Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
17 MAART 2019. - Wet betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur (NOTA : de wijzigingen aangebracht door art. 153 tot 170 van de wet van 20 juli 2020 (2020-07-20/12) op de kunsten. 6, 29, 30, 31, 33, 34, 37, 39, 50, 51 52, 54, 62, 72, 77, 85, 98 en 117 werden vernietigd bij arrest nr. 166/2021 van 18 november 2021 van de Grondwettelijk Hof (2021-11-18/21) met handhaving van effecten tot en met 31 maart 2022) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-03-2019 en tekstbijwerking tot 20-12-2024)
Titre
17 MARS 2019. - Loi relative aux professions d'expert-comptable et de conseiller fiscal (NOTE : les modifications introduites par les art. 153 à 170 de la loi du 20 juillet 2020 (2020-07-20/12) sur les art. 6, 29, 30, 31, 33, 34, 37, 39, 50, 51 52, 54, 62, 72, 77, 85, 98 et 117 ont été annulées par l'arrêt n° 166/2021 du 18 novembre 2021 de la Cour Constitutionnelle (2021-11-18/21) avec maintien des effets jusqu'au 31 mars 2022 inclus) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-03-2019 et mise à jour au 20-12-2024)
Dokumentinformationen
Numac: 2019040805
Datum: 2019-03-17
Info du document
Numac: 2019040805
Date: 2019-03-17
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Definities
HOOFDSTUK 3. - Beroepsactiviteiten, dragen van ...
Afdeling 1. - De beroepsactiviteiten van de gec...
Afdeling 2. - Dragen van de titel van gecertifi...
Afdeling 3. - Recht om de beroepsactiviteiten v...
Afdeling 4. - De beroepsactiviteiten van de gec...
Afdeling 5. - Het dragen van de titel van gecer...
Afdeling 6. - De accountant en de fiscaal accou...
HOOFDSTUK 4. - Beroepskwalificaties voor het ve...
Afdeling 1. - Het verlenen van de hoedanigheid ...
Afdeling 2. - Diplomavereisten
Afdeling 3. - De stage
Onderafdeling 1. - De stageperiode
Onderafdeling 2. - De stagecommissie
Afdeling 4. - Eedaflegging
Afdeling 5. - Inschrijving als accountant en fi...
Afdeling 6. - De tijdelijke en occasionele bero...
Afdeling 7. - De toekenning van de hoedanigheid...
Afdeling 8. - De weigering van de hoedanigheid ...
HOOFDSTUK 5. - Het openbaar register
Afdeling 1. - Inschrijving in het openbaar regi...
Afdeling 2. - Uitschrijving uit het openbaar re...
Afdeling 3. - De herinschrijving in het openbaa...
HOOFDSTUK 6. - Uitoefening van het beroep
Afdeling 1. - Principe
Afdeling 2. - Onafhankelijkheid
Afdeling 3. - Organisatie van de beroepsactivit...
Afdeling 4. - Bekwaamheid
Afdeling 5. - Cliënten
Afdeling 6. - Aansprakelijkheid
Afdeling 7. - Erelonen
Afdeling 8. - Onverenigbaarheden en belangencon...
Afdeling 9. - Geheimhouding
Afdeling 10. - Relaties met het Instituut
Afdeling 11. - Bijdragen
HOOFDSTUK 7. - Kwaliteitstoetsing
HOOFDSTUK 8. - Het Instituut van de Belastingad...
Afdeling 1. - Oprichting
Afdeling 2. - Opdracht
Afdeling 3. - De algemene vergadering
Onderafdeling 1. - Stemrecht
Onderafdeling 2. - Bevoegdheden
Onderafdeling 3. - Modaliteiten
Afdeling 4. - De Raad van het Instituut
Onderafdeling 1. - Samenstelling
Onderafdeling 2. - Bevoegdheden van de Raad van...
Onderafdeling 3. - Bevoegdheden van het uitvoer...
Afdeling 5. - De commissies
Afdeling 6. - De commissarissen
Afdeling 7. - Inkomsten
HOOFDSTUK 9. - Het Interinstitutencomité
HOOFDSTUK 10. - De Hoge Raad voor de Economisch...
HOOFDSTUK 11. - Handhaving
Afdeling 1. - De terechtwijzing
Onderafdeling 1. - Redenen voor een terechtwijzing
Onderafdeling 2. - Procedure van de terechtwijzing
Afdeling 2. - De beroepstucht
Onderafdeling 1. - De tuchtcommissie
Onderafdeling 2. - De tuchtstraffen
Onderafdeling 3. - De tuchtprocedure
Onderafdeling 4. - Uitwissing van de tuchtstraf...
Onderafdeling 5. - Beroep
Afdeling 3. - De intrekking van de hoedanigheid...
Afdeling 4. - Strafbepalingen
HOOFDSTUK 12. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
CHAPITRE 2. - Définitions
CHAPITRE 3. - Activités professionnelles, port ...
Section 1re. - Les activités professionnelles d...
Section 2. - Port du titre d'expert-comptable c...
Section 3. - Autorisation d'exercer les activit...
Section 4. - Les activités professionnelles du ...
Section 5. - Port du titre de conseiller fiscal...
Section 6. - L'expert-comptable et l'expert-com...
CHAPITRE 4. - Qualifications professionnelles p...
Section 1re. - L'octroi de la qualité d'expert-...
Section 2. - Exigences de diplômes
Section 3. - Le stage
Sous-section 1re. - La période de stage
Sous-section 2. - La commission de stage
Section 4. - Prestation de serment
Section 5. - Inscription comme expert-comptable...
Section 6. - L'exercice temporaire et occasionnel
Section 7. - Délivrance de la qualité aux perso...
Section 8. - Le refus de la qualité aux personn...
CHAPITRE 5. - Le registre public
Section 1re. - Inscription dans le registre public
Section 2. - Désinscription du registre public
Section 3. - La réinscription dans le registre ...
CHAPITRE 6. - Exercice de la profession
Section 1re. - Principe
Section 2. - Indépendance
Section 3. - Organisation des activités profess...
Section 4. - Compétence
Section 5. - Clients
Section 6. - Responsabilité
Section 7. - Honoraires
Section 8. - Incompatibilités et conflits d'int...
Section 9. - Confidentialité
Section 10. - Relations avec l'Institut
Section 11. - Cotisations
CHAPITRE 7. - Revue qualité
CHAPITRE 8. - L'Institut des Conseillers fiscau...
Section 1re. - Création
Section 2. - Mission
Section 3. - L'assemblée générale
Sous-section 1re. - Droit de vote
Sous-section 2. - Compétences
Sous-section 3. - Modalités
Section 4. - Le Conseil de l'Institut
Sous-section 1re. - Composition
Sous-section 2. - Compétences du Conseil de l'I...
Sous-section 3. - Compétences du comité exécutif
Section 5. - Les commissions
Section 6. - Les commissaires
Section 7. - Recettes
CHAPITRE 9. - Du comité inter-instituts
CHAPITRE 10. - Le Conseil supérieur des Profess...
CHAPITRE 11. - Contrôle
Section 1re. - Le rappel à l'ordre
Sous-section 1re. - Raisons pour un rappel à l'...
Sous-section 2. - Procédure du rappel à l'ordre
Section 2. - La discipline professionnelle
Sous-section 1re. - La commission de discipline
Sous-section 2. - Les peines disciplinaires
Sous-section 3. - La procédure disciplinaire
Sous-section 4. - L'effacement de la peine disc...
Sous-section 5. - Appel
Section 3. - Le retrait de la qualité et les au...
Section 4. - Dispositions pénales
CHAPITRE 12. - Dispositions transitoires
CHAPITRE 13. - Dispositions finales
Tekst (203)
Texte (203)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Definities
CHAPITRE 2. - Définitions
Art.2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1° gecertificeerd accountant : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 12°, uit te oefenen;
2° gecertificeerd belastingadviseur : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 6, 1° tot en met 3° ;
3° beroepsbeoefenaar : de gecertificeerd accountant, de gecertificeerd belastingadviseur, de accountant, de fiscaal accountant en de stagiairs die de beroepsactiviteiten uitoefenen als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, alsook de erkende rechtspersonen;
4° accountant : de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als "erkend boekhouder" bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
5° fiscaal accountant : de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als "boekhouder(-fiscalist)" bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
6° intern gecertificeerd accountant : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5° ;
7° intern gecertificeerd belastingadviseur : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 6;
8° bedrijfsrevisor : de bedrijfsrevisor als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren;
9° openbaar register : het register bedoeld in hoofdstuk 5;
10° European Credits Transfer System (ECTS) : het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten;
11° studiepunt : de eenheid waarmee op grond van de studietijd van de student de omvang van elk opleidingsonderdeel in een opleidingsprogramma of studiejaar wordt uitgedrukt, in het bijzonder :
a) de studiepunten als bepaald in het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies en het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie;
b) het studiepunt als bepaald in het artikel I.3., 67°, van Codex Hoger Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;
c) het studiepunt als bepaald in het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 27 juni 2005 houdende oprichting van een autonome hogeschool;
12° kantoor : de organisatorische eenheid
a) waarbinnen één of meer beroepsbeoefenaars voor een cliënt beroepsactiviteiten uitoefenen, als bedoeld in de artikel en 3 en 6;
b) en die bestaat uit ofwel uitsluitend één vestiging ofwel meerdere vestigingen waarbinnen dezelfde werkmethodes van toepassing zijn;
13° netwerk : de grotere structuur die op samenwerking is gericht en waartoe een beroepsbeoefenaar behoort en die duidelijk gericht is op :
a) winst- of kostendeling, of
b) het delen van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur, een gemeenschappelijk beleid en procedures inzake kwaliteitsbeheersing, een gemeenschappelijke bedrijfsstrategie, het gebruik van een gemeenschappelijke merknaam of een aanzienlijk deel van de bedrijfsmiddelen;
14° het wettelijk, reglementair en normatief kader :
a) deze wet;
b) de uitvoeringsbesluiten van deze wet, de normen en aanbevelingen als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 2°, van het Instituut die van toepassing zijn op de uitoefening van de beroepsactiviteit;
c) andere wetgeving en reglementering die op de beroepsbeoefenaar van toepassing zijn, met inbegrip van onder andere :
i) de bepalingen inzake marktpraktijken en de consumentenbescherming die op hem van toepassing zijn zoals vermeld in boek VI van het Wetboek van economisch recht;
ii) de bepalingen van het insolventierecht zoals vermeld in boek XX van het Wetboek van economisch recht;
iii) de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en haar uitvoeringsbesluiten;
15° wet van 22 april 1999 : de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
16° auditwet : de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren;
17° Instituut : het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants, als bedoeld in artikel 61;
18° Raad van het Instituut : de Raad van het Instituut als bedoeld in artikel 68;
19° Hoge Raad : de Hoge Raad voor de Economische Beroepen als bedoeld in artikel 79;
20° commissie van beroep : de commissie van beroep als bedoeld in artikel 104;
21° Instituut van de Bedrijfsrevisoren : het Instituut van de Bedrijfsrevisoren als bedoeld in artikel 64 van de auditwet;
22° fusionerende instituten : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, opgericht bij artikel 2 van de wet van 22 april 1999 en het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999;
23° lidstaat : een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, als bedoeld in artikel 2, § 1, l), van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties;
24° derde land : een land dat geen lidstaat is.
1° gecertificeerd accountant : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 12°, uit te oefenen;
2° gecertificeerd belastingadviseur : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 6, 1° tot en met 3° ;
3° beroepsbeoefenaar : de gecertificeerd accountant, de gecertificeerd belastingadviseur, de accountant, de fiscaal accountant en de stagiairs die de beroepsactiviteiten uitoefenen als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, alsook de erkende rechtspersonen;
4° accountant : de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als "erkend boekhouder" bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
5° fiscaal accountant : de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als "boekhouder(-fiscalist)" bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
6° intern gecertificeerd accountant : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5° ;
7° intern gecertificeerd belastingadviseur : de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 6;
8° bedrijfsrevisor : de bedrijfsrevisor als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren;
9° openbaar register : het register bedoeld in hoofdstuk 5;
10° European Credits Transfer System (ECTS) : het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten;
11° studiepunt : de eenheid waarmee op grond van de studietijd van de student de omvang van elk opleidingsonderdeel in een opleidingsprogramma of studiejaar wordt uitgedrukt, in het bijzonder :
a) de studiepunten als bepaald in het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies en het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie;
b) het studiepunt als bepaald in het artikel I.3., 67°, van Codex Hoger Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;
c) het studiepunt als bepaald in het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 27 juni 2005 houdende oprichting van een autonome hogeschool;
12° kantoor : de organisatorische eenheid
a) waarbinnen één of meer beroepsbeoefenaars voor een cliënt beroepsactiviteiten uitoefenen, als bedoeld in de artikel en 3 en 6;
b) en die bestaat uit ofwel uitsluitend één vestiging ofwel meerdere vestigingen waarbinnen dezelfde werkmethodes van toepassing zijn;
13° netwerk : de grotere structuur die op samenwerking is gericht en waartoe een beroepsbeoefenaar behoort en die duidelijk gericht is op :
a) winst- of kostendeling, of
b) het delen van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur, een gemeenschappelijk beleid en procedures inzake kwaliteitsbeheersing, een gemeenschappelijke bedrijfsstrategie, het gebruik van een gemeenschappelijke merknaam of een aanzienlijk deel van de bedrijfsmiddelen;
14° het wettelijk, reglementair en normatief kader :
a) deze wet;
b) de uitvoeringsbesluiten van deze wet, de normen en aanbevelingen als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 2°, van het Instituut die van toepassing zijn op de uitoefening van de beroepsactiviteit;
c) andere wetgeving en reglementering die op de beroepsbeoefenaar van toepassing zijn, met inbegrip van onder andere :
i) de bepalingen inzake marktpraktijken en de consumentenbescherming die op hem van toepassing zijn zoals vermeld in boek VI van het Wetboek van economisch recht;
ii) de bepalingen van het insolventierecht zoals vermeld in boek XX van het Wetboek van economisch recht;
iii) de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en haar uitvoeringsbesluiten;
15° wet van 22 april 1999 : de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
16° auditwet : de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren;
17° Instituut : het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants, als bedoeld in artikel 61;
18° Raad van het Instituut : de Raad van het Instituut als bedoeld in artikel 68;
19° Hoge Raad : de Hoge Raad voor de Economische Beroepen als bedoeld in artikel 79;
20° commissie van beroep : de commissie van beroep als bedoeld in artikel 104;
21° Instituut van de Bedrijfsrevisoren : het Instituut van de Bedrijfsrevisoren als bedoeld in artikel 64 van de auditwet;
22° fusionerende instituten : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, opgericht bij artikel 2 van de wet van 22 april 1999 en het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999;
23° lidstaat : een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, als bedoeld in artikel 2, § 1, l), van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties;
24° derde land : een land dat geen lidstaat is.
Art.2. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
1° l'expert-comptable certifié : la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue d'exercer, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour compte de tiers, les activités professionnelles, visées à l'article 3, 1° à 12° ;
2° le conseiller fiscal certifié : la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue de porter le titre lors de l'exercice, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour compte de tiers, des activités professionnelles visées à l'article 6, 1° à 3° ;
3° professionnel : l'expert-comptable certifié, le conseiller fiscal certifié, l'expert-comptable, l'expert-comptable fiscaliste et les stagiaires qui exercent les activités professionnelles comme indépendant, à titre principal ou titre accessoire, pour compte de tiers, ainsi que les personnes morales reconnues;
4° expert-comptable : le professionnel qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, était inscrit comme "comptable agréé" à l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés, créé par l'article 43 de la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
5° expert-comptable fiscaliste : le professionnel qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, était inscrit comme "comptable(-fiscaliste)" à l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés, créé par l'article 43 de la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
6° l'expert-comptable certifié interne : la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue de porter le titre lors de l'exercice, dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics, des activités professionnelles, visées à l'article 3, 1° à 5° ;
7° le conseiller fiscal certifié interne : la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue de porter le titre lors de l'exercice, dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics, des activités professionnelles visées à l'article 6;
8° réviseur d'entreprises : le réviseur d'entreprises visé à l'article 3, 3°, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises;
9° registre public : le registre visé au chapitre 5;
10° European Credits Transfer System (ECTS) : système européen de transfert et d'accumulation de crédits;
11° crédit : moyen de quantification du volume d'apprentissage reposant sur la charge de travail requise de l'étudiant afin d'atteindre les résultats attendus pour un processus d'apprentissage donné et un niveau spécifique, notamment :
a) les crédits tels que définis par le décret de la Communauté française du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études et par le décret de la Communauté française du 16 avril 1991 organisant l'enseignement de promotion sociale;
b) l'unité d'étude telle que définie par l'article I.3., 67°, du Code de l'Enseignement Supérieur de la Communauté flamande;
c) l'unité de valeur telle que définie par le décret de la Communauté germanophone du 27 juin 2005 portant création d'une haute école autonome;
12° cabinet : l'unité organisationnelle
a) au sein de laquelle un ou plusieurs professionnels exercent pour un client des activités professionnelles telles que visées aux articles 3 et 6;
b) et qui compte soit un seul établissement, soit plusieurs établissements dans lesquels les mêmes méthodes de travail sont appliquées;
13° réseau : la structure plus vaste destinée à un but de coopération, à laquelle appartient un professionnel et dont le but manifeste est :
a) le partage de résultats ou de coûts, ou
b) qui partage un actionnariat, un contrôle ou une direction commun(e), des politiques et des procédures communes en matière de contrôle de qualité, une stratégie commerciale commune, l'utilisation d'une même marque ou d'une partie importante des ressources professionnelles;
14° le cadre légal, réglementaire et normatif :
a) la présente loi;
b) les arrêtés d'exécution de la présente loi, les normes et recommandations visées à l'article 72, alinéa 1er, 2°, de l'Institut applicables en vue d'exercer la profession;
c) d'autres législations et réglementations applicables au professionnel, en ce compris notamment :
i) les dispositions relatives aux pratiques du marché et à la protection du consommateur lui applicable telles que reprises dans le livre VI du Code de droit économique;
ii) les dispositions du droit de l'insolvabilité telles que reprises dans le livre XX du Code de droit économique;
iii) la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces et ses arrêtés d'exécution;
15° loi du 22 avril 1999 : la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
16° loi audit : la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises;
17° Institut : l'Institut des Conseillers fiscaux et des Experts-comptables visé à l'article 61;
18° Conseil de l'Institut : le Conseil de l'Institut visé à l'article 68;
19° Conseil supérieur : le Conseil supérieur des Professions économiques visé à l'article 79;
20° commission d'appel : la commission d'appel visée à l'article 104;
21° Institut des Réviseurs d'Entreprises : l'Institut des Réviseurs d'Entreprises visé à l'article 64 de la loi audit;
22° instituts qui fusionnent : l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux, créé par l'article 2 de la loi du 22 avril 1999, et l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés, créé par l'article 43 de la loi du 22 avril 1999;
23° Etat membre : un Etat membre de l'Espace économique européen visé à l'article 2, § 1er, l), de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles UE;
24° pays tiers : un pays qui n'est pas un Etat membre.
1° l'expert-comptable certifié : la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue d'exercer, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour compte de tiers, les activités professionnelles, visées à l'article 3, 1° à 12° ;
2° le conseiller fiscal certifié : la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue de porter le titre lors de l'exercice, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour compte de tiers, des activités professionnelles visées à l'article 6, 1° à 3° ;
3° professionnel : l'expert-comptable certifié, le conseiller fiscal certifié, l'expert-comptable, l'expert-comptable fiscaliste et les stagiaires qui exercent les activités professionnelles comme indépendant, à titre principal ou titre accessoire, pour compte de tiers, ainsi que les personnes morales reconnues;
4° expert-comptable : le professionnel qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, était inscrit comme "comptable agréé" à l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés, créé par l'article 43 de la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
5° expert-comptable fiscaliste : le professionnel qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, était inscrit comme "comptable(-fiscaliste)" à l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés, créé par l'article 43 de la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
6° l'expert-comptable certifié interne : la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue de porter le titre lors de l'exercice, dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics, des activités professionnelles, visées à l'article 3, 1° à 5° ;
7° le conseiller fiscal certifié interne : la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue de porter le titre lors de l'exercice, dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics, des activités professionnelles visées à l'article 6;
8° réviseur d'entreprises : le réviseur d'entreprises visé à l'article 3, 3°, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises;
9° registre public : le registre visé au chapitre 5;
10° European Credits Transfer System (ECTS) : système européen de transfert et d'accumulation de crédits;
11° crédit : moyen de quantification du volume d'apprentissage reposant sur la charge de travail requise de l'étudiant afin d'atteindre les résultats attendus pour un processus d'apprentissage donné et un niveau spécifique, notamment :
a) les crédits tels que définis par le décret de la Communauté française du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études et par le décret de la Communauté française du 16 avril 1991 organisant l'enseignement de promotion sociale;
b) l'unité d'étude telle que définie par l'article I.3., 67°, du Code de l'Enseignement Supérieur de la Communauté flamande;
c) l'unité de valeur telle que définie par le décret de la Communauté germanophone du 27 juin 2005 portant création d'une haute école autonome;
12° cabinet : l'unité organisationnelle
a) au sein de laquelle un ou plusieurs professionnels exercent pour un client des activités professionnelles telles que visées aux articles 3 et 6;
b) et qui compte soit un seul établissement, soit plusieurs établissements dans lesquels les mêmes méthodes de travail sont appliquées;
13° réseau : la structure plus vaste destinée à un but de coopération, à laquelle appartient un professionnel et dont le but manifeste est :
a) le partage de résultats ou de coûts, ou
b) qui partage un actionnariat, un contrôle ou une direction commun(e), des politiques et des procédures communes en matière de contrôle de qualité, une stratégie commerciale commune, l'utilisation d'une même marque ou d'une partie importante des ressources professionnelles;
14° le cadre légal, réglementaire et normatif :
a) la présente loi;
b) les arrêtés d'exécution de la présente loi, les normes et recommandations visées à l'article 72, alinéa 1er, 2°, de l'Institut applicables en vue d'exercer la profession;
c) d'autres législations et réglementations applicables au professionnel, en ce compris notamment :
i) les dispositions relatives aux pratiques du marché et à la protection du consommateur lui applicable telles que reprises dans le livre VI du Code de droit économique;
ii) les dispositions du droit de l'insolvabilité telles que reprises dans le livre XX du Code de droit économique;
iii) la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces et ses arrêtés d'exécution;
15° loi du 22 avril 1999 : la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
16° loi audit : la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises;
17° Institut : l'Institut des Conseillers fiscaux et des Experts-comptables visé à l'article 61;
18° Conseil de l'Institut : le Conseil de l'Institut visé à l'article 68;
19° Conseil supérieur : le Conseil supérieur des Professions économiques visé à l'article 79;
20° commission d'appel : la commission d'appel visée à l'article 104;
21° Institut des Réviseurs d'Entreprises : l'Institut des Réviseurs d'Entreprises visé à l'article 64 de la loi audit;
22° instituts qui fusionnent : l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux, créé par l'article 2 de la loi du 22 avril 1999, et l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés, créé par l'article 43 de la loi du 22 avril 1999;
23° Etat membre : un Etat membre de l'Espace économique européen visé à l'article 2, § 1er, l), de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles UE;
24° pays tiers : un pays qui n'est pas un Etat membre.
HOOFDSTUK 3. - Beroepsactiviteiten, dragen van de titel en recht om deze werkzaamheden uit te oefenen
CHAPITRE 3. - Activités professionnelles, port du titre et droit d'exercer ces activités
Afdeling 1. - De beroepsactiviteiten van de gecertificeerd accountant
Section 1re. - Les activités professionnelles de l'expert-comptable certifié
Art.3. Een gecertificeerd accountant voert hoofdzakelijk de volgende beroepsactiviteiten uit :
1° de boekhouding en de boekhoudkundige diensten organiseren en advies verstrekken inzake de boekhoudkundige organisatie bij ondernemingen;
2° het bepalen van de resultaten en het opmaken van de jaarrekening conform de wettelijke bepalingen ter zake;
3° het openen, het houden, het centraliseren en het sluiten van boekingen, geschikt voor het opmaken van de rekeningen;
4° alle boekhoudstukken nazien en corrigeren die niet leiden tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven;
5° de analyse met boekhoudtechnische procedés van de positie en werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, rentabiliteit en risico's die niet leidt tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven;
6° zowel privé- als gerechtelijke expertise met betrekking tot de boekhouding van ondernemingen;
7° elke opdracht bedoeld in 4° tot en met 6° uitgevoerd door een gecertificeerd accountant, andere dan de gebruikelijke beroepsbeoefenaar, die leidt tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven;
8° andere opdrachten waarvan de uitvoering bij of krachtens de wet zijn voorbehouden aan de gecertificeerd accountant;
9° het verstrekken van advies in alle fiscale aangelegenheden;
10° het bijstaan van de belastingplichtige bij het nakomen van zijn fiscale verplichtingen;
11° het vertegenwoordigen van de belastingplichtige bij de belastingdiensten;
12° het organiseren van administratieve diensten en advies verstrekken over de administratieve organisatie van ondernemingen;
[1 13° de ondernemingen bijstaan bij het opstellen van duurzaamheidsinformatie.]1
1° de boekhouding en de boekhoudkundige diensten organiseren en advies verstrekken inzake de boekhoudkundige organisatie bij ondernemingen;
2° het bepalen van de resultaten en het opmaken van de jaarrekening conform de wettelijke bepalingen ter zake;
3° het openen, het houden, het centraliseren en het sluiten van boekingen, geschikt voor het opmaken van de rekeningen;
4° alle boekhoudstukken nazien en corrigeren die niet leiden tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven;
5° de analyse met boekhoudtechnische procedés van de positie en werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, rentabiliteit en risico's die niet leidt tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven;
6° zowel privé- als gerechtelijke expertise met betrekking tot de boekhouding van ondernemingen;
7° elke opdracht bedoeld in 4° tot en met 6° uitgevoerd door een gecertificeerd accountant, andere dan de gebruikelijke beroepsbeoefenaar, die leidt tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven;
8° andere opdrachten waarvan de uitvoering bij of krachtens de wet zijn voorbehouden aan de gecertificeerd accountant;
9° het verstrekken van advies in alle fiscale aangelegenheden;
10° het bijstaan van de belastingplichtige bij het nakomen van zijn fiscale verplichtingen;
11° het vertegenwoordigen van de belastingplichtige bij de belastingdiensten;
12° het organiseren van administratieve diensten en advies verstrekken over de administratieve organisatie van ondernemingen;
[1 13° de ondernemingen bijstaan bij het opstellen van duurzaamheidsinformatie.]1
Art.3. Un expert-comptable certifié effectue principalement les activités professionnelles suivantes :
1° l'organisation de la comptabilité et des services comptables et les activités de conseil en matière d'organisation comptable des entreprises;
2° la détermination des résultats et l'établissement des comptes annuels conformément aux dispositions légales en la matière;
3° l'ouverture, la tenue, la centralisation et la clôture des écritures comptables propres à l'établissement des comptes;
4° la vérification et le redressement de tous les documents comptables qui ne conduisent pas à une attestation ou un rapport d'expertise destinés à être remis à des tiers;
5° l'analyse par les procédés de la technique comptable de la situation et du fonctionnement des entreprises du point de vue de leur crédit, de leur rendement et de leurs risques qui ne conduit pas à une attestation ou un rapport d'expertise destinés à être remis à des tiers;
6° l'expertise, tant privée que judiciaire, dans le domaine de la comptabilité des entreprises;
7° toute mission visée aux 4° à 6° exercée par un expert-comptable certifié autre que le professionnel habituel qui conduit à une attestation ou un rapport d'expertise destinés à être remis à des tiers;
8° les autres missions dont l'accomplissement est réservé par la loi ou en vertu de la loi à l'expert-comptable certifié;
9° la délivrance d'avis se rapportant à toutes matières fiscales;
10° l'assistance du contribuable dans l'accomplissement de ses obligations fiscales;
11° la représentation du contribuable auprès de l'administration fiscale;
12° l'organisation des services administratifs et le conseil sur l'organisation administrative des entreprises;
[1 13° l'assistance des entreprises dans l'établissement de l'information en matière de durabilité.]1
1° l'organisation de la comptabilité et des services comptables et les activités de conseil en matière d'organisation comptable des entreprises;
2° la détermination des résultats et l'établissement des comptes annuels conformément aux dispositions légales en la matière;
3° l'ouverture, la tenue, la centralisation et la clôture des écritures comptables propres à l'établissement des comptes;
4° la vérification et le redressement de tous les documents comptables qui ne conduisent pas à une attestation ou un rapport d'expertise destinés à être remis à des tiers;
5° l'analyse par les procédés de la technique comptable de la situation et du fonctionnement des entreprises du point de vue de leur crédit, de leur rendement et de leurs risques qui ne conduit pas à une attestation ou un rapport d'expertise destinés à être remis à des tiers;
6° l'expertise, tant privée que judiciaire, dans le domaine de la comptabilité des entreprises;
7° toute mission visée aux 4° à 6° exercée par un expert-comptable certifié autre que le professionnel habituel qui conduit à une attestation ou un rapport d'expertise destinés à être remis à des tiers;
8° les autres missions dont l'accomplissement est réservé par la loi ou en vertu de la loi à l'expert-comptable certifié;
9° la délivrance d'avis se rapportant à toutes matières fiscales;
10° l'assistance du contribuable dans l'accomplissement de ses obligations fiscales;
11° la représentation du contribuable auprès de l'administration fiscale;
12° l'organisation des services administratifs et le conseil sur l'organisation administrative des entreprises;
[1 13° l'assistance des entreprises dans l'établissement de l'information en matière de durabilité.]1
Afdeling 2. - Dragen van de titel van gecertificeerd accountant
Section 2. - Port du titre d'expert-comptable certifié
Art.4. Enkel de natuurlijke personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant dragen de titel van gecertificeerd accountant, alsook desgevallend het Engelse equivalent "certified accountant" ervan.
Personen die hun activiteiten uitoefenen binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking in de hoedanigheid van intern gecertificeerd accountant, mogen de titel van intern gecertificeerd accountant dragen.
De erkende rechtspersonen bedoeld in artikel 24 mogen de titel van gecertificeerd accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming [1 in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel 29]1.
Onverminderd artikel 9 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertificeerd accountant.
Personen die hun activiteiten uitoefenen binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking in de hoedanigheid van intern gecertificeerd accountant, mogen de titel van intern gecertificeerd accountant dragen.
De erkende rechtspersonen bedoeld in artikel 24 mogen de titel van gecertificeerd accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming [1 in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel 29]1.
Onverminderd artikel 9 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertificeerd accountant.
Art.4. Seules les personnes physiques inscrites au registre public de l'Institut en qualité d'expert-comptable certifié portent le titre d'expert-comptable certifié, ainsi que, le cas échéant, son équivalent en langue anglaise "certified accountant".
Les personnes qui exercent leurs activités dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics en qualité d'expert-comptable certifié interne, peuvent porter le titre d'expert-comptable certifié interne.
Les personnes morales reconnues, visées à l'article 24, peuvent utiliser le titre d'expert-comptable certifié ou le reprendre dans leur dénomination sociale [1 pour autant que le titre est repris dans le registre public visé à l'article 29]1.
Sans préjudice de l'article 9, personne ne peut porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui d'expert-comptable certifié.
Les personnes qui exercent leurs activités dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics en qualité d'expert-comptable certifié interne, peuvent porter le titre d'expert-comptable certifié interne.
Les personnes morales reconnues, visées à l'article 24, peuvent utiliser le titre d'expert-comptable certifié ou le reprendre dans leur dénomination sociale [1 pour autant que le titre est repris dans le registre public visé à l'article 29]1.
Sans préjudice de l'article 9, personne ne peut porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui d'expert-comptable certifié.
Afdeling 3. - Recht om de beroepsactiviteiten van gecertificeerd accountant uit te oefenen
Section 3. - Autorisation d'exercer les activités professionnelles d'expert-comptable certifié
Art.5. Enkel de volgende personen, natuurlijke of rechtspersonen, mogen, als zelfstandige, in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5°, uitoefenen :
1° de personen die in het openbaar register van het Instituut ingeschreven zijn met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant;
2° de bedrijfsrevisoren;
3° de accountants en fiscaal accountants ingeschreven in het openbaar register bedoeld in artikel 9;
4° de stagiairs, gecertificeerde accountants of (fiscaal) accountants, die activiteiten mogen uitoefenen voor rekening van derden;
5° de erkende rechtspersonen voor zover de natuurlijke personen die deze activiteiten uitoefenen voor de erkende rechtspersoon accountants, fiscale accountants of gecertificeerde accountants zijn.
De beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5°, mogen bovendien ook uitgeoefend worden binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking door een werknemer of ambtenaar.
Enkel de natuurlijke of rechtspersonen met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant, erkende rechtspersoon of de bedrijfsrevisoren mogen, als zelfstandige, in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8° uitoefenen, met uitzondering van de activiteiten die door de wet voorbehouden zijn aan de gecertificeerde accountants.
Wanneer de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°, worden uitgeoefend door erkende rechtspersonen, moeten de natuurlijke personen die deze activiteiten uitoefenen voor de rechtspersonen de hoedanigheid van gecertificeerd accountant of bedrijfsrevisor hebben.
1° de personen die in het openbaar register van het Instituut ingeschreven zijn met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant;
2° de bedrijfsrevisoren;
3° de accountants en fiscaal accountants ingeschreven in het openbaar register bedoeld in artikel 9;
4° de stagiairs, gecertificeerde accountants of (fiscaal) accountants, die activiteiten mogen uitoefenen voor rekening van derden;
5° de erkende rechtspersonen voor zover de natuurlijke personen die deze activiteiten uitoefenen voor de erkende rechtspersoon accountants, fiscale accountants of gecertificeerde accountants zijn.
De beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5°, mogen bovendien ook uitgeoefend worden binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking door een werknemer of ambtenaar.
Enkel de natuurlijke of rechtspersonen met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant, erkende rechtspersoon of de bedrijfsrevisoren mogen, als zelfstandige, in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8° uitoefenen, met uitzondering van de activiteiten die door de wet voorbehouden zijn aan de gecertificeerde accountants.
Wanneer de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°, worden uitgeoefend door erkende rechtspersonen, moeten de natuurlijke personen die deze activiteiten uitoefenen voor de rechtspersonen de hoedanigheid van gecertificeerd accountant of bedrijfsrevisor hebben.
Art.5. Seules les personnes suivantes, physiques ou morales, peuvent exercer, comme indépendant, à titre principal ou accessoire, pour compte de tiers, les activités professionnelles visées à l'article 3, 1° à 5° :
1° les personnes qui sont inscrites au registre public de l'Institut en qualité d'expert-comptable certifié;
2° les réviseurs d'entreprises;
3° les experts-comptables et les experts-comptables fiscalistes inscrits au registre public visé à l'article 9;
4° les stagiaires, experts-comptables certifiés et experts-comptables (fiscalistes) autorisés à exercer des activités pour compte de tiers;
5° les personnes morales reconnues pour autant que les personnes physiques qui exercent ces activités pour la personne morale reconnue soient des experts-comptables, des experts-comptables fiscalistes ou des experts-comptables certifiés.
Par ailleurs, les activités visées à l'article 3, 1° à 5°, peuvent être également exercées dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics par un travailleur ou un fonctionnaire.
Seules les personnes physiques ou morales qui ont la qualité d'expert-comptable certifié, de personne morale reconnue ou les réviseurs d'entreprises peuvent, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour compte de tiers, exercer les activités professionnelles visées à l'article 3, 6° à 8, à l'exception de celles réservées exclusivement par la loi aux experts-comptables certifiés.
Lorsque les activités visées à l'article 3, 6° à 8°, sont exercées par des personnes morales reconnues, dans ce cas les personnes physiques qui exercent ces activités pour les personnes morales doivent avoir la qualité d'expert-comptable certifié ou de réviseur d'entreprises.
1° les personnes qui sont inscrites au registre public de l'Institut en qualité d'expert-comptable certifié;
2° les réviseurs d'entreprises;
3° les experts-comptables et les experts-comptables fiscalistes inscrits au registre public visé à l'article 9;
4° les stagiaires, experts-comptables certifiés et experts-comptables (fiscalistes) autorisés à exercer des activités pour compte de tiers;
5° les personnes morales reconnues pour autant que les personnes physiques qui exercent ces activités pour la personne morale reconnue soient des experts-comptables, des experts-comptables fiscalistes ou des experts-comptables certifiés.
Par ailleurs, les activités visées à l'article 3, 1° à 5°, peuvent être également exercées dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics par un travailleur ou un fonctionnaire.
Seules les personnes physiques ou morales qui ont la qualité d'expert-comptable certifié, de personne morale reconnue ou les réviseurs d'entreprises peuvent, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour compte de tiers, exercer les activités professionnelles visées à l'article 3, 6° à 8, à l'exception de celles réservées exclusivement par la loi aux experts-comptables certifiés.
Lorsque les activités visées à l'article 3, 6° à 8°, sont exercées par des personnes morales reconnues, dans ce cas les personnes physiques qui exercent ces activités pour les personnes morales doivent avoir la qualité d'expert-comptable certifié ou de réviseur d'entreprises.
Afdeling 4. - De beroepsactiviteiten van de gecertificeerd belastingadviseur
Section 4. - Les activités professionnelles du conseiller fiscal certifié
Art.6. [1 § 1.]1 Een gecertificeerd belastingadviseur voert hoofdzakelijk de volgende beroepsactiviteiten uit :
1° advies verstrekken in alle fiscale aangelegenheden;
2° de belastingplichtige bijstaan bij het nakomen van zijn fiscale verplichtingen;
3° de belastingplichtige vertegenwoordigen bij de belastingdiensten;
[2 4° de ondernemingen bijstaan bij het opstellen van duurzaamheidsinformatie uitsluitend voor wat betreft fiscale aangelegenheden en voor zover er een verband bestaat tussen beide.]2
[1 § 2. Niemand mag als zelfstandige, noch als natuurlijk persoon noch als rechtspersoon, voor rekening van derden, in hoofdberoep of bijberoep, de beroepsactiviteiten als bedoeld in paragraaf 1 uitoefenen, indien hij niet ingeschreven is in het openbaar register als beroepsbeoefenaar, noch op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de personen die op grond van wettelijke of reglementaire bepalingen of op grond van beroepsgebruiken gewoonlijk de activiteiten uitoefenen bedoeld in paragraaf 1 en die eveneens onderworpen zijn aan de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.
§ 3. Kunnen niet ingeschreven worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2 :
1° diegenen die in het verleden tuchtrechtelijk werden geschrapt van het tableau der leden of de lijst van de stagiairs van een gereglementeerd beroep, zolang zij geen eerherstel bekomen hebben;
2° diegenen die niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10, § 1, 2°, 3° en 4°, § 2 en § 3;
3° diegenen die veroordeeld zijn voor een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of die een sanctie hebben opgelopen in de zin van artikel 118 van deze wet.]1
1° advies verstrekken in alle fiscale aangelegenheden;
2° de belastingplichtige bijstaan bij het nakomen van zijn fiscale verplichtingen;
3° de belastingplichtige vertegenwoordigen bij de belastingdiensten;
[2 4° de ondernemingen bijstaan bij het opstellen van duurzaamheidsinformatie uitsluitend voor wat betreft fiscale aangelegenheden en voor zover er een verband bestaat tussen beide.]2
[1 § 2. Niemand mag als zelfstandige, noch als natuurlijk persoon noch als rechtspersoon, voor rekening van derden, in hoofdberoep of bijberoep, de beroepsactiviteiten als bedoeld in paragraaf 1 uitoefenen, indien hij niet ingeschreven is in het openbaar register als beroepsbeoefenaar, noch op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de personen die op grond van wettelijke of reglementaire bepalingen of op grond van beroepsgebruiken gewoonlijk de activiteiten uitoefenen bedoeld in paragraaf 1 en die eveneens onderworpen zijn aan de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.
§ 3. Kunnen niet ingeschreven worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2 :
1° diegenen die in het verleden tuchtrechtelijk werden geschrapt van het tableau der leden of de lijst van de stagiairs van een gereglementeerd beroep, zolang zij geen eerherstel bekomen hebben;
2° diegenen die niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10, § 1, 2°, 3° en 4°, § 2 en § 3;
3° diegenen die veroordeeld zijn voor een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of die een sanctie hebben opgelopen in de zin van artikel 118 van deze wet.]1
Art.6. [1 § 1er.]1 Un conseiller fiscal certifié exerce principalement les activités professionnelles suivantes :
1° donner des avis se rapportant à toutes matières fiscales;
2° assister le contribuable dans l'accomplissement de ses obligations fiscales;
3° représenter le contribuable auprès de l'administration fiscale;
[2 4° assister les entreprises dans l'établissement de l'information en matière de durabilité se rapportant uniquement aux matières fiscales et pour autant qu'il existe un lien entre les deux.]2
[1 § 2. Nul ne peut en outre exercer comme indépendant, en tant que personne physique ou personne morale, pour compte de tiers, à titre principal ou accessoire, les activités professionnelles visées au paragraphe 1er, s'il n'est inscrit dans le registre public en tant que professionnel ou sur la liste séparée du registre public visé à l'article 29, § 2.
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux personnes qui, en vertu de dispositions légales ou réglementaires ou des usages de la profession, exercent habituellement les activités visées dans le paragraphe 1er et qui sont également soumises à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.
§ 3. Ne peuvent être inscrits sur la liste séparée du registre public visée à l'article 29, § 2 :
1° ceux qui, par le passé et suite à une sanction disciplinaire, ont été radiés du tableau des membres ou de la liste des stagiaires d'une profession réglementée, aussi longtemps qu'ils n'auront pas obtenu une réhabilitation;
2° ceux qui ne satisfont pas aux conditions énoncées à l'article 10, § 1er, 2°, 3° et 4°, § 2 et § 3;
3° ceux qui ont été condamnés pour infraction à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ou qui ont encouru une sanction au sens de l'article 118 de cette loi.]1
1° donner des avis se rapportant à toutes matières fiscales;
2° assister le contribuable dans l'accomplissement de ses obligations fiscales;
3° représenter le contribuable auprès de l'administration fiscale;
[2 4° assister les entreprises dans l'établissement de l'information en matière de durabilité se rapportant uniquement aux matières fiscales et pour autant qu'il existe un lien entre les deux.]2
[1 § 2. Nul ne peut en outre exercer comme indépendant, en tant que personne physique ou personne morale, pour compte de tiers, à titre principal ou accessoire, les activités professionnelles visées au paragraphe 1er, s'il n'est inscrit dans le registre public en tant que professionnel ou sur la liste séparée du registre public visé à l'article 29, § 2.
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux personnes qui, en vertu de dispositions légales ou réglementaires ou des usages de la profession, exercent habituellement les activités visées dans le paragraphe 1er et qui sont également soumises à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.
§ 3. Ne peuvent être inscrits sur la liste séparée du registre public visée à l'article 29, § 2 :
1° ceux qui, par le passé et suite à une sanction disciplinaire, ont été radiés du tableau des membres ou de la liste des stagiaires d'une profession réglementée, aussi longtemps qu'ils n'auront pas obtenu une réhabilitation;
2° ceux qui ne satisfont pas aux conditions énoncées à l'article 10, § 1er, 2°, 3° et 4°, § 2 et § 3;
3° ceux qui ont été condamnés pour infraction à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ou qui ont encouru une sanction au sens de l'article 118 de cette loi.]1
Afdeling 5. - Het dragen van de titel van gecertificeerd belastingadviseur
Section 5. - Port du titre de conseiller fiscal certifié
Art.7. Enkel de natuurlijke personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van gecertificeerd belastingadviseur mogen de titel van gecertificeerd belastingadviseur dragen, alsook het Engelse equivalent "certified tax advisor" ervan.
De erkende rechtspersonen mogen de titel van gecertificeerd belastingadviseur gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming [1 in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel 29]1.
De erkende rechtspersonen mogen de titel van gecertificeerd belastingadviseur gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming [1 in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel 29]1.
Art.7. Seules les personnes physiques inscrites au registre public de l'Institut en qualité de conseiller fiscal certifié peuvent porter le titre de conseiller fiscal certifié, ainsi que son équivalent en langue anglaise "certified tax advisor".
Les personnes morales reconnues peuvent utiliser le titre de conseiller fiscal certifié ou le reprendre dans leur dénomination sociale [1 pour autant que le titre est repris dans le registre public visé à l'article 29]1.
Les personnes morales reconnues peuvent utiliser le titre de conseiller fiscal certifié ou le reprendre dans leur dénomination sociale [1 pour autant que le titre est repris dans le registre public visé à l'article 29]1.
Art.8. Een gecertificeerd accountant mag ook de titel van (intern) gecertificeerd fiscaal accountant dragen. Een (gecertificeerd) accountant of een bedrijfsrevisor mag de titel van gecertificeerd belastingadviseur echter niet dragen.
Personen die hun activiteiten uitoefenen binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking in de hoedanigheid van intern gecertificeerd belastingadviseur, mogen de titel van intern gecertificeerd belastingadviseur dragen.
Onverminderd artikel 9 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertificeerd belastingadviseur.
Personen die hun activiteiten uitoefenen binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking in de hoedanigheid van intern gecertificeerd belastingadviseur, mogen de titel van intern gecertificeerd belastingadviseur dragen.
Onverminderd artikel 9 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertificeerd belastingadviseur.
Art.8. Un expert-comptable certifié peut aussi porter le titre d'expert-comptable et fiscal certifié (interne). Un expert-comptable (certifié) ou un réviseur d'entreprises ne peuvent toutefois pas porter le titre de conseiller fiscal certifié.
Les personnes qui exercent leurs activités dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics, en qualité de conseiller fiscal certifié interne, peuvent porter le titre de conseiller fiscal certifié interne.
Sans préjudice de l'article 9, personne ne peut porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui de conseiller fiscal certifié.
Les personnes qui exercent leurs activités dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une fonction rémunérée par les pouvoirs publics, en qualité de conseiller fiscal certifié interne, peuvent porter le titre de conseiller fiscal certifié interne.
Sans préjudice de l'article 9, personne ne peut porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui de conseiller fiscal certifié.
Afdeling 6. - De accountant en de fiscaal accountant
Section 6. - L'expert-comptable et l'expert-comptable fiscaliste
Art.9. De personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut als accountant mogen de titel van accountant dragen.
De personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut als fiscaal accountant mogen de titel van fiscaal accountant dragen. De bedrijfsrevisoren mogen de titel van fiscaal accountant echter niet dragen.
De erkende rechtspersonen mogen de titel van accountant of fiscaal accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming [1 in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel 29]1.
De personen bedoeld in het eerste of tweede lid mogen de activiteiten bedoeld in artikel 3 uitoefenen, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°.
Onverminderd de artikel en 4 en 7 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van accountant of fiscaal accountant.
Indien de personen bedoeld in het eerste of het tweede lid de activiteiten van accountant of fiscaal accountant binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen, mogen ze de titel van intern accountant of intern fiscaal accountant dragen.
De personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut als fiscaal accountant mogen de titel van fiscaal accountant dragen. De bedrijfsrevisoren mogen de titel van fiscaal accountant echter niet dragen.
De erkende rechtspersonen mogen de titel van accountant of fiscaal accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming [1 in zoverre de titel is opgenomen in het openbaar register bedoeld in artikel 29]1.
De personen bedoeld in het eerste of tweede lid mogen de activiteiten bedoeld in artikel 3 uitoefenen, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°.
Onverminderd de artikel en 4 en 7 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van accountant of fiscaal accountant.
Indien de personen bedoeld in het eerste of het tweede lid de activiteiten van accountant of fiscaal accountant binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen, mogen ze de titel van intern accountant of intern fiscaal accountant dragen.
Art.9. Les personnes inscrites dans le registre public de l'Institut comme expert-comptable peuvent porter le titre d'expert-comptable.
Les personnes inscrites dans le registre public de l'Institut comme expert-comptable fiscaliste peuvent porter le titre d'expert-comptable fiscaliste. Les réviseurs d'entreprises ne peuvent toutefois pas porter le titre d'expert-comptable fiscaliste.
Les personnes morales reconnues peuvent utiliser le titre d'expert-comptable ou d'expert-comptable fiscaliste ou le reprendre dans leur dénomination sociale [1 pour autant que le titre est repris dans le registre public visé à l'article 29]1.
Les personnes visées à l'alinéa 1er ou 2 peuvent exercer les activités visées à l'article 3, à l'exception des activités visées à l'article 3, 6° à 8°.
Sans préjudice des articles 4 et 7, personne ne peut porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui d'expert-comptable ou d'expert-comptable fiscaliste.
Si les personnes visées aux alinéas 1er ou 2 exercent les activités d'expert-comptable ou d'expert-comptable fiscaliste dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une profession rémunérée par les pouvoirs publics, elles peuvent porter le titre d'expert-comptable interne ou d'expert-comptable fiscaliste interne.
Les personnes inscrites dans le registre public de l'Institut comme expert-comptable fiscaliste peuvent porter le titre d'expert-comptable fiscaliste. Les réviseurs d'entreprises ne peuvent toutefois pas porter le titre d'expert-comptable fiscaliste.
Les personnes morales reconnues peuvent utiliser le titre d'expert-comptable ou d'expert-comptable fiscaliste ou le reprendre dans leur dénomination sociale [1 pour autant que le titre est repris dans le registre public visé à l'article 29]1.
Les personnes visées à l'alinéa 1er ou 2 peuvent exercer les activités visées à l'article 3, à l'exception des activités visées à l'article 3, 6° à 8°.
