Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 JULI 2022. - Wet tot wijziging van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-08-2022 en tekstbijwerking tot 29-03-2024)
Titre
14 JUILLET 2022. - Loi modifiant la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-08-2022 et mise à jour au 29-03-2024)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (27)
Texte (27)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. In artikel 3 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de Franse tekst van de bepaling onder 4° wordt aangevuld met de woorden "des Forces Armées";
2° in de bepaling onder 6° worden de woorden "de commissie" vervangen door de woorden "de Commissie";
3° er wordt een bepaling onder 8° /1 ingevoegd, luidende:
"8° /1 "zijn gedelegeerde": de agent, andere dan de dossierbeheerder, aangesteld door middel van een schriftelijke beslissing van het diensthoofd die overgemaakt werd aan het Vast Comité I, om gewoonlijk bepaalde beslissingen in de plaats van het diensthoofd te nemen;";
4° in de bepaling onder 9° worden de woorden "de inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "de methodenofficier".
5° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 22° tot 28°, luidende:
22° "valse naam": een naam die niet toebehoort aan de agent en die niet wordt aangetoond door middel van een identiteitskaart, een paspoort, een vreemdelingenkaart of een verblijfsdocument of door officiële documenten die hieruit voortvloeien;
23° "valse hoedanigheid": een hoedanigheid die niet toekomt aan de agent en waaruit geen rechtsgevolg voortvloeit;
24° "fictieve identiteit": een valse identiteit, die wordt aangetoond door middel van een identiteitskaart, een paspoort, een vreemdelingenkaart of een verblijfsdocument;
25° "fictieve hoedanigheid": een statuut, een titel of een functie die niet toebehoort aan de agent en waaruit rechtsgevolgen voortvloeien;
26° "menselijke bron": een persoon die een inlichting meedeelt aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en die geregistreerd is overeenkomstig de procedure bedoeld in de door de Nationale Veiligheidsraad goedgekeurde richtlijn betreffende het beroep op menselijke bronnen;
27° "infiltreren": de handeling waarbij een agent, buiten de gevallen bedoeld in artikel 18, zich doelbewust in een groep of in het leven van een persoon integreert om informatie of gegevens te verzamelen in het kader van een onderzoek van een inlichtingen- en veiligheidsdienst en in het belang van de uitoefening van zijn opdrachten, hetzij in de virtuele wereld, hetzij in de reële wereld. Deze agent verbergt zijn hoedanigheid van agent van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en, voor de agenten van de Algemene Dienst Inlichting- en Veiligheid, van lid van het ministerie van Defensie, en:
a) neemt deel aan de activiteiten of faciliteert deze of ondersteunt actief de overtuigingen of de activiteiten van de persoon of de groep die het voorwerp uitmaakt van het onderzoek, of
b) onderhoudt duurzame contacten met hen.".
1° de Franse tekst van de bepaling onder 4° wordt aangevuld met de woorden "des Forces Armées";
2° in de bepaling onder 6° worden de woorden "de commissie" vervangen door de woorden "de Commissie";
3° er wordt een bepaling onder 8° /1 ingevoegd, luidende:
"8° /1 "zijn gedelegeerde": de agent, andere dan de dossierbeheerder, aangesteld door middel van een schriftelijke beslissing van het diensthoofd die overgemaakt werd aan het Vast Comité I, om gewoonlijk bepaalde beslissingen in de plaats van het diensthoofd te nemen;";
4° in de bepaling onder 9° worden de woorden "de inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "de methodenofficier".
5° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 22° tot 28°, luidende:
22° "valse naam": een naam die niet toebehoort aan de agent en die niet wordt aangetoond door middel van een identiteitskaart, een paspoort, een vreemdelingenkaart of een verblijfsdocument of door officiële documenten die hieruit voortvloeien;
23° "valse hoedanigheid": een hoedanigheid die niet toekomt aan de agent en waaruit geen rechtsgevolg voortvloeit;
24° "fictieve identiteit": een valse identiteit, die wordt aangetoond door middel van een identiteitskaart, een paspoort, een vreemdelingenkaart of een verblijfsdocument;
25° "fictieve hoedanigheid": een statuut, een titel of een functie die niet toebehoort aan de agent en waaruit rechtsgevolgen voortvloeien;
26° "menselijke bron": een persoon die een inlichting meedeelt aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en die geregistreerd is overeenkomstig de procedure bedoeld in de door de Nationale Veiligheidsraad goedgekeurde richtlijn betreffende het beroep op menselijke bronnen;
27° "infiltreren": de handeling waarbij een agent, buiten de gevallen bedoeld in artikel 18, zich doelbewust in een groep of in het leven van een persoon integreert om informatie of gegevens te verzamelen in het kader van een onderzoek van een inlichtingen- en veiligheidsdienst en in het belang van de uitoefening van zijn opdrachten, hetzij in de virtuele wereld, hetzij in de reële wereld. Deze agent verbergt zijn hoedanigheid van agent van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en, voor de agenten van de Algemene Dienst Inlichting- en Veiligheid, van lid van het ministerie van Defensie, en:
a) neemt deel aan de activiteiten of faciliteert deze of ondersteunt actief de overtuigingen of de activiteiten van de persoon of de groep die het voorwerp uitmaakt van het onderzoek, of
b) onderhoudt duurzame contacten met hen.".
Art. 2. A l'article 3 de la loi organique du 30 novembre 1998 des services de renseignement et de sécurité, modifié en dernier lieu par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° le 4° est complété par les mots "des Forces armées";
2° dans le 6°, les mots "la commission" sont remplacés par les mots "la Commission";
3° un 8° /1 est inséré, rédigé comme suit:
"8° /1 "son délégué": l'agent, autre que le gestionnaire du dossier, désigné par décision écrite du dirigeant du service transmise au Comité permanent R, pour prendre habituellement certaines décisions à la place du dirigeant du service;";
4° dans le 9°, les mots "l'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "l'officier des méthodes".
5° l'article est complété par les 22° à 28°, rédigés comme suit:
22° "faux nom": un nom qui n'appartient pas à l'agent et qui n'est pas attesté par une carte d'identité, un passeport, une carte d'étranger ou un document de séjour ou par des documents officiels en découlant;
23° "fausse qualité": une qualité qui n'appartient pas à l'agent et dont il ne découle aucun effet juridique;
24° "identité fictive": une fausse identité attestée par une carte d'identité, un passeport, une carte d'étranger ou un document de séjour;
25° "qualité fictive": un statut, un titre ou une fonction n'appartenant pas à l'agent dont il découle des effets juridiques;
26° "source humaine": une personne qui donne une information aux services de renseignement et de sécurité et qui est enregistrée conformément à la procédure visée dans la directive portant sur le recours à des sources humaines approuvée par le Conseil national de sécurité;
27° "s'infiltrer": le fait pour un agent, en dehors des cas visés à l'article 18, de s'intégrer délibérément dans un groupe ou dans la vie d'une personne afin de recueillir des informations ou des données, dans le cadre d'une enquête d'un service de renseignement et de sécurité et dans l'intérêt de l'exercice de ses missions, soit dans le monde virtuel, soit dans le monde réel. Cet agent dissimule sa qualité d'agent des services de renseignement et de sécurité et, pour les agents du Service Général du Renseignement et de la Sécurité, de membre du ministère de la Défense, et:
a) participe ou facilite les activités ou soutient activement les convictions ou les activités de la personne ou du groupe qui fait l'objet de l'enquête, ou
b) entretient des relations durables avec ceux-ci.".
1° le 4° est complété par les mots "des Forces armées";
2° dans le 6°, les mots "la commission" sont remplacés par les mots "la Commission";
3° un 8° /1 est inséré, rédigé comme suit:
"8° /1 "son délégué": l'agent, autre que le gestionnaire du dossier, désigné par décision écrite du dirigeant du service transmise au Comité permanent R, pour prendre habituellement certaines décisions à la place du dirigeant du service;";
4° dans le 9°, les mots "l'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "l'officier des méthodes".
5° l'article est complété par les 22° à 28°, rédigés comme suit:
22° "faux nom": un nom qui n'appartient pas à l'agent et qui n'est pas attesté par une carte d'identité, un passeport, une carte d'étranger ou un document de séjour ou par des documents officiels en découlant;
23° "fausse qualité": une qualité qui n'appartient pas à l'agent et dont il ne découle aucun effet juridique;
24° "identité fictive": une fausse identité attestée par une carte d'identité, un passeport, une carte d'étranger ou un document de séjour;
25° "qualité fictive": un statut, un titre ou une fonction n'appartenant pas à l'agent dont il découle des effets juridiques;
26° "source humaine": une personne qui donne une information aux services de renseignement et de sécurité et qui est enregistrée conformément à la procédure visée dans la directive portant sur le recours à des sources humaines approuvée par le Conseil national de sécurité;
27° "s'infiltrer": le fait pour un agent, en dehors des cas visés à l'article 18, de s'intégrer délibérément dans un groupe ou dans la vie d'une personne afin de recueillir des informations ou des données, dans le cadre d'une enquête d'un service de renseignement et de sécurité et dans l'intérêt de l'exercice de ses missions, soit dans le monde virtuel, soit dans le monde réel. Cet agent dissimule sa qualité d'agent des services de renseignement et de sécurité et, pour les agents du Service Général du Renseignement et de la Sécurité, de membre du ministère de la Défense, et:
a) participe ou facilite les activités ou soutient activement les convictions ou les activités de la personne ou du groupe qui fait l'objet de l'enquête, ou
b) entretient des relations durables avec ceux-ci.".
Art. 3. In artikel 11 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1, 1°, f) worden de woorden "bedreigt of zou kunnen bedreigen;" verplaatst naar het begin van de volgende regel;
b) in paragraaf 1, 2°, wordt het woord "beheerst" vervangen door het woord "beheert" en worden de woorden "recht van de gewapende conflicten" vervangen door de woorden "internationaal recht";
c) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 2° /1 ingevoegd, luidende:
"2° /1 het neutraliseren, in het kader van een nationale cybersecurity crisis, van een cyberaanval op informatica- en verbindingssystemen niet beheerd door de minister van Landsverdediging en er de daders van identificeren, onverminderd het recht onmiddellijk met een eigen cyberaanval te reageren overeenkomstig de bepalingen van het internationaal recht;";
d) in paragraaf 1, 4° en 5°, wordt het leesteken "." vervangen door het leesteken ";";
e) paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepaling onder 6°, luidende:
"6° het uitvoeren van alle andere opdrachten die hem door of krachtens de wet worden toevertrouwd.";
f) paragraaf 2 wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende:
"5° "nationale cybersecurity crisis": elke cybersecurity gebeurtenis die wegens haar aard of gevolgen:
- de vitale belangen van het land of de essentiële behoeften van de bevolking bedreigt;
- een dringende besluitvorming vereist; en
- de gecoördineerde inzet van verscheidene departementen en organismen vergt.";
g) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "paragraaf 1, 1°, 2°, 3° en 5° " vervangen door de woorden "paragraaf 1, 1° tot 3°, 5° en 6° ".
a) in paragraaf 1, 1°, f) worden de woorden "bedreigt of zou kunnen bedreigen;" verplaatst naar het begin van de volgende regel;
b) in paragraaf 1, 2°, wordt het woord "beheerst" vervangen door het woord "beheert" en worden de woorden "recht van de gewapende conflicten" vervangen door de woorden "internationaal recht";
c) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 2° /1 ingevoegd, luidende:
"2° /1 het neutraliseren, in het kader van een nationale cybersecurity crisis, van een cyberaanval op informatica- en verbindingssystemen niet beheerd door de minister van Landsverdediging en er de daders van identificeren, onverminderd het recht onmiddellijk met een eigen cyberaanval te reageren overeenkomstig de bepalingen van het internationaal recht;";
d) in paragraaf 1, 4° en 5°, wordt het leesteken "." vervangen door het leesteken ";";
e) paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepaling onder 6°, luidende:
"6° het uitvoeren van alle andere opdrachten die hem door of krachtens de wet worden toevertrouwd.";
f) paragraaf 2 wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende:
"5° "nationale cybersecurity crisis": elke cybersecurity gebeurtenis die wegens haar aard of gevolgen:
- de vitale belangen van het land of de essentiële behoeften van de bevolking bedreigt;
- een dringende besluitvorming vereist; en
- de gecoördineerde inzet van verscheidene departementen en organismen vergt.";
g) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "paragraaf 1, 1°, 2°, 3° en 5° " vervangen door de woorden "paragraaf 1, 1° tot 3°, 5° en 6° ".
