblijfplaats van de huurder mag dienen en dat niet uitdrukkelijk noch ernstig kan worden gestaafd, onder meer door elementen met betrekking tot de natuurlijke bestemming van het goed, en waarin de hoofdverblijfplaats van de huurder tijdens de huurovereenkomst niet is vermeld, wordt voor niet geschreven gehouden.
Dit hoofdstuk is tevens van toepassing indien de woning, met de schriftelijke toestemming van de verhuurder, in de loop van de huurovereenkomst tot hoofdverblijfplaats wordt bestemd. In dat geval gaat de huurovereenkomst in op de dag waarop deze toestemming is verleend.
§ 2. Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op de onderverhuring betreffende de woning bestemd als hoofdverblijfplaats in uitvoering van de leden 1 en 3, aangegaan overeenkomstig artikel 58 van dit hoofdstuk binnen de grenzen bepaald in hetzelfde artikel.
Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op de onderverhuringen aangegaan door de rechtspersonen bedoeld in artikel 47, derde lid, binnen de grenzen bepaald in artikel 60, § 2. In dat geval is ook de hoofdhuurovereenkomst onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk.
§ 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing wanneer de overeenkomst op grond waarvan de woning aan de huurder wordt toegewezen, ondergeschikt is aan een hoofdovereenkomst, die betrekking heeft op de functie of de bedrijvigheid van de huurder.
§ 4. Dit hoofdstuk is niet langer van toepassing zodra het verhuurde goed niet meer tot hoofdverblijfplaats wordt bestemd.
§ 5. Behalve als zij er anders over beschikken, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van dwingend recht.
§ 6. In het kader van dit hoofdstuk zijn de artikelen 7, 8, 9, 10 en 15 van dwingend recht.
Art.52. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux baux d'habitation que le preneur, avec l'accord exprès ou tacite du bailleur, affecte dès l'entrée en jouissance à sa résidence principale.
Est réputée non écrite la clause interdisant l'affectation des lieux loués à la résidence principale du preneur lorsqu'elle n'est pas appuyée par une justification expresse et sérieuse, relative notamment à la destination naturelle des lieux, et n'est pas accompagnée de l'indication de la résidence principale du preneur au cours du bail.
Le présent chapitre s'applique également si l'affectation à la résidence principale se fait en cours de bail avec l'accord écrit du bailleur. Dans ce cas, le bail prend cours à la date de cet accord.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à la sous-location portant sur le bien d'habitation affecté à la résidence principale en exécutionalinéas 1er et 3, conclue conformément à l'article 58 du présent chapitre, dans les limites prévues à ce même article.
Le présent chapitre s'applique également aux sous-locations conclues par les personnes morales visées à l'article 47, alinéa 3, dans les limites prévues à l'article 60, § 2. Dans ce cas, le bail principal est lui aussi soumis aux dispositions du présent chapitre.
§ 3. Le présent chapitre n'est pas applicable lorsque le contrat par lequel le bien d'habitation est accordé au preneur est l'accessoire d'un contrat principal relatif à la fonction ou à l'activité du preneur.
§ 4. Le présent chapitre n'est plus applicable dès que prend fin l'affectation du bien loué à la résidence principale.
§ 5. Sauf si elles en disposent autrement, les règles du présent chapitre sont impératives.
§ 6. Dans le cadre du présent chapitre, les articles 7, 8, 9, 10 et 15 sont impératifs.
Est réputée non écrite la clause interdisant l'affectation des lieux loués à la résidence principale du preneur lorsqu'elle n'est pas appuyée par une justification expresse et sérieuse, relative notamment à la destination naturelle des lieux, et n'est pas accompagnée de l'indication de la résidence principale du preneur au cours du bail.
Le présent chapitre s'applique également si l'affectation à la résidence principale se fait en cours de bail avec l'accord écrit du bailleur. Dans ce cas, le bail prend cours à la date de cet accord.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à la sous-location portant sur le bien d'habitation affecté à la résidence principale en exécutionalinéas 1er et 3, conclue conformément à l'article 58 du présent chapitre, dans les limites prévues à ce même article.
Le présent chapitre s'applique également aux sous-locations conclues par les personnes morales visées à l'article 47, alinéa 3, dans les limites prévues à l'article 60, § 2. Dans ce cas, le bail principal est lui aussi soumis aux dispositions du présent chapitre.
§ 3. Le présent chapitre n'est pas applicable lorsque le contrat par lequel le bien d'habitation est accordé au preneur est l'accessoire d'un contrat principal relatif à la fonction ou à l'activité du preneur.
§ 4. Le présent chapitre n'est plus applicable dès que prend fin l'affectation du bien loué à la résidence principale.
§ 5. Sauf si elles en disposent autrement, les règles du présent chapitre sont impératives.
§ 6. Dans le cadre du présent chapitre, les articles 7, 8, 9, 10 et 15 sont impératifs.
Afdeling 2. - Essentiële onderdelen van het huurcontract
Section 2. - Obligation d'enregistrement du contrat de bail
Art.53. De verplichting van de registratie van het huurcontract rust op de verhuurder. De kosten verbonden aan een eventueel laattijdige registratie zijn volledig ten zijne laste.
Art.53. L'obligation d'enregistrement du contrat de bail repose sur le bailleur. Les frais liés à un enregistrement tardif éventuel sont entièrement à sa charge.
Art.54. Na de termijn van twee maanden bedoeld in artikel 32, 5°, van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en zolang het huurcontract niet geregistreerd is, zijn de opzegtermijnen en de bij contract of krachtens dit decreet voorziene vergoeding die ten laste is van de huurder, niet van toepassing, voor zover een ingebrekestelling, die in de vormen bedoeld in artikel 30 van dit decreet door de huurder aan de verhuurder is gericht, gedurende één maand zonder verdere behandeling is gebleven.
Art.54. Après la période de deux mois visée à l'article 32, 5°, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et aussi longtemps que le contrat de bail n'est pas enregistré, le délai du congé et l'indemnité visée contractuellement, ou en vertu du présent décret, à la charge du preneur ne sont pas d'application, pour autant qu'une mise en demeure d'enregistrer le bail, adressée par le preneur au bailleur dans les formes prévues à l'article 30, du présent décret, soit demeurée sans effet pendant un mois.
Afdeling 3. - Duur van de huurovereenkomst
Section 3. - Durée du bail
Art.55. § 1. Elke huurovereenkomst bedoeld in artikel 52 wordt geacht te zijn aangegaan voor een duur van negen jaar.
De huur eindigt na het verstrijken van een periode van negen jaar indien een opzegging ten minste zes maanden voor de vervaldag door de verhuurder, en ten minste drie maanden voor de vervaldag door de huurder wordt betekend.
Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn geen opzegging wordt betekend, wordt de huurovereenkomst telkens onder dezelfde voorwaarden voor een duur van drie jaar verlengd.
§ 2. De verhuurder kan de huurovereenkomst evenwel te allen tijde beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, indien hij voornemens is het goed persoonlijk en werkelijk te betrekken of het op dezelfde wijze te laten betrekken door zijn afstammelingen, zijn aangenomen kinderen, zijn bloedverwanten in opgaande lijn, zijn echtgenoot of wettelijk samenwoner, door diens afstammelingen, bloedverwanten in opgaande lijn en aangenomen kinderen, door zijn bloedverwanten in de zijlijn en de bloedverwanten in de zijlijn van zijn echtgenoot of wettelijk samenwoner tot in de derde graad. Wordt de opzegging gegeven opdat bloedverwanten in de derde graad het goed kunnen betrekken, dan kan de opzeggingstermijn niet verstrijken voor het einde van de eerste driejarige periode vanaf de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.
De opzegging vermeldt de identiteit van de persoon die het goed zal betrekken en de band van verwantschap met de verhuurder. Deze laatste moet op verzoek van de huurder de band van verwantschap bewijzen. De verhuurder moet aan dit verzoek voldoen binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de kennisgeving ervan; zo niet kan de huurder de nietigverklaring van de opzegging vorderen. Die vordering moet op straffe van verval uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de opzeggingstermijn worden ingesteld.
Het goed moet binnen een jaar na het verstrijken van de opzegging door de verhuurder of, in geval van verlenging, na de teruggave van het goed door de huurder, worden betrokken. Het goed moet gedurende ten minste twee jaar werkelijk en doorlopend betrokken blijven.
Indien de verhuurder, zonder het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de gestelde termijn en voorwaarden de betrekking van het goed niet verwezenlijkt, heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 3. Bij het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige periode kan de verhuurder de huur beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden indien hij voornemens is het onroerend goed of een gedeelte ervan weder op te bouwen, te verbouwen of te renoveren, op voorwaarde dat die werkzaamheden:
1° worden uitgevoerd met eerbiediging van de bestemming van het goed die voortvloeit uit de wets- en verordeningsbepalingen inzake stedenbouw;
2° worden uitgevoerd aan het door de huurder bewoonde gedeelte en
3° meer kosten dan drie jaar huurprijs van het verhuurde goed ofwel, indien het gebouw waarin dit goed gelegen is uit verscheidene verhuurde woningen bestaat die aan dezelfde verhuurder toebehoren en die van de werkzaamheden ongerief hebben, meer kosten dan twee jaar huur voor al die woningen samen.
Met het oog op het goede verloop van de werken kan de verhuurder van verscheidene woningen in eenzelfde gebouw te allen tijde verscheidene huren beëindigen, met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, voor zover de huurovereenkomst niet tijdens het eerste jaar wordt opgezegd.
Op verzoek van de huurder moet de verhuurder hem binnen twee maanden na zijn aanvraag kennis geven van, ofwel de hem verleende bouwvergunning, of een omstandig bestek, of een beschrijving van de werkzaamheden samen met een gedetailleerde kostenraming, of een aannemingsovereenkomst; zo niet kan de huurder de nietigverklaring van de opzegging vorderen. Die vordering moet op straffe van verval uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de opzeggingstermijn worden ingesteld.
De werken moeten worden aangevat binnen zes maanden en worden beëindigd binnen vierentwintig maanden na het verstrijken van de opzeggingstermijn gegeven door de verhuurder of, in geval van verlenging, na de teruggave van het goed door de huurder.
Indien de verhuurder, zonder het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de gestelde termijn en voorwaarden de werken niet uitvoert, heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.
Op verzoek van de huurder is de verhuurder verplicht hem kosteloos de documenten mede te delen waaruit blijkt dat de werken overeenkomstig de bij deze paragraaf gestelde voorwaarden zijn uitgevoerd.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 4. Bij het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige periode kan de verhuurder de huurovereenkomst beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, zonder motivering, maar met betaling van een vergoeding.
Deze vergoeding is gelijk aan negen dan wel zes maanden huurprijs naargelang de overeenkomst een einde neemt bij het verstrijken van de eerste of de tweede driejarige periode.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 5. Mits een opzegging van drie maanden kan de huurder de huurovereenkomst elk ogenblik beëindigen.
Indien de huurder de huurovereenkomst evenwel beëindigt tijdens de eerste driejarige periode, heeft de verhuurder recht op een vergoeding. Die vergoeding is gelijk aan drie maanden, twee maanden of één maand huurprijs naargelang de huurovereenkomst een einde neemt gedurende het eerste, het tweede of het derde jaar.
Wanneer de verhuurder het huurcontract beëindigt overeenkomstig de § § 2 tot 4, kan de huurder op zijn beurt de huurovereenkomst te allen tijde beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand. In dat geval is hij de vergoeding bedoeld in het tweede lid niet verschuldigd.
§ 6. In afwijking van de § § 1 tot 5 kan een huurovereenkomst schriftelijk worden gesloten voor een duur die korter is dan of gelijk aan drie jaar.
De huur kan slechts tweemaal, enkel schriftelijk en onder dezelfde voorwaarden, worden verlengd onverminderd de indexering van de huurprijs bij de verlenging. De totale duur van de huur mag nochtans niet langer zijn dan drie jaar. Het geschrift kan bestaan in een aanhangsel, een nieuwe huurovereenkomst, een contractueel beding van de oorspronkelijke huur, waarbij de huur wordt verlengd.
Zij wordt beëindigd mits een van de partijen ten minste drie maanden voor het verstrijken van de in de overeenkomst bepaalde duur een opzegging betekent. Wanneer de huurovereenkomst gesloten is voor een duur korter dan of gelijk aan drie maanden, wordt de opzegging geacht betekend te zijn door de ondertekening van de huur of door de verlenging ervan.
Mits een opzegging van drie maanden kan de huurder de huurovereenkomst elk ogenblik beëindigen. In dit geval heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan drie maanden huurprijs.
De verhuurder mag de huurovereenkomst pas na het eerste huurjaar en onder de voorwaarden bedoeld in § 2 vervroegd beëindigen, mits een opzegging van drie maanden en een vergoeding gelijk aan één maand huurprijs.
Bij ontstentenis van een tijdig berekende opzegging of indien de huurder het goed blijft bewonen zonder verzet van de verhuurder, zelfs in de veronderstelling dat een nieuwe huur wordt gesloten tussen dezelfde partijen, wordt de huur geacht te zijn aangegaan voor een duur van negen jaar te rekenen van de datum waarop de aanvankelijke huur in werking is getreden. Hij wordt dan ook geregeld bij de § § 1 tot 5 van dit artikel. In dat geval blijven de huurprijs en de andere voorwaarden dezelfde als die welke bepaald waren in de aanvankelijk gesloten huurovereenkomst onverminderd de toepassing van de artikelen 57 en 58.
§ 7. In afwijking van § 1 kan een huurovereenkomst tevens bij geschrift worden gesloten voor een termijn die een duur van negen jaar te boven gaat.
Die huurovereenkomst wordt geregeld bij de bepalingen van de § § 2 tot 5.
De huurovereenkomst eindigt na het verstrijken van de overeengekomen termijn mits een opzegging die ten minste zes maanden voor de vervaldag door de verhuurder, en ten minste drie maanden voor de vervaldag door de huurder wordt betekend.
Indien overeenkomstig het eerste lid binnen die termijn geen opzegging wordt betekend, wordt de huurovereenkomst telkens onder dezelfde voorwaarden voor een duur van drie jaar verlengd.
De vergoeding die met toepassing van § 4 van dit artikel is verschuldigd door de verhuurder die, bij het verstrijken van de derde driejarige periode of van een volgende driejarige periode, een einde maakt aan de huurovereenkomst, is gelijk aan drie maanden huurprijs.
§ 8. In afwijking van § 1 kan de huurder een schriftelijke huurovereenkomst sluiten voor het leven. Die huurovereenkomst eindigt van rechtswege bij het overlijden van de huurder. Die huurovereenkomst is niet onderworpen aan de bepalingen van de § § 2 tot 4, tenzij partijen anders overeenkomen.
De huur eindigt na het verstrijken van een periode van negen jaar indien een opzegging ten minste zes maanden voor de vervaldag door de verhuurder, en ten minste drie maanden voor de vervaldag door de huurder wordt betekend.
Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn geen opzegging wordt betekend, wordt de huurovereenkomst telkens onder dezelfde voorwaarden voor een duur van drie jaar verlengd.
§ 2. De verhuurder kan de huurovereenkomst evenwel te allen tijde beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, indien hij voornemens is het goed persoonlijk en werkelijk te betrekken of het op dezelfde wijze te laten betrekken door zijn afstammelingen, zijn aangenomen kinderen, zijn bloedverwanten in opgaande lijn, zijn echtgenoot of wettelijk samenwoner, door diens afstammelingen, bloedverwanten in opgaande lijn en aangenomen kinderen, door zijn bloedverwanten in de zijlijn en de bloedverwanten in de zijlijn van zijn echtgenoot of wettelijk samenwoner tot in de derde graad. Wordt de opzegging gegeven opdat bloedverwanten in de derde graad het goed kunnen betrekken, dan kan de opzeggingstermijn niet verstrijken voor het einde van de eerste driejarige periode vanaf de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.
De opzegging vermeldt de identiteit van de persoon die het goed zal betrekken en de band van verwantschap met de verhuurder. Deze laatste moet op verzoek van de huurder de band van verwantschap bewijzen. De verhuurder moet aan dit verzoek voldoen binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de kennisgeving ervan; zo niet kan de huurder de nietigverklaring van de opzegging vorderen. Die vordering moet op straffe van verval uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de opzeggingstermijn worden ingesteld.
Het goed moet binnen een jaar na het verstrijken van de opzegging door de verhuurder of, in geval van verlenging, na de teruggave van het goed door de huurder, worden betrokken. Het goed moet gedurende ten minste twee jaar werkelijk en doorlopend betrokken blijven.
Indien de verhuurder, zonder het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de gestelde termijn en voorwaarden de betrekking van het goed niet verwezenlijkt, heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 3. Bij het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige periode kan de verhuurder de huur beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden indien hij voornemens is het onroerend goed of een gedeelte ervan weder op te bouwen, te verbouwen of te renoveren, op voorwaarde dat die werkzaamheden:
1° worden uitgevoerd met eerbiediging van de bestemming van het goed die voortvloeit uit de wets- en verordeningsbepalingen inzake stedenbouw;
2° worden uitgevoerd aan het door de huurder bewoonde gedeelte en
3° meer kosten dan drie jaar huurprijs van het verhuurde goed ofwel, indien het gebouw waarin dit goed gelegen is uit verscheidene verhuurde woningen bestaat die aan dezelfde verhuurder toebehoren en die van de werkzaamheden ongerief hebben, meer kosten dan twee jaar huur voor al die woningen samen.
Met het oog op het goede verloop van de werken kan de verhuurder van verscheidene woningen in eenzelfde gebouw te allen tijde verscheidene huren beëindigen, met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, voor zover de huurovereenkomst niet tijdens het eerste jaar wordt opgezegd.
Op verzoek van de huurder moet de verhuurder hem binnen twee maanden na zijn aanvraag kennis geven van, ofwel de hem verleende bouwvergunning, of een omstandig bestek, of een beschrijving van de werkzaamheden samen met een gedetailleerde kostenraming, of een aannemingsovereenkomst; zo niet kan de huurder de nietigverklaring van de opzegging vorderen. Die vordering moet op straffe van verval uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de opzeggingstermijn worden ingesteld.
De werken moeten worden aangevat binnen zes maanden en worden beëindigd binnen vierentwintig maanden na het verstrijken van de opzeggingstermijn gegeven door de verhuurder of, in geval van verlenging, na de teruggave van het goed door de huurder.
Indien de verhuurder, zonder het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de gestelde termijn en voorwaarden de werken niet uitvoert, heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.
Op verzoek van de huurder is de verhuurder verplicht hem kosteloos de documenten mede te delen waaruit blijkt dat de werken overeenkomstig de bij deze paragraaf gestelde voorwaarden zijn uitgevoerd.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 4. Bij het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige periode kan de verhuurder de huurovereenkomst beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, zonder motivering, maar met betaling van een vergoeding.
Deze vergoeding is gelijk aan negen dan wel zes maanden huurprijs naargelang de overeenkomst een einde neemt bij het verstrijken van de eerste of de tweede driejarige periode.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 5. Mits een opzegging van drie maanden kan de huurder de huurovereenkomst elk ogenblik beëindigen.
Indien de huurder de huurovereenkomst evenwel beëindigt tijdens de eerste driejarige periode, heeft de verhuurder recht op een vergoeding. Die vergoeding is gelijk aan drie maanden, twee maanden of één maand huurprijs naargelang de huurovereenkomst een einde neemt gedurende het eerste, het tweede of het derde jaar.
Wanneer de verhuurder het huurcontract beëindigt overeenkomstig de § § 2 tot 4, kan de huurder op zijn beurt de huurovereenkomst te allen tijde beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand. In dat geval is hij de vergoeding bedoeld in het tweede lid niet verschuldigd.
§ 6. In afwijking van de § § 1 tot 5 kan een huurovereenkomst schriftelijk worden gesloten voor een duur die korter is dan of gelijk aan drie jaar.
De huur kan slechts tweemaal, enkel schriftelijk en onder dezelfde voorwaarden, worden verlengd onverminderd de indexering van de huurprijs bij de verlenging. De totale duur van de huur mag nochtans niet langer zijn dan drie jaar. Het geschrift kan bestaan in een aanhangsel, een nieuwe huurovereenkomst, een contractueel beding van de oorspronkelijke huur, waarbij de huur wordt verlengd.
