Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2018, wordt punt 9° vervangen door wat volgt:
"9° werkplekinstrumenten: de instrumenten van begeleiding op de werkvloer, namelijk:
a) de IBO;
b) de K-IBO;
c) de maatregelen, vermeld in artikel 41 tot en met 44, artikel 84 tot en met 84/8 en artikel 111/0/1 tot en met 111/0/29 van het besluit van 5 juni 2009;
d) de gespecialiseerde beroepsverkennende stage, vermeld in artikel 3, § 3 en § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 tot vaststelling van de regels voor de erkenning en financiering door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding van de gespecialiseerde trajectbepalings- en -begeleidingsdienst, de gespecialiseerde arbeidsonderzoeksdiensten en de gespecialiseerde opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsdiensten.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
17 MEI 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende diverse wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap
Titre
17 MAI 2019. - Arrêté du Gouvernement flamand portant diverses modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à l'intégration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (11)
Texte (11)
Article 1er. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à l'intégration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2018, le point 9° est remplacé par ce qui suit :
" 9° instruments sur le lieu de travail : les instruments d'accompagnement sur le lieu de travail, à savoir :
a) la FPI ;
b) la K-FPI ;
c) les mesures visées aux articles 41 à 44, 84 à 84/8 et 111/0/1 à 111/0/29 de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
d) le stage d'orientation professionnelle spécialisé, visé à l'article 3, §§ 3 et 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2008 établissant les règles pour l'agrément et le financement par l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle du service spécialisé pour la définition et l'accompagnement de parcours, des services spécialisés d'étude de l'emploi et des services spécialisés de formation, d'accompagnement et de médiation. ".
" 9° instruments sur le lieu de travail : les instruments d'accompagnement sur le lieu de travail, à savoir :
a) la FPI ;
b) la K-FPI ;
c) les mesures visées aux articles 41 à 44, 84 à 84/8 et 111/0/1 à 111/0/29 de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
d) le stage d'orientation professionnelle spécialisé, visé à l'article 3, §§ 3 et 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2008 établissant les règles pour l'agrément et le financement par l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle du service spécialisé pour la définition et l'accompagnement de parcours, des services spécialisés d'étude de l'emploi et des services spécialisés de formation, d'accompagnement et de médiation. ".
Art. 2. In artikel 4, tweede lid, 3°, a), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2018, worden de woorden "of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest" opgeheven.
Art. 2. Dans l'article 4, alinéa 2, 3°, a) du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2018, les mots " ou de la Région de Bruxelles-Capitale " sont abrogés.
Art. 3. Aan artikel 13 van hetzelfde besluit wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"3° aantonen dat de aanpassingen van de arbeidspost op het grondgebied van het Vlaamse Gewest plaatsvinden.".
"3° aantonen dat de aanpassingen van de arbeidspost op het grondgebied van het Vlaamse Gewest plaatsvinden.".
Art. 3. L'article 13 du même arrêté est complété par un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° démontrer que les adaptations du poste de travail ont lieu sur le territoire de la Région flamande. ".
" 3° démontrer que les adaptations du poste de travail ont lieu sur le territoire de la Région flamande. ".
Art. 4. In artikel 22, 5°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2018, wordt het woord "werkt" vervangen door de woorden "volgt een opleiding".
Art. 4. Dans l'article 22, 5°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2018, le mot " travailler " est remplacé par les mots " suivre une formation ".
Art. 5. In artikel 26, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "erkende dienstverlening" vervangen door de woorden "erkende begeleiding naar werk";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De VDAB kan een afwijking van het aantal uren toestaan op het maximum, vermeld in het tweede lid, in de volgende gevallen:
1° wegens bijzondere individuele omstandigheden als de vraag tot uitbreiding betrekking heeft op sollicitatiegesprekken;
2° als de vraag tot uitbreiding past in de begeleiding naar werk, vermeld in artikel 36 van het besluit van 5 juni 2009.".
1° in het eerste lid worden de woorden "erkende dienstverlening" vervangen door de woorden "erkende begeleiding naar werk";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De VDAB kan een afwijking van het aantal uren toestaan op het maximum, vermeld in het tweede lid, in de volgende gevallen:
1° wegens bijzondere individuele omstandigheden als de vraag tot uitbreiding betrekking heeft op sollicitatiegesprekken;
2° als de vraag tot uitbreiding past in de begeleiding naar werk, vermeld in artikel 36 van het besluit van 5 juni 2009.".