Art. 3. Dans l'article 11 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
a) au paragraphe 1er, 1°, f), dans le texte néerlandais, les mots "bedreigt of zou kunnen bedreigen;" sont déplacés à la ligne suivante;
b) au paragraphe 1er, 2°, dans le texte néerlandais, le mot "beheerst" est remplacé par le mot "beheert" et les mots "des conflits armés" sont remplacés par le mot "international";
c) au paragraphe 1er, il est inséré un 2° /1 rédigé comme suit:
"2° /1 de neutraliser, dans le cadre d'une crise nationale de cybersécurité, une cyberattaque de systèmes informatiques et de communications non gérés par le ministre de la Défense et d'en identifier les auteurs, sans préjudice du droit de réagir immédiatement par une propre cyberattaque, dans le respect des dispositions du droit international;";
d) au paragraphe 1er, 4° et 5°, le signe de ponctuation "." est remplacé par le signe de ponctuation ";";
e) le paragraphe 1er est complété par le 6° rédigé comme suit:
"6° d'exécuter toutes autres missions qui lui sont confiées par ou en vertu de la loi.";
f) le paragraphe 2 est complété par le 5° rédigé comme suit:
"5° "crise nationale de cybersécurité": tout incident de cybersécurité qui, par sa nature ou ses conséquences:
- menace les intérêts vitaux du pays ou les besoins essentiels de la population;
- requiert des décisions urgentes; et
- demande une action coordonnée de plusieurs départements et organismes.";
g) au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "paragraphe 1er, 1°, 2°, 3° et 5° " sont remplacés par les mots "paragraphe 1er, 1° à 3°, 5° et 6° ".
a) au paragraphe 1er, 1°, f), dans le texte néerlandais, les mots "bedreigt of zou kunnen bedreigen;" sont déplacés à la ligne suivante;
b) au paragraphe 1er, 2°, dans le texte néerlandais, le mot "beheerst" est remplacé par le mot "beheert" et les mots "des conflits armés" sont remplacés par le mot "international";
c) au paragraphe 1er, il est inséré un 2° /1 rédigé comme suit:
"2° /1 de neutraliser, dans le cadre d'une crise nationale de cybersécurité, une cyberattaque de systèmes informatiques et de communications non gérés par le ministre de la Défense et d'en identifier les auteurs, sans préjudice du droit de réagir immédiatement par une propre cyberattaque, dans le respect des dispositions du droit international;";
d) au paragraphe 1er, 4° et 5°, le signe de ponctuation "." est remplacé par le signe de ponctuation ";";
e) le paragraphe 1er est complété par le 6° rédigé comme suit:
"6° d'exécuter toutes autres missions qui lui sont confiées par ou en vertu de la loi.";
f) le paragraphe 2 est complété par le 5° rédigé comme suit:
"5° "crise nationale de cybersécurité": tout incident de cybersécurité qui, par sa nature ou ses conséquences:
- menace les intérêts vitaux du pays ou les besoins essentiels de la population;
- requiert des décisions urgentes; et
- demande une action coordonnée de plusieurs départements et organismes.";
g) au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "paragraphe 1er, 1°, 2°, 3° et 5° " sont remplacés par les mots "paragraphe 1er, 1° à 3°, 5° et 6° ".
Art. 5. In hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd die de artikelen 13/1, 13/1/1 en 13/1/2 bevat, luidende "Het plegen van strafbare feiten".
Art. 5. Dans le chapitre III, section 2 de la même loi, il est inséré une sous-section 1ère, comportant les articles 13/1, 13/1/1, 13/1/2, intitulée "Commission d'infractions".
Art. 6. In onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 5, worden in artikel 13/1, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, de volgende wijzigingen aangebracht:
a) het eerste lid wordt paragraaf 1;
b) het tweede lid, dat paragraaf 2 is geworden, wordt vervangen als volgt:
" § 2. In afwijking van paragraaf 1, blijven vrij van straf de agenten die overtredingen, inbreuken op de wegcode of een gebruiksdiefstal begaan die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de optimale uitvoering van de opdracht of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden, wanneer deze agenten:
1° belast zijn met de uitvoering van de methoden voor het verzamelen van gegevens; of
2° leden zijn van het interventieteam.";
c) de leden 3, 4, 5 en 6 worden opgeheven en vervangen door de paragrafen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11, luidende:
" § 3. Onverminderd paragraaf 2, blijven vrij van straf, de agenten die in de uitvoering van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, strafbare feiten plegen die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de optimale uitvoering van hun opdracht of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden.
De strafbare feiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen slechts worden gepleegd na voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie. De Commissie geeft haar schriftelijk akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en met redenen omklede vraag van het diensthoofd.
Het akkoord geldt voor een maximumtermijn van zes maanden, onverminderd de mogelijkheid om de maatregel te verlengen volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
De vraag van het diensthoofd vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd;
2° de context van de vraag en de finaliteit;
3° de lijst met agenten die beantwoorden aan het vereiste profiel om de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd bedoeld in de bepaling onder 1° te plegen;
4° de strikte noodzakelijkheid;
5° de proportionaliteit bedoeld in paragraaf 4;
6° de periode waarbinnen het strafbaar feit of de strafbare feiten kunnen worden gepleegd, te rekenen vanaf het akkoord van de Commissie en de motivering van de duur van deze periode;
7° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid bedoeld in paragraaf 6 rechtvaardigen;
8° de naam van de agent(en) belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit;
9° de datum van de vraag;
10° de handtekening van het diensthoofd.
§ 4. De strafbare feiten moeten in gelijke verhouding staan tot het door de opdracht nagestreefde doel en mogen in geen geval afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen.
§ 5. De agent belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit brengt zo spoedig mogelijk na het plegen van het strafbaar feit schriftelijk verslag uit aan het diensthoofd.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst informeert zo spoedig mogelijk schriftelijk de Commissie.
In afwijking van het tweede lid, indien de maatregel is toegestaan voor een periode langer dan twee maanden, brengt de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst om de twee weken schriftelijk verslag uit aan de Commissie over het verloop van de maatregel.
Op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt het verslag op een kortere termijn overgezonden, voor zover de agent die het strafbaar feit pleegde in veiligheid is.
§ 6. In geval van hoogdringendheid vraagt het diensthoofd vooraf het mondeling akkoord van de voorzitter van de Commissie of, indien hij niet bereikbaar is, van een ander lid. Diegene die het akkoord gegeven heeft, brengt de andere leden hiervan onmiddellijk op de hoogte. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur na de mededeling van het akkoord. Deze schriftelijke bevestiging bevat de vermeldingen bedoeld in paragraaf 3, vierde lid. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord geldt voor vijf dagen.
§ 7. Indien door onvoorziene omstandigheden feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd gepleegd werden en waarvoor de procedure bedoeld in de paragrafen 3 of 6 niet gevolgd kon worden, brengt het diensthoofd dit zo spoedig mogelijk en ten laatste binnen vierentwintig uur vanaf zijn kennisname van het plegen van de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd schriftelijk ter kennis van de Commissie. De agent die deze feiten heeft gepleegd blijft vrij van straf indien de Commissie oordeelt dat zij niet voorzienbaar en strikt noodzakelijk waren ter verzekering van de eigen veiligheid of die van derden.
§ 8. Indien de Commissie nalaat haar beslissing te nemen overeenkomstig de paragrafen 3, 6 of 7, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming zal geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen.
In geval van een negatieve beslissing van de Commissie overeenkomstig de paragrafen 3, 6 of 7, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten. Het Vast Comité I zal zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen. Het Vast Comité I deelt zijn beslissing mee aan het diensthoofd en aan de Commissie.
§ 9. De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 3 tot 7 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 10. Het diensthoofd beëindigt de maatregel zo snel mogelijk, wanneer de absolute noodzaak om een strafbaar feit te plegen is weggevallen, wanneer de maatregel niet langer nuttig is voor het doel waarvoor hij werd aangevraagd of wanneer een onwettigheid is vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo snel mogelijk ter kennis van de Commissie en het Vast Comité I.
Indien de Commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, brengt zij of hij het betrokken diensthoofd hiervan schriftelijk op de hoogte. Deze laatste beëindigt zo snel mogelijk de geplande of lopende maatregel en bevestigt vervolgens schriftelijk aan de Commissie en aan het Vast Comité I dat de maatregel is beëindigd.
§ 11. De leden van de Commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de maatregelen.
Zij kunnen daartoe toegang hebben tot de gegevens met betrekking tot de maatregel, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.".
a) het eerste lid wordt paragraaf 1;
b) het tweede lid, dat paragraaf 2 is geworden, wordt vervangen als volgt:
" § 2. In afwijking van paragraaf 1, blijven vrij van straf de agenten die overtredingen, inbreuken op de wegcode of een gebruiksdiefstal begaan die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de optimale uitvoering van de opdracht of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden, wanneer deze agenten:
1° belast zijn met de uitvoering van de methoden voor het verzamelen van gegevens; of
2° leden zijn van het interventieteam.";
c) de leden 3, 4, 5 en 6 worden opgeheven en vervangen door de paragrafen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11, luidende:
" § 3. Onverminderd paragraaf 2, blijven vrij van straf, de agenten die in de uitvoering van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, strafbare feiten plegen die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de optimale uitvoering van hun opdracht of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden.
De strafbare feiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen slechts worden gepleegd na voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie. De Commissie geeft haar schriftelijk akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en met redenen omklede vraag van het diensthoofd.
Het akkoord geldt voor een maximumtermijn van zes maanden, onverminderd de mogelijkheid om de maatregel te verlengen volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
De vraag van het diensthoofd vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd;
2° de context van de vraag en de finaliteit;
3° de lijst met agenten die beantwoorden aan het vereiste profiel om de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd bedoeld in de bepaling onder 1° te plegen;
4° de strikte noodzakelijkheid;
5° de proportionaliteit bedoeld in paragraaf 4;
6° de periode waarbinnen het strafbaar feit of de strafbare feiten kunnen worden gepleegd, te rekenen vanaf het akkoord van de Commissie en de motivering van de duur van deze periode;
7° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid bedoeld in paragraaf 6 rechtvaardigen;
8° de naam van de agent(en) belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit;
9° de datum van de vraag;
10° de handtekening van het diensthoofd.
§ 4. De strafbare feiten moeten in gelijke verhouding staan tot het door de opdracht nagestreefde doel en mogen in geen geval afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen.
§ 5. De agent belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit brengt zo spoedig mogelijk na het plegen van het strafbaar feit schriftelijk verslag uit aan het diensthoofd.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst informeert zo spoedig mogelijk schriftelijk de Commissie.
In afwijking van het tweede lid, indien de maatregel is toegestaan voor een periode langer dan twee maanden, brengt de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst om de twee weken schriftelijk verslag uit aan de Commissie over het verloop van de maatregel.
Op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt het verslag op een kortere termijn overgezonden, voor zover de agent die het strafbaar feit pleegde in veiligheid is.
§ 6. In geval van hoogdringendheid vraagt het diensthoofd vooraf het mondeling akkoord van de voorzitter van de Commissie of, indien hij niet bereikbaar is, van een ander lid. Diegene die het akkoord gegeven heeft, brengt de andere leden hiervan onmiddellijk op de hoogte. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur na de mededeling van het akkoord. Deze schriftelijke bevestiging bevat de vermeldingen bedoeld in paragraaf 3, vierde lid. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord geldt voor vijf dagen.
§ 7. Indien door onvoorziene omstandigheden feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd gepleegd werden en waarvoor de procedure bedoeld in de paragrafen 3 of 6 niet gevolgd kon worden, brengt het diensthoofd dit zo spoedig mogelijk en ten laatste binnen vierentwintig uur vanaf zijn kennisname van het plegen van de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd schriftelijk ter kennis van de Commissie. De agent die deze feiten heeft gepleegd blijft vrij van straf indien de Commissie oordeelt dat zij niet voorzienbaar en strikt noodzakelijk waren ter verzekering van de eigen veiligheid of die van derden.
§ 8. Indien de Commissie nalaat haar beslissing te nemen overeenkomstig de paragrafen 3, 6 of 7, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming zal geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen.
In geval van een negatieve beslissing van de Commissie overeenkomstig de paragrafen 3, 6 of 7, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten. Het Vast Comité I zal zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen. Het Vast Comité I deelt zijn beslissing mee aan het diensthoofd en aan de Commissie.
§ 9. De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 3 tot 7 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 10. Het diensthoofd beëindigt de maatregel zo snel mogelijk, wanneer de absolute noodzaak om een strafbaar feit te plegen is weggevallen, wanneer de maatregel niet langer nuttig is voor het doel waarvoor hij werd aangevraagd of wanneer een onwettigheid is vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo snel mogelijk ter kennis van de Commissie en het Vast Comité I.
Indien de Commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, brengt zij of hij het betrokken diensthoofd hiervan schriftelijk op de hoogte. Deze laatste beëindigt zo snel mogelijk de geplande of lopende maatregel en bevestigt vervolgens schriftelijk aan de Commissie en aan het Vast Comité I dat de maatregel is beëindigd.
§ 11. De leden van de Commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de maatregelen.
Zij kunnen daartoe toegang hebben tot de gegevens met betrekking tot de maatregel, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.".
Art. 6. Dans la sous-section 1ère, insérée par l'article 5, à l'article 13/1, inséré par la loi du 4 février 2010 et modifié par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
a) l'alinéa 1er devient le paragraphe 1er;
b) l'alinéa 2, devenu le paragraphe 2, est remplacé comme suit:
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, sont exemptés de peine les agents qui commettent des contraventions, des infractions au code de la route ou un vol d'usage, qui sont absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de la mission ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers, lorsque ces agents sont:
1° chargés d'exécuter les méthodes de recueil de données; ou
2° membres de l'équipe d'intervention.";
c) les alinéas 3, 4, 5 et 6 sont abrogés et remplacés par les paragraphes 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 et 11, rédigés comme suit:
" § 3. Sans préjudice du paragraphe 2, sont exemptés de peine, les agents qui, lors de l'exécution des missions visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, commettent des infractions absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de leur mission ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers.