Zij wordt beëindigd mits een van de partijen ten minste drie maanden voor het verstrijken van de in de overeenkomst bepaalde duur een opzegging betekent. Wanneer de huurovereenkomst gesloten is voor een duur korter dan of gelijk aan drie maanden, wordt de opzegging geacht betekend te zijn door de ondertekening van de huur of door de verlenging ervan.
Mits een opzegging van drie maanden kan de huurder de huurovereenkomst elk ogenblik beëindigen. In dit geval heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan drie maanden huurprijs.
De verhuurder mag de huurovereenkomst pas na het eerste huurjaar en onder de voorwaarden bedoeld in § 2 vervroegd beëindigen, mits een opzegging van drie maanden en een vergoeding gelijk aan één maand huurprijs.
Bij ontstentenis van een tijdig berekende opzegging of indien de huurder het goed blijft bewonen zonder verzet van de verhuurder, zelfs in de veronderstelling dat een nieuwe huur wordt gesloten tussen dezelfde partijen, wordt de huur geacht te zijn aangegaan voor een duur van negen jaar te rekenen van de datum waarop de aanvankelijke huur in werking is getreden. Hij wordt dan ook geregeld bij de § § 1 tot 5 van dit artikel. In dat geval blijven de huurprijs en de andere voorwaarden dezelfde als die welke bepaald waren in de aanvankelijk gesloten huurovereenkomst onverminderd de toepassing van de artikelen 57 en 58.
§ 7. In afwijking van § 1 kan een huurovereenkomst tevens bij geschrift worden gesloten voor een termijn die een duur van negen jaar te boven gaat.
Die huurovereenkomst wordt geregeld bij de bepalingen van de § § 2 tot 5.
De huurovereenkomst eindigt na het verstrijken van de overeengekomen termijn mits een opzegging die ten minste zes maanden voor de vervaldag door de verhuurder, en ten minste drie maanden voor de vervaldag door de huurder wordt betekend.
Indien overeenkomstig het eerste lid binnen die termijn geen opzegging wordt betekend, wordt de huurovereenkomst telkens onder dezelfde voorwaarden voor een duur van drie jaar verlengd.
De vergoeding die met toepassing van § 4 van dit artikel is verschuldigd door de verhuurder die, bij het verstrijken van de derde driejarige periode of van een volgende driejarige periode, een einde maakt aan de huurovereenkomst, is gelijk aan drie maanden huurprijs.
§ 8. In afwijking van § 1 kan de huurder een schriftelijke huurovereenkomst sluiten voor het leven. Die huurovereenkomst eindigt van rechtswege bij het overlijden van de huurder. Die huurovereenkomst is niet onderworpen aan de bepalingen van de § § 2 tot 4, tenzij partijen anders overeenkomen.
Art.55. § 1er. Tout bail visé à l'article 52 est réputé conclu pour une durée de neuf années.
Il prend fin à l'expiration d'une période de neuf années moyennant un congé notifié par le bailleur au moins six mois avant l'échéance, et par le preneur au moins trois mois avant l'échéance.
A défaut d'un congé notifié dans le délai prévu à l'alinéa précédent, le bail est prorogé chaque fois pour une durée de trois ans, aux mêmes conditions.
§ 2. Le bailleur peut mettre fin au bail, à tout moment, en donnant congé six mois à l'avance, s'il a l'intention d'occuper le bien personnellement et effectivement ou de le faire occuper de la même manière par ses descendants, ses enfants adoptifs, ses ascendants, son conjoint ou cohabitant légal, les descendants, ascendants et enfants adoptifs de celui-ci, ses collatéraux et les collatéraux de son conjoint ou cohabitant légal jusqu'au troisième degré. Lorsque le congé est donné en vue de permettre l'occupation du bien par des collatéraux du troisième degré, le délai de préavis ne peut expirer avant la fin du premier triennat à partir de l'entrée en vigueur du bail.
Le congé mentionne l'identité de la personne qui occupera le bien et son lien de parenté avec le bailleur. A la demande du preneur, le bailleur doit apporter la preuve du lien de parenté. Le bailleur doit accéder à cette demande dans un délai de deux mois à dater de sa notification, faute de quoi le preneur peut demander la nullité du congé. Cette action doit être intentée à peine de déchéance au plus tard deux mois avant l'expiration du délai de préavis.
L'occupation des lieux doit commencer dans l'année qui suit l'expiration du préavis donné par le bailleur ou, en cas de prorogation, la restitution des lieux par le preneur. Ils doivent rester occupés de façon effective et continue pendant deux ans au moins.
Lorsque le bailleur, sans justifier d'une circonstance exceptionnelle, ne réalise pas l'occupation dans les conditions ou les délais prévus, le preneur a droit à une indemnité équivalente à dix-huit mois de loyer.
Les parties peuvent cependant convenir d'exclure ou de limiter cette faculté de résiliation anticipée.
§ 3. A l'expiration du premier et du deuxième triennat, le bailleur peut mettre fin au bail, en donnant congé six mois à l'avance s'il a l'intention de reconstruire, transformer ou rénover l'immeuble en tout ou en partie, à condition que ces travaux :
1° respectent la destination des lieux telle qu'elle résulte des dispositions légales et réglementaires en matière d'urbanisme;
2° affectent le corps du bien d'habitation occupé par le preneur et
3° soient d'un coût dépassant trois années du loyer afférent au bien loué ou, si l'immeuble dans lequel est situé ce bien comprend plusieurs logements loués appartenant au même bailleur et affectés par les travaux, d'un coût global dépassant deux années de loyer de l'ensemble de ces logements.
En vue d'assurer le bon déroulement des travaux, le bailleur de plusieurs logements dans un même immeuble peut, à tout moment, mettre fin à plusieurs baux moyennant un congé de six mois, pour autant que le bail ne soit pas résilié pendant la première année.
A la demande du preneur, le bailleur lui communique dans les deux mois à dater de sa demande, soit le permis d'urbanisme qui lui a été octroyé, soit un devis détaillé, soit une description des travaux accompagnés d'une estimation détaillée du coût, soit un contrat d'entreprise faute de quoi le preneur peut demander la nullité du congé. Cette action doit être intentée à peine de déchéance au plus tard deux mois avant l'expiration du délai de préavis.
Les travaux doivent être commencés dans les six mois et être terminés dans les vingt-quatre mois qui suivent l'expiration du préavis donné par le bailleur ou, en cas de prorogation, la restitution des lieux par le preneur.
Lorsque le bailleur, sans justifier d'une circonstance exceptionnelle, ne réalise pas les travaux dans les conditions et le délai prévu, le preneur a droit à une indemnité équivalente à dix-huit mois de loyer.
A la demande du preneur, le bailleur lui communique gratuitement les documents justifiant de la réalisation des travaux dans les conditions prévues au présent paragraphe.
Les parties peuvent cependant convenir d'exclure ou de limiter cette faculté de résiliation anticipée.
§ 4. A l'expiration du premier et du deuxième triennat, le bailleur peut mettre fin au bail, en donnant congé six mois à l'avance, sans motifs, mais moyennant le versement d'une indemnité.
Cette indemnité est équivalente à neuf mois ou six mois de loyer selon que le contrat prend fin à l'expiration du premier ou du deuxième triennat.
Les parties peuvent cependant convenir d'exclure ou de limiter cette faculté de résiliation anticipée.
§ 5. Il peut être mis fin au bail par le preneur à tout moment, moyennant un congé de trois mois.
Toutefois, si le preneur met fin au bail au cours du premier triennat, le bailleur a droit à une indemnité. Cette indemnité est égale à trois mois, deux mois ou un mois de loyer selon que le bail prend fin au cours de la première, de la deuxième ou de la troisième année.
Lorsque le bailleur met fin au contrat conformément aux paragraphes 2 à 4, le preneur peut lui aussi à tout moment mettre fin au bail moyennant un congé d'un mois. Dans ce cas, le preneur n'est pas redevable de l'indemnité prévue à l'alinéa 2.
§ 6. Par dérogation aux paragraphes 1er à 5, un bail peut être conclu, pour une durée inférieure ou égale à trois ans.
Il ne peut être prorogé que deux fois, et seulement par écrit et sous les mêmes conditions, sans préjudice de l'indexation du loyer au moment du renouvellement. La durée totale de location ne peut toutefois excéder trois ans. L'écrit peut consister en un avenant, un nouveau bail ou une clause contractuelle du bail initial prorogeant le bail.
Il prend fin moyennant un congé notifié par l'une ou l'autre des parties au moins trois mois avant l'expiration de la durée convenue. Lorsque le bail a été conclu pour une durée inférieure ou égale à trois mois, le congé est réputé notifié par la signature du bail ou sa prorogation.
Il peut être mis fin au bail par le preneur à tout moment, moyennant un congé de trois mois. Dans ce cas, le bailleur a droit à une indemnité équivalente à un mois de loyer.
Le bailleur ne peut mettre fin anticipativement au bail qu'après la première année de location, et aux conditions prévues au paragraphe 2, moyennant un préavis de trois mois et une indemnité équivalente à un mois de loyer.
A défaut d'un congé notifié dans les délais ou si le preneur continue à occuper les lieux sans opposition du bailleur, et même dans l'hypothèse où un nouveau contrat est conclu entre les mêmes parties, le bail est réputé avoir été conclu pour une période de neuf ans à compter de la date à laquelle le bail initial est entré en vigueur. Il est dès lors régi par les paragraphes 1er à 5 du présent article. Dans ce cas, le loyer et les autres conditions demeurent inchangés par rapport à ceux convenus dans le bail initial, sans préjudice de l'application des articles 57 et 58.
§ 7. Par dérogation au paragraphe 1er, un bail peut également être conclu, par écrit, pour une durée supérieure à neuf ans.
Ce bail est régi par les dispositions des paragraphes 2 à 5.
Ce bail prend fin à l'expiration du terme convenu moyennant un congé notifié par le bailleur au moins six mois avant l'échéance, et par le preneur au moins trois mois avant l'échéance.
A défaut d'un congé notifié dans le délai conformément à l'alinéa précédent, le bail est prorogé chaque fois pour une durée de trois ans, aux mêmes conditions.
L'indemnité due en application du paragraphe 4 du présent article par le bailleur qui met fin au bail à l'expiration du troisième triennat ou d'un triennat subséquent, est équivalente à trois mois de loyer.
§ 8. Par dérogation au paragraphe 1er, un bail écrit peut être conclu pour la vie du preneur. Le bail prend fin de plein droit au décès du preneur. Ce bail n'est pas régi par les dispositions des paragraphes 2 à 4 à moins que les parties n'en disposent autrement.
Il prend fin à l'expiration d'une période de neuf années moyennant un congé notifié par le bailleur au moins six mois avant l'échéance, et par le preneur au moins trois mois avant l'échéance.
A défaut d'un congé notifié dans le délai prévu à l'alinéa précédent, le bail est prorogé chaque fois pour une durée de trois ans, aux mêmes conditions.
§ 2. Le bailleur peut mettre fin au bail, à tout moment, en donnant congé six mois à l'avance, s'il a l'intention d'occuper le bien personnellement et effectivement ou de le faire occuper de la même manière par ses descendants, ses enfants adoptifs, ses ascendants, son conjoint ou cohabitant légal, les descendants, ascendants et enfants adoptifs de celui-ci, ses collatéraux et les collatéraux de son conjoint ou cohabitant légal jusqu'au troisième degré. Lorsque le congé est donné en vue de permettre l'occupation du bien par des collatéraux du troisième degré, le délai de préavis ne peut expirer avant la fin du premier triennat à partir de l'entrée en vigueur du bail.
Le congé mentionne l'identité de la personne qui occupera le bien et son lien de parenté avec le bailleur. A la demande du preneur, le bailleur doit apporter la preuve du lien de parenté. Le bailleur doit accéder à cette demande dans un délai de deux mois à dater de sa notification, faute de quoi le preneur peut demander la nullité du congé. Cette action doit être intentée à peine de déchéance au plus tard deux mois avant l'expiration du délai de préavis.
L'occupation des lieux doit commencer dans l'année qui suit l'expiration du préavis donné par le bailleur ou, en cas de prorogation, la restitution des lieux par le preneur. Ils doivent rester occupés de façon effective et continue pendant deux ans au moins.
Lorsque le bailleur, sans justifier d'une circonstance exceptionnelle, ne réalise pas l'occupation dans les conditions ou les délais prévus, le preneur a droit à une indemnité équivalente à dix-huit mois de loyer.
Les parties peuvent cependant convenir d'exclure ou de limiter cette faculté de résiliation anticipée.
§ 3. A l'expiration du premier et du deuxième triennat, le bailleur peut mettre fin au bail, en donnant congé six mois à l'avance s'il a l'intention de reconstruire, transformer ou rénover l'immeuble en tout ou en partie, à condition que ces travaux :
1° respectent la destination des lieux telle qu'elle résulte des dispositions légales et réglementaires en matière d'urbanisme;
2° affectent le corps du bien d'habitation occupé par le preneur et
3° soient d'un coût dépassant trois années du loyer afférent au bien loué ou, si l'immeuble dans lequel est situé ce bien comprend plusieurs logements loués appartenant au même bailleur et affectés par les travaux, d'un coût global dépassant deux années de loyer de l'ensemble de ces logements.
En vue d'assurer le bon déroulement des travaux, le bailleur de plusieurs logements dans un même immeuble peut, à tout moment, mettre fin à plusieurs baux moyennant un congé de six mois, pour autant que le bail ne soit pas résilié pendant la première année.
A la demande du preneur, le bailleur lui communique dans les deux mois à dater de sa demande, soit le permis d'urbanisme qui lui a été octroyé, soit un devis détaillé, soit une description des travaux accompagnés d'une estimation détaillée du coût, soit un contrat d'entreprise faute de quoi le preneur peut demander la nullité du congé. Cette action doit être intentée à peine de déchéance au plus tard deux mois avant l'expiration du délai de préavis.
Les travaux doivent être commencés dans les six mois et être terminés dans les vingt-quatre mois qui suivent l'expiration du préavis donné par le bailleur ou, en cas de prorogation, la restitution des lieux par le preneur.
Lorsque le bailleur, sans justifier d'une circonstance exceptionnelle, ne réalise pas les travaux dans les conditions et le délai prévu, le preneur a droit à une indemnité équivalente à dix-huit mois de loyer.
A la demande du preneur, le bailleur lui communique gratuitement les documents justifiant de la réalisation des travaux dans les conditions prévues au présent paragraphe.
Les parties peuvent cependant convenir d'exclure ou de limiter cette faculté de résiliation anticipée.
§ 4. A l'expiration du premier et du deuxième triennat, le bailleur peut mettre fin au bail, en donnant congé six mois à l'avance, sans motifs, mais moyennant le versement d'une indemnité.
Cette indemnité est équivalente à neuf mois ou six mois de loyer selon que le contrat prend fin à l'expiration du premier ou du deuxième triennat.
Les parties peuvent cependant convenir d'exclure ou de limiter cette faculté de résiliation anticipée.
§ 5. Il peut être mis fin au bail par le preneur à tout moment, moyennant un congé de trois mois.
Toutefois, si le preneur met fin au bail au cours du premier triennat, le bailleur a droit à une indemnité. Cette indemnité est égale à trois mois, deux mois ou un mois de loyer selon que le bail prend fin au cours de la première, de la deuxième ou de la troisième année.
Lorsque le bailleur met fin au contrat conformément aux paragraphes 2 à 4, le preneur peut lui aussi à tout moment mettre fin au bail moyennant un congé d'un mois. Dans ce cas, le preneur n'est pas redevable de l'indemnité prévue à l'alinéa 2.
§ 6. Par dérogation aux paragraphes 1er à 5, un bail peut être conclu, pour une durée inférieure ou égale à trois ans.
Il ne peut être prorogé que deux fois, et seulement par écrit et sous les mêmes conditions, sans préjudice de l'indexation du loyer au moment du renouvellement. La durée totale de location ne peut toutefois excéder trois ans. L'écrit peut consister en un avenant, un nouveau bail ou une clause contractuelle du bail initial prorogeant le bail.
Il prend fin moyennant un congé notifié par l'une ou l'autre des parties au moins trois mois avant l'expiration de la durée convenue. Lorsque le bail a été conclu pour une durée inférieure ou égale à trois mois, le congé est réputé notifié par la signature du bail ou sa prorogation.
Il peut être mis fin au bail par le preneur à tout moment, moyennant un congé de trois mois. Dans ce cas, le bailleur a droit à une indemnité équivalente à un mois de loyer.
Le bailleur ne peut mettre fin anticipativement au bail qu'après la première année de location, et aux conditions prévues au paragraphe 2, moyennant un préavis de trois mois et une indemnité équivalente à un mois de loyer.
A défaut d'un congé notifié dans les délais ou si le preneur continue à occuper les lieux sans opposition du bailleur, et même dans l'hypothèse où un nouveau contrat est conclu entre les mêmes parties, le bail est réputé avoir été conclu pour une période de neuf ans à compter de la date à laquelle le bail initial est entré en vigueur. Il est dès lors régi par les paragraphes 1er à 5 du présent article. Dans ce cas, le loyer et les autres conditions demeurent inchangés par rapport à ceux convenus dans le bail initial, sans préjudice de l'application des articles 57 et 58.
§ 7. Par dérogation au paragraphe 1er, un bail peut également être conclu, par écrit, pour une durée supérieure à neuf ans.
Ce bail est régi par les dispositions des paragraphes 2 à 5.
Ce bail prend fin à l'expiration du terme convenu moyennant un congé notifié par le bailleur au moins six mois avant l'échéance, et par le preneur au moins trois mois avant l'échéance.
A défaut d'un congé notifié dans le délai conformément à l'alinéa précédent, le bail est prorogé chaque fois pour une durée de trois ans, aux mêmes conditions.
L'indemnité due en application du paragraphe 4 du présent article par le bailleur qui met fin au bail à l'expiration du troisième triennat ou d'un triennat subséquent, est équivalente à trois mois de loyer.
§ 8. Par dérogation au paragraphe 1er, un bail écrit peut être conclu pour la vie du preneur. Le bail prend fin de plein droit au décès du preneur. Ce bail n'est pas régi par les dispositions des paragraphes 2 à 4 à moins que les parties n'en disposent autrement.
Afdeling 4. - Verlenging wegens buitengewone omstandigheden
Section 4. - Prorogation pour circonstances exceptionnelles
Art.56. Wanneer de huurovereenkomst vervalt of eindigt ten gevolge van een opzegging, kan de huurder, die het bewijs levert van buitengewone omstandigheden, om een verlenging verzoeken.
Deze verlenging wordt, op straf van nietigheid, uiterlijk een maand voor de vervaldag van de huurovereenkomst aan de verhuurder gevraagd bij een aangetekende brief.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de rechter, rekening houdend met de belangen van de twee partijen, ondermeer met de eventuele hoge leeftijd van een van de partijen, de verlenging toestaan. Hij stelt de duur ervan, die bepaald moet zijn, vast. De rechter, kan in dit geval, indien hij het billijk acht, op verzoek van de verhuurder eveneens een verhoging van de huurprijs toestaan, en de vergoeding die bij toepassing van artikel 55, § 4, verschuldigd is, beperken of opheffen.
Slechts één aanvraag om hernieuwing van de verlenging kan worden ingediend onder dezelfde voorwaarden.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de rechter deze verlenging toestaan eveneens onder dezelfde voorwaarden.
Deze verlenging wordt, op straf van nietigheid, uiterlijk een maand voor de vervaldag van de huurovereenkomst aan de verhuurder gevraagd bij een aangetekende brief.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de rechter, rekening houdend met de belangen van de twee partijen, ondermeer met de eventuele hoge leeftijd van een van de partijen, de verlenging toestaan. Hij stelt de duur ervan, die bepaald moet zijn, vast. De rechter, kan in dit geval, indien hij het billijk acht, op verzoek van de verhuurder eveneens een verhoging van de huurprijs toestaan, en de vergoeding die bij toepassing van artikel 55, § 4, verschuldigd is, beperken of opheffen.
Slechts één aanvraag om hernieuwing van de verlenging kan worden ingediend onder dezelfde voorwaarden.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de rechter deze verlenging toestaan eveneens onder dezelfde voorwaarden.
Art.56. Lorsque le bail vient à échéance ou prend fin par l'effet d'un congé, le preneur qui justifie de circonstances exceptionnelles peut demander une prorogation.
A peine de nullité, cette prorogation est demandée au bailleur par envoi recommandé, au plus tard un mois avant l'expiration du bail.
