Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 FEBRUARI 2021. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool en het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het omstandigheidsverlof, het verlof wegens overmacht, het onbezoldigd ouderschapsverlof en het geboorteverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, wat betreft de uitbreiding van het geboorteverlof voor de personeelsleden van het onderwijs
Titre
26 FEVRIER 2021. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool " et l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 relatif au congé de circonstance, au congé pour cas de force majeure, au congé parental non rémunéré et au congé de naissance en cas de décès ou hospitalisation de la mère pour certains membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif au congé pour prestations réduites, justifié par des raisons sociales ou familiales et à l'absence pour prestations réduites pour convenance personnelle en faveur des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, en ce qui concerne l'extension du congé de naissance pour les membres du personnel de l'enseignement
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (13)
Texte (13)
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding met het oog op adoptie en pleegvoogdij
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves
Artikel 1. In artikel 3, negende lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding met het oog op adoptie en pleegvoogdij, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2012, wordt de zinsnede "artikel 2, § 1, 2° " vervangen door de zinsnede "hoofdstuk II/1".
Article 1er. A l'article 3, alinéa 9, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 septembre 2012, le membre de phrase " à l'article 2, § 1, 2° " est remplacé par le membre de phrase " au chapitre II/1 ".
HOOFDSTUK 2. -Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool "
Art. 2. In het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2020, wordt een hoofdstuk II/1, dat bestaat uit artikel 7/1 tot en met 7/3, ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk II/1. Geboorteverlof
Art. 7/1. § 1. Een personeelslid heeft recht op geboorteverlof naar aanleiding van de geboorte van een kind waarvan de afstamming aan de kant van het personeelslid vaststaat.
Bij afwezigheid van een persoon die geboorteverlof opneemt op grond van de afstamming van het kind, heeft het personeelslid dat gehuwd is of samenwoont met de moeder van het kind recht op het geboorteverlof.
Het recht op moederschapsbescherming, vermeld in hoofdstuk II, sluit voor dezelfde ouder het recht op geboorteverlof uit.
Het geboorteverlof wordt in mindering gebracht van het recht op opvangverlof vermeld in hoofdstuk III/2.
§ 2. Het geboorteverlof bedraagt tien werkdagen voor geboortes die plaatsvonden voor 1 januari 2021. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021 bedraagt het geboorteverlof vijftien werkdagen. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023 bedraagt het geboorteverlof twintig werkdagen.
Het geboorteverlof moet genomen worden binnen een periode van vier maanden vanaf de bevalling, waarbij minimaal zeven dagen aaneensluitend moeten worden genomen.
Art. 7/2. Als een personeelslid in verschillende instellingen werkt gedurende de dagen waarop het geboorteverlof neemt, dan geldt dat verlof voor alle instellingen, waarbij het in zijn totaliteit beperkt is tot het aantal werkdagen, vermeld in artikel 7/1.
Personeelsleden die zowel in de privé-sector als in het onderwijs werken, hebben maar één keer recht op het aantal dagen geboorteverlof, vermeld in artikel 7/1.
Art. 7/3. Het geboorteverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Het geboorteverlof wordt voor vastbenoemde personeelsleden bezoldigd gedurende de eerste tien werkdagen. Vanaf de elfde werkdag ontvangt het personeelslid 82% van het brutosalaris. Voor de bepaling van dit salaris wordt het brutosalaris op jaarbasis begrensd op 26.230€ (100%).
Het tijdelijke personeelslid ontvangt voor het geboorteverlof gedurende drie werkdagen zijn salaris. Tijdens de resterende dagen wordt de betaling van het salaris geschorst en ontvangt het personeelslid een uitkering van het ziekenfonds. De hogeschool vult die uitkering aan tot aan het nettosalaris gedurende zeven werkdagen."
"Hoofdstuk II/1. Geboorteverlof
Art. 7/1. § 1. Een personeelslid heeft recht op geboorteverlof naar aanleiding van de geboorte van een kind waarvan de afstamming aan de kant van het personeelslid vaststaat.
Bij afwezigheid van een persoon die geboorteverlof opneemt op grond van de afstamming van het kind, heeft het personeelslid dat gehuwd is of samenwoont met de moeder van het kind recht op het geboorteverlof.