Les infractions visées à l'alinéa 1er ne peuvent être commises qu'avec l'accord écrit préalable de la Commission. La Commission donne son accord écrit dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
L'accord ne peut porter sur une période supérieure à six mois, sans préjudice de la possibilité de prolonger la mesure en suivant la procédure visée à l'alinéa 2.
La demande du dirigeant du service mentionne, sous peine d'illégalité:
1° les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s);
2° le contexte de la demande et la finalité;
3° la liste des agents répondant au profil requis pour commettre les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s) visés au 1° ;
4° l'absolue nécessité;
5° la proportionnalité visée au paragraphe 4;
6° la période durant laquelle la ou les infractions peuvent être commises à compter de l'accord de la Commission et la motivation de la durée de la période;
7° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 6;
8° le nom du ou des agent(s) chargé(s) du suivi du déroulement de l'infraction;
9° la date de la demande;
10° la signature du dirigeant du service.
§ 4. Les infractions doivent être directement proportionnelles à l'objectif visé par la mission et ne peuvent en aucun cas porter atteinte à l'intégrité physique des personnes.
§ 5. L'agent qui assure le suivi du déroulement de l'infraction fait rapport par écrit au dirigeant du service dans les plus brefs délais après la commission de l'infraction.
Le service de renseignement et de sécurité concerné en informe la Commission par écrit dans les plus brefs délais.
Par dérogation à l'alinéa 2, si la mesure a été autorisée pour une période supérieure à deux mois, le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport toutes les deux semaines par écrit à la Commission sur le déroulement de la mesure.
A la demande motivée de la Commission, le rapport est transmis à plus courte échéance, pour autant que l'agent qui a commis l'infraction soit en sécurité pour le faire.
§ 6. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la Commission ou, s'il n'est pas joignable, d'un autre membre. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant la communication de l'accord. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 3, alinéa 4. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit dans les plus brefs délais. Cet accord est valable cinq jours.
§ 7. Si, en raison de circonstances imprévisibles, les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s) ont été commis pour lesquels la procédure prévue aux paragraphes 3 ou 6 n'a pas pu être suivie, le dirigeant du service en informe la Commission par écrit dans les plus brefs délais et au plus tard dans les vingt-quatre heures qui suivent sa prise de connaissance de la commission des faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s). L'agent qui a commis ces faits bénéficie de l'exemption de peine si la Commission estime qu'ils étaient imprévisibles et strictement nécessaires pour assurer sa propre sécurité ou celle de tiers.
§ 8. Si la Commission ne rend pas sa décision conformément aux paragraphes 3, 6 ou 7, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R qui autorisera ou n'autorisera pas la commission de(s) (l') infraction(s) dans les plus brefs délais.
En cas de décision négative de la Commission en application des paragraphes 3, 6 ou 7, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R. Le Comité permanent R autorisera ou n'autorisera pas la commission d'infraction(s) dans les plus brefs délais. Le Comité permanent R communique sa décision au dirigeant du service et à la Commission.
§ 9. La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 3 à 7 au Comité permanent R.
§ 10. Le dirigeant du service met fin à la mesure dès que possible, lorsque l'absolue nécessité de commettre une infraction a disparu, lorsque la mesure n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été demandée ou lorsqu'il a été constaté une illégalité. Il en informe dès que possible la Commission et le Comité permanent R.
Lorsque la Commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, elle ou il en informe par écrit le dirigeant du service concerné. Ce dernier met fin à la mesure en cours ou planifiée dès que possible et confirme ensuite par écrit à la Commission et au Comité permanent R que la mesure a pris fin.
§ 11. Les membres de la Commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des mesures.
Ils peuvent, à cet effet, avoir accès aux données relatives à la mesure, se saisir de toutes les pièces utiles et entendre les membres du service.".
a) l'alinéa 1er devient le paragraphe 1er;
b) l'alinéa 2, devenu le paragraphe 2, est remplacé comme suit:
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, sont exemptés de peine les agents qui commettent des contraventions, des infractions au code de la route ou un vol d'usage, qui sont absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de la mission ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers, lorsque ces agents sont:
1° chargés d'exécuter les méthodes de recueil de données; ou
2° membres de l'équipe d'intervention.";
c) les alinéas 3, 4, 5 et 6 sont abrogés et remplacés par les paragraphes 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 et 11, rédigés comme suit:
" § 3. Sans préjudice du paragraphe 2, sont exemptés de peine, les agents qui, lors de l'exécution des missions visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, commettent des infractions absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de leur mission ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers.
Les infractions visées à l'alinéa 1er ne peuvent être commises qu'avec l'accord écrit préalable de la Commission. La Commission donne son accord écrit dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
L'accord ne peut porter sur une période supérieure à six mois, sans préjudice de la possibilité de prolonger la mesure en suivant la procédure visée à l'alinéa 2.
La demande du dirigeant du service mentionne, sous peine d'illégalité:
1° les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s);
2° le contexte de la demande et la finalité;
3° la liste des agents répondant au profil requis pour commettre les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s) visés au 1° ;
4° l'absolue nécessité;
5° la proportionnalité visée au paragraphe 4;
6° la période durant laquelle la ou les infractions peuvent être commises à compter de l'accord de la Commission et la motivation de la durée de la période;
7° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 6;
8° le nom du ou des agent(s) chargé(s) du suivi du déroulement de l'infraction;
9° la date de la demande;
10° la signature du dirigeant du service.
§ 4. Les infractions doivent être directement proportionnelles à l'objectif visé par la mission et ne peuvent en aucun cas porter atteinte à l'intégrité physique des personnes.
§ 5. L'agent qui assure le suivi du déroulement de l'infraction fait rapport par écrit au dirigeant du service dans les plus brefs délais après la commission de l'infraction.
Le service de renseignement et de sécurité concerné en informe la Commission par écrit dans les plus brefs délais.
Par dérogation à l'alinéa 2, si la mesure a été autorisée pour une période supérieure à deux mois, le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport toutes les deux semaines par écrit à la Commission sur le déroulement de la mesure.
A la demande motivée de la Commission, le rapport est transmis à plus courte échéance, pour autant que l'agent qui a commis l'infraction soit en sécurité pour le faire.
§ 6. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la Commission ou, s'il n'est pas joignable, d'un autre membre. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant la communication de l'accord. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 3, alinéa 4. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit dans les plus brefs délais. Cet accord est valable cinq jours.
§ 7. Si, en raison de circonstances imprévisibles, les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s) ont été commis pour lesquels la procédure prévue aux paragraphes 3 ou 6 n'a pas pu être suivie, le dirigeant du service en informe la Commission par écrit dans les plus brefs délais et au plus tard dans les vingt-quatre heures qui suivent sa prise de connaissance de la commission des faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s). L'agent qui a commis ces faits bénéficie de l'exemption de peine si la Commission estime qu'ils étaient imprévisibles et strictement nécessaires pour assurer sa propre sécurité ou celle de tiers.
§ 8. Si la Commission ne rend pas sa décision conformément aux paragraphes 3, 6 ou 7, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R qui autorisera ou n'autorisera pas la commission de(s) (l') infraction(s) dans les plus brefs délais.
En cas de décision négative de la Commission en application des paragraphes 3, 6 ou 7, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R. Le Comité permanent R autorisera ou n'autorisera pas la commission d'infraction(s) dans les plus brefs délais. Le Comité permanent R communique sa décision au dirigeant du service et à la Commission.
§ 9. La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 3 à 7 au Comité permanent R.
§ 10. Le dirigeant du service met fin à la mesure dès que possible, lorsque l'absolue nécessité de commettre une infraction a disparu, lorsque la mesure n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été demandée ou lorsqu'il a été constaté une illégalité. Il en informe dès que possible la Commission et le Comité permanent R.
Lorsque la Commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, elle ou il en informe par écrit le dirigeant du service concerné. Ce dernier met fin à la mesure en cours ou planifiée dès que possible et confirme ensuite par écrit à la Commission et au Comité permanent R que la mesure a pris fin.
§ 11. Les membres de la Commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des mesures.
Ils peuvent, à cet effet, avoir accès aux données relatives à la mesure, se saisir de toutes les pièces utiles et entendre les membres du service.".
Art. 7. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 13/1/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 13/1/1. § 1. Het is de menselijke bronnen verboden strafbare feiten te plegen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, blijven vrij van straf, de meerderjarige menselijke bronnen die, in het belang van de uitoefening van de opdrachten van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, strafbare feiten plegen die strikt noodzakelijk zijn ter verzekering van hun informatiepositie of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden.
De strafbare feiten kunnen slechts worden gepleegd na voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie. De Commissie geeft haar schriftelijk akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en met redenen omklede vraag van het diensthoofd.
Het akkoord geldt voor een maximumtermijn van twee maanden, onverminderd de mogelijkheid om de maatregel te verlengen volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
Een risicoanalyse betreffende de betrouwbaarheid van de bron en de risico's waar zij zich aan blootstelt in het kader van het plegen van het strafbaar feit of de strafbare feiten moet worden uitgevoerd voorafgaand aan de vraag van het diensthoofd.
De vraag van het diensthoofd vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de identificatiecode van de menselijke bron;
2° de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd;
3° de context van de vraag en de finaliteit;
4° de synthese van de risicoanalyse bedoeld in het vierde lid;
5° de strikte noodzakelijkheid;
6° de proportionaliteit bedoeld in paragraaf 3;
7° de strikte voorwaarden opgelegd aan de menselijke bron;
8° de periode tijdens dewelke strafbare feiten begaan kunnen worden en de motivering van de duur van deze periode;
9° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid bedoeld in paragraaf 6 rechtvaardigen;
10° de naam van de agent(en) belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit;
11° de datum van de vraag;
12° de handtekening van het diensthoofd.
§ 3. De strafbare feiten moeten in gelijke verhouding staan tot het door de opdracht nagestreefde doel en mogen in geen geval afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen.
§ 4. Vooraleer het toegelaten strafbaar feit kan worden gepleegd, ondertekent de menselijke bron een memorandum dat onder meer de nadere regels voor de tenuitvoerlegging en de verslaggeving bevat. Dit memorandum wordt bewaard in het individueel dossier van de menselijke bron.
Het memorandum wordt gedateerd en omvat onder meer de volgende vermeldingen:
1° de identificatiecode van de menselijke bron;
2° de wijze waarop het strafbaar feit ten uitvoer zal worden gelegd;
3° de instructies en de strikte voorwaarden in het kader waarvan het strafbaar feit mag worden gepleegd;
4° de rechten en plichten van de bron in het kader van het plegen van het toegelaten strafbaar feit;
Een afschrift van het memorandum wordt overgezonden aan de Commissie.
§ 5. Zodra het strafbaar feit gepleegd is en de menselijke bron in veiligheid is, brengt deze verslag uit aan de agent belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit. Deze laatste informeert schriftelijk het diensthoofd dat, op zijn beurt, zo spoedig mogelijk de Commissie schriftelijk informeert.
Indien de maatregel werd toegestaan voor een periode langer dan twee weken, brengt de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst om de twee weken schriftelijk verslag uit aan de Commissie over het verloop van de maatregel.
Op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt het verslag op een kortere termijn overgezonden, voor zover de agent en de bron in veiligheid zijn.
§ 6. In geval van hoogdringendheid, wanneer uitzonderlijke omstandigheden en een ernstige potentiële dreiging dit rechtvaardigen, vraagt het diensthoofd het voorafgaand mondeling akkoord van de voorzitter van de Commissie of, indien hij niet bereikbaar is, van een ander lid. Diegene die het akkoord gegeven heeft, brengt de andere leden hiervan onmiddellijk op de hoogte. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur na mededeling van het akkoord. Deze schriftelijke bevestiging bevat de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord geldt voor vijf dagen. De voorafgaandelijke voorwaarden bedoeld in de paragrafen 2 tot 4 zijn van toepassing op deze paragraaf.
§ 7. Indien de Commissie nalaat haar beslissing uit te brengen overeenkomstig de paragrafen 2 of 6, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming zal geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen.
In geval van een negatieve beslissing van de Commissie overeenkomstig de paragrafen 2 of 6, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten. Het Vast Comité I zal zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen. Het Vast Comité I deelt zijn beslissing mee aan het diensthoofd en aan de Commissie.
§ 8. De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 2 tot 6 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 9. Het diensthoofd beëindigt de maatregel zo snel mogelijk, wanneer de absolute noodzaak om een strafbaar feit te plegen is weggevallen, wanneer de maatregel niet langer nuttig is voor het doel waarvoor hij werd aangevraagd of wanneer een onwettigheid is vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo snel mogelijk ter kennis van de Commissie.
Indien de Commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, brengt zij of hij het betrokken diensthoofd hiervan schriftelijk op de hoogte. Deze laatste beëindigt zo snel mogelijk de geplande of lopende maatregel en bevestigt vervolgens schriftelijk aan de Commissie en aan het Vast Comité I dat de maatregel is beëindigd.