A défaut d'accord entre les parties, le juge peut accorder la prorogation en tenant compte de l'intérêt des deux parties, et, notamment, du grand âge éventuel d'une des parties. Il en fixe la durée, qui doit être déterminée. Il peut également, s'il l'estime équitable, accorder dans ce cas une augmentation de loyer au bailleur qui lui en fait la demande et réduire, ou supprimer, l'indemnité due en application de l'article 55, § 4.
Une seule demande de renouvellement de la prorogation peut être introduite, dans les mêmes conditions.
A défaut d'accord entre les parties, le juge peut l'accorder, également dans les mêmes conditions.
A peine de nullité, cette prorogation est demandée au bailleur par envoi recommandé, au plus tard un mois avant l'expiration du bail.
A défaut d'accord entre les parties, le juge peut accorder la prorogation en tenant compte de l'intérêt des deux parties, et, notamment, du grand âge éventuel d'une des parties. Il en fixe la durée, qui doit être déterminée. Il peut également, s'il l'estime équitable, accorder dans ce cas une augmentation de loyer au bailleur qui lui en fait la demande et réduire, ou supprimer, l'indemnité due en application de l'article 55, § 4.
Une seule demande de renouvellement de la prorogation peut être introduite, dans les mêmes conditions.
A défaut d'accord entre les parties, le juge peut l'accorder, également dans les mêmes conditions.
Afdeling 5. - Indexering
Section 5. - Indexation
Art.57. Indien zulks niet uitdrukkelijk is uitgesloten, is de aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud eenmaal per huurjaar, verschuldigd op de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst, volgens de regels bepaald bij artikel 26 van dit decreet.
Indien deze aanpassing de verhoging van het bedrag van de huurprijs tot gevolg heeft, is ze slechts verschuldigd als de huurovereenkomst schriftelijk gesloten is en, voor een huurovereenkomst betreffende een onroerend goed, als de schriftelijke huur geregistreerd is.
Deze aanpassing vindt slechts plaats op schriftelijk verzoek van de belanghebbende partij en werkt slechts terug tot drie maanden voorafgaand aan die van het verzoek.
[1 ...]1.
Indien deze aanpassing de verhoging van het bedrag van de huurprijs tot gevolg heeft, is ze slechts verschuldigd als de huurovereenkomst schriftelijk gesloten is en, voor een huurovereenkomst betreffende een onroerend goed, als de schriftelijke huur geregistreerd is.
Deze aanpassing vindt slechts plaats op schriftelijk verzoek van de belanghebbende partij en werkt slechts terug tot drie maanden voorafgaand aan die van het verzoek.
[1 ...]1.
Art.57. Si elle n'a pas été exclue expressément, l'adaptation du loyer au coût de la vie est due, une fois par année de location, à la date anniversaire de l'entrée en vigueur du bail, dans les conditions prévues à l'article 26 du présent décret.
Si cette adaptation a pour effet d'augmenter le montant du loyer, elle n'est due que si le bail a été conclu par écrit et, pour un bail portant sur un bien immeuble, que si le bail écrit a été enregistré.
Cette adaptation ne s'opère qu'après que la partie intéressée en a fait la demande écrite, et n'a d'effet pour le passé que pour les trois mois précédant celui de la demande.
[1 ...]1.
Si cette adaptation a pour effet d'augmenter le montant du loyer, elle n'est due que si le bail a été conclu par écrit et, pour un bail portant sur un bien immeuble, que si le bail écrit a été enregistré.
Cette adaptation ne s'opère qu'après que la partie intéressée en a fait la demande écrite, et n'a d'effet pour le passé que pour les trois mois précédant celui de la demande.
[1 ...]1.
Afdeling 6. - Herziening van de huurprijs en van de lasten
Section 6. - Révision du loyer et des charges
Art.58. § 1. Onverminderd artikel 50 kunnen de partijen tussen de negende en de zesde maand voorafgaand aan het verstrijken van elke driejarige periode overeenkomen dat de huurprijs wordt herzien.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de rechter een herziening van de huurprijs toestaan indien blijkt dat de normale huurwaarde van het verhuurde goed ten gevolge van nieuwe omstandigheden ten minste twintig percent hoger of lager is dan de op het tijdstip van de indiening van het verzoek eisbare huurprijs.
Hij kan tevens een verhoging van de huurprijs toestaan aan de verhuurder die bewijst dat de normale huurwaarde van het verhuurde goed met ten minste tien percent van de op het tijdstip van de indiening van het verzoek eisbare huurprijs is gestegen ten gevolge van werken die op zijn kosten in het verhuurde goed zijn uitgevoerd, met uitzondering van de werken die noodzakelijk waren om het goed in overeenstemming te brengen met de vereisten van artikel 9, eerste lid.
Indien deze herziening de verhoging van het bedrag van de huurprijs tot gevolg heeft, is ze slechts verschuldigd als de huurovereenkomst schriftelijk gesloten is en, voor een huur betreffende een onroerend goed, als de schriftelijke huur geregistreerd is.
De rechter doet uitspraak naar billijkheid.
De vordering kan slechts worden ingesteld tussen de zesde en de derde maand voor het verstrijken van de driejarige periode.
De herziene huurprijs geldt te rekenen van de eerste dag van de volgende driejarige periode, maar de vroegere huurprijs kan voorlopig worden gevorderd tot op de dag van de definitieve beslissing.
In het geval van artikel 55, § 8, kunnen partijen evenwel overeenkomen af te zien van het recht de huurprijs te herzien.
§ 2. Indien een goed het voorwerp is van opeenvolgende huren met verschillende huurders, gesloten voor een duur die korter is dan of gelijk aan drie jaar en die beëindigd worden door een opzegging door de verhuurder, mag de basishuurprijs gedurende negen opeenvolgende jaren niet hoger zijn dan de bij het begin van de negenjarige periode eisbare huurprijs, proportioneel aangepast aan de kosten van levensonderhoud, tenzij de normale huurwaarde van het goed onderrussen ren gevolge van nieuwe omstandigheden, met ten minste twintig percent of ten gevolge van werken in het verhuurde goed met ten minste tien percent is gestegen.
Niettegenstaande enig andersluidend beding of andersluidende overeenkomst vermindert de rechter de huurprijs tot de huurprijs die eisbaar is krachtens de vorige huurovereenkomst, proportioneel aangepast aan de kosten van levensonderhoud, wanneer de verhuurder nier bewijst dat de huurprijs werd vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid.
De proportioneel aangepaste huurprijs wordt berekend als volgt : basishuurprijs bij het begin van de negenjarige periode vermenigvuldigd met het indexcijfer van de maand voorafgaand aan die van het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst en gedeeld door het indexcijfer van de maand voorafgaand aan die van het sluiten van de huur bij het begin van de negenjarige periode.
§ 3. Iedere partij kan te allen tijde aan de vrederechter de herziening van de forfaitaire kosten en lasten vragen of de omzetting ervan in werkelijke kosten en lasten.
De rechter doet inzonderheid uitspraak op grond van de ontwikkeling van de werkelijke uitgaven.
Hij beslist tot de omzetting indien zij mogelijk is.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de rechter een herziening van de huurprijs toestaan indien blijkt dat de normale huurwaarde van het verhuurde goed ten gevolge van nieuwe omstandigheden ten minste twintig percent hoger of lager is dan de op het tijdstip van de indiening van het verzoek eisbare huurprijs.
Hij kan tevens een verhoging van de huurprijs toestaan aan de verhuurder die bewijst dat de normale huurwaarde van het verhuurde goed met ten minste tien percent van de op het tijdstip van de indiening van het verzoek eisbare huurprijs is gestegen ten gevolge van werken die op zijn kosten in het verhuurde goed zijn uitgevoerd, met uitzondering van de werken die noodzakelijk waren om het goed in overeenstemming te brengen met de vereisten van artikel 9, eerste lid.
Indien deze herziening de verhoging van het bedrag van de huurprijs tot gevolg heeft, is ze slechts verschuldigd als de huurovereenkomst schriftelijk gesloten is en, voor een huur betreffende een onroerend goed, als de schriftelijke huur geregistreerd is.
De rechter doet uitspraak naar billijkheid.
De vordering kan slechts worden ingesteld tussen de zesde en de derde maand voor het verstrijken van de driejarige periode.
De herziene huurprijs geldt te rekenen van de eerste dag van de volgende driejarige periode, maar de vroegere huurprijs kan voorlopig worden gevorderd tot op de dag van de definitieve beslissing.
In het geval van artikel 55, § 8, kunnen partijen evenwel overeenkomen af te zien van het recht de huurprijs te herzien.
§ 2. Indien een goed het voorwerp is van opeenvolgende huren met verschillende huurders, gesloten voor een duur die korter is dan of gelijk aan drie jaar en die beëindigd worden door een opzegging door de verhuurder, mag de basishuurprijs gedurende negen opeenvolgende jaren niet hoger zijn dan de bij het begin van de negenjarige periode eisbare huurprijs, proportioneel aangepast aan de kosten van levensonderhoud, tenzij de normale huurwaarde van het goed onderrussen ren gevolge van nieuwe omstandigheden, met ten minste twintig percent of ten gevolge van werken in het verhuurde goed met ten minste tien percent is gestegen.
Niettegenstaande enig andersluidend beding of andersluidende overeenkomst vermindert de rechter de huurprijs tot de huurprijs die eisbaar is krachtens de vorige huurovereenkomst, proportioneel aangepast aan de kosten van levensonderhoud, wanneer de verhuurder nier bewijst dat de huurprijs werd vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid.
De proportioneel aangepaste huurprijs wordt berekend als volgt : basishuurprijs bij het begin van de negenjarige periode vermenigvuldigd met het indexcijfer van de maand voorafgaand aan die van het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst en gedeeld door het indexcijfer van de maand voorafgaand aan die van het sluiten van de huur bij het begin van de negenjarige periode.
§ 3. Iedere partij kan te allen tijde aan de vrederechter de herziening van de forfaitaire kosten en lasten vragen of de omzetting ervan in werkelijke kosten en lasten.
De rechter doet inzonderheid uitspraak op grond van de ontwikkeling van de werkelijke uitgaven.
Hij beslist tot de omzetting indien zij mogelijk is.
Art.58. § 1er. Sans préjudice de l'article 50, les parties peuvent convenir de la révision du loyer entre le neuvième et le sixième mois précédant l'expiration de chaque triennat.
A défaut d'accord des parties, le juge peut accorder la révision du loyer s'il est établi que par le fait de circonstances nouvelles, la valeur locative normale du bien loué est supérieure ou inférieure de vingt pour cent au moins au loyer exigible au moment de l'introduction de la demande.
Il peut de même accorder une augmentation de loyer au bailleur qui établit que la valeur locative normale du bien loué a augmenté de dix pour cent au moins du loyer exigible au moment de l'introduction de la demande, en raison de travaux effectués à ses frais dans le bien loué à l'exception des travaux nécessaires en vue de mettre le bien loué en conformité avec les conditions de l'article 9, alinéa 1er.
Si cette révision a pour effet d'augmenter le montant du loyer, elle n'est due que si le bail a été conclu par écrit et, pour un bail portant sur un bien immeuble, que si le bail écrit a été enregistré.
Le juge statue en équité.
L'action ne peut être intentée qu'entre le sixième et le troisième mois précédant l'expiration du triennat en cours.
Le loyer révisé produit ses effets à compter du premier jour du triennat suivant, l'ancien loyer demeurant provisoirement exigible jusqu'à la décision définitive.
Dans le cas de l'article 55, § 8, les parties peuvent cependant renoncer à la faculté de demander la révision du loyer.
§ 2. Si un bien fait l'objet de baux successifs, conclus avec des preneurs différents pour une durée inférieure ou égale à trois ans, auxquels il est mis fin moyennant un congé donné par le bailleur, le loyer de base ne peut, pendant neuf années successives, pas être supérieur au loyer exigible au début de cette période, proportionnellement adapté au coût de la vie, sauf si la valeur locative normale du bien loué a augmenté de vingt pour cent au moins par le fait de circonstances nouvelles ou de dix pour cent au moins en raison de travaux effectués dans le bien loué.
Nonobstant toute clause ou toute convention contraire, le juge réduit le loyer au loyer exigible en vertu du précédent bail, proportionnellement adapté au coût de la vie, si le bailleur ne prouve pas que le loyer a été fixé conformément aux dispositions de l'alinéa 1er.
Le loyer proportionnellement adapté est calculé comme suit : loyer de base au début de la période de neuf années, multiplié par l'indice du mois précédant le mois de la conclusion du nouveau bail et divisé par l'indice du mois précédant le mois de la conclusion du bail au début de la période de neuf années.
§ 3. A tout moment, chacune des parties peut demander au juge de paix la révision des frais et charges forfaitaires ou leur conversion en frais et charges réels.
Le juge statue notamment sur la base de l'évolution des dépenses réelles.
Il décide la conversion si elle est possible.
A défaut d'accord des parties, le juge peut accorder la révision du loyer s'il est établi que par le fait de circonstances nouvelles, la valeur locative normale du bien loué est supérieure ou inférieure de vingt pour cent au moins au loyer exigible au moment de l'introduction de la demande.
Il peut de même accorder une augmentation de loyer au bailleur qui établit que la valeur locative normale du bien loué a augmenté de dix pour cent au moins du loyer exigible au moment de l'introduction de la demande, en raison de travaux effectués à ses frais dans le bien loué à l'exception des travaux nécessaires en vue de mettre le bien loué en conformité avec les conditions de l'article 9, alinéa 1er.
Si cette révision a pour effet d'augmenter le montant du loyer, elle n'est due que si le bail a été conclu par écrit et, pour un bail portant sur un bien immeuble, que si le bail écrit a été enregistré.
Le juge statue en équité.
L'action ne peut être intentée qu'entre le sixième et le troisième mois précédant l'expiration du triennat en cours.
Le loyer révisé produit ses effets à compter du premier jour du triennat suivant, l'ancien loyer demeurant provisoirement exigible jusqu'à la décision définitive.
Dans le cas de l'article 55, § 8, les parties peuvent cependant renoncer à la faculté de demander la révision du loyer.
§ 2. Si un bien fait l'objet de baux successifs, conclus avec des preneurs différents pour une durée inférieure ou égale à trois ans, auxquels il est mis fin moyennant un congé donné par le bailleur, le loyer de base ne peut, pendant neuf années successives, pas être supérieur au loyer exigible au début de cette période, proportionnellement adapté au coût de la vie, sauf si la valeur locative normale du bien loué a augmenté de vingt pour cent au moins par le fait de circonstances nouvelles ou de dix pour cent au moins en raison de travaux effectués dans le bien loué.
Nonobstant toute clause ou toute convention contraire, le juge réduit le loyer au loyer exigible en vertu du précédent bail, proportionnellement adapté au coût de la vie, si le bailleur ne prouve pas que le loyer a été fixé conformément aux dispositions de l'alinéa 1er.
Le loyer proportionnellement adapté est calculé comme suit : loyer de base au début de la période de neuf années, multiplié par l'indice du mois précédant le mois de la conclusion du nouveau bail et divisé par l'indice du mois précédant le mois de la conclusion du bail au début de la période de neuf années.
§ 3. A tout moment, chacune des parties peut demander au juge de paix la révision des frais et charges forfaitaires ou leur conversion en frais et charges réels.
Le juge statue notamment sur la base de l'évolution des dépenses réelles.
Il décide la conversion si elle est possible.
Afdeling 7. - Onroerende voorheffing
Section 7. - Précompte immobilier
Art.59. De onroerende voorheffing betreffende de verhuurde woning kan niet ten laste van de huurder worden gelegd.
Art.59. Le précompte immobilier afférent à l'habitation louée ne peut être mis à charge du preneur.
Afdeling 8. - Onderverhuring
Section 8. - Sous location
Art.60. § 1. De huurder die een woning in huur genomen heeft die hij tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt, mag het goed niet volledig onderverhuren.
Met de instemming van de verhuurder mag hij een gedeelte van dat goed onderverhuren op voorwaarde dat het resterende gedeelte tot zijn hoofdverblijfplaats bestemd blijft. Indien het onderverhuurde goed bestemd wordt als hoofdverblijfplaats van de onderhuurder, worden de rechten en verplichtingen van de huurder en van de onderhuurder, wat hun respectieve verhouding betreft, bepaald door dit hoofdstuk, onder voorbehoud van de leden 4 tot 7 van artikel 47.
§ 2. Onderverhuring is toegestaan onder de voorwaarden bepaald in artikel 47, derde lid, van dit decreet, door de erin vermelde rechtspersonen. De leden 4 tot 7 van artikel 47 zijn op deze onderverhuring van toepassing.
Met de instemming van de verhuurder mag hij een gedeelte van dat goed onderverhuren op voorwaarde dat het resterende gedeelte tot zijn hoofdverblijfplaats bestemd blijft. Indien het onderverhuurde goed bestemd wordt als hoofdverblijfplaats van de onderhuurder, worden de rechten en verplichtingen van de huurder en van de onderhuurder, wat hun respectieve verhouding betreft, bepaald door dit hoofdstuk, onder voorbehoud van de leden 4 tot 7 van artikel 47.
§ 2. Onderverhuring is toegestaan onder de voorwaarden bepaald in artikel 47, derde lid, van dit decreet, door de erin vermelde rechtspersonen. De leden 4 tot 7 van artikel 47 zijn op deze onderverhuring van toepassing.
Art.60. § 1er. Le preneur qui a contracté un bail d'habitation qu'il affecte à sa résidence principale ne peut donner la totalité du bien en sous-location.
Il peut sous-louer une partie de ce bien avec l'accord du bailleur et à condition que le reste du bien loué demeure affecté à sa résidence principale. Si le bien sous-loué est destiné à servir de résidence principale au sous-locataire, les droits et obligations du preneur et du sous-locataire sont, dans leurs rapports respectifs, déterminés par le présent chapitre, sous réserve des alinéas 4 à 7 de l'article 47.
§ 2. La sous-location est permise aux conditions visées à l'article 47, alinéa 3, du présent décret, pour les personnes morales qui y sont mentionnées. Les alinéas 4 à 7 de l'article 47 sont applicables à cette sous-location.
Il peut sous-louer une partie de ce bien avec l'accord du bailleur et à condition que le reste du bien loué demeure affecté à sa résidence principale. Si le bien sous-loué est destiné à servir de résidence principale au sous-locataire, les droits et obligations du preneur et du sous-locataire sont, dans leurs rapports respectifs, déterminés par le présent chapitre, sous réserve des alinéas 4 à 7 de l'article 47.
§ 2. La sous-location est permise aux conditions visées à l'article 47, alinéa 3, du présent décret, pour les personnes morales qui y sont mentionnées. Les alinéas 4 à 7 de l'article 47 sont applicables à cette sous-location.
Art.61. De in artikel 56 bedoelde verlenging van de woninghuurovereenkomst om buitengewone redenen is verboden in de toestanden bedoeld in artikel 47, lid 6 en 7.
Art.61. La prorogation du bail d'habitation pour circonstances exceptionnelles visée à l'article 56 est interdite dans les situations visées à l'article 47, alinéas 6 et 7.
Afdeling 9. - Waarborg
Section 9. - Garantie
Art.62. § 1. Indien, behoudens de zekerheden voorzien in artikel 20 van dit decreet, de huurder om de naleving van zijn verplichtingen te waarborgen, een van de in het volgende lid bepaalde vormen van waarborgen verstrekt, mag die niet meer bedragen dan [1 het bedrag dat gelijk is aan 2 maanden huurprijs]1.
De in het vorige lid vermelde waarborgen kunnen naar keuze van de huurder drie vormen aannemen : ofwel een geïndividualiseerde rekening op naam van de huurder bij een financiële instelling, ofwel een bankwaarborg die het de huurder mogelijk maakt de waarborg progressief samen te stellen, ofwel een bankwaarborg ten gevolge van een standaardcontract tussen een OCMW en een financiële instelling.