Het recht op moederschapsbescherming, vermeld in hoofdstuk II, sluit voor dezelfde ouder het recht op geboorteverlof uit.
Het geboorteverlof wordt in mindering gebracht van het recht op opvangverlof vermeld in hoofdstuk III/2.
§ 2. Het geboorteverlof bedraagt tien werkdagen voor geboortes die plaatsvonden voor 1 januari 2021. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021 bedraagt het geboorteverlof vijftien werkdagen. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023 bedraagt het geboorteverlof twintig werkdagen.
Het geboorteverlof moet genomen worden binnen een periode van vier maanden vanaf de bevalling, waarbij minimaal zeven dagen aaneensluitend moeten worden genomen.
Art. 7/2. Als een personeelslid in verschillende instellingen werkt gedurende de dagen waarop het geboorteverlof neemt, dan geldt dat verlof voor alle instellingen, waarbij het in zijn totaliteit beperkt is tot het aantal werkdagen, vermeld in artikel 7/1.
Personeelsleden die zowel in de privé-sector als in het onderwijs werken, hebben maar één keer recht op het aantal dagen geboorteverlof, vermeld in artikel 7/1.
Art. 7/3. Het geboorteverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Het geboorteverlof wordt voor vastbenoemde personeelsleden bezoldigd gedurende de eerste tien werkdagen. Vanaf de elfde werkdag ontvangt het personeelslid 82% van het brutosalaris. Voor de bepaling van dit salaris wordt het brutosalaris op jaarbasis begrensd op 26.230€ (100%).
Het tijdelijke personeelslid ontvangt voor het geboorteverlof gedurende drie werkdagen zijn salaris. Tijdens de resterende dagen wordt de betaling van het salaris geschorst en ontvangt het personeelslid een uitkering van het ziekenfonds. De hogeschool vult die uitkering aan tot aan het nettosalaris gedurende zeven werkdagen."
Art. 2. A l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 réglant certains congés pour les membres du personnel des instituts supérieurs en Communauté flamande et de la " Hogere Zeevaartschool ", modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juillet 2020, il est ajouté un chapitre II/1, comprenant les articles 7/1 à 7/3, libellé comme suit :
" Chapitre II/1. Congé de naissance
Art. 7/1. § 1er. Un membre du personnel a droit à un congé de naissance à la suite de la naissance d'un enfant dont la filiation avec le membre du personnel est établie.
En l'absence d'une personne prenant un congé de naissance en vertu de la filiation de l'enfant, le membre du personnel qui est marié ou cohabite avec la mère de l'enfant a droit au congé de naissance.
Le droit à la protection de la maternité visé au chapitre II exclut pour ce même parent le droit au congé de naissance.
Le congé de naissance est déduit du droit au congé d'accueil visé au chapitre III/2.
§ 2. Le congé de naissance est de dix jours ouvrables par naissance ayant eu lieu avant le 1er janvier 2021. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2021, le congé de naissance est de quinze jours ouvrables. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2023, le congé de naissance est de vingt jours ouvrables.
Le congé de naissance doit être pris dans un délai de quatre mois à compter de l'accouchement et comporter un minimum de sept jours de congé consécutifs.
Art. 7/2. Si le membre du personnel travaille dans plusieurs instituts durant les jours où il est en congé de naissance, son congé vaut alors pour tous les instituts et sa durée totale est limitée au nombre de jours ouvrables visé à l'article 7/1.
Les membres du personnel qui travaillent à la fois dans le secteur privé et dans l'enseignement n'ont droit qu'une seule fois au nombre de jours de congé de naissance visé à l'article 7/1.
Art. 7/3. Le congé de naissance est assimilé à une période d'activité de service.
Pour les membres du personnel nommés à titre définitif, le congé de naissance est rémunéré durant les dix premiers jours ouvrables. A partir du onzième jour ouvrable, le membre du personnel perçoit 82 % du traitement brut. Dans le calcul de ce traitement, le traitement brut annuel est plafonné à 26.230 € (100 %).
Pour les membres du personnel temporaires, le congé de naissance est rémunéré durant trois jours. Durant les jours restants, le paiement du traitement est suspendu et le membre du personnel perçoit une allocation de la mutualité. Cette allocation est complétée par l'institut supérieur jusqu'à hauteur du traitement net durant sept jours ouvrables. "
" Chapitre II/1. Congé de naissance
Art. 7/1. § 1er. Un membre du personnel a droit à un congé de naissance à la suite de la naissance d'un enfant dont la filiation avec le membre du personnel est établie.
