Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
18 JULI 2019. - Besluit van de Waalse Regering tot invoeging van bepalingen betreffende de collectieve huisvesting van personen in langdurige moeilijkheden in het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid
Titre
18 JUILLET 2019. - Arrêté du Gouvernement wallon insérant des dispositions relatives à l'hébergement collectif de personnes en difficultés prolongées dans le Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé
Dokumentinformationen
Numac: 2019015657
Datum: 2019-07-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019015657
Date: 2019-07-18
Moniteur: Voir
Tekst (9)
Texte (9)
Artikel 1. Dit besluit regelt, overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet, een materie bedoeld in artikel 128 ervan.
Article 1er. Le présent arrêté règle, en application de l'article 138 de la Constitution, une matière visée à l'article 128 de celle-ci.
Art. 2. In het tweede deel, Boek II, van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, wordt een Titel VIII die de artikelen 1968 tot 1982 omvat, ingevoegd, luidend als volgt:
  "Boek IX. - Tehuizen voor de collectieve huisvesting van personen in langdurige moeilijkheden
  TITEL I. - Erkenning
  HOOFDSTUK 1. - Erkenning
  Afdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden
  Onderafdeling 1. . - Algemene voorwaarden en toekenningsprocedure
  Art. 1968. Overeenkomstig artikel 694/16 van het decreetgevend deel van het Wetboek omvat de dossier met de erkenningsaanvraag:
  1° de vragenlijst voor de erkenningsaanvraag, bedoeld in bijlage 139, aangevuld en ondertekend;
  2° een plan waarin de verschillende lokalen, hun afmetingen en hun bestemming, alsmede het aantal plaatsen per kamer en, in voorkomend geval, de aangrenzende sanitaire installaties per kamer;
  3° het aantal gehuisveste personen op de datum van verzending van de aanvraag en de maximale huisvestingscapaciteit rekening houdend met de kenmerken vermeld onder artikel 694/20 van het decreetgevend deel van het Wetboek en de maximumcapaciteit vermeld in het veiligheidsattest bedoeld in 9° en van het plan bedoeld in 2° ;
  4° de ontwerp-overeenkomst voor individuele huisvesting, bedoeld in artikel 694/28 van het decreetgevend deel van het Wetboek, bepaald op grond van het model vermeld in bijlage 140;
  5° het levensproject uitgewerkt op grond van de nadere regels vermeld in artikel 1971 en bijlage 141;
  6° het huishoudelijk reglement uitgewerkt op grond van het model opgenomen in bijlage 142;
  7° een anoniem gemaakte lijst, waarbij personen namelijk niet geïdentificeerd kunnen worden, met het aantal personeelsleden, hun kwalificatie, een omschrijving van hun functie zoals bedoeld in artikel 694/22 van het decreetgevend deel van het Wetboek en hun voornaamste opdrachten in de inrichting;
  8° een verklaring op erewoord waarbij ieder personeelslid het tehuis voor collectieve huisvesting een afschrift van zijn diploma verstrekt, en een uittreksel uit het strafregister overeenkomstig artikel 694/22, § 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek en waarbij aangestipt wordt dat deze uittreksels, ter beschikking van de inspectie gesteld, samen met het arbeidscontract van elk personeelslid bewaard worden in het tehuis voor collectieve huisvesting;
  9° het veiligheidsattest zoals bedoeld in artikel 694/21, § 1, 1°, van het decreetgevend deel van het Wetboek;
  10° een afschrift van de burgerlijke aansprakelijkheidsverzekeringspolis voor vestigingen en bedrijven bedoeld in artikel 694/21, § 1, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek;
  10° een afschrift van de objectieve burgerlijke aansprakelijkheidsverzekeringspolis brand of ontploffingen bedoeld in artikel 694/21, § 1, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek;
  12° de samenwerkingsovereenkomsten met inrichtingen erkend in het kader van het decreetgevend deel van dit Wetboek, waarin vastgesteld wordt dat het tehuis voor collectieve huisvesting in staat is om in geval van nood een beroep te doen op de professionele sector of de diensten die actief zijn op medisch, psychologisch of sociaal gebied in functie van het profiel van de bewoners;
  13° in voorkomend geval, een afschrift van de overeenkomsten gesloten met vrijwilligers, gelijken-hulpverleners of ervaringsdeskundigen;
  14° in voorkomend geval, het plan bedoeld in artikel 694/38 van het decreetgevend deel van het Wetboek met de acties die de inrichting jaar per jaar zal uitvoeren om de infrastructuren in overeenstemming te brengen met de normen bedoeld in artikel 694/20 van het decreetgevend deel van het Wetboek.
  Art. 1969. § 1. De erkenningsaanvraag voor ieder tehuis voor collectieve huisvesting wordt per aangetekend schrijven of bij ieder ander middel waarbij de zending een vaste datum verleend wordt, bij het Agentschap ingediend.
  Binnen de dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag richt het Agentschap per aangetekend schrijven of via een zending naar een duidelijk elektronisch adres of bij ieder ander middel waarbij de zending een vaste datum verleend wordt een ontvangstbevestiging voor het dossier, indien dit volledig is.
  Als het dossier onvolledig is, licht het Agentschap er de aanvrager in dezelfde voorwaarden over in en stipt aan, welke de ontbrekende dossierstukken zijn en dat de termijn voor de ontvangst van de ontbrekende stukken minstens één maand bedraagt.
  Hoe dan ook licht het Agentschap de aanvrager in over:
  1° de naam en de persoonsgegevens van het personeelslid dat het dossier zal behandelen;
  2° de naam en de adresgegevens van het personeelslid belast met de naleving van de regels inzake bescherming van de persoonsgegevens (met inbegrip van veiligheidsregels voor gegevensbescherming) en tot wie de betrokkenen van het tehuis voor collectieve huisvesting zich kunnen richten.
  Daarentegen, wordt de aanvraag, als de aanvrager het geheel van de door de administratie verlangde stukken binnen de voorgeschreven aanvullende termijn niet overmaakt, als onontvankelijk beschouwd. De beslissing wordt bij aangetekend schrijven of elk middel waarbij een vaste datum aan de zending wordt verleend, door het Agentschap medegedeeld.
  § 2. Binnen de zes maanden na ontvangst van de volledige aanvraag wordt door het Agentschap:
  1° een inspectie van het tehuis voor collectieve huisvesting uitgevoerd als het Agentschap dit nuttig acht of kennis heeft van informatie waaruit zou blijken dat het tehuis voor collectieve huisvesting elementen bevat die nadeel zouden kunnen berokkenen aan de veiligheid, de gezondheid, de waardigheid van de gehuisveste personen of aan hun lichamelijke of geestelijke integriteit;
  2° een verslag opgesteld over het dossier;
  3° aan de Minister een dossier overgemaakt met:
  a) het dossier van de aanvrager;
  b) het verslag van het Agentschap met het advies van de inspectie;
  c) een voorstel tot beslissing.