Sans préjudice des articles 4 et 7, personne ne peut porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui d'expert-comptable ou d'expert-comptable fiscaliste.
Si les personnes visées aux alinéas 1er ou 2 exercent les activités d'expert-comptable ou d'expert-comptable fiscaliste dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une profession rémunérée par les pouvoirs publics, elles peuvent porter le titre d'expert-comptable interne ou d'expert-comptable fiscaliste interne.
HOOFDSTUK 4. - Beroepskwalificaties voor het verlenen van de hoedanigheid
CHAPITRE 4. - Qualifications professionnelles pour l'octroi de la qualité
Afdeling 1. - Het verlenen van de hoedanigheid van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur aan een natuurlijk persoon
Section 1re. - L'octroi de la qualité d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié à une personne physique
Art.10. § 1. Een natuurlijk persoon die aan de volgende voorwaarden voldoet, wordt op zijn verzoek in het openbaar register van het Instituut ingeschreven met de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of (intern) gecertificeerd belastingadviseur :
1° onderdaan zijn van een lidstaat;
2° niet beroofd zijn geweest van zijn politieke en burgerlijke rechten;
3° niet, zelfs gedeeltelijk, de schuldkwijtschelding geweigerd zijn geweest met toepassing van artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht, niet persoonlijk aansprakelijk zijn gesteld geweest voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming met toepassing van artikel XX.225 of XX.227 van hetzelfde wetboek, niet het verbod opgelegd zijn geweest een onderneming uit te baten met toepassing van artikel XX.229 van hetzelfde wetboek en niet een eerherstel geweigerd zijn geweest met toepassing van artikel XX.237 van hetzelfde wetboek;
4° geen zelfs voorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste drie maanden hebben opgelopen voor een van de misdrijven vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de ondernemingsrechtbanken de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod op te leggen, voor een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, voor een inbreuk op het Wetboek van vennootschappen, het Wetboek van economisch recht, boek III, titel 3, hoofdstuk 2 en zijn uitvoeringsbesluiten, of op de fiscale wetgeving;
5° in het bezit zijn van een diploma of een titel, bedoeld in artikel 12;
6° na het slagen voor het toelatingsexamen, als stagiair een stageperiode van minstens drie jaar volbrengen;
7° slagen voor het bekwaamheidsexamen dat volgt na de stage;
8° de eed afleggen.
§ 2. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, 3°, heeft eveneens betrekking op gelijkaardige insolventiemaatregelen opgelopen in een andere lidstaat of een derde land.
§ 3. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, 4°, heeft eveneens betrekking op gelijkaardige strafmaatregelen opgelopen in een andere lidstaat of een derde land.
§ 4. De Koning legt, na advies van de Raad van het Instituut, de voorwaarden en de procedure vast voor een natuurlijk persoon, onderdaan van een derde land, gevestigd in België die de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of van (intern) gecertificeerd belastingadviseur wenst te bekomen. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
§ 5. Een bedrijfsrevisor mag niet om de hoedanigheid van gecertificeerd belastingadviseur verzoeken.
1° onderdaan zijn van een lidstaat;
2° niet beroofd zijn geweest van zijn politieke en burgerlijke rechten;
3° niet, zelfs gedeeltelijk, de schuldkwijtschelding geweigerd zijn geweest met toepassing van artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht, niet persoonlijk aansprakelijk zijn gesteld geweest voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming met toepassing van artikel XX.225 of XX.227 van hetzelfde wetboek, niet het verbod opgelegd zijn geweest een onderneming uit te baten met toepassing van artikel XX.229 van hetzelfde wetboek en niet een eerherstel geweigerd zijn geweest met toepassing van artikel XX.237 van hetzelfde wetboek;
4° geen zelfs voorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste drie maanden hebben opgelopen voor een van de misdrijven vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de ondernemingsrechtbanken de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod op te leggen, voor een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, voor een inbreuk op het Wetboek van vennootschappen, het Wetboek van economisch recht, boek III, titel 3, hoofdstuk 2 en zijn uitvoeringsbesluiten, of op de fiscale wetgeving;
5° in het bezit zijn van een diploma of een titel, bedoeld in artikel 12;
6° na het slagen voor het toelatingsexamen, als stagiair een stageperiode van minstens drie jaar volbrengen;
7° slagen voor het bekwaamheidsexamen dat volgt na de stage;
8° de eed afleggen.
§ 2. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, 3°, heeft eveneens betrekking op gelijkaardige insolventiemaatregelen opgelopen in een andere lidstaat of een derde land.
§ 3. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, 4°, heeft eveneens betrekking op gelijkaardige strafmaatregelen opgelopen in een andere lidstaat of een derde land.
§ 4. De Koning legt, na advies van de Raad van het Instituut, de voorwaarden en de procedure vast voor een natuurlijk persoon, onderdaan van een derde land, gevestigd in België die de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of van (intern) gecertificeerd belastingadviseur wenst te bekomen. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
§ 5. Een bedrijfsrevisor mag niet om de hoedanigheid van gecertificeerd belastingadviseur verzoeken.
Art.10. § 1er. Une personne physique qui répond aux conditions suivantes est inscrite, à sa demande, dans le registre public de l'Institut avec la qualité d'expert-comptable certifié (interne) ou de conseiller fiscal certifié (interne) :
1° être ressortissant d'un Etat membre;
2° ne pas avoir été privé de ses droits civils et politiques;
3° ne pas s'être vu refuser, même partiellement, l'effacement des dettes en application de l'article XX.173, § 3, du Code de droit économique, ne pas s'être vu déclarer personnellement obligé de tout ou partie des dettes sociales, en application des articles XX.225 ou XX.227 du même code, ne pas s'être vu interdire l'exploitation d'une entreprise, en application de l'article XX.229 du même code et ne pas s'être vu refuser la réhabilitation en application de l'article XX.237 du même code;
4° ne pas avoir encouru une peine d'emprisonnement, même conditionnelle, de trois mois au moins pour l'une des infractions mentionnées à l'article 1er de l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 portant interdiction à certains condamnés et aux faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités et conférant aux tribunaux d'entreprise la faculté de prononcer de telles interdictions, pour une infraction à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, pour une infraction au Code des sociétés, au Code de droit économique, livre III, titre 3, chapitre 2 et à ses arrêtés d'exécution ou à la législation fiscale;
5° être porteur d'un diplôme ou d'un titre visé à l'article 12;
6° après la réussite de l'examen d'admission, avoir accompli le stage d'une période de minimum 3 ans en tant que stagiaire;
7° avoir réussi un examen pratique, qui suit le stage;
8° prêter serment.
§ 2. La condition visée au paragraphe 1er, 3°, concerne aussi les mesures d'insolvabilité équivalentes encourues dans un autre Etat membre ou dans un pays tiers.
§ 3. La condition visée au paragraphe 1er, 4°, concerne aussi les mesures pénales équivalentes encourues dans un autre Etat membre ou dans un pays tiers.
§ 4. Le Roi établit, après avis du Conseil de l'Institut, les conditions et la procédure pour une personne physique, ressortissante d'un pays tiers établie en Belgique qui souhaite obtenir la qualité d'expert-comptable certifié (interne) ou de conseiller fiscal certifié (interne). Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
§ 5. Un réviseur d'entreprises ne peut pas demander la qualité de conseiller fiscal certifié.
1° être ressortissant d'un Etat membre;
2° ne pas avoir été privé de ses droits civils et politiques;
3° ne pas s'être vu refuser, même partiellement, l'effacement des dettes en application de l'article XX.173, § 3, du Code de droit économique, ne pas s'être vu déclarer personnellement obligé de tout ou partie des dettes sociales, en application des articles XX.225 ou XX.227 du même code, ne pas s'être vu interdire l'exploitation d'une entreprise, en application de l'article XX.229 du même code et ne pas s'être vu refuser la réhabilitation en application de l'article XX.237 du même code;
4° ne pas avoir encouru une peine d'emprisonnement, même conditionnelle, de trois mois au moins pour l'une des infractions mentionnées à l'article 1er de l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 portant interdiction à certains condamnés et aux faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités et conférant aux tribunaux d'entreprise la faculté de prononcer de telles interdictions, pour une infraction à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, pour une infraction au Code des sociétés, au Code de droit économique, livre III, titre 3, chapitre 2 et à ses arrêtés d'exécution ou à la législation fiscale;
5° être porteur d'un diplôme ou d'un titre visé à l'article 12;
6° après la réussite de l'examen d'admission, avoir accompli le stage d'une période de minimum 3 ans en tant que stagiaire;
7° avoir réussi un examen pratique, qui suit le stage;
8° prêter serment.
§ 2. La condition visée au paragraphe 1er, 3°, concerne aussi les mesures d'insolvabilité équivalentes encourues dans un autre Etat membre ou dans un pays tiers.
§ 3. La condition visée au paragraphe 1er, 4°, concerne aussi les mesures pénales équivalentes encourues dans un autre Etat membre ou dans un pays tiers.
§ 4. Le Roi établit, après avis du Conseil de l'Institut, les conditions et la procédure pour une personne physique, ressortissante d'un pays tiers établie en Belgique qui souhaite obtenir la qualité d'expert-comptable certifié (interne) ou de conseiller fiscal certifié (interne). Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
§ 5. Un réviseur d'entreprises ne peut pas demander la qualité de conseiller fiscal certifié.
Art.11. § 1. Ter ondersteuning van zijn verzoek om ingeschreven te worden in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van gecertificeerd (intern) accountant of van (intern) gecertificeerd belastingadviseur kan een natuurlijk persoon, onderdaan van een lidstaat, een bekwaamheidstest of een opleidingstitel bedoeld in titel III, hoofdstuk I, van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties, afgeleverd door een andere lidstaat doen gelden die beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in hetzelfde hoofdstuk van die wet of een opleidingstitel gelijkgesteld aan een dergelijke titel in toepassing van artikel 2, § 3, van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties. De onderdanen van een lidstaat die een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel bedoeld in deze paragraaf hebben verworven, zijn onderworpen aan alle voorwaarden en genieten van alle rechten voorzien in de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties, onverminderd de bepalingen voorzien in of op basis van deze wet.
§ 2. De houders van een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel bedoeld in paragraaf 1 zijn vrijgesteld [1 van het toelatingsexamen en]1 van de stage. Zij moeten zich evenwel, in toepassing van artikel 16, § 3, van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties, onderwerpen aan een bekwaamheidsproef, georganiseerd door het Instituut wanneer hun opleiding op het vlak van boekhouding, accountancy, fiscaliteit, vennootschapsrecht, deontologie en andere vakken waarvan de kennis noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingconsulent in België, belangrijke verschillen vertoont inzake inhoud ten aanzien van de opleiding die bestreken is door de in België vereiste opleidingstitel.
De bekwaamheidsproef bestaat uit een controle van de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties van de aanvrager, die tot doel heeft te beoordelen of hij de bekwaamheid heeft om het beroep van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur uit te oefenen.
Bij deze bekwaamheidsproef moet in aanmerking worden genomen dat de aanvrager in de Staat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerd beroepsbeoefenaar is. De proef heeft betrekking op de vakgebieden die moeten worden gekozen uit die op de lijst van de vakgebieden, die, op basis van een vergelijking tussen de vereiste opleiding en de opleiding die de aanvrager heeft ontvangen, niet bestreken worden door het diploma of de titel(s) die de aanvrager overlegt. De kennis van deze vakgebieden moet een noodzakelijke voorwaarde zijn om het beroep van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur te kunnen uitoefenen. Deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de deontologie die op deze beroepen van toepassing zijn.
De voorschriften betreffende de bekwaamheidsproef, de opstelling van de lijst van de vakgebieden en het statuut van de aanvrager die zich daarop wil voorbereiden, worden vastgelegd door de Raad van het Instituut met inachtneming van de regels inzake gemeenschapsrecht en de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties.
Indien overwogen wordt om de aanvrager een bekwaamheidsproef te laten afleggen, wordt eerst nagegaan of de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties die de aanvrager tijdens zijn beroepservaring als gecertificeerd accountant of als gecertificeerd belastingadviseur in een lidstaat of een derde land heeft verworven, van dien aard zijn dat het wezenlijk verschil in de opleiding daardoor geheel of gedeeltelijk wordt ondervangen.
Het Instituut informeert de aanvrager over de beslissing om hem aan een bekwaamheidsproef te onderwerpen door vermelding van :
1° het vereiste kwalificatieniveau en het niveau volgens de onderverdeling in artikel 13 van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties waarover de aanvrager beschikt;
2° de wezenlijke verschillen die de bekwaamheidsproef rechtvaardigen en de redenen waarom zij niet gecompenseerd kunnen worden door de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties, welke zijn verworven door de aanvrager door beroepservaring of levenslang leren, en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd.
De bekwaamheidsproef wordt afgelegd binnen een termijn van zes maanden na het initiële besluit waarbij hem een bekwaamheidsproef is opgelegd.
§ 3. Het Instituut stuurt een ontvangstbevestiging binnen één maand na de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welk document of documenten ontbreken.
De procedure voor het onderzoek van een in toepassing van dit artikel ingediende aanvraag moet zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk vier maanden na de indiening van het volledige dossier van de aanvrager door een met redenen omkleed besluit worden afgesloten.
Tegen dit besluit, of tegen het uitblijven ervan, kan beroep ingesteld worden bij de commissie van beroep.
§ 4. Het verlenen van de hoedanigheid en de titel aan de onderdanen van een lidstaat op basis van de artikel en 10 en 11 doet geen afbreuk aan hun recht om gebruik te maken van hun opleidingstitel die hen verleend is in hun lidstaat van oorsprong, alsook eventueel de afkorting ervan in de taal van die lidstaat. Deze titel moet gevolgd worden door de naam en plaats van de instelling of van de examencommissie die de titel heeft verleend.
§ 2. De houders van een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel bedoeld in paragraaf 1 zijn vrijgesteld [1 van het toelatingsexamen en]1 van de stage. Zij moeten zich evenwel, in toepassing van artikel 16, § 3, van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties, onderwerpen aan een bekwaamheidsproef, georganiseerd door het Instituut wanneer hun opleiding op het vlak van boekhouding, accountancy, fiscaliteit, vennootschapsrecht, deontologie en andere vakken waarvan de kennis noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingconsulent in België, belangrijke verschillen vertoont inzake inhoud ten aanzien van de opleiding die bestreken is door de in België vereiste opleidingstitel.
De bekwaamheidsproef bestaat uit een controle van de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties van de aanvrager, die tot doel heeft te beoordelen of hij de bekwaamheid heeft om het beroep van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur uit te oefenen.
Bij deze bekwaamheidsproef moet in aanmerking worden genomen dat de aanvrager in de Staat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerd beroepsbeoefenaar is. De proef heeft betrekking op de vakgebieden die moeten worden gekozen uit die op de lijst van de vakgebieden, die, op basis van een vergelijking tussen de vereiste opleiding en de opleiding die de aanvrager heeft ontvangen, niet bestreken worden door het diploma of de titel(s) die de aanvrager overlegt. De kennis van deze vakgebieden moet een noodzakelijke voorwaarde zijn om het beroep van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur te kunnen uitoefenen. Deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de deontologie die op deze beroepen van toepassing zijn.
De voorschriften betreffende de bekwaamheidsproef, de opstelling van de lijst van de vakgebieden en het statuut van de aanvrager die zich daarop wil voorbereiden, worden vastgelegd door de Raad van het Instituut met inachtneming van de regels inzake gemeenschapsrecht en de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties.
Indien overwogen wordt om de aanvrager een bekwaamheidsproef te laten afleggen, wordt eerst nagegaan of de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties die de aanvrager tijdens zijn beroepservaring als gecertificeerd accountant of als gecertificeerd belastingadviseur in een lidstaat of een derde land heeft verworven, van dien aard zijn dat het wezenlijk verschil in de opleiding daardoor geheel of gedeeltelijk wordt ondervangen.
Het Instituut informeert de aanvrager over de beslissing om hem aan een bekwaamheidsproef te onderwerpen door vermelding van :
1° het vereiste kwalificatieniveau en het niveau volgens de onderverdeling in artikel 13 van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties waarover de aanvrager beschikt;
2° de wezenlijke verschillen die de bekwaamheidsproef rechtvaardigen en de redenen waarom zij niet gecompenseerd kunnen worden door de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties, welke zijn verworven door de aanvrager door beroepservaring of levenslang leren, en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd.
De bekwaamheidsproef wordt afgelegd binnen een termijn van zes maanden na het initiële besluit waarbij hem een bekwaamheidsproef is opgelegd.
§ 3. Het Instituut stuurt een ontvangstbevestiging binnen één maand na de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welk document of documenten ontbreken.
De procedure voor het onderzoek van een in toepassing van dit artikel ingediende aanvraag moet zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk vier maanden na de indiening van het volledige dossier van de aanvrager door een met redenen omkleed besluit worden afgesloten.
Tegen dit besluit, of tegen het uitblijven ervan, kan beroep ingesteld worden bij de commissie van beroep.
§ 4. Het verlenen van de hoedanigheid en de titel aan de onderdanen van een lidstaat op basis van de artikel en 10 en 11 doet geen afbreuk aan hun recht om gebruik te maken van hun opleidingstitel die hen verleend is in hun lidstaat van oorsprong, alsook eventueel de afkorting ervan in de taal van die lidstaat. Deze titel moet gevolgd worden door de naam en plaats van de instelling of van de examencommissie die de titel heeft verleend.
Art.11. § 1er. A l'appui de sa demande d'être inscrit au registre public de l'Institut avec la qualité d'expert-comptable certifié (interne) ou de conseiller fiscal certifié (interne), une personne physique, ressortissant d'un Etat membre, peut également faire valoir une attestation de compétence ou un titre de formation visé au titre III, chapitre Ier, de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles, délivré par un autre Etat membre et répondant aux conditions fixées dans ce même chapitre de cette loi ou un titre de formation assimilé à un tel titre en application de l'article 2, § 3, de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles. Les ressortissants d'un Etat membre qui ont acquis une attestation de compétence ou un titre de formation visé au présent paragraphe sont soumis à l'ensemble des conditions et bénéficient de l'ensemble des droits prévus dans la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles, sans préjudice des dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi.
§ 2. Les porteurs d'une attestation de compétence ou d'un titre de formation visés au paragraphe 1er sont dispensés [1 de l'examen d'admission et]1 du stage. Toutefois, ils doivent, en application de l'article 16, § 3, de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles, se soumettre à une épreuve d'aptitude organisée par l'Institut, lorsque leur formation dans les domaines comptable, d'expertise comptable, fiscal, du droit des sociétés, de la déontologie et dans les matières dont la connaissance est essentielle à l'exercice de la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié en Belgique, présente des différences importantes en matière de contenu par rapport à la formation couverte par le titre de formation requis en Belgique.
L'épreuve d'aptitude consiste en un contrôle des connaissances, aptitudes et compétences professionnelles du demandeur, qui a pour but d'apprécier son aptitude à exercer la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié.
L'épreuve d'aptitude doit prendre en considération le fait que le demandeur est un professionnel qualifié dans l'Etat d'origine ou de provenance. Elle porte sur des matières à choisir parmi celles figurant sur la liste des matières qui, sur la base d'une comparaison entre la formation requise et celle reçue par le demandeur, ne sont pas couvertes par le diplôme ou le ou les titres dont il fait état. La connaissance de ces matières doit être une condition essentielle pour pouvoir exercer la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié. Cette épreuve peut également comprendre la connaissance de la déontologie applicable à ces professions.
Les modalités de l'épreuve d'aptitude, de l'établissement de la liste des matières et le statut du demandeur qui souhaite s'y préparer, sont déterminées par le Conseil de l'Institut, dans le respect des règles du droit communautaire et de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles.
S'il est envisagé d'exiger du demandeur qu'il passe une épreuve d'aptitude, il est préalablement vérifié si les connaissances, aptitudes et compétences professionnelles acquises comme expert-comptable certifié ou comme conseiller fiscal certifié dans un Etat membre ou dans un pays tiers, sont de nature à couvrir, en tout ou en partie, la différence substantielle de la formation.
L'Institut informe le demandeur de la décision de le soumettre à une épreuve d'aptitude en mentionnant :
1° le niveau de qualification requis et le niveau figurant à l'article 13 de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles dont dispose le demandeur;
2° les différences substantielles qui justifient l'épreuve d'aptitude et les raisons pour lesquelles elles ne peuvent pas être compensées par les connaissances, aptitudes et compétences professionnelles acquises par le demandeur au cours de son expérience professionnelle ou de son apprentissage toute au long de la vie, et ayant fait l'objet d'une validation en bonne et due forme par un organisme compétent.
L'épreuve d'aptitude est passée dans un délai de six mois après la décision initiale qui lui impose une épreuve d'aptitude.
§ 3. L'Institut accuse réception du dossier du demandeur dans un délai d'un mois à dater de sa réception et l'informe, le cas échéant, de tout document manquant.
La procédure d'examen d'une demande introduite en application du présent article est sanctionnée par une décision dûment motivée et a lieu dans les plus brefs délais et au plus tard dans les quatre mois à compter de la présentation d'un dossier complet par le demandeur.
Cette décision, ou l'absence de décision, est susceptible d'un recours devant la commission d'appel.
§ 4. L'octroi de la qualité et du titre aux ressortissants d'un Etat membre sur base des articles 10 et 11, ne porte pas préjudice à leur droit de porter le titre de formation de leur Etat membre d'origine, et éventuellement de son abréviation dans la langue de cet Etat membre. Ce titre doit être suivi des nom et lieu de l'établissement ou du jury qui l'a délivré.
§ 2. Les porteurs d'une attestation de compétence ou d'un titre de formation visés au paragraphe 1er sont dispensés [1 de l'examen d'admission et]1 du stage. Toutefois, ils doivent, en application de l'article 16, § 3, de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles, se soumettre à une épreuve d'aptitude organisée par l'Institut, lorsque leur formation dans les domaines comptable, d'expertise comptable, fiscal, du droit des sociétés, de la déontologie et dans les matières dont la connaissance est essentielle à l'exercice de la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié en Belgique, présente des différences importantes en matière de contenu par rapport à la formation couverte par le titre de formation requis en Belgique.
L'épreuve d'aptitude consiste en un contrôle des connaissances, aptitudes et compétences professionnelles du demandeur, qui a pour but d'apprécier son aptitude à exercer la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié.
L'épreuve d'aptitude doit prendre en considération le fait que le demandeur est un professionnel qualifié dans l'Etat d'origine ou de provenance. Elle porte sur des matières à choisir parmi celles figurant sur la liste des matières qui, sur la base d'une comparaison entre la formation requise et celle reçue par le demandeur, ne sont pas couvertes par le diplôme ou le ou les titres dont il fait état. La connaissance de ces matières doit être une condition essentielle pour pouvoir exercer la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié. Cette épreuve peut également comprendre la connaissance de la déontologie applicable à ces professions.
Les modalités de l'épreuve d'aptitude, de l'établissement de la liste des matières et le statut du demandeur qui souhaite s'y préparer, sont déterminées par le Conseil de l'Institut, dans le respect des règles du droit communautaire et de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles.
S'il est envisagé d'exiger du demandeur qu'il passe une épreuve d'aptitude, il est préalablement vérifié si les connaissances, aptitudes et compétences professionnelles acquises comme expert-comptable certifié ou comme conseiller fiscal certifié dans un Etat membre ou dans un pays tiers, sont de nature à couvrir, en tout ou en partie, la différence substantielle de la formation.
L'Institut informe le demandeur de la décision de le soumettre à une épreuve d'aptitude en mentionnant :
1° le niveau de qualification requis et le niveau figurant à l'article 13 de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles dont dispose le demandeur;
2° les différences substantielles qui justifient l'épreuve d'aptitude et les raisons pour lesquelles elles ne peuvent pas être compensées par les connaissances, aptitudes et compétences professionnelles acquises par le demandeur au cours de son expérience professionnelle ou de son apprentissage toute au long de la vie, et ayant fait l'objet d'une validation en bonne et due forme par un organisme compétent.
L'épreuve d'aptitude est passée dans un délai de six mois après la décision initiale qui lui impose une épreuve d'aptitude.
§ 3. L'Institut accuse réception du dossier du demandeur dans un délai d'un mois à dater de sa réception et l'informe, le cas échéant, de tout document manquant.
La procédure d'examen d'une demande introduite en application du présent article est sanctionnée par une décision dûment motivée et a lieu dans les plus brefs délais et au plus tard dans les quatre mois à compter de la présentation d'un dossier complet par le demandeur.
Cette décision, ou l'absence de décision, est susceptible d'un recours devant la commission d'appel.
§ 4. L'octroi de la qualité et du titre aux ressortissants d'un Etat membre sur base des articles 10 et 11, ne porte pas préjudice à leur droit de porter le titre de formation de leur Etat membre d'origine, et éventuellement de son abréviation dans la langue de cet Etat membre. Ce titre doit être suivi des nom et lieu de l'établissement ou du jury qui l'a délivré.
Änderungen
Afdeling 2. - Diplomavereisten
Section 2. - Exigences de diplômes
Art.12. De diploma's of titels bedoeld in artikel 10, § 1, 5°, die toegang geven tot het toelatingsexamen voor de stage en tot de hoedanigheid van gecertificeerd accountant en gecertificeerd belastingadviseur zijn :
1° de volgende diploma's erkend door de Franse Gemeenschap :
a) een masterdiploma;
b) een diploma van "Bachelor in de boekhouding";
c) een diploma van opleiding tot ondernemingshoofd met betrekking tot de activiteit van boekhouder of accountant afgeleverd door het "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises" in uitvoering van het "décret du 17 juillet 2003 portant constitution d'un Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises" of door de Dienst opleiding KMO van de Franse Gemeenschapscommissie in uitvoering van het samenwerkingsakkoord, gesloten op 20 februari 1995 door de Franse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest betreffende de Permanente Vorming van de Middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen en het toezicht op het Instituut voor Permanente Vorming van de Middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen, zoals gewijzigd door het aanhangsel van 4 juni 2003;
2° de volgende diploma's erkend door de Vlaamse Gemeenschap :
a) een masterdiploma;
b) een bachelordiploma in bedrijfsmanagement afstudeerrichting "accountancy-fiscaliteit";
c) een diploma van gegradueerde van het hoger beroepsonderwijs, studiegebied "handelswetenschappen en bedrijfskunde", opleidingen "boekhouden" of "fiscale wetenschappen";
d) een titel met een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5 van economisch of juridisch type overeenkomstig het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;
e) een titel met betrekking tot het beroep van boekhouder of accountancy behaald in het kader van een ondernemerschapstraject als bedoeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming - Syntra Vlaanderen";
3° de volgende diploma's erkend door de Duitstalige Gemeenschap :
a) een bachelordiploma in de financiële en bestuurswetenschappen in het domein "boekhouding";
b) een titel met betrekking tot het beroep van boekhouder of accountant afgeleverd in het kader van het "Dekret vom 16. Dezember 1991 über die Aus- und Weiterbildung im Mittelstand und in kleinen und mittleren Unternehmen";
4° een ander bachelordiploma van het economisch of juridisch type van het hoger economisch onderwijs dat voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) voor het toelatingsexamen van gecertificeerd accountant bevat het programma van de opleiding(en) in totaal minstens 45 ECTS voor wat betreft boekhoudkundige, fiscale of andere opleidingsonderdelen opgenomen in het toelatingsexamen tot de stage; de andere dan de boekhoudkundige en fiscale opleidingsonderdelen echter worden opgenomen voor de berekening van de vereiste 45 ECTS, met een maximum van 3 ECTS per opleidingsonderdeel;
b) voor het toelatingsexamen van belastingadviseur bevat het programma van de opleiding(en) in totaal minstens 35 ECTS voor wat betreft boekhoudkundige, fiscale of andere opleidingsonderdelen opgenomen in het toelatingsexamen; de andere dan de boekhoudkundige en fiscale opleidingsonderdelen echter worden opgenomen voor de berekening van de vereiste 35 ECTS, met een maximum van 3 ECTS per opleidingsonderdeel;
c) de opleiding of opleidingen die in rekening worden gebracht voor de berekening van de ECTS bedoeld in a) zijn erkend door de Franse, Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap;
5° de diploma's die op het einde van een opleidingscyclus uitgereikt worden, waarvoor de student zich vóór de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven heeft en die op de dag van inschrijving toegang gaven tot de stage van accountant, van belastingconsulent of van boekhouder(-fiscalist) in toepassing van de wet van 22 april 1999;
6° de in het buitenland uitgereikte diploma's mits de erkenning vooraf van hun gelijkwaardigheid door de Franse, Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap aan de diploma's bedoeld onder 1° tot en met 5° en die in voorkomend geval de voorwaarden bedoeld in 4° naleven;
7° andere door de Koning vastgestelde diploma's en titels, na advies van de Raad van het Instituut.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
1° de volgende diploma's erkend door de Franse Gemeenschap :
a) een masterdiploma;
b) een diploma van "Bachelor in de boekhouding";
c) een diploma van opleiding tot ondernemingshoofd met betrekking tot de activiteit van boekhouder of accountant afgeleverd door het "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises" in uitvoering van het "décret du 17 juillet 2003 portant constitution d'un Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises" of door de Dienst opleiding KMO van de Franse Gemeenschapscommissie in uitvoering van het samenwerkingsakkoord, gesloten op 20 februari 1995 door de Franse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest betreffende de Permanente Vorming van de Middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen en het toezicht op het Instituut voor Permanente Vorming van de Middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen, zoals gewijzigd door het aanhangsel van 4 juni 2003;
2° de volgende diploma's erkend door de Vlaamse Gemeenschap :
a) een masterdiploma;
b) een bachelordiploma in bedrijfsmanagement afstudeerrichting "accountancy-fiscaliteit";
c) een diploma van gegradueerde van het hoger beroepsonderwijs, studiegebied "handelswetenschappen en bedrijfskunde", opleidingen "boekhouden" of "fiscale wetenschappen";
d) een titel met een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5 van economisch of juridisch type overeenkomstig het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;
e) een titel met betrekking tot het beroep van boekhouder of accountancy behaald in het kader van een ondernemerschapstraject als bedoeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming - Syntra Vlaanderen";
3° de volgende diploma's erkend door de Duitstalige Gemeenschap :
a) een bachelordiploma in de financiële en bestuurswetenschappen in het domein "boekhouding";
b) een titel met betrekking tot het beroep van boekhouder of accountant afgeleverd in het kader van het "Dekret vom 16. Dezember 1991 über die Aus- und Weiterbildung im Mittelstand und in kleinen und mittleren Unternehmen";
4° een ander bachelordiploma van het economisch of juridisch type van het hoger economisch onderwijs dat voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) voor het toelatingsexamen van gecertificeerd accountant bevat het programma van de opleiding(en) in totaal minstens 45 ECTS voor wat betreft boekhoudkundige, fiscale of andere opleidingsonderdelen opgenomen in het toelatingsexamen tot de stage; de andere dan de boekhoudkundige en fiscale opleidingsonderdelen echter worden opgenomen voor de berekening van de vereiste 45 ECTS, met een maximum van 3 ECTS per opleidingsonderdeel;
b) voor het toelatingsexamen van belastingadviseur bevat het programma van de opleiding(en) in totaal minstens 35 ECTS voor wat betreft boekhoudkundige, fiscale of andere opleidingsonderdelen opgenomen in het toelatingsexamen; de andere dan de boekhoudkundige en fiscale opleidingsonderdelen echter worden opgenomen voor de berekening van de vereiste 35 ECTS, met een maximum van 3 ECTS per opleidingsonderdeel;
c) de opleiding of opleidingen die in rekening worden gebracht voor de berekening van de ECTS bedoeld in a) zijn erkend door de Franse, Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap;
5° de diploma's die op het einde van een opleidingscyclus uitgereikt worden, waarvoor de student zich vóór de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven heeft en die op de dag van inschrijving toegang gaven tot de stage van accountant, van belastingconsulent of van boekhouder(-fiscalist) in toepassing van de wet van 22 april 1999;
6° de in het buitenland uitgereikte diploma's mits de erkenning vooraf van hun gelijkwaardigheid door de Franse, Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap aan de diploma's bedoeld onder 1° tot en met 5° en die in voorkomend geval de voorwaarden bedoeld in 4° naleven;
7° andere door de Koning vastgestelde diploma's en titels, na advies van de Raad van het Instituut.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Art.12. Les diplômes et titres visés à l'article 10, § 1er, 5°, qui donnent accès à l'examen d'admission au stage et à la qualité d'expert-comptable certifié et de conseiller fiscal certifié sont :
1° les diplômes suivants reconnus par la Communauté française :
a) un diplôme de master;
b) un diplôme de "Bachelier en comptabilité";
c) un diplôme de formation de chef d'entreprise concernant l'activité de comptable ou expert-comptable délivré par l'Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises en exécution du décret du 17 juillet 2003 portant constitution d'un Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises ou par le Service formation PME de la Commission communautaire française en exécution de l'accord de coopération conclu le 20 février 1995 par la Commission communautaire française, la Communauté française et la Région wallonne relatif à la formation permanente pour les Classes moyennes et les petites et moyennes entreprises et à la tutelle de l'Institut de Formation permanente pour les Classes moyennes et les petites et moyennes entreprises, tel que modifié par l'avenant du 4 juin 2003;
2° Les diplômes suivants reconnus par la Communauté flamande :
a) un diplôme de master;
b) un diplôme de bachelier en gestion d'entreprise orientation "expertise comptable-fiscalité";
c) un diplôme de gradué de l'enseignement professionnel supérieur, études en "sciences commerciales et gestion d'entreprise", formations "comptabilité" ou "sciences fiscales";
d) un titre avec un niveau d'enseignement reconnu de niveau 5 de type économique ou juridique, conformément au décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel;
e) un titre concernant la profession de comptable ou d'expertise comptable obtenu dans le cadre d'un trajet de formation de chef d'entreprise tel que visé par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen" (Agence flamande pour la formation d'entrepreneurs - Syntra Flandre);
3° les diplômes suivants reconnus par la Communauté germanophone :
a) un diplôme de bachelier en sciences financières et administratives dans le domaine "comptabilité";
b) un titre concernant la profession de comptable ou d'expert-comptable délivré dans le cadre du "Dekret vom 16. Dezember 1991 über die Aus- und Weiterbildung im Mittelstand und in kleinen und mittleren Unternehmen";
4° un autre diplôme de bachelier de type économique ou juridique de l'enseignement supérieur économique et remplissant les conditions suivantes :
a) pour l'examen d'admission d'expert-comptable certifié, le programme de la ou des formations comprend au total au moins 45 ECTS dans les matières comptables, fiscales ou autres matières reprises dans l'examen d'admission au stage; toutefois les matières autres que comptables et fiscales ne sont reprises pour le calcul des 45 ECTS requis qu'à concurrence de maximum 3 ECTS par matière;
b) pour l'examen d'admission de conseiller fiscal, le programme de la ou des formations comprend au total au moins 35 ECTS dans les matières comptables, fiscales ou autres matières reprises dans l'examen d'admission au stage; toutefois les matières autres que comptables et fiscales ne sont reprises pour le calcul des 35 ECTS requis qu'à concurrence de maximum 3 ECTS par matière;
c) la ou les formations prises en compte pour le calcul des ECTS visés au point a) sont reconnus par la Communauté française, flamande ou germanophone;
5° les diplômes délivrés à la fin d'un cycle de formation, pour lequel l'étudiant s'est inscrit avant l'entrée en vigueur de la présente loi et qui à la date d'inscription donnaient accès au stage d'expert-comptable, de conseil fiscal ou de comptable(-fiscaliste), en application de la loi du 22 avril 1999;
6° les diplômes délivrés à l'étranger moyennant la reconnaissance préalable de leur équivalence aux diplômes visés aux points 1° à 5° par la Communauté française, flamande ou germanophone et qui respectent le cas échéant les conditions visées au point 4° ;
7° d'autres diplômes et titres, fixés par le Roi, après avis du Conseil de l'Institut.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
1° les diplômes suivants reconnus par la Communauté française :
a) un diplôme de master;
b) un diplôme de "Bachelier en comptabilité";
c) un diplôme de formation de chef d'entreprise concernant l'activité de comptable ou expert-comptable délivré par l'Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises en exécution du décret du 17 juillet 2003 portant constitution d'un Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises ou par le Service formation PME de la Commission communautaire française en exécution de l'accord de coopération conclu le 20 février 1995 par la Commission communautaire française, la Communauté française et la Région wallonne relatif à la formation permanente pour les Classes moyennes et les petites et moyennes entreprises et à la tutelle de l'Institut de Formation permanente pour les Classes moyennes et les petites et moyennes entreprises, tel que modifié par l'avenant du 4 juin 2003;
2° Les diplômes suivants reconnus par la Communauté flamande :
a) un diplôme de master;
b) un diplôme de bachelier en gestion d'entreprise orientation "expertise comptable-fiscalité";
c) un diplôme de gradué de l'enseignement professionnel supérieur, études en "sciences commerciales et gestion d'entreprise", formations "comptabilité" ou "sciences fiscales";
d) un titre avec un niveau d'enseignement reconnu de niveau 5 de type économique ou juridique, conformément au décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel;
e) un titre concernant la profession de comptable ou d'expertise comptable obtenu dans le cadre d'un trajet de formation de chef d'entreprise tel que visé par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen" (Agence flamande pour la formation d'entrepreneurs - Syntra Flandre);
3° les diplômes suivants reconnus par la Communauté germanophone :
a) un diplôme de bachelier en sciences financières et administratives dans le domaine "comptabilité";
b) un titre concernant la profession de comptable ou d'expert-comptable délivré dans le cadre du "Dekret vom 16. Dezember 1991 über die Aus- und Weiterbildung im Mittelstand und in kleinen und mittleren Unternehmen";
4° un autre diplôme de bachelier de type économique ou juridique de l'enseignement supérieur économique et remplissant les conditions suivantes :
a) pour l'examen d'admission d'expert-comptable certifié, le programme de la ou des formations comprend au total au moins 45 ECTS dans les matières comptables, fiscales ou autres matières reprises dans l'examen d'admission au stage; toutefois les matières autres que comptables et fiscales ne sont reprises pour le calcul des 45 ECTS requis qu'à concurrence de maximum 3 ECTS par matière;
b) pour l'examen d'admission de conseiller fiscal, le programme de la ou des formations comprend au total au moins 35 ECTS dans les matières comptables, fiscales ou autres matières reprises dans l'examen d'admission au stage; toutefois les matières autres que comptables et fiscales ne sont reprises pour le calcul des 35 ECTS requis qu'à concurrence de maximum 3 ECTS par matière;
c) la ou les formations prises en compte pour le calcul des ECTS visés au point a) sont reconnus par la Communauté française, flamande ou germanophone;
5° les diplômes délivrés à la fin d'un cycle de formation, pour lequel l'étudiant s'est inscrit avant l'entrée en vigueur de la présente loi et qui à la date d'inscription donnaient accès au stage d'expert-comptable, de conseil fiscal ou de comptable(-fiscaliste), en application de la loi du 22 avril 1999;
6° les diplômes délivrés à l'étranger moyennant la reconnaissance préalable de leur équivalence aux diplômes visés aux points 1° à 5° par la Communauté française, flamande ou germanophone et qui respectent le cas échéant les conditions visées au point 4° ;
7° d'autres diplômes et titres, fixés par le Roi, après avis du Conseil de l'Institut.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Afdeling 3. - De stage
Section 3. - Le stage
Onderafdeling 1. - De stageperiode
Sous-section 1re. - La période de stage
Art.13. § 1. De stageperiode voor de toekenning van de hoedanigheid als bedoeld in artikel 10 duurt minstens drie jaar. Zij kan worden verlengd met de duur van de schorsing die de stagecommissie om gegronde reden goedkeurt.
Tijdens de stageperiode voert de stagiair minstens duizend uur per jaar activiteiten uit, met als doel voldoende beroepservaring te verwerven voor het uitoefenen van het beroep. De activiteiten van de stage worden vastgelegd in een stageovereenkomst met een beroepsbeoefenaar die al gedurende minstens vijf jaar het beroep uitoefent na het slagen in zijn stage.
De stage wordt afgesloten met een bekwaamheidsexamen.
Slaagt de stagiair niet in het bekwaamheidsexamen binnen de acht jaar te rekenen vanaf de datum van zijn inschrijving in het openbaar register, dan wordt hij uit het openbaar register weggelaten. De stagiair kan slechts na een termijn van drie jaar de stage hervatten en na opnieuw geslaagd te zijn voor het toelatingsexamen.
§ 2. De bepalingen bedoeld in hoofdstuk 11, afdeling 2, zijn van toepassing op de personen bedoeld onder paragraaf 1.
Tijdens de stageperiode voert de stagiair minstens duizend uur per jaar activiteiten uit, met als doel voldoende beroepservaring te verwerven voor het uitoefenen van het beroep. De activiteiten van de stage worden vastgelegd in een stageovereenkomst met een beroepsbeoefenaar die al gedurende minstens vijf jaar het beroep uitoefent na het slagen in zijn stage.
De stage wordt afgesloten met een bekwaamheidsexamen.
Slaagt de stagiair niet in het bekwaamheidsexamen binnen de acht jaar te rekenen vanaf de datum van zijn inschrijving in het openbaar register, dan wordt hij uit het openbaar register weggelaten. De stagiair kan slechts na een termijn van drie jaar de stage hervatten en na opnieuw geslaagd te zijn voor het toelatingsexamen.
§ 2. De bepalingen bedoeld in hoofdstuk 11, afdeling 2, zijn van toepassing op de personen bedoeld onder paragraaf 1.
Art.13. § 1er. La durée du stage pour l'octroi de la qualité visée à l'article 10 dure au moins trois ans. Elle peut être prolongée de la durée de la suspension que la commission de stage approuve pour raisons légitimes.
Pendant la période de stage, le stagiaire accomplit au moins mille heures par an d'activités, avec comme objectif d'acquérir suffisamment d'expérience pour l'exercice de la profession. Les activités du stage sont établies dans une convention de stage avec un professionnel qui exerce la profession depuis déjà au moins cinq ans après la réussite de son stage.
Le stage se clôture par un examen d'aptitude.
Si le stagiaire ne réussit pas l'examen d'aptitude dans les huit ans à partir de la date de son inscription dans le registre public, il est dans ce cas omis du registre public. Le stagiaire ne peut recommencer le stage qu'après un délai de trois ans et après avoir à nouveau réussi l'examen d'admission.
§ 2. Les dispositions visées dans le chapitre 11, section 2, sont applicables aux personnes visées au paragraphe 1er.
Pendant la période de stage, le stagiaire accomplit au moins mille heures par an d'activités, avec comme objectif d'acquérir suffisamment d'expérience pour l'exercice de la profession. Les activités du stage sont établies dans une convention de stage avec un professionnel qui exerce la profession depuis déjà au moins cinq ans après la réussite de son stage.
Le stage se clôture par un examen d'aptitude.
Si le stagiaire ne réussit pas l'examen d'aptitude dans les huit ans à partir de la date de son inscription dans le registre public, il est dans ce cas omis du registre public. Le stagiaire ne peut recommencer le stage qu'après un délai de trois ans et après avoir à nouveau réussi l'examen d'admission.
§ 2. Les dispositions visées dans le chapitre 11, section 2, sont applicables aux personnes visées au paragraphe 1er.
Art.14. De stagecommissie kan, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de stage inkorten of een vrijstelling van de stage toestaan wanneer de persoon ten minste zeven jaar relevante ervaring met de uitoefening van het beroep kan aantonen. [1 De persoon die vrijgesteld is van de stage legt een bekwaamheidsexamen af volgens de nadere regels bepaald door de Koning.]1
Art.14. La commission de stage peut, sous les conditions fixées par le Roi, raccourcir le stage ou accorder une dispense de stage lorsque la personne peut démontrer une expérience pertinente de sept ans au moins dans l'exercice de la profession. [1 La personne qui est dispensée du stage présente un examen d'aptitude selon les modalités fixées par le Roi.]1
Änderungen
Art.15. De stagecommissie kan een tussentijdse proef of meerdere tussentijdse proeven gedurende de stage organiseren om de verworven kennis en bekwaamheid voor het beroep te evalueren.
Art.15. La commission de stage peut organiser une épreuve intermédiaire ou plusieurs épreuves intermédiaires pendant le stage en vue d'évaluer la connaissance et la compétence acquise pour la profession.
Art.16. De stagiair die ingeschreven is voor de stage van "gecertificeerd accountant" mag, mits de uitdrukkelijke toestemming vermeld in de stageovereenkomst, de activiteiten van gecertificeerd accountant uitoefenen bedoeld in artikel 3, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°, in opdracht en voor rekening van derden. Hij draagt in dit geval de titel van "stagiair gecertificeerd accountant".
Onverminderd het eerste lid, kan de Koning, na advies van de Raad van het Instituut, bepalen welke activiteiten de stagiair mag uitoefenen.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Onverminderd het eerste lid, kan de Koning, na advies van de Raad van het Instituut, bepalen welke activiteiten de stagiair mag uitoefenen.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Art.16. Le stagiaire qui est inscrit pour le stage d'"expert-comptable certifié" peut, avec l'accord exprès mentionné dans la convention de stage, exercer les activités d'expert-comptable certifié visées à l'article 3, à l'exception des activités visées à l'article 3, 6° à 8°, sur demande et pour compte de tiers. Il porte dans ce cas le titre d'"expert-comptable certifié stagiaire".
Sans préjudice de l'alinéa 1er, le Roi peut, après avis du Conseil de l'Institut, déterminer quelles activités le stagiaire peut exercer.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, le Roi peut, après avis du Conseil de l'Institut, déterminer quelles activités le stagiaire peut exercer.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Onderafdeling 2. - De stagecommissie
Sous-section 2. - La commission de stage
Art.17. § 1. De Koning richt bij het Instituut een stagecommissie in die belast is met de stage en het toekennen van de hoedanigheid van gecertificeerd accountant en van gecertificeerd belastingadviseur aan natuurlijke personen. De commissie staat onder toezicht van de Raad van het Instituut en heeft als opdracht advies uit te brengen aan de Raad van het Instituut over de volgende zaken :
1° de organisatie van het toelatingsexamen;
2° het verlenen van vrijstellingen voor opleidingsonderdelen van het toelatingsexamen;
3° het goedkeuren van stageovereenkomsten en het toezicht op de stage;
4° de organisatie van het bekwaamheidsexamen;
5° het organiseren van tussentijdse proeven;
6° de organisatie van de bekwaamheidsproef voor onderdanen van een andere lidstaat;
7° het verlenen van een vrijstelling van de stage of een inkorting van de stageduur voor de natuurlijke personen die een relevante beroepservaring van zeven jaar kunnen voorleggen;
8° het selecteren van personen die de examenvragen voor het toelatingsexamen en het bekwaamheidsexamen opstellen en verbeteren;
9° een voorstel van een examenreglement voor respectievelijk het toelatingsexamen en het bekwaamheidsexamen ter goedkeuring voorleggen aan de Raad van het Instituut.
§ 2. Na advies van de Raad van het Instituut stelt de Koning het stagereglement vast.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Het stagereglement houdt ten minste in :
1° de samenstelling, de werking, de opdracht en de procedures van de stagecommissie;
2° de inhoud en de nadere regels voor het toelatingsexamen en de vrijstellingen;
3° de nadere regels van de stage, met inbegrip van de stageovereenkomst, de rechten en de verplichtingen gedurende de stage van zowel de stagemeester als de stagiair;
4° de inhoud en de nadere regels van het bekwaamheidsexamen, met inbegrip van de samenstelling en de werking van de examenjury;
5° de procedure voor het toekennen van de vrijstelling van de stage na zeven jaar relevante beroepservaring;
6° de inhoud en de nadere regels van de bekwaamheidsproef;
7° de procedure voor het instellen van hoger beroep.
§ 3. De stagecommissie maakt elk jaar een jaarverslag op. Het verslag wordt aan de Raad van het Instituut ter goedkeuring voorgelegd.
1° de organisatie van het toelatingsexamen;
2° het verlenen van vrijstellingen voor opleidingsonderdelen van het toelatingsexamen;
3° het goedkeuren van stageovereenkomsten en het toezicht op de stage;
4° de organisatie van het bekwaamheidsexamen;
5° het organiseren van tussentijdse proeven;
6° de organisatie van de bekwaamheidsproef voor onderdanen van een andere lidstaat;
7° het verlenen van een vrijstelling van de stage of een inkorting van de stageduur voor de natuurlijke personen die een relevante beroepservaring van zeven jaar kunnen voorleggen;
8° het selecteren van personen die de examenvragen voor het toelatingsexamen en het bekwaamheidsexamen opstellen en verbeteren;
9° een voorstel van een examenreglement voor respectievelijk het toelatingsexamen en het bekwaamheidsexamen ter goedkeuring voorleggen aan de Raad van het Instituut.
§ 2. Na advies van de Raad van het Instituut stelt de Koning het stagereglement vast.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Het stagereglement houdt ten minste in :
1° de samenstelling, de werking, de opdracht en de procedures van de stagecommissie;
2° de inhoud en de nadere regels voor het toelatingsexamen en de vrijstellingen;
3° de nadere regels van de stage, met inbegrip van de stageovereenkomst, de rechten en de verplichtingen gedurende de stage van zowel de stagemeester als de stagiair;
4° de inhoud en de nadere regels van het bekwaamheidsexamen, met inbegrip van de samenstelling en de werking van de examenjury;
5° de procedure voor het toekennen van de vrijstelling van de stage na zeven jaar relevante beroepservaring;
6° de inhoud en de nadere regels van de bekwaamheidsproef;
7° de procedure voor het instellen van hoger beroep.