Art. 5. A l'article 26 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " prestations organisées ou agréées " sont remplacés par les mots " l'accompagnement à l'emploi organisé ou agréé " ;
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Le VDAB peut octroyer une dérogation au nombre d'heures par rapport au maximum visé à l'alinéa 2, dans les cas suivants :
1° en raison de circonstances individuelles particulières si la demande d'extension a trait à des entretiens d'embauche ;
2° si la demande d'extension s'inscrit dans le cadre de l'accompagnement à l'emploi visé à l'article 36 de l'arrêté du 5 juin 2009. ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " prestations organisées ou agréées " sont remplacés par les mots " l'accompagnement à l'emploi organisé ou agréé " ;
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Le VDAB peut octroyer une dérogation au nombre d'heures par rapport au maximum visé à l'alinéa 2, dans les cas suivants :
1° en raison de circonstances individuelles particulières si la demande d'extension a trait à des entretiens d'embauche ;
2° si la demande d'extension s'inscrit dans le cadre de l'accompagnement à l'emploi visé à l'article 36 de l'arrêté du 5 juin 2009. ".
Art. 6. In hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2018, wordt een artikel 27/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 27/1. De VDAB neemt voor de leerlingen in alternerende opleidingen met een auditieve arbeidshandicap de dienstverlening door een tolk voor doven en slechthorenden ten laste als de begeleiding op de werkplek occasionele taken of omstandigheden met zich meebrengt waarvoor verbale communicatie nodig is om tot een optimale functie-uitoefening en taakuitvoering te komen, en die technische ondersteuning door een deskundig opgeleide tolk verantwoorden.
De ten laste genomen dienstverlening is op maat van de leerling en wordt in overleg met de werkplek bepaald naargelang van de effectieve opleidingstijd van de leerling op de werkplek.
De VDAB neemt de werkelijk gemaakte verplaatsingskosten van de tolk ten laste.".
"Art. 27/1. De VDAB neemt voor de leerlingen in alternerende opleidingen met een auditieve arbeidshandicap de dienstverlening door een tolk voor doven en slechthorenden ten laste als de begeleiding op de werkplek occasionele taken of omstandigheden met zich meebrengt waarvoor verbale communicatie nodig is om tot een optimale functie-uitoefening en taakuitvoering te komen, en die technische ondersteuning door een deskundig opgeleide tolk verantwoorden.
De ten laste genomen dienstverlening is op maat van de leerling en wordt in overleg met de werkplek bepaald naargelang van de effectieve opleidingstijd van de leerling op de werkplek.
De VDAB neemt de werkelijk gemaakte verplaatsingskosten van de tolk ten laste.".
Art. 6. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2018, il est inséré un article 27/1, rédigé comme suit :
" Art. 27/1. Pour les étudiants en formation en alternance ayant un handicap auditif à l'emploi, le VDAB prend en charge les services d'un interprète pour sourds et malentendants si l'assistance sur le lieu de travail implique des tâches ou des circonstances occasionnelles nécessitant une communication verbale afin d'assurer une exécution optimale de la fonction et de la tâche, et justifiant le soutien technique fourni par un interprète formé de manière spécialisée.
Le service pris en charge doit être adapté à l'apprenant et doit être déterminé en consultation avec le lieu de travail en fonction du temps réel de formation de l'apprenant sur le lieu de travail.
Le VDAB prend en charge les frais de déplacement réels de l'interprète. ".
" Art. 27/1. Pour les étudiants en formation en alternance ayant un handicap auditif à l'emploi, le VDAB prend en charge les services d'un interprète pour sourds et malentendants si l'assistance sur le lieu de travail implique des tâches ou des circonstances occasionnelles nécessitant une communication verbale afin d'assurer une exécution optimale de la fonction et de la tâche, et justifiant le soutien technique fourni par un interprète formé de manière spécialisée.
Le service pris en charge doit être adapté à l'apprenant et doit être déterminé en consultation avec le lieu de travail en fonction du temps réel de formation de l'apprenant sur le lieu de travail.
Le VDAB prend en charge les frais de déplacement réels de l'interprète. ".