  De Minister beslist over de erkenningsaanvraag binnen twee maanden te rekenen van de ontvangst van het door het Agentschap toegestuurde dossier.
  § 3. De erkenning wordt geweigerd als het tehuis voor collectieve huisvesting de voorwaarden voor het verkrijgen ervan niet vervult.
  § 4. De beslissing tot toekenning van de erkenning wordt door het Agentschap bij aangetekend schrijven of door zending via een duidelijk e-mailadres of nog via ieder middel waarbij de zending een vaste datum verleend wordt, aan de aanvrager medegedeeld.
  Iedere wijziging in één van de elementen van de erkenningsaanvraag wordt onverwijld door het betrokken tehuis voor collectieve huisvesting aan het Agentschap meegedeeld, middels het formulier opgenomen als bijlage 139. Binnen twee maanden volgend op de ontvangst van dat formulier waarop de wijzigingen duidelijk worden vermeld, stelt het Agentschap een verslag op ter beoordeling van de impact van de wijzigingen op de geldigheid van de erkenning. Het verslag wordt binnen de twee maanden te rekenen van de ontvangst van het door het Agentschap toegestuurd dossier gericht aan de Minister, die zich op de voorstellen van het Agentschap baseert om te beslissen.
  § 5. De erkenning wordt verleend voor een hernieuwbare periode van zes jaar. De hernieuwingsaanvraag volgt dezelfde procedure als de erkenningsaanvraag zoals omschreven in de paragrafen 1 tot 4. De hernieuwingsaanvraag wordt door het tehuis voor collectieve huisvesting uiterlijk negen maanden voor het einde van de erkenningsperiode aan het Agentschap gericht.
  Onderafdeling 2. - Voorwaarden inzake personeel
  Art. 1970. § 1. Overeenkomstig artikel 694/22 van het decreetgevend deel van het Wetboek beschikt ieder tehuis voor collectieve huisvesting over:
  1° één directeur, die ter plaatse een coördinatiefunctie uitoefent, minstens één dag per week;
  2° één of twee personen die tegen een halftijds equivalent de begeleidingsfunctie uitoefent, waarbij minstens een kwarttijds equivalent wordt geteld voor iedere groep van vier bewoners na de eerste acht bewoners;
  3° minstens één halftijds werkend persoon die de logistieke functie uitoefent, waarbij minstens een kwarttijds equivalent geteld moet worden per groep van twintig bewoners.
  § 2. De begeleidingsfunctie bedoeld in paragraaf 1, 2°, wordt minstens verzekerd door een halftijds equivalent die houder is van één der volgende diploma's:
  1° gespecialiseerd opvoeder;
  2° maatschappelijk assistent;
  3° maatschappelijk verpleegkundige.
  De andere personen die de begeleidingsfunctie uitoefenen zijn houder van één der diploma's bedoeld in lid 1 of van een diploma erkend door de wet over de beroepen in de gezondheidszorgen in de vakgebieden geneeskunde, verpleegkundige zorgen, psychologie, orthopedagogie, kinesitherapie, ergotherapie of logopedie.
  § 3. De directeur die de coördinatiefunctie bedoeld in paragraaf 1, 1°, uitoefent, volgt jaarlijks minstens zestien uur vorming die betrekking hebben op de opdrachten en de functies die hij uitoefent in het tehuis voor collectieve huisvesting. Deze vorming bevat minstens:
  1° acht uur praktijkstudie in de opvang en de begeleiding van personen met langdurige moeilijkheden;
  2° acht uur supervisie of opleiding besteed aan andere thema's in verband met opvang en huisvesting;
  3° twaalf uur voor het beheer van een hulp- of zorgverleningsinstelling behalve als de directeur houder is van een in België erkend diploma van het hoger onderwijs met betrekking tot het beheer van hulp- of zorgverleningsinstellingen.
  § 4. Om de vier jaar volgen de teamleden van het tehuis voor collectieve huisvesting bedoeld in paragraaf 1 een vorming van minstens acht uur per voltijds equivalent met betrekking tot de opdrachten en de functie van elk teamlid in het tehuis voor collectieve huisvesting.
  Onderafdeling 3. - Voorwaarden inzake levensproject en functionering
  Art. 1971. § 1. Het levensproject bedoeld in artikel 694/23, § 1, b), van het decreetgevend deel van het Wetboek:
  1° wordt uitgewerkt door de directeur van het tehuis voor collectieve huisvesting in samenwerking met de teamleden;
  2° houdt rekening met het sociaal en economisch milieu van het tehuis voor collectieve huisvesting;
  3° neemt de lijst van de overeenkomsten, ondertekend met de externe partners en in bijlage de overeenkomsten zelf over;
  4° wordt beoordeeld en in voorkomend geval geamendeerd, om de twee jaar door de inrichtende macht, de directeur, het personeel en de bewoners;
  5° neemt de concrete met het team uitgewerkte doelstellingen over die van toepassing zijn op elke functie en elke opdracht uitgeoefend door een teamlid en waarbij de verbetering van de situatie en de levenskwaliteit van de bewoners verbeterd wordt;
  6° neemt de indicatoren over waarbij de doelstellingen onder 5° beoordeeld kunnen worden.
  Iedere wijziging in het levensproject wordt middels het formulier opgenomen in bijlage 141 aan het Agentschap medegedeeld. Binnen de twee maanden volgend op de ontvangst van dat formulier waarbij de wijzigingen duidelijk worden aangeduid, stelt het Agentschap een verslag op waarbij de impact van deze wijzigingen op de geldigheid van de erkenning beoordeeld worden. Het verslag wordt binnen de twee maanden te rekenen van de ontvangst van het door het Agentschap toegestuurd dossier gericht aan de Minister, die zich op de voorstellen van het Agentschap baseert om te beslissen.
  § 2. Het model van het levensproject is opgenomen in bijlage 141.
  Onderafdeling 4. - Voorwaarden inzake register van onbeantwoorde aanvragen
  Art. 1972. De lijst bedoeld in artikel 694/25 van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt jaarlijks op 31 maart aan het Agentschap overgemaakt en bevat het aantal onbeantwoorde aanvragen van het voorgaande kalenderjaar. Deze lijst bevat eveneens de redenen waarvoor de aanvragen geweigerd werden, met het aantal personen per reden. De lijst bevat geen persoonlijke gegevens waarmee een bewoner geïdentificeerd zou kunnen worden.
  Onderafdeling 5. - Voorwaarden inzake overeenkomst voor individuele huisvesting
  Art. 1973. § 1. Het tehuis voor collectieve huisvesting sluit met iedere bewoner een overeenkomst voor individuele huisvesting. Deze overeenkomst wordt binnen de vijftien dagen na de intrede van de persoon ondertekend op basis van de aankomstdatum die in het bewonersregister is opgetekend.