[1 Wanneer de huurder kiest voor een geïndividualiseerde rekening, wordt de opgebrachte rente gekapitaliseerd ten bate van de huurder en verwerft de verhuurder voorrecht op de activa van de rekening voor elke schuldvordering ten gevolge van het volledig of gedeeltelijk niet nakomen van de verplichtingen van de huurder.]1
[1 Wanneer de huurder kiest voor een bankwaarborg, waarbij hij zich verbindt die volledig samen te stellen middels constante maandelijkse afbetalingen gedurende de duur van de huur, met een maximumduur van drie jaar, moet de financiële instelling die zijn waar de huurder in voorkomend geval zijn rekening heeft en waar zijn beroeps- of vervangingsinkomsten worden gestort.]1 Indien de huurder stopt met het storten van zijn beroeps- of vervangingsinkomens bij de desbetreffende instelling, is die gerechtigd om de integrale en onmiddellijke samenstelling van de waarborg te eisen, onverminderd de mogelijkheid om die over te brengen naar een andere financiële instelling. Niettegenstaande de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, kan een financiële instelling deze waarborg niet weigeren om redenen in verband met de kredietwaardigheid van de huurder. Boek VII, titel IV, hoofdstuk I, van het Wetboek van economisch recht is niet van toepassing. De Regering kan de nadere regels bepalen inzake de verplichting voor de financiële instelling om een huurwaarborg samen te stellen in het geval dat een kandidaat-huurder, op het moment van zijn aanvraag, gebonden is door meer dan één andere samenstellingsverplichting voor huurwaarborgen die voorheen toegekend werden. Na een evaluatie die zal plaatsvinden één jaar na het van kracht worden van dit systeem, zal de Regering een openbare waarborg kunnen organiseren om de waarborgen te dekken die door de financiële instellingen toegekend werden aan bepaalde categorieën huurders die Zij vaststelt, volgens de financieringsmodaliteiten die Zij vaststelt. De huurder zal geen enkele debetrente verschuldigd zijn aan de financiële instelling, die hem rente zal uitkeren vanaf de dag dat de waarborg volledig is samengesteld. De financiële instelling beschikt over de voorrechten van het gemeen recht ten overstaande van de huurder in geval hij zijn verplichting om de waarborg progressief samen te stellen, niet naleeft.
Wanneer de huurder kiest voor een bankwaarborg [1 ...]1 ten gevolge van een standaardcontract tussen een OCMW en een financiële instelling, is het dat OCMW dat daar om verzoekt bij de financiële instelling, die de waarborg toestaat ten gunste van de verhuurder.
De Regering legt het formulier vast waarmee de financiële instellingen ten aanzien van de verhuurders zullen bevestigen dat de huurwaarborg toegekend is, ongeacht de manier waarop deze waarborg wordt gevormd.
§ 2. Wanneer de verhuurder in het bezit is van de waarborg en nalaat die te plaatsen op de manier bepaald in § 1, derde lid, is hij ertoe gehouden om aan de huurder rente te betalen aan de gemiddelde rentevoet van de financiële markt op het bedrag van de waarborg, vanaf het moment dat die overhandigd wordt.
Deze rente wordt gekapitaliseerd. Vanaf de dag dat de huurder de verhuurder in gebreke stelt om te voldoen aan de verplichting die hem door § 1, derde lid dis opgelegd, is de verschuldigde rente echter de wettelijke interesten op het bedrag van de waarborg.
§ 3. Er mag niet beschikt worden over de bankrekening, noch in hoofdsom, noch in rente, noch van de bankwaarborg, noch van de rekening waarop de waarborg opnieuw werd samengesteld, dan ten voordele van een van beide partijen, mits voorleggen van ofwel een schriftelijk akkoord, dat ten vroegste opgesteld wordt bij het beëindigen van de huur, ofwel van een kopie van een rechterlijke beslissing. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.
De in het vorige lid vermelde waarborgen kunnen naar keuze van de huurder drie vormen aannemen : ofwel een geïndividualiseerde rekening op naam van de huurder bij een financiële instelling, ofwel een bankwaarborg die het de huurder mogelijk maakt de waarborg progressief samen te stellen, ofwel een bankwaarborg ten gevolge van een standaardcontract tussen een OCMW en een financiële instelling.
[1 Wanneer de huurder kiest voor een geïndividualiseerde rekening, wordt de opgebrachte rente gekapitaliseerd ten bate van de huurder en verwerft de verhuurder voorrecht op de activa van de rekening voor elke schuldvordering ten gevolge van het volledig of gedeeltelijk niet nakomen van de verplichtingen van de huurder.]1
[1 Wanneer de huurder kiest voor een bankwaarborg, waarbij hij zich verbindt die volledig samen te stellen middels constante maandelijkse afbetalingen gedurende de duur van de huur, met een maximumduur van drie jaar, moet de financiële instelling die zijn waar de huurder in voorkomend geval zijn rekening heeft en waar zijn beroeps- of vervangingsinkomsten worden gestort.]1 Indien de huurder stopt met het storten van zijn beroeps- of vervangingsinkomens bij de desbetreffende instelling, is die gerechtigd om de integrale en onmiddellijke samenstelling van de waarborg te eisen, onverminderd de mogelijkheid om die over te brengen naar een andere financiële instelling. Niettegenstaande de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, kan een financiële instelling deze waarborg niet weigeren om redenen in verband met de kredietwaardigheid van de huurder. Boek VII, titel IV, hoofdstuk I, van het Wetboek van economisch recht is niet van toepassing. De Regering kan de nadere regels bepalen inzake de verplichting voor de financiële instelling om een huurwaarborg samen te stellen in het geval dat een kandidaat-huurder, op het moment van zijn aanvraag, gebonden is door meer dan één andere samenstellingsverplichting voor huurwaarborgen die voorheen toegekend werden. Na een evaluatie die zal plaatsvinden één jaar na het van kracht worden van dit systeem, zal de Regering een openbare waarborg kunnen organiseren om de waarborgen te dekken die door de financiële instellingen toegekend werden aan bepaalde categorieën huurders die Zij vaststelt, volgens de financieringsmodaliteiten die Zij vaststelt. De huurder zal geen enkele debetrente verschuldigd zijn aan de financiële instelling, die hem rente zal uitkeren vanaf de dag dat de waarborg volledig is samengesteld. De financiële instelling beschikt over de voorrechten van het gemeen recht ten overstaande van de huurder in geval hij zijn verplichting om de waarborg progressief samen te stellen, niet naleeft.
Wanneer de huurder kiest voor een bankwaarborg [1 ...]1 ten gevolge van een standaardcontract tussen een OCMW en een financiële instelling, is het dat OCMW dat daar om verzoekt bij de financiële instelling, die de waarborg toestaat ten gunste van de verhuurder.
De Regering legt het formulier vast waarmee de financiële instellingen ten aanzien van de verhuurders zullen bevestigen dat de huurwaarborg toegekend is, ongeacht de manier waarop deze waarborg wordt gevormd.
§ 2. Wanneer de verhuurder in het bezit is van de waarborg en nalaat die te plaatsen op de manier bepaald in § 1, derde lid, is hij ertoe gehouden om aan de huurder rente te betalen aan de gemiddelde rentevoet van de financiële markt op het bedrag van de waarborg, vanaf het moment dat die overhandigd wordt.
Deze rente wordt gekapitaliseerd. Vanaf de dag dat de huurder de verhuurder in gebreke stelt om te voldoen aan de verplichting die hem door § 1, derde lid dis opgelegd, is de verschuldigde rente echter de wettelijke interesten op het bedrag van de waarborg.
§ 3. Er mag niet beschikt worden over de bankrekening, noch in hoofdsom, noch in rente, noch van de bankwaarborg, noch van de rekening waarop de waarborg opnieuw werd samengesteld, dan ten voordele van een van beide partijen, mits voorleggen van ofwel een schriftelijk akkoord, dat ten vroegste opgesteld wordt bij het beëindigen van de huur, ofwel van een kopie van een rechterlijke beslissing. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.
Art.62. § 1er. Si, indépendamment des sûretés prévues à l'article 20 du présent décret, le preneur donne pour assurer le respect de ses obligations, une des formes de garanties prévues à l'alinéa suivant, celle-ci ne peut excéder [1 un montant équivalent à deux mois de loyer]1.
Les garanties mentionnées à l'alinéa précédent peuvent prendre au choix du preneur, trois formes : soit un compte individualisé ouvert au nom du preneur auprès d'une institution financière, soit une garantie bancaire qui permet au preneur de constituer progressivement la garantie, soit une garantie bancaire résultant d'un contrat-type entre un CPAS et une institution financière.
Lorsque le preneur opte pour un compte individualisé, [1 les]1 intérêts produits sont capitalisés au profit du preneur et le bailleur acquiert un privilège sur l'actif du compte pour toute créance résultant de l'inexécution totale ou partielle des obligations du preneur.
Lorsque le preneur opte pour une garantie bancaire qu'il s'engage à reconstituer totalement par mensualités constantes pendant la durée du contrat, avec un maximum de trois ans, [1 l'institution]1 financière devra être celle auprès de laquelle le preneur dispose, le cas échéant, du compte bancaire sur lequel sont versés ses revenus professionnels ou de remplacement. Si le preneur met fin au versement de ses revenus professionnels ou de remplacement dans l'institution en question, celle-ci est en droit de réclamer la reconstitution intégrale et immédiate de la garantie, sans préjudice de la possibilité de transférer celle-ci à une autre institution financière. Nonobstant la loi du 25 avril 2014 'relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, une institution financière ne peut pas refuser cette garantie pour des raisons liées à l'état de solvabilité du locataire. Le livre VII, titre IV, chapitre Ier, du Code de droit économique n'est pas d'application. Le Gouvernement peut modaliser l'obligation de l'institution financière de constituer une garantie bancaire dans le cas où le candidat locataire est tenu, au moment de sa demande, par plus d'une autre obligation de reconstitution pour des garanties bancaires locatives octroyées antérieurement. Après une évaluation faite un an après l'entrée en vigueur de ce système, le Gouvernement pourra organiser une garantie publique pour couvrir les garanties octroyées par les institutions financières à certaines catégories de locataires qu'Il définit, selon les modalités de financement qu'Il définit. Le preneur ne devra aucun intérêt débiteur à l'institution financière, qui lui accordera des intérêts dès le jour de la constitution totale de la garantie. L'institution financière dispose des privilèges de droit commun vis-à-vis du preneur en cas de non-exécution de son obligation de constituer progressivement la garantie.
Lorsque le preneur opte pour une garantie bancaire [1 ...]1 résultant d'un contrat-type entre un CPAS et une institution financière, c'est le CPAS qui effectue la demande auprès de l'institution financière qui l'accorde au profit du bailleur.
Le Gouvernement fixe le formulaire par lequel les institutions financières attesteront, vis-à-vis des bailleurs, que la garantie locative est octroyée, peu importe la manière dont cette garantie est constituée.
§ 2. Lorsque le bailleur est en possession de la garantie et s'abstient de la placer de la manière prévue au paragraphe 1er, alinéa 3, il est tenu de payer au preneur des intérêts au taux moyen du marché financier sur le montant de la garantie, à partir de la remise de celle-ci.
Ces intérêts sont capitalisés. Toutefois, à dater du jour où le preneur met en demeure le bailleur de satisfaire à l'obligation qui lui est imposée par le paragraphe 1er, alinéa 3, les intérêts dus sont les intérêts légaux sur le montant de la garantie.
§ 3. Il ne peut être disposé du compte bancaire, tant en principal qu'en intérêts, ni de la garantie bancaire ni du compte sur lequel la reconstitution de la garantie s'est effectuée, qu'au profit de l'une ou l'autre des parties, moyennant production soit d'un accord écrit, établi au plus tôt à la fin du contrat de bail, soit d'une copie d'une décision judiciaire. Cette décision est exécutoire par provision, nonobstant opposition ou appel, et sans caution ni cantonnement.
Les garanties mentionnées à l'alinéa précédent peuvent prendre au choix du preneur, trois formes : soit un compte individualisé ouvert au nom du preneur auprès d'une institution financière, soit une garantie bancaire qui permet au preneur de constituer progressivement la garantie, soit une garantie bancaire résultant d'un contrat-type entre un CPAS et une institution financière.
Lorsque le preneur opte pour un compte individualisé, [1 les]1 intérêts produits sont capitalisés au profit du preneur et le bailleur acquiert un privilège sur l'actif du compte pour toute créance résultant de l'inexécution totale ou partielle des obligations du preneur.
Lorsque le preneur opte pour une garantie bancaire qu'il s'engage à reconstituer totalement par mensualités constantes pendant la durée du contrat, avec un maximum de trois ans, [1 l'institution]1 financière devra être celle auprès de laquelle le preneur dispose, le cas échéant, du compte bancaire sur lequel sont versés ses revenus professionnels ou de remplacement. Si le preneur met fin au versement de ses revenus professionnels ou de remplacement dans l'institution en question, celle-ci est en droit de réclamer la reconstitution intégrale et immédiate de la garantie, sans préjudice de la possibilité de transférer celle-ci à une autre institution financière. Nonobstant la loi du 25 avril 2014 'relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, une institution financière ne peut pas refuser cette garantie pour des raisons liées à l'état de solvabilité du locataire. Le livre VII, titre IV, chapitre Ier, du Code de droit économique n'est pas d'application. Le Gouvernement peut modaliser l'obligation de l'institution financière de constituer une garantie bancaire dans le cas où le candidat locataire est tenu, au moment de sa demande, par plus d'une autre obligation de reconstitution pour des garanties bancaires locatives octroyées antérieurement. Après une évaluation faite un an après l'entrée en vigueur de ce système, le Gouvernement pourra organiser une garantie publique pour couvrir les garanties octroyées par les institutions financières à certaines catégories de locataires qu'Il définit, selon les modalités de financement qu'Il définit. Le preneur ne devra aucun intérêt débiteur à l'institution financière, qui lui accordera des intérêts dès le jour de la constitution totale de la garantie. L'institution financière dispose des privilèges de droit commun vis-à-vis du preneur en cas de non-exécution de son obligation de constituer progressivement la garantie.
Lorsque le preneur opte pour une garantie bancaire [1 ...]1 résultant d'un contrat-type entre un CPAS et une institution financière, c'est le CPAS qui effectue la demande auprès de l'institution financière qui l'accorde au profit du bailleur.
Le Gouvernement fixe le formulaire par lequel les institutions financières attesteront, vis-à-vis des bailleurs, que la garantie locative est octroyée, peu importe la manière dont cette garantie est constituée.
§ 2. Lorsque le bailleur est en possession de la garantie et s'abstient de la placer de la manière prévue au paragraphe 1er, alinéa 3, il est tenu de payer au preneur des intérêts au taux moyen du marché financier sur le montant de la garantie, à partir de la remise de celle-ci.
Ces intérêts sont capitalisés. Toutefois, à dater du jour où le preneur met en demeure le bailleur de satisfaire à l'obligation qui lui est imposée par le paragraphe 1er, alinéa 3, les intérêts dus sont les intérêts légaux sur le montant de la garantie.
§ 3. Il ne peut être disposé du compte bancaire, tant en principal qu'en intérêts, ni de la garantie bancaire ni du compte sur lequel la reconstitution de la garantie s'est effectuée, qu'au profit de l'une ou l'autre des parties, moyennant production soit d'un accord écrit, établi au plus tôt à la fin du contrat de bail, soit d'une copie d'une décision judiciaire. Cette décision est exécutoire par provision, nonobstant opposition ou appel, et sans caution ni cantonnement.
Afdeling 10. - Overdracht van de verhuurde woning
Section 10. - Transmission de l'habitation louée
Art.63. Indien de huurovereenkomst een vaste dagtekening voor de vervreemding van het verhuurde goed heeft, treedt de verkrijger om niet of onder bezwarende titel in de rechten en verplichtingen van de verhuurder op de datum van het verlijden van de authentieke akte, zelfs indien de huur het recht van uitzetting in geval van vervreemding bedingt.
Hetzelfde geldt wanneer de huurovereenkomst geen vaste dagtekening voor de vervreemding heeft, indien de huurder het verhuurde goed sinds ten minste zes maanden betrekt. In dat geval kan de verkrijger evenwel de huurovereenkomst te allen tijde beëindigen, om de redenen en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 55, § § 2 tot 4 van dit decreet, mits aan de huurder, op straffe van verval, een opzegging van drie maanden wordt betekend binnen drie maanden te rekenen van de datum van het verlijden van de authentieke akte tot vaststelling van de overgang van eigendom.
Hetzelfde geldt wanneer de huurovereenkomst geen vaste dagtekening voor de vervreemding heeft, indien de huurder het verhuurde goed sinds ten minste zes maanden betrekt. In dat geval kan de verkrijger evenwel de huurovereenkomst te allen tijde beëindigen, om de redenen en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 55, § § 2 tot 4 van dit decreet, mits aan de huurder, op straffe van verval, een opzegging van drie maanden wordt betekend binnen drie maanden te rekenen van de datum van het verlijden van de authentieke akte tot vaststelling van de overgang van eigendom.
Art.63. Si le bail a date certaine antérieure à l'aliénation du bien loué, l'acquéreur à titre gratuit ou à titre onéreux est subrogé aux droits et obligations du bailleur à la date de la passation de l'acte authentique, même si le bail réserve la faculté d'expulsion en cas d'aliénation.
Il en va de même lorsque le bail n'a pas date certaine antérieure à l'aliénation, si le preneur occupe le bien loué depuis six mois au moins. Dans ce cas, l'acquéreur peut cependant mettre fin au bail, à tout moment, pour les motifs et dans les conditions visés à l'article 55, § § 2 à 4, du présent décret, moyennant un congé de trois mois notifié au preneur, à peine de déchéance, dans les trois mois qui suivent la date de la passation de l'acte authentique constatant la mutation de la propriété.
Il en va de même lorsque le bail n'a pas date certaine antérieure à l'aliénation, si le preneur occupe le bien loué depuis six mois au moins. Dans ce cas, l'acquéreur peut cependant mettre fin au bail, à tout moment, pour les motifs et dans les conditions visés à l'article 55, § § 2 à 4, du présent décret, moyennant un congé de trois mois notifié au preneur, à peine de déchéance, dans les trois mois qui suivent la date de la passation de l'acte authentique constatant la mutation de la propriété.
Afdeling 11. - Bemiddeling door een derde voor de verhuring van het onroerend goed
Section 11. - Intervention d'un tiers à la location de l'immeuble
HOOFDSTUK IV. - Bijzondere bepalingen betreffende de medehuurovereenkomst
CHAPITRE IV. - Dispositions particulières relatives au bail de colocation
Art.65. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de artikelen 56, 58, § 3, 59 en 63 van dit decreet van toepassing op de medehuurovereenkomst.
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de andere bepalingen van hoofdstuk 3 ook van toepassing indien één van de medehuurders, met uitdrukkelijke toestemming van alle medehuurders en van de verhuurder, het goed tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt.
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de andere bepalingen van hoofdstuk 3 ook van toepassing indien één van de medehuurders, met uitdrukkelijke toestemming van alle medehuurders en van de verhuurder, het goed tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt.
Art.65. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, les articles 56, 58, § 3, 59 et 63 du présent décret s'appliquent au bail de colocation.
Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, si, avec l'accord exprès de tous les colocataires et du bailleur, un des colocataires affecte le bien à sa résidence principale, les autres dispositions du chapitre 3 s'appliquent également.
Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, si, avec l'accord exprès de tous les colocataires et du bailleur, un des colocataires affecte le bien à sa résidence principale, les autres dispositions du chapitre 3 s'appliquent également.
Art.66. De medehuurders zijn solidair gehouden tot het geheel van de verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst.
Art.66. Les colocataires sont solidairement tenus de l'ensemble des obligations qui découlent du bail.
Art.67. Wanneer alle medehuurders een einde maken aan de huurovereenkomst, moet de opzegging door elke onder hen ondertekend worden.
Art.67. Lorsque l'ensemble des colocataires mettent fin au bail, le congé doit être signé par chacun d'entre eux.
Art.68. De medehuurder die wenst zich vóór de vervaldatum van de huurovereenkomst van zijn verplichtingen te bevrijden, betekent een opzegging van drie maanden gelijktijdig aan de verhuurder en zijn medehuurders.
Na de in het eerste lid bedoelde periode van drie maanden wordt de medehuurder die zijn opzegging heeft betekend, zonder vergoeding bevrijd van zijn verplichtingen op voorwaarde dat de verhuurder en zijn medehuurders hun instemming hebben gegeven over zijn vervanger, waarbij deze instemming slechts om gegronde redenen geweigerd kan worden.
Bij gebrek aan instemming wordt de in het eerste lid bedoelde medehuurder aan het einde van deze periode van drie maanden van zijn verplichtingen bevrijd mits de betaling aan zijn medehuurders van een vergoeding gelijk aan drie keer het gedeelte van de medehuurder in de huurprijs.