§ 10. De leden van de Commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de maatregelen.
Zij kunnen daartoe toegang hebben tot de papieren versie van de documenten met betrekking tot het plegen van een strafbaar feit of strafbare feiten door de bron en de agent horen die belast is met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit, in het bijzijn van zijn hiërarchische meerdere, en ieder ander die verantwoordelijk is voor de behandeling van voornoemde bron.".
"Art. 13/1/1. § 1. Het is de menselijke bronnen verboden strafbare feiten te plegen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, blijven vrij van straf, de meerderjarige menselijke bronnen die, in het belang van de uitoefening van de opdrachten van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, strafbare feiten plegen die strikt noodzakelijk zijn ter verzekering van hun informatiepositie of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden.
De strafbare feiten kunnen slechts worden gepleegd na voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie. De Commissie geeft haar schriftelijk akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en met redenen omklede vraag van het diensthoofd.
Het akkoord geldt voor een maximumtermijn van twee maanden, onverminderd de mogelijkheid om de maatregel te verlengen volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
Een risicoanalyse betreffende de betrouwbaarheid van de bron en de risico's waar zij zich aan blootstelt in het kader van het plegen van het strafbaar feit of de strafbare feiten moet worden uitgevoerd voorafgaand aan de vraag van het diensthoofd.
De vraag van het diensthoofd vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de identificatiecode van de menselijke bron;
2° de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd;
3° de context van de vraag en de finaliteit;
4° de synthese van de risicoanalyse bedoeld in het vierde lid;
5° de strikte noodzakelijkheid;
6° de proportionaliteit bedoeld in paragraaf 3;
7° de strikte voorwaarden opgelegd aan de menselijke bron;
8° de periode tijdens dewelke strafbare feiten begaan kunnen worden en de motivering van de duur van deze periode;
9° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid bedoeld in paragraaf 6 rechtvaardigen;
10° de naam van de agent(en) belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit;
11° de datum van de vraag;
12° de handtekening van het diensthoofd.
§ 3. De strafbare feiten moeten in gelijke verhouding staan tot het door de opdracht nagestreefde doel en mogen in geen geval afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen.
§ 4. Vooraleer het toegelaten strafbaar feit kan worden gepleegd, ondertekent de menselijke bron een memorandum dat onder meer de nadere regels voor de tenuitvoerlegging en de verslaggeving bevat. Dit memorandum wordt bewaard in het individueel dossier van de menselijke bron.
Het memorandum wordt gedateerd en omvat onder meer de volgende vermeldingen:
1° de identificatiecode van de menselijke bron;
2° de wijze waarop het strafbaar feit ten uitvoer zal worden gelegd;
3° de instructies en de strikte voorwaarden in het kader waarvan het strafbaar feit mag worden gepleegd;
4° de rechten en plichten van de bron in het kader van het plegen van het toegelaten strafbaar feit;
Een afschrift van het memorandum wordt overgezonden aan de Commissie.
§ 5. Zodra het strafbaar feit gepleegd is en de menselijke bron in veiligheid is, brengt deze verslag uit aan de agent belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit. Deze laatste informeert schriftelijk het diensthoofd dat, op zijn beurt, zo spoedig mogelijk de Commissie schriftelijk informeert.
Indien de maatregel werd toegestaan voor een periode langer dan twee weken, brengt de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst om de twee weken schriftelijk verslag uit aan de Commissie over het verloop van de maatregel.
Op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt het verslag op een kortere termijn overgezonden, voor zover de agent en de bron in veiligheid zijn.
§ 6. In geval van hoogdringendheid, wanneer uitzonderlijke omstandigheden en een ernstige potentiële dreiging dit rechtvaardigen, vraagt het diensthoofd het voorafgaand mondeling akkoord van de voorzitter van de Commissie of, indien hij niet bereikbaar is, van een ander lid. Diegene die het akkoord gegeven heeft, brengt de andere leden hiervan onmiddellijk op de hoogte. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur na mededeling van het akkoord. Deze schriftelijke bevestiging bevat de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord geldt voor vijf dagen. De voorafgaandelijke voorwaarden bedoeld in de paragrafen 2 tot 4 zijn van toepassing op deze paragraaf.
§ 7. Indien de Commissie nalaat haar beslissing uit te brengen overeenkomstig de paragrafen 2 of 6, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming zal geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen.
In geval van een negatieve beslissing van de Commissie overeenkomstig de paragrafen 2 of 6, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten. Het Vast Comité I zal zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen. Het Vast Comité I deelt zijn beslissing mee aan het diensthoofd en aan de Commissie.
§ 8. De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 2 tot 6 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 9. Het diensthoofd beëindigt de maatregel zo snel mogelijk, wanneer de absolute noodzaak om een strafbaar feit te plegen is weggevallen, wanneer de maatregel niet langer nuttig is voor het doel waarvoor hij werd aangevraagd of wanneer een onwettigheid is vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo snel mogelijk ter kennis van de Commissie.
Indien de Commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, brengt zij of hij het betrokken diensthoofd hiervan schriftelijk op de hoogte. Deze laatste beëindigt zo snel mogelijk de geplande of lopende maatregel en bevestigt vervolgens schriftelijk aan de Commissie en aan het Vast Comité I dat de maatregel is beëindigd.
§ 10. De leden van de Commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de maatregelen.
Zij kunnen daartoe toegang hebben tot de papieren versie van de documenten met betrekking tot het plegen van een strafbaar feit of strafbare feiten door de bron en de agent horen die belast is met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit, in het bijzijn van zijn hiërarchische meerdere, en ieder ander die verantwoordelijk is voor de behandeling van voornoemde bron.".
Art. 7. Dans la même sous-section 1ère, il est inséré un article 13/1/1, rédigé comme suit:
"Art. 13/1/1. § 1er. Il est interdit aux sources humaines de commettre des infractions.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, sont exemptées de peine les sources humaines majeures d'âge qui, dans l'intérêt de l'exercice des missions du service de renseignement et de sécurité concerné, telles que visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, commettent des infractions absolument nécessaires afin d'assurer leur position d'information ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers.
Les infractions ne peuvent être commises qu'avec l'accord écrit préalable de la Commission. La Commission donne son accord écrit dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
L'accord ne peut porter sur une période supérieure à deux mois, sans préjudice de la possibilité de prolonger la mesure en suivant la procédure visée à l'alinéa 2.
Une analyse de risque(s) portant sur la fiabilité de la source et les risques qu'elle encourt dans le cadre de la commission de(s) (l')infraction(s) doit être réalisée préalablement à la demande du dirigeant du service.
La demande du dirigeant du service mentionne, sous peine d'illégalité:
1° le code d'identification de la source humaine;
2° les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s);
3° le contexte de la demande et la finalité;
4° la synthèse de l'analyse de risque(s) visée à l'alinéa 4;
5° l'absolue nécessité;
6° la proportionnalité visée au paragraphe 3;
7° les conditions strictes imposées à la source humaine;
8° la période durant laquelle la ou les infractions peuvent être commises et la motivation de la durée de la période;
9° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 6;
10° le nom du ou des agent(s) chargé(s) du suivi du déroulement de l'infraction;
11° la date de la demande;
12° la signature du dirigeant du service.
§ 3. Les infractions doivent être directement proportionnelles à l'objectif visé par la mission et ne peuvent en aucun cas porter atteinte à l'intégrité physique des personnes.
§ 4. Avant que l'infraction autorisée ne puisse être commise, la source humaine signe un mémorandum contenant notamment les modalités de mise en oeuvre et de rapportage. Ce mémorandum est conservé dans le dossier individuel de la source humaine.
Le mémorandum est daté et inclut notamment les mentions suivantes:
1° le code d'identification de la source humaine;
2° la manière dont l'infraction sera mise en oeuvre;
3° les instructions et les conditions strictes dans le cadre desquelles l'infraction peut être commise;
4° les droits et les obligations de la source dans le cadre de la commission de l'infraction autorisée;
Une copie du mémorandum est transmise à la Commission.
§ 5. Dès que l'infraction a été commise et que la source humaine est en sécurité pour le faire, celle-ci fait rapport à l'agent chargé du suivi du déroulement de l'infraction. Ce dernier en informe par écrit le dirigeant du service qui, à son tour, informe par écrit la Commission dans les plus brefs délais.
Si la mesure a été autorisée pour une période supérieure à deux semaines, le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport toutes les deux semaines par écrit à la Commission sur le déroulement de la mesure.
A la demande motivée de la Commission, le rapport est transmis à plus courte échéance, pour autant que l'agent et la source soient en sécurité pour le faire.
§ 6. En cas d'extrême urgence, lorsque des circonstances exceptionnelles et une menace potentielle grave le justifient, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la Commission ou, s'il n'est pas joignable, d'un autre membre. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant la communication de l'accord. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 2, alinéa 5. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit dans les plus brefs délais. Cet accord est valable cinq jours. Les conditions préalables visées aux paragraphes 2 à 4 s'appliquent au présent paragraphe.
§ 7. Si la Commission ne rend pas sa décision conformément aux paragraphes 2 ou 6, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R qui autorisera ou n'autorisera pas la commission de(s) (l')infraction(s) dans les plus brefs délais.
En cas de décision négative de la Commission en application des paragraphes 2 ou 6, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R. Le Comité permanent R autorisera ou n'autorisera pas la commission d'infraction(s) dans les plus brefs délais. Le Comité permanent R communique sa décision au dirigeant du service et à la Commission.
§ 8. La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 2 à 6 au Comité permanent R.
§ 9. Le dirigeant du service met fin à la mesure dès que possible, lorsque l'absolue nécessité de commettre une infraction a disparu, lorsque la mesure n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été demandée ou lorsqu'il a été constaté une illégalité. Il en informe dès que possible la Commission.
Lorsque la Commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, elle ou il en informe par écrit le dirigeant du service concerné. Ce dernier met fin à la mesure en cours ou planifiée dès que possible et confirme ensuite par écrit à la Commission et au Comité permanent R que la mesure a pris fin.
§ 10. Les membres de la Commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des mesures.
Ils peuvent, à cet effet, avoir accès à la version papier des documents en relation avec la commission d'infraction(s) par la source et entendre l'agent chargé du suivi du déroulement de l'infraction, en présence de son supérieur hiérarchique et de tout autre responsable de la gestion de ladite source.".
"Art. 13/1/1. § 1er. Il est interdit aux sources humaines de commettre des infractions.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, sont exemptées de peine les sources humaines majeures d'âge qui, dans l'intérêt de l'exercice des missions du service de renseignement et de sécurité concerné, telles que visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, commettent des infractions absolument nécessaires afin d'assurer leur position d'information ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers.
Les infractions ne peuvent être commises qu'avec l'accord écrit préalable de la Commission. La Commission donne son accord écrit dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
L'accord ne peut porter sur une période supérieure à deux mois, sans préjudice de la possibilité de prolonger la mesure en suivant la procédure visée à l'alinéa 2.
Une analyse de risque(s) portant sur la fiabilité de la source et les risques qu'elle encourt dans le cadre de la commission de(s) (l')infraction(s) doit être réalisée préalablement à la demande du dirigeant du service.
La demande du dirigeant du service mentionne, sous peine d'illégalité:
1° le code d'identification de la source humaine;
2° les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s);
3° le contexte de la demande et la finalité;
4° la synthèse de l'analyse de risque(s) visée à l'alinéa 4;
5° l'absolue nécessité;
6° la proportionnalité visée au paragraphe 3;
7° les conditions strictes imposées à la source humaine;
8° la période durant laquelle la ou les infractions peuvent être commises et la motivation de la durée de la période;
9° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 6;
10° le nom du ou des agent(s) chargé(s) du suivi du déroulement de l'infraction;
11° la date de la demande;
12° la signature du dirigeant du service.
§ 3. Les infractions doivent être directement proportionnelles à l'objectif visé par la mission et ne peuvent en aucun cas porter atteinte à l'intégrité physique des personnes.
§ 4. Avant que l'infraction autorisée ne puisse être commise, la source humaine signe un mémorandum contenant notamment les modalités de mise en oeuvre et de rapportage. Ce mémorandum est conservé dans le dossier individuel de la source humaine.
Le mémorandum est daté et inclut notamment les mentions suivantes:
1° le code d'identification de la source humaine;
2° la manière dont l'infraction sera mise en oeuvre;
3° les instructions et les conditions strictes dans le cadre desquelles l'infraction peut être commise;
4° les droits et les obligations de la source dans le cadre de la commission de l'infraction autorisée;
Une copie du mémorandum est transmise à la Commission.
§ 5. Dès que l'infraction a été commise et que la source humaine est en sécurité pour le faire, celle-ci fait rapport à l'agent chargé du suivi du déroulement de l'infraction. Ce dernier en informe par écrit le dirigeant du service qui, à son tour, informe par écrit la Commission dans les plus brefs délais.
Si la mesure a été autorisée pour une période supérieure à deux semaines, le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport toutes les deux semaines par écrit à la Commission sur le déroulement de la mesure.
A la demande motivée de la Commission, le rapport est transmis à plus courte échéance, pour autant que l'agent et la source soient en sécurité pour le faire.