  § 2. De overeenkomst voor individuele huisvesting wordt in twee exemplaren opgemaakt, elk daarvan gedagtekend en ondertekend door:
  1° de directeur;
  2° de bewoner;
  3° zijn bewindvoerder over de goederen of de persoon die de bewoner aangewezen heeft als vertrouwenspersoon, voorafgaandelijk aan de opname van de bewoner.
  Het exemplaar dat voor de bewoner bestemd is moet hem tegen ontvangstbewijs afgegeven worden.
  Het exemplaar voor het tehuis voor collectieve huisvesting en het ontvangstbewijs van de bewoner worden bij het individueel dossier, bedoeld in artikel 694/27 van het decreetgevend deel van het Wetboek, gevoegd.
  Het tehuis voor collectieve huisvesting is verantwoordelijk voor de bewaring en de behandeling van de persoonsgegevens van de bewoners.
  § 3. Elke wijziging van de overeenkomst voor individuele huisvesting wordt opgenomen in een ondertekend en bewaard aanhangsel met naleving van de regels van § 2. Elk aanhangsel gaat als bijlage bij de overeenkomst voor individuele huisvesting.
  § 4. De overeenkomst voor individuele huisvesting omvat:
  1° de aangeboden diensten;
  2° de optionele diensten en de wijze waarop de bewoner zich tegen deze optionele diensten kan verzetten;
  3° de nadere opzegregels;
  4° de omstandige omschrijving van de financiële participatie bepaald voor de bewoner, met inbegrip van de nadere regels voor het berekenen, betalen en herzien van d tarieven. Het model voor de overeenkomst voor individuele huisvesting is vastgesteld in bijlage 140.
  § 5. De huisvestingsprijs, vastgesteld in de overeenkomst voor individuele huisvesting, kan geïndexeerd worden met inachtneming van de voorwaarden bepaald in het model voor individuele huisvesting in bijlage 140. De indexering stemt overeen met de nadere regels bepaald bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  § 6. In geval van nieuwbouw of van verbouwingswerken in de inrichting behoudt de bewoner die voor de aanvang van de werken aanwezig was een recht op de handhaving van de huisvestingsprijs, tenzij het tehuis voor collectieve huisvesting vóór 1 juli 2018 met zijn activiteit is begonnen. In dit geval kan het tehuis voor collectieve huisvesting de huisvestingsprijs met maximum vijf procent verhogen onder de volgende voorwaarden:
  1° deze verhoging kan slechts één keer per inrichting plaatsvinden, zelfs als de inrichtende macht verandert;
  2° de inrichtende macht heeft overeenkomstig artikel 1982 een actieplan opgesteld dat werken voor de aanpassing aan de normen impliceert, wat een verhoging van de huisvestingsprijs rechtvaardigt;
  3° dat actieplan wordt nageleefd;
  4° de kamer van de bewoner voldoet aan de normen;
  5° de prijsverhoging wordt meegedeeld aan de bewoner of aan zijn vertegenwoordiger en aan de Administratie;
  6° de verhoging treedt in werking ten vroegste dertig dagen na de kennisgeving ervan en in ieder geval na de aanpassing aan de normen van de kamer van de bewoner;
  7° de verhoging wordt minstens twee maanden voor de mededeling aan de bewoners aan het Agentschap meegedeeld.
  Deze verhoging geschiedt in de vorm van een aanhangsel overeenkomstig de paragrafen 2 en 3.
  § 7. Naast de verhogingen bedoeld in de paragrafen 5 en 6 is elke verhoging van de huisvestingsprijs uitdrukkelijk voorzien in de in bijlage 140 bedoelde overeenkomst voor individuele huisvesting, of wordt gerechtvaardigd door aanvullende diensten die door de bewoner worden gekozen of door een door de bewoner gekozen verandering van kamer. Indien de verhoging wordt gerechtvaardigd door aanvullende diensten die door de bewoner worden gekozen of door een verandering van kamer die de bewoner heeft gekozen, maakt ze overeenkomstig de paragrafen 2 en 3 het voorwerp uit van een aanhangsel waarin de volgende gegevens worden vermeld:
  1° iedere aanvullende dienst of de verandering van kamertype;
  2° het bijkomende maandelijkse bedrag dat aan de bewoner in rekening zal worden gebracht en de datum waarop het nieuwe bedrag van kracht wordt;
  3° de datum vanaf wanneer een dienst operationeel zal zijn;
  4° het totale maandelijkse bedrag dat voortaan van de bewoner zal worden geëist;
  5° de voorwaarden waaronder de bewoner kan afzien van de dienst en van het bijkomende bedrag in verband met dienst en met de eventuele opzeggingsdatum, die niet meer dan een maand mag bedragen.
  Wanneer de kamer in de loop van de maand ter beschikking van de bewoner gesteld wordt, dan is hij, voor de eerste keer, een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met het nog te lopen gedeelte van die maand. Dezelfde evenredigheidsregel is van toepassing wanneer de bewoner in de loop van de maand vertrekt, indien hij of zijn vertegenwoordiger het vertrek ten minste dertig dagen van tevoren heeft gemeld.
  Onderafdeling 6. - Voorwaarden met betrekking tot het huishoudelijk reglement
  Art. 1974. § 1. Het in artikel 694/33 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde huishoudelijk reglement wordt uitgewerkt met inachtneming van:
  1° de levenskwaliteit van de bewoners;
  2° de religieuze, ideologische, filosofische en culturele overtuigingen van de bewoners;
  3° het privé-leven van de bewoners;
  4° de vrije keuze van de arts en van de hulpverleningsdiensten door de bewoners;
  5° de doelstellingen van het levensproject bedoeld in artikel 1971.
  Het legt de rechten en de plichten van de bewoners, de directeur en de inrichtende macht vast.
  § 2. Het model van huishoudelijk reglement ligt vast in bijlage 142.
  Afdeling 3. - Beperking, opschorting, intrekking
  Art. 1975. § 1. De erkenning wordt opgeschort, beperkt of ingetrokken in geval van niet-inachtneming van verschillende bepalingen van dit boek of van de bepalingen vastgesteld krachtens bedoeld boek.
  § 2. Het voorstel om de erkenning op te schorten, te beperken of in te trekken is met name gebaseerd op een inspectieverslag dat is opgesteld op basis van de bepalingen van artikel 694/34 van het decreetgevend deel van het Wetboek.
  § 3. Wanneer het aanbeveelt de erkenning op te schorten, te beperken of in te trekken, stelt het Agentschap het betrokken tehuis voor huisvesting hiervan in kennis per aangetekend schrijven of op enige andere wijze waarbij de zending een vaste datum verleend wordt.
  In de in het eerste lid bedoelde informatie worden de redenen vermeld die deze informatie rechtvaardigen en de termijn waarbinnen het tehuis voor huisvesting de gelegenheid heeft om zich aan het Agentschap uit te leggen.
  Het tehuis voor huisvesting beschikt over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het voorstel om zijn schriftelijke opmerkingen aan het Agentschap te richten. Het tehuis voor huisvesting kan verzoeken om gehoord te worden.