En l'absence d'une personne prenant un congé de naissance en vertu de la filiation de l'enfant, le membre du personnel qui est marié ou cohabite avec la mère de l'enfant a droit au congé de naissance.
Le droit à la protection de la maternité visé au chapitre II exclut pour ce même parent le droit au congé de naissance.
Le congé de naissance est déduit du droit au congé d'accueil visé au chapitre III/2.
§ 2. Le congé de naissance est de dix jours ouvrables par naissance ayant eu lieu avant le 1er janvier 2021. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2021, le congé de naissance est de quinze jours ouvrables. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2023, le congé de naissance est de vingt jours ouvrables.
Le congé de naissance doit être pris dans un délai de quatre mois à compter de l'accouchement et comporter un minimum de sept jours de congé consécutifs.
Art. 7/2. Si le membre du personnel travaille dans plusieurs instituts durant les jours où il est en congé de naissance, son congé vaut alors pour tous les instituts et sa durée totale est limitée au nombre de jours ouvrables visé à l'article 7/1.
Les membres du personnel qui travaillent à la fois dans le secteur privé et dans l'enseignement n'ont droit qu'une seule fois au nombre de jours de congé de naissance visé à l'article 7/1.
Art. 7/3. Le congé de naissance est assimilé à une période d'activité de service.
Pour les membres du personnel nommés à titre définitif, le congé de naissance est rémunéré durant les dix premiers jours ouvrables. A partir du onzième jour ouvrable, le membre du personnel perçoit 82 % du traitement brut. Dans le calcul de ce traitement, le traitement brut annuel est plafonné à 26.230 € (100 %).
Pour les membres du personnel temporaires, le congé de naissance est rémunéré durant trois jours. Durant les jours restants, le paiement du traitement est suspendu et le membre du personnel perçoit une allocation de la mutualité. Cette allocation est complétée par l'institut supérieur jusqu'à hauteur du traitement net durant sept jours ouvrables. "
Art. 3. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, 17 oktober 2014 en 9 november 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt punt 2° opgeheven;
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Het omstandigheidsverlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Het omstandigheidsverlof wordt bezoldigd.";
3° in paragraaf 3 wordt het tweede lid opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt punt 2° opgeheven;
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Het omstandigheidsverlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Het omstandigheidsverlof wordt bezoldigd.";
3° in paragraaf 3 wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 3. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 9 septembre 2011, 17 octobre 2014 et 9 novembre 2018, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, le point 2° est abrogé ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le congé de circonstance est assimilé à une période d'activité de service. Le congé de circonstance est rémunéré. " ;
3° au paragraphe 3, le deuxième alinéa est abrogé ;
1° au paragraphe 1er, le point 2° est abrogé ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le congé de circonstance est assimilé à une période d'activité de service. Le congé de circonstance est rémunéré. " ;
3° au paragraphe 3, le deuxième alinéa est abrogé ;
Art. 4. In artikel 8/3, negende lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 8, § 1, 2° " vervangen door de zinsnede "vermeld in hoofdstuk II/1".
Art. 4. A l'article 8/3, alinéa 9, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011, le membre de phrase " visé à l'article 8, § 1er, 2° " est remplacé par le membre de phrase " visé au chapitre II/1 ".
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk VII, bestaande uit de artikelen 21 en 22, opgeheven.
Art. 5. Dans le même arrêté, le chapitre VII, comprenant les articles 21 à 22, est abrogé.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het omstandigheidsverlof, het verlof wegens overmacht, het onbezoldigd ouderschapsverlof en het geboorteverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 relatif au congé de circonstance, au congé pour cas de force majeure, au congé parental non rémunéré et au congé de naissance en cas de décès ou hospitalisation de la mère pour certains membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites justifiés par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations réduites justifiées par des raisons personnelles, accordés aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves
Art. 6. In artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het omstandigheidsverlof, het verlof wegens overmacht, het onbezoldigd ouderschapsverlof en het geboorteverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2019, wordt punt 2° opgeheven.