Na de in het eerste lid bedoelde periode van drie maanden wordt de medehuurder die zijn opzegging heeft betekend, zonder vergoeding bevrijd van zijn verplichtingen op voorwaarde dat de verhuurder en zijn medehuurders hun instemming hebben gegeven over zijn vervanger, waarbij deze instemming slechts om gegronde redenen geweigerd kan worden.
Bij gebrek aan instemming wordt de in het eerste lid bedoelde medehuurder aan het einde van deze periode van drie maanden van zijn verplichtingen bevrijd mits de betaling aan zijn medehuurders van een vergoeding gelijk aan drie keer het gedeelte van de medehuurder in de huurprijs.
Art.68. Le colocataire qui souhaite se libérer de ses obligations avant le terme du bail, notifie simultanément au bailleur et à ses colocataires un congé de trois mois.
Après la période de trois mois visée à l'alinéa 1er, le colocataire qui a notifié son congé est libéré de ses obligations sans indemnité à condition que le bailleur et ses colocataires aient donné leur agrément sur son remplaçant, cet agrément ne pouvant être refusé que pour de justes motifs.
A défaut d'agrément, le colocataire visé à l'alinéa 1er est libéré de ses obligations à l'issue de cette période de trois mois moyennant le paiement d'une indemnité, équivalente à trois fois la part du colocataire dans le loyer, à ses colocataires.
Après la période de trois mois visée à l'alinéa 1er, le colocataire qui a notifié son congé est libéré de ses obligations sans indemnité à condition que le bailleur et ses colocataires aient donné leur agrément sur son remplaçant, cet agrément ne pouvant être refusé que pour de justes motifs.
A défaut d'agrément, le colocataire visé à l'alinéa 1er est libéré de ses obligations à l'issue de cette période de trois mois moyennant le paiement d'une indemnité, équivalente à trois fois la part du colocataire dans le loyer, à ses colocataires.
Art.69. De vervanger van de medehuurder die zich voor de vervaldatum van de huur van zijn verplichtingen heeft bevrijd, volgt in diens rechten en verplichtingen op voor de nog lopende duur van de huurovereenkomst.
Bij de aankomst van elke nieuwe medehuurder sluiten de partijen een aanhangsel bij de huurovereenkomst.
De verplichting tot registratie van het in het tweede lid bedoelde aanhangsel rust op de nieuwe medehuurder.
Bij de aankomst van elke nieuwe medehuurder sluiten de partijen een aanhangsel bij de huurovereenkomst.
De verplichting tot registratie van het in het tweede lid bedoelde aanhangsel rust op de nieuwe medehuurder.
Art.69. Le remplaçant du colocataire qui s'est libéré de ses obligations avant le terme du bail succède à ses droits et obligations pour la durée du bail restante.
A l'arrivée de tout nouveau colocataire, les parties concluent un avenant au bail.
L'obligation d'enregistrement de l'avenant visé à l'alinéa 2 repose sur le nouveau colocataire.
A l'arrivée de tout nouveau colocataire, les parties concluent un avenant au bail.
L'obligation d'enregistrement de l'avenant visé à l'alinéa 2 repose sur le nouveau colocataire.
Art.70. Bij elke nieuwe intrek en elk vertrek van een medehuurder stellen de medehuurder een aanhangsel bij de plaatsbeschrijving op, die de privatieve delen van de intrekkende of vertrekkende medehuurder en de gemeenschappelijke delen zal betreffen.
Indien een medehuurder vroegtijdig vertrekt, wordt het aanhangsel bij de plaatsbeschrijving opgesteld op zijn kosten of voor gezamenlijke rekening met zijn vervanger indien hij in de medehuur vervangen wordt.
Indien een medehuurder vroegtijdig vertrekt, wordt het aanhangsel bij de plaatsbeschrijving opgesteld op zijn kosten of voor gezamenlijke rekening met zijn vervanger indien hij in de medehuur vervangen wordt.
Art.70. A chaque départ et à chaque arrivée d'un colocataire, les colocataires dressent un avenant à l'état des lieux qui visera les parties privatives du colocataire entrant ou sortant et les parties communes.
En cas de départ anticipé d'un colocataire, l'avenant à l'état des lieux est établi à ses frais ou à frais partagés avec son remplaçant s'il est remplacé dans la colocation.
En cas de départ anticipé d'un colocataire, l'avenant à l'état des lieux est établi à ses frais ou à frais partagés avec son remplaçant s'il est remplacé dans la colocation.
Art.71. Wanneer minstens de helft van de medehuurders die de oorspronkelijke huurovereenkomst ondertekend hebben, hun opzegging gegeven hebben, kan de verhuurder aan de huur een einde stellen mits een opzegging van zes maanden in de vormen en dit, binnen de maand volgend op de betekening van de laatste opzegging van een medehuurder.
Art.71. Lorsque la moitié au moins des colocataires signataires du bail initial ont chacun donné leur congé, le bailleur peut mettre fin au bail en donnant un congé de six mois dans les formes et ce, dans le mois suivant la notification du dernier congé d'un colocataire.
Art.72. De medehuurders ondertekenen een medehuurpact.
De medehuurpact wordt opgesteld in evenveel exemplaren als er medehuurders zijn.
Bij de aankomst van elke nieuwe medehuurder wordt een aanhangsel gesloten.
De pact bepaalt althans:
1° de verdeling van de huurprijs tussen medehuurders wanneer ze niet in de huurovereenkomst wordt voorzien;
2° de verdeling van de gemene, privatieve, forfaitaire of provisionele lasten tussen medehuurders;
3° de inventaris van de roerende goederen met vermelding van hun eigenaar;
4° de modaliteiten voor het sluiten van de bevoorradingscontracten betreffende de lasten;
5° de modaliteiten voor het sluiten van de verzekeringscontracten betreffende het verhuurde goed;
6° de modaliteiten betreffende de aankomst, het vertrek en de vervanging van een medehuurder;
7° de voorwaarden voor de stelling en de vrijgave van de huurwaarborg;
8° de modaliteiten betreffende de oplossing van conflicten tussen medehuurders.
De medehuurpact wordt opgesteld in evenveel exemplaren als er medehuurders zijn.
Bij de aankomst van elke nieuwe medehuurder wordt een aanhangsel gesloten.
De pact bepaalt althans:
1° de verdeling van de huurprijs tussen medehuurders wanneer ze niet in de huurovereenkomst wordt voorzien;
2° de verdeling van de gemene, privatieve, forfaitaire of provisionele lasten tussen medehuurders;
3° de inventaris van de roerende goederen met vermelding van hun eigenaar;
4° de modaliteiten voor het sluiten van de bevoorradingscontracten betreffende de lasten;
5° de modaliteiten voor het sluiten van de verzekeringscontracten betreffende het verhuurde goed;
6° de modaliteiten betreffende de aankomst, het vertrek en de vervanging van een medehuurder;
7° de voorwaarden voor de stelling en de vrijgave van de huurwaarborg;
8° de modaliteiten betreffende de oplossing van conflicten tussen medehuurders.
Art.72. Les colocataires signent un pacte de colocation.
Le pacte de colocation est établi en autant d'exemplaires qu'il y a de colocataires.
A l'arrivée de tout nouveau colocataire, un avenant au pacte de colocation est conclu.
Le pacte fixe à tout le moins :
1° la répartition du loyer entre colocataires lorsque celle-ci n'est pas prévue par le contrat de bail;
2° la répartition des charges communes, privatives, forfaitaires ou provisionnelles entre colocataires;
3° l'inventaire des biens meubles précisant leur propriétaire;
4° les modalités de conclusion des contrats d'approvisionnement relatifs aux charges;
5° les modalités de conclusion des contrats d'assurance relatifs au bien loué;
6° les modalités d'arrivée, de départ et de remplacement d'un colocataire;
7° les conditions de constitution et de libération de la garantie locative;
8° les modalités de résolution des conflits entre les colocataires.
Le pacte de colocation est établi en autant d'exemplaires qu'il y a de colocataires.
A l'arrivée de tout nouveau colocataire, un avenant au pacte de colocation est conclu.
Le pacte fixe à tout le moins :
1° la répartition du loyer entre colocataires lorsque celle-ci n'est pas prévue par le contrat de bail;
2° la répartition des charges communes, privatives, forfaitaires ou provisionnelles entre colocataires;
3° l'inventaire des biens meubles précisant leur propriétaire;
4° les modalités de conclusion des contrats d'approvisionnement relatifs aux charges;
5° les modalités de conclusion des contrats d'assurance relatifs au bien loué;
6° les modalités d'arrivée, de départ et de remplacement d'un colocataire;
7° les conditions de constitution et de libération de la garantie locative;
8° les modalités de résolution des conflits entre les colocataires.
Art.73. De onroerende voorheffing betreffende de verhuurde woning goed kan niet ten laste van de huurder worden gelegd.
Art.73. Le précompte immobilier afférent à l'habitation louée ne peut être mis à charge du preneur.
Art.74. De bepalingen van de artikelen 65 tot 73 van dit decreet zijn van dwingend recht.
Art.74. Les dispositions contenues aux articles 65 à 73 du présent décret sont impératives.
Art.75. De Regering stelt een indicatief standaardmodel van een medehuurpact vast.
Art.75. Le Gouvernement arrête un modèle-type indicatif de pacte de colocation.
HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen betreffende de studentenhuurovereenkomst
CHAPITRE V. - Dispositions particulières relatives au bail étudiant
Art.76. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de artikelen 58, § 3, en 63 van dit decreet van toepassing op de studentenhuurovereenkomst.
Art.76. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, les articles 58, § 3, et 63 du présent décret s'appliquent au bail étudiant.
Art.77. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de andere bepalingen van hoofdstuk 3 van dit decreet, met uitzondering van de artikelen 55 en 60, ook van toepassing indien de student, met uitdrukkelijke toestemming van de verhuurder en met de toestemming van de huurder, wanneer laatstgenoemde niet de student is, het goed tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt.
[1 Het beding waarbij het verhuurde goed niet tot hoofdverblijfplaats van de student mag dienen en dat niet uitdrukkelijk noch ernstig kan worden gestaafd, onder meer door elementen met betrekking tot de natuurlijke bestemming van het goed, en waarin de hoofdverblijfplaats van de huurder tijdens de huurovereenkomst niet is vermeld, wordt voor niet geschreven gehouden.]1
[1 Het beding waarbij het verhuurde goed niet tot hoofdverblijfplaats van de student mag dienen en dat niet uitdrukkelijk noch ernstig kan worden gestaafd, onder meer door elementen met betrekking tot de natuurlijke bestemming van het goed, en waarin de hoofdverblijfplaats van de huurder tijdens de huurovereenkomst niet is vermeld, wordt voor niet geschreven gehouden.]1
Art.77. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, si l'étudiant, avec l'accord exprès du bailleur, et avec l'accord du preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, affecte le bien à sa résidence principale, les autres dispositions du chapitre 3 du présent décret s'appliquent également, à l'exception des articles 55 et 60.
[1 Est réputée non écrite la clause interdisant l'affectation des lieux loués à la résidence principale de l'étudiant lorsqu'elle n'est pas appuyée par une justification expresse et sérieuse, relative notamment à la destination naturelle des lieux, et n'est pas accompagnée de l'indication de la résidence principale du preneur au cours du bail.]1
[1 Est réputée non écrite la clause interdisant l'affectation des lieux loués à la résidence principale de l'étudiant lorsqu'elle n'est pas appuyée par une justification expresse et sérieuse, relative notamment à la destination naturelle des lieux, et n'est pas accompagnée de l'indication de la résidence principale du preneur au cours du bail.]1
Art.78. De Regering kan de voorwaarden en de modaliteiten voor de toekenning van een label "kwaliteitsvolle studentenwoning" vaststellen.
Art.78. Le Gouvernement peut créer et fixer les conditions et les modalités d'octroi d'un label " logement étudiant de qualité ".
Art.79. § 1. Bij de ondertekening van de huurovereenkomst of één maand voor de in artikel 80 bedoelde verlenging van de huur bezorgt de student de verhuurder een bewijs van regelmatige inschrijving in een instelling van het secundair of hoger onderwijs [1 voor de duur van de huur of een significant deel ervan]1 of, bij gebrek, een afschrift van zijn inschrijvingsaanvraag of een attest op erewoord m.b.t. de indiening van een dergelijke aanvraag.
[1 ...]1.
§ 2. Uiterlijk binnen [1 zes]1 maanden na zijn intrek in het verhuurde goed of binnen [1 zes]1 maanden volgend op de in artikel 80 bedoelde verlenging van de huurovereenkomst dient de student het bewijs te leveren van zijn hoedanigheid door een bewijs van regelmatige inschrijving in een instelling van het secundair of hoger onderwijs voor de duur van de huur of een significant deel ervan voor te leggen.
Voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn kan de student, of de huurder wanneer hij niet de student is, op met redenen omkleed verzoek de verhuurder verzoeken om een verlenging van deze termijn voor [1 een periode van twee maanden]1.
[1 ...]1.
[1 ...]1.
§ 2. Uiterlijk binnen [1 zes]1 maanden na zijn intrek in het verhuurde goed of binnen [1 zes]1 maanden volgend op de in artikel 80 bedoelde verlenging van de huurovereenkomst dient de student het bewijs te leveren van zijn hoedanigheid door een bewijs van regelmatige inschrijving in een instelling van het secundair of hoger onderwijs voor de duur van de huur of een significant deel ervan voor te leggen.
Voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn kan de student, of de huurder wanneer hij niet de student is, op met redenen omkleed verzoek de verhuurder verzoeken om een verlenging van deze termijn voor [1 een periode van twee maanden]1.
[1 ...]1.
Art.79. § 1er. Lors de la signature du bail ou un mois avant la prorogation du bail prévue à l'article 80, l'étudiant communique au bailleur une attestation d'inscription régulière dans un établissement d'enseignement secondaire ou supérieur [1 pour la durée du bail ou une partie significative de celle-ci]1 ou, à défaut, une copie de sa demande d'inscription ou une attestation sur l'honneur de l'introduction d'une telle demande.
[1 ...]1.
§ 2. Au plus tard dans les [1 six]1 mois de son entrée dans les lieux loués ou dans les [1 six]1 mois qui suivent la prorogation du bail prévue à l'article 80, l'étudiant apporte la preuve de sa qualité en produisant une attestation d'inscription régulière dans un établissement d'enseignement secondaire ou supérieur pour la durée du bail ou une partie significative de celle-ci.
Avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, l'étudiant, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, sur demande motivée, peut solliciter auprès du bailleur une prorogation de ce délai pour [1 une durée de deux mois]1.
[1 ...]1.
[1 ...]1.
§ 2. Au plus tard dans les [1 six]1 mois de son entrée dans les lieux loués ou dans les [1 six]1 mois qui suivent la prorogation du bail prévue à l'article 80, l'étudiant apporte la preuve de sa qualité en produisant une attestation d'inscription régulière dans un établissement d'enseignement secondaire ou supérieur pour la durée du bail ou une partie significative de celle-ci.
Avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, l'étudiant, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, sur demande motivée, peut solliciter auprès du bailleur une prorogation de ce délai pour [1 une durée de deux mois]1.
[1 ...]1.
Art.80. Tenzij de partijen een kortere duur zijn overeengekomen, wordt de studentenhuurovereenkomt voor een duur van één jaar geacht afgesloten te zijn.
[1 Bedoelde studentenhuurovereenkomst eindigt bij het verstrijken van de overeengekomen termijn.
Indien aan het einde van de duur van één maand de student het goed blijft bewonen zonder verzet van de verhuurder, wordt de huurovereenkomst voor een duur van één jaar tegen dezelfde voorwaarden en onverminderd de indexering verlengd.]1
[1 Indien de huurovereenkomst gesloten is voor een periode van minder dan een jaar, eindigt deze automatisch na afloop van de overeengekomen periode.
Indien de student na afloop van de initiële periode het goed blijft bewonen zonder verzet van de verhuurder, wordt de huurovereenkomst geacht te zijn aangegaan voor een periode van één jaar vanaf de datum waarop de initiële huurovereenkomst van kracht werd. In dit geval blijven de huurprijs en de overige voorwaarden ongewijzigd ten opzichte van de oorspronkelijke huurovereenkomst.]1.
[1 Bedoelde studentenhuurovereenkomst eindigt bij het verstrijken van de overeengekomen termijn.
Indien aan het einde van de duur van één maand de student het goed blijft bewonen zonder verzet van de verhuurder, wordt de huurovereenkomst voor een duur van één jaar tegen dezelfde voorwaarden en onverminderd de indexering verlengd.]1
[1 Indien de huurovereenkomst gesloten is voor een periode van minder dan een jaar, eindigt deze automatisch na afloop van de overeengekomen periode.
Indien de student na afloop van de initiële periode het goed blijft bewonen zonder verzet van de verhuurder, wordt de huurovereenkomst geacht te zijn aangegaan voor een periode van één jaar vanaf de datum waarop de initiële huurovereenkomst van kracht werd. In dit geval blijven de huurprijs en de overige voorwaarden ongewijzigd ten opzichte van de oorspronkelijke huurovereenkomst.]1.
Art.80. Sauf si les parties ont convenu d'une durée inférieure, le bail étudiant est réputé conclu pour une durée d'un an.
[1 Il prend fin de plein droit à l'expiration du terme convenu.
Au terme de la durée d'un an, si l'étudiant continue à occuper les lieux sans opposition du bailleur, le bail est prorogé pour une durée d'un an aux mêmes conditions, sans préjudice de l'indexation.]1
[1 Si le bail a été conclu pour une durée inférieure à un an, il prend fin de plein droit à l'expiration du terme convenu.
Au terme de la durée initiale, si l'étudiant continue à occuper les lieux sans opposition du bailleur, le bail est réputé avoir été conclu pour une période d'un an à compter de la date à laquelle le bail initial est entré en vigueur. Dans ce cas, le loyer et les autres conditions demeurent inchangés par rapport à ceux convenus dans le bail initial]1.
[1 Il prend fin de plein droit à l'expiration du terme convenu.
Au terme de la durée d'un an, si l'étudiant continue à occuper les lieux sans opposition du bailleur, le bail est prorogé pour une durée d'un an aux mêmes conditions, sans préjudice de l'indexation.]1
[1 Si le bail a été conclu pour une durée inférieure à un an, il prend fin de plein droit à l'expiration du terme convenu.
Au terme de la durée initiale, si l'étudiant continue à occuper les lieux sans opposition du bailleur, le bail est réputé avoir été conclu pour une période d'un an à compter de la date à laquelle le bail initial est entré en vigueur. Dans ce cas, le loyer et les autres conditions demeurent inchangés par rapport à ceux convenus dans le bail initial]1.
Art.81. § 1. De huurder kan ten allen tijde de huurovereenkomst beëindigen mits een opzegtermijn van twee maanden en de storting van een vergoeding gelijk aan drie maanden huurprijs aan de verhuurder.
Deze opzegging mag nochtans niet na 15 maart gegeven worden.
De vergoeding is niet verschuldigd :
1° ofwel, indien de student binnen de maand na de betekening van zijn opzegging de documenten tot rechtvaardiging van ofwel de niet-ontvankelijkheid of de weigering van de inschrijving in een instelling van het secundair of het hoger onderwijs of van ofwel het stopzetten van de studies bewezen door de onderwijsinstelling aan de verhuurder verstrekt;
2° ofwel, indien de student of de huurder wanneer hij niet de student is, uiterlijk op de laatste dag van de opzegtermijn zijn huurovereenkomst overdraagt na schriftelijke toestemming van de verhuurder over een overdracht van huur en over de door de student voorgestelde vervanger. De overnemer kan slechts om gegronde redenen geweigerd worden;
3° ofwel, bij het overlijden van één van de ouders van de student of van een andere verantwoordelijke die instaat voor zijn onderhoud, mits bewijs van dit overlijden alsook de onderhoudskosten die werden afgewenteld op de overleden persoon. Het tweede lid van § 1 van dit artikel is in casu niet van toepassing.
§ 2. De opzegtermijn begint te lopen op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de opzegging wordt gegeven.
Deze opzegging mag nochtans niet na 15 maart gegeven worden.