  Indien het Agentschap het nodig acht, roept het de vertegenwoordiger van de inrichtende macht en de directeur op bij aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangbewijs of bij elk middel waarbij een vaste datum aan de zending wordt verleend, en vermeldt het de plaats en het uur van de hoorzitting.
  § 4. Het Agentschap maakt zijn met redenen omkleed voorstel tot opschorting, beperking of intrekking van de erkenning, vergezeld van alle inspectieverslagen, de notulen van de hoorzitting en alle documenten die het passend acht, aan de Minister over.
  De Minister beslist binnen dertig dagen na ontvangst van het voorstel van beslissing van het Agentschap.
  De beslissing tot opschorting, intrekking of beperking wordt door het Agentschap bij aangetekend schrijven of bij elk middel waarbij een vaste datum aan de zending wordt verleend, aan het tehuis voor huisvesting en aan de bevoegde burgemeester meegedeeld.
  § 5. Na een beslissing tot opschorting, intrekking of beperking kan het tehuis voor huisvesting pas twaalf maanden na de kennisgeving van de beslissing een nieuwe erkenningsaanvraag indienen.
  De nieuwe erkenningsaanvraag wordt opnieuw ingediend en behandeld overeenkomstig de artikelen 1968 en 1969. De aanvraag gaat vergezeld van een memorie met verantwoording waarin de redenen en de motivering van de nieuwe aanvraag worden uiteengezet, met inbegrip van een argument waaruit blijkt dat de redenen die de in het eerste lid bedoelde beslissing hebben gerechtvaardigd, niet langer aanwezig zijn.
  Afdeling 4. - Sluiting
  Art. 1976. Overeenkomstig artikel 694/17, § 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek, legt het Agentschap aan de Minister een voorstel voor de dringende sluiting van het tehuis voor huisvesting voor indien het ernstige en herhaalde inbreuken op de erkenningsvoorwaarden of meervoudige klachten van bewoners of elementen die de veiligheid, de gezondheid, de waardigheid of de lichamelijke of geestelijke integriteit van de gehuisveste personen kunnen aantasten, vaststelt.
  Zodra het Agentschap kennis heeft van een toestand die de dringende sluiting rechtvaardigt, licht het er onverwijld de burgemeester over in zodat hij de nodige bewarende maatregelen kan treffen.
  Het Agentschap verstrekt de Minister een verslag waarin de dringende sluiting wordt verantwoord, dat de volgende gegevens omvat:
  1° een recent inspectieverslag;
  2° alle andere nuttige informatie en documenten;
  3° de datum waarop het Agentschap het noodzakelijk acht het tehuis voor huisvesting in het belang van de bewoners te sluiten.
  Tussen het tijdstip van kennisgeving aan de Minister en het tijdstip van de datum van de dringende sluiting voorziet het Agentschap in een termijn van ten minste 24 uur om de Minister in staat te stellen de maatregel van dringende sluiting uit te stellen of aan te vechten.
  Indien de Minister zich niet tegen de dringende sluiting vóór de in het derde lid, 3°, voorziene datum, verzet, stelt het Agentschap de inrichtende macht en de burgemeester onmiddellijk in kennis:
  1° van de beslissing tot dringende sluiting;
  2° en, in voorkomend geval, van de intrekking van de erkenning of van de voorlopige erkenning.
  Onverminderd de onmiddellijke bewarende maatregelen die de burgemeester kan bevelen, is de dringende sluiting binnen 72 uur na zijn kennisgeving effectief.
  Art. 1977. Het Agentschap eist de medewerking van iedere dienst voor de coördinatie van de acties en de dringende overname van de gehuisveste personen die uit een inrichting dienen te worden gezet op basis van artikel 47/4 van het decreetgevend deel van het Wetboek of op basis van de artikelen 694/15 en volgende van het decreetgevend deel van het Wetboek.
  Art. 1978. Wanneer de inrichtende macht van het tehuis voor huisvesting van plan is bedoeld tehuis vrijwillig te sluiten, stelt zij het Agentschap daarvan uiterlijk drie maanden voor de sluiting in kennis.
  HOOFDSTUK II. - Bemiddeling, controle en klachten
  Art. 1979. Overeenkomstig artikel 694/34 van het decreetgevend deel van het Wetboek van decreet, voert het Agentschap te allen tijde op eigen initiatief een inspectie uit zodra het dit nodig acht.
  Een inspectie vindt ten minste om de vijf jaar plaats.
  Art. 1980. Overeenkomstig artikel 694/35 van het decreetgevend deel van het Wetboek maakt iedere klacht betreffende de naleving van de bepalingen van de artikelen 694/15 en volgende van het decreetgevend deel van het Wetboek op verzoek van een van de betrokken partijen het voorwerp uit van een bemiddeling binnen het Agentschap.
  Elke bewoner kan een klacht bij het Agentschap indienen. De procedure voor de indiening van de klacht wordt in de overeenkomst voor individuele huisvesting beschreven.
  Vanaf de datum van ontvangst van de klacht zendt het Agentschap de bewoner of zijn wettelijk vertegenwoordiger:
  1° binnen een termijn van dertig dagen, een bericht van ontvangst waarin hetgeen volgt wordt vermeld:
  a) dat het Agentschap de klacht binnen drie maanden na ontvangst ervan zal onderzoeken,
  b) de andere mogelijke klachtmiddelen,
  c) de naam en contactgegevens van het personeelslid dat de klacht behandelt,
  d) de naam en de contactgegevens van de persoon die verantwoordelijk is voor de door de bewoner verstrekte persoonlijke gegevens, overeenkomstig de regels inzake de bescherming van persoonlijke gegevens;
  2° binnen een termijn van drie maanden, een schrijven waarin wordt aangegeven of de klacht binnen de werkingssfeer van artikel 694/35 van het decreetgevend deel van het Wetboek valt en of, ja, wat het Agentschap voornemens is te doen en binnen welke termijn, om op de klacht van de bewoner te reageren.
  HOOFDSTUK III. - Evaluaties
  Art. 1981. Overeenkomstig artikel 694/39 van het decreetgevend deel van het Wetboek maken de bepalingen van de artikelen 694/15 en volgende van het decreetgevend deel van het Wetboek het voorwerp uit van een evaluatie die gedurende de eerste drie jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling door het Agentschap wordt uitgevoerd. Deze evaluatie wordt vóór 1 juli 2023 aan de Minister gezonden. De Minister doet ze vóór 30 september 2023 aan de Regering toekomen en verzoekt de Regering deze evaluatie vóór 31 december 2023 aan het Waalse Parlement over te maken.
  Daartoe legt de Raad voor strategisch en prospectief beleid van het Agentschap zijn opmerkingen en voorstellen voor aan de Algemene Raad van het Agentschap, die een verslag voorlegt aan de Regering.
