Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
12 DECEMBER 2021. - Koninklijk besluit tot harmonisatie van verschillende koninklijke besluiten over de bemiddeling in de financiële en verzekeringssector
Titre
12 DECEMBRE 2021. - Arrêté royal visant à l'harmonisation de différents arrêtés royaux relatifs à l'intermédiation dans le secteur financier et des assurances
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (40)
Texte (40)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten
CHAPITRE Ier.. - Modifications de l'arrêté royal du 1er juillet 2006 portant exécution de la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement et à la distribution d'instruments financiers
Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot uitvoering van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 2° worden, in de Franse versie, de woorden "intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement" vervangen door de woorden "intermédiaire en services bancaires et d'investissement";
  2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 3° en 4°, luidende:
  "3° "personen in contact met het publiek": de in artikel 13 van de wet bedoelde natuurlijke personen;
  4° "identificatiegegevens":
  a) voor natuurlijke personen die in het Belgische rijksregister zijn ingeschreven: naam, voornamen, adres van de woonplaats, rijksregisternummer;
  b) voor natuurlijke personen die niet in het Belgische rijksregister zijn ingeschreven: naam, voornaam, geboorteplaats en -datum, adres van de woonplaats;
  c) voor rechtspersonen: het ondernemingsnummer (voor de ondernemingen naar Belgisch recht), de rechtsvorm, de maatschappelijke benaming, het nationaal recht van de rechtspersoon, het adres van de statutaire zetel of, indien deze rechtspersoon volgens zijn nationaal recht geen statutaire zetel heeft, het adres waar zijn hoofdkantoor is gevestigd.".
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté royal du 1er juillet 2006 portant exécution de la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement et à la distribution d'instruments financiers, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le 2°, dans la version française, les mots " intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement " sont remplacés par les mots " intermédiaire en services bancaires et d'investissement " ;
  2° l'article est complété par les 3° et 4°, rédigés comme suit :
  " 3° " personnes en contact avec le public " : les personnes physiques visées à l'article 13 de la loi ;
  4° " les données d'identification " :
  a) pour les personnes physiques inscrites au registre national belge : le nom, les prénoms, l'adresse du domicile, le numéro de registre national ;
  b) pour les personnes physiques non inscrites au registre national belge : le nom, le prénom, le lieu et la date de naissance, l'adresse du domicile ;
  c) pour les personnes morales : le numéro d'entreprise (pour les entreprises de droit belge), la forme juridique, la dénomination sociale, le droit national dont la personne morale relève, l'adresse du siège statutaire ou, si cette personne morale n'a pas de siège statutaire selon le droit national dont elle relève, l'adresse à laquelle son siège principal est établi. ".
Art.2. Artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 2. Elke aanvraag om inschrijving in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten als bedoeld in artikel 7, § 1, van de wet moet aan de FSMA worden gericht, samen met een dossier, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 3 en 4. De inschrijvingsaanvraag en het inschrijvingsdossier worden langs elektronische weg bij de FSMA ingediend, volgens de door haar bepaalde en op haar website bekendgemaakte modaliteiten.
  In zijn aanvraag specificeert de kandidaat in welke categorie van het register hij wil worden ingeschreven.
  De aanvraag wordt ingediend door de natuurlijke persoon die om de inschrijving vraagt, of door de persoon die daartoe door hem gemachtigd is en daarbij onder zijn verantwoordelijkheid handelt, of, wanneer de aanvrager een rechtspersoon is, door het wettelijk bestuursorgaan of door een of meer personen die daartoe zijn gemachtigd en daarbij onder de verantwoordelijkheid van het wettelijk bestuursorgaan handelen.
  Elke wijziging van de aanvraag tot inschrijving of van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde gegevens of documenten, of elke verdere actualisering van deze gegevens of documenten moet aan de FSMA worden meegedeeld in de vorm en volgens de modaliteiten als bedoeld in het eerste lid.".
Art.2. L'article 2 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 mars 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 2. Toute demande d'inscription au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement, telle que visée à l'article 7, § 1er, de la loi, doit être adressée à la FSMA, accompagnée d'un dossier conformément aux dispositions prévues aux articles 3 et 4. La demande et le dossier d'inscription sont transmis à la FSMA par voie électronique, selon les modalités que celle-ci détermine et rend publiques sur son site web.
  Dans sa demande, le candidat précise dans quelle catégorie du registre il souhaite être inscrit.
  La demande est introduite par la personne physique qui sollicite l'inscription ou par la personne qu'elle a mandatée à cet effet et qui agit sous sa responsabilité, ou, lorsque le demandeur est une personne morale, par l'organe légal d'administration ou par une ou plusieurs personnes qui ont été mandatées à cet effet et qui agissent sous la responsabilité de l'organe légal d'administration.
  Toute modification de la demande d'inscription ou des données ou documents visés aux articles 3 et 4, ou mise à jour ultérieure de ces données ou documents, doit être communiquée à la FSMA dans la forme et selon les modalités visées à l'alinéa 1er. ".
Art.3. Artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen als volgt:
  "Art. 3. § 1. Zonder afbreuk te doen aan het recht van de FSMA om de bijkomende inlichtingen te vragen die zij nodig acht voor de beoordeling van het dossier, moet de kandidaat-tussenpersoon die een natuurlijke persoon is, om een rechtsgeldige aanvraag in te dienen, bij zijn aanvraag tot inschrijving in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten de volgende gegevens verstrekken en documenten voegen:
  1° zijn identificatiegegevens en zijn ondernemingsnummer;
  2° een voor gereglementeerde activiteiten bestemd uittreksel uit het strafregister dat niet ouder is dan drie maanden;
  3° een toelichting die, volgens de door de FSMA bepaalde modaliteiten, aantoont dat hij over de passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid beschikt als bedoeld in artikel 8, eerste lid, 3°, van de wet;
  4° het bewijs dat hij de vereiste beroepskennis bezit als bepaald in hoofdstuk III;
  5° een attest afgeleverd door de verzekeringsonderneming bij wie de beroepsaansprakelijkheidsverzekering is gesloten overeenkomstig artikel 8, eerste lid, 5°, van de wet, en waaruit blijkt dat die verzekering voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk V;
  Voor de agenten die, met toepassing van artikel 8, eerste lid, 5°, van de wet, zijn vrijgesteld van de verplichting om een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te sluiten, een attest afgeleverd door de gereglementeerde onderneming waarvoor zij optreden, waarbij deze verklaart de aansprakelijkheidsverplichtingen van de tussenpersoon onvoorwaardelijk en onherroepelijk op zich te nemen;
  6° het bewijs van toetreding tot Ombudsfin als bedoeld in artikel 8, eerste lid, 8°, van de wet;
  7° het in artikel 8, eerste lid, 12°, van de wet bedoelde professioneel e-mailadres;
  8° voor de tussenpersoon die in de categorie "agent in bank- en beleggingsdiensten" ingeschreven wil worden, de identificatiegegevens van de gereglementeerde onderneming in wiens naam en voor wiens rekening de tussenpersoon voornemens is te handelen;
  9° de andere beroepswerkzaamheden die de kandidaat-tussenpersoon uitoefent;
  10° het aantal personen in contact met het publiek dat de tussenpersoon voor de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten tewerkstelt;
  11° indien de aanvraag wordt ingediend door een persoon die daartoe een bijzondere machtiging heeft gekregen als bedoeld in artikel 2, derde lid, het bewijs van deze machtiging.
  § 2. Naast de in paragraaf 1 bedoelde gegevens en documenten moet de kandidaat-tussenpersoon die in de categorie "makelaar in bank- en beleggingsdiensten" ingeschreven wil worden, bij zijn aanvraag de volgende gegevens verstrekken en documenten voegen:
  1° een attest afgeleverd door de instelling die een waarborg of borgstelling heeft verleend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV, en waaruit blijkt dat de waarborg- of borgstellingverbintenis voldoet aan de voorwaarden van artikel 9;
  2° de identificatiegegevens van de gereglementeerde ondernemingen waarmee de tussenpersoon een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten;
  3° een verklaring op erewoord als bedoeld in artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet;
  4° de identificatiegegevens van de verantwoordelijke persoon of personen als bedoeld in artikel 9, § 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
  5° volgens de door de FSMA bepaalde modaliteiten, de documenten en gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat hij zich zal conformeren aan de bepalingen van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, die in artikel 11, § 1/1, van de wet worden opgesomd.".
Art.3. L'article 3 du même arrêté royal est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 3. § 1er. Sans préjudice du droit de la FSMA de demander les informations complémentaires qu'elle juge nécessaires pour apprécier le dossier, le candidat intermédiaire, s'il s'agit d'une personne physique doit, pour introduire valablement sa demande d'inscription au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement, fournir dans cette demande les données suivantes et y joindre les documents suivants :
  1° ses données d'identification et son numéro d'entreprise ;
  2° un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois ;
  3° une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, son expertise adéquate et son honorabilité professionnelle, telles que visées à l'article 8, alinéa 1er, 3°, de la loi ;
  4° la preuve qu'il possède les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans le chapitre III ;
  5° une attestation délivrée par l'entreprise d'assurance auprès de laquelle l'assurance de la responsabilité professionnelle a été souscrite conformément à l'article 8, alinéa 1er, 5°, de la loi, et dont il ressort que cette assurance satisfait aux conditions fixées au chapitre V ;
  Pour les agents qui sont dispensés, en application de l'article 8, alinéa 1er, 5°, de la loi, de l'obligation de souscrire une assurance de la responsabilité professionnelle, une attestation délivrée par l'entreprise réglementée pour laquelle ils agissent, et dans laquelle cette entreprise déclare assumer de manière inconditionnelle et irrévocable les obligations de l'intermédiaire en matière de responsabilité;
  6° la confirmation de l'adhésion à l'Ombudsfin, telle que visée à l'article 8, alinéa 1er, 8°, de la loi ;
  7° l'adresse de courrier électronique professionnelle visée à l'article 8, alinéa 1er, 12°, de la loi ;
  8° pour l'intermédiaire qui souhaite être inscrit dans la catégorie " agent en services bancaires et en services d'investissement ", les données d'identification de l'entreprise réglementée au nom et pour le compte de laquelle l'intermédiaire a l'intention d'agir ;
  9° les autres activités professionnelles exercées par le candidat intermédiaire ;
  10° le nombre de personnes en contact avec le public employées par l'intermédiaire pour l'activité d'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement ;
  11° si la demande est introduite par une personne qui a reçu un mandat spécifique à cet effet, tel que visé à l'article 2, alinéa 3, la preuve de ce mandat.
  § 2. Outre les données et documents visés au paragraphe 1er, le candidat intermédiaire qui souhaite être inscrit dans la catégorie "courtiers en services bancaires et en services d'investissement ", doit également fournir dans sa demande les données suivantes et y joindre les documents suivants :
  1° une attestation délivrée par l'établissement ayant accordé une garantie ou un cautionnement conformément aux dispositions du chapitre IV, et dont il ressort que l'engagement de garantie ou de cautionnement satisfait aux conditions énoncées à l'article 9;
  2° les données d'identification des entreprises réglementées avec lesquelles l'intermédiaire a conclu une convention de collaboration ;
  3° une déclaration sur l'honneur, telle que visée à l'article 11, § 1er, alinéa 1er, de la loi ;
  4° les données d'identification de la ou des personnes responsables visées à l'article 9, § 2, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
  5° selon les modalités déterminées par la FSMA, les documents et données nécessaires pour prouver qu'il se conformera aux dispositions de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, énumérées à l'article 11, § 1/1, de la loi. ".
Art.4. Artikel 4 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 4. Zonder afbreuk te doen aan het recht van de FSMA om de bijkomende inlichtingen te vragen die zij nodig acht voor de beoordeling van het dossier, moet de kandidaat-tussenpersoon die een rechtspersoon is, om een rechtsgeldige aanvraag in te dienen, bij zijn aanvraag tot inschrijving in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, naast de in artikel 3, § 1, 5° tot 10°, en § 2, bedoelde gegevens en documenten, ook volgende gegevens verstrekken en documenten voegen:
  1° zijn identificatiegegevens;
  2° de identificatiegegevens van de personen die met de effectieve leiding zijn belast, als bedoeld in artikel 9, 1°, van de wet;
  De aanduiding welke van de personen die met de effectieve leiding zijn belast, de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten als bedoeld in artikel 9, 3°, van de wet;
  3° voor elk van de personen die met de effectieve leiding zijn belast, als bedoeld in artikel 9, 1°, van de wet, een voor gereglementeerde activiteiten bestemd uittreksel uit het strafregister dat niet ouder is dan drie maanden;
  4° voor elk van de in de bepaling onder 3° bedoelde personen, een toelichting die, volgens de door de FSMA bepaalde modaliteiten, aantoont dat hij over de voor de uitoefening van zijn functie passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid beschikt, als bedoeld in artikel 9, 1°, van de wet;
  5° voor elk van de in de bepaling onder 2° bedoelde personen die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten, het bewijs dat hij de vereiste beroepskennis bezit als bepaald in hoofdstuk III;
  6° de identificatiegegevens van de personen die over de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten controle uitoefenen als bedoeld in artikel 9, 2°, van de wet;
  7° voor elk van de in de bepaling onder 6° bedoelde personen, een toelichting die, volgens de door de FSMA bepaalde modaliteiten, aantoont dat hij geschikt is gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid als bedoeld in artikel 9, 2°, van de wet;
  8° voor de tussenpersoon die in de categorie "makelaar in bank- en beleggingsdiensten" ingeschreven wil worden, de identificatiegegevens van de persoon die op het hoogste niveau verantwoordelijk is om te waken over de toepassing en de naleving van de bepalingen van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten overeenkomstig artikel 9, § 1, van die wet.".