De vergoeding is niet verschuldigd :
1° ofwel, indien de student binnen de maand na de betekening van zijn opzegging de documenten tot rechtvaardiging van ofwel de niet-ontvankelijkheid of de weigering van de inschrijving in een instelling van het secundair of het hoger onderwijs of van ofwel het stopzetten van de studies bewezen door de onderwijsinstelling aan de verhuurder verstrekt;
2° ofwel, indien de student of de huurder wanneer hij niet de student is, uiterlijk op de laatste dag van de opzegtermijn zijn huurovereenkomst overdraagt na schriftelijke toestemming van de verhuurder over een overdracht van huur en over de door de student voorgestelde vervanger. De overnemer kan slechts om gegronde redenen geweigerd worden;
3° ofwel, bij het overlijden van één van de ouders van de student of van een andere verantwoordelijke die instaat voor zijn onderhoud, mits bewijs van dit overlijden alsook de onderhoudskosten die werden afgewenteld op de overleden persoon. Het tweede lid van § 1 van dit artikel is in casu niet van toepassing.
§ 2. De opzegtermijn begint te lopen op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de opzegging wordt gegeven.
Art.81. § 1er. Le preneur peut, à tout moment, mettre fin au bail moyennant un préavis de deux mois et le versement d'une indemnité de trois mois de loyer au bailleur.
Ce préavis ne peut toutefois être donné après le 15 mars.
L'indemnité n'est pas due si :
1° soit dans le mois suivant la notification de son congé, l'étudiant communique au bailleur les documents justifiant soit l'irrecevabilité ou le refus d'inscription dans un établissement d'enseignement secondaire ou supérieur soit un abandon d'études attesté par l'établissement d'enseignement;
2° soit, après accord écrit du bailleur sur une cession de bail et sur le remplaçant proposé par l'étudiant, l'étudiant, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, cède son bail au plus tard le dernier jour du préavis. Le cessionnaire ne peut être refusé par le bailleur que pour de justes motifs;
3° soit en cas de décès d'un des parents de l'étudiant ou d'un autre responsable qui pourvoit à son entretien, moyennant preuve de ce décès, ainsi que la charge d'entretien qui pesait sur la personne décédée. L'alinéa 2 du paragraphe 1er du présent article n'est pas d'application en l'espèce.
§ 2. Le délai de préavis prend cours le premier jour du mois qui suit le mois durant lequel le congé est donné.
Ce préavis ne peut toutefois être donné après le 15 mars.
L'indemnité n'est pas due si :
1° soit dans le mois suivant la notification de son congé, l'étudiant communique au bailleur les documents justifiant soit l'irrecevabilité ou le refus d'inscription dans un établissement d'enseignement secondaire ou supérieur soit un abandon d'études attesté par l'établissement d'enseignement;
2° soit, après accord écrit du bailleur sur une cession de bail et sur le remplaçant proposé par l'étudiant, l'étudiant, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, cède son bail au plus tard le dernier jour du préavis. Le cessionnaire ne peut être refusé par le bailleur que pour de justes motifs;
3° soit en cas de décès d'un des parents de l'étudiant ou d'un autre responsable qui pourvoit à son entretien, moyennant preuve de ce décès, ainsi que la charge d'entretien qui pesait sur la personne décédée. L'alinéa 2 du paragraphe 1er du présent article n'est pas d'application en l'espèce.
§ 2. Le délai de préavis prend cours le premier jour du mois qui suit le mois durant lequel le congé est donné.
Art.82. § 1. Met de uitdrukkelijke of veronderstelde instemming van de verhuurder kan de student die voor een periode van meer dan één maand van zijn gewoonlijke studieplaats verwijderd kan worden teneinde zijn studies te vervolgen of de huurder wanneer hij niet de student is die kan verwijderd worden, zijn woning onderverhuren. De instemming van de verhuurder over de onderverhuring wordt verondersteld indien de verhuurder zijn weigering niet kenbaar heeft gemaakt binnen twee maanden volgend op de aan de verhuurder bij aangetekend schrijven gerichte kennisgeving van het voornemen van de student om het goed te onderverhuren tijdens een verwijdering van de studieplaats gedurende meer dan één maand om zijn studies te vervolgen. De student levert het bewijs dat hij gedurende meer dan één maand van zijn gewoonlijke studieplaats verwijderd kan worden om zijn studies te vervolgen.
Het goed gehuurd door of voor rekening van een student kan slechts door of voor rekening van een student onderverhuurd worden.
De rechten en verplichtingen van de student of van de huurder wanneer hij niet de student is, en van de onderhuurder worden, wat hun respectieve verhouding betreft, bij dit hoofdstuk bepaald onder voorbehoud van § 2.
§ 2. De duur van de onderverhuring mag niet hoger zijn dan de nog te lopen duur van de hoofdhuurovereenkomst.
De student moet vooraf de onderhuurder in kennis stellen van diens hoedanigheid, van de omvang van diens rechten en van de nog te lopen duur van de huurovereenkomst.
Wanneer de student of de huurder wanneer hij niet de student is, vervroegd de hoofdhuurovereenkomst beëindigt, geeft hij zijn opzegging gelijktijdig aan de verhuurder en aan de onderverhuurder.
§ 3. De student en, in voorkomend geval, de huurder zijn ten opzichte van de verhuurder en van de onderhuurder alleen verantwoordelijk voor de gevolgen die voortvloeien uit de niet-naleving van de bepalingen van dit artikel.
Het goed gehuurd door of voor rekening van een student kan slechts door of voor rekening van een student onderverhuurd worden.
De rechten en verplichtingen van de student of van de huurder wanneer hij niet de student is, en van de onderhuurder worden, wat hun respectieve verhouding betreft, bij dit hoofdstuk bepaald onder voorbehoud van § 2.
§ 2. De duur van de onderverhuring mag niet hoger zijn dan de nog te lopen duur van de hoofdhuurovereenkomst.
De student moet vooraf de onderhuurder in kennis stellen van diens hoedanigheid, van de omvang van diens rechten en van de nog te lopen duur van de huurovereenkomst.
Wanneer de student of de huurder wanneer hij niet de student is, vervroegd de hoofdhuurovereenkomst beëindigt, geeft hij zijn opzegging gelijktijdig aan de verhuurder en aan de onderverhuurder.
§ 3. De student en, in voorkomend geval, de huurder zijn ten opzichte van de verhuurder en van de onderhuurder alleen verantwoordelijk voor de gevolgen die voortvloeien uit de niet-naleving van de bepalingen van dit artikel.
Art.82. § 1er. Avec l'accord explicite ou présumé du bailleur, l'étudiant amené à être éloigné de son lieu d'étude habituel pour une période supérieure à un mois en vue de la poursuite de ses études, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant amené à être éloigné, peut sous-louer son habitation. L'accord du bailleur sur la sous-location est présumé si, dans les deux mois suivant la notification par envoi recommandé faite au bailleur du projet de l'étudiant de sous-louer le bien pendant un éloignement du lieu d'accomplissement des études pendant une durée supérieure à un mois dans le cadre de l'accomplissement des études, le bailleur n'a pas manifesté son refus. L'étudiant apporte la preuve qu'il est amené à être éloigné de son lieu d'étude habituel pour une période supérieure à un mois en vue de la poursuite de ses études.
Le bien loué par ou pour le compte d'un étudiant ne peut être sous-loué que par ou pour le compte d'un étudiant.
Les droits et obligations de l'étudiant, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, et du sous-locataire sont, dans leurs rapports respectifs, déterminés par le présent chapitre, sous réserve des dispositions du paragraphe 2.
§ 2. La durée de la sous-location ne peut pas excéder celle du bail principal restant à courir.
L'étudiant informe préalablement le sous-locataire de sa qualité, de l'étendue de ses droits et de la durée du bail restant à courir.
Lorsque l'étudiant, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, met fin anticipativement au bail principal, il donne simultanément son congé au bailleur et au sous-locataire.
§ 3. L'étudiant et, le cas échéant, le preneur répondent seuls vis-à-vis du bailleur et du sous-locataire des conséquences qui résultent de l'inobservation des dispositions du présent article.
Le bien loué par ou pour le compte d'un étudiant ne peut être sous-loué que par ou pour le compte d'un étudiant.
Les droits et obligations de l'étudiant, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, et du sous-locataire sont, dans leurs rapports respectifs, déterminés par le présent chapitre, sous réserve des dispositions du paragraphe 2.
§ 2. La durée de la sous-location ne peut pas excéder celle du bail principal restant à courir.
L'étudiant informe préalablement le sous-locataire de sa qualité, de l'étendue de ses droits et de la durée du bail restant à courir.
Lorsque l'étudiant, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, met fin anticipativement au bail principal, il donne simultanément son congé au bailleur et au sous-locataire.
§ 3. L'étudiant et, le cas échéant, le preneur répondent seuls vis-à-vis du bailleur et du sous-locataire des conséquences qui résultent de l'inobservation des dispositions du présent article.
Art. 82/1. [1 Indien, behoudens de zekerheden voorzien in artikel 20 van dit decreet, de student, of de huurder indien deze niet de student is, om de naleving van zijn verplichtingen te waarborgen, een huurwaarborg verstrekt, mag die niet meer bedragen dan het bedrag dat gelijk is aan 2 maanden huurprijs.]1
Art. 82/1. [1 Si, indépendamment des sûretés prévues à l'article 20 du présent décret, l'étudiant, ou le preneur lorsque celui-ci n'est pas l'étudiant, donne pour assurer le respect de ses obligations, une garantie locative, celle-ci ne peut pas excéder un montant équivalent à deux mois de loyer.]1
Art.83. De onroerende voorheffing betreffende de verhuurde woning kan niet ten laste van de huurder worden gelegd.
Art.83. Le précompte immobilier afférent à l'habitation louée ne peut être mis à charge du preneur.
Art.84. Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van dwingend recht.
Art.84. Sauf si elles en disposent autrement, les dispositions du présent chapitre sont impératives.
HOOFDSTUK VI. - Glijdende huurovereenkomst
CHAPITRE VI. - Du bail glissant
Art.85. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de glijdende huurovereenkomst zoals bedoeld in artikel 1, 38°, van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1.
De Regering bepaalt de lijst van rechtspersonen die gemachtigd zijn om het mechanisme van de glijdende huurovereenkomst toe te passen, hierna "rechtspersoon" genoemd, alsook een typemodel van glijdende huurovereenkomst.
§ 2. Elke huurovereenkomst die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, moet, naast de in artikel 3 bedoelde vermeldingen, de volgende gegevens bevatten:
1° de identiteit van de onderhuurder, begunstigde van de sociale begeleiding, die het gehuurde goed betrekt;
2° de door de in paragraaf 1 vermelde rechtspersoon beoogde algemene doelstellingen om zich te verzekeren van de bekwaamheid van de onderhuurder om de verplichtingen die voortvloeien uit de hoofdhuurovereenkomst over te nemen.
§ 3. Dit hoofdstuk is niet meer van toepassing zodra de huurovereenkomst gesloten tussen de aanvankelijke rechtspersoon-huurder en de verhuurder, overgedragen wordt aan de onderhuurder.
De Regering bepaalt de lijst van rechtspersonen die gemachtigd zijn om het mechanisme van de glijdende huurovereenkomst toe te passen, hierna "rechtspersoon" genoemd, alsook een typemodel van glijdende huurovereenkomst.
§ 2. Elke huurovereenkomst die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, moet, naast de in artikel 3 bedoelde vermeldingen, de volgende gegevens bevatten:
1° de identiteit van de onderhuurder, begunstigde van de sociale begeleiding, die het gehuurde goed betrekt;
2° de door de in paragraaf 1 vermelde rechtspersoon beoogde algemene doelstellingen om zich te verzekeren van de bekwaamheid van de onderhuurder om de verplichtingen die voortvloeien uit de hoofdhuurovereenkomst over te nemen.
§ 3. Dit hoofdstuk is niet meer van toepassing zodra de huurovereenkomst gesloten tussen de aanvankelijke rechtspersoon-huurder en de verhuurder, overgedragen wordt aan de onderhuurder.
Art.85. § 1er. Le présent chapitre s'applique au bail glissant tel que défini à l'article 1, 38°, du [1 Code wallon de l'habitation durable]1.
Le Gouvernement arrête la liste des personnes morales autorisées à pratiquer le mécanisme du bail glissant, ci-après dénommée " personne morale " ainsi qu'un modèle de bail glissant type.
§ 2. Tout bail tombant dans le champ d'application du présent chapitre contient, outre les mentions figurant à l'article 3 :
1° l'identité du sous-locataire bénéficiaire du suivi social qui occupe le bien loué;
2° les objectifs généraux poursuivis par la personne morale mentionnée au paragraphe 1er afin de s'assurer de la capacité pour le sous-locataire de reprendre à sa charge les obligations découlant du bail principal.
§ 3. Le présent chapitre n'est plus applicable dès que le bail conclu entre la personne morale preneuse initiale et le bailleur est cédé au sous-locataire.
Le Gouvernement arrête la liste des personnes morales autorisées à pratiquer le mécanisme du bail glissant, ci-après dénommée " personne morale " ainsi qu'un modèle de bail glissant type.
§ 2. Tout bail tombant dans le champ d'application du présent chapitre contient, outre les mentions figurant à l'article 3 :
1° l'identité du sous-locataire bénéficiaire du suivi social qui occupe le bien loué;
2° les objectifs généraux poursuivis par la personne morale mentionnée au paragraphe 1er afin de s'assurer de la capacité pour le sous-locataire de reprendre à sa charge les obligations découlant du bail principal.
§ 3. Le présent chapitre n'est plus applicable dès que le bail conclu entre la personne morale preneuse initiale et le bailleur est cédé au sous-locataire.
Art.86. § 1. Een rechtspersoon kan, met uitdrukkelijke toestemming van de verhuurder, een huurovereenkomst voor hoofdverblijfplaats betreffende een onroerend goed afsluiten om deze gelijktijdig en met hetzelfde doel onder te verhuren aan de persoon waarvoor hij voor de begeleiding verantwoordelijk is.
§ 2. De rechtspersoon staat ten aanzien van de verhuurder in voor alle verplichtingen van een hoofdhuurder en geniet dezelfde rechten.
§ 3. Indien de doelstellingen beoogd door de sociale begeleiding verzekerd door de rechtspersoon verwezenlijkt zijn, wordt de huurovereenkomst voor hoofdverblijfplaats gesloten tussen de rechtspersoon en de verhuurder overgedragen aan de onderhuurder, die de rechtstreekse en hoofdhuurder wordt van de verhuurder. De overdracht gebeurt volgens de voorwaarden en nadere regels gedefinieerd in de artikelen 87 en 88.
In afwijking van artikel 49 kan de verhuurder zich niet verzetten tegen de overdracht van de huurovereenkomst voor hoofdverblijfplaats gesloten met de rechtspersoon. De hoofdhuurovereenkomst voorziet in een beding van uitdrukkelijke overdracht, krachtens hetwelk, aan het einde van het eerste, tweede of derde huurjaar, de rechtspersonen beschikken over het recht om, zonder nieuwe toestemming van de verhuurder, hun rechten en verplichtingen uit het huurcontract aan de onderhuurder over te dragen, wanneer zij vaststellen dat de nagestreefde algemene doelstellingen bereikt zijn.
§ 2. De rechtspersoon staat ten aanzien van de verhuurder in voor alle verplichtingen van een hoofdhuurder en geniet dezelfde rechten.
§ 3. Indien de doelstellingen beoogd door de sociale begeleiding verzekerd door de rechtspersoon verwezenlijkt zijn, wordt de huurovereenkomst voor hoofdverblijfplaats gesloten tussen de rechtspersoon en de verhuurder overgedragen aan de onderhuurder, die de rechtstreekse en hoofdhuurder wordt van de verhuurder. De overdracht gebeurt volgens de voorwaarden en nadere regels gedefinieerd in de artikelen 87 en 88.
In afwijking van artikel 49 kan de verhuurder zich niet verzetten tegen de overdracht van de huurovereenkomst voor hoofdverblijfplaats gesloten met de rechtspersoon. De hoofdhuurovereenkomst voorziet in een beding van uitdrukkelijke overdracht, krachtens hetwelk, aan het einde van het eerste, tweede of derde huurjaar, de rechtspersonen beschikken over het recht om, zonder nieuwe toestemming van de verhuurder, hun rechten en verplichtingen uit het huurcontract aan de onderhuurder over te dragen, wanneer zij vaststellen dat de nagestreefde algemene doelstellingen bereikt zijn.
Art.86. § 1er. Une personne morale peut, avec l'accord exprès du bailleur, conclure un bail de résidence principale portant sur un bien d'habitation pour le sous-louer simultanément avec le même objet à la personne dont elle est responsable du suivi.
§ 2. La personne morale assume à l'égard du bailleur toutes les obligations d'un preneur principal, et bénéficie des mêmes droits que ce dernier.
§ 3. Lorsque les objectifs visés par l'accompagnement social assuré par la personne morale sont atteints, le bail de résidence principale conclu entre elle et le bailleur est cédé au sous-locataire, qui devient le preneur principal et direct du bailleur. La cession a lieu selon les conditions et modalités définies aux articles 87 et 88.
Par dérogation à l'article 49, le bailleur ne peut s'opposer à la cession du bail de résidence principale conclu avec la personne morale. Le bail principal prévoit une clause de cession expresse, en vertu de laquelle, au terme de la première, de la deuxième, ou de la troisième année du bail, les personnes morales disposent du droit de céder leurs droits et obligations issus du contrat de bail au sous-locataire, sans nouvel accord du bailleur, lorsqu'elles constatent que les objectifs généraux poursuivis sont atteints.
§ 2. La personne morale assume à l'égard du bailleur toutes les obligations d'un preneur principal, et bénéficie des mêmes droits que ce dernier.
§ 3. Lorsque les objectifs visés par l'accompagnement social assuré par la personne morale sont atteints, le bail de résidence principale conclu entre elle et le bailleur est cédé au sous-locataire, qui devient le preneur principal et direct du bailleur. La cession a lieu selon les conditions et modalités définies aux articles 87 et 88.
Par dérogation à l'article 49, le bailleur ne peut s'opposer à la cession du bail de résidence principale conclu avec la personne morale. Le bail principal prévoit une clause de cession expresse, en vertu de laquelle, au terme de la première, de la deuxième, ou de la troisième année du bail, les personnes morales disposent du droit de céder leurs droits et obligations issus du contrat de bail au sous-locataire, sans nouvel accord du bailleur, lorsqu'elles constatent que les objectifs généraux poursuivis sont atteints.
Art.87. § 1. Elke hoofdhuurovereenkomst en elke onderverhuring bedoeld in artikel 86, § 1, wordt aangegaan voor een maximale duur van drie jaar.
§ 2. Twee maanden vóór het verstrijken van het eerste en tweede huurjaar, kan de rechtspersoon die de hoofdhuurovereenkomst aangegaan heeft deze aan de onderhuurder overdragen, voor zover hij van mening is dat de onderhuurder de doelstellingen van de sociale begeleiding gedefinieerd bij aanvang van de huurovereenkomst, waaronder een voldoende graad van zelfredzaamheid om in te staan voor de verplichtingen die voortvloeien uit de hoofdhuurovereenkomst, bereikt heeft.
Indien de overdracht van de huurovereenkomst zich niet heeft voorgedaan na de eerste twee jaren van de hoofdhuurovereenkomst, beslist de rechtspersoon door wie de hoofdhuurovereenkomst is aangegaan, ten laatste zes maanden vóór het verstrijken van het derde huurjaar, of de doelstellingen door de onderhuurder beoogd door de sociale begeleiding bereikt zijn. Indien hij na afloop van dit onderzoek vaststelt dat de onderhuurder zijn doelstellingen bereikt heeft, wordt de huurovereenkomst overgedragen aan de onderhuurder, die de rechtstreekse huurder van de verhuurder wordt.
Indien hij vaststelt dat de onderhuurder de eerder genoemde doelstellingen niet bereikt heeft, kan de huurovereenkomst niet verlengd worden.
§ 2. Twee maanden vóór het verstrijken van het eerste en tweede huurjaar, kan de rechtspersoon die de hoofdhuurovereenkomst aangegaan heeft deze aan de onderhuurder overdragen, voor zover hij van mening is dat de onderhuurder de doelstellingen van de sociale begeleiding gedefinieerd bij aanvang van de huurovereenkomst, waaronder een voldoende graad van zelfredzaamheid om in te staan voor de verplichtingen die voortvloeien uit de hoofdhuurovereenkomst, bereikt heeft.