  HOOFDSTUK IV. - Aanpassing aan de normen
  Art. 1982. § 1. Het in artikel 694/38 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde actieplan wordt door het tehuis voor collectieve huisvesting aan het Agentschap overgemaakt binnen zes maanden na de kennisgeving van de inbreuken voor een tehuis collectieve huisvesting waarvan de activiteit vóór 1 juli 2018 is begonnen.
  In het belang van de bewoners kan het tehuis voor collectieve huisvesting de aanpassing aan de normen ten opzichte van de in het actieplan vastgestelde termijnen versnellen.
  Het Agentschap zorg voor de opvolging van het actieplan en controleert de voortgang ervan.
  § 2. Tijdens de erkenningsprocedure of na een inspectiebezoek kan het Agentschap wijzigingen van het actieplan eisen en in dit geval:
  1° betekent het Agentschap de noodzakelijke aanpassingen per aangetekend schrijven of door verzending naar een geïdentificeerd elektronisch adres of op enige andere wijze waarbij de zending een vaste datum wordt verleend;
  2° legt het Agentschap een minimumtermijn van één maand aan het tehuis voor huisvesting op om een aangepast actieplan terug te sturen.
  § 3. Het tehuis voor huisvesting verstrekt jaarlijks een evaluatie- en voortgangsverslag vanaf de datum van kennisgeving van de aanvaarding van het actieplan.
  § 4. De Minister kan een voorlopige erkenning toekennen, waarvan hij de duur naar gelang van het actieplan en van zijn duur vaststelt.
  § 5. Indien het actieplan niet wordt opgevolgd of de aanpassing aan de normen van de infrastructuur van het tehuis voor huisvesting niet vóór 1 juli 2033 kan worden verricht, trekt de Minister de voorlopige erkenning in volgens de procedure van artikel 1975. Zodra de intrekking van de erkenning van kracht is, organiseert het Agentschap de sluiting op basis van artikel 1976.
  § 6. Indien de inrichtende macht van het tehuis voor voorlopige huisvesting verandert, verbindt de nieuwe inrichtende macht zich ertoe het door het Agentschap goedgekeurde actieplan uit te voeren.
  HOOFDSTUK V. - Beroep
  Art. 1983. In geval van een beslissing tot weigering van de erkenning, tot opschorting, beperking of intrekking van de erkenning, stelt het Agentschap het tehuis voor huisvesting in kennis van de beroepsmogelijkheden en -procedures op grond van artikel 31, lid 1, en de artikelen 32 en 36 van het decreetgevend deel van het Wetboek.".
Art. 2. Dans la deuxième partie du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé, il est inséré un Livre IX, comportant les articles 1968 à 1982, rédigé comme suit :
  " Livre IX. - Les maisons d'hébergement collectif de personnes en difficultés prolongées
  TITRE Ier. - Reconnaissance
  CHAPITRE 1er. - Reconnaissance
  Section 1ère. - Conditions de la reconnaissance
  Sous-section 1. - Conditions générales et procédure d'octroi
  Art. 1968. Conformément à l'article 694/16 du Code décrétal, le dossier de demande de reconnaissance comprend :
  1° le questionnaire de demande de reconnaissance visé à l'annexe 139 complété et signé;
  2° un plan reprenant par niveau les différents locaux, leurs dimensions et leur destination ainsi que le nombre de places par chambre et le cas échéant les sanitaires attenants aux chambres;
  3° le nombre de personnes hébergées à la date d'envoi de la demande et la capacité maximum d'hébergement en tenant compte des caractéristiques reprises à l'article 694/20 du Code décrétal et des capacités maximales reprises dans l'attestation de sécurité visée au 9° et du plan visé au 2° ;
  4° le projet de convention d'hébergement individuelle, visée à l'article 694/28 du Code décrétal, déterminée sur base du modèle repris dans l'annexe 140;
  5° le projet de vie élaboré sur base des modalités reprises à l'article 1971 et à l'annexe 141;
  6° le règlement d'ordre intérieur élaboré sur base du modèle figurant à l'annexe 142;
  7° une liste anonymisée, c'est-à-dire ne permettant pas d'identifier les personnes concernées, comprenant le nombre de membres du personnel, la qualification de chacun d'eux, une description de leur fonction telle que visée à l'article 694/22 du Code décrétal et de leurs missions principales au sein de l'établissement;
  8° une déclaration sur l'honneur spécifiant que chaque membre du personnel a fourni à la maison d'hébergement collectif une copie de son diplôme et un extrait de casier judiciaire conforme au prescrit de l'article 694/22, § 2, du Code décrétal, et que ces extraits sont conservés dans la maison d'hébergement collectif à disposition de l'inspection avec le contrat de travail de chaque membre du personnel;
  9° l'attestation de sécurité telle que visée à l'article 694/21, § 1er, 1°, du Code décrétal;
  10° une copie de la police d'assurance en responsabilité civile exploitation visée à l'article 694/21, § 1er, 2°, du Code décrétal;
  11° une copie de la police d'assurance en responsabilité civile objective incendie ou explosion visée à l'article 694/21, § 1er, 2°, du Code décrétal;
  12° les conventions de collaboration avec des institutions agréées dans le cadre du Code décrétal, établissant que la maison d'hébergement collectif est en mesure de faire appel, en cas de besoin, à des professionnels ou à des services actifs dans le domaine médical, psychologique ou social en fonction du profil des résidents;
  13° le cas échéant, une copie des conventions passées avec les bénévoles, pairs-aidants ou experts du vécu;
  14° le cas échéant, le plan visé à l'article 694/38 du Code décrétal qui reprend les actions que l'établissement mettra en oeuvre année par année pour mettre l'infrastructure aux normes visées à l'article 694/20 du Code décrétal.
  Art. 1969. § 1er. La demande de reconnaissance de toute maison d'hébergement collectif est introduite auprès de l'Agence, par envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi.
  Dans les trente jours de la réception de la demande, l'Agence adresse au demandeur, par envoi recommandé ou par envoi vers une adresse électronique identifiée ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi, un avis de réception du dossier, si celui-ci est complet.
  Si le dossier n'est pas complet, l'Agence en informe le demandeur dans les mêmes conditions et précise les pièces manquantes au dossier et le délai de réception des pièces manquantes qui est d'au moins un mois.
  Dans tous les cas, l'Agence informe le demandeur :
  1° du nom et des coordonnées de l'agent chargé du traitement du dossier;
  2° du nom et des coordonnées de l'agent qui est chargé du respect des règles en matière de protection des données à caractère personnel (y compris en matière de règles de sécurité pour assurer la protection de ces données) et auquel les personnes concernées de la maison d'hébergement collectif peuvent s'adresser.
  A défaut pour le demandeur de fournir la totalité des pièces réclamées par l'Agence dans le délai complémentaire imparti, la demande est considérée irrecevable. Cette décision est communiquée au demandeur par l'Agence, par envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi.