§ 6. En cas d'extrême urgence, lorsque des circonstances exceptionnelles et une menace potentielle grave le justifient, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la Commission ou, s'il n'est pas joignable, d'un autre membre. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant la communication de l'accord. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 2, alinéa 5. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit dans les plus brefs délais. Cet accord est valable cinq jours. Les conditions préalables visées aux paragraphes 2 à 4 s'appliquent au présent paragraphe.
§ 7. Si la Commission ne rend pas sa décision conformément aux paragraphes 2 ou 6, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R qui autorisera ou n'autorisera pas la commission de(s) (l')infraction(s) dans les plus brefs délais.
En cas de décision négative de la Commission en application des paragraphes 2 ou 6, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R. Le Comité permanent R autorisera ou n'autorisera pas la commission d'infraction(s) dans les plus brefs délais. Le Comité permanent R communique sa décision au dirigeant du service et à la Commission.
§ 8. La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 2 à 6 au Comité permanent R.
§ 9. Le dirigeant du service met fin à la mesure dès que possible, lorsque l'absolue nécessité de commettre une infraction a disparu, lorsque la mesure n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été demandée ou lorsqu'il a été constaté une illégalité. Il en informe dès que possible la Commission.
Lorsque la Commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, elle ou il en informe par écrit le dirigeant du service concerné. Ce dernier met fin à la mesure en cours ou planifiée dès que possible et confirme ensuite par écrit à la Commission et au Comité permanent R que la mesure a pris fin.
§ 10. Les membres de la Commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des mesures.
Ils peuvent, à cet effet, avoir accès à la version papier des documents en relation avec la commission d'infraction(s) par la source et entendre l'agent chargé du suivi du déroulement de l'infraction, en présence de son supérieur hiérarchique et de tout autre responsable de la gestion de ladite source.".
Art. 8. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 13/1/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 13/1/2. § 1. In de toepassing van de artikelen 13/1 en 13/1/1, treedt de Commissie op volgens de nadere regels bedoeld in artikel 43/1.
§ 2. Blijven vrij van straf, de leden van de Commissie die een akkoord verlenen tot het plegen van strafbare feiten bedoeld in de artikelen 13/1 en 13/1/1.
§ 3. Blijven vrij van straf, de raadsleden en de medewerkers van het Vast Comité I wanneer zij hun toezicht uitoefenen binnen de toepassing van deze onderafdeling.
§ .4. Blijven vrij van straf, de agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die de agenten bedoeld in artikel 13/1 en de menselijke bronnen bedoeld in artikel 13/1/1, begeleiden of controleren.".
"Art. 13/1/2. § 1. In de toepassing van de artikelen 13/1 en 13/1/1, treedt de Commissie op volgens de nadere regels bedoeld in artikel 43/1.
§ 2. Blijven vrij van straf, de leden van de Commissie die een akkoord verlenen tot het plegen van strafbare feiten bedoeld in de artikelen 13/1 en 13/1/1.
§ 3. Blijven vrij van straf, de raadsleden en de medewerkers van het Vast Comité I wanneer zij hun toezicht uitoefenen binnen de toepassing van deze onderafdeling.
§ .4. Blijven vrij van straf, de agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die de agenten bedoeld in artikel 13/1 en de menselijke bronnen bedoeld in artikel 13/1/1, begeleiden of controleren.".
Art. 8. Dans la même sous-section 1ère, il est inséré un article 13/1/2 rédigé comme suit:
"Art. 13/1/2. § 1er. Lors de l'application des articles 13/1 et 13/1/1, la Commission fonctionne selon les modalités visées à l'article 43/1.
§ 2. Sont exemptés de peine, les membres de la Commission qui autorisent la commission des infractions visées aux articles 13/1 et 13/1/1.
§ 3. Sont exemptés de peine, les membres et les collaborateurs du Comité permanent R, lorsqu'ils exercent leur contrôle dans le cadre de l'application de la présente sous-section.
§ 4. Sont exemptés de peine, les agents des services de renseignement et de sécurité qui encadrent ou contrôlent les agents visés à l'article 13/1 et les sources humaines visées à l'article 13/1/1.".
"Art. 13/1/2. § 1er. Lors de l'application des articles 13/1 et 13/1/1, la Commission fonctionne selon les modalités visées à l'article 43/1.
§ 2. Sont exemptés de peine, les membres de la Commission qui autorisent la commission des infractions visées aux articles 13/1 et 13/1/1.
§ 3. Sont exemptés de peine, les membres et les collaborateurs du Comité permanent R, lorsqu'ils exercent leur contrôle dans le cadre de l'application de la présente sous-section.
§ 4. Sont exemptés de peine, les agents des services de renseignement et de sécurité qui encadrent ou contrôlent les agents visés à l'article 13/1 et les sources humaines visées à l'article 13/1/1.".
Art. 9. In hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd die artikel 13/2 bevat, luidende "Valse naam, valse hoedanigheid, fictieve identiteit en fictieve hoedanigheid".
Art. 9. Dans le chapitre III, section 2, de la même loi, il est inséré une sous-section 2, comportant l'article 13/2, intitulée "Faux nom, fausse qualité, identité fictive et qualité fictive".
Art. 10. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 9, worden in artikel 13/2, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en hernummerd bij de wet van 30 maart 2017, de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "een naam die hem niet toebehoort alsook van een fictieve identiteit en hoedanigheid" vervangen door de woorden "een valse naam, een valse hoedanigheid, een fictieve identiteit of een fictieve hoedanigheid";
2° in het eerste lid worden de woorden "te bepalen" vervangen door het woord "bepaalde";
3° in het derde lid worden de woorden "tijdelijk en" opgeheven;
4° in het vierde lid worden de woorden ", van een valse hoedanigheid," ingevoegd tussen de woorden "van een valse naam" en de woorden "of van een fictieve identiteit en hoedanigheid" en wordt het woord "en" tussen de woorden "fictieve identiteit" en het woord "hoedanigheid" vervangen door het woord "of";
5° in het vierde lid wordt het woord "of" tussen de woorden "van een valse naam" en de woorden "van een fictieve identiteit" opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden "een naam die hem niet toebehoort alsook van een fictieve identiteit en hoedanigheid" vervangen door de woorden "een valse naam, een valse hoedanigheid, een fictieve identiteit of een fictieve hoedanigheid";
2° in het eerste lid worden de woorden "te bepalen" vervangen door het woord "bepaalde";
3° in het derde lid worden de woorden "tijdelijk en" opgeheven;
4° in het vierde lid worden de woorden ", van een valse hoedanigheid," ingevoegd tussen de woorden "van een valse naam" en de woorden "of van een fictieve identiteit en hoedanigheid" en wordt het woord "en" tussen de woorden "fictieve identiteit" en het woord "hoedanigheid" vervangen door het woord "of";
5° in het vierde lid wordt het woord "of" tussen de woorden "van een valse naam" en de woorden "van een fictieve identiteit" opgeheven.
Art. 10. Dans la sous-section 2, insérée par l'article 9, à l'article 13/2, inséré par la loi du 4 février 2010 et renuméroté par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, les mots "nom qui ne lui appartient pas, ainsi qu'une qualité et une identité fictives" sont remplacés par les mots "faux nom, une fausse qualité, une identité fictive ou une qualité fictive";
2° dans le texte néerlandais de l'alinéa 1er, les mots "te bepalen" sont remplacés par le mot "bepaalde";
3° dans l'alinéa 3, les mots "temporaire et" sont abrogés;
4° dans l'alinéa 4, les mots "d'une fausse qualité," sont insérés entre les mots "d'un faux nom," et les mots "d'une identité et d'une qualité fictives" et le mot "et" entre les mots "d'une identité" et les mots "d'une qualité fictives" est remplacé par le mot "ou";
5° dans le texte néerlandais de l'alinéa 4, le mot "of" entre les mots "van een valse naam" et les mots "van een fictieve identiteit" est abrogé.
1° dans l'alinéa 1er, les mots "nom qui ne lui appartient pas, ainsi qu'une qualité et une identité fictives" sont remplacés par les mots "faux nom, une fausse qualité, une identité fictive ou une qualité fictive";
2° dans le texte néerlandais de l'alinéa 1er, les mots "te bepalen" sont remplacés par le mot "bepaalde";
3° dans l'alinéa 3, les mots "temporaire et" sont abrogés;
4° dans l'alinéa 4, les mots "d'une fausse qualité," sont insérés entre les mots "d'un faux nom," et les mots "d'une identité et d'une qualité fictives" et le mot "et" entre les mots "d'une identité" et les mots "d'une qualité fictives" est remplacé par le mot "ou";
5° dans le texte néerlandais de l'alinéa 4, le mot "of" entre les mots "van een valse naam" et les mots "van een fictieve identiteit" est abrogé.
Art. 11. In hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd die artikel 13/3 bevat, luidende "De oprichting en inzet van rechtspersonen".
Art. 11. Dans le chapitre III, section 2, de la même loi, il est inséré une sous-section 3, comportant l'article 13/3, intitulée "La création et l'utilisation de personnes morales".
Art. 12. In hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde wet, wordt een onderafdeling 4 ingevoegd die artikel 13/4 bevat, luidende "De medewerking van derden".
Art. 12. Dans le chapitre III, section 2, de la même loi, il est inséré une sous-section 4, comportant l'article 13/4, intitulée "Le concours de tiers".
Art. 13. In onderafdeling 4, ingevoegd bij artikel 12, worden in artikel 13/4, ingevoegd bij de wet van 30 maart 2017, de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"De paragrafen 2 tot 6 en 8 tot 9 van artikel 13/1 zijn van toepassing op de derden die noodzakelijke en rechtstreekse hulp en bijstand verlenen voor de toepassing van deze wet.";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De verleende hulp en bijstand geschiedt te allen tijde onder het toezicht van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, die de leiding behoudt over de operatie.".
1° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"De paragrafen 2 tot 6 en 8 tot 9 van artikel 13/1 zijn van toepassing op de derden die noodzakelijke en rechtstreekse hulp en bijstand verlenen voor de toepassing van deze wet.";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De verleende hulp en bijstand geschiedt te allen tijde onder het toezicht van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, die de leiding behoudt over de operatie.".
Art. 13. Dans la sous-section 4, insérée par l'article 12, à l'article 13/4, inséré par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Les paragraphes 2 à 6 et 8 à 9 de l'article 13/1 s'appliquent aux tiers qui fournissent directement une aide ou une assistance nécessaire pour l'application de la présente loi.";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"L'aide et l'assistance apportées se font toujours sous le contrôle du service de renseignement et de sécurité concerné, qui garde la direction de l'opération.".
1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Les paragraphes 2 à 6 et 8 à 9 de l'article 13/1 s'appliquent aux tiers qui fournissent directement une aide ou une assistance nécessaire pour l'application de la présente loi.";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"L'aide et l'assistance apportées se font toujours sous le contrôle du service de renseignement et de sécurité concerné, qui garde la direction de l'opération.".
Art. 14. In artikel 16/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "een diensthoofd" vervangen door de woorden "het diensthoofd of zijn gedelegeerde";
2° in paragraaf 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
"In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde mondeling beslissen om toegang te hebben tot deze gegevens. Deze mondelinge beslissing wordt de eerste werkdag volgend op de datum van de beslissing bevestigd door een schriftelijke beslissing, volgens de nadere regels bedoeld in het eerste lid.";
3° in paragraaf 2, tweede lid, dat het derde lid is geworden, wordt het woord "voorwaarden" vervangen door het woord "bepalingen".
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "een diensthoofd" vervangen door de woorden "het diensthoofd of zijn gedelegeerde";
2° in paragraaf 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
"In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde mondeling beslissen om toegang te hebben tot deze gegevens. Deze mondelinge beslissing wordt de eerste werkdag volgend op de datum van de beslissing bevestigd door een schriftelijke beslissing, volgens de nadere regels bedoeld in het eerste lid.";
3° in paragraaf 2, tweede lid, dat het derde lid is geworden, wordt het woord "voorwaarden" vervangen door het woord "bepalingen".
Art. 14. A l'article 16/3 de la même loi, inséré par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "ou son délégué" sont insérés entre les mots "le dirigeant du service" et les mots "et communiquée";
2° au paragraphe 2, un alinéa est inséré entre les alinéas 1 et 2 rédigé comme suit:
"En cas d'urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut décider verbalement d'accéder à ces données. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite, le premier jour ouvrable qui suit la date de la décision, selon les modalités visées à l'alinéa 1er.";
3° au paragraphe 2, alinéa 2, devenu l'alinéa 3, les mots "dans les conditions qui ne respectent pas les conditions légales" sont remplacés par les mots "dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales".
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "ou son délégué" sont insérés entre les mots "le dirigeant du service" et les mots "et communiquée";
2° au paragraphe 2, un alinéa est inséré entre les alinéas 1 et 2 rédigé comme suit:
"En cas d'urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut décider verbalement d'accéder à ces données. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite, le premier jour ouvrable qui suit la date de la décision, selon les modalités visées à l'alinéa 1er.";
3° au paragraphe 2, alinéa 2, devenu l'alinéa 3, les mots "dans les conditions qui ne respectent pas les conditions légales" sont remplacés par les mots "dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales".