Art. 6. A l'article 2, § 1, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 relatif au congé de circonstance, au congé pour cas de force majeure, au congé parental non rémunéré et au congé de naissance en cas de décès ou hospitalisation de la mère pour certains membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés pour prestations réduites justifiés par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations réduites justifiées par des raisons personnelles, accordés aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2019, le point 2° est abrogé.
Art. 7. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2019, wordt een hoofdstuk II/1, dat bestaat uit artikel 4/1 tot en met 4/3, ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk II/1. Omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling
Art. 4/1. § 1. Een personeelslid heeft recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling bij de geboorte van een kind waarvan de afstamming aan de kant van het personeelslid vaststaat.
Bij afwezigheid van een persoon die omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling opneemt op grond van de afstamming van het kind, heeft het personeelslid dat gehuwd is of samenwoont met de moeder van het kind recht op het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling.
Het recht op bevallingsverlof, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2012 betreffende het bevallingsverlof voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs, sluit voor dezelfde ouder het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling uit.
Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling wordt in mindering gebracht van het recht op opvangverlof vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding met het oog op adoptie en pleegvoogdij.
§ 2. Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling bedraagt tien werkdagen voor geboortes die plaatsvonden voor 1 januari 2021. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021 bedraagt het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling vijftien werkdagen. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023 bedraagt het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling twintig werkdagen.
Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling moet genomen worden binnen een periode van vier maanden vanaf de bevalling, waarbij minimaal vijf dagen aaneensluitend moeten worden genomen. Als de inrichtende macht akkoord gaat, mogen de voormelde vijf dagen ook niet aaneensluitend genomen worden.
Art. 4/2. Als een personeelslid in verschillende instellingen of centra werkt gedurende de dagen waarop het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling neemt, dan geldt dat verlof voor alle instellingen of centra, waarbij het in zijn totaliteit beperkt is tot het aantal werkdagen, vermeld in artikel 4/1.
Personeelsleden die zowel in de privé-sector als in het onderwijs werken, hebben maar één keer recht op het aantal dagen omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling, vermeld in artikel 4/1.
Art. 4/3. Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Tijdens de eerste tien werkdagen van het verlof heeft het personeelslid recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage. Vanaf de elfde werkdag ontvangt het personeelslid 82% van het brutosalaris. Voor de bepaling van dit salaris wordt het brutosalaris op jaarbasis begrensd op 26.230€ (100%)."
"Hoofdstuk II/1. Omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling
Art. 4/1. § 1. Een personeelslid heeft recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling bij de geboorte van een kind waarvan de afstamming aan de kant van het personeelslid vaststaat.
Bij afwezigheid van een persoon die omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling opneemt op grond van de afstamming van het kind, heeft het personeelslid dat gehuwd is of samenwoont met de moeder van het kind recht op het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling.
Het recht op bevallingsverlof, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2012 betreffende het bevallingsverlof voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs, sluit voor dezelfde ouder het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling uit.
Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling wordt in mindering gebracht van het recht op opvangverlof vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding met het oog op adoptie en pleegvoogdij.
§ 2. Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling bedraagt tien werkdagen voor geboortes die plaatsvonden voor 1 januari 2021. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021 bedraagt het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling vijftien werkdagen. Voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023 bedraagt het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling twintig werkdagen.
Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling moet genomen worden binnen een periode van vier maanden vanaf de bevalling, waarbij minimaal vijf dagen aaneensluitend moeten worden genomen. Als de inrichtende macht akkoord gaat, mogen de voormelde vijf dagen ook niet aaneensluitend genomen worden.
Art. 4/2. Als een personeelslid in verschillende instellingen of centra werkt gedurende de dagen waarop het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling neemt, dan geldt dat verlof voor alle instellingen of centra, waarbij het in zijn totaliteit beperkt is tot het aantal werkdagen, vermeld in artikel 4/1.
Personeelsleden die zowel in de privé-sector als in het onderwijs werken, hebben maar één keer recht op het aantal dagen omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling, vermeld in artikel 4/1.
Art. 4/3. Het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Tijdens de eerste tien werkdagen van het verlof heeft het personeelslid recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage. Vanaf de elfde werkdag ontvangt het personeelslid 82% van het brutosalaris. Voor de bepaling van dit salaris wordt het brutosalaris op jaarbasis begrensd op 26.230€ (100%)."