  § 2. Dans les six mois de la réception de la demande complète, l'Agence :
  1° réalise une inspection de la maison d'hébergement collectif si elle l'estime utile ou si elle a connaissance d'informations suggérant l'existence dans la maison d'hébergement collectif d'éléments de nature à porter atteinte à la sécurité, à la santé, à la dignité des personnes hébergées ou à leur intégrité physique ou mentale;
  2° établit un rapport sur le dossier;
  3° communique au Ministre un dossier comprenant :
  a) le dossier du demandeur;
  b) le rapport de l'Agence avec l'avis de l'inspection;
  c) une proposition de décision.
  Le Ministre statue sur la demande de reconnaissance dans les deux mois à dater de la réception du dossier envoyé par l'Agence.
  § 3. La reconnaissance est refusée si la maison d'hébergement collectif ne remplit pas les conditions d'obtention.
  § 4. La décision concernant l'octroi de la reconnaissance est notifiée par l'Agence au demandeur par envoi recommandé ou par envoi vers une adresse électronique identifiée ou encore par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi.
  Toute modification d'un des éléments de la demande de reconnaissance est notifiée sans délai à l'Agence par la maison d'hébergement collectif concernée au moyen du formulaire repris à l'annexe 139. Dans les deux mois suivant la réception de ce formulaire reprenant clairement les modifications, l'Agence établit un rapport évaluant l'impact des modifications sur la validité de la reconnaissance. Le rapport est envoyé au Ministre qui statue, sur base des propositions de l'Agence, dans les deux mois à dater de la réception du dossier envoyé par l'Agence.
  § 5. La reconnaissance est accordée pour une durée de six ans, renouvelable. La demande de renouvellement suit la même procédure que la demande de reconnaissance telle qu'elle est décrite aux paragraphes 1 à 4. La demande de renouvellement est envoyée à l'Agence par la maison d'hébergement collectif au plus tard neuf mois avant la fin de la période de reconnaissance.
  Sous-section 2. - Conditions en matière de personnel
  Art. 1970. § 1er. Conformément à l'article 694/22 du Code décrétal, toute maison d'hébergement collectif dispose :
  1° d'un directeur exerçant la fonction de coordination présent sur place au moins une journée par semaine;
  2° d'une ou plusieurs personnes exerçant la fonction d'accompagnement à raison d'un demi équivalent temps plein auquel s'ajoute, au moins, un quart d'équivalent temps plein pour toute tranche de quatre résidents au-delà de huit résidents;
  3° d'au moins une personne à mi-temps exerçant la fonction logistique auquel s'ajoute, au moins, un quart d'équivalent temps plein par toute tranche de vingt résidents.
  § 2. La fonction d'accompagnement visée au paragraphe 1er, 2°, est assurée au minimum par un demi équivalent temps plein titulaire d'un des diplômes suivants :
  1° éducateur spécialisé;
  2° assistant social;
  3° infirmier social.
  Les autres personnes exerçant la fonction d'accompagnement sont titulaires d'un des diplômes visés à l'alinéa 1er ou d'un diplôme reconnu par la loi sur les professions de soins de santé dans le domaine de la médecine, des soins infirmiers, de la psychologie, de l'orthopédagogie, de la kinésithérapie, de l'ergothérapie ou de la logopédie.
  § 3. Le directeur exerçant la fonction de coordination visée au paragraphe 1er, 1°, suit chaque année un minimum de seize heures de formation par an en rapport avec les missions et avec les fonctions qu'il occupe au sein de la maison d'hébergement collectif. Cette formation comprend au minimum :
  1° huit heures consacrées aux pratiques d'accueil et d'accompagnement des personnes en difficultés prolongées;
  2° huit heures de supervision ou de formation consacrées à d'autres thèmes en rapport avec l'accueil et l'hébergement;
  3° douze heures consacrées à la gestion d'une institution d'aide ou de soins sauf si le directeur a un diplôme de l'enseignement supérieur qui est reconnu en Belgique et qui concerne la gestion d'institutions d'aide ou de soins;
  § 4. Tous les ans, les membres de l'équipe de la maison d'hébergement collectif visés au paragraphe 1er suivent au minimum huit heures de formation par équivalent temps plein en rapport avec les missions et la fonction que le membre de l'équipe occupe au sein de la maison d'hébergement collectif.
  Sous-section 3. - Conditions en matière de projet de vie et de fonctionnement
  Art. 1971. § 1er. Le projet de vie visé à l'article 694/23, § 1er, b), du Code décrétal :
  1° est élaboré par le directeur de la maison d'hébergement collectif, en collaboration avec les membres de l'équipe;
  2° tient compte de l'environnement social et économique de la maison d'hébergement collectif;
  3° reprend la liste des conventions signées avec les partenaires extérieurs et, en annexe, les conventions elles-mêmes;
  4° est évalué, et amendé le cas échéant, tous les deux ans par le pouvoir organisateur, le directeur, le personnel et les résidents;
  5° reprend des objectifs concrets, élaborés avec l'équipe, applicables à chaque fonction et mission exercées par un membre de l'équipe et visant l'amélioration de la situation et de la qualité de vie des résidents;
  6° reprend les indicateurs permettant d'évaluer les objectifs repris au 5°.
  Toute modification du projet de vie est communiquée à l'Agence au moyen du formulaire repris à l'annexe 141. Dans les deux mois suivant la réception de ce formulaire indiquant clairement les modifications, l'Agence établit un rapport évaluant l'impact de ces modifications sur la validité de la reconnaissance. Le rapport est envoyé au Ministre qui statue, sur base des propositions de l'Agence, dans les deux mois à dater de la réception du dossier envoyé par l'Agence.
  § 2. Le modèle du projet de vie est repris à l'annexe 141.
  Sous-section 4. - Conditions en matière de registre des demandes non rencontrées
  Art. 1972. La liste visée à l'article 694/25 du Code décrétal est transmise le 31 mars de chaque année à l'Agence et reprend le nombre de demandes non rencontrées relatives à l'année civile précédente. Cette liste reprend également les raisons pour lesquelles les demandes ont été refusées avec le nombre de personnes par raison. La liste ne reprend pas d'éléments personnels qui permettent d'identifier un résident.
  Sous-section 5. - Conditions en matière de convention d'hébergement individuelle
  Art. 1973. § 1er. La maison d'hébergement collectif conclut avec chaque résident une convention d'hébergement individuelle. Cette convention est signée dans les quinze jours de l'entrée de la personne, sur base de la date d'entrée consignée dans le registre des résidents.
  § 2. La convention d'hébergement individuelle est rédigée en double exemplaire, chacun daté et signé par :
  1° le directeur;
  2° le résident;
  3° son administrateur de biens ou la personne que le résident a désigné comme personne de confiance, préalablement à l'admission du résident.
  L'exemplaire destiné au résident lui est remis contre récépissé.
  L'exemplaire destiné à la maison d'hébergement collectif et le récépissé du résident sont joints au dossier individuel visé à l'article 694/27 du Code décrétal.
  La maison d'hébergement collectif est responsable de la conservation et du traitement des données à caractère personnel de ses résidents.