§ 3. De stagecommissie maakt elk jaar een jaarverslag op. Het verslag wordt aan de Raad van het Instituut ter goedkeuring voorgelegd.
Art.17. § 1er. Le Roi crée auprès de l'Institut une commission de stage chargée du stage et de l'octroi aux personnes physiques de la qualité d'expert-comptable certifié et de conseiller fiscal certifié. La commission est sous le contrôle du Conseil de l'Institut et a pour mission de rendre des avis au Conseil de l'Institut sur les affaires suivantes :
1° l'organisation de l'examen d'admission;
2° l'octroi de dispenses pour les parties de formation de l'examen d'admission;
3° l'approbation des conventions de stage et le contrôle du stage;
4° l'organisation de l'examen d'aptitude;
5° l'organisation d'épreuves intermédiaires;
6° l'organisation de l'épreuve d'aptitude pour les ressortissants d'un autre Etat membre;
7° l'octroi d'une dispense de stage ou de réduction de la durée du stage pour les personnes physiques qui peuvent établir une expérience professionnelle pertinente de sept ans;
8° la sélection des personnes rédigeant et corrigeant les questions d'examen pour l'examen d'admission et l'examen d'aptitude;
9° soumettre à l'approbation du Conseil de l'Institut une proposition d'un règlement d'examen pour respectivement l'examen d'admission et l'examen d'aptitude.
§ 2. Après avis du Conseil de l'Institut, le Roi établit le règlement de stage.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Le règlement de stage contient au moins :
1° la composition, le fonctionnement, la mission et les procédures de la commission de stage;
2° le contenu et les modalités de l'examen d'admission et des dispenses;
3° les modalités de stage, y inclus la convention de stage, les droits et obligations tant du maître de stage que du stagiaire durant le stage;
4° le contenu et les modalités de l'examen d'aptitude, y compris la composition et le fonctionnement du jury d'examen;
5° la procédure pour l'octroi de la dispense de stage après sept ans d'expérience professionnelle pertinente;
6° le contenu et les modalités de l'épreuve d'aptitude;
7° la procédure pour l'introduction d'un recours.
§ 3. La commission de stage établit chaque année un rapport annuel. Le rapport est soumis à l'approbation du Conseil de l'Institut.
1° l'organisation de l'examen d'admission;
2° l'octroi de dispenses pour les parties de formation de l'examen d'admission;
3° l'approbation des conventions de stage et le contrôle du stage;
4° l'organisation de l'examen d'aptitude;
5° l'organisation d'épreuves intermédiaires;
6° l'organisation de l'épreuve d'aptitude pour les ressortissants d'un autre Etat membre;
7° l'octroi d'une dispense de stage ou de réduction de la durée du stage pour les personnes physiques qui peuvent établir une expérience professionnelle pertinente de sept ans;
8° la sélection des personnes rédigeant et corrigeant les questions d'examen pour l'examen d'admission et l'examen d'aptitude;
9° soumettre à l'approbation du Conseil de l'Institut une proposition d'un règlement d'examen pour respectivement l'examen d'admission et l'examen d'aptitude.
§ 2. Après avis du Conseil de l'Institut, le Roi établit le règlement de stage.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Le règlement de stage contient au moins :
1° la composition, le fonctionnement, la mission et les procédures de la commission de stage;
2° le contenu et les modalités de l'examen d'admission et des dispenses;
3° les modalités de stage, y inclus la convention de stage, les droits et obligations tant du maître de stage que du stagiaire durant le stage;
4° le contenu et les modalités de l'examen d'aptitude, y compris la composition et le fonctionnement du jury d'examen;
5° la procédure pour l'octroi de la dispense de stage après sept ans d'expérience professionnelle pertinente;
6° le contenu et les modalités de l'épreuve d'aptitude;
7° la procédure pour l'introduction d'un recours.
§ 3. La commission de stage établit chaque année un rapport annuel. Le rapport est soumis à l'approbation du Conseil de l'Institut.
Art.18. Tegen de volgende beslissingen van de Raad genomen op voorstel van de stagecommissie kan beroep bij de commissie van beroep worden ingesteld :
1° beslissingen met betrekking tot het toelatingsexamen, met name de vrijstellingen en het resultaat van het toelatingsexamen;
2° beslissingen met betrekking tot de stage, met name de stageovereenkomst en het verloop van de stage;
3° beslissingen met betrekking tot het bekwaamheidsexamen;
4° beslissingen met betrekking tot de bekwaamheidsproef.
1° beslissingen met betrekking tot het toelatingsexamen, met name de vrijstellingen en het resultaat van het toelatingsexamen;
2° beslissingen met betrekking tot de stage, met name de stageovereenkomst en het verloop van de stage;
3° beslissingen met betrekking tot het bekwaamheidsexamen;
4° beslissingen met betrekking tot de bekwaamheidsproef.
Art.18. Un recours peut être formé auprès de la commission d'appel contre les décisions suivantes du Conseil prises sur proposition de la commission de stage :
1° les décisions concernant l'examen d'admission, à savoir les dispenses et le résultat de l'examen d'admission;
2° les décisions concernant le stage, à savoir la convention de stage et le déroulement du stage;
3° les décisions concernant l'examen d'aptitude;
4° les décisions concernant l'épreuve d'aptitude.
1° les décisions concernant l'examen d'admission, à savoir les dispenses et le résultat de l'examen d'admission;
2° les décisions concernant le stage, à savoir la convention de stage et le déroulement du stage;
3° les décisions concernant l'examen d'aptitude;
4° les décisions concernant l'épreuve d'aptitude.
Afdeling 4. - Eedaflegging
Section 4. - Prestation de serment
Art.19. Een natuurlijk persoon kan slechts ingeschreven worden in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of van (intern) gecertificeerd belastingadviseur na het afleggen van de eed na het slagen voor het bekwaamheidsexamen.
Art.19. Une personne physique peut uniquement être inscrite dans le registre public de l'Institut avec la qualité d'expert-comptable certifié (interne) ou de conseiller fiscal certifié (interne) qu'après avoir prêté serment après la réussite de l'examen d'aptitude.
Art.20. § 1. De persoon met de Belgische nationaliteit die in het openbaar register van het Instituut wenst ingeschreven te worden met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur legt de volgende eed af :
"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd in eer en geweten te vervullen.".
De persoon die niet de Belgische nationaliteit heeft, legt de volgende eed af : "Ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd, in eer en geweten te vervullen volgens de voorschriften van de Belgische wet.".
De persoon die zijn woonplaats in België heeft, legt de eed af voor de ondernemingsrechtsbank van zijn woonplaats.
De persoon die geen woonplaats in België heeft, legt de eed af voor de ondernemingsrechtsbank van zijn keuze.
§ 2. De persoon die in het openbaar register van het Instituut wenst ingeschreven te worden met de hoedanigheid van intern gecertificeerd accountant of intern gecertificeerd belastingadviseur, legt de eed af, bedoeld in paragraaf 1, eerste of tweede lid, voor de voorzitter of de ondervoorzitter van het Instituut.
"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd in eer en geweten te vervullen.".
De persoon die niet de Belgische nationaliteit heeft, legt de volgende eed af : "Ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd, in eer en geweten te vervullen volgens de voorschriften van de Belgische wet.".
De persoon die zijn woonplaats in België heeft, legt de eed af voor de ondernemingsrechtsbank van zijn woonplaats.
De persoon die geen woonplaats in België heeft, legt de eed af voor de ondernemingsrechtsbank van zijn keuze.
§ 2. De persoon die in het openbaar register van het Instituut wenst ingeschreven te worden met de hoedanigheid van intern gecertificeerd accountant of intern gecertificeerd belastingadviseur, legt de eed af, bedoeld in paragraaf 1, eerste of tweede lid, voor de voorzitter of de ondervoorzitter van het Instituut.
Art.20. § 1er. La personne de nationalité belge qui désire être inscrite dans le registre public de l'Institut avec la qualité d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié prête le serment suivant :
"Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et je jure de remplir fidèlement les missions qui me seront confiées en honneur et conscience.".
La personne de nationalité étrangère prête serment dans les termes suivants :"Je jure de remplir fidèlement, en honneur et conscience, selon les prescriptions de la loi belge, les missions qui me seront confiées.".
La personne qui est domiciliée en Belgique prête serment devant le tribunal de l'entreprise de son domicile.
La personne qui n'a pas de domicile en Belgique prête serment devant le tribunal de l'entreprise de son choix.
§ 2. La personne qui désire être inscrite dans le registre de l'Institut avec la qualité d'expert-comptable certifié interne ou de conseiller fiscal interne, prête le serment visé au paragraphe 1er, alinéa 1er ou 2, devant le président ou le vice-président de l'Institut.
"Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et je jure de remplir fidèlement les missions qui me seront confiées en honneur et conscience.".
La personne de nationalité étrangère prête serment dans les termes suivants :"Je jure de remplir fidèlement, en honneur et conscience, selon les prescriptions de la loi belge, les missions qui me seront confiées.".
La personne qui est domiciliée en Belgique prête serment devant le tribunal de l'entreprise de son domicile.
La personne qui n'a pas de domicile en Belgique prête serment devant le tribunal de l'entreprise de son choix.
§ 2. La personne qui désire être inscrite dans le registre de l'Institut avec la qualité d'expert-comptable certifié interne ou de conseiller fiscal interne, prête le serment visé au paragraphe 1er, alinéa 1er ou 2, devant le président ou le vice-président de l'Institut.
Afdeling 5. - Inschrijving als accountant en fiscaal accountant en de overgang naar de hoedanigheid van gecertificeerd accountant en van gecertificeerd belastingadviseur
Section 5. - Inscription comme expert-comptable et expert-comptable fiscaliste et passage vers la qualité d'expert-comptable certifié et de conseiller fiscal certifié
Art.21. De personen die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven waren op het tableau van "boekhouders" als bedoeld in artikel 46, § 1, tweede lid, van de wet van 22 april 1999, worden als (intern) accountant ingeschreven in het openbaar register van het Instituut.
Wensen deze personen de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd accountant" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken :
1° consolidatie;
2° interne controle;
3° accountantsonderzoek;
4° bijzondere opdrachten in het vennootschaps- en verenigingsrecht;
5° juridische beroepsnormen betreffende wettelijke en contractuele opdrachten voorhouden aan de gecertificeerde accountants.
Wensen deze personen de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd belastingadviseur" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken :
1° personenbelasting;
2° vennootschapsbelasting;
3° belasting over de toegevoegde waarde;
4° beginselen van de registratie- en successierechten;
5° fiscale procedure;
6° beginselen van het Europees en internationaal fiscaal recht.
[1 De Koning bepaalt de nadere regels van het bekwaamheidsexamen bedoeld in het tweede en derde lid.]1
Wensen deze personen de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd accountant" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken :
1° consolidatie;
2° interne controle;
3° accountantsonderzoek;
4° bijzondere opdrachten in het vennootschaps- en verenigingsrecht;
5° juridische beroepsnormen betreffende wettelijke en contractuele opdrachten voorhouden aan de gecertificeerde accountants.
Wensen deze personen de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd belastingadviseur" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken :
1° personenbelasting;
2° vennootschapsbelasting;
3° belasting over de toegevoegde waarde;
4° beginselen van de registratie- en successierechten;
5° fiscale procedure;
6° beginselen van het Europees en internationaal fiscaal recht.
[1 De Koning bepaalt de nadere regels van het bekwaamheidsexamen bedoeld in het tweede en derde lid.]1
Art.21. Les personnes qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, étaient inscrites sur le tableau des "comptables" comme visé à l'article 46, § 1er, alinéa 2, de la loi du 22 avril 1999, sont inscrites comme expert-comptable (interne) dans le registre public de l'Institut.
Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité d'"expert-comptable certifié (interne)", elles doivent dans ce cas réussir l'examen d'aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les matières suivantes :
1° comptes consolidés;
2° contrôle interne;
3° révision comptable;
4° missions spéciales du droit des sociétés et des associations;
5° normes juridiques et professionnelles relatives aux missions légales et contractuelles réservées aux experts-comptables certifiés.
Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité de "conseiller fiscal certifié (interne)", elles doivent dans ce cas réussir l'examen d'aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les matières suivantes :
1° impôt des personnes physiques;
2° impôt des sociétés;
3° taxe sur la valeur ajoutée;
4° principes des droits d'enregistrement et de succession;
5° procédure fiscale;
6° les principes de droit fiscal européen et international.
[1 Le Roi détermine les modalités de l'examen d'aptitude visé aux alinéas 2 et 3.]1
Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité d'"expert-comptable certifié (interne)", elles doivent dans ce cas réussir l'examen d'aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les matières suivantes :
1° comptes consolidés;
2° contrôle interne;
3° révision comptable;
4° missions spéciales du droit des sociétés et des associations;
5° normes juridiques et professionnelles relatives aux missions légales et contractuelles réservées aux experts-comptables certifiés.
Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité de "conseiller fiscal certifié (interne)", elles doivent dans ce cas réussir l'examen d'aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les matières suivantes :
1° impôt des personnes physiques;
2° impôt des sociétés;
3° taxe sur la valeur ajoutée;
4° principes des droits d'enregistrement et de succession;
5° procédure fiscale;
6° les principes de droit fiscal européen et international.
[1 Le Roi détermine les modalités de l'examen d'aptitude visé aux alinéas 2 et 3.]1
Änderungen
Art.22. De personen die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, ingeschreven waren op het tableau van "boekhouders-fiscalisten" als bedoeld in artikel 46, § 1, tweede lid, van de wet van 22 april 1999, worden als (intern) fiscaal accountant ingeschreven in het openbaar register van het Instituut.
Wensen deze personen de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd accountant" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken :
1° consolidatie;
2° interne controle;
3° accountantsonderzoek;
4° bijzondere opdrachten in het vennootschaps- en verenigingsrecht;
5° juridische beroepsnormen betreffende wettelijke en contractuele opdrachten voorbehouden aan de gecertificeerde accountants.
Wensen deze personen de hoedanigheid van "gecertificeerd belastingadviseur" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de beginselen van het Europees en internationaal fiscaal recht.
De persoon die kiest voor de hoedanigheid van gecertificeerd belastingadviseur mag de activiteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 8°, niet meer uitoefenen.
[1 De Koning bepaalt de nadere regels van het bekwaamheidsexamen bedoeld in het tweede en derde lid.]1
Wensen deze personen de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd accountant" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken :
1° consolidatie;
2° interne controle;
3° accountantsonderzoek;
4° bijzondere opdrachten in het vennootschaps- en verenigingsrecht;
5° juridische beroepsnormen betreffende wettelijke en contractuele opdrachten voorbehouden aan de gecertificeerde accountants.
Wensen deze personen de hoedanigheid van "gecertificeerd belastingadviseur" te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de beginselen van het Europees en internationaal fiscaal recht.
De persoon die kiest voor de hoedanigheid van gecertificeerd belastingadviseur mag de activiteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 8°, niet meer uitoefenen.
[1 De Koning bepaalt de nadere regels van het bekwaamheidsexamen bedoeld in het tweede en derde lid.]1
Art.22. Les personnes qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, étaient inscrites sur le tableau des "comptables-fiscalistes" comme visé à l'article 46, § 1er, alinéa 2, de la loi du 22 avril 1999, sont inscrites comme expert-comptable fiscaliste (interne) dans le registre public de l'Institut.
Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité d'"expert-comptable certifié (interne)", elles doivent dans ce cas réussir l'examen d'aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les matières suivantes :
1° comptes consolidés;
2° contrôle interne;
3° révision comptable;
4° missions spéciales du droit des sociétés et des associations;
5° normes juridiques et professionnelles relatives aux missions légales et contractuelles réservées aux experts-comptables certifiés.
Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité de "conseiller fiscal certifié", elles doivent dans ce cas réussir l'examen d'aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les principes de droit fiscal européen et international.
La personne qui choisit la qualité de conseiller fiscal certifié ne peut plus exercer les activités visées à l'article 3, 1° à 8°.
[1 Le Roi détermine les modalités de l'examen d'aptitude visé aux alinéas 2 et 3.]1
Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité d'"expert-comptable certifié (interne)", elles doivent dans ce cas réussir l'examen d'aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les matières suivantes :
1° comptes consolidés;
2° contrôle interne;
3° révision comptable;
4° missions spéciales du droit des sociétés et des associations;
5° normes juridiques et professionnelles relatives aux missions légales et contractuelles réservées aux experts-comptables certifiés.
Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité de "conseiller fiscal certifié", elles doivent dans ce cas réussir l'examen d'aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les principes de droit fiscal européen et international.
La personne qui choisit la qualité de conseiller fiscal certifié ne peut plus exercer les activités visées à l'article 3, 1° à 8°.
[1 Le Roi détermine les modalités de l'examen d'aptitude visé aux alinéas 2 et 3.]1
Änderungen
Afdeling 6. - De tijdelijke en occasionele beroepsuitoefening
Section 6. - L'exercice temporaire et occasionnel
Art.23. § 1. De natuurlijke personen, onderdanen van een lidstaat, zijn gemachtigd om tijdelijk en occasioneel de activiteiten van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur uit te oefenen zonder de voorwaarden te moeten vervullen als bedoeld in artikel 10 van deze wet volgens de nadere regels voorzien in de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties indien zij :
1° op wettige wijze zijn gevestigd in een andere lidstaat om er hetzelfde beroep uit te oefenen, en
2° het beroep van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting gedurende tenminste een jaar hebben uitgeoefend in één of meer lidstaten, indien het beroep niet gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging.
Het tijdelijk en occasioneel karakter van de dienstverrichting wordt door de Raad van het Instituut per geval beoordeeld, met name in functie van de duur, de frequentie, de regelmaat en de continuïteit.
§ 2. In toepassing van artikel 9 van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificatie stellen de personen bedoeld in paragraaf 1 die zich voor het eerst naar België begeven om er tijdelijk en occasioneel het beroep van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur uit te oefenen, de Raad van het Instituut hiervan vooraf in kennis door middel van een schriftelijke verklaring, met daarin de gegevens betreffende verzekeringsdekking of andere middelen van persoonlijke of collectieve bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid.
Deze verklaring wordt eenmaal per jaar hernieuwd indien de dienstverrichter voornemens is om diensten te verrichten in België op een tijdelijke en occasionele manier tijdens het desbetreffende jaar. Bovendien, bij de eerste dienstverrichting of indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten gestaafde situatie, bezorgt de dienstverrichter ook de documenten voorzien in artikel 9, § 2, a) tot d), van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties.
De dienstverrichter kan die verklaring met alle middelen aanleveren.
§ 3. De personen die occasioneel en tijdelijk het beroep in België uitoefenen, voeren de activiteiten in België uit met naleving van het wettelijk, reglementair en normatief kader. De bepalingen bedoeld in hoofdstuk 11, afdeling 2, zijn op hen van toepassing.
1° op wettige wijze zijn gevestigd in een andere lidstaat om er hetzelfde beroep uit te oefenen, en
2° het beroep van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting gedurende tenminste een jaar hebben uitgeoefend in één of meer lidstaten, indien het beroep niet gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging.
Het tijdelijk en occasioneel karakter van de dienstverrichting wordt door de Raad van het Instituut per geval beoordeeld, met name in functie van de duur, de frequentie, de regelmaat en de continuïteit.
§ 2. In toepassing van artikel 9 van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificatie stellen de personen bedoeld in paragraaf 1 die zich voor het eerst naar België begeven om er tijdelijk en occasioneel het beroep van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur uit te oefenen, de Raad van het Instituut hiervan vooraf in kennis door middel van een schriftelijke verklaring, met daarin de gegevens betreffende verzekeringsdekking of andere middelen van persoonlijke of collectieve bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid.
Deze verklaring wordt eenmaal per jaar hernieuwd indien de dienstverrichter voornemens is om diensten te verrichten in België op een tijdelijke en occasionele manier tijdens het desbetreffende jaar. Bovendien, bij de eerste dienstverrichting of indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten gestaafde situatie, bezorgt de dienstverrichter ook de documenten voorzien in artikel 9, § 2, a) tot d), van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalificaties.
De dienstverrichter kan die verklaring met alle middelen aanleveren.
§ 3. De personen die occasioneel en tijdelijk het beroep in België uitoefenen, voeren de activiteiten in België uit met naleving van het wettelijk, reglementair en normatief kader. De bepalingen bedoeld in hoofdstuk 11, afdeling 2, zijn op hen van toepassing.
Art.23. § 1er. Les personnes physiques ressortissantes d'un Etat membre sont autorisées à exercer temporairement et occasionnellement les activités d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié, sans devoir remplir les conditions visées à l'article 10 de la présente loi selon les modalités prévues dans la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles si :
1° elles sont légalement établies dans un autre Etat membre pour y exercer la même profession et
2° lorsque la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié n'est pas réglementée dans l'Etat membre d'établissement, elles l'ont exercée dans un ou plusieurs Etats membres pendant au moins une année au cours des dix années qui précèdent leur prestation de services.
Le caractère temporaire et occasionnel de la prestation de services est apprécié au cas par cas par le Conseil de l'Institut, notamment en fonction de sa durée, de sa fréquence, de sa périodicité et de sa continuité.
§ 2. En application de l'article 9 de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles, lorsque les personnes visées au paragraphe 1er se déplacent vers le territoire de la Belgique pour la première fois pour exercer, de façon temporaire et occasionnelle, la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié, elles en informent préalablement le Conseil de l'Institut par une déclaration écrite comprenant les informations relatives aux couvertures d'assurance ou autres moyens de protection personnelle ou collective concernant la responsabilité professionnelle.
Cette déclaration est renouvelée une fois par an si le prestataire de services compte fournir des services d'une manière temporaire ou occasionnelle en Belgique au cours de l'année concernée. En outre, lors de la première prestation de services ou en cas de changement matériel relatif à la situation établie par les documents, le prestataire de services fournit également les documents prévus à l'article 9, § 2, a) à d), de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles.
Le prestataire de services peut apporter cette déclaration par tous les moyens.
§ 3. Les personnes qui exercent occasionnellement et temporairement la profession exercent les activités en Belgique dans le respect du cadre légal, réglementaire et normatif. Les dispositions prévues au chapitre 11, section 2, leur sont applicables.
1° elles sont légalement établies dans un autre Etat membre pour y exercer la même profession et
2° lorsque la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié n'est pas réglementée dans l'Etat membre d'établissement, elles l'ont exercée dans un ou plusieurs Etats membres pendant au moins une année au cours des dix années qui précèdent leur prestation de services.
Le caractère temporaire et occasionnel de la prestation de services est apprécié au cas par cas par le Conseil de l'Institut, notamment en fonction de sa durée, de sa fréquence, de sa périodicité et de sa continuité.
§ 2. En application de l'article 9 de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles, lorsque les personnes visées au paragraphe 1er se déplacent vers le territoire de la Belgique pour la première fois pour exercer, de façon temporaire et occasionnelle, la profession d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié, elles en informent préalablement le Conseil de l'Institut par une déclaration écrite comprenant les informations relatives aux couvertures d'assurance ou autres moyens de protection personnelle ou collective concernant la responsabilité professionnelle.
Cette déclaration est renouvelée une fois par an si le prestataire de services compte fournir des services d'une manière temporaire ou occasionnelle en Belgique au cours de l'année concernée. En outre, lors de la première prestation de services ou en cas de changement matériel relatif à la situation établie par les documents, le prestataire de services fournit également les documents prévus à l'article 9, § 2, a) à d), de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifications professionnelles.
Le prestataire de services peut apporter cette déclaration par tous les moyens.
§ 3. Les personnes qui exercent occasionnellement et temporairement la profession exercent les activités en Belgique dans le respect du cadre légal, réglementaire et normatif. Les dispositions prévues au chapitre 11, section 2, leur sont applicables.
Afdeling 7. - De toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen
Section 7. - Délivrance de la qualité aux personnes morales
Art.24. [1 § 1.]1 Een rechtspersoon wordt op zijn verzoek in het openbaar register van het Instituut ingeschreven met de hoedanigheid van erkend rechtspersoon, indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° de rechtspersoon is opgericht met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch recht of naar het recht van een andere lidstaat;
2° het voorwerp en de activiteiten van de rechtspersoon zijn beperkt tot de activiteiten bedoeld in artikel 3 of 6 of tot het uitoefenen van de hiermee verenigbare beroepsactiviteiten;
3° de rechtspersoon bezit enkel deelnemingen in andere vennootschappen of rechtspersonen, waarvan het maatschappelijk doel en de activiteiten niet onverenigbaar zijn met de uitoefening van de beroepsactiviteiten bedoeld in de artikel en 3 of 6;
4° de beroepsbeoefenaars en/of de personen die in een andere lidstaat een hoedanigheid bezitten die gelijkwaardig is aan één van de hoedanigheden gegeven door het Instituut aan de beroepsbeoefenaars in België, hebben de meerderheid van het stemrecht in de algemene vergadering;
5° de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan bestaat uit beroepsbeoefenaars en/of personen die in een andere lidstaat een hoedanigheid bezitten die gelijkwaardig is aan één van de hoedanigheden gegeven door het Instituut aan de beroepsbeoefenaars in België.
[1 Wanneer de meerderheid van de leden-beroepsbeoefenaars van het bestuursorgaan de hoedanigheid van "(fiscale) accountants", "gecertificeerde accountants", "gecertificeerde belastingadviseurs" of een gelijkwaardige erkende hoedanigheid in een andere lidstaat heeft, wordt respectievelijk de melding "(fiscaal) accountant", "gecertificeerd accountant" of "gecertificeerd belastingadviseur" opgenomen in het openbaar register. Indien geen enkele hoedanigheid de meerderheid van de leden-beroepsbeoefenaars vormt, wordt de hoedanigheid van de voorzitter van het bestuursorgaan voor de rechtspersoon opgenomen in het openbaar register.]1
[1 § 2. De bepaling van paragraaf 1, 4°, is niet van toepassing voor de rechtspersoon opgericht binnen een rechtspersonengroep of een beroepsgroepering en waarvan het voorwerp erin bestaat, diensten te verlenen als bedoeld in de artikelen 3 en 6, aan de ondernemingen van de groep, aan de ondernemingen aangesloten bij de beroepsgroepering of aan haar vennoten.
In afwijking van paragraaf 1, 5°, bestaat de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan binnen een rechtspersoon bedoeld in het eerste lid uit personen bedoeld in artikel 2, 3°, 6° en 7°.
In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, wordt één van de meldingen "(fiscaal) accountant", "gecertificeerd accountant" of "gecertificeerd belastingadviseur" opgenomen in het openbaar register wanneer een deel van het bestuursorgaan binnen een rechtspersoon bedoeld in het eerste lid bestaat uit personen bedoeld in artikel 2, 3°, 6° en 7°.]1
1° de rechtspersoon is opgericht met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch recht of naar het recht van een andere lidstaat;
2° het voorwerp en de activiteiten van de rechtspersoon zijn beperkt tot de activiteiten bedoeld in artikel 3 of 6 of tot het uitoefenen van de hiermee verenigbare beroepsactiviteiten;
3° de rechtspersoon bezit enkel deelnemingen in andere vennootschappen of rechtspersonen, waarvan het maatschappelijk doel en de activiteiten niet onverenigbaar zijn met de uitoefening van de beroepsactiviteiten bedoeld in de artikel en 3 of 6;
4° de beroepsbeoefenaars en/of de personen die in een andere lidstaat een hoedanigheid bezitten die gelijkwaardig is aan één van de hoedanigheden gegeven door het Instituut aan de beroepsbeoefenaars in België, hebben de meerderheid van het stemrecht in de algemene vergadering;
5° de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan bestaat uit beroepsbeoefenaars en/of personen die in een andere lidstaat een hoedanigheid bezitten die gelijkwaardig is aan één van de hoedanigheden gegeven door het Instituut aan de beroepsbeoefenaars in België.
[1 Wanneer de meerderheid van de leden-beroepsbeoefenaars van het bestuursorgaan de hoedanigheid van "(fiscale) accountants", "gecertificeerde accountants", "gecertificeerde belastingadviseurs" of een gelijkwaardige erkende hoedanigheid in een andere lidstaat heeft, wordt respectievelijk de melding "(fiscaal) accountant", "gecertificeerd accountant" of "gecertificeerd belastingadviseur" opgenomen in het openbaar register. Indien geen enkele hoedanigheid de meerderheid van de leden-beroepsbeoefenaars vormt, wordt de hoedanigheid van de voorzitter van het bestuursorgaan voor de rechtspersoon opgenomen in het openbaar register.]1
[1 § 2. De bepaling van paragraaf 1, 4°, is niet van toepassing voor de rechtspersoon opgericht binnen een rechtspersonengroep of een beroepsgroepering en waarvan het voorwerp erin bestaat, diensten te verlenen als bedoeld in de artikelen 3 en 6, aan de ondernemingen van de groep, aan de ondernemingen aangesloten bij de beroepsgroepering of aan haar vennoten.
In afwijking van paragraaf 1, 5°, bestaat de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan binnen een rechtspersoon bedoeld in het eerste lid uit personen bedoeld in artikel 2, 3°, 6° en 7°.
In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, wordt één van de meldingen "(fiscaal) accountant", "gecertificeerd accountant" of "gecertificeerd belastingadviseur" opgenomen in het openbaar register wanneer een deel van het bestuursorgaan binnen een rechtspersoon bedoeld in het eerste lid bestaat uit personen bedoeld in artikel 2, 3°, 6° en 7°.]1
Art.24. [1 § 1.]1 Une personne morale est inscrite dans le registre public de l'Institut, à sa demande, avec la qualité de personne morale reconnue, si cette personne morale répond aux conditions suivantes :
1° la personne morale est constituée sous l'empire du droit belge ou du droit d'un autre Etat membre et dispose de la personnalité juridique;
2° l'objet et les activités de la personne morale sont limités aux activités professionnelles visées à l'article 3 ou 6 ou à l'exercice d'activités professionnelles compatibles avec celles-ci;
3° la personne morale ne détient des participations que dans d'autres sociétés ou personnes morales dont l'objet social et les activités ne sont pas incompatibles avec l'exercice des activités professionnelles visées aux articles 3 ou 6;
4° les professionnels et/ou les personnes qui, dans un autre Etat membre, ont une qualité équivalente à l'une de celles délivrées par l'Institut aux professionnels en Belgique, ont la majorité des droits de vote à l'assemblée générale;
5° la majorité des membres de l'organe de gestion est composée de professionnels et/ou de personnes qui ont dans un autre Etat membre une qualité équivalente à l'une de celles délivrées par l'Institut aux professionnels en Belgique.
[1 Lorsque la majorité des professionnels membres de l'organe de gestion ont la qualité "d'expert-comptable (fiscaliste), d'expert-comptable certifié, de conseiller fiscal certifié ou une qualité reconnue équivalente dans un autre Etat membre, la mention respective d'expert-comptable (fiscaliste), d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié est reprise dans le registre public. Si aucune qualité ne forme la majorité des professionnels membres, la qualité du président de l'organe de gestion de la personne morale est reprise dans le registre public.]1
[1 § 2. La disposition du paragraphe 1er, 4°, n'est pas applicable à la personne morale constituée au sein d'un groupe de personnes morales ou d'un groupement professionnel et dont l'objet consiste à fournir, aux entreprises du groupe, aux entreprises affiliées au groupement professionnel ou à ses associés, les services visés aux articles 3 et 6.
Par dérogation au paragraphe 1er, 5°, la majorité des membres de l'organe de gestion au sein d'une personne morale visée à l'alinéa 1er est composée des personnes visées à l'article 2, 3°, 6° et 7°.
"Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 2, une des mentions "expert-comptable (fiscal)" expert-comptable certifié" ou "conseiller fiscal certifié" est reprise dans le registre public lorsqu'une partie de l'organe de gestion au sein d'une personne morale visé à l'alinéa 1er est composée des personnes visées à l'article 2,3°, 6° et 7°.]1
1° la personne morale est constituée sous l'empire du droit belge ou du droit d'un autre Etat membre et dispose de la personnalité juridique;
2° l'objet et les activités de la personne morale sont limités aux activités professionnelles visées à l'article 3 ou 6 ou à l'exercice d'activités professionnelles compatibles avec celles-ci;
3° la personne morale ne détient des participations que dans d'autres sociétés ou personnes morales dont l'objet social et les activités ne sont pas incompatibles avec l'exercice des activités professionnelles visées aux articles 3 ou 6;
4° les professionnels et/ou les personnes qui, dans un autre Etat membre, ont une qualité équivalente à l'une de celles délivrées par l'Institut aux professionnels en Belgique, ont la majorité des droits de vote à l'assemblée générale;
5° la majorité des membres de l'organe de gestion est composée de professionnels et/ou de personnes qui ont dans un autre Etat membre une qualité équivalente à l'une de celles délivrées par l'Institut aux professionnels en Belgique.
[1 Lorsque la majorité des professionnels membres de l'organe de gestion ont la qualité "d'expert-comptable (fiscaliste), d'expert-comptable certifié, de conseiller fiscal certifié ou une qualité reconnue équivalente dans un autre Etat membre, la mention respective d'expert-comptable (fiscaliste), d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié est reprise dans le registre public. Si aucune qualité ne forme la majorité des professionnels membres, la qualité du président de l'organe de gestion de la personne morale est reprise dans le registre public.]1
[1 § 2. La disposition du paragraphe 1er, 4°, n'est pas applicable à la personne morale constituée au sein d'un groupe de personnes morales ou d'un groupement professionnel et dont l'objet consiste à fournir, aux entreprises du groupe, aux entreprises affiliées au groupement professionnel ou à ses associés, les services visés aux articles 3 et 6.
Par dérogation au paragraphe 1er, 5°, la majorité des membres de l'organe de gestion au sein d'une personne morale visée à l'alinéa 1er est composée des personnes visées à l'article 2, 3°, 6° et 7°.
"Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 2, une des mentions "expert-comptable (fiscal)" expert-comptable certifié" ou "conseiller fiscal certifié" est reprise dans le registre public lorsqu'une partie de l'organe de gestion au sein d'une personne morale visé à l'alinéa 1er est composée des personnes visées à l'article 2,3°, 6° et 7°.]1
Art.25. De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, nadere regels vastleggen over de toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen, alsook de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen van stagiairs en rechtspersonen uit derde landen.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Art.25. Le Roi peut, après avis du Conseil de l'Institut, préciser les modalités d'octroi de la qualité aux personnes morales, ainsi que les conditions et la procédure pour la reconnaissance de la qualité à des personnes morales de stagiaires et personnes morales de pays tiers.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Afdeling 8. - De weigering van de hoedanigheid aan natuurlijke personen en rechtspersonen
Section 8. - Le refus de la qualité aux personnes physiques et morales
Art.26. De Raad van het Instituut kan de toekenning van de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of (intern) gecertificeerd belastingadviseur aan een natuurlijk persoon weigeren, wanneer hij van oordeel is dat de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en de bekwaamheid van de persoon in kwestie in het gedrang wordt gebracht of kan worden gebracht, meer bepaald in één van de volgende gevallen :
1° wanneer hij niet of niet meer aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, als bepaald in artikel 10;
2° wanneer de persoon een beroepsactiviteit uitoefent die onverenigbaar is met de beroepsactiviteiten bedoeld in de artikel en 3 en 6.
1° wanneer hij niet of niet meer aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, als bepaald in artikel 10;
2° wanneer de persoon een beroepsactiviteit uitoefent die onverenigbaar is met de beroepsactiviteiten bedoeld in de artikel en 3 en 6.
Art.26. Le Conseil de l'Institut peut refuser l'octroi de la qualité d'expert-comptable certifié (interne) ou de conseiller fiscal certifié (interne) à une personne physique lorsqu'il est d'avis que l'indépendance, l'honorabilité et la compétence de la personne peuvent être ou sont mises en danger, en particulier dans les situations suivantes :
1° lorsqu'elle ne remplit pas ou plus les conditions d'admission, telles que prévues à l'article 10;
2° lorsque la personne exerce une activité professionnelle qui est incompatible avec les activités professionnelles visées aux articles 3 et 6.
1° lorsqu'elle ne remplit pas ou plus les conditions d'admission, telles que prévues à l'article 10;
2° lorsque la personne exerce une activité professionnelle qui est incompatible avec les activités professionnelles visées aux articles 3 et 6.
Art.27. De Raad van het Instituut kan de toekenning van de hoedanigheid aan een rechtspersoon weigeren wanneer hij bij de beoordeling van de individuele aanvraag voor een toekenning van oordeel is dat de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en de bekwaamheid van de rechtspersoon in het gedrang wordt gebracht of kan worden, meer bepaald in één van de volgende gevallen :
1° wanneer een beroepsbeoefenaar als vennoot, een zaakvoerder, een bestuurder of een lid van het directiecomité dat optreedt in naam en voor rekening van de rechtspersoon, niet of niet meer voldoet aan een van de voorwaarden vermeld in artikel 10, § 1, 2°, 3° en 4° ;
2° wanneer de rechtspersoon of, in voorkomend geval, de rechtspersonen als vennoot of als lid van het bestuursorgaan en die beroepsbeoefenaar zijn :
a) failliet werd verklaard;
b) het voorwerp is van een vonnis tot opening van procedure van een gerechtelijke reorganisatie;
c) gerechtelijk ontbonden werd;
d) het voorwerp uitmaakt of heeft uitgemaakt van een gelijkaardige of administratieve maatregel in België, in een lidstaat of in een derde land of een strafrechtelijke veroordeling opgelopen heeft die in kracht van gewijsde is getreden voor een misdrijf als bedoeld in artikel 10, 4°, zelfs met uitstel, tot een geldboete van ten minste 1 500 euro, in voorkomend geval, te verhogen met de wettelijke opdeciemen, of een gelijkaardige veroordeling in een lidstaat of een derde land;
3° wanneer een vennoot, een zaakvoerder, een bestuurder of een lid van het directiecomité en die beroepsbeoefenaar is en optreedt in naam en voor rekening van de rechtspersoon, een beroepsactiviteit uitoefent die onverenigbaar is met de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel en 3 en 6.
1° wanneer een beroepsbeoefenaar als vennoot, een zaakvoerder, een bestuurder of een lid van het directiecomité dat optreedt in naam en voor rekening van de rechtspersoon, niet of niet meer voldoet aan een van de voorwaarden vermeld in artikel 10, § 1, 2°, 3° en 4° ;
2° wanneer de rechtspersoon of, in voorkomend geval, de rechtspersonen als vennoot of als lid van het bestuursorgaan en die beroepsbeoefenaar zijn :
a) failliet werd verklaard;
b) het voorwerp is van een vonnis tot opening van procedure van een gerechtelijke reorganisatie;
c) gerechtelijk ontbonden werd;
d) het voorwerp uitmaakt of heeft uitgemaakt van een gelijkaardige of administratieve maatregel in België, in een lidstaat of in een derde land of een strafrechtelijke veroordeling opgelopen heeft die in kracht van gewijsde is getreden voor een misdrijf als bedoeld in artikel 10, 4°, zelfs met uitstel, tot een geldboete van ten minste 1 500 euro, in voorkomend geval, te verhogen met de wettelijke opdeciemen, of een gelijkaardige veroordeling in een lidstaat of een derde land;
3° wanneer een vennoot, een zaakvoerder, een bestuurder of een lid van het directiecomité en die beroepsbeoefenaar is en optreedt in naam en voor rekening van de rechtspersoon, een beroepsactiviteit uitoefent die onverenigbaar is met de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel en 3 en 6.
Art.27. Le Conseil de l'Institut peut refuser à une personne morale l'octroi de la qualité lorsque, lors de l'appréciation de la demande individuelle, il est d'avis que l'indépendance, l'honorabilité et la compétence de la personne morale peuvent être ou sont mises en danger, en particulier dans l'une des situations suivantes :
1° lorsqu'un professionnel en tant qu'associé, un gérant, un administrateur ou un membre du comité de direction qui intervient au nom et pour le compte d'une personne morale, ne répond pas ou plus à l'une des conditions visées à l'article 10, § 1er, 2°, 3°, et 4° ;
2° lorsque la personne morale ou, le cas échéant, les personnes morales comme associé ou comme membre de l'organe d'administration et qui sont des professionnels :
a) a été déclarée en faillite;
b) a fait l'objet d'un jugement d'ouverture de procédure de réorganisation judiciaire;
c) a été judiciairement liquidé;
d) fait ou a fait l'objet d'une mesure similaire ou d'une mesure administrative en Belgique, dans un Etat membre ou dans un pays tiers ou a fait l'objet d'une condamnation pénale coulée en force de chose jugée pour un délit visé à l'article 10, 4°, même avec sursis, à une amende de minimum 1 500 euros, à augmenter le cas échéant des décimes additionnels, ou d'une condamnation équivalente dans un Etat membre ou un pays tiers;
3° lorsqu'un associé, un gérant, un administrateur ou un membre du comité de direction et qui est un professionnel et intervient au nom et pour le compte d'une personne morale, exerce une activité professionnelle qui est incompatible avec les activités professionnelles visées aux articles 3 et 6.
1° lorsqu'un professionnel en tant qu'associé, un gérant, un administrateur ou un membre du comité de direction qui intervient au nom et pour le compte d'une personne morale, ne répond pas ou plus à l'une des conditions visées à l'article 10, § 1er, 2°, 3°, et 4° ;
2° lorsque la personne morale ou, le cas échéant, les personnes morales comme associé ou comme membre de l'organe d'administration et qui sont des professionnels :
a) a été déclarée en faillite;
b) a fait l'objet d'un jugement d'ouverture de procédure de réorganisation judiciaire;
c) a été judiciairement liquidé;
d) fait ou a fait l'objet d'une mesure similaire ou d'une mesure administrative en Belgique, dans un Etat membre ou dans un pays tiers ou a fait l'objet d'une condamnation pénale coulée en force de chose jugée pour un délit visé à l'article 10, 4°, même avec sursis, à une amende de minimum 1 500 euros, à augmenter le cas échéant des décimes additionnels, ou d'une condamnation équivalente dans un Etat membre ou un pays tiers;
3° lorsqu'un associé, un gérant, un administrateur ou un membre du comité de direction et qui est un professionnel et intervient au nom et pour le compte d'une personne morale, exerce une activité professionnelle qui est incompatible avec les activités professionnelles visées aux articles 3 et 6.
Art.28. Beroep tegen de in deze afdeling bedoelde beslissingen van de Raad van het Instituut is mogelijk bij de commissie van beroep.
Art.28. Un recours contre les décisions du Conseil de l'Institut visées à la présente section est possible devant la commission d'appel.
HOOFDSTUK 5. - Het openbaar register
CHAPITRE 5. - Le registre public
Afdeling 1. - Inschrijving in het openbaar register
Section 1re. - Inscription dans le registre public
Art.29. [1 § 1.]1 Het Instituut houdt een openbaar register bij om toe te laten de lijst van personen die het beroep mogen uitoefenen of de beroepstitel mogen dragen, te raadplegen en na te kijken.
Elke beroepsbeoefenaar, zowel een natuurlijk als een rechtspersoon, wordt ingeschreven in het openbaar register, met de toevoeging van zijn hoedanigheid.
De stagiairs worden eveneens ingeschreven in het openbaar register, met de vermelding van stagiair.
De personen die het beroep binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen en die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoorden, worden ingeschreven met hun hoedanigheid.
Het Instituut wijst bij de inschrijving aan elke ingeschreven persoon een inschrijvingsnummer toe.
[1 § 2. Het Instituut houdt in het openbaar register een aparte lijst bij van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, omvattende de personen die de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 6, § 1, uitoefenen, zonder het voeren van de beroepstitel bedoeld in paragraaf 1, om toe te laten de lijst van deze personen te raadplegen en na te kijken.]1
Elke beroepsbeoefenaar, zowel een natuurlijk als een rechtspersoon, wordt ingeschreven in het openbaar register, met de toevoeging van zijn hoedanigheid.
De stagiairs worden eveneens ingeschreven in het openbaar register, met de vermelding van stagiair.
De personen die het beroep binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen en die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoorden, worden ingeschreven met hun hoedanigheid.
Het Instituut wijst bij de inschrijving aan elke ingeschreven persoon een inschrijvingsnummer toe.
[1 § 2. Het Instituut houdt in het openbaar register een aparte lijst bij van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, omvattende de personen die de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 6, § 1, uitoefenen, zonder het voeren van de beroepstitel bedoeld in paragraaf 1, om toe te laten de lijst van deze personen te raadplegen en na te kijken.]1
Art.29. [1 § 1er.]1 Un registre public est tenu au sein de l'Institut en vue de permettre de consulter et de vérifier la liste des personnes autorisées à exercer la profession ou porter le titre professionnel.
Chaque professionnel, tant la personne physique que la personne morale, est inscrite dans le registre public, avec l'ajout de sa qualité.
Les stagiaires sont également inscrits au registre public, avec la mention de stagiaire.
Les personnes qui exercent la profession dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une profession rémunérée par les pouvoirs publics et qui répondent aux conditions du chapitre 4, sont inscrites avec leur qualité.
Lors de l'inscription, l'Institut attribue à chaque personne inscrite un numéro d'inscription.
[1 § 2. L'institut tient le registre public une liste séparée des personnes visées à l'article 6, § 2, alinéa 1er, reprenant les personnes qui exercent les activités professionnelles visées à l'article 6, § 1er, sans porter le titre professionnel visé au paragraphe 1er, afin de lui permettre de consulter et de vérifier cette liste de personnes.]1
Chaque professionnel, tant la personne physique que la personne morale, est inscrite dans le registre public, avec l'ajout de sa qualité.
Les stagiaires sont également inscrits au registre public, avec la mention de stagiaire.
Les personnes qui exercent la profession dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une profession rémunérée par les pouvoirs publics et qui répondent aux conditions du chapitre 4, sont inscrites avec leur qualité.
Lors de l'inscription, l'Institut attribue à chaque personne inscrite un numéro d'inscription.
[1 § 2. L'institut tient le registre public une liste séparée des personnes visées à l'article 6, § 2, alinéa 1er, reprenant les personnes qui exercent les activités professionnelles visées à l'article 6, § 1er, sans porter le titre professionnel visé au paragraphe 1er, afin de lui permettre de consulter et de vérifier cette liste de personnes.]1
Art.30. [2 § 1.]2 Het openbaar register [2 bedoeld in artikel 29, § 1,]2 bevat de volgende gegevens :
1° de naam van de beroepsbeoefenaar of in voorkomend geval van de stagiair of van de persoon bedoeld in artikel 29, vierde lid, het inschrijvingsnummer en de contactgegevens;
2° het adres waar de beroepsbeoefenaar kantoor houdt;
3° de hoedanigheid van de beroepsbeoefenaar of, in voorkomend geval, de vermelding van stagiair, (intern) (gecertificeerd) accountant, (intern) (gecertificeerd) belastingadviseur of (intern) fiscaal accountant;
4° in voorkomend geval, het netwerk waartoe de beroepsbeoefenaar behoort;
5° in voorkomend geval, het ondernemingsnummer;
6° in voorkomend geval, de melding bedoeld in [1 artikel 24, § 1, tweede lid of § 2, derde lid]1;
7° de taal, Nederlands of Frans, gekozen door de aanvrager, zoals hernomen in zijn aanvraag tot inschrijving;
8° de datum van de eedaflegging.
[2 § 2. De aparte lijst van het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, bevat :
1° de naam van de persoon, natuurlijke persoon en rechtspersoon, en de contactgegevens;
2° het adres waar deze persoon de activiteiten uitoefent en, ingeval het een rechtspersoon betreft, het adres van de maatschappelijke zetel;
3° het ondernemingsnummer, zowel als natuurlijk persoon als rechtspersoon.
De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, de aparte lijst in het openbaar register, bedoeld in artikel 29, § 2, aanvullen met bijkomende gegevens die rechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, alsook de nadere regels van het openbaar register vaststellen. Die bijkomende gegevens zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
§ 3. Bij elke kandidatuur wordt een dossier gevoegd, met de in deze paragraaf genoemde gegevens. Het dossier omvat bovendien een omstandige beschrijving van de samenstelling en de organisatie van zijn kantoor en van zijn werkmethodes. Indien de persoon werkzaam is of is geweest in het kader van een rechtspersoon, omvat het dossier bovendien een beschrijving van de rechtspersoon, haar organisatie en werking en van de plaats die de persoon erin bekleedt.
De Raad van het Instituut mag van een persoon eisen dat hij zijn dossier vervolledigt door overlegging, binnen de termijn die zij vaststellen, van alle stukken of gegevens die nodig zijn om over de aanvraag te kunnen beslissen.
De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de inschrijving in het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.]2
1° de naam van de beroepsbeoefenaar of in voorkomend geval van de stagiair of van de persoon bedoeld in artikel 29, vierde lid, het inschrijvingsnummer en de contactgegevens;
2° het adres waar de beroepsbeoefenaar kantoor houdt;
3° de hoedanigheid van de beroepsbeoefenaar of, in voorkomend geval, de vermelding van stagiair, (intern) (gecertificeerd) accountant, (intern) (gecertificeerd) belastingadviseur of (intern) fiscaal accountant;
4° in voorkomend geval, het netwerk waartoe de beroepsbeoefenaar behoort;
5° in voorkomend geval, het ondernemingsnummer;
6° in voorkomend geval, de melding bedoeld in [1 artikel 24, § 1, tweede lid of § 2, derde lid]1;
7° de taal, Nederlands of Frans, gekozen door de aanvrager, zoals hernomen in zijn aanvraag tot inschrijving;
8° de datum van de eedaflegging.