Art. 7. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2019, il est inséré un chapitre II/1, comprenant les articles 4/1 à 4/3, libellé comme suit :
" Chapitre II/1. Congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement
Art. 4/1. § 1er. Un membre du personnel a droit à un congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement à la naissance d'un enfant dont la filiation avec le membre du personnel est établie.
En l'absence d'une personne prenant un congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement en vertu de la filiation de l'enfant, le membre du personnel qui est marié ou cohabite avec la mère de l'enfant a droit au congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement.
Le droit au congé de maternité visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 2012 relatif au congé de maternité de certains membres du personnel de l'enseignement exclut pour ce même parent le droit au congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement.
Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est déduit du droit au congé d'accueil visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves.
§ 2. Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de dix jours ouvrables pour les naissances ayant eu lieu avant le 1er janvier 2021. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2021, le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de quinze jours ouvrables. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2023, le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de vingt jours ouvrables.
Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement doit être pris dans un délai de quatre mois à compter de l'accouchement et comporter un minimum de cinq jours de congé consécutifs. Moyennant l'accord du pouvoir organisateur, les cinq jours de congé susmentionnés peuvent ne pas être consécutifs.
Art. 4/2. Si le membre du personnel travaille dans plusieurs instituts ou centres durant les jours où il est en congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement, son congé vaut alors pour tous les instituts ou centres et sa durée totale est limitée au nombre de jours ouvrables visé à l'article 4/1.
Les membres du personnel qui travaillent à la fois dans le secteur privé et dans l'enseignement n'ont droit qu'une seule fois au nombre de jours de congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement visé à l'article 4/1.
Art. 4/3. Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est assimilé à une période d'activité de service. Durant les dix premiers jours ouvrables du congé, le membre du personnel a droit au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement. A partir du onzième jour, le membre du personnel perçoit 82 % du traitement brut. Dans le calcul de ce traitement, le traitement brut annuel est plafonné à 26.230 € (100 %). "
" Chapitre II/1. Congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement
Art. 4/1. § 1er. Un membre du personnel a droit à un congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement à la naissance d'un enfant dont la filiation avec le membre du personnel est établie.
En l'absence d'une personne prenant un congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement en vertu de la filiation de l'enfant, le membre du personnel qui est marié ou cohabite avec la mère de l'enfant a droit au congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement.
Le droit au congé de maternité visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 2012 relatif au congé de maternité de certains membres du personnel de l'enseignement exclut pour ce même parent le droit au congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement.
Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est déduit du droit au congé d'accueil visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congé d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves.
§ 2. Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de dix jours ouvrables pour les naissances ayant eu lieu avant le 1er janvier 2021. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2021, le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de quinze jours ouvrables. Pour les naissances à partir du 1er janvier 2023, le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est de vingt jours ouvrables.
Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement doit être pris dans un délai de quatre mois à compter de l'accouchement et comporter un minimum de cinq jours de congé consécutifs. Moyennant l'accord du pouvoir organisateur, les cinq jours de congé susmentionnés peuvent ne pas être consécutifs.
Art. 4/2. Si le membre du personnel travaille dans plusieurs instituts ou centres durant les jours où il est en congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement, son congé vaut alors pour tous les instituts ou centres et sa durée totale est limitée au nombre de jours ouvrables visé à l'article 4/1.
Les membres du personnel qui travaillent à la fois dans le secteur privé et dans l'enseignement n'ont droit qu'une seule fois au nombre de jours de congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement visé à l'article 4/1.
Art. 4/3. Le congé de circonstance à l'occasion de l'accouchement est assimilé à une période d'activité de service. Durant les dix premiers jours ouvrables du congé, le membre du personnel a droit au traitement ou à la subvention-traitement et à l'augmentation du traitement ou de la subvention-traitement. A partir du onzième jour, le membre du personnel perçoit 82 % du traitement brut. Dans le calcul de ce traitement, le traitement brut annuel est plafonné à 26.230 € (100 %). "
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 8. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2021.
Art. 8. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2021.
Art. 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 9. Le ministre flamand qui a l'enseignement et la formation dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.