  § 3. Chaque modification de la convention d'hébergement individuelle fait l'objet d'un avenant constitué, signé et conservé en respectant les règles reprises au paragraphe 2. Chaque avenant est annexé à la convention d'hébergement individuelle.
  § 4. La convention d'hébergement individuelle reprend :
  1° les services couverts;
  2° les services optionnels et la manière dont le résident peut s'opposer à ces services optionnels;
  3° les modalités de préavis;
  4° le détail de la participation financière prévue pour le résident, y compris les modalités de calcul, de paiement et de révision des tarifs. Le modèle de convention d'hébergement individuelle est fixé à l'annexe 140.
  § 5. Le prix d'hébergement fixé dans la convention d'hébergement individuelle peut être indexé en respectant les conditions fixées dans le modèle de convention d'hébergement individuelle à l'annexe 140. L'indexation est conforme aux modalités fixées par la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  § 6. En cas de nouvelle construction ou de travaux de transformation de l'établissement, le résident présent avant le début des travaux conserve le droit au maintien du prix d'hébergement, sauf si la maison d'hébergement collectif a démarré son activité avant le 1er juillet 2018. Dans ce cas, la maison d'hébergement collectif peut majorer le prix d'hébergement d'un maximum de cinq pour cent dans les conditions suivantes :
  1° cette majoration peut seulement intervenir une fois par établissement, même si le pouvoir organisateur change;
  2° le pouvoir organisateur a rendu un plan d'action conformément à l'article 1982 impliquant des travaux de mise aux normes justifiant une majoration du prix de l'hébergement;
  3° ce plan d'action est respecté;
  4° la chambre du résident est aux normes;
  5° la majoration de prix est notifiée au résident et à son représentant, ainsi qu'à l'Agence;
  6° la majoration entre en vigueur au plus tôt trente jours après sa notification et, dans tous les cas, après la mise aux normes de la chambre du résident;
  7° la majoration est notifiée à l'Agence au minimum deux mois avant sa notification aux résidents.
  Cette majoration se fait sous forme d'avenant conformément aux paragraphes 2 et 3.
  § 7. En dehors des augmentations prévues aux paragraphes 5 et 6, toute majoration du prix d'hébergement est soit prévue explicitement dans la convention d'hébergement individuelle prévue à l'annexe 140, soit justifiée par des services supplémentaires choisis par le résident ou par un changement de chambre choisi par le résident. Si la majoration est justifiée par des services supplémentaires choisis par le résident ou par un changement de chambre choisi par le résident, elle fait l'objet d'un avenant conformément aux paragraphes 2 et 3 qui prévoit :
  1° tout service supplémentaire ou le changement de type de chambre;
  2° le montant mensuel supplémentaire qui sera facturé au résident et la date d'entrée en vigueur du nouveau montant;
  3° la date à partir de laquelle tout service sera opérationnel;
  4° le montant total mensuel qui sera réclamé dorénavant au résident;
  5° les conditions dans lesquelles le résident peut renoncer au service et au montant supplémentaire afférent au service et l'éventuelle date de préavis qui ne peut pas excéder un mois.
  Lorsque la chambre est mise à la disposition du résident dans le courant du mois, il est redevable alors, et pour la première fois, d'un montant correspondant à la partie de ce mois restant à courir. La même règle de proportionnalité s'applique lorsque le résident part dans le courant du mois si lui ou son représentant a notifié le départ au moins trente jours à l'avance.
  Sous-section 6. - Conditions en matière de règlement d'ordre intérieur
  Art. 1974. § 1er. Le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 694/33 du Code décrétal est élaboré dans le respect :
  1° de la qualité de vie des résidents;
  2° des convictions religieuses, idéologiques, philosophiques et culturelles des résidents;
  3° de la vie privée des résidents;
  4° du libre choix du médecin et des services d'aide par les résidents;
  5° des objectifs du projet de vie visé à l'article 1971.
  Il définit les droits et devoirs des résidents, du directeur et du pouvoir organisateur.
  § 2. Le modèle du règlement d'ordre intérieur est fixé à l'annexe 142.
  Section 3. - Réduction, suspension, retrait
  Art. 1975. § 1er. La reconnaissance est suspendue, réduite ou retirée en cas de non-respect des dispositions du présent livre ou des dispositions fixées en vertu de celui-ci.
  § 2. La proposition de suspension, de réduction ou de retrait de reconnaissance se fonde notamment sur un rapport d'inspection rédigé sur base des dispositions de l'article 694/34 du Code décrétal.
  § 3. Lorsque l'Agence préconise de suspendre, réduire ou retirer la reconnaissance, elle en informe, par envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi, la maison d'hébergement concernée.
  L'information visée à l'alinéa 1er indique les motifs la justifiant et le délai dans lequel la maison d'hébergement a la possibilité de s'expliquer auprès de l'Agence.
  La maison d'hébergement dispose d'un délai de quinze jours à dater de la réception de la proposition pour transmettre ses observations écrites à l'Agence. La maison d'hébergement peut demander à être entendue.
  Si l'Agence le juge nécessaire, elle convoque le représentant du pouvoir organisateur et le directeur, par envoi recommandé ou par pli déposé contre accusé de réception ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi, en indiquant le lieu et l'heure de l'audition.
  § 4. L'Agence transmet au Ministre sa proposition motivée de suspension, de réduction ou de retrait de la reconnaissance, accompagnée de tous les rapports d'inspection, du procès-verbal de l'audition et de toutes pièces qu'elle juge utiles.
  Le Ministre statue dans les trente jours de la réception de la proposition de décision de l'Agence.
  La décision de suspension, de retrait ou de réduction est notifiée par l'Agence à la maison d'hébergement et au bourgmestre compétent par envoi recommandé ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi.
  § 5. Après décision de retrait, de suspension ou de réduction de la reconnaissance, la maison d'hébergement peut uniquement introduire une nouvelle demande de reconnaissance après un délai de douze mois à partir de la date de notification de la décision.
  La nouvelle demande de reconnaissance est réintroduite et traitée conformément aux articles 1968 et 1969. La demande est accompagnée d'un mémoire justificatif reprenant les motivations et justifications de cette nouvelle demande, y compris une argumentation montrant que les motifs qui ont justifiés la décision visée à l'alinéa 1er ne sont plus présents.
  Section 4. - Fermeture
  Art. 1976. Conformément à l'article 694/17, § 2, du Code décrétal, l'Agence formule au Ministre une proposition de fermeture d'urgence de la maison d'hébergement si elle constate des manquements graves et répétés aux conditions d'une reconnaissance ou des plaintes multiples de résidents ou des éléments de nature à porter atteinte à la sécurité, à la santé, à la dignité des personnes hébergées ou à leur intégrité physique ou mentale.
  Dès que l'Agence a connaissance d'une situation qui justifie l'urgence, elle en informe sans délai le bourgmestre afin que ce dernier puisse prendre les mesures conservatoires nécessaires.