Art. 7. In artikel 32 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "artikel 30, § 3," worden vervangen door de woorden "artikel 30, § 4";
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"De werkgever heeft recht op een verlenging of een verhoging van de VOP als de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, de kosten van de ondersteuning en van de verminderde productiviteit tijdens de aanwezigheid op de werkvloer of tijdens de uitoefening van de job van de werknemer minimaal twintig procent van zijn referteloon bedragen.".
1° in het eerste lid worden de woorden "artikel 30, § 3," worden vervangen door de woorden "artikel 30, § 4";
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"De werkgever heeft recht op een verlenging of een verhoging van de VOP als de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, de kosten van de ondersteuning en van de verminderde productiviteit tijdens de aanwezigheid op de werkvloer of tijdens de uitoefening van de job van de werknemer minimaal twintig procent van zijn referteloon bedragen.".
Art. 7. A l'article 32 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " l'article 30, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 30, § 4 " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'employeur a droit à une prolongation ou majoration de la VOP si les frais d'insertion dans la vie active, les frais de soutien et de productivité réduite pendant la présence sur le lieu de travail ou l'exercice de l'emploi du travailleur s'élèvent à 20 % au moins de son salaire de référence. ".
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " l'article 30, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 30, § 4 " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'employeur a droit à une prolongation ou majoration de la VOP si les frais d'insertion dans la vie active, les frais de soutien et de productivité réduite pendant la présence sur le lieu de travail ou l'exercice de l'emploi du travailleur s'élèvent à 20 % au moins de son salaire de référence. ".
Art. 8. In artikel 35 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid wordt het bedrag "15.000 euro" vervangen door het bedrag "13.500 euro";
2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Om een VOP te krijgen moet de zelfstandige aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
2° hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.".
1° in het derde lid wordt het bedrag "15.000 euro" vervangen door het bedrag "13.500 euro";
2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Om een VOP te krijgen moet de zelfstandige aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
2° hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.".
Art. 8. A l'article 35 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 3, le montant " 15.000 euros " est remplacé par le montant " 13 500 euros " ;
2° il est ajouté un alinéa 5, rédigé comme suit :
" Afin de bénéficier d'une VOP, l'indépendant doit remplir l'une des conditions suivantes.
1° il réside sur le territoire de la Région flamande ;
2° il réside sur le territoire de l'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande. ".
1° dans l'alinéa 3, le montant " 15.000 euros " est remplacé par le montant " 13 500 euros " ;
2° il est ajouté un alinéa 5, rédigé comme suit :
" Afin de bénéficier d'une VOP, l'indépendant doit remplir l'une des conditions suivantes.
1° il réside sur le territoire de la Région flamande ;
2° il réside sur le territoire de l'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande. ".
Art. 9. In artikel 36 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2018, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
" § 2. Het bedrag van de tegemoetkoming bij een vastgesteld recht van onbepaalde duur is gelijk aan:
1° 40% gedurende het kwartaal van de aanvraag en de vier daaropvolgende kwartalen;
2° 20% vanaf het zesde kwartaal tot en met het twintigste kwartaal, op voorwaarde dat voldoende bedrijfsactiviteit kan worden aangetoond.
Het bedrag van de tegemoetkoming bij een vastgesteld recht van bepaalde duur is gelijk aan 20%. De tegemoetkoming start op het ogenblik van het kwartaal waarin de aanvraag is toegekend en loopt maximaal tijdens de zeven daaropvolgende kwartalen zonder de duurtijd van het recht te overschrijden.
Tijdens het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP brengt het departement de zelfstandige op de hoogte van het einde van de betalingen van de VOP en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag in te dienen tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°.
Vanaf het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP kan de zelfstandige een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement tot behoud van de tegemoetkoming.
Bij een verlenging van de tegemoetkoming bij een recht van onbepaalde duur van de zelfstandige dat conform artikel 4 is vastgesteld, beslist het departement op basis van een evaluatie door de VDAB over het bedrag en de periode van de VOP. Het departement bepaalt de tegemoetkoming gedurende maximaal twintig kwartalen.
Na afloop van de tegemoetkoming op basis van een recht van bepaalde duur van de zelfstandige kan het departement aan de zelfstandige een verlenging toekennen op basis van een nieuw recht van bepaalde duur dat conform artikel 4 is vastgesteld. Bij een verlenging op basis van een nieuw recht van bepaalde duur van de zelfstandige kent het departement de tegemoetkoming toe voor de duurtijd van het recht van de zelfstandige, voor maximaal acht kwartalen.