Art.4. L'article 4 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 mars 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4. Sans préjudice du droit de la FSMA de demander les informations complémentaires qu'elle juge nécessaires pour apprécier le dossier, le candidat intermédiaire, s'il s'agit d'une personne morale doit, pour introduire valablement sa demande d'inscription au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement, en sus des données et documents visés à l'article 3, § 1er, 5° à 10°, et § 2, fournir dans cette demande les données suivantes et y joindre les documents suivants :
  1° ses données d'identification ;
  2° les données d'identification des personnes chargées de la direction effective, telles que visées à l'article 9, 1°, de la loi ;
  L'indication de celles des personnes chargées de la direction effective, qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement, telles que visées à l'article 9, 3°, de la loi ;
  3° pour chacune des personnes chargées de la direction effective, telles que visées à l'article 9, 1°, de la loi, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois ;
  4° pour chacune des personnes visées au 3°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, qu'elle dispose de l'expertise adéquate et de l'honorabilité professionnelle nécessaire à l'exercice de leur fonction, telles que visées à l'article 9, 1°, de la loi ;
  5° pour chacune des personnes visées au 2°, qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement, la preuve qu'elle possède les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans le chapitre III ;
  6° les données d'identification des personnes exerçant un contrôle sur l'intermédiaire en services bancaires et d'investissement, tel que visé à l'article 9, 2°, de la loi ;
  7° pour chacune des personnes visées au 6°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, qu'elle présente les qualités nécessaires à une gestion saine et prudente visées à l'article 9, 2°, de la loi ;
  8° pour l'intermédiaire qui souhaite être inscrit dans la catégorie " courtiers en services bancaires et en services d'investissement ", les données d'identification de la personne responsable, au plus haut niveau qui veille à la mise en oeuvre et au respect des dispositions de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, conformément à son article 9, § 1er. ".
Art.5. Artikel 5 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt opgeheven.
Art.5. L'article 5 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 mars 2011, est abrogé.
Art.6. In artikel 6 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragaaf 1 wordt opgeheven;
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "of de centrale instelling in het geval bedoeld in artikel 5," opgeheven;
  3° paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.
Art.6. A l'article 6 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est abrogé ;
  2° dans le paragraphe 2, les mots " ou l'organisme central dans le cas visé à l'article 5, " sont abrogés ;
  3° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
Art.7. In artikel 7 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juli 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid worden de bepalingen onder 1° en 2° vervangen als volgt:
  "1° het houden van een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap toegekend getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs, of van een buitenlands diploma of getuigschrift dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd;
  2° het bezitten van een voldoende theoretische kennis van de volgende materies:
  a) de toepasselijke wetgeving betreffende de bank- en beleggingsdiensten en de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten, met inbegrip van de wetgevingen inzake gedragsregels en gegevensbescherming, de antiwitwaswetgeving en de regelgeving inzake marktmisbruik;
  b) de financiële begrippen, waaronder een theoretische basiskennis van de voornaamste financiële producten;
  c) de technieken inzake bank- en beleggingsdiensten;
  d) de principes voor de toepassing van de gedragsregels.";
  b) in het eerste lid wordt een bepaling onder 3° ingevoegd, luidende:
  "3° een praktische ervaring inzake bank- en beleggingsdiensten, waarvan de duur wordt bepaald overeenkomstig § 2, en die volledig is opgedaan in de loop van de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag bij de FSMA.";
  c) het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "De FSMA kan verduidelijken welke materies moeten worden beheerst in het kader van de theoretische kennis als bedoeld in het eerste lid, 2°. Verder kan zij de structuur en de inhoud van de in het eerste lid, 3°, bedoelde praktische ervaring bepalen, alsook de handelingen die, onder de supervisie en de verantwoordelijkheid van een ingeschreven tussenpersoon of van een gereglementeerde onderneming, kunnen worden verricht tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. De duur van de praktische ervaring wordt op voltijdbasis berekend. De FSMA kan echter specifieke modaliteiten bepalen voor de berekening van de duur van de praktische ervaring wanneer die wordt opgedaan door een kandidaat voor verschillende statuten van tussenpersoon of voor een functie bij een tussenpersoon of een gereglementeerde onderneming die zijn/haar activiteiten cumuleert met activiteiten van kredietbemiddeling, van kredietgever en/of van verzekerings- of herverzekeringsdistributie, en/of wanneer die wordt opgedaan bij een tussenpersoon of een gereglementeerde onderneming die verschillende van voornoemde activiteiten cumuleert in de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. Die specifieke modaliteiten zullen onder meer rekening houden met de pertinentie van de opgedane praktische ervaring."
  2° in paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de inleidende zin van het eerste lid worden de woorden "de vereiste beroepskennis" vervangen door de woorden "de voldoende theoretische kennis en de praktische ervaring";
  b) in het eerste lid, 1°, worden de woorden "van de Vlaamse of de Franse Gemeenschap" vervangen door de woorden "van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap";
  c) in het eerste lid wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
  "2° de kandidaten die houder zijn van een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend diploma van academisch bachelor, van een door een instelling van hoger onderwijs toegekend diploma van professioneel bachelor, of van een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het schooljaar 2004-2005, dat een lessenprogramma omvat van minstens 11 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in § 1, 2°, of een equivalent percentage van studiebelasting, en die een praktische ervaring van een jaar inzake bank- en beleggingsdiensten kunnen bewijzen;";
  d) in het eerste lid, 3°, worden de woorden "dat door de FSMA is erkend en" ingevoegd tussen de woorden "die zijn geslaagd voor een examen" en de woorden "dat wordt georganiseerd door of krachtens een decreet", en worden de woorden "dat bedoeld is om te controleren of de betrokkenen over voornoemde kennis beschikken" vervangen door de woorden "dat betrekking heeft op de in paragraaf 1, 2°, bedoelde materies";
  e) in het tweede lid wordt de bepaling onder 1° aangevuld met de woorden "alsook voor hun effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling";
  f) in het tweede lid wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
  "2° voor de houders van een in het eerste lid, 1°, bedoeld diploma, of van een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd, en waarvan het lessenprogramma minstens 5 studiepunten theoretische kennis omvat als bedoeld in paragraaf 1, 2°, of een equivalent percentage van studiebelasting.";
  g) in het vierde lid worden de zinnen "Het in voornoemde bepaling vermelde examen dient door de FSMA te worden erkend. De FSMA ziet erop toe dat het betrokken examen voldoet aan de in dit artikel gestelde vereisten en kan de erkenning intrekken als niet aan die vereisten wordt voldaan." opgeheven;
  h) het vijfde lid wordt vervangen als volgt:
  "De FSMA gaat na of met de examens naar de kennis van de in paragraaf 1, 2°, bedoelde materies wordt gepeild.";
  i) paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "De FSMA kan, bij reglement, de regels preciseren waaraan dit examen moet voldoen.
  De FSMA kan de erkenning van een examen intrekken als dat examen niet langer betrekking heeft op de in paragraaf 1, 2°, bedoelde materies, of niet aan de in het vorige lid bedoelde regels voldoet.";
  3° het artikel wordt aangevuld met paragrafen 3 en 4, luidende:
  " § 3. In afwijking van paragrafen 1 en 2 moeten de personen die al in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten ingeschreven zijn geweest, maar daar vervolgens uit weggelaten zijn geweest, wanneer zij binnen vijf jaar na hun weglating uit het register verzoeken om opnieuw in dat register te worden ingeschreven en ongeacht de categorie van het register waarop dat nieuwe verzoek betrekking heeft, niet bewijzen dat zij voldoen aan de vereisten inzake beroepskennis waaraan zij bij hun vorige inschrijving al geacht werden te voldoen.
  Bovendien moeten voornoemde personen, wanneer zij verzoeken om opnieuw in het register te worden ingeschreven en ongeacht de termijn die sinds hun weglating uit dat register is verstreken, de in paragraaf 1, 1°, en in paragraaf 2 bedoelde getuigschriften, die zij bij hun vorige inschrijving al aan de FSMA hebben bezorgd, niet opnieuw voorleggen.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de personen in contact met het publiek die kunnen aantonen dat zij onder dezelfde voorwaarden actief zijn geweest, alsook op de effectieve leiders van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling.
  De in deze paragraaf bepaalde afwijkingen zijn niet van toepassing als de weglating uit het register voortvloeit uit een schrappingsmaatregel die op grond van een inbreuk op de vereisten inzake beroepskennis is genomen.
  § 4. De volgende personen, die over de vereiste beroepskennis beschikken op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2021 tot harmonisatie van verschillende koninklijke besluiten over de bemiddeling in de financiële en verzekeringssector, worden geacht om, voor de uitoefening van hun werkzaamheid en/of functie, de vereiste beroepskennis te bezitten als bedoeld in Hoofdstuk III van dit besluit, als gewijzigd bij voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021:
  - de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten zijn ingeschreven,
  - de effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, en,
  - de personen in contact met het publiek die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, rechtstreeks deelnemen aan de werkzaamheid van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten die in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten is ingeschreven, of bij een gereglementeerde onderneming zijn tewerkgesteld.".
Art.7. A l'article 7 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 21 juillet 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, les 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
  " 1° la détention d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur donnant accès à l'enseignement supérieur, délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou d'un diplôme ou certificat étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent ;
  2° une connaissance théorique suffisante des matières suivantes :
  a) la législation applicable aux services bancaires et aux services d'investissement et à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement, en ce compris les législations en matière de règles de conduite et de protection des données, la législation anti-blanchiment et la réglementation en matière d'abus de marché ;
  b) les notions en matière financière, en ce compris une connaissance théorique de base des principaux produits financiers;
  c) les techniques relatives aux services bancaires et aux services d'investissement;
  d) les principes relatifs à l'application des règles de conduite. " ;
  b) dans l'alinéa 1er, il est inséré un 3°, rédigé comme suit :
  " 3° une expérience pratique dans le domaine des services bancaires et des services d'investissement, dont la durée est fixée conformément au § 2, et obtenue dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA. " ;
  c) l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " La FSMA peut préciser les matières à maîtriser dans le cadre des connaissances théoriques, visées à l'alinéa 1er, 2°. La FSMA peut également préciser la structure et le contenu de l'expérience pratique visée à l'alinéa 1er, 3°, ainsi que les actes pouvant être accomplis, sous la supervision et la responsabilité d'un intermédiaire inscrit ou d'une entreprise réglementée, au cours de la période d'acquisition de l'expérience pratique. La durée de l'expérience pratique est calculée sur une base d'équivalent temps plein. La FSMA peut toutefois préciser des modalités spécifiques de calcul de la durée de l'expérience pratique lorsque celle-ci est acquise par un candidat à plusieurs statuts d'intermédiaire ou à une fonction auprès d'un intermédiaire ou d'une entreprise réglementée cumulant ses activités avec des activités d'intermédiation en crédit, de prêteur, et/ou de distribution d'assurances ou de réassurances, et/ou lorsque cette expérience pratique est acquise auprès d'un intermédiaire ou d'une entreprise réglementée, cumulant plusieurs des activités précitées durant la période d'acquisition de l'expérience pratique. Ces modalités spécifiques tiendront notamment compte de la pertinence de l'expérience pratique acquise. "
  2° dans le paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la phrase introductive de l'alinéa 1er, les mots " les connaissances professionnelles requises " sont remplacés par les mots " la connaissance théorique suffisante et l'expérience pratique "
  b) dans l'alinéa 1er, 1°, les mots " de la Communauté française ou de la Communauté flamande " sont remplacés par les mots " de la Communauté française, de la Communauté flamande, ou de la Communauté germanophone " ;
  c) dans l'alinéa 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° les candidats qui sont titulaires d'un diplôme de bachelier académique délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, d'un diplôme de bachelier professionnel délivré par un établissement d'enseignement supérieur, ou d'un diplôme équivalent délivré avant l'année scolaire 2004-2005, dont le programme de cours comptait au moins 11 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au § 1er, 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études, et qui justifient d'une expérience pratique d'un an dans le domaine des services bancaires et des services d'investissement; " ;
  d) dans l'alinéa 1er, 3°, les mots " agréé par la FSMA et " sont insérés entre les mots " qui ont réussi un examen " et les mots " organisé par ou en vertu d'un décret ", et les mots " destiné à vérifier la possession desdites connaissances " sont remplacés par les mots " couvrant les matières visées au paragraphe 1er, 2° " ;
  e) dans l'alinéa 2, le 1° est complété par les mots " ainsi que leurs dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation " ;
  f) dans l'alinéa 2, le 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° pour les titulaires d'un diplôme visé à l'alinéa 1er, 1°, ou d'un diplôme étranger reconnu comme équivalent en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, et dont le programme des cours compte au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au paragraphe 1er, 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études. " ;
  g) dans l'alinéa 4, les phrases " L'examen visé à la disposition précitée doit être agréé par la FSMA. La FSMA veille à ce que l'examen concerné réponde aux exigences requises en vertu du présent article et peut retirer son agrément s'il n'est pas satisfait à ces exigences. " sont abrogées ;
  h) l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
  " La FSMA vérifie si les examens couvrent les matières visées au paragraphe 1er, 2°. " ;
  i) le paragraphe 2 est complété par deux alinéas, rédigés comme suit :
  " La FSMA peut, par voie de règlement, préciser les règles auxquelles cet examen doit satisfaire.