  L'Agence adresse au Ministre un rapport justifiant la fermeture d'urgence comprenant :
  1° un rapport d'inspection récent;
  2° tout autre renseignement et document utile;
  3° la date à laquelle l'Agence estime nécessaire de fermer la maison d'hébergement dans l'intérêt des résidents.
  Entre le moment de la notification au Ministre et le moment de la date de fermeture d'urgence, l'Agence prévoit un délai d'au moins 24 heures pour permettre au Ministre de postposer ou de s'opposer à la mesure de fermeture d'urgence.
  Si le Ministre ne s'oppose pas à la fermeture d'urgence avant la date prévue à l'alinéa 3, 3°, l'Agence notifie immédiatement au pouvoir organisateur et au bourgmestre :
  1° la décision de fermeture d'urgence;
  2° et, le cas échéant, le retrait de la reconnaissance ou de la -reconnaissance provisoire.
  Sans préjudice des mesures conservatoires immédiates que le bourgmestre peut ordonner, la fermeture d'urgence est effective dans les septante-deux heures de sa notification.
  Art. 1977. L'Agence requiert la collaboration de tout service pour assurer la coordination des actions et la prise en charge urgente des personnes hébergées devant être évacuées sur base de l'article 47/4 du Code décrétal ou sur base des articles 694/15 et suivants du Code décrétal.
  Art. 1978. Lorsque le pouvoir organisateur de la maison d'hébergement projette de fermer volontairement celui-ci, il en informe l'Agence au plus tard trois mois avant la fermeture.
  CHAPITRE II. - Médiations, contrôle et plaintes
  Art. 1979. Conformément à l'article 694/34 du Code décrétal, l'Agence procède à une inspection d'initiative et à tout moment dès qu'elle le juge nécessaire.
  Une inspection a lieu au moins tous les cinq ans.
  Art. 1980. Conformément à l'article 694/35 du Code décrétal, toute plainte relative au respect des dispositions reprises dans les articles 694/15 et suivants du Code décrétal fait l'objet d'une médiation au sein de l'Agence à la demande d'une des parties concernées.
  Chaque résident peut déposer une plainte auprès de l'Agence. La procédure d'introduction de la plainte est décrite dans la convention d'hébergement individuelle.
  A partir de la date de réception de la plainte, l'Agence envoie au résident ou à son représentant légal :
  1° dans un délai de trente jours, un accusé de réception mentionnant :
  a) que l'Agence analysera la plainte dans les trois mois à dater de la réception de celle-ci,
  b) les autres moyens possibles de plainte,
  c) le nom et les coordonnées de l'agent traitant la plainte,
  d) le nom et les coordonnées du responsable des données personnelles communiquées par le résident, dans le cadre des règles sur la protection des données à caractère personnel;
  2° dans un délai de trois mois, un courrier indiquant si la plainte rentre dans le cadre décrit à l'article 694/35 du Code décrétal et si, oui, ce que l'Agence propose de mettre en place, et dans quel délai, pour répondre à la plainte du résident.
  CHAPITRE III. - Evaluations
  Art. 1981. Conformément à l'article 694/39 du Code décrétal, les dispositions reprises dans les articles 694/15 et suivants du Code décrétal font l'objet d'une évaluation réalisée par l'Agence sur les trois premières années après l'entrée en vigueur de la présente disposition. Cette évaluation est envoyée au Ministre avant le 1er juillet 2023. Le Ministre la transmet au Gouvernement avant le 30 septembre 2023, en invitant le Gouvernement à transmettre cette évaluation au Parlement wallon avant le 31 décembre 2023.
  A cet effet, le Conseil de stratégie et prospective de l'Agence fait part de ses remarques et propositions au Conseil général de l'Agence, lequel adresse un rapport au Gouvernement.
  CHAPITRE IV. - Mise aux normes
  Art. 1982. § 1er. Le plan d'action visé à l'article 694/38 du Code décrétal est remis par la maison d'hébergement collectif à l'Agence dans les six mois de la notification des manquements pour une maison d'hébergement collectif dont l'activité a commencé avant le 1er juillet 2018.
  Dans l'intérêt des résidents, la maison d'hébergement collectif peut accélérer la mise aux normes par rapport aux délais prévus dans le plan d'action.
  L'Agence assure le suivi du plan d'action et en vérifie l'état d'avancement.
  § 2. Lors de la procédure de reconnaissance ou à la suite d'une visite d'inspection, l'Agence peut exiger des modifications dans le plan d'action et, dans ce cas, l'Agence :
  1° signifie les adaptations nécessaires par envoi recommandé ou par envoi vers une adresse électronique identifiée ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi;
  2° fixe à la maison d'hébergement un délai d'un mois au minimum pour renvoyer un plan d'action adapté.
  § 3. La maison d'hébergement remet une évaluation et un état d'avancement tous les ans à dater de la date de notification d'acceptation du plan d'action.
  § 4. Le Ministre peut octroyer une reconnaissance provisoire dont il détermine la durée en fonction du plan d'action et de sa durée.
  § 5. Si le plan d'action n'est pas suivi ou que la mise aux normes de l'infrastructure de la maison d'hébergement ne peut pas être réalisée avant le 1er juillet 2033, le Ministre retire la reconnaissance provisoire en respectant la procédure prévue à l'article 1975. Dès que le retrait de la reconnaissance est effectif, l'Agence organise la fermeture sur base de l'article 1976.
  § 6. Si le pouvoir organisateur de la maison d'hébergement provisoire change, le nouveau pouvoir organisateur s'engage à poursuivre le plan d'action approuvé par l'Agence.
  CHAPITRE V. - Recours
  Art. 1983. En cas de décision de refus de reconnaissance, de suspension, de réduction ou de retrait de la reconnaissance, l'Agence informe la maison d'hébergement des possibilités et modalités de recours sur base de l'article 31, alinéa 1er, et des articles 32 et 36 du Code décrétal. ".
Art. 3. In hetzelfde Wetboek worden de bijlagen 139 tot 142 ingevoegd, die als bijlagen 1tot 4 bij dit besluit gaan.
Art. 3. Dans le même Code, sont insérées les annexes 139 à 142 qui sont jointe en annexe 1re à 4 au présent arrêté.
Art. 4. De Minister van Sociale Actie en Gezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 4. La Ministre de l'Action sociale et la Santé est chargée de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 139
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-12-2019, p. 111281)
Art. N1. Annexe 139
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 11-12-2019, p. 111256)
Art. N2. Bijlage 140
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-12-2019, p. 111285)
Art. N2. Annexe 140
  (Imaga non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 11-12-2019, p. 111260)
Art. N3. Bijlage 141
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-12-2019, p. 111295)
Art. N3. Annexe 141.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 11-12-2019, p. 111269)
Art. N4. Bijlage 142
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-12-2019, p. 111299)
Art. N4. Annexe 142.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 11-12-2019, p. 111273)