[2 § 2. De aparte lijst van het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, bevat :
1° de naam van de persoon, natuurlijke persoon en rechtspersoon, en de contactgegevens;
2° het adres waar deze persoon de activiteiten uitoefent en, ingeval het een rechtspersoon betreft, het adres van de maatschappelijke zetel;
3° het ondernemingsnummer, zowel als natuurlijk persoon als rechtspersoon.
De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, de aparte lijst in het openbaar register, bedoeld in artikel 29, § 2, aanvullen met bijkomende gegevens die rechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, alsook de nadere regels van het openbaar register vaststellen. Die bijkomende gegevens zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
§ 3. Bij elke kandidatuur wordt een dossier gevoegd, met de in deze paragraaf genoemde gegevens. Het dossier omvat bovendien een omstandige beschrijving van de samenstelling en de organisatie van zijn kantoor en van zijn werkmethodes. Indien de persoon werkzaam is of is geweest in het kader van een rechtspersoon, omvat het dossier bovendien een beschrijving van de rechtspersoon, haar organisatie en werking en van de plaats die de persoon erin bekleedt.
De Raad van het Instituut mag van een persoon eisen dat hij zijn dossier vervolledigt door overlegging, binnen de termijn die zij vaststellen, van alle stukken of gegevens die nodig zijn om over de aanvraag te kunnen beslissen.
De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de inschrijving in het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.]2
Art.30. [2 § 1er.]2 Le registre public [2 visés à l'article 29, § 1er,]2 contient les informations suivantes :
1° le nom du professionnel ou, le cas échéant, du stagiaire ou de la personne visée à l'article 29, alinéa 4, le numéro d'inscription et les données de contact;
2° l'adresse où le professionnel a son cabinet;
3° la qualité du professionnel ou, le cas échéant, la mention de stagiaire, expert-comptable (certifié) (interne), conseiller fiscal (certifié) (interne) ou expert-comptable fiscaliste (interne);
4° le cas échéant, le réseau dont fait partie le professionnel;
5° le cas échéant, le numéro d'entreprise;
6° le cas échéant, la mention visée à l'[1 article 24, § 1er, alinéa deux ou § 2, alinéa trois]1;
7° la langue, le français ou le néerlandais, choisie par le demandeur, telle que reprise dans sa demande d'inscription;
8° la date de la prestation de serment.
[2 § 2. La liste séparée du registre public visée à l'article 29, § 2, contient :
1° le nom de la personne physique et de la personne morale et ses coordonnées;
2° l'adresse où ces personnes exercent leurs activités et, dans le cas d'une personne morale, l'adresse du siège social;
3° le numéro d'entreprise, tant comme personne physique que comme personne morale.
Le Roi peut, après avis du Conseil de l'Institut, compléter la liste séparée du registre public, visée à l'article 29, § 2, par des informations complémentaires directement liées à l'exercice de la profession, ainsi que déterminer les autres règles du registre public. Ces données supplémentaires sont limitées à ce qui est strictement nécessaire aux fins du registre public.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans un délai de trois mois à compter de la réception de la demande d'avis sur le projet, faute de quoi le Conseil de l'Institut est réputé ne pas avoir de commentaires sur ce projet.
§ 3. Chaque candidature sera accompagnée d'un dossier contenant les données auxquelles il est référé dans le présent paragraphe. Le dossier contient en outre une description détaillée de la composition et de l'organisation de son cabinet et de ses méthodes de travail. Si la personne est active au sein d'une personne morale ou l'a été dans le passé, le dossier contiendra en outre une description de la personne morale, de son organisation et de son fonctionnement, ainsi que de la fonction que la personne y occupait.
Le Conseil de l'Institut peut exiger d'une personne qu'elle complète son dossier par la production, dans le délai qu'il fixera, de tous documents ou toutes données nécessaires afin de prendre une décision relative à la demande.
Le Roi détermine, après avis du Conseil de l'Institut, les modalités de l'inscription dans le registre public.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.]2
1° le nom du professionnel ou, le cas échéant, du stagiaire ou de la personne visée à l'article 29, alinéa 4, le numéro d'inscription et les données de contact;
2° l'adresse où le professionnel a son cabinet;
3° la qualité du professionnel ou, le cas échéant, la mention de stagiaire, expert-comptable (certifié) (interne), conseiller fiscal (certifié) (interne) ou expert-comptable fiscaliste (interne);
4° le cas échéant, le réseau dont fait partie le professionnel;
5° le cas échéant, le numéro d'entreprise;
6° le cas échéant, la mention visée à l'[1 article 24, § 1er, alinéa deux ou § 2, alinéa trois]1;
7° la langue, le français ou le néerlandais, choisie par le demandeur, telle que reprise dans sa demande d'inscription;
8° la date de la prestation de serment.
[2 § 2. La liste séparée du registre public visée à l'article 29, § 2, contient :
1° le nom de la personne physique et de la personne morale et ses coordonnées;
2° l'adresse où ces personnes exercent leurs activités et, dans le cas d'une personne morale, l'adresse du siège social;
3° le numéro d'entreprise, tant comme personne physique que comme personne morale.
Le Roi peut, après avis du Conseil de l'Institut, compléter la liste séparée du registre public, visée à l'article 29, § 2, par des informations complémentaires directement liées à l'exercice de la profession, ainsi que déterminer les autres règles du registre public. Ces données supplémentaires sont limitées à ce qui est strictement nécessaire aux fins du registre public.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans un délai de trois mois à compter de la réception de la demande d'avis sur le projet, faute de quoi le Conseil de l'Institut est réputé ne pas avoir de commentaires sur ce projet.
§ 3. Chaque candidature sera accompagnée d'un dossier contenant les données auxquelles il est référé dans le présent paragraphe. Le dossier contient en outre une description détaillée de la composition et de l'organisation de son cabinet et de ses méthodes de travail. Si la personne est active au sein d'une personne morale ou l'a été dans le passé, le dossier contiendra en outre une description de la personne morale, de son organisation et de son fonctionnement, ainsi que de la fonction que la personne y occupait.
Le Conseil de l'Institut peut exiger d'une personne qu'elle complète son dossier par la production, dans le délai qu'il fixera, de tous documents ou toutes données nécessaires afin de prendre une décision relative à la demande.
Le Roi détermine, après avis du Conseil de l'Institut, les modalités de l'inscription dans le registre public.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.]2
Art.31. De Raad van het Instituut is belast met het houden en het bijwerken van de gegevens van het openbaar register.
De [1 persoon ingeschreven in het openbaar register]1 brengt de Raad van het Instituut binnen de vijftien dagen na de wijziging op de hoogte van elke wijziging van de gegevens opgenomen in het openbaar register. Hij is verantwoordelijk voor de juistheid van de aan het Instituut meegedeelde gegevens.
De [1 persoon ingeschreven in het openbaar register]1 brengt de Raad van het Instituut binnen de vijftien dagen na de wijziging op de hoogte van elke wijziging van de gegevens opgenomen in het openbaar register. Hij is verantwoordelijk voor de juistheid van de aan het Instituut meegedeelde gegevens.
Art.31. Le Conseil de l'Institut est chargé de la tenue et du traitement des données du registre public.
[1 La personne inscrite dans le registre public]1 informe le Conseil de l'Institut dans les quinze jours suivant la modification, de toute modification des données reprises dans le registre public. Il est responsable de l'exactitude des données communiquées à l'Institut.
[1 La personne inscrite dans le registre public]1 informe le Conseil de l'Institut dans les quinze jours suivant la modification, de toute modification des données reprises dans le registre public. Il est responsable de l'exactitude des données communiquées à l'Institut.
Art.32. Het openbaar register bevat ook de gegevens van :
1° de personen die het beroep tijdelijk en occasioneel mogen uitoefenen, uit hoofde van artikel 23;
2° de natuurlijke personen en rechtspersonen uit derde landen die de beroepsactiviteit in België mogen uitoefenen, in uitvoering van artikel 25.
De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, het openbaar register aanvullen met bijkomende gegevens die rechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, alsook de nadere regels van het openbaar register vaststellen. Die bijkomende gegevens zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
1° de personen die het beroep tijdelijk en occasioneel mogen uitoefenen, uit hoofde van artikel 23;
2° de natuurlijke personen en rechtspersonen uit derde landen die de beroepsactiviteit in België mogen uitoefenen, in uitvoering van artikel 25.
De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, het openbaar register aanvullen met bijkomende gegevens die rechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, alsook de nadere regels van het openbaar register vaststellen. Die bijkomende gegevens zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Art.32. Le registre public contient également les données :
1° des personnes qui peuvent exercer temporairement et occasionnellement la profession, sur la base de l'article 23;
2° des personnes physiques et morales de pays tiers qui peuvent exercer les activités professionnelles en Belgique en vertu de l'article 25.
Le Roi peut, après avis du Conseil de l'Institut, compléter le registre public de données supplémentaires directement liées à l'exercice de la profession ainsi que fixer les modalités du registre public. Ces données supplémentaires sont limitées à ce qui est strictement nécessaire pour les objectifs du registre public.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
1° des personnes qui peuvent exercer temporairement et occasionnellement la profession, sur la base de l'article 23;
2° des personnes physiques et morales de pays tiers qui peuvent exercer les activités professionnelles en Belgique en vertu de l'article 25.
Le Roi peut, après avis du Conseil de l'Institut, compléter le registre public de données supplémentaires directement liées à l'exercice de la profession ainsi que fixer les modalités du registre public. Ces données supplémentaires sont limitées à ce qui est strictement nécessaire pour les objectifs du registre public.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Afdeling 2. - Uitschrijving uit het openbaar register
Section 2. - Désinscription du registre public
Art.33. [1 § 1.]1 Wanneer de beroepsbeoefenaar of in voorkomend geval de stagiair of een (intern) gecertificeerd accountant of een (intern) gecertificeerd belastingadviseur, een (intern) accountant of een (intern) fiscaal accountant hierom verzoekt, wordt hij uit het openbaar register uitgeschreven.
Wanneer de persoon om de uitschrijving van het openbaar register verzoekt, nadat hij binnen de gestelde termijn is terechtgewezen als bepaald in artikel 86 of wanneer de betrokken persoon naar de tuchtinstanties wordt doorverwezen, kan hij slechts uitgeschreven worden na de beslissing van de tuchtcommissie of in voorkomend geval na de beslissing van de commissie van beroep.
De uitschrijving heeft tot gevolg dat de betrokken persoon zijn hoedanigheid verliest.
De persoonsgegevens behandeld door het Instituut worden bijgehouden zolang dat nodig is om de doeleinden door of krachtens deze wet te behalen en maximaal gedurende tien jaar te rekenen vanaf de uitschrijving.
[1 § 2. Wanneer de persoon bedoeld in artikel 29, § 2, hierom verzoekt, wordt hij uit het openbaar register uitgeschreven.
Wanneer de persoon om de uitschrijving van het openbaar register verzoekt, terwijl hij het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke procedure voor een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of die een sanctie heeft opgelopen in de zin van artikel 118 van de wet van 18 september 2017, kan hij slechts uitgeschreven worden na de beslissing van de gerechtelijke instantie of in voorkomend geval na de beslissing van de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 118 van de wet van 18 september 2017.
De uitschrijving heeft tot gevolg dat de betrokken persoon noch als zelfstandige, noch als natuurlijk persoon noch als rechtspersoon, voor rekening van derden, in hoofdberoep of bijberoep, de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 6, § 1, van deze wet meer mag uitoefenen.
De persoonsgegevens behandeld door het Instituut worden bijgehouden zolang dat nodig is om de doeleinden door of krachtens deze wet te behalen en maximaal gedurende tien jaar te rekenen vanaf de uitschrijving.]1
Wanneer de persoon om de uitschrijving van het openbaar register verzoekt, nadat hij binnen de gestelde termijn is terechtgewezen als bepaald in artikel 86 of wanneer de betrokken persoon naar de tuchtinstanties wordt doorverwezen, kan hij slechts uitgeschreven worden na de beslissing van de tuchtcommissie of in voorkomend geval na de beslissing van de commissie van beroep.
De uitschrijving heeft tot gevolg dat de betrokken persoon zijn hoedanigheid verliest.
De persoonsgegevens behandeld door het Instituut worden bijgehouden zolang dat nodig is om de doeleinden door of krachtens deze wet te behalen en maximaal gedurende tien jaar te rekenen vanaf de uitschrijving.
[1 § 2. Wanneer de persoon bedoeld in artikel 29, § 2, hierom verzoekt, wordt hij uit het openbaar register uitgeschreven.
Wanneer de persoon om de uitschrijving van het openbaar register verzoekt, terwijl hij het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke procedure voor een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of die een sanctie heeft opgelopen in de zin van artikel 118 van de wet van 18 september 2017, kan hij slechts uitgeschreven worden na de beslissing van de gerechtelijke instantie of in voorkomend geval na de beslissing van de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 118 van de wet van 18 september 2017.
De uitschrijving heeft tot gevolg dat de betrokken persoon noch als zelfstandige, noch als natuurlijk persoon noch als rechtspersoon, voor rekening van derden, in hoofdberoep of bijberoep, de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 6, § 1, van deze wet meer mag uitoefenen.
De persoonsgegevens behandeld door het Instituut worden bijgehouden zolang dat nodig is om de doeleinden door of krachtens deze wet te behalen en maximaal gedurende tien jaar te rekenen vanaf de uitschrijving.]1
Art.33. [1 § 1er.]1 Lorsque le professionnel ou, le cas échéant, le stagiaire ou l'expert-comptable certifié (interne), le conseiller fiscal certifié (interne), l'expert-comptable (interne) ou l'expert-comptable-fiscaliste (interne) le demande, il est désinscrit du registre public.
Lorsque la personne demande sa désinscription du registre public, lorsqu'elle a été rappelée à l'ordre dans le délai fixé, comme fixé à l'article 86, ou lorsque la personne concernée est renvoyée devant les instances disciplinaires, elle ne peut être désinscrite qu'après la décision de la commission de discipline ou, le cas échéant, qu'après la décision de la commission d'appel.
La désinscription a pour conséquence que la personne perde sa qualité.
Les données à caractère personnel traitées par l'Institut sont conservées le temps nécessaire à la réalisation des finalités par ou en vertu de la présente loi et au maximum dix ans à partir de la désinscription.
[1 § 2. Lorsque la personne visée à l'article 29, § 2, le demande, elle est désinscrite du registre public.
Lorsque la personne demande sa désinscription du registre public, tandis qu'elle fait l'objet d'une procédure judiciaire pour infraction à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ou qui aà encouru une sanction au sens de l'article 118 de la loi du 18 septembre 2017, elle ne peut être désinscrite qu'après la décision de l'instance judiciaire ou, le cas échéant, qu'après la décision des autorités de contrôle visées à l'article 118 de la loi du 18 septembre 2017.
La désinscription a pour conséquence que la personne concernée ne peut plus exercer, ni comme indépendant, en tant que personne physique ou personne morale, pour compte de tiers, à titre principal ou complémentaire, les activités professionnelles visées à l'article 6, § 1er, de la présente loi.
Les données à caractère personnel traitées par l'Institut sont conservées le temps nécessaire à la réalisation des finalités de ou en vertu de la présente loi et au maximum dix ans à partir de la désinscription.]1
Lorsque la personne demande sa désinscription du registre public, lorsqu'elle a été rappelée à l'ordre dans le délai fixé, comme fixé à l'article 86, ou lorsque la personne concernée est renvoyée devant les instances disciplinaires, elle ne peut être désinscrite qu'après la décision de la commission de discipline ou, le cas échéant, qu'après la décision de la commission d'appel.
La désinscription a pour conséquence que la personne perde sa qualité.
Les données à caractère personnel traitées par l'Institut sont conservées le temps nécessaire à la réalisation des finalités par ou en vertu de la présente loi et au maximum dix ans à partir de la désinscription.
[1 § 2. Lorsque la personne visée à l'article 29, § 2, le demande, elle est désinscrite du registre public.
Lorsque la personne demande sa désinscription du registre public, tandis qu'elle fait l'objet d'une procédure judiciaire pour infraction à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ou qui aà encouru une sanction au sens de l'article 118 de la loi du 18 septembre 2017, elle ne peut être désinscrite qu'après la décision de l'instance judiciaire ou, le cas échéant, qu'après la décision des autorités de contrôle visées à l'article 118 de la loi du 18 septembre 2017.
La désinscription a pour conséquence que la personne concernée ne peut plus exercer, ni comme indépendant, en tant que personne physique ou personne morale, pour compte de tiers, à titre principal ou complémentaire, les activités professionnelles visées à l'article 6, § 1er, de la présente loi.
Les données à caractère personnel traitées par l'Institut sont conservées le temps nécessaire à la réalisation des finalités de ou en vertu de la présente loi et au maximum dix ans à partir de la désinscription.]1
Afdeling 3. - De herinschrijving in het openbaar register
Section 3. - La réinscription dans le registre public
Art.34. Elke beroepsbeoefenaar of in voorkomend geval de stagiair of een (intern) gecertificeerd accountant of een (intern) gecertificeerd belastingadviseur, een (intern) accountant of een (intern) fiscaal accountant [1 of de persoon bedoeld in artikel 29, § 2,]1 die op zijn verzoek is uitgeschreven, kan na de uitschrijving om zijn herinschrijving verzoeken.
Een herinschrijving is pas mogelijk wanneer hij de voorwaarden voor de toelating tot het beroep opnieuw vervult.
De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de herinschrijving in het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Een herinschrijving is pas mogelijk wanneer hij de voorwaarden voor de toelating tot het beroep opnieuw vervult.
De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de herinschrijving in het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Art.34. Tout professionnel ou, le cas échéant, le stagiaire ou l'expert-comptable certifié (interne), le conseiller fiscal certifié (interne), l'expert-comptable (interne) ou l'expert-comptable-fiscaliste (interne) [1 ou la personne visée à l'article 29, § 2,]1 qui est désinscrit à sa demande peut, après la désinscription, demander sa réinscription.
La réinscription est uniquement possible lorsque les conditions d'accès à la profession sont à nouveau remplies.
Le Roi détermine, après avis du Conseil de l'Institut, les modalités de la réinscription dans le registre public.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
La réinscription est uniquement possible lorsque les conditions d'accès à la profession sont à nouveau remplies.
Le Roi détermine, après avis du Conseil de l'Institut, les modalités de la réinscription dans le registre public.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Art.35. Beroep tegen de weigering van herinschrijving kan door de uitgeschrevene worden ingesteld bij de commissie van beroep.
Art.35. Un appel peut être interjeté par la personne désinscrite auprès la commission d'appel contre le refus de réinscription.
HOOFDSTUK 6. - Uitoefening van het beroep
CHAPITRE 6. - Exercice de la profession
Afdeling 1. - Principe
Section 1re. - Principe
Art.36. § 1. Alle beroepsbeoefenaars, stagiairs, interne gecertificeerde accountants, interne gecertificeerde belastingadviseurs, interne accountants of interne fiscaal accountants en personen bedoeld in artikel 23 oefenen hun beroepsactiviteit uit met toepassing van het wettelijk, reglementair en normatief kader dat op hen van toepassing is.
§ 2. De Koning legt na advies van de Raad van het Instituut de specifieke maatregelen vast met betrekking tot de deontologie en de maatregelen om de onafhankelijkheid te verzekeren.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Deze regels zijn in voorkomend geval verschillend naargelang de persoon zijn activiteiten uitoefent als zelfstandige of onder een ander statuut en voor de personen bedoeld in artikel 23.
§ 3. Wanneer in dit hoofdstuk wordt verwezen naar de persoon ingeschreven in het openbaar register, is elke persoon vermeld in paragraaf 1 aan die bepaling onderworpen. Wanneer wordt verwezen naar de beroepsbeoefenaar is enkel hij aan die bepaling onderworpen.
§ 2. De Koning legt na advies van de Raad van het Instituut de specifieke maatregelen vast met betrekking tot de deontologie en de maatregelen om de onafhankelijkheid te verzekeren.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Deze regels zijn in voorkomend geval verschillend naargelang de persoon zijn activiteiten uitoefent als zelfstandige of onder een ander statuut en voor de personen bedoeld in artikel 23.
§ 3. Wanneer in dit hoofdstuk wordt verwezen naar de persoon ingeschreven in het openbaar register, is elke persoon vermeld in paragraaf 1 aan die bepaling onderworpen. Wanneer wordt verwezen naar de beroepsbeoefenaar is enkel hij aan die bepaling onderworpen.
Art.36. § 1er. Tous les professionnels, stagiaires, experts-comptables certifiés internes, conseillers fiscaux certifiés internes, experts-comptables internes ou experts-comptables fiscalistes internes et les personnes visées à l'article 23 exercent leurs activités professionnelles dans le respect du cadre légal, réglementaire et normatif qui leur est applicable.
§ 2. Le Roi détermine, après avis du Conseil de l'Institut, les mesures spécifiques relatives à la déontologie ainsi que les mesures visant à assurer l'indépendance.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Ces règles sont, le cas échéant, différentes selon que la personne exerce ses activités sous le statut d'indépendant ou sous un autre statut, et pour les personnes visées à l'article 23.
§ 3. Lorsque dans le présent chapitre, il est fait référence à la personne inscrite dans le registre public, toute personne mentionnée au paragraphe 1er est visée par la disposition. Lorsqu'il est fait référence au professionnel, seul celui-ci est concerné par la disposition.
§ 2. Le Roi détermine, après avis du Conseil de l'Institut, les mesures spécifiques relatives à la déontologie ainsi que les mesures visant à assurer l'indépendance.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Ces règles sont, le cas échéant, différentes selon que la personne exerce ses activités sous le statut d'indépendant ou sous un autre statut, et pour les personnes visées à l'article 23.
§ 3. Lorsque dans le présent chapitre, il est fait référence à la personne inscrite dans le registre public, toute personne mentionnée au paragraphe 1er est visée par la disposition. Lorsqu'il est fait référence au professionnel, seul celui-ci est concerné par la disposition.
Afdeling 2. - Onafhankelijkheid
Section 2. - Indépendance
Art.37. Elke persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 handelt bij het vervullen van de hem toevertrouwde activiteiten of opdrachten in volledige onafhankelijkheid, met respect voor de beginselen van de deontologie. Voor een beroepsbeoefenaar hebben deze minstens betrekking op de verantwoordelijkheid voor het openbaar belang van de beroepsbeoefenaar, zijn integriteit en objectiviteit, alsmede op zijn vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, zijn respect voor de vertrouwelijkheid en zijn professionaliteit.
Art.37. Toute personne inscrite au registre public [1 , à l'exception des personnes visées à l'article 29, § 2,]1 s'acquitte en toute indépendance des activités ou des missions qui lui sont confiées, dans le respect des principes déontologiques. Pour un professionnel, ceux-ci portent au moins sur la fonction d'intérêt public du professionnel, son intégrité et son objectivité, ainsi que sur sa compétence et sa diligence, son respect de la confidentialité et son professionnalisme.
Afdeling 3. - Organisatie van de beroepsactiviteiten
Section 3. - Organisation des activités professionnelles
Art.38. De beroepsbeoefenaar organiseert zijn beroepsactiviteiten in functie van de aard en de omvang van zijn cliëntenbestand en evenredig met de complexiteit van de opdrachten die hij uitvoert. Hij voorziet de gepaste organisatorische en financiële middelen. Hij zet personeel met gepaste beroepskwalificaties adequaat in.
Art.38. Le professionnel organise ses activités professionnelles en fonction de la nature et de l'étendue de sa clientèle et de manière équilibrée à la complexité des missions exécutées. Il prévoit des moyens organisationnels et financiers appropriés. Il engage du personnel avec des qualifications professionnelles appropriées.
Afdeling 4. - Bekwaamheid
Section 4. - Compétence
Art.39. Elke persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 beschikt over de nodige beroepsbekwaamheid om de activiteiten of opdrachten te vervullen die hem kan worden toegewezen of wordt toegewezen.
Hij zet daartoe op regelmatige basis en op continue wijze een permanente vorming voort om zijn beroepskennis en -bekwaamheid en zijn beroepsethiek op voldoende peil te houden.
De Raad van het Instituut is belast met het toezicht op de permanente vorming van de beroepsbeoefenaar, met uitzondering van de stagiairs.
De inhoud en het minimum aantal uren permanente vorming worden vastgelegd in een norm, als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 2°.
Hij zet daartoe op regelmatige basis en op continue wijze een permanente vorming voort om zijn beroepskennis en -bekwaamheid en zijn beroepsethiek op voldoende peil te houden.
De Raad van het Instituut is belast met het toezicht op de permanente vorming van de beroepsbeoefenaar, met uitzondering van de stagiairs.
De inhoud en het minimum aantal uren permanente vorming worden vastgelegd in een norm, als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 2°.
Art.39. Toute personne inscrite au registre public [1 , à l'exception des personnes visées à l'article 29, § 2,]1 dispose de la compétence professionnelle nécessaire pour remplir les activités ou les missions qui peuvent lui être ou lui sont confiées.
Elle poursuit à cet effet de manière régulière et continue une formation permanente pour maintenir à un niveau suffisant sa connaissance, son éthique et ses compétences professionnelles.
Le Conseil de l'Institut est chargé du contrôle sur la formation permanente du professionnel, à l'exclusion des stagiaires.
Le contenu et le nombre d'heures minimum de formation permanente sont fixés dans une norme, visée à l'article 72, alinéa 1er, 2°.
Elle poursuit à cet effet de manière régulière et continue une formation permanente pour maintenir à un niveau suffisant sa connaissance, son éthique et ses compétences professionnelles.
Le Conseil de l'Institut est chargé du contrôle sur la formation permanente du professionnel, à l'exclusion des stagiaires.
Le contenu et le nombre d'heures minimum de formation permanente sont fixés dans une norme, visée à l'article 72, alinéa 1er, 2°.
Afdeling 5. - Cliënten
Section 5. - Clients
Art.40. Voor het aanvaarden van een opdracht beschikt de beroepsbeoefenaar over de nodige bekwaamheid, medewerking en tijd om de opdracht behoorlijk uit te voeren.
Art.40. Le professionnel dispose, avant d'accepter une mission, de la compétence, de la collaboration et du temps nécessaires pour mener à bien la mission.
Art.41. De beroepsbeoefenaar maakt, in overleg met zijn cliënt, een opdrachtbrief op, die de uitvoering van iedere opdracht voorafgaat. Deze opdrachtbrief omschrijft op een evenwichtige wijze de wederzijdse rechten en plichten van de cliënt en de beroepsbeoefenaar.
De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de toepassing van de opdrachtbrief.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de toepassing van de opdrachtbrief.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Art.41. Le professionnel établit, en concertation avec son client, une lettre de mission, précédant l' exécution de toute mission. Cette lettre de mission décrit d'une manière équilibrée les droits et obligations respectives du client et du professionnel.
Le Roi détermine, après avis du Conseil de l'Institut, les modalités d'application de la lettre de mission.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Le Roi détermine, après avis du Conseil de l'Institut, les modalités d'application de la lettre de mission.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Art.42. Bij een opdracht die de cliënt aan een beroepsbeoefenaar als rechtspersoon heeft gegeven, moet die rechtspersoon onder zijn vennoten, zaakvoerders of bestuurders een vertegenwoordiger aanduiden die een natuurlijk persoon is en die de hoedanigheid heeft om deze opdracht uit te voeren.
Deze vertegenwoordiger staat in voor de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon. Voor deze vertegenwoordiger gelden dezelfde voorwaarden en dezelfde aansprakelijkheid als wanneer hij die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen. De betrokken vennootschap kan haar vertegenwoordiger enkel ontslaan als zij tegelijkertijd een opvolger aanduidt.
Deze vertegenwoordiger staat in voor de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon. Voor deze vertegenwoordiger gelden dezelfde voorwaarden en dezelfde aansprakelijkheid als wanneer hij die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen. De betrokken vennootschap kan haar vertegenwoordiger enkel ontslaan als zij tegelijkertijd een opvolger aanduidt.
Art.42. Lors d'une mission confiée par un client à un professionnel agissant en tant que personne morale, cette personne morale est tenue de désigner parmi ses associés, gérants ou administrateurs un représentant personne physique qui a la qualité pour exercer cette mission.
Ce représentant est chargé de l'exécution de la mission au nom et pour le compte de la personne morale. Ce représentant est soumis aux mêmes conditions et encourt la même responsabilité disciplinaire que s'il exerçait cette mission en son nom et pour son compte. La personne morale concernée ne peut révoquer son représentant qu'en désignant simultanément son successeur.
Ce représentant est chargé de l'exécution de la mission au nom et pour le compte de la personne morale. Ce représentant est soumis aux mêmes conditions et encourt la même responsabilité disciplinaire que s'il exerçait cette mission en son nom et pour son compte. La personne morale concernée ne peut révoquer son représentant qu'en désignant simultanément son successeur.
Art.43. De beroepsbeoefenaar is ertoe gehouden om alle boeken, documenten en elektronische of andere gegevens die toebehoren aan de cliënt onverwijld uit handen te geven, wanneer deze erom verzoekt.
Art.43. Le professionnel doit immédiatement remettre tous les livres et documents et informations électroniques ou autres appartenant au client, à la demande de ce dernier.
Afdeling 6. - Aansprakelijkheid
Section 6. - Responsabilité
Art.44. De beroepsbeoefenaar is aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht, voor de uitvoering van de opdrachten die hem zijn toevertrouwd.
Het is de beroepsbeoefenaar verboden om zich, zelfs gedeeltelijk, aan zijn aansprakelijkheid te onttrekken door een bijzondere overeenkomst in de volgende gevallen :
1° in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden;
2° bij de uitoefening door een gecertificeerd accountant van een opdracht die door of krachtens de wet wordt toevertrouwd aan de commissaris of, bij gebrek aan een commissaris, aan een bedrijfsrevisor of aan een gecertificeerd accountant overeenkomstig artikel 24, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
De beroepsbeoefenaar is verplicht om zich voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid te verzekeren met een verzekeringscontract.
De beroepsbeoefenaar bezorgt een bevestiging van zijn verzekeringscontract ter goedkeuring aan het Instituut. De verzekeringsovereenkomst beantwoordt aan de minimale verzekeringsvoorwaarden bepaald door de Koning na advies van de Raad van het Instituut.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Het is de beroepsbeoefenaar verboden om zich, zelfs gedeeltelijk, aan zijn aansprakelijkheid te onttrekken door een bijzondere overeenkomst in de volgende gevallen :
1° in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden;
2° bij de uitoefening door een gecertificeerd accountant van een opdracht die door of krachtens de wet wordt toevertrouwd aan de commissaris of, bij gebrek aan een commissaris, aan een bedrijfsrevisor of aan een gecertificeerd accountant overeenkomstig artikel 24, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
De beroepsbeoefenaar is verplicht om zich voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid te verzekeren met een verzekeringscontract.
De beroepsbeoefenaar bezorgt een bevestiging van zijn verzekeringscontract ter goedkeuring aan het Instituut. De verzekeringsovereenkomst beantwoordt aan de minimale verzekeringsvoorwaarden bepaald door de Koning na advies van de Raad van het Instituut.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Art.44. Le professionnel est responsable, conformément au droit commun, de l'exécution des missions qui lui sont confiées.
Il est interdit au professionnel de s'exonérer, même partiellement, par un contrat particulier, de sa responsabilité, dans les cas suivants :
1° en cas de faute commise avec une intention frauduleuse ou aux fins de nuire;
2° lors de l'accomplissement d'une mission exécutée par un expert-comptable certifié dont l'accomplissement est réservé par ou en vertu de la loi au commissaire ou, en l'absence de commissaire, à un réviseur ou à un expert-comptable certifié conformément à l'article 24, § 1er, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises.
Le professionnel est tenu de faire couvrir sa responsabilité civile professionnelle par un contrat d'assurance.
Le professionnel soumet une attestation de son contrat d'assurance à l'approbation de l'Institut. Le contrat d'assurance répond aux conditions minimales fixées par le Roi, après avis du Conseil de l'Institut.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Il est interdit au professionnel de s'exonérer, même partiellement, par un contrat particulier, de sa responsabilité, dans les cas suivants :
1° en cas de faute commise avec une intention frauduleuse ou aux fins de nuire;
2° lors de l'accomplissement d'une mission exécutée par un expert-comptable certifié dont l'accomplissement est réservé par ou en vertu de la loi au commissaire ou, en l'absence de commissaire, à un réviseur ou à un expert-comptable certifié conformément à l'article 24, § 1er, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises.
Le professionnel est tenu de faire couvrir sa responsabilité civile professionnelle par un contrat d'assurance.
Le professionnel soumet une attestation de son contrat d'assurance à l'approbation de l'Institut. Le contrat d'assurance répond aux conditions minimales fixées par le Roi, après avis du Conseil de l'Institut.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Afdeling 7. - Erelonen
Section 7. - Honoraires
Art.45. De beroepsbeoefenaar mag, zowel tegenover een cliënt als tegenover een andere beroepsbeoefenaar, alleen aanspraak maken op het ereloon en de vergoeding van de kosten voor de door hem uitgevoerde opdrachten, met uitsluiting van elke andere rechtstreekse of onrechtstreekse vergoeding, tenzij het gaat om een vergoeding voor het verbreken van de overeenkomst.
Art.45. Le professionnel ne peut, tant à l'égard d'un client que d'un autre professionnel, recevoir des honoraires et des remboursements de frais que pour les missions qu'il a exécutées, à l'exclusion de toute autre rémunération, qu'elle soit directe ou indirecte, sauf s'il s'agit d'une indemnité pour rupture du contrat.
Art.46. Het bedrag van het ereloon van de beroepsbeoefenaar moet vastgesteld worden in functie van de aard, het belang, de complexiteit, de omvang en de reikwijdte van de opdracht, rekening houdend met de verantwoordelijkheid die de beroepsbeoefenaar op zich neemt en met zijn bijzondere kwalificaties.
Art.46. Le montant des honoraires du professionnel doit être fixé en fonction de la nature, de l'importance, de la complexité, du volume et de la portée de la mission, compte tenu de la responsabilité assumée par le professionnel et de ses compétences particulières.
Art.47. Het is de beroepsbeoefenaar verboden om op enigerlei wijze commissie- of makelaarslonen of welk voordeel dan ook toe te kennen of te ontvangen dat verband houdt met zijn opdrachten.
Art.47. Il est interdit au professionnel de se voir attribuer ou de percevoir de quelque façon que ce soit, des commissions, des courtages ou d'autres avantages en rapport avec ses missions.
Afdeling 8. - Onverenigbaarheden en belangenconflicten
Section 8. - Incompatibilités et conflits d'intérêt
Art.48. Het is de persoon die in het openbaar register is ingeschreven met een hoedanigheid niet toegestaan om activiteiten uit te oefenen of daden te stellen die onverenigbaar zijn met de onafhankelijkheid van zijn hoedanigheid.
Het is hem niet toegestaan om opdrachten te aanvaarden onder voorwaarden die een objectieve uitvoering daarvan in het gedrang zouden brengen of een belangenconflict zouden teweegbrengen.
Het is hem niet toegestaan om opdrachten te aanvaarden onder voorwaarden die een objectieve uitvoering daarvan in het gedrang zouden brengen of een belangenconflict zouden teweegbrengen.
Art.48. Il est interdit à toute personne inscrite au registre public avec une qualité d'exercer des activités ou de poser des actes qui sont incompatibles avec l'indépendance de sa qualité.
Il lui est interdit d'accepter des missions sous des conditions qui mettraient leur exécution objective en danger ou qui mèneraient à un conflit d'intérêt.
Il lui est interdit d'accepter des missions sous des conditions qui mettraient leur exécution objective en danger ou qui mèneraient à un conflit d'intérêt.
Art.49. De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels vaststellen met betrekking tot de onverenigbaarheden met het beroep en de uitzonderingen hierop.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Art.49. Le Roi peut, après avis du Conseil de l'Institut, préciser les règles concernant les incompatibilités avec la profession et les exceptions à celles-ci.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Afdeling 9. - Geheimhouding
Section 9. - Confidentialité
Art.50. Onverminderd zijn verplichtingen inzake beroepsgeheim, is de persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 gehouden tot de verplichting van geheimhouding van gegevens die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend in de uitoefening van zijn beroep zijn toevertrouwd en van de feiten met een vertrouwelijk karakter die hij in de uitoefening van zijn beroep zelf heeft vastgesteld.
Art.50. Sans préjudice de ses obligations en matière de secret professionnel, la personne inscrite au registre public [1 , à l'exception des personnes visées à l'article 29, § 2,]1 est tenue à un devoir de confidentialité à l'égard des données qui lui sont expressément ou tacitement confiées dans le cadre de l'exercice de sa profession et des faits qui ont un caractère confidentiel qu'elle a elle-même constatés dans le cadre de l'exercice de sa profession.
Art.51. Er kan de persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 geen inbreuk op de verplichting van geheimhouding ten laste worden gelegd :
1° wanneer hij geroepen wordt om in rechte getuigenis af te leggen;
2° wanneer de wet hem tot mededeling van gegevens verplicht;
3° in de uitoefening van zijn recht van verdediging in tuchtaangelegenheden;
4° wanneer en in de mate waarin hij, betreffende aangelegenheden die zijn opdrachtgever persoonlijk aanbelangen, door deze laatste uitdrukkelijk van zijn plicht tot geheimhouding is ontslaan.
1° wanneer hij geroepen wordt om in rechte getuigenis af te leggen;
2° wanneer de wet hem tot mededeling van gegevens verplicht;
3° in de uitoefening van zijn recht van verdediging in tuchtaangelegenheden;
4° wanneer en in de mate waarin hij, betreffende aangelegenheden die zijn opdrachtgever persoonlijk aanbelangen, door deze laatste uitdrukkelijk van zijn plicht tot geheimhouding is ontslaan.
Art.51. Une atteinte au devoir de confidentialité ne peut pas être imputée à la personne inscrite au registre public [1 , à l'exception des personnes visées à l'article 29, § 2]1 :
1° lorsqu'elle est appelée à témoigner en justice;
2° lorsque la loi l'oblige à la communication de données;
3° dans l'exercice de son droit de défense en matière disciplinaire;
4° lorsque et dans la mesure où elle a été déchargée expressément de son devoir de confidentialité par son mandataire pour les matières qui le concernent.
1° lorsqu'elle est appelée à témoigner en justice;
2° lorsque la loi l'oblige à la communication de données;
3° dans l'exercice de son droit de défense en matière disciplinaire;
4° lorsque et dans la mesure où elle a été déchargée expressément de son devoir de confidentialité par son mandataire pour les matières qui le concernent.
Art.52. Indien de persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 vertrouwelijke informatie deelt met zijn personeelsleden, stagiairs, of met andere beroepsbeoefenaars, moet hij erop toezien dat zij het vertrouwelijk karakter daarvan eerbiedigen.
Art.52. Si la personne inscrite au registre public [1 , à l'exception des personnes visées à l'article 29, § 2,]1 communique des informations confidentielles à son personnel, à ses stagiaires ou à d'autres professionnels, elle doit veiller à ce qu'ils respectent leur caractère confidentiel.
Afdeling 10. - Relaties met het Instituut
Section 10. - Relations avec l'Institut
Art.53. Om zijn werkzaamheden uit te oefenen of zijn overeenkomstige beroepstitel te dragen, moet elke persoon ingeschreven zijn in het openbaar register van het Instituut. Die persoon deelt daartoe alle vereiste gegevens mee aan de Raad van het Instituut.
De beroepsbeoefenaar verleent zijn medewerking aan het Instituut ter vervulling van de opdracht van het Instituut.
De beroepsbeoefenaar waartegen een gerechtelijke of een bestuursrechtelijke procedure omtrent zijn hoedanigheid of de uitoefening van zijn beroepsactiviteit loopt, moet de Raad van het Instituut hiervan onverwijld in kennis stellen.
De beroepsbeoefenaar verleent zijn medewerking aan het Instituut ter vervulling van de opdracht van het Instituut.
De beroepsbeoefenaar waartegen een gerechtelijke of een bestuursrechtelijke procedure omtrent zijn hoedanigheid of de uitoefening van zijn beroepsactiviteit loopt, moet de Raad van het Instituut hiervan onverwijld in kennis stellen.
Art.53. Pour accomplir ses activités ou porter le titre professionnel correspondant, toute personne doit être inscrite dans le registre public de l'Institut. Cette personne communique à cet effet toutes les données requises au Conseil de l'Institut.
Le professionnel apporte sa collaboration à l'Institut pour l'accomplissement de la mission de l'Institut.
Le professionnel à l'encontre duquel une procédure judiciaire ou administrative portant sur sa qualité ou l'exercice de son activité professionnelle est en cours, doit en informer sans délai le Conseil de l'Institut.
Le professionnel apporte sa collaboration à l'Institut pour l'accomplissement de la mission de l'Institut.
Le professionnel à l'encontre duquel une procédure judiciaire ou administrative portant sur sa qualité ou l'exercice de son activité professionnelle est en cours, doit en informer sans délai le Conseil de l'Institut.
Afdeling 11. - Bijdragen
Section 11. - Cotisations
Art.54. [1 § 1.]1 De personen, natuurlijke of rechtspersonen, ingeschreven met een hoedanigheid en de stagiairs betalen jaarlijks een bijdrage aan het Instituut.
De Koning bepaalt het maximumbedrag van de bijdragen voor de verschillende groepen personen bedoeld in het eerste lid. Het bedrag van de bijdrage wordt door de algemene vergadering vastgesteld naargelang de hoedanigheid. Voor de personen die voor de inwerkingtreding van deze wet als erkend boekhouder (-fiscalist) waren ingeschreven bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten [2 en die niet ingeschreven zijn in het openbaar register met de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of van (intern) gecertificeerd belastingadviseur]2 mag het bedrag van de vastgelegde bijdrage niet hoger zijn dan het bedrag dat bij dat Beroepsinstituut van kracht was.
De bijdrage kan jaarlijks geïndexeerd worden.
[1 § 2. De personen die ingeschreven moeten worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen de administratieve kosten die worden aangerekend voor de behandeling van hun dossier, als vastgesteld door de Raad van het Instituut.
De personen die inschreven zijn op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen jaarlijks een bijdrage aan het Instituut die gelijk is aan de bijdrage van de personen bedoeld in artikel 6, § 1.
Deze bijdrage kan jaarlijks geïndexeerd worden.]1
De Koning bepaalt het maximumbedrag van de bijdragen voor de verschillende groepen personen bedoeld in het eerste lid. Het bedrag van de bijdrage wordt door de algemene vergadering vastgesteld naargelang de hoedanigheid. Voor de personen die voor de inwerkingtreding van deze wet als erkend boekhouder (-fiscalist) waren ingeschreven bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten [2 en die niet ingeschreven zijn in het openbaar register met de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant of van (intern) gecertificeerd belastingadviseur]2 mag het bedrag van de vastgelegde bijdrage niet hoger zijn dan het bedrag dat bij dat Beroepsinstituut van kracht was.
De bijdrage kan jaarlijks geïndexeerd worden.
[1 § 2. De personen die ingeschreven moeten worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen de administratieve kosten die worden aangerekend voor de behandeling van hun dossier, als vastgesteld door de Raad van het Instituut.
De personen die inschreven zijn op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen jaarlijks een bijdrage aan het Instituut die gelijk is aan de bijdrage van de personen bedoeld in artikel 6, § 1.
Deze bijdrage kan jaarlijks geïndexeerd worden.]1
Art.54. [1 § 1er.]1 Les personnes, physiques ou morale inscrites avec une qualité et les stagiaires paient annuellement une cotisation à l'Institut.
Le Roi détermine le montant maximum des cotisations pour les différentes catégories de personnes visées à l'alinéa 1er. Le montant de la cotisation est fixé par l'assemblée générale en fonction de la qualité. Pour les personnes qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, étaient inscrites comme comptables (-fiscalistes) agréés à l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés [2 et qui ne sont pas inscrits au registre public en qualité d'expert-comptable certifié (interne) ou de conseiller fiscal certifié (interne)]2, le montant de la cotisation fixée ne peut être supérieur au montant qui était en vigueur dans cet Institut professionnel.
La cotisation peut être annuellement indexée.
[1 § 2. Les personnes qui doivent être inscrites sur la liste séparée du registre public visée à l'article 29, § 2, payent les frais administratifs facturés pour le traitement de leur dossier, tels que déterminés par le Conseil de l'Institut.
Les personnes inscrites sur la liste séparée du registre public visée à l'article 29, § 2, paient une cotisation annuelle à l'Institut, qui correspond à la cotisation des personnes visées à l'article 6, § 1er.
La cotisation peut être indexée annuellement.]1
Le Roi détermine le montant maximum des cotisations pour les différentes catégories de personnes visées à l'alinéa 1er. Le montant de la cotisation est fixé par l'assemblée générale en fonction de la qualité. Pour les personnes qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, étaient inscrites comme comptables (-fiscalistes) agréés à l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés [2 et qui ne sont pas inscrits au registre public en qualité d'expert-comptable certifié (interne) ou de conseiller fiscal certifié (interne)]2, le montant de la cotisation fixée ne peut être supérieur au montant qui était en vigueur dans cet Institut professionnel.
La cotisation peut être annuellement indexée.
[1 § 2. Les personnes qui doivent être inscrites sur la liste séparée du registre public visée à l'article 29, § 2, payent les frais administratifs facturés pour le traitement de leur dossier, tels que déterminés par le Conseil de l'Institut.
Les personnes inscrites sur la liste séparée du registre public visée à l'article 29, § 2, paient une cotisation annuelle à l'Institut, qui correspond à la cotisation des personnes visées à l'article 6, § 1er.
La cotisation peut être indexée annuellement.]1
HOOFDSTUK 7. - Kwaliteitstoetsing
CHAPITRE 7. - Revue qualité
Art.55. Om de zeven jaar worden de beroepsactiviteiten van een beroepsbeoefenaar door middel van een kwaliteitstoetsing beoordeeld.
Art.55. Les activités professionnelles d'un professionnel sont évaluées tous les sept ans au moyen d'une revue qualité.
Art.56. De kwaliteitstoetsing heeft in het bijzonder tot doel na te gaan of de beroepsbeoefenaar over een organisatie beschikt die aangepast is aan de aard en de omvang van zijn beroepsactiviteiten en of de beroepsbeoefenaar de beroepsactiviteiten verricht overeenkomstig het wettelijk, reglementair en normatief kader.
Het Instituut wijst voldoende middelen voor de kwaliteitstoetsing toe, zodat de onafhankelijkheid en de autonomie van de kwaliteitstoetsing van de beroepsbeoefenaars verzekerd zijn.
De methodologie, de uitvoering van de kwaliteitstoetsing en de beoordeling zijn passend en evenredig met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beroepsbeoefenaar waarvoor een toetsingsopdracht wordt uitgevoerd.
Het Instituut wijst voldoende middelen voor de kwaliteitstoetsing toe, zodat de onafhankelijkheid en de autonomie van de kwaliteitstoetsing van de beroepsbeoefenaars verzekerd zijn.
De methodologie, de uitvoering van de kwaliteitstoetsing en de beoordeling zijn passend en evenredig met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beroepsbeoefenaar waarvoor een toetsingsopdracht wordt uitgevoerd.
Art.56. La revue qualité a notamment pour objectif de vérifier que le professionnel est doté d'une organisation appropriée par rapport à la nature et à l'étendue de ses activités professionnelles et que le professionnel effectue ses activités professionnelles conformément au cadre légal, réglementaire et normatif.
L'Institut accorde des moyens suffisants pour la revue qualité, de sorte que l'indépendance et l'autonomie de la revue qualité des professionnels soient assurées.
La méthodologie, l'exécution de la revue qualité et l'évaluation sont appropriées et proportionnées à l'ampleur et à la complexité des activités menées par le professionnel soumis à cette revue qualité.
L'Institut accorde des moyens suffisants pour la revue qualité, de sorte que l'indépendance et l'autonomie de la revue qualité des professionnels soient assurées.
La méthodologie, l'exécution de la revue qualité et l'évaluation sont appropriées et proportionnées à l'ampleur et à la complexité des activités menées par le professionnel soumis à cette revue qualité.
Art.57. De kwaliteitstoetsing wordt door toetsers op een onafhankelijke en autonome wijze uitgevoerd. Deze toetsers beschikken over passende beroepskwalificaties en relevante beroepservaring en hebben een specifieke opleiding genoten op het vlak van de kwaliteitstoetsing.
De toetsers worden geselecteerd volgens een objectieve procedure die is opgezet om belangenconflicten tussen de toetser en de beroepsbeoefenaar te voorkomen.
De toetsers worden geselecteerd volgens een objectieve procedure die is opgezet om belangenconflicten tussen de toetser en de beroepsbeoefenaar te voorkomen.
Art.57. La revue qualité est exécutée par des rapporteurs de manière indépendante et autonome. Ces rapporteurs disposent de la formation et de l'expérience professionnelles appropriées et ont suivi une formation spécifique à la revue qualité.
La sélection des rapporteurs est effectuée selon une procédure objective conçue pour éviter tout conflit d'intérêt entre le rapporteur et le professionnel.
La sélection des rapporteurs est effectuée selon une procédure objective conçue pour éviter tout conflit d'intérêt entre le rapporteur et le professionnel.
Art.58. De beroepsbeoefenaar verschaft in het kader van de kwaliteitstoetsing toegang tot zijn kantoor aan de toetser, wanneer de commissie kwaliteitstoetsing, bedoeld in artikel 60, eerste lid, hem de kwaliteitstoetsing minstens twee maanden vooraf heeft aangekondigd of, in voorkomend geval na het toestaan van een eventueel uitstel, op de datum die tussen het Instituut en de beroepsbeoefenaar is overeengekomen.
De beroepsbeoefenaar geeft in het kader van de kwaliteitstoetsing aan de toetser inzage in alle informatie die betrekking heeft op de beroepsuitoefening en bezorgt, indien de toetser dit nodig acht voor het uitvoeren van zijn opdracht, een afschrift aan de toetser.