  La FSMA peut retirer l'agrément d'un examen si ce dernier ne couvre plus les matières visées au paragraphe 1er, 2° ou ne satisfait pas aux règles visées à l'alinéa précédent. " ;
  3° l'article est complété par les paragraphes 3 et 4, rédigés comme suit :
  " § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, les personnes qui ont déjà été inscrites au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement mais qui en ont été omises, ne doivent pas, en cas de demande de réinscription dans les cinq ans de leur omission du registre et quelle que soit la catégorie du registre sur laquelle porte la nouvelle demande, prouver qu'elles satisfont aux exigences en matière de connaissances professionnelles auxquelles elles étaient déjà réputées satisfaire lors de leur précédente inscription.
  En outre, en cas de demande de réinscription et quel que soit le délai écoulé depuis leur omission du registre, les personnes précitées ne doivent pas produire une nouvelle fois les certificats visés au paragraphe 1er, 1° et au paragraphe 2, qu'elles ont déjà transmis à la FSMA lors de leur précédente inscription.
  Les dispositions du présent paragraphe sont applicables par analogie aux personnes en contact avec le public qui peuvent démontrer qu'elles ont été actives aux mêmes conditions, ainsi qu'aux dirigeants effectifs des intermédiaires en services bancaires et d'investissement qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation.
  Les dérogations prévues au présent paragraphe ne sont pas applicables si l'omission du registre résulte d'une mesure de radiation pour cause de manquement aux exigences en matière de connaissances professionnelles.
  § 4. Les personnes suivantes, qui possèdent les connaissances professionnelles requises jusqu'à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 visant à l'harmonisation de différents arrêtés royaux relatifs à l'intermédiation dans le secteur financier et des assurances, sont supposés, pour l'exercice de leurs activités et/ou fonctions, remplir les exigences de connaissances professionnelles visées au Chapitre III du présent arrêté, telles que modifiées par l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité :
  - les intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, sont inscrits au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement,
  - les dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et qui sont en fonction à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, et,
  - les personnes en contact avec le public qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, s'occupent directement d'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement auprès d'un intermédiaire en services bancaires et d'investissement inscrit dans le registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement, ou sont employés auprès d'une entreprise réglementée. ".
Art.8. Artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juli 2014, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 8. § 1. Het bepaalde bij artikel 7, § 1, eerste lid, 1° en 2°, is op overeenkomstige wijze van toepassing op de personen in contact met het publiek.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 mag een persoon in contact met het publiek die de vereiste theoretische kennis nog niet bezit, als persoon in contact met het publiek in opleiding worden aangesteld.
  Binnen het jaar na zijn eerste aanstelling als persoon in contact met het publiek in opleiding moet de in het eerste lid bedoelde persoon de vereiste theoretische kennis bezitten.
  Zolang de persoon in contact met het publiek in opleiding is, handelt hij onder het toezicht en binnen de omkadering van de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten, van een van zijn effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, of van een daartoe door de tussenpersoon aangewezen persoon in contact met het publiek, die de in artikel 7, § 1, 2°, bedoelde theoretische kennis bezit, en die de overeenkomstig paragraaf 3 vereiste praktische ervaring heeft verworven.
  De persoon in contact met het publiek in opleiding die niet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarde beantwoordt, kan niet langer als persoon in contact met het publiek worden aangesteld.
  § 3. De personen in contact met het publiek moeten aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring inzake bank- en beleggingsdiensten beschikken die zij respectievelijk bij een gereglementeerde onderneming of een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten hebben opgedaan, en die zij volledig hebben opgedaan in de loop van de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van hun aanstelling door de tussenpersoon of de gereglementeerde onderneming. De duur van de praktische ervaring wordt conform het artikel 7, § 1, tweede lid, berekend.
  In afwijking van het eerste lid wordt, indien de personen in contact met het publiek niet kunnen aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken, hun toegestaan om deze ervaring op te doen onder het toezicht en binnen de omkadering van een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten, van een van zijn effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, of van een persoon in contact met het publiek die daartoe is aangesteld door de tussenpersoon, die over de in artikel 7, § 1, 2°, bedoelde theoretische kennis beschikt, en die de in het eerste lid vereiste praktische ervaring heeft verworven.
  Het uitgeoefende toezicht is afgestemd op de diensten die de persoon in contact met het publiek verleent, en op zijn relevante kwalificaties en ervaring.
  De in paragraaf 2 bedoelde ervaring verworven als persoon in contact met het publiek in opleiding wordt als relevante praktische ervaring in aanmerking genomen.
  § 4. Dit artikel is van toepassing op de natuurlijke personen als bedoeld in artikel 27ter, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
  § 5. De tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en de gereglementeerde ondernemingen zien erop toe dat de personen in contact met het publiek en de andere natuurlijke personen als bedoeld in paragraaf 4 over voldoende beroepskennis beschikken.".
Art.8. L'article 8 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 21 juillet 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 8. § 1er. Les dispositions de l'article 7, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2° s'appliquent par analogie aux personnes en contact avec le public.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, une personne en contact avec le public qui ne possède pas encore la connaissance théorique requise peut être désignée comme personne en contact avec le public en formation.
  Dans l'année qui suit sa première désignation comme personne en contact avec le public en formation, la personne visée à l'alinéa 1er doit posséder la connaissance théorique requise.
  Aussi longtemps que la personne en contact avec le public est en formation, elle agit sous la supervision et bénéficie de l'encadrement de l'intermédiaire en services bancaires et d'investissement, d'un de ses dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet par l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique précisée à l'article 7, § 1er, 2°, et qui a acquis l'expérience pratique exigée au paragraphe 3.
  La personne en contact avec le public en formation qui ne répond pas à la condition prévue à l'alinéa 2 ne peut plus être désignée comme personne en contact avec le public.
  § 3. Les personnes en contact avec le public doivent justifier d'une expérience pratique utile de six mois, dans le domaine des services bancaires et des services d'investissement, acquise respectivement auprès d'une entreprise réglementée ou d'un intermédiaire en services bancaires et d'investissement et obtenue dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date de leur désignation par l'intermédiaire ou l'entreprise réglementée. La durée de l'expérience pratique est calculée conformément à l'article 7, § 1er, alinéa 2.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, si les personnes en contact avec le public ne peuvent pas justifier d'une expérience pratique utile de six mois, elles sont autorisées à l'acquérir, sous la supervision et en bénéficiant de l'encadrement d'un intermédiaire en services bancaires et d'investissement, d'un de ses dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet auprès de l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique prévue à l'article 7, § 1er, 2°, et qui a acquis l'expérience pratique requise à l'alinéa 1er.
  La supervision exercée est modulée en fonction des services fournis par la personne en contact avec le public et en fonction des qualifications et de l'expérience pertinentes de la personne en question.
  L'expérience acquise en tant que personne en contact avec le public en formation, telle que visée au paragraphe 2 est prise en compte comme expérience pratique utile.
  § 4. Le présent article s'applique aux personnes physiques visées à l'article 27ter, § 1er, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
  § 5. Les intermédiaires en services bancaires et d'investissement ainsi que les entreprises réglementées veillent à ce que les personnes en contact avec le public et les autres personnes physiques visées au paragraphe 4 possèdent les connaissances professionnelles requises.".
Art.9. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 8/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 8/1. § 1. De in artikel 7, § 1, 2°, bedoelde theoretische kennis maakt het voorwerp uit van een geregelde bijscholing, volgens de nader in dit artikel bepaalde modaliteiten.
  § 2. De tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en hun effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten, moeten jaarlijks minimum 15 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
  Gedurende de eerste drie jaar die volgen op hun eerste inschrijving als tussenpersoon of op hun eerste aanstelling als de facto verantwoordelijke effectief leider moet de bijscholing van de in het eerste lid bedoelde personen voor minimum 12 uur per jaar zijn gericht op het verwerven van beroepskennis inzake de bank- en beleggingsdiensten die de facto worden verleend door hen of door de personen in contact met het publiek voor wie zij verantwoordelijk zijn of op wie zij het toezicht uitoefenen.
  § 3. De in paragraaf 2 bedoelde bijscholing moet worden gegeven door opleidingsverstrekkers die door de FSMA zijn erkend, volgens de door haar bepaalde modaliteiten. De FSMA kan bij reglement nader bepalen aan welke organisatorische, inhoudelijke en kwalitatieve vereisten de opleidingsverstrekkers en de door hen verstrekte bijscholing moeten voldoen, alsook de modaliteiten van de erkenningsprocedure. De FSMA publiceert een lijst van de erkende opleidingsverstrekkers op haar website.
  Als de FSMA daarom verzoekt, moeten de opleidingsverstrekkers haar alle inlichtingen en documenten bezorgen die zij nodig acht om te beoordelen of de opleidingsverstrekker en de door hem aangeboden bijscholingen aan het bepaalde bij het eerste lid voldoen. De FSMA kan bij de opleidingsverstrekkers ook inspecties verrichten, enter plaatse kennisnemen of een kopie maken van alle gegevens in hun bezit.
  Wanneer de FSMA vaststelt dat een opleidingsvertrekker niet aan de in het eerste lid bedoelde vereisten voldoet, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
  De FSMA kan beslissen dat de opleidingen die de betrokken opleidingsverstrekker in die termijn verstrekt, niet in aanmerking komen voor de in dit artikel bedoelde verplichting tot bijscholing. In dat geval brengt de opleidingsverstrekker de deelnemers daarvan op de hoogte.
  Indien de FSMA, na afloop van de termijn die zij conform het vorige lid heeft opgelegd, vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de erkenning van de betrokken opleidingsverstrekker.
  § 4. De tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten alsook de gereglementeerde ondernemingen zien erop toe dat de personen in contact met het publiek alsook de andere natuurlijke personen als bedoeld in artikel 8, § 4, jaarlijks minimum 15 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
  § 5. De in paragrafen 2 en 4 bedoelde verplichting tot bijscholing vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de inschrijving van de tussenpersoon of de aanstelling van de betrokken persoon in één van de in paragrafen 2 en 4 bedoelde functies.".
Art.9. Dans le même arrêté royal, il est inséré un article 8/1, rédigé comme suit :
  " Art. 8/1. § 1er. La connaissance théorique visée à l'article 7, § 1er, 2°, fait l'objet d'un recyclage régulier, selon les modalités précisées dans le présent article.
  § 2. Les intermédiaires en services bancaires et d'investissement et leurs dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement doivent suivre au moins 15 heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
  Pendant les trois premières années suivant leur première inscription comme intermédiaire ou suivant leur première désignation comme dirigeant effectif de facto responsable, le recyclage suivi par les personnes visées à l'alinéa 1er doit être ciblé, pour au moins douze heures par an, sur l'acquisition de connaissances professionnelles relatives aux services bancaires et aux services d'investissement qui sont de facto fournis par leurs soins ou par les personnes en contact avec le public dont ils sont responsables ou assurent la supervision.
  § 3. Le recyclage visé au paragraphe 2 doit être dispensé par des organisateurs de formations agréés par la FSMA, selon les modalités qu'elle détermine. La FSMA peut préciser, par voie de règlement, les exigences en termes d'organisation, de contenu et de qualité auxquelles les organisateurs de formations et le recyclage dispensé par leurs soins doivent satisfaire, ainsi que les modalités de la procédure d'agrément. La FSMA publie une liste des organisateurs de formations agréés sur son site internet.
  Sur simple demande de la FSMA, les organisateurs de formations sont tenus de lui fournir tous renseignements et de lui délivrer tous documents qu'elle estime nécessaires pour juger si l'organisateur de formations et les recyclages qu'il propose satisfont au prescrit de l'alinéa 1er. La FSMA peut également procéder à des inspections auprès des organisateurs de formations et prendre connaissance ou copie sur place de toutes les informations en leur possession.