Indien de overdracht van de huurovereenkomst zich niet heeft voorgedaan na de eerste twee jaren van de hoofdhuurovereenkomst, beslist de rechtspersoon door wie de hoofdhuurovereenkomst is aangegaan, ten laatste zes maanden vóór het verstrijken van het derde huurjaar, of de doelstellingen door de onderhuurder beoogd door de sociale begeleiding bereikt zijn. Indien hij na afloop van dit onderzoek vaststelt dat de onderhuurder zijn doelstellingen bereikt heeft, wordt de huurovereenkomst overgedragen aan de onderhuurder, die de rechtstreekse huurder van de verhuurder wordt.
Indien hij vaststelt dat de onderhuurder de eerder genoemde doelstellingen niet bereikt heeft, kan de huurovereenkomst niet verlengd worden.
Art.87. § 1er. Tout bail principal et toute sous-location visés à l'article 86, § 1er, sont conclus pour une durée maximale de trois années.
§ 2. Deux mois avant l'expiration de la première et de la deuxième année du bail, la personne morale qui a conclu le bail principal peut le céder au sous-locataire, pour autant qu'elle estime qu'il a atteint les objectifs de l'accompagnement social définis en début de bail, dont un degré d'autonomie suffisant pour assumer les obligations qui découlent du contrat de bail principal.
Si la cession de bail n'est pas intervenue au terme des deux premières années du bail principal, la personne morale preneuse du bail principal décide, au plus tard six mois avant l'expiration de la troisième année du bail, si les objectifs visés par l'accompagnement social ont été atteints par le sous-locataire. Au terme de cet examen, si elle constate que le sous-locataire a atteint les objectifs précités, le bail est cédé au bénéfice de ce dernier, qui devient le preneur direct du bailleur.
Si elle constate que le sous-locataire n'a pas atteint les objectifs précités, le bail ne pourra être prorogé.
§ 2. Deux mois avant l'expiration de la première et de la deuxième année du bail, la personne morale qui a conclu le bail principal peut le céder au sous-locataire, pour autant qu'elle estime qu'il a atteint les objectifs de l'accompagnement social définis en début de bail, dont un degré d'autonomie suffisant pour assumer les obligations qui découlent du contrat de bail principal.
Si la cession de bail n'est pas intervenue au terme des deux premières années du bail principal, la personne morale preneuse du bail principal décide, au plus tard six mois avant l'expiration de la troisième année du bail, si les objectifs visés par l'accompagnement social ont été atteints par le sous-locataire. Au terme de cet examen, si elle constate que le sous-locataire a atteint les objectifs précités, le bail est cédé au bénéfice de ce dernier, qui devient le preneur direct du bailleur.
Si elle constate que le sous-locataire n'a pas atteint les objectifs précités, le bail ne pourra être prorogé.
Art.88. § 1. De rechtspersonen verrichten tijdens de volledige duur van de huurovereenkomst aangegaan met de verhuurder een regelmatige sociale opvolging van de onderhuurder.
Vóór de in artikel 88, § 2, bepaalde vervaldatums informeert de rechtspersoon die de hoofdhuurovereenkomst heeft gesloten, de verhuurder, met inachtneming van het beroepsgeheim en de privacy van de onderhuurder, over de bekwaamheid van de onderhuurder om de verplichtingen die voortvloeien uit de hoofdhuurovereenkomst over te nemen.
§ 2. De onderverhuurovereenkomst voorziet in een beding krachtens hetwelk de rechtspersonen de huurovereenkomst na het derde huurjaar kunnen opzeggen, indien zij vaststellen dat de nagestreefde algemene doelstellingen niet bereikt zijn.
Vóór de in artikel 88, § 2, bepaalde vervaldatums informeert de rechtspersoon die de hoofdhuurovereenkomst heeft gesloten, de verhuurder, met inachtneming van het beroepsgeheim en de privacy van de onderhuurder, over de bekwaamheid van de onderhuurder om de verplichtingen die voortvloeien uit de hoofdhuurovereenkomst over te nemen.
§ 2. De onderverhuurovereenkomst voorziet in een beding krachtens hetwelk de rechtspersonen de huurovereenkomst na het derde huurjaar kunnen opzeggen, indien zij vaststellen dat de nagestreefde algemene doelstellingen niet bereikt zijn.
Art.88. § 1er. Les personnes morales effectuent un suivi social régulier du sous-locataire tout au long de la durée du bail conclu avec le bailleur.
Préalablement aux échéances prévues à l'article 88, § 2, la personne morale qui a conclu le bail principal informe le bailleur, dans le respect du secret professionnel et de la vie privée du sous-locataire, quant à la capacité du sous-locataire à reprendre à sa charge les obligations découlant du bail principal.
§ 2. Le bail de sous-location prévoit une clause en vertu de laquelle, au terme de la troisième année du bail, les personnes morales peuvent résilier le bail lorsqu'elles constatent que les objectifs généraux poursuivis ne sont pas atteints.
Préalablement aux échéances prévues à l'article 88, § 2, la personne morale qui a conclu le bail principal informe le bailleur, dans le respect du secret professionnel et de la vie privée du sous-locataire, quant à la capacité du sous-locataire à reprendre à sa charge les obligations découlant du bail principal.
§ 2. Le bail de sous-location prévoit une clause en vertu de laquelle, au terme de la troisième année du bail, les personnes morales peuvent résilier le bail lorsqu'elles constatent que les objectifs généraux poursuivis ne sont pas atteints.
HOOFDSTUK VII. - Indicatief rooster van de huurprijzen
CHAPITRE VII. - Grille indicative des loyers
Art.89. § 1. De Regering legt een indicatief rooster van de huurprijzen vast waarop de partijen een beroep kunnen doen.
§ 2. De indicatieve huurprijzen worden per categorie woning en geografische sector vastgelegd naar gelang van de structurering van de huurmarkt en vanaf de statistisch vastgestelde huurprijzenniveaus.
Deze categorieën woningen worden bepaald naar gelang van de eigenschappen betreffende het type habitat, het aantal hoofdkamers, hun kenmerken in de zin van artikel 1, 19° tot 22bis van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1 en het bouwjaar of grote renovaties.
De geografische sectoren bakenen homogene zones af in termen van huurprijzenniveaus vastgesteld op de huurmarkt.
De indicatieve huurprijzen houden ook rekening met de comforteigenschappen wanneer ze statistisch gezien vanaf de op de huurmarkt vastgestelde huurprijzenniveaus doorslaggevend zijn.
De Regering bepaalt dat de indicatieve huurprijzen verhoogd of verminderd kunnen worden naar gelang van bijzondere comfortvoorzieningen of ongemakken.
§ 3. Het indicatieve huurprijzenrooster wordt jaarlijks aangepast aan de ontwikkeling van de huurmarkt op grond van een representatief monster van woningen verhuurd op het geheel van Wallonië.
Van het monster uitgesloten worden:
- de woningen van openbaar nut;
- de atypische of zogenaamde ongewone woningen ten opzichte van het residentiële immobiliënpark;
- de woningen die over een medehuurovereenkomst krachtens hoofdstuk 4 van dit decreet beschikken;
- de woningen die over een studentenhuurovereenkomst krachtens hoofdstuk 5 van dit decreet beschikken;
- de woningen waarvan de werkelijke betrekkingsduur in de door de huurders verhuurde plaatsen hoger is dan 9 jaar.
Ten opzichte van de gebruiken en goede praktijken die inzake statistieken van toepassing zijn, bekrachtigt de Regering de methodologische voorschriften betreffende de doelstellingen van de inzameling van de gegevens, de wijze van inzameling, controle en bewerking van de gegevens.
§ 4. De Regering stelt het indicatieve huurprijzenrooster te beschikking van het publiek. Zij bepaalt er de bekendmakingregels van, zoals de pedagogische uitleggen over het gebruik ervan, het toepassingsgebied ervan, de informatie over de berekening van eventuele verhogingen of verminderingen van de huurprijs.
§ 2. De indicatieve huurprijzen worden per categorie woning en geografische sector vastgelegd naar gelang van de structurering van de huurmarkt en vanaf de statistisch vastgestelde huurprijzenniveaus.
Deze categorieën woningen worden bepaald naar gelang van de eigenschappen betreffende het type habitat, het aantal hoofdkamers, hun kenmerken in de zin van artikel 1, 19° tot 22bis van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1 en het bouwjaar of grote renovaties.
De geografische sectoren bakenen homogene zones af in termen van huurprijzenniveaus vastgesteld op de huurmarkt.
De indicatieve huurprijzen houden ook rekening met de comforteigenschappen wanneer ze statistisch gezien vanaf de op de huurmarkt vastgestelde huurprijzenniveaus doorslaggevend zijn.
De Regering bepaalt dat de indicatieve huurprijzen verhoogd of verminderd kunnen worden naar gelang van bijzondere comfortvoorzieningen of ongemakken.
§ 3. Het indicatieve huurprijzenrooster wordt jaarlijks aangepast aan de ontwikkeling van de huurmarkt op grond van een representatief monster van woningen verhuurd op het geheel van Wallonië.
Van het monster uitgesloten worden:
- de woningen van openbaar nut;
- de atypische of zogenaamde ongewone woningen ten opzichte van het residentiële immobiliënpark;
- de woningen die over een medehuurovereenkomst krachtens hoofdstuk 4 van dit decreet beschikken;
- de woningen die over een studentenhuurovereenkomst krachtens hoofdstuk 5 van dit decreet beschikken;
- de woningen waarvan de werkelijke betrekkingsduur in de door de huurders verhuurde plaatsen hoger is dan 9 jaar.
Ten opzichte van de gebruiken en goede praktijken die inzake statistieken van toepassing zijn, bekrachtigt de Regering de methodologische voorschriften betreffende de doelstellingen van de inzameling van de gegevens, de wijze van inzameling, controle en bewerking van de gegevens.
§ 4. De Regering stelt het indicatieve huurprijzenrooster te beschikking van het publiek. Zij bepaalt er de bekendmakingregels van, zoals de pedagogische uitleggen over het gebruik ervan, het toepassingsgebied ervan, de informatie over de berekening van eventuele verhogingen of verminderingen van de huurprijs.
Art.89. § 1er. Le Gouvernement arrête une grille indicative des loyers à laquelle peuvent recourir les parties.
§ 2. Les loyers indicatifs sont fixés par catégorie d'habitation et secteur géographique en fonction de la structuration du marché locatif et à partir des niveaux de loyers constatés statistiquement.
Ces catégories d'habitation sont déterminées en fonction des caractéristiques relatives au type d'habitat, au nombre de pièces principales, à leurs attributs au sens de l'article 1er, 19° à 22°bis, du [1 Code wallon de l'habitation durable]1 et à l'année de construction ou de grosses rénovations.
Les secteurs géographiques délimitent des zones homogènes en termes de niveaux de loyer constatés sur le marché locatif.
Les loyers indicatifs tiennent également compte des caractéristiques de confort lorsque celles-ci sont déterminantes statistiquement à partir des niveaux de loyers constatés sur le marché locatif.
Le Gouvernement prévoit que les loyers indicatifs peuvent être minorés ou majorés en fonction d'éléments de confort ou d'inconfort particulier.
§ 3. La grille indicative des loyers est adaptée annuellement à l'évolution du marché locatif sur la base d'un échantillon représentatif d'habitations mis en location sur l'ensemble de la Wallonie.
Sont exclus de l'échantillon :
- les logements d'utilité publique;
- les habitations atypiques ou dites insolites par rapport au parc immobilier résidentiel;
- les habitations disposant d'un bail de colocation en vertu du chapitre 4 du présent décret;
- les habitations disposant d'un bail étudiant en vertu du chapitre 5 du présent décret;
- les habitations dont la durée effective d'occupation dans les lieux loués par les preneurs est supérieure à neuf ans.
Au regard des usages et des bonnes pratiques qui s'appliquent en matière statistique, le Gouvernement valide les prescriptions méthodologiques concernant la définition des objectifs de la collecte de données, la méthode de collecte, de contrôle et de traitement des données.
§ 4. Le Gouvernement met la grille indicative des loyers à disposition du public. Il en arrête les règles de publication telles que les explications pédagogiques sur son utilisation, son champ d'application, les informations sur le calcul d'éventuelles majorations ou minorations du loyer.
§ 2. Les loyers indicatifs sont fixés par catégorie d'habitation et secteur géographique en fonction de la structuration du marché locatif et à partir des niveaux de loyers constatés statistiquement.
Ces catégories d'habitation sont déterminées en fonction des caractéristiques relatives au type d'habitat, au nombre de pièces principales, à leurs attributs au sens de l'article 1er, 19° à 22°bis, du [1 Code wallon de l'habitation durable]1 et à l'année de construction ou de grosses rénovations.
Les secteurs géographiques délimitent des zones homogènes en termes de niveaux de loyer constatés sur le marché locatif.
Les loyers indicatifs tiennent également compte des caractéristiques de confort lorsque celles-ci sont déterminantes statistiquement à partir des niveaux de loyers constatés sur le marché locatif.
Le Gouvernement prévoit que les loyers indicatifs peuvent être minorés ou majorés en fonction d'éléments de confort ou d'inconfort particulier.
§ 3. La grille indicative des loyers est adaptée annuellement à l'évolution du marché locatif sur la base d'un échantillon représentatif d'habitations mis en location sur l'ensemble de la Wallonie.
Sont exclus de l'échantillon :
- les logements d'utilité publique;
- les habitations atypiques ou dites insolites par rapport au parc immobilier résidentiel;
- les habitations disposant d'un bail de colocation en vertu du chapitre 4 du présent décret;
- les habitations disposant d'un bail étudiant en vertu du chapitre 5 du présent décret;
- les habitations dont la durée effective d'occupation dans les lieux loués par les preneurs est supérieure à neuf ans.
Au regard des usages et des bonnes pratiques qui s'appliquent en matière statistique, le Gouvernement valide les prescriptions méthodologiques concernant la définition des objectifs de la collecte de données, la méthode de collecte, de contrôle et de traitement des données.
§ 4. Le Gouvernement met la grille indicative des loyers à disposition du public. Il en arrête les règles de publication telles que les explications pédagogiques sur son utilisation, son champ d'application, les informations sur le calcul d'éventuelles majorations ou minorations du loyer.
Art.89/1. [1 De Regering legt een indicatieve huurschaal vast voor studentenhuisvesting waarop de partijen een beroep kunnen doen in het kader van een studentenhuurovereenkomst bedoeld in artikel 2, 5°.
§ 2. De indicatieve huurprijzen worden per categorie studentenwoning en per gemeente, of geheel van gemeenten, waar het aandeel verhuurde studentenwoningen in het Waals Gewest groter is dan of gelijk is aan de drempel die door de Regering werd vastgelegd.
Deze categorieën van woningen, met als functie het huisvesten van één of meer studenten, worden bepaald op basis van de volgende elementen:
1° het type gebouw of woning;
2° het bouwjaar;
3° de energieprestatie;
4° het niveau van delen van sanitair ruimtes en de ruimte waar de keukenfunctie wordt uitgevoerd.
Indicatieve huurprijzen houden ook rekening met een beperkende lijst van intrinsieke of extrinsieke comfort- of uitrustingsvoorzieningen die voldoen aan de minimumnormen voor een woning voor studenten, waarvan de lijst bepaald wordt door de Regering.
De Regering stelt de specifieke modaliteiten vast voor de berekening van de indicatieve huurprijzen.
De Regering bepaalt dat de indicatieve huurprijzen verhoogd of verminderd kunnen worden naar gelang van bijzondere comfortvoorzieningen of ongemakken. Studentenwoningen met niet-essentiële voorzieningen, een hoog niveau van comfort of uitrusting en/of een hoog niveau van bijkomende diensten worden uitgesloten van de berekening van indicatieve huurprijzen.
§ 3. De indicatieve huurschaal voor studentenwoningen wordt jaarlijks aangepast aan de ontwikkeling van de huurmarkt op grond van een representatief monster van studentenwoningen verhuurd op het geheel van Wallonië.
De representatieve monster is beperkt tot de volgende studentenwoningen:
1° studentenkamers in onderverdeelde eengezinswoningen;
2° kamers in studentenhuizen beheerd door een instelling van hoger onderwijs erkend door de Franse Gemeenschap;
3° kamers in studentenhuizen beheerd door een natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersoon;
de studentenwoningen van openbaar nut;
5° studentenkamers in privéwoningen.
De Regering bekrachtigt de methodologische voorschriften betreffende de doelstellingen van de inzameling van de gegevens, de wijze van inzameling, controle en bewerking van de gegevens. De methodologische voorschriften voldoen aan de standaardpraktijk en goede statistische praktijken.
§ 4. De Regering publiceert de indicatieve huurschaal voor studentenwoningen Zij bepaalt er de bekendmakingsregels van, waaronder:
1° pedagogische uitleg over:
a) het gebruik ervan;
b) het toepassingsgebied ervan;
c) de bijwerkingsmodaliteiten ervan;
2° informatie over de berekening van eventuele huurverhogingen of -verlagingen.]1
§ 2. De indicatieve huurprijzen worden per categorie studentenwoning en per gemeente, of geheel van gemeenten, waar het aandeel verhuurde studentenwoningen in het Waals Gewest groter is dan of gelijk is aan de drempel die door de Regering werd vastgelegd.
Deze categorieën van woningen, met als functie het huisvesten van één of meer studenten, worden bepaald op basis van de volgende elementen:
1° het type gebouw of woning;
2° het bouwjaar;
3° de energieprestatie;
4° het niveau van delen van sanitair ruimtes en de ruimte waar de keukenfunctie wordt uitgevoerd.
Indicatieve huurprijzen houden ook rekening met een beperkende lijst van intrinsieke of extrinsieke comfort- of uitrustingsvoorzieningen die voldoen aan de minimumnormen voor een woning voor studenten, waarvan de lijst bepaald wordt door de Regering.
De Regering stelt de specifieke modaliteiten vast voor de berekening van de indicatieve huurprijzen.
De Regering bepaalt dat de indicatieve huurprijzen verhoogd of verminderd kunnen worden naar gelang van bijzondere comfortvoorzieningen of ongemakken. Studentenwoningen met niet-essentiële voorzieningen, een hoog niveau van comfort of uitrusting en/of een hoog niveau van bijkomende diensten worden uitgesloten van de berekening van indicatieve huurprijzen.
§ 3. De indicatieve huurschaal voor studentenwoningen wordt jaarlijks aangepast aan de ontwikkeling van de huurmarkt op grond van een representatief monster van studentenwoningen verhuurd op het geheel van Wallonië.
De representatieve monster is beperkt tot de volgende studentenwoningen:
1° studentenkamers in onderverdeelde eengezinswoningen;
2° kamers in studentenhuizen beheerd door een instelling van hoger onderwijs erkend door de Franse Gemeenschap;
3° kamers in studentenhuizen beheerd door een natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersoon;
de studentenwoningen van openbaar nut;
5° studentenkamers in privéwoningen.
De Regering bekrachtigt de methodologische voorschriften betreffende de doelstellingen van de inzameling van de gegevens, de wijze van inzameling, controle en bewerking van de gegevens. De methodologische voorschriften voldoen aan de standaardpraktijk en goede statistische praktijken.
§ 4. De Regering publiceert de indicatieve huurschaal voor studentenwoningen Zij bepaalt er de bekendmakingsregels van, waaronder:
1° pedagogische uitleg over:
a) het gebruik ervan;
b) het toepassingsgebied ervan;
c) de bijwerkingsmodaliteiten ervan;
2° informatie over de berekening van eventuele huurverhogingen of -verlagingen.]1
Art.89/1. [1 § 1er. Le Gouvernement arrête une grille indicative des loyers du logement étudiant à laquelle peuvent recourir les parties dans le cadre d'un bail étudiant prévu à l'article 2, 5°.
§ 2. Les loyers indicatifs sont fixés par catégorie de logement étudiant et par commune, ou ensemble de communes, concentrant une part du parc de logements étudiants mis en location en Région wallonne, supérieure ou égale au seuil fixé par le Gouvernement.
Ces catégories de logement dont la fonction est d'héberger un ou plusieurs étudiants sont déterminées en fonction des éléments suivants :
1° le type de bâtiment ou d'habitat;
2° l'époque de construction;
3° la performance énergétique;
4° le niveau de partage des locaux sanitaires et de la pièce où s'exerce la fonction affectée à la cuisine.