Art. 15. In artikel 16/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "artikels" vervangen door de woorden "de artikelen" en worden de woorden "een inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "een methodenofficier";
2° in paragraaf 2 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende:
"In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde mondeling beslissen om toegang te hebben tot deze gegevens. Deze mondelinge beslissing wordt de eerste werkdag volgend op de datum van de beslissing bevestigd door een schriftelijke beslissing volgens de nadere regels bepaald in het vierde lid.";
3° in paragraaf 2, derde lid, dat het vierde lid is geworden, wordt het woord "voorwaarden" vervangen door het woord "bepalingen";
4° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "een inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "een methodenofficier";
5° in paragraaf 3, derde lid, wordt het woord "voorwaarden" vervangen door het woord "bepalingen";
6° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek" vervangen door de woorden "opsporings- of gerechtelijk onderzoek";
7° in paragraaf 6 worden de woorden "De inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "De methodenofficier".
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "artikels" vervangen door de woorden "de artikelen" en worden de woorden "een inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "een methodenofficier";
2° in paragraaf 2 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende:
"In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde mondeling beslissen om toegang te hebben tot deze gegevens. Deze mondelinge beslissing wordt de eerste werkdag volgend op de datum van de beslissing bevestigd door een schriftelijke beslissing volgens de nadere regels bepaald in het vierde lid.";
3° in paragraaf 2, derde lid, dat het vierde lid is geworden, wordt het woord "voorwaarden" vervangen door het woord "bepalingen";
4° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "een inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "een methodenofficier";
5° in paragraaf 3, derde lid, wordt het woord "voorwaarden" vervangen door het woord "bepalingen";
6° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek" vervangen door de woorden "opsporings- of gerechtelijk onderzoek";
7° in paragraaf 6 worden de woorden "De inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "De methodenofficier".
Art. 15. A l'article 16/4 de la même loi, inséré par la loi du 21 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, alinéa 1er, le mot "artikels" est remplacé par les mots "de artikelen" et les mots "officier de renseignement" sont remplacés par les mots "officier des méthodes";
2° au paragraphe 2, un alinéa est inséré entre les alinéas 2 et 3 rédigé comme suit:
"En cas d'urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut décider verbalement d'accéder à ces données. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite, le premier jour ouvrable qui suit la date de la décision, selon les modalités fixées à l'alinéa 4.";
3° au paragraphe 2, alinéa 3, devenu l'alinéa 4, les mots "les conditions qui ne respectent pas les conditions légales" sont remplacés, par les mots "des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales";
4° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots "d'un officier de renseignement" sont remplacés par les mots "d'un officier des méthodes";
5° au paragraphe 3, alinéa 3, les mots "les circonstances qui ne respectent pas les conditions légales" sont remplacés par les mots "des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales";
6° au paragraphe 5, alinéa 2, le mot "enquête" est remplacé par le mot "information".
7° au paragraphe 6, les mots "L'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "L'officier des méthodes".
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, alinéa 1er, le mot "artikels" est remplacé par les mots "de artikelen" et les mots "officier de renseignement" sont remplacés par les mots "officier des méthodes";
2° au paragraphe 2, un alinéa est inséré entre les alinéas 2 et 3 rédigé comme suit:
"En cas d'urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut décider verbalement d'accéder à ces données. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite, le premier jour ouvrable qui suit la date de la décision, selon les modalités fixées à l'alinéa 4.";
3° au paragraphe 2, alinéa 3, devenu l'alinéa 4, les mots "les conditions qui ne respectent pas les conditions légales" sont remplacés, par les mots "des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales";
4° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots "d'un officier de renseignement" sont remplacés par les mots "d'un officier des méthodes";
5° au paragraphe 3, alinéa 3, les mots "les circonstances qui ne respectent pas les conditions légales" sont remplacés par les mots "des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales";
6° au paragraphe 5, alinéa 2, le mot "enquête" est remplacé par le mot "information".
7° au paragraphe 6, les mots "L'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "L'officier des méthodes".
Art. 16. In dezelfde wet wordt een artikel 16/5 ingevoegd, luidende:
"Art. 16/5. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, in de virtuele wereld infiltreren, al dan niet onder dekmantel van een valse naam of valse hoedanigheid.".
"Art. 16/5. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, in de virtuele wereld infiltreren, al dan niet onder dekmantel van een valse naam of valse hoedanigheid.".
Art. 16. Dans la même loi, il est inséré un article 16/5 rédigé comme suit:
"Art. 16/5. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, s'infiltrer dans le monde virtuel, sous couvert ou non d'un faux nom ou d'une fausse qualité.".
"Art. 16/5. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, s'infiltrer dans le monde virtuel, sous couvert ou non d'un faux nom ou d'une fausse qualité.".
Art. 17. In dezelfde wet wordt een artikel 16/6 ingevoegd, luidende:
"Art. 16/6. § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van:
1° de personen en instellingen bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
2° de personen en instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;
3° het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest;
om over te gaan tot:
a) het identificeren van de producten en diensten, waarvan de geviseerde persoon titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijke gerechtigde is;
b) het identificeren van de titularissen, de gevolmachtigden, of de uiteindelijke gerechtigden van de producten en diensten.
De vordering bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
De gevorderde medewerking bedoeld in het eerste lid, 3°, gebeurt na schriftelijke beslissing van het diensthoofd of zijn gedelegeerde, en overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de methode mondeling toestaan. Deze mondelinge beslissing wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke beslissing.
§ 2. De gevorderde persoon of instelling is ertoe gehouden de gevraagde informatie onverwijld te verstrekken na ontvangst van de schriftelijke vordering van het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
De gevorderde persoon of instelling die de in dit artikel bedoelde medewerking weigert te verlenen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 3. Beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle gevorderde identificaties. De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst maakt maandelijks een lijst van de gevorderde identificaties over aan het Vast Comité I.
Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke bepalingen voldoen.".
"Art. 16/6. § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van:
1° de personen en instellingen bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
2° de personen en instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;
3° het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest;
om over te gaan tot:
a) het identificeren van de producten en diensten, waarvan de geviseerde persoon titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijke gerechtigde is;
b) het identificeren van de titularissen, de gevolmachtigden, of de uiteindelijke gerechtigden van de producten en diensten.
De vordering bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
De gevorderde medewerking bedoeld in het eerste lid, 3°, gebeurt na schriftelijke beslissing van het diensthoofd of zijn gedelegeerde, en overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de methode mondeling toestaan. Deze mondelinge beslissing wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke beslissing.
§ 2. De gevorderde persoon of instelling is ertoe gehouden de gevraagde informatie onverwijld te verstrekken na ontvangst van de schriftelijke vordering van het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
De gevorderde persoon of instelling die de in dit artikel bedoelde medewerking weigert te verlenen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 3. Beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle gevorderde identificaties. De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst maakt maandelijks een lijst van de gevorderde identificaties over aan het Vast Comité I.
Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke bepalingen voldoen.".
Art. 17. Dans la même loi, il est inséré un article 16/6 rédigé comme suit:
"Art. 16/6. § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, requérir le concours:
1° des personnes et institutions visées à l'article 5, paragraphe 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles;
3° du point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt;
afin de procéder à:
a) l'identification des produits et services dont la personne visée est le titulaire, le mandataire ou le bénéficiaire effectif;
b) l'identification des titulaires, des mandataires ou des bénéficiaires effectifs des produits et services.
Le dirigeant du service ou son délégué effectue la réquisition, visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°, par écrit. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut requérir ces données verbalement. Cette réquisition verbale doit être confirmée par écrit dans un délai de vingt-quatre heures.
La coopération requise visée à l'alinéa 1er, 3°, a lieu après une décision écrite du dirigeant du service ou de son délégué, et conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut autoriser verbalement la méthode. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite dans un délai de vingt-quatre heures.
§ 2. La personne ou l'institution requise est tenue de remettre sans délai les informations demandées après réception de la réquisition écrite du dirigeant du service ou de son délégué.
La personne ou l'institution requise qui refuse de prêter le concours visé au présent article est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 3. Les deux services de renseignement et de sécurité tiennent un registre de toutes les identifications requises. Le service de renseignement et de sécurité concerné transmet chaque mois au Comité permanent R une liste des identifications requises.
Le Comité permanent R interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales.".
"Art. 16/6. § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, requérir le concours:
1° des personnes et institutions visées à l'article 5, paragraphe 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles;
3° du point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt;
afin de procéder à:
a) l'identification des produits et services dont la personne visée est le titulaire, le mandataire ou le bénéficiaire effectif;
b) l'identification des titulaires, des mandataires ou des bénéficiaires effectifs des produits et services.
Le dirigeant du service ou son délégué effectue la réquisition, visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°, par écrit. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut requérir ces données verbalement. Cette réquisition verbale doit être confirmée par écrit dans un délai de vingt-quatre heures.
La coopération requise visée à l'alinéa 1er, 3°, a lieu après une décision écrite du dirigeant du service ou de son délégué, et conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut autoriser verbalement la méthode. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite dans un délai de vingt-quatre heures.
§ 2. La personne ou l'institution requise est tenue de remettre sans délai les informations demandées après réception de la réquisition écrite du dirigeant du service ou de son délégué.
La personne ou l'institution requise qui refuse de prêter le concours visé au présent article est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 3. Les deux services de renseignement et de sécurité tiennent un registre de toutes les identifications requises. Le service de renseignement et de sécurité concerné transmet chaque mois au Comité permanent R une liste des identifications requises.
Le Comité permanent R interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales.".
Art. 18. In artikel 18 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt paragraaf 1;
2° in het eerste lid, dat paragraaf 1 is geworden, worden de woorden "op personen waaronder" ingevoegd tussen de woorden "een beroep doen" en de woorden "menselijke bronnen";
3° er wordt een paragraaf 2 ingevoegd, luidende:
" § 2. In het belang van de uitvoering van hun opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de methoden voor het verzamelen van gegevens aanwenden ten opzichte van een menselijke bron:
1° indien er twijfel bestaat over zijn betrouwbaarheid, discretie of loyauteit tegenover de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst waardoor een nadeel ontstaat voor de uitoefening van de opdrachten van die dienst, of
2° ter verzekering van zijn bescherming.".
1° het eerste lid wordt paragraaf 1;
2° in het eerste lid, dat paragraaf 1 is geworden, worden de woorden "op personen waaronder" ingevoegd tussen de woorden "een beroep doen" en de woorden "menselijke bronnen";
3° er wordt een paragraaf 2 ingevoegd, luidende:
" § 2. In het belang van de uitvoering van hun opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de methoden voor het verzamelen van gegevens aanwenden ten opzichte van een menselijke bron:
1° indien er twijfel bestaat over zijn betrouwbaarheid, discretie of loyauteit tegenover de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst waardoor een nadeel ontstaat voor de uitoefening van de opdrachten van die dienst, of
2° ter verzekering van zijn bescherming.".
Art. 18. A l'article 18 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 1er devient le paragraphe 1er;
2° à l'alinéa 1er, devenu le paragraphe 1er, les mots "à des personnes dont" sont insérés entre les mots "avoir recours" et les mots "des sources humaines";
3° il est inséré un paragraphe 2 rédigé comme suit:
" § 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, les services de renseignement et de sécurité peuvent mettre en oeuvre des méthodes de recueil de données à l'égard d'une source humaine:
1° lorsqu'il y a un doute quant à sa fiabilité, discrétion ou loyauté vis-à-vis du service de renseignement et de sécurité concerné susceptible de causer un préjudice pour l'exercice des missions dudit service, ou
2° pour assurer sa protection.".
1° l'alinéa 1er devient le paragraphe 1er;
2° à l'alinéa 1er, devenu le paragraphe 1er, les mots "à des personnes dont" sont insérés entre les mots "avoir recours" et les mots "des sources humaines";
3° il est inséré un paragraphe 2 rédigé comme suit:
" § 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, les services de renseignement et de sécurité peuvent mettre en oeuvre des méthodes de recueil de données à l'égard d'une source humaine:
1° lorsqu'il y a un doute quant à sa fiabilité, discrétion ou loyauté vis-à-vis du service de renseignement et de sécurité concerné susceptible de causer un préjudice pour l'exercice des missions dudit service, ou
2° pour assurer sa protection.".
Art. 19. Artikel 18/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, wordt aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende:
"3° onverminderd de bepalingen onder 1° en 2°, op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, in het kader van artikel 18, paragraaf 2.".
"3° onverminderd de bepalingen onder 1° en 2°, op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, in het kader van artikel 18, paragraaf 2.".
Art. 19. L'article 18/1 de la même loi, inséré par la loi du 4 février 2010 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 mars 2017, est complété par le 3° rédigé comme suit:
"3° sans préjudice des 1° et 2°, aux services de renseignement et de sécurité, dans le cadre de l'article 18, paragraphe 2.".
"3° sans préjudice des 1° et 2°, aux services de renseignement et de sécurité, dans le cadre de l'article 18, paragraphe 2.".
Art. 20. In artikel 18/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3, eerste lid, eerste zin, worden de paragraaftekens " §§ " vervangen door het woord "paragrafen".