  Lorsque la FSMA constate qu'un organisateur de formations ne satisfait pas aux exigences visées à l'alinéa 1er, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
  La FSMA peut décider que, durant ce délai, les formations dispensées par l'organisateur de formations concerné n'entrent pas en considération pour l'obligation de recyclage visée au présent article. Dans ce cas, l'organisateur de formations concerné en informe les participants.
  Si, au terme du délai qu'elle a imposé conformément à l'alinéa précédent, la FSMA constate qu'il n'a pas été remédié aux manquements, la FSMA radie l'agrément de l'organisateur de formations concerné.
  § 4. Les intermédiaires en services bancaires et d'investissement ainsi que les entreprises réglementées veillent à ce que les personnes en contact avec le public ainsi que les autres personnes physiques visées à l'article 8, § 4 qu'ils emploient suivent au moins quinze heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
  § 5. L'obligation de recyclage visée aux paragraphes 2 et 4 prend cours le 1er janvier de l'année civile qui suit l'inscription de l'intermédiaire ou la désignation de la personne concernée dans une des fonctions visées aux paragraphes 2 et 4. ".
Art.10. Artikel 9 van hetzelfde koninklijk besluit wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De verzekeringsonderneming of de gereglementeerde onderneming stelt de FSMA ervan op de hoogte als de waarborg- of borgstellingverbintenis niet meer voldoet aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden, met name bij de beëindiging van de waarborg- of borgstellingverbintenis of de verlaging van het bedrag van de waarborg of de borgstelling.".
Art.10. L'article 9 du même arrêté royal est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  " L'entreprise d'assurances ou l'entreprise réglementée avise la FSMA lorsque l'engagement de garantie ou le cautionnement fourni ne satisfait plus aux conditions visées à l'alinéa précédent, notamment en cas de cessation ou de réduction du montant de la garantie ou du cautionnement. ".
Art.11. Artikel 10 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen als volgt:
  "De agenten in bank- en beleggingsdiensten zijn vrijgesteld van de in artikel 9 bedoelde verplichting.".
Art.11. L'article 10 du même arrêté royal est remplacé par ce qui suit :
  " Les agents en services bancaires et d'investissement sont dispensés de l'obligation prévue à l'article 9. ".
Art.12. In artikel 11 van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
  "4° ingeval de beroepsaansprakelijkheids-verzekering een bepaalde looptijd heeft, mag haar duurtijd niet korter zijn dan één jaar, met dien verstande dat, wanneer de overeenkomst in de loop van een kalenderjaar wordt onderschreven, de eerste vervaldag ervan kan worden vastgesteld op 31 december van dat jaar, op voorwaarde dat de overeenkomst een clausule van jaarlijkse stilzwijgende verlenging bevat, onverminderd de mogelijkheid tot opzegging mits naleving van een opzegtermijn van minimum drie maanden;
  ingeval de beroepsaansprakelijkheids-verzekering een onbepaalde looptijd heeft, moet de opzegtermijn minimum drie maanden bedragen.";
  2° het tweede lid wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
  "5° de verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om de FSMA in kennis te stellen wanneer de beroepsaansprakelijkheid van de tussenpersoon niet langer verzekerd is.";
  3° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "Op verzoek van de FSMA is de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten verplicht haar een afschrift van de verzekeringsovereenkomst te bezorgen.
  Wanneer zijn beroepsaansprakelijkheid niet langer verzekerd is, moet de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten de FSMA daarvan onmiddellijk op de hoogte stellen.".
Art.12. A l'article 11 du même arrêté royal, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, le 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° si l'assurance de responsabilité professionnelle a été souscrite pour une durée déterminée, sa durée ne peut être inférieure à un an, étant entendu que, lorsque le contrat est souscrit en cours d'année, sa première échéance peut être fixée au 31 décembre de la même année, et le contrat contient une clause de reconduction tacite annuelle, sans préjudice de la possibilité de le résilier moyennant le respect d'un délai de préavis d'au minimum trois mois;
  si l'assurance de responsabilité professionnelle a été souscrite pour une durée indéterminée, le délai de préavis doit être d'au minimum trois mois. " ;
  2° l'alinéa 2 est complété par le 5°, rédigé comme suit :
  " 5° le contrat d'assurance contient une disposition qui oblige l'entreprise d'assurances, lorsque la responsabilité professionnelle de l'intermédiaire n'est plus assurée, d'en aviser la FSMA. " ;
  3° l'article est complété par deux alinéas, rédigés comme suit :
  " A la requête de la FSMA, l'intermédiaire en services bancaires et d'investissement est tenu de lui communiquer une copie du contrat d'assurance.
  Lorsque sa responsabilité professionnelle n'est plus assurée, l'intermédiaire en services bancaires et d'investissement en avise immédiatement la FSMA. ".
Art.13. Artikel 12 van hetzelfde koninklijk besluit wordt opgeheven.
Art.13. L'article 12 du même arrêté royal est abrogé.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 29 oktober 2015 tot uitvoering van Titel 4, Hoofdstuk 4 van Boek VII van het Wetboek van economisch recht
CHAPITRE II. - Modifications de l'arrêté royal du 29 octobre 2015 portant exécution du Titre 4, Chapitre 4, du Livre VII du Code de droit économique
Art.14. In artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2015 tot uitvoering van Titel 4, Hoofdstuk 4 van Boek VII van het Wetboek van economisch recht, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 mei 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid wordt de zin "De FSMA kan voorzien dat de aanvraag en het dossier geheel of gedeeltelijk langs elektronische weg moeten worden ingediend." vervangen als volgt:
  "De vergunningsaanvraag en het vergunningsdossier worden langs elektronische weg bij de FSMA ingediend.";
  2° het artikel wordt aangevuld door een lid, luidende:
  "Elke wijziging van de vergunningsaanvraag of van de in het artikel 4 bedoelde gegevens of documenten, of elke verdere actualisering van deze gegevens of documenten moet aan de FSMA worden meegedeeld in de vorm en volgens de modaliteiten als bedoeld in het eerste lid.".
Art.14. Dans l'article 3 de l'arrêté royal du 29 octobre 2015 portant exécution du Titre 4, Chapitre 4, du Livre VII du Code de droit économique, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 13 mai 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, la phrase " La FSMA peut prévoir l'obligation d'introduire la demande et le dossier, en tout ou en partie, par voie électronique. " est remplacée comme suit :
  " La demande et le dossier d'agrément sont transmis à la FSMA par voie électronique. " ;
  2° l'article est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  " Toute modification de la demande d'agrément ou des données ou documents visées à l'article 4, ou mise à jour ultérieure de ces données ou documents doit être communiquée à la FSMA dans la forme et selon les modalités visées à l'alinéa 1er. ".
Art.15. In de artikelen 4, eerste lid, 14°, 7, eerste lid, 7°, 8, 6°, en 9, 4°, van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "hun geschiktheid en professionele betrouwbaarheid" telkens vervangen door de woorden "hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid".
Art.15. Dans les articles 4, alinéa 1er, 14°, 7, alinéa 1er, 7°, 8, 6°, et 9, 4°, du même arrêté royal, les mots " leur aptitude et leur honorabilité professionnelles " sont chaque fois remplacés par les mots " leur expertise adéquate et leur honorabilité professionnelle ".
Art.16. In artikel 4, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 mei 2017, wordt de bepaling onder 10° vervangen als volgt:
  "10° de identificatiegegevens van de verantwoordelijke persoon of personen als bedoeld in artikel 9, § 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, alsook van de op het hoogste niveau verantwoordelijke persoon om te waken over de toepassing en de naleving van de bepalingen van voornoemde wet als bedoeld in artikel 9, § 1, van die wet.".
Art.16. Dans l'article 4, alinéa 1er du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 13 mai 2017, le 10° est remplacé par ce qui suit :
  " 10° les données d'identification de la ou des personnes responsables visées à l'article 9, § 2, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, ainsi que de la personne responsable, au plus haut niveau, pour veiller à la mise en oeuvre et au respect des dispositions de la loi précitée, conformément à son article 9, § 1er. ".
Art.17. In artikel 5 van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid wordt de zin "De FSMA kan voorzien dat de aanvraag en het dossier geheel of gedeeltelijk langs elektronische weg moeten worden ingediend." vervangen als volgt:
  "De inschrijvingsaanvraag en het inschrijvingsdossier worden langs elektronische weg bij de FSMA ingediend.";
  2° in het derde lid worden de woorden "of door de persoon die daartoe door hem gemachtigd is en daarbij onder zijn verantwoordelijkheid handelt" ingevoegd tussen de woorden "de inschrijving vraagt" en de woorden "of, wanneer de aanvrager";
  3° het artikel wordt aangevuld door een lid, luidende:
  "Elke wijziging van de inschrijvingsaanvraag of van de in de artikelen 6 tot 9 bedoelde gegevens of documenten, of elke verdere actualisering van deze gegevens of documenten moet aan de FSMA worden meegedeeld in de vorm en volgens de modaliteiten als bedoeld in het eerste lid.".
Art.17. Dans l'article 5 du même arrêté royal, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, la phrase " La FSMA peut prévoir l'obligation d'introduire la demande et le dossier, en tout ou en partie, par voie électronique. " est remplacée comme suit :
  " La demande et le dossier d'inscription sont transmis à la FSMA par voie électronique. " ;
  2° dans l'alinéa 3, les mots " ou par la personne qu'elle a mandatée à cet effet et qui agit sous sa responsabilité " sont insérés entre les mots " l'inscription " et les mots " ou, lorsque le demandeur " ;
  3° l'article est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  " Toute modification de la demande d'inscription ou des données ou documents visés aux articles 6 à 9, ou mises à jour ultérieures de ces données ou documents doit être communiquée à la FSMA dans la forme et selon les modalités visées à l'alinéa 1er. ".
Art.18. In artikel 7, eerste lid, 3°, van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "hun geschiktheid en professionele betrouwbaarheid" vervangen door de woorden "hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid".
Art.18. Dans l'article 7, alinéa 1er, 3°, du même arrêté royal, les mots " son aptitude et son honorabilité professionnelles " sont remplacés par les mots " son expertise adéquate et son honorabilité professionnelle ".
Art.19. Artikel 10 van hetzelfde koninklijk besluit wordt opgeheven.
Art.19. L'article 10 du même arrêté royal est abrogé.
Art.20. Artikel 11 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 april 2017, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Wanneer zijn beroepsaansprakelijkheid niet langer verzekerd is, moet de kredietgever of de tussenpersoon de FSMA daarvan onmiddellijk op de hoogte stellen.".
Art.20. L'article 11 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 19 avril 2017, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Lorsque sa responsabilité professionnelle n'est plus assurée, le prêteur ou l'intermédiaire en avise directement la FSMA. ".
Art.21. In artikel 12 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 april 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het eerste lid, 3°, wordt aangevuld met de volgende zin:
  "De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt echter 2 jaar voor de makelaars en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 3, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting.";
  b) het eerste lid, 4°, wordt aangevuld met de volgende zin: "De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt één jaar voor de verbonden agenten en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 3, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting.";
  c) het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "De FSMA kan de structuur en de inhoud van de praktische ervaring bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° van deze paragraaf, nader bepalen, alsook welke handelingen onder toezicht en verantwoordelijkheid van een ingeschreven tussenpersoon of van een kredietgever kunnen verricht worden tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. De duur van de praktische ervaring wordt op voltijdbasis berekend. De FSMA kan echter specifieke modaliteiten bepalen voor de berekening van de duur van de praktische ervaring wanneer die wordt opgedaan door een kandidaat voor verschillende statuten van tussenpersoon of voor een functie bij een tussenpersoon of een kredietgever die zijn activiteiten cumuleert met activiteiten in verband met bank- of beleggingsdiensten, en/of de verzekerings- of herverzekeringsdistributie, en/of wanneer die wordt opgedaan bij een tussenpersoon of een kredietgever die verschillende van voornoemde activiteiten cumuleert tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. Die specifieke modaliteiten zullen onder meer rekening houden met de relevantie van de opgedane praktische ervaring.".
  d) paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen functie als effectieve leider uitoefenen, en de personen die met de effectieve leiding zijn belast, maar die de facto noch verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling in hypothecair krediet, noch hierop toezicht uitoefenen, moeten, inzake beroepskennis, over een basiskennis van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies beschikken. Die basiskennis vereist geen bijscholing als bedoeld in artikel 12/2.";
  2° paragrafen 2 tot 4 worden vervangen als volgt:
  " § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 3, wordt het bewijs van de vereiste theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, geleverd door het slagen voor een of meer examens die door de FSMA zijn erkend, die door of krachtens een decreet, door een beroepsvereniging of door een kredietgever worden georganiseerd, en die betrekking hebben op de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies.
  De examenorganisatoren delen aan de FSMA de inhoud en de regels mee voor het examen dat zij conform het vorige lid organiseren. De FSMA gaat na of de examens die zij organiseren, naar de kennis van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilen.
  De FSMA kan, bij reglement, de regels preciseren waaraan dit examen moet voldoen.