Les loyers indicatifs tiennent également compte d'une liste limitative de caractéristiques intrinsèques ou extrinsèques de confort ou d'équipement répondant aux standards minimaux d'un logement destiné aux étudiants dont le Gouvernement en arrête la liste.
Le Gouvernement fixe les modalités particulières de calcul des loyers indicatifs.
Le Gouvernement prévoit que les loyers indicatifs peuvent être minorés ou majorés en fonction d'éléments de confort ou d'inconfort particulier. Les logements étudiants présentant des éléments, à caractère non essentiel, à un haut niveau de confort ou d'équipements et/ou un haut niveau de prestations complémentaires sont exclus du calcul des loyers indicatifs.
§ 3. La grille indicative des loyers du logement étudiant est adaptée annuellement à l'évolution du marché locatif sur la base d'un échantillon représentatif de logements étudiants mis en location sur l'ensemble de la Région wallonne.
L'échantillon représentatif est limité aux logements étudiants suivants :
1° les kots situés dans des logements unifamiliaux subdivisés;
2° les logements en résidences étudiantes gérées par un établissement de l'enseignement supérieur reconnu par la Communauté française;
3° les logements en résidences étudiantes gérées par une personne physique ou morale de droit privé;
4° les logements d'utilité publique étudiants;
5° les chambres étudiantes chez l'habitant.
Le Gouvernement valide les prescriptions méthodologiques concernant la définition des objectifs de la collecte de données, la méthode de collecte, de contrôle et de traitement des données. Les prescriptions méthodologiques respectent les usages et les bonnes pratiques en matière statistique.
§ 4. Le Gouvernement publie la grille indicative des loyers du logement étudiant. Il en arrête les règles de publication, y compris :
1° les explications pédagogiques sur :
a) son utilisation;
b) son champ d'application;
c) ses modalités d'actualisation;
2° les informations sur le calcul d'éventuelles majorations ou minorations du loyer.]1
§ 2. Les loyers indicatifs sont fixés par catégorie de logement étudiant et par commune, ou ensemble de communes, concentrant une part du parc de logements étudiants mis en location en Région wallonne, supérieure ou égale au seuil fixé par le Gouvernement.
Ces catégories de logement dont la fonction est d'héberger un ou plusieurs étudiants sont déterminées en fonction des éléments suivants :
1° le type de bâtiment ou d'habitat;
2° l'époque de construction;
3° la performance énergétique;
4° le niveau de partage des locaux sanitaires et de la pièce où s'exerce la fonction affectée à la cuisine.
Les loyers indicatifs tiennent également compte d'une liste limitative de caractéristiques intrinsèques ou extrinsèques de confort ou d'équipement répondant aux standards minimaux d'un logement destiné aux étudiants dont le Gouvernement en arrête la liste.
Le Gouvernement fixe les modalités particulières de calcul des loyers indicatifs.
Le Gouvernement prévoit que les loyers indicatifs peuvent être minorés ou majorés en fonction d'éléments de confort ou d'inconfort particulier. Les logements étudiants présentant des éléments, à caractère non essentiel, à un haut niveau de confort ou d'équipements et/ou un haut niveau de prestations complémentaires sont exclus du calcul des loyers indicatifs.
§ 3. La grille indicative des loyers du logement étudiant est adaptée annuellement à l'évolution du marché locatif sur la base d'un échantillon représentatif de logements étudiants mis en location sur l'ensemble de la Région wallonne.
L'échantillon représentatif est limité aux logements étudiants suivants :
1° les kots situés dans des logements unifamiliaux subdivisés;
2° les logements en résidences étudiantes gérées par un établissement de l'enseignement supérieur reconnu par la Communauté française;
3° les logements en résidences étudiantes gérées par une personne physique ou morale de droit privé;
4° les logements d'utilité publique étudiants;
5° les chambres étudiantes chez l'habitant.
Le Gouvernement valide les prescriptions méthodologiques concernant la définition des objectifs de la collecte de données, la méthode de collecte, de contrôle et de traitement des données. Les prescriptions méthodologiques respectent les usages et les bonnes pratiques en matière statistique.
§ 4. Le Gouvernement publie la grille indicative des loyers du logement étudiant. Il en arrête les règles de publication, y compris :
1° les explications pédagogiques sur :
a) son utilisation;
b) son champ d'application;
c) ses modalités d'actualisation;
2° les informations sur le calcul d'éventuelles majorations ou minorations du loyer.]1
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingsbepaling
CHAPITRE VIII. - Disposition modificative
Art.90. § 1. In artikel 1344ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek worden de woorden "in afdeling II" vervangen door de woorden "in Hoofdstuk 3 van het decreet betreffende de woninghuurovereenkomst".
§ 2. In de artikelen 1, 38°, 85 en 94 van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1 worden de woorden "Burgerlijk Wetboek" telkens vervangen door de woorden "Decreet betreffende de woninghuurovereenkomst".
§ 2. In de artikelen 1, 38°, 85 en 94 van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1 worden de woorden "Burgerlijk Wetboek" telkens vervangen door de woorden "Decreet betreffende de woninghuurovereenkomst".
Art.90. § 1er. Dans l'article 1344ter, § 1er, du Code judiciaire, les mots " à la section II " sont remplacés par les mots " au Chapitre 3 du décret relatif au bail d'habitation ".
§ 2. Dans les articles 1er, 38°, 85 et 94 du [1 Code wallon de l'habitation durable]1, les mots " Code civil " sont chaque fois remplacés par les mots " Décret relatif au bail d'habitation ".
§ 2. Dans les articles 1er, 38°, 85 et 94 du [1 Code wallon de l'habitation durable]1, les mots " Code civil " sont chaque fois remplacés par les mots " Décret relatif au bail d'habitation ".
HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepaling
CHAPITRE IX. - Disposition transitoire
Art.91. Met uitzondering van de artikelen 3, 17, § 2, 55, § 6, en de hoofdstukken IV en V die alleen van toepassing zijn op de huurovereenkomsten die afgesloten of hernieuwd worden te rekenen van de datum inwerkingtreding van dit decreet, zijn de bepalingen van het decreet van toepassing op de contracten gesloten vóór de datum van inwerkingtreding ervan.
[1 [2 Voor de huurovereenkomsten die op 1 april 2016 lopende zijn]2 is de indexeringsformule voor de huur, tot aan de eerstvolgende verjaardatum volgend op de datum van 31 maart 2018: basishuurprijs vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.]1
[1 [2 Voor de huurovereenkomsten die op 1 april 2016 lopende zijn]2 is de indexeringsformule voor de huur, tot aan de eerstvolgende verjaardatum volgend op de datum van 31 maart 2018: basishuurprijs vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.]1
Art.91. A l'exception des articles 3, 17, § 2, 55, § 6, et des chapitres IV et V qui ne sont applicables qu'aux baux conclus ou renouvelés à dater de l'entrée en vigueur du présent décret, les dispositions du décret s'appliquent aux contrats conclus avant son entrée en vigueur.
[1 [2 Pour les baux en cours au 1er avril 2016]2, la formule d'indexation des loyers est jusqu'à leur prochaine date anniversaire qui suit la date du 31 mars 2018 : loyer de base multiplié par l'indice à la date anniversaire précédent et divisé par l'indice de départ.]1
[1 [2 Pour les baux en cours au 1er avril 2016]2, la formule d'indexation des loyers est jusqu'à leur prochaine date anniversaire qui suit la date du 31 mars 2018 : loyer de base multiplié par l'indice à la date anniversaire précédent et divisé par l'indice de départ.]1
Art. 91 _1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - In afwijking van artikel 26 worden de huurprijzen van de huurovereenkomsten die op 1 januari 2023 lopende zijn, tussen 1 januari 2023 en 31 december 2023 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Voor de toepassing van dit artikel verstaat men onder "EPB-certificaat" het in artikel 2, 22°, van het decreet van het Waals Gewest betreffende de energieprestatie van gebouwen genoemde certificaat betreffende de energie-efficiëntie.
§ 2 - Wanneer de huurovereenkomst betrekking heeft op een woning met een EPB-certificaat E en de eerstvolgende verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst vanaf 1 januari 2023 plaatsvindt, is de indexering van de huurprijs beperkt tot 50
van de indexering die is toegestaan overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 26.
Wanneer de huurovereenkomst betrekking heeft op een woning met een EPB-certificaat F of G of een woning zonder EPB-certificaat en de eerstvolgende verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst vanaf 1 januari 2023 plaatsvindt, is een indexering van de huurprijs niet toegestaan.
§ 3 - De Regering kan de bepalingen van dit artikel eenmalig verlengen voor maximaal één jaar.]1
Voor de toepassing van dit artikel verstaat men onder "EPB-certificaat" het in artikel 2, 22°, van het decreet van het Waals Gewest betreffende de energieprestatie van gebouwen genoemde certificaat betreffende de energie-efficiëntie.
§ 2 - Wanneer de huurovereenkomst betrekking heeft op een woning met een EPB-certificaat E en de eerstvolgende verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst vanaf 1 januari 2023 plaatsvindt, is de indexering van de huurprijs beperkt tot 50
van de indexering die is toegestaan overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 26.
Wanneer de huurovereenkomst betrekking heeft op een woning met een EPB-certificaat F of G of een woning zonder EPB-certificaat en de eerstvolgende verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst vanaf 1 januari 2023 plaatsvindt, is een indexering van de huurprijs niet toegestaan.
§ 3 - De Regering kan de bepalingen van dit artikel eenmalig verlengen voor maximaal één jaar.]1
Art. 91 _1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - Par dérogation à l'article 26, les loyers des baux en cours au 1er janvier 2023 sont indexés entre le 1er janvier 2023 et le 31 décembre 2023 conformément aux dispositions du présent article.
Pour l'application du présent article, il faut entendre par "certificat PEB" le certificat de performance énergétique mentionné à l'article 2, 22°, du décret de la Région wallonne du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments.
§ 2 - Si le bail concerne un logement disposant d'un certificat PEB de classe énergétique E et que la date anniversaire de ce bail survient à partir du 1er janvier 2023, l'indexation du loyer est limitée à 50
de l'indexation autorisée dans les conditions fixées à l'article 26.
Si le bail concerne un logement disposant d'un certificat PEB de classe énergétique F ou G ou ne disposant pas de certificat PEB et que la date anniversaire de ce bail survient à partir du 1er janvier 2023, une indexation du loyer n'est pas autorisée.
§ 3 - Le Gouvernement peut proroger une fois les dispositions du présent article pour une durée maximale d'un an.]1
Pour l'application du présent article, il faut entendre par "certificat PEB" le certificat de performance énergétique mentionné à l'article 2, 22°, du décret de la Région wallonne du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments.
§ 2 - Si le bail concerne un logement disposant d'un certificat PEB de classe énergétique E et que la date anniversaire de ce bail survient à partir du 1er janvier 2023, l'indexation du loyer est limitée à 50
de l'indexation autorisée dans les conditions fixées à l'article 26.
Si le bail concerne un logement disposant d'un certificat PEB de classe énergétique F ou G ou ne disposant pas de certificat PEB et que la date anniversaire de ce bail survient à partir du 1er janvier 2023, une indexation du loyer n'est pas autorisée.
§ 3 - Le Gouvernement peut proroger une fois les dispositions du présent article pour une durée maximale d'un an.]1
Art. 91 _2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - In afwijking van artikel 26 worden de in artikel 91.1, § 2, vermelde huurovereenkomsten vanaf 1 januari 2024 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
§ 2 - De aangepaste huurprijs mag niet hoger zijn dan het bedrag verkregen door toepassing van de hiernavolgende formule: basishuurprijs vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
De basishuurprijs is de huurprijs die volgt uit de overeenkomst of uit een vonnis met uitsluiting van alle kosten en lasten die uitdrukkelijk door de huurovereenkomst ten laste van de huurder worden gelegd, zoals hij in voorkomend geval tussen 1 januari 2023 en 31 december 2023 overeenkomstig artikel 91.1 werd aangepast.
Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand die voorafgaat aan de maand van de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.
Het aanvangsindexcijfer is de tussen 1 januari 2023 en 31 december 2023 geldende gezondheidsindex van de maand die voorafgaat aan de maand tijdens welke de overeenkomst is afgesloten.
§ 3 - Als de Regering de in artikel 91.1 vermelde maatregel overeenkomstig paragraaf 3 van hetzelfde artikel met een jaar verlengd, worden de in de paragrafen 1 en 2 vermelde bepalingen als volgt aangepast:
1° de in paragraaf 1 vermelde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2025;
2° de perioden vermeld in § 2, tweede en vierde lid, lopen van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024.]1
§ 2 - De aangepaste huurprijs mag niet hoger zijn dan het bedrag verkregen door toepassing van de hiernavolgende formule: basishuurprijs vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
De basishuurprijs is de huurprijs die volgt uit de overeenkomst of uit een vonnis met uitsluiting van alle kosten en lasten die uitdrukkelijk door de huurovereenkomst ten laste van de huurder worden gelegd, zoals hij in voorkomend geval tussen 1 januari 2023 en 31 december 2023 overeenkomstig artikel 91.1 werd aangepast.
Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand die voorafgaat aan de maand van de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.
Het aanvangsindexcijfer is de tussen 1 januari 2023 en 31 december 2023 geldende gezondheidsindex van de maand die voorafgaat aan de maand tijdens welke de overeenkomst is afgesloten.
§ 3 - Als de Regering de in artikel 91.1 vermelde maatregel overeenkomstig paragraaf 3 van hetzelfde artikel met een jaar verlengd, worden de in de paragrafen 1 en 2 vermelde bepalingen als volgt aangepast:
1° de in paragraaf 1 vermelde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2025;
2° de perioden vermeld in § 2, tweede en vierde lid, lopen van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024.]1
Art. 91 _2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - Par dérogation à l'article 26, les baux mentionnés à l'article 91.1, § 2, sont indexés à partir du 1er janvier 2024 conformément aux dispositions du présent article.
§ 2 - Le loyer adapté ne peut dépasser le montant qui résulte de la formule suivante : loyer de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
Le loyer de base est le loyer qui résulte de la convention ou d'un jugement, à l'exclusion de tous frais et charges quelconques expressément laissés à charge du preneur par le bail, tel qu'adapté, le cas échéant, entre le 1er janvier 2023 et le 31 décembre 2023, conformément à l'article 91.1.
Le nouvel indice est l'indice santé du mois qui précède celui de l'anniversaire de l'entrée en vigueur du bail.
L'indice de départ est l'indice santé du mois qui précède la date anniversaire de la convention, applicable entre le 1er janvier 2023 et le 31 décembre 2023.
§ 3 - Si le Gouvernement prolonge d'un an la mesure mentionnée à l'article 91.1 conformément au § 3 du même article, les dispositions mentionnées aux § § 1er et 2 sont adaptées comme suit :
1° La date d'entrée en vigueur mentionnée au § 1er est le 1er janvier 2025.
2° Les périodes mentionnées au § 2, alinéas 2 et 4, s'étendent du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2024.]1
§ 2 - Le loyer adapté ne peut dépasser le montant qui résulte de la formule suivante : loyer de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
Le loyer de base est le loyer qui résulte de la convention ou d'un jugement, à l'exclusion de tous frais et charges quelconques expressément laissés à charge du preneur par le bail, tel qu'adapté, le cas échéant, entre le 1er janvier 2023 et le 31 décembre 2023, conformément à l'article 91.1.
Le nouvel indice est l'indice santé du mois qui précède celui de l'anniversaire de l'entrée en vigueur du bail.
L'indice de départ est l'indice santé du mois qui précède la date anniversaire de la convention, applicable entre le 1er janvier 2023 et le 31 décembre 2023.
§ 3 - Si le Gouvernement prolonge d'un an la mesure mentionnée à l'article 91.1 conformément au § 3 du même article, les dispositions mentionnées aux § § 1er et 2 sont adaptées comme suit :
1° La date d'entrée en vigueur mentionnée au § 1er est le 1er janvier 2025.
2° Les périodes mentionnées au § 2, alinéas 2 et 4, s'étendent du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2024.]1
HOOFDSTUK X. - Opheffingsbepaling
CHAPITRE X. - Disposition abrogatoire
Art.92. § 1. Afdeling I van Hoofdstuk II van Titel VIII, van Boek III van het Burgerlijk Wetboek wordt opgeheven wat betreft de woninghuurovereenkomst.
§ 2. Afdeling II van Hoofdstuk II van Titel VIII, van het Burgerlijk Wetboek, ingediend bij de wet van 20 februari 1991, wordt opgeheven.
§ 3. In het opschrift van Hoofdstuk VII van Titel II van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1 worden de woorden "Glijdende huurovereenkomst en solidair wonen" vervangen door de woorden "Solidair wonen".
Artikel 85septies wordt opgeheven.
§ 2. Afdeling II van Hoofdstuk II van Titel VIII, van het Burgerlijk Wetboek, ingediend bij de wet van 20 februari 1991, wordt opgeheven.
§ 3. In het opschrift van Hoofdstuk VII van Titel II van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1 worden de woorden "Glijdende huurovereenkomst en solidair wonen" vervangen door de woorden "Solidair wonen".
Artikel 85septies wordt opgeheven.
Art.92. § 1er. La section I du Chapitre II du Titre VIII, du Livre III du Code civil est abrogée pour ce qui relève du bail d'habitation.
§ 2. La section II du Chapitre II du Titre VIII du Code civil introduite par la loi du 20 février 1991 est abrogée.
§ 3. Dans le libellé du Chapitre VII du Titre II du [1 Code wallon de l'habitation durable]1, les mots " Du bail glissant et de l'habitat solidaire " sont remplacés par les mots " De l'habitat solidaire ".
L'article 85septies est abrogé.
§ 2. La section II du Chapitre II du Titre VIII du Code civil introduite par la loi du 20 février 1991 est abrogée.
§ 3. Dans le libellé du Chapitre VII du Titre II du [1 Code wallon de l'habitation durable]1, les mots " Du bail glissant et de l'habitat solidaire " sont remplacés par les mots " De l'habitat solidaire ".
L'article 85septies est abrogé.
HOOFDSTUK XI. - Machtiging van de Regering met het oog op een codificatie
CHAPITRE XI. - Habilitation du Gouvernement en vue d'une codification
Art.93. De Regering kan de bepalingen van het [1 Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]1 van 29 oktober 1998 en de bepalingen van dit decreet, codificeren met inachtneming van de wijzigingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn aangebracht tot aan het tijdstip van de codificatie.
Daartoe kan de Regering :
1° de volgorde en de nummering van de te codificeren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
2° de verwijzingen die voorkomen in de te codificeren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;
3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te codificeren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.
De codificatie zal het volgende opschrift dragen : "Waalse Huisvestingscode".
Ze zal op de datum van de bekrachtiging ervan bij decreet in werking treden.
Daartoe kan de Regering :
1° de volgorde en de nummering van de te codificeren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
2° de verwijzingen die voorkomen in de te codificeren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;
3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te codificeren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.
De codificatie zal het volgende opschrift dragen : "Waalse Huisvestingscode".
Ze zal op de datum van de bekrachtiging ervan bij decreet in werking treden.
Art.93. Le Gouvernement peut codifier les dispositions du [1 Code wallon de l'habitation durable]1 du 29 octobre 1998 et les dispositions du présent décret, en tenant compte des modifications expresses ou implicites que ces dispositions auraient subies au moment où la codification sera établie.
A cette fin, le Gouvernement peut :
1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à codifier;
2° modifier les références qui sont contenues dans les dispositions à codifier en vue de les mettre en concordance avec la numérotation nouvelle;
3° modifier la rédaction des dispositions à codifier en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
La codification portera l'intitulé suivant : " Code wallon du Logement ".
Elle entrera en vigueur à la date de sa confirmation par décret.
A cette fin, le Gouvernement peut :
1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à codifier;
2° modifier les références qui sont contenues dans les dispositions à codifier en vue de les mettre en concordance avec la numérotation nouvelle;
3° modifier la rédaction des dispositions à codifier en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
La codification portera l'intitulé suivant : " Code wallon du Logement ".
Elle entrera en vigueur à la date de sa confirmation par décret.
HOOFDSTUK XII. - Slotbepaling
CHAPITRE XII. - Disposition finale
Art. 94. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2018.
Art. 94. Le présent décret entre en vigueur en date du 1er septembre 2018.