De beroepsbeoefenaar geeft in het kader van de kwaliteitstoetsing aan de toetser inzage in alle informatie die betrekking heeft op de beroepsuitoefening en bezorgt, indien de toetser dit nodig acht voor het uitvoeren van zijn opdracht, een afschrift aan de toetser.
Art.58. Dans le cadre de la revue qualité, le professionnel donne accès à son cabinet au rapporteur, lorsque la commission revue qualité, visée à l'article 60, alinéa 1er, lui a annoncé la revue qualité au moins deux mois à l'avance ou, le cas échéant, après l'octroi d'un éventuel report, à la date convenue entre la commission revue qualité et le professionnel.
Dans le cadre de la revue qualité, le professionnel donne l'accès au rapporteur à toutes les informations relatives à l'exercice de la profession et, si le rapporteur le juge nécessaire pour accomplir sa mission, en fournit copie au rapporteur.
Dans le cadre de la revue qualité, le professionnel donne l'accès au rapporteur à toutes les informations relatives à l'exercice de la profession et, si le rapporteur le juge nécessaire pour accomplir sa mission, en fournit copie au rapporteur.
Art.59. Wanneer blijkt dat de beroepsbeoefenaar inbreuken heeft gepleegd met betrekking tot de toepassing van het wettelijk en reglementair kader, kan de Raad van het Instituut :
1° een verbeterplan aan de beroepsbeoefenaar opleggen;
2° de beroepsbeoefenaar verwijzen naar de rechtskundig assessor bedoeld in artikel 90.
Wanneer de Raad van het Instituut de beroepsbeoefenaar naar de rechtskundig assessor verwijst, brengt hij de Procureur des Konings op de hoogte.
1° een verbeterplan aan de beroepsbeoefenaar opleggen;
2° de beroepsbeoefenaar verwijzen naar de rechtskundig assessor bedoeld in artikel 90.
Wanneer de Raad van het Instituut de beroepsbeoefenaar naar de rechtskundig assessor verwijst, brengt hij de Procureur des Konings op de hoogte.
Art.59. Lorsqu'il est constaté que des infractions en ce qui concerne l'application du cadre légal, réglementaire et normatif ont été commises par le professionnel, le Conseil de l'Institut peut :
1° soumettre un plan d'amélioration au professionnel;
2° renvoyer le professionnel vers l'assesseur juridique visé à l'article 90.
Dans le cas où le Conseil de l'Institut renvoie le professionnel vers l'assesseur juridique, il en informe le Procureur du Roi.
1° soumettre un plan d'amélioration au professionnel;
2° renvoyer le professionnel vers l'assesseur juridique visé à l'article 90.
Dans le cas où le Conseil de l'Institut renvoie le professionnel vers l'assesseur juridique, il en informe le Procureur du Roi.
Art.60. De Koning stelt een reglement van kwaliteitstoetsing op, na advies van de Raad van het Instituut, en richt bij het Instituut een commissie kwaliteitstoetsing op, belast met de organisatie van de kwaliteitstoetsing.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
De commissie kwaliteitstoetsing maakt elk jaar een jaarverslag op. Het verslag wordt ter goedkeuring aan de Raad van het Instituut voorgelegd en ter informatie aan de algemene vergadering voorgelegd.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
De commissie kwaliteitstoetsing maakt elk jaar een jaarverslag op. Het verslag wordt ter goedkeuring aan de Raad van het Instituut voorgelegd en ter informatie aan de algemene vergadering voorgelegd.
Art.60. Le Roi établit un règlement de la revue qualité, après avis du Conseil de l'Institut, et crée auprès de l'Institut une commission revue qualité, chargée de l'organisation de la revue qualité.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
La commission revue qualité établit annuellement un rapport de gestion. Le rapport est soumis au Conseil de l'Institut pour approbation et transmis à l'assemblée générale pour information.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
La commission revue qualité établit annuellement un rapport de gestion. Le rapport est soumis au Conseil de l'Institut pour approbation et transmis à l'assemblée générale pour information.
HOOFDSTUK 8. - Het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants
CHAPITRE 8. - L'Institut des Conseillers fiscaux et des Experts-comptables
Afdeling 1. - Oprichting
Section 1re. - Création
Art.61. Er wordt een Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants (IBA) opgericht.
Het Instituut bezit rechtspersoonlijkheid.
Het Instituut treedt in de rechten en verplichtingen van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten en van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. De Koning stelt, na advies van de Raad van het Instituut, een huishoudelijk reglement vast.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
De maatschappelijke zetel is gevestigd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
In zijn communicatie mag het Instituut ook de benaming "Belgian Institute for tax advisors and accountants" gebruiken.
Het Instituut bezit rechtspersoonlijkheid.
Het Instituut treedt in de rechten en verplichtingen van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten en van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. De Koning stelt, na advies van de Raad van het Instituut, een huishoudelijk reglement vast.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
De maatschappelijke zetel is gevestigd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
In zijn communicatie mag het Instituut ook de benaming "Belgian Institute for tax advisors and accountants" gebruiken.
Art.61. Il est créé un Institut des Conseillers fiscaux et des Experts-comptables (ICE).
L'Institut jouit de la personnalité civile.
L'Institut dispose des droits et des obligations de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés et de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux. Le Roi établit, après avis du Conseil de l'Institut, un règlement d'ordre intérieur.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Le siège social est établi dans la Région de Bruxelles-Capitale.
Dans sa communication, l'Institut peut également utiliser la dénomination "Belgian Institute for tax advisors and accountants".
L'Institut jouit de la personnalité civile.
L'Institut dispose des droits et des obligations de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés et de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux. Le Roi établit, après avis du Conseil de l'Institut, un règlement d'ordre intérieur.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Le siège social est établi dans la Région de Bruxelles-Capitale.
Dans sa communication, l'Institut peut également utiliser la dénomination "Belgian Institute for tax advisors and accountants".
Afdeling 2. - Opdracht
Section 2. - Mission
Art.62. § 1. Het Instituut heeft als opdracht :
1° het beschermen van de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van de personen ingeschreven in het openbaar register;
2° het toezien op de toegang tot het beroep van gecertificeerd accountant en gecertificeerd belastingadviseur door het voorzien van een toelatingsexamen en een stage, alsook van een bekwaamheidsexamen;
3° het beheer van een openbaar register;
4° het toezien op de permanente vorming;
5° het toezicht op de beroepsuitoefening, met alle noodzakelijke waarborgen op het vlak van bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid door het voorzien van een tuchtregeling;
6° het verschaffen van de toegang tot het beroep voor beroepsbeoefenaars uit een andere lidstaat die in België de activiteiten als bedoeld in de artikel en 3 en 6 wensen uit te voeren;
7° het toezien op de naleving van de modaliteiten en voorwaarden door de personen die tijdelijk en occasioneel de beroepsactiviteiten in België, als bedoeld in artikel 23, uitoefenen;
8° in het kader van de administratieve samenwerking tussen lidstaten teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen, de beveiligde uitwisseling van informatie en gegevens met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, in het bijzonder via het Informatiesysteem voor de Interne Markt (IMI) met betrekking tot het beroep en de beroepsbeoefenaars, overeenkomstig de artikel en XV.49 en XV.52 van het Wetboek van economisch recht en de artikel en 27 en 27/1 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties;
[1 9° het toezien op de naleving door de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van de modaliteiten en voorwaarden van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.]1
§ 2. Het Instituut verwerkt de persoonsgegevens die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten in overeenstemming met verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Het Instituut is de verwerkingsverantwoordelijke bedoeld in die verordening.
De persoonsgegevens worden door het Instituut behandeld met het oog op :
1° de toepassing van het wettelijk, reglementair en normatief kader;
2° de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten in België of in andere landen;
3° de opmaak van verslagen en statistieken die het Instituut toelaten zijn activiteiten te optimaliseren.
Het Instituut duidt een functionaris voor gegevensbescherming aan die belast is met de functie en de opdrachten bedoeld in de algemene verordening gegevensbescherming.
1° het beschermen van de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van de personen ingeschreven in het openbaar register;
2° het toezien op de toegang tot het beroep van gecertificeerd accountant en gecertificeerd belastingadviseur door het voorzien van een toelatingsexamen en een stage, alsook van een bekwaamheidsexamen;
3° het beheer van een openbaar register;
4° het toezien op de permanente vorming;
5° het toezicht op de beroepsuitoefening, met alle noodzakelijke waarborgen op het vlak van bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid door het voorzien van een tuchtregeling;
6° het verschaffen van de toegang tot het beroep voor beroepsbeoefenaars uit een andere lidstaat die in België de activiteiten als bedoeld in de artikel en 3 en 6 wensen uit te voeren;
7° het toezien op de naleving van de modaliteiten en voorwaarden door de personen die tijdelijk en occasioneel de beroepsactiviteiten in België, als bedoeld in artikel 23, uitoefenen;
8° in het kader van de administratieve samenwerking tussen lidstaten teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen, de beveiligde uitwisseling van informatie en gegevens met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, in het bijzonder via het Informatiesysteem voor de Interne Markt (IMI) met betrekking tot het beroep en de beroepsbeoefenaars, overeenkomstig de artikel en XV.49 en XV.52 van het Wetboek van economisch recht en de artikel en 27 en 27/1 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties;
[1 9° het toezien op de naleving door de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van de modaliteiten en voorwaarden van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.]1
§ 2. Het Instituut verwerkt de persoonsgegevens die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten in overeenstemming met verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Het Instituut is de verwerkingsverantwoordelijke bedoeld in die verordening.
De persoonsgegevens worden door het Instituut behandeld met het oog op :
1° de toepassing van het wettelijk, reglementair en normatief kader;
2° de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten in België of in andere landen;
3° de opmaak van verslagen en statistieken die het Instituut toelaten zijn activiteiten te optimaliseren.
Het Instituut duidt een functionaris voor gegevensbescherming aan die belast is met de functie en de opdrachten bedoeld in de algemene verordening gegevensbescherming.
Art.62. § 1er. L'Institut a pour mission :
1° la protection des droits et intérêts professionnels communs des personnes inscrites au registre public;
2° la supervision de l'accès à la profession d'expert-comptable certifié et de conseiller fiscal certifié, par l'organisation d'un examen d'admission et d'un stage, ainsi que d'un examen d'aptitude;
3° la tenue d'un registre public;
4° la supervision de la formation permanente;
5° la supervision de l'exercice de la profession, en prenant toutes les garanties nécessaires en termes de compétence, d'indépendance et d'intégrité professionnelle par la mise en place d'un règlement disciplinaire;
6° l'octroi de l'accès à la profession à des professionnels d'un autre Etat membre souhaitant exercer les activités visées aux articles 3 et 6 en Belgique;
7° la supervision du respect des modalités et des conditions par les personnes qui exercent temporairement et occasionnellement en Belgique les activités professionnelles visées à l'article 23;
8° dans le cadre de la coopération administrative organisée entre Etats membres pour assurer le bon fonctionnement du marché intérieur, l'échange sécurisé d'information et de données avec les autorités compétentes d'autres Etats membres, en particulier via le système d'information du marché intérieur (IMI) en ce qui concerne la profession et les professionnels, conformément aux articles XV.49 et XV.52 du Code de droit économique et aux articles 27 et 27/1 de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles UE;
[1 9° s'assurer du respect par les personnes visées à l'article 6, § 2, des modalités et conditions de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.]1
§ 2. L'Institut traite les données à caractère personnel nécessaires à l'exercice de ses missions conformément au règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). L'Institut est le responsable du traitement prévu dans ce règlement.
Les données à caractère personnel sont traitées par l'Institut aux fins de :
1° l'application du cadre légal, réglementaire et normatif;
2° la coopération entre les autorités compétentes belges ou d'autres Etats;
3° l'établissement de rapports et de statistiques permettant à l'Institut d'optimiser ses activités.
L'Institut désigne un délégué à la protection des données chargé de la fonction et des missions visées dans le règlement général sur la protection des données.
1° la protection des droits et intérêts professionnels communs des personnes inscrites au registre public;
2° la supervision de l'accès à la profession d'expert-comptable certifié et de conseiller fiscal certifié, par l'organisation d'un examen d'admission et d'un stage, ainsi que d'un examen d'aptitude;
3° la tenue d'un registre public;
4° la supervision de la formation permanente;
5° la supervision de l'exercice de la profession, en prenant toutes les garanties nécessaires en termes de compétence, d'indépendance et d'intégrité professionnelle par la mise en place d'un règlement disciplinaire;
6° l'octroi de l'accès à la profession à des professionnels d'un autre Etat membre souhaitant exercer les activités visées aux articles 3 et 6 en Belgique;
7° la supervision du respect des modalités et des conditions par les personnes qui exercent temporairement et occasionnellement en Belgique les activités professionnelles visées à l'article 23;
8° dans le cadre de la coopération administrative organisée entre Etats membres pour assurer le bon fonctionnement du marché intérieur, l'échange sécurisé d'information et de données avec les autorités compétentes d'autres Etats membres, en particulier via le système d'information du marché intérieur (IMI) en ce qui concerne la profession et les professionnels, conformément aux articles XV.49 et XV.52 du Code de droit économique et aux articles 27 et 27/1 de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles UE;
[1 9° s'assurer du respect par les personnes visées à l'article 6, § 2, des modalités et conditions de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.]1
§ 2. L'Institut traite les données à caractère personnel nécessaires à l'exercice de ses missions conformément au règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). L'Institut est le responsable du traitement prévu dans ce règlement.
Les données à caractère personnel sont traitées par l'Institut aux fins de :
1° l'application du cadre légal, réglementaire et normatif;
2° la coopération entre les autorités compétentes belges ou d'autres Etats;
3° l'établissement de rapports et de statistiques permettant à l'Institut d'optimiser ses activités.
L'Institut désigne un délégué à la protection des données chargé de la fonction et des missions visées dans le règlement général sur la protection des données.
Afdeling 3. - De algemene vergadering
Section 3. - L'assemblée générale
Onderafdeling 1. - Stemrecht
Sous-section 1re. - Droit de vote
Art.63. De algemene vergadering van het Instituut bestaat uit alle natuurlijke personen die in het openbaar register ingeschreven zijn, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 23.
Elke persoon bedoeld in het eerste lid heeft één stem.
Hij kan aan een ander lid van de algemene vergadering schriftelijk volmacht geven om in zijn plaats op de algemene vergadering te stemmen.
Hij mag ten hoogste twee volmachten houden.
De stagiair heeft enkel een raadgevende stem.
De persoon bedoeld in het eerste lid stemt op verzoek via simultane elektronische weg op de algemene vergadering. Deze mogelijkheid is voorzien vanaf de algemene vergadering die de leden van de eerste Raad na de overgangsraad, bedoeld in artikel 128, verkiest.
Elke persoon bedoeld in het eerste lid heeft één stem.
Hij kan aan een ander lid van de algemene vergadering schriftelijk volmacht geven om in zijn plaats op de algemene vergadering te stemmen.
Hij mag ten hoogste twee volmachten houden.
De stagiair heeft enkel een raadgevende stem.
De persoon bedoeld in het eerste lid stemt op verzoek via simultane elektronische weg op de algemene vergadering. Deze mogelijkheid is voorzien vanaf de algemene vergadering die de leden van de eerste Raad na de overgangsraad, bedoeld in artikel 128, verkiest.
Art.63. L'assemblée générale de l'Institut est composée de toutes les personnes physiques qui sont inscrites dans le registre public, à l'exception des personnes visées à l'article 23.
Chaque personne visée à l'alinéa 1er dispose d'une voix.
Elle peut donner une procuration écrite à un autre membre de l'assemblée générale pour voter à sa place à l'assemblée générale.
Elle ne peut être porteur que de deux procurations au maximum.
Le stagiaire ne dispose que d'une voix consultative.
La personne visée à l'alinéa 1er vote, à sa demande, par voie électronique simultanée à l'assemblée générale. Cette possibilité est prévue dès l'assemblée générale qui élit les membres du premier Conseil suivant le conseil transitoire, visé à l'article 128.
Chaque personne visée à l'alinéa 1er dispose d'une voix.
Elle peut donner une procuration écrite à un autre membre de l'assemblée générale pour voter à sa place à l'assemblée générale.
Elle ne peut être porteur que de deux procurations au maximum.
Le stagiaire ne dispose que d'une voix consultative.
La personne visée à l'alinéa 1er vote, à sa demande, par voie électronique simultanée à l'assemblée générale. Cette possibilité est prévue dès l'assemblée générale qui élit les membres du premier Conseil suivant le conseil transitoire, visé à l'article 128.
Art.64. De beslissingen van de algemene vergadering worden genomen bij meerderheid van de aanwezige en vertegenwoordigde stemmen.
Art.64. Les décisions de l'assemblée générale sont prises à la majorité des voix présentes et représentées.
Onderafdeling 2. - Bevoegdheden
Sous-section 2. - Compétences
Art.65. De algemene vergadering heeft de volgende bevoegdheden :
1° de verkiezing van de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van de Raad van het Instituut;
2° de verkiezing van de commissarissen;
3° de goedkeuring van de jaarrekening van het vorige boekjaar;
4° de goedkeuring van de begroting van het nieuwe boekjaar van het Instituut;
5° het verlenen van de kwijting van de Raad voor het bestuur van het Instituut;
6° het verlenen van de kwijting van de commissarissen;
7° de vervreemding en de verpanding van de onroerende goederen van het Instituut;
8° het aanvaarden of het weigeren van legaten of schenkingen;
9° het vaststellen van de bijdragen, binnen de grenzen die de Koning heeft bepaald;
10° het vaststellen van het bedrag van de procedurekosten bij een tuchtprocedure;
11° andere door de wet aan de algemene vergadering toegewezen bevoegdheden.
1° de verkiezing van de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van de Raad van het Instituut;
2° de verkiezing van de commissarissen;
3° de goedkeuring van de jaarrekening van het vorige boekjaar;
4° de goedkeuring van de begroting van het nieuwe boekjaar van het Instituut;
5° het verlenen van de kwijting van de Raad voor het bestuur van het Instituut;
6° het verlenen van de kwijting van de commissarissen;
7° de vervreemding en de verpanding van de onroerende goederen van het Instituut;
8° het aanvaarden of het weigeren van legaten of schenkingen;
9° het vaststellen van de bijdragen, binnen de grenzen die de Koning heeft bepaald;
10° het vaststellen van het bedrag van de procedurekosten bij een tuchtprocedure;
11° andere door de wet aan de algemene vergadering toegewezen bevoegdheden.
Art.65. L'assemblée générale dispose des compétences suivantes :
1° l'élection du président, du vice-président et des autres membres du Conseil de l'Institut;
2° l'élection des commissaires;
3° l'approbation des comptes annuels de l'exercice précédent;
4° l'approbation du budget du nouvel exercice de l'Institut;
5° la prononciation sur la décharge du Conseil pour la gestion de l'Institut;
6° la prononciation sur la décharge des commissaires;
7° l'aliénation et la mise en gage de l'immobilier de l'Institut;
8° l'acceptation ou le refus de legs ou de dons;
9° la détermination des cotisations, dans les limites fixées par le Roi;
10° la fixation du montant des frais de procédure lors d'une procédure disciplinaire;
11° les autres pouvoirs attribués à l'assemblée générale par la loi.
1° l'élection du président, du vice-président et des autres membres du Conseil de l'Institut;
2° l'élection des commissaires;
3° l'approbation des comptes annuels de l'exercice précédent;
4° l'approbation du budget du nouvel exercice de l'Institut;
5° la prononciation sur la décharge du Conseil pour la gestion de l'Institut;
6° la prononciation sur la décharge des commissaires;
7° l'aliénation et la mise en gage de l'immobilier de l'Institut;
8° l'acceptation ou le refus de legs ou de dons;
9° la détermination des cotisations, dans les limites fixées par le Roi;
10° la fixation du montant des frais de procédure lors d'une procédure disciplinaire;
11° les autres pouvoirs attribués à l'assemblée générale par la loi.
Onderafdeling 3. - Modaliteiten
Sous-section 3. - Modalités
Art.66. De algemene vergadering komt eenmaal per jaar samen. De datum en de nadere regels worden in het huishoudelijk reglement vastgesteld.
Op de jaarlijkse algemene vergadering legt de Raad van het Instituut ter goedkeuring voor :
1° de jaarrekening van het vorige boekjaar, afgesloten op 31 december;
2° de begroting voor het nieuwe boekjaar.
De Raad van het Instituut stelt tevens een activiteitenverslag met betrekking tot het vorige boekjaar voor.
De commissarissen stellen op de jaarlijkse algemene vergadering hun verslag voor.
Op de jaarlijkse algemene vergadering legt de Raad van het Instituut ter goedkeuring voor :
1° de jaarrekening van het vorige boekjaar, afgesloten op 31 december;
2° de begroting voor het nieuwe boekjaar.
De Raad van het Instituut stelt tevens een activiteitenverslag met betrekking tot het vorige boekjaar voor.
De commissarissen stellen op de jaarlijkse algemene vergadering hun verslag voor.
Art.66. L'assemblée générale se réunit une fois par an. La date et les modalités sont fixées par le règlement d'ordre intérieur.
Lors de l'assemblée générale annuelle, le Conseil de l'Institut soumet pour approbation :
1° les comptes annuels de l'exercice précédent, clôturé au 31 décembre;
2° le budget pour le nouvel exercice.
Le Conseil de l'Institut présente également un rapport d'activité relatif à l'exercice précédent.
Les commissaires présentent leur rapport lors de l'assemblée générale annuelle.
Lors de l'assemblée générale annuelle, le Conseil de l'Institut soumet pour approbation :
1° les comptes annuels de l'exercice précédent, clôturé au 31 décembre;
2° le budget pour le nouvel exercice.
Le Conseil de l'Institut présente également un rapport d'activité relatif à l'exercice précédent.
Les commissaires présentent leur rapport lors de l'assemblée générale annuelle.
Art.67. Wanneer één vijfde van de leden van de algemene vergadering, natuurlijke personen, hierom verzoeken, kan de Raad van het Instituut een bijzondere algemene vergadering samenroepen.
De Raad van het Instituut kan ook een bijzondere algemene vergadering samenroepen wanneer hij dit nodig acht.
De Raad van het Instituut kan ook een bijzondere algemene vergadering samenroepen wanneer hij dit nodig acht.
Art.67. Lorsqu'un cinquième des membres de l'assemblée générale personnes physiques, en font la demande, le Conseil de l'Institut peut convoquer une assemblée générale extraordinaire.
Le Conseil de l'Institut peut également convoquer une assemblée générale extraordinaire lorsqu'il le juge nécessaire.
Le Conseil de l'Institut peut également convoquer une assemblée générale extraordinaire lorsqu'il le juge nécessaire.
Afdeling 4. - De Raad van het Instituut
Section 4. - Le Conseil de l'Institut
Onderafdeling 1. - Samenstelling
Sous-section 1re. - Composition
Art.68. De Raad van het Instituut bestaat uit :
1° een voorzitter en een ondervoorzitter;
2° zestien leden, van wie acht Nederlandstaligen en acht Franstaligen.
Indien de voorzitter Nederlandstalig is, is de ondervoorzitter Franstalig, en omgekeerd.
1° een voorzitter en een ondervoorzitter;
2° zestien leden, van wie acht Nederlandstaligen en acht Franstaligen.
Indien de voorzitter Nederlandstalig is, is de ondervoorzitter Franstalig, en omgekeerd.
Art.68. Le Conseil de l'Institut est composé :
1° d'un président et d'un vice-président;
2° de seize membres, dont huit sont d'expression française et huit sont d'expression néerlandaise.
Si le président est d'expression néerlandaise, le vice-président est d'expression française, et inversement.
1° d'un président et d'un vice-président;
2° de seize membres, dont huit sont d'expression française et huit sont d'expression néerlandaise.
Si le président est d'expression néerlandaise, le vice-président est d'expression française, et inversement.
Art.69. De voorzitter, de ondervoorzitter en de zestien leden van de Raad van het Instituut worden voor drie jaar bij afzonderlijke geheime stemming door de algemene vergadering onder de leden van de algemene vergadering van het Instituut, met uitzondering van de stagiairs, gekozen.
De verkozen voorzitter behoort tot de andere taalrol dan die van de uittredende voorzitter.
Onverminderd het tweede lid, kan het mandaat van voorzitter en van ondervoorzitter, dat op de dag zelf van de jaarlijkse algemene vergadering verstrijkt, eenmaal vernieuwd worden.
Het mandaat van de zestien leden van de Raad van het Instituut is vernieuwbaar. Binnen elke taalgroep wordt het aantal leden proportioneel verkozen, rekening houdend met het aantal verkiesbare leden ingeschreven in het openbaar register op 1 januari van het verkiezingsjaar. Er zijn drie kieslijsten :
1° een kieslijst van en voor de natuurlijke personen bedoeld in artikel 9;
2° een kieslijst van en voor (intern) gecertificeerde accountants;
3° een kieslijst van en voor (intern) gecertificeerde belastingadviseurs.
Per taalgroep moet ten minste één lid van de Raad van het Instituut zijn gekozen :
1° die de hoedanigheid heeft bedoeld in artikel 9;
2° die de hoedanigheid heeft van (intern) gecertificeerd accountant;
3° die de hoedanigheid heeft van (intern) gecertificeerd belastingadviseur.
De verkozen voorzitter behoort tot de andere taalrol dan die van de uittredende voorzitter.
Onverminderd het tweede lid, kan het mandaat van voorzitter en van ondervoorzitter, dat op de dag zelf van de jaarlijkse algemene vergadering verstrijkt, eenmaal vernieuwd worden.
Het mandaat van de zestien leden van de Raad van het Instituut is vernieuwbaar. Binnen elke taalgroep wordt het aantal leden proportioneel verkozen, rekening houdend met het aantal verkiesbare leden ingeschreven in het openbaar register op 1 januari van het verkiezingsjaar. Er zijn drie kieslijsten :
1° een kieslijst van en voor de natuurlijke personen bedoeld in artikel 9;
2° een kieslijst van en voor (intern) gecertificeerde accountants;
3° een kieslijst van en voor (intern) gecertificeerde belastingadviseurs.
Per taalgroep moet ten minste één lid van de Raad van het Instituut zijn gekozen :
1° die de hoedanigheid heeft bedoeld in artikel 9;
2° die de hoedanigheid heeft van (intern) gecertificeerd accountant;
3° die de hoedanigheid heeft van (intern) gecertificeerd belastingadviseur.
Art.69. Le président, le vice-président et les seize membres du Conseil de l'Institut sont élus par l'assemblée générale au scrutin secret séparé, pour trois ans, parmi les membres de l'assemblée générale de l'Institut, à l'exclusion des stagiaires.
Le président élu appartient à l'autre rôle linguistique que celui du président sortant.
Sans préjudice de l'alinéa 2, le mandat de président et de vice-président, qui expire le même jour que celui de l'assemblée générale annuelle, peut être renouvelé une fois.
Le mandat des seize membres du Conseil de l'Institut est renouvelable. Au sein de chaque groupe linguistique, le nombre de membres est choisi proportionnellement, en tenant compte du nombre de membres éligibles, inscrits au registre public le 1er janvier de l'année de l'élection. Il y a trois listes d'élection :
1° une liste d'élection des personnes physiques visées à l'article 9 et pour celles-ci;
2° une liste d'élection des experts-comptables certifiés (interne) et pour ceux-ci;
3° une liste d'élection des conseillers fiscaux certifiés (interne) et pour ceux-ci.
Au moins un membre du Conseil de l'Institut doit être élu par groupe linguistique :
1° qui a la qualité visée à l'article 9;
2° qui a la qualité d'expert-comptable certifié (interne);
3° qui a la qualité de conseiller fiscal certifié (interne).
Le président élu appartient à l'autre rôle linguistique que celui du président sortant.
Sans préjudice de l'alinéa 2, le mandat de président et de vice-président, qui expire le même jour que celui de l'assemblée générale annuelle, peut être renouvelé une fois.
Le mandat des seize membres du Conseil de l'Institut est renouvelable. Au sein de chaque groupe linguistique, le nombre de membres est choisi proportionnellement, en tenant compte du nombre de membres éligibles, inscrits au registre public le 1er janvier de l'année de l'élection. Il y a trois listes d'élection :
1° une liste d'élection des personnes physiques visées à l'article 9 et pour celles-ci;
2° une liste d'élection des experts-comptables certifiés (interne) et pour ceux-ci;
3° une liste d'élection des conseillers fiscaux certifiés (interne) et pour ceux-ci.
Au moins un membre du Conseil de l'Institut doit être élu par groupe linguistique :
1° qui a la qualité visée à l'article 9;
2° qui a la qualité d'expert-comptable certifié (interne);
3° qui a la qualité de conseiller fiscal certifié (interne).
Art.70. Onder zijn leden benoemt de Raad van het Instituut een secretaris en een penningmeester. De secretaris en de penningmeester behoren tot een verschillende taalgroep.
Het uitvoerend comité bestaat uit :
1° de voorzitter en de ondervoorzitter;
2° de secretaris;
3° de penningmeester;
4° ten hoogste twee andere leden benoemd door de Raad van het Instituut, die niet tot dezelfde taalrol behoren.
Het uitvoerend comité bestaat uit :
1° de voorzitter en de ondervoorzitter;
2° de secretaris;
3° de penningmeester;
4° ten hoogste twee andere leden benoemd door de Raad van het Instituut, die niet tot dezelfde taalrol behoren.
Art.70. Le Conseil de l'Institut nomme parmi ses membres un secrétaire et un trésorier. Le secrétaire et le trésorier appartiennent à un groupe linguistique différent.
Le comité exécutif est composé :
1° du président et du vice-président;
2° du secrétaire;
3° du trésorier;
4° de maximum deux autres membres nommés par le Conseil de l'Institut qui n'appartiennent pas au même rôle linguistique.
Le comité exécutif est composé :
1° du président et du vice-président;
2° du secrétaire;
3° du trésorier;
4° de maximum deux autres membres nommés par le Conseil de l'Institut qui n'appartiennent pas au même rôle linguistique.
Art.71. De beslissingen van de Raad van het Instituut en van het uitvoerend comité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
Art.71. Les décisions du Conseil de l'Institut et du comité exécutif sont prises à la majorité des voix. En cas d'égalité de voix, la voix du président est prépondérante.
Onderafdeling 2. - Bevoegdheden van de Raad van het Instituut
Sous-section 2. - Compétences du Conseil de l'Institut
Art.72. In overeenstemming met het artikel 62, is de Raad van het Instituut bevoegd voor :
1° het houden en het bijwerken van een openbaar register;
2° het uitvaardigen en openbaar maken op de website van het Instituut van technische normen en aanbevelingen, specifiek voor de uitoefening van het beroep;
3° het toezicht op de stagecommissie;
4° het benoemen van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de stagecommissie;
5° het toezicht op de permanente vorming;
6° het toezicht op de commissie kwaliteitstoetsing;
7° het benoemen van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de commissie kwaliteitstoetsing onder de personen ingeschreven in het openbaar register en die niet zijn terechtgewezen, volgens de nadere regels bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 60;
8° het uitwisselen van informatie en gegevens met de instanties in andere lidstaten met betrekking tot het beroep;
9° de beroepsbeoefenaars terechtwijzen en, in voorkomend geval, doorverwijzen naar de rechtskundig assessor;
10° het vertegenwoordigen van het Instituut, als eiser en als verweerder, bij de gerechtelijke overheden;
11° erop toezien dat de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep worden nageleefd en met dat doel in rechte op te treden, met name door elke inbreuk op de wetten en verordeningen tot bescherming van de beroepstitels en tot organisatie van het beroep bij de gerechtelijke overheden aan te klagen en door aan deze overheden iedere maatregel te vragen om dergelijke inbreuk te stoppen en desgevallend schadevergoeding te eisen;
12° andere door of krachtens de wet aan de Raad toegewezen bevoegdheden;
[1 13° erop toezien dat de personen bedoeld in artikel 6, § 2, de modaliteiten en voorwaarden naleven van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. De Raad van het Instituut zal in naam en voor rekening van het Instituut al zijn bevoegdheden als toezichtautoriteit in de zin van artikel 85 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van deze wet van 17 maart 2019.]1
Een norm als bedoeld in het eerste lid, 2°, is bindend. Een aanbeveling als bedoeld in het eerste lid, 2°, is eveneens bindend, tenzij in bijzondere omstandigheden gemotiveerd kan worden dat de afwijking ten aanzien van de aanbeveling geen afbreuk doet aan de criteria vastgesteld in hoofdstuk 4.
De normen en aanbevelingen worden in het Nederlands, het Frans en zo mogelijk in het Duits openbaar gemaakt op de website van het Instituut, met vermelding van de datum van de inwerkingtreding van de normen en aanbevelingen.
1° het houden en het bijwerken van een openbaar register;
2° het uitvaardigen en openbaar maken op de website van het Instituut van technische normen en aanbevelingen, specifiek voor de uitoefening van het beroep;
3° het toezicht op de stagecommissie;
4° het benoemen van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de stagecommissie;
5° het toezicht op de permanente vorming;
6° het toezicht op de commissie kwaliteitstoetsing;
7° het benoemen van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de commissie kwaliteitstoetsing onder de personen ingeschreven in het openbaar register en die niet zijn terechtgewezen, volgens de nadere regels bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 60;
8° het uitwisselen van informatie en gegevens met de instanties in andere lidstaten met betrekking tot het beroep;
9° de beroepsbeoefenaars terechtwijzen en, in voorkomend geval, doorverwijzen naar de rechtskundig assessor;
10° het vertegenwoordigen van het Instituut, als eiser en als verweerder, bij de gerechtelijke overheden;
11° erop toezien dat de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep worden nageleefd en met dat doel in rechte op te treden, met name door elke inbreuk op de wetten en verordeningen tot bescherming van de beroepstitels en tot organisatie van het beroep bij de gerechtelijke overheden aan te klagen en door aan deze overheden iedere maatregel te vragen om dergelijke inbreuk te stoppen en desgevallend schadevergoeding te eisen;
12° andere door of krachtens de wet aan de Raad toegewezen bevoegdheden;
[1 13° erop toezien dat de personen bedoeld in artikel 6, § 2, de modaliteiten en voorwaarden naleven van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. De Raad van het Instituut zal in naam en voor rekening van het Instituut al zijn bevoegdheden als toezichtautoriteit in de zin van artikel 85 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van deze wet van 17 maart 2019.]1
Een norm als bedoeld in het eerste lid, 2°, is bindend. Een aanbeveling als bedoeld in het eerste lid, 2°, is eveneens bindend, tenzij in bijzondere omstandigheden gemotiveerd kan worden dat de afwijking ten aanzien van de aanbeveling geen afbreuk doet aan de criteria vastgesteld in hoofdstuk 4.
De normen en aanbevelingen worden in het Nederlands, het Frans en zo mogelijk in het Duits openbaar gemaakt op de website van het Instituut, met vermelding van de datum van de inwerkingtreding van de normen en aanbevelingen.
Art.72. Conformément à l'article 62, le Conseil de l'Institut est compétent pour :
1° la tenue et la mise à jour du registre public;
2° l'émission et la publication sur le site internet de l'Institut de normes techniques et de recommandations spécifiques à l'exercice de la profession;
3° la supervision de la commission de stage;
4° la nomination du président, du vice-président et des membres de la commission de stage;
5° la supervision de la formation permanente;
6° la supervision de la commission revue qualité;
7° la nomination du président, du vice-président et des membres de la commission revue qualité, parmi les personnes inscrites dans le registre public et qui n'ont pas été rappelées à l'ordre, selon les modalités fixées par le Roi conformément à l'article 60;
8° l'échange d'informations et de données avec les instances d'autres Etats membres en ce qui concerne la profession;
9° le rappel à l'ordre des professionnels et, le cas échéant, leur renvoi vers l'assesseur juridique;
10° la représentation de l'Institut, en tant que demandeur et défendeur, auprès des autorités judiciaires;
11° veiller au respect des conditions d'accès à la profession et, à cet effet, ester en justice, notamment en dénonçant aux autorités judiciaires toute infraction aux lois et règlements protégeant le titre professionnel et organisant la profession et en requérant de ces autorités toute mesure de nature à faire cesser une telle infraction voire à obtenir des dédommagements;
12° les autres compétences attribuées au Conseil par ou en vertu de la loi;
[1 13° s'assurer que les personnes visées à l'article 6, § 2, se conforment aux modalités et conditions de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces. Le Conseil de l'Institut exerce, au nom et pour le compte de l'Institut, tous ses pouvoirs d'autorité de contrôle au sens de l'article 85 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces à l'égard des personnes visées à l'article 6, § 2, de la présente loi du 17 mars 2019.]1
Une norme visée à l'alinéa 1er, 2°, est obligatoire. Une recommandation, visée à l'alinéa 1er, 2°, est également obligatoire, à moins que dans des circonstances particulières il soit motivé que la dérogation opérée par rapport à la recommandation ne porte pas atteinte aux critères fixés au chapitre 4.
Les normes et recommandations sont rendues publiques sur le site Internet de l'Institut, en néerlandais, en français et dans la mesure du possible en allemand, avec mention de la date d'entrée en vigueur des normes et recommandations.
1° la tenue et la mise à jour du registre public;
2° l'émission et la publication sur le site internet de l'Institut de normes techniques et de recommandations spécifiques à l'exercice de la profession;
3° la supervision de la commission de stage;
4° la nomination du président, du vice-président et des membres de la commission de stage;
5° la supervision de la formation permanente;
6° la supervision de la commission revue qualité;
7° la nomination du président, du vice-président et des membres de la commission revue qualité, parmi les personnes inscrites dans le registre public et qui n'ont pas été rappelées à l'ordre, selon les modalités fixées par le Roi conformément à l'article 60;
8° l'échange d'informations et de données avec les instances d'autres Etats membres en ce qui concerne la profession;
9° le rappel à l'ordre des professionnels et, le cas échéant, leur renvoi vers l'assesseur juridique;
10° la représentation de l'Institut, en tant que demandeur et défendeur, auprès des autorités judiciaires;
11° veiller au respect des conditions d'accès à la profession et, à cet effet, ester en justice, notamment en dénonçant aux autorités judiciaires toute infraction aux lois et règlements protégeant le titre professionnel et organisant la profession et en requérant de ces autorités toute mesure de nature à faire cesser une telle infraction voire à obtenir des dédommagements;
12° les autres compétences attribuées au Conseil par ou en vertu de la loi;
[1 13° s'assurer que les personnes visées à l'article 6, § 2, se conforment aux modalités et conditions de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces. Le Conseil de l'Institut exerce, au nom et pour le compte de l'Institut, tous ses pouvoirs d'autorité de contrôle au sens de l'article 85 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces à l'égard des personnes visées à l'article 6, § 2, de la présente loi du 17 mars 2019.]1
Une norme visée à l'alinéa 1er, 2°, est obligatoire. Une recommandation, visée à l'alinéa 1er, 2°, est également obligatoire, à moins que dans des circonstances particulières il soit motivé que la dérogation opérée par rapport à la recommandation ne porte pas atteinte aux critères fixés au chapitre 4.
Les normes et recommandations sont rendues publiques sur le site Internet de l'Institut, en néerlandais, en français et dans la mesure du possible en allemand, avec mention de la date d'entrée en vigueur des normes et recommandations.
Art.73. De Raad van het Instituut maakt, na goedkeuring door de algemene vergadering, aan de minister bevoegd voor Economie, aan de minister bevoegd voor Middenstand en aan de Hoge Raad de volgende documenten over :
1° de jaarrekening en het activiteitenverslag;
2° het jaarverslag van de stagecommissie;
3° het jaarverslag van de commissie kwaliteitstoetsing.
1° de jaarrekening en het activiteitenverslag;
2° het jaarverslag van de stagecommissie;
3° het jaarverslag van de commissie kwaliteitstoetsing.
Art.73. Le Conseil de l'Institut transmet, après approbation de l'assemblée générale, au ministre qui a l'Economie dans ses attributions, au ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions et au Conseil supérieur les documents suivants :
1° les comptes annuels et le rapport d'activité;
2° le rapport annuel de la commission de stage;
3° le rapport annuel de la commission revue qualité.
1° les comptes annuels et le rapport d'activité;
2° le rapport annuel de la commission de stage;
3° le rapport annuel de la commission revue qualité.
Onderafdeling 3. - Bevoegdheden van het uitvoerend comité
Sous-section 3. - Compétences du comité exécutif
Art.74. Het uitvoerend comité als bedoeld in artikel 70 is belast met het dagelijks bestuur van het Instituut.
Het dagelijks bestuur omvat :
1° het afhandelen van de lopende zaken;
2° het toezicht op het financieel beheer van het Instituut;
3° het voorbereiden van de vergaderingen van de Raad van het Instituut;
4° het aanwerven en het leiden van het personeel van het Instituut;
5° andere taken toegewezen door de Raad van het Instituut.
Het dagelijks bestuur omvat :
1° het afhandelen van de lopende zaken;
2° het toezicht op het financieel beheer van het Instituut;
3° het voorbereiden van de vergaderingen van de Raad van het Instituut;
4° het aanwerven en het leiden van het personeel van het Instituut;
5° andere taken toegewezen door de Raad van het Instituut.
Art.74. Le comité exécutif visé à l'article 70 est chargé de la gestion journalière de l'Institut.
La gestion journalière comprend :
1° le traitement des affaires courantes;
2° la supervision de la gestion financière de l'Institut;
3° la préparation des réunions du Conseil de l'Institut;
4° le recrutement et la gestion du personnel de l'Institut;
5° les autres tâches assignées par le Conseil de l'Institut.
La gestion journalière comprend :
1° le traitement des affaires courantes;
2° la supervision de la gestion financière de l'Institut;
3° la préparation des réunions du Conseil de l'Institut;
4° le recrutement et la gestion du personnel de l'Institut;
5° les autres tâches assignées par le Conseil de l'Institut.
Afdeling 5. - De commissies
Section 5. - Les commissions
Art.75. Behoudens de stagecommissie en de commissie kwaliteitstoetsing, die door de Koning worden opgericht, kan de Raad van het Instituut nog andere commissies oprichten om hem bij te staan in de uitvoering van zijn opdrachten.
Art.75. Hormis la commission de stage et la commission revue qualité, qui sont créées par le Roi, le Conseil de l'Institut peut créer d'autres commissions pour l'assister dans l'exécution de ses missions.
Afdeling 6. - De commissarissen
Section 6. - Les commissaires
Art.76. De algemene vergadering duidt één of meer commissarissen aan onder de personen ingeschreven in het openbaar register met een hoedanigheid. Het mandaat van commissaris is tweemaal hernieuwbaar.
Het mandaat van commissaris is onverenigbaar met het mandaat van voorzitter, ondervoorzitter of lid van de Raad van het Instituut, alsook enige commissie of werkgroep opgericht door het Instituut.
De commissaris controleert de jaarrekening van het Instituut. Hij stelt een verslag op en maakt dat over aan de jaarlijkse algemene vergadering.
De algemene vergadering stelt de bezoldiging van de commissaris vast.
Het mandaat van commissaris is onverenigbaar met het mandaat van voorzitter, ondervoorzitter of lid van de Raad van het Instituut, alsook enige commissie of werkgroep opgericht door het Instituut.
De commissaris controleert de jaarrekening van het Instituut. Hij stelt een verslag op en maakt dat over aan de jaarlijkse algemene vergadering.
De algemene vergadering stelt de bezoldiging van de commissaris vast.
Art.76. L'assemblée générale nomme un ou plusieurs commissaires parmi les personnes inscrites au registre public avec une qualité. Le mandat du commissaire est renouvelable deux fois.
Le mandat de commissaire est incompatible avec le mandat de président, de vice-président ou de membre du Conseil de l'Institut, ainsi qu'avec toute commission ou groupe de travail constitué par l'Institut.
Le commissaire vérifie les comptes annuels de l'Institut. Il rédige un rapport et le soumet à l'assemblée générale annuelle.
L'assemblée générale détermine la rémunération du commissaire.
Le mandat de commissaire est incompatible avec le mandat de président, de vice-président ou de membre du Conseil de l'Institut, ainsi qu'avec toute commission ou groupe de travail constitué par l'Institut.
Le commissaire vérifie les comptes annuels de l'Institut. Il rédige un rapport et le soumet à l'assemblée générale annuelle.
L'assemblée générale détermine la rémunération du commissaire.
Afdeling 7. - Inkomsten
Section 7. - Recettes
Art.77. De inkomsten van het Instituut bestaan uit :
1° de bijdragen bedoeld in artikel 54 en, in voorkomend geval, de geïnde interesten aangerekend bij laattijdige betaling van de bijdragen;
2° de opbrengsten uit het vermogen van het Instituut;
3° de inkomsten door het organiseren van vorming, examens, de kwaliteitstoetsing, opleidingen en de uitgifte van brochures en publicaties;
4° de toelagen, legaten en schenkingen;
5° de kosten aangerekend aan de persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 in het kader van de tuchtprocedure als bedoeld in artikel 101, vierde lid, en artikel 112, vierde lid;
6° de door de algemene vergadering vastgestelde forfaitaire kosten aangerekend aan de personen ingeschreven in het openbaar register bij het verzenden van al dan niet aangetekende herinneringen en aanmaningen;
7° de administratieve kosten die worden aangerekend voor de behandeling van dossiers, als vastgesteld door de Raad van het Instituut;
8° alle andere inkomsten die rechtstreeks worden bestemd voor de opdrachten van het Instituut en ten dienste van de beroepsbeoefenaars.
Het Instituut mag zijn beschikbare gelden enkel besteden aan de aankoop van effecten waarvan het kapitaal en rente gewaarborgd zijn. In geen geval mag het Instituut ten kosteloze titel over zijn vermogen beschikken noch zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verdelen onder zijn leden of hun rechthebbenden.
1° de bijdragen bedoeld in artikel 54 en, in voorkomend geval, de geïnde interesten aangerekend bij laattijdige betaling van de bijdragen;
2° de opbrengsten uit het vermogen van het Instituut;
3° de inkomsten door het organiseren van vorming, examens, de kwaliteitstoetsing, opleidingen en de uitgifte van brochures en publicaties;
4° de toelagen, legaten en schenkingen;
5° de kosten aangerekend aan de persoon ingeschreven in het openbaar register [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2,]1 in het kader van de tuchtprocedure als bedoeld in artikel 101, vierde lid, en artikel 112, vierde lid;
6° de door de algemene vergadering vastgestelde forfaitaire kosten aangerekend aan de personen ingeschreven in het openbaar register bij het verzenden van al dan niet aangetekende herinneringen en aanmaningen;
7° de administratieve kosten die worden aangerekend voor de behandeling van dossiers, als vastgesteld door de Raad van het Instituut;
8° alle andere inkomsten die rechtstreeks worden bestemd voor de opdrachten van het Instituut en ten dienste van de beroepsbeoefenaars.
Het Instituut mag zijn beschikbare gelden enkel besteden aan de aankoop van effecten waarvan het kapitaal en rente gewaarborgd zijn. In geen geval mag het Instituut ten kosteloze titel over zijn vermogen beschikken noch zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verdelen onder zijn leden of hun rechthebbenden.
Art.77. Les recettes de l'Institut se composent :
1° des cotisations visées à l'article 54 et, le cas échéant, des intérêts perçus en cas de paiement tardif des cotisations;
2° du produit des actifs de l'Institut;
3° des revenus issus de l'organisation des formations, des examens, des revues qualité, des cours et de l'édition de brochures et de publications;
4° des indemnités, legs et dons;
5° des frais imputés à la personne inscrite au registre public [1 , à l'exception des personnes visées à l'article 29, § 2,]1 dans le cadre de la procédure disciplinaire visée à l'article 101, alinéa 4, et l'article 112, alinéa 4;
6° les frais forfaitaires, fixés par l'assemblée générale, qui sont facturés à la personne inscrite au registre public lors de l'envoi de rappels et de mises en demeure envoyés ou non par courrier recommandé;
7° les frais administratifs, inhérents au traitement des dossiers, qui sont déterminés par le Conseil de l'Institut;
8° tous les autres revenus qui sont directement affectés aux missions de l'Institut et au profit des professionnels.
L'Institut ne peut affecter ses disponibilités qu'à l'achat de valeurs mobilières dont le capital et les intérêts sont garantis. L'Institut ne peut, en aucun cas, disposer à titre gratuit de son patrimoine ou le répartir en tout ou en partie entre ses membres ou leurs ayants-droits.
1° des cotisations visées à l'article 54 et, le cas échéant, des intérêts perçus en cas de paiement tardif des cotisations;
2° du produit des actifs de l'Institut;
3° des revenus issus de l'organisation des formations, des examens, des revues qualité, des cours et de l'édition de brochures et de publications;
4° des indemnités, legs et dons;
5° des frais imputés à la personne inscrite au registre public [1 , à l'exception des personnes visées à l'article 29, § 2,]1 dans le cadre de la procédure disciplinaire visée à l'article 101, alinéa 4, et l'article 112, alinéa 4;
6° les frais forfaitaires, fixés par l'assemblée générale, qui sont facturés à la personne inscrite au registre public lors de l'envoi de rappels et de mises en demeure envoyés ou non par courrier recommandé;
7° les frais administratifs, inhérents au traitement des dossiers, qui sont déterminés par le Conseil de l'Institut;
8° tous les autres revenus qui sont directement affectés aux missions de l'Institut et au profit des professionnels.
L'Institut ne peut affecter ses disponibilités qu'à l'achat de valeurs mobilières dont le capital et les intérêts sont garantis. L'Institut ne peut, en aucun cas, disposer à titre gratuit de son patrimoine ou le répartir en tout ou en partie entre ses membres ou leurs ayants-droits.