  De FSMA kan de erkenning intrekken als een examen niet langer naar de kennis van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilt, of niet aan de in het vorige lid bedoelde regels voldoet.
  De in paragraaf 1, derde lid, bedoelde personen kunnen bewijzen dat zij over de basiskennis beschikken, aan de hand van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs dat hun overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap is toegekend, of aan de hand van een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd, of door het slagen voor het in het eerste lid bedoelde examen.
  § 3. De houders van een van de volgende getuigschriften worden geacht de vereiste theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, te bezitten:
  1° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend masterdiploma of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het academiejaar 2004-2005;
  2° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend diploma van academisch bachelor, een door een instelling van hoger onderwijs toegekend diploma van professioneel bachelor of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het schooljaar 2004-2005, dat een lessenprogramma omvat van minstens 11 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, of een equivalent percentage van studiebelasting;
  3° een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd met één van de diploma's als bedoeld in de bepalingen onder 1° of 2°.
  § 4. In afwijking van paragrafen 2 en 3 moeten de personen die al in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet ingeschreven zijn geweest, maar daar vervolgens uit weggelaten zijn geweest, wanneer zij binnen vijf jaar na hun weglating uit het register verzoeken om opnieuw in dat register te worden ingeschreven, en ongeacht de categorie van het register waarop dat nieuwe verzoek betrekking heeft, niet bewijzen dat zij voldoen aan de vereisten inzake beroepskennis waaraan zij bij hun vorige inschrijving al geacht werden te voldoen.
  Bovendien moeten voornoemde personen, wanneer zij verzoeken om opnieuw in het register te worden ingeschreven en ongeacht de termijn die sinds hun weglating uit dat register is verstreken, de in paragraaf 1, eerste lid, 1°, en in paragraaf 3 bedoelde getuigschriften, die zij bij hun vorige inschrijving al aan de FSMA hebben bezorgd, niet opnieuw voorleggen.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de personen die als verantwoordelijken voor de distributie zijn aangewezen, en op de personen in contact met het publiek die kunnen aantonen dat zij onder dezelfde voorwaarden actief zijn geweest, alsook op de effectieve leiders van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en op de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde personen.
  De in deze paragraaf bepaalde afwijkingen zijn niet van toepassing als de weglating uit het register voortvloeit uit een schrappingsmaatregel die op grond van een inbreuk op de vereisten inzake beroepskennis is genomen.
  § 5. De volgende personen, die over de vereiste beroepskennis beschikken op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2021 tot harmonisatie van verschillende koninklijke besluiten over de bemiddeling in de financiële en verzekeringssector, worden geacht om, voor de uitoefening van hun werkzaamheid en/of functie, de vereiste beroepskennis te bezitten als bedoeld in Hoofdstuk V van dit besluit, als gewijzigd bij voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021:
  - de bemiddelaars inzake hypothecair krediet die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet zijn ingeschreven,
  - de verantwoordelijken voor de distributie en effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, en,
  - de personen in contact met het publiek die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, rechtstreeks deelnemen aan de werkzaamheid van bemiddeling inzake hypothecair krediet bij een kredietbemiddelaar die in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet is ingeschreven, of bij een kredietgever zijn tewerkgesteld.".
Art.21. Dans l'article 12 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 19 avril 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées:
  a) l'alinéa 1er, 3° est complété par la phrase suivante :
  " Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est de 2 ans pour les courtiers et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 3, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2° ou un pourcentage équivalent de la charge d'études. " ;
  b) l'alinéa 1er, 4° est complété par la phrase suivante : " Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est d'un an pour les agents liés et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 3, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2° ou un pourcentage équivalent de la charge d'études " ;
  c) L'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " La FSMA peut préciser la structure et le contenu de l'expérience pratique visée à l'alinéa 1er, 3° et 4°, du présent paragraphe, ainsi que les actes pouvant être accomplis, sous la supervision et la responsabilité d'un intermédiaire inscrit ou d'un prêteur, au cours de la période d'acquisition de l'expérience pratique. La durée de l'expérience pratique est calculée sur une base d'équivalent temps plein. La FSMA peut toutefois préciser des modalités spécifiques de calcul de la durée de l'expérience pratique lorsque celle-ci est acquise par un candidat à plusieurs statuts d'intermédiaire ou à une fonction auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant ses activités avec des activités en matière de services bancaires ou de services d'investissement et/ou de distribution d'assurances ou de réassurances, et/ou lorsque cette expérience pratique est acquise auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant plusieurs des activités précitées durant la période d'acquisition de l'expérience pratique. Ces modalités spécifiques tiendront notamment compte de la pertinence de l'expérience pratique acquise. " ;
  d) Le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Les membres de l'organe légal d'administration qui n'exercent pas la fonction de dirigeant effectif et les personnes chargées de la direction effective qui de facto n'assument pas la responsabilité de l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ni n'en exercent le contrôle, doivent, en matière de connaissances professionnelles, posséder une connaissance de base des matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°. Cette connaissance de base ne doit pas faire l'objet d'un recyclage visé à l'article 12/2. " ;
  2° les paragraphes 2 à 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2. Sous réserve des dispositions du paragraphe 3, la preuve des connaissances théoriques requises visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, est fournie par la réussite d'un ou plusieurs examens agréés par la FSMA, et qui sont organisés par ou en vertu d'un décret, par une association professionnelle, ou par un prêteur et couvrant les matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
  Les organisateurs d'examens communiquent à la FSMA le contenu et les modalités de l'examen qu'ils organisent conformément à l'alinéa précédent. La FSMA vérifie si les examens qu'ils organisent couvrent les matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
  La FSMA peut, par voie de règlement, préciser les règles auxquelles cet examen doit satisfaire.
  La FSMA peut retirer son agrément si un examen ne couvre plus les matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ou ne satisfait pas aux règles visées à l'alinéa précédent.
  Pour les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 3, la preuve de la connaissance de base peut être fournie par un certificat de l'enseignement secondaire supérieur délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou par un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent ou par la réussite d'un examen tel que prévu à l'alinéa 1er.
  § 3. Sont supposés posséder la connaissance théorique visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les titulaires de l'un des certificats suivants :
  1° un diplôme de master délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année académique 2004-2005 ;
  2° un diplôme de bachelier académique délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, un diplôme de bachelier professionnel délivré par un établissement d'enseignement supérieur, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année scolaire 2004- 2005, diplôme dont le programme de cours compte au moins 11 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études ;
  3° un diplôme étranger reconnu, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent à l'un des diplômes visés au 1° ou 2°.
  § 4. Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, les personnes qui ont déjà été inscrites au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire mais qui en ont été omises, ne doivent pas, en cas de demande de réinscription dans les cinq ans de leur omission du registre et quelle que soit la catégorie du registre sur laquelle porte la nouvelle demande, prouver qu'elles satisfont aux exigences en matière de connaissances professionnelles auxquelles elles étaient déjà réputées satisfaire lors de leur précédente inscription.
  En outre, en cas de demande de réinscription et quel que soit le délai écoulé depuis leur omission du registre, les personnes précitées ne doivent pas produire une nouvelle fois les certificats visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et au paragraphe 3, qu'elles ont déjà transmis à la FSMA lors de leur précédente inscription.
  Les dispositions du présent paragraphe sont applicables par analogie aux personnes qui ont été désignées comme responsables de la distribution et aux personnes en contact avec le public qui peuvent démontrer qu'elles ont été actives aux mêmes conditions, ainsi qu'aux dirigeants effectifs des intermédiaires en crédit hypothécaire qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et aux personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
  Les dérogations prévues au présent paragraphe ne sont pas applicables si l'omission du registre résulte d'une mesure de radiation pour cause de manquement aux exigences en matière de connaissances professionnelles.
  § 5. Les personnes suivantes, qui possèdent les connaissances professionnelles requises jusqu'à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 visant à l'harmonisation de différents arrêtés royaux relatifs à l'intermédiation dans le secteur financier et des assurances, sont supposés, pour l'exercice de leurs activités et/ou fonctions, remplir les exigences de connaissances professionnelles visées au Chapitre V du présent arrêté, telles que modifiées par l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité :
  - les intermédiaires en crédit hypothécaire, qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, sont inscrits au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire,
  - les responsables de la distribution et dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et qui sont en fonction à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, et,
  - les personnes en contact avec le public qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, s'occupent directement d'intermédiation en crédit hypothécaire auprès d'un intermédiaire de crédit inscrit dans le registre des intermédiaires en crédit hypothécaire, ou sont employés auprès d'un prêteur. ".
Art.22. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 12/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 12/1. § 1. De in artikel VII. 181, § 1, eerste lid, 1°, van het WER bedoelde personen in contact met het publiek moeten, inzake beroepskennis, voldoen aan het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 2°.
  In afwijking van het vorige lid mag een persoon in contact met het publiek die de vereiste theoretische kennis nog niet bezit, als persoon in contact met het publiek in opleiding worden aangesteld.
  Binnen het jaar na zijn eerste aanstelling als persoon in contact met het publiek in opleiding moet de in het tweede lid bedoelde persoon de vereiste theoretische kennis bezitten.
  Zolang de persoon in contact met het publiek in opleiding is, handelt hij onder het toezicht en binnen de omkadering van de bemiddelaar inzake hypothecair krediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een daartoe door de bemiddelaar aangewezen persoon in contact met het publiek die de in het eerste lid bedoelde theoretische kennis bezit, en die de overeenkomstig paragraaf 2 vereiste ervaring heeft verworven.
  De persoon in contact met het publiek in opleiding die niet aan de in het derde lid gestelde voorwaarde beantwoordt, kan niet langer als persoon in contact met het publiek worden aangesteld.
  § 2. De personen in contact met het publiek moeten aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken die zij volledig hebben opgedaan in de loop van de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van hun aanstelling door de bemiddelaar. De duur van de praktische ervaring wordt overeenkomstig het artikel 12, § 1, tweede lid, berekend.
  Indien de personen in contact met het publiek niet kunnen aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken, wordt hun, in afwijking van het vorige lid, toegestaan om deze ervaring op te doen onder het toezicht en binnen de omkadering van een bemiddelaar inzake hypothecair krediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een persoon in contact met het publiek die daartoe door de bemiddelaar is aangesteld, die over de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde theoretische kennis beschikt, en die de in het vorige lid vereiste praktische ervaring heeft verworven.
  Het uitgeoefende toezicht is afgestemd op de diensten die de persoon in contact met het publiek verleent, en op zijn relevante kwalificaties en ervaring.
  De in tweede lid bedoelde ervaring verworven als persoon in contact met het publiek in opleiding wordt als relevante praktische ervaring in aanmerking genomen.
  § 3. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet en de kredietgevers die de werkzaamheid van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen, zien erop toe dat dat de personen in contact met het publiek over voldoende beroepskennis beschikken.".
Art.22. Dans le même arrêté royal, il est inséré un article 12/1, rédigé comme suit :
  " Art. 12/1. § 1er. Les personnes en contact avec le public, telles que visées à l'article VII. 181, § 1er, alinéa 1er, 1°, du CDE doivent, en matière de connaissances professionnelles, répondre aux exigences prévues à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, une personne en contact avec le public qui ne possède pas encore la connaissance théorique requise peut être désignée comme personne en contact avec le public en formation.
  Dans l'année qui suit sa première désignation comme personne en contact avec le public en formation, la personne visée à l'alinéa 2 doit posséder la connaissance théorique requise.
  Aussi longtemps que la personne en contact avec le public est en formation, elle agit sous la supervision et bénéficie de l'encadrement de l'intermédiaire en crédit hypothécaire, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire, ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet par l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique requise visée à l'alinéa 1er et qui a acquis l'expérience pratique exigée au paragraphe 2.
  La personne en contact avec le public en formation qui ne répond pas à la condition prévue à l'alinéa 3 ne peut plus être désignée comme personne en contact avec le public.
  § 2. Les personnes en contact avec le public doivent justifier d'une expérience pratique utile de six mois et obtenue dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date de leur désignation par l'intermédiaire. La durée de l'expérience pratique est calculée conformément à l'article 12, § 1er, alinéa 2.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, si les personnes en contact avec le public ne peuvent pas justifier d'une expérience pratique utile de six mois, elles sont autorisées à l'acquérir, sous la supervision et en bénéficiant de l'encadrement d'un intermédiaire en crédit hypothécaire, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet auprès de l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et qui a acquis l'expérience pratique visée à l'alinéa précédent.
  La supervision exercée est modulée en fonction des services fournis par la personne en contact avec le public et en fonction des qualifications et de l'expérience pertinentes de la personne en question.
  L'expérience acquise en tant que personne en contact avec le public en formation, telle que visée à l'alinéa 2, est prise en compte comme expérience pratique utile.
  § 3. Les intermédiaires en crédit hypothécaire et les prêteurs qui exercent l'activité d'intermédiaire en crédit hypothécaire veillent à ce que les personnes en contact avec le public possèdent les connaissances professionnelles requises. ".