2° in paragraaf 3, eerste lid, eerste zin, worden de woorden "bedoeld in artikel 3, 6° " vervangen door de woorden "of, bij verhindering, door een ander Commissielid";
3° in paragraaf 3, eerste lid, tweede zin, worden de woorden "of het Commissielid dat de voorzitter vervangt," ingevoegd tussen de woorden "De voorzitter van de commissie" en de woorden "is verplicht om";
4° in paragraaf 3, tweede lid, worden de paragraaftekens " §§ " vervangen door het woord "paragrafen".
5° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "of, bij verhindering, een ander Commissielid," ingevoegd tussen de woorden "de voorzitter van de commissie" en de woorden "na of de via deze methode";
6° in paragraaf 3, derde lid, wordt het paragraafteken " § " vervangen door het woord "paragraaf".
7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. Indien een in de paragrafen 1 en 2 bedoelde methode wordt aangewend ten opzichte van een menselijke bron in toepassing van artikel 18, § 2, wordt van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vermeldingen bedoeld in de artikelen 18/3, § 2, 2° en 3° en 18/10, § 2, 2° en 3° afgeweken.".
1° in paragraaf 3, eerste lid, eerste zin, worden de paragraaftekens " §§ " vervangen door het woord "paragrafen".
2° in paragraaf 3, eerste lid, eerste zin, worden de woorden "bedoeld in artikel 3, 6° " vervangen door de woorden "of, bij verhindering, door een ander Commissielid";
3° in paragraaf 3, eerste lid, tweede zin, worden de woorden "of het Commissielid dat de voorzitter vervangt," ingevoegd tussen de woorden "De voorzitter van de commissie" en de woorden "is verplicht om";
4° in paragraaf 3, tweede lid, worden de paragraaftekens " §§ " vervangen door het woord "paragrafen".
5° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "of, bij verhindering, een ander Commissielid," ingevoegd tussen de woorden "de voorzitter van de commissie" en de woorden "na of de via deze methode";
6° in paragraaf 3, derde lid, wordt het paragraafteken " § " vervangen door het woord "paragraaf".
7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. Indien een in de paragrafen 1 en 2 bedoelde methode wordt aangewend ten opzichte van een menselijke bron in toepassing van artikel 18, § 2, wordt van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vermeldingen bedoeld in de artikelen 18/3, § 2, 2° en 3° en 18/10, § 2, 2° en 3° afgeweken.".
Art. 20. A l'article 18/2 de la même loi, inséré par la loi du 4 février 2010 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 3, alinéa 1er, première phrase, les signes de paragraphe " §§ " sont remplacés par le mot "paragraphes".
2° au paragraphe 3, alinéa 1er, première phrase, les mots "visée à l'article 3, 6° " sont remplacés par les mots "ou, en cas d'empêchement, par un autre membre de la Commission";
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, deuxième phrase, les mots "ou le membre de la Commission qui remplace le président" sont insérés entre les mots "Le président de la commission" et les mots "est tenu de fournir";
4° au paragraphe 3, alinéa 2, les signes de paragraphe " §§ " sont remplacés par le mot "paragraphes".
5° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots "ou, en cas d'empêchement, un autre membre de la Commission" sont insérés entre les mots "le président de la commission" et les mots "vérifie si les données";
6° au paragraphe 3, alinéa 3, le signe de paragraphe " § " est remplacé par le mot "paragraphe".
7° L'article est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit:
" § 4. Lorsqu'une méthode visée aux paragraphes 1er et 2 est mise en oeuvre à l'égard d'une source humaine en application de l'article 18, § 2, il est dérogé aux mentions prescrites sous peine de nullité visées aux articles 18/3, § 2, 2° et 3° et 18/10, § 2, 2° et 3°. ".
1° au paragraphe 3, alinéa 1er, première phrase, les signes de paragraphe " §§ " sont remplacés par le mot "paragraphes".
2° au paragraphe 3, alinéa 1er, première phrase, les mots "visée à l'article 3, 6° " sont remplacés par les mots "ou, en cas d'empêchement, par un autre membre de la Commission";
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, deuxième phrase, les mots "ou le membre de la Commission qui remplace le président" sont insérés entre les mots "Le président de la commission" et les mots "est tenu de fournir";
4° au paragraphe 3, alinéa 2, les signes de paragraphe " §§ " sont remplacés par le mot "paragraphes".
5° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots "ou, en cas d'empêchement, un autre membre de la Commission" sont insérés entre les mots "le président de la commission" et les mots "vérifie si les données";
6° au paragraphe 3, alinéa 3, le signe de paragraphe " § " est remplacé par le mot "paragraphe".
7° L'article est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit:
" § 4. Lorsqu'une méthode visée aux paragraphes 1er et 2 est mise en oeuvre à l'égard d'une source humaine en application de l'article 18, § 2, il est dérogé aux mentions prescrites sous peine de nullité visées aux articles 18/3, § 2, 2° et 3° et 18/10, § 2, 2° et 3°. ".
Art. 21. In artikel 18/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, eerste zin, worden de woorden "of in het kader van artikel 18, § 2," ingevoegd tussen de woorden "een potentiële dreiging zoals bedoeld in artikel 18/1" en de woorden "kunnen de in artikel";
2° paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de woorden "of in functie van de graad van ernst van het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron in het kader van artikel 18, § 2.";
3° in paragraaf 2, 6°, worden de woorden "van de inlichtingenofficier(en)" vervangen door de woorden "van de methodenofficier(en)";
4° in paragraaf 2, 9°, worden de woorden "de strafbare feiten" vervangen door de woorden "de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd";
5° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In het kader van artikel 18, § 2, en in afwijking van paragraaf 2, 2° en 3°, vermeldt de beslissing van het diensthoofd respectievelijk de identificatiecode van de menselijke bron en het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron.";
6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "De inlichtingenofficier" telkens vervangen door de woorden "De methodenofficier" en wordt het cijfer "18/6/1," ingevoegd tussen de cijfers "18/6," en "18/7";
7° in paragraaf 6, eerste lid, worden de woorden "maatregelen, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit" vervangen door de woorden "specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit bedoeld in artikel 18/3, § 1";
8° in paragraaf 6, derde lid, worden de woorden "de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer" vervangen door de woorden "het Vast Comité I";
9° in paragraaf 7 worden de woorden "De inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "De methodenofficier".
1° in paragraaf 1, eerste lid, eerste zin, worden de woorden "of in het kader van artikel 18, § 2," ingevoegd tussen de woorden "een potentiële dreiging zoals bedoeld in artikel 18/1" en de woorden "kunnen de in artikel";
2° paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de woorden "of in functie van de graad van ernst van het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron in het kader van artikel 18, § 2.";
3° in paragraaf 2, 6°, worden de woorden "van de inlichtingenofficier(en)" vervangen door de woorden "van de methodenofficier(en)";
4° in paragraaf 2, 9°, worden de woorden "de strafbare feiten" vervangen door de woorden "de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd";
5° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In het kader van artikel 18, § 2, en in afwijking van paragraaf 2, 2° en 3°, vermeldt de beslissing van het diensthoofd respectievelijk de identificatiecode van de menselijke bron en het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron.";
6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "De inlichtingenofficier" telkens vervangen door de woorden "De methodenofficier" en wordt het cijfer "18/6/1," ingevoegd tussen de cijfers "18/6," en "18/7";
7° in paragraaf 6, eerste lid, worden de woorden "maatregelen, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit" vervangen door de woorden "specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit bedoeld in artikel 18/3, § 1";
8° in paragraaf 6, derde lid, worden de woorden "de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer" vervangen door de woorden "het Vast Comité I";
9° in paragraaf 7 worden de woorden "De inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "De methodenofficier".
Art. 21. A l'article 18/3 de la même loi, inséré par la loi du 4 février 2010 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, première phrase, les mots "ou dans le cadre de l'article 18, § 2," sont insérés entre les mots "la menace potentielle visée à l'article 18/1" et les mots "si les méthodes ordinaires";
2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par les mots "ou en fonction du degré de gravité du préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou du danger potentiel pour la sécurité de la source humaine dans le cadre de l'article 18, § 2.";
3° au paragraphe 2, 6°, les mots "du (ou des) officier(s) de renseignement" sont remplacés par les mots "du (ou des) officier(s) des méthodes";
4° au paragraphe 2, 9°, les mots "les infractions" sont remplacés par les mots "les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s)";
5° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Dans le cadre de l'article 18, § 2, et par dérogation au paragraphe 2, 2° et 3°, la décision du dirigeant du service mentionne respectivement le code d'identification de la source humaine et le préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou le danger potentiel pour la sécurité de la source humaine.";
6° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots "l'officier de renseignement" sont à chaque fois remplacés par les mots "l'officier des méthodes", et le chiffre "18/6/1," est inséré entre les chiffres "18/6," et "18/7";
7° au paragraphe 6, alinéa 1er, les mots "mesures, y compris le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité" sont remplacés par les mots "méthodes spécifiques de recueil de données, y compris le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité visés à l'article 18/3, § 1er";
8° au paragraphe 6, alinéa 3, les mots "de la commission de la protection de la vie privée" sont remplacés par les mots "du Comité permanent R";
9° au paragraphe 7, les mots "L'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "L'officier des méthodes".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, première phrase, les mots "ou dans le cadre de l'article 18, § 2," sont insérés entre les mots "la menace potentielle visée à l'article 18/1" et les mots "si les méthodes ordinaires";
2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par les mots "ou en fonction du degré de gravité du préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou du danger potentiel pour la sécurité de la source humaine dans le cadre de l'article 18, § 2.";
3° au paragraphe 2, 6°, les mots "du (ou des) officier(s) de renseignement" sont remplacés par les mots "du (ou des) officier(s) des méthodes";
4° au paragraphe 2, 9°, les mots "les infractions" sont remplacés par les mots "les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s)";
5° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Dans le cadre de l'article 18, § 2, et par dérogation au paragraphe 2, 2° et 3°, la décision du dirigeant du service mentionne respectivement le code d'identification de la source humaine et le préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou le danger potentiel pour la sécurité de la source humaine.";
6° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots "l'officier de renseignement" sont à chaque fois remplacés par les mots "l'officier des méthodes", et le chiffre "18/6/1," est inséré entre les chiffres "18/6," et "18/7";
7° au paragraphe 6, alinéa 1er, les mots "mesures, y compris le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité" sont remplacés par les mots "méthodes spécifiques de recueil de données, y compris le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité visés à l'article 18/3, § 1er";
8° au paragraphe 6, alinéa 3, les mots "de la commission de la protection de la vie privée" sont remplacés par les mots "du Comité permanent R";
9° au paragraphe 7, les mots "L'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "L'officier des méthodes".
Art. 22. In dezelfde wet wordt een artikel 18/5/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 18/5/1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, in de virtuele wereld infiltreren onder dekmantel van een fictieve identiteit of fictieve hoedanigheid.".
"Art. 18/5/1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, in de virtuele wereld infiltreren onder dekmantel van een fictieve identiteit of fictieve hoedanigheid.".
Art. 22. Dans la même loi, il est inséré un article 18/5/1 rédigé comme suit:
"Art. 18/5/1. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, s'infiltrer dans le monde virtuel sous couvert d'une identifié fictive ou d'une qualité fictive.".
"Art. 18/5/1. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, s'infiltrer dans le monde virtuel sous couvert d'une identifié fictive ou d'une qualité fictive.".
Art. 23. In artikel 18/9 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 1° aangevuld met de woorden "of in het kader van artikel 18, § 2, indien er ernstig potentieel nadeel bestaat voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of een ernstig potentieel gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron";
2° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° aangevuld met de woorden "of in het kader van artikel 18, § 2, indien er een ernstig potentieel nadeel bestaat voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of een ernstig potentieel gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron";
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "rekening houdend met een potentiële dreiging zoals bedoeld in artikel 18/1" vervangen door de woorden "rekening houdend met een potentiële dreiging, nadeel of gevaar als bedoeld in paragraaf 1";
4° paragraaf 3 wordt aangevuld met de woorden "of in functie van de graad van de ernst van het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron in het kader van artikel 18, § 2.".
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 1° aangevuld met de woorden "of in het kader van artikel 18, § 2, indien er ernstig potentieel nadeel bestaat voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of een ernstig potentieel gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron";
2° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° aangevuld met de woorden "of in het kader van artikel 18, § 2, indien er een ernstig potentieel nadeel bestaat voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of een ernstig potentieel gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron";
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "rekening houdend met een potentiële dreiging zoals bedoeld in artikel 18/1" vervangen door de woorden "rekening houdend met een potentiële dreiging, nadeel of gevaar als bedoeld in paragraaf 1";
4° paragraaf 3 wordt aangevuld met de woorden "of in functie van de graad van de ernst van het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron in het kader van artikel 18, § 2.".
Art. 23. A l'article 18/9 de la même loi, inséré par la loi du 4 février 2010 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, le 1° est complété par les mots "ou dans le cadre de l'article 18, § 2 lorsqu'il existe un préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou un danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine";
2° au paragraphe 1er, le 2° est complété par les mots "ou, dans le cadre de l'article 18, § 2 lorsqu'il existe un préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou un danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine";
3° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "compte tenu d'une menace potentielle visée au paragraphe 1er" sont remplacés par les mots "compte tenu d'une menace, d'un préjudice ou d'un danger potentiel visé au paragraphe 1er";
4° le paragraphe 3 est complété par les mots "ou en fonction du degré de gravité du préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou du danger potentiel pour la sécurité de la source humaine dans le cadre de l'article 18, § 2.".