HOOFDSTUK 9. - Het Interinstitutencomité
CHAPITRE 9. - Du comité inter-instituts
Art.78. Er wordt een interinstitutencomité opgericht, samengesteld uit de voorzitter en de ondervoorzitter van het Instituut en de voorzitter en de ondervoorzitter van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren.
Het interinstitutencomité heeft als doel overleg te organiseren over aangelegenheden die beide Instituten aanbelangen.
Dit comité vergadert minstens tweemaal per jaar. Telkens wanneer een Instituut erom verzoekt, vergadert het comité volgens de verzoeningsprocedure, waarvan de nadere regels door de Koning worden bepaald.
Het advies van het interinstitutencomité is vereist over elk ontwerp van wet of van koninklijk besluit dat raakt aan de specifieke opdrachten van de bedrijfsrevisoren, de gecertificeerde accountants, de gecertificeerde belastingadviseurs, de accountants en de fiscale accountants.
Het interinstitutencomité heeft als doel overleg te organiseren over aangelegenheden die beide Instituten aanbelangen.
Dit comité vergadert minstens tweemaal per jaar. Telkens wanneer een Instituut erom verzoekt, vergadert het comité volgens de verzoeningsprocedure, waarvan de nadere regels door de Koning worden bepaald.
Het advies van het interinstitutencomité is vereist over elk ontwerp van wet of van koninklijk besluit dat raakt aan de specifieke opdrachten van de bedrijfsrevisoren, de gecertificeerde accountants, de gecertificeerde belastingadviseurs, de accountants en de fiscale accountants.
Art.78. Un comité inter-instituts est créé, composé du président et du vice-président de l'Institut et du président et du vice-président de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises.
Le comité inter-instituts a pour objet d'organiser une concertation concernant toute question qui intéresse les deux Instituts.
Ce comité se réunit au moins deux fois par an. A la demande de l'un des Instituts, le comité se réunit selon la procédure de conciliation, dont les modalités sont déterminées par le Roi.
L'avis du comité inter-instituts est requis sur tout projet de loi ou d'arrêté royal qui touche aux missions spécifiques des réviseurs d'entreprises, des experts-comptables certifiés, des conseillers fiscaux certifiés, des experts-comptables et des experts-comptables fiscalistes.
Le comité inter-instituts a pour objet d'organiser une concertation concernant toute question qui intéresse les deux Instituts.
Ce comité se réunit au moins deux fois par an. A la demande de l'un des Instituts, le comité se réunit selon la procédure de conciliation, dont les modalités sont déterminées par le Roi.
L'avis du comité inter-instituts est requis sur tout projet de loi ou d'arrêté royal qui touche aux missions spécifiques des réviseurs d'entreprises, des experts-comptables certifiés, des conseillers fiscaux certifiés, des experts-comptables et des experts-comptables fiscalistes.
HOOFDSTUK 10. - De Hoge Raad voor de Economische Beroepen
CHAPITRE 10. - Le Conseil supérieur des Professions économiques
Art.79. Er wordt een Hoge Raad voor de Economische Beroepen opgericht.
De Hoge Raad is een zelfstandig organisme met zetel in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
De Hoge Raad heeft tot taak via adviezen of aanbevelingen, op eigen initiatief of op verzoek, aan het Parlement, de regering, het Instituut, het Instituut van de bedrijfsrevisoren en het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren, opgericht bij artikel 32 van de auditwet, ertoe bij te dragen dat bij de uitoefening van de opdrachten die de wet aan de bedrijfsrevisoren en aan de gecertificeerde accountants toevertrouwt evenals van de activiteiten van gecertificeerd accountant, gecertificeerd belastingadviseur, accountant, fiscaal accountant en bedrijfsrevisor het algemeen belang en de vereisten van het maatschappelijk verkeer in acht worden genomen. Deze adviezen of aanbevelingen hebben onder meer betrekking op de uitoefening van de opdrachten omschreven in artikel 15bis van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.
De Hoge Raad is een zelfstandig organisme met zetel in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
De Hoge Raad heeft tot taak via adviezen of aanbevelingen, op eigen initiatief of op verzoek, aan het Parlement, de regering, het Instituut, het Instituut van de bedrijfsrevisoren en het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren, opgericht bij artikel 32 van de auditwet, ertoe bij te dragen dat bij de uitoefening van de opdrachten die de wet aan de bedrijfsrevisoren en aan de gecertificeerde accountants toevertrouwt evenals van de activiteiten van gecertificeerd accountant, gecertificeerd belastingadviseur, accountant, fiscaal accountant en bedrijfsrevisor het algemeen belang en de vereisten van het maatschappelijk verkeer in acht worden genomen. Deze adviezen of aanbevelingen hebben onder meer betrekking op de uitoefening van de opdrachten omschreven in artikel 15bis van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.
Art.79. Il est créé un Conseil supérieur des Professions économiques.
Le Conseil supérieur est un organisme autonome dont le siège est établi dans la Région de Bruxelles-Capitale.
Le Conseil supérieur a pour mission de contribuer, par la voie d'avis ou de recommandations adressées, d'initiative ou sur demande, au Parlement, au gouvernement, à l'Institut, à l'Institut des Réviseurs d'Entreprises et au Collège de supervision des Réviseurs d'entreprises, créé par l'article 32 de la loi audit, à ce que les missions que la loi confie aux réviseurs d'entreprises et aux experts-comptables certifiés ainsi que les activités d'expert-comptable certifié, de conseiller fiscal, d'expert-comptable, d'expert-comptable-fiscaliste et de réviseur d'entreprises soient exercées dans le respect de l'intérêt général et des exigences de la vie sociale. Ces avis ou recommandations ont trait notamment à l'exercice des missions visées à l'article 15bis de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie.
Le Conseil supérieur est un organisme autonome dont le siège est établi dans la Région de Bruxelles-Capitale.
Le Conseil supérieur a pour mission de contribuer, par la voie d'avis ou de recommandations adressées, d'initiative ou sur demande, au Parlement, au gouvernement, à l'Institut, à l'Institut des Réviseurs d'Entreprises et au Collège de supervision des Réviseurs d'entreprises, créé par l'article 32 de la loi audit, à ce que les missions que la loi confie aux réviseurs d'entreprises et aux experts-comptables certifiés ainsi que les activités d'expert-comptable certifié, de conseiller fiscal, d'expert-comptable, d'expert-comptable-fiscaliste et de réviseur d'entreprises soient exercées dans le respect de l'intérêt général et des exigences de la vie sociale. Ces avis ou recommandations ont trait notamment à l'exercice des missions visées à l'article 15bis de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie.
Art.80. De Hoge Raad moet worden geraadpleegd voor elk besluit met betrekking tot de beroepen bedoeld in deze wet en met betrekking tot het beroep van de bedrijfsrevisor en voor elk besluit dat wordt genomen in uitvoering van deze wet of wetten betreffende de beroepen bedoeld in deze wet en het beroep van bedrijfsrevisor. Elke afwijking van een eensluidend advies van de Hoge Raad over een besluit moet uitdrukkelijk met redenen omkleed worden.
Bovendien moet de Hoge Raad worden geraadpleegd over elke beslissing met een algemene draagwijdte die door de Raad van het Instituut wordt genomen in toepassing van artikel 72, eerste lid, 2°, en door de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren in toepassing van artikel 31 van de auditwet. De Raad van het Instituut of de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren [1 kunnen niet]1 afwijken van een advies dat door de meerderheid van de leden van de Hoge Raad is goedgekeurd indien het advies betrekking heeft op een aangelegenheid die betrekking heeft op meer dan één beroep of hoedanigheid. De betrokken Raad kan enkel afwijken van adviezen over een aangelegenheid die slechts betrekking heeft op één beroep of hoedanigheid wanneer dit uitdrukkelijk met redenen is omkleed.
De Hoge Raad moet de hem gevraagde adviezen binnen drie maanden uitbrengen. Zo niet wordt hij geacht een gunstig advies [1 uitgebracht te hebben]1.
Uitzonderlijk kan in hoogdringende gevallen, die met redenen zijn omkleed, de Hoge Raad verzocht worden om binnen één maand een advies uit te brengen.
Bovendien moet de Hoge Raad worden geraadpleegd over elke beslissing met een algemene draagwijdte die door de Raad van het Instituut wordt genomen in toepassing van artikel 72, eerste lid, 2°, en door de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren in toepassing van artikel 31 van de auditwet. De Raad van het Instituut of de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren [1 kunnen niet]1 afwijken van een advies dat door de meerderheid van de leden van de Hoge Raad is goedgekeurd indien het advies betrekking heeft op een aangelegenheid die betrekking heeft op meer dan één beroep of hoedanigheid. De betrokken Raad kan enkel afwijken van adviezen over een aangelegenheid die slechts betrekking heeft op één beroep of hoedanigheid wanneer dit uitdrukkelijk met redenen is omkleed.
De Hoge Raad moet de hem gevraagde adviezen binnen drie maanden uitbrengen. Zo niet wordt hij geacht een gunstig advies [1 uitgebracht te hebben]1.
Uitzonderlijk kan in hoogdringende gevallen, die met redenen zijn omkleed, de Hoge Raad verzocht worden om binnen één maand een advies uit te brengen.
Art.80. Le Conseil supérieur doit être consulté sur tout arrêté à prendre relatif aux professions visées par la présente loi et à la profession de réviseur d'entreprises et sur tout arrêté en exécution de la présente loi ou des lois relatives aux professions visées par la présente loi et de réviseur d'entreprises. Toute dérogation à un avis unanime du Conseil supérieur doit être motivée de façon explicite.
Le Conseil supérieur doit en outre être consulté sur toute décision de portée générale à prendre, en application de l'article 72, alinéa 1er, 2°, par le Conseil de l'Institut ou par le Conseil de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises, en application de l'article 31 de la loi audit. Le Conseil de l'Institut ou le Conseil de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises ne peuvent déroger à un avis approuvé par la majorité des membres du Conseil supérieur si l'avis est relatif à une matière se rapportant à plus d'une profession ou qualité. Le Conseil concerné ne peut déroger aux avis relatifs à une matière ne se rapportant qu'à une seule profession ou qualité que moyennant motivation expresse.
Le Conseil supérieur doit émettre les avis qui lui sont demandés dans les trois mois. A défaut, il est supposé avoir émis un avis favorable.
Exceptionnellement, dans des cas urgents et motivés, il peut être demandé au Conseil supérieur d'émettre un avis dans un délai d'un mois.
Le Conseil supérieur doit en outre être consulté sur toute décision de portée générale à prendre, en application de l'article 72, alinéa 1er, 2°, par le Conseil de l'Institut ou par le Conseil de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises, en application de l'article 31 de la loi audit. Le Conseil de l'Institut ou le Conseil de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises ne peuvent déroger à un avis approuvé par la majorité des membres du Conseil supérieur si l'avis est relatif à une matière se rapportant à plus d'une profession ou qualité. Le Conseil concerné ne peut déroger aux avis relatifs à une matière ne se rapportant qu'à une seule profession ou qualité que moyennant motivation expresse.
Le Conseil supérieur doit émettre les avis qui lui sont demandés dans les trois mois. A défaut, il est supposé avoir émis un avis favorable.
Exceptionnellement, dans des cas urgents et motivés, il peut être demandé au Conseil supérieur d'émettre un avis dans un délai d'un mois.
Art.81. De Hoge Raad organiseert permanent overleg met het Instituut en het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. Hij kan daartoe met elk van deze Instituten werkgroepen oprichten.
Art.81. Le Conseil supérieur organise une concertation permanente avec l'Institut et l'Institut des Réviseurs d'Entreprises. Il peut constituer à cet effet des groupes de travail avec chacun de ces Instituts.
Art.82. De Hoge Raad kan bij de tuchtcommissie van het Instituut en bij de sanctiecommissie van de FSMA bedoeld in artikel 47 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, klacht neerleggen tegen, naar gelang het geval, een of meer bedrijfsrevisoren, gecertificeerde accountants, gecertificeerde belastingadviseurs, accountants of fiscaal accountants. De betrokken commissie stelt de Hoge Raad in kennis van het gevolg dat aan deze klacht is gegeven.
Art.82. Le Conseil supérieur peut déposer plainte auprès de la commission de discipline de l'Institut et auprès de la commission des sanctions de la FSMA, visée à l'article 47 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, selon le cas, contre un ou plusieurs réviseurs d'entreprises, experts-comptables certifiés, conseillers fiscaux certifiés, experts-comptables ou experts-comptables fiscalistes. La commission concernée informe le Conseil supérieur de la suite réservée à cette plainte.
Art.83. De Hoge Raad bestaat uit zeven leden benoemd door de Koning. Vier onder hen, van wie één de kleine en middelgrote ondernemingen vertegenwoordigt, worden door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven op een dubbele lijst voorgedragen. Drie leden worden voorgedragen door de minister bevoegd voor Economie, de minister bevoegd voor Financiën en de minister bevoegd voor Middenstand.
Hun vergoeding wordt door de Koning vastgesteld.
Hun vergoeding wordt door de Koning vastgesteld.
Art.83. Le Conseil supérieur est composé de sept membres nommés par le Roi. Quatre d'entre eux, dont un doit être représentant des petites et moyennes entreprises, sont présentés sur une liste double proposée par le Conseil central de l'Economie. Trois membres sont présentés par le ministre qui a l'Economie dans ses attributions, le ministre qui a les Finances dans ses attributions et le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
Leurs émoluments sont fixés par le Roi.
Leurs émoluments sont fixés par le Roi.
Art.84. De Koning stelt het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad vast, op diens voorstel. De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie wordt ermee belast het secretariaat en de infrastructuur van de Hoge Raad waar te nemen. De overige werkingskosten worden gedragen door het Instituut en het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, op de wijze en binnen de grenzen die de Koning bepaalt.
Art.84. Le Roi arrête le règlement d'ordre intérieur du Conseil supérieur sur proposition de celui-ci. Le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie est chargé d'assurer le secrétariat et l'infrastructure du Conseil supérieur. Les autres frais de fonctionnement du Conseil supérieur sont supportés par l'Institut et par l'Institut des Réviseurs d'Entreprises selon les modalités et dans les limites déterminées par le Roi.
HOOFDSTUK 11. - Handhaving
CHAPITRE 11. - Contrôle
Afdeling 1. - De terechtwijzing
Section 1re. - Le rappel à l'ordre
Onderafdeling 1. - Redenen voor een terechtwijzing
Sous-section 1re. - Raisons pour un rappel à l'ordre
Art.85. De Raad van het Instituut kan elke persoon ingeschreven in het openbaar register, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 23 [1 en in artikel 29, § 2]1, terechtwijzen bij de volgende inbreuken :
1° wanneer de betrokkene in gebreke blijft om, binnen een termijn bepaald door de Raad van het Instituut, alle of een gedeelte van de bijdragen, bedoeld in artikel 54 te betalen;
2° wanneer de beroepsbeoefenaar verzuimd heeft om zich te verzekeren voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid met een verzekeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 44, of die te laten goedkeuren door de Raad van het Instituut;
3° wanneer de betrokkene gedurende drie opeenvolgende jaren niet heeft deelgenomen aan de verplichte permanente vorming overeenkomstig artikel 39, tweede lid, en overeenkomstig de norm, als bedoeld in artikel 39, vierde lid;
4° wanneer, overeenkomstig artikel 58, de beroepsbeoefenaar de datum van de kwaliteitstoetsing niet heeft bevestigd binnen de termijn die de commissie kwaliteitstoetsing heeft aangekondigd of wanneer de beroepsbeoefenaar, na uitstel te hebben verkregen, heeft verzuimd om binnen de aangekondigde termijn een nieuwe datum voor toetsing aan de commissie kwaliteitstoetsing voor te stellen.
1° wanneer de betrokkene in gebreke blijft om, binnen een termijn bepaald door de Raad van het Instituut, alle of een gedeelte van de bijdragen, bedoeld in artikel 54 te betalen;
2° wanneer de beroepsbeoefenaar verzuimd heeft om zich te verzekeren voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid met een verzekeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 44, of die te laten goedkeuren door de Raad van het Instituut;
3° wanneer de betrokkene gedurende drie opeenvolgende jaren niet heeft deelgenomen aan de verplichte permanente vorming overeenkomstig artikel 39, tweede lid, en overeenkomstig de norm, als bedoeld in artikel 39, vierde lid;
4° wanneer, overeenkomstig artikel 58, de beroepsbeoefenaar de datum van de kwaliteitstoetsing niet heeft bevestigd binnen de termijn die de commissie kwaliteitstoetsing heeft aangekondigd of wanneer de beroepsbeoefenaar, na uitstel te hebben verkregen, heeft verzuimd om binnen de aangekondigde termijn een nieuwe datum voor toetsing aan de commissie kwaliteitstoetsing voor te stellen.
Art.85. Le Conseil de l'Institut peut rappeler à l'ordre chaque personne inscrite au registre public, à l'exception des personnes visées à l'article 23 [1 et à l'article 29, § 2]1, pour les infractions suivantes :
1° lorsque l'intéressé reste en défaut, dans le délai déterminé par le Conseil de l'Institut, de payer tout ou partie des cotisations visées à l'article 54;
2° lorsque le professionnel a omis de faire couvrir sa responsabilité civile professionnelle par un contrat d'assurance visé à l'article 44 ou de le faire approuver par le Conseil de l'Institut;
3° lorsque l'intéressé n'a pas, pendant trois années civiles consécutives, participé à la formation permanente obligatoire conformément à l'article 39, alinéa 2, et conformément à la norme visée à l'article 39, alinéa 4;
4° lorsque, conformément à l'article 58, le professionnel n'a pas confirmé la date de la revue qualité dans le délai annoncé par la commission revue qualité ou lorsque le professionnel, après avoir obtenu un délai, a omis de proposer à la commission revue qualité, dans le délai que la commission a annoncé, une nouvelle date de revue qualité.
1° lorsque l'intéressé reste en défaut, dans le délai déterminé par le Conseil de l'Institut, de payer tout ou partie des cotisations visées à l'article 54;
2° lorsque le professionnel a omis de faire couvrir sa responsabilité civile professionnelle par un contrat d'assurance visé à l'article 44 ou de le faire approuver par le Conseil de l'Institut;
3° lorsque l'intéressé n'a pas, pendant trois années civiles consécutives, participé à la formation permanente obligatoire conformément à l'article 39, alinéa 2, et conformément à la norme visée à l'article 39, alinéa 4;
4° lorsque, conformément à l'article 58, le professionnel n'a pas confirmé la date de la revue qualité dans le délai annoncé par la commission revue qualité ou lorsque le professionnel, après avoir obtenu un délai, a omis de proposer à la commission revue qualité, dans le délai que la commission a annoncé, une nouvelle date de revue qualité.
Onderafdeling 2. - Procedure van de terechtwijzing
Sous-section 2. - Procédure du rappel à l'ordre
Art.86. Na vaststelling van de inbreuken richt de Raad van het Instituut een terechtwijzing aan de betrokkene met vermelding van de reden van de terechtwijzing, de termijn en modaliteiten waarbinnen de betrokkene zich moet in regel stellen.
Art.86. Après constatation des infractions, le Conseil de l'Institut adresse un rappel à l'ordre à l'intéressé, en précisant le motif du rappel à l'ordre, le délai dans lequel et les modalités selon lesquelles l'intéressé doit se conformer.
Art.87. Wanneer de Raad van het Instituut vaststelt dat de betrokkene binnen drie maanden na de terechtwijzing geen gevolg geeft aan de terechtwijzing, kan de Raad van het Instituut de hoedanigheid van de betrokkene intrekken.
Iedere definitief geworden terechtwijzing wordt gedurende vijf jaar vermeld in het dossier van de betrokkene. Op het einde van deze periode van vijf jaar wordt de terechtwijzing automatisch uitgewist.
Iedere definitief geworden terechtwijzing wordt gedurende vijf jaar vermeld in het dossier van de betrokkene. Op het einde van deze periode van vijf jaar wordt de terechtwijzing automatisch uitgewist.
Art.87. Lorsque le Conseil de l'Institut constate que l'intéressé n'a pas donné suite au rappel à l'ordre pendant trois mois après le rappel à l'ordre, le Conseil de l'Institut peut retirer la qualité de l'intéressé.
Tout rappel à l'ordre devenu définitif est mentionné dans le dossier de l'intéressé pendant cinq ans. A l'issue de cette période de cinq ans, le rappel à l'ordre est effacé automatiquement.
Tout rappel à l'ordre devenu définitif est mentionné dans le dossier de l'intéressé pendant cinq ans. A l'issue de cette période de cinq ans, le rappel à l'ordre est effacé automatiquement.
Art.88. Tegen de beslissing van de Raad van het Instituut om hem terecht te wijzen als bedoeld in deze afdeling, kan de betrokkene, binnen dertig dagen na de betekening van de terechtwijzing, beroep instellen bij de commissie van beroep.
Dit beroep is opschortend.
Dit beroep is opschortend.
Art.88. L'intéressé peut interjeter appel contre la décision du Conseil de l'Institut de le rappeler à l'ordre conformément à la présente section dans un délai de trente jours qui suit la notification du rappel à l'ordre auprès de la commission d'appel.
Cet appel est suspensif.
Cet appel est suspensif.
Afdeling 2. - De beroepstucht
Section 2. - La discipline professionnelle
Onderafdeling 1. - De tuchtcommissie
Sous-section 1re. - La commission de discipline
Art.89. De beroepstucht wordt in eerste aanleg gehandhaafd door een tuchtcommissie.
De tuchtcommissie bestaat uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer.
Elke kamer is samengesteld uit :
1° een voorzitter die rechter of eremagistraat is of een advocaat die gedurende minstens tien jaar ingeschreven is op het tableau van een orde van advocaten;
2° twee leden die door de Raad van het Instituut aangewezen worden, gekozen uit de personen ingeschreven in het openbaar register met een hoedanigheid.
De voorzitter alsook een plaatsvervangend voorzitter worden benoemd door de Koning op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie.
Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervangend lid aangeduid.
Zowel de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de effectieve als de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.
De leden mogen geen lid zijn van de Raad van het Instituut noch van een andere commissie of werkgroep van het Instituut.
De tuchtcommissie bestaat uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer.
Elke kamer is samengesteld uit :
1° een voorzitter die rechter of eremagistraat is of een advocaat die gedurende minstens tien jaar ingeschreven is op het tableau van een orde van advocaten;
2° twee leden die door de Raad van het Instituut aangewezen worden, gekozen uit de personen ingeschreven in het openbaar register met een hoedanigheid.
De voorzitter alsook een plaatsvervangend voorzitter worden benoemd door de Koning op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie.
Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervangend lid aangeduid.
Zowel de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de effectieve als de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.
De leden mogen geen lid zijn van de Raad van het Instituut noch van een andere commissie of werkgroep van het Instituut.
Art.89. La discipline professionnelle est exercée en premier ressort par une commission de discipline.
La commission de discipline comprend une chambre néerlandophone et une chambre francophone.
Chaque chambre est composée :
1° d'un président qui est juge ou juge honoraire ou qui est un avocat inscrit depuis au moins dix ans sur le tableau d'un ordre des avocats;
2° de deux membres, désignés par le Conseil de l'Institut, qui sont choisis parmi les personnes inscrites au registre public avec une qualité.
Le président ainsi qu'un président suppléant sont nommés par le Roi sur proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions.
Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant.
Le président, le président suppléant, les membres effectifs et les suppléants sont nommés pour une période renouvelable de six ans.
Les membres ne peuvent être ni membre du Conseil de l'Institut ni membre d'une autre commission ou groupe de travail de l'Institut.
La commission de discipline comprend une chambre néerlandophone et une chambre francophone.
Chaque chambre est composée :
1° d'un président qui est juge ou juge honoraire ou qui est un avocat inscrit depuis au moins dix ans sur le tableau d'un ordre des avocats;
2° de deux membres, désignés par le Conseil de l'Institut, qui sont choisis parmi les personnes inscrites au registre public avec une qualité.
Le président ainsi qu'un président suppléant sont nommés par le Roi sur proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions.
Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant.
Le président, le président suppléant, les membres effectifs et les suppléants sont nommés pour une période renouvelable de six ans.
Les membres ne peuvent être ni membre du Conseil de l'Institut ni membre d'une autre commission ou groupe de travail de l'Institut.
Art.90. Elke kamer van de tuchtcommissie wordt bijgestaan door een rechtskundig assessor en een plaatsvervangend rechtskundig assessor, die door de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Middenstand voor een hernieuwbare termijn van zes jaar benoemd worden. De rechtskundig assessor en zijn plaatsvervanger worden gekozen uit de advocaten die gedurende minstens tien jaar ingeschreven zijn op het tableau van een orde van advocaten.
Elke kamer beschikt ook over een griffie die waargenomen wordt door de personeelsleden van het Instituut.
Elke kamer beschikt ook over een griffie die waargenomen wordt door de personeelsleden van het Instituut.
Art.90. Chaque chambre de la commission de discipline est assistée par un assesseur juridique et un assesseur juridique suppléant, nommés par le ministre ayant l'Economie dans ses attributions et le ministre ayant les Classes moyennes dans ses attributions pour une période de six ans renouvelable. L'assesseur juridique et son suppléant sont désignés parmi les avocats qui sont inscrits depuis au moins dix ans sur le tableau d'un ordre des avocats.
Chaque chambre dispose également d'un greffe qui est assuré par des membres du personnel de l'Institut.
Chaque chambre dispose également d'un greffe qui est assuré par des membres du personnel de l'Institut.
Art.91. De bevoegdheid van de kamers wordt bepaald door de taal waarin de persoon in het openbaar register is ingeschreven.
Art.91. La compétence des chambres est déterminée par la langue dans laquelle la personne est inscrite au registre public.
Onderafdeling 2. - De tuchtstraffen
Sous-section 2. - Les peines disciplinaires
Art.92. Een of meerdere tuchtstraffen worden opgelegd aan personen ingeschreven in het openbaar register wanneer inbreuken zijn vastgesteld tegen het wettelijk, reglementair en normatief kader waarbinnen de beroepsactiviteiten worden uitgeoefend.
Art.92. Une ou plusieurs peines disciplinaires sont imposées aux personnes inscrites au registre public lorsque des infractions sont constatées au cadre légal, réglementaire et normatif dans lequel les activités professionnelles sont exercées.
Art.93. § 1. De volgende tuchtstraffen kunnen worden opgelegd aan een beroepsbeoefenaar, natuurlijk of rechtspersoon, die de hoedanigheid heeft om één of meerdere activiteiten bedoeld in artikel 3, als zelfstandige uit te oefenen :
1° de waarschuwing;
2° de berisping;
3° de geldboete;
4° het verbod om bepaalde opdrachten te aanvaarden of voort te zetten;
5° de schorsing;
6° de schrapping.
De tuchtcommissie kan de bekendmaking van de beslissing bevelen of van een samenvatting ervan op de website van het Instituut. De bekendmaking gebeurt op een geanonimiseerde wijze.
§ 2. De schorsing houdt het verbod in om voor een welbepaalde periode de beroepsactiviteiten uit te oefenen en de beroepstitel te dragen in België.
De schorsing mag niet langer dan twee jaar duren.
De schorsing houdt tevens het verbod in om deel te nemen aan de algemene vergadering en alle andere organen van het Instituut, zolang de tuchtstraf uitwerking heeft.
De geschorste wordt weggelaten uit het openbaar register gedurende de periode van de schorsing maar blijft gehouden aan zijn verplichtingen ten aanzien van het Instituut.
§ 3. De schrapping houdt het verbod in om de beroepsactiviteiten in België uit te oefenen en de beroepstitel te dragen, evenals de automatische intrekking van de hoedanigheid zoals bedoeld in artikel 115.
§ 4. De tuchtstraffen voorzien in paragraaf 1 zijn ook toepasselijk op de beroepsbeoefenaars of andere personen die de hoedanigheid enkel verkregen hebben om de beroepstitel te mogen dragen, met het volgende voorbehoud : het verbod om bepaalde opdrachten te aanvaarden of uit te oefenen, de schorsing of de schrapping houdt voor de persoon die de straf oploopt enkel het verbod in om de beroepstitel te dragen tijdens de uitoefening van die opdrachten of activiteiten.
1° de waarschuwing;
2° de berisping;
3° de geldboete;
4° het verbod om bepaalde opdrachten te aanvaarden of voort te zetten;
5° de schorsing;
6° de schrapping.
De tuchtcommissie kan de bekendmaking van de beslissing bevelen of van een samenvatting ervan op de website van het Instituut. De bekendmaking gebeurt op een geanonimiseerde wijze.
§ 2. De schorsing houdt het verbod in om voor een welbepaalde periode de beroepsactiviteiten uit te oefenen en de beroepstitel te dragen in België.
De schorsing mag niet langer dan twee jaar duren.
De schorsing houdt tevens het verbod in om deel te nemen aan de algemene vergadering en alle andere organen van het Instituut, zolang de tuchtstraf uitwerking heeft.
De geschorste wordt weggelaten uit het openbaar register gedurende de periode van de schorsing maar blijft gehouden aan zijn verplichtingen ten aanzien van het Instituut.
§ 3. De schrapping houdt het verbod in om de beroepsactiviteiten in België uit te oefenen en de beroepstitel te dragen, evenals de automatische intrekking van de hoedanigheid zoals bedoeld in artikel 115.
§ 4. De tuchtstraffen voorzien in paragraaf 1 zijn ook toepasselijk op de beroepsbeoefenaars of andere personen die de hoedanigheid enkel verkregen hebben om de beroepstitel te mogen dragen, met het volgende voorbehoud : het verbod om bepaalde opdrachten te aanvaarden of uit te oefenen, de schorsing of de schrapping houdt voor de persoon die de straf oploopt enkel het verbod in om de beroepstitel te dragen tijdens de uitoefening van die opdrachten of activiteiten.
Art.93. § 1er. Les peines disciplinaires suivantes peuvent être infligées au professionnel, personne physique ou personne morale, ayant la qualité pour exercer en tant qu'indépendant une ou plusieurs des activités visées à l'article 3 :
1° l'avertissement;
2° la réprimande;
3° une amende;
4° l'interdiction d'accepter ou de poursuivre certaines missions;
5° la suspension;
6° la radiation.
La commission de discipline peut également ordonner la publication de la décision ou un résumé de celle-ci sur le site Internet de l'Institut. La publication s'effectue de manière anonymisée.
§ 2. La suspension emporte interdiction d'exercer des activités professionnelles et de porter le titre professionnel en Belgique pour une période déterminée.
Le terme de la suspension ne peut excéder deux années.
La suspension emporte interdiction de participer à l'assemblée générale et à tous les autres organes de l'Institut, pendant la durée de l'exécution de cette peine disciplinaire.
La personne suspendue est omise du registre public pendant la période de suspension mais reste tenue à ses obligations vis-à-vis de l'Institut.
§ 3. La radiation emporte interdiction d'exercer des activités professionnelles en Belgique, ainsi que de porter le titre professionnel et le retrait automatique de la qualité comme visé à l'article 115.
§ 4. Les sanctions prévues au paragraphe 1er sont aussi applicables aux professionnels ou autres personnes qui ont obtenu la qualité uniquement afin de pouvoir porter le titre professionnel, sous la réserve suivante : l'interdiction d'accepter ou d'exercer certaines missions, la suspension ou la radiation empêchent uniquement la personne, qui fait l'objet d'une sanction, de porter le titre professionnel lors de l'exercice de ces missions ou activités.
1° l'avertissement;
2° la réprimande;
3° une amende;
4° l'interdiction d'accepter ou de poursuivre certaines missions;
5° la suspension;
6° la radiation.
La commission de discipline peut également ordonner la publication de la décision ou un résumé de celle-ci sur le site Internet de l'Institut. La publication s'effectue de manière anonymisée.
§ 2. La suspension emporte interdiction d'exercer des activités professionnelles et de porter le titre professionnel en Belgique pour une période déterminée.
Le terme de la suspension ne peut excéder deux années.
La suspension emporte interdiction de participer à l'assemblée générale et à tous les autres organes de l'Institut, pendant la durée de l'exécution de cette peine disciplinaire.
La personne suspendue est omise du registre public pendant la période de suspension mais reste tenue à ses obligations vis-à-vis de l'Institut.
§ 3. La radiation emporte interdiction d'exercer des activités professionnelles en Belgique, ainsi que de porter le titre professionnel et le retrait automatique de la qualité comme visé à l'article 115.
§ 4. Les sanctions prévues au paragraphe 1er sont aussi applicables aux professionnels ou autres personnes qui ont obtenu la qualité uniquement afin de pouvoir porter le titre professionnel, sous la réserve suivante : l'interdiction d'accepter ou d'exercer certaines missions, la suspension ou la radiation empêchent uniquement la personne, qui fait l'objet d'une sanction, de porter le titre professionnel lors de l'exercice de ces missions ou activités.
Onderafdeling 3. - De tuchtprocedure
Sous-section 3. - La procédure disciplinaire
Art.94. Een klacht kan bij de rechtskundig assessor van de betrokken kamer van de tuchtcommissie worden ingediend door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep of door elke belanghebbende.
De rechtskundig assessor die op de hoogte is gebracht van een mogelijke tekortkoming of zelf een mogelijke tekortkoming vaststelt op basis van een klacht of op elke andere manier, onderzoekt het dossier.
De Raad van het Instituut benoemt voor elke kamer van de tuchtcommissie één of meer referendarissen onder de personeelsleden van het Instituut.
De referendarissen staan de rechtskundig assessor bij in het uitvoeren van zijn taken. Zij bereiden de tuchtdossiers voor wat betreft de feiten en zij adviseren de rechtskundig assessor over de tuchtprocedure.
Nadat de rechtskundig assessor de informatie die hij noodzakelijk acht heeft verzameld of heeft laten verzamelen, beslist hij om het dossier aan de tuchtcommissie over te maken wanneer hij van oordeel is dat er voldoende bezwaren bestaan.
In het andere geval klasseert hij het dossier zonder gevolg. In voorkomend geval brengt hij de klager hiervan op de hoogte. Hij kan deze klassering zonder gevolg afhankelijk maken van het respecteren van bepaalde voorwaarden.
De rechtskundig assessor die op de hoogte is gebracht van een mogelijke tekortkoming of zelf een mogelijke tekortkoming vaststelt op basis van een klacht of op elke andere manier, onderzoekt het dossier.
De Raad van het Instituut benoemt voor elke kamer van de tuchtcommissie één of meer referendarissen onder de personeelsleden van het Instituut.
De referendarissen staan de rechtskundig assessor bij in het uitvoeren van zijn taken. Zij bereiden de tuchtdossiers voor wat betreft de feiten en zij adviseren de rechtskundig assessor over de tuchtprocedure.
Nadat de rechtskundig assessor de informatie die hij noodzakelijk acht heeft verzameld of heeft laten verzamelen, beslist hij om het dossier aan de tuchtcommissie over te maken wanneer hij van oordeel is dat er voldoende bezwaren bestaan.
In het andere geval klasseert hij het dossier zonder gevolg. In voorkomend geval brengt hij de klager hiervan op de hoogte. Hij kan deze klassering zonder gevolg afhankelijk maken van het respecteren van bepaalde voorwaarden.
Art.94. Une plainte peut être déposée par le procureur général près la Cour d'appel ou par toute personne intéressée auprès de l'assesseur juridique de la chambre concernée de la commission de discipline.
L'assesseur juridique qui est informé d'un possible manquement ou qui constate lui-même un manquement possible sur base d'une plainte ou de toute autre manière, examine le dossier.
Le Conseil de l'Institut nomme pour chaque chambre de la commission de discipline un ou plusieurs référendaires parmi les membres du personnel de l'Institut.
Les référendaires assistent l'assesseur juridique dans l'exercice de ses fonctions. Ils préparent les dossiers disciplinaires pour ce qui concerne les faits et conseillent l'assesseur juridique au niveau de la procédure disciplinaire.
Après que l'assesseur juridique ait recueilli ou fait recueillir les informations qu'il juge nécessaires, il décide de transmettre le dossier à la commission de discipline lorsqu'il est d'avis qu'il y a suffisamment d'éléments.
Dans le cas contraire, il classe le dossier sans suite. Il en informe le cas échéant le plaignant. Il peut soumettre ce classement sans suite au respect de certaines conditions.
L'assesseur juridique qui est informé d'un possible manquement ou qui constate lui-même un manquement possible sur base d'une plainte ou de toute autre manière, examine le dossier.
Le Conseil de l'Institut nomme pour chaque chambre de la commission de discipline un ou plusieurs référendaires parmi les membres du personnel de l'Institut.
Les référendaires assistent l'assesseur juridique dans l'exercice de ses fonctions. Ils préparent les dossiers disciplinaires pour ce qui concerne les faits et conseillent l'assesseur juridique au niveau de la procédure disciplinaire.
Après que l'assesseur juridique ait recueilli ou fait recueillir les informations qu'il juge nécessaires, il décide de transmettre le dossier à la commission de discipline lorsqu'il est d'avis qu'il y a suffisamment d'éléments.
Dans le cas contraire, il classe le dossier sans suite. Il en informe le cas échéant le plaignant. Il peut soumettre ce classement sans suite au respect de certaines conditions.
Art.95. Een dossier tot verwijzing naar de tuchtcommissie bestaat uit :
1° een nauwkeurige omschrijving van de feiten die betrokkene ten laste worden gelegd;
2° een vermelding van de bepalingen van het wettelijk, reglementair en normatief kader waarop de tenlastelegging steunt.
1° een nauwkeurige omschrijving van de feiten die betrokkene ten laste worden gelegd;
2° een vermelding van de bepalingen van het wettelijk, reglementair en normatief kader waarop de tenlastelegging steunt.
Art.95. Un dossier renvoyé vers la commission de discipline contient :
1° une description précise des faits reprochés à la personne concernée;
2° une mention des dispositions du cadre législatif, réglementaire et normatif sur lesquelles se fondent les reproches.
1° une description précise des faits reprochés à la personne concernée;
2° une mention des dispositions du cadre législatif, réglementaire et normatif sur lesquelles se fondent les reproches.
Art.96. Ten minste dertig dagen voor de zitting van de tuchtcommissie verzoekt de griffie de betrokkene per aangetekende zending om op de zitting van de tuchtcommissie te verschijnen.
De aangetekende zending bevat :
1° de nauwkeurige omschrijving van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd;
2° de rechtsgrondslag waarop de tenlastelegging steunt;
3° de overwogen tuchtmaatregel;
4° de mogelijkheid tot inzage in het dossier;
5° de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen, waarbij de betrokkene alle stukken voor zijn verweer voegt.
De aangetekende zending bevat :
1° de nauwkeurige omschrijving van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd;
2° de rechtsgrondslag waarop de tenlastelegging steunt;
3° de overwogen tuchtmaatregel;
4° de mogelijkheid tot inzage in het dossier;
5° de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen, waarbij de betrokkene alle stukken voor zijn verweer voegt.
Art.96. Au moins trente jours avant l'audience de la commission de discipline, le greffe convoque l'intéressé par envoi recommandé pour comparaître à l'audience de la commission de discipline.
L'envoi recommandé contient :
1° la description précise des faits reprochés à l'intéressé;
2° la base juridique sur laquelle se fondent les reproches;
3° la mesure disciplinaire envisagée;
4° la possibilité de prendre connaissance du dossier;
5° la possibilité de présenter un mémoire en défense auquel l'intéressé joint tous les documents à l'appui de sa défense.
L'envoi recommandé contient :
1° la description précise des faits reprochés à l'intéressé;
2° la base juridique sur laquelle se fondent les reproches;
3° la mesure disciplinaire envisagée;
4° la possibilité de prendre connaissance du dossier;
5° la possibilité de présenter un mémoire en défense auquel l'intéressé joint tous les documents à l'appui de sa défense.
Art.97. De betrokkene heeft het recht van wraking in de gevallen bepaald bij artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
Over de wraking beslist de commissie van beroep.
Over de wraking beslist de commissie van beroep.
Art.97. La personne concernée a un droit de récusation dans les cas visés à l'article 828 du Code judiciaire.
Une décision au sujet de cette récusation est prise par la commission d'appel.
Une décision au sujet de cette récusation est prise par la commission d'appel.
Art.98. De betrokkene mag tijdens de zitting zijn verweer mondeling of schriftelijk doen gelden. Hij mag zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een andere persoon ingeschreven in het openbaar register met een hoedanigheid [1 , met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2]1.
De rechtskundig assessor wordt uitgenodigd. Hij neemt niet deel aan de beraadslagingen.
De rechtskundig assessor wordt uitgenodigd. Hij neemt niet deel aan de beraadslagingen.
Art.98. L'intéressé peut présenter sa défense verbalement ou par écrit pendant l'audience. Il peut être assisté ou représenté par un avocat ou une autre personne inscrite au registre public avec une qualité [1 , à l'exception des personnes visées à l'article 29, § 2]1.
L'assesseur juridique est invité. Il ne participe pas aux délibérations.
L'assesseur juridique est invité. Il ne participe pas aux délibérations.
Art.99. De zitting is openbaar.
De betrokkene kan echter een behandeling achter gesloten deuren vragen :
1° wanneer een openbare zitting gevaar zou opleveren voor de goede zeden, de goede orde of de nationale veiligheid;
2° wanneer het minderjarigen betreft;
3° voor de bescherming van de privacy van de betrokkenen;
4° wanneer een openbare zitting schade kan berokkenen aan het belang van de rechtspleging of het beroepgeheim.
De betrokkene kan echter een behandeling achter gesloten deuren vragen :
1° wanneer een openbare zitting gevaar zou opleveren voor de goede zeden, de goede orde of de nationale veiligheid;
2° wanneer het minderjarigen betreft;
3° voor de bescherming van de privacy van de betrokkenen;
4° wanneer een openbare zitting schade kan berokkenen aan het belang van de rechtspleging of het beroepgeheim.
Art.99. La séance est publique.
L' intéressé peut néanmoins demander le huis clos :
1° lorsque la séance publique porte atteinte à la moralité, à l'ordre public ou la sécurité nationale;
2° lorsque des mineurs sont concernés;
3° pour la protection de la vie privée des intéressés;
4° lorsqu'une séance publique porte atteinte à l'intérêt de la justice ou au secret professionnel.
L' intéressé peut néanmoins demander le huis clos :
1° lorsque la séance publique porte atteinte à la moralité, à l'ordre public ou la sécurité nationale;
2° lorsque des mineurs sont concernés;
3° pour la protection de la vie privée des intéressés;
4° lorsqu'une séance publique porte atteinte à l'intérêt de la justice ou au secret professionnel.
Art.100. De beslissing van de tuchtcommissie is met redenen omkleed.
Bij de overweging tot het uitspreken van een tuchtstraf houdt de tuchtcommissie rekening met de volgende omstandigheden :
1° de ernst en de duur van de inbreuk;
2° de mate van verantwoordelijkheid van de persoon verantwoordelijk voor de inbreuk;
3° de financiële draagkracht van de persoon verantwoordelijk voor de inbreuk;
4° de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon zijn behaald, respectievelijk vermeden, voor zover deze kunnen worden bepaald;
5° de mate waarin de verantwoordelijke persoon met het Instituut of de tuchtcommissie meewerkt;
6° eerdere overtredingen van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon.
Bij de overweging tot het uitspreken van een tuchtstraf houdt de tuchtcommissie rekening met de volgende omstandigheden :
1° de ernst en de duur van de inbreuk;
2° de mate van verantwoordelijkheid van de persoon verantwoordelijk voor de inbreuk;
3° de financiële draagkracht van de persoon verantwoordelijk voor de inbreuk;
4° de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon zijn behaald, respectievelijk vermeden, voor zover deze kunnen worden bepaald;
5° de mate waarin de verantwoordelijke persoon met het Instituut of de tuchtcommissie meewerkt;
6° eerdere overtredingen van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon.
Art.100. La décision de la commission de discipline est motivée.
Lors de l'examen de l'opportunité de prononcer une peine disciplinaire, la commission de discipline tient compte des circonstances suivantes :
1° la gravité et la durée de l'infraction;
2° le degré de responsabilité de la personne responsable de l'infraction;
3° l'assise financière de la personne responsable de l'infraction;
4° les montants des gains obtenus ou des pertes évitées par la personne responsable de l'infraction, dans la mesure où ils peuvent être déterminés;
5° le degré de coopération de la personne responsable avec l'Institut ou la commission de discipline;
6° les infractions précédemment commises par la personne responsable de l'infraction.
Lors de l'examen de l'opportunité de prononcer une peine disciplinaire, la commission de discipline tient compte des circonstances suivantes :
1° la gravité et la durée de l'infraction;
2° le degré de responsabilité de la personne responsable de l'infraction;
3° l'assise financière de la personne responsable de l'infraction;
4° les montants des gains obtenus ou des pertes évitées par la personne responsable de l'infraction, dans la mesure où ils peuvent être déterminés;
5° le degré de coopération de la personne responsable avec l'Institut ou la commission de discipline;
6° les infractions précédemment commises par la personne responsable de l'infraction.
Art.101. De griffie stelt de beslissing van de tuchtcommissie per aangetekende zending aan de betrokkene ter kennis.
De zending bevat de procedure van hoger beroep.
Een kopie van de zending wordt eveneens verzonden aan :
1° de Raad van het Instituut en de rechtskundig assessor;
2° de procureur-generaal van het Hof van Beroep.
Iedere beslissing van de tuchtcommissie verwijst de betrokken persoon aan wie een tuchtstraf opgelegd werd, in de procedurekosten. Het bedrag van de procedurekosten wordt jaarlijks forfaitair bepaald door de algemene vergadering.
De zending bevat de procedure van hoger beroep.
Een kopie van de zending wordt eveneens verzonden aan :
1° de Raad van het Instituut en de rechtskundig assessor;
2° de procureur-generaal van het Hof van Beroep.
Iedere beslissing van de tuchtcommissie verwijst de betrokken persoon aan wie een tuchtstraf opgelegd werd, in de procedurekosten. Het bedrag van de procedurekosten wordt jaarlijks forfaitair bepaald door de algemene vergadering.
Art.101. Le greffe notifie la décision de la commission de discipline sous envoi recommandé à l'intéressé.
L'envoi contient la procédure d'appel.
Une copie de l'envoi est également envoyée :
1° au Conseil de l'Institut et à l'assesseur juridique;
2° au procureur général près la Cour d'appel.
Toute décision de la commission de discipline condamne l'intéressé à l'égard de laquelle une sanction disciplinaire a été prononcée aux frais de procédure. Le montant des frais de procédure est fixé chaque année de manière forfaitaire par l'assemblée générale.
L'envoi contient la procédure d'appel.
Une copie de l'envoi est également envoyée :
1° au Conseil de l'Institut et à l'assesseur juridique;
2° au procureur général près la Cour d'appel.
Toute décision de la commission de discipline condamne l'intéressé à l'égard de laquelle une sanction disciplinaire a été prononcée aux frais de procédure. Le montant des frais de procédure est fixé chaque année de manière forfaitaire par l'assemblée générale.
Onderafdeling 4. - Uitwissing van de tuchtstraf en eerherstel
Sous-section 4. - L'effacement de la peine disciplinaire et la réhabilitation
Art.102. Behoudens de schorsing en de schrapping worden de uitgesproken tuchtstraffen na het verstrijken van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de definitieve beslissing waarbij een tuchtstraf wordt uitgesproken, uitgewist.
De uitwissing kan slechts gebeuren als tegen de betrokkene gedurende de periode bedoeld in het eerste lid geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken.
De uitwissing kan slechts gebeuren als tegen de betrokkene gedurende de periode bedoeld in het eerste lid geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken.
Art.102. A l'exception de la suspension et de la radiation, les sanctions disciplinaires sont effacées après un délai de cinq ans, à compter de la date de la décision définitive prononçant une peine disciplinaire.
L'effacement ne peut être effectué qu'à condition que l'intéressé n'ait pas encouru une nouvelle peine disciplinaire pendant la période visée à l'alinéa 1er.
L'effacement ne peut être effectué qu'à condition que l'intéressé n'ait pas encouru une nouvelle peine disciplinaire pendant la période visée à l'alinéa 1er.
Art.103. Een betrokkene tegen wie een tuchtstraf is uitgesproken en die niet is uitgewist, kan bij de commissie van beroep een verzoek tot eerherstel indienen.
Deze aanvraag is slechts ontvankelijk op voorwaarde dat :
1° een termijn van vijf jaar is verstreken sinds de datum van de definitieve beslissing waarbij de laatste tuchtstraf is uitgesproken;
2° de betrokkene strafrechtelijk eerherstel heeft gekregen indien hij een tuchtstraf heeft opgelopen voor een feit dat tot een strafrechtelijke veroordeling aanleiding heeft gegeven.
Deze aanvraag is slechts ontvankelijk op voorwaarde dat :
1° een termijn van vijf jaar is verstreken sinds de datum van de definitieve beslissing waarbij de laatste tuchtstraf is uitgesproken;
2° de betrokkene strafrechtelijk eerherstel heeft gekregen indien hij een tuchtstraf heeft opgelopen voor een feit dat tot een strafrechtelijke veroordeling aanleiding heeft gegeven.
Art.103. L'intéressé qui a encouru une sanction disciplinaire n'ayant pas été effacée peut introduire une demande en réhabilitation auprès de la commission d'appel.
Cette demande n'est recevable que si :
1° un délai de cinq ans s'est écoulé depuis la date de la décision définitive prononçant la dernière peine disciplinaire;
2° l'intéressé a obtenu la réhabilitation en matière pénale au cas où une des sanctions disciplinaires a été prise pour un fait qui a donné lieu à une condamnation pénale.