Art.23. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 12/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 12/2. § 1. De in artikel 12 bedoelde theoretische kennis maakt het voorwerp uit van een geregelde bijscholing, volgens de nader in dit artikel bepaalde modaliteiten.
  § 2. De in artikel 12, paragraaf 1, eerste lid, bedoelde personen moeten jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
  § 3. De in paragraaf 2 bedoelde bijscholing moet worden gegeven door opleidingsverstrekkers die door de FSMA zijn erkend, volgens de door haar bepaalde modaliteiten. De FSMA kan, bij reglement, nader bepalen aan welke organisatorische, inhoudelijke en kwalitatieve vereisten de opleidingsverstrekkers en de door hen verstrekte bijscholing moeten voldoen, alsook de modaliteiten van de erkenningsprocedure. De FSMA publiceert een lijst van de door haar erkende opleidingsverstrekkers op haar website.
  Als de FSMA daarom verzoekt, moeten de opleidingsverstrekkers haar alle inlichtingen en documenten bezorgen die zij nodig acht om te beoordelen of de opleidingsverstrekker en de door hem aangeboden bijscholingen aan het bepaalde bij het eerste lid voldoen. De FSMA kan bij de opleidingsverstrekkers ook inspecties verrichten, en ter plaatse kennisnemen of een kopie maken van alle gegevens in hun bezit.
  Wanneer de FSMA vaststelt dat een opleidingsvertrekker niet aan de in het eerste lid bedoelde vereisten voldoet, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
  De FSMA kan beslissen dat de opleidingen die de betrokken opleidingsverstrekker in die termijn verstrekt, niet in aanmerking komen voor de in dit artikel bedoelde verplichting tot bijscholing. In dat geval brengt de opleidingsverstrekker de deelnemers daarvan op de hoogte.
  Indien de FSMA, na afloop van de termijn die zij conform het vorige lid heeft opgelegd, vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de erkenning van de betrokken opleidingsverstrekker.
  § 4. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet en de kredietgevers die de werkzaamheid van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen, zien erop toe dat de personen in contact met het publiek die zij tewerkstellen, jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
  § 5. De in paragrafen 2 en 4 bedoelde verplichting tot bijscholing vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de inschrijving van de bemiddelaar of de aanstelling van de betrokken persoon in een van de in paragrafen 2 en 4 bedoelde functies.".
Art.23. Dans le même arrêté royal, il est inséré un article 12/2, rédigé comme suit : "
  " Art. 12/2. § 1er. La connaissance théorique visée à l'article 12 font l'objet d'un recyclage régulier, selon les modalités précisées dans le présent article.
  § 2. Les personnes visées à l'article 12, paragraphe 1er, alinéa 1er, doivent suivre au moins 3 heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
  § 3. Le recyclage visé au paragraphe 2 doit être dispensé par des organisateurs de formations qui sont agréés par la FSMA, selon les modalités qu'elle détermine. La FSMA peut préciser, par voie de règlement, les exigences en termes d'organisation, de contenu et de qualité auxquelles les organisateurs de formations et le recyclage dispensé par leurs soins doivent satisfaire, ainsi que les modalités de la procédure d'agrément. La FSMA publie une liste des organisateurs de formations agréés par la FSMA sur son site internet.
  Sur simple demande de la FSMA, les organisateurs de formations sont tenus de lui fournir tous renseignements et de lui délivrer tous documents qu'elle estime nécessaires pour juger si l'organisateur de formations et les recyclages qu'il propose satisfont au prescrit de l'alinéa 1er. La FSMA peut également procéder à des inspections auprès des organisateurs de formations et prendre connaissance ou copie sur place de toutes les informations en leur possession.
  Lorsque la FSMA constate qu'un organisateur de formations ne satisfait pas aux exigences visées à l'alinéa 1er, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
  La FSMA peut décider que, durant ce délai, les formations dispensées par l'organisateur de formations concerné n'entrent pas en considération pour l'obligation de recyclage visée au présent article. Dans ce cas, l'organisateur de formations concerné en informe les participants.
  Si, au terme du délai qu'elle a imposé conformément à l'alinéa précédent, la FSMA constate qu'il n'a pas été remédié aux manquements, la FSMA radie l'agrément de l'organisateur de formations concerné.
  § 4. Les intermédiaires en crédit hypothécaire et les prêteurs qui exercent l'activité d'intermédiaire en crédit hypothécaire veillent à ce que les personnes en contact avec le public qu'ils emploient suivent au moins trois heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
  § 5. L'obligation de recyclage visée aux paragraphes 2 et 4 prend cours le 1er janvier de l'année civile qui suit l'inscription de l'intermédiaire ou la désignation de la personne concernée dans une des fonctions visées aux paragraphes 2 et 4. ".
Art.24. In artikel 13, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "Het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 1° en 2° en § 4" vervangen door de woorden "Het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 1° en 2°, §§ 2 tot 4, en bij artikel 12/2" en worden de woorden "van het WER en het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 2° en § 4" vervangen door de woorden "van het WER en het bepaalde bij artikelen 12/1 en 12/2".
Art.24. Dans l'article 13, alinéa 1er du même arrêté royal, les mots " Les dispositions de l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, et § 4 " sont remplacés par les mots " Les dispositions de l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, §§ 2 à 4 et de l'article 12/2 " et les mots " du CDE, et les dispositions de l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et § 4 " sont remplacés par les mots " du CDE, et les dispositions des articles 12/1 et 12/2 ".
Art.25. In artikel 14, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "Het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 2° is ook van toepassing" vervangen door de woorden "Het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, en §§ 2 tot 4, is ook van toepassing" en worden de woorden "en op de personen in contact met het publiek" vervangen door de woorden ". Artikel 12/1, §§ 1 en 3, is ook van toepassing op de personen in contact met het publiek.".
Art.25. Dans l'article 14, alinéa 1er du même arrêté royal, les mots " La disposition prévue à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, s'applique " sont remplacés par les mots " Les dispositions prévues à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et §§ 2 à 4 s'appliquent " et les mots " , ainsi qu'aux personnes en contact avec le public " sont remplacés par les mots " . L'article 12/1, §§ 1er et 3 s'applique également aux personnes en contact avec le public ".
Art.26. In artikel 15 van hetzelfde koninklijk besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 april 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid, wordt de bepaling onder 3° aangevuld met de volgende zin: "De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt echter 2 jaar voor de makelaars en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 6, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting.";
  b) in het eerste lid, wordt de bepaling onder 4°, aangevuld met de volgende zin: "De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt één jaar voor de verbonden agenten en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 6, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting.";
  c) het tweede lid wordt aangevuld met een zin, luidende:
  "De FSMA kan de structuur en de inhoud van de praktische ervaring bedoeld in het eerste lid, 3°, 4° en 5° nader bepalen, alsook welke handelingen onder toezicht en verantwoordelijkheid van een ingeschreven tussenpersoon of van een kredietgever kunnen worden verricht tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. De duur van de praktische ervaring wordt op voltijdbasis berekend. De FSMA kan echter specifieke modaliteiten bepalen voor de berekening van de duur van de praktische ervaring wanneer die wordt opgedaan door een kandidaat voor verschillende statuten van tussenpersoon of voor een functie bij een tussenpersoon of een kredietgever die zijn activiteiten cumuleert met activiteiten in verband met bank- of beleggingsdiensten, en/of de verzekerings- of herverzekeringsdistributie, en/of wanneer die wordt opgedaan bij een tussenpersoon of een kredietgever die verschillende van voornoemde activiteiten cumuleert tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. Die specifieke modaliteiten zullen onder meer rekening houden met de relevantie van de opgedane praktische ervaring.";
  2° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het eerste lid wordt opgeheven;
  b) het tweede lid wordt aangevuld met een zin, luidende:
  "Die basiskennis vereist geen bijscholing als bedoeld in artikel 15/2.";
  3° paragrafen 5 tot 8 worden vervangen als volgt:
  " § 5. Onder voorbehoud van de bepalingen van paragrafen 6 en 7, wordt het bewijs van de vereiste theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, geleverd door het slagen voor een of meer examens die door de FSMA zijn erkend, die door of krachtens een decreet, door een beroepsvereniging of door een kredietgever worden georganiseerd, en die betrekking hebben op de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies.
  De examenorganisatoren delen aan de FSMA de inhoud en de regels mee voor het examen dat zij conform het vorige lid organiseren. De FSMA gaat na of de examens die zij organiseren, naar de kennis van de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilen.
  De FSMA kan, bij reglement, de regels preciseren waaraan dit examen moet voldoen.
  De FSMA kan de erkenning intrekken als een examen niet langer naar de kennis van de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilt, of niet aan de in het vorige lid bedoelde regels voldoet.
  § 6. De in paragrafen 3 en 4 en in artikel 15/1, § 2, bedoelde personen kunnen bewijzen dat zij over de basiskennis beschikken, aan de hand van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs dat hun overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap is toegekend, of aan de hand van een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd, of door het slagen voor het in het eerste lid bedoelde examen.
  § 7. Voor de in paragraaf 1 en in artikel 15/1, §§ 1 en 3, bedoelde personen kan het bewijs van de theoretische kennis worden geleverd aan de hand van:
  1° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend masterdiploma of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het academiejaar 2004-2005;
  2° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend diploma van academisch bachelor, een door een instelling van hoger onderwijs toegekend diploma van professioneel bachelor of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het schooljaar 2004-2005, dat een lessenprogramma omvat van minstens 11 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, of een equivalent percentage van studiebelasting;
  3° een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig beschouwd wordt beschouwd met één van de diploma's als bedoeld in de bepalingen onder 1° of 2°. ";
  § 8. In afwijking van paragraaf 5 moeten de personen die al in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet ingeschreven zijn geweest, maar daar vervolgens uit weggelaten zijn geweest, wanneer zij binnen vijf jaar na hun weglating uit het register verzoeken om opnieuw in dat register te worden ingeschreven, en ongeacht de categorie van het register waarop dat nieuwe verzoek betrekking heeft, niet bewijzen dat zij voldoen aan de vereisten inzake beroepskennis waaraan zij bij hun vorige inschrijving al geacht werden te voldoen.
  Bovendien moeten voornoemde personen, wanneer zij verzoeken om opnieuw in het register te worden ingeschreven en ongeacht de termijn die sinds hun weglating uit dat register is verstreken, de in paragraaf 2, eerste lid, 1°, en in paragrafen 6 en 7 bedoelde getuigschriften, die zij bij hun vorige inschrijving al aan de FSMA hebben bezorgd, niet opnieuw voorleggen.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de personen die als verantwoordelijken voor de distributie zijn aangewezen, en op de personen in contact met het publiek die kunnen aantonen dat zij onder dezelfde voorwaarden actief zijn geweest, alsook op de effectieve leiders van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling.
  De in deze paragraaf bepaalde afwijkingen zijn niet van toepassing als de weglating uit het register voortvloeit uit een schrappingsmaatregel die op grond van een inbreuk op de vereisten inzake beroepskennis is genomen.";
  4° er wordt een paragraaf 9 ingevoegd, luidende:
  " § 9. De volgende personen, die over de vereiste beroepskennis beschikken op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2021 tot harmonisatie van verschillende koninklijke besluiten over de bemiddeling in de financiële en verzekeringssector, worden geacht om, voor de uitoefening van hun werkzaamheid en/of functie, de vereiste beroepskennis te bezitten als bedoeld in Hoofdstuk VI van dit besluit, als gewijzigd bij voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021:
  - de bemiddelaars inzake consumentenkrediet die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet zijn ingeschreven,
  - de verantwoordelijken voor de distributie en effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, en,
  - de personen in contact met het publiek die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, rechtstreeks deelnemen aan de werkzaamheid van bemiddeling inzake consumentenkrediet bij een kredietbemiddelaar die in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet is ingeschreven, of bij een kredietgever zijn tewerkgesteld. ".