1° au paragraphe 1er, le 1° est complété par les mots "ou dans le cadre de l'article 18, § 2 lorsqu'il existe un préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou un danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine";
2° au paragraphe 1er, le 2° est complété par les mots "ou, dans le cadre de l'article 18, § 2 lorsqu'il existe un préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou un danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine";
3° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "compte tenu d'une menace potentielle visée au paragraphe 1er" sont remplacés par les mots "compte tenu d'une menace, d'un préjudice ou d'un danger potentiel visé au paragraphe 1er";
4° le paragraphe 3 est complété par les mots "ou en fonction du degré de gravité du préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou du danger potentiel pour la sécurité de la source humaine dans le cadre de l'article 18, § 2.".
Art. 24. In artikel 18/10 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "De inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "De methodenofficier";
2° in paragraaf 2, 6°, worden de woorden "van de inlichtingenofficier(en)" vervangen door de woorden "van de methodenofficier(en)";
3° in paragraaf 2, 9°, worden de woorden "de strafbare feiten" vervangen door de woorden "de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd";
4° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In het kader van artikel 18, § 2, en in afwijking van paragraaf 2, 2° en 3°, vermeldt de beslissing van het diensthoofd respectievelijk de identificatiecode van de menselijke bron en het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron.";
5° in paragraaf 4, vierde lid, worden de woorden "De inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "De methodenofficier";
6° in paragraaf 4, achtste en negende lid, worden de woorden "Indien de voorzitter" vervangen door de woorden "Indien de voorzitter of het gecontacteerde Commissielid";
7° in paragraaf 6, vierde lid, worden de woorden "de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer" vervangen door de woorden "het Vast Comité I".
1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "De inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "De methodenofficier";
2° in paragraaf 2, 6°, worden de woorden "van de inlichtingenofficier(en)" vervangen door de woorden "van de methodenofficier(en)";
3° in paragraaf 2, 9°, worden de woorden "de strafbare feiten" vervangen door de woorden "de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd";
4° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In het kader van artikel 18, § 2, en in afwijking van paragraaf 2, 2° en 3°, vermeldt de beslissing van het diensthoofd respectievelijk de identificatiecode van de menselijke bron en het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron.";
5° in paragraaf 4, vierde lid, worden de woorden "De inlichtingenofficier" vervangen door de woorden "De methodenofficier";
6° in paragraaf 4, achtste en negende lid, worden de woorden "Indien de voorzitter" vervangen door de woorden "Indien de voorzitter of het gecontacteerde Commissielid";
7° in paragraaf 6, vierde lid, worden de woorden "de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer" vervangen door de woorden "het Vast Comité I".
Art. 24. A l'article 18/10 de la même loi, inséré par la loi du 4 février 2010 et modifié par la loi du 30 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "L'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "L'officier des méthodes";
2° au paragraphe 2, 6°, les mots "des officier(s) de renseignement" sont remplacés par les mots "des officier(s) des méthodes";
3° au paragraphe 2, 9°, les mots "les infractions" sont remplacés par les mots "les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s)";
4° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Dans le cadre de l'article 18, § 2, et par dérogation au paragraphe 2, 2° et 3°, la décision du dirigeant du service mentionne respectivement le code d'identification de la source humaine et le préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou le danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine.";
5° au paragraphe 4, alinéa 4, les mots "L'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "L'officier des méthodes";
6° au paragraphe 4, alinéas 8 et 9, les mots "Si le président" sont remplacés par les mots "Si le président ou le membre de la Commission contacté";
7° au paragraphe 6, alinéa 4, les mots "de la commission de la protection de la vie privée" sont remplacés par les mots "du Comité permanent R".
1° au paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "L'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "L'officier des méthodes";
2° au paragraphe 2, 6°, les mots "des officier(s) de renseignement" sont remplacés par les mots "des officier(s) des méthodes";
3° au paragraphe 2, 9°, les mots "les infractions" sont remplacés par les mots "les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s)";
4° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Dans le cadre de l'article 18, § 2, et par dérogation au paragraphe 2, 2° et 3°, la décision du dirigeant du service mentionne respectivement le code d'identification de la source humaine et le préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou le danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine.";
5° au paragraphe 4, alinéa 4, les mots "L'officier de renseignement" sont remplacés par les mots "L'officier des méthodes";
6° au paragraphe 4, alinéas 8 et 9, les mots "Si le président" sont remplacés par les mots "Si le président ou le membre de la Commission contacté";
7° au paragraphe 6, alinéa 4, les mots "de la commission de la protection de la vie privée" sont remplacés par les mots "du Comité permanent R".
Art. 25. In dezelfde wet wordt een artikel 18/12/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 18/12/1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, in de reële wereld infiltreren, conform de richtlijnen van de Nationale Veiligheidsraad.
Met reële wereld wordt bedoeld de relaties die hoofdzakelijk plaatsvinden via rechtstreekse fysieke contacten zonder dat daarbij zijn fysieke uiterlijk verborgen wordt.
De methode is toegelaten zolang als nodig is voor het doel waarvoor ze wordt aangewend.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt om de twee maanden verslag uit aan de Commissie over de evolutie van de dreiging die het beroep op een infiltratie in de reële wereld noodzakelijk maakte. Dit verslag benadrukt de elementen die hetzij het behoud, hetzij de stopzetting van de uitzonderlijke methode rechtvaardigen.".
"Art. 18/12/1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, in de reële wereld infiltreren, conform de richtlijnen van de Nationale Veiligheidsraad.
Met reële wereld wordt bedoeld de relaties die hoofdzakelijk plaatsvinden via rechtstreekse fysieke contacten zonder dat daarbij zijn fysieke uiterlijk verborgen wordt.
De methode is toegelaten zolang als nodig is voor het doel waarvoor ze wordt aangewend.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt om de twee maanden verslag uit aan de Commissie over de evolutie van de dreiging die het beroep op een infiltratie in de reële wereld noodzakelijk maakte. Dit verslag benadrukt de elementen die hetzij het behoud, hetzij de stopzetting van de uitzonderlijke methode rechtvaardigen.".
Art. 25. Dans la même loi, il est inséré un article 18/12/1 rédigé comme suit:
"Art. 18/12/1. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, s'infiltrer dans le monde réel, conformément aux directives du Conseil national de sécurité.
Le monde réel vise les relations qui se déroulent principalement avec des contacts physiques directs sans dissimuler son apparence physique.
La méthode est autorisée aussi longtemps qu'elle est nécessaire aux finalités pour lesquelles elle est mise en oeuvre.
Le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport à la Commission tous les deux mois sur l'évolution de la menace qui a nécessité le recours à l'infiltration dans le monde réel. Ce rapport met en évidence les éléments qui justifient soit le maintien de la méthode exceptionnelle, soit la fin de celle-ci.".
"Art. 18/12/1. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, s'infiltrer dans le monde réel, conformément aux directives du Conseil national de sécurité.
Le monde réel vise les relations qui se déroulent principalement avec des contacts physiques directs sans dissimuler son apparence physique.
La méthode est autorisée aussi longtemps qu'elle est nécessaire aux finalités pour lesquelles elle est mise en oeuvre.
Le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport à la Commission tous les deux mois sur l'évolution de la menace qui a nécessité le recours à l'infiltration dans le monde réel. Ce rapport met en évidence les éléments qui justifient soit le maintien de la méthode exceptionnelle, soit la fin de celle-ci.".
Art. 26. Artikel 18/15 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 30 maart 2017, wordt vervangen als volgt:
"Art. 18/15. § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, informatie over de producten, diensten en verrichtingen van financiële aard en betreffende virtuele valuta, met betrekking tot de geviseerde persoon vorderen van:
1° de personen en instellingen bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
2° de personen en instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;
3° het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, van de personen en instellingen bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, vorderen dat de verrichtingen van de geviseerde persoon onder toezicht worden geplaatst.
§ 3. De gevorderde medewerking bedoeld in paragraaf 1, 3°, gebeurt overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
De gevorderde persoon of instelling, bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is ertoe gehouden de gevraagde informatie onverwijld te verstrekken na ontvangst van de schriftelijke vordering van het diensthoofd.
Deze vordering vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de Commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de Commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister. In deze vordering beschrijft de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst eveneens nauwkeurig de informatie die wordt gevorderd en de vorm waarin deze wordt meegedeeld.
§ 4. Iedere gevorderde persoon of instelling die de gegevens weigert mee te delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen.".
"Art. 18/15. § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, informatie over de producten, diensten en verrichtingen van financiële aard en betreffende virtuele valuta, met betrekking tot de geviseerde persoon vorderen van:
1° de personen en instellingen bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
2° de personen en instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;
3° het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, van de personen en instellingen bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, vorderen dat de verrichtingen van de geviseerde persoon onder toezicht worden geplaatst.
§ 3. De gevorderde medewerking bedoeld in paragraaf 1, 3°, gebeurt overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
De gevorderde persoon of instelling, bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is ertoe gehouden de gevraagde informatie onverwijld te verstrekken na ontvangst van de schriftelijke vordering van het diensthoofd.
Deze vordering vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de Commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de Commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister. In deze vordering beschrijft de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst eveneens nauwkeurig de informatie die wordt gevorderd en de vorm waarin deze wordt meegedeeld.
§ 4. Iedere gevorderde persoon of instelling die de gegevens weigert mee te delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen.".
Art. 26. L'article 18/15 de la même loi, inséré par la loi du 4 février 2010 et modifié par la loi du 30 mars 2017, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 18/15. § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, requérir des informations relatives aux produits, services et transactions de nature financière et aux valeurs virtuelles, concernant la personne visée, auprès:
1° des personnes et institutions visées à l'article 5, paragraphe 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles;
3° du point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt.
§ 2. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, exiger des personnes et institutions visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, le placement sous surveillance des transactions de la personne visée.
§ 3. La coopération requise visée au paragraphe 1er, 3°, a lieu conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt.
La personne ou l'institution requise, visée au paragraphe 1er, 1° et 2°, est tenue de remettre sans délai les informations demandées après réception de la réquisition écrite du dirigeant du service.
Cette réquisition mentionne, selon le cas, la nature de l'avis conforme de la Commission, la nature de l'avis conforme du président de la Commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné. Dans la réquisition, le service de renseignement et de sécurité concerné fournit également une description précise des informations requises et détermine la forme sous laquelle elles doivent être communiquées.
§ 4. Toute personne ou institution requise qui refuse de communiquer les données ou qui ne les communique pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition est punie d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement.".
"Art. 18/15. § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, requérir des informations relatives aux produits, services et transactions de nature financière et aux valeurs virtuelles, concernant la personne visée, auprès:
1° des personnes et institutions visées à l'article 5, paragraphe 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles;
3° du point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt.
§ 2. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, exiger des personnes et institutions visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, le placement sous surveillance des transactions de la personne visée.
§ 3. La coopération requise visée au paragraphe 1er, 3°, a lieu conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt.
La personne ou l'institution requise, visée au paragraphe 1er, 1° et 2°, est tenue de remettre sans délai les informations demandées après réception de la réquisition écrite du dirigeant du service.
Cette réquisition mentionne, selon le cas, la nature de l'avis conforme de la Commission, la nature de l'avis conforme du président de la Commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné. Dans la réquisition, le service de renseignement et de sécurité concerné fournit également une description précise des informations requises et détermine la forme sous laquelle elles doivent être communiquées.
§ 4. Toute personne ou institution requise qui refuse de communiquer les données ou qui ne les communique pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition est punie d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement.".
Art. 27. In artikel 20 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de Franse tekst van paragraaf 1 wordt het woord "collaboration" vervangen door het woord "coopération";
2° in paragraaf 2 worden de woorden " binnen de perken van een protocol goedgekeurd door de betrokken ministers," opgeheven;
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De nadere regels voor deze medewerking kunnen in het kader van een protocol worden vastgelegd.".
1° in de Franse tekst van paragraaf 1 wordt het woord "collaboration" vervangen door het woord "coopération";
2° in paragraaf 2 worden de woorden " binnen de perken van een protocol goedgekeurd door de betrokken ministers," opgeheven;
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De nadere regels voor deze medewerking kunnen in het kader van een protocol worden vastgelegd.".
Art. 27. A l'article 20 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, le mot "collaboration" est remplacé par le mot "coopération";
2° au paragraphe 2, les mots ", dans les limites d'un protocole approuvé par les ministres concernés," sont abrogés;
3° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les modalités de ce concours peuvent être fixées dans le cadre d'un protocole.".
1° au paragraphe 1er, le mot "collaboration" est remplacé par le mot "coopération";
2° au paragraphe 2, les mots ", dans les limites d'un protocole approuvé par les ministres concernés," sont abrogés;
3° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les modalités de ce concours peuvent être fixées dans le cadre d'un protocole.".