Cette demande n'est recevable que si :
1° un délai de cinq ans s'est écoulé depuis la date de la décision définitive prononçant la dernière peine disciplinaire;
2° l'intéressé a obtenu la réhabilitation en matière pénale au cas où une des sanctions disciplinaires a été prise pour un fait qui a donné lieu à une condamnation pénale.
Onderafdeling 5. - Beroep
Sous-section 5. - Appel
Art.104. Beroep wordt ingesteld bij de commissie van beroep.
Beroep is mogelijk tegen :
1° een beslissing van de tuchtcommissie;
2° een beslissing van de Raad van het Instituut.
De commissie van beroep bestaat uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer.
Elke kamer is samengesteld uit :
1° een voorzitter die magistraat is bij het Hof van Beroep of een eremagistraat die magistraat was bij het Hof van Beroep;
2° een rechter die magistraat is bij de ondernemingsrechtbank of een eremagistraat die rechter was bij een ondernemingsrechtbank;
3° een rechter die magistraat is bij de arbeidsrechtbank of een eremagistraat die rechter was bij een arbeidsrechtbank;
4° twee leden die door de Raad van het Instituut aangewezen worden, gekozen uit het openbaar register.
De voorzitter en de twee rechters of eremagistraten worden benoemd door de Koning op voordracht van de minister bevoegd voor Justitie.
Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervangend lid aangeduid.
De effectieve en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.
De leden mogen geen lid zijn van de Raad van het Instituut noch van een andere commissie of werkgroep van het Instituut.
Beroep is mogelijk tegen :
1° een beslissing van de tuchtcommissie;
2° een beslissing van de Raad van het Instituut.
De commissie van beroep bestaat uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer.
Elke kamer is samengesteld uit :
1° een voorzitter die magistraat is bij het Hof van Beroep of een eremagistraat die magistraat was bij het Hof van Beroep;
2° een rechter die magistraat is bij de ondernemingsrechtbank of een eremagistraat die rechter was bij een ondernemingsrechtbank;
3° een rechter die magistraat is bij de arbeidsrechtbank of een eremagistraat die rechter was bij een arbeidsrechtbank;
4° twee leden die door de Raad van het Instituut aangewezen worden, gekozen uit het openbaar register.
De voorzitter en de twee rechters of eremagistraten worden benoemd door de Koning op voordracht van de minister bevoegd voor Justitie.
Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervangend lid aangeduid.
De effectieve en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.
De leden mogen geen lid zijn van de Raad van het Instituut noch van een andere commissie of werkgroep van het Instituut.
Art.104. L'appel est introduit auprès de la commission d'appel.
L'appel est possible contre :
1° une décision de la commission de discipline;
2° une décision du Conseil de l'Institut.
La commission d'appel comprend une chambre d'expression néerlandaise et une chambre d'expression française.
Chaque chambre est composée :
1° d'un président qui est magistrat auprès de la Cour d'appel ou d'un magistrat honoraire qui était magistrat auprès de la Cour d'appel;
2° d'un juge qui est magistrat auprès du tribunal de l'entreprise ou d'un magistrat honoraire qui était magistrat auprès du tribunal de l'entreprise;
3° d'un juge qui est magistrat auprès du tribunal du travail ou d'un magistrat honoraire qui était magistrat auprès du tribunal du travail;
4° de deux membres, désignés par le Conseil de l'Institut, choisis du registre public.
Le président et les deux juges ou magistrats honoraires sont nommés par le Roi, sur proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions.
Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant.
Les membres effectifs et suppléants sont nommés pour une période renouvelable de six ans.
Les membres ne peuvent être ni membre du Conseil de l'Institut ni membre d'une autre commission ou groupe de travail de l'Institut.
L'appel est possible contre :
1° une décision de la commission de discipline;
2° une décision du Conseil de l'Institut.
La commission d'appel comprend une chambre d'expression néerlandaise et une chambre d'expression française.
Chaque chambre est composée :
1° d'un président qui est magistrat auprès de la Cour d'appel ou d'un magistrat honoraire qui était magistrat auprès de la Cour d'appel;
2° d'un juge qui est magistrat auprès du tribunal de l'entreprise ou d'un magistrat honoraire qui était magistrat auprès du tribunal de l'entreprise;
3° d'un juge qui est magistrat auprès du tribunal du travail ou d'un magistrat honoraire qui était magistrat auprès du tribunal du travail;
4° de deux membres, désignés par le Conseil de l'Institut, choisis du registre public.
Le président et les deux juges ou magistrats honoraires sont nommés par le Roi, sur proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions.
Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant.
Les membres effectifs et suppléants sont nommés pour une période renouvelable de six ans.
Les membres ne peuvent être ni membre du Conseil de l'Institut ni membre d'une autre commission ou groupe de travail de l'Institut.
Art.105. Elke kamer beschikt ook over een griffie die waargenomen wordt door de personeelsleden van het Instituut.
Art.105. Chaque chambre dispose également d'un greffe qui est assuré par des membres du personnel de l'Institut.
Art.106. De Franstalige kamer neemt kennis van de beslissingen van de Franstalige kamer van de tuchtcommissie.
De Nederlandstalige kamer neemt kennis van de beslissingen van de Nederlandstalige kamer van tuchtcommissie.
De Nederlandstalige kamer neemt kennis van de beslissingen van de Nederlandstalige kamer van tuchtcommissie.
Art.106. La chambre francophone prend connaissance des décisions de la chambre francophone de la commission de discipline.
La chambre néerlandophone prend connaissance des décisions de la chambre néerlandophone de la commission de discipline.
La chambre néerlandophone prend connaissance des décisions de la chambre néerlandophone de la commission de discipline.
Art.107. De betrokkene, de Raad van het Instituut in geval van schending van de wet, de rechtskundig assessor of zijn plaatsvervanger kunnen beroep instellen binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing van de tuchtcommissie of van de Raad van het Instituut hen werd betekend.
Om ontvankelijk te zijn, moet het beroep ingesteld worden bij een aangetekende zending gericht aan de griffie van de bevoegde kamer van de commissie van beroep binnen de gestelde termijn.
Om ontvankelijk te zijn, moet het beroep ingesteld worden bij een aangetekende zending gericht aan de griffie van de bevoegde kamer van de commissie van beroep binnen de gestelde termijn.
Art.107. L'intéressé, le Conseil de l'Institut en cas de violation de la loi, l'assesseur juridique ou son suppléant, peuvent introduire un appel dans les trente jours à compter du jour où la décision de la commission de discipline ou du Conseil de l'Institut leur a été notifiée.
Pour être recevable, l'appel doit être introduit par envoi recommandé adressé au greffe de la chambre compétente de la commission d'appel dans le délai fixé.
Pour être recevable, l'appel doit être introduit par envoi recommandé adressé au greffe de la chambre compétente de la commission d'appel dans le délai fixé.
Art.108. Ten minste vijftien dagen voor de zitting van de commissie van beroep, verzoekt de griffie de betrokkene per aangetekende zending om op de zitting van de commissie van beroep te verschijnen.
De betrokkene heeft de mogelijkheid tot inzage van het dossier.
De betrokkene heeft de mogelijkheid tot inzage van het dossier.
Art.108. Au moins quinze jours avant la séance de la commission d'appel, le greffe convoque par envoi recommandé l'intéressé à comparaître à la séance de la commission d'appel.
L'intéressé a la possibilité de consulter le dossier.
L'intéressé a la possibilité de consulter le dossier.
Art.109. De betrokkene heeft het recht van wraking in de gevallen bepaald bij artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
Over de wraking beslist de commissie van beroep in een andere samenstelling.
Over de wraking beslist de commissie van beroep in een andere samenstelling.
Art.109. L'intéressé a le droit de récuser dans les cas fixés à l'article 828 du Code judiciaire.
La commission d'appel autrement composée décide concernant la récusation.
La commission d'appel autrement composée décide concernant la récusation.
Art.110. De zitting is openbaar.
De betrokkene kan echter een behandeling achter gesloten deuren vragen in de gevallen vermeld in artikel 99, tweede lid.
De betrokkene kan echter een behandeling achter gesloten deuren vragen in de gevallen vermeld in artikel 99, tweede lid.
Art.110. La séance est publique.
L'intéressé peut néanmoins demander le huis clos dans les cas mentionnés à l'article 99, alinéa 2.
L'intéressé peut néanmoins demander le huis clos dans les cas mentionnés à l'article 99, alinéa 2.
Art.111. De beslissing van de commissie van beroep is met redenen omkleed.
Bij haar beslissing houdt de commissie van beroep rekening met de omstandigheden vermeld in artikel 100, tweede lid.
Bij haar beslissing houdt de commissie van beroep rekening met de omstandigheden vermeld in artikel 100, tweede lid.
Art.111. La décision de la commission d'appel est motivée.
Dans sa décision, la commission d'appel tient compte des circonstances mentionnées dans l'article 100, alinéa 2.
Dans sa décision, la commission d'appel tient compte des circonstances mentionnées dans l'article 100, alinéa 2.
Art.112. De griffie stelt de beslissing van de commissie van beroep per aangetekende zending aan de betrokkene ter kennis.
De zending bevat eveneens de procedure van cassatieberoep.
Een kopie van de zending wordt eveneens verzonden aan :
1° de Raad van het Instituut en de rechtskundig assessor;
2° de procureur-generaal van het Hof van Beroep.
Iedere beslissing van de commissie van beroep verwijst de betrokken persoon aan wie een tuchtstraf opgelegd werd, in de procedurekosten. Het bedrag van de procedurekosten wordt jaarlijks forfaitair bepaald door de algemene vergadering.
De zending bevat eveneens de procedure van cassatieberoep.
Een kopie van de zending wordt eveneens verzonden aan :
1° de Raad van het Instituut en de rechtskundig assessor;
2° de procureur-generaal van het Hof van Beroep.
Iedere beslissing van de commissie van beroep verwijst de betrokken persoon aan wie een tuchtstraf opgelegd werd, in de procedurekosten. Het bedrag van de procedurekosten wordt jaarlijks forfaitair bepaald door de algemene vergadering.
Art.112. Le greffe porte la décision de la commission d'appel par envoi recommandé à la connaissance de l'intéressé.
L'envoi contient également la procédure de pourvoi en cassation.
Une copie de l'envoi est également transmise :
1° au Conseil de l'Institut et à l'assesseur juridique;
2° au procureur général de la Cour d'appel.
Toute décision de la commission d'appel condamne l'intéressé à l'égard de laquelle une sanction disciplinaire a été prononcée aux frais de procédure. Le montant des frais de procédure est fixé chaque année de manière forfaitaire par l'assemblée générale.
L'envoi contient également la procédure de pourvoi en cassation.
Une copie de l'envoi est également transmise :
1° au Conseil de l'Institut et à l'assesseur juridique;
2° au procureur général de la Cour d'appel.
Toute décision de la commission d'appel condamne l'intéressé à l'égard de laquelle une sanction disciplinaire a été prononcée aux frais de procédure. Le montant des frais de procédure est fixé chaque année de manière forfaitaire par l'assemblée générale.
Art.113. Tegen de beslissing van de commissie van beroep kan cassatieberoep worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van het vierde deel, boek III, titel IVbis van het Gerechtelijk Wetboek.
Art.113. Un pourvoi en cassation peut être formé contre la décision de la commission d'appel, conformément aux dispositions de la partie quatre, livre III, titre IVbis du Code judiciaire.
Art.114. De Koning kan de nadere regels van de procedure voor de commissies bepalen na advies van de Raad van het Instituut.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
Art.114. Le Roi peut fixer les modalités de la procédure pour les commissions après avis du Conseil de l'Institut.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Le Conseil de l'Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d'avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l'Institut est réputé n'avoir aucune observation sur le projet.
Afdeling 3. - De intrekking van de hoedanigheid en de andere administratieve straffen
Section 3. - Le retrait de la qualité et les autres sanctions administratives
Art.115. § 1. De Raad van het Instituut trekt de hoedanigheid van (intern) accountant, (interne) fiscaal accountant, (interne) gecertificeerd accountant en van (interne) gecertificeerd belastingadviseur in :
1° automatisch, na de beslissing tot schrapping van de tuchtcommissie of, in voorkomend geval, van de commissie van beroep nadat ze in kracht van gewijsde is gegaan;
2° wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden voor toelating tot het beroep vermeld in artikel 10, § 1, 1° tot en met 4° ;
3° wanneer de betrokkene in gebreke blijft binnen een periode van drie maanden na een definitief geworden terechtwijzing voor een van de inbreuken bedoeld in artikel 85.
§ 2. De betrokkene kan vijf jaar na de beslissing tot intrekking verzoeken tot het opnieuw verkrijgen van de hoedanigheid, wanneer hij opnieuw voldoet aan de voorwaarden tot toelating van het beroep vermeld in artikel 10.
1° automatisch, na de beslissing tot schrapping van de tuchtcommissie of, in voorkomend geval, van de commissie van beroep nadat ze in kracht van gewijsde is gegaan;
2° wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden voor toelating tot het beroep vermeld in artikel 10, § 1, 1° tot en met 4° ;
3° wanneer de betrokkene in gebreke blijft binnen een periode van drie maanden na een definitief geworden terechtwijzing voor een van de inbreuken bedoeld in artikel 85.
§ 2. De betrokkene kan vijf jaar na de beslissing tot intrekking verzoeken tot het opnieuw verkrijgen van de hoedanigheid, wanneer hij opnieuw voldoet aan de voorwaarden tot toelating van het beroep vermeld in artikel 10.
Art.115. § 1er. Le Conseil de l'Institut retire la qualité d'expert-comptable (interne), d'expert-comptable fiscaliste (interne) d'expert-comptable certifié (interne) et conseiller fiscal certifié (interne) :
1° automatiquement, après la décision de radiation de la commission disciplinaire, ou, le cas échéant, de la commission d'appel, coulée en force jugée;
2° lorsque les conditions d'admission à la profession mentionnées à l'article 10, § 1er, 1° à 4°, ne sont plus respectées;
3° lorsque l'intéressé reste en défaut de s'exécuter pendant un délai de trois mois après un rappel à l'ordre devenu définitif pour une des infractions visées à l'article 85.
§ 2. Cinq ans après la décision de retrait, le professionnel peut demander à obtenir de nouveau la qualité, lorsqu'il satisfait de nouveau aux conditions d'admission à la profession mentionnées à l'article 10.
1° automatiquement, après la décision de radiation de la commission disciplinaire, ou, le cas échéant, de la commission d'appel, coulée en force jugée;
2° lorsque les conditions d'admission à la profession mentionnées à l'article 10, § 1er, 1° à 4°, ne sont plus respectées;
3° lorsque l'intéressé reste en défaut de s'exécuter pendant un délai de trois mois après un rappel à l'ordre devenu définitif pour une des infractions visées à l'article 85.
§ 2. Cinq ans après la décision de retrait, le professionnel peut demander à obtenir de nouveau la qualité, lorsqu'il satisfait de nouveau aux conditions d'admission à la profession mentionnées à l'article 10.
Art.116. De Raad van het Instituut is bevoegd om [1 administratieve maatregelen te nemen en]1 administratieve sancties uit te spreken zoals voorzien in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.
[1 De Koning legt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels over de in het eerste lid bedoelde administratieve maatregelen en administratieve sancties vast. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag van ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp van koninklijk besluit. Wordt er binnen deze termijn geen advies uitgebracht, dan wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen te hebben op het ontwerp dat hem wordt voorgelegd.]1
[1 De Koning legt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels over de in het eerste lid bedoelde administratieve maatregelen en administratieve sancties vast. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag van ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp van koninklijk besluit. Wordt er binnen deze termijn geen advies uitgebracht, dan wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen te hebben op het ontwerp dat hem wordt voorgelegd.]1
Art.116. Le Conseil de l'Institut est compétent pour [1 prendre des mesures administratives et pour]1 prononcer des sanctions administratives telles que prévues dans la loi du 18 septembre 2017 à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.
[1 Le Roi établit, après avis du Conseil de l'Institut, les modalités concernant les mesures administratives et les sanctions administratives visées à l'alinéa 1er. Le Conseil de l'Institut rend son avis dans un délai de trois mois à compter du jour de la réception de la demande d'avis sur le projet d'arrêté royal. A défaut d'avis rendu dans ce délai, le Conseil de l'Institut est réputé ne pas avoir de commentaires sur le projet qui lui a été soumis.]1
[1 Le Roi établit, après avis du Conseil de l'Institut, les modalités concernant les mesures administratives et les sanctions administratives visées à l'alinéa 1er. Le Conseil de l'Institut rend son avis dans un délai de trois mois à compter du jour de la réception de la demande d'avis sur le projet d'arrêté royal. A défaut d'avis rendu dans ce délai, le Conseil de l'Institut est réputé ne pas avoir de commentaires sur le projet qui lui a été soumis.]1
Afdeling 4. - Strafbepalingen
Section 4. - Dispositions pénales
Art.117. Met [2 hetzij]2 een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een [2 strafrechtelijke]2 geldboete van tweehonderd tot tweeduizend euro of met een van die straffen alleen [2 , hetzij met een administratieve geldboete van tweehonderd tot tweeduizend euro]2 wordt gestraft :
1° hij die zich publiekelijk en onrechtmatig de hoedanigheid of de titel toe-eigent van de volgende beroepen :
a) (intern) accountant of (intern) fiscaal accountant;
b) (intern) accountant of (intern) gecertificeerd accountant;
c) (intern) gecertificeerd belastingadviseur;
2° hij die de [1 artikelen 4, 5, 6, 7, 8, en 9]1 overtreedt;
3° hij die de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3 uitoefent of de titels bedoeld in de artikel en 4, 7, 8 en 9 voert, terwijl hij het voorwerp is van een uitvoerbare schorsingsmaatregel.
De rechtbank kan bovendien bevelen :
1° de definitieve of tijdelijke sluiting van een deel van de lokalen of van alle lokalen die worden gebruikt door degene die zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer van de hierboven bedoelde overtredingen;
2° de bekendmaking van het vonnis of van een samenvatting ervan in een of meer dagbladen of enige andere wijze, dit alles op kosten van de veroordeelde.
1° hij die zich publiekelijk en onrechtmatig de hoedanigheid of de titel toe-eigent van de volgende beroepen :
a) (intern) accountant of (intern) fiscaal accountant;
b) (intern) accountant of (intern) gecertificeerd accountant;
c) (intern) gecertificeerd belastingadviseur;
2° hij die de [1 artikelen 4, 5, 6, 7, 8, en 9]1 overtreedt;
3° hij die de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3 uitoefent of de titels bedoeld in de artikel en 4, 7, 8 en 9 voert, terwijl hij het voorwerp is van een uitvoerbare schorsingsmaatregel.
De rechtbank kan bovendien bevelen :
1° de definitieve of tijdelijke sluiting van een deel van de lokalen of van alle lokalen die worden gebruikt door degene die zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer van de hierboven bedoelde overtredingen;
2° de bekendmaking van het vonnis of van een samenvatting ervan in een of meer dagbladen of enige andere wijze, dit alles op kosten van de veroordeelde.
Art.117. Sont punis [2 soit]2 d'une peine d'emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende [2 pénale]2 de deux cent à deux milles euros ou d'une de ces peines seulement [2 , soit d'une amende administrative de deux cents à deux mille euros]2:
1° celui qui s'attribue publiquement et sans titre la qualification ou le titre des professions suivantes :
a) expert-comptable (interne) ou expert-comptable fiscaliste (interne);
b) expert-comptable (interne) ou expert-comptable certifié (interne);
c) conseiller fiscal certifié (interne);
2° celui qui contrevient aux [1 articles 4, 5, 6, 7, 8 et 9]1;
3° celui qui exerce l'activité professionnelle visée à l'article 3 ou porte les titres visés aux articles 4, 7, 8 et 9 alors qu'il fait l'objet d'une mesure de suspension exécutoire.
Le tribunal peut en outre ordonner :
1° la fermeture définitive ou provisoire de tout ou partie des locaux utilisés par celui qui s'est rendu coupable d'une ou plusieurs infractions susvisées;
2° la publication du jugement ou d'un résumé de celui-ci dans un ou plusieurs quotidiens ou par un quelconque autre biais, aux frais du condamné.
1° celui qui s'attribue publiquement et sans titre la qualification ou le titre des professions suivantes :
a) expert-comptable (interne) ou expert-comptable fiscaliste (interne);
b) expert-comptable (interne) ou expert-comptable certifié (interne);
c) conseiller fiscal certifié (interne);
2° celui qui contrevient aux [1 articles 4, 5, 6, 7, 8 et 9]1;
3° celui qui exerce l'activité professionnelle visée à l'article 3 ou porte les titres visés aux articles 4, 7, 8 et 9 alors qu'il fait l'objet d'une mesure de suspension exécutoire.
Le tribunal peut en outre ordonner :
1° la fermeture définitive ou provisoire de tout ou partie des locaux utilisés par celui qui s'est rendu coupable d'une ou plusieurs infractions susvisées;
2° la publication du jugement ou d'un résumé de celui-ci dans un ou plusieurs quotidiens ou par un quelconque autre biais, aux frais du condamné.
Art.118. Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van de gerechtelijke politie worden de ambtenaren die hiertoe door de Koning zijn aangesteld op voorstel van de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Middenstand, belast met het opsporen en vaststellen in processen-verbaal van de inbreuken bedoeld in artikel 117, eerste lid. Deze processen-verbaal hebben bewijskracht tot tegenbewijs. Zij worden onverwijld toegezonden aan de Raad van het Instituut [1 ...]1. Een afschrift ervan wordt gezonden aan de inbreukpleger, [1 ...]1 binnen [1 dertig dagen vanaf de datum van de vaststelling van de inbreuken]1. De personen die onder de toepassing van deze wet vallen, zijn ertoe gehouden alle inlichtingen en alle bescheiden te verstrekken die nodig zijn om de toepassing ervan na te gaan. Elke persoon die weigert de bedoelde inlichtingen en bescheiden te verstrekken of zich tegen de onderzoeksmaatregelen verzet, wordt gestraft met [1 hetzij]1 een gevangenisstraf van acht tot vijftien dagen en met een [1 strafrechtelijke]1 geldboete van 26 tot 1 000 euro of met een van deze straffen alleen [1 , hetzij met een administratieve geldboete van 26 tot 1.000 euro]1.
[1 De opsporing en de vaststelling van de inbreuken bedoeld in deze wet, door de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, gebeuren overeenkomstig de bepalingen van boek XV, titel 1, hoofdstuk 1, van het Wetboek van economisch recht.]1
[1 De opsporing en de vaststelling van de inbreuken bedoeld in deze wet, door de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, gebeuren overeenkomstig de bepalingen van boek XV, titel 1, hoofdstuk 1, van het Wetboek van economisch recht.]1
Art.118. Sans préjudice des compétences incombant aux officiers de police judiciaire, les fonctionnaires, commissionnés à cet effet par le Roi sur la proposition du ministre qui a l'Economie dans ses attributions et du ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions, sont chargés de rechercher et de constater par des procès-verbaux les infractions visées à l'article 117, alinéa 1er. Ces procès-verbaux font foi jusqu'à preuve du contraire. Ils sont transmis sans délai au Conseil de l'Institut [1 ...]1. Une copie en est adressée à l'auteur de l'infraction [1 ...]1 dans les [1 trente jours qui suivent la date de la constatation de l'infraction]1. Les personnes auxquelles la présente loi s'applique sont tenues de fournir tous renseignements et documents nécessaires pour en vérifier l'application. Sera puni [1 soit]1 d'un emprisonnement de huit à quinze jours et d'une amende [1 pénale]1 de 26 à 1 000 euros ou d'une de ces peines seulement [1 , soit d'une amende administrative de 26 à 1.000 euros]1, celui qui refusera de fournir les renseignements et documents visés ou qui s'opposera aux mesures d'investigation.
[1 La recherche et la constatation des infractions visées dans la présente loi par les agents visés à l'alinéa 1er ont lieu conformément aux dispositions du livre XV, titre 1er, chapitre 1er, du Code de droit économique.]1
[1 La recherche et la constatation des infractions visées dans la présente loi par les agents visés à l'alinéa 1er ont lieu conformément aux dispositions du livre XV, titre 1er, chapitre 1er, du Code de droit économique.]1
Art.118/1. [1 § 1. Wanneer zij inbreuken bedoeld in artikel 117, eerste lid vaststellen, kunnen de ambtenaren bedoeld in artikel 118, eerste lid, een waarschuwing richten tot de overtreder waarbij die tot stopzetting van de handeling wordt aangemaand, overeenkomstig artikel XV.31 van het Wetboek van economisch recht.
§ 2. Wanneer de in artikel 118, eerste lid, bedoelde ambtenaren inbreuken bedoeld in artikel 117, eerste lid, vaststellen, kunnen de door de minister bevoegd voor Middenstand aangestelde ambtenaren een geldsom voorstellen waarvan de vrijwillige betaling door de overtreder de strafvordering doet vervallen, overeenkomstig artikel XV.61 van het Wetboek van economisch recht.
Het bedrag van de transactie mag niet hoger zijn dan het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete die wegens de vastgestelde inbreuk kan worden opgelegd, verhoogd met de opdeciemen.
De betalings- en inningswijzen van deze transactie worden door de Koning vastgesteld.]1
§ 2. Wanneer de in artikel 118, eerste lid, bedoelde ambtenaren inbreuken bedoeld in artikel 117, eerste lid, vaststellen, kunnen de door de minister bevoegd voor Middenstand aangestelde ambtenaren een geldsom voorstellen waarvan de vrijwillige betaling door de overtreder de strafvordering doet vervallen, overeenkomstig artikel XV.61 van het Wetboek van economisch recht.
Het bedrag van de transactie mag niet hoger zijn dan het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete die wegens de vastgestelde inbreuk kan worden opgelegd, verhoogd met de opdeciemen.
De betalings- en inningswijzen van deze transactie worden door de Koning vastgesteld.]1
Art.118/1. [1 § 1er. Lorsqu'ils constatent des infractions visées à l'article 117, alinéa 1er, les agents visés à l'article 118, alinéa 1er, peuvent adresser au contrevenant un avertissement le mettant en demeure de mettre fin à cet acte, conformément à l'article XV.31 du Code de droit économique.
§ 2. Lorsque les agents visés à l'article 118, alinéa 1er, constatent des infractions visées à l'article 117, alinéa 1er, les agents désignés par le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions peuvent proposer une somme, dont le paiement volontaire par l'auteur de l'infraction éteint l'action publique, conformément à l'article XV.61 du Code de droit économique.
Le montant de la transaction ne peut être supérieur au montant maximum de l'amende pénale pouvant être infligée pour l'infraction constatée, majorée des décimes additionnels.
Les modalités de paiement et de perception de cette transaction sont arrêtées par le Roi.]1
§ 2. Lorsque les agents visés à l'article 118, alinéa 1er, constatent des infractions visées à l'article 117, alinéa 1er, les agents désignés par le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions peuvent proposer une somme, dont le paiement volontaire par l'auteur de l'infraction éteint l'action publique, conformément à l'article XV.61 du Code de droit économique.
Le montant de la transaction ne peut être supérieur au montant maximum de l'amende pénale pouvant être infligée pour l'infraction constatée, majorée des décimes additionnels.
Les modalités de paiement et de perception de cette transaction sont arrêtées par le Roi.]1
Art.118/2. [1 § 1. De inbreuken bedoeld in artikel 117, eerste lid opgespoord en vastgesteld door de ambtenaren bedoeld in artikel 118, eerste lid, kunnen het voorwerp uitmaken van:
1° de toepassing van de transactieprocedure bedoeld in artikel 118/1, § 2;
2° een administratieve vervolging met toepassing van de procedure bedoeld in titel 1/2 van boek XV van het Wetboek van economisch recht;
3° een strafrechtelijke vervolging.
§ 2. De vervolging gebeurt overeenkomstig titel 1/1 van boek XV van het Wetboek van economisch recht.]1
1° de toepassing van de transactieprocedure bedoeld in artikel 118/1, § 2;
2° een administratieve vervolging met toepassing van de procedure bedoeld in titel 1/2 van boek XV van het Wetboek van economisch recht;
3° een strafrechtelijke vervolging.
§ 2. De vervolging gebeurt overeenkomstig titel 1/1 van boek XV van het Wetboek van economisch recht.]1
Art.118/2. [1 § 1er. Les infractions visées à l'article 117, alinéa 1er, recherchées et constatées par les agents visés à l'article 118, alinéa 1er, peuvent faire l'objet de:
1° l'application de la procédure de transaction telle que visée à l'article 118/1, § 2;
2° une poursuite administrative en application de la procédure visée au titre 1/2 du livre XV du Code de droit économique;
3° une poursuite pénale.
§ 2. La poursuite se fait conformément au titre 1/1 du livre XV du Code de droit économique.]1
1° l'application de la procédure de transaction telle que visée à l'article 118/1, § 2;
2° une poursuite administrative en application de la procédure visée au titre 1/2 du livre XV du Code de droit économique;
3° une poursuite pénale.
§ 2. La poursuite se fait conformément au titre 1/1 du livre XV du Code de droit économique.]1
Art.118/3. [1 Het openbaar ministerie bezorgt aan de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht een kennisgeving van zijn beslissing om al dan niet strafvervolging in te stellen, of al dan niet een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen.
Wanneer het openbaar ministerie ervan afziet een strafvervolging in te stellen, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen, of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgelegd, beslissen de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht of de procedure voor de administratieve geldboete moet worden opgestart.]1
Wanneer het openbaar ministerie ervan afziet een strafvervolging in te stellen, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen, of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgelegd, beslissen de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht of de procedure voor de administratieve geldboete moet worden opgestart.]1
Art.118/3. [1 Le ministère public notifie aux agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique sa décision d'intenter ou non les poursuites pénales ou de proposer ou non une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code.
Lorsque le ministère public renonce à intenter les poursuites pénales et à proposer une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code, ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal consignant l'infraction, les agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique décident s'il y a lieu d'entamer la procédure d'amende administrative.]1
Lorsque le ministère public renonce à intenter les poursuites pénales et à proposer une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code, ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal consignant l'infraction, les agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique décident s'il y a lieu d'entamer la procédure d'amende administrative.]1
Art.118/4. [1 Indien het openbaar ministerie afziet van een strafvervolging in te stellen, een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering voor te stellen, bezorgt het een afschrift van de procedurestukken van het aanvullend opsporingsonderzoek aan de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht.]1
Art.118/4. [1 Si le ministère public renonce à intenter les poursuites pénales et à proposer une transaction visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle, il envoie une copie des pièces de procédure de l'enquête complémentaire aux agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique.]1
Art.118/5. [1 De bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1/1, van boek XV van het Wetboek van economisch recht zijn van toepassing op de administratieve geldboetes bedoeld in deze wet.
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboetes bedoeld in deze wet.]1
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboetes bedoeld in deze wet.]1
Art.118/5. [1 Les dispositions du titre 2, chapitre 1/1, du livre XV du Code de droit économique sont applicables aux amendes administratives visées par la présente loi.
Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées dans la présente loi.]1
Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées dans la présente loi.]1
Art.118/6. [1 De artikelen XV.69, XV.71, XV.72, XV.73 en XV.74 van het Wetboek van economisch recht zijn van toepassing op de strafrechtelijke inbreuken op deze wet.]1
Art.118/6. [1 Les articles XV.69, XV.71, XV.72, XV.73 et XV.74 du Code de droit économique sont applicables aux infractions pénales à la présente loi.]1
Art.119. Bij elke inbreuk, vastgesteld in een proces-verbaal, met betrekking tot artikel 117, eerste lid, 1°, kan het Instituut in rechte optreden om de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van zijn leden te beschermen en desgevallend schadevergoeding te eisen.
Art.119. Pour toute infraction, constatée par un procès-verbal, conformément à l'article 117, alinéa 1er, 1°, l'Institut peut ester en justice afin de veiller aux droits et aux intérêts professionnels communs de ses membres, ainsi que, le cas échéant, de réclamer une indemnisation.
Art.120. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de beroepsbeoefenaars en stagiairs en op de personen voor wie zij instaan, alsook op de personen die tijdelijk en occasioneel het beroep uitoefenen.
Artikel 458 van het Strafwetboek is eveneens van toepassing op het Instituut, op de organen, op de leden van die organen, met inbegrip van de commissies, op de toetsers, op de rechtskundig assessor en op de personeelsleden van het Instituut.
In afwijking van het tweede lid mogen de organen, de leden van die organen, met inbegrip van de commissies, de toetsers, de rechtskundig assessor en de personeelsleden van het Instituut gegevens die hen werden bezorgd voor de uitoefening van hun functie of wettelijke of reglementaire opdracht uitwisselen met andere organen, met andere leden van die organen, de commissies en de toetsers, de rechtskundig assessor en met andere personeelsleden van het Instituut voor zover die uitwisseling van gegevens noodzakelijk is voor hun wettelijke of reglementaire opdrachten.
Rechtspersonen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe hun organen en aangestelden krachtens dit hoofdstuk zijn veroordeeld.
[1 In afwijking van het eerste lid mogen gecertificeerde accountants informatie uitwisselen met de gecertificeerde accountants, de commissarissen of de bedrijfsrevisoren van vennootschappen, verenigingen of stichtingen die betrokken zouden zijn bij verrichtingen van fusies, splitsingen of gelijkgestelde verrichtingen.]1
Artikel 458 van het Strafwetboek is eveneens van toepassing op het Instituut, op de organen, op de leden van die organen, met inbegrip van de commissies, op de toetsers, op de rechtskundig assessor en op de personeelsleden van het Instituut.
In afwijking van het tweede lid mogen de organen, de leden van die organen, met inbegrip van de commissies, de toetsers, de rechtskundig assessor en de personeelsleden van het Instituut gegevens die hen werden bezorgd voor de uitoefening van hun functie of wettelijke of reglementaire opdracht uitwisselen met andere organen, met andere leden van die organen, de commissies en de toetsers, de rechtskundig assessor en met andere personeelsleden van het Instituut voor zover die uitwisseling van gegevens noodzakelijk is voor hun wettelijke of reglementaire opdrachten.
Rechtspersonen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe hun organen en aangestelden krachtens dit hoofdstuk zijn veroordeeld.
[1 In afwijking van het eerste lid mogen gecertificeerde accountants informatie uitwisselen met de gecertificeerde accountants, de commissarissen of de bedrijfsrevisoren van vennootschappen, verenigingen of stichtingen die betrokken zouden zijn bij verrichtingen van fusies, splitsingen of gelijkgestelde verrichtingen.]1
Art.120. L'article 458 du Code pénal est d'application aux professionnels et stagiaires et aux personnes dont ils sont responsables ainsi qu'aux personnes qui exercent temporairement et occasionnellement la profession.
L'article 458 du Code pénal est également d'application à l'Institut, aux organes, aux membres de ces organes, y compris les commissions, les rapporteurs, à l'assesseur juridique et aux membres du personnel de l'Institut.
Par dérogation à l'alinéa 2, les organes, les membres de ces organes, y compris les commissions, les rapporteurs, l'assesseur juridique et les membres du personnel de l'Institut peuvent échanger des informations qui leur ont été communiquées pour l'exercice de leur fonction ou mission légale ou réglementaire avec d'autres organes, d'autres membres de ces organes, les commissions et les rapporteurs, l'assesseur juridique et d'autres membres du personnel de l'Institut, pour autant que cet échange soit nécessaire à l'accomplissement de leurs missions légales ou réglementaires.
Les personnes morales sont civilement responsables du paiement des amendes auxquelles leurs organes ou préposés sont condamnés en vertu du présent chapitre.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, les experts-comptables certifiés peuvent échanger des informations avec les experts-comptables certifiés, les commissaires ou les réviseurs d'entreprises des sociétés, des associations ou des fondations engagées dans des opérations de fusion ou de scission, ou dans des opérations assimilées.]1
L'article 458 du Code pénal est également d'application à l'Institut, aux organes, aux membres de ces organes, y compris les commissions, les rapporteurs, à l'assesseur juridique et aux membres du personnel de l'Institut.
Par dérogation à l'alinéa 2, les organes, les membres de ces organes, y compris les commissions, les rapporteurs, l'assesseur juridique et les membres du personnel de l'Institut peuvent échanger des informations qui leur ont été communiquées pour l'exercice de leur fonction ou mission légale ou réglementaire avec d'autres organes, d'autres membres de ces organes, les commissions et les rapporteurs, l'assesseur juridique et d'autres membres du personnel de l'Institut, pour autant que cet échange soit nécessaire à l'accomplissement de leurs missions légales ou réglementaires.
Les personnes morales sont civilement responsables du paiement des amendes auxquelles leurs organes ou préposés sont condamnés en vertu du présent chapitre.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, les experts-comptables certifiés peuvent échanger des informations avec les experts-comptables certifiés, les commissaires ou les réviseurs d'entreprises des sociétés, des associations ou des fondations engagées dans des opérations de fusion ou de scission, ou dans des opérations assimilées.]1
Änderungen
HOOFDSTUK 12. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 12. - Dispositions transitoires
Art.121. De rechten van het personeel van de fusionerende instituten blijven verworven ten aanzien van het Instituut dat door deze wet opgericht wordt.
Art.121. Les droits du personnel des instituts qui fusionnent leur restent acquis à l'égard de l'Institut créé par la présente loi.
Art.122. [1 § 1.]1 De tuchtdossiers die aanhangig zijn bij de tuchtinstanties van beide fusionerende instituten op de dag van de inwerkingtreding van deze wet, blijven behandeld door de tuchtorganen van beide fusionerende instituten in dezelfde samenstelling en volgens dezelfde procedureregels van toepassing op deze tuchtorganen voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet. Elk hoger beroep dat ingesteld wordt na de inwerkingtreding van deze wet, wordt behandeld door de commissie van beroep overeenkomstig deze wet.
[1 Het mandaat van de leden van de tuchtorganen en van de rechtskundig assessor bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten wordt verlengd tot de datum waarop de dossiers die hangende zijn bij die organen afgehandeld zijn. De dossiers in onderzoek die niet aanhangig zijn gemaakt bij een tuchtorgaan, worden overgemaakt aan de rechtskundig assessor bedoeld in artikel 90.]1
[1 § 2. De op de datum van inwerkingtreding van deze wet bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten hangende dossiers met betrekking tot het toezicht als bedoeld in de artikelen 28, §§ 1 en 2, en artikel 29, § 2, van de wet van 22 april 1999 worden overgemaakt aan en behandeld door het Instituut opgericht bij deze wet volgens de procedures en de nadere regels bepaald in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
De kwaliteitstoetsing en de opvolging ervan verricht onder het toezicht van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten en zijn organen als bedoeld in artikel 28, § 3, van de wet van 22 april 1999 en haar uitvoeringsbesluiten, worden na de datum van inwerkingtreding van deze wet voortgezet onder het toezicht van het Instituut opgericht bij deze wet en zijn organen.]1
[1 § 3. De dossiers met betrekking tot het toezicht als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet van 22 april 1999 die het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten nog niet heeft afgesloten op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden overgemaakt aan en behandeld door het Instituut opgericht bij deze wet volgens de procedures en de nadere regels bepaald in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
De toezichtdossiers bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten op de naleving van de bepalingen van boek II van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, van de besluiten en reglementen genomen tot uitvoering ervan, van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen zoals bepaald in artikel 4, 5°, van de wet van 18 september 2017 en de waakzaamheidsplichten voorzien door de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's worden na de datum van inwerkingtreding van deze wet voortgezet onder het toezicht van het Instituut opgericht bij deze wet, en zijn organen. De Raad van dit Instituut kan administratieve sancties uitspreken als bedoeld in artikel 116 van deze wet.]1
[1 Het mandaat van de leden van de tuchtorganen en van de rechtskundig assessor bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten wordt verlengd tot de datum waarop de dossiers die hangende zijn bij die organen afgehandeld zijn. De dossiers in onderzoek die niet aanhangig zijn gemaakt bij een tuchtorgaan, worden overgemaakt aan de rechtskundig assessor bedoeld in artikel 90.]1
[1 § 2. De op de datum van inwerkingtreding van deze wet bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten hangende dossiers met betrekking tot het toezicht als bedoeld in de artikelen 28, §§ 1 en 2, en artikel 29, § 2, van de wet van 22 april 1999 worden overgemaakt aan en behandeld door het Instituut opgericht bij deze wet volgens de procedures en de nadere regels bepaald in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
De kwaliteitstoetsing en de opvolging ervan verricht onder het toezicht van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten en zijn organen als bedoeld in artikel 28, § 3, van de wet van 22 april 1999 en haar uitvoeringsbesluiten, worden na de datum van inwerkingtreding van deze wet voortgezet onder het toezicht van het Instituut opgericht bij deze wet en zijn organen.]1
[1 § 3. De dossiers met betrekking tot het toezicht als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet van 22 april 1999 die het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten nog niet heeft afgesloten op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden overgemaakt aan en behandeld door het Instituut opgericht bij deze wet volgens de procedures en de nadere regels bepaald in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
De toezichtdossiers bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten op de naleving van de bepalingen van boek II van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, van de besluiten en reglementen genomen tot uitvoering ervan, van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen zoals bepaald in artikel 4, 5°, van de wet van 18 september 2017 en de waakzaamheidsplichten voorzien door de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's worden na de datum van inwerkingtreding van deze wet voortgezet onder het toezicht van het Instituut opgericht bij deze wet, en zijn organen. De Raad van dit Instituut kan administratieve sancties uitspreken als bedoeld in artikel 116 van deze wet.]1
Art.122. [1 § 1.]1 Les dossiers disciplinaires pendants devant les instances disciplinaires des deux instituts qui fusionnent à la date d'entrée en vigueur de la présente loi sont traités par les organes disciplinaires des deux instituts qui fusionnent en conservant la même composition et selon les mêmes règles de procédure applicables auxdits organes avant l'entrée en vigueur de la présente loi. Tout appel introduit après l'entrée en vigueur de la présente loi est traité par la commission d'appel conformément à la présente loi.
[1 Le mandat des membres des organes disciplinaires et de l'assesseur juridique de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés est prolongé jusqu'à la date de fin de traitement des dossiers pendants devant ces organes. Les dossiers en cours d'examen qui ne sont pas pendants devant un organe disciplinaire, sont transférés à l'assesseur juridique visé à l'article 90.]1
[1 § 2. Les dossiers concernant la surveillance visés aux articles 28, §§ 1er et 2, et à l'article 29, § 2, de la loi du 22 avril 1999 pendants auprès de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sont transférés à et traités par l'Institut créé par la présente loi selon les procédures et modalités fixées par la présente loi et ses arrêtés d'exécution.
La revue qualité et son suivi exécutés sous la surveillance de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux et ses organes, telle que visée à l'article 28, § 3, de la loi du 22 avril 1999 et ses arrêtés d'exécution, sont poursuivis après la date d'entrée en vigueur de la présente loi sous la surveillance de l'Institut créé par la présente loi et ses organes.]1
[1 § 3. Les dossiers concernant la surveillance, visée à l'article 44, alinéa 1er, de la loi du 22 avril 1999 que l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés n'a pas encore clôturés à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sont transférés à et traités par l'Institut créé par la présente loi selon les procédures et modalités fixées par la présente loi et ses arrêtés d'exécution.
Les dossiers de surveillance près l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés portant sur le respect des dispositions du livre II de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, des arrêtés et règlements d'exécution, des mesures d'exécution de la directive 2015/849, du règlement européen relatif aux transferts de fonds, tels que définis par l'article 4, 5°, de la loi du 18 septembre 2017 et des devoirs de vigilance prévus par les dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers, sont poursuivis après la date d'entrée en vigueur de la présente loi sous le contrôle de l'Institut créé par la présente loi et ses organes. Le Conseil de cet Institut peut prononcer des sanctions administratives telles que visées à l'article 116 de la présente loi.]1
[1 Le mandat des membres des organes disciplinaires et de l'assesseur juridique de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés est prolongé jusqu'à la date de fin de traitement des dossiers pendants devant ces organes. Les dossiers en cours d'examen qui ne sont pas pendants devant un organe disciplinaire, sont transférés à l'assesseur juridique visé à l'article 90.]1
[1 § 2. Les dossiers concernant la surveillance visés aux articles 28, §§ 1er et 2, et à l'article 29, § 2, de la loi du 22 avril 1999 pendants auprès de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sont transférés à et traités par l'Institut créé par la présente loi selon les procédures et modalités fixées par la présente loi et ses arrêtés d'exécution.
La revue qualité et son suivi exécutés sous la surveillance de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux et ses organes, telle que visée à l'article 28, § 3, de la loi du 22 avril 1999 et ses arrêtés d'exécution, sont poursuivis après la date d'entrée en vigueur de la présente loi sous la surveillance de l'Institut créé par la présente loi et ses organes.]1
[1 § 3. Les dossiers concernant la surveillance, visée à l'article 44, alinéa 1er, de la loi du 22 avril 1999 que l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés n'a pas encore clôturés à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sont transférés à et traités par l'Institut créé par la présente loi selon les procédures et modalités fixées par la présente loi et ses arrêtés d'exécution.
Les dossiers de surveillance près l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés portant sur le respect des dispositions du livre II de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, des arrêtés et règlements d'exécution, des mesures d'exécution de la directive 2015/849, du règlement européen relatif aux transferts de fonds, tels que définis par l'article 4, 5°, de la loi du 18 septembre 2017 et des devoirs de vigilance prévus par les dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers, sont poursuivis après la date d'entrée en vigueur de la présente loi sous le contrôle de l'Institut créé par la présente loi et ses organes. Le Conseil de cet Institut peut prononcer des sanctions administratives telles que visées à l'article 116 de la présente loi.]1
Änderungen
Art.123. Elke persoon ingeschreven op de lijst van stagiairs van de fusionerende instituten op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, wordt automatisch ingeschreven in het openbaar register van het Instituut.
De gepresteerde stageduur binnen elk van de fusionerende instituten blijft verworven.
De gepresteerde stageduur binnen elk van de fusionerende instituten blijft verworven.
Art.123. Toute personne inscrite, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sur la liste des stagiaires des instituts qui fusionnent est inscrite automatiquement au registre public de l'Institut.
La durée du stage presté au sein de chacun des instituts qui fusionnent reste acquise.
La durée du stage presté au sein de chacun des instituts qui fusionnent reste acquise.
Art.124. § 1. Elke persoon ingeschreven op de lijst van de stagiairs van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten voorzien in de wet van 22 april 1999 op de datum van de inwerkingtreding van deze wet kan na die datum :
1° deelnemen aan het volgende bekwaamheidsexamen tot het bekomen van de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant, voor zover de stagiair drie jaar stage heeft volbracht als stagiair accountant bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, uit hoofde van de wet van 22 april 1999. Dit bekwaamheidsexamen wordt georganiseerd door het Instituut, opgericht door deze wet, volgens de nadere regels bepaald in deze wet en in haar uitvoeringsbesluiten, of
2° deelnemen aan het volgende bekwaamheidsexamen tot het bekomen van de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd belastingadviseur, voor zover de stagiair drie jaar stage heeft volbracht als stagiair belastingconsulent bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. Dit bekwaamheidsexamen wordt georganiseerd door het Instituut en volgens de nadere regels bepaald in deze wet en in haar uitvoeringsbesluiten.
[1 De stagiair accountant of de stagiair belastingconsulent die op de datum van inwerkingtreding van deze wet, stage loopt onder het toezicht van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, als voorzien in titel III, hoofdstuk 2, van de wet van 22 april 1999, zet met behoud van al zijn behaalde resultaten en vrijstellingen, de stage voort onder het toezicht van het Instituut, opgericht bij deze wet, volgens de procedures en de nadere regels bepaald in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. De lopende stageovereenkomsten goedgekeurd met toepassing van het artikel 25, 3°, van de wet van 22 april 1999 blijven na de inwerkingtreding van deze wet geldig.
Met betrekking tot het toelatingsexamen voor de stage van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur als bedoeld in artikel 10, § 1, 6°, van deze wet, behouden de personen die vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet het toelatingsexamen als bedoeld in artikel 19, § 1, 4°, van de wet van 22 april 1999 hebben afgelegd of bepaalde onderdelen van dat toelatingsexamen, de behaalde resultaten en vrijstellingen van dat toelatingsexamen of de desbetreffende opleidingsonderdelen ervan.]1
§ 2. Elke persoon ingeschreven op de lijst van de stagiairs van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten bedoeld in de wet van 22 april 1999 op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, kan na die datum zijn stage verderzetten onder de voorwaarden en nadere regels voorzien door of in uitvoering van de wet van 22 april 1999 [1 , onder voorbehoud van de regels bepaald in paragrafen 3 tot 5]1. Indien deze persoon aan het einde van de zes jaar te rekenen vanaf de datum van zijn inschrijving als stagiair niet slaagt voor het bekwaamheidsexamen op het einde van de stage, kan hij overeenkomstig artikel 13 slechts een nieuwe stage aanvatten na een periode van drie jaar jaar en na het slagen voor het toelatingsexamen. De nieuwe stage is onderworpen aan de voorwaarden bepaald door of in uitvoering van deze wet.
De persoon bedoeld in het eerste lid die slaagt voor de stage, wordt in het openbaar register ingeschreven als "accountant" indien hij voor de inwerkingtreding van deze wet als "boekhouder" zou ingeschreven zijn geweest of als "fiscaal accountant" indien hij als "boekhouder (-fiscalist)" zou ingeschreven zijn geweest in uitvoering van de wet van 22 april 1999.
[1 § 3. De Stagecommissie, opgericht bij artikel 17 van het koninklijk besluit van 27 september 2015 betreffende het programma, de voorwaarden en de examenjury voor het praktisch bekwaamheidsexamen van de erkende boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten, zet de opdrachten met betrekking tot de stage van de boekhouders en van boekhouders-fiscalisten voort, die haar bij of krachtens de wet van 22 april 1999 werden toevertrouwd. Het mandaat van haar leden wordt verlengd tot de datum waarop de stage van alle personen bedoeld in paragraaf 2 beëindigd is.