Art.26. Dans l'article 15 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 19 avril 2017, les modifications suivants sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, le 3° est complété par la phrase suivante : " Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est de 2 ans pour les courtiers et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 6, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études. " ;
  b) dans l'alinéa 1er, le 4° est complété par la phrase suivante : " Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est d'un an pour les agents liés et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 6, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2° ou un pourcentage équivalent de la charge d'études. " ;
  c) L'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " La FSMA peut préciser la structure et le contenu de l'expérience pratique visée à l'alinéa 1er, 3°, 4° et 5°, ainsi que les actes pouvant être accomplis, sous la supervision et la responsabilité d'un intermédiaire inscrit ou d'un prêteur, au cours de la période d'acquisition de l'expérience pratique. La durée de l'expérience pratique est calculée sur une base d'équivalent temps plein. La FSMA peut toutefois préciser des modalités spécifiques de calcul de la durée de l'expérience pratique lorsque celle-ci est acquise par un candidat à plusieurs statuts d'intermédiaire ou à une fonction auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant ses activités avec des activités en matière de services bancaires ou de services d'investissement et/ou de distribution d'assurances ou de réassurances, et/ou lorsque cette expérience pratique est acquise auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant plusieurs des activités précitées durant la période d'acquisition de l'expérience pratique. Ces modalités spécifiques tiendront notamment compte de la pertinence de l'expérience pratique acquise. " ;
  2° dans le paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées :
  a) l'alinéa 1er est abrogé ;
  b) l'alinéa 2 est complété par une phrase, rédigée comme suit :
  " Cette connaissance de base ne doit pas faire l'objet d'un recyclage visé à l'article 15/2. " ;
  3° les paragraphes 5 à 8 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 5. Sous réserve des dispositions des paragraphes 6 et 7, la preuve des connaissances théoriques requises visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2° est fournie par la réussite d'un ou plusieurs examens agréés par la FSMA, et qui sont organisés par ou en vertu d'un décret, par une association professionnelle, ou par un prêteur et couvrant les matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
  Les organisateurs d'examens communiquent à la FSMA le contenu et les modalités de l'examen qu'ils organisent conformément à l'alinéa précédent. La FSMA vérifie si les examens qu'ils organisent couvrent les matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
  La FSMA peut, par voie de règlement, préciser les règles auxquelles cet examen doit satisfaire.
  La FSMA peut retirer son agrément si un examen ne couvre plus les matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, ou ne satisfait pas aux règles visées à l'alinéa précédent.
  § 6. Pour les personnes visées aux paragraphes 3 et 4 et à l'article 15/1, § 2, la preuve de la connaissance de base peut être fournie par un certificat de l'enseignement secondaire supérieur délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou par un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent ou par la réussite d'un examen tel que prévu à l'alinéa 1er.
  § 7. Pour les personnes visées au paragraphe 1er et à l'article 15/1, §§ 1er et 3, la preuve de la connaissance théorique peut être fournie par :
  1° un diplôme de master délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année académique 2004-2005 ;
  2° un diplôme de bachelier académique délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, un diplôme de bachelier professionnel délivré par un établissement d'enseignement supérieur, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année scolaire 2004- 2005, diplôme dont le programme de cours compte au moins 11 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études ;
  3° un diplôme étranger reconnu, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent à l'un des diplômes visés au 1° ou 2°. " ;
  § 8. Par dérogation au paragraphe 5, les personnes qui ont déjà été inscrites au registre des intermédiaires en crédit à la consommation mais qui en ont été omises, ne doivent pas, en cas de demande de réinscription dans les cinq ans de leur omission du registre et quelle que soit la catégorie du registre sur laquelle porte la nouvelle demande, prouver qu'elles satisfont aux exigences en matière de connaissances professionnelles auxquelles elles étaient déjà réputées satisfaire lors de leur précédente inscription.
  En outre, en cas de demande de réinscription et quel que soit le délai écoulé depuis leur omission du registre, les personnes précitées ne doivent pas produire une nouvelle fois les certificats visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, et aux paragraphes 6 et 7, qu'elles ont déjà transmis à la FSMA lors de leur précédente inscription.
  Les dispositions du présent paragraphe sont applicables par analogie aux personnes qui ont été désignées comme responsables de la distribution et aux personnes en contact avec le public qui peuvent démontrer qu'elles ont été actives aux mêmes conditions, ainsi qu'aux dirigeants effectifs des intermédiaires en crédit à la consommation qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation.
  Les dérogations prévues au présent paragraphe ne sont pas applicables si l'omission du registre résulte d'une mesure de radiation pour cause de manquement aux exigences en matière de connaissances professionnelles. " ;
  4° il est inséré un paragraphe 9, rédigé comme suit :
  " § 9. Les personnes suivantes, qui possèdent les connaissances professionnelles requises jusqu'à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 visant à l'harmonisation de différents arrêtés royaux relatifs à l'intermédiation dans le secteur financier et des assurances, sont supposés, pour l'exercice de leurs activités et/ou fonctions, remplir les exigences de connaissances professionnelles visées au Chapitre VI du présent arrêté, telles que modifiées par l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité :
  - les intermédiaires en crédit à la consommation qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, sont inscrits au registre des intermédiaires en crédit à la consommation,
  - les responsables de la distribution et dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et qui sont en fonction à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, et,
  - les personnes en contact avec le public qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, s'occupent directement d'intermédiation en crédit à la consommation auprès d'un intermédiaire de crédit inscrit dans le registre des intermédiaires en crédit à la consommation, ou sont employés auprès d'un prêteur. ".
Art.27. In hetzelfde koninklijk besluit worden de artikelen 15/1 en 15/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 15/1. § 1. De in artikel VII.186, § 1, eerste lid, 1°, van het WER bedoelde personen in contact met het publiek moeten, inzake beroepskennis, voldoen aan het bepaalde bij artikel 15, § 2, eerste lid, 2°.
  § 2. De in artikel VII.187, § 1, 1°, bedoelde personen in contact met het publiek bij een agent in een nevenfunctie als bedoeld in artikel VII.72, eerste lid, van het WER moeten een basiskennis bezitten van de in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies.
  § 3. De in artikel VII.187, § 1, 1°, bedoelde personen in contact met het publiek bij een agent in een nevenfunctie als bedoeld in artikel VII.72, tweede lid, van het WER moeten de theoretische kennis als bedoeld in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bezitten.
  § 4. In afwijking van de vorige paragrafen mag een persoon in contact met het publiek die de vereiste theoretische kennis nog niet bezit, als persoon in contact met het publiek in opleiding worden aangesteld.
  Binnen het jaar na zijn eerste aanstelling als persoon in contact met het publiek in opleiding moet de in het eerste lid bedoelde persoon de vereiste theoretische kennis bezitten.
  Zolang de persoon in contact met het publiek in opleiding is, handelt hij onder het toezicht en binnen de omkadering van de bemiddelaar inzake consumentenkrediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een daartoe door de bemiddelaar aangewezen persoon in contact met het publiek die de in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde theoretische kennis bezit en die de overeenkomstig paragraaf 5 vereiste ervaring heeft verworven.
  De persoon in contact met het publiek in opleiding die niet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarde beantwoordt, kan niet langer als persoon in contact met het publiek worden aangesteld.
  § 5. De in paragrafen 1 en 3 bedoelde personen in contact met het publiek moeten aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken die zij volledig hebben opgedaan in de loop van de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van hun aanstelling door de bemiddelaar. De duur van de praktische ervaring wordt overeenkomstig het artikel 15, § 2, tweede lid, berekend.
  Indien de personen in contact met het publiek niet kunnen aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken, wordt hun, in afwijking van het vorige lid, toegestaan om deze ervaring op te doen onder het toezicht en binnen de omkadering van een bemiddelaar inzake consumentenkrediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een persoon in contact met het publiek die daartoe door de bemiddelaar is aangesteld, die over de in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde theoretische kennis beschikt, en die de in het vorige lid vereiste praktische ervaring heeft verworven.
  Het uitgeoefende toezicht is afgestemd op de diensten die de persoon in contact met het publiek verleent, en op zijn relevante kwalificaties en ervaring.
  De in het tweede lid bedoelde ervaring verworven als persoon in contact met het publiek in opleiding wordt als relevante praktische ervaring in aanmerking genomen.
  § 6. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet en de kredietgevers zien erop toe dat de personen in contact met het publiek over voldoende beroepskennis beschikken.
Art.27. Dans le même arrêté royal, il est inséré des articles 15/1 et 15/2, rédigés comme suit :
  " Art. 15/1. § 1er. Les personnes en contact avec le public, telles que visées à l'article VII.186, § 1er, alinéa 1er, 1°, du CDE, doivent, en matière de connaissances professionnelles, répondre aux exigences prévues à l'article 15, paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
  § 2. Les personnes en contact avec le public visées à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 1er, du CDE, doivent posséder une connaissance de base des matières visées à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
  § 3. Les personnes en contact avec le public visées à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 2, du CDE, doivent posséder la connaissance théorique visée à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
  § 4. Par dérogation aux paragraphes précédents, une personne en contact avec le public qui ne possède pas encore la connaissance théorique requise peut être désignée comme personne en contact avec le public en formation.
  Dans l'année qui suit sa première désignation comme personne en contact avec le public en formation, la personne visée à l'alinéa 1er doit posséder la connaissance théorique requise.
  Aussi longtemps que la personne en contact avec le public est en formation, elle agit sous la supervision et bénéficie de l'encadrement de l'intermédiaire en crédit à la consommation, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire, ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet par l'intermédiaire qui possède la connaissance théorique requise visée à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°, et qui a acquis l'expérience pratique exigée au paragraphe 5.
  La personne en contact avec le public en formation qui ne répond pas à la condition prévue à l'alinéa 2 ne peut plus être désignée comme personne en contact avec le public.
  § 5. Les personnes en contact avec le public visées aux paragraphes 1er et 3 doivent justifier d'une expérience pratique utile de six mois et obtenue dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date de leur désignation par l'intermédiaire. La durée de l'expérience pratique est calculée conformément à l'article 15, § 2, alinéa 2 .
  Par dérogation à l'alinéa précédent, si les personnes en contact avec le public ne peuvent pas justifier d'une expérience pratique utile de six mois, elles sont autorisées à l'acquérir, sous la supervision et en bénéficiant de l'encadrement d'un intermédiaire en crédit à la consommation, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet auprès de l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique prévue à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°, et qui a acquis l'expérience pratique visée à l'alinéa précédent.
  La supervision exercée est modulée en fonction des services fournis par la personne en contact avec le public et en fonction des qualifications et de l'expérience pertinentes de la personne en question.
  L'expérience acquise en tant que personne en contact avec le public en formation, telle que visée à l'alinéa 2, est prise en compte comme expérience pratique utile.
  § 6. Les intermédiaires en crédit à la consommation et les prêteurs veillent à ce que les personnes en contact avec le public possèdent les connaissances professionnelles requises.
Art. 15/2. § 1. De in artikel 15 bedoelde theoretische kennis en basiskennis maken het voorwerp uit van een geregelde bijscholing, volgens de nader in dit artikel bepaalde modaliteiten.
  § 2. De in artikel 15, § 1, bedoelde personen moeten jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
  § 3. De in paragraaf 2 bedoelde bijscholing moet worden gegeven door opleidingsverstrekkers die door de FSMA zijn erkend, volgens de door haar bepaalde modaliteiten. De FSMA kan, bij reglement, nader bepalen aan welke organisatorische, inhoudelijke en kwalitatieve vereisten de opleidingsverstrekkers en de door hen verstrekte bijscholing moeten voldoen, alsook de modaliteiten van de erkenningsprocedure. De FSMA publiceert een lijst van de door haar erkende opleidingsverstrekkers op haar website.
  Als de FSMA daarom verzoekt, moeten de opleidingsverstrekkers haar alle inlichtingen en documenten bezorgen die zij nodig acht om te beoordelen of de opleidingsverstrekker en de door hem aangeboden bijscholingen aan het bepaalde bij het eerste lid voldoen. De FSMA kan bij de opleidingsverstrekkers ook inspecties verrichten, en ter plaatse kennisnemen of een kopie maken van alle gegevens in hun bezit.
  Wanneer de FSMA vaststelt dat een opleidingsvertrekker niet aan de in het eerste lid bedoelde vereisten voldoet, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
  De FSMA kan beslissen dat de opleidingen die de betrokken opleidingsverstrekker in die termijn verstrekt, niet in aanmerking komen voor de in dit artikel bedoelde verplichting tot bijscholing. In dat geval brengt de opleidingsverstrekker de deelnemers daarvan op de hoogte.
  Indien de FSMA, na afloop van de termijn die zij overeenkomstig het vorige lid heeft opgelegd, vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de erkenning van de betrokken opleidingsverstrekker.
  § 4. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet en de kredietgevers die de werkzaamheid van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefenen, zien erop toe dat de in artikel 15/1, §§ 1 en 3, bedoelde personen in contact met het publiek die zij tewerkstellen, jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
  § 5. De in paragrafen 2 en 4 bedoelde verplichting tot bijscholing vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de inschrijving van de bemiddelaar of de aanstelling van de betrokken persoon in één van de in paragrafen 2 en 4 bedoelde functies.".
Art. 15/2. § 1er. La connaissance théorique et la connaissance de base visées à l'article 15 font l'objet d'un recyclage régulier, selon les modalités précisées dans le présent article.
  § 2. Les personnes visées à l'article 15, § 1er, doivent suivre au moins 3 heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
  § 3. Le recyclage visé au paragraphe 2 doit être dispensé par des organisateurs de formations qui sont agréés par la FSMA, selon les modalités qu'elle détermine. La FSMA peut préciser, par voie de règlement, les exigences en termes d'organisation, de contenu et de qualité auxquelles les organisateurs de formations et le recyclage dispensé par leurs soins doivent satisfaire, ainsi que les modalités de la procédure d'agrément. La FSMA publie une liste des organisateurs de formations agréés par la FSMA sur son site internet.