Het departement kan aan de zelfstandige met een arbeidshandicap die gedurende minimaal twee jaar zijn zelfstandige activiteiten uitoefent, een hoger bedrag van de VOP voor zelfstandigen toekennen, tot maximaal 60% van het gemiddelde gewaarborgd minimummaandinkomen. Om aanspraak te kunnen maken op de verhoging, toont de zelfstandige op gemotiveerde wijze aan dat de ernst van de arbeidshandicap hogere bijkomende kosten of een hoger rendementsverlies veroorzaakt. De VDAB evalueert de behoefte aan ondersteuning ter plaatse, namelijk:
1° de kosten van de inschakeling in het beroepsleven;
2° de kosten van de ondersteuning en van de verminderde productiviteit tijdens de uitoefening van de zelfstandige activiteiten.".
" § 2. Het bedrag van de tegemoetkoming bij een vastgesteld recht van onbepaalde duur is gelijk aan:
1° 40% gedurende het kwartaal van de aanvraag en de vier daaropvolgende kwartalen;
2° 20% vanaf het zesde kwartaal tot en met het twintigste kwartaal, op voorwaarde dat voldoende bedrijfsactiviteit kan worden aangetoond.
Het bedrag van de tegemoetkoming bij een vastgesteld recht van bepaalde duur is gelijk aan 20%. De tegemoetkoming start op het ogenblik van het kwartaal waarin de aanvraag is toegekend en loopt maximaal tijdens de zeven daaropvolgende kwartalen zonder de duurtijd van het recht te overschrijden.
Tijdens het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP brengt het departement de zelfstandige op de hoogte van het einde van de betalingen van de VOP en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag in te dienen tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°.
Vanaf het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP kan de zelfstandige een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement tot behoud van de tegemoetkoming.
Bij een verlenging van de tegemoetkoming bij een recht van onbepaalde duur van de zelfstandige dat conform artikel 4 is vastgesteld, beslist het departement op basis van een evaluatie door de VDAB over het bedrag en de periode van de VOP. Het departement bepaalt de tegemoetkoming gedurende maximaal twintig kwartalen.
Na afloop van de tegemoetkoming op basis van een recht van bepaalde duur van de zelfstandige kan het departement aan de zelfstandige een verlenging toekennen op basis van een nieuw recht van bepaalde duur dat conform artikel 4 is vastgesteld. Bij een verlenging op basis van een nieuw recht van bepaalde duur van de zelfstandige kent het departement de tegemoetkoming toe voor de duurtijd van het recht van de zelfstandige, voor maximaal acht kwartalen.
Het departement kan aan de zelfstandige met een arbeidshandicap die gedurende minimaal twee jaar zijn zelfstandige activiteiten uitoefent, een hoger bedrag van de VOP voor zelfstandigen toekennen, tot maximaal 60% van het gemiddelde gewaarborgd minimummaandinkomen. Om aanspraak te kunnen maken op de verhoging, toont de zelfstandige op gemotiveerde wijze aan dat de ernst van de arbeidshandicap hogere bijkomende kosten of een hoger rendementsverlies veroorzaakt. De VDAB evalueert de behoefte aan ondersteuning ter plaatse, namelijk:
1° de kosten van de inschakeling in het beroepsleven;
2° de kosten van de ondersteuning en van de verminderde productiviteit tijdens de uitoefening van de zelfstandige activiteiten.".
Art. 9. Dans l'article 36 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 octobre 2018, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le montant de l'intervention en cas d'un droit établi à durée indéterminée est égal à :
1° 40 % au cours du trimestre de la demande et des quatre trimestres suivants ;
2° 20 % à partir du sixième trimestre jusqu'au vingtième trimestre inclus à condition qu'une activité économique suffisante puisse être démontrée.
Le montant de l'intervention en cas d'un droit établi à durée déterminée s'élève à 20 %. L'intervention commence au moment du trimestre au cours duquel la demande a été approuvée et se poursuit pendant un maximum de sept trimestres consécutifs sans dépasser la durée du droit.