§ 4. De uitvoerende kamers en kamers van beroep, bedoeld in artikel 45/1, § 2, van de wet van 22 april 1999, zetten de taken met betrekking tot de stage van de boekhouders en van de boekhouders-fiscalisten voort die hen zijn toevertrouwd door het koninklijk besluit van 27 september 2015 betreffende het programma, de voorwaarden en de examenjury voor het praktisch bekwaamheidsexamen van de erkende boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten, en door het stagereglement van 10 april 2015 van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten. Het mandaat van de leden van die organen en van de rechtskundig assessor wordt verlengd tot de datum waarop de stage van alle personen bedoeld in artikel 124, § 2, beëindigd is.
Wanneer echter een stagiair-boekhouder of een stagiair boekhouder-fiscalist naar tucht wordt verwezen, is artikel 122 van toepassing
§ 5. De Raad, die de in artikel 72 bedoelde bevoegdheden uitoefent, neemt alle taken over met betrekking tot de stage van de boekhouders en van de boekhouders-fiscalisten die tot de bevoegdheid behoorden van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten.]1
1° deelnemen aan het volgende bekwaamheidsexamen tot het bekomen van de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd accountant, voor zover de stagiair drie jaar stage heeft volbracht als stagiair accountant bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, uit hoofde van de wet van 22 april 1999. Dit bekwaamheidsexamen wordt georganiseerd door het Instituut, opgericht door deze wet, volgens de nadere regels bepaald in deze wet en in haar uitvoeringsbesluiten, of
2° deelnemen aan het volgende bekwaamheidsexamen tot het bekomen van de hoedanigheid van (intern) gecertificeerd belastingadviseur, voor zover de stagiair drie jaar stage heeft volbracht als stagiair belastingconsulent bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. Dit bekwaamheidsexamen wordt georganiseerd door het Instituut en volgens de nadere regels bepaald in deze wet en in haar uitvoeringsbesluiten.
[1 De stagiair accountant of de stagiair belastingconsulent die op de datum van inwerkingtreding van deze wet, stage loopt onder het toezicht van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, als voorzien in titel III, hoofdstuk 2, van de wet van 22 april 1999, zet met behoud van al zijn behaalde resultaten en vrijstellingen, de stage voort onder het toezicht van het Instituut, opgericht bij deze wet, volgens de procedures en de nadere regels bepaald in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. De lopende stageovereenkomsten goedgekeurd met toepassing van het artikel 25, 3°, van de wet van 22 april 1999 blijven na de inwerkingtreding van deze wet geldig.
Met betrekking tot het toelatingsexamen voor de stage van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur als bedoeld in artikel 10, § 1, 6°, van deze wet, behouden de personen die vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet het toelatingsexamen als bedoeld in artikel 19, § 1, 4°, van de wet van 22 april 1999 hebben afgelegd of bepaalde onderdelen van dat toelatingsexamen, de behaalde resultaten en vrijstellingen van dat toelatingsexamen of de desbetreffende opleidingsonderdelen ervan.]1
§ 2. Elke persoon ingeschreven op de lijst van de stagiairs van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten bedoeld in de wet van 22 april 1999 op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, kan na die datum zijn stage verderzetten onder de voorwaarden en nadere regels voorzien door of in uitvoering van de wet van 22 april 1999 [1 , onder voorbehoud van de regels bepaald in paragrafen 3 tot 5]1. Indien deze persoon aan het einde van de zes jaar te rekenen vanaf de datum van zijn inschrijving als stagiair niet slaagt voor het bekwaamheidsexamen op het einde van de stage, kan hij overeenkomstig artikel 13 slechts een nieuwe stage aanvatten na een periode van drie jaar jaar en na het slagen voor het toelatingsexamen. De nieuwe stage is onderworpen aan de voorwaarden bepaald door of in uitvoering van deze wet.
De persoon bedoeld in het eerste lid die slaagt voor de stage, wordt in het openbaar register ingeschreven als "accountant" indien hij voor de inwerkingtreding van deze wet als "boekhouder" zou ingeschreven zijn geweest of als "fiscaal accountant" indien hij als "boekhouder (-fiscalist)" zou ingeschreven zijn geweest in uitvoering van de wet van 22 april 1999.
[1 § 3. De Stagecommissie, opgericht bij artikel 17 van het koninklijk besluit van 27 september 2015 betreffende het programma, de voorwaarden en de examenjury voor het praktisch bekwaamheidsexamen van de erkende boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten, zet de opdrachten met betrekking tot de stage van de boekhouders en van boekhouders-fiscalisten voort, die haar bij of krachtens de wet van 22 april 1999 werden toevertrouwd. Het mandaat van haar leden wordt verlengd tot de datum waarop de stage van alle personen bedoeld in paragraaf 2 beëindigd is.
§ 4. De uitvoerende kamers en kamers van beroep, bedoeld in artikel 45/1, § 2, van de wet van 22 april 1999, zetten de taken met betrekking tot de stage van de boekhouders en van de boekhouders-fiscalisten voort die hen zijn toevertrouwd door het koninklijk besluit van 27 september 2015 betreffende het programma, de voorwaarden en de examenjury voor het praktisch bekwaamheidsexamen van de erkende boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten, en door het stagereglement van 10 april 2015 van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten. Het mandaat van de leden van die organen en van de rechtskundig assessor wordt verlengd tot de datum waarop de stage van alle personen bedoeld in artikel 124, § 2, beëindigd is.
Wanneer echter een stagiair-boekhouder of een stagiair boekhouder-fiscalist naar tucht wordt verwezen, is artikel 122 van toepassing
§ 5. De Raad, die de in artikel 72 bedoelde bevoegdheden uitoefent, neemt alle taken over met betrekking tot de stage van de boekhouders en van de boekhouders-fiscalisten die tot de bevoegdheid behoorden van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten.]1
Art.124. § 1er. Toute personne inscrite à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sur la liste des stagiaires de l'Institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévue par la loi du 22 avril 1999 peut, après la date d'entrée en vigueur :
1° participer à l'examen d'aptitude suivant pour obtenir la qualité d'expert-comptable certifié (interne), pour autant qu'elle ait accompli un stage de trois ans en tant que stagiaire expert-comptable au sein de l'Institut des experts-comptables et des conseils fiscaux en vertu de la loi du 22 avril 1999. Cet examen d'aptitude est organisé par l'Institut qui est créé par la présente loi, selon les modalités définies dans la présente loi et ses arrêtés d'exécution, ou
2° participer à l'examen d'aptitude suivant pour obtenir la qualité de conseiller fiscal certifié (interne), pour autant qu'elle ait accompli un stage de trois ans en tant que stagiaire conseil fiscal au sein de l'Institut des experts-comptables et des conseils fiscaux. Cet examen d'aptitude est organisé par l'Institut, selon les modalités définies dans la présente loi et ses arrêtés d'exécution.
[1 Le stagiaire expert-comptable ou le stagiaire conseil fiscal qui à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, accomplit le stage sous la surveillance de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux, tel que prévu par le titre III, chapitre 2, de la loi du 22 avril 1999, poursuit son stage avec maintien de tous ses résultats et dispenses obtenus, sous la surveillance de l'Institut créé par la présente loi, selon les procédures et modalités fixées dans la présente loi et ses arrêtés d'exécution. Les conventions de stage en cours approuvées en application de l'article 25, 3°, de la loi du 22 avril 1999 restent valides après l'entrée en vigueur de la présente loi.
En ce qui concerne l'examen d'admission au stage d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié, tel que visé à l'article 10, § 1er, 6°, de la présente loi, les personnes qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, ont présenté l'examen d'admission tel que visé par l'article 19, § 1er, 4°, de la loi du 22 avril 1999 ou certaines parties de cet examen d'admission, conservent les résultats obtenus ainsi que les dispenses de cet examen d'admission ou des parties de cet examen d'admission.]1
§ 2. Toute personne inscrite, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sur la liste des stagiaires de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés visée dans la loi du 22 avril 1999 peut poursuivre son stage sous les conditions et les autres règles prévues par la loi du 22 avril 1999 ou en exécution de celle-ci [1 , sous réserve des règles prévues aux paragraphes 3 à 5]1. Si cette personne ne réussit pas l'examen d'aptitude pratique au bout des six ans, à compter de la date d'inscription en tant que stagiaire, elle ne peut entamer un nouveau stage, conformément à l'article 13, qu'après une période de trois ans et après avoir réussi l'examen d'admission. Le nouveau stage est soumis aux conditions définies par ou en exécution de la présente loi.
La personne visée à l'alinéa 1er qui réussit le stage et qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, aurait été inscrite en tant que "comptable", est inscrite au registre public en tant qu'"expert-comptable" ou, si elle aurait été inscrite en tant que "comptable (-fiscaliste)" en exécution de la loi du 22 avril 1999, en tant que "expert-comptable fiscaliste".
[1 § 3. La Commission de stage, créée en vertu de l'article 17 de l'arrêté royal du 27 septembre 2015 fixant le programme, les conditions et le jury de l'examen pratique d'aptitude des "comptables agréés" et "comptables-fiscalistes agréés", poursuit les missions concernant le stage des comptables et des comptables-fiscalistes qui lui ont été confiées par ou vertu de la loi du 22 avril 1999. Le mandat de ses membres est prolongé jusqu'à la date à laquelle le stage de toutes les personnes visées au paragraphe 2, a pris fin.
§ 4. Les chambres exécutives et chambres d'appel, visées à l'article 45/1, § 2, de la loi du 22 avril 1999, poursuivent les missions concernant le stage des comptables et comptables-fiscalistes qui leur ont été confiées par l'arrêté royal du 27 septembre 2015 fixant le programme, les conditions et le jury de l'examen pratique d'aptitude des "comptables agréés" et "comptables-fiscalistes agréés", et par le règlement de stage du 10 avril 2015 de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés. Le mandat des membres de ces organes et de l'assesseur juridique est prolongé jusqu'à la date à laquelle le stage de toutes les personnes visées à l'article 124, § 2, a pris fin.
Toutefois, lorsqu'un comptable stagiaire ou un comptable-fiscaliste stagiaire est poursuivi disciplinairement, l'article 122 s'applique.
§ 5. Le Conseil, exerçant les compétences visées à l'article 72, reprend toutes les tâches relatives au stage des comptables et des comptables-fiscalistes qui incombaient au Conseil national de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés.]1
1° participer à l'examen d'aptitude suivant pour obtenir la qualité d'expert-comptable certifié (interne), pour autant qu'elle ait accompli un stage de trois ans en tant que stagiaire expert-comptable au sein de l'Institut des experts-comptables et des conseils fiscaux en vertu de la loi du 22 avril 1999. Cet examen d'aptitude est organisé par l'Institut qui est créé par la présente loi, selon les modalités définies dans la présente loi et ses arrêtés d'exécution, ou
2° participer à l'examen d'aptitude suivant pour obtenir la qualité de conseiller fiscal certifié (interne), pour autant qu'elle ait accompli un stage de trois ans en tant que stagiaire conseil fiscal au sein de l'Institut des experts-comptables et des conseils fiscaux. Cet examen d'aptitude est organisé par l'Institut, selon les modalités définies dans la présente loi et ses arrêtés d'exécution.
[1 Le stagiaire expert-comptable ou le stagiaire conseil fiscal qui à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, accomplit le stage sous la surveillance de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux, tel que prévu par le titre III, chapitre 2, de la loi du 22 avril 1999, poursuit son stage avec maintien de tous ses résultats et dispenses obtenus, sous la surveillance de l'Institut créé par la présente loi, selon les procédures et modalités fixées dans la présente loi et ses arrêtés d'exécution. Les conventions de stage en cours approuvées en application de l'article 25, 3°, de la loi du 22 avril 1999 restent valides après l'entrée en vigueur de la présente loi.
En ce qui concerne l'examen d'admission au stage d'expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié, tel que visé à l'article 10, § 1er, 6°, de la présente loi, les personnes qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, ont présenté l'examen d'admission tel que visé par l'article 19, § 1er, 4°, de la loi du 22 avril 1999 ou certaines parties de cet examen d'admission, conservent les résultats obtenus ainsi que les dispenses de cet examen d'admission ou des parties de cet examen d'admission.]1
§ 2. Toute personne inscrite, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sur la liste des stagiaires de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés visée dans la loi du 22 avril 1999 peut poursuivre son stage sous les conditions et les autres règles prévues par la loi du 22 avril 1999 ou en exécution de celle-ci [1 , sous réserve des règles prévues aux paragraphes 3 à 5]1. Si cette personne ne réussit pas l'examen d'aptitude pratique au bout des six ans, à compter de la date d'inscription en tant que stagiaire, elle ne peut entamer un nouveau stage, conformément à l'article 13, qu'après une période de trois ans et après avoir réussi l'examen d'admission. Le nouveau stage est soumis aux conditions définies par ou en exécution de la présente loi.
La personne visée à l'alinéa 1er qui réussit le stage et qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, aurait été inscrite en tant que "comptable", est inscrite au registre public en tant qu'"expert-comptable" ou, si elle aurait été inscrite en tant que "comptable (-fiscaliste)" en exécution de la loi du 22 avril 1999, en tant que "expert-comptable fiscaliste".
[1 § 3. La Commission de stage, créée en vertu de l'article 17 de l'arrêté royal du 27 septembre 2015 fixant le programme, les conditions et le jury de l'examen pratique d'aptitude des "comptables agréés" et "comptables-fiscalistes agréés", poursuit les missions concernant le stage des comptables et des comptables-fiscalistes qui lui ont été confiées par ou vertu de la loi du 22 avril 1999. Le mandat de ses membres est prolongé jusqu'à la date à laquelle le stage de toutes les personnes visées au paragraphe 2, a pris fin.
§ 4. Les chambres exécutives et chambres d'appel, visées à l'article 45/1, § 2, de la loi du 22 avril 1999, poursuivent les missions concernant le stage des comptables et comptables-fiscalistes qui leur ont été confiées par l'arrêté royal du 27 septembre 2015 fixant le programme, les conditions et le jury de l'examen pratique d'aptitude des "comptables agréés" et "comptables-fiscalistes agréés", et par le règlement de stage du 10 avril 2015 de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés. Le mandat des membres de ces organes et de l'assesseur juridique est prolongé jusqu'à la date à laquelle le stage de toutes les personnes visées à l'article 124, § 2, a pris fin.
Toutefois, lorsqu'un comptable stagiaire ou un comptable-fiscaliste stagiaire est poursuivi disciplinairement, l'article 122 s'applique.
§ 5. Le Conseil, exerçant les compétences visées à l'article 72, reprend toutes les tâches relatives au stage des comptables et des comptables-fiscalistes qui incombaient au Conseil national de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés.]1
Änderungen
Art.125. De persoon, natuurlijke of rechtspersoon, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet vermeld staat op de deellijst van de accountants met toepassing van de wet van 22 april 1999, wordt na die datum in het openbaar register ingeschreven met de hoedanigheid "(intern) gecertificeerd accountant".
De persoon, natuurlijke of rechtspersoon, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet vermeld staat op de deellijst van de belastingconsulent met toepassing van de wet van 22 april 1999, wordt na die datum in het openbaar register ingeschreven met de hoedanigheid "(intern) gecertificeerd belastingadviseur".
De personen, natuurlijke of rechtspersonen, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet de titel "accountant-belastingconsulent" voeren uit hoofde van de wet van 22 april 1999, worden na die datum ingeschreven met de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd accountant".
Van de personen bedoeld in het derde lid mogen enkel de personen, natuurlijke of rechtspersonen, die de titel van "accountant-belastingconsulent" droegen, na de inwerkingtreding van deze wet de titel van "(intern) gecertificeerd fiscaal accountant" dragen in uitvoering van artikel 8.
De personen, natuurlijke of rechtspersonen, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet de titel "accountant-belastingconsulent" voeren uit hoofde van de wet van 22 april 1999, kunnen ook op hun verzoek de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd belastingadviseur" verkrijgen en de titel dragen in de plaats van de hoedanigheid en titel van "gecertificeerd accountant".
De personen, natuurlijke of rechtspersonen, ingeschreven als "accountant" of "fiscaal accountant" zijn slechts onderworpen aan hoofdstuk 7 na een periode van vier jaar die aanvangt op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
De persoon, natuurlijke of rechtspersoon, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet vermeld staat op de deellijst van de belastingconsulent met toepassing van de wet van 22 april 1999, wordt na die datum in het openbaar register ingeschreven met de hoedanigheid "(intern) gecertificeerd belastingadviseur".
De personen, natuurlijke of rechtspersonen, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet de titel "accountant-belastingconsulent" voeren uit hoofde van de wet van 22 april 1999, worden na die datum ingeschreven met de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd accountant".
Van de personen bedoeld in het derde lid mogen enkel de personen, natuurlijke of rechtspersonen, die de titel van "accountant-belastingconsulent" droegen, na de inwerkingtreding van deze wet de titel van "(intern) gecertificeerd fiscaal accountant" dragen in uitvoering van artikel 8.
De personen, natuurlijke of rechtspersonen, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet de titel "accountant-belastingconsulent" voeren uit hoofde van de wet van 22 april 1999, kunnen ook op hun verzoek de hoedanigheid van "(intern) gecertificeerd belastingadviseur" verkrijgen en de titel dragen in de plaats van de hoedanigheid en titel van "gecertificeerd accountant".
De personen, natuurlijke of rechtspersonen, ingeschreven als "accountant" of "fiscaal accountant" zijn slechts onderworpen aan hoofdstuk 7 na een periode van vier jaar die aanvangt op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art.125. La personne, physique ou morale, qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, figure sur la sous-liste des experts-comptables en application de la loi du 22 avril 1999, est inscrite après cette date au registre public avec la qualité d'"expert-comptable certifié (interne)".
La personne, physique ou morale, qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, figure sur la sous-liste des conseils fiscaux en application de la loi du 22 avril 1999, est inscrite après cette date au registre public avec la qualité de "conseiller fiscal certifié (interne)".
Les personnes, physiques ou morales, qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, portent le titre d'"expert-comptable - conseil fiscal" en vertu de la loi du 22 avril 1999, sont inscrites après cette date avec la qualité d'"expert-comptable certifié (interne)".
Parmi les personnes visées à l'alinéa 3, seules les personnes, physiques ou morales, qui portaient le titre d'"expert-comptable - conseil fiscal" peuvent, après l'entrée en vigueur de la présente loi, porter le titre d'"expert-comptable et fiscal certifié (interne)" en application de l'article 8.
Les personnes, physiques ou morales, qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, portent le titre d'"expert-comptable - conseil fiscal" en vertu de la loi du 22 avril 1999, peuvent également obtenir à leur demande la qualité de "conseiller fiscal certifié (interne)" et porter le titre en lieu et place de la qualité et du titre d'"expert-comptable certifié".
Les personnes, physiques ou morales, inscrites comme "expert-comptable" ou "expert-comptable fiscaliste" ne sont soumises au chapitre 7 qu'après une période de quatre ans commençant à courir le 1er jour du mois suivant le jour de l'entrée en vigueur de la présente loi.
La personne, physique ou morale, qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, figure sur la sous-liste des conseils fiscaux en application de la loi du 22 avril 1999, est inscrite après cette date au registre public avec la qualité de "conseiller fiscal certifié (interne)".
Les personnes, physiques ou morales, qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, portent le titre d'"expert-comptable - conseil fiscal" en vertu de la loi du 22 avril 1999, sont inscrites après cette date avec la qualité d'"expert-comptable certifié (interne)".
Parmi les personnes visées à l'alinéa 3, seules les personnes, physiques ou morales, qui portaient le titre d'"expert-comptable - conseil fiscal" peuvent, après l'entrée en vigueur de la présente loi, porter le titre d'"expert-comptable et fiscal certifié (interne)" en application de l'article 8.
Les personnes, physiques ou morales, qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, portent le titre d'"expert-comptable - conseil fiscal" en vertu de la loi du 22 avril 1999, peuvent également obtenir à leur demande la qualité de "conseiller fiscal certifié (interne)" et porter le titre en lieu et place de la qualité et du titre d'"expert-comptable certifié".
Les personnes, physiques ou morales, inscrites comme "expert-comptable" ou "expert-comptable fiscaliste" ne sont soumises au chapitre 7 qu'après une période de quatre ans commençant à courir le 1er jour du mois suivant le jour de l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art.126. In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden "Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten" alsook de woorden "Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten" telkens gelezen worden als "Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord "accountant" telkens gelezen worden als "gecertificeerd accountant".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord "belastingconsulent" telkens gelezen worden als "gecertificeerd belastingadviseur".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord "boekhouder" en moeten de woorden "erkend boekhouder" telkens gelezen worden als "accountant".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden "erkend boekhouder-fiscalist" telkens gelezen worden als "fiscaal accountant".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden "boekhouder(-fiscalist)" telkens gelezen worden als "(fiscaal) accountant".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord "accountant" telkens gelezen worden als "gecertificeerd accountant".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord "belastingconsulent" telkens gelezen worden als "gecertificeerd belastingadviseur".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord "boekhouder" en moeten de woorden "erkend boekhouder" telkens gelezen worden als "accountant".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden "erkend boekhouder-fiscalist" telkens gelezen worden als "fiscaal accountant".
In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden "boekhouder(-fiscalist)" telkens gelezen worden als "(fiscaal) accountant".
Art.126. Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots "Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés" ainsi que les mots "Institut des experts-comptables et des conseils fiscaux" doivent être lus à chaque fois comme "Institut des Conseillers fiscaux et des Experts-comptables".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, le mot "expert-comptable" doit être lu à chaque fois comme "expert-comptable certifié".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots "conseil fiscal" doivent être lus à chaque fois comme "conseiller fiscal certifié".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, le mot "comptable" et les mots "comptable agréé" doivent être lus à chaque fois comme "expert-comptable".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots "comptable-fiscaliste agréé" doivent être lus à chaque fois comme "expert-comptable fiscaliste".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots "comptable(-fiscaliste)" doivent être lus à chaque fois comme "expert-comptable (fiscaliste)".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, le mot "expert-comptable" doit être lu à chaque fois comme "expert-comptable certifié".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots "conseil fiscal" doivent être lus à chaque fois comme "conseiller fiscal certifié".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, le mot "comptable" et les mots "comptable agréé" doivent être lus à chaque fois comme "expert-comptable".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots "comptable-fiscaliste agréé" doivent être lus à chaque fois comme "expert-comptable fiscaliste".
Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots "comptable(-fiscaliste)" doivent être lus à chaque fois comme "expert-comptable (fiscaliste)".
Art.127. § 1. In afwijking van de artikel en 68 en 69, wordt voor een periode van vier jaar na de inwerkingtreding van dit artikel een overgangsraad opgericht die bestaat uit :
1° een voorzitter die de voorzitter is van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, verkozen door de laatste algemene vergadering gehouden vóór de inwerkingtreding van dit artikel ;
2° een ondervoorzitter die de voorzitter is van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, verkozen door en onder de leden van de Nationale Raad van dat Instituut na de laatste verkiezingen die vóór de inwerkingtreding van dit artikel georganiseerd werden;
3° dertien leden die tot lid van de Raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten verkozen zijn tijdens de laatste algemene vergadering van dat Instituut vóór de inwerkingtreding van dit artikel ;
4° zes Franstalige en zeven Nederlandstalige leden die tot lid van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten met het meest aantal stemmen verkozen zijn bij de laatste verkiezingen die binnen het Beroepsinstituut werden georganiseerd vóór de inwerkingtreding van dit artikel .
De voorzitter en ondervoorzitter behoren tot een verschillende taalgroep. Als de voorzitter en ondervoorzitter van de overgangsraad die op die manier aangeduid werden, tot dezelfde taalgroep behoren, wordt voorzitter van de overgangsraad de ondervoorzitter verkozen binnen het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten door de laatste algemene vergadering gehouden vóór de inwerkingtreding van dit artikel .
§ 2. De overgangsraad oefent alle voorbereidende taken uit die noodzakelijk zijn voor de oprichting en werking van het Instituut bedoeld in artikel 2, 17°, en van zijn organen tot op de datum van inwerkingtreding van alle bepalingen van deze wet. Na de inwerkingtreding van alle bepalingen van deze wet oefent hij zijn mandaat uit door alle opdrachten bedoeld in artikel 72 uit te oefenen.
§ 3. Het uitvoerend comité van de overgangsraad bestaat uit :
1° de voorzitter en de ondervoorzitter;
2° twee Nederlandstalige en twee Franstalige leden verkozen door de overgangsraad onder de leden van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1, 3° ;
3° twee Nederlandstalige en twee Franstalige leden verkozen door de overgangsraad onder de leden van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1, 4°.
[1 § 4. In afwijking van artikel 63 roept de overgangsraad van het Instituut een algemene vergadering samen die bestaat uit alle natuurlijke personen die op 1 februari van het jaar van de algemene vergadering ingeschreven zijn op het tableau van de leden of op de lijst van stagiairs van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten bedoeld in artikel 5 van de wet van 22 april 1999 of op het tableau van de beroepsbeoefenaars of op de lijst van stagiairs van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten bedoeld in artikel 45/1, § 1, van de wet van 22 april 1999. Die algemene vergadering heeft plaats op een zaterdag in de tweede helft van de maand april.
De oproepingsbrief wordt dertig dagen vóór de datum van de algemene vergadering verstuurd naar de natuurlijke personen bedoeld in het eerste lid. Deze oproepingsbrief bevat de agenda, de plaats en datum van de algemene vergadering evenals de bijkomende regels van organisatie vastgelegd door de overgangsraad en gaat vergezeld van de rekeningen afgesloten op 31 december en van het voorstel van begroting voor het nieuwe boekjaar.
De voorzitter en ondervoorzitter van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1 zitten die algemene vergadering voor.
Elke persoon bedoeld in het eerste lid heeft één stem. Hij kan aan een ander lid van de algemene vergadering schriftelijk volmacht geven om in zijn plaats op de algemene vergadering te stemmen. Hij mag ten hoogste twee volmachten houden. De stagiairs vermeld op de lijst van stagiairs van een van de fusionerende instituten hebben enkel een raadgevende stem.
De beslissingen van de algemene vergadering worden genomen bij meerderheid van de aanwezige en vertegenwoordigde stemmen.
Deze algemene vergadering oefent alle bevoegdheden bedoeld in artikel 65 uit, met uitzondering van artikel 65, 1°.
Op deze algemene vergadering legt de overgangsraad ter goedkeuring voor:
a) de rekeningen van het Instituut, afgesloten op 31 december;
b) de begroting voor het nieuwe boekjaar.
De commissarissen van de fusionerende instituten stellen op deze algemene vergadering hun verslag voor over de rekeningen.
De algemene vergadering duidt één of meer commissarissen aan onder de natuurlijke personen bedoeld in het eerste lid.
Het mandaat van commissaris is onverenigbaar met het mandaat van voorzitter, ondervoorzitter of lid van de overgangsraad of van de raden van de fusionerende instituten, alsook enige commissie of werkgroep opgericht door het Instituut of door de fusionerende instituten.
De commissaris controleert de jaarrekening van het Instituut. Hij stelt een verslag op en maakt dat over aan de jaarlijkse algemene vergadering. De algemene vergadering stelt de bezoldiging van de commissaris vast.
Zolang niet alle bepalingen uit deze wet in werking zijn getreden, blijven de leden en stagiairs van de fusionerende instituten de bijdragen betalen vastgesteld door elk van de fusionerende instituten. Het geheel aan bijdragen van de fusionerende instituten dekt de werkingskosten van het Instituut en van de fusionerende instituten.
§ 5. Het Instituut wordt opgericht en heeft rechtspersoonlijkheid om de opdrachten uit te voeren toevertrouwd aan de overgangsraad en de algemene vergadering bedoeld in dit artikel.
§ 6. De paragrafen 4 tot en met 5 treden buiten werking bij de inwerkingtreding van alle bepalingen uit deze wet.]1
1° een voorzitter die de voorzitter is van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, verkozen door de laatste algemene vergadering gehouden vóór de inwerkingtreding van dit artikel ;
2° een ondervoorzitter die de voorzitter is van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, verkozen door en onder de leden van de Nationale Raad van dat Instituut na de laatste verkiezingen die vóór de inwerkingtreding van dit artikel georganiseerd werden;
3° dertien leden die tot lid van de Raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten verkozen zijn tijdens de laatste algemene vergadering van dat Instituut vóór de inwerkingtreding van dit artikel ;
4° zes Franstalige en zeven Nederlandstalige leden die tot lid van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten met het meest aantal stemmen verkozen zijn bij de laatste verkiezingen die binnen het Beroepsinstituut werden georganiseerd vóór de inwerkingtreding van dit artikel .
De voorzitter en ondervoorzitter behoren tot een verschillende taalgroep. Als de voorzitter en ondervoorzitter van de overgangsraad die op die manier aangeduid werden, tot dezelfde taalgroep behoren, wordt voorzitter van de overgangsraad de ondervoorzitter verkozen binnen het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten door de laatste algemene vergadering gehouden vóór de inwerkingtreding van dit artikel .
§ 2. De overgangsraad oefent alle voorbereidende taken uit die noodzakelijk zijn voor de oprichting en werking van het Instituut bedoeld in artikel 2, 17°, en van zijn organen tot op de datum van inwerkingtreding van alle bepalingen van deze wet. Na de inwerkingtreding van alle bepalingen van deze wet oefent hij zijn mandaat uit door alle opdrachten bedoeld in artikel 72 uit te oefenen.
§ 3. Het uitvoerend comité van de overgangsraad bestaat uit :
1° de voorzitter en de ondervoorzitter;
2° twee Nederlandstalige en twee Franstalige leden verkozen door de overgangsraad onder de leden van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1, 3° ;
3° twee Nederlandstalige en twee Franstalige leden verkozen door de overgangsraad onder de leden van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1, 4°.
[1 § 4. In afwijking van artikel 63 roept de overgangsraad van het Instituut een algemene vergadering samen die bestaat uit alle natuurlijke personen die op 1 februari van het jaar van de algemene vergadering ingeschreven zijn op het tableau van de leden of op de lijst van stagiairs van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten bedoeld in artikel 5 van de wet van 22 april 1999 of op het tableau van de beroepsbeoefenaars of op de lijst van stagiairs van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten bedoeld in artikel 45/1, § 1, van de wet van 22 april 1999. Die algemene vergadering heeft plaats op een zaterdag in de tweede helft van de maand april.
De oproepingsbrief wordt dertig dagen vóór de datum van de algemene vergadering verstuurd naar de natuurlijke personen bedoeld in het eerste lid. Deze oproepingsbrief bevat de agenda, de plaats en datum van de algemene vergadering evenals de bijkomende regels van organisatie vastgelegd door de overgangsraad en gaat vergezeld van de rekeningen afgesloten op 31 december en van het voorstel van begroting voor het nieuwe boekjaar.
De voorzitter en ondervoorzitter van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1 zitten die algemene vergadering voor.
Elke persoon bedoeld in het eerste lid heeft één stem. Hij kan aan een ander lid van de algemene vergadering schriftelijk volmacht geven om in zijn plaats op de algemene vergadering te stemmen. Hij mag ten hoogste twee volmachten houden. De stagiairs vermeld op de lijst van stagiairs van een van de fusionerende instituten hebben enkel een raadgevende stem.
De beslissingen van de algemene vergadering worden genomen bij meerderheid van de aanwezige en vertegenwoordigde stemmen.
Deze algemene vergadering oefent alle bevoegdheden bedoeld in artikel 65 uit, met uitzondering van artikel 65, 1°.
Op deze algemene vergadering legt de overgangsraad ter goedkeuring voor:
a) de rekeningen van het Instituut, afgesloten op 31 december;
b) de begroting voor het nieuwe boekjaar.
De commissarissen van de fusionerende instituten stellen op deze algemene vergadering hun verslag voor over de rekeningen.
De algemene vergadering duidt één of meer commissarissen aan onder de natuurlijke personen bedoeld in het eerste lid.
Het mandaat van commissaris is onverenigbaar met het mandaat van voorzitter, ondervoorzitter of lid van de overgangsraad of van de raden van de fusionerende instituten, alsook enige commissie of werkgroep opgericht door het Instituut of door de fusionerende instituten.
De commissaris controleert de jaarrekening van het Instituut. Hij stelt een verslag op en maakt dat over aan de jaarlijkse algemene vergadering. De algemene vergadering stelt de bezoldiging van de commissaris vast.
Zolang niet alle bepalingen uit deze wet in werking zijn getreden, blijven de leden en stagiairs van de fusionerende instituten de bijdragen betalen vastgesteld door elk van de fusionerende instituten. Het geheel aan bijdragen van de fusionerende instituten dekt de werkingskosten van het Instituut en van de fusionerende instituten.
§ 5. Het Instituut wordt opgericht en heeft rechtspersoonlijkheid om de opdrachten uit te voeren toevertrouwd aan de overgangsraad en de algemene vergadering bedoeld in dit artikel.
§ 6. De paragrafen 4 tot en met 5 treden buiten werking bij de inwerkingtreding van alle bepalingen uit deze wet.]1
Art.127. § 1er. Par dérogation aux articles 68 et 69, il est constitué pour une période de quatre ans à compter de l'entrée en vigueur du présent article un conseil de transition composé :
1° d'un président qui est le président de l'Institut des Experts-Comptables et des Conseils Fiscaux élu par sa dernière assemblée générale tenue avant l'entrée en vigueur du présent article;
2° d'un vice-président qui est le président de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés élu par et au sein des membres du Conseil national de cet Institut suite aux dernières élections organisées au sein de cet Institut avant l'entrée en vigueur du présent article;
3° de treize membres élus comme membres du Conseil de l'Institut des Experts-Comptables et des Conseils Fiscaux lors de la dernière assemblée générale de cet Institut tenue avant l'entrée en vigueur du présent article;
4° de six membres francophones et de sept membres néerlandophones élus avec le plus grand nombre de voix comme membres du Conseil National de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés lors des dernières élections organisées au sein de cet Institut avant l'entrée en vigueur du présent article.
Le président et le vice-président appartiennent à un rôle linguistique différent. Si le président et le vice-président du conseil de transition désignés sont du même rôle linguistique, devient président du conseil de transition le vice-président élu au sein de l'Institut des Experts-Comptables et des Conseil Fiscaux par sa dernière assemblée générale avant l'entrée en vigueur du présent article.
§ 2. Le conseil transitoire effectue toutes les tâches préparatoires nécessaires à la mise en place et au fonctionnement de l'Institut visé à l'article 2, 17°, et de ses organes jusqu'à la date de l'entrée en vigueur de l'ensemble des dispositions de la présente loi. Dès l'entrée en vigueur de l'ensemble des dispositions de la présente loi, il poursuit son mandat en exécutant toutes les missions visées à l'article 72.
§ 3. Le comité exécutif du conseil de transition est composé :
1° du président et du vice-président;
2° de deux membres néerlandophones et de deux membres francophones élus par le conseil de transition parmi les membres du conseil de transition visés au § 1er, 3° ;
3° de deux membres néerlandophones et de deux membres francophones élus par le conseil de transition parmi les membres du conseil de transition visé au § 1er, 4°.
[1 § 4. Par dérogation à l'article 63, une assemblée générale composée de toutes les personnes physiques qui sont inscrites au 1er février de l'année de l'assemblée générale sur le tableau des membres ou sur la liste des stagiaires de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux visés à l'article 5 de la loi du 22 avril 1999, ou sur le tableau des professionnels ou sur la liste des stagiaires de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés visés à l'article 45/1, § 1er, de la loi du 22 avril 1999, est convoquée par le conseil de transition de l'Institut. Cette assemblée générale a lieu un samedi de la seconde moitié du mois d'avril.
La lettre de convocation est envoyée trente jours avant la date de l'assemblée générale aux personnes physiques visées à l'alinéa 1er. Cette lettre de convocation mentionne l'ordre du jour, le lieu, le jour de l'assemblée générale ainsi que les modalités complémentaires d'organisation fixées par le conseil de transition et est accompagnée des comptes clôturés au 31 décembre et du budget pour le nouvel exercice.
Le président et le vice-président du conseil transitoire visé au paragraphe 1er président cette assemblée générale.
Chaque personne visée à l'alinéa 1er a une voix. Elle peut donner une procuration écrite à un autre membre de l'assemblée générale pour voter à sa place à l'assemblée générale. Elle ne peut être porteuse que de deux procurations au maximum. Les stagiaires repris sur la liste des stagiaires d'un des instituts qui fusionnent n'ont qu'une voix consultative.
Les décisions de l'assemblée générale sont prises à la majorité des voix présentes et représentées.
Cette assemblée générale exerce toutes les compétences visées à l'article 65, à l'exception de l'article 65, 1°.
A cette assemblée générale, le conseil de transition présente pour approbation:
a) les comptes de l'Institut, clôturés au 31 décembre;
b) le budget du nouvel exercice.
Les commissaires des instituts qui fusionnent présentent à cette assemblée générale leur rapport sur les comptes.
L'assemblée générale désigne un ou plusieurs commissaires parmi les personnes visées à l'alinéa 1er.
Le mandat de commissaire est incompatible avec le mandat de président, vice-président ou membre du conseil de transition ou de membre des conseils des instituts qui fusionnent, ainsi que de toute commission ou groupe de travail érigé par l'Institut ou par les instituts qui fusionnent.
Le commissaire contrôle les comptes annuels de l'Institut. Il établit un rapport et le transmet à l'assemblée générale annuelle. L'assemblée générale détermine la rémunération du commissaire.
Tant que l'ensemble des dispositions de la présente loi ne sont pas entrées en vigueur, les membres et stagiaires des instituts qui fusionnent continuent à payer les cotisations fixées respectivement pour chacun des instituts qui fusionnent. L'ensemble des cotisations des instituts qui fusionnent couvrent les frais de fonctionnement de l'Institut et des instituts qui fusionnent.
§ 5. L'Institut est créé et dispose de la personnalité juridique pour accomplir les missions confiées au conseil de transition et à l'assemblée générale visés dans le présent article.
§ 6. Les paragraphes 4 à 5 cessent de produire leurs effets dès l'entrée en vigueur de toutes les dispositions de la présente loi.]1
1° d'un président qui est le président de l'Institut des Experts-Comptables et des Conseils Fiscaux élu par sa dernière assemblée générale tenue avant l'entrée en vigueur du présent article;
2° d'un vice-président qui est le président de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés élu par et au sein des membres du Conseil national de cet Institut suite aux dernières élections organisées au sein de cet Institut avant l'entrée en vigueur du présent article;
3° de treize membres élus comme membres du Conseil de l'Institut des Experts-Comptables et des Conseils Fiscaux lors de la dernière assemblée générale de cet Institut tenue avant l'entrée en vigueur du présent article;
4° de six membres francophones et de sept membres néerlandophones élus avec le plus grand nombre de voix comme membres du Conseil National de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés lors des dernières élections organisées au sein de cet Institut avant l'entrée en vigueur du présent article.
Le président et le vice-président appartiennent à un rôle linguistique différent. Si le président et le vice-président du conseil de transition désignés sont du même rôle linguistique, devient président du conseil de transition le vice-président élu au sein de l'Institut des Experts-Comptables et des Conseil Fiscaux par sa dernière assemblée générale avant l'entrée en vigueur du présent article.
§ 2. Le conseil transitoire effectue toutes les tâches préparatoires nécessaires à la mise en place et au fonctionnement de l'Institut visé à l'article 2, 17°, et de ses organes jusqu'à la date de l'entrée en vigueur de l'ensemble des dispositions de la présente loi. Dès l'entrée en vigueur de l'ensemble des dispositions de la présente loi, il poursuit son mandat en exécutant toutes les missions visées à l'article 72.
§ 3. Le comité exécutif du conseil de transition est composé :
1° du président et du vice-président;
2° de deux membres néerlandophones et de deux membres francophones élus par le conseil de transition parmi les membres du conseil de transition visés au § 1er, 3° ;
3° de deux membres néerlandophones et de deux membres francophones élus par le conseil de transition parmi les membres du conseil de transition visé au § 1er, 4°.
[1 § 4. Par dérogation à l'article 63, une assemblée générale composée de toutes les personnes physiques qui sont inscrites au 1er février de l'année de l'assemblée générale sur le tableau des membres ou sur la liste des stagiaires de l'Institut des Experts-comptables et des Conseils fiscaux visés à l'article 5 de la loi du 22 avril 1999, ou sur le tableau des professionnels ou sur la liste des stagiaires de l'Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés visés à l'article 45/1, § 1er, de la loi du 22 avril 1999, est convoquée par le conseil de transition de l'Institut. Cette assemblée générale a lieu un samedi de la seconde moitié du mois d'avril.
La lettre de convocation est envoyée trente jours avant la date de l'assemblée générale aux personnes physiques visées à l'alinéa 1er. Cette lettre de convocation mentionne l'ordre du jour, le lieu, le jour de l'assemblée générale ainsi que les modalités complémentaires d'organisation fixées par le conseil de transition et est accompagnée des comptes clôturés au 31 décembre et du budget pour le nouvel exercice.
Le président et le vice-président du conseil transitoire visé au paragraphe 1er président cette assemblée générale.
Chaque personne visée à l'alinéa 1er a une voix. Elle peut donner une procuration écrite à un autre membre de l'assemblée générale pour voter à sa place à l'assemblée générale. Elle ne peut être porteuse que de deux procurations au maximum. Les stagiaires repris sur la liste des stagiaires d'un des instituts qui fusionnent n'ont qu'une voix consultative.
Les décisions de l'assemblée générale sont prises à la majorité des voix présentes et représentées.
Cette assemblée générale exerce toutes les compétences visées à l'article 65, à l'exception de l'article 65, 1°.
A cette assemblée générale, le conseil de transition présente pour approbation:
a) les comptes de l'Institut, clôturés au 31 décembre;
b) le budget du nouvel exercice.
Les commissaires des instituts qui fusionnent présentent à cette assemblée générale leur rapport sur les comptes.
L'assemblée générale désigne un ou plusieurs commissaires parmi les personnes visées à l'alinéa 1er.
Le mandat de commissaire est incompatible avec le mandat de président, vice-président ou membre du conseil de transition ou de membre des conseils des instituts qui fusionnent, ainsi que de toute commission ou groupe de travail érigé par l'Institut ou par les instituts qui fusionnent.
Le commissaire contrôle les comptes annuels de l'Institut. Il établit un rapport et le transmet à l'assemblée générale annuelle. L'assemblée générale détermine la rémunération du commissaire.
Tant que l'ensemble des dispositions de la présente loi ne sont pas entrées en vigueur, les membres et stagiaires des instituts qui fusionnent continuent à payer les cotisations fixées respectivement pour chacun des instituts qui fusionnent. L'ensemble des cotisations des instituts qui fusionnent couvrent les frais de fonctionnement de l'Institut et des instituts qui fusionnent.
§ 5. L'Institut est créé et dispose de la personnalité juridique pour accomplir les missions confiées au conseil de transition et à l'assemblée générale visés dans le présent article.
§ 6. Les paragraphes 4 à 5 cessent de produire leurs effets dès l'entrée en vigueur de toutes les dispositions de la présente loi.]1
Änderungen
Art.128. De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Middenstand dragen elk een regeringscommissaris, ambtenaar bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie bij het Instituut voor. De regeringscommissarissen worden door de Koning benoemd voor een periode van drie jaar na de inwerkingtreding van dit artikel .
De regeringscommissarissen hebben het recht om elke vergadering van de overgangsraad van het Instituut bij te wonen, alsook de algemene vergadering van het Instituut. Zij hebben toegang tot alle stukken die nodig zijn voor de uitoefening van hun opdracht. Zij kunnen een vergadering van de Raad van het Instituut of een bijzondere algemene vergadering bijeenroepen.
De regeringscommissarissen beschikken over een termijn van vijftien dagen om gezamenlijk bij de ministers beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de Raad van het Instituut, die strijdig is met het wettelijk, reglementair en normatief kader, die de solvabiliteit van het Instituut in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van het Instituut bedoeld in artikel 65.
Deze termijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissarissen in kennis gesteld worden van het proces-verbaal van de beslissing. Het beroep heeft schorsende werking.
Indien de ministers de nietigverklaring niet hebben uitgesproken binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief.
Jaarlijks maken de regeringscommissarissen een uitvoerig verslag van hun werkzaamheden aan de ministers over.
Het mandaat van de regeringscommissarissen wordt kosteloos uitgeoefend.
De regeringscommissarissen hebben het recht om elke vergadering van de overgangsraad van het Instituut bij te wonen, alsook de algemene vergadering van het Instituut. Zij hebben toegang tot alle stukken die nodig zijn voor de uitoefening van hun opdracht. Zij kunnen een vergadering van de Raad van het Instituut of een bijzondere algemene vergadering bijeenroepen.
De regeringscommissarissen beschikken over een termijn van vijftien dagen om gezamenlijk bij de ministers beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de Raad van het Instituut, die strijdig is met het wettelijk, reglementair en normatief kader, die de solvabiliteit van het Instituut in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van het Instituut bedoeld in artikel 65.
Deze termijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissarissen in kennis gesteld worden van het proces-verbaal van de beslissing. Het beroep heeft schorsende werking.
Indien de ministers de nietigverklaring niet hebben uitgesproken binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief.
Jaarlijks maken de regeringscommissarissen een uitvoerig verslag van hun werkzaamheden aan de ministers over.
Het mandaat van de regeringscommissarissen wordt kosteloos uitgeoefend.
Art.128. Le ministre qui a l'Economie dans ses attributions et le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions proposent chacun un commissaire du gouvernement, fonctionnaire du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie. Les commissaires de gouvernement sont nommés par le Roi pour une période de trois ans à compter de l'entrée en vigueur du présent article.
Les commissaires du gouvernement ont le droit d'assister à toute réunion du Conseil transitoire de l'Institut, ainsi que de l'assemblée générale de l'Institut. Ils ont accès à tous les documents nécessaires à l'exécution de leur mission. Ils peuvent convoquer une réunion du Conseil de l'Institut ou une assemblée générale extraordinaire.
Les commissaires du gouvernement disposent d'un délai de quinze jours pour introduire un recours conjoint auprès des ministres contre l'exécution de toute décision du Conseil de l'Institut qui est contraire au cadre légal, règlementaire et normatif, qui est de nature à compromettre la solvabilité de l'Institut ou qui est contraire au budget approuvé de l'Institut visé à l'article 65.
Ce délai court à partir du jour où les commissaires du gouvernement ont eu connaissance du procès-verbal de la décision. Le recours est suspensif.
Si les ministres n'ont pas prononcé l'annulation dans un délai de quinze jours à partir de la réception du recours, la décision devient définitive.
Chaque année, les commissaires du gouvernement transmettent un compte rendu détaillé de leurs activités aux ministres.
Le mandat des commissaires du gouvernement est exercé à titre gratuit.
Les commissaires du gouvernement ont le droit d'assister à toute réunion du Conseil transitoire de l'Institut, ainsi que de l'assemblée générale de l'Institut. Ils ont accès à tous les documents nécessaires à l'exécution de leur mission. Ils peuvent convoquer une réunion du Conseil de l'Institut ou une assemblée générale extraordinaire.
Les commissaires du gouvernement disposent d'un délai de quinze jours pour introduire un recours conjoint auprès des ministres contre l'exécution de toute décision du Conseil de l'Institut qui est contraire au cadre légal, règlementaire et normatif, qui est de nature à compromettre la solvabilité de l'Institut ou qui est contraire au budget approuvé de l'Institut visé à l'article 65.
Ce délai court à partir du jour où les commissaires du gouvernement ont eu connaissance du procès-verbal de la décision. Le recours est suspensif.
Si les ministres n'ont pas prononcé l'annulation dans un délai de quinze jours à partir de la réception du recours, la décision devient définitive.
Chaque année, les commissaires du gouvernement transmettent un compte rendu détaillé de leurs activités aux ministres.
Le mandat des commissaires du gouvernement est exercé à titre gratuit.
HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen
CHAPITRE 13. - Dispositions finales
Art.129. De volgende wetten worden opgeheven op de datum vastgesteld door de Koning :
1° de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, laatst gewijzigd bij de wet van 18 september 2017;
2° de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten, laatst gewijzigd bij de wet van 10 april 2014.
1° de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, laatst gewijzigd bij de wet van 18 september 2017;
2° de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten, laatst gewijzigd bij de wet van 10 april 2014.
Art.129. Les lois suivantes sont abrogées à la date fixée par le Roi :
1° la loi du 22 avril 1999 relative au professions comptables et fiscales, modifiée en dernier lieu par la loi du 18 septembre 2017;
2° la loi du 22 avril 1999 relative à la discipline professionnelle des experts-comptables et des conseils fiscaux, modifiée en dernier lieu par la loi du 10 avril 2014.
1° la loi du 22 avril 1999 relative au professions comptables et fiscales, modifiée en dernier lieu par la loi du 18 septembre 2017;
2° la loi du 22 avril 1999 relative à la discipline professionnelle des experts-comptables et des conseils fiscaux, modifiée en dernier lieu par la loi du 10 avril 2014.
Art. 130. Deze wet treedt in werking op de datum bepaald door de Koning, met uitzondering van de artikel en 127 tot en met 129 die in werking treden op 1 juni 2019.
Art. 130. La présente loi entre en vigueur à la date fixée par le Roi, à l'exception des articles 127 à 129 qui entrent en vigueur le 1er juin 2019.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée au 30-09-2020 par AR 2020-09-11/10, art. 1)