  Sur simple demande de la FSMA, les organisateurs de formations sont tenus de lui fournir tous renseignements et de lui délivrer tous documents qu'elle estime nécessaires pour juger si l'organisateur de formations et les recyclages qu'il propose satisfont au prescrit de l'alinéa 1er. La FSMA peut également procéder à des inspections auprès des organisateurs de formations et prendre connaissance ou copie sur place de toutes les informations en leur possession.
  Lorsque la FSMA constate qu'un organisateur de formations ne satisfait pas aux exigences visées à l'alinéa 1er, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
  La FSMA peut décider que, durant ce délai, les formations dispensées par l'organisateur de formations concerné n'entrent pas en considération pour l'obligation de recyclage visée au présent article. Dans ce cas, l'organisateur de formations concerné en informe les participants.
  Si, au terme du délai qu'elle a imposé conformément à l'alinéa précédent, la FSMA constate qu'il n'a pas été remédié aux manquements, la FSMA radie l'agrément de l'organisateur de formations concerné.
  § 4. Les intermédiaires en crédit à la consommation et les prêteurs qui exercent l'activité d'intermédiaire en crédit à la consommation veillent à ce que les personnes en contact avec le public qu'ils emploient visées à l'article 15/1, §§ 1er et 3 suivent au moins trois heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
  § 5. L'obligation de recyclage visée aux paragraphes 2 et 4 prend cours le 1er janvier de l'année civile qui suit l'inscription de l'intermédiaire ou la désignation de la personne concernée dans une des fonctions visées aux paragraphes 2 et 4. ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 18 juni 2019 tot uitvoering van de artikelen 5, 19° /1, 264, 266, 268 en 273 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen
CHAPITRE III. - Modifications de l'arrêté royal du 18 juin 2019 portant exécution des articles 5, 19° /1, 264, 266, 268 et 273 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances
Art.28. In artikel 17 van het koninklijk besluit van 18 juni 2019 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) tussen het tweede en derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
  "Indien de verzekerings- of herverzekeringssubagenten, hun verantwoordelijken voor de distributie of hun effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van verzekerings- of herverzekeringsdistributie als bedoeld in dit lid, niet kunnen aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken, wordt hun, in afwijking van het eerste lid, toegestaan om deze ervaring op te doen onder het toezicht en binnen de omkadering van de verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken subagent handelt, of van een daartoe bij de tussenpersoon aangestelde verantwoordelijke voor de distributie.";
  b) het vroegere derde en vierde lid, die het vierde en vijfde lid worden, worden vervangen als volgt:
  "Het uitgeoefende toezicht is afgestemd op de diensten die de betrokken persoon verleent, en op zijn relevante kwalificaties en ervaring.
  De ervaring verworven als persoon in contact met het publiek in opleiding, als bedoeld in artikel 13, § 2, of als subagent in opleiding, als bedoeld in het derde lid, wordt als relevante praktische ervaring in aanmerking genomen.";
  2° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt:
  " § 5. De FSMA kan de structuur en de inhoud van die praktische ervaring bepalen, alsook de handelingen die, onder de supervisie en de verantwoordelijkheid van een ingeschreven tussenpersoon of van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, kunnen worden verricht tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. De duur van de praktische ervaring wordt op voltijdbasis berekend. De FSMA kan echter specifieke modaliteiten bepalen voor de berekening van de duur van de praktische ervaring wanneer die wordt opgedaan door een kandidaat voor verschillende statuten van tussenpersoon of voor een functie bij een verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon of -onderneming die zijn/haar activiteiten cumuleert met activiteiten van kredietbemiddeling, van kredietgever en/of van bank- of beleggingsdiensten, en/of wanneer die wordt opgedaan bij een verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon of -onderneming die verschillende van voornoemde activiteiten cumuleert tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. Die specifieke modaliteiten zullen onder meer rekening houden met de pertinentie van de opgedane praktische ervaring.".
Art.28. Dans l'article 17 de l'arrêté royal du 18 juin 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
  a) un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, si les sous-agents d'assurance ou de réassurance, leurs responsables de la distribution ou leurs dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité de distribution d'assurances ou de réassurances visées à cet alinéa, ne peuvent pas justifier d'une expérience pratique utile de six mois, ils sont autorisées à l'acquérir, sous la supervision et en bénéficiant de l'encadrement de l'intermédiaire d'assurance ou de réassurance sous la responsabilité duquel agit le sous-agent concerné, ou d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de cet intermédiaire. " ;
  b) les alinéas 3 et 4 anciens, devenant les alinéas 4 et 5, sont remplacés par ce qui suit :
  " La supervision exercée est modulée en fonction des services fournis par la personne concernée et en fonction des qualifications et de l'expérience pertinentes de la personne en question.
  L'expérience acquise en tant que personne en contact avec le public en formation, telle que visée à l'article 13, § 2, ou en tant que sous-agent en formation, telle que visée à l'alinéa 3, est prise en compte comme expérience pratique utile. " ;
  2° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. La FSMA peut préciser la structure et le contenu de cette expérience pratique, ainsi que les actes pouvant être accomplis sous la supervision et la responsabilité d'un intermédiaire inscrit ou d'une entreprise d'assurance ou de réassurance au cours de la période d'acquisition de l'expérience pratique. La durée de l'expérience pratique est calculée sur une base d'équivalent temps plein. La FSMA peut toutefois préciser des modalités spécifiques de calcul de la durée de l'expérience pratique lorsque celle-ci est acquise par un candidat à plusieurs statuts d'intermédiaire ou à une fonction auprès d'un intermédiaire ou d'une entreprise d'assurance ou de réassurance, cumulant ses activités avec des activités d'intermédiation en crédit, de prêteur, et/ ou en matière de services bancaires ou de services d'investissement, et/ou lorsque cette expérience pratique est acquise auprès d'un intermédiaire ou d'une entreprise d'assurance ou de réassurance, cumulant plusieurs des activités précitées durant la période d'acquisition de l'expérience pratique. Ces modalités spécifiques tiendront notamment compte de la pertinence de l'expérience pratique acquise ".
Art.29. In artikel 18, § 3, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
  "De FSMA publiceert een lijst van de door haar erkende opleidingsverstrekkers op haar website.";
  2° het tweede en derde lid worden vervangen als volgt:
  "Als de FSMA daarom verzoekt, moeten de opleidingsverstrekkers haar alle inlichtingen en documenten bezorgen die zij nodig acht om te beoordelen of de opleidingsverstrekker en de door hem aangeboden bijscholingen aan het bepaalde bij het eerste lid voldoen. De FSMA kan bij de opleidingsverstrekkers ook inspecties verrichten, en ter plaatse kennisnemen of een kopie maken van alle gegevens in hun bezit.
  Wanneer de FSMA vaststelt dat een opleidingsvertrekker niet aan de in het eerste lid bedoelde vereisten voldoet, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.";
  3° tussen het derde en het vierde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:
  "De FSMA kan beslissen dat de opleidingen die de betrokken opleidingsverstrekker in die termijn verstrekt, niet in aanmerking komen voor de in dit artikel bedoelde verplichting tot bijscholing. In dat geval brengt de opleidingsverstrekker de deelnemers daarvan op de hoogte.
  Indien de FSMA, na afloop van de termijn die zij conform het vorige lid heeft opgelegd, vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de erkenning van de betrokken opleidingsverstrekker.".
Art.29. Dans l'article 18, § 3, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante :
  " La FSMA publie une liste des organisateurs de formations agréés par la FSMA sur son site internet. " ;
  2° les alinéas 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
  " Sur simple demande de la FSMA, les organisateurs de formations sont tenus de lui fournir tous renseignements et de lui délivrer tous documents qu'elle estime nécessaires pour juger si l'organisateur de formations et les recyclages qu'il propose satisfont au prescrit de l'alinéa 1er. La FSMA peut également procéder à des inspections auprès des organisateurs de formations et prendre connaissance ou copie sur place de toutes les informations en leur possession.
  Lorsque la FSMA constate qu'un organisateur de formations ne satisfait pas aux exigences visées à l'alinéa 1er, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée. " ;
  3° deux alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre l'alinéa 3 et 4 :
  " La FSMA peut décider que, durant ce délai, les formations dispensées par l'organisateur de formations concerné n'entrent pas en considération pour l'obligation de recyclage visée au présent article. Dans ce cas, l'organisateur de formations concerné en informe les participants.
  Si, au terme du délai qu'elle a imposé conformément à l'alinéa précédent, la FSMA constate qu'il n'a pas été remédié aux manquements, la FSMA radie l'agrément de l'organisateur de formations concerné. ".
HOOFDSTUK IV. - Centrale instellingen
CHAPITRE IV.. - Organismes centraux
Art.30. De centrale instellingen als bedoeld in artikel 227 van de wet van 2 mei 2019 houdende diverse financiële bepalingen, moeten de dossiers van de onder hun verantwoordelijkheid ingeschreven tussenpersonen in bank- en bemiddelingsdiensten en kredietbemiddelaars uiterlijk binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de FSMA overdragen. De FSMA bepaalt in overleg met elk van de betrokken instellingen op welke wijze en binnen welke termijn deze overdracht kan gebeuren.
Art.30. Les organismes centraux visés à l'article 227 de la loi du 2 mai 2019 portant des dispositions financières diverses sont tenus de transférer à la FSMA les dossiers relatifs aux intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement et aux intermédiaires de crédit inscrits sous leur responsabilité, au plus tard dans les trois ans suivant l'entrée en vigueur du présent arrêté. La FSMA détermine, en concertation avec chacun des organismes concernés, les modalités et le délai de transmission de ces dossiers.
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE V. - Dispositions transitoires
Art.31. § 1. Met uitzondering van de tussenpersonen van wie de initiële inschrijvingsaanvraag collectief werd ingediend door een centrale instelling, moeten de tussenpersonen die, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zijn ingeschreven in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet of in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet, uiterlijk binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit aan de bepalingen ervan te voldoen.
  De tussenpersonen van wie de initiële inschrijvingsaanvraag collectief werd ingediend door een centrale instelling, moeten, uiterlijk binnen drie maanden na de overdracht van hun dossier conform Hoofdstuk IV van dit besluit, aan de bepalingen van dit besluit voldoen.
  § 2. In afwijking van artikel 8/1, § 5, van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 vangt de verplichting tot bijscholing van de in artikel 8/1, §§ 2 en 4, bedoelde personen, die vóór 1 januari 2021 in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten zijn ingeschreven, of in een van de in artikel 8/1, §§ 2 en 4, bedoelde functies zijn aangesteld, op 1 januari 2022 aan.
  In afwijking van de artikelen 12/2, § 5, en 15/2, § 5, van het koninklijk besluit van 29 oktober 2015 vangt de verplichting tot bijscholing van de in de artikelen 12/2, §§ 2 en 4, of 15/2, §§ 2 en 4, bedoelde personen, die vóór 1 januari 2021 in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet of van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet zijn ingeschreven, of in een van de in de artikelen 12/2, §§ 2 en 4, of 15/2, §§ 2 en 4, bedoelde functies zijn aangesteld, op 1 januari 2022 aan.
Art.31. § 1er. A l'exception de ceux dont la demande d'inscription initiale a été introduite collectivement par un organisme central, les intermédiaires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, sont inscrits au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement, au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire ou au registre des intermédiaires en crédit à la consommation doivent satisfaire aux dispositions du présent arrêté dans un délai de trois mois à dater de son entrée en vigueur.
  Les intermédiaires dont la demande d'inscription initiale a été introduite collectivement par un organisme central doivent satisfaire aux dispositions du présent arrêté dans un délai de trois mois à dater du transfert de leur dossier opéré conformément au Chapitre IV du présent arrêté.
  § 2. Par dérogation à l'article 8/1, § 5, de l'arrêté royal du 1er juillet 2006, l'obligation de recyclage des personnes visées à l'article 8/1, §§ 2 et 4, inscrites au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement ou désignées dans une des fonctions visées à l'article 8/1, §§ 2 et 4, avant le 1er janvier 2021, prend cours le 1er janvier 2022.
  Par dérogation aux articles 12/2, § 5, et 15/2, § 5, de l'arrêté royal du 29 octobre 2015, l'obligation de recyclage des personnes visées aux articles 12/2, §§ 2 et 4, ou 15/2, §§ 2 et 4, inscrites au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire ou des intermédiaires en crédit à la consommation ou désignées dans une des fonctions visées aux articles 12/2, §§ 2 et 4, ou 15/2, §§ 2 et 4, avant le 1er janvier 2021, prend cours le 1er janvier 2022.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen
CHAPITRE VI. - Dispositions finales
Art.32. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2022.
Art.32. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2022.
Art. 33. De minister bevoegd voor Economie, de minister bevoegd voor Financiën, de minister bevoegd voor Middenstand en de minister bevoegd voor Consumentenbescherming zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 33. Le ministre qui a l'Economie dans ses attributions, le ministre qui a les Finances dans ses attributions, le ministre qui a les Classes moyennes et le ministre qui a la Protection des consommateurs dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.