Au cours de l'avant-dernier trimestre d'octroi de la VOP, le département informe l'indépendant de la fin des paiements de la VOP et de la possibilité d'introduire auprès du département une demande motivée de maintien du montant visé à l'alinéa 1er, 2°.
A partir de l'avant-dernier trimestre d'octroi de la VOP, l'indépendant peut introduire auprès du département une demande motivée de maintien de l'intervention.
En cas de prolongation de l'intervention et d'un droit à durée indéterminée de l'indépendant établi conformément à l'article 4, le département décide sur la base d'une évaluation par le VDAB du montant et de la période de la VOP. Le département détermine l'intervention pour un maximum de vingt trimestres.
A l'expiration de l'intervention sur la base d'un droit à durée déterminée de l'indépendant, le département peut lui octroyer une prolongation sur la base d'un nouveau droit à durée déterminée établi conformément à l'article 4. Dans le cas d'une prolongation sur la base d'un nouveau droit à durée déterminée de l'indépendant, le département octroie l'intervention pour la durée du droit de l'indépendant, pour un maximum de huit trimestres.
Le département peut octroyer un montant plus élevé de la VOP pour indépendants à un indépendant atteint d'un handicap à l'emploi qui exerce ses activités indépendantes pendant au moins deux ans, jusqu'à 60 % du revenu mensuel moyen minimum garanti. Pour pouvoir prétendre à l'augmentation, l'indépendant démontre de manière motivée que la gravité du handicap à l'emploi entraîne des frais supplémentaires plus élevés ou une perte de rendement plus élevée. Le VDAB évalue le besoin en soutien sur place, à savoir :
1° les frais d'insertion dans la vie active ;
2° les frais de soutien et de la productivité réduite pendant l'exercice des activités indépendantes. ".
" § 2. Le montant de l'intervention en cas d'un droit établi à durée indéterminée est égal à :
1° 40 % au cours du trimestre de la demande et des quatre trimestres suivants ;
2° 20 % à partir du sixième trimestre jusqu'au vingtième trimestre inclus à condition qu'une activité économique suffisante puisse être démontrée.
Le montant de l'intervention en cas d'un droit établi à durée déterminée s'élève à 20 %. L'intervention commence au moment du trimestre au cours duquel la demande a été approuvée et se poursuit pendant un maximum de sept trimestres consécutifs sans dépasser la durée du droit.
Au cours de l'avant-dernier trimestre d'octroi de la VOP, le département informe l'indépendant de la fin des paiements de la VOP et de la possibilité d'introduire auprès du département une demande motivée de maintien du montant visé à l'alinéa 1er, 2°.
A partir de l'avant-dernier trimestre d'octroi de la VOP, l'indépendant peut introduire auprès du département une demande motivée de maintien de l'intervention.
En cas de prolongation de l'intervention et d'un droit à durée indéterminée de l'indépendant établi conformément à l'article 4, le département décide sur la base d'une évaluation par le VDAB du montant et de la période de la VOP. Le département détermine l'intervention pour un maximum de vingt trimestres.
A l'expiration de l'intervention sur la base d'un droit à durée déterminée de l'indépendant, le département peut lui octroyer une prolongation sur la base d'un nouveau droit à durée déterminée établi conformément à l'article 4. Dans le cas d'une prolongation sur la base d'un nouveau droit à durée déterminée de l'indépendant, le département octroie l'intervention pour la durée du droit de l'indépendant, pour un maximum de huit trimestres.
Le département peut octroyer un montant plus élevé de la VOP pour indépendants à un indépendant atteint d'un handicap à l'emploi qui exerce ses activités indépendantes pendant au moins deux ans, jusqu'à 60 % du revenu mensuel moyen minimum garanti. Pour pouvoir prétendre à l'augmentation, l'indépendant démontre de manière motivée que la gravité du handicap à l'emploi entraîne des frais supplémentaires plus élevés ou une perte de rendement plus élevée. Le VDAB évalue le besoin en soutien sur place, à savoir :
1° les frais d'insertion dans la vie active ;
2° les frais de soutien et de la productivité réduite pendant l'exercice des activités indépendantes. ".
Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking op 1 januari 2019, met uitzondering van artikel 2 en 6 die inwerking treden op 1 juni 2019.
Art. 10. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2019, à l'exception des articles 2 et 6 qui entrent en vigueur le 1er juin 2019.
Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 11. Le ministre flamand ayant la politique de l'